KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

29 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie dfc16c2fa3953729 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 979Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 inverband met het opnemen van eenhorizonbepaling met betrekking tot debevoegdheid om biometrische gegevens vanvreemdelingen af te nemen en te verwerkenNr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING AlgemeenALGEMEEN 1. Inleiding De Wet biometrie vreemdelingenketen (hierna: Wbvk) heeft in 2014voorzien in een wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw2000) om het gebruik van biometrische kenmerken in de vreemdelingen-keten uit te breiden en daarmee de identiteitsvaststelling van vreemde-lingen te verbeteren (Stb. 2014, 2). De in die wet opgenomen nationalebevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemenen te verwerken (artikel 106a Vw 2000) had in eerste instantie een tijdelijkkarakter. Op grond van artikel 115 Vw 2000 zou deze bevoegdheid per1 maart 2026 komen te vervallen, en zouden alle gezichtsopnamen envingerafdrukken die op basis van artikel 107, eerste lid, onderdeel a, Vw2000 in de vreemdelingenadministratie zijn opgenomen, moeten wordenvernietigd. Met de Wet bestendiging bevoegdheden biometrischegegevens vreemdelingen (hierna: Wbbbgv) (Stb. 2026, 47) is de nationalebevoegdheid zonder horizonbepaling bestendigd. Daarmee is ook devernietiging van biometrische gegevens van vreemdelingen uit devreemdelingenadministratie voorkomen.Gelet op het naderende einde van de termijn in de horizonbepaling vondde parlementaire behandeling van de Wbbbgv voor de Tweede Kamer ende Eerste Kamer plaats onder grote tijdsdruk. Daardoor is onvoldoendegelegenheid geweest voor een zorgvuldige inhoudelijke behandeling vanhet wetsvoorstel. Tijdens het debat is daarom toegezegd dat voor dezomer van 2026 een wetsvoorstel wordt ingediend om de nationalebevoegdheid opnieuw een tijdelijk karakter te geven. Dit biedt demogelijkheid alsnog tot een zorgvuldige inhoudelijke afweging te komenover de wenselijkheid van de nationale bevoegdheid om biometrischegegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken. Met ditwetsvoorstel wordt aan die toezegging uitvoering gegeven. Daartoe wordtin de Vw 2000 een horizonbepaling opgenomen voor de nationale kst-36979-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 31 bevoegdheid tot afname en verwerking van biometrische gegevens vanvreemdelingen, vastgelegd in artikel 106a van de Vw 2000.Deze memorie van toelichting is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2wordt overeenkomstig mijn toezegging tijdens de plenaire behandelingvan de Wbbbgv (het voorstel dat op 25 februari 2026 tot wet is verheven)ingegaan op de bij de totstandkoming van de Wbbbgv uitgebrachteadviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP), de Afdelingadvisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en de Tijdelijkecommissie Grondrechten en Constitutionele toetsing van de TweedeKamer (hierna: de tijdelijke commissie). In paragraaf 3 wordt ingegaan opde in het kader van het onderhavige wetsvoorstel door de IND uitge-voerde uitvoeringstoets (sneltoets). Paragraaf 4 gaat in op het advies- enconsultatietraject bij dit wetsvoorstel. Gelet op het feit dat het onder-havige wetsvoorstel, afgezien van de herintroductie van de horizonbe-paling, in materiële zin overeenkomt met de Wbbbgv, heb ik aanleidinggezien de (internet)consultatie van dit voorstel achterwege te laten.2. Hoofdlijnen van het voorstel In de memorie van toelichting bij de Wbbbgv1 is uiteengezet waarom hetvan belang is om de bevoegdheid, neergelegd in artikel 106a Vw 2000 enartikel 107, eerste lid, onderdeel a, Vw 2000 te bestendigen. Het doel vande Wbbbgv was om te bereiken dat de nationale bevoegdheid blijftvoortbestaan. Dit standpunt wordt door het kabinet onverkort onder-schreven. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt primair het debat met deKamers zorgvuldig en zonder tijdsdruk te voeren over de wenselijkheidvan het voorzetten van de bevoegdheden. De herinvoering van dehorizonbepaling is hiertoe een middel. Dat neemt niet weg dat aan deherinvoering van een horizonbepaling voordelen zijn verbonden. Uit delaatste evaluatie van de WbvK is gebleken dat er knelpunten te noemenzijn ten aanzien van de verwerking en afname van biometrischegegevens2. Daarom is in de Wbbbgv een evaluatiebepaling opgenomendie betrekking heeft op de verwerking en vernietiging van biometrischegegevens van vreemdelingen in de vreemdelingenadministratie. Indien uitdeze evaluatie blijkt dat er aanleiding bestaat om deze bevoegdheden teherzien, kan de horizonbepaling daarbij als aanvullende waarborgfungeren. De horizonbepaling verplicht de wetgever immers binnengestelde termijn expliciet te beoordelen of voortzetting, aanpassing ofbeëindiging van de bevoegdheden gerechtvaardigd is. Daarmee wordtgeborgd dat uitkomsten van de evaluatie indien nodig daadwerkelijkworden vertaald in regelgeving en dat de bevoegdheden niet onbeperktvoortbestaan zonder hernieuwde motivering. Los van de evaluatie biedtdit wetsvoorstel om te komen tot een nieuwe horizonbepaling al eerder demogelijkheid om de noodzaak van de bevoegdheden opnieuw tebeoordelen. Dit wetsvoorstel maak het daardoor mogelijk om eenzorgvuldig inhoudelijk debat te voeren over de afname- en verwerkingsbe-voegdheid.Tijdens het debat in de Eerste Kamer over de Wbbbgv is toegezegd dat inde toelichting bij dit wetsvoorstel dient te worden ingegaan op de zorgendie de Afdeling, AP en de tijdelijke commissie over de Wbbbgv hebbengeuit. Tot slot is toegezegd dat de IND een uitvoeringstoets zal verrichten.1Kamerstukken II 2025/26, 36 859, nr. 3.2Door de vingers bekeken, p. 58.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 32 In de volgende paragrafen worden de adviezen in chronologischevolgorde (op adviesdatum) besproken. Vervolgens worden de puntenwaarop de adviezen overlappen gezamenlijk behandeld. Per adviesworden alleen de niet-overlappende punten afzonderlijk besproken.2.1. Advies van de Autoriteit Persoonsgegevens op het voorstel dat op25 februari 2026 tot wet is verheven In de wetgevingstoets van 26 juni 2025 uit de AP bezwaren bij het voorstelen concludeert dat dit de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteitwat de AP betreft niet doorstaat. Volgens de AP is de noodzaak van eenstelsel waarbij van derdelanders tien vingerafdrukken en een gezichtsscanworden afgenomen en vijf jaar in een centrale database worden bewaard,ook na meerdere evaluaties, onvoldoende aangetoond. De eerder (24 juni2020) geuite bezwaren zijn volgens de AP niet weggenomen en door deontwikkelingen in het Unierecht is de aanvullende waarde van de Wbvkverder beperkt. Daarnaast signaleert de AP aanhoudende nalevingspro-blemen (onder meer tijdige verwijdering en voorkoming van onrechtmatiggebruik conform het Protocol Identificatie en Labeling (PIL)) en ontbreektvolgens de AP een concrete onderbouwing dat biometrie in specifiekewerkprocessen noodzakelijk is. Omdat de gegevens onder voorwaardenook voor opsporing kunnen worden gebruikt, is het toepassingsbereikbreder dan de vreemdelingenketen.In de memorie van toelichting bij de Wbbbgv is aangegeven dat bij deverwerking van biometrische gegevens van vreemdelingen de Algemeneverordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing is. Daarnaastgelden specifieke voorschriften3 voor deze gegevensverwerking. Zoalsook vermeld inde brief van 8 november 2024 waarin de Eerste Kamer enTweede Kamer zijn geïnformeerd over de derde evaluatie4 van de Wbvk,zijn alle ketenpartners gebonden aan de daaruit volgende eisen enwaarborgen, waaronder rechtmatigheid, dataminimalisatie, juistheid vangegevens, bewaartermijnen, transparantie en doelbinding.5Het Protocol Identificatie en Labeling (PIL) beschrijft de gestandaardi-seerde werkwijze voor het registreren, identificeren, verifiëren, wijzigen envernietigen van persoonsgegevens binnen de vreemdelingenketen. Ditzorgt voor een gestandaardiseerd gebruik van biometrie door alle partijenin de migratieketen. Paragraaf A6 van de Vreemdelingencirculaire 2000(Vc 2000) schrijft voor dat de identificatie en registratie van de vreem-deling met behulp van biometrische gegevens door ketenpartnersgeschiedt op de door het PIL voorgeschreven wijze.Op grond van artikel 8.35 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) mogenbiometrische gegevens in de BVV niet langer worden bewaard dan vijfjaar nadat een aanvraag voor een mvv is afgewezen. In het geval van eenvreemdeling met rechtmatig verblijf geldt dat de bewaartermijn vijf jaarna het aantoonbare vertrek uit Nederland eindigt. Indien tegen eenvreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd of deze persoonongewenst is verklaard, worden de biometrische gegevens vijf jaar naafloop van de geldigheidsduur van het inreisverbod of de ongewenstver-klaring verwijderd. Biometrische gegevens van tot Nederlander genatura-liseerde personen moeten uit de BVV worden vernietigd. Het PIL beschrijftin paragraaf 8 de werkwijze voor de vernietiging van persoonsgegevens.3Vw 2000, Vb 2000, Vc 20000 en het PIL.4Door de vingers bekeken. Derde evaluatie Wet biometrie in de Vreemdelingenketen (onderzoekuitgevoerd door Pro Facto, in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum),2024.5Kamerstukken II 2024/25, 35 604, nr. 11; Kamerstukken I 2024/25, 33 192, nr. P.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 33 Periodiek wordt beoordeeld of de bewaartermijnen van biometrischegegevens zijn verstreken en of gegevens voor verwijdering in aanmerkingkomen, onder andere in het geval van naturalisatie of het verlopen vaneen inreisverbod. Deze werkwijze is ook verankerd in de artikelen 7.1d,tweede lid, en 7.1l, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.Bij de invoering van de Wbvk is een uitgebreide Data Protection ImpactAssessment (hierna: DPIA) uitgevoerd. Deze DPIA is ten behoeve van debestendiging van de bevoegdheden uit de Wbvk geactualiseerd. Invergelijking met het moment van inwerkingtreding van de Wbvk in 2014zijn er op een aantal punten verbeteringen aangebracht. De kwaliteit vande biometrische gegevens is verbeterd, evenals de beveiliging van de BVVen van de verwerking van biometrische gegevens.Uit de laatste evaluatie van de Wbvk blijkt dat wat betreft de naleving vanhet PIL er enkele knelpunten te noemen zijn.6 De Auditdienst Rijk (ADR)heeft een audit uitgevoerd en op 8 februari 2024 de (niet-openbare)rapportage opgeleverd. Deze audit richtte zich op de uitvoering van hetPIL door ketenpartners. De uitkomst van deze audit was dat er een drietalknelpunten bestaat bij de uitvoering van het PIL. Ten eerste ontstaan nogveel dubbelingen. Ten tweede blijkt dat in de praktijk de verificatie aan dehand van biometrische gegevens wordt overgeslagen of alleen aan dehand van documenten plaatsvindt. Hierdoor bestaat het risico datprocessen in gang worden gezet bij de verkeerde persoon, wat de kans opmisbruik of fraude vergroot. Tot slot zijn nog niet alle medewerkers van deketenpartners bekend met het PIL. Het proces van verwijdering verloopttot slot niet zoals beschreven in het PIL. In sommige gevallen wordenbiometrische gegevens langer bewaard dan wettelijk toegestaan. Dit komtvoornamelijk doordat niet altijd tijdig wordt vastgesteld of een vreem-deling daadwerkelijk is vertrokken, waardoor het proces van gegevensver-wijdering vertraging oploopt. Het kabinet vindt het belangrijk dat devernietiging van gegevens tijdig en conform wetgeving plaatsvindt enwerkt daarom uit hoe interne controlemechanismen en procedures rondgegevensbeheer kunnen worden aangescherpt.Dit alles betekent dat de problemen rond de naleving van de voorschriftenvoor het verwerken van biometrische gegevens in de uitvoering wordengeadresseerd en steeds verder zijn verkleind. Bovendien is, zoalstoegelicht in paragraaf 2.3, een evaluatiebepaling met betrekking tot degegevensverwerking en -vernietiging aan het wetsvoorstel voor deWbbbgv toegevoegd.2.2. Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State op hetvoorstel dat op 25 februari 2026 tot wet is verheven De Afdeling heeft op 8 oktober 2025 geadviseerd over de Wbbbgv.Allereerst gaat de Afdeling in op de noodzakelijkheid van de nationalebevoegdheid en adviseert deze noodzaak tegen het licht van de Europeseverordeningen te bezien. Ten tweede dient te worden toegelicht op basisvan welke juridische grondslag de verwerking van gegevens in CATCH-vreemdelingen plaatsvindt en moet de noodzakelijkheid van dezegegevensverwerking dragend worden gemotiveerd. Daarbij moeten debewaartermijnen voor de opslag van gezichtsopnamen in CATCH-vreemdelingen wettelijk worden geregeld. Indien dit niet mogelijk is,adviseert de Afdeling om de verwerking van deze gegevens in deze vormaan te passen of stop te zetten. Ten derde adviseert zij om devoorwaarden die gelden voor het gebruik van vingerafdrukken tenbehoeve van de opsporing van strafbare feiten ook wettelijk vast te leggenvoor het gebruik van gezichtsopnamen voor dit doel. Tot slot adviseert de6Door de vingers bekeken, p. 58Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 34 Afdeling om in de toelichting uiteen te zetten welke maatregelen wordengenomen om te voorkomen dat biometrische gegevens langer wordenbewaard dan wettelijk is toegestaan, en om een evaluatiebepaling in hetwetsvoorstel op te nemen.Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is het wetsvoorstelop twee punten gewijzigd.Ten aanzien van het derde adviespunt is met de Wbbbgv artikel 107, zesdelid, van de Vw 2000 gewijzigd, zodat de voorwaarden voor zowel deverstrekking van vingerafdrukken als voor de verstrekking van gezichtsop-namen gelden ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbarefeiten.Ten aanzien van het laatste adviespunt is in de Wbbbgv een evaluatiebe-paling opgenomen die specifiek ziet op de verwerking en vernietiging vanbiometrische gegevens van vreemdelingen in de vreemdelingenadminis-tratie. Het evaluatierapport zal uiterlijk drie jaar na de inwerkingtredingvan de Wbbbgv aan de Staten-Generaal worden aangeboden.2.3. Advies van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutioneletoetsing op het voorstel dat op 25 februari 2026 tot wet is verheven De tijdelijke commissie heeft voor het wetsvoorstel Wbbbgv op 22 januari2026 een advies uitgebracht. Daarin adviseert zij om de onderbouwingvan de noodzaak van het wetsvoorstel aan te vullen met een naderereflectie op de verhouding met het Europees recht, waarin ook regels zijnvastgelegd voor de verwerking van biometrische gegevens van vreemde-lingen. Daarnaast adviseert de tijdelijke commissie om in deze onder-bouwing onderscheid te maken tussen situaties waarvoor de Europesewetgever al uitputtende regels heeft vastgelegd, situaties waarvoor deEuropese wetgever (nog) geen regels heeft gesteld en situaties waarvoorde Europese wetgever heeft voorzien in beperkte(re) mogelijkheden voorhet verwerken van biometrische gegevens. Ook adviseert de tijdelijkecommissie om in de aangekondigde verkenning aandacht te besteden aande gewijzigde Eurodac-verordening, die met ingang van 12 juni 2026 vantoepassing wordt en ook voorziet in mogelijkheden voor het verwerkenvan biometrische gegevens van vreemdelingen voor het opsporen envervolgen van ernstige strafbare feiten. Tot slot adviseert de tijdelijkecommissie om binnen een kortere termijn dan het door de Minister eerderaangekondigde vierde kwartaal van 20267 een oplossing te vinden voor deonrechtmatige verwerking van persoonsgegevens in de CATCH-vreemdelingendatabase. Dit laatste punt is bij de plenaire behandeling inde Eerste Kamer op 24 februari 2026 besproken. Daarbij heb ik aange-geven dat het mogelijk is via een technische aanpassing te voorkomen dater onrechtmatige verwerking van de gegevens plaatsvindt en dat dezetechnische voorziening waarschijnlijk in het tweede kwartaal van 2026 ingebruik kan worden genomen.2.4. Nadere motivering 2.4.1. Noodzakelijkheid Het afnemen en gebruik van biometrische gegevens vormt een inperkingop het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoalsverankerd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van derechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) enartikel 10 van de Grondwet (hierna: Gw). Artikel 8 EVRM staat eeninperking van dit recht toe indien deze bij of krachtens de wet is voorzien,7Kamerstukken II 2025/26, 36 859, nr. 7, p. 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 35 een legitiem doel nastreeft en noodzakelijk is in een democratischesamenleving. Bij wet voorzien houdt in dat de wet voorzienbaar entoegankelijk is. Dit betekent dat de wet zo precies mogelijk devoorwaarden dient te omschrijven waaronder in de persoonlijke levens-sfeer kan worden ingegrepen. Ook op grond van artikel 10 Gw moetenbeperkingen bij formele wet worden gesteld. De Wbbbgv voorziet inbestendiging van bestaande bevoegdheden om van vreemdelingengezichtsopnamen en vingerafdrukken af te nemen en deze te verwerken.In de Vw 2000 is duidelijk bepaald waarvoor deze biometrische gegevenskunnen worden gebruikt: deze worden afgenomen en verwerkt met hetoog op de uitvoering van de Vw 2000 (artikel 106a Vw 2000). De biome-trische gegevens kunnen worden vergeleken met gegevens uit devreemdelingenadministratie en worden daarin ook opgeslagen (artikelen106a en 107 Vw 2000).Artikel 8 EVRM stelt verder de eis dat met de inperking een legitiem doelwordt nagestreefd. Legitieme doelen zijn volgens het tweede lid vanartikel 8 EVRM het belang van de nationale veiligheid, de openbareveiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen vanwanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheidof de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden vananderen.Het gerechtvaardigde doel van de artikelen 106a en 107 van de Vw 2000 isgelegen in het beschermen van de openbare veiligheid en het voorkomenvan wanordelijkheden en strafbare feiten. Meer specifiek dient hetafnemen en verwerken van biometrische gegevens van vreemdelingenhet belang van een betrouwbare vaststelling van de identiteit en debestrijding van potentiële fraude. In reactie op een eerder wetsvoorsteldat voorzag in de tijdelijke verlenging van de bevoegdheid om biome-trische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken (Stb.2021, 80) heeft de Nationale Politie er daarnaast op gewezen dat afnamevan biometrie van belang is in het kader van de nationale veiligheid. Methet gebruik van biometrische gegevens kan worden voorkomen datmogelijke terroristen onder de radar blijven door eerst een familielidvooruit te sturen die geen link heeft met terroristische activiteiten, en zichhier vervolgens als dat familielid voor te doen.8 Ook het Hof van Justitievan de Europese Unie heeft in een uitspraak van 3 oktober 2019 erkenddat de afname van biometrische gegevens van vreemdelingen kanworden gerechtvaardigd door het doel om identiteits- en documentfraudete voorkomen en te bestrijden.9Verder eist artikel 8 EVRM dat beperkingen noodzakelijk zijn in eendemocratische samenleving. Dit houdt in dat voor de inbreuk op hetgrondrecht een dringend maatschappelijk belang («pressing social need»)aanwezig is. Bovendien moet worden aangetoond dat de verwerking vande gegevens in een evenredige verhouding staat met het te verwezen-lijken doel, en dat de beperking effectief bijdraagt aan de verwezenlijkingvan het doel, terwijl steeds nagegaan behoort te zijn of er eventueelminder ingrijpende maar even effectieve, alternatieve middelen bestaanom het doel te bereiken. Het maatschappelijk belang, maar ook het belangvan de vreemdeling zelf, bij het vaststellen van de juiste identiteit en hettegengaan van identiteitsfraude is gelegen in het met zekerheid kunnenvaststellen dat degene die wordt toegelaten als vreemdeling ook het rechtheeft om toegelaten te worden tot Nederland. De overheid draagt er zorgvoor dat alleen vreemdelingen die recht hebben op een rechtmatig verblijfin Nederland toegang krijgen en kunnen verblijven. Hiervoor is een goedeen betrouwbare identiteitsvaststelling van essentieel belang. Er zijn geen8Kamerstukken II 2020/21, 35 604, nr. 3, p. 99HvJ EU inzake C-70/18, d.d. 3 oktober 2019. Zie ook de uitspraak van de ABRvS in deze zaak van29 april 2020, nrs. 201601536/3/V3 en 201601554/3/V3, ECLI:NL:RVS:2020:1168.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 36 alternatieve, minder ingrijpende maatregelen die in gelijke mate aan ditdoel kunnen bijdragen als het gebruik van biometrische gegevens.Gelet op het belang van een betrouwbare identiteitsvaststelling voor hetbeschermen van de openbare orde en de nationale veiligheid en hetvoorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en het gegeven datgeen minder ingrijpende maatregelen beschikbaar zijn met een gelijkeffect, is de inbreuk op het recht op de bescherming van de persoonlijkelevenssfeer proportioneel. Ook het Hof van Justitie van de Europese Unieheeft in voornoemde zaak geoordeeld dat de Nederlandse regeling op ditterrein niet te ver gaat om het gestelde doel te bereiken. De verwerkingvan biometrische gegevens is daarnaast met de nodige waarborgenomkleed.Het gebruik van biometrische gegevens in de gehele vreemdelingenketenbevordert de veiligheid en betrouwbaarheid van identiteitsvaststelling,-registratie en -verificatie, hetgeen cruciaal is voor de handhaving van deopenbare orde en nationale veiligheid. Ze spelen daarnaast een belang-rijke rol bij de voorkoming van strafbare feiten, onder meer van identi-teitsfraude, documentvervalsing en identiteitsdiefstal. Bovendienfaciliteert het gebruik van biometrie de efficiëntie en accurate afhandelingvan asiel- en verblijfsaanvragen door een betrouwbare identificatie vanvreemdelingen mogelijk te maken. Ook ondersteunen de nationalebevoegdheden een uniforme benadering van biometrische gegevens, watde samenwerking tussen de ketenpartners en internationale partnersbevordert.2.4.2. Verhouding tot het Europees recht De bevoegdheid uit de Wbvk om van een vreemdeling een gezichts-opname en tien vingerafdrukken af te nemen en te verwerken voor hetvaststellen van de identiteit met het oog op de uitvoering van deVreemdelingenwet 2000, geldt alleen voor zover op grond van deEuropese verordeningen die betrekking hebben op biometrischegegevens (zie definitie in artikel 1 Vw 2000) geen gezichtsopname ofminder vingerafdrukken kunnen worden afgenomen en verwerkt (artikel106a, eerste lid, Vw 2000). Sinds de inwerkingtreding van de Wbvk zijnverschillende Europese verordeningen op dit terrein tot stand gekomen eningegaan. Dit heeft gevolgen voor het toepassingsbereik van de nationalebevoegdheid in artikel 106a Vw 2000.In algemene zin geldt dat de verordeningen geen of slechts beperkt regelsstellen ten aanzien van nationale systemen en nationale afname vanbiometrie. Deze regels zijn eerder gericht op de vraag of gegevens uit deEuropese systemen in nationale systemen mogen worden opgeslagen enwelke verwerkingen in de Europese systemen zijn toegestaan. De nieuweEurodac-verordening stelt bijvoorbeeld expliciet, net als de huidigeEurodac-verordening, dat biometrische gegevens en andere persoonsge-gevens uitsluitend in Eurodac mogen worden verwerkt ten behoeve vande in de Eurodac-verordening en aantal andere verordeningen genoemdedoeleinden, onverminderd de verwerking, door de lidstaat van herkomst,van de voor Eurodac bestemde gegevens in overeenkomstig het nationaalrecht van die lidstaat ingestelde gegevensbanken.Biometrische gegevens worden gebruikt in verschillende processen in devreemdelingenketen. Het gaat om grensbewaking, het beoordelen vanaanvragen voor een verblijfsvergunning asiel, een transitvisum, eenvisum kort verblijf, een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), eenverblijfsvergunning regulier, het inburgeringsexamen en terugkeer enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 37 vertrek.10 Sommige van deze processen worden bestreken door Europeseverordeningen, op grond waarvan voor dat doel biometrische kenmerkenvan een vreemdeling mogen worden afgenomen. Daarbij wordtuitputtend bepaald welke biometrische gegevens en welke alfanumeriekegegevens ingevoerd moeten worden met het oog op welk doel. Anderegegevens kunnen derhalve niet worden opgenomen. Ook raadplegingvoor andere doeleinden dan die de verordeningen bepalen is nietmogelijk. Deze doelen zijn naar hun aard gericht op de samenwerkingtussen de lidstaten, bijvoorbeeld om te kunnen controleren of eenvreemdeling reeds een asielaanvraag in een andere lidstaat heeftingediend. De systemen richten zich daarmee niet tot nationale uitvoe-ringsprocessen verder in de keten. De invoer van deze gegevens vindtplaats vanuit de eigen nationale systemen. De lidstaten moeten ervoorzorgen dat er een nationaal toegangspunt is waarbij de systemen vanverschillende ketenpartners uiteindelijk moeten kunnen communicerenmet de Europese.De Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrischegegevens, zoals de Eurodac-verordening en de VIS-verordening, voorzienin de verwerking van biometrische gegevens in bepaalde situaties. Dezegegevens kunnen dan alleen worden gebruikt binnen de kaders en voorde doeleinden die volgen uit de betreffende verordeningen. De Eurodac-verordening verplicht bijvoorbeeld lidstaten om de vingerafdrukken vanasielzoekers en bepaalde andere categorieën derdelanders die onrecht-matig de Europese Unie (hierna: EU) zijn binnengekomen, op te slaan enuit te wisselen binnen de EU, maar voorziet momenteel niet in demogelijkheid om gezichtsopnamen te gebruiken, en evenmin omvingerafdrukken voor andere doeleinden te verwerken.11 Met ingang van12 juni 2026 mogen deze gegevens ook voor aanvullende doeleindenworden gebruikt, waaronder het voorkomen, opsporen en onderzoekenvan terroristische of andere ernstige strafbare feiten.Bovendien wordt het mogelijk naast vingerafdrukken ook gezichtsop-namen op te slaan. Daarbij blijft echter gelden dat Eurodac niet allegegevens uit de vreemdelingenadministratie omvat. In de vreemdelingen-administratie zijn namelijk ook andere categorieën vreemdelingenopgenomen die in het kader van nationale taken zijn geregistreerd. Alsaan strenge voorwaarden is voldaan, mogen biometrische gegevens vanalle vreemdelingen uit de vreemdelingenregistratie worden verstrekt voorde opsporing en vervolging van strafbare feiten.De VIS-verordening legt de regels vast voor het verwerken van biome-trische gegevens bij aanvragen voor visums voor kort verblijf, waarbijvingerafdrukken en een foto worden opgeslagen en gebruikt voorverificatie bij de grens.12Niet alle processen in de vreemdelingenketen worden door een Europeseverordening bestreken. Voor nationale processen – die niet wordenbestreken door Europese verordeningen – is de nationale bevoegdheid10Door de vingers bekeken, p. 35.11Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013betreffende de instelling van «Eurodac» voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoevevan een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van decriteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandelingvan een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde landof een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken vanrechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodacgegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr.1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer vangrootschalige IT- systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PBEU L 180/1)12Verordening (EG) 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffendehet visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op hetgebied van visa voor kort verblijf (PbEU L218)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 38 om biometrische gegevens af te nemen en te verwerken noodzakelijk omgebruik te kunnen maken van biometrie voor de identiteitsvaststelling –inclusief registratie, verificatie en wijziging van persoonsgegevens – vanvreemdelingen. Nationale toelatingsprocedures, zoals de aanvraag vaneen mvv en het afleggen van het inburgeringsexamen in het buitenland,worden ook niet in Europese verordeningen geregeld. Het gebruik vanbiometrische gegevens voor de identificatie van vreemdelingen in dezeprocedures is enkel mogelijk vanwege de bevoegdheden uit de Wbvk. Alsde bevoegdheid tot het afnemen, verwerken en in de vreemdelingenadmi-nistratie opslaan van vingerafdrukken en gezichtsopnamen van vreemde-lingen voor deze procedures zou vervallen, zou dit dan ook aanzienlijkegevolgen hebben voor de werking van de vreemdelingenketen.Kortom wordt in de Europese verordeningen bepaald waartoe lidstaten inEuropees verband verplicht zijn. De Europese verordeningen staan danook niet aan in de weg aan ruimere nationale wetgeving. Als het gaat omeen ander doeleinde of andere gegevens dan volgend uit de verordening,is een nationale grondslag vereist. Artikel 106a van de Vw 2000 heeft danook gelet op het bovenstaande meerwaarde als op grond daarvan andereof meer biometrische kenmerken mogen worden afgenomen, opgeslagenen verwerkt dan is bepaald in de desbetreffende verordening, dan welvoor zover die verordening daarin niet voorziet.3. Uitvoeringstoets Naar aanleiding van de toezegging in de Eerste Kamer tijdens debehandeling van de Wbbbgv, heeft de IND een uitvoeringstoets (sneltoets)laten uitvoeren. De sneltoets heeft de impact op de IND en ketenpartnersvan het onderhavige voorstel op hoofdlijnen in kaart gebracht.Uit de sneltoets blijkt dat heropname van de horizonbepaling in de Vw2000 op zichzelf geen directe uitvoeringsgevolgen zal hebben, maar dat deterugkeer van de mogelijkheid dat de Wbvk na afloop van de termijnonherroepelijk komt te vervallen tot onuitvoerbare situaties kan leiden.Gelet op de onzekerheid, risico’s en druk op de capaciteit die de horizon-bepaling met zich meebrengt, wijst de IND erop dat de herinvoeringdaarvan vanuit uitvoeringsperspectief onwenselijk is. De nu geldenderisico’s blijven namelijk volgens de IND ook over vijf jaar onverminderdaanwezig. Daarbij weegt mee dat de kans verwaarloosbaar is datEU-wetgeving de nationale grondslag voor het afnemen, verwerken enopslaan van biometrische gegevens in de migratieketen binnen vijf jaar –of op enig moment – overbodig zal maken. In dat licht leidt de heropnamevan de horizonbepaling vermoedelijk uiteindelijk enkel tot een herhalingvan een risicovolle situatie zoals eind februari, mogelijk onder gewijzigdepolitieke omstandigheden, zonder reële grond om aan te nemen dat deWbvk tegen die tijd niet langer noodzakelijk zal zijn voor de uitvoering.Daarnaast blijkt uit de sneltoets dat de opname van een horizonbepalingleidt tot aanzienlijke uitvoeringsrisico’s en knelpunten voor de IND en debetrokken ketenpartners. Met name de onzekerheid over het al dan nietvervallen van de nationale grondslag voor het afnemen, verwerken enopslaan van biometrische gegevens brengt een structurele druk op deuitvoeringscapaciteit met zich mee. Andere uitvoeringsrisico’s bestaan uiteen minder betrouwbare, accurate en eenduidige identiteitsvaststelling,een negatieve impact op opsporingsmogelijkheden en een toename vandubbele registraties. De knelpunten zijn onder meer dat het juist en tijdigbeslissen onder druk komt te staan, het identificatieproces minderefficiënt en effectief wordt, en de druk op zowel de migratieketen als TerApel toeneemt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 39 Indien het wetsvoorstel met een horizonbepaling wordt aangenomen,betekent dit dat de IND en ketenpartners reeds ruim vóór het verstrijkenvan de betreffende termijn moeten starten met omvangrijke en ingrij-pende voorbereidingen op een mogelijke beëindiging van debevoegdheid, hetgeen een aanzienlijke en moeilijk voorspelbare belastinglegt op de beschikbare capaciteit en de uitvoering. Daarbij geldt dat dezevoorbereidingen mede bemoeilijkt worden door de onzekerheid of dehorizonbepaling daadwerkelijk tot effectuering zal komen.Het is daarom randvoorwaardelijk voor de IND dat de IND en de keten-partners voldoende voorbereidingstijd krijgen, nadat het stopzetten vande bevoegdheid definitief is geworden, om de transitie naar een nieuwesituatie mogelijk te maken, zonder dat de organisaties geconfronteerdworden met een uitvoeringstechnisch en juridisch onhoudbare situatie.Waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met de duur van hetverwijderingsproces van zes maanden tot een jaar.Daarbij dient rekening te worden gehouden met de onberekenbaarheiddie de terugkeer van de horizonbepaling met zich meebrengt voor deuitvoering, gezien de mogelijkheid dat de eindtermijn van de Wbvkuiteindelijk toch opnieuw kan worden verlengd of geschrapt (waardoor debevoegdheid wordt bestendigd).Het is in dat licht onwerkbaar om van de IND en ketenorganisaties teverlangen voor te sorteren op het mogelijk stopzetten van debevoegdheid door systemen en aanpassingen beschikbaar te houden diebij stopzetting onmiddellijk zouden moeten kunnen worden ingeschakeld.Gelet op het bovenstaande ligt het daarom in de rede dat ruim vóór hetverstrijken van de termijn van de horizonbepaling een besluit wordtgenomen over het al dan niet in procedure brengen van een wetsvoorstelwaarmee de horizonbepaling wordt verlengd.4. Advies en consultatie De Adviesraad Migratie en de AP hebben geadviseerd over de Wbbbgv,waarmee de horizonbepaling is ingetrokken. De standpunten van dezeorganisaties over de nationale bevoegdheid om biometrische gegevensvan vreemdelingen af te nemen en te verwerken zijn daarmee bekend.Aan deze organisaties is niet nogmaals advies gevraagd over ditwetsvoorstel.Het wetsvoorstel is wel aangeboden aan het Adviescollege ToetsingRegeldruk (ATR). ATR heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeeladvies omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.Gelet op de aard van het conceptwetsvoorstel en de recente consultatieover de voorgenoemde wet, bestaat in dit geval ook geen behoefte aaninternetconsultatie. Voor een reactie op de adviezen die eerder zijnuitgebracht wordt verwezen naar paragraaf 4 van de memorie vantoelichting bij de Wbbbgv, waarin de ontvangen adviezen en de reactiesop die adviezen zijn weergegeven.13ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel IMet dit artikel wordt een horizonbepaling geïntroduceerd. Het eerste lidregelt dat de artikelen 106a en 107, eerste lid, onderdeel a, van die wetvan rechtswege vervallen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding vandit artikel. Indien vóór het verstrijken van deze termijn een voorstel van13Kamerstukken II 2025–2026, 36 859, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 310 wet is ingediend dat strekt tot voortzetting van de in artikel 106a neerge-legde bevoegdheid, wordt het verval opgeschort totdat over dat voorstelis beslist. Het tweede lid bepaalt dat, indien het hiervoor bedoeldevoorstel wordt verworpen, de artikelen 106a en 107, eerste lid, onderdeela, alsnog vervallen op de dag van verwerping. Wordt het voorstel tot wetverheven, dan treedt het in het eerste lid bedoelde vervallen niet in. Indiengeen voorstel wordt ingediend, vervallen de artikelen na afloop van devijfjaarstermijn. Deze horizonbepaling verschilt met de vorige (inmiddelsvervallen) horizonbepaling. Het wetsvoorstel moest namelijk vóór hetverstrijken van de termijn zijn aangenomen, anders verviel debevoegdheid op grond van artikel 106a en moesten de gegevens in devreemdelingenadministratie worden vernietigd. De nieuwe horizonbe-paling biedt meer ruimte om het proces zorgvuldig te doorlopen zodra hetwetsvoorstel is ingediend. De parlementaire behandeling hoeft daardoorniet langer onder grote tijdsdruk plaats te vinden, wat ruimte biedt vooreen zorgvuldige inhoudelijke behandeling van het wetsvoorstel.Artikel IIDit artikel regelt de inwerkingtreding van de wet nadat dit wetsvoorstel totwet is verheven. Het tijdstip van inwerkingtreding wordt bepaald bijkoninklijk besluit. De inwerkingtreding zal plaatsvinden op een vastverandermoment.De Minister van Asiel en Migratie,G. van den BrinkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 979, nr. 311

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 376834d74a78df83

14 okt 2026 · 40fc014ceeb20c42

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.