KamerkringInloggen
Kamerbrief

Schriftelijke antwoorden op een deel van de vragen die zijn gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van maandag 17 november 2025 over het pakket Belastingplan 2026

18 nov 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie b68b3216ece9d3c5 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 34 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 18 november 2025In deze brief treft u, mede namens de Minister van Klimaat en GroeneGroei, de schriftelijke antwoorden op een deel van de vragen die zijngesteld tijdens het wetgevingsoverleg van maandag 17 november 2025over het pakket Belastingplan 2026. De resterende vragen worden opwoensdag 19 november 2025 mondeling beantwoord.De antwoorden in deze brief zijn per wetsvoorstel geclusterd. Daarnaast iseen aantal vragen gesteld die niet direct betrekking hebben op dewetsvoorstellen die geagendeerd waren voor het wetgevingsoverleg.Deze vragen worden aan het einde van deze brief beantwoord, bij hetkopje Overig. In deze brief wordt verder de volgorde van de wetsvoor-stellen in het pakket Belastingplan aangehouden.Wetsvoorstel Belastingplan 2026InkomensbeleidDe heer Oosterhuis heeft gevraagd hoe het kabinet kijkt naar de stapelingvan toeslagen en kortingen. Hij wil graag weten of er nog quick wins zijnop dit gebied, of interessante pilots die gestart zouden kunnen wordenvoor mensen die meer willen gaan werken, bijvoorbeeld rondom eenverzilverbare heffingskorting. De marginale druk is volgens hem nog altijdhoog en ondoorzichtig.Ook het kabinet vindt het belangrijk dat meer werken loont. Op ditmoment ligt de marginale druk voor ruim 80% van de werkenden onderde 60%. Om meer werken meer te laten lonen voor alle groepen is eenhervorming van het belasting- en toeslagenstelsel nodig. Zoals ik in mijnbrief van 31 oktober jl. heb geschreven, is het niet gelukt om deze kst-36812-34ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 341 kabinetsperiode tot een voorstel voor een hervorming te komen.1Inmiddels is het kabinet demissionair, waardoor het aan een volgendkabinet is om keuzes te maken, waarbij het kan putten uit een groot aantalrecente rapporten met analyses, concrete bouwstenen en uitgewerktevarianten.Een quick win is op dit moment dan ook niet voorhanden. Het introdu-ceren van een uitkeerbare heffingskorting vraagt om een zorgvuldigbeleids- en wetgevingstraject met de daarbij behorende toetsen. Zo’nproces neemt naar verwachting meerdere jaren in beslag. Uit onderzoekblijkt overigens dat de uitkeerbare heffingskorting als nieuw typeinstrument geen duidelijke meerwaarde heeft ten opzichte van bestaandetypen instrumenten.2 Hetzelfde financiële voordeel kan aan mensenworden gegeven met bestaande instrumenten zoals toeslagen entoelagen.Op dit moment loopt er vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap wel een pilot om leraren in het primair onderwijs te stimu-leren meer uren te werken.3 Daarnaast heb ik recent een brief gestuurdover een experiment dat laat zien dat het arbeidsaanbod mogelijkverhoogd kan worden door mensen die hun marginale druk overschatten– vooral lagere inkomens – informatie te geven over de feitelijkemarginale druk.4De heer Oosterhuis heeft gevraagd hoe het kabinet borgt dat dekoopkrachtstijging van 2026 niet direct verdampt door stijgende vastelasten. Hij wil graag weten hoe dit past in de bredere ambitie ombestaanszekerheid structureel te versterken.Het positieve koopkrachtbeeld is voor een belangrijk deel het gevolg vangunstige economische ontwikkelingen in 2026. De verwachte loonstijgingvan 4,2% ligt ruim boven de verwachte toename van de consumenten-prijzen met 2,3%. Door de koppeling van de uitkeringen aan de lonenneemt ook de koopkracht van uitkeringsgerechtigden toe in 2026, metnaar verwachting 1,3%. Hierin is dus al rekening gehouden met vastelasten.Een analyse van het kabinet eerder dit jaar, laat verder zien dat definanciële situatie van veel huishoudens rond het sociaal minimumverbeterd is ten opzichte van 2023, mede door de verhogingen van hetkindgebonden budget en de huurtoeslag in de afgelopen jaren. Hetpositieve koopkrachtbeeld in 2026 draagt hier verder aan bij.Voor het structureel versterken van het sociaal minimum is het kabinetvan mening dat het nodig is om te blijven werken aan het vereenvoudigenvan het stelsel van inkomensondersteuning, door het terugdringen vancomplexiteit en afhankelijkheid van toeslagen, en het terugdringen vanniet-gebruik.De heer Grinwis vraagt of het verschil in belastingdruk tussen werkendenen arbeidsongeschikten rechtvaardig is. Het verschil in belastingdruktussen werkenden en uitkeringsgerechtigden ontstaat doordat werkendenrecht hebben op arbeidskorting en, wanneer van toepassing, inkomensaf-hankelijke combinatiekorting over hun arbeidsinkomen. Uitkeringsgerech-tigden hebben dat niet. Beiden kortingen hebben mede als doel omarbeidsparticipatie te stimuleren. De arbeidskorting heeft momenteel eengroter effect op het verschil in netto-inkomen tussen uitkeringsgerech-tigden en werkenden dan bij de invoering hiervan. Dat komt doordat dearbeidskorting de afgelopen jaren regelmatig is verhoogd. Hierdoor is1Kamerstukken I 2025/26, 36.800 IX / 32.140, C.2Zie bijlage 3 bij tussenrapportage Toekomst toeslagen. Kamerstukken II 2022/23, 31 066, nr.1272.3Onder andere Kamerstukken II 2024/25, 31 293, nr. 747.4Kamerstukken II 2025/26, 32 140, nr. 281.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 342 werken meer gaan lonen. De keerzijde hiervan is een steeds groterverschil in belastingdruk met uitkeringsgerechtigden. Dit verschil is in lijnmet de huidige vormgeving van de inkomstenbelasting en denagestreefde doelen van de heffingskortingen. Het verkleinen ofwegnemen van dit verschil maakt het namelijk minder aantrekkelijk om(meer) te werken. Om dit verschil te verkleinen zou een fundamenteleaanpassing van de arbeidskorting nodig zijn. Dit vergt tijd en heeftdraagvlak nodig.De heer Grinwis vraagt naar het proces voor de invulling van de stelpostfiscale regelingen en belastingconstructies. Het kabinet heeft deze stelpostopgenomen in het hoofdlijnenakkoord (HLA). Daarbij is er niet gespecifi-ceerd welke constructies of fiscale regelingen er afgebouwd zoudenworden. Hier is over besloten tijdens de voorjaarsbesluitvorming van ditjaar. Omdat het afbouwen van fiscale regelingen altijd gepaard gaat metpijn bij specifieke groepen, is het moeilijk gebleken om tot een invullingvan de stelpost te komen waar voldoende draagvlak voor was. Daardooris de stelpost uiteindelijk niet volledig ingevuld en is het restant gedektdoor het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor.Verduidelijking fietsregelingDe heer Oosterhuis vindt het goed dat de werkgever een prikkel krijgt omelektrische auto’s ter beschikking te stellen, maar vraagt zich wel af hoeelektrisch rijden aantrekkelijk gemaakt kan worden voor de werknemer.Dat kan bijvoorbeeld door het verlengen van de korting op de bijtellingvanwege privégebruik, maar het is misschien nog beter als eenwerknemer kiest voor de fiets. De heer Oosterhuis benoemt dat deFietsersbond heeft voorgesteld dat werknemers die kiezen voor eenleasefiets, daarnaast ook de onbelaste reiskostenvergoeding kunnenontvangen. Het kabinet heeft als flankerend beleid ook overwogen om dekorting op de bijtelling te verlengen voor emissievrije auto’s, maar heefthier uiteindelijk niet toe besloten vanwege de budgettaire consequenties.Een werkgever kan ervoor kiezen om een fiets aan werknemers terbeschikking te stellen. Voor de onder de inkomstenbelasting vallendeondernemer geldt een soortgelijke bepaling om de onttrekking vast testellen. Als de fiets ook voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld,wordt het belaste voordeel op jaarbasis vastgesteld op 7% van de waardevan de fiets. Als de fiets voor woon-werkverkeer of overige zakelijke rittenwordt gebruikt, is het niet meer mogelijk om daarnaast ook een gerichtvrijgestelde reiskostenvergoeding te betalen. Dat komt doordat dewerkgever de reiskosten al voor haar rekening heeft genomen door defiets ter beschikking te stellen. Er is daarmee al sprake van vervoer datwordt geregeld en gefinancierd door de werkgever. Het kabinet is daaromniet van plan om een aanpassing voor te stellen. Het staat de werkgeveroverigens vrij om naast het ter beschikking stellen van de fiets wel eenonbelaste reiskostenvergoeding te vergoeden als hij deze vergoeding tenlaste van de vrije ruimte brengt. Ik wil verder benadrukken dat hetmomenteel al mogelijk is voor een werkgever om te zorgen dat eenwerknemer fiscaalvriendelijk een fiets kan aanschaffen, met behoud vande gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding. Een werkgever kan namelijkeen zogeheten renteloze personeelslening verstrekken aan eenwerknemer ten behoeve van de aanschaf van een (elektrische) fiets.Normaal gesproken kwalificeert het niet in rekening brengen van rente alsbelast loon. Als de lening wordt gebruikt om een fiets aan te schaffen,geldt voor dit voordeel een nihilwaardering. Deze lening kan vervolgens inmaandelijkse termijnen worden afgelost. In dit geval is de bijtelling nietvan toepassing en kan de werkgever de gericht vrijgestelde reiskostenver-goeding voor woon-werkverkeer blijven toepassen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 343 Mevrouw van Eijk is blij dat een schriftelijke afspraak tussen werkgever enwerknemer genoeg is om vast te leggen dat een fiets van de zaak nietprivé wordt gebruikt, maar ziet wel dat de fiscale regels voor de fiets vande zaak anders uitpakken dan andere fietsregelingen. Dat leidt totonduidelijkheid en maakt het gebruik van de fiets voor woon-werkverkeeronnodig ingewikkeld. Mevrouw van Eijk vraagt daarom of ik bereid ben deverschillen te verkleinen en de regels te vereenvoudigen en, opvolgend, ofik inzicht kan geven in de stappen die benodigd zijn om het kiezen van eenfiets fiscaal aantrekkelijker en eenvoudiger te maken.Werkgevers kunnen zelf bepalen of en zo ja op welke wijze zij eentegemoetkoming geven aan werknemers voor een fiets. Dat kan bijvoor-beeld door:–Een (onbelaste) vergoeding te geven voor de aanschaf van een fietsdoor deze vergoeding ten laste van de vrije ruimte van de werkkosten-regeling te brengen;–Een fiets (onbelast) verstrekken door de waarde in het economischeverkeer van deze fiets ten laste van de vrije ruimte van de werkkosten-regeling te brengen;–Een fiets in bruikleen geven. Hiervoor geldt een bijtelling van 7% vande cataloguswaarde per jaar. Deze bijtelling kan de werkgever ten lastevan de vrije ruimte voor de werkkostenregeling brengen5. Na verloopvan 5 jaar bedraagt de restwaarde van de fiets nihil en kan deze fiets ineigendom worden gegeven aan de werknemer zonder dat sprake isvan een loonvoordeel;–De werkgever neemt de leasekosten van een fiets voor zijn rekening.Afhankelijk van de vormgeving komen de leasekosten6 ten laste van devrije ruimte van de werkkostenregeling of is fiscaal sprake van eenfiets in bruikleen geven (bijtelling);–Een renteloze lening verstrekken voor de aanschaf van een fiets. Hetrentevoordeel wordt op nihil gewaardeerd; en–Een reiskostenvergoeding geven van maximaal € 0,23 per zakelijkekilometer die wordt gereden met de eigen fiets.Dit zijn naar aard en kenmerk verschillende voorzieningen. Het ligtdaarom niet voor de hand om de verschillen tussen de fiscale gevolgenvan deze voorzieningen te verkleinen. Een eventueel vereenvoudigings-voorstel zou kunnen zijn om te regelen dat er wel belasting verschuldigdis als een renteloze lening wordt verstrekt voor de aanschaf van een fiets.Het kabinet is, mede gelet op haar demissionaire status, niet van plan omaanpassingen voor te stellen.Mevrouw Van Dijk vraagt hoe betrokken partijen gaan controleren of eenbedrijfsfiets wel of niet meer dan 10% bij het woon- of verblijfsadreswordt gestald. Dit leidt tot meer administratieve regeldruk. Is het nietmogelijk om de controle tot een bepaald aantal fietsen per werkgever loste laten. Dus dat het bijvoorbeeld mogelijk is om als sprake is van een xaantal medewerkers een x aantal deelfietsen belastingvrij ter beschikkingte kunnen stellen. Als deze grens wordt overschreden, zou de werkgeverbelasting moeten betalen. Ik wil allereerst benoemen dat het doel van devoorgestelde aanpassing is om deelfietsen, zoals hubfietsen, juist vrij testellen van belastingheffing. Een hubfiets is een fiets die op een hub staatergens onderweg op de route tussen het woon- en werkadres. Eenhubfiets gaat daarom per definitie niet mee naar huis. Hierdoor hoeft nietgetoetst te worden of de fiets al dan niet meer dan bijkomstig bij hetwoon- of verblijfadres wordt gestald. Dat deze toets niet nodig is, geldtover het algemeen ook voor andere type deelfietsen, zoals een dienstfietsen een ov-fiets. De dienstfiets staat op de werkplek en wordt afwisselendgebruikt door meerdere werknemers die op eigen gelegenheid naar de5Als wordt voldaan aan de gebruikelijkheidseis.6Als wordt voldaan aan de gebruikelijkheidseis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 344 werkplek zijn gegaan. Ook ov-fietsen zullen alleen in uitzonderingssitu-aties mee naar huis worden genomen. Het kabinet schat daarom in dat deregeldruk wat betreft deelfietsen juist beperkt blijft.Maatregelen lucratiefbelangregelingDe heer Oosterhuis heeft gevraagd of het klopt dat de belastingdruk vanlucratief belanghouders van startups en scale-ups aanzienlijk wordtverhoogd in vergelijking met de ons omringende landen. Met devoorgestelde multiplier in de lucratiefbelangregeling wordt de belas-tingdruk in box 2 verhoogd met maximaal 5%-punt van 31% naar 36%. In2024 en 2025 zijn moties aangenomen van het voormalig lid Idsinga c.s.die het kabinet oproepen om voordelen uit middellijk gehouden lucratievebelangen zwaarder te belasten in box 2.7 Met de voorgestelde multiplierin het Belastingplan 2026 geeft het kabinet uitvoering aan deze moties. Invergelijking met de ons omringende landen komt de belastingdruk inNederland hierdoor wat hoger uit. Wel zien we in de ons omringendelanden ook een opwaartse beweging van de belastingdruk. In bijvoor-beeld het Vereniging Koninkrijk stijgt de belastingdruk naar verwachtingnaar circa 34%. In Duitsland bedraagt de belastingdruk ongeveer 28,5% enin België gaat het effectieve tarief voor carried interest naar verwachtingnaar ongeveer 30%.8De heer Oosterhuis heeft gevraagd hoe het kabinet ervoor zorgt dat dezewijziging niet onevenredig nadelig uitpakt voor innovatieve bedrijven diewerknemersparticipatie gebruiken als financieringsvorm. De voorgesteldemultiplier in de lucratiefbelangregeling beoogt private equitymanagerszwaarder te belasten. Dat doel wordt bereikt met deze maatregel. Hetkabinet heeft geen signalen dat deze maatregel nadelig uitpakt voorinnovatieve bedrijven.De heer Oosterhuis heeft gevraagd waarom de Staatssecretaris hetverstandig vindt om deze wijziging in de lucratiefbelangregeling nu doorte voeren, voordat het nieuwe box 3 stelsel ingaat. Ook de heer Stoffervraagt of het niet beter zou zijn om de invoering van de multipliermaat-regel uit te stellen zodat tot een uitvoerbare oplossing kan wordengekomen. In de Kamerbrief van 13 februari 2025 bij het aanbieden van hetonderzoeksrapport naar de lucratiefbelangregeling heeft het kabinetgewezen op de samenloop met het nieuwe box 3 stelsel.9 In het onder-zoeksrapport is er ook voor gepleit om eerst de invoering van het nieuwebox 3-stelsel af te wachten. Daarnaast is aangegeven dat – rekeninghoudend met de beperkingen in de uitvoering – een multiplier kan wordeningevoerd met ingang van 1 januari 2026. Met het voorstel voor demultiplier geeft het kabinet uitvoering aan de op 4 juli 2025 aangenomenmotie-Idsinga c.s. Er kan worden bezien of de lucratiefbelangregeling endan specifiek de aanmerkelijkbelangvariant nog passend is nadat hetwetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 door het parlement isaangenomen.De heer Oosterhuis heeft gevraagd of is overwogen om een drempel ofvrijstelling in te bouwen voor kleine participaties. Er is niet overwogen omde drempel, vrijstelling of andere afbakening in te bouwen voor detoepassing van de voorgestelde multipliermaatregel. Door geen onder-7Kamerstukken II 2023/24, 25 087, nr. 335 en Kamerstukken II 2024/25, 36 725, nr. 29.8bron: De Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen, d.d. 1 april 2025, blz. 6 vanhun reactie op de internetconsultatie «Alternatieven voor huidige lucratiefbelangregeling» teraadplegen via www.internetconsultatie.nl). Uit een in 2023 verschenen artikel «Carried interesttaxation: the European landscape» in Taxjournal volgt dat belastingheffing op carried interestsin landen zoals het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Italië en Duitsland tussen de 25% en 30% ligt».9Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 225.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 345 scheid te maken tussen bepaalde groepen wordt juist zuiver bij dedoelstelling van de lucratiefbelangregeling aangesloten. Afhankelijk vande vormgeving is een verdergaand onderscheid in sectoren of het typebelang niet juridisch houdbaar is en/of zeer complex. Bij de totstand-koming van de huidige lucratiefbelangregeling is ook aangegeven dat eenverdergaande precisering van het onderscheid tussen normaal enexcessief rendement niet mogelijk is, mede omdat dit zou leiden totontwijkgedrag door belanghebbenden.10 In dat geval zou immers opbetrekkelijk eenvoudige wijze de grens kunnen worden opgezocht van hetgedefinieerde normaal rendement. Verder moet bedacht worden datsituaties waarin wordt gewerkt met carried interest en carried interest-achtige beloningen vaak uiterst ingewikkeld zijn vormgegeven. Het is omdie reden ook ondoenlijk een juiste, sluitende en uitvoerbare definitie vannormaal rendement of excessief rendement te geven waarop de lucratief-belangregeling zou moeten zien. Uiteindelijk komt het aan op hetfeitencomplex van een concrete situatie die moet worden beoordeeld.De heer Vlottes en mevrouw Van Eijk vragen naar de uitvoerbaarheid vande multipliermaatregel. Zij lezen dat de Belastingdienst de maatregeltechnisch zonder IV-ondersteuning per 1 januari 2026 kan uitvoeren, maardat de handhaving wel gebaat is bij een goede IV-ondersteuning. De heerVlottes vraagt wat het nut is van deze maatregel als er geenIV-ondersteuning is en ook wordt verwacht dat de private-equitysectornaar alternatieve structuren zal zoeken.Het kabinet heeft ter uitvoering van de motie-Idsinga c.s. gekozen vooreen maatregel die op korte termijn zowel wetstechnisch als uitvoerings-technisch het minst ingewikkeld is te realiseren, namelijk een heffing meteen multiplier in box 2 voor middellijk gehouden lucratieve belangen. Uitde uitvoeringstoets blijkt dat de Belastingdienst deze maatregel technischzonder IV-ondersteuning per 1 januari 2026 kan invoeren. Dit neemt nietweg dat de handhaving door de Belastingdienst wel baat heeft bij eengoede IV-ondersteuning. Door het ontbreken van goede IV-ondersteuningis het toezicht bewerkelijk, omdat het inkomen niet één-op-één terelateren is aan de ingehouden dividendbelasting. Bovendien ontstaathierdoor ongewenste uitval, die wel beoordeeld zal moeten worden. Ditleidt tot extra uitvoeringslasten bij de Belastingdienst. Een aanpassing vande aangifte inkomstenbelasting, door de voordelen uit lucratief belangexpliciet uit te vragen, zou de Belastingdienst helpen in het toezicht en dehandhaving van de maatregel. Adequate ondersteuning vereist eenstructuurwijziging in de aangifte inkomstenbelasting. Vanwege het volleIV-portfolio in de keten inkomensheffingen is dergelijke ondersteuningvoorlopig niet inpasbaar. Het kabinet is voornemens om de maatregel vaneen goede IV-ondersteuning te voorzien, zodra het IV-portfolio dit toelaat.Belastingplichtigen dienen voor het invullen van een juiste en volledigeaangifte inkomstenbelasting 2026 zelf de voordelen uit een middellijkgehouden lucratief belang met toepassing van de multiplier te verhogen.Hiermee doet het kabinet een beroep op het doenvermogen van dezebelastingplichtigen. Het gaat hier echter doorgaans om belastingplich-tigen die worden bijgestaan door een adviseur. Er zijn signalenopgevangen dat men structuren gaat aanpassen om de tariefsverhogingdoor de multiplier te ontlopen. Door het toegenomen fiscale belang wordtde prikkel groter om fiscaal scherper aan de wind te zeilen. Het kabinetheeft geen aanleiding om aan te nemen dat de multipliermaatregel geeneffect zal hebben zonder goede IV-ondersteuning. Bij het inschatten vande budgettaire opbrengst van de multipliermaatregel is wel rekeninggehouden met het bovengenoemde gedragseffect.10Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 9, p. 10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 346 Mevrouw Van Dijk heeft gevraagd, meer in het algemeen, naar degeschiktheid van deze maatregel. In 2024 en 2025 zijn moties aange-nomen van het voormalige lid Idsinga c.s. die het kabinet oproepen omvoordelen uit middellijk gehouden lucratieve belangen zwaarder tebelasten in box 2.11 Met de voorgestelde multiplier in de lucratiefbelang-regeling in het Belastingplan 2026 geeft het kabinet uitvoering aan dezemoties. In het onderzoeksrapport naar de lucratiefbelangregeling12 en inde memorie van toelichting op het Belastingplan 2026 is het kabinetingegaan op de uitvoerbaarheid en consequenties van deze maatregel.Daarbij is aangegeven dat – rekening houdend met de beperkingen in deuitvoering – een multiplier kan worden ingevoerd met ingang van1 januari 2026. Daarmee wordt recht gedaan aan de aangenomen motiesvan het lid Idsinga c.s. en worden middellijk gehouden voordelen uitlucratief belang zwaarder belast in box 2.Ook geeft mevrouw Van Dijk aan dat de budgettaire opbrengst van demultipliermaatregel wordt gebruikt voor de accijnsverlaging. Hiermee zouvolgens mevrouw Van Dijk een onuitvoerbare maatregel wordenvoorgesteld om dekking te zoeken voor een eenmalige uitgave terwijl weweten dat we deze 45 miljoen per jaar nooit gaan ophalen. Bij hetinschatten van de budgettaire opbrengst van de multipliermaatregel iswel rekening gehouden met een gedragseffect. De opbrengst van demultipliermaatregel wordt geraamd op € 45 miljoen per jaar. Het CentraalPlanbureau heeft de budgettaire raming van de multipliermaatregelgecertificeerd.Aanpassingen groen beleggenDe heer Oosterhuis vraagt om duiding en cijfers rondom de impact vanhet afschaffen van de regeling groenprojecten. Uit het rapport vanRijksdienst voor Ondernemend Nederland «Effecten van de verdereversobering en afschaffing van de fiscale faciliteiten voor groenbeleggen» van 6 februari 202513 blijkt onder andere dat investeringen ingroene projecten in gevaar komen bij afschaffing van deze fiscalefaciliteiten. Het afschaffen van de fiscale faciliteiten voor groene beleg-gingen kan leiden tot het niet of minder innovatief en groen uitvoeren vaninvesteringen. Op basis van de afgegeven groenverklaringen in deafgelopen jaren kan dit per jaar volgens genoemd rapport oplopen totmaximaal 950 projecten met een investeringsbedrag van circa € 1,2miljard.Volgens genoemd rapport heeft de beëindiging van de fiscale voordelenbovendien tot gevolg dat het op korte termijn voor particuliere spaardersminder aantrekkelijk wordt om in een groenfonds te stappen. Dit zal ertoeleiden dat met name spaarders niet instappen of hun spaargeld uit hetgroenfonds terugtrekken. Na beëindiging van de fiscale voordelen houdende groenfondsen op te bestaan en moeten particulieren hun spaargeldelders inleggen, waardoor particulieren naar verwachting minder zullenbijdragen aan klimaattransitie. De Tweede Kamer heeft met hetamendement-Van Eijk/Vermeer14 de fiscale regeling voor groen beleggenversoberd en afgeschaft. Het huidige kabinet is inmiddels demissionair.Het is aan het volgende kabinet om politieke keuzes te maken eneventueel maatregelen voor te stellen die in een wetsvoorstel kunnenworden opgenomen.11Kamerstukken II 2023/24, 25 087, nr. 335 en Kamerstukken II 2024/25, 36 725, nr. 29.12Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 225.13Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 149 en Kamerstukken I 2024/25, 36 602, X.14Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 93.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 347 Akkoord «gezond naar het pensioen»Mevrouw Van Dijk heeft gevraagd naar de onderbouwing voor designaalwaarde van 15.000 nieuwe RVU-deelnemers in het akkoord«Gezond naar het pensioen». De keuze voor de signaalwaarde is nietbudgettair gedreven. Deze signaalwaarde komt voort uit het gebruik vannieuwe RVU-regelingen sinds de invoering van deRVU-drempelvrijstelling in 2021. In 2024 waren dit ruim 13.000 mensen eneen jaar eerder ongeveer 11.500. Deze toename past bij de ontwikkelingvan een nieuwe regeling. Met het akkoord hebben kabinet en socialepartners de RVU vanaf 2026 toegankelijker gemaakt voor mensen met eenlaag inkomen of klein pensioen door een hoger drempelbedrag. Tegelij-kertijd zullen RVU-regelingen beter worden afgebakend op de zwaarte vanhet werk. Op basis daarvan zijn kabinet en sociale partners uitgekomen opeen signaalwaarde van 15.000 om tijdig in gesprek te gaan over degerichte en beheerste inzet van RVU.De heer Stoffer heeft een aantal vragen bij de verhoging van het tarief vande pseudo-eindheffing voor regelingen voor vervroegde uittreding (RVU).Hij heeft daarbij de zorg dat werkgevers daardoor minder geneigd zijn omwerknemers met een inkomen boven de RVU-drempelvrijstelling eenRVU-uitkering aan te bieden. Ook vraagt hij of in beeld is gebracht wat heteffect is van de verhoging van de pseudo-eindheffing op het aantalaangeboden regelingen en tot slot of er andere mogelijkheden zijn omdeze maatregel te dekken. Het doel van de RVU-drempelvrijstelling zoalsverwoord in de memorie van toelichting bij de Wet bedrag ineens, RVU enverlofsparen is om een overbrugging te geven voor de AOW-uitkering.15Werknemers (met hogere inkomens) kunnen de uitkering die ze van dewerkgever ontvangen zelf aanvullen, bijvoorbeeld door het eerder lateningaan van het ouderdomspensioen of het inzetten van spaargeld ofandere vermogensbestanddelen. Door het (in netto termen) gelijkstellenvan de RVU-uitkering aan een AOW-uitkering wordt hiermee voor dewerknemer de situatie van een eerdere AOW-uitkering nagebootst.Daarnaast wordt met het Belastingplan 2026 voorgesteld het bedrag vande RVU-drempelvrijstelling te verhogen met € 300 per maand. Dit maaktde RVU onder andere toegankelijker voor mensen met weinig aanvullendpensioen. Naar verwachting zal het effect van de verhoging van het tariefvan de pseudo-eindheffing beperkt zijn op het aantal aangebodenregelingen. De meeste regelingen keren namelijk uitkeringen uit die nietuitkomen boven de RVU-drempelvrijstelling. Een andere dekking dan hetverhogen van de pseudo-eindheffing is denkbaar. Het kabinet heeft echtermet inachtneming van de gemaakte afspraken uit het akkoord «Gezondnaar het pensioen» gekozen voor deze dekking. De verhoging van deRVU-drempelvrijstelling met € 300 per maand zorgt overigens al wel vooreen voordeel voor werkgevers die een hogere RVU-uitkering willenuitkeren.Versoberen ETK-regelingMevrouw van Dijk merkt op dat de budgettaire opbrengst voor deversobering van de ETK-regeling in het fiche uit het IBO Arbeidsmigratie€ 6 miljoen is, terwijl in het Belastingplan 2026 een opbrengst van € 21miljoen is opgenomen en vraagt of dat betekent dat een stevigere variantwordt ingevoerd en wat daarvan de impact is.Er wordt geen stevigere variant ingevoerd dan in het fiche. De opbrengstvan € 6 miljoen komt uit het SEO-rapport «Kunde, kosten en keuzes» en isgebaseerd op de aanname dat het wegvallen van de kostensoort volledigwordt opgevuld door een andere soort (huisvestingskosten of reiskosten),15Kamerstukken II 2019/20, 35 555, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 348 indien de werknemer nog niet-uitgeruilde ET-kosten heeft, en is in prijzenen aantallen uit 2023. In de raming in het Belastingplan is aangenomendat een deel (50%) van de kosten opgevuld wordt. Dit is gebaseerd op hetfeit dat veel kosten in de huidige regeling ook al niet uitgeruild wordenterwijl dit wel mogelijk is. Verder is de raming in het Belastingplan inprijspeil 2025 en volume 2026. Hierdoor is de opbrengst in het Belas-tingplan 2026 hoger dan in het fiche.Verder vraagt mevrouw van Dijk naar het onderscheid tussen ingekomenen uitgaande werknemers waarbij de versobering van de ETK alleen voorde eerstgenoemde categorie geldt en of hiermee een verschuiving in dehand wordt gewerkt.De versobering van de ETK-regeling heeft als doel om een gelijk speelveldte creëren tussen inkomende werknemers die gebruik maken van deETK-regeling en lokale werknemers. De afschaffing van de onbelastevergoeding voor extra kosten van levensonderhoud die het gros uitmaaktvan de voorgestelde versobering beoogt om ingekomen werknemersonbelast te compenseren voor de hogere kosten van levensonderhoud inNederland ten opzichte van hun land van herkomst. Het kabinet is vanmening dat een dergelijke onbelaste vergoeding een gelijk speelveldtegenwerkt doordat inkomende werknemers al voor de hogere kosten vanlevensonderhoud in Nederland worden gecompenseerd door een (veel)hoger minimumloon in Nederland dan in hun land van herkomst.Uitgaande Nederlandse werknemers behouden tijdens een tijdelijketewerkstelling in het buitenland veelal hun Nederlandse loon, waardoor zijniet automatisch gecompenseerd worden voor een eventueel hogerprijspeil in het werkland.Een tweede doelstelling van de versobering van de ETK-regeling isarbeidsmigratie, met name van laagproductieve arbeid, te verminderen.Het verwachte effect van de versobering op de ETK-regeling is echterbeperkt. De oorzaak hiervan is dat het kunnen gebruiken van deETK-regeling maar in zeer beperkte mate een rol speelt in de beslissingvan arbeidsmigranten om in Nederland te gaan werken. De hoogte vanhet Nederlandse minimumloon en andere voordelige (secundaire)arbeidsvoorwaarden spelen hierin een veel belangrijkere rol. Dit wordtook bevestigd in het rapport naar aanleiding van de evaluatie van deETK-regeling door SEO Economisch Onderzoek.16Mevrouw van Dijk vraagt of de versobering van de ETK-regeling uitbuitingvan arbeidsmigranten in de hand werkt.Het kabinet ziet geen direct verband tussen de voorgestelde versoberingvan de ETK-regeling enerzijds en uitbuiting van arbeidsmigrantenanderzijds. Uitbuiting van arbeidsmigranten heeft veelal betrekking oploonbetalingen, arbeidstijden, huisvesting, vervoer, inhoudingen, zorg enafhankelijkheid. Deze zaken staan niet in rechtstreeks verband met de nuvoorgestelde maatregel om extra kosten van levensonderhoud entelefoonkosten niet langer te rekenen tot de ETK die onbelast vergoedkunnen worden op basis van een gerichte vrijstelling. De kosten vandubbele huisvesting en reiskosten van en naar het land van herkomstworden niet aangepast op basis van de voorgestelde versobering.Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenvervoerDe heer Vermeer stelt dat elektrische leaseauto’s na de leasetermijn intoenemende mate verdwijnen naar het buitenland door gebrek aanbinnenlandse vraag. Hij stelt dat de pseudo-eindheffing als gevolg heeftdat Nederland meer zakelijke elektrische auto’s stimuleert met belas-tinggeld en die auto’s vervolgens naar het buitenland gaan. De heerVermeer vraagt of de Nederlander dan niet betaalt voor de transitie in16Kunde, kosten en keuzes. Evaluatie 30%-regeling, extraterritoriale kostenregeling & partiëlebuitenlandse belastingplicht 2016–2022Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 349 andere landen en of het verstandig is deze heffing door te voeren. Hetinvoeren van een pseudo-eindheffing heeft als gevolg dat de aanschaf vanelektrische auto’s en daarmee ook het aanbod van tweedehandselektrische auto’s stijgt. Het kabinet verwacht dat de binnenlandse vraagnaar tweedehands elektrische auto’s zal toenemen naarmate er meertweedehands nulemissieauto’s worden aangeboden in verschillendeuitvoeringen en prijsklassen.De heer Stoffer vraagt of de administratieve last die is verbonden aan depseudo-eindheffing voor fossiele auto’s niet te hoog is voor kleinerewerkgevers. De heer Stoffer vraagt of de administratieve lastendruk inkaart is gebracht en hoe kleine werkgevers worden ondersteund bij deuitvoering van deze maatregel. Allereerst is het ook voor kleinewerkgevers mogelijk om ervoor te kiezen alleen nulemissieauto’s aan hunwerknemers ter beschikking te stellen, dan wel het gebruik van eenfossiele personenauto te beperken tot de zakelijke ritten, niet zijndewoon-werkverkeer. In het eerste geval is er geen aanvullende administra-tieve last en in het tweede geval is een sluitende rittenregistratievoldoende om de pseudo-eindheffing te vermijden. Om de administra-tieve last zo beperkt mogelijk te houden is het mogelijk om na afloop vanhet kalenderjaar het aantal ter beschikking gestelde fossiele personen-auto’s waarvoor privégebruik (inclusief woon-werkverkeer) is toegestaan,in een keer in kaart te brengen. Vervolgens kan voor die groep auto’sineens de pseudo-eindheffing worden aangegeven en afgedragen.Hiervoor heeft de werkgever alleen de cataloguswaarde nodig, waarover12% pseudo-eindheffing berekend moet worden, waarbij alleen een prorata berekening nodig is als een fossiele personenauto niet het hele jaarter beschikking is gesteld. De pseudo-eindheffing wordt afgedragen via deaangifte loonheffingen. Kleine werkgevers hebben de loonadministratievaak uitbesteed. Als een werkgever de pseudo-eindheffing lieververspreid over het kalenderjaar wil afdragen is dat ook mogelijk. DeBelastingdienst zal via de reguliere kanalen werkgevers informeren overdeze maatregel. Ook een inwerkingtreding per 2027 heeft als gevolg dat(kleine) werkgevers zich nog een jaar kunnen voorbereiden op dezeheffing.Belastingvermindering energiebelastingDe heer Oosterhuis merkt op dat het wetsvoorstel Belastingplan 2026 eenverlaging van de energiebelasting kent van € 9,30. Hij merkt daarbij opdat dit naar schatting € 100 miljoen kost. Hij vraagt of dit echt het verschilgaat maken. Daarbij vraagt hij waarom deze belastingvermindering nietgerichter wordt ingezet, bijvoorbeeld voor woningisolatie of huurders metlage inkomens.De verhoging van de vermindering met € 100 miljoen leidt in 2026inderdaad tot een voordeel van € 9,30 ten opzichte van het basispad. Hetkabinet vindt het belangrijk dat de energierekening voor alle huishoudenswordt verlaagd. Een verhoging van de belastingvermindering is de meesteenvoudige manier om de energierekening te verlagen voor allehuishoudens. Daarnaast neemt het kabinet een aantal gerichte maatre-gelen met betrekking tot de energierekening zoals is toegelicht in dememorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Het kabinet zet onder meerin op gerichte maatregelen zoals een subsidie aan het tijdelijke noodfondsenergie in 2025 en de komende jaren wordt met middelen uit het SocialClimate Fund ingezet op een volledig publiek energiefonds.17De heer Grinwis wijst op de motie Van Hijum waarin is verzocht om debelastingvermindering in de energiebelasting uitsluitend nog op17Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3, p. 99–100.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3410 huishoudens toe te passen (Kamerstuk 36 800, nr. 31). Hij merkt daarbij opdat ik bij brief aan uw Kamer heb aangegeven dat de maatregel in elkgeval uitvoerbaar is per 2029 en dat deze wordt voorbereid voor hetwetsvoorstel Belastingplan 2027. De heer Grinwis vraagt of de opbrengstzou kunnen worden ingezet om de energiebelasting op elektriciteit in deeerste en tweede schijf te verlagen vanaf 2027 om de afschaffing van desalderingsregeling te verzachten.De maatregel is inderdaad in elk geval uitvoerbaar per 2029. De budget-taire opbrengst kan daarom vanaf 1 januari 2029 worden aangewend.Op dit moment wordt de opbrengst van de maatregel in 2029 geraamd op€ 419 miljoen. In de motie is opgeroepen om de opbrengst in te zettenvoor een verhoging van de belastingvermindering. Het zou dan in 2029per huishouden gaan om een voordeel van € 45, ongeacht het verbruik.Zou de opbrengst worden gestoken in een verlaging van de tarieven vande eerste en tweede schijf, dan gaat het om 1,5 cent per kWh. Voor eenhuishouden met gemiddeld verbruik van 2.550 kWh18 is het voordeel dan€ 39. Het precieze voordeel hangt af van het elektriciteitsverbruik.Over beide mogelijkheden merk ik nog het volgende op. Huishoudens meteen hoger inkomen die relatief meer verbruiken hebben naar verhoudingmeer profijt van een tariefverlaging dan huishoudens met een lagerinkomen die relatief minder verbruiken. Huishoudens met zonnepanelennemen over het algemeen relatief minder elektriciteit van het net af, dusprofiteren zij in sommige gevallen mogelijk minder van een tariefver-laging dan een huishouden met gemiddeld verbruik (dus minder dan€ 39). Huishoudens met zonnepanelen hebben daarom mogelijk meerprofijt van een verhoging van de belastingvermindering (€ 45) dan vaneen tariefverlaging. Een uitzondering kan gelden voor huishoudens dieuitsluitend nog elektriciteit gebruiken, ook voor de verwarming van dewoning. Deze huishoudens nemen in sommige gevallen meer dangemiddeld elektriciteit af van het net, ook als zij zonnepanelen hebben.Voor deze specifieke groep kan een tariefverlaging gunstiger zijn dan eenverhoging van de belastingvermindering. Het voordeel van een verhogingvan de belastingvermindering zou na de toespitsing op huishoudensvolledig ten goede komen aan huishoudens. Een tariefverlaging komt ookterecht bij bedrijven.Ophoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leidingwaterMevrouw Van Dijk vraagt of het primaire doel van de maatregel in debelasting op leidingwater nu budgettair is, of waterbesparing. Daarbijwijst zij op kosten in bepaalde essentiële sectoren zoals zorg, farmaceu-tisch en voedingsmiddelenindustrie die veel hoger worden terwijl zij geenalternatief hebben. Overwegende dat data over mogelijkheden per sectorom ook niet-drinkwater te gebruiken niet bekend zijn, vraagt mevrouwVan Dijk of de Staatssecretaris niet iets te simpel concludeert dat dezekosten door te berekenen zijn aan de consument?Zoals in de Nota naar aanleiding van het Verslag is toegelicht is hetprimaire doel van het afschaffen van het heffingsplafond in de belastingop leidingwater budgettair. Uit eerder onderzoek is namelijk gebleken datbeprijzing van water beperkt tot waterbesparing leidt.Voor sectoren met het grootste verbruik is niet bekend in hoeverre zij instaat zijn kostprijsverhogingen door te rekenen aan klanten/gebruikers. Bijhet huidige tarief van de belasting op leidingwater van € 0,425 perkubieke meter neemt de prijs boven het huidige heffingsplafond slechtsbeperkt toe (namelijk: € 0,0004 per liter).18In 2025 wordt voor een huishouden met gemiddeld verbruik gerekend met 1.870 kWh. In 2027stijgt dat naar verwachting naar 2.550 kWh door het afschaffen van de salderingsregeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3411 In het voortraject naar deze maatregel is op basis van het recente rapport«Verkenning beprijzen watergebruik» van Witteveen en Bos19 eenschatting gemaakt van de lastenstijging bij afschaffing van het heffings-plafond voor sectoren waarin veel drinkwater wordt verbruikt. Naast hetvoorbeeld van de sector gezondheidszorg, zoals in de Nota naaraanleiding van het Verslag genoemd, is een schatting gemaakt van delastenstijging voor verbruikers van drinkwater in de voedingsmiddelenin-dustrie, de farmacie en de chemie. Hierbij is gekeken naar de 25e, 50e, 75een 95e percentielen van drinkwaterverbruikers binnen deze sectoren, zieonderstaande tabel.Tabel 1: 25e, 50e, 75e en 95e percentielen van drinkwaterverbruikersSectorLasten-stijging 25epercentieldrinkwater-verbruikersbinnen sector(in euro/jaar)Lasten-stijging 50epercentieldrinkwater-verbruikersbinnen sector(in euro)Lasten-stijging 75epercentieldrinkwater-verbruikersbinnen sector(in euro)Lastenstijging95e percentieldrinkwater-verbruikersbinnen sector(in euro)Voedingsmid-delenindustrie2.5005.10014.400115.500Chemie3.0007.20020.20096.100Farmacie2.5004.90015.300150.700Gezondheidszorg2.6005.0009.90039.800 Uit deze data blijkt dat de 5% met het hoogste waterverbruik in devoedingsmiddelenbedrijven en farmaciebedrijven gemiddeld € 115.500 en€ 150.700 per jaar meer zullen betalen. Het rapport van Witteveen en Bosnoemt echter ook dat water vaak maar een gering deel van de totalekostprijs uitmaakt, waardoor deze maatregel maar tot een beperktestijging in de totale kosten zal zorgen.Door de grondslag van de belasting op leidingwater te beperken tot watervan drinkwaterkwaliteit valt de lastenverhoging in veel gevallen lager uit.Water dat niet van drinkwaterkwaliteit is – denk aan industriewater ofkoelwater dat door de industrie wordt gebruikt – valt door deze wijzigingnamelijk buiten de heffing. Ook biedt de geleidelijke afschaffing van hetheffingsplafond grootverbruikers waar mogelijk de gelegenheid om tijdigte investeren in waterbesparende of substitutie maatregelen en zolastenverhoging te beperken.Hervormingen afvalstoffenbelastingDe heer Stoffer vraagt of het niet beter is om een pas op de plaats temaken bij het schrappen van deze vrijstelling met het oog op de ontwik-keling van monoverbranding. De vrijstelling voor het verbranden vanzuiveringsslib heeft een negatief oordeel gekregen in de evaluatie van deafvalstoffenbelasting uit 2024. Bovendien vormt de vrijstelling eenbelemmering voor het gebruik van hoogwaardigere alternatieven van deverwerking van zuiveringsslib bij monoverbranders. Door het schrappenvan de vrijstelling wordt deze belemmering weggenomen en juist eenprikkel gegeven om zuiveringsslib zoveel mogelijk door monoverbranderste verwerken.Voorts vraagt de heer Stoffer of de Staatssecretaris kan toezeggen dat deUitvoeringstoets decentrale overheden alsnog wordt uitgevoerd met deUnie van Waterschappen. De Unie van Waterschappen is in een vroegstadium betrokken bij de voorgestelde maatregel. In de periode vanaf19Kamerstukken II, 2024/2025, 27 625 nr. 691, bijlage: Witteveen en Bos, «Verkenning beprijzenwatergebruik».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3412 november 2024 is meermaals ambtelijk overleg geweest tussen de Unievan Waterschappen en het Rijk. Ook heeft er een gezamenlijk bezoek aaneen slibverbrander plaatsgevonden en heeft de Unie schriftelijk haarzienswijze en de (financiële) gevolgen van het afschaffen van devrijstelling naar voren gebracht. Het kabinet heeft deze informatiemeegewogen in haar besluitvorming, die dan ook zorgvuldig tot stand isgekomen. De inschatting van het kabinet is dat een aanvullende Uitvoe-ringstoets decentrale overheden geen nieuwe informatie oplevert en isderhalve niet nodig.De heer Stoffer vraagt waarop het kabinet haar raming van deopbrengsten van € 1 miljoen met betrekking tot het schrappen van devrijstelling zuiveringsslib heeft gebaseerd. Zeker als het tarief van deafvalstoffenbelasting nog verder gaat stijgen. De grondslag voor deraming is gebaseerd op data van Rijkswaterstaat over de stroomzuiveringsslib die niet wordt aangeboden bij Nederlandse monover-branders. Deze stroom zuiveringsslib valt onder te verdelen in eenexportstroom en een deel dat wordt aangeboden bij Nederlandse AVI’s.De meeste zuiveringsslib gaat nu naar het buitenland en wordt daarverbrand in monoverbranders. Een klein deel wordt in Nederlandseafvalverbrandingsinstallaties verbrand. Als de vrijstelling vervalt, blijft hetaanbieden van zuiveringsslib bij monoverbranders vrijgesteld vanafvalstoffenbelasting. Daarnaast zal sprake zijn van een gedragseffect: deverwachting is dat door het vervallen van de vrijstelling een deel van dezuiveringsslib dat wordt aangeboden bij Nederlandse AVI’s zal verplaatsennaar buitenlandse monoverbranders. Hierdoor is het resulterendebelastbare zuiveringsslib na het schrappen van de vrijstelling zeer beperkt.Deze grondslag is vermenigvuldigd met het huidige tarief van de ASB watresulteert in een opbrengst van € 1 mln. Bij een verhoging van het ASBtarief neemt de opbrengst van het belasten van zuiveringsslib toe en dit isin het Belastingplan opgenomen maatregelenpakket toegerekend aan deverhoging van het tarief.Tot slot vraagt de heer Stoffer waarop het kabinet zich heeft gebaseerd dathet pakket aan maatregelen een beperkte kostenstijging voor bodemsa-nering tot gevolg heeft. De hoogte van de kostenstijging is afhankelijk vande mate van verontreiniging en welk gedeelte er uiteindelijk moet wordengestort. Dit zal alleen het geval zijn bij ernstige vormen van verontrei-niging. Bij het reinigen van vervuilde grond ontstaat een residu van circa33%. Bij een kostenstijging van de afvalstoffenbelasting van € 53,25 perton nemen de kosten voor bodemsanering bij deze type van verontrei-niging met ongeveer € 17 per ton toe. Of deze kostenstijging eenbelemmering vormt voor woningbouw is afhankelijk van de situatie. Alsde veroorzaker van de verontreiniging is te achterhalen is deze in principeaansprakelijk voor de sanering.De heer Vermeer vraagt of er ook een kans is dat, vanwege de verslech-terde business case van AVI’s, het Aramis project überhaupt nietgerealiseerd zal worden door gebrek aan investeringen? De voorgesteldeaanpassingen aan de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallatiesverstevigen de prijsprikkel om CCS (CO2-afvang) toe te passen. HetPlanbureau voor de Leefomgeving raamt in de Klimaat- en Energiever-kenning 2025 dan ook een extra CO2-reductie als gevolg van de aange-scherpte CO2-reductie voor AVI’s. Tegelijkertijd wijst consultancybureauTrinomics in de impactanalyse erop dat het toepassen van CCS weliswaarrendabeler wordt, maar dat de business case voor AVI’s om te gaaninvesteren in CCS onzekerder wordt. AVI’s kunnen voor een groot deel vande CCS-kosten een subsidie krijgen. Het kabinet heeft wel duidelijk deoproep van de sector gehoord om te werken aan investeringszekerheidvoor afvalverbrandingsinstallaties. Zoals in eerdere beantwoordingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3413 vermeld is een onlangs ingestelde Werkgroep Afvalsector daaromverzocht om te komen tot een: (1) overeenkomst die investeringszekerheidbiedt voor verduurzaming van afvalverbranding en (2) een lijst van optiesvoor uitwerking van (alternatieven voor) de lastenverzwarende maatre-gelen binnen het domein van afvalverwerking zoals aangekondigd in devoorjaarsbesluitvorming. De intentieverklaring investeringszekerheid is op22 oktober jl. aan uw Kamer gestuurd. Naast AVI’s zullen ook andereindustriële partijen naar verwachting kiezen voor CCS, waardoor ervoldoende vraag zal zijn naar CO2-opslag van het Aramis project.De heer Vermeer vraagt daarnaast of de overheid geen risico loopt dat zijvanwege de volloopgarantie moet gaan betalen, vanwege het mislukkenvan Aramis. Tot slot vraagt de heer Vermeer of met de budgettaireconsequenties rekening is gehouden als er sprake is van dit risico. Hetkabinet zal voorwaarden verbinden aan de subsidie die wordt ingezet omhet vollooprisico van de Aramis-infrastructuur gedeeltelijk af te dekken. Zomoet er sprake zijn van een solide businesscase, een minimaal gecontrac-teerd startvolume aan CO2, en uitzicht op nieuwe klanten. Daarnaastwordt de subsidie pas verstrekt zodra de initiatiefnemers een definitieveinvesteringsbeslissing hebben genomen. Verder tonen verschillendestudies van TNO en PBL aan dat er op termijn voldoende CO2-volumes viahet Aramis-initiatief zullen worden opgeslagen. Het kabinet verwacht danook dat de Aramis-infrastructuur rendabel zal zijn en dat de subsidievolledig of grotendeels zal worden terugbetaald. Het kabinet heeft bij devoorjaarsbesluitvorming middelen gereserveerd om het vollooprisico vande Aramis-infrastructuur gedeeltelijk af te dekken. Er is dus rekeninggehouden met een budgettaire risico.De heer Vermeer vraagt of het niet beter was geweest om in de budget-taire raming van de afvalmaatregelen rekening te houden met grondsla-gerosie in de afvalstromen als gevolg van meer export, in plaats vanrekenen met een gelijkblijvende exportstroom. Het precieze effect van defiscale maatregelen op de export van afval is van veel verschillendefactoren afhankelijk en daardoor moeilijk te ramen. Onder de afvalstoffen-belasting wordt export van afval ook belast, waardoor een hogereafvalstoffenbelasting naar verwachting niet leidt tot extra export van afvalen de opbrengsten van de afvalstoffenbelasting niet zullen eroderenindien er een toename van export plaatsvindt. Voor de CO2-heffing geldtdit niet. De verhoogde CO2-heffing geldt namelijk niet voor het afval datwordt geëxporteerd. Hierdoor is zoals in het rapport van Trinomics ookwordt gesteld dus wel een risico op verplaatsing van afvalstromen naarhet buitenland. De CO2-heffing heeft echter als doel om AVI’s een extraprikkel te geven om over te stappen op CCS. Als een AVI CCS toepast, danblijft afval verbranden in Nederland goedkoper dan in het buitenland. Alseen AVI geen CCS toepast en CO2-heffing betaalt, dan kan verbranden vanafval in Nederland duurder worden dan het verbranden van Nederlandsafval in het buitenland. In de budgettaire raming van de CO2-heffing isgerekend met een reductie van de binnenlandse afvalstroom en dehoeveelheid geëxporteerd afval in absolute termen gelijk gehouden, bijdeze aanname zit echter zoals eerder aangegeven onzekerheid. Inrelatieve zin neemt de hoeveel geëxporteerd afval in de raming echter weltoe.Aanpassing zuiveldefinitieDe heer Grinwis vraagt naar de contourenbrieven die zijn verstuurd overde omzetting van de huidige verbruiksbelasting naar een gedifferenti-eerde verbruiksbelasting op basis van het suikergehalte van de drank. Hijvraagt hoe het kabinet tegenover de scenario’s IV en hoger staat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3414 Door het (vorige en huidige) kabinet zijn verschillende scenario’s uiteenzetvoor de omzetting van de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrijedranken (met een vlak tarief dat voor alle belaste dranken gelijk is,namelijk € 26,13) naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op basisvan het suikergehalte van de drank. De Kamer is over deze scenario’s ineen tweetal brieven geïnformeerd.20 In de brieven werd ingegaan op deverschillende afwegingen die gelden voor ieder scenario, zoals gezond-heidsaspecten, uitvoeringsaspecten, Europeesrechtelijke (staatssteun-)aspecten, tarieven en de koppeling tussen het tarief van de verbruiksbe-lasting en het minimumbedrag in de bieraccijns.Onder scenario I worden alle dranken belast op basis van het suikerge-halte van de drank. Dat geldt ook voor de dranken die nu zijn uitgezonderd(zuivel- en sojadranken en mineraalwater). Onder de scenario’s dievolgen, wordt steeds een extra categorie dranken uitgezonderd. In dekabinetsbrieven is steeds uiteengezet wat dit doet met de tarieven van denog wél belaste dranken. Voor een budgetneutrale omzetting geldt: hoemeer dranken worden uitgezonderd, hoe hoger de tarieven worden voorde nog wel belaste dranken.Onder de scenario IVa worden vruchten- en groentesappen belast ondereen lager tarief en onder scenario IVb worden vruchten- en groentes-appen helemaal uitgezonderd. Onder scenario V worden alleen drankenmet toegevoegde suikers belast, en onder scenario VI worden naastmineraalwater, zuivel- en sojadranken en pure vruchten- en groentes-appen ook andere plantaardige zuiveldranken uitgezonderd van deverbruiksbelasting.21Het kabinet heeft aangegeven op dit moment niet over te gaan tot hetvoorbereiden van een wetsvoorstel waarmee één van de scenario’s vooreen gedifferentieerde verbruiksbelasting wordt gerealiseerd. Eerdernoemde het kabinet haar demissionaire status hiervoor als reden. Om toteen consistente en houdbare opzet van een nieuw stelsel te komen,moeten over al voornoemde onderwerpen (gezondheidsaspecten,uitvoeringsaspecten, Europeesrechtelijke (staatssteun)aspecten, tarievenen de koppeling tussen het tarief van de verbruiksbelasting en hetminimumbedrag in de bieraccijns) beslissingen worden genomen. Diegaan niet in de minste plaats over de tarieven. In onderstaande tabel zijnschattingen van de tarieven van scenario IVb weergeven. Tarieven in descenario V en VI zijn naar verwachting nog hoger.20Kamerstukken II 2023/26, 32 140, nr. 186 en Kamerstukken II 32 140, nr. 268.21Kamerstukken II 2023/26, 32 140, nr. 186 en Kamerstukken II 32 140, nr. 268.Tabel 2: indicatieve tarieven voor scenario IVb11 Kamerstukken II 2023/26, 32 140, nr. 186. De tarieven zijn berekend door het RIVM. Het RIVM was al betrokken bij het onderzoek naar de mogelijk-heden voor een gedifferentieerde verbruiksbelasting op basis van suiker dat op 6 juli 2023 met uw Kamer is gedeeld. Voor de berekening van detarieven is gebruik gemaakt van het model dat door het RIVM in dat onderzoek is gebruikt. Het betreft mogelijke tarieven die lineair oplopen envoldoen aan de volgende voorwaarden: budgetneutraliteit, lineair oplopende tarieven om herformulering door de producent en gedragsveran-dering door de consument te stimuleren, en gelijke tarieven voor iedere soort drank. Een nadere toelichting op de berekeningen is te vinden in eenseparate publicatie van het RIVM te raadplegen via: https://www.rivm.nl/publicaties/verbruiksbelasting-alcoholvrije-dranken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3415 Vanwege de impact van dergelijke stijgingen acht het kabinet het niet inlijn met haar demissionaire status hiertoe over te gaan. Dit geldt ook voorbijvoorbeeld de vraag of het minimumbedrag in de bieraccijns zal moetenworden verhoogd. Op dit moment is het minimumbedrag in de bieraccijnsnamelijk gelijk aan het tarief van de verbruiksbelasting van alcoholvrijedranken, vanwege het uitgangspunt dat het onwenselijk is alcoholhou-dende dranken lager te belasten dan alcoholvrije dranken («bier niet lagerbelasten dan fris»). Indien aan dit uitgangspunt wordt vastgehouden, zalhet minimumbedrag in de bieraccijns onder scenario IVb óók moetenworden verhoogd naar € 52,75.Dit alles maakt dat de keuze voor een nieuw stelsel wordt overgelaten aaneen nieuw kabinet.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneMevrouw Van Eijk vraagt hoe voorkomen wordt dat het Pakket Belas-tingplan 2026 verdere vertraging veroorzaakt in cruciale moderniserings-trajecten. Zij wil weten elke maatregelen de uitvoering kunnenbeschermen tegen nog meer stapeling. Zet het kabinet echt elke mogelijkestap om de uitvoering te versnellen? Ook informeert mevrouw Van Eijk ofde programmeurs die nog met Cool:Gen kunnen werken, al hun tijdbesteden aan programmeren. Of lopen zij net als veel andere IT’ers bij deoverheid vast in procedures, vergaderingen en knellende regels?Om te borgen dat de Belastingdienst nieuwe beleidswensen goed kanuitvoeren worden de gevolgen voor de uitvoering bij nieuwe wet- enregelgeving in kaart gebracht. Samenwerking tussen beleid en uitvoeringaan de voorkant, vooruitkijken en voorspelbaarheid zijn daarbij noodza-kelijk om tot goed uitvoerbaar beleid te komen. Dit zorgt er ook voor datde effecten van nieuw beleid op de uitvoering zo vroeg mogelijk kunnenworden meegewogen in de (politieke) besluitvorming. Uiteindelijk wordtvoor elke maatregel een uitvoeringstoets opgesteld. Voor het pakketBelastingplan 2026 geldt dat het overgrote deel van de maatregelenbeperkte impact heeft op de Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en deDouane.De kennis en expertise van verouderde programmeertalen als Cool:Genwordt steeds schaarser binnen én buiten de Belastingdienst. Ook is hetcomplex om wetswijzigingen snel en eenvoudig door te voeren in dehuidige ICT-systemen. Om deze redenen heeft de modernisering van deICT de hoogste prioriteit. Via het meerjarenportfolio wordt elke periodiekgekeken naar de beschikbare capaciteit en de huidige opgave.Op twee momenten in het jaar wordt uw Kamer meegenomen in hetactuele inzicht in de samenloop van nieuw beleid en uitvoering. De fiscalebeleids- en uitvoeringsagenda bevatte een eerste beeld.22 Het Overzichtuitvoerbaarheid bevat een verdieping en actualisatie van dit beeld.23 Deuitvoeringstoetsen bieden een goede basis voor een beeld van desamenloop van de maatregelen. In het overzicht uitvoerbaarheid wordtook inzicht gegeven in de beleidsruimte per keten en de mogelijkhedenvoor aanpassingen van beleid. Hierbij is rekening gehouden met demoderniseringsopgave. Met deze informatie geeft de Belastingdienstinzicht in de ruimte die er is voor (alternatieve) politieke keuzes en deconcrete deadlines waarvoor beleidsaanpassingen bekend moeten zijnzodat de Belastingdienst deze nog tijdig tot uitvoering kan brengen.Op 24 april jl. heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd overhet advies van het Adviescollege ICT-toetsing met betrekking tot hetproject over de uitfasering van Cool:Gen.24 De Belastingdienst wil deschaarse capaciteit die beschikbaar is voor de uitfasering van Cool:Gen,22Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 25123Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 624Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1500Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3416 zoveel mogelijk ontzien van eventuele andere werkzaamheden. DeBelastingdienst onderzoekt continu hoe de productiviteit op dit gebied kanworden versterkt.Wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2026Uitzonderen Belastingdienst en Douane Wet modernisering elektronischbestuurlijk verkeerMevrouw van Eijk vraagt of de Staatssecretaris kan toezeggen dat debezwaarfase – en het volledig digitaal kunnen indienen van bezwaar –versneld wordt opgepakt binnen het ingroeipad naar 2030 in het kadervan de volledige aansluiting op de Wet modernisering elektronischbestuurlijk verkeer en wanneer de Kamer kan verwachten dat digitaalbezwaar voor alle soorten belastingen beschikbaar is. Voor de in omvangbelangrijkste belastingmiddelen, die zorgen voor de grootste bezwaar-stromen, zoals de inkomstenbelasting en omzetbelasting, kan eenbelastingplichtige al digitaal bezwaar indienen. De Belastingdienst werktaan de hand van een roadmap toe naar de situatie dat voor alle belasting-middelen digitaal bezwaar kan worden ingediend, uiterlijk per 2030. Dezeroadmap is zorgvuldig opgesteld, met inachtneming van IV-, ICT-, enpersonele capaciteit, maar ook van het effect op burgers en bedrijven.Burgers en bedrijven zijn er daarom het meest bij gebaat dat de Belasting-dienst aan de hand van de roadmap voor alle berichtenstromen aan deWet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer kan voldoen. Ook deDouane werkt aan de hand van een plan van aanpak aan de implemen-tatie van de wet, om ervoor te zorgen dat per 2030 het maken vanbezwaar via de digitale route mogelijk is.Tijdelijk overgangsrecht fonds voor gemene rekeningMevrouw Van Eijk vraagt of het kabinet bereid is het voorgesteldetijdelijke overgangsrecht voor het fonds voor gemene rekening (fgr) teverruimen naar alle fondsen die na 31 december 2024 worden opgericht.Het voorgestelde overgangsrecht geldt alleen voor fondsen die reeds op31 december 2024 bestonden en fiscaal transparant waren. Enkel voor diefondsen bestaat het risico dat er twee opeenvolgende wijzigingen vanfiscale kwalificatie plaats zullen vinden binnen een relatief kort tijdsbestek.Eerst van fiscaal transparant naar fiscaal niet-transparant per 1 januari2025, omdat deze fondsen voldoen aan de definitie van fgr zoals die per1 januari 2025 geldt. En vervolgens een wijziging van fiscaalniet-transparant naar transparant als gevolg van de mogelijke toekom-stige wijziging van die definitie (op zijn vroegst in 2027). Deze overgangenzorgen ervoor dat openings- en slotbalansen opgesteld moeten wordenmet eventuele afrekeningsverplichtingen tot gevolg bij het fonds en bij departicipanten in dat fonds en leiden tot administratieve lasten bijbelastingplichtigen en uitvoeringslasten bij de Belastingdienst. Hetkabinet acht dit zowel voor de Belastingdienst als de praktijk ongewensten voorziet met dit wetsvoorstel voor die groep fondsen derhalve intijdelijk overgangsrecht. Het kabinet ziet onvoldoende reden om ditovergangsrecht ook beschikbaar te stellen voor alle fondsen die na31 december 2024 zijn opgericht of aangegaan om verschillende redenen.In de eerste plaats geldt voor deze fondsen dat de wet- en regelgevingomtrent het fgr zoals die gelden per 1 januari 2025 bekend zijn. Dezefondsen kunnen daar derhalve ook rekening mee houden. Zo hebben dezefondsen de mogelijkheid om zich vorm te geven als een transparantfonds, bijvoorbeeld door gebruik te maken van een inkoopvariant. Hetkabinet heeft het signaal ontvangen dat het fgr internationaal ongebrui-kelijk is en de inkoopvariant op praktische bezwaren stuit. Tegelijkertijdontvangt het kabinet signalen dat herstructureringen tot inkoopfonds ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3417 al hebben plaatsgevonden of voorbereid zijn. Het kabinet weegt dezesignalen mee in het vervolgonderzoek naar de knelpunten bij het fgr dat ikheb benoemd in de brief van 12 juni jl. aan uw Kamer.25In de tweede plaats is het voorgestelde overgangsrecht niet beschikbaarvoor fondsen die na 31 december 2024 zijn opgericht of aangegaan omdatdeze fondsen niet geconfronteerd worden met het risico op tweeovergangen van fiscale kwalificatie als gevolg van een mogelijke wijzigingvan de definitie van het fgr. Voor deze fondsen zou slechts eenmaligsprake kunnen zijn van een overgang als gevolg van de mogelijkewijziging van die definitie die op zijn vroegst per 2027 in werking zaltreden. Het kabinet doet als vervolg op de uitvoering van de motie van hetlid Van Eijk vervolgonderzoek naar enkele knelpunten. Uit dat vervolgon-derzoek moet nog volgen of een voorstel tot wetswijziging mogelijk enwenselijk is. Daarbij geldt dat niet gegeven is dat de fondsen die na31 december 2024 zijn opgericht of aangegaan als gevolg van deeventuele toekomstige wetswijziging ook daadwerkelijk anders gekwalifi-ceerd worden. Die kwalificatie is namelijk afhankelijk van de specifiekewijzigingen in de definitie van het fgr.Ten slotte merkt het kabinet op dat het uitbreiden van het voorgesteldetijdelijke overgangsrecht voor het fgr voor alle fondsen die na31 december 2024 zijn opgericht of aangegaan een ongelijkheid creëert.Het voorgestelde tijdelijke overgangsrecht stelt namelijk als voorwaardedat – kortgezegd – het fonds voor 1 januari 2025 als fiscaal transparantmoest kwalificeren onder de destijds geldende wet- en regelgeving. Hetloslaten van deze transparantievoorwaarde voor alle fondsen die na31 december 2024 zijn opgericht of aangegaan veroorzaakt een rechtson-gelijkheid ten opzichte van fondsen die op 31 december 2024 reeds zijnopgericht of aangegaan. Naar het oordeel van het kabinet is dezeongelijkheid in het licht van het doel van de voorgestelde regeling niet terechtvaardigen.Wetsvoorstel wet differentiatie tarief vliegbelastingDe heer Oosterhuis vraagt hoe het kabinet tot de voorgestelde tarieven isgekomen en of de keuze voor de tariefhoogtes primair opbrengstgestuurdof effectgestuurd is. Ook vraagt de heer Oosterhuis hoe de voorgesteldetarieven zich verhouden tot de klimaatdoelen, ook de heer Hoogeveenvraagt naar het verwachte klimaateffect van de maatregel. Hiernaastvraagt de heer Stultiens hoe het kabinet het tarief voor langeafstands-vluchten heeft bepaald.Het kabinet heeft de tariefniveaus bepaald op basis van een combinatievan beleidsmatige en budgettaire overwegingen. Met het wetsvoorstelwordt beoogd beter aan te sluiten bij de werkelijke externe kosten vanluchtvaart door langeafstandsvluchten die meer uitstoot veroorzakenzwaarder te belasten. Binnen dat beleidsmatige uitgangspunt zijn detarieven zo vormgegeven dat de beoogde budgettaire opbrengst van€ 257 miljoen wordt gerealiseerd en ook bijgedragen wordt aan eenhogere mate van internalisatie van de externe kosten van de luchtvaart.Daarnaast draagt de maatregel bij aan een CO2-reductie van circa 1,9%.26De heren Oosterhuis en Stultiens vragen of het kabinet de mening deeltdat uiteindelijk alle externe effecten ingeprijsd moeten worden. En zo ja,waarom daar nu niet voor is gekozen.Uit het onderzoek van CE Delft blijkt dat volledige beprijzing van externekosten van de luchtvaart tot aanzienlijk hogere tarieven per vertrekkende25Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 159.26CE Delft (2025), Effecten van een afstandsafhankelijke vliegbelasting, onderzoek uitgevoerd inopdracht van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,mei 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3418 passagier zou leiden. Voor zeer korte vluchten, zoals een retour naarLonden of Parijs, ligt dit tussen ongeveer € 40 en € 60 per passagier.27Voor relatief langere afstanden, zoals Barcelona of Rome, is dit circa € 100tot € 110 per passagier. Voor langeafstandsvluchten kan dit zelfs oplopentot ruim € 600 per passagier. Daarbij is het belangrijk te benadrukken datde externe kosten sterk kunnen verschillen per vliegroute, vliegtuigtype engebruikte brandstof. Hierdoor is het niet mogelijk één specifiek tarief vastte stellen dat voor alle vluchten de volledige externe kosten dekt.Volledige internalisatie van alle externe kosten op langeafstandsvluchtenzou in de praktijk leiden tot tarieven die niet proportioneel zijn. Eendergelijk tarief à € 600 per passagier zou ver boven het niveau liggen vanwat in omringende landen wordt toegepast en daardoor naar verwachtingtot substantiële uitwijk naar buitenlandse luchthavens leiden.De heer Oosterhuis benadrukt de noodzaak tot Europese afspraken overde vliegbelasting. Hij vraagt of en welke inspanningen er nu lopen.De luchtvaart is een mondiale sector met een mondiale impact. Beprij-zingsmaatregelen zijn daarom het meest effectief wanneer deze opinternationaal of Europees niveau worden genomen. Het kabinet zet zichop beide niveaus al jaren in voor een eerlijke internationale beprijzing vande luchtvaart. Internationale harmonisatie kent echter aanzienlijkedrempels, zoals de Europese energiebelastingrichtlijn die het belasten vankerosine nog steeds belemmert. Aanpassing van dit soort kaders is opkorte termijn helaas niet realistisch. Daarom acht het kabinet hetnoodzakelijk om nationale maatregelen te treffen, zoals de invoering vande vliegbelasting in 2021 en de nu voorgestelde wijziging daarvan.Mevrouw van Eijk vraagt welke maatregelen het kabinet kan nemen omvoor regionale luchthavens een gelijker speelveld te creëren. Ook vraagtzij of het kabinet bereid is te onderzoeken welke alternatieven er zijn om tevoorkomen dat regionale luchthaven weg geconcurreerd door lucht-havens net over de grens. De heer Stoffer vraagt daarnaast of het kabinetzal bijsturen in het geval de weglekeffecten te groot worden.De mogelijke effecten voor Nederlandse regionale luchthavens zijnonderzocht door CE Delft. Op basis daarvan acht het kabinet het risico opuitwijk door deze maatregel beperkt. Dat komt mede doordat dezeluchthavens hoofdzakelijk Europese bestemmingen bedienen, waarvoorhet tarief van de vliegbelasting niet wordt verhoogd. Daarmee heeft demaatregel naar verwachting geen significante impact op de economischevitaliteit, winstgevendheid en concurrentiepositie van deze luchthavens.Het kabinet zal de gevolgen van de maatregel voor de Nederlandseluchthavens monitoren en bij substantiële weglek bezien of corrigerendemaatregelen wenselijk zijn.De heren Grinwis en Stultiens vragen waarom het kabinet niet de keuzeheeft gemaakt om het tarief van de vliegbelasting te differentiëren naarreisklasse. De heer Stultiens vraagt waarom geen hoger tarief is voorprivéjets.Het differentiëren van het tarief van de vliegbelasting naar afstand enreisklasse leidt tot een hogere mate van complexiteit voor de uitvoering,omdat de invulling van reisklassen per luchtvaartmaatschappij en pervliegroute aanzienlijk verschilt. Een dergelijke systematiek is bovendienniet vóór 1 januari 2027 uitvoerbaar, waardoor de taakstellende opbrengstvan € 257 miljoen niet tijdig zou kunnen worden gerealiseerd. Daarnaastzouden hogere tarieven voor bepaalde reisklassen betekenen dat erbinnen de beoogde opbrengst van € 257 miljoen minder ruimte overblijftom langeafstandsvluchten zwaarder te belasten. Dit is beleidsmatig27CE Delft (2023), De prijs van een vliegreis Editie 2023, onderzoek uitgevoerd in opdracht vanhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, december 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3419 onwenselijk, omdat de prikkel om de externe kosten van deze vluchtenbeter te beprijzen daardoor minder effectief worden.Het hanteren van een separaat tarief voor privéluchtvaart is uitvoerings-technisch zeer lastig. Het identificeren en afbakenen van deze vluchtenblijkt in de praktijk moeilijk. Enerzijds leidt het tot een sterke toename vande administratieve lasten voor de belastingplichtigen, zijnde de luchthave-nexploitanten, en anderzijds tot een afname van de handhaafbaarheid bijde Belastingdienst. De gegevensstroom die nodig is voor de berekeningvan de vliegbelasting wijkt voor dit soort vluchten af van die voor dereguliere burgerluchtvaart. De mogelijkheden om achteraf te controlerenhoeveel passagiers er aan boord waren en wat hun eindbestemming was,zijn beperkt.De heer Stultiens vraagt waarom de motie Bontenbal die opriep tot hetafschaffen van de uitzondering voor transferpassagiers niet is uitgevoerd.Het klopt dat de motie Bontenbal28 is aangenomen. Echter, in datzelfdeparlementaire jaar is bij de behandeling van het Belastingplan 2024 eenamendement van het lid Van Raan29, met eenzelfde strekking als de motievan het lid Bontenbal, door de Kamer verworpen. Het kabinet heeft dattoentertijd gezien als een duidelijk signaal van de Kamer en heeft de motiemet de stemming over het amendement van het lid Van Raan alsafgedaan beschouwd.Ook vraagt de heer Stultiens of kan worden aangegeven hoe groot hetaandeel transferpassagiers is over wiens vertrek reeds vliegbelasting isbetaald in hun land van vertrek. Helaas zijn de gegevens waar de heerStultiens naar vraagt niet beschikbaar.De heer Stultiens vraagt waarom het kabinet er niet voor kiest omveelvliegers zwaarder te belasten.Het kabinet heeft de mogelijkheden voor een veelvliegersbelastinguitgebreid onderzocht. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat eendergelijke belasting zorgt voor een grote complexiteitsverhoging van devliegbelasting. De Belastingdienst, belastingplichtigen en luchtvaartmaat-schappijen beschikken niet over informatie over het aantal vluchten dateen individuele reiziger maakt. Daarom zou een veelvliegersbelastingvereisen dat de vliegfrequentie van individuele reizigers centraal zoumoeten worden geregistreerd met gebruik van persoonsgegevens. Bij eendergelijke registratie worden hoge eisen gesteld aan gegevensverwerking,toezicht en handhaving. Daarnaast is dit een aanzienlijke inbreuk op deprivacy van burgers. Gelet op voornoemde redenen ziet het kabinetmomenteel geen mogelijkheden voor een veelvliegersbelastingDe heer Hoogeveen vraagt of het kabinet kan uitleggen hoe het tot deconclusie komt dat de uitwijkeffecten van de maatregel beperkt zijn. Ookde heer Stoffer en de heer Grinwis vragen naar de mogelijke weglekef-fecten van de maatregel.Uit het onderzoek van CE Delft komt naar voren dat er door de maatregelnaar verwachting sprake is van een afname van de passagiersaantallenmet 0,2%, terwijl het aantal vluchten vanaf Nederlandse luchthavens gelijkblijft.30 Van deze passagiers wijkt ongeveer een kwart uit naar luchthavensover de grens. Dit gaat om ongeveer 45.000 reizigers. Ter illustratie, in2024 reisden er 76,2 miljoen reizigers via Nederlandse luchthavens. Voortsblijkt uit onderzoek van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) uit28Kamerstukken II 2023/24, 36 410, nr. 26.29Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 16.30CE Delft (2025), Effecten van een afstandsafhankelijke vliegbelasting, onderzoek uitgevoerd inopdracht van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,mei 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3420 2024 dat 13% van de Nederlandse reizigers voor hun laatste vliegreis voorvertrek van een buitenlandse luchthaven koos.31 In het onderzoek van2018 was dit 12%.32 Vooral inwoners van de grensstreken met België enDuitsland vliegen relatief vaker vanaf luchthavens in die landen. Degrenseffecten zijn tot op heden dus stabiel. Desalniettemin houdt hetkabinet de ontwikkelingen van mogelijke grenseffecten scherp in degaten.De heer Grinwis vraagt hoe het kabinet het beleidsdoel van internalisatievan externe kosten afweegt tegen het risico op weglekeffecten naar debuurlanden? Hij vraagt om goed gemotiveerd en duidelijk te antwoorden.Het kabinet ziet het belang van een zorgvuldige afweging tussen enerzijdshet in hogere mate internaliseren van de externe kosten van luchtvaart enanderzijds het voorkomen van weglekeffecten naar buurlanden. Volledigeinternalisatie van alle externe kosten is in theorie de meest zuivere vormvan beprijzing, maar zou in de praktijk leiden tot tarieven die nietproportioneel zijn. Voor langeafstandsvluchten kan volledige internalisatieoplopen tot ruim € 600 per passagier. Een dergelijk tarief zou ver buitenhet niveau liggen van wat in omringende landen wordt toegepast endaardoor naar verwachting tot substantiële uitwijk naar buitenlandseluchthavens leiden.Het kabinet kiest daarom voor een evenwichtige tariefstelling die zorgtvoor een hogere mate van internalisatie van de externe kosten vanluchtvaart, zonder dat er sprake is van substantiële weglekeffecten. Uit hetonderzoek van CE Delft naar de maatregel blijkt dat het uitwijkrisico bij devoorgestelde differentiatie beperkt is.33 Dat komt doordat het merendeel(80%) van de vluchten vanaf Nederlandse luchthavens binnen Europaplaatsvindt en het tarief voor deze categorie gelijk blijft. Met de maatregelwordt dus een prijsprikkel gegeven die beter aansluit bij de externekosten, terwijl tegelijkertijd de verwachte uitwijk zo minimaal mogelijkwordt gehouden.Wetsvoorstel Tweede wet aanpassing Wet minimumbelasting2024Mevrouw Van Eijck vraag aandacht voor het risico dat Europese bedrijvendoor strengere toepassing van Pijler 2 verder achteropraken bij Ameri-kaanse bedrijven. In dat verband vraagt mevrouw Van Eijck of devoorbeelden van knelpunten die multinationals ervaren wél wordenvertaald naar de Nederlandse inzet bij de onderhandelingen. Verdervraagt mevrouw Van Eijck om in het Inclusive Framework (IF) te pleitenvoor een high-tax safe harbour voor ondernemingen met een effectievebelastingdruk ruimschoots boven de 15% en een ruimhartige behandelingvan strategische tax incentives. De Pijler 2-regels voorzien in eenwereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationalegroepen. Pijler 2 bewerkstelligt dat multinationale groepen met een omzetvan € 750 miljoen of meer altijd ten minste effectief 15% aan belastingover hun winst betalen in de staten waar zij opereren. Pijler 2 voorziet ineen bijheffing als in een staat te weinig winstbelasting is betaald. Op ditmoment hebben 57 jurisdicties Pijler 2 geïmplementeerd in de vorm vaneen inkomen-inclusiemaatregel en of een binnenlandse bijheffingsmaat-regel. Naast de EU-lidstaten gaat het om grote economieën zoals het VK,Japan, Canada, Australië en Zuid-Korea. Een aantal belangrijke handels-landen heeft Pijler 2 niet geïmplementeerd. Dat heeft voor deze31Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (2024), De Vliegende Hollander 2024.32Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (2018). De Vliegende Hollander.33CE Delft (2025), Effecten van een afstandsafhankelijke vliegbelasting, onderzoek uitgevoerd inopdracht van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,mei 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3421 niet-implementerende landen gevolgen vanwege de systematiek vanPijler 2. Die systematiek leidt er namelijk toe dat voor deze landen in hetgeval dat – naar Pijler 2-maatstaven – onvoldoende belasting is betaald, erwordt bijgeheven door een andere staat die de Pijler 2-regels wel heeftgeïmplementeerd. Een dergelijke bijheffing kan ook plaatsvinden in hetgeval een niet implementerende staat wel over een robuust stelselbeschikt dat een – met Pijler 2 vergelijkbare – minimumbelastingwaarborgt. De VS heeft bijvoorbeeld een eigen vorm van een minimum-belasting. Om die reden wordt er momenteel in het IF onderhandeld metals doel om een stelsel dat een minimumniveau van belastingheffingwaarborgt – onder voorwaarden – te erkennen als equivalent voor detoepassing van de Pijler 2-regels. Ook wordt er momenteel gewerkt aanvereenvoudiging van Pijler 2 en wordt gekeken of de behandeling vanniet-restitueerbare belastingtegoeden op basis van reële aanwezigheid(zogenaamde «substance-based non-refundable tax credits») onder Pijler2 moet worden aangepast. Nederland houdt in het kader van de onder-handelingen oog voor een gelijk speelveld en hetEU-concurrentievermogen. Nederland trekt hierbij samen op met andere(EU)-lidstaten die ook de wereldwijde minimumbelasting hebbengeïmplementeerd en heeft hiervoor ook regelmatig contact met relevantestakeholders, zoals uit het bedrijfsleven. Het kabinet acht het van belangom de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel tewaarborgen en om recht te doen aan de internationale afspraken over dewereldwijde minimumbelasting. Het is op dit moment niet mogelijk om indetail uit te weiden over de precieze status van de lopende internationaleonderhandelingen. Vanzelfsprekend wordt uw Kamer op de hoogtegehouden wanneer er meer duidelijkheid is.Mevrouw Van Eijk vraagt of een nationale verduidelijking van hetuitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid wenselijk kan zijnom een evenwichtige toepassing van deze maatregel te waarborgen, metname ten aanzien van de zeevaart. Het uitgesloten inkomen op basis vanreële aanwezigheid voor een groepsentiteit wordt bepaald aan de handvan de loonkosten van de werknemers die in de staat van de desbetref-fende groepsentiteit activiteiten verrichten alsmede aan de hand van demateriële activa die in de staat van de desbetreffende groepsentiteit zijngelegen. Deze bepaling in de Wet minimumbelasting 2024 volgt uit deEU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing, die gebaseerd is op deOESO-modelregels. Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwe-zigheid is daarmee wereldwijd eenduidig geobjectiveerd en werktdaardoor hetzelfde voor alle groepen in de wereld die onder de reikwijdtevan de minimumbelasting vallen. Hierbij wordt opgemerkt dat deOESO-modelregels mondiaal zijn vastgesteld en doeltreffend zijn wanneerdeze in een zo groot mogelijk internationaal verband uniform wordengeïnterpreteerd. Het maken van additionele uitzonderingen op nationaalniveau zou een averechts effect hebben gehad op de werking van dezeregels en zou afbreuk hebben gedaan aan het creëren van een gelijkspeelveld. Daarnaast is ook voor de kwalificatie van de nationale regelsover de minimumbelasting in het OESO peer review proces van belangdat de OESO-modelregels eenduidig zijn geïmplementeerd. Wel kan hetvoor ondernemingen in de zeescheepvaart die wereldwijd actief zijn,moeilijk zijn om te voldoen aan de voorwaarden voor het uitgesloteninkomen op basis van reële aanwezigheid. Binnen het IF is dit punt medeop verzoek van Nederland onder de aandacht gebracht met de bedoelingom tot een billijke oplossing te komen voor ondernemingen die gezien deaard van hun bedrijfsactiviteiten wereldwijd actief zijn. Ondanks datNederland dit meerdere keren heeft aangekaart, hebben momenteelandere onderwerpen binnen het IF echter prioriteit, maar mocht hier meerduidelijkheid over komen, dan zal uw Kamer hierover wordengeïnformeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3422 De heer Stultiens vraagt of alle EU-lidstaten de EU-richtlijn minimum-niveau van belastingheffing hebben geïmplementeerd. De lidstaten vande EU zijn gehouden de bepalingen uit de EU-richtlijn minimumniveauvan belastingheffing uiterlijk 31 december 2023 in hun wetgeving teimplementeren. De Europese Commissie ziet toe op de naleving hiervan.Daarbij wordt rekening gehouden met artikel 50 van de EU-richtlijnminimumniveau van belastingheffing waarmee de inwerkingtreding kanworden uitgesteld, wanneer in de betreffende lidstaat niet meer dantwaalf uiteindelijkemoederentiteiten bevinden.34 Deze lidstaten hebbenwel de richtlijn moeten implementeren om een goede werking van deminimumbelasting te waarborgen.35Daarnaast vraagt de heer Stultiens of de minimumbelasting tot extraopbrengsten leidt, of er al inzicht is over de effectiviteit en of er algedragseffecten zichtbaar zijn van bedrijven die onder de reikwijdte vande minimumbelasting vallen. Allereerst hebben verschillende staten dievoorheen laagbelastend waren een kwalificerende binnenlandse bijheffingof een winstbelasting ingevoerd. Hieruit volgt dat de maatregelen effectlijken te sorteren. Daarnaast hebben het CPB en de Europese Commissierecent een onderzoek gedaan naar de welvaartseffecten van de wereld-wijde minimumbelasting.36 Dit onderzoek laat zien dat de minimumbe-lasting tot welvaartswinst leidt, omdat fiscaal gedreven investeringsbeslis-singen worden beperkt. Dit is met name het geval in het scenario waarinde opbrengst wordt teruggesluisd via een lager Vpb-tarief. De resultatenuit het onderzoek van het CPB en de Europese Commissie onderschrijvende ingezette koers van de minimumbelasting om een ondergrens testellen aan belastingconcurrentie tussen landen en de prikkel te vermin-deren voor multinationale groepen om winsten te verplaatsen naar landendie weinig belasting heffen. Dit onderzoek is gebaseerd op cijfers van vóórde invoering van de minimumbelasting per 1 januari 2024 en betreft dusgeen ex-post effectmeting. De OESO heeft aangegeven te werken aan eenonderzoek om het daadwerkelijke effect van de minimumbelasting opbedrijven te meten op basis van de commerciële jaarrekeningen vanmultinationals uit 2024.Uiteindelijk is meer inzicht mogelijk op het moment dat de multinationaleen binnenlandse groepen de bijheffing-informatieaangifte voor deminimumbelasting doen. Voor de toepassing van de minimumbelastingdient de eerste bijheffing-informatieaangifte uiterlijk 30 juni 2026ingediend te worden. De termijn voor het indienen van de eerstebelastingaangifte voor de minimumbelasting is uiterlijk 31 augustus 2026.Wanneer de aangiftegegevens voorhanden zijn, zullen de gevolgen van deminimumbelasting voor Nederland in de jaarlijkse monitoringsbriefworden betrokken.37 Daarnaast is de verwachting dat ook de OESO deimplementatie van de minimumbelasting in de verschillende jurisdictiesverder zal monitoren.Wetsvoorstel wet implementatie EU-richtlijn gegevensuit-wisseling minimumbelastingDe heer Stultiens vraagt met welke niet-EU landen Nederland verwachteen kwalificerende overeenkomst te sluiten en hoe het kabinet ermee omgaat als de informatiehuishouding in die landen van lagere kwaliteit is danin Nederland. De implementatie van de Pijler 2-richtlijn brengt met zich34Commission Notice Election to delay application of the IIR and UTPR under Article 50 of thePillar Two Directive, C/2023/1536, 12 december 2023.35EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing, recital 16.36CPB, A – Potential Positive – Welfare Assessment of the Global Minimum Tax, (19 oktober2025).37Voor de laatste monitoringsbrief, zie Kamerstukken II 2024/25, 25 087, nr. 343.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3423 dat Nederland met andere landen informatie zal moeten gaan uitwisselen.Deze informatie-uitwisseling is van belang voor het bereiken van het doelvan de ingevoerde minimumbelasting. Dit wetsvoorstel38 vormt dewettelijke grondslag voor de uitwisseling van informatie en gegevens uitde bijheffing-informatieaangifte met andere EU lidstaten. De verwachtingis dat Nederland een overeenkomst zal sluiten met die landen die bij deOESO de betreffende «Multilateral Competent Authority Agreement»ondertekenen. Op dit moment valt nog niet te zeggen welke niet-EUlanden dat zullen zijn. Wat betreft de informatiehuishouding van dielanden, is het zo dat alle landen die zich aansluiten bij de MCAA van deOESO zich committeren aan een kwalitatief goede informatiehuishouding.De OESO heeft daartoe ook een gebruikershandleiding gepubliceerd voorbelastingautoriteiten. Op die manier wordt goede informatiehuishoudinggeborgd. Als in de praktijk toch blijkt dat die gegevensuitwisseling meteen bepaald land gebrekkig verloopt, zal het kabinet daar aandacht voorvragen bij het betreffende land en de OESO.Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer in verbandmet de nadere operationalisering van het mechanisme voor eenkoolstofcorrectie aan de grens.De heer Oosterhuis en de heer Stultiens hebben gevraagd waaromoverheidstaken zijn gemandateerd aan een commerciële partij en wat hetkabinet hieraan gaat doen.Het toelatingsproces tot de CBAM is door de NEa uitbesteed omdat deNEa onvoldoende capaciteit heeft om de toelatingsaanvragen voor CBAMzelf te behandelen. Bovendien levert het toelatingsproces eenmalig eenpiekbelasting op. Dit beide maakt uitbesteding van de taak opportuun.Andere rijksorganisaties konden deze taak niet overnemen, vanwege deonzekerheid over het aantal aanvragen, maar ook vanwege het incidentelekarakter. Daarom is gekozen voor uitbesteding aan PwC, via een aanbe-steding. Hierbij is er ook voor gekozen om de externe partij in mandaatbesluiten te laten nemen. Hier was de Afdeling advisering van de Raadvan State terecht kritisch over. Naar aanleiding van het advies van deAfdeling advisering van de Raad van State heeft de NEa besloten om hetmandaat aan PwC in te trekken. PwC blijft de voorbereidende handelingenvan de toelating treffen, echter worden de toelatingsbesluiten genomendoor een ambtenaar van de NEa. Hierdoor is de voorziene piekbelastingbehapbaar en ligt het toelatingsbesluit zelf bij de NEa. De aanbestedingkent een looptijd van 24 maanden. Na afloop van de aanbesteding kanworden bepaald of de toelatingstaak volledig in eigen beheer kan wordenuitgevoerd.De heer Oosterhuis heeft gevraagd of er meer situaties zijn waarinmandatering aan commerciële partijen voorkomt en heeft gevraagd of deStaatssecretaris van Financiën, Belastingdienst en Douane kan toezeggendat dit niet weer wordt gedaan. De Afdeling advisering van de Raad vanState heeft opgemerkt dat mandatering in de hoofdregel aan de orde is inambtelijke hiërarchische organisaties, waarbij de ambtenaar de aanwij-zingen van het bestuursorgaan moet opvolgen. Mandatering aanniet-ondergeschikten, zoals een commerciële partij, is juridisch mogelijkmaar ongebruikelijk en minder passend bij de ministeriële verantwoorde-lijkheid. Daar ben ik het mee eens. Naar aanleiding van het advies van deAfdeling advisering Raad van State heeft de NEa dan ook besloten om hetmandaat aan PwC in te trekken. Ik beschik niet over een overzicht van hoeandere bestuursorganen omgaan met mandatering. Ik zal zelf in detoekomst handelen in lijn met het advies van de Afdeling advisering vande Raad van State.38Wetsvoorstel Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling minimumbelasting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3424 Mevrouw Van Dijk heeft gevraagd in hoeverre nationale sancties voor hetCBAM afgestemd worden binnen Europa en hoe wordt voorkomen dat ditinstrument teveel gaat afwijken van redelijk, billijk en voldoende afschrik-wekkend, maar vooral een middel wordt om gaten in de begrotingen meete vullen. Daarnaast heeft mevrouw Van Dijk gevraagd of de Staatssecre-taris van Financiën, Belastingdienst en Douane kan toezeggen dat we nietstrenger zullen worden en niet meer administratieverplichtingen opleggendan de landen om ons heen.Het CBAM is een Europees systeem, vastgelegd in een Europeseverordening.39 De belangrijkste boetes zien op het inleveren van geen ofte weinig CBAM-certificaten en op het binnenbrengen vanCBAM-goederen zonder toegelaten CBAM-aangever te zijn. Voor dezeboetes gelden overal in Europa dezelfde regels. Nederland wijkt hier nietvan af en doet dus niet meer dan onze buurlanden. Door samen te werkenmet bevoegde autoriteiten in andere Europese landen spant NEa zich ookin voor een gelijk Europees speelveld.De heer Hoogeveen heeft gevraagd of de Staatssecretaris van Financiën,Belastingdienst en Douane niet vreest dat CBAM een papieren werke-lijkheid kan worden, waarin onderrapportage nauwelijks valt op te sporen.Ook vraagt de heer Hoogeveen welke harde garanties er zijn vanuit deEuropese Commissie en het risk management framework zodat ervoldoende grip is op emissiegegevens uit derde landen.De emissies in de CBAM-aangifte moeten worden geverifieerd door eenverificateur. Dit borgt dat gerapporteerde emissies overeenkomen met dewerkelijkheid. De controle op de juistheid van de emissiegegevens gaatgepaard met risico’s. De Europese Commissie mitigeert de belangrijksterisico’s in samenwerking met de nationale bevoegde autoriteiten in hetCBAM risk management framework. »Hierbij worden risico’s in beeldgebracht en wordt er gekeken naar maatregelen om die risico’s tebeperken. Daarnaast komt de Europese Commissie aan het eind van ditjaar met een voorstel voor herziening van de CBAM-verordening. Deherziening bevat onder andere extra anti-ontwijkingsmaatregelen. Hetkabinet kijkt uit naar het voorstel en zal de Kamer hierover via eenBNC-fiche informeren.Box 3De heer Oosterhuis vraagt waarom is gekozen om het heffingvrijevermogen in box 3 te verlagen en vraagt of het ook mogelijk zou zijn inplaats hiervan het tarief te verhogen. Mevrouw Van Eijk vraagt of mensenmet kleine vermogens niet onevenredig hard worden geraakt door deverlaging van het heffingvrije vermogen en of er mogelijkheden zijn omdit niet te verlagen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om de derving van€ 2,55 miljard die is ontstaan in box 3 binnen box 3 te dekken. Een deelvan de dekking wordt gevonden door de verlaging van het heffingvrijevermogen. Hiermee wordt € 161 miljoen per jaar voor de jaren 2026 en2027 opgehaald. De verlaging van het heffingvrije vermogen slaat neer bijalle box 3-belastingplichtigen. Het heffingvrije vermogen is de afgelopenjaren in meerdere stappen fors verhoogd, van € 25.000 in 2017 tot€ 57.684 in 2025. Een belangrijk argument was daarbij de wens om kleinespaarders te ontzien, aangezien spaarders vaak niet het forfaitairerendement konden behalen. Inmiddels geldt voor spaargeld een apart,lager forfait en bestaat de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren. Tegendeze achtergrond vindt het kabinet een beperkte verlaging van hetheffingvrije vermogen naar € 51.396 te rechtvaardigen, gezien de grotedekkingsopgave in box 3. In plaats van een verlaging van het heffingvrije39Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 totinstelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (PbEU 2023 L 130).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3425 vermogen is het ook mogelijk om het tarief te verhogen met 0,9%-puntnaar 36,9%. Een dergelijke maatregel slaat op een vergelijkbare manierneer bij alle box 3-belastingplichtigen, waarbij de grens om belasting-plichtig te zijn in box 3 iets hoger zal liggen.De heer Oosterhuis vraagt of het klopt dat iedereen die een hoger forfaithad dan het werkelijke rendement gebruik kan maken van de tegenbewijs-regeling. En of een hoger forfait met een tegenbewijsregeling er daardoorvoor zorgt dat er meer naar het werkelijke rendement wordt geheven. Hetklopt dat alle belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement overhun gehele vermogen dan het forfaitaire rendement gebruik kunnenmaken van de tegenbewijsregeling. Een nadeel van het huidige stelsel isdat belastingplichtigen met (veel) hogere werkelijke rendementen dan hetforfaitaire rendement, maximaal belasting betalen op basis van hetforfaitaire rendement. Het forfait vormt een bovengrens op de heffing.Belastingplichtigen met lagere rendementen dan het forfait kunnengebruik maken van de tegenbewijsregeling en worden dan belast op basisvan het werkelijke rendement. Hierdoor zorgt het forfaitaire stelsel mettegenbewijsregeling voor een grote jaarlijkse budgettaire derving. Doorde aanpassing van het forfait wordt dit effect enigszins beperkt doordat debovengrens van de heffing (het forfait) stijgt. Dit zorgt er inderdaad voordat het stelsel vaker aansluit bij het werkelijke rendement.Mevrouw Van Eijk vraagt wat het voor de uitvoering betekent dat er300.000 belastingplichtigen bijkomen in box 3 door de verlaging van hetheffingvrije vermogen. De verlaging van het heffingvrije vermogen naar€ 51.396 heeft zeer beperkt effect op de uitvoering. Als er sprake is vaneen vermogen boven de vermogenstoets (€ 38.479, in geval van fiscaalpartnerschap € 76.958) dan moet er aangifte worden gedaan om hetvermogen vast te stellen in de «beschikking rendementsgrondslag» tenbehoeve van de inkomensafhankelijke regelingen. Het opleggen van deze«beschikking rendementsgrondslag» is gerelateerd aan de hoogte van devermogenstoets en niet aan de hoogte van het heffingvrije vermogen. Hetaantal mensen dat aangifte moet doen voor box 3 verandert dus niet doorhet verlagen van het heffingvrije vermogen. Wel zullen meer mensen temaken krijgen met een te betalen bedrag in box 3, maar de impactdaarvan is voor de uitvoering beperkt.Mevrouw Van Eijk vraagt of ik open sta voor een meer gematigdeverhoging van het forfait. Het kabinet heeft ervoor gekozen om dedekkingsopgave in box 3 van € 2,55 miljard binnen box 3 te dekken. Metde voorgestelde aanpassing komt het huidige rendementsbegrip in box 3beter tot uitdrukking in de berekeningswijze van het forfait. Huurin-komsten en voordelen als gevolg van eigen gebruik maken namelijkonderdeel uit van het huidige rendementsbegrip in box 3. Dit volgt ook uitde jurisprudentie van de Hoge Raad. Tot nu toe is impliciet en voorzichtig-heidshalve aangenomen dat de huizenprijsontwikkeling indicatief is voorhet totale rendement van onroerende zaken in box 3 inclusief de huurin-komsten en voordelen als gevolg van eigen gebruik van die onroerendezaken. Hiermee is echter sprake van een onderschatting van het langjarigegemiddelde rendement op onroerende zaken. Daarom wordt nu voorge-steld om deze inkomsten expliciet op te nemen in de berekeningswijzevan het forfait. Het terugdraaien van deze maatregel zou leiden tot eenderving van € 1.129 miljoen per jaar voor de jaren 2026 en 2027 (ervanuitgaande dat het heffingvrije vermogen wel wordt verlaagd). De hoogtevan het forfait is een parameterwijziging voor de Belastingdienst en kandaarom worden doorgevoerd zonder extra impact op het ICT-portfolio vande Belastingdienst. Omdat dit jaar de stemmingen over het pakketBelastingplan 2026 in de Tweede Kamer later dan 14 november 202512:00u plaatsvinden, betekent dit wel dat de Belastingdienst bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3426 berekenen van de massaal opgelegde voorlopige aanslagen 2026 met deparameterwaarden van de inkomstenbelasting rekent zoals deze nu zijnopgenomen in het Belastingplan.40 Gewijzigde parameterwaarden, zoalsbijvoorbeeld aanpassing van het forfait, worden dus niet meegenomen inde eerste voorlopige aanslagen. Deze worden verwerkt in de (definitieve)-aanslagen 2026 die na afloop van het belastingjaar worden opgelegd.Het terugdraaien van de aanpassing van het forfait vereist wel dat debudgettaire derving in box 3 op een andere manier gedekt zou moetenworden.Mevrouw Van Eijk vraagt of een forfait van bijna 8% investeringen inhuurwoningen verder ontmoedigt en of het risico bestaat dat dit voorstelhet aanbod van betaalbare huur verder onder druk zet. Mevrouw Van Dijkverwacht een forse stijging van de lastendruk van particuliere vastgoedbe-leggers, waar de tegenbewijsregeling geen uitkomst zou bieden en vraagtin dit kader in hoeverre verwacht wordt dat de komende twee jaar hethuuraanbod verder krimpt en of het kabinet een gezamenlijke analysevanuit de fiscaliteit en de woningmarkt kan uitgeven. Ook de heren Stofferen Grinwis uiten hun zorgen over het woningaanbod in de huursector ende situatie van de particuliere verhuurders. De heer Stoffer vraagt of demaatregel is afgestemd met het Ministerie van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening.Dat het verhoogde forfait in box 3 één van de factoren is die eraanbijdraagt dat investering in huurwoningen op dit moment door de marktals minder aantrekkelijk wordt ervaren kan ik niet geheel uitsluiten. Ikmerk daarbij op dat de aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat inhuurwoningen wordt bepaald door een combinatie van zowel macro-economische factoren, bijvoorbeeld de rentestand, als ook huur- en fiscaalbeleid. In de afgelopen jaren is er een aantal maatregelen in het huur- enfiscale beleid genomen die ertoe kan leiden dat het rendement voorprivate verhuurders daalt. Deze maatregelen in combinatie met verande-rende macro-economische omstandigheden kunnen voor privateverhuurders reden zijn om hun bestaande huurwoning te verkopen.Koopstarters hebben hier op hun beurt profijt van waardoor ook weerhuurwoningen vrijkomen. Evenwel is het van belang dat er voldoendeaanbod aan huurwoningen blijft bestaan. Het wetsvoorstel voor hetnieuwe box 3 stelsel is bij uw Kamer ingediend. Daarin wordt voorvastgoed een vermogenswinstbelasting voorgesteld. Box 3 investeerdersgeven aan hier goed mee uit de voeten te kunnen. Tot die tijd kunnenverhuurders voor wat betreft het huidige box 3-stelsel gebruik maken vande tegenbewijsregeling. Als ze kunnen aantonen dat het werkelijkerendement uit hun vermogen lager is dan het forfaitaire rendementworden zij belast op basis van het werkelijke rendement. Met betrekkingtot de gezamenlijke analyse waar mevrouw Van Dijk naar vraagt kan ik hetvolgende melden. Samen met de Minister voor Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening (VRO) heb ik op 8 oktober jl. het onderzoeksrapportvan SEO naar het investeringsklimaat in middenhuurwoningen aan uwKamer aangeboden.41 Dit onderzoek is verricht in opdracht van beideministeries. De opdracht tot dit onderzoek is verstrekt in navolging vanafspraken gemaakt tijdens de Woontop 2024 om het investeringsklimaatvoor investeringen in middenhuurwoningen te onderzoeken en beleids-opties te verkennen om dat investeringsklimaat te verbeteren. Het rapportis tot stand gekomen onder begeleiding van een commissie van expertsen vertegenwoordigers van de sector. Ik zal samen met de Minister vanVRO op korte termijn in een Kamerbrief de belangrijkste bevindingen vooruw Kamer inzichtelijk uiteenzetten. Niet alleen uit het feit dat ergezamenlijk opdracht wordt gegeven tot het doen van onderzoek blijkt dat40Zie ook Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 16041Kamerstukken II 2025/26, 27 926, nr. 405.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3427 er nauw samengewerkt wordt tussen beide ministeries. Zowel opambtelijk niveau als op bestuurlijk niveau wordt intensief samengewerkten vindt op reguliere basis afstemming plaats ten aanzien van lopende ennieuwe beleidsontwikkelingen. Ook vinden er in gezamenlijkheid reguliergesprekken plaats met belangenvertegenwoordiger en andere represen-tanten van de sector in het zogenaamde structureel overleg met inves-teerders (SOI).De heer Stultiens vraagt of de toenmalige Staatssecretaris de ontwijkings-mogelijkheid in box 3 door middel van de aankoop van obligaties metaangegroeide rente had kunnen voorzien toen hij het wetsvoorstel Wettegenbewijsregel box 3 indiende. Ook vraagt de heer Stultiens of er nogmeer onvoorziene ontwijkingsmogelijkheden in de tegenbewijsregelingzitten die we zo snel mogelijk moeten dichten. De ontwijkingsmogelijkheiddie wordt gedicht, houdt in dat er een fictief verlies wordt gecreëerd doormiddel van de aankoop van obligaties met aangegroeide rente, terwijl erin werkelijkheid helemaal geen verlies wordt geleden. Als mijn ambts-voorganger dit had voorzien, dan had hij het wetsvoorstel andersvormgegeven. Vanaf het moment dat hij de ontwijkingsmogelijkheid konvoorzien, heeft hij een snelle en effectieve reparatie hiervan in gang gezet.Er zijn geen vergelijkbare ontwijkingsroutes waarvoor reparatiewetgevingnoodzakelijk is. Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elkjaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of het werkelijkerendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden tot belas-tingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementenzullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagerewerkelijke rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling.Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis vanwerkelijk rendement invoeren. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is recent ook de nota naaraanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.42 Om 1 januari 2028 tehalen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeldwordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.De heer Stultiens heeft eerder dit jaar samen met de fractie van D66 hetkabinet via een aangenomen motie (Kamerstuk 36 706, nr. 18) opgeroepenom de dekking van de box 3 tegenvallers in de Miljoenennota 2025ongedaan te maken. De motie verzoekt om de kosten van de herstelope-ratie alsnog geheel binnen het domein van vermogen en winst te dekken.Hij beschouwt deze motie nog niet als afgedaan en vraagt de Staatssecre-taris welke opties hij ziet om de dekking van vorig jaar terug te draaien. Devoormalige Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane(FBD) heeft tijdens het Commissiedebat Nationale Fiscaliteit op 2 juli jl.(Kamerstuk 32 140, nr. 269) aangegeven dat bij de behandeling van hetBelastingplan 2025 op meerdere momenten vorig jaar het kabinetuitgebreid is ingegaan op de dekking van de budgettaire derving alsgevolg van het rechtsherstel aan mensen met box 3 vermogen. Hetinmiddels demissionaire kabinet heeft met het Belastingplanpakket 2025gemeend recht te doen aan wat bij box 3 van rechtswege moest gebeurenén daarnaast een evenwichtig koopkrachtbeeld voor 2025 gepresenteerd.Dat is ook beaamd door het Centraal Planbureau en het Centraal Bureauvoor de Statistiek. Het kabinet zich afgelopen augustus bij de koopkracht-besluitvorming desalniettemin over de motie beraden bij het streven naareen evenwichtige koopkrachtverdeling voor 2026. Deze besluitvormingheeft ertoe geleid dat een mediaan huishouden er met 1,2% vooruit gaaten de mediane koopkrachtontwikkeling van werkenden, uitkeringsgerech-tigden en gepensioneerden dicht bij elkaar ligt. Ook de verschillen tussenandere groepen zijn beperkt. Daarmee ziet het koopkrachtbeeld er voor42Kamerstukken II 2024/25, 36 748, nr. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3428 2026 wederom evenwichtig uit en is het kabinet van mening daarmeerecht te hebben gedaan aan de motie. Specifiek voor de meest recentebudgettaire derving in box 3 van cumulatief 2,55 miljard euro over 2026en 2027 is gekozen voor een dekking geheel binnen box 3. De maatre-gelen daartoe zitten in het Belastingplan 2026. Juist met het oog op degewenste evenwichtige belasting op arbeid en vermogen, wil het kabinetwijzen op het belang van het belasten van het werkelijke rendement opvermogen in box 3 en daarmee op het belang van het wetsvoorstelWerkelijk rendement box 3 dat sinds mei in uw Kamer ter behandelingligt.Mevrouw van Dijk vraagt waarom alleen huuropbrengsten in deaanpassing van de berekeningsmethode van het forfait wordenopgenomen, en geen component voor kosten. Kosten vormen geenonderdeel van het huidige rendementsbegrip in box 3, terwijl huurin-komsten en voordelen als gevolg van eigen gebruik wel onderdeelvormen van het huidige rendementsbegrip in box 3. Dit volgt ook uit dejurisprudentie van de Hoge Raad.43 Het kabinet kiest ervoor om in deaanloop naar een nieuw box 3-stelsel het rendementsbegrip bij hetforfaitaire box 3-stelsel niet aan te passen. Wel wordt voorgesteld deberekeningswijze van het forfait aan te passen zodat daarin beter hethuidige rendementsbegrip in box 3 tot uitdrukking komt. Voor hetlangjarige gemiddelde rendement op onroerende zaken is tot nu toeimpliciet en voorzichtigheidshalve aangenomen dat de huizenprijsontwik-keling indicatief is voor het totale rendement van onroerende zaken in box3, inclusief de huurinkomsten en voordelen als gevolg van eigen gebruikvan die onroerende zaken. Hiermee is echter sprake van een onder-schatting van het langjarige gemiddelde rendement op onroerende zaken,aangezien huurinkomsten en voordelen als gevolg van eigen gebruik eensignificant onderdeel zijn van het rendement uit onroerende zaken.Daarom wordt voorgesteld om deze voordelen te incorporeren in deberekeningswijze van het langjarige gemiddelde rendement op onroe-rende zaken. Het aanpassen van het rendementsbegrip bij het huidigeforfaitaire stelsel door kostenaftrek toe te voegen, zou ook aanleidinggeven tot aanpassing van de tegenbewijsregeling in box 3. De Hoge Raadheeft immers aangegeven dat bij het bepalen van het werkelijkerendement in de tegenbewijsregeling zoveel mogelijk moet wordenaangesloten bij het rendementsbegrip uit het forfaitaire stelsel. Eenaanpassing van het forfait is daardoor niet enkel een parameterwijzigingmaar in geval van verdisconteren van kosten in het forfait onlosmakelijkverbonden met de introductie van kostenaftrek in de tegenbewijsregeling.Dit zou tot meer werk voor de Belastingdienst leiden en daarmee totaanzienlijke vertraging van de hersteloperatie box 3. Bovendien zou ditertoe leiden dat de invoering van het nieuwe box 3-stelsel niet meermogelijk is per 1 januari 2028. Vertraging van de invoering van het nieuwebox 3-stelsel leidt bovendien tot een aanzienlijke budgettaire derving.Mevrouw van Dijk pleit voor een bouwspaarproduct waardoor voorbepaalde doelen sparen, zoals sparen voor een eigen woning, fiscaalgestimuleerd wordt en vraagt hoe het kabinet daar tegenaan kijkt. Hetcreëren van een vrijstelling of fiscale faciliteit in box 3 gekoppeld aan eenbestedingsdoel is naar verwachting complex in de uitvoering. Voorbanktegoeden geldt in box 3 sinds enkele jaren een afzonderlijk forfait. Incombinatie met het heffingvrije vermogen is de belastingdruk in box 3voor kleine spaarders zoals starters die sparen voor een eerste eigenwoning relatief laag. Ook in het stelsel op basis van werkelijk rendementzal dit het geval zijn door het heffingvrije resultaat. De heffing in box 343HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.8 en r.o. 5.4.9 en HR 20 december 2024,ECLI:NL:HR:2024:1788, r.o. 5.5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3429 over spaargeld vormt daardoor geen belangrijke rol bij de vraag ofstarters kunnen toetreden tot de woningmarkt. Een nieuwe, complexefiscale faciliteit in box 3 lijkt daarom niet voor de hand te liggen.Mevrouw van Dijk vraagt of op basis van het rapport van de AlgemeneRekenkamer geconcludeerd kan worden dat de kosten van de tegenbe-wijsregeling te hoog zijn ingeschat? Ook De heer Grinwis vraagt of deraming voor de tegenbewijsregeling klopt. De Algemene Rekenkamerheeft een rapport geschreven over onder andere de verantwoording vande kosten van de hersteloperaties van box 3.44 Hierin staat dat er € 2,8miljard is ingeboekt voor het kerstarrest en dat in 2022 er een negatiefverschil van € 6,1 miljard is tussen de verwachting en realisatie van deinkomstenbelasting. Dit laatste betreft de som van de belastingop-brengsten van zowel box 1, box 2 als box 3 en kan dus niet volledigworden toegerekend aan box 3. De Algemene Rekenkamer doet in haarrapport geen uitspraken over of de gebudgetteerde derving van hetkerstarrest ofwel de tegenbewijsregeling te hoog of te laag is. HetCentraal Planbureau (CPB) heeft de raming van de tegenbewijsregelingpositief beoordeeld op redelijkheid en neutraliteit. De rendementen in detoekomst zijn nog onbekend. Bij een goed beursjaar en een sterkewaardeontwikkeling van vastgoed (in het voorafgaande jaar) kan dederving lager uitvallen en bij een slecht beursjaar en dalende huizen-prijzen (in het voorafgaande jaar) juist hoger. Bovendien zit er veelspreiding tussen belastingplichtigen in de behaalde rendementen.Hierdoor kan in een goed beursjaar de derving van de tegenbewijsre-geling alsnog flink oplopen. De raming geeft de beste inschatting vandeze effecten. Mochten de realisaties lager of hoger uitvallen heeft ditgeen effect op het inkomstenkader. Eventuele mee- of tegenvallers lopenin het saldo.De heer Stoffer vraagt welke gevolgen de stijging van het aantal tegenbe-wijzen heeft voor de uitvoering van de Wet tegenbewijsregeling box 3. Deprecieze gevolgen van de toename van het aantal tegenbewijzen voor deuitvoering van de wet worden in kaart gebracht met de herijking van deuitvoeringstoets van de tegenbewijsregeling box 3, die ik uw Kamer doetoekomen in het eerste kwartaal van 2026.De heer Stoffer verwijst naar de aangenomen motie van hemzelf enmevrouw Van Eijk45 over de verhoging van het forfait voor overigebezittingen en vraagt of ik kan toezeggen om nog met alternatieven voordie maatregel te komen. Daarnaast verwijst hij naar een motie waarinonder meer wordt gevraagd om te bezien hoe de fiscale positie vanrijksmonumenten verbeterd kan worden46, vraagt naar de stand van zakenen ook hier naar mogelijke opties.Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag47 is aangegeven, ziet hetkabinet op dit moment geen mogelijkheden voor tegemoetkomingen. Datis in de brief waarmee de nota naar aanleiding van het verslag naar uwKamer is gestuurd uitgebreid toegelicht.48 In die brief schetst het kabinetde opties die nader onderzocht zijn en geeft aan waarom deze naarmening van het kabinet niet geschikt zijn.In het verlengde daarvan is ook de motie over de fiscale positie vanrijksmonumenten te plaatsen. Zoals in de al aangehaalde nota naaraanleiding van het verslag is aangegeven, heeft over de positie van derijksmonumenten overleg met het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en44Verantwoord belasten – Voor een beter belastingbeleid | Algemene Rekenkamer45Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 14.46Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 26.47Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 16, p. 36.48Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3430 Wetenschap (OCW) plaatsgevonden, evenals met vertegenwoordigers vande sector. Ook voor deze groep belanghebbenden geldt dat hun zorgenvoor het kabinet duidelijk zijn maar dat er – naast de al bestaandesubsidieregelingen van het Ministerie van OCW – geen aanvullendemaatregelen voor tegemoetkomingen mogelijk zijn. De mogelijke optiesdie in de hiervoor al aangehaalde brief uiteen zijn gezet zagen op het nietverhogen van het forfait voor overige bezittingen, de mogelijkheid omkostenaftrek toe te voegen in de tegenbewijsregeling voor de jaren 2026en 2027 alsmede om de leegwaarderatio te actualiseren. Het kabinet heeftalle deze opties en de voorgestelde lastenmaatregelen integraal gewogenen ervoor gekozen om de budgettaire derving in box 3 die het gevolg isvan het uitstel van de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendementbox 3 in box 3 te dekken. De overwegingen van het kabinet geldenonverkort ook voor de motie over de fiscale positie van rijksmonumenten.De heer Grinwis vraagt hoeveel dekking minder nodig is als de voorge-stelde dekkingsmaatregelen in box 3 niet worden doorgezet, gelet op hetverminderde gebruik van de tegenbewijsregeling. De dekkingsopgave inbox 3 bedraagt cumulatief € 2,55 miljard. Deze derving wordt gedekt meteen verlaging van het heffingvrije vermogen en de aanpassing van hetforfait voor overige bezittingen. Deze maatregelen brengen samencumulatief € 2,55 miljard op. Bij de raming van dit bedrag is rekeninggehouden met een toename van het aantal tegenbewijzen. Als dedekkingsmaatregelen worden teruggedraaid resteert nog steeds eendekkingsopgave van € 2,55 miljard.OverigDe heer Oosterhuis vraagt naar de inkomsten van de kansspelbelasting(KSB) en de aankomende tariefsverhoging van 34,2% naar 37,8%. Deraming van de opbrengsten van de KSB zijn inderdaad naar benedenbijgesteld. De tariefsverhoging viel samen met een aanscherping van deregelgeving in de sector. Deze combinatie heeft geleid tot lagereopbrengsten dan geraamd voor de tariefsverhoging op zichzelf. Deaankomende verhoging van de KSB is afkomstig uit het hoofdlijnenak-koord en is als onderdeel van het Belastingplan 2025 reeds aangenomendoor het parlement en ingeboekt in de begroting. Een bevriezing van deKSB op 34,2% levert een budgettaire derving op van € 84 miljoen. Eenvoorstel om het tarief te bevriezen zal van een degelijke dekking moetenworden voorzien.De heer Oosterhuis vraagt of ik de raming van de verhoging van de btwop logies nog een keer goed kan toelichten, inclusief de nieuwe inzichten.De basis voor deze raming vormen de btw-bestanden van het CBS, waarinde bestedingen van huishoudens en vrijgestelde sectoren zijn ingedeeldin tariefgroepen. Hierin is gekeken naar de daadwerkelijke bestedingenaan logies. Vervolgens zijn de relevante gedragseffecten verwerkt.Ik heb op 31 oktober een brief gestuurd waarin ik toelicht hoe bij deraming rekening gehouden is met gedragseffecten49. In deze raming isrekening gehouden met een gedragseffect vanwege verschuiving vanvakanties naar het buitenland. Daarvoor is aangenomen dat de btw voor75% wordt doorberekend in de prijs en sprake is van een vraagelasticiteitvan -0,75. Dat wil zeggen dat de vraag met 0,75% afneemt als de prijzenmet 1% stijgen. Deze waarden sluiten aan bij het basisscenario in hetonderzoek van Significant APE50. Verder geldt dat bij ramingen voor49Brief aan Eerste of Tweede Kamer – Reactie op onderzoek Significant APE over het hogebtw-tarief op logies per 1-1-2026.50Impactanalyse btw-verhoging logies – Ondernemers en grenseffecten | Rapport | Rijksover-heid.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3431 btw-maatregelen wordt aangenomen dat sprake is van een constantespaarquote. Dit betekent dat wanneer mensen minder uitgeven aanovernachtingen, zij meer gaan uitgeven aan andere (btw-belaste)goederen of diensten. Per saldo leidt dit dan niet tot een derving vanbtw-inkomsten. Voor overnachtingen die naar het buitenland verschuivenligt het anders en daarmee is rekening gehouden in de raming.Tot slot geldt bij de raming van budgettaire effecten van belastingmaatre-gelen als basisregel dat alleen de directe effecten van de maatregel op degrondslag van de betreffende belasting zelf meegenomen worden, zonderde macro-economische doorwerking daarvan. Dit is in lijn met debegrotingsregels en staat ook in de CPB-publicatie over gedragseffectenbij belastingmaatregelen51. De reden hiervoor is dat macro-economischeeffecten zeer onzeker zijn en bovendien lastig toe te rekenen zijn aan eenmaatregel. Ook kunnen tegelijkertijd positieve effecten optreden.Bijvoorbeeld, wanneer consumptie verschuift van logies naar anderegoederen en diensten, zoals hiervoor beschreven, stijgen de belastingin-komsten in die sectoren ook mee.Mevrouw Van Dijk vraagt een reactie van de Staatssecretaris op mogelijk-heden voor flankerend beleid voor de btw-verhoging op logies. Flanke-rende fiscale maatregelen worden niet overwogen. De opbrengst diewordt behaald met de verhoging van het btw-tarief op logies wordtingezet om daarmee lastenverlichting (koopkrachtpakket) te financieren.Flankerende fiscale maatregelen zouden de budgettaire opbrengstbeperken en daarom ook weer gedekt moeten worden. Het ligt voor dehand om dit soort specifieke maatregelen buiten de fiscaliteit vorm tegeven, bijvoorbeeld aan de uitgavenkant van de begroting. Door descheiding van inkomsten en uitgaven zou dekking van zo’n maatregel inprincipe via de uitgavenkant moeten.De heer Vlottes vraagt om een reactie op de kop van de Telegraaf dat destaatskas € 2,6 miljard aan tabaksaccijns misloopt. Ook vraagt de heerVlottes of daarbij kan worden ingegaan op de correlatie tussen hetverhogen van de tabaksaccijns en de illegale sigaretten die het landbinnenkomen.Aan de hand van Empty Pack Surveys (EPS) is bij recente verhogingenvan de tabaksaccijns inzichtelijk gemaakt over welk aandeel sigaretten welof geen Nederlandse accijns is betaald. Afgelopen voorjaar is het EPS2024 gepubliceerd. In het rapport wordt geconcludeerd dat 45,1% van degeraapte verpakkingen niet in de Nederlandse heffing betrokken is. In2023 was dit nog 25%. Het aandeel sigaretten dat niet in de Nederlandseheffing betrokken is, bestaat uit namaak-sigaretten, duty free sigaretten,sigaretten waarover in een ander land accijns is betaald en sigaretten dieniet voldoen aan de voorwaarden om op de Nederlandse markt te mogenworden verkocht (illicit whites). De omvang van elk van deze categorieënis groter in EPS 2024 dan in EPS 2023. Het aandeel namaak-sigarettensteeg van 3,8% in 2023 naar 10,5% in 2024 en het aandeel illicit whitessteeg van 0,3% in 2023 en 0,6% in 2024. Er is dus een positieve correlatietussen de tabaksaccijnstarieven en het aandeel illegale sigaretten.Tegelijkertijd blijkt uit onderzoeken van het RIVM ook dat het aantal rokersis afgenomen na stijgingen van de tabaksaccijnstarieven.52De Telegraaf verwijst in het artikel naar de schatting van € 2,6 miljard vande Nationale Smokkel Monitor. De Nationale Smokkel Monitor is eeninstrument van de sector. De precieze berekening die achter dezeschatting ligt is het kabinet niet bekend. Gebruik van deze cijfers zou ook51Gedragseffecten belastingmaatregelen 2025.52Gedragseffecten van de accijnsverhoging op tabak in 2024. Voorgenomen versus daadwerke-lijke gedragsverandering | RIVM; Gedragseffecten van de accijnsverhoging op tabak in 2023 |RIVM.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3432 in strijd zijn met WHO-kaderverdrag op basis waarvan de Nederlandseoverheid geen contact mag hebben met de tabakssector.53 Het kabinetgaat dan ook alleen uit van de cijfers die door onafhankelijke partijen zijnverzameld. In de Miljoenennota 2026 is beschreven dat de tabaksaccijns in2025 naar verwachting € 2.560 miljoen oplevert. In de hypothetischesituatie waarin alle sigaretten waarover geen Nederlandse accijns isbetaald, ook in de Nederlandse heffing worden betrokken en alletabaksaccijnsopbrengsten uit sigaretten komen en de opbrengsten naarverhouding stijgen, zou dit ongeveer € 2,5 miljard extra hebbenopgeleverd aan accijns, inclusief btw over de accijns.54 Hieruit kan nietgeconcludeerd worden dat Nederland zonder de verhoging van detabaksaccijns € 2,5 miljard meer belastingopbrengsten zou hebben gehad.Van «misgelopen» opbrengsten is in mijn ogen geen sprake. Het isimmers nooit de verwachting geweest dat over alle in Nederlandgeconsumeerde tabak Nederlandse accijns zou worden betaald en in diezin is dit bedrag dus ook niet misgelopen. Het is bijvoorbeeld nietmogelijk om accijns te heffen op illegale tabaksproducten. Daarnaastbestaat een groot deel van de niet in Nederland veraccijnsde sigaretten uitin het buitenland veraccijnsde sigaretten (30,1% van de totale geraaptesigaretten in 2024). Indien deze sigaretten voor eigen gebruik naarNederland zijn meegenomen, is dit toegestaan binnen het vrije verkeervan goederen in de interne markt van de EU. Over deze sigaretten vooreigen gebruik zou dan ook geen Nederlandse accijns hoeven te wordenbetaald.55 Meer capaciteit voor handhaving zou mogelijk wel kunnenleiden tot minder namaaksigaretten en illicit whites. Het is echteronwaarschijnlijk dat alle consumenten die nu namaaksigaretten en illicitwhites roken, dan zullen overstappen op duurdere, in Nederlandveraccijnsde sigaretten.Mevrouw Van Eijk pleit voor een carry-forward mogelijkheid in de WBSOzodat afdrachtvermindering die niet kan worden verzilverd, kan wordendoorgeschoven naar latere jaren. Mevrouw Van Eijk vraagt of ik bereidben om een carry-forward of andere verzilveringsoplossing uit te werken,specifiek gericht op startups en scale-ups.In het rapport naar aanleiding van de evaluatie van de WBSO door SEOEconomisch Onderzoek en Dialogic wordt opgemerkt dat het niet allebedrijven lukt om de vastgestelde S&O-afdrachtvermindering volledig teverzilveren.56 Jaarlijks wordt gemiddeld 6 procent van de totale vastge-stelde S&O-afdrachtvermindering niet verzilverd. Hiervan wordt ongeveerde helft (zo’n 40 miljoen euro) niet verzilverd vanwege loonheffing dielager is dan het recht op S&O-afdrachtvermindering. Van niet-verzilveringvanwege loonheffing die lager is dan het recht opS&O-afdrachtvermindering is met name sprake bij starters. In 2022 kon 28procent van de starters niet het volledige toegekende WBSO-voordeelbenutten, vergeleken met 7 procent van de niet-starters. Deniet-verzilvering in de WBSO is weliswaar afgenomen, maar persistent.Als beleidsoptie geven de onderzoekers mee om de mogelijkheden eencarry-forward regeling in te voeren op basis waarvan nog niet benutteS&O-afdrachtvermindering alsnog benut kan worden in latere jarenwanneer er wel voldoende loonheffing is om de afdrachtverminderingmee te verrekenen.53Artikel 5.3 WHO Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging.54Bij deze berekening is gebruik gemaakt van het aandeel niet-Nederlands veraccijnsdesigaretten uit het Empty Pack Survey 2024.55Dit is wel het geval bij sigaretten die in het buitenland worden gekocht en vervolgens inNederland worden doorverkocht.56Evaluatie Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) 2018–2022, SEO economischOnderzoek en Dialogic, Amsterdam/Utrecht, Februari 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3433 Een carry-forward regeling in de WBSO betekent wel een budgettairederving die op basis van de begrotingsregels niet kan worden gedekt uiteen onderuitputting over afgelopen jaren. Dit betekent dat dekkinggezocht dient te worden voor de budgettaire derving, bijvoorbeeld in devorm van een verlaging van het percentage van de afdrachtvermindering.Indien dekking wordt geleverd voor de budgettaire derving, sta ik inbeginsel positief tegenover een amendement voor invoering van eencarry-forward faciliteit in de WBSO om daarmee met name starters eenextra steuntje in de rug te geven bij het uitvoeren van speur- en ontwikke-lingswerk. Een carry-forward regeling in de WBSO betekent echter ookextra administratieve lasten voor S&O-inhoudingsplichtigen en deBelastingdienst. Een carry-forward regeling leidt tot een hogerecomplexiteit van de controlewerkzaamheden bij de Belastingdienst. Deverwachting is dat de hogere complexiteit leidt tot hogere uitvoerings-lasten of een sterke afname van het aantal controles dat kan wordenuitgevoerd. Hier kan de Belastingdienst tijdig op anticiperen.Mevrouw van Dijk vraagt hoe ik kijk naar structureel meenemen vaninflatie en de verhoging van de schijfgrens, want kosten van R&D stijgenimmers ook. Zij vraagt of dit kan worden gefinancierd uit geblekenoverschotten binnen de regeling?De afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) bedraagteen percentage van het S&O-loon en de S&O-kosten en -uitgaven. In 2025bedraagt dit percentage 16 procent. Over de eerste € 380.000 wordt ditpercentage met 20 procent verhoogd tot 36 procent. Mevrouw Inge vandijk vraagt hoe ik aankijk tegen een jaarlijkse indexatie van het schijfgrens-bedrag van momenteel € 380.000.Een aanpassing van de schijfgrens kan op basis van de huidige wetgevingook al plaatsvinden bij ministeriële regeling van de Minister van Econo-mische Zaken teneinde zo veel mogelijk evenwicht te bereiken tussen deS&O-afdrachtvermindering en het hiervoor in de rijksbegrotingopgenomen bedrag. Deze regeling biedt de nodige flexibiliteit bij hetbepalen van de hoogte van de schijfgrens.Het voorstel van mevrouw van Dijk om een jaarlijkse, automatischeindexatie toe te passen op de schijfgrenzen leidt tot budgettaire dervingdie op basis van begrotingsregels niet kan worden gedekt uit onderuit-putting over eerdere jaren. Dit betekent dat dekking gezocht dient teworden voor de budgettaire derving, bijvoorbeeld in de vorm van eenverlaging van het percentage van de afdrachtvermindering. Indiendekking wordt geleverd voor de budgettaire derving, sta ik in beginselpositief het voorstel van mevrouw Inge van Dijk om een jaarlijkseindexatie van de schijfgrens in de WBSO op te nemen.Lid Van Eijk (VVD) vraagt waarom het Nederland niet lukt om smartengeldin civiele letselschadezaken wel vrij te stellen, maar voor veteranen dieletselschade opliepen namens de Staat niet. Lid Van Eijk vraagt ook of deStaatssecretaris erkent dat het belasten van de Bijzondere Invaliditeitsver-hoging (BIV) leidt tot lagere netto-compensatie dan bij andere letselscha-deslachtoffers. Ten slotte vraagt lid Van Eijk welke principiële bezwarenbestaan tegen het toevoegen van de BIV aan een bestaande vrijstellings-bepaling.Voor ik op deze vragen in ga, spreek ik mijn waardering uit aan militairendie vaak onder moeilijke omstandigheden een bijdrage hebben geleverdaan vrede en veiligheid, waar ook ter wereld. Daarbij is belangrijk dat opvoorhand duidelijk is dat schade die een militair in het kader van demilitaire dienst lijdt, op passende wijze zal worden vergoed. Dat beginselstaat niet ter discussie.In het verlengde hiervan beantwoord ik als eerste uw vraag of hetbelasten van de BIV leidt tot een lagere netto-compensatie van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3434 oud-militair. In onze kamerbrieven van 7 juni 202457, 22 april 202558 en6 oktober 202559 en antwoorden op vragen van het lid Van Eijk van 1 juli202560 hebben mijn ambtsgenoot van Defensie en ik uitgelegd dat dit nietzo is. De oud-militairen ontvangen niet minder smartengeld dan andereletselschadeslachtoffers. Hiernaar is onderzoek gedaan door tweeonafhankelijk experts. Zij hebben geconcludeerd dat zij geen enkele redenzien te veronderstellen dat de netto-BIV in het algemeen lager uitkomt dande bandbreedte aan civielrechtelijk te verwachten bedragen. Welconstateren zij dat de BIV in – wellicht zeer uitzonderlijke – individuelegevallen tot een te laag bedrag kan leiden. Maar ook dat in dergelijkegevallen op basis van de hardheidsclausule al een hogere (extra)smartengeldvergoeding dan op grond van de BIV wordt toegekend.61 Hetstelsel van de BIV is in 2014 met de centrales voor overheidspersoneelbekeken en daarbij is het werkingsbereik van de BIV verruimd zodat meeroud-militairen hier recht op hadden. Hierbij was bij de sociale partnersbekend dat belasting wordt geheven en is de hoogte van de BIV nietbijgesteld. De oud-militairen worden daarnaast bij de toekenning van deBIV geïnformeerd dat belasting moet worden betaald en dat de uitkeringgevolgen kan hebben voor inkomensafhankelijke regelingen.Wat betreft uw vraag over het vrijstellen van de BIV, kan ik in algemenezin aangeven dat dit de situatie oplevert dat dit ongelijkheid creëert voorgelijke gevallen. Dit is niet wenselijk en ik ga daar hierna op in.Bij defiscalisering (bijvoorbeeld een vrijstelling) van de BIV ontvangenBIV-gerechtigden een hogere smartengeldvergoeding dan de civielrechte-lijke bandbreedte. Defiscalisering zorgt er dus voor dat militairen (veel)meer zouden krijgen dan civiele slachtoffers (binnen en buiten Defensie)met een smartengeldregeling en ook in vergelijking met militairen die eeneenmalige onbelaste smartengelduitkering ontvangen zonder recht tehebben op de BIV. Dat zou leiden tot ongelijkheid en is zeer moeilijkuitlegbaar.Een vervolgeffect daarvan zou kunnen zijn dat anderen via een gang naarde rechter ook een verhoging van hun netto smartengeld afdwingen,waardoor dat het verschil met de civielrechtelijke bandbreedte weervergroot.Het door lid Van Eijk aangegeven verschil tussen civiele letselschade enletselschade opgelopen door oud-militairen, gaat uit van een onjuisteveronderstelling. Het verschil in fiscale behandeling is gelegen in hetperiodieke karakter van de uitkering aan oud-militairen.Defiscalisering van de BIV zou een uitzondering zijn op de regel dat alleperiodieke uitkeringen die worden ontvangen op grond van een publiek-rechtelijke regeling, belast zijn en past daardoor niet in het fiscale stelsel;een vrijstelling is alleen op zijn plaats als de uitkering of verstrekking dientom de ontvanger in staat te stellen een bepaalde noodzakelijke uitgave tedoen die niet past in een bij zijn inkomen door de overheid normaalgeacht bestedingspatroon. Met andere woorden: vrijstelling is op zijnplaats in de gevallen waarin het ontvangen van de uitkering ofverstrekking de draagkracht van de ontvanger niet verhoogt. De BIVbeoogt een levenslange verzorging van militairen die letsel hebbenopgelopen zonder dat daar direct kosten tegenover staan en verhoogtdaarmee de draagkracht van de ontvangers wel. Bij defiscalisering van deBIV in de inkomstenbelasting bestaat een reëel risico dat (reguliere)arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, zoals een WGA- of IVA-uitkering,vergelijkbare situaties betreffen en daarmee gedefiscaliseerd zouden57Kamerstukken II 2023–2024, 31 066, nr. 139258Kamerstukken II 2024–2025, 31 066, nr. 149959Kamerstukken II 2025–2026, 31 066, nr. 151360Kamerstukken II 2024–2025, 2025Z1304861Kamerstukken II 2024–2025, 31 066, nr. 1499Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3435 moeten worden. De budgettaire totaaleffecten hiervan zijn niet eenvoudigte berekenen, maar lopen in de miljarden.Daarnaast heeft defiscalisering effect op inkomensafhankelijke regelingenen daarmee op de draagkracht van de BIV-gerechtigden. Doordat de BIVniet meer tot het belastbaar inkomen hoort – en daarmee ook niet tot hettoetsingsinkomen voor inkomensafhankelijke regelingen – ontstaat erbijvoorbeeld een hogere aanspraak op toeslagen. De ontvangers van deBIV hebben dan een hogere aanspraak op inkomensafhankelijkeregelingen dan personen die een ander (niet vrijgesteld) inkomengenieten dat even hoog is als de vrijgestelde BIV-uitkering. Dit leidtderhalve tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.Volledige vrijstelling leidt ertoe dat het deel van de BIV-uitkering datboven de civielrechtelijke norm valt, volgens het Brandweermanarrest 62alsnog belast zou worden als loon. Dat kan opnieuw als onrechtvaardigworden ervaren. Indien daarvoor ook een vrijstelling zou wordeningevoerd, leidt dat tot verstrekkende uitstralingseffecten naar al het loon.Als door defiscalisering de BIV-gerechtigde meer ontvangt dan decivielrechtelijke norm, bestaat de kans dat met de centrales vooroverheidspersoneel in overleg wordt getreden om de BIV naar benedenbij te stellen. De Minister van Defensie noemde dit al tijdens hetNotaoverleg veteranen. Dit lijkt een erg omslachtige manier om gelijkheidte borgen. De veteranen gaan er door de vrijstelling dan dus niet ofnauwelijks op vooruit, terwijl er wel grote uitvoeringsgevolgen meegepaard gaan. Daarbij speelt ook de vraag wat er tussen het moment vanvrijstelling en aanpassing moet gebeuren.In dit verband is verder te melden dat de Algemene Federatie van MilitairPersoneel (AFMP), de Vakbond voor Burger en Militair defensiepersoneel(VBM) en de Marechausseevereniging (MARVER) op hun websitesaangeven dat zij nader onderzoek hebben laten doen naar de rechtma-tigheid van de belastingheffing over de BIV.63 Uit dit onderzoek volgt datde belastingheffing over de BIV terecht is. De AFMP, VBM en MARVERadviseren hun leden daarom om geen actie te ondernemen tegen debelastingheffing over de BIV en eventueel al ingediende bezwaarschriftenin te trekken.Enkele oud-militairen hebben de belastingheffing over de BIV ter discussiegesteld bij de rechter. Inmiddels heeft rechtbank Zeeland-West-Brabant op23 juli 2025 uitspraak gedaan in één van de zaken. De rechtbank oordeeltdat de BIV terecht in de belastingheffing wordt betrokken.64 Dit is in lijnmet de uitkomsten van het hiervoor genoemde onderzoek door deonafhankelijke experts en de uitleg die al eerder in de genoemdeKamerbrieven is gegeven. In deze zaak is ingestemd met sprongcassatiewaardoor deze zaak direct aan de Hoge Raad kan worden voorgelegd. Inde overige zaken is nog geen uitspraak gedaan.Ten slotte merk ik op dat de vergelijking met de artikel 2-Fondsuitkeringenniet op gaat. De artikel 2-Fondsuitkeringen zijn, op basis van het belasting-verdrag tussen Nederland en Duitsland voor belastingheffing toegewezenaan Duitsland. Duitsland heeft besloten over de artikel 2-Fondsuitkeringengeen belasting te heffen. De vrijstelling in artikel 3.104, onderdeel r, Wetinkomstenbelasting 2001, heeft dus geen directe invloed op het wel of nietheffen van belasting over de uitkeringen, maar heeft slechts betekenisvoor het progressievoorbehoud.De heer Stultiens vraagt of de inkoop van eigen aandelen tot 2001 wasbelast. Daarnaast vraagt de heer Stultiens of vanaf dat moment de62ECLI:NL:HR:2022:44463«Belastingheffing over smartengeld is rechtmatig» «AFMP; www.vbm.info/actueel-2/geen-bezwaar-tegen-belastingheffing-biv en «Belastingheffing over smartengeld is rechtmatig»»MARVER64Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 juli 2025, nr. BRE 24/2569, ECLI:NL:RBZWB:2025:4708.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3436 inkoopfaciliteit is ingevoerd. Daarbij vragen de heer Stultiens en mevrouwVan Eijk-Nagel naar argumenten en bedrijfseconomische redenen om totinkoop over te gaan. Voor 2001 werd de inkoop van eigen aandelen dooreen in Nederland gevestigde vennootschap in principe fiscaal behandeldals een gedeeltelijke liquidatie waarbij dividendbelasting moest wordeningehouden. Na een advies van de Afdeling advisering van de Raad vanState (RvS) rondom de invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001(Wet IB 2001)65 waarin de dividendbelasting over de inkoop van beursaan-delen als een knelpunt werd aangemerkt, is in 2001 de inkoopfaciliteitgeïntroduceerd. De inkoopfaciliteit is ingevoerd zodat de inkoop vanaandelen door Nederlandse beurfondsen niet nadeliger zou zijn tenopzichte van buitenlandse concurrenten. In 2023 heeft het vorige kabinetonderzoek gedaan naar deze inkoopfaciliteit.66 Uit dit onderzoek blijkt dataan het afschaffen van de inkoopfaciliteit voor beursfondsen grotenadelen zitten. Zonder de inkoopfaciliteit zou een beursfonds bij inkoopvan aandelen de verschuldigde dividendbelasting voor eigen rekeningmoeten nemen. Dit leidt doorgaans tot een hogere belastingdruk dan deuitkering van regulier dividend. In tegenstelling tot regulier dividend kandeze dividendbelasting in beginsel niet worden verrekend door deaandeelhouder bij wie het rendement op de aandelen, afhankelijk van hetfiscale regime bij de aandeelhouder, wordt belast. Het genoemdeonderzoek gaat ook in op de bedrijfseconomische overwegingen die tengrondslag kunnen liggen aan het besluit om aandelen in te kopen.67 Doorde daarvoor geraadpleegde organisaties is aangevoerd dat de inkoop vanaandelen door beursfondsen als een belangrijk strategisch instrumentwordt gezien op het gebied van het kapitaalallocatiebeleid. Daarnaast kanmet de inkoop van aandelen (positieve) invloed worden uitgeoefend op dewaardeontwikkeling van de aandelen en daarmee de koers van aandelenworden beheerst. Volgens de organisaties worden aandeleninkooppro-gramma’s ook gebruikt om het effect van een zogenoemd stockdividendte neutraliseren.Voorts vraagt de heer Stultiens of het klopt dat de Verenigde Staten,Frankrijk en Italië een speciale belasting op aandeleninkoop hebbeningevoerd. Op dit moment is niet precies in beeld welke belastingenFrankrijk en Italië hebben geïntroduceerd wat betreft de inkoop vanaandelen. Om een goed begrip van deze belasting te krijgen is hetdaarnaast ook nodig om deze buitenlandse belastingsystemen goed tedoorgronden. In het eerdergenoemde onderzoek uit 2023 is wel eenvergelijking gemaakt met een belasting die de Verenigde Staten hebbeningevoerd. De Verenigde Staten, waar de inkoop van aandelen op zeergrote schaal plaatsvindt, heeft vanaf 2023 een belasting van 1% op dewaarde van de inkopen van aandelen ingevoerd om het gebruik enigszinste temperen. Hierbij kan wel worden opgemerkt dat de heffing in deVerenigde Staten anders is vormgegeven. In Nederland wordt dividendbe-lasting geheven over het dividenddeel: de inkooprijs van de aandelenminus het gemiddelde op deze aandelen gestorte kapitaal. In deVerenigde Staten wordt geheven over de gehele inkoopprijs van deaandelen. Het voorgaande leidt niet noodzakelijkerwijs tot een andereweging van de inkoopfaciliteit. Immers, er zijn ook landen waar veelbedrijven zijn gevestigd die in het geheel geen dividendbelasting kennenzoals het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast heeft de inkoopfaciliteit, zoalshiervoor al omschreven, op zichzelf ook nog steeds een gerechtvaardigdebestaansreden. Het ontbreken van een regeling zoals de inkoopfaciliteitzou schadelijk zijn voor het fiscale vestigingsklimaat van beursfondsen.65Advies Raad van State, Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. A, punt 30.66Kamerstukken II 2023/24, 36 410, nr. 77.67Kamerstukken II 2023/24, 36 410, nr. 77, paragraaf 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3437 De heer Stultiens vraagt naar de toename van de aandeleninkoop sinds2000 en of er cijfers bevestigd en gedeeld kunnen worden en hoe dezecijfers zich verhouden tot de rest van Europa. Verder vraagt hij om bij deBelastingdienst uit te vragen hoeveel dividendteruggaven er zijn, hoeveelaandelen er worden ingekocht en wat de overheid misloopt hierbij.Er zijn geen exacte cijfers vanuit de Belastingdienst beschikbaar over deomvang van de inkoop van aandelen en hoeveel aandelen wordeningekocht, aangezien deze informatie niet in alle gevallen hoeft te wordenopgegeven.68 Indien als gevolg van toepassing van de inkoopfaciliteitgeen dividendbelasting is verschuldigd, hoeft immers geen aangifte teworden ingediend. Het is dus ook niet exact aan te geven wat hetbudgettaire beslag van deze regeling is. De ramingen die in de afgelopenjaren zijn gemaakt rondom de afschaffing en de herinvoering van dezefaciliteit zijn gebaseerd op openbare data over de omvang van deaandeleninkoop van beursgenoteerde ondernemingen over de periodevan 2013 tot 2024.69 Op basis daarvan werd bij AEX-bedrijven van 2013 tot2024 een toename gezien van € 7 miljard tot € 34 miljard. Het budgettaireeffect van een maatregel in de inkoopfaciliteit is niet één-op-één teherleiden tot deze geobserveerde bedragen. Daarvoor dient ook rekeninggehouden te worden met het verwachte structurele niveau, het gedeeltedat relevant is voor de grondslag en de te verwachten gedragseffecten.Voor meer toelichting bij de raming verwijs ik u naar de antwoorden opeerdere Kamervragen over dit onderwerp.70 Het kabinet heeft geengegevens beschikbaar over de aandeleninkoop in de rest van Europa.De heer Stultiens vraagt waarom Nederland een step-up hanteert als eenvennootschap verplaatst naar Nederland, waardoor geen dividendbe-lasting geheven kan worden op eerder opgebouwde winsten. Verdervraagt hij of heel precies in kaart kan worden gebracht welke landen nogmeer een step-up in de dividendbelasting kennen. De basisgedachte in dedividendbelasting is dat er in beginsel een dividendbelastingclaim rust ophet gehele vermogen van een vennootschap voor zover dat vermogen hetdoor aandeelhouders ingebrachte kapitaal (het fiscaal erkend kapitaal) teboven gaat. Dit stelsel brengt mee dat een claim in de dividendbelastingrust op de winst(reserves) en niet op het ingebrachte kapitaal. Deuitkeringen van winstreserves, dividenden, zijn daarom belast metdividendbelasting. Een terugbetaling van fiscaal erkend kapitaal is geendividend aangezien dit kapitaal door de aandeelhouders op een eerdermoment is ingebracht. Om te voorkomen dat winstuitkeringen wordenvervangen door terugbetalingen van kapitaal die, maatschappelijk gezienals inkomsten worden beschouwd, is in de Wet op de dividendbelasting1965 (Wet DB 1965) opgenomen dat een terugbetaling van kapitaal toch isbelast, indien en voor zover er zuivere winst is. Heffing vindt echter nietplaats indien de nominale waarde van de desbetreffende geplaatsteaandelen bij voorafgaande statutenwijziging is verminderd. Hiermee komttot uitdrukking dat de terugbetaling van kapitaal, overeenkomstig hetuitgangspunt van de dividendbelasting, in beginsel onbelast kanplaatsvinden. Als een bedrijf met winstreserves kiest voor een onbelasteterugbetaling van kapitaal blijft er een dividendbelastingclaim rusten opde winst(reserves) waarover later kan worden geheven.Bij de bepaling van de hoogte van het gestorte kapitaal is er een bijzon-derheid in de wetgeving opgenomen in het geval van fusie of splitsing. Indie situaties bevat de wet een fictiebepaling waarmee claimverlies op dewinstreserves van de te fuseren of te splitsen vennootschap wordtvoorkomen doordat winstreserves worden getransformeerd in kapitaal inde verkrijgende vennootschap dat in beginsel onbelast kan worden68Kamerstukken II 2023/24, 36 410, nr. 77.69Op basis van gegevens uit het FD en uit www.veb.net.70Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 140.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3438 terugbetaald. De fictie houdt in dat hetgeen normaal als gestort kapitaalwordt beschouwd (de waarde in het economische verkeer van de tefuseren of te splitsen vennootschap), toch niet als zodanig wordt erkend.Deze fictie geldt echter niet als de te fuseren of te splitsen vennootschapniet in Nederland is gevestigd. In dat geval wordt een zogenoemdestep-up verleend. Bij een step-up wordt bij het bepalen van het fiscaalerkend kapitaal uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer vanhet vermogen dat als gevolg van de fusie overgaat op de verkrijgendevennootschap. Uit een onderzoek van het IBFD (2021) op verzoek van deheer Snels, blijkt dat in de meeste van de 13 onderzochte landen geenstep-up wordt verleend bij binnenkomende grensoverschrijdende fusiesof splitsingen.71 Met de step-up wordt voorkomen dat een dividendbelas-tingclaim wordt gevestigd op winstreserves van buitenlandse vennoot-schappen die vóór de fusie of splitsing onbeclaimd waren. Bij een fusie ofsplitsing die als doel heeft om belastingheffing te ontgaan of uit te stellenis de step-up niet van toepassing. Op de winsten die ontstaan na de fusieof splitsing rust een dividendbelastingclaim.Verder vraagt de heer Stultiens waarom het kabinet het niet zouverplichten om eerst winst belast uit te keren, voordat onbelast kapitaalkan worden teruggeven. Het uitgangspunt voor de heffing van dividend-belasting is het belasten van dividenden. Zoals hiervoor aangegeven iseen teruggaaf van kapitaal geen dividend aangezien dit kapitaal door deaandeelhouders op een eerder moment is ingebracht. Dat een vennoot-schap kan overgaan tot een onbelaste terugbetaling van kapitaal is eenbewuste keuze van de wetgever geweest en is dus in lijn met de letter endoel en strekking van de wet. Daarnaast kunnen de volgende overwe-gingen spelen. Kapitaalstortingen zijn een belangrijk middel om tevoorzien in de financieringsbehoefte van een vennootschap. Wanneer eenaandeelhouder zijn ingebrachte kapitaal niet onbelast kan terugkrijgen zoudat invloed kunnen hebben op de afweging tussen schuldfinanciering enfinanciering met eigen vermogen door middel van kapitaalstortingen.Daarnaast zouden er voor bepaalde aandeelhouders extra administratievelasten kunnen ontstaan doordat zij in plaats van een onbelaste teruggaaf,de dividendbelasting (indien mogelijk) moeten verrekenen met huninkomsten- of vennootschapsbelasting en kunnen mogelijk discussiesontstaan over de kwalificatie van de terugbetaling van kapitaal onder debelastingverdragen. Het kabinet ziet om voorgaande redenen en de thansdemissionaire staat van het kabinet, op dit moment geen aanleiding voorde introductie van nieuwe maatregelen.De heer Stultiens vraagt of de bepaling in de liquidatieverliesregelingwaar de budgettaire derving die is ontstaan na het arrest72 van de HogeRaad over de toepassing van de liquidatieverliesregeling uit voortvloeit, isaangepast. Hij vraagt daarbij of de budgettaire derving binnen deliquidatieverliesregeling zelf gerepareerd kan worden. De heer Stultiensvraagt of het mogelijk is om de aftrek van het liquidatieverlies teverbieden als het verlies in het andere land kan worden afgetrokken. Ik vatde vraag van de heer Stultiens zo op dat hij vraagt of het liquidatieverliesin aftrek kan worden beperkt voor zover dat verlies elders in aftrek is ofkan worden gebracht. Tot slot vraagt de heer Stultiens welk deel van deincidentele derving en de structurele derving gedekt is binnen het domeinvermogen/winst. Onder de liquidatieverliesregeling is – als uitzonderingop de deelnemingsvrijstelling – een liquidatieverlies op een deelnemingonder voorwaarden aftrekbaar. Het recht op het in aftrek brengen van eenliquidatieverlies vervalt indien rechtens sprake is van enig recht op eentegemoetkoming voor die verliezen. Daarmee wordt dubbele verlie-sneming zoveel mogelijk voorkomen. De crux zit in het moment waarop71Kamerstukken II 2020/21, 35 423, nr. 11.72ECLI:NL:HR:2025:417.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3439 wordt getoetst of van enigerlei tegemoetkoming sprake is. In de casus vanvoornoemd arrest had de Ierse dochtermaatschappij van de belasting-plichtige tijdens haar bestaan gebruikgemaakt van de Ierse zogenoemdegroup-reliefregeling. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de beoordelingof «geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming» moet wordenuitgevoerd naar het tijdstip waarop de vereffening van het ontbondenlichaam is voltooid. Ten tijde van de ontbinding beschikte de Iersedochtermaatschappij nog over niet-verrekende, en volgens de Iersebelastingdienst verder onverrekenbare, verliezen. In dat geval komt onderde liquidatieverliesregeling het hele liquidatieverlies voor verrekening inaanmerking. Het liquidatieverlies is het verschil tussen het voor dedeelneming opgeofferde bedrag en de liquidatie-uitkering. Bij devormgeving van de liquidatieverliesregeling is er voor de omvang van hette nemen liquidatieverlies vanwege grote praktische bezwaren bewustvoor gekozen geen koppeling te maken met de omvang van de bij deontbonden dochter onverrekenbaar gebleven verliezen.73 Het kabinetheeft ter dekking van de budgettaire derving van het arrest verschillendeopties overwogen. Eén van de onderzochte opties is het hanteren van eenzogenoemde «voor-zover-benadering»; buitenlandse verliezen kunnenalleen in aftrek worden gebracht voor zover ze nog niet elders in aftrek zijngebracht. De opties zijn op hoofdlijnen onderzocht op wetstechnischeaspecten, Europeesrechtelijke aspecten, de budgettaire impact, degevolgen voor de uitvoering door de Belastingdienst en de impact op hetvestigingsklimaat. Uiteindelijk heeft het kabinet niet gekozen voor deze«voor-zover-benadering». De voornaamste reden is dat de budgettaireopbrengst niet voldoende is om de budgettaire derving van het arrest tedekken. Daarnaast heeft deze optie gevolgen voor de uitvoering door deBelastingdienst. Een vraag is of het in dit geval wenselijk is dat hetovergedragen verlies omgerekend wordt naar Nederlandse maatstaven.Als dat het geval is zal met deze optie de complexiteit van de al complexeliquidatieverliesregeling verder toenemen. Het omrekenen van verliezennaar Nederlandse maatstaven heeft grote impact op de uitvoeringsge-volgen. Ook is het in de uitvoering niet eenvoudig vast te stellen hoeveelverlies daadwerkelijk is overgedragen of overgedragen had kunnenworden in het buitenland. Alles overziend heeft het kabinet niet gekozenvoor een «voor-zover-benadering». In plaats daarvan stelt het kabinet terdekking van de budgettaire derving van voornoemd arrest voor om defiscale behandeling van de afdekking van valutarisico’s die belastingplich-tigen met een deelneming lopen aan te passen. De voorlopige inschattingvan de budgettaire opbrengst van dat voorstel is structureel € 113miljoen. Daarmee valt de dekking van de derving van het voornoemdearrest binnen het domein winst. Daarbij kent de structurele opbrengst eenoverdekking waarmee op de langere termijn de incidentele derving gedektwordt.De heer Stultiens vraagt naar aanleiding van de schatting van interna-tionale wetenschappers van het wereldwijde en Nederlandse verhuldevermogen, wat bij de Belastingdienst bekend over het buitenlandsevermogen van Nederlandse huishoudens. Ook vraagt hij wat het specialeteam binnen de Belastingdienst heeft opgespoord aan verhuld vermogenen of er nog meer mogelijk is. Op deze vragen kan het kabinet concreetantwoord geven. De Belastingdienst ontvangt sinds 2016 gegevens onderde Common Reporting Standard (CRS) van andere landen. Bij de starthiervan ontving Nederland nog maar van 45 landen informatie eninmiddels ontvangt de Belastingdienst gegevens van 107 landen in 2024.De CRS is de internationaal afgesproken uitwisseling van gegevens vanparticuliere rekeninghouders bij financiële instellingen. Uit een recenteanalyse van de CRS-data door het Ministerie van Financiën blijkt dat in73Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 22, p. 29 rechterkolom.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3440 2024 naar schatting € 52 miljard van Nederlandse huishoudens zich in hetbuitenland bevindt. Daarvan bevond ruim € 9 miljard zich bij financiëleinstellingen in laagbelastende jurisdicties, met name in Jersey, Guernsey,Isle of Man en de Kaaimaneilanden.De vraag van de heer Stultiens over de resultaten van het team VerhuldVermogen binnen de Belastingdienst kan als volgt worden beantwoord.De aanpak van dit speciale team komt er in de kern op neer dat belasting-plichtigen nadrukkelijk worden uitgenodigd om hun niet aangegeven(buitenlands) inkomen en/of vermogen alsnog bij de Belastingdienst temelden (vrijwillige verbetering). Belastingplichtigen die niet meewerken –door geen of niet de volledig gevraagde informatie te leveren – kunnenrekenen op een gepaste behandeling. Uiteindelijk behoort ook strafrechte-lijke vervolging tot de mogelijkheden. Projecten van het programmaVerhuld Vermogen worden geïnitieerd op basis van signalen vanbijvoorbeeld de FIOD, gegevens die beschikbaar zijn gekomen uit «leaks»zoals de «Panama papers», fenomenenonderzoek én CRS-data. De totaleopbrengst van het programma Verhuld Vermogen en haar voorlopersbedraagt van 2001 tot nu toe ruim € 5 miljard aan belastingopbrengsteninclusief renten en boetes; de jaarlijkse opbrengst in de afgelopen vijf jaarligt tussen de € 100 en € 200 miljoen, afhankelijk van de afgehandeldesignalen. Die opbrengsten betreffen zowel mensen die tot inkeer zijngekomen en hun vermogen alsnog in de aangifte inkomstenbelastingopgeven als mensen die door middel van strafrecht zijn aangepakt.Het kabinet deelt met de heer Stultiens dat de kernvraag nu is hoeveelbuitenlands vermogen uit de CRS-data nog niet is «onthuld» in die zin dathet daadwerkelijk met de Nederlandse inkomstenbelasting zou moetenworden belast. Hoewel de CRS-data bijzonder waardevol zijn, valt hieruitnog niet altijd direct en eenvoudig af te leiden of het vermogen op eenbuitenlandse bankrekening wel of niet belast is in Nederland. Het gaatvaak om complexe situaties en de kwaliteit van de aangeleverde infor-matie verschilt per land, dus dat vergt zorgvuldige nadere analyse en daarzijn we mee bezig. Zodra hierover meer kan worden gezegd, wordt deKamer hierover worden geïnformeerd.Mevrouw Van Dijk vraagt of het de bedoeling is dat ondernemersfondsenin de vorm van een stichting geen gebruik kunnen maken van degoedkeuring voor ondernemersverenigingen. Dat is inderdaad beoogd.De goedkeuring voor ondernemersverenigingen is een buitenwettelijkeregeling voor situaties waarin de ondernemersvereniging zelf geen rechtop aftrek heeft en heeft als doel om het aftrekrecht niet te beperken in«innige samenwerkingssituaties». Neem het voorbeeld van de feestver-lichting. Als een winkelier zelf feestverlichting ophangt, kan hij de btw diedaar op drukt in aftrek brengen. Als hij dit samen doet met de winkeliersom hem heen in een winkeliersvereniging, bijvoorbeeld om de helewinkelstraat te voorzien, kan de vereniging die btw in beginsel nietaftrekken. De vereniging kwalificeert zelf namelijk niet als ondernemeromdat ze niets verkoopt. De goedkeuring waar mevrouw Van Dijk naarvraagt, ziet op deze situatie. Daarbij is de goedkeuring beperkt totverenigingen, omdat voor de mate van aftrek bij de ondernemersver-eniging wordt aangesloten bij het aftrekrecht van de leden en het feit datde kosten feitelijk worden gedragen door de aangesloten leden. Er is voorgekozen om dat alleen toe te staan bij verenigingen omdat een stichtinggeen leden heeft en daarom voor het aftrekrecht niet kan wordenaangesloten bij een duidelijk met de entiteit verbonden afgebakendegroep. Een stichting is – anders dan een vereniging – eigenaar van eenvermogen waarmee een statutair bepaald doel wordt nagestreefd. Degoedkeuring uitbreiden naar de veel diffusere situaties bij stichtingen, zoude goedkeuring zowel voor ondernemers als de Belastingdienst veelmoeilijker uitvoerbaar maken en zou tevens afbreuk doen aan hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3441 uitgangspunt van de goedkeuring dat wordt voor het aftrekrecht wordtaangesloten bij het aftrekrecht van de leden. Ik vind dat niet wenselijk.De heer Grinwis heeft naar aanleiding de NOS-publicatie «Fiscale stropdreigt voor 1,6 miljoen pensioenverzekerden» van zaterdag 15 november2025 gevraagd wat de Staatssecretaris nog meer kan doen om werkgeverstot actie te manen en te voorkomen dat de Belastingdienst in 2028ongewenst op de stoep staat bij pensioenverzekerden. De Belastingdienstheeft in overleg met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheidonlangs het memo «fiscale gevolgen niet tijdig aanpassen pensioenre-geling aan gewijzigde fiscale kaders en hoe fiscale onzuiverheid tevoorkomen» gepubliceerd.74 Dit memo is de aanleiding voor de publicatievan de NOS. Het memo wijst op de fiscale consequenties van het niettijdig aanpassen van pensioenregelingen aan de Wet toekomst pensi-oenen. Ook wordt aangegeven in het memo wat kan worden gedaan omdeze fiscale gevolgen te voorkomen. Hiermee wordt de druk op detransitie gehouden zodat pensioenregelingen tijdig worden aangepast.Daarnaast adviseert de hiervoor aangestelde regeringscommissaris, Fiekevan der Lecq, de Minister van SZW over de voortgang van de transitienaar het nieuwe pensioenstelsel. De voortgang van de transitie naar hetnieuwe pensioenstelsel en eventueel daarbij ontstane knelpunten wordengemonitord. Zodoende is er grip vanuit het kabinet op de voortgang vande pensioentransitie en kan tijdig worden geanticipeerd.De heer Grinwis vraagt te overwegen om voor woningcorporaties eenbestedingsreserve te introduceren en welke stappen de Staatssecretarisbereid is te zetten om dat mogelijk te maken. In de dilemmanotitie in hetkader van de aanvankelijk voorgenomen huurbevriezing is recentelijkingegaan op het introduceren van een bestedingsreserve voor woningcor-poraties.75 Net als voor andere mogelijkheden om woningcorporaties(gedeeltelijk) uit te zonderen van de vennootschapsbelasting (vpb) geldtdat een bestedingsreserve verschillende haken en ogen kent, waarvan hetstaatssteunaspect één van de belangrijkste is. Voorts dient er rekening teworden gehouden met de budgettaire gevolgen en de uitvoeringsa-specten. Het verlenen van staatssteun is in beginsel verboden en alleenonder bepaalde voorwaarden toegestaan, bijvoorbeeld om ervoor tezorgen dat een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) kanworden uitgevoerd of als er een vrijstellingsmogelijkheid van toepassingis. Het verbod op staatssteun en de uitzonderingsvoorwaarden zijnvastgelegd in het VWEU en secundaire Europese regelgeving. Onlangsheeft de Europese Commissie (EC) een publieke consultatie gehoudenmet betrekking tot een voorgenomen herziening van hetDAEB-vrijstellingsbesluit uit 2012.76 Het doel van deze herziening is omEU-lidstaten in staat te stellen betaalbare huisvesting sneller en eenvou-diger te ondersteunen. Volgens de meest recente planning van de ECwordt het definitieve besluit voor het einde van het jaar verwacht.Uiteraard zullen we uw Kamer op de hoogte houden. Gelet op dedemissionaire status van dit kabinet is het aan een volgend kabinet om tewegen of, en zo ja, welke stappen – binnen de mogelijkheden van hetEuropese recht – worden genomen.De heer Grinwis stelt dat het kabinet de goede toekomst van de glastuin-bouwsector op het spel zet en vraagt welke mogelijkheden de Staatssecre-taris ziet om dit te verbeteren. In het voorjaar heeft het kabinet om74Het memo is te raadplegen via de website van het Centraal Aanspraakpunt Pensioenen van deBelastingdienst, https://centraalaanspreekpuntpensioenen.belastingdienst.nl.75Bijlage (D22729) bij Kamerstukken II 2024/25, 27 926, nr. 394.76European Commission, Public consultation on the revised SGEI Decision, 3 October 2025. Ziehttps://competition-policy.ec.europa.eu/public-consultations/2025-sgei_en.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3442 uitvoeringstechnische redenen besloten om ETS2 uit te breiden naar deglastuinbouwsector. Daarnaast zal de bijmengverplichting groen gas ookvoor de glastuinbouw gaan gelden. Uitgaande van implementatie vanETS2, zal als compensatie de aparte CO2-heffing per 2027 wordenafgeschaft. Daarnaast wordt een kostencompensatieregeling uitgewerkt,om tuinders te compenseren voor het deel van de ETS2-prijs dat hogerligt dan de CO2-prijs die nodig is om het klimaatdoel in de glastuinbouw-sector te borgen. De kostencompensatieregeling voor ETS2 en debijmengverplichting groen gas met tijdelijke compensatie via de energie-belasting wordt op dit moment nader uitgewerkt.Definitieve besluit-vorming vindt daarom in het voorjaar of bij formatie plaats Hierin neemthet kabinet ook de concurrentiepositie en economische gevolgen voor desector mee, zoals verzocht in een andere motie van de heer Grinwis.Daarna zullen de fiscale aanpassingen aan Uw Kamer worden voorgelegd.De heer Grinwis daagt de Staatssecretaris uit om zijn kaarten op tafel teleggen, want als we het debat nu niet voeren en nu geen keuzes maken,dan blijft de vereenvoudiging, de hervorming van ons belasting- entoeslagenstelsel een vogel in de lucht. Het kabinet is het met de heerGrinwis eens dat een hervorming van het belasting- en toeslagenstelselnoodzakelijk is en dat het tijd is concrete stappen te gaan zetten. Het isvan belang dat deze stappen breed draagvlak hebben. Het kabinet vindthet passend om zich vanwege de demissionaire status in dit debatbescheiden op te stellen. Het is aan uw Kamer en in het bijzonder aanformerende partijen om concrete en richtinggevende keuzes maken. Er isal veel onderzoek gedaan naar de verschillende beleidsopties om dezeproblematiek weg te nemen, waaronder in het Eindrapport ToekomstToeslagenstelsel. Dit onderzoek kan helpen bij het voeren van het debaten het maken van concrete keuzes. Hieruit blijkt onder meer dat terugvor-deringen kunnen worden teruggedrongen door de inkomensafhanke-lijkheid te beperken, bijvoorbeeld door regelingen inkomensonafhanke-lijk(er) te maken of toeslagen af te schaffen. Het de heer Grinwis vraagtwelke maatregel de Staatssecretaris als eerste zou nemen als het eerstedoel is het aantal terugvorderingen bij de toeslagen terugdringen.Toeslagen baseren op vastgestelde inkomens, technisch t-2 genoemd? Ofeen concrete toeslag wegspelen? De heer Grinwis vraagt welke toeslag deStaatssecretaris dan als eerste zou kiezen. De zorgtoeslag, omdat deze degrootste is, terwijl we heel eenvoudig zonder zouden kunnen, aangezienin principe een ieder een zorgverzekering heeft? Eerder ambtelijkonderzoek laat zien dat door het de heer Grinwis aangehaalde beleids-optie waarbij de toeslagen wordt gebaseerd op het vastgestelde inkomen(t-2) vaak gepaard gaat met de keuze voor het instellen van een vangnet-regeling om te voorkomen dat mensen in het heden te weinig toeslagontvangen. Wanneer gekozen wordt voor een dergelijk vangnet zijn er ineen stelsel gebaseerd op het vastgestelde inkomen (t-2) nog steedsterugvorderingen. Daarnaast noemt het de heer Grinwis het «wegspelen»van de zorgtoeslag. Ik kan mij goed voorstellen dat een volgend kabinet –gezien de effecten die gepaard kunnen gaan met een stelselwijziging –kiest voor een stapsgewijze aanpak, bijvoorbeeld met een aanpak pertoeslag.De Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. HeijnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3443

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 787b8d7104a42a76

14 okt 2026 · 4f393c226df2578c

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.