KamerkringInloggen
Kamerstuk

Nota naar aanleiding van het verslag

13 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 59198896d9526606 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 917Wijziging van de Mediawet 2008 in verband metde versterking van de uitvoering van de publiekemediaopdracht op lokaal niveauNr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 13 mei 2026 De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur enwetenschap (OCW) voor het verslag dat zij heeft uitgebracht naaraanleiding van dit wetsvoorstel. De regering heeft met veel belangstellingkennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de fracties van D66,VVD, GroenLinks-PvdA, PVV, CDA, BBB, SGP en CU.Hierna volgt het antwoord van de regering, waarbij zoveel mogelijk devolgorde en indeling van het verslag is aangehouden.InhoudsopgaveI.Algemeen21.Inleiding72.Hoofdlijnen van het voorstel92.1Aanleiding92.2Overheveling financiering van gemeentefonds naar Rijken investering122.3Schaalvergroting292.4Wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan oplokaal niveau392.5Aanscherping van de aanwijzingsprocedure412.6Overige vereisten lokale publieke omroepen462.7Gevolgen voor reikwijdte toezicht Commissariaat voorde Media463.Verhouding tot hoger recht474.Verhouding tot nationaal recht495.Gevolgen506.Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid537.Financiële gevolgen578.Evaluatie599.Advies en consultatie6010.Overgangsrecht en inwerkingtreding63II.Artikelsgewijs63 kst-36917-8ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 81 I. Algemeen De leden van de D66-fractie onderschrijven het doel van het wetsvoorstelom te komen tot het fundamenteel verstevigen van de publieke mediaop-dracht op lokaal niveau. De lokale omroepen hebben een ontzettendbelangrijke functie in het zorgen voor lokale verbinding, het voorzien inlokaal nieuws en het doen van journalistiek onderzoek. Doordat lokaleomroepen hun functies niet altijd goed kunnen uitoefenen en hun werkonder druk staat, is het belangrijk om de positie van lokale omroepen teverstevigen. Deze leden zullen hierover verdere vragen stellen aan deregering.De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deWijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van deuitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Deze ledenonderschrijven het belang van een goed functionerend lokaal medias-telsel. Zij hechten grote waarde aan de belangrijke maatschappelijkefunctie die lokale publieke omroepen vervullen in het informeren vaninwoners, het versterken van de lokale democratie en het controleren vanhet lokaal bestuur. Maar, zo constateren deze leden, de lokale publiekeomroepen staan onder druk waardoor de continuïteit en professionelekwaliteit in het geding komen. Dit heeft onder andere te maken metfinanciële kwetsbaarheid. Deze leden verwachten dat het wetsvoorstel kanbijdragen aan versterking van de lokale publieke media. Zij hebben welnog enkele opmerkingen en vragen bij het onderhavige wetsvoorstel.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met enige zorgkennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden hechtenaan een sterke lokale journalistiek die fungeert als waakhond voor delokale overheid en belangrijk is in gemeenschappen. Zij zien graag eennauwere samenwerking tussen lokale, regionale en landelijke publiekeomroepen, maar huns inziens moeten lokale en regionale media meer(financiële) mogelijkheden krijgen om te innoveren, onder andere omapps en online platforms te ontwikkelen. In hoeverre deelt de regeringdeze mening?De regering staat voor een sterke publieke omroep op landelijk, regionaalen lokaal niveau. Daartoe werken de drie lagen al op verschillende wijzenmet elkaar samen. De regering stimuleert dit, bijvoorbeeld met recenteinvesteringen in het project Bureaus Lokaal waarin door middel vanverschillende proeftuinen op lokaal en regionaal niveau in gezamen-lijkheid wordt geëxperimenteerd met het produceren van nieuws en hetdelen van infrastructuur.1Lokale publieke omroepen kunnen als gevolg van het wetsvoorstelprofessioneler werken, en zijn dan ook beter in staat om te innoveren enaan te sluiten bij de journalistieke standaarden en technische infra-structuur van de regionale en landelijke omroepen. Dit bevordert hetdelen van content en het gezamenlijk optrekken in (innovatie)projecten.Het wetsvoorstel regelt dit niet door concrete apps of platforms wettelijkvoor te schrijven, maar door de randvoorwaarden voor samenwerking teversterken. De Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (hierna:NLPO) krijgt met dit wetsvoorstel onder meer tot taak om samenwerkingen coördinatie te bevorderen en zaken van gemeenschappelijk belang tebehartigen.2 Daarnaast moet de NLPO een concessiebeleidsplanopstellen, waarin onder meer de samenwerking met landelijke en1Kamerstukken II 2024/25, 36 600-VIII, nr. 53.2Het voorgestelde artikel 2.75, derde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 82 regionale publieke media-instellingen en anderen worden beschreven.3De keuze voor platforms of apps bij de uitvoering van hun publieke taak isaan de lokale publieke omroepen, waarbij de NLPO een coördinerende rolheeft.De leden van de PVV-fractie hebben het wetsvoorstel met interessegelezen en hebben nog enkele vragen aan de regering. De leden van dePVV-fractie vragen de regering waarom er gekozen wordt voor hetdrastisch verminderen van het aantal lokale omroepen en of de regeringniet vreest dat hiermee tekort wordt gedaan aan de identiteit en eigenheidvan de lokale omroep.De regering is ervan overtuigd dat door de vorming van lokale omroepenmet een groter verzorgingsgebied geen tekort wordt gedaan aan de lokaleidentiteit; die wordt door de bijbehorende professionalisering juistversterkt. Zonder deze transitie naar een lager aantal lokale publiekeomroepen blijft voor veel gemeenten een journalistiek vacuüm dreigen,zoals de Raad voor het Openbaar Bestuur (hierna: ROB) en de Raad voorCultuur (hierna: RvC) signaleren; «met name in de landelijke gebieden,buiten de grote en middelgrote steden, komt maar zelden een journalistom verhaal te halen».4 Dit risico van een «verschraling van het journalis-tieke aanbod» op lokaal niveau ziet ook de Wetenschappelijke Raad voorhet Regeringsbeleid (hierna: WRR): «dit is slecht voor de lokaledemocratie, waar bewoners achterblijven in hun informatiepositie en delokale macht vrij spel heeft.»5De regering is van mening dat het wetsvoorstel de eigenheid van iederelokale omroep stevig borgt. Zo bepaalt het wetsvoorstel dat een lokaalverzorgingsgebied zoveel mogelijk een gebied is met een kenbareidentiteit of een gebied waarbinnen het algemene leefpatroon vaninwoners zich in belangrijke mate afspeelt. De aangewezen lokale publiekeomroep krijgt daarnaast de wettelijke taak om de publieke media-opdrachtvoor dat specifieke verzorgingsgebied uit te voeren. Bovendien blijft ookin de nieuwe structuur het programmabeleid bepalend orgaan (hierna:pbo) de spil voor deze lokale verankering. Het wetsvoorstel wet borgt datde relevante maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijkestromingen binnen het gehele verzorgingsgebied vertegenwoordigd zijnin het pbo. Het wetsvoorstel stelt daarnaast de verplichting aan kandidaat-omroepen om in het beleidsplan in te gaan op de geografische ensociaal-culturele verscheidenheid, zichtbaarheid en vindbaarheid van hetaanbod en de inzet van vrijwilligers en lokale partners. Gemeenteradenadviseren hier vervolgens over bij de aanwijzing waardoor ook wordtingestaan voor de pluriformiteit en lokale inbedding.Deze leden vragen de regering waarom gekozen is om de financiëlemiddelen voor de lokale omroepen te centraliseren en of de regering nietvreest dat deze centralisatie de binding tussen lokale omroep en haarregio verslechterd.De regering begrijpt deze opmerking, maar ziet tegelijkertijd dat de lokaleomroepen in de huidige situatie onvoldoende financiële middelen hebbenvoor de uitvoering van hun taken. Door de schaalvergroting en de extra,structurele investering die voortaan door het Rijk wordt betaald, wordtervoor gezorgd dat de lokale publieke omroepen een betere en onafhan-kelijker uitgangspositie hebben. Tegelijkertijd wordt met aanvullende3Het voorgestelde 2.87 e. tweede lid, onderdeel c.4Lokale media: Niet te Missen, ROB en RvC, november 2020, p. 3.5Aandacht voor media. Naar nieuwe waarborgen voor hun democratische functies, WRRseptember 2024, p. 153–154.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 83 maatregelen de binding tussen lokale publieke omroep en zijn verzor-gingsgebied gewaarborgd, bijvoorbeeld met de kwalitatieve eisen aan deverzorgingsgebieden (zie het voorgestelde artikel 2.87h), de aange-scherpte adviestaak voor gemeenteraden in de aanwijzingsprocedure (ziehet voorgestelde artikel 2.87p, derde lid) en de versteviging van hetverplichte pbo (zie het voorgestelde artikel 2.87m).Zij vragen de regering hoe groot een lokale omroep mag worden quaomvang en of, zonder duidelijke afbakening, lokale omroepen niet sterkkunnen gaan lijken op de regionale omroepen.Volgens het wetsvoorstel is het verzorgingsgebied van een lokale omroepeen geografisch afgebakend gebied dat uit één of meer onderlingnabijgelegen gemeenten bestaat. Verder wordt bepaald dat een lokaalverzorgingsgebied wat betreft oppervlakte of inwonertal aanmerkelijkkleiner moet zijn dan de provincie of provincies waarmee grondgebiedwordt gedeeld.6 Ten slotte kan een instelling maar voor één lokaalverzorgingsgebied worden aangewezen als lokale publieke omroep.7 Ookin het nieuwe stelsel blijft er overigens een aanzienlijk verschil in hetaantal regionale omroepen (13) en het aantal lokale publieke omroepen(maximaal 80). Daarmee blijft het onderscheid tussen lokale en regionalepublieke omroepen in het wetsvoorstel gemarkeerd. Bovendien hebbende NLPO en RPO een alliantie gesloten waarbij ze in meer detailbeschrijven wat het verschil is tussen de lokale en regionale publiekeomroepen als het gaat om het uitvoeren van de taak.8Deze leden vragen aan de regering of de scherpere eisen aan de professi-onaliteit van de lokale omroepen er niet toe zullen leiden dat authentiek,afwijkend of lokaal geluid zal wijken voor de mainstream media die beterhun weg weten te vinden naar de bureaucratie die belast is met deaanwijzing en het toezicht.De regering onderschrijft het belang van het authentieke en lokale geluidvan lokale publieke omroepen. Echter staat het behoud en de impact vandat geluid nu juist sterk onder druk door een gebrek aan omvang enprofessionaliteit van veel lokale publieke omroepen. Anders gezegd is deregering van mening dat de maatregelen uit dit wetsvoorstel er juist voorzorgen dat er niet slechts op sommige plekken, maar overal in Nederlandeen professionele lokale omroep staat die zorgt voor het lokale geluid.Voorbeelden van maatregelen zijn de versterkte criteria waaraanaanvragen voor een aanwijzing als lokale publieke omroep moetenvoldoen en die uitdrukkelijk bedoeld zijn om de lokale binding te borgen,de adviesrol voor de gemeenteraad tijdens de aanwijzingsprocedure ende steviger eisen aan het pbo.De leden van de PVV-fractie vragen aan de regering welk deel van hetbudget voor lokale omroepen zal worden gebruikt om alle extra bestuurs-functies die deze wetswijziging zal creëren, zoals bij de NLPO of hetCommissariaat voor de Media (hierna: Commissariaat), te financieren.Met de extra coalitieakkoordmiddelen van € 3,4 miljoen komt het nieuwevoorziene totaalbedrag voor de lokale publieke omroepen uit op € 34,5miljoen per jaar, vanaf 2028.9 Van dat totaalbedrag is, zoals in hetwetsvoorstel staat, € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structureleextra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028.6Het voorgestelde artikel 2.87h, tweede en derde lid.7Dit volgt uit het voorgestelde artikel 2.87l, onderdeel b.8Kamerstukken II 2023/24, 32 827, nr. 294.9Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 148.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 84 Van deze € 3,5 miljoen is op basis van de huidige ramingen van de NLPOen het Commissariaat € 2,7 voor de NLPO en € 0,8 voor het Commissa-riaat bestemd.Deze uitvoeringskosten zijn bestemd voor het uitvoeren van hun nieuwewettelijke taken, onder meer gericht op het bevorderen van de samen-werking en coördinatie tussen de lokale publieke omroepen, dedoelmatige inzet van middelen, een adequate aanwijzingsprocedure entoezicht. Het gaat hier niet om extra bestuursfuncties.Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen isbestemd voor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodaniggeoormerkt op de begroting van het Ministerie van OCW.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging vande Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van depublieke mediaopdracht op lokaal niveau. Deze leden zijn grootvoorstander van een sterke lokale media. Zij voorzien burgers immers vanlokaal nieuws en zorgen voor lokale verbinding. Zij vinden het essentieeldat de nieuwe streekomroepen verbonden blijven met hun lokaleomgeving en stevig verankerd zijn in stad en streek. Kan de regering hierhaar visie op geven?De regering onderschrijft het belang van de lokale omroepen, die ook inhet nieuwe stelsel stevig verbonden zijn met hun lokale omgeving. Dat isen blijft de onderscheidende kracht van lokale omroepen. De regering isvan mening dat juist door de schaalvergroting er in heel Nederlandprofessionele redacties komen die fysiek en inhoudelijk aanwezig kunnenzijn in de verschillende gemeenten binnen het verzorgingsgebied. Eenstevige verankering in het verzorgingsgebied is immers alleen mogelijkals de lokale publieke omroep beschikt over voldoende (journalistieke)slagkracht. Door aanwezig te zijn bij raadsvergaderingen, sportevene-menten of streekeigen gebeurtenissen, bouwt een omroep aan verbindingmet de omgeving.Het pbo blijft het wettelijk verplichte instrument dat de verankering in desamenleving borgt. In het nieuwe stelsel moet dit orgaan een afspiegelingzijn van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijkestromingen binnen het gehele verzorgingsgebied. Dit dwingt de omroeptot een actieve dialoog met alle relevante lokale geledingen.De regering meent dat een professionele lokale publieke omroep devrijwillige inzet binnen haar organisatie nog beter kan faciliteren enondersteunen. Juist de combinatie van professionele redactievoering ende lokale kennis van vrijwilligers in dorpen en wijken versterkt deverankering.Denken zij dat dit met dit wetsvoorstel voldoende borgt?De regering is van mening dat de lokale verankering in dit wetsvoorstelniet alleen juridisch steviger is dan in de huidige situatie, maar ookkwalitatief beter uitvoerbaar is geworden. Het wetsvoorstel borgt dit opverschillende niveaus. Bij de aanwijzing toetst het Commissariaat opgrond van de voorgestelde artikelen 2.87k tot en met 2.87q aan wettelijkecriteria, waaronder het beleidsplan en de representativiteit van het pbo.De gemeenteraad adviseert op grond van artikel 2.87p, derde lid, overelementen die de lokale binding betreffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 85 In het nieuwe wetsvoorstel is de opdracht aan lokale omroepen minderalgemeen. De omroep moet journalistiek aanbod verzorgen dat relevant isvoor de gehele breedte van het verzorgingsgebied, en niet slechts eendeel ervan. De verslaglegging moet verspreid zijn over alle aangeslotengemeenten. Het Commissariaat ziet hierop toe bij de aanwijzing en dejaarlijkse verantwoording.Het pbo blijft het wettelijk verplichte instrument dat de verankering in desamenleving borgt. Dit orgaan moet een afspiegeling zijn van demaatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingenbinnen de gehele streek. Door het pbo wordt vervolgens getoetst of dekoers van de omroep aansluit bij de behoeften van de inwoners van hetgehele verzorgingsgebied, en niet alleen de grootste kern of een stad.Hiermee wordt voorkomen dat een centrale redactie te eenzijdige keuzesin de berichtgeving maakt. Bij de vijfjaarlijkse aanwijzing toetst hetCommissariaat of het pbo daadwerkelijk functioneert als de «oren enogen» van de lokale gemeenschap. Zonder een aantoonbaar lokaalgeworteld pbo volgt er geen aanwijzing als lokale omroep.Door de overgang naar Rijksfinanciering ontstaat meer financiëlestabiliteit. Hiermee wordt geborgd dat er daadwerkelijk budget is voorlokale verslaglegging. De professionalisering zorgt voor een combinatievan professionele redactievoering en betere begeleiding van de vrijwil-ligers in dorpen en wijken waardoor hun lokale kennis effectiever kanworden omgezet in media-aanbod. Ook dat versterkt de lokale veran-kering.Deze leden vragen om een duidelijke uitleg over welke aspecten viadelegatiebepalingen worden geregeld en waar deze precies zijnvastgelegd, zodat dit tijdens de plenaire behandeling helder is.Het wetsvoorstel bevat delegatiegrondslagen op het niveau van eenalgemene maatregel van bestuur en van een ministeriële regeling. Tenbehoeve van de uitwerking van deze delegatiegrondslagen wordenmomenteel wijzigingen van het Mediabesluit 2008 en de Mediaregeling2008 voorbereid. De wijziging van het Mediabesluit 2008 is eind 2025 inconsultatie gebracht en zal na aanvaarding van dit wetsvoorstel door uwKamer voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State.10 Voor deMediaregeling 2008 zijn de relevante partijen eveneens eind 2025geconsulteerd. De geleverde inbreng wordt momenteel verwerkt, waarnade wijzigingsregeling klaar is voor publicatie.Met de wijziging van het Mediabesluit 2008 wordt uitwerking gegeven aande delegatiegrondslagen voor het vaststellen van een indeling inverzorgingsgebieden (artikel 2.87h, vijfde lid), het stellen van regels overde verwerking van bijzondere persoonsgegevens en passende enspecifieke maatregelen ter bescherming van de grondrechten enfundamentele belangen van de betrokkenen (artikel 2.87u, vierde lid) ende verdeling van het totaalbudget over de lokale publieke omroepen(artikel 2.170e, tweede lid).Met de wijziging van de Mediaregeling 2008 worden enkele anderedelegatiegrondslagen uitgewerkt. Het betreft de grondslagen om regels testellen over:–de inrichting en tijdstip van indiening van het concessiebeleidsplanvan de NLPO (artikel 2.87e, derde lid);10Zie de wetgevingskalender voor de voorgestelde aanpassing van het Mediabesluit 2008:https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK026595.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 86 –de gegevens of bescheiden die in elk geval bij een aanvraag vooraanwijzing als lokale publieke omroep worden gevoegd (artikel 2.87u,eerste lid);–het aanvraagtijdvak voor een aanwijzing als lokale publieke omroep ende bijbehorende advies- en beslistermijnen (artikel 2.87u, tweede lid)–de inhoud, inrichting en het tijdstip van indiening van de bekostigings-aanvraag van de lokale publieke omroep (artikel 2.170g, vierde lid,onderdeel a);–de inhoud en inrichting van de bij de bekostigingsaanvraag behorendebegroting van de lokale publieke omroep (artikel 2.170g, vierde lid,onderdeel b);–de bevoorschotting van lokale publieke omroepen door het Commissa-riaat (artikel 2.170h, vijfde lid).Tevens wordt er samen met de betrokken partijen gewerkt aan een nieuweministeriële regeling met een handboek voor de financiële verant-woording van de NLPO en de lokale publieke omroepen. Met dezeregeling wordt uitwerking gegeven aan de delegatiegrondslag tot hetstellen van regels over de inhoud en inrichting van de jaarrekening van deNLPO en de lokale publieke omroepen (artikel 2.173b, zesde lid).De leden van de BBB-fractie hebben de Wijziging van de Mediawet 2008 inverband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaop-dracht op lokaal niveau gelezen en zij hebben daarover nog vragen enopmerkingen.De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel. Deze leden vinden het belangrijk dat een duidelijker enstabieler kader ontstaat voor het functioneren van de lokale omroepen,maar zij hebben vragen of de beoogde doelstellingen daadwerkelijkkunnen worden gerealiseerd. Bovendien vinden zij het belangrijk dat hetwetsvoorstel voldoende ruimte biedt om het verzorgingsgebied van delokale omroepen te kunnen laten aansluiten bij de lokale cultuur enomstandigheden zonder gehinderd te worden door een gefixeerde normvan tachtig regio’s.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van onderhavig wetsvoorstel. Deze leden zijn van mening datlokale omroepen van cruciaal belang zijn voor de lokale nieuwsvoor-ziening en de lokale democratie. Zij hechten dan ook aan een sterkepositie van deze lokale omroepen en onderschrijven het doel van deregering met dit wetsvoorstel. Deze leden hebben nog een aantal vragen.1. Inleiding Een belangrijk element in het wetsvoorstel behelst dat de gebiedenwaarvoor lokale publieke omroepen media-aanbod verzorgen, groterworden en in samenhang daarmee wordt het aantal lokale publiekeomroepen teruggebracht van ruim tweehonderdtwintig nu naar maximaaltachtig. In sommige gebieden zal men zo’n bundeling vooral ervaren alseen versterking van het media-aanbod. Dat is echter niet per se overal hetgeval, mede doordat men verzorgingsgebieden van de lokale omroependie straks samen worden gebundeld, beleeft als te zeer verschillend. DeRaad van State had geadviseerd om voor de omroepgebieden sowiesogeen aantal in de wet op te nemen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben hierbij enkele vragen. Waarom heeft de regering niet devoorkeur gegeven aan een zekere bandbreedte, bijvoorbeeld van tachtigtot negentig lokale publieke omroepen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 87 Het maximum van tachtig is het resultaat van een meerjarig opschalings-proces uit de sector zelf, waarbij gemaakte keuzes zijn onderbouwd aande hand van criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen. De regeringheeft ervoor gekozen om dit maximumaantal op te nemen in hetwetsvoorstel, omdat een stabiele indeling in verzorgingsgebiedenmogelijk maakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare,duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hunpublieke opdracht. Wanneer voor een groter aantal verzorgingsgebiedengekozen zou worden, gaat dit ten koste van het beschikbare bedrag peromroep. En wanneer daarnaast voor een bandbreedte zou wordengekozen, gaat dat ook ten koste van de voorspelbaarheid van hetbeschikbare bedrag.Gaan alle huidige lokale omroepen akkoord met de manier waarop zij aaneen verzorgingsgebied worden gebonden? Zo neen, in welke gebiedenmaken huidige lokale publieke omroepen dan bezwaar? En welke grondenvoert bij deze regionale omroepen men hiervoor aan? Wat heeft deregering overwogen om tegemoet te komen aan bezwaren?In de sector van de lokale publieke omroepen heeft sinds 2012 een procesplaatsgevonden om tot een indeling in lokale verzorgingsgebieden tekomen. Dit gebeurde onder regie van de NLPO en met betrokkenheid vangemeenten en lokale publieke omroepen. In dit proces was op basis vanhet Vernieuwingsconvenant gemeenten – lokale omroepen 2015–2018 hetuitgangspunt dat het verzorgingsgebied aan moest sluiten bij dezogeheten natuurlijke habitat van de burger. Dit proces heeft in 2023 eenindeling in tachtig verzorgingsgebieden opgeleverd.11 Dit in de sectorbereikte aantal is overgenomen als wettelijk maximum in de Wetversterking lokale publieke omroepen.In verband met de publicatie van het wetsvoorstel in het kader van deinternetconsultatie heeft de NLPO begin 2025 nogmaals een procedureingericht waarin stakeholders inspraak konden leveren op de in 2023opgeleverde indeling in lokale verzorgingsgebieden. Daartoe heeft deNLPO per 10 januari 2025 de zogeheten Change Board StreekindelingLokale Publieke Media-instellingen ingesteld (hierna: de Change Board).De Change Board bestond uit een onafhankelijke voorzitter en vijf andereleden: twee leden uit lokale publieke omroepen, twee leden afkomstig uitgemeenten en één lid nam plaats namens de Vereniging van NederlandseGemeenten (hierna: VNG). Tevens werd een waarnemer benoemdnamens het Ministerie van OCW. De Change Board had tot taak de NLPOte adviseren over voorstellen van lokale publieke omroepen of gemeententot wijziging van de bestaande indeling van het land in tachtig lokaleverzorgingsgebieden.De Change Board heeft op 14 mei 2025 zijn adviezen aan de NLPOvastgesteld.12 Op basis van die adviezen heeft de NLPO vervolgens op16 mei 2025 de bestaande indeling in lokale verzorgingsgebiedengeactualiseerd. Dit heeft geleid tot een actuele indeling van Nederland intachtig lokale verzorgingsgebieden. De regering hanteert deze indeling alsuitgangspunt voor verdere besluitvorming en implementatie, zoals isaangekondigd in het wetsvoorstel. De regering acht het immers vanbelang dat deze indeling het resultaat is van een proces vanuit de sector11Toelichting totstandkoming streekindeling Lokale omroepen, opgesteld door de StichtingNederlandse Lokale Publieke Omroepen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, NLPOen VNG, mei 2023, geraadpleegd via de website van het SvdJ.12Adviezen Change Board aan NLPO betreffende streekindeling lokale omroep, Change BoardNLPO, 14 mei 2025, geraadpleegd via de website van de Stichting NLPO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 88 zelf. De regering beoordeelt het proces zoals dat begin 2025 door deChange Board is doorlopen als transparant en zorgvuldig, met vertegen-woordiging van de betrokken partijen: lokale publieke omroepen,gemeenten en de VNG.Uit de openbare internetconsulatie van de aanpassing van het Mediabe-sluit 2008 zijn bezwaren gekomen op de indeling vanuit de verzorgingsge-bieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, Hoeksche Waard, DeWerven en Noord-Veluwe. Naar aanleiding van de internetconsultatieheeft de regering de NLPO gevraagd of de inbreng uit de internetconsul-tatie ten aanzien van de verzorgingsgebieden aanleiding geeft totheroverweging van het advies voor de indeling. Hierbij is gevraagd naarde zorgvuldigheid en transparantie in het proces in de specifieke kwestiesdie in de consultatiereacties werden genoemd. De NLPO heeft onder-streept dat het traject met de Change Board de mogelijkheid heeftgegeven aan alle betrokkenen om een wijzigingsvoorstel in te dienen.Hierover zijn vervolgens zienswijzen opgevraagd bij zowel gemeenten enomroepen. Dit alles is meegenomen bij de uiteindelijke totstandkomingvan het advies van de Change Board aan de NLPO. De NLPO heeft hetoordeel van de Change Board gewogen en staat achter het vastgesteldeadvies. In dit traject van de Change Board zijn de zienswijzen uit deverzorgingsgebieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, HoekscheWaard en De Werven al meegenomen. De inbreng in de internetconsul-tatie uit het verzorgingsgebied Noord-Veluwe is niet naar voren gebrachttijdens het proces met de Change Board. De zorgen die daarin wordengeuit, zien voornamelijk op het behoud van frequenties en lokale editiesbinnen het verzorgingsgebied, en de aandacht die er in de toekomst isvoor de individuele gemeenten. De NLPO heeft laten weten in gesprek tezijn met de lokale omroepen in dit voorziene verzorgingsgebied en heeftook een kwartiermaker ingezet die ondersteunt bij de verdere samen-werking in dit gebied.Al met al concludeert de regering het volgende. Bij een overgang vanruim 200 omroepen naar maximaal 80 verzorgingsgebieden is volledigeinstemming van alle huidige lokale publieke omroepen niet realistisch enook niet het juiste criterium. Het proces van inspraak in de sector zelfgedurende de afgelopen jaren beoordeelt de regering als zorgvuldig entransparant. De genoemde bezwaren uit de internetconsultatie geven deregering, gelet op het bovenstaande, geen aanleiding voor het aanpassenvan de indeling die door NLPO op 16 mei 2025 is vastgesteld, en die alsuitgangspunt geldt voor verdere besluitvorming en implementatie.2. Hoofdlijnen van het voorstel 2.1 Aanleiding In 2024 sprak een overgrote meerderheid van de Kamer uit dat de mediaeen belangrijk fundament vormen voor een goed functionerendedemocratie en dat de overheid hen moet faciliteren om hun werk goed tedoen.13 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie menen dat dit onverkortmoet gelden voor lokale publieke media en een goed functionerendelokale democratie. Als de regering deze mening deelt, hoe wil de regeringdan met het onderhavige wetsvoorstel de versterking van de lokalejournalistiek wettelijk waarborgen? Moeten de journalistieke taken van delokale publieke omroepen dan niet expliciet in de wet worden vastgelegd?Hoe denkt de regering over de mogelijkheid om ergens vast te leggen datper gemeente in het verzorgingsgebied één betaalde kracht zou moeten13Kamerstukken II 2023/24, 32 827, nr. 305.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 89 zijn die ermee belast wordt om de gemeenteraad te controleren en eroververslag te leggen?De regering is het eens met de uitspraak van de Kamer uit 2024 dat mediaonmisbaar zijn in de democratische rechtsstaat. Media informerenmensen, controleren macht en bieden een podium aan een enormediversiteit van geluiden. Zo vormen zij een fundament van onze vrijesamenleving. De overheid heeft inderdaad, zoals de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie betogen, een faciliterende functie. De WRRlegitimeert overheidsingrijpen in het rapport Aandacht voor Media uit2024 door te benadrukken dat de rol van de overheid onvermijdelijk is«om de invloed van platformbedrijven op de democratische menings-vorming terug te dringen [en] om de positie van reguliere, met namelokale, media te versterken en een beter geïnformeerd publiek debat tebevorderen».14 Wel geldt hierbij, volgens de WRR, de harde voorwaardevan onafhankelijkheid.Wat betreft de specifieke journalistieke taken van lokale publiekeomroepen het volgende. De publieke media-opdracht, zoals vervat in hetal bestaande artikel 2.1 van de Mediawet 2008, geldt ook voor de lokalepublieke omroepen. Journalistieke inhoud valt daar onder.15 Het explicietvastleggen van deze taak voor de lokale publieke omroep zou dusdubbelen met de reeds bestaande publieke media-opdracht. De regeringversterkt met dit wetsvoorstel de lokale publieke omroepen, zodat zij beterin staat zijn om hun functies en de publieke media-opdracht uit te voeren.Dat impliceert, gezien het bovenstaande, ook een versterking van hunjournalistieke functie op lokaal niveau.Daarnaast vindt de regering het belangrijk dat de lokale publiekeomroepen organisatorisch autonoom kunnen opereren. Het juridischvastleggen van één betaalde kracht voor politieke verslaggeving zoudaaraan afdoen. Het ligt meer voor de hand dat de sectororganisatieNLPO hierover kaders ontwikkelt en omroepen helpt bij het optuigen ofverder professionaliseren van een (politieke) redactie.Nu bepaalt artikel 2.1, eerste lid, van de Mediawet 2008 dat de kern van demediaopdracht is dat publieke omroepen een breed en divers publiekvoorzien van informatie – waaronder journalistieke inhoud –, cultuur eneducatie, via alle beschikbare aanbodkanalen. Wat wordt de mediaop-dracht aan de lokale publieke media en welke wetsartikelen in hetonderhavige wetsvoorstel gaan deze mediaopdracht waarborgen?De publieke media-opdracht, die is beschreven in artikel 2.1 van deMediawet 2008, geldt voor alle publieke omroepen, dus ook voor de lokalepublieke omroepen. Dit wetsvoorstel bevat een samenhangend pakketaan maatregelen waarmee wordt beoogd de uitvoering van de publiekemediaopdracht op lokaal niveau te versterken. Meer specifiek voor demedia-opdracht is in de eerste plaats van belang dat de NLPO wordtgepositioneerd als samenwerkings- en coördinatieorgaan voor deuitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau.16 De NLPOzal elke vijf jaar een concessiebeleidsplan opstellen waarin wordtbeschreven op welke wijze in die vijf jaar de publieke media-opdracht oplokaal niveau wordt uitgevoerd.17 Een kandidaat-omroep die vooraanwijzing als lokale publieke omroep in een bepaald verzorgingsgebied14WRR (2024) Aandacht voor media, naar nieuwe waarborgen voor hun democratische functies.Den Haag, p. 162.15Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Mediawet 2008.16De voorgestelde paragraaf 2.4.1.17Het voorgestelde artikel 2.87e.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 810 in aanmerking wil komen, moet bij zijn aanvraag een beleidsplanoverleggen dat past binnen het concessiebeleidsplan NLPO.18 In het kadervan de aanwijzingsprocedure wordt over het beleidsplan advies uitge-bracht door de NLPO en de gemeenteraad of -raden. Het aanwijzingsbe-sluit wordt door het Commissariaat genomen met inachtneming van dieadviezen.19 Verder geldt dat de reikwijdte van het toezicht van hetCommissariaat wordt verbreed in verband met de verandering van deorganisatie van de lokale publieke mediadienst. Zo komt de NLPO, naastde lokale publieke omroepen, onder het toezicht van het Commissariaat tevallen en wordt het Commissariaat belast met de toetsing op de rechtma-tigheid van de uitgaven van de NLPO en de lokale publieke omroepen.20Door dit samenstel van maatregelen wordt volgens de regering vormge-geven aan de borging van de media-opdracht voor de lokale publiekeomroep.Welk aanvullend structureel bedrag zou ervoor nodig zijn als de Kamer wilborgen – zoals ook de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen – datde stelselherziening niet leidt tot achteruitgang van de huidige totaalbeschikbare middelen voor de lokale journalistiek per streek?De regering hecht eraan te benadrukken dat zij van mening is dat devoorgestelde bekostigingssystematiek en de hoogte van de bekostigingslechts een deel zijn van het totale pakket aan maatregelen in hetwetsvoorstel. Het wetsvoorstel als geheel leidt tot versterking van delokale publieke omroep, en voor meer voorspelbaarheid en continuïteit inde bekostiging.Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is tijdens de voorbereidingvan de indiening bij uw Kamer onderzocht in hoeverre een extra ophogingmet € 15 miljoen van het in het wetsvoorstel voorziene totaalbedrag vancirca € 31 miljoen per 2028 noodzakelijk was.21 Deze middelen blekenechter niet beschikbaar op de begroting van het Ministerie van OCW.Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van OCW is eruiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar teinvesteren in de lokale publieke omroepen, bovenop de al beschikbarecirca € 31 miljoen.22 Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf2028 op dit moment € 34,5 miljoen euro is. Van dat totaalbedrag is, zoalsin het wetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPOen het Commissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte struc-turele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf2028. Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen isbestemd voor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodaniggeoormerkt op de begroting van het Ministerie van OCW.Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuithet Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostigingvanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokalepublieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.23 Met deze impuls beoogt deregering ervoor te zorgen dat in ieder lokaal verzorgingsgebied in iedergeval de journalistieke basis van 3 fte mogelijk is die geadviseerd wordt18Het voorgestelde artikel 2.87n.19Het voorgestelde artikel 2.87p.20Het voorgestelde artikel 2.173b.21Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.22Kamerstukken II 2025/26, 36 800 VIII, nr. 148.23Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024van het Commissariaat, nog te publiceren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 811 door het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zo voor een voorspelbare enduurzame bekostiging in elk lokaal verzorgingsgebied.2.2 Overheveling financiering van gemeentefonds naar Rijk en inves-tering De leden van de VVD-fractie lezen dat de financiering door gemeentenwordt overgeheveld naar het Rijk. Deze leden delen met de regering datdit voordelen heeft. Zij vragen de regering nader toe te lichten hoe wordtingekaderd dan wel geborgd dat de extra beschikbare middelen leiden toteen verbetering van de journalistieke kwaliteit in plaats van op te gaanaan organisatie- en overheadkosten. Heeft de regering daar voorzien inenige vorm van controle op doelmatige uitgave, zo vragen deze leden.De regering is het met de leden van de VVD-fractie eens dat de extrabeschikbare middelen zoveel mogelijk ten goede moeten komen aan deverbetering van de journalistieke kwaliteit. Daar is het voorstel ook opgericht. Ten eerste is het zo dat de middelen verdeeld worden over minderorganisaties, van ruim tweehonderd nu tot maximaal tachtig in de nieuwesituatie. Het doel hiervan is het vergroten van organisatorische slagkrachten het voorkomen van versnippering. Ten tweede krijgt, op grond van hetvoorgestelde artikel 2.75, derde lid, onderdeel d, de NLPO de taak dedoelmatige inzet van de gelden te bevorderen. Het is aan de NLPO ominvulling te geven aan deze (nieuwe) taak. Ten derde gaan de bepalingen(huidig artikel 2.142a, eerste lid, onderdeel a) over een sobere, doelmatigeen evenwichtige inrichting van de bestuurlijke organisatie ook geldenvoor de NLPO en de lokale publieke omroepen. Het Commissariaat houdthier vervolgens toezicht op. Met dit geheel beoogt de regering tebewerkstelligen dat de middelen zoveel mogelijk ten goede komen aan deuitvoering van de publieke taak, waarbij tegelijkertijd moet wordenopgemerkt dat het onvermijdelijk is dat organisatiekosten onderdeelzullen blijven van de uitgaven van lokale publieke omroepen.Het uitzenden van reclame wordt, naast publieke bekostiging, genoemdals een mogelijke aanvullende vorm van financiering, zo lezen de ledenvan de VVD-fractie. Deze leden staan hier kritisch tegenover en juichen toedat de regering ervoor kiest dit niet verder aan te moedigen, mede geletop de mogelijke effecten op de positie van lokale commerciële media-aanbieders. Tegelijkertijd vragen genoemde leden waarom dan niet vooreen expliciet verbod op het uitzenden van reclame door lokale publiekeomroepen wordt gekozen.Publieke media-instellingen kunnen, op grond van de huidige Mediawet2008, reclame uitzenden en daarmee inkomsten genereren. Dit geldt nuook al voor lokale publieke omroepen. Met het wetsvoorstel blijven debestaande reclameregels van kracht. De regering kiest er niet voorreclame verder aan te moedigen, mede vanwege het publieke karaktervan de lokale omroepen en de positie van commerciële lokale media. Eenalgeheel verbod acht de regering niet passend. De bestaande reclame-regels, het dienstbaarheidsverbod en het toezicht van het Commissariaatbieden reeds waarborgen tegen commerciële beïnvloeding en oneigen-lijke concurrentie. Het wetsvoorstel is gericht op versterking van publiekebekostiging en onafhankelijkheid, niet op uitbreiding van commerciëleinkomsten.De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering heeft getracht zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de verschillende, op onderdelenuiteenlopende, adviezen over de bekostiging van lokale publiekeomroepen en vragen hoe de regering tot de gekozen hoogte van debekostiging is gekomen en waarop de conclusie is gebaseerd dat dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 812 toereikend is. Kan de regering nader toelichten op welke wijze aan deadviezen invulling is gegeven? Verder lezen de leden van de VVD-fractiedat het aansluiten bij de adviezen is gebeurd «met inachtneming van deuitkomsten van politieke besluitvorming over de beschikbaarstelling vanmiddelen» en vragen de regering nader toe te lichten hoe die uitkomstenin acht zijn genomen.In de aanloop naar dit wetsvoorstel zijn er diverse adviezen uitgebrachtover de verhoging van de middelen voor de lokale publieke omroepen.Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is in de toelichtingmeer inzicht geboden in deze adviezen. Deze adviezen lopen uiteen: van€ 2 per inwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, zoalsgeadviseerd door de ROB en RvC, tot een journalistieke basis van 3 fte. Ditlaatste betreft een advies van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek(hierna: SvdJ).24De regering heeft getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij dezeadviezen, en dus voor een hoger voorzien totaalbedrag dan de huidigebekostiging vanuit de gemeenten. Bij de totstandkoming van hetwetsvoorstel is tijdens de voorbereiding van de indiening bij uw Kameronderzocht in hoeverre een extra ophoging met € 15 miljoen van het inhet wetsvoorstel voorziene totaalbedrag van circa € 31 miljoen per 2028noodzakelijk was.25 Deze middelen bleken echter niet beschikbaar op debegroting van het Ministerie van OCW.Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van OCW is eruiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar teinvesteren in de lokale publieke omroepen, bovenop de reeds beschikbarecirca € 31 miljoen.26 Het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 is op ditmoment € 34,5 miljoen euro. Van dat totaalbedrag is, zoals in hetwetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en hetCommissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extrauitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Hetresterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemdvoor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodanig geoormerktop de begroting van het Ministerie van OCW.Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuithet Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostigingvanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokalepublieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.27 Met deze impuls beoogt deregering ervoor te zorgen dat in ieder lokaal verzorgingsgebied in iedergeval de journalistieke basis van 3 fte mogelijk is die geadviseerd wordtdoor het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zo voor een voorspelbare enduurzame bekostiging in elk lokaal verzorgingsgebied.De leden van de VVD-fractie lezen dat voor de reservevorming van lokalepublieke omroepen een limiet is gesteld van tien procent van de uitgavenper jaar. Deze leden wijzen erop dat in artikel 6 van het DAEB28-vrijstellingsbesluit wordt uitgegaan van een maximum van tien procentvan de jaarcompensatie. Zij vragen waarom in het onderhavige24Eindevaluatie Pilot professionalisering lokale publieke mediadiensten, SvdJ, april 2022.25Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.26Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 148.27Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024van het Commissariaat, nog te publiceren.28DAEB: diensten van algemeen economisch belang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 813 wetsvoorstel is gekozen voor een ander uitgangspunt en hoe deze keuzezich verhoudt tot het DAEB-vrijstellingsbesluit.In algemene zin heeft de regering bij de vormgeving van het wetsvoorstelde analogie gezocht met de regeling voor de regionale publieke media-dienst: de RPO en de regionale publieke omroepen. Die regeling is ophaar beurt geënt op de inrichting van de landelijke publieke mediadienst.Zo heeft de regering beoogd voor consistentie te zorgen in de bestuurlijk-juridische inrichting van het publieke mediabestel.Dit uitgangspunt ligt ook ten grondslag aan het voorstel dat het totaal aangereserveerde gelden door een lokale publieke omroep in een kalen-derjaar niet meer dan tien procent van de uitgaven bedraagt. Ditvoorschrift geldt al voor de landelijke en regionale publieke omroepen, enis gebaseerd op overweging 73 van de Omroepmededeling 2009, waarineen specifiek kader voor het verlenen van staatssteun aan publiekeomroepen is opgenomen. Door uit te gaan van tien procent van dejaarlijkse uitgaven wordt rekening gehouden met het feit dat een publiekeomroep, naast de jaarlijkse bekostiging vanuit de overheid, ook andereinkomstenbronnen (zoals reclame-inkomsten) kan hebben die voor deuitvoering van de publieke mediaopdracht worden ingezet.De leden van de VVD-fractie lezen dat op basis van de grondslag om bijministeriële regeling nadere regels te stellen over de inhoud en inrichtingvan de jaarrekening voor de NLPO en de lokale publieke omroepen eengedetailleerd handboek financiële verantwoording zal worden opgesteld.Het voornemen is eveneens om in dit handboek mogelijkheden te creërenvoor lokale omroepen om voorzieningen te treffen, zo lezen deze leden. Zijvragen aan de regering welke voorzieningen hierbij moet wordengedacht. Tevens vragen deze leden of voor de vorming van die voorzie-ningen wordt aangesloten bij de gebruikelijke accountancy-regelsbetreffende het vormen van voorzieningen.Het gaat bij voorzieningen om toekomstige uitgaven die waarschijnlijkzijn, op basis van een verplichting op of voor balansdatum, maar waarvande exacte omvang of het moment nog niet vaststaat. Voorbeelden zijnvoorzieningen voor herstructurering en reorganisatie, voorzieningen voorrechtszaken of voorzieningen voor groot onderhoud. De regering beoogtniet om buiten het normale financiële verantwoordingsrecht om vrijereserves te creëren. Het vormen van voorzieningen is aan de regels vanartikel 2:374, eerste lid, van het BW (jaarrekeningrecht) gebonden. Denadere uitwerking zal plaatsvinden in het Handboek financiële verant-woording dat op grond van het voorgestelde artikel 2.173b, zesde lid, bijministeriële regeling kan worden vastgesteld. Daarbij wordt aangeslotenbij de gebruikelijke accountancyregels en bij de systematiek die voorandere publieke media-instellingen geldt, met inachtneming van despecifieke positie van lokale publieke media-instellingen.De leden van de VVD-fractie vinden het positief dat bij de verdeling van deoverige zestig procent van het totaalbudget is gekozen voor objectievemaatstaven die het lokale verzorgingsgebied weerspiegelen. Zij vragenechter wel hoe de gekozen kenmerken de taakzwaarte reflecteren.Waarom is het voor lokale publieke omroepen in landelijk gebied relatiefkostbaar om alle inwoners te bereiken en waar blijkt dit uit? Daarnaastvragen deze leden waarom een groter aantal kernen zou leiden tot eenrelatief hogere nieuwsdichtheid en waarop deze aanname is gebaseerd.Tot slot vragen zij of, mede vanuit het oogpunt van eenvoud en transpa-rantie, is overwogen om de verdeling primair te baseren op één kenmerk,namelijk het aantal inwoners, en waarom daar niet voor is gekozen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 814 Bij de vormgeving van de verdeelsleutel is gebruik gemaakt van hetverkennende rapport van een extern onderzoeksbureau.29 Na overleg metde NLPO is voor de in het wetsvoorstel voorgestelde verdeelsleutelgekozen. In het betreffende model is gekozen voor een normatievebenadering, waarbij wordt uitgegaan van samenhang tussen kenmerkenvan een gebied en de inspanning die nodig is om de publieke mediaop-dracht te vervullen. De verdeling van het budget is daarmee gebaseerd opeen combinatie van objectieve kenmerken die beogen recht te doen aanverschillen in taakzwaarte tussen verzorgingsgebieden.Ten aanzien van de vraag hoe de gekozen kenmerken de taakzwaartereflecteren, geldt dat elk kenmerk een specifieke dimensie van dejournalistieke en organisatorische opgave adresseert.Het aantal inwoners fungeert als maatstaf voor het potentiële bereik en deomvang van de informatiebehoefte in een verzorgingsgebied. Naarmatehet aantal inwoners toeneemt, neemt in de regel ook de benodigdejournalistieke capaciteit toe om een breed en relevant media-aanbod terealiseren.Het aantal kernen met meer dan vijfhonderd adressen wordt gebruikt alsindicator voor de mate van interne differentiatie binnen een verzorgings-gebied. In gebieden met meerdere kernen is over het algemeen sprakevan verschillende lokale gemeenschappen waarvoor afzonderlijkejournalistieke aandacht wenselijk is. Dit leidt tot een grotere spreiding vanredactionele inzet en daarmee tot een hogere taakzwaarte.Wat betreft het onderscheid tussen stedelijke en landelijke inwoners geldtdat dit beoogt rekening te houden met verschillen in de praktischeuitvoerbaarheid van de publieke mediaopdracht. In meer landelijk gebiedkan het kostbaarder zijn om alle inwoners te bereiken, onder meervanwege grotere reisafstanden en een meer verspreide bevolking,hetgeen een grotere organisatorische en logistieke inzet vergt. In meerstedelijke gebieden kan daarentegen sprake zijn van een hogere concen-tratie van maatschappelijke activiteiten, wat leidt tot een grotere nieuws-dichtheid en daarmee eveneens tot een substantiële journalistiekeopgave.De leden van de VVD-fractie vragen voorts waarom een groter aantalkernen samenhangt met een grotere nieuwsdichtheid. In het gehanteerdemodel wordt het aantal kernen niet zozeer opgevat als een directemaatstaf voor nieuwsdichtheid, maar als een indicator voor het aantalafzonderlijke gemeenschappen waarbinnen zich relevante maatschappe-lijke ontwikkelingen voordoen. Naarmate het aantal kernen toeneemt,neemt de variëteit aan lokale onderwerpen en gebeurtenissen toe,hetgeen een bredere en meer gedifferentieerde journalistieke inzet vergt.Ten aanzien van de vraag waarom niet is gekozen voor een verdelinguitsluitend op basis van het aantal inwoners merkt de regering op dat eendergelijke benadering is overwogen, maar onvoldoende recht doet aanverschillen in taakzwaarte tussen verzorgingsgebieden. Ook valt eendergelijke verdeelsleutel negatief uit voor gebieden met een grootoppervlakte, maar met relatief weinig inwoners. Met de keuze voor ditmodel wordt een evenwichtige verdeling nagestreefd, waarmee deverschillen in taakzwaarte tussen verzorgingsgebieden, volgens deregering, zoveel mogelijk gereflecteerd worden.29Doorrekening financiële scenario’s streekomroepen. Cebeon, november 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 815 Het totaalbudget en de procentuele verdeling worden vijfjaarlijksvastgesteld en de leden van de VVD-fractie vragen waarom is gekozenvoor een termijn van vijf jaar. In hoeverre is het mogelijk om binnen dievijf jaar aanpassingen te maken, bijvoorbeeld voor zeer snel groeiendelokale verzorgingsgebieden of grote tussentijdse herindelingen?Er is voor gekozen om de verdeling van het totaalbudget vast te stellenvoor de duur van de gehele aanwijzingsperiode, te weten een periode vanvijf jaar. Dit draagt bij aan een grotere continuïteit en voorspelbaarheidvan de financiering voor lokale omroepen. Als zij weten op welk budget zijkunnen rekenen, kunnen omroepen makkelijker meerjarenbegrotingenopstellen. Om die redenen is gekozen voor een termijn die samenhangtmet de aanwijzingsperiode.Gedurende de vijf jaar wordt het totaalbedrag voor de lokale publiekeomroepen bijgesteld aan de inflatie.30 Doordat omroepen een bekend deelvan een hoger totaalbudget ontvangen, worden zij door de verhoging vanhet totaalbudget hiermee gecompenseerd voor inflatie. Na vijf jaarworden de berekeningen opnieuw gemaakt en kan er rekening wordengehouden met bevolkingsgroei of -daling in een verzorgingsgebied.Herindelingen hebben niet altijd invloed op de omvang van het geheleverzorgingsgebied. Dat is alleen het geval als de buitengrens van het herin te delen gebied wijzigt. Herindelingen zijn over het algemeenvoorspelbaar, omdat er lange en grondige voorbereidingen aan tengrondslag liggen die uiteindelijk beslag krijgen in een wetstraject. Deverwachting is dan ook dat herindelingen in de vijfjaarlijkse cyclus kunnenworden meegenomen.Tot slot op dit punt vragen de leden van de VVD-fractie wie toezicht houdtop de financiële verslaglegging door de lokale publieke omroepen.Het Commissariaat wordt belast met de rechtmatigheidstoetsing van deuitgaven van de lokale publieke omroepen, die daartoe hun jaarrekeningaan het Commissariaat zenden.Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de inhoud eninrichting van de jaarrekening. Dit betreft het zogenoemde «handboekfinanciële verantwoording».Het wetsvoorstel beoogt circa € 13 miljoen uit het gemeentefonds over tehevelen naar de mediabegroting. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen om een nadere toelichting bij deze overheveling. Komt ditbedrag straks volledig ten goede van de lokale publieke omroepen. Zoneen, waaraan gaat dit geld dan nog meer worden besteed?Met het wetsvoorstel vindt per 2028, op basis van de huidige bereke-ningen, een overheveling van € 13 miljoen uit het gemeentefonds naar demediabegroting van het Ministerie van OCW plaats. Daarnaast wordt derijksmediabijdrage voor de lokale publieke omroepen verhoogd met deeerder aangekondigde investering van € 18,1 miljoen en met de extracoalitieakkoordmiddelen van € 3,4 miljoen, zoals aangekondigd in deBeleidsbrief 2060–2030 van het Ministerie van OCW.Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 op dit moment€ 34,5 miljoen is. Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat,op basis van de huidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat30Hiervoor wordt aangesloten bij de systematiek van artikel 2.144, tweede lid, van de Mediawet2008.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 816 € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extra uitvoerings-lasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Het resterendevoorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor delokale publieke omroepen en wordt ook als zodanig geoormerkt op debegroting van het Ministerie van OCW.Voorafgaand aan de start van de aanwijzingsprocedure voor lokalepublieke omroepen is voor elk lokaal verzorgingsgebied duidelijk wat hetvoorgenomen beschikbare budget is voor de gehele komende aanwij-zingsprocedure van vijf jaar. Dit zou zorgen voor meer voorspelbaarheiden continuïteit van de bekostiging van lokale publieke omroepen dan nuhet geval is. Begrijpen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het goeddat lokale publieke omroepen toch wel iedere vijf jaar ermee rekeningmoeten houden dat een einde kan komen aan hun bestaan, zodat dezeomroepen onvoldoende vooruit kunnen plannen, met alle gevolgen vandien voor de contracten met leveranciers, voor onderhoud en metfreelancers? Deze leden zouden dat bezwaarlijk vinden en strijdig met debeoogde fundamentele versteviging van de publieke mediaopdracht oplokaal niveau. Hoe denkt de regering over een langere periode dan vijfjaar voor de aanwijzingsduur voor regionale publieke omroepen, zodatook deze de zekerheid hebben om structureel aan publieke relevantiekunnen werken, talent kunnen vasthouden en serieuze samenwerkingsver-banden kunnen aangaan?Aanwijzingen als lokale publieke omroep gelden voor vijf jaar en vervallenvan rechtswege aan het einde van die aanwijzingsperiode. Dit geldt voorde aanwijzingen volgens het wetsvoorstel, maar is ook al huidig recht.Aanwijzing als lokale publieke omroep is een schaars recht. Het gelijk-heidsbeginsel verlangt dat potentiële gegadigden periodiek kunnenmeedingen. Een langere of feitelijk onbeperkte aanwijzing zou diemededinging beperken. De regering acht met de keuze voor een aanwij-zingsperiode van vijf jaar een evenwicht bereikt tussen continuïteit enopen toegang.De regering heeft niet overwogen om de aanwijzingsduur voor regionalepublieke omroepen te verlengen. Ook voor regionale omroepen geldt opdit moment de aanwijzingsduur van vijf jaar, op grond van dezelfderedenering als die hierboven is gegeven voor de lokale omroepen. Verderheeft dit wetsvoorstel als focus de versterking van de lokale publiekeomroep. Wijzigingen die zien op de regionale publieke omroep vallenbuiten de reikwijdte van het voorstel.De regering stelt dat er een structurele verhoging van de mediabegrotingis met een bedrag van circa € 18 miljoen met ingang van het startjaar vanhet nieuwe stelsel, in aanvulling op het bedrag dat aan de mediabegrotingwordt toegevoegd vanuit het gemeentefonds. De Raad van State stelt datuit de toelichting onvoldoende duidelijk is of de nieuwe bekostigingswijzedaadwerkelijk een versterking van lokale publieke omroepen is. De ledenvan de CDA-fractie zijn het hiermee eens. Kan de regering toelichten waarhet bedrag van € 18 miljoen op gebaseerd is? Waarom is het totaalbedragvan € 31 miljoen toereikend?In de aanloop naar dit wetsvoorstel zijn er diverse adviezen uitgebrachtover de verhoging van de middelen voor de publieke omroep. Naaraanleiding van het advies van de Raad van State is in de toelichting meerinzicht geboden in deze adviezen. Deze adviezen lopen uiteen: van € 2 perinwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, zoals is geadviseerdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 817 door de ROB en de RvC, tot een journalistieke basis van 3 fte. Dit laatstebetreft een advies van het SvdJ.31De regering heeft getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij dezeadviezen, en dus voor een hoger voorzien totaalbedrag dan de huidigebekostiging vanuit de gemeenten. Bij de totstandkoming van hetwetsvoorstel is tijdens de voorbereiding van de indiening bij uw Kameronderzocht in hoeverre een extra ophoging met € 15 miljoen van het inhet wetsvoorstel voorziene totaalbedrag van circa € 31 miljoen per 2028noodzakelijk was.32 Deze middelen bleken echter niet beschikbaar op debegroting van het Ministerie van OCW.Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van OCW is eruiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar teinvesteren in de lokale publieke omroepen, bovenop de reeds beschikbare€ 31,1 miljoen.33 Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028op dit moment € 34,5 miljoen euro is. Van dat totaalbedrag is, zoals in hetwetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en hetCommissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extrauitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Hetresterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemdvoor de lokale publieke omroepen en wordt ook als zodanig geoormerktop de begroting van OCW.Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuithet Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostigingvanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokalepublieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.34 Met deze impuls beoogt deregering ervoor te zorgen dat in ieder lokaal verzorgingsgebied in iedergeval de journalistieke basis van 3 fte mogelijk is die geadviseerd wordtdoor het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zo voor een voorspelbare enduurzame bekostiging in elk lokaal verzorgingsgebied.De regering verwacht dat gemeenten aanvullend blijven financieren onderhet nieuwe systeem, maar de leden van de CDA-fractie benadrukken,zoals ook de Raad van State doet, dat de basis voor deze verwachtingonduidelijk is, aangezien sommige taken nu via deze wet wordengeregeld. Kan de regering hierop reageren?De regering gaat er niet van uit dat gemeenten aanvullend bekostigen. Inhet wetsvoorstel wordt slechts de mogelijkheid voor gemeentengecreëerd om dit te doen, vanuit de eigen autonome bevoegdheid. Op diemanier kunnen gemeenten «meefinancieren» aan de uitvoering van depublieke taak van lokale publieke omroepen, zonder dat dit leidt totstaatssteunproblematiek. Hiermee blijft er ruimte voor maatwerk, zodatgemeenten ook in het nieuwe stelsel kunnen blijven inspelen op speci-fieke lokale omstandigheden en wensen, zoals zij nu op verschillendeplekken ook al doen.In het totaal is er € 31 miljoen beschikbaar. Dan lezen de leden van deCDA-fractie vervolgens dat een deel van het voorziene nieuwe totaal-bedrag is bestemd voor de extra uitvoeringslasten die voor de NLPO en31Eindevaluatie Pilot professionalisering lokale publieke mediadiensten, SvdJ, april 2022.32Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.33Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 148.34Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024van het Commissariaat, nog te publiceren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 818 het Commissariaat voortvloeien uit dit wetsvoorstel. Kan de regeringaangeven hoeveel van het totaalbedrag bestemd is voor de uitvoerings-lasten van de NLPO en hoeveel voor de taken van het Commissariaat?Betekent dat het resterende bedrag voor de streekomroepen is?Met de extra coalitieakkoordmiddelen van € 3,4 miljoen van dit kabinetkomt het nieuwe voorziene totaalbedrag voor de lokale publiekeomroepen op € 34,5 miljoen per jaar uit, vanaf 2028.35 Van dat totaal-bedrag is, zoals in het wetsvoorstel staat, € 3,5 miljoen bestemd voor deverwachte structurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en hetCommissariaat vanaf 2028. Van deze € 3,5 miljoen is op basis van dehuidige ramingen van de NLPO en het Commissariaat € 2,7 voor de NLPOen € 0,8 voor het Commissariaat bestemd. Het resterende voorzienebedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemd voor de lokale publiekeomroepen en wordt ook als zodanig geoormerkt op de begroting van hetMinisterie van OCW.Worden de administratieve lasten voor de lokale publieke omroepengroter als zij hetzelfde financieringsmodel krijgen als de regionaleomroepen? Waarom vindt de regering dit proportioneel?Volgens de regering leidt de overgang naar bekostiging door het Rijk,ondanks striktere verantwoordingseisen, per saldo tot een verminderingvan de ervaren regeldruk en een aanzienlijke verhoging van de efficiëntievoor de lokale publieke omroepen.Door de financiering centraal te beleggen bij het Rijk ontstaat eenuniforme werkwijze. De stroomlijning van de bekostigingscyclusvereenvoudigt de administratieve handelingen voor iedere lokale publiekeomroep aanzienlijk: er geldt voortaan één set regels, één aanvraagprocesen één centrale verantwoording bij het Commissariaat. Het wetsvoorstelleidt tot een voorspelbaar en transparant proces, wat de rechtszekerheidvoor de lokale publieke omroepen vergroot.De regering erkent dat straks de eisen aan de financiële verslagleggingstrikter zijn dan in veel huidige gemeentelijke verordeningen. Echter, dezeverzwaring is proportioneel in relatie tot de noodzakelijke borging vanpublieke middelen in de voorgenomen omvang.Is in de eerste jaren na de inwerkingtreding van de wet ondersteuningbeschikbaar voor de lokale omroepen bij het (verder) professionaliseren?Ook na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zullen lokale publiekeomroepen ondersteuning zoeken bij hun verdere professionalisering. Deregering blijft de NLPO daarom zodanig bekostigen dat ze deze onder-steuning kan blijven bieden. Dit gebeurt binnen de uitvoering vanactiviteiten die algemeen beschikbaar zijn voor alle lokale omroepen endie rechtstreeks voortvloeien uit de (nieuwe) wettelijke taken van deNLPO. Het gaat om praktische begeleiding, kennisdeling, opleiding enondersteuning bij de verdere ontwikkeling naar toekomstbestendigelokale publieke omroepen.De regering maakt een keuze in «kenmerken» om de lokale omroepen tebekostigen. In de memorie van toelichting staan hiervoor twee redenengenoemd. Ten eerste zijn dit objectieve maatstaven, waarvoor degegevens beschikbaar zijn via het CBS36. Ten tweede zijn het maatstaven35Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 148.36CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 819 die de zogeheten «taakzwaarte» reflecteren voor een publieke omroep ineen lokaal verzorgingsgebied. De eerste reden kunnen de leden van deCDA-fractie goed volgen. Met betrekking tot de tweede reden willen dezeleden graag extra toelichting. Zou de regering dit met een paarvoorbeelden kunnen verduidelijken? Zij vragen zich af, of zij het juistbegrijpen dat een lokale omroep die een groot gebied bedient, maarrelatief weinig inwoners telt, minder financiële middelen krijgt toege-wezen via deze nieuwe systematiek?De regering licht graag nader toe op welke wijze de gehanteerdekenmerken de taakzwaarte van lokale publieke omroepen reflecteren. Omtot de verdeelsleutel te komen, heeft de regering gebruikgemaakt van eenverkenning door een extern onderzoeksbureau.37 Met taakzwaarte wordtin dit verband gedoeld op «de journalistieke taken en omvang van hetverzorgingsgebied waarbinnen de lokale omroep verbindende enmaatschappelijke taken vervult.38 Hierbij gaat het bijvoorbeeld omverschillen in aantal inwoners, steden of dorpen in streken.Bij de vormgeving van de verdeelsleutel is, na overleg met de NLPO,gekozen voor de normatieve benadering die ook in het rapport terug telezen is, waarbij wordt uitgegaan van samenhang tussen kenmerken vaneen verzorgingsgebied en de daarmee gepaard gaande journalistieke enorganisatorische opgave. Wanneer een streek meer inwoners of kernenheeft wordt er verwacht dat de taakzwaarte van de streekomroep ookzwaarder wordt.De door regering bij de verdeelsleutel gehanteerde kenmerken sluiten aanbij deze benadering en kunnen als volgt worden geduid. In de eersteplaats vormt het aantal inwoners een maatstaf voor het potentiële bereikvan de omroep. Een groter bereik zal over het algemeen leiden tot eengrotere taakzwaarte.In de tweede plaats fungeert het aantal kernen met meer dan vijfhonderdadressen als een indicator voor de interne differentiatie binnen eenverzorgingsgebied. In gebieden met meerdere kernen is over hetalgemeen sprake van verschillende lokale gemeenschappen, met mogelijkeen eigen culturele identiteit, waarvoor afzonderlijke journalistiekeaandacht wenselijk is. Deze maatstaf werkt daarmee als een proxy voor debreedte van de journalistieke opgave binnen een streek.In de derde plaats wordt met het onderscheid tussen stedelijke enlandelijke inwoners beoogd rekening te houden met verschillen in depraktische uitvoerbaarheid van de publieke mediaopdracht. In meerlandelijk gebied kan het meer inspanning vergen om inwoners tebereiken, bijvoorbeeld vanwege grotere afstanden en een meerverspreide bevolking. Omgekeerd kan in stedelijke gebieden sprake zijnvan een hogere concentratie van maatschappelijke activiteiten endaarmee een hogere nieuwsdichtheid. Ook deze factoren beïnvloeden deomvang en aard van de journalistieke inzet en, daarmee, de taakzwaarte.De leden van de CDA-fractie vragen voorts of het klopt dat een omroepdie een groot gebied bedient met relatief weinig inwoners minderfinanciële middelen zou ontvangen. Door de gekozen verdeelsleutel wordtjuist beoogd dit effect te voorkomen. Het aantal inwoners speelt eenbelangrijke rol, maar is niet geheel doorslaggevend. Juist door aanvul-lende maatstaven, zoals het aantal kernen en het aandeel landelijkeinwoners, in de verdeelsleutel op te nemen, wordt beoogd recht te doen37Doorrekening financiële scenario’s streekomroepen. Cebeon, november 2023.38Zie de vorige voetnoot.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 820 aan situaties waarin de geografische spreiding en interne diversiteit vaneen gebied leiden tot een relatief grotere inspanning. Het is dus niet zo datlokale publieke omroepen die een groot gebied met weinig inwonersbedienen per definitie minder financiële middelen toebedeeld krijgen.De budgetten voor de lokale omroepen worden pas vastgesteld zodra deverzorgingsgebieden duidelijk zijn. Kan de regering aangeven bij hoeveelgebieden de indeling nog niet vaststaat en waar dit wel min of meer hetgeval is, duidelijk is? Wat zijn de achterliggende oorzaken van deproblemen bij de gebieden waar de indeling (nog) ontbreekt?De indeling in lokale verzorgingsgebieden staat pas vast op het momentdat deze bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld. Informele zin staat op dit moment dus nog geen enkel verzorgingsgebiedvast.In de sector van de lokale publieke omroepen heeft sinds 2012 een procesplaatsgevonden om tot een indeling in lokale verzorgingsgebieden tekomen. Dit gebeurde onder regie van de NLPO en met betrokkenheid vangemeenten en lokale publieke omroepen. In dit proces was op basis vanhet Vernieuwingsconvenant gemeenten – lokale omroepen 2015–2018 hetuitgangspunt dat het verzorgingsgebied aan moest sluiten bij dezogeheten natuurlijke habitat van de burger. Dit proces heeft in 2023 eenindeling in tachtig verzorgingsgebieden opgeleverd.39 Dit in de sectorbereikte aantal is overgenomen als wettelijk maximum in de Wetversterking lokale publieke omroepen.In verband met de publicatie van het wetsvoorstel in het kader van deinternetconsultatie heeft de NLPO begin 2025 nogmaals een procedureingericht waarin stakeholders inspraak konden leveren op de in 2023opgeleverde indeling in lokale verzorgingsgebieden. Daartoe heeft deNLPO per 10 januari 2025 de zogeheten Change Board StreekindelingLokale Publieke Media-instellingen ingesteld (hierna: de Change Board).De Change Board bestond uit een onafhankelijke voorzitter en vijf andereleden: twee leden uit lokale publieke omroepen, twee leden afkomstig uitgemeenten en één lid nam plaats namens de Vereniging van NederlandseGemeenten (hierna: VNG). Tevens werd een waarnemer benoemdnamens het Ministerie van OCW. De Change Board had tot taak de NLPOte adviseren over voorstellen van lokale publieke omroepen of gemeententot wijziging van de bestaande indeling van het land in tachtig lokaleverzorgingsgebieden.De Change Board heeft op 14 mei 2025 zijn adviezen aan de NLPOvastgesteld.40 Op basis van die adviezen heeft de NLPO vervolgens op16 mei 2025 de bestaande indeling in lokale verzorgingsgebiedengeactualiseerd. Dit heeft geleid tot een actuele indeling van Nederland intachtig lokale verzorgingsgebieden. De regering hanteert deze indeling alsuitgangspunt voor verdere besluitvorming en implementatie, zoals isaangekondigd in het wetsvoorstel. De regering acht het immers vanbelang dat deze indeling het resultaat is van een proces vanuit de sectorzelf. De regering beoordeelt het proces zoals dat begin 2025 door deChange Board is doorlopen als transparant en zorgvuldig, met vertegen-39Toelichting totstandkoming streekindeling Lokale omroepen, opgesteld door de StichtingNederlandse Lokale Publieke Omroepen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, NLPOen VNG, mei 2023, geraadpleegd via de website van het SvdJ.40Adviezen Change Board aan NLPO betreffende streekindeling lokale omroep, Change BoardNLPO, 14 mei 2025, geraadpleegd via de website van de Stichting NLPO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 821 woordiging van de betrokken partijen: lokale publieke omroepen,gemeenten en de VNG.Uit de openbare internetconsulatie van de aanpassing van het Mediabe-sluit 2008 zijn bezwaren gekomen op de indeling vanuit de verzorgingsge-bieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, Hoeksche Waard, DeWerven en Noord-Veluwe. Naar aanleiding van de internetconsultatieheeft de regering de NLPO gevraagd of de inbreng uit de internetconsul-tatie ten aanzien van de verzorgingsgebieden aanleiding geeft totheroverweging van het advies voor de indeling. Hierbij is gevraagd naarde zorgvuldigheid en transparantie in het proces in de specifieke kwestiesdie in de consultatiereacties werden genoemd. De NLPO heeft onder-streept dat het traject met de Change Board de mogelijkheid heeftgegeven aan alle betrokkenen om een wijzigingsvoorstel in te dienen.Hierover zijn vervolgens zienswijzen opgevraagd bij zowel gemeenten enomroepen. Dit alles is meegenomen bij de uiteindelijke totstandkomingvan het advies van de Change Board aan de NLPO. De NLPO heeft hetoordeel van de Change Board gewogen en staat achter het vastgesteldeadvies. In dit traject van de Change Board zijn de zienswijzen uit deverzorgingsgebieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, HoekscheWaard en De Werven al meegenomen. De inbreng in de internetconsul-tatie uit het verzorgingsgebied Noord-Veluwe is niet naar voren gebrachttijdens het proces met de Change Board. De zorgen die daarin wordengeuit, zien voornamelijk op het behoud van frequenties en lokale editiesbinnen het verzorgingsgebied, en de aandacht die er in de toekomst isvoor de individuele gemeenten. De NLPO heeft laten weten in gesprek tezijn met de lokale omroepen in dit voorziene verzorgingsgebied en heeftook een kwartiermaker ingezet die ondersteunt bij de verdere samen-werking in dit gebied.Al met al concludeert de regering het volgende. Bij een overgang vanruim 200 omroepen naar maximaal 80 verzorgingsgebieden is volledigeinstemming van alle huidige lokale publieke omroepen niet realistisch enook niet het juiste criterium. Het proces van inspraak in de sector zelfgedurende de afgelopen jaren beoordeelt de regering als zorgvuldig entransparant. De genoemde bezwaren uit de internetconsultatie geven deregering, gelet op het bovenstaande, geen aanleiding voor het aanpassenvan de indeling die door NLPO op 16 mei 2025 is vastgesteld, en die alsuitgangspunt geldt voor verdere besluitvorming en implementatie.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorgesteldeoverheveling van de financiering van het gemeentefonds naar het Rijk ende bijbehorende investering. Deze leden constateren dat de regering steltdat het totale budget stijgt ten opzichte van de huidige gemeentelijkebekostiging. Zij wijzen er echter op dat deze vergelijking geen recht doetaan het feitelijke huidige niveau van publieke middelen, aangezien daarinook de tijdelijke overbruggingsmiddelen van het SvdJ zijn opgenomen eneventuele aanvullende gemeentelijke bijdragen. Wanneer deze middelenworden meegewogen, lijkt in de praktijk sprake te zijn van een lagerbeschikbaar budget voor de lokale journalistiek. De leden van deBBB-fractie maken zich zorgen dat het wetsvoorstel daarmee in de praktijkkan leiden tot een verslechtering in plaats van een versterking van delokale journalistiek. Zij hebben daarom de volgende vragen.Kan de regering aangeven welke streken er in de praktijk financieel opachteruitgaan ten opzichte van het huidige feitelijke niveau van bekos-tiging, inclusief de middelen van het SvdJ? Aangezien de regering er nietvan uitgaat dat gemeenten na 2028 aanvullend blijven bijdragen, hoewordt voorkomen dat streken die nu mede afhankelijk zijn van dergelijkebijdragen financieel verder terugvallen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 822 Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekom-stige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidigebedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kantteke-ningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebbeneen tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Deze middelenhebben het karakter van een transitiesubsidie en zijn bedoeld om lokaleomroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast te ondersteunen bijhun professionalisering. Deze regeling stopt met de start van het nieuwestelsel; vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureelverdeeld volgens de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden:deze middelen die in de jaren 2023 tot en met 2027 nog tijdelijk ingezetworden via het SvdJ hebben dezelfde omvang en komen uit dezelfde bronals de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutelverdeeld worden.Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om instructurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbe-kostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het isdaarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurelebekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelenvoor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedragdat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit hetRijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggings-middelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in eendergelijke vergelijking.De regering acht het passender om de huidige gemeentelijke bekostigingte vergelijken met de bekostiging in de nieuwe situatie. Met de extracoalitieakkoordmiddelen van € 3,4 miljoen van dit kabinet komt hetnieuwe voorziene totaalbedrag voor de lokale publieke omroepen op€ 34,5 miljoen per jaar uit, vanaf 2028.41 Van dat totaalbedrag is, zoals inhet wetsvoorstel staat, € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachtestructurele extra uitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaatvanaf 2028.Het resterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen isbestemd voor de lokale publieke omroepen. Dat betekent dat de voorzienebekostiging voor lokale omroepen vanuit het Rijk per 2028 van circa € 31miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuit de gemeenten, op basis vande meest recente cijfers van het Commissariaat uit 2024. Op basis van demeest recente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeente-lijke bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.42Met deze impuls beoogt de regering ervoor te zorgen dat in ieder lokaalverzorgingsgebied in ieder geval de journalistieke basis van 3 fte mogelijkis die geadviseerd wordt door het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zovoor een voorspelbare en duurzame bekostiging in elk lokaal verzorgings-gebied.De regering gaat er niet van uit dat gemeenten aanvullend bekostigen. Inhet wetsvoorstel wordt slechts de mogelijkheid voor gemeentengecreëerd om dit te doen, vanuit de eigen autonome bevoegdheid. Op diemanier kunnen gemeenten «meefinancieren» aan de uitvoering van depublieke taak van lokale publieke omroepen, zonder dat dit leidt totstaatssteunproblematiek. Hiermee blijft er ruimte voor maatwerk, zodatgemeenten ook in het nieuwe stelsel kunnen blijven inspelen op speci-41Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 148.42Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024van het Commissariaat, nog te publiceren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 823 fieke lokale omstandigheden en wensen, zoals ze nu op verschillendeplekken ook al doen.Hoe voorkomt de regering dat streken waarin de afgelopen jarenjournalistieke capaciteit is opgebouwd, vanaf 2028 juist moetenafschalen? Welk aanvullend structureel bedrag is volgens de regeringnodig om te borgen dat de totale beschikbare middelen per streek nietafnemen? Welk aanvullend structureel budget is nodig om dit feitelijkeniveau minimaal te behouden?De inzet van de middelen voor journalistieke capaciteitsopbouw isbelangrijk geweest voor de professionalisering van de lokale publiekeomroepen. In de nieuwe situatie is er sprake van nieuwe aanwijzingen alslokale publieke omroep en mogelijk nieuwe organisaties.In de aanloop naar dit wetsvoorstel zijn er diverse adviezen uitgebrachtover de verhoging van de middelen voor de publieke omroep. Naaraanleiding van het advies van de Raad van State is in de toelichting meerinzicht geboden in deze adviezen. Deze adviezen lopen uiteen: van € 2 perinwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, uit het model vande ROB en de RvC, tot een journalistieke basis van 3 fte. Dit laatste betrefteen advies van het SvdJ.43De regering heeft getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij dezeadviezen, en dus voor een hoger voorzien totaalbedrag gekozen dan dehuidige bekostiging vanuit de gemeenten. Bij de totstandkoming van hetwetsvoorstel is tijdens de voorbereiding van de indiening bij uw Kameronderzocht in hoeverre een extra ophoging met € 15 miljoen van het inhet wetsvoorstel voorziene totaalbedrag van circa € 31 miljoen per 2028noodzakelijk was.44 Deze middelen bleken echter niet beschikbaar op debegroting van het Ministerie van OCW.Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van OCW is eruiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar teinvesteren in de lokale publieke omroepen, bovenop de al beschikbarecirca € 31 miljoen.45 Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf2028 op dit moment € 34,5 miljoen is. Van dat totaalbedrag is, zoals in hetwetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en hetCommissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extrauitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Hetresterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemdvoor de lokale publieke omroepen en is als zodanig geoormerkt op debegroting van het Ministerie van OCW.Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuithet Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostigingvanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokalepublieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.46 Met deze impuls beoogt deregering ervoor te zorgen dat in ieder lokaal verzorgingsgebied in iedergeval de journalistieke basis van 3 fte mogelijk is die geadviseerd wordtdoor het SvdJ. Bovendien zorgt de regering zo voor een voorspelbare enduurzame bekostiging in elk lokaal verzorgingsgebied.43Eindevaluatie Pilot professionalisering lokale publieke mediadiensten, SvdJ, april 2022.44Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.45Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 148.46Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024van het Commissariaat, nog te publiceren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 824 Klopt het dat de publieke bekostiging per inwoner aanzienlijk verschilttussen landelijke, regionale en lokale omroepen en hoe rechtvaardigt deregering deze verhouding? Hoe verhoudt de bekostiging van grote lokaleverzorgingsgebieden zich tot die van regionale omroepen en acht deregering dit in lijn met de publieke mediaopdracht?Blijkens de Mediabegrotingsbrief 202647 is voor de uitvoering van depublieke mediaopdracht op landelijk niveau in 2026 ruim € 835 miljoenbeschikbaar vanuit de rijksmediabijdrage. Voor de regionale omroepen iseen bedrag van € 189 miljoen beschikbaar. Landelijke, regionale en lokalepublieke omroepen verzorgen de publieke mediaopdracht elk voor heteigen verzorgingsgebied. Er is daarbij uiteraard sprake van een forsverschil in schaal tussen de verschillende lagen. Specifiek voor deregionale publieke omroepen geldt dat zij ook in de toekomst een groterverzorgingsgebied moeten bedienen dan de lokale publieke omroepen inhun provincies. Dat maakt de uitvoering van de publieke mediaopdrachtook complexer. Bovendien geldt dat het beschikbare bedrag voor deregionale publieke omroepen historisch zo gegroeid is sinds de overhe-veling van het budget voor regionale publieke omroepen vanuit hetprovinciefonds naar de mediabegroting van het Ministerie van OCW per1 januari 2014. Destijds werd € 142 miljoen vanuit het provinciefondsovergeheveld naar de mediabegroting.48Is de regering bereid om vóór openstelling van de aanwijzingsprocedureeen volledige financiële doorrekening per streek met de Kamer te delen?Vóór het begin van een aanwijzingsperiode maakt de Minister van OCWtwee zaken bekend. Ten eerste het totaalbudget dat in die aanwijzingspe-riode jaarlijks ten minste beschikbaar is voor alle lokale publiekeomroepen gezamenlijk. Ten tweede de procentuele verdeling van hetgezamenlijke budget over de lokale verzorgingsgebieden gedurende dieperiode. Daaruit volgt het bedrag dat gedurende vijf jaar ten minstebeschikbaar is per lokale publieke omroep. Zo weten kandidaat-omroepenop welk bedrag zij kunnen rekenen en kunnen zij een getrouwe meerjaren-begroting opstellen.De regering zal de Kamer zo snel mogelijk na het versturen van deze notaen in ieder geval vóór de mondelinge behandeling van het wetsvoorstelper brief informeren over de huidige ramingen voor het bedrag dat vanaf2028 per lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit het Rijk. Hierbijwordt gebruik gemaakt van de meest recente beschikbare cijfers op datmoment.De leden van de SGP-fractie lezen dat de regering in de loop der jarenverschillende verdeelsleutels heeft ontvangen ten behoeve van debepaling van het budget dat de lokale omroepen minimaal nodig zoudenhebben om hun taken uit te kunnen voeren. Deze leden constateren dat deregering vervolgens besloten heeft helemaal geen inhoudelijke verdeel-sleutel op te nemen en enkel uit te gaan van de verdeling van hetbeschikbare budget. Daardoor is niet goed te bepalen wat de inhoudelijkenormen zijn die de toereikende uitvoering schragen en waarborgen. Zijvragen waarom de regering dit acceptabel acht.In de aanloop naar dit wetsvoorstel zijn er diverse adviezen uitgebrachtover de verhoging van de middelen voor de publieke omroep. Naaraanleiding van het advies van de Raad van State is in de toelichting meerinzicht geboden in deze adviezen. Deze adviezen lopen uiteen: van € 2 per47Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 16.48Kamerstukken II 2012/13, 33 400-VIII, nr. 29.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 825 inwoner met een aftopping op 200 duizend inwoners, zoals is geadviseerddoor de ROB en de RvC, tot een journalistieke basis van 3 fte. Dit laatstebetreft een advies van het SvdJ.49De regering heeft getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij dezeadviezen, en dus voor een hoger voorzien totaalbedrag dan de huidigebekostiging vanuit de gemeenten.Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is tijdens de voorbereidingvan de indiening bij uw Kamer onderzocht in hoeverre een extra ophogingmet € 15 miljoen van het in het wetsvoorstel voorziene totaalbedrag vancirca € 31 miljoen per 2028 noodzakelijk was.50 Deze middelen blekenechter niet beschikbaar op de begroting van het Ministerie van OCW.Zoals blijkt uit de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van OCW is eruiteindelijk wel voor gekozen om vanaf 2027 € 3,4 miljoen extra per jaar teinvesteren in de lokale publieke omroepen, bovenop de al beschikbarecirca € 31 miljoen. Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028op dit moment € 34,5 miljoen euro is. Van dat totaalbedrag is, zoals in hetwetsvoorstel staat, op basis van de huidige ramingen van de NLPO en hetCommissariaat € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extrauitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Hetresterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemdvoor de lokale publieke omroepen en als zodanig geoormerkt op debegroting van het Ministerie van OCW.Dit totaalbudget wordt in het nieuwe stelsel via een verdeelsleutelverdeeld over de aangewezen lokale publieke omroepen. De regeringheeft bij het vormgeven van deze verdeelsleutel, en in overleg met deNLPO, beoogd recht te doen aan verschillen in de zogeheten taakzwaartetussen lokale verzorgingsgebieden. Dat wil zeggen dat de verdeelsleutelop basis van objectieve maatstaven rekening houdt met de samenhangtussen kenmerken van een gebied en de inspanning die nodig is om depublieke mediaopdracht in dat gebied te vervullen.Concreet wordt van het beschikbare totaalbudget veertig procentgelijkelijk verdeeld onder het aantal aangewezen lokale publiekeomroepen. De overige zestig procent van het totaalbudget wordt verdeeldop basis van maatstaven die kenmerken van een lokaal verzorgingsgebiedweergeven. De verdeling van die zestig procent van het jaarlijkse budgetvoor lokale publieke omroepen is als volgt. Vijftien procent wordtverdeeld op basis van het aantal inwoners, twintig procent op basis vanhet aantal kernen met meer dan vijfhonderd adressen, en vijfentwintigprocent op basis van het aantal inwoners in stedelijk, respectievelijklandelijk gebied.De regering merkt hierbij op dat er bewust niet voor is gekozen om hetbudget uitsluitend op basis van het aantal inwoners te verdelen. Dit zouonvoldoende recht doen aan verschillen in taakzwaarte tussen verzor-gingsgebieden. Immers valt een dergelijke verdeelsleutel negatief uit voorgebieden die groot in oppervlakte zijn, maar weinig inwoners hebben. Metde keuze voor dit model wordt zoveel mogelijk een evenwichtigeverdeling bereikt, die de verschillen in taakzwaarte tussen verzorgingsge-bieden reflecteert.De regering ziet het gehele pakket aan maatregelen uit het wetsvoorstel,inclusief het totaalbudget en de bijbehorende verdeelsleutel, als eenstevige impuls voor de lokale publieke omroepen. De regering is van49Eindevaluatie Pilot professionalisering lokale publieke mediadiensten, SvdJ, april 2022.50Zie pagina 6 van beslisnota 62379238 die is meegestuurd bij indiening van het wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 826 mening dat het budget evenwichtig wordt verdeeld en dat er vanaf 2028in alle lokale verzorgingsgebieden genoeg budget is om de basis van 3journalistieke fte mogelijk te maken die het SvdJ adviseert.De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil ingaan op deberekening die de Stichting NLPO onder punt 1 en de bijlagen van deposition paper toelicht, waarbij in plaats van een verhoging juist minderaanvullende ruimte zou bestaan dan nu het geval is en waarbij 73 van de80 omroepen lager uitkomen dan het huidige niveau van de bekostiging.51Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekom-stige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidigebedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kantteke-ningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebbeneen tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Deze middelenhebben het karakter van een transitiesubsidie en zijn bedoeld om lokaleomroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast te ondersteunen bijhun professionalisering. Deze regeling stopt met de start van het nieuwestelsel; vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureelverdeeld volgens de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden:deze middelen die in de jaren 2023 tot en met 2027 nog tijdelijk ingezetworden via het SvdJ hebben dezelfde omvang en komen uit dezelfde bronals de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutelverdeeld worden. Het optellen van de huidige tijdelijke SvdJ-middelen enhet doorberekenen daarvan naar de nieuwe situatie is daarom nietpassend.Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om instructurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbe-kostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het isdaarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurelebekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelenvoor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedragdat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit hetRijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggings-middelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in eendergelijke vergelijking.De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering een vergelijkbaresystematiek toepast ten aanzien van aanvullende gemeentelijke subsidiesdoor te vereisen dat het gemeentelijke budget voorafgaand aan deaanwijzingsperiode wordt vastgesteld. Deze keuze komt hen niet logischvoor, aangezien de gemeentelijke subsidie niet langer de basis is waarophet bestaan van de lokale omroepen rust. Sterker nog, de regering gaat erin beginsel vanuit dat gemeenten geen extra middelen bijdragen. Dezeleden vragen waarom het met het oog op het bieden van maximaleflexibiliteit en het creëren van zoveel mogelijk ruimte voor lokaleomroepen niet wenselijk zou zijn om gemeenten jaarlijks de mogelijkheidte bieden om aanvullende subsidie te verstrekken, waarbij het Commissa-riaat altijd kan toezien of sprake zou van oneigenlijke druk. Zij wijzen eropdat juist de samenwerking ten behoeve van meerdere gemeenten in denieuwe lokale omroepen het risico beperkt dat sprake zou zijn vanoneigenlijke druk vanuit een enkele gemeente. Zij vragen ook hieropreactie.51Stichting NLPO, 24 april 2026, position paper (https://www.nlpo.nl/wp-content/uploads/2026/04/Position-paper-NLPO-versterking-lokale-publieke-omroepen.pdf).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 827 Aanwijzingen voor lokale publieke omroepen zijn schaarse rechten. Datbetekent dat er bij aanwijzing aanvullende vereisten gelden om gelijkekansen voor alle aanvragers te garanderen. Een voorbeeld daarvan is hetvereiste dat gemeenteraden die hun lokale publieke omroep aanvullendwillen bekostigen voorafgaand aan het aanvraagtijdvak openbaar makenhoeveel middelen er beschikbaar worden gesteld gedurende de geheleaanwijzingsperiode van vijf jaar. Op die manier wordt verzekerd dat alleaanvragers hier op gelijke wijze rekening mee kunnen houden bij hunaanvraag. Bovendien creëert het openbaar maken van de beschikbaremiddelen voorspelbaarheid in de financiering voor lokale publiekeomroepen, wat een belangrijk uitgangspunt is, onder andere op grondvan de Europese Verordening Mediavrijheid (hierna: EMFA).52 Het voorafbeschikbaar stellen van het bedrag ondersteunt ook de onafhankelijkheidvan de lokale publieke omroep ten opzichte van de gemeente. Het bedragwordt immers in beginsel beschikbaar gesteld voor de functie vanpublieke omroep en niet voor een specifieke instelling. De regering heeftbij het opstellen van het wetsvoorstel verschillende mogelijkheden vooraanvullende financiering door gemeenten overwogen en ziet het doorhaar voorgestelde financieringskader als het meest effectief voor hetwaarborgen van gelijke kansen voor alle aanvragers.Het risico op oneigenlijke druk van één gemeente wordt naast boven-staande in het nieuwe stelsel verder verkleind door het feit dat de meestelokale verzorgingsgebieden zullen bestaan uit meerdere gemeenten, zoalsde leden van de SGP-fractie terecht constateren.De leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat de regering zorgtvoor een structurele verhoging van de mediabegroting met een bedragvan circa € 18 miljoen zodra deze is overgeheveld van het gemeentefondsnaar het Rijk. Deze leden merken desondanks op dat de Raad van Statestelt dat uit het wetsvoorstel en de toelichting onvoldoende blijkt dat debekostiging straks toereikend is. Ook de NLPO en het Commissariaat uitendergelijke zorgen. Tevens wijzen deze leden op de aangenomen motieCeder c.s.53 over het voorkomen dat lokale omroepen vanaf 2028 minderontvangen dan nu. Zij vragen naar de uitvoering van deze motie.Over de uitvoering van de motie ontvangt u een aparte brief, zo snelmogelijk na deze nota en in ieder geval vóór de mondelinge behandeling.Volgens berekeningen van de NLPO54 gaan de omroepen in de verzor-gingsgebieden er veelal op achteruit. Heeft de regering ook zelf dergelijkeberekeningen gemaakt? Kan de regering onderbouwen hoe is geborgd datdat de lokale omroepen vanaf 2028 per saldo niet minder geld ontvangendan nu? In dat kader vragen deze leden de regering om een overzicht vande bekostiging per verzorgingsgebied, waarin ook andere inkomstenworden meegenomen zoals de overbruggingsmiddelen die mede door ditwetsvoorstel worden gewijzigd of komen te vervallen.Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekom-stige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidigebedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kantteke-ningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebbeneen tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Deze middelen52Artikel 5, derde lid, van Verordening (EU) 2024/1083 van het Europees Parlement en de Raadvan 11 april 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor mediadiensten op deinterne markt en tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU (Europese verordening mediavrijheid).53Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 67.54Stichting NLPO, 24 april 2026, position paper (https://www.nlpo.nl/wp-content/uploads/2026/04/Position-paper-NLPO-versterking-lokale-publieke-omroepen.pdf).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 828 hebben het karakter van een transitiesubsidie en zijn bedoeld om lokaleomroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast te ondersteunen bijhun professionalisering. Deze regeling stopt met de start van het nieuwestelsel; vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureelverdeeld volgens de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden:deze middelen die in de jaren 203 tot en met 2027 nog tijdelijk ingezetworden via het SvdJ hebben dezelfde omvang en komen uit dezelfde bronals de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutelverdeeld worden.Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om instructurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbe-kostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het isdaarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurelebekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelenvoor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedragdat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit hetRijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggings-middelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in eendergelijke vergelijking.De regering heeft inderdaad berekeningen gemaakt aan de hand van deverdeelsleutel en zal de uitkomsten zo snel mogelijk, op basis van demomenteel bekende cijfers uit CBS-bronnen, met de Kamer delen. In eenlatere officiële publicatie voorafgaand aan de openstelling van deaanwijzingsprocedure zal het percentage bekend worden waar de lokalepublieke omroepen aanspraak op kunnen maken.De regering kiest er niet voor om tijdelijke middelen onderdeel te latenzijn van deze berekening. De regering kiest er voor om te vergelijken metde structurele bekostiging vanuit de gemeenten. Op basis van de meestrecente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijkebekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.55 Datbetekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit hetRijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuitde gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissa-riaat uit 2024.2.3 Schaalvergroting De leden van de D66-fractie onderschrijven dat de veelheid aan kleine(re)omroepen stabiliteit en doelmatigheid in de weg staat. Deze leden lezendat onder regie van Stichting NLPO met betrokkenheid van lokale publiekeomroepen en gemeenten een indeling van tachtig verzorgingsgebiedentot stand is gekomen. Echter vragen zij met welke reden ook dit exactegetal is overgenomen als wettelijk maximum.De regering heeft ervoor gekozen om dit maximumaantal op te nemen inhet wetsvoorstel, omdat een stabiele indeling in verzorgingsgebiedenmogelijk maakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare,duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hunpublieke opdracht. Wanneer voor een groter aantal verzorgingsgebiedengekozen zou worden, gaat dit ten koste van het beschikbare bedrag peromroep.55Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024van het Commissariaat, nog te publiceren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 829 Zij vragen de regering of het niet wenselijker zou zijn om het maximum-aantal hoger te leggen om nog enige speling te behouden, in het gevaldat blijkt dat een gebied toch te groot is of onvoldoende een eigensociaal-culturele, economische en geografische identiteit heeft, zoals ookde Raad van State opmerkt.Door meer speelruimte in het wetsvoorstel op te nemen kunnen groterefluctuaties ontstaan in de bedragen die per aanwijzingsperiode aan eenlokale omroep beschikbaar worden gesteld. Dat is onwenselijk, omdat hetafbreuk doet aan de voorspelbaarheid en continuïteit van de hoogte vande bekostiging. Overigens is er speelruimte, tot en met het maximum vantachtig. Daarnaast is met inachtneming van het maximum van tachtigflexibiliteit wel degelijk mogelijk. De indeling in lokale verzorgingsge-bieden wordt namelijk vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur enkan door wijziging daarvan worden aangepast.Bij lokale omroepen is vaak ook sprake van de inzet van vrijwilligers, dieveel lokale kennis en lokale netwerken hebben die van belang kunnen zijnvoor lokale nieuwsvoorziening. Zij zijn vaak goed op de hoogte van delokale context en de bijbehorende historie. De leden van de D66-fractielezen dat de schaalvergroting een verwacht positief effect zal hebben opde essentiële inzet van vrijwilligers door de lokale publieke omroepen, endat lokale binding behouden kan blijven. Echter bestaan er bij deze ledennog enkele zorgen over de binding tussen lokale vrijwilligers en deomroepen bij een schaalvergroting. Daartoe vragen deze leden hoegewaarborgd gaat worden dat lokale zichtbaarheid en betrokkenheid nietafneemt, doordat er meer werk verschuift naar een centrale redactie.Een centrale redactie biedt de professionele basis die nodig is omvrijwillige medewerkers effectiever te laten zijn. Er komt zo meer ruimtevoor kwaliteitscontrole, begeleiding en inzet van benodigde apparatuur.Het wetsvoorstel borgt dit door middel van de aanwijzingscriteria. Hetbeleidsplan van de aanvrager moet een beschrijving bevatten van devoornemens en afspraken over de inzet van vrijwilligers en de samen-werking met partners in het lokale verzorgingsgebied. Ook moet hetbeleidsplan ingaan op de zichtbaarheid en vindbaarheid van het media-aanbod en op het bedienen van geografische en sociaal-cultureleverscheidenheid.56 Over deze vereisten adviseert de gemeenteraad of-raden.57 Een kandidaat-omroep met uitsluitend een centrale redactie dieniet aannemelijk kan maken lokaal voldoende aanwezig te zullen zijn, kanop deze punten een negatief advies van de gemeenteraad verwachten.De leden van de VVD-fractie begrijpen de keuze voor schaalvergroting omte komen tot financieel gezonde en professionele lokale publiekeomroepen, maar hechten tegelijkertijd belang aan voldoende flexibiliteitom in te kunnen spelen op maatschappelijke ontwikkelingen en verande-rende lokale omstandigheden. Deze leden merken op dat de indeling in demaximaal tachtig lokale verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bijalgemene maatregel van bestuur. Zij zijn van mening dat dit flexibiliteitbeperkt en toetreding en meebewegen met maatschappelijke ontwikke-lingen moeilijk maakt. Zij vragen waarom is gekozen voor deze wettelijkeverankering van het aantal verzorgingsgebieden in plaats van meerflexibiliteit te behouden.De regering heeft ervoor gekozen om het maximumaantal van tachtig opop te nemen in het wetsvoorstel, omdat zij dit nodig acht voor eenwezenlijke schaalvergroting en stabiele indeling in verzorgingsgebieden.56Het voorgestelde artikel 2.87n, eerste lid, onderdelen d tot en met f.57Het voorgestelde artikel 2.87p, derde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 830 Zo wordt mogelijk gemaakt dat de omroepen beschikken overvoorspelbare, duurzame en adequate financiële middelen voor hetvervullen van hun publieke opdracht. Wanneer voor een groter aantalverzorgingsgebieden gekozen zou worden, zou dit ten koste gaan van hetbeschikbare bedrag per omroep. Het maximum van tachtig is het resultaatvan een meerjarig opschalingsproces uit de sector zelf, waarbij gemaaktekeuzes zijn onderbouwd aan de hand van criteria die in het wetsvoorstelzijn opgenomen. Enige flexibiliteit is behouden doordat de daadwerkelijkeindeling in de verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bij algemenemaatregel van bestuur. Dat maakt grenswijziging van de verzorgingsge-bieden mogelijk, wanneer lokale ontwikkelingen daarvoor aanleidinggeven.De leden van de VVD-fractie vragen de regering daarnaast nader in tegaan op de criteria die gehanteerd zullen worden bij het indelen van dezogenaamde verzorgingsgebieden. Hoe wordt bijvoorbeeld bepaald welkeomroep hier eventueel het voortouw in een eventuele fusieorganisatiekrijgt, zo willen deze leden graag weten.In de sector van de lokale publieke omroepen heeft sinds 2012 een procesplaatsgevonden om tot een indeling in lokale verzorgingsgebieden tekomen. Dit gebeurde onder regie van de NLPO en met betrokkenheid vangemeenten en lokale publieke omroepen. In dit proces was op basis vanhet Vernieuwingsconvenant gemeenten – lokale omroepen 2015–2018 hetuitgangspunt dat het verzorgingsgebied aan moest sluiten bij dezogeheten natuurlijke habitat van de burger. Dit proces heeft in 2023 eenindeling in tachtig verzorgingsgebieden opgeleverd.58 Dit in de sectorbereikte aantal is overgenomen als wettelijk maximum in de Wetversterking lokale publieke omroepen.In verband met de publicatie van het wetsvoorstel in het kader van deinternetconsultatie heeft de NLPO begin 2025 nogmaals een procedureingericht waarin stakeholders inspraak konden leveren op de in 2023opgeleverde indeling in lokale verzorgingsgebieden. Daartoe heeft deNLPO per 10 januari 2025 de zogeheten Change Board StreekindelingLokale Publieke Media-instellingen ingesteld (hierna: de Change Board).De Change Board bestond uit een onafhankelijke voorzitter en vijf andereleden: twee leden uit lokale publieke omroepen, twee leden afkomstig uitgemeenten en één lid nam plaats namens de Vereniging van NederlandseGemeenten (hierna: VNG). Tevens werd een waarnemer benoemdnamens het Ministerie van OCW. De Change Board had tot taak de NLPOte adviseren over voorstellen van lokale publieke omroepen of gemeententot wijziging van de bestaande indeling van het land in tachtig lokaleverzorgingsgebieden.De Change Board heeft op 14 mei 2025 zijn adviezen aan de NLPOvastgesteld.59 Op basis van die adviezen heeft de NLPO vervolgens op16 mei 2025 de bestaande indeling in lokale verzorgingsgebiedengeactualiseerd. Dit heeft geleid tot een actuele indeling van Nederland intachtig lokale verzorgingsgebieden. De regering hanteert deze indeling alsuitgangspunt voor verdere besluitvorming en implementatie, zoals isaangekondigd in het wetsvoorstel. De regering acht het immers vanbelang dat deze indeling het resultaat is van een proces vanuit de sector58Toelichting totstandkoming streekindeling Lokale omroepen, opgesteld door de StichtingNederlandse Lokale Publieke Omroepen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, NLPOen VNG, mei 2023, geraadpleegd via de website van het SvdJ.59Adviezen Change Board aan NLPO betreffende streekindeling lokale omroep, Change BoardNLPO, 14 mei 2025, geraadpleegd via de website van de Stichting NLPO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 831 zelf. De regering beoordeelt het proces zoals dat begin 2025 door deChange Board is doorlopen als transparant en zorgvuldig, met vertegen-woordiging van de betrokken partijen: lokale publieke omroepen,gemeenten en de VNG.Uit de openbare internetconsulatie van de aanpassing van het Mediabe-sluit 2008 zijn bezwaren gekomen op de indeling vanuit de verzorgingsge-bieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, Hoeksche Waard, DeWerven en Noord-Veluwe. Naar aanleiding van de internetconsultatieheeft de regering de NLPO gevraagd of de inbreng uit de internetconsul-tatie ten aanzien van de verzorgingsgebieden aanleiding geeft totheroverweging van het advies voor de indeling. Hierbij is gevraagd naarde zorgvuldigheid en transparantie in het proces in de specifieke kwestiesdie in de consultatiereacties werden genoemd. De NLPO heeft onder-streept dat het traject met de Change Board de mogelijkheid heeftgegeven aan alle betrokkenen om een wijzigingsvoorstel in te dienen.Hierover zijn vervolgens zienswijzen opgevraagd bij zowel gemeenten enomroepen. Dit alles is meegenomen bij de uiteindelijke totstandkomingvan het advies van de Change Board aan de NLPO. De NLPO heeft hetoordeel van de Change Board gewogen en staat achter het vastgesteldeadvies. In dit traject van de Change Board zijn de zienswijzen uit deverzorgingsgebieden Twente, Noord-Kennemerland & Alkmaar, HoekscheWaard en De Werven al meegenomen. De inbreng in de internetconsul-tatie uit het verzorgingsgebied Noord-Veluwe is niet naar voren gebrachttijdens het proces met de Change Board. De zorgen die daarin wordengeuit, zien voornamelijk op het behoud van frequenties en lokale editiesbinnen het verzorgingsgebied, en de aandacht die er in de toekomst isvoor de individuele gemeenten. De NLPO heeft laten weten in gesprek tezijn met de lokale omroepen in dit voorziene verzorgingsgebied en heeftook een kwartiermaker ingezet die ondersteunt bij de verdere samen-werking in dit gebied.Al met al concludeert de regering het volgende. Bij een overgang vanruim 200 omroepen naar maximaal 80 verzorgingsgebieden is volledigeinstemming van alle huidige lokale publieke omroepen niet realistisch enook niet het juiste criterium. Het proces van inspraak in de sector zelfgedurende de afgelopen jaren beoordeelt de regering als zorgvuldig entransparant. De genoemde bezwaren uit de internetconsultatie geven deregering, gelet op het bovenstaande, geen aanleiding voor het aanpassenvan de indeling die door NLPO op 16 mei 2025 is vastgesteld, en die alsuitgangspunt geldt voor verdere besluitvorming en implementatie.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat de indeling in demaximaal tachtig lokale verzorgingsgebieden wordt vastgesteld bijalgemene maatregel van bestuur. De memorie van toelichting vermeldtechter de mogelijkheid van wijziging van de indeling van de verzorgings-gebieden, bijvoorbeeld bij gemeentelijke herindeling of maatschappelijkeveranderingen in een of meer verzorgingsgebieden. Deze leden vragenwelke ruimte de algemene maatregel van bestuur dan biedt om alsnog afte wijken van het aantal van tachtig verzorgingsgebieden.Het maximumaantal van tachtig wordt wettelijk verankerd. Daar kan meteen algemene maatregel van bestuur niet van worden afgeweken. Deprecieze indeling in lokale verzorgingsgebieden wordt daarentegenvastgesteld bij algemene maatregel van bestuur en kan door wijzigingdaarvan worden aangepast, zo lang het aantal verzorgingsgebiedenmaximaal tachtig blijft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 832 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen niet dat streekomroepenonbedoeld de schaal van regionale omroepen benaderen en publiekemiddelen zó ondoelmatig worden besteed. Kan de regering nadertoelichten op grond van welke overwegingen zij het advies van de Raadvan State niet heeft overgenomen dat een lokaal verzorgingsgebiedaanmerkelijk kleiner moet zijn dan de kleinste betrokken provinciewaarbinnen het grondgebied wordt gedeeld?De Raad van State heeft in zijn advies benoemd dat het wetsvoorstelvoorschrijft dat een verzorgingsgebied wat betreft de oppervlakte of hetaantal inwoners aanmerkelijk kleiner is dan de provincie of elk van deprovincies waarmee het lokale verzorgingsgebied grondgebied deelt.Deze bepaling stond dus al in het wetsvoorstel (het voorgestelde artikel2.87h, derde lid). De Raad van State heeft niet geadviseerd deze bepalingaan te passen.De regering meent dat het wetsvoorstel de lokale binding bij deopschaling van de verzorgingsgebieden voldoende borgt. De leden van deCDA-fractie willen graag wat meer toelichting op deze borging. Schaalver-groting en professionalisering kunnen immers ook zorgen voor minderlokale binding en afstand tot vrijwilligers en inwoners van het verzor-gingsgebied. Kan de regering eens aangeven of en wat voor mogelijkerisico’s zij ziet?De regering heeft risico’s geïdentificeerd die voort kunnen komen uit devoorgestelde wetswijziging. Het is denkbaar dat het zwaartepunt van dejournalistieke aandacht verschuift naar de grootste kern binnen eenverzorgingsgebied of een meer professionele redactie leidt tot vermin-derde inzet van vrijwilligers, waardoor de omroep zijn wortels in degemeenschap zou verliezen. De regering wijst erop dat binnen de omroepdoor het pbo wordt getoetst of de koers van de omroep aansluit bij debehoeften van de inwoners van het gehele verzorgingsgebied, en nietalleen de grootste kern of een stad. Hiermee wordt voorkomen dat eencentrale redactie te eenzijdige keuzes in de berichtgeving maakt. Deregering ziet verder professionalisering niet als het vervangen vanvrijwilligers, maar als het beter begeleiden en ondersteunen daarvan. Ookzorgt het voor versterking van de lokale binding, omdat het media-aanbodaan kwaliteit wint en daardoor relevanter wordt.Vindt de regering dat met het onderhavige wetsvoorstel het verschiltussen lokale omroepen (streekomroepen) en regionale omroepenvoldoende intact blijft?De regering is van mening dat met het onderhavige wetsvoorstel hetonderscheid tussen lokale omroepen en regionale omroepen involdoende mate behouden blijft. De lokale en regionale omroeplagenbehouden ieder een eigen, wettelijk verankerde positie die aansluit bij het(schaal)niveau waarin zij werkzaam zijn. Volgens het wetsvoorstel is hetverzorgingsgebied van een lokale omroep een geografisch afgebakendgebied dat uit één of meer onderling nabijgelegen gemeenten bestaat.Verder wordt bepaald dat een lokaal verzorgingsgebied wat betreftoppervlakte of inwonertal aanmerkelijk kleiner moet zijn dan de provincieof provincies waarmee grondgebied wordt gedeeld.60 Ten slotte kan eeninstelling maar voor één lokaal verzorgingsgebied worden aangewezenals lokale publieke omroep.61 Daarmee blijft het onderscheid tussen lokaleen regionale publieke omroepen gemarkeerd. Lokale omroepen richtenzich op het verzorgen van media-aanbod binnen een of meerdere60Het voorgestelde artikel 2.87h, tweede en derde lid.61Dit volgt uit het voorgestelde artikel 2.87l, onderdeel b.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 833 gemeenten, waarbij de nadruk ligt op betrokkenheid bij de lokalegemeenschap en lokale democratie. Regionale omroepen hebben eenbredere opdracht op (in beginsel) provinciaal niveau, waarbij zij zichrichten op regionale nieuwsvoorziening, cultuur en educatie.De Raad van State adviseert om het maximum van tachtig verzorgingsge-bieden niet in de wet vast te leggen, maar om de flexibiliteit te hebben omop basis van de kenbare identiteit en leefgebieden van burgers te komentot meer dan tachtig verzorgingsgebieden. De regering heeft dit voorstelvan de Raad van State niet overgenomen. Kan de regering uiteenzettenwaarom zij wil vasthouden aan het maximaal aantal van tachtig verzor-gingsgebieden?Het maximum van tachtig is het resultaat van een meerjarig opschalings-proces uit de sector zelf, waarbij gemaakte keuzes zijn onderbouwd aande hand van criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen. De regeringheeft ervoor gekozen om dit maximumaantal op te nemen in hetwetsvoorstel, omdat een stabiele indeling in verzorgingsgebiedenmogelijk maakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare,duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hunpublieke opdracht. Wanneer voor een groter aantal verzorgingsgebiedengekozen zou worden, gaat dit ten koste van het beschikbare bedrag peromroep.Vervolgens regelt dit wetsvoorstel ook dat meer eisen worden gesteld aande lokale omroepen. Dat begrijpen de leden van de CDA-fractie enerzijds,maar anderzijds vraagt de inwerkingtreding van de onderhavige wet veelvoorbereiding en kennis bij lokale omroepen. Denkt de regering dat dithaalbaar en realistisch is?De regering onderkent dat de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel veelvoorbereiding vraagt van huidige lokale publieke omroepen en kandidaat-omroepen. Het wetsvoorstel brengt hogere eisen met zich mee aan ondermeer professionaliteit, governance, samenwerking, en financiëleverantwoording. Dat is een aanzienlijke opgave, zeker voor omroepen dienu nog grotendeels afhankelijk zijn van vrijwilligers of die met beperkteprofessionele ondersteuning.Tegelijkertijd is de sector hier de afgelopen jaren stapsgewijs opvoorbereid. De regering heeft de NLPO de afgelopen jaren van extrasubsidie voorzien om lokale publieke omroepen te helpen met devoorbereiding op het nieuwe stelsel. De NLPO heeft deze middelen ondermeer ingezet voor kwartiermakers en financiële coaches, om handboekenen sjablonen te ontwikkelen en informatiebijeenkomsten te organiseren.Daarmee is gewerkt aan duidelijkheid over de aankomende veranderingenen aan praktische ondersteuning bij de vorming en organisatorischeversterking van lokale omroepen met een groter verzorgingsgebied.De leden van de BBB-fractie begrijpen de noodzaak van schaalvergroting,maar maken zich zorgen over de gevolgen hiervan voor de lokalezichtbaarheid en betrokkenheid. Deze leden constateren dat in de praktijkal sprake is van toenemende centralisatie terwijl de formele waarborgenuit het wetsvoorstel nog niet zijn ingericht. Zij signaleren onder meer datcontent steeds vaker centraal wordt geproduceerd, dat nieuwemedewerkers niet altijd binding hebben met de lokale gemeenschap endat lokaal nieuws over afzonderlijke kernen afneemt. Daarnaast zien dezeleden dat vrijwilligers en medewerkers met lokale kennis afhaken, wat dekwaliteit en verankering van de lokale journalistiek onder druk zet. Dezeleden vrezen dat kleinere kernen in een model met één centrale redactiestructureel onderbelicht kunnen raken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 834 De leden van de BBB-fractie herkennen de waarborgen die in hetwetsvoorstel zijn opgenomen, zoals de adviesrol van gemeenteraden ende eisen aan het beleidsplan van kandidaat-omroepen. Deze ledenconstateren echter dat in de huidige praktijk dus al sprake is van toene-mende centralisatie waarbij lokale zichtbaarheid onder druk staat, terwijldeze waarborgen nog niet van kracht zijn. Zij vragen daarom niet zozeer ofer waarborgen zijn, maar hoe effectief deze in de praktijk zullen zijn. Kande regering toelichten hoe wordt geborgd dat de inbreng van gemeente-raden daadwerkelijk leidt tot aanpassing van plannen van kandidaat-omroepen in plaats van een formele toets achteraf? Hoe wordtvoorkomen dat kandidaat-omroepen in beleidsplannen aandacht bestedenaan alle kernen maar dat dit in de feitelijke uitvoering alsnog verschraalt?Welke mogelijkheden zijn er om gedurende de aanwijzingsperiode bij testuren als blijkt dat bepaalde kernen structureel onderbelicht blijven?De regering is het met de leden van de BBB-fractie eens dat waarborgenin de praktijk effectief moeten zijn. De inbreng van de gemeenteradenwerkt als volgt. Het aantonen van lokale binding is een belangrijke eis aanhet beleidsplan dat een kandidaat-omroep moet indienen bij een aanvraagvoor aanwijzing als lokale publieke omroep. De gemeenteraden brengenover die eis advies uit. Dat advies gebruikt het Commissariaat bij hetbesluit over welke kandidaat wordt aangewezen als lokale publiekeomroep.Voor het bijsturen van het beleid over het media-aanbod tijdens deaanwijzingsperiode van een lokale publieke omroep komt het pbo inbeeld. Met dit wetsvoorstel krijgt dat orgaan een steviger positie. Ditorgaan van de omroep stelt het beleid over het media-aanbod van deomroep vast. De maatschappelijke, culturele, godsdienstige of levensbe-schouwelijke stromingen uit het verzorgingsgebied vinden hier een plek.Als er bij het Commissariaat twijfels over bestaan of het pbo voldoet aande wettelijke eisen, kan hij hierover advies vragen aan de betreffendegemeenteraad of -raden. In een uiterst geval kan het niet voldoen aan dewettelijke eisen voor een pbo leiden tot intrekken van de aanwijzing. Geletop dit alles is het voor een lokale publieke omroep essentieel om hetgehele verzorgingsgebied te blijven bedienen om in de volgendeaanwijzingsprocedure opnieuw kans te maken op aanwijzing.De leden van de SGP-fractie vragen waarom het volgens de regeringnodig is en voor de hand zou liggen om een zo praktisch voorschrift,bovendien slechts het resultaat van feitelijke ontwikkelingen in deafgelopen jaren, vast te leggen in de wet. Ligt het normaliter niet in derede dit juist bij AMvB vast te stellen?De regering heeft ervoor gekozen om dit maximumaantal op te nemen inhet wetsvoorstel, omdat een stabiele indeling in verzorgingsgebiedenmogelijk maakt dat de omroepen beschikken over voorspelbare,duurzame en adequate financiële middelen voor het vervullen van hunpublieke opdracht. Wanneer het aantal verzorgingsgebieden wijzigt,verandert ook het beschikbare bedrag per omroep. Om fluctuaties hierinte voorkomen is het maximumaantal opgenomen in het wetsvoorstel.Het maximumaantal van tachtig vormt een fundamenteel onderdeel vande voorgestelde schaalvergroting. Door dit maximum op wetsniveau vastte leggen in plaats van op een lager niveau wordt gezorgd voor stabiliteitin de indeling in verzorgingsgebieden en de financiële middelen voorlokale publieke omroepen. Dit laatste is een belangrijk uitgangspunt vande EMFA. Vanwege dit fundamentele karakter van het maximumaantalvan tachtig ligt delegatie naar het niveau van een algemene maatregelvan bestuur niet voor de hand.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 835 Deze leden constateren dat de regering ter vergelijking wijst op hetwettelijk geregelde aantal van dertien regionale omroepen. Zij vindendeze vergelijking niet terecht. Allereerst bepaalt de wet niet op verge-lijkbare wijze het aantal van dertien, maar de aanwijzing van een omroepper provincie. Daar sluit de wet juist aan bij een passende, historischgegroeide eenheid die in het geval van lokale omroepen ook de bedoelingis maar niet zo eenvoudig in een aantal te vangen. Bovendien geeft alleenhet feit dat de afwijking voor Zuid-Holland bestaat aan dat zelfs op ditniveau oog is voor bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaar-digen. Deze leden vragen of het vanuit de inhoudelijke criteria van de wetniet raadzaam is om ook openheid te houden dat het aantal ook iets meerdan tachtig kan bedragen.Met inachtneming van het maximum van tachtig is nog steeds flexibiliteitmogelijk. De precieze indeling in lokale verzorgingsgebieden wordtvastgesteld bij algemene maatregel van bestuur en kan door wijzigingdaarvan worden aangepast.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Raad van State eenaantal risico’s benoemt van de schaalvergroting voor de mate waarinlokale publieke omroepen hun publieke functies kunnen uitoefenen. Dezeleden vragen of de regering het risico aanwezig acht dat de schaalver-groting, ondanks de waarborgen van de regering, ervoor zorgt dat delokale publieke omroepen hun publieke functies minder goed kunnenuitoefenen.De regering kan de redeneringen over afnemende lokale zichtbaarheid ente grote afstanden door centralisatie volgen, maar acht het risico dat depublieke functies verwateren beperkt, omdat het wetsvoorstel deuitoefening daarvan niet vrijblijvend laat. De functies worden geborgddoor de wettelijke verplichting om media-aanbod voor het geheleverzorgingsgebied te verzorgen en door een stabiele financiering vanuithet Rijk. Dat geeft lokale publieke omroepen de mogelijkheid met eenprofessionele redactie te werken.Bovendien wijst de regering erop dat de ROB en de RvC in hun advies-rapport laten zien dat lokale publieke omroepen met een grotere schaal erjuist beter in slagen om hun maatschappelijke en democratische functiesuit te oefenen dan lokale publieke omroepen met een kleine schaal. Metname de democratische functies van controleren en agenderen staan bijde kleinere lokale publieke omroepen onder druk. In hun gezamenlijkerapport uiten de raden hun zorg hierover.62Op welke wijze wordt dit geëvalueerd?Lokale publieke omroepen dienen in het tweede jaar van hun aanwijzingeen zelfevaluatie uit te voeren. Daarmee toetsen zij hoe zij uitvoeringhebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, zoalsbeschreven in hun beleidsplannen. Het Commissariaat houdt hier toezichtop. De lokale publieke omroepen rapporteren de zelfevaluaties aan deNLPO, die als daar aanleiding voor is een nadere, onafhankelijke evaluatiekan laten verrichten. Het Commissariaat houdt toezicht op de nalevingdoor de NLPO van de voorschriften voor de inrichting van deze onafhan-kelijke evaluatie. De regering ziet de getrapte evaluatie als een functioneelinstrument omdat de eigen verantwoordelijkheid van de omroepen wordtbenut en er wordt invulling gegeven aan de coördinerende taak van deNLPO.62Lokale media: Niet te Missen, ROB en RvC, november 2020, p. 71.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 836 De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het nader rapport63 dat deregering schrijft dat lokale publieke omroepen de mogelijkheid hebbenom op verschillende manieren programmatisch te differentiëren. Dezeleden vragen op welke wijze dit reeds al gebeurt. Hoeveel lokale publiekeomroepen zetten al meerdere kanalen of edities in en wat is deverwachting van de regering voor de toekomst?Programmatische differentiatie vindt op dit moment nog niet op groteschaal plaats, maar er zijn wel voorbeelden waarin lokale publiekeomroepen hun aanbod afstemmen op verschillende delen van hunverzorgingsgebied of op verschillende doelgroepen. Het gaat danbijvoorbeeld om afzonderlijke edities, signalen, kanalen of online aanbodwaarmee binnen één verzorgingsgebied toch meer lokale herkenbaarheidwordt geboden. Een voorbeeld is de omroep in het verzorgingsgebiedOost-Brabant, waar voor verschillende delen van het gebied een andertelevisiesignaal wordt aangeboden, met nieuwsbulletins die specifiek zijngericht op dat deel van het verzorgingsgebied. Ook in Amsterdam bestaatal langer programmatische differentiatie. De lokale omroep maakt daargebruik van meerdere radiokanalen, die zich richten op verschillendedelen van de stad en op verschillende publieksgroepen. Deze voorbeeldenlaten zien dat programmatische differentiatie in de praktijk mogelijk is,maar ook dat de invulling sterk afhankelijk is van de schaal, technischemogelijkheden, beschikbare capaciteit en de lokale of stedelijke context.Het wetsvoorstel beoogt die ruimte te behouden: een lokale omroep kanéén organisatie vormen voor het verzorgingsgebied als geheel, terwijl hetmedia-aanbod daarbinnen programmatisch kan worden toegespitst opafzonderlijke gemeenten of doelgroepen. De lokale publieke omroep blijftverantwoordelijk voor de publieke mediaopdracht binnen het volledigeverzorgingsgebied. De verwachting is dat na de stelselwijziging debehoefte aan herkenbaar lokaal aanbod binnen het verzorgingsgebiedblijft. Binnen een groter lokaal verzorgingsgebied kan het daaromwenselijk zijn om in de programmering of online presentatie meeronderscheid te maken tussen gemeenten, kernen of deelgebieden. Dathoeft niet te betekenen dat overal aparte kanalen ontstaan. Zo zal ergewerkt kunnen worden met gerichte lokale edities binnen bestaandekanalen en digitale vormen van verspreiding, zodat inwoners binnen hetverzorgingsgebied lokaal herkenbaar aanbod blijven ontvangen.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in hoeverre ze alsrisico ziet dat in de praktijk lokale publieke omroepen op bestuurlijk,redactioneel en/of organisatorisch niveau steeds meer verweven rakenmet regionale publieke omroepen. Hoe waarborgt de regering dezelfstandigheid van de lokale publieke omroepen in de praktijk? De ledenvan de ChristenUnie-fractie vragen waarom niet verder is uitgewerkt watprecies het verschil is tussen een regionale en een lokale omroep, behalvehet verschil in schaalgrootte. Kan de regering toelichten welke verschillenze ziet en of ze reden ziet tot betere wettelijke verankering van dieverschillen, bijvoorbeeld via een vereiste voor de inhoud van hetconcessiebeleidsplan zoals het Commissariaat voorstelt?64De lokale en regionale omroepen behouden ieder een eigen, wettelijkverankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij hetschaalniveau van hun verzorgingsgebied. Een lokale publieke omroepheeft een eigen aanwijzing en eigen bekostiging. Binnen de kaders van63Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 4.64Commissariaat, 23 april 2026, position paper over wetsvoorstel stelselwijziging lokale publiekeomroep (https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 837 het wetsvoorstel is geen ruimte voor een hiërarchische verhoudingwaarbij de regionale publieke omroep zeggenschap zou krijgen over delokale publieke omroep.De lokale publieke omroepen en de regionale publieke omroepen hebbenals gezegd elk een eigen schaal en publieke taak. Over de schaal van eenlokaal verzorgingsgebied wordt in het wetsvoorstel bepaald dat deze quaoppervlakte of aantal inwoners aanmerkelijk kleiner moet zijn dan deprovincie of provincies waarmee grondgebied wordt gedeeld. Wat betreftde publieke taak: lokale publieke omroepen richten zich op het verzorgenvan publiek media-aanbod binnen een of meerdere gemeenten, waarbijde nadruk ligt op betrokkenheid bij de lokale gemeenschap en lokaledemocratie. Regionale publieke omroepen hebben een bredere opdrachtop provinciaal niveau, waarbij zij zich richten op regionale nieuwsvoor-ziening, cultuur en educatie. Overigens hebben de NLPO en RPO eenalliantie gesloten waarbij ze in meer detail beschrijven hoe zij het verschilzien tussen de lokale en regionale publieke omroepen als het gaat om hetuitvoeren van de taak.Wat betreft de aanwijzingsprocedure: kandidaat-lokale omroepen moetenaantonen dat zij een rechtspersoon zijn die gericht is op het op lokaalniveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht in het verzorgingsgebiedwaarvoor zij willen worden aangewezen. Verder moeten kandidaten bijhun aanvraag een beleidsplan indienen dat is afgestemd op het conces-siebeleidsplan NLPO. Over de aanvraag wordt geadviseerd door de NLPOen de betrokken gemeenteraad of -raden. Het Commissariaat kan eenaanvraag afwijzen als de kandidaat-omroep onvoldoende aan de criteriavoor aanwijzing voldoet. De procedure heeft dus een strikte focus op deuitvoering van de lokale publieke mediaopdracht.Gelet op dit alles is de regering van mening dat de eigen domeinen vande regionale en lokale publieke omroepen gewaarborgd zijn in hetwetsvoorstel.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Raad van Stateadviseert om het maximum van tachtig verzorgingsgebieden niet in dewet vast te leggen. De regering neemt dit advies niet over, waarbij zeonder meer erop wijst dat het maximum van tachtig het resultaat is vaneen meerderjarig opschalingsproces uit de sector zelf. Deze leden vragenof de regering het in geen geval denkbaar acht dat het later toch wenselijkkan zijn om tot meer verzorgingsgebieden te komen? Zo ja, ligt het danniet in de rede om het maximumaantal alsnog in een AMvB te verankerenin plaats van op wetsniveau?Het maximumaantal van tachtig is een fundamenteel onderdeel van devoorgestelde stelselherziening. De regering heeft ervoor gekozen om ditmaximumaantal op te nemen in het wetsvoorstel, omdat een stabieleindeling in verzorgingsgebieden mogelijk maakt dat de omroepenbeschikken over voorspelbare, duurzame en adequate financiële middelenvoor het vervullen van hun publieke opdracht. Wanneer in de toekomstvoor een groter aantal verzorgingsgebieden gekozen zou worden, gaat ditten koste van het beschikbare bedrag per omroep en de voorspelbaarheiddaarvan. Dit is onwenselijk. Vanwege het fundamentele karakter van hetmaximum ligt delegatie naar het niveau van een algemene maatregel vanbestuur niet voor de hand. Overigens kan de precieze indeling van deverzorgingsgebieden worden aangepast door wijziging van de algemenemaatregel van bestuur waarin die geregeld is, zo lang er sprake blijft vanmaximaal tachtig verzorgingsgebieden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 838 2.4 Wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan op lokaal niveau De leden van de VVD-fractie merken op dat het inrichten, in stand houden,beheren, exploiteren en regelen van voor lokale publieke omroepenbenodigde faciliteiten, zoals studio’s en distributie-infrastructuren,onderdeel wordt van de wettelijke taak van de NLPO. Deze ledenconstateren dat dergelijke voorzieningen momenteel ook door marktpar-tijen worden aangeboden en naar hun beeld aansluiten bij de behoeftenvan lokale publieke omroepen. Zij vragen wat de reden is om deze taakaan de NLPO toe te wijzen.De regering heeft verschillende redenen om deze taak bij de NLPO tebeleggen. De NLPO heeft zich de afgelopen jaren kunnen voorbereiden opdeze taak en zij is als geen ander in staat om de behoeften van de lokaleomroepen te kennen en voor een langetermijnstrategie voor de gehelesector te zorgen. Zo heeft de NLPO al bevorderd dat lokale publiekeomroepen toegang hebben tot een landelijk dekkend DAB+-netwerk.Verder blijft de samenwerking en aansluiting tussen de drie omroeplagenin redactioneel-technische zin noodzakelijk. Om content eenvoudig tekunnen delen tussen een lokale en regionale omroep, moeten redactiesys-temen en technische standaarden op elkaar aansluiten. De NLPOcoördineert deze harmonisatie en dat vereist een zekere mate vantechnische standaardisatie onder de lokale publieke omroepen.Tot slot heeft de NLPO de mogelijkheid om voor complexe, experimenteleprojecten projectteams met specialisten van omroepen samen te stellen,waardoor de kennis in de sector optimaal wordt benut. De NLPO moet bijhet uitvoeren van zijn taken handelen binnen het wettelijke kader en ishierbij onderworpen aan toezicht door het Commissariaat.Voor het starten, wijzigen of staken van aanbodkanalen hebben regionaleomroepen krachtens het derde lid van artikel 2.60m van de Mediawet 2008ministeriële instemming nodig, maar de lokale omroepen kennen straksniet zo’n verplichting. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vrezen datdit samenwerking tussen lokale en regionale omroepen structureel zalbemoeilijken. Hoe staat de regering tegenover de mogelijkheid om deministeriële instemmingsverplichting uit de Mediawet 2008 te schrappen?In algemene zin geldt dat onderhavig wetsvoorstel uitsluitend ziet op delokale publieke omroepen. De regering heeft er dan ook voor gekozen omgeen wijzigingen ten behoeve van de regionale publieke omroepen meete nemen in het wetsvoorstel. Dat geldt ook voor het schrappen van deverplichte instemming vooraf van de Minister van OCW met een nieuwaanbodkanaal, die geldt voor de regionale publieke omroep.De instemming houdt verband met een controle op de omvang van depublieke omroep, gelet op de mogelijke impact op de markt voormediadiensten. Anders dan voor het regionale domein acht de regeringacht dit instrument voor het lokale domein te zwaar, met name inverhouding tot de te verwachte marktimpact van lokale publieke aanbod-kanalen. Het geconstateerde verschil bestaat bovendien al tien jaar en erzijn geen signalen dat dit tot problemen in de samenwerking tussen lokaleen regionale publieke omroepen heeft geleid.Zouden afspraken tussen de NLPO en RPO niet wettelijk moeten wordenverankerd, nu artikel 2.71 van de Mediawet 2008, dat de grondslag boodvoor samenwerkingsovereenkomsten tussen lokale en regionaleomroepen, zal komen te vervallen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 839 De samenwerkingsovereenkomst zoals bedoeld in het huidige artikel 2.71van de Mediawet 2008 voorziet in een ingewikkelde constructie waarbij –kort gezegd – media-aanbod van de regionale publieke omroep kanworden meegeteld als media-aanbod dat onder de ICE-norm van lokalepublieke omroepen valt. In de praktijk zijn er geen gevallen bekend vansamenwerkingsovereenkomsten op grond van dit artikel. De regering achthet aangewezen om dit verouderde artikel te schrappen.Tegelijkertijd is de regering van mening dat samenwerking, waar mogelijken haalbaar, moet worden aangemoedigd, zoals dat nu al gebeurt in hetkader van het project Bureaus Lokaal. In het kader van de uitvoering vande publieke media-opdracht blijft het voor lokale en regionale publiekeomroepen mogelijk om de samenwerking op te zoeken. Het schrappenvan het wetsartikel 2.71 doet daar niets aan af.Voor de benoemings-, schorsings- en ontslagprocedure van de raad vantoezicht en het bestuur van de NLPO wordt aangesloten bij de proceduresvoor de Nederlandse Publieke Omroep (hierna: NPO) en de RegionalePublieke Omroep (hierna: RPO) in de Mediawet 2008 die sinds 2021gelden. De leden van de CDA-fractie vragen zich af of dit ook betekent dater wettelijke termijnen van twee keer vier jaar komen voor benoemingenvan directie en leden Raden van Toezicht in beide organen.Het voorgestelde artikel 2.77, elfde lid, bepaalt dat benoeming geschiedtvoor vijf jaar en dat herbenoeming voor een aansluitende periodeeenmaal mogelijk is. Dit geldt voor de raad van toezicht van de NLPO.Voor het bestuur van de NLPO bepaalt artikel 2.80, tweede lid, hetzelfde.Ook voor de zittingstermijn van vijf jaar voor raad van toezicht en bestuuris aangesloten bij de regeling voor de NPO en RPO.65De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de NLPO, net zoalsde RPO, geen sturingsbevoegdheden krijgt. Acht de regering het risicowaar het Commissariaat op wijst66, dat het voor de NLPO lastig kan zijnom verandering door te voeren, aanwezig? Is overwogen om de NLPO welsturingsbevoegdheden te geven? Zo ja, waarom is daar niet voorgekozen? Zo nee, waarom niet?Bij de afwegingen over de inrichting van de NLPO als samenwerkings- encoördinatieorgaan heeft de regering als uitgangspunt genomen datgenewat zij nodig acht in het specifieke domein van de lokale publieke omroep.Dat is aan de ene kant de noodzaak van een meer gezamenlijke koers inde uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Aan deandere kant acht de regering het juist in het domein van de lokalepublieke omroep van groot belang dat de lokale publieke omroepen deautonomie hebben om de publieke mediaopdracht uit te voeren op eenmanier die aansluit bij hun specifieke lokale verzorgingsgebied.Gelet op deze afweging heeft de regering er niet voor gekozen om deNLPO in te richten als zelfstandig bestuursorgaan met bijbehorendebevoegdheden. De NLPO beschikt niettemin over instrumenten tenbehoeve van de samenwerking en coördinatie. Dit is allereerst hetconcessiebeleidsplan, waarop kandidaat-lokale omroepen in de aanwij-zingsprocedure hun beleidsplannen moeten afstemmen. Verder heeft deNLPO de bevoegdheid om onafhankelijke evaluaties te laten verrichten.65Artikelen 2.5, elfde lid, 2.8, tweede lid, 2.60c, elfde lid, en 2.60f, tweede lid, van de Mediawet2008.66Commissariaat, 23 april 2026, position paper over wetsvoorstel stelselwijziging lokale publiekeomroep (https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 840 De regering is al met al van mening dat met de voorgestelde inrichtingvan de NLPO de juiste balans voor samenwerking en coördinatie isgevonden. De regering verwacht dat deze balans gezamenlijke verbete-ringen voor de lokale publieke omroep daadwerkelijk mogelijk maakt.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom ervoor gekozen isdat lokale omroepen zelf geen leden kunnen voordragen voor het collegevan omroepen, maar dat de benoeming van de leden gebeurt opvoordracht van het college zelf.De keuze hangt samen met de positie van het college van omroepenbinnen de NLPO. Het college is geen ledenvergadering en ook geenorgaan waarin iedere lokale publieke omroep afzonderlijk vertegen-woordigd is. Het college moet de lokale publieke omroepen als geheelvertegenwoordigen, en adviseren vanuit het gezamenlijke belang van delokale publieke mediadienst.Daarbij past niet dat individuele omroepen zelf leden voordragen. Dat zouhet risico vergroten dat leden vooral worden gezien als vertegenwoor-diger van één omroep, verzorgingsgebied of belang, terwijl het collegejuist sectorbreed moet kunnen adviseren.De wet borgt overigens dat het college representatief wordt samenge-steld, met aandacht voor verschillen in omvang en geografische ligging.De benoeming op voordracht van het college zelf, door de raad vantoezicht van de NLPO, moet bijdragen aan continuïteit, deskundigheid eneen samenstelling die het gezamenlijke belang van de sector dient.2.5 Aanscherping van de aanwijzingsprocedure De leden van het pbo zijn representatief voor de belangrijkste maatschap-pelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen die in hetverzorgingsgebied voorkomen. Het pbo heeft ook de taak om hetmedia-aanbod te bewaken. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie ofhet pbo concrete bevoegdheden krijgt om, wanneer nodig geacht, bij testuren. Zo ja, welke bevoegdheden zijn dit? Zo nee, op welke wijze wordthet pbo geacht haar taak om het media-aanbod te bewaken concreet uit tevoeren?Het wetsvoorstel geeft het pbo geen specifieke sturingsbevoegdheden tenaanzien van de redactie van de omroep, gelet op de redactioneleautonomie. Wanneer het pbo concludeert dat het media-aanbod onvol-doende aansluit bij het beleid of bij het verzorgingsgebied, kan het pbo ditbinnen de organisatie van de lokale publieke omroep agenderen. Volgenshet in de sector gangbare pbo-reglement controleert het pbo of het doorhem vastgestelde beleid voor het media-aanbod wordt uitgevoerd. Hetpbo rapporteert zijn bevindingen hierover aan het bestuur van de lokalepublieke omroep. De bevindingen van het pbo kunnen informatief zijnvoor het Commissariaat bij het houden van toezicht op de publiekemedia-opdracht.Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat het wetsvoorstel eenmeer uitgebreide set aan criteria bevat voor aanwijzing van lokaleomroepen omdat in de huidige procedure een gebrek aan voldoendewettelijke criteria voor goede toetsing is. Deze leden verzoeken deregering nader toe te lichten aan de hand van welke criteria de NLPO ende gemeenteraad het Commissariaat adviseren bij de aanwijzing van eenlokale publieke omroep.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 841 Het klopt inderdaad dat de set aan criteria met dit wetsvoorstel wordtuitgebreid. De criteria zijn verdeeld naar de eigen deskundigheid van deadviseurs in de aanwijzingsprocedure: de NLPO en de gemeenteraad of-raden.De NLPO adviseert over een aanvraag aan de hand van de volgendecriteria:–de aanvrager heeft een beleidsplan dat is afgestemd op het concessie-beleidsplan van de NLPO.–het beleidsplan bevat:–een overzicht van de voorgenomen aanbodkanalen;–het voorgenomen beleid ten aanzien van het media-aanbod; en–de voornemens en afspraken over samenwerkingen binnen hetpublieke mediabestel.–de aanvrager heeft een begroting voor de aanwijzingsperiode, metdaarin een overzicht van de baten en lasten in verband met deuitvoering van het beleidsplan en een toelichting daarop.De gemeenteraad adviseert over een aanvraag aan de hand van devolgende criteria:–de aanvrager heeft een pbo dat een afzonderlijk orgaan is, bestaat uitvijf of meer leden (onder wie de voorzitter), en dat representatief isvoor de belangrijkste maatschappelijke, culturele, godsdienstige engeestelijke stromingen die in het verzorgingsgebied voorkomen.–het beleidsplan van de aanvrager bevat:–de voornemens over het bedienen van de geografische ensociaal-culturele verscheidenheid in het lokale verzorgingsgebied;–de voornemens over de zichtbaarheid en vindbaarheid van hetmedia-aanbod in het lokale verzorgingsgebied; en–de voornemens en afspraken over de inzet van vrijwilligers en oversamenwerking met partners in het lokale verzorgingsgebied.Begrijpen de leden van de CDA-fractie goed dat de gemeente in eenadviserende rol komt? En dat de NLPO uitgaat van dezelfde wettelijkecriteria als de gemeente mochten zich twee of meer aanvragers zichmelden?De gemeente, meer precies de gemeenteraad, heeft een adviserende rolin de procedure voor de aanwijzing van een lokale publieke omroep.Overigens heeft de gemeenteraad ook nu al een adviserende rol. In hetwetsvoorstel worden de criteria waarover de gemeenteraad adviseertverduidelijkt en aangescherpt. Volgens het wetsvoorstel adviseren deNLPO en de gemeenteraad elk over een eigen set criteria. Het gaat omcriteria die passen bij hun rol en deskundigheid, zoals hierbovenbeschreven. Bij meerdere aanvragers brengen zowel de NLPO als debetrokken gemeenteraad of -raden per criterium een rangorde aan. HetCommissariaat besluit over de aanwijzing en weegt daarbij de adviezen.Het lijkt de regering wenselijk dat rekening wordt gehouden met deomvang van een gemeente in het gewicht van het advies van degemeenteraad. Waarom lijkt de regering dit wenselijkGemeenteraden brengen in een aanwijzingsprocedure elk een eigenadvies uit aan het Commissariaat, ook als het lokale verzorgingsgebiedmeerdere gemeenten omvat. Dit zal in de praktijk betekenen dat hetCommissariaat meerdere adviezen ontvangt van gemeenteraden uithetzelfde verzorgingsgebied. De regering acht het voor de evenwich-tigheid in de advisering wenselijk om in een dergelijk geval de omvangvan de gemeentes in aantal inwoners te laten doorwerken in de zwaartevan het advies. Die zwaarte wordt bepaald aan de hand van het aantalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 842 gemeenteraadszetels per gemeente. Dit aantal, vastgelegd in de Gemeen-tewet, kent een vaste structuur waarbij gemeenten in klassen wordenverdeeld. Deze klassen werken degressief proportioneel. Dat wil zeggendat grote gemeenten wel meer zetels hebben dan kleine, maar verhou-dingsgewijs hebben de kleinere gemeenten meer zetels ten opzichte vande bevolkingsomvang. Op deze manier wordt voorkomen dat de adviezenvan grote gemeenten disproportioneel meer gewicht hebben in debesluitvorming. Door aan te sluiten bij de systematiek van de Gemeen-tewet worden de adviezen van de gemeenteraden evenwichtig toegepastin de procedure.De leden van de BBB-fractie heeft een aantal vragen over de onafhanke-lijkheid van de lokale publieke omroep, in het bijzonder in relatie totregionale omroepen. Deze leden constateren dat in de praktijk sprake kanzijn van vergaande bestuurlijke en redactionele verwevenheid, met namein grotere steden, waardoor de zelfstandige positie van lokale omroepenonder druk kan komen te staan. Zij achten het van belang dat samen-werking plaatsvindt op basis van gelijkwaardigheid en niet leidt totafhankelijkheid of feitelijke aansturing door regionale omroepen. Hoewaarborgt de regering dat de zelfstandige positie van lokale publiekeomroepen behouden blijft en niet wordt uitgehold door verwevenheidmet regionale omroepen?De lokale en regionale omroepen behouden ieder een eigen, wettelijkverankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij hetschaalniveau van hun verzorgingsgebied. Een lokale publieke omroepheeft een eigen aanwijzing en eigen bekostiging. Binnen de kaders vanhet wetsvoorstel is geen ruimte voor een hiërarchische verhoudingwaarbij de regionale publieke omroep zeggenschap zou krijgen over delokale publieke omroep.Kan de regering bevestigen dat samenwerking aanvullend is en niet in deplaats kan komen van een zelfstandige uitvoering van de lokale publiekemediaopdracht?De lokale en regionale publieke omroepen hebben ieder hun een eigen,wettelijk verankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij hetschaalniveau van hun verzorgingsgebied. Samenwerking tussen de lagenis aanvullend en wordt gestimuleerd. Daartoe hebben de NLPO en de RPOook een alliantie gesloten. Met dat instrument werken zij samen aan eenduidelijker onderscheidend regionaal en lokaal publiek media-aanbod,meer journalistieke diversiteit en kwaliteit in de nieuwsverslaggeving,alsmede aan het vergroten van het bereik en een sterkere verbinding methet publiek op het lokale en regionale niveau. Versterking van de lokaleomroep zoals voorgesteld met dit wetsvoorstel komt de samenwerkingten goede, omdat er op veel meer plekken in Nederland een professionelelokale publieke omroep zal zijn om mee samen te werken.Hoe voorkomt de regering dat bij de aanwijzingsprocedure feitelijk drukontstaat richting modellen waarin regionale omroepen een doorslagge-vende rol krijgen?De regering benadrukt dat weliswaar samenwerking tussen de verschil-lende lagen van het bestel wordt aangemoedigd om de journalistiekekwaliteit te verhogen, maar dat het eigen domein van de lokale publiekeomroep strikt gewaarborgd blijft.Regionale publieke omroepen en de RPO hebben geen rol in de aanwij-zingsprocedure van dit wetsvoorstel. Kandidaat-lokale omroepen moetenaantonen dat zij een rechtspersoon zijn die gericht is op het op lokaalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 843 niveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht in het verzorgingsgebiedwaarvoor zij willen worden aangewezen. Verder dienen kandidaten bij hunaanvraag een beleidsplan in dat is afgestemd op het concessiebeleidsplanNLPO. Over de aanvraag wordt geadviseerd door de NLPO en debetrokken gemeenteraad of -raden. Het Commissariaat kan een aanvraagafwijzen als de kandidaat-omroep onvoldoende aan de criteria vooraanwijzing voldoet. De procedure heeft dus een strikte focus op deuitvoering van de lokale publieke mediaopdracht.De leden van de BBB-fractie vragen in dit kader nadrukkelijk aandachtvoor de omvang en positionering van de beoogde streekomroepen. Zijwijzen erop dat de Afdeling advisering van de Raad van State heeftgewezen op het risico dat streekomroepen qua schaal, bereik en ambitiein de buurt komen van regionale omroepen. Deze leden constateren datdit risico zich in de praktijk niet louter theoretisch voordoet, maar dat zichreeds situaties voordoen waarin overlap ontstaat tussen de verschillendeomroeplagen. Tegen deze achtergrond vragen deze leden de regering danook hoe wordt voorkomen dat streekomroepen en regionale omroepen inde praktijk overlappende rollen gaan vervullen, met mogelijke inefficiëntieen spanningen binnen het publieke bestel tot gevolg.De lokale publieke omroepen en de regionale publieke omroepen hebbenelk een eigen schaal en publieke taak. Dat blijft behouden in hetwetsvoorstel. Wat betreft de omvang van een lokaal verzorgingsgebiedwordt bepaald dat deze qua oppervlakte of aantal inwoners aanmerkelijkkleiner moet zijn dan de provincie of provincies waarmee grondgebiedwordt gedeeld. Lokale publieke omroepen richten zich op het verzorgenvan publiek media-aanbod binnen een of meerdere gemeenten, waarbijde nadruk ligt op betrokkenheid bij de lokale gemeenschap en lokaledemocratie. Regionale publieke omroepen hebben een bredere opdrachtop provinciaal niveau, waarbij zij zich richten op regionale nieuwsvoor-ziening, cultuur en educatie. De regering stimuleert samenwerking ompublieke middelen doelmatiger te besteden.Zij vragen voorts waarom het advies van de Raad van State om deafbakeningsnorm aan te scherpen niet is overgenomen en of de regeringbereid is alsnog te bezien of het wenselijk is om in de wet explicieter vastte leggen dat lokale verzorgingsgebieden aanmerkelijk kleiner dienen teblijven dan de schaal van provincies zodat het onderscheid tussen lokaleen regionale omroepen helder blijft.In het wetsvoorstel is in het voorgestelde artikel 2.87h, derde lid,opgenomen dat een verzorgingsgebied wat betreft de oppervlakte of hetaantal inwoners aanmerkelijk kleiner is dan de provincie of elk van deprovincies waarmee het lokale verzorgingsgebied grondgebied deelt. DeRaad van State heeft deze bepaling genoemd in zijn advies, maar nietgeadviseerd deze aan te passen, omdat dit artikel de gewenste situatie alafdoende regelt. Met deze bepaling wordt daarmee het onderscheidtussen de lokale en regionale omroepen volgens de regering voldoendegeborgd.Daarnaast vragen de leden van de BBB-fractie hoe wordt voorkomen datsamenwerking tussen lokale en regionale omroepen in de praktijk leidt totbestuurlijke, organisatorische of redactionele afhankelijkheid van lokaleomroepen ten opzichte van regionale partijen. Deze leden verzoeken deregering te bevestigen dat samenwerking aanvullend is en niet in deplaats kan komen van een zelfstandige uitvoering van de lokale publiekemediaopdracht en toe te lichten hoe dit in de praktijk wordt geborgd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 844 De regering benadrukt dat zij weliswaar samenwerking tussen deverschillende lagen van het bestel aanmoedigt om de journalistiekekwaliteit te verhogen, maar dat de juridische, redactionele en bestuurlijkeautonomie van de lokale publieke omroep strikt gewaarborgd blijft. Lokaleen regionale publieke omroepen behouden hun eigen bestuurlijke enorganisatorische verantwoordelijkheid. Voor alle publieke omroepen, dusook voor de regionale en lokale publieke omroepen, geldt dat zij verant-woordelijk zijn voor het door hen verzorgde media-aanbod en dat zijbeschikken over een redactiestatuut dat de journalistieke rechten enplichten van de medewerkers bevat.De lokale en regionale publieke omroepen hebben ieder hun een eigen,wettelijk verankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij hetschaalniveau van hun verzorgingsgebied. Samenwerking tussen de lagenis aanvullend en wordt gestimuleerd. Daartoe hebben de NLPO en de RPOook een alliantie gesloten. Met dat instrument werken zij samen aan eenduidelijker onderscheidend regionaal en lokaal publiek media-aanbod,meer journalistieke diversiteit en kwaliteit in de nieuwsverslaggeving,alsmede aan het vergroten van het bereik en een sterkere verbinding methet publiek op het lokale en regionale niveau. Versterking van de lokaleomroep zoals voorgesteld met dit wetsvoorstel komt de samenwerkingten goede.Voorts vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat in de aanwijzingspro-cedure of in de uitvoering van de eerste concessieperiode feitelijk drukontstaat richting modellen waarin regionale omroepen een doorslagge-vende positie krijgen binnen streekomroepen.De regering benadrukt dat weliswaar samenwerking tussen de verschil-lende lagen van het bestel wordt aangemoedigd om de journalistiekekwaliteit te verhogen, maar dat het eigen domein van de lokale publiekeomroep strikt gewaarborgd blijft. Regionale publieke omroepen en deRPO hebben geen rol in de aanwijzingsprocedure van dit wetsvoorstel.Kandidaat-lokale omroepen moeten aantonen dat zij een rechtspersoonzijn die gericht is op het op lokaal niveau uitvoeren van de publiekemediaopdracht in het verzorgingsgebied waarvoor zij willen wordenaangewezen. Verder dienen kandidaten bij hun aanvraag een beleidsplanin dat is afgestemd op het concessiebeleidsplan NLPO. Over de aanvraagwordt geadviseerd door de NLPO en de betrokken gemeenteraad of-raden. Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als de kandidaat-omroep onvoldoende aan de criteria voor aanwijzing voldoet. Deprocedure heeft dus een strikte focus op de uitvoering van de lokalepublieke mediaopdracht.Lokale en regionale publieke omroepen hebben en behouden hun eigenbestuurlijke en organisatorische verantwoordelijkheid. Voor alle publiekeomroepen, dus ook voor de regionale en lokale publieke omroepen, geldtdat zij verantwoordelijk zijn voor het door hen verzorgde media-aanboden dat zij beschikken over een redactiestatuut dat de journalistieke rechtenen plichten van de medewerkers bevat. Gelet op dit alles verwacht deregering ook voor de eerste concessieperiode geen druk richting eendoorslaggevende rol van de regionale publieke omroep in het lokalepublieke domein.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 845 2.6 Overige vereisten lokale publieke omroepen Kan de regering verduidelijken waarop het minimumpercentage van 50procent voor regionaal aanbod en het minimumpercentage van 50procent (vereenvoudigen ICE-norm67) voor eigen of in opdracht gemaakteprogramma’s zijn gebaseerd? Is hier eerder ervaring mee opgedaan?Heeft onderzoek dit uitgewezen?De regering acht het van belang om te borgen dat lokale publiekeomroepen aanbod maken dat onderscheidend is ten opzichte van anderelokale, regionale en landelijke publieke omroepen en betrekking heeft ophet eigen lokale verzorgingsgebied. De voorgestelde norm van vijftigprocent lokaal respectievelijk eigen of in opdracht geproduceerd aanbodbouwt voort op de bestaande ICE-systematiek van artikel 2.70 van deMediawet 2008 en de uitwerking daarvan in het Mediabesluit 2008. Deervaringen hiermee zijn opgedaan bij de regionale publieke omroepen(voor wie artikel 2.70 eveneens geldt). Uit het toezicht van het Commissa-riaat op het regionale media-aanbod en de prestatieovereenkomst tussende RPO, regionale publieke omroepen en het Ministerie van OCW blijktdat deze normen praktisch haalbaar zijn en het Commissariaat een helderen objectief toetsingskader bieden.2.7 Gevolgen voor reikwijdte toezicht Commissariaat voor de Media De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het Commissariaat ooktoezicht houdt op de uitvoering van de plannen door de NLPO en delokale publieke omroepen.Het Commissariaat is belast met het toezicht op de naleving van deMediawet 2008, voor zover bepalingen van die wet niet expliciet van dattoezicht zijn uitgezonderd. Zo houdt het Commissariaat toezicht op depublieke mediaopdracht, die is neergelegd in artikel 2.1 van de Mediawet2008. De mediaopdracht geldt voor alle lagen van de publieke omroep,dus ook voor de lokale publieke omroep. De plannen van de NLPO en delokale publieke omroepen zijn richtinggevend bij de uitvoering van depublieke mediaopdracht op lokaal niveau, en kunnen in zoverre vanbelang zijn voor het Commissariaat bij het uitoefenen van zijn toezicht.Tevens vragen deze leden waarom het Commissariaat pas om advieswordt gevraagd over het concessiebeleidsplan nadat het is vastgesteld.Waarom is er niet voor gekozen om in een eerder stadium het Commissa-riaat om advies te vragen?Het concessiebeleidsplan NLPO wordt vastgesteld door de NLPO envervolgens openbaar gemaakt; de Minister van OCW vraagt daaroveradvies aan het Commissariaat en de RvC. De regering heeft gekozen vooradvisering na vaststelling omdat het concessiebeleidsplan NLPO in eersteinstantie een beleidsdocument van de NLPO is (met medewerking vanlokale publieke omroepen). Deze positionering van de adviezen komtovereen met de manier waarop bij de regionale publieke omroep van deadviezen gebruik wordt gemaakt. De adviezen dienen om de Minister teinformeren met het oog op de concessieverlening en prestatieovereen-komst, niet om de adviseurs een rol te geven bij de totstandkoming vaneen document dat het product is van de NLPO.67ICE-norm: deze norm houdt in dat per programmakanaal het aanbod voor ten minste de helftvan de duur bestaat uit aanbod van informatieve, culturele en educatieve aard.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 846 3. Verhouding tot hoger recht De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering de mogelijkheidopenlaat tot vrijwillige aanvullende financiering door gemeenten. Dezeleden merken daarbij op dat een belangrijke aanleiding voor ditwetsvoorstel lijkt te zijn dat lokale media minder afhankelijk worden vangemeentelijke financiering. Zij vragen de regering of dat klopt en of zij, indat licht, met de leden van de VVD-fractie deelt dat het openlaten van deoptie tot aanvullende financiering door gemeenten haaks staat op dezeaanleiding. Deze leden vragen de regering daarom hoe dit zich verhoudttot het versterken van de onafhankelijkheid van lokale publieke omroepenen of de regering ziet dan wel onderkent dat hier een risico bestaat tothernieuwde relaties van afhankelijkheid. Deze leden vragen de regeringdan ook hoe dit wordt voorkomen.Het klopt dat het vergroten van de onafhankelijkheid van de lokalepublieke omroep één van de doelstellingen van dit wetsvoorstel is. Dat isde reden dat de taak voor de basisbekostiging verschuift van de gemeentenaar het Rijk. De mogelijkheid voor aanvullende gemeentelijke bekos-tiging wordt gecreëerd om recht te doen aan de thans bestaande situatie,waarin sommige gemeenten flink meer dan het richtsnoerbedragbijdragen aan de uitvoering van de publieke media-opdracht op lokaalniveau. Met de bij de wet gecreëerde mogelijkheid kan de gemeentebinnen de staatssteunregels van de Europese Unie alsnog bijdragen.Gemeenten worden gefaciliteerd met deze bepalingen. Het is uitdrukkelijkeen autonome keuze van gemeenteraden om al dan niet hiertoe tebesluiten.Een groter verzorgingsgebied dat is samengesteld uit meer dan ééngemeente faciliteert ook, naast de basisbekostiging door het Rijk, eenonafhankelijker positie van de lokale publieke omroep. Bovendien wordtin de wet geregeld dat gemeenteraden die hun lokale publieke omroepaanvullend willen bekostigen voorafgaand aan de aanwijzingsprocedureopenbaar maken hoeveel middelen er beschikbaar worden gesteldgedurende de gehele aanwijzingsperiode van vijf jaar. Het voorafbeschikbaar stellen van het bedrag ondersteunt ook de onafhankelijkheidvan de lokale publieke omroep ten opzichte van de gemeente. Het bedragwordt immers in beginsel beschikbaar gesteld voor de functie vanpublieke omroep en niet voor een specifieke instelling.Daarbovenop zien de leden van de VVD-fractie risico’s op mogelijkekwaliteitsverschillen tussen de diverse media als gevolg van eventueleaanvullende financiering. Maakt deze aanvullende financiering het risicoop kwaliteitsverschillen niet groter, zo vragen deze leden de regering teduiden.Met het pakket aan maatregelen van het wetsvoorstel wordt het mogelijkom in het hele land een journalistieke basis te leggen voor lokale publiekeomroepen. De aanvullende bekostigingsmogelijkheid voor gemeentenbiedt gemeenten (en lokale publieke omroepen) de mogelijkheid om tekomen tot een betere uitoefening van de publieke media-opdracht in hetbetreffende verzorgingsgebied. Daarmee wordt het gemiddelde niveau inNederland naar een hoger niveau getild, hetgeen de uitvoering van depublieke media-opdracht enkel versterkt.Daarbovenop vragen deze leden de regering hoe hier een gelijk speelveldwordt geborgd tussen commerciële en publieke lokale media.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 847 De regering is van mening dat commerciële lokale media een belangrijkefunctie vervullen in het lokale medialandschap. De lokale huis-aan-huiskranten, lokale nieuwswebsites en regionale dagbladen zijn ergbelangrijk voor het informeren van een groot publiek. De regering blijftzich inzetten voor een goede positie voor private lokale media, zoals in2024 aan de Kamer medegedeeld.68Dit wetsvoorstel heeft echter tot doel de lokale publieke omroep teversterken. De lokale publieke omroep wordt belast met de uitoefeningvan een publieke taak en is gebonden aan een strenger regime bijvoor-beeld ten aanzien van reclame of sponsoring dan geldt voor commerciëlelokale media.Wanneer is hier een DAEB-vrijstellingsbesluit van toepassing?Het DAEB-vrijstellingsbesluit maakt onder voorwaarden mogelijk datstaatsteun die wordt verleend als compensatie voor een DAEBverenigbaar is met de interne markt en vrijgesteld is van de aanmeldings-verplichting. Het vrijstellingsbesluit kan slechts worden toegepast indienaan enkele voorwaarden is voldaan, te weten:–De staatsteun mag niet meer dan 20 miljoen euro per jaar bedragen;69–De DAEB mag niet voor meer dan tien jaar worden verleend;70–De onderneming wordt met de DAEB belast door één of meerbesluiten, waarin de in artikel 4 van het vrijstellingsbesluit voorge-schreven informatie is opgenomen;71–Het compensatiebedrag mag niet hoger zijn dan nodig is voor dedekking van de uitvoering van de DAEB met inbegrip van de redelijkewinst;72–Er wordt gecontroleerd op overcompensatie en te veel betaaldecompensatie wordt terugbetaald aan de Staat;73–Er mag niet meer dan tien procent van de jaarlijkse compensatiegereserveerd worden.74Volgens de regering wordt met het wetsvoorstel voldaan aan boven-staande vereisten, waardoor het DAEB-vrijstellingsbesluit van toepassingis en de te verlenen staatssteun verenigbaar is met artikel 106, tweede lid,van het VWEU en er geen voorafgaande aanmeldingsplicht is op grondvan artikel 108, derde lid, van het VWEU.75Worden bepaalde voorwaarden verbonden aan aanvullende financieringdoor gemeenten? Deze leden vragen de regering dat nader toe te lichten.Ja. Het wetsvoorstel voorziet in een kader waarbinnen gemeenten hunlokale publieke omroep aanvullend kunnen bekostigen op een manier diein overeenstemming is met de staatssteunregels van de Europese Unie.Het gaat daarbij om aanvullende bekostiging van de publieke taak die eenlokale publieke omroep op basis van de systematiek van de Mediawet2008 is toebedeeld. Dit stelt eisen aan de subsidiebeschikkingen van degemeente, die niet in strijd met deze systematiek mogen zijn. Dat betekentbijvoorbeeld dat gemeenten bij het verlenen van de subsidie geen68Kamerstukken II 2024/25, 32 827, nr. 326.69In de memorie van toelichting bij de wet is uitgegaan van een oudere versie van hetDAEB-vrijstellingsbesluit. In deze nota wordt uitgegaan van de meest recente versie; Artikel 2,eerste lid, onderdeel a, van het DAEB-vrijstellingsbesluit.70Artikel 2, derde lid, van het DAEB-vrijstellingsbesluit.71Artikel 4 van het DAEB-vrijstellingsbesluit.72Artikel 5 van het DAEB-vrijstellingsbesluit.73Artikel 7 van het DAEB-vrijstellingsbesluit.74Artikel 7 van het DAEB-vrijstellingsbesluit.75Voor een nadere toelichting op de individuele voorwaarden wordt verwezen naar paragraaf3.1 van de memorie van toelichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 848 voorwaarden mogen opleggen die in strijd zijn met het bepaalde bij ofkrachtens de Mediawet 2008, het concessiebeleidsplan NLPO of hetaanwijzingsbesluit. Dat betekent ook dat gemeentelijke subsidie wordtopgenomen in de jaarlijkse begroting van de lokale publieke omroep, enwordt meegenomen in de verantwoordingscyclus bij het Commissariaat.Mede vanuit het oogpunt van het bieden van gelijke kansen moetengemeenten die aanvullend willen bekostigen voorafgaand aan de startvan de aanwijzingsprocedure bekend maken hoeveel middelen zijhiervoor beschikbaar stellen. Zo kunnen alle geïnteresseerden met dezeaanvullende middelen rekening houden. Het vooraf beschikbaar stellenvan het bedrag ondersteunt ook de onafhankelijkheid van de lokalepublieke omroep ten opzichte van de gemeente. Het bedrag wordt immersin beginsel beschikbaar gesteld voor de functie van publieke omroep enniet voor een specifieke instelling.4. Verhouding tot nationaal recht 4.2 Wet normering topinkomens De regering acht het onderbrengen van de lokale publieke omroepen ende NLPO onder de WNT76 dus noodzakelijk en passend. Dat zijn de ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie deels met de regering eens, maar dat perlokale publieke omroep een totaalbudget wordt bekostigd, sluit niet uit datbinnen zo’n budget nog meer geld verschuift naar de hogere salarissen,zoals wel vaker gebeurt zodra er een schaalvergroting plaatsvindt. Dezeleden zijn er huiverig voor dat zoiets ten koste gaat van de vergoedingenvoor de vrijwilligers. Zij vragen of voor lokale publieke omroepen geenlagere normering voor de topinkomens zou moeten gelden dan voor delandelijke publieke omroep.Met het wetsvoorstel wordt gestreefd naar consistentie in de bestuurlijk-juridische inrichting van het publieke mediabestel. Een inpassing in desystematiek van de Wet normering topinkomens, waarin ook de overigepublieke omroepen, de NPO en de RPO zijn ondergebracht, sluit daarbijaan.Meer concreet is de regering voornemens om de lokale publiekeomroepen en de NLPO via toevoeging aan bijlage 1 bij de WNT onder detoepassing van de Regeling normering topinkomens OCW-sectoren tebrengen, zodat zij – net als de landelijke en regionale publieke omroepennu al – moeten voldoen aan sectorspecifieke bezoldigingsnormen voor demedia-instellingen.77 Daarbij zullen lagere bezoldigingsmaxima geldendan het algemene maximum van de WNT.De regering kan nog niet vooruitlopen op de precieze bezoldigings-maxima die zullen gaan gelden voor de NLPO en lokale publiekeomroepen. Er wordt op dit moment in opdracht van het Ministerie vanOCW een onderzoek uitgevoerd naar de bezoldigingssystematiek voorbestuurders van de toekomstige lokale omroepen en de NLPO na destelselwijziging. Dit onderzoek moet de basis opleveren voor de concreteinpassing van de bezoldigingmaxima op het lokale niveau.De regering wenst dat alle lokale publieke omroepen onder de WNTworden gebracht, onafhankelijk van de vraag of zij aan het subsidiecri-terium van artikel 1.3, eerste lid, onderdeel c, van de WNT voldoen.76WNT: Wet normering topinkomens.77Artikel 2.6, eerste lid, van de WNT.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 849 Daarbij zullen lagere bezoldigingsmaxima gelden dan het algemeneWNT-maximum.5. Gevolgen De Raad van State stelt dat lokale publieke omroepen sterk geworteld zijnin de lokale gemeenschap en dat ze juist door hun kleine schaal en debetrokkenheid van vele vrijwilligers een nauwe band hebben met lokalemaatschappelijke en politieke thema’s. De leden van de CDA-fractie delende mening van de Raad van State en vragen zich af of de sterke toenamevan administratieve lasten voor lokale publieke omroepen juist hunbetrokkenheid en verbinding met lokale maatschappelijke thema’s in deweg zal staan. Ziet de regering ook het punt dat schaalvergrotingbetrokkenheid en lokale verbinding tenietdoet?De regering vindt de verbinding van de lokale publieke omroep met delokale gemeenschap essentieel. De betrokken inzet van vele vrijwilligersdraagt eraan bij dat media-aanbod wordt gemaakt dat aansluit bij debehoeften in het verzorgingsgebied. Schaalvergroting of administratievelasten mogen niet in de weg staan aan die lokale betrokkenheid. Tegelij-kertijd moet de regering vaststellen dat een sterke lokale binding weinigwaard is als de lokale publieke omroep eenvoudigweg niet de omvang enprofessionaliteit heeft om zijn publieke functies uit te kunnen oefenen.Daarom wordt met dit wetsvoorstel beoogd om de lokale omroepen teprofessionaliseren, zodat deze omroepen in het hele land kunnen voorzienin een journalistieke basis. De regering kiest voor professionalisering enschaalvergroting mét wettelijke waarborgen voor lokale binding. Om tebeginnen heeft de indeling in lokale verzorgingsgebieden een kwalitatievecomponent, waarin lokale binding terugkomt. Het verzorgingsgebiedmoet immers een kenbare identiteit hebben, of het gebied zijnwaarbinnen het algemene leefpatroon van de inwoners zich in belangrijkemate afspeelt. Ook wordt de verbinding met de lokale gemeenschaponderdeel van de criteria voor aanwijzing als lokale publieke omroep. Degemeenteraad of -raden krijgen hierover een adviesrol. Daarnaast ziet deregering dat meer professionaliteit ook mogelijkheden biedt voor beterebegeleiding en inzet van vrijwilligers.Wat betreft de administratieve lasten wijst de regering erop dat de NLPO,als wettelijk samenwerkings- en coördinatieorgaan, de wettelijke taakheeft de doelmatige inzet van gelden te bevorderen en om zaken tebehartigen die van gemeenschappelijk belang zijn. Dit zal naarverwachting ook de administratieve lasten drukken bij lokale omroepen.de lokale publieke omroepen kan helpen bij allerhande administratieveaangelegenheden, bijvoorbeeld door het aanbieden van collectievedienstverlening.5.1 Gevolgen voor de regeldruk De leden van de D66-fractie lezen dat de wijziging van de aanwijzingspro-cedure zal leiden tot verzwaring van de regeldruk voor kandidaat-omroepen omdat zij in vergelijking met de huidige procedure in meerinformatie moeten voorzien en aan meer criteria moeten voldoen. Daartoevragen de leden van de D66-fractie op welke wijze geborgd wordt dat dezeverzwaarde regeldruk kandidaat-omroepen er niet van weerhoudt om deaanvraag te doen of te voltooien.De regering erkent dat de aanwijzingsprocedure meer informatie vraagtvan kandidaat-omroepen dan volgens het wettelijk regime dat nu vankracht is. De aanwijzingscriteria zijn immers verscherpt. Overigens wordteen deel van de criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen nu alTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 850 gebruikt in de beleidsregel over de aanwijzing als lokale publiekemedia-instelling van het Commissariaat. De voorgestelde wettelijkregeling biedt daarom meer transparantie over wat wordt gevraagd,omdat dat straks allemaal uit het wettelijke regime blijkt. Daarbij meent deregering dat de vereisten zijn gericht op informatie die een serieuzekandidaat in het kader van de professionele uitvoering van de publieketaak als lokale publieke omroep hoe dan ook moet kunnen aanleveren:notarieel vastgelegde statuten, een pbo-ledenlijst, een beleidsplan en eenbegroting. De regering verwacht al met al niet dat bovenstaandeorganisaties zal weerhouden om een aanvraag in te dienen in deaanwijzingsprocedure.5.2 Gevolgen voor gemeenten Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de regering inhaar reactie op de Raad van State uitdrukkelijk stelt dat het wetsvoorsteler niet van uitgaat dat gemeenten ook na 2028 aanvullend blijvenbijdragen. Het betreft slechts een mogelijkheid die het wetsvoorstelopenlaat. Hoe voorkomt de regering dan dat streken die nu mede op zulkebijdragen steunen na de stelselwijziging alsnog financieel verderterugvallen?Gemeenten zorgen op dit moment op meerdere plekken voor aanvullendeondersteuning voor hun lokale publieke omroepen. Soms door ervoor tekiezen om meer te bekostigen dan het zogeheten richtsnoerbedrag, somsdoor lokale publieke omroepen met aanvullende subsidies te helpen bij detransitie naar het nieuwe stelsel. De regering vindt dat zeer waardevol;gemeenten tonen daarmee betrokkenheid bij hun lokale publieke omroepen vervullen zo een waardevolle rol bij de stelselherziening.De regering acht het dan ook van belang dat gemeenten ook in hetnieuwe stelsel aanvullend kunnen blijven bekostigen, indien zij dat willen.Daarom behouden zij in het nieuwe stelsel op een laagdrempelige manierde mogelijkheid om financieel aanvullend bij te dragen aan hun lokaleomroep. Zo blijft er vanaf 2028 ruimte voor maatwerk, en kunnengemeenten blijven inspelen op lokale omstandigheden en wensen, bovenop de solide basis die er straks vanuit het Rijk ligt.Bovendien blijft de regering de komende tijd in nauw overleg met de VNGen individuele gemeenten over de overgang naar het nieuwe stelsel, en inhet bijzonder de rol die gemeenten kunnen blijven spelen vanaf 2028.Hoe voorkomt de regering dat streken met nu al opgebouwde journalis-tieke capaciteit vanaf 2028 juist moeten afschalen, terwijl de regering juistbeoogt deze te versterken?De inzet van de middelen voor journalistieke capaciteitsopbouw isbelangrijk geweest voor de professionalisering van de lokale publiekeomroepen. In de nieuwe situatie is er sprake van nieuwe aanwijzingen alslokale publieke omroep en mogelijk nieuwe organisaties. Ook is het zo datin de nieuwe situatie de beschikbare middelen volgens een bij algemenemaatregel van bestuur geregelde verdeelsleutel worden verdeeld. Dit kanleiden tot andere uitkomsten dan het geval was met de beschikbaremiddelen van het SvdJ.Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekom-stige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidigebedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kantteke-ningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebbeneen tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Dat geldt mogelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 851 ook voor aanvullende tijdelijke subsidies die lokale omroepen vangemeenten ontvangen in de periode richting 2028. Deze middelen zijnbedoeld om lokale omroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast teondersteunen bij hun professionalisering. Deze regeling van het SvdJstopt met de start van het nieuwe stelsel; vanaf dat moment worden debijbehorende middelen structureel verdeeld volgens de voorgesteldeverdeelsleutel. Met andere woorden: deze middelen die in de jaren 2026en 2027 nog tijdelijk ingezet worden via het SvdJ komen uit dezelfde bronals de structurele middelen die per 2028 volgens de verdeelsleutelverdeeld worden.Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om instructurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbe-kostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het isdaarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurelebekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelenvoor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedragdat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit hetRijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggings-middelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in eendergelijke vergelijkingDe regering concludeert dat «alles bij elkaar» de gemeentelijke taak wordtverduidelijkt en vereenvoudigd». De leden van de CDA-fractie denken dathet gevolg van dit wetsvoorstel ook kan zijn dat gemeenten en daarmeeook de inwoners op grotere afstand van de lokale publieke omroep komente staan. Ziet de regering dit als een mogelijk gevolg van de invoering vandeze wet of juist niet? En waarom dan niet?De regering onderschrijft het belang van de lokale omroepen die ook inhet nieuwe stelsel stevig verbonden zijn met hun lokale omgeving. Dat isen blijft de onderscheidende kracht van lokale omroepen. De regering isvan mening dat juist door de schaalvergroting er in heel Nederlandprofessionele redacties komen die fysiek en inhoudelijk aanwezig kunnenzijn in de verschillende gemeenten binnen het verzorgingsgebied. Eenstevige verankering in het verzorgingsgebied is immers alleen mogelijkals de lokale publieke omroep beschikt over voldoende (journalistieke)slagkracht. Door aanwezig te zijn bij raadsvergaderingen, sportevene-menten of streekeigen gebeurtenissen, bouwt een omroep aan verbindingmet de omgeving.Het pbo blijft het wettelijk verplichte instrument dat de verankering in desamenleving borgt. Dit orgaan moet een afspiegeling zijn van debelangrijkste maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijkestromingen binnen het gehele verzorgingsgebied. Dit dwingt de lokalepublieke omroep tot een actieve dialoog met alle relevante lokalegeledingen.De regering meent dat een professionele lokale publieke omroep devrijwillige inzet binnen haar organisatie nog beter kan faciliteren enondersteunen. Juist de combinatie van professionele redactievoering ende lokale kennis van vrijwilligers in dorpen en wijken versterkt deverankering.Het wetsvoorstel stelt daarnaast de verplichting aan kandidaat-omroepenom in het beleidsplan in te gaan op de voorgenomen geografische ensociaal-culturele verscheidenheid, zichtbaarheid en vindbaarheid van hetaanbod en de inzet van vrijwilligers en lokale partners. Gemeenteradenadviseren over deze eisen, evenals over het pbo, in het kader van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 852 aanwijzingsprocedure, waardoor ook kan worden ingestaan voorrepresentativiteit en lokale inbedding.6. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid 6.1 NLPO De Stichting NLPO wil, om een zorgvuldige «ingroei» in het nieuwe bestelte kunnen realiseren, blijven werken aan het opbouwen van aanvullendecapaciteit en het begeleiden van lokale publieke omroepen met uiteenlo-pende uitgangsposities. Kan de regering wat meer toelichting geven overde uiteenlopende uitgangsposities van de lokale publieke omroepen?Waar moeten de leden van de CDA-fractie aan denken?De verschillen in de huidige uitgangspositie hebben vooral te maken metde schaal en financiële basis waarop lokale publieke omroepen deafgelopen jaren hebben kunnen werken. De inzet van de NLPO en deprofessionaliseringssubsidie van het SvdJ hebben weliswaar bijgedragenaan het verminderen van de verschillen, maar deze nog niet volledigkunnen wegnemen. Zo bedienen sommige lokale publieke omroepen nueen grotere gemeente of meerdere gemeenten en beschikken zij daardoorover meer middelen en een grotere organisatorische capaciteit. Anderelokale publieke omroepen werken met een veel kleinere financiële basisen zijn sterker afhankelijk van vrijwilligers. Ook de bestuurlijke enorganisatorische continuïteit verschilt per omroep. In sommige verzor-gingsgebieden is sprake geweest van wisselingen van de aangewezenomroep of van minder stabiele samenwerking tussen lokale publiekeomroepen. Dat werkt door in de mate waarin bestuurlijke, zakelijke enjournalistieke capaciteit is opgebouwd voor de voorziene start van hetnieuwe stelsel.De Stichting NLPO heeft in de uitvoeringstoets een inschatting van dekosten gemaakt in verband met de extra taken. De hoogte van dezebekostiging is echter ook afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden invoorgenomen aanpassingen in lagere regelgeving die uit dit wetsvoorstelvolgen. Wat bedoelt de regering precies? En is dit duidelijk bij de plenairebehandeling van dit wetsvoorstel?De NLPO geeft in zijn uitvoeringstoets aan dat de uitvoerbaarheid enhandhaafbaarheid van de bepalingen over de financiële verantwoordingafhankelijk zijn van de uitwerking van deze bepalingen bij ministeriëleregeling. Inmiddels is dit zogenoemde handboek financiële verant-woording in concept gereed en is naar aanleiding daarvan het gesprekover de uitvoeringskosten van de NLPO gevoerd. Voor de structurele extrauitvoeringslasten van de NLPO is op basis van de meest recente ramingenvan de NLPO vanaf 2028 jaarlijks € 2,7 miljoen gereserveerd.De leden van de BBB-fractie erkennen dat het pbo een formeel stevigepositie krijgt en dat er instrumenten zijn zoals zelfevaluaties en toezichtdoor het Commissariaat. Tegelijkertijd constateren deze leden dat veel vandeze instrumenten een zwaar of indirect karakter hebben (zoals hetintrekken van een aanwijzing), en vragen zij zich af hoe effectief tussen-tijds kan worden bijgestuurd. Zij hebben daarom de volgende vragen.Welke concrete, lichtere interventiemogelijkheden zijn er wanneer het pboof andere betrokkenen signaleren dat de lokale zichtbaarheid binnen eenverzorgingsgebied onder druk staat?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 853 Indien het pbo signaleert dat de lokale zichtbaarheid onder druk staat, kanhet pbo het bestuur van de omroep aansporen om het programmabeleidtussentijds aan te passen. Lokale publieke omroepen voeren in het tweedejaar van hun aanwijzing bovendien een zelfevaluatie uit. Daarmee toetsende omroepen hoe zij uitvoering hebben gegeven aan de publiekemediaopdracht op lokaal niveau, zoals beschreven in hun beleidsplannen.In de evaluaties kan uitdrukkelijk worden ingegaan op de lokale zicht-baarheid, bijvoorbeeld wanneer hiertoe signalen zijn ontvangen vanuit hetpbo of andere betrokkenen.De lokale publieke omroepen rapporteren de zelfevaluaties aan de NLPO,die als daar aanleiding voor is een nadere, onafhankelijke evaluatie kanlaten verrichten. De regering ziet de getrapte evaluatie als een functioneelinstrument omdat de eigen verantwoordelijkheid van de omroepen wordtbenut en er recht wordt gedaan aan de coördinerende taak van de NLPO.Hoe wordt geborgd dat signalen uit zelfevaluaties daadwerkelijk leiden totaanpassing in beleid of uitvoering en niet slechts onderdeel worden vanverantwoording achteraf?Signalen uit zelfevaluaties kunnen worden vertaald in concrete verbeter-punten en maatregelen voor de omroep. Daarbij kan het gaan omaanpassingen in de programmering, de journalistieke werkwijze, desamenwerking binnen het verzorgingsgebied, de governance, definanciële organisatie of de wijze waarop verschillende gemeenten,kernen en doelgroepen worden bediend.De opvolging daarvan komt terug in de reguliere planning, uitvoering enverantwoording van de omroep, zodat zichtbaar wordt welke signalen zijnopgepakt en tot welke aanpassingen dit heeft geleid. Ook de NLPO kanhierin een rol vervullen. Zij kan signalen uit zelfevaluaties benutten bijbegeleiding, kennisdeling, handreikingen, opleidingen en de inzet vankwartiermakers of coaches. Ook kunnen signalen uit zelfevaluatiesaanleiding vormen voor de NLPO om een onafhankelijke evaluatie te latenverrichten, waaruit concrete aanbevelingen volgen ten behoeve van deuitvoering van de publieke mediaopdracht.Daarnaast kan de NLPO terugkerende patronen en knelpunten opsectorniveau signaleren en escaleren richting Commissariaat, dat beschiktover een interventievormen die voorafgaan aan formele instrumentenzoals het opleggen van boetes of het intrekken van de aanwijzing.In hoeverre acht de regering het wenselijk dat er aanvullende instru-menten komen om gedurende de aanwijzingsperiode bij te sturen zonderdirect naar zware middelen zoals intrekking van de aanwijzing te hoevengrijpen? Deelt de regering de zorg dat de voorgestelde waarborgen vooralvooraf (bij aanwijzing) en achteraf (via toezicht en evaluatie) aangrijpenmaar beperkt voorzien in sturing tijdens de uitvoering? Zo ja, hoe wordtdit ondervangen?De regering acht de voorgestelde waarborgen toereikend. Immers biedende tussentijdse evaluaties mogelijkheden voor de lokale publiekeomroepen om ook gedurende de uitvoering van de publieke mediaop-dracht bij te sturen, bijvoorbeeld naar aanleiding van signalen vanuit hetpbo of andere betrokkenen. De regering acht het gezien bovenstaande enhet belang van autonomie bij de lokale publieke omroepen niet passendof wenselijk om verdere sturingsmogelijkheden te creëren die ingezetkunnen worden tijdens de uitvoering van de publieke media-opdrachtdoor omroepen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 854 6.2 Commissariaat voor de Media Het Commissariaat heeft een uitvoeringtoets gemaakt en stelt ook debekostiging ter discussie. Ook hier stelt de regering dat die in hoge mateafhankelijk is van de keuzes die gemaakt worden in voorgenomenaanpassingen van de lagere regelgeving die uit dit wetsvoorstel volgen.De leden van de CDA-fractie vragen of dit duidelijk is bij de plenairebehandeling van dit wetsvoorstel.Het Commissariaat geeft in zijn uitvoeringstoets aan dat de uitvoer-baarheid en handhaafbaarheid van de bepalingen over de financiëleverantwoording afhankelijk zijn van de uitwerking van deze bepalingen bijministeriële regeling (het zogenoemde «financieel handboek»). Deregering heeft dit onderschreven in haar reactie op de uitvoeringstoets.Inmiddels is het financieel handboek in concept gereed, en is naaraanleiding daarvan het gesprek over de uitvoeringskosten van hetCommissariaat opnieuw opgestart. Op basis van die gesprekken wordtvoor de structurele extra uitvoeringslasten voor het Commissariaat opbasis van de huidige ramingen van het Commissariaat vanaf 2028 jaarlijks€ 0,8 miljoen gereserveerd.Het Commissariaat wil meer duidelijkheid in de wetgeving voor gevallenwaarin geen aanvragen worden ingediend voor een lokaal verzorgings-gebied of er geen aanvragers zijn die aan de vereisten voldoen. HetCommissariaat acht het daarbij wenselijk om voor deze gevallen een«vangnetbepaling» op te nemen. De regering acht dit niet nodig. Kan deregering schetsen hoe het in praktijk zal werken als er geen aanvragenvoor een lokaal verzorgingsgebied zijn?De regering meent dat het wetsvoorstel voorziet in criteria vooraanwijzing en in gronden voor afwijzing, en daarnaast het Commissariaatvoldoende discretionaire ruimte biedt om de gevallen die zich kunnenvoordoen te adresseren. Als er geen aanvraag wordt ingediend voor eenaanwijzing in een lokaal verzorgingsgebied, zal de situatie zich voordoendat er in dat gebied gedurende een aanwijsperiode van vijf jaar geenlokale publieke omroep actief zal zijn. Aanwijzing geschiedt namelijk opaanvraag (voorgesteld artikel 2.87k, eerste lid). De regering verwachtechter dat die kans zeer klein is, gezien het feit dat in vrijwel alle voorge-nomen lokale verzorgingsgebieden al een omroep bezig is met professio-nalisering dankzij de SvdJ-subsidie.De Algemene Rekenkamer benadrukt het belang van duidelijke toezicht-regels voor lokale publieke omroepen. Zij wil hierover met het Commissa-riaat in overleg, rekening houdend met diens zelfstandigheid en deautonomie van omroepen. De uitvoeringstoets van het Commissariaatvormt hiervoor een goed vertrekpunt. Kan de regering toelichten welktoezicht zij passend acht voor de lokale publieke omroepen en aan welkecriteria dit moet voldoen?Toezicht moet in algemene zin proportioneel en risicogericht zijn. In hetkader van mediatoezicht is ook onafhankelijkheid essentieel: het gaathierbij om de onafhankelijkheid van de toezichthouder om zijn toezicht inte richten en uit te voeren, alsmede om de onafhankelijkheid van de lokalepublieke omroepen in het maken van redactionele keuzes.Als het gaat om de gevolgen van het wetsvoorstel voor het toezicht vanhet Commissariaat, constateert de regering het volgende. Het toezicht vanhet Commissariaat strekt zich op grond van de huidige wet al uit over delokale publieke omroepen. Zo gelden de voorschriften van de Mediawet2008 die zich in algemene zin richten tot publieke omroepen ook voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 855 lokale publieke omroepen. Het gaat dan bijvoorbeeld over de publiekemediaopdracht en bepalingen over reclame. Het toezicht dat het Commis-sariaat al heeft, blijft.Nieuw is dat de NLPO onder het toezicht van het Commissariaat komt tevallen. Daarnaast wordt het toezicht op de lokale publieke omroepenverbreed. Zo wordt het Commissariaat wordt belast met de rechtmatig-heidstoetsing van de uitgaven van de NLPO en de lokale publiekeomroepen. Daartoe worden de NLPO en de omroepen verplicht hunjaarrekening aan het Commissariaat te zenden. Voor de lokale publiekeomroepen gaan bovendien bepalingen over bedrijfsprocessen enadministratie gelden.De regering is van mening dat de primaire taak tot het vormgeven vaneen zogeheten toezichtsarrangement belegd hoort te zijn bij de onafhan-kelijke toezichthouder, namelijk het Commissariaat. Wel is de regeringvoornemens om, met inachtneming van ieders rollen en verantwoordelijk-heden, met het Commissariaat en de NLPO in gesprek te gaan en teblijven over een adequaat toezichtsarrangement.De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de aanbevelingvan het Commissariaat niet overneemt om de bestaande ICE-normzodanig te wijzigen dat deze ook voor radio goed toepasbaar is. Alsgevolg daarvan verdwijnt een inhoudelijke richtinggevende normhelemaal uit de wettelijke opdracht van de regionale en lokale omroepen,terwijl een dergelijk kader wel geldt ten aanzien van de landelijke publiekeomroep (art. 2.1). Deze keuze komt niet consistent over en lijkt ook nietwenselijk vanuit het waarborgen van de regionale en lokale publiekemedia-opdracht. Deze leden vragen een nadere onderbouwing van dezeafwijkende keuze.De regering heeft er in het wetsvoorstel voor gekozen om de huidige«ICE-norm» aan te passen. De huidige Mediawet 2008 bevat een kwalita-tieve norm voor het media-aanbod van regionale en lokale publiekeomroepen.78 Deze norm houdt in dat per programmakanaal het aanbodvoor ten minste de helft van de duur bestaat uit aanbod van informatieve,culturele en educatieve aard (ICE), dat in het bijzonder betrekking heeft ophet verzorgingsgebied waarvoor het aanbod is bestemd. Bovendien moetvijftig procent van dit aanbod door de regionale of lokale publieke omroepzelf of uitsluitend in zijn opdracht zijn geproduceerd. Deze norm voor ICEvormt een nadere invulling van de publieke mediaopdracht uit artikel 2.1van de Mediawet 2008 voor het lokale niveau. Ook daarin is alopgenomen dat het aanbod van een publieke omroep informatie, cultuuren educatie moet bevatten. In zoverre is de ICE-norm in feite eendubbeling. Het wetsvoorstel bevat ook andere sturende elementen voordie invulling. In het bijzonder is dit het concessiebeleidsplan NLPO, waarinde NLPO moet beschrijven hoe de publieke mediaopdracht op lokaalniveau voor de komende vijf jaar wordt uitgevoerd. Blijvend relevanteelementen uit de norm zijn een minimumpercentage (van vijftig procent)voor aanbod dat in het bijzonder betrekking heeft op het verzorgings-gebied en een minimumpercentage (van vijftig procent) voor aanbod datdoor de omroep zelf of uitsluitend in zijn opdracht is geproduceerd. Deminimumpercentages ondersteunen het publieke karakter van hetaanbod. Deze vereisten keren terug in de nieuwe bepaling.7978Artikel 2.70 van de Mediawet 2008.79Zie het voorgestelde artikel 2.87x.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 856 6.3 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat de financiering van de lokale publiekeomroep losstaat van de inhoudelijke keuzes. De regering verwacht dat deomroep hierdoor meer betrokken raakt bij de gemeente en lokalegemeenschap. De leden van de CDA-fractie vragen zich af waarop dezeverwachting is gebaseerd en hoe de regering wil toetsen of hetwetsvoorstel daadwerkelijk tot een sterke en relevante lokale publiekeomroep leidt.De regering is van mening dat er meer ruimte komt voor een kritische,onafhankelijke rol van de lokale publieke omroep als de financiëleafhankelijkheid van het lokale bestuur beperkt is. Dat volgt op de oorzakenvoor de zorgelijke staat van de lokale publieke omroepen die de ROB ende RvC in hun adviezen hebben genoemd. Zij concludeerden dat de wijzevan financiering ervoor zorgt dat lokale publieke omroepen financieelafhankelijk zijn van de gemeenten waarover zij moeten berichten en die zijvanuit hun journalistieke opdracht moeten controleren. Met ditwetsvoorstel wordt daarbij ook schaalvergroting en professionalisering,alsmede coördinatie door de NLPO bereikt.Of dat pakket aan maatregelen op termijn leidt tot sterke en relevantelokale publieke omroepen wordt getoetst via de wetsevaluatie die binnenzeven jaar na inwerkingtreding van de wet de doeltreffendheid en deeffecten van de wet in de praktijk in kaart brengt. Daarnaast biedt dedriejaarlijkse evaluatie van het Commissariaat inzicht in de bekostiging enfinanciële gezondheid van lokale publieke omroepen. Volgens ditwetsvoorstel blijft het Commissariaat deze – bestaande – driejaarlijkseevaluatie uitvoeren. Om een beeld te krijgen van bereik en waardering vande lokale publieke omroepen, kan gebruik worden gemaakt van bereikson-derzoek van de NLPO of lokale publieke omroepen. Ook de zelfevaluatiesvan lokale omroepen en de coördinerende rol van de NLPO levereninformatie op.7. Financiële gevolgen Het totaalbedrag dat straks naar de lokale publieke omroepen gaat, zou inhet nieuwe stelsel hoger uitvallen dan nu het geval is, maar lager dan hetbedrag dat de ROB en de RvC in 2020 adviseerden. Met € 15 miljoen extrazou volledig kunnen worden voldaan aan het advies van beide advies-raden. De Kamer heeft met steun van de GroenLinks-PvdA-fractie deregering verzocht om te voorkómen dat lokale omroepen vanaf 2028minder ontvangen dan nu het geval is.80 De Kamer acht zich ook nietgebonden aan het voorgenomen financieel kader van het coalitieakkoordAan de slag. Bouwen aan een beter Nederland.81 De Kamer biedt deregering dus wel degelijk mogelijkheden om aan haar wens tegemoet tekomen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering de€ 50 miljoen die de Kamer heeft bevochten voor de landelijke publiekeomroep om het amendement Bontenbal c.s.82 ongedaan te maken, nuongemoeid laat.Zoals is aangegeven in de beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie vanOCW wordt uit de extra middelen voor media uit het coalitieakkoord debezuiniging op de rijksmediabijdrage van de landelijke publieke omroepdeels teruggedraaid met structureel € 45 miljoen vanaf 2027.83 De80Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 67.81Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 34.82Kamerstukken II 2024/25, 36 600-VIII, nr. 141.83Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 148.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 857 verruiming van de reclamemogelijkheden van de publieke omroep die hetvorige kabinet heeft aangekondigd als reactie op het amendementBontenbal, wordt ook teruggedraaid. Uit de overige extra middelen voormedia investeert het kabinet vanaf 2027 € 3,4 miljoen per jaar in de lokalepublieke omroepen, bovenop de reeds beschikbare € 31 miljoen. Tot slotstelt het kabinet vanuit de extra middelen voor media uit het coalitieak-koord € 1 miljoen per jaar beschikbaar voor een programma waarmeewordt ingezet op de versterking van journalistieke vrijheid, persveiligheiden de trajecten die worden gestart in navolging van het WRR-rapport.De Stichting NLPO weet de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie voor terekenen dat lokale omroepen er juist vanaf 2028 circa € 5 miljoen opachteruitgaan, zodra men rekening houdt met de tijdelijke overbruggings-middelen van het SvdJ en de extra uitvoeringslasten van de NLPO.84 Kande regering specificeren welke streken er in de praktijk financieel opachteruitgaan ten opzichte van het huidige feitelijke niveau van bekos-tiging inclusief de middelen van het SvdJ, nog afgezien van eventueleaanvullende gemeentelijke bijdragen die in sommige streken nu ook deeluitmaken van de feitelijke financieringsbasis?Het is begrijpelijk dat de lokale omroepen de uitkomsten van de toekom-stige verdeelsleutel vergelijken met de middelen die zij in hun huidigebedrijfsvoering beschikbaar hebben. Echter is er een aantal kantteke-ningen te plaatsen bij deze berekening. De middelen van het SvdJ hebbeneen tijdelijk karakter voor de lokale publieke omroepen. Deze middelenhebben het karakter van een transitiesubsidie en zijn bedoeld om lokaleomroepen in aanloop naar het nieuwe stelsel alvast te ondersteunen bijhun professionalisering. Deze regeling stopt met de start van het nieuwestelsel; vanaf dat moment worden de bijbehorende middelen structureelverdeeld volgens de voorgestelde verdeelsleutel. Met andere woorden:deze middelen die in de jaren 2023, 2024, 2025, 2026 en 2027 nog tijdelijkingezet worden via het SvdJ zijn van dezelfde omvang en komen uitdezelfde bron als de structurele middelen die per 2028 volgens deverdeelsleutel verdeeld worden.Het wetsvoorstel zet tijdelijke ondersteuning niet één-op-één om instructurele aanspraken per gebied, maar creëert een structurele basisbe-kostiging met jaarlijkse indexatie en vijfjarige voorspelbaarheid. Het isdaarmee niet uit te sluiten dat de huidige optelsom van de structurelebekostiging door gemeenten en eventuele aanvullende tijdelijke middelenvoor een lokale publieke omroep hoger uitvalt dan het structurele bedragdat per 2028 in een lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit hetRijk. De regering acht het echter niet passend om tijdelijke overbruggings-middelen zonder meer als structurele nullijn te behandelen in eendergelijke vergelijking.De regering heeft inderdaad berekeningen gemaakt aan de hand van deverdeelsleutel en zal de uitkomsten zo snel mogelijk, op basis van demomenteel bekende cijfers uit CBS-bronnen, met de Kamer delen. In eenlatere officiële publicatie voorafgaand aan de openstelling van deaanwijzingsprocedure zal het percentage bekend worden waar de lokalepublieke omroepen aanspraak op kunnen maken.De regering kiest er niet voor om tijdelijke middelen onderdeel te latenzijn van deze berekening. De regering kiest er voor om te vergelijken metde structurele bekostiging vanuit de gemeenten. Op basis van de meestrecente cijfers van het Commissariaat bedroeg de totale gemeentelijke84Stichting NLPO, 24 april 2026, position paper (https://www.nlpo.nl/wp-content/uploads/2026/04/Position-paper-NLPO-versterking-lokale-publieke-omroepen.pdf).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 858 bekostiging van lokale publieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.85 Datbetekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuit hetRijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostiging vanuitde gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van het Commissa-riaat uit 2024.Klopt het beeld dat, uitgaande van de Mediabegrotingsbrief 2026 en eenNederlandse bevolking van circa 18,1 miljoen inwoners, de publiekebekostiging neerkomt op ongeveer € 55,70 per inwoner voor de landelijkepublieke omroep, € 10,90 per inwoner voor de 13 regionale publiekeomroepen en – uitgaande van het in het wetsvoorstel voorziene totaal-budget van circa € 31 miljoen – slechts € 1,70 per inwoner voor de lokalepublieke omroep? Zo ja, welke overwegingen liggen ten grondslag aandeze verhouding binnen het publieke omroepbestel, juist nu van de lokalepublieke omroep wordt verwacht dat zij in tachtig streken een structurele,professionele en onafhankelijke nieuwsvoorziening dicht bij de burgerorganiseert?In grote lijnen klopt deze berekening, hoewel de regering eraan hecht tevermelden dat de rijksmediabijdrage voor de landelijke publieke omroeplager uitvalt. In dit rekenvoorbeeld zijn namelijk de Ster-inkomstenmeegeteld als publieke bekostiging. Indien enkel de rijksmediabijdragewordt meegeteld, komt de bekostiging voor de landelijke publieke omroepuit op ongeveer € 46,15 per inwoner, een verschil van ongeveer € 150miljoen.De regering erkent dat de lokale publieke laag een belangrijke democra-tische taak vervult. Het lokale budget wordt structureel verhoogd en wordtde basisbekostiging gekoppeld aan schaalvergroting en vijfjarigevoorspelbaarheid. De verhouding tussen de lagen en de hoogte van debekostiging voor de lagen is in de loop van de tijd zo gegroeid. Deregering is in de memorie van toelichting ingegaan op de geschiedenisvan de bekostiging van de lokale publieke omroep (zie paragraaf 2.2 vande toelichting).8. Evaluatie De leden van de VVD-fractie hechten aan een goede evaluatie van dedoeltreffendheid van wetgeving. Deze leden vragen welke concreteindicatoren de regering hanteert om het succes en de effectiviteit van dezewetswijziging te monitoren en te evalueren.Het wetsvoorstel bevat een algemene evaluatiebepaling, het voorgesteldeartikel 9.14i. In ieder geval wil de regering de volgende elementenbetrekken: (1) de financiële gezondheid van de lokale publieke omroepen,(2) het bereik en de waardering van de lokale publieke omroepen en (3) derol die de lokale publieke omroepen spelen in de hoeveelheid en het typelokaal nieuws in Nederlandse gemeenten.Ten aanzien van het eerste onderdeel: financiële gezondheid is eenduidelijke indicator. Het Commissariaat doet hier momenteel al onderzoeknaar en er zal in de nieuwe situatie een taak voor het Commissariaatblijven bestaan op dit punt. Hiermee wordt het mogelijk de financiëlegezondheid inzichtelijk te maken. Voor het tweede onderdeel kan wordenaangesloten bij bereiksonderzoek van de NLPO of van de lokale omroepenzelf. Voor het derde onderdeel wordt verwezen naar een nieuw op tezetten onderzoek van het SvdJ en het Commissariaat naar aanbod,85Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024van het Commissariaat, nog te publiceren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 859 verspreiding en kwaliteit van lokaal nieuws. Dit onderzoek zal ookbetrekking hebben op private partijen, waardoor het medialandschapintegraal bezien wordt.Het wetsvoorstel voorziet in een evaluatie binnen zeven jaar na inwerking-treding van de wet. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebbenbehoefte aan een toelichting op deze lange termijn. Welke overwegingenliggen hieraan ten grondslag Zou een termijn van drie tot vier jaar nieteerder voor de hand liggen mede in het licht van de zittingstermijn van degemeenteraden?De termijn van zeven jaar is gekozen omdat na inwerkingtreding van denieuwe wet eerst een overgangsperiode van ongeveer één tot anderhalfjaar nodig is ter voorbereiding van de start van het nieuwe bestel. In dezeperiode worden bijvoorbeeld de aanwijzingsprocedures voor de nieuwelokale publieke omroepen gevoerd. Pas na de overgangsperiode begint deeerste vijfjarige concessiebeleidsplan- en aanwijzingsperiode. Eenevaluatie na zeven jaar maakt het mogelijk het nieuwe stelsel over eenvolledige eerste periode te beoordelen. Een evaluatie na drie of vier jaarzou vooral de overgang en aanloop meten en in mindere mate de werkingvan het stelsel.9. Advies en consultatie De Raad van State had geadviseerd om het wetsvoorstel niet in te dienen,tenzij het werd aangepast. Onder meer betrof het advies het maximumvan tachtig omroepgebieden, waarvan de Raad van State adviseerde ditmaximum niet vast te leggen in de wet, in verband met de mogelijkheiddat een gebied te groot zou blijken of onvoldoende een eigen geogra-fische, economische en sociaal-culturele identiteit zou hebben. Dit heeftechter niet geleid tot aanpassingen in het wetsvoorstel. Kan de regeringnader toelichten waarom een wezenlijke schaalvergroting en stabieleindeling in verzorgingsgebieden zou staan of vallen precies bij tachtiglokale publieke omroepen, zo vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.Het maximum van tachtig is het resultaat van een meerjarig opschalings-proces uit de sector zelf, waarbij gemaakte keuzes zijn onderbouwd aande hand van criteria die in het wetsvoorstel zijn opgenomen. Wanneervoor een groter aantal verzorgingsgebieden gekozen zou worden, gaat ditten koste van het beschikbare bedrag per omroep en daarmee demogelijkheden voor professionalisering. Fluctuaties in het aantalverzorgingsgebieden zorgen direct voor fluctuaties in de budgetten endaarmee minder financiële stabiliteit voor de omroepen. Er is daaromvoor gekozen om het aantal omroepen op maximaal tachtig vast teleggen.9.2 Autoriteit Persoonsgegevens De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van hetadvies van de tijdelijke commissie grondrechten en constitutioneletoetsing86 en vragen de regering om, zoals de tijdelijke commissie inoverweging heeft gegeven, de noodzaak toe te lichten van het verwerkenvan gegevens over vakbondslidmaatschap en gezondheid voor hetborgen van de representativiteit van het pbo.86Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 860 Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens over vakbondslidmaat-schap en gezondheid ten behoeve van de representativiteit van het pbozal niet voor elk verzorgingsgebied noodzakelijk zijn. Echter, denkbaar isdat het in bepaalde verzorgingsgebieden wenselijk zal zijn dat vertegen-woordigers van een vakbond of een belangenorganisatie in het kader vangezondheid zitting nemen in het pbo. Daarbij kan gedacht worden aanverzorgingsgebieden waar specifieke vormen van industrie een grote rolspelen in het maatschappelijke leven en de werkgelegenheid. In dat gevalkan het wellicht wenselijk zijn om de betreffende inwoners door middelvan een vakbondsvertegenwoordiger te vertegenwoordigen in het pbo.Wat betreft gezondheid spelen belangenorganisaties een belangrijke rolbij het toegankelijk maken van lokale faciliteiten en voorzieningen, zoalslokale media, voor personen met een handicap of chronische ziekte.Vertegenwoordiging van deze inwoners in het pbo kan daarom wenselijkzijn.Indien een vakbondslid uit hoofde van dat lidmaatschap zitting heeft inhet pbo betekent dat dat in het kader van de aanwijzingsprocedurebijzondere persoonsgegevens, namelijk gegevens over vakbondslidmaat-schap zullen worden verwerkt door het Commissariaat en de gemeen-teraad of -raden. In geval een vertegenwoordiger van een belangenorga-nisatie voor personen met een handicap of chronische ziekte zitting heeftin het pbo kan daarbij verwerking van gegevens over diens gezondheidplaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer deze persoon ervaringsdeskundige isen in die hoedanigheid betrokken is bij de betreffende belangenorgani-satie. In beide gevallen kan verwerking van de bijzondere persoonsge-gevens dan ook noodzakelijk zijn om de representativiteit van het pbo teborgen.9.3 Internetconsultatie De leden van de D66-fractie lezen dat er enkele zorgen bestaan over desamenwerking tussen lokale en regionale omroepen. Daartoe vragen dezeleden de regering of de samenwerking tussen lokale en regionaleomroepen in het nieuwe stelsel enkel aanvullend zal zijn, en of dezelfstandige uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht hiermeeniet in het gedrang zal komen.De lokale en regionale omroepen hebben ieder hun een eigen, wettelijkverankerde positie en publieke mediaopdracht die aansluit bij hetschaalniveau van hun verzorgingsgebied. Samenwerking tussen de lagenis aanvullend en wordt gestimuleerd. Daartoe hebben de NLPO en de RPOook een alliantie gesloten. Met dat instrument werken zij samen aan eenduidelijker onderscheidend regionaal en lokaal publiek media-aanbod,meer journalistieke diversiteit en kwaliteit in de nieuwsverslaggeving, hetvergroten van het bereik en een sterkere verbinding met het publiek ophet lokale en regionale niveau. Versterking van de lokale omroep zoalswordt voorgesteld met dit wetsvoorstel, komt de samenwerking tengoede, omdat er op veel meer plekken in Nederland een professionelelokale omroep komt om mee samen te werken.De regering stelt dat – in combinatie met de schaalvergroting naarmaximaal tachtig lokale publieke omroepen – er vanaf 2028, gemiddeldmeer budget per omroep beschikbaar is. Waar baseert de regering dit op?Kan de regering dit eens grofmazig voorrekenen voor de fractie? Dit hangttoch ook van af hoeveel van het budget naar het Commissariaat gaat ennaar de NLPO? En hoeveel uit het gemeentefonds? Graag ontvangen deleden van de CDA-fractie hier een reactie op.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 861 Met het wetsvoorstel vindt per 2028, op basis van de huidige bereke-ningen, een overheveling van € 13 miljoen uit het gemeentefonds naar demediabegroting plaats. Daarnaast wordt de rijksmediabijdrage voor delokale publieke omroepen verhoogd met de eerder aangekondigdeinvestering van circa € 18,1 miljoen en met de extra coalitieakkoordmid-delen van € 3,4 miljoen als aangekondigd in de Beleidsbrief 2026–2030van het Ministerie van OCW.87Dat betekent dat het voorziene totaalbedrag vanaf 2028 op dit moment€ 34,5 miljoen euro is. Van dat totaalbedrag is, zoals in het wetsvoorstelstaat, € 3,5 miljoen bestemd voor de verwachte structurele extrauitvoeringslasten voor de NLPO en het Commissariaat vanaf 2028. Hetresterende voorziene bedrag per 2028 van circa € 31 miljoen is bestemdvoor de lokale publieke omroepen.Dat betekent dat de voorziene bekostiging voor lokale omroepen vanuithet Rijk per 2028 van circa € 31 miljoen hoger ligt dan de bekostigingvanuit de gemeenten, op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat uit 2024. Op basis van de meest recente cijfers van hetCommissariaat bedroeg de totale gemeentelijke bekostiging van lokalepublieke omroepen in 2024 € 21,9 miljoen.88De regering zal de Kamer zo snel mogelijk na het versturen van deze notaen in ieder geval vóór de mondelinge behandeling van het wetsvoorstelper brief informeren over de huidige ramingen voor het bedrag dat vanaf2028 per lokaal verzorgingsgebied beschikbaar is vanuit het Rijk. Hierbijwordt gebruik gemaakt van de meest recente beschikbare cijfers op datmoment.Gemeenten die aanvullend willen bekostigen moeten voorafgaand aan deaanwijzingsperiode bekend maken hoeveel middelen zij voornemens zijnhiervoor beschikbaar te stellen voor de lokale publieke omroep. Het blijftvoor de leden van de CDA-fractie onduidelijk of hier bij het maken van definanciën rekening mee is gehouden of gemeenten (of een aantalgemeenten) bij willen dragen aan de financiering van de omroep. Of iservan uitgegaan bij het maken van de financiële plaat dat gemeenten ditniet zullen doen?In de berekeningen van de regering is steeds gewerkt met de nieuwesituatie. Hierin zijn gemeentelijke subsidies die worden verleend op grondvan de voorgestelde afdeling 2.6.6A optioneel. Er is dus niet gerekend metde aanname dat gemeenten blijven bijdragen.Volgens de regering is er geen aanleiding om de regels rondom reclamevoor lokale publieke omroepen aan te passen, zelfs al wil men de publiekemediaopdracht lokaal versterken. De leden van de CDA-fractie verzoekenom verdere toelichting op de redenen achter dit standpunt van deregering.De regering ziet geen aanleiding om de reclameregels voor lokalepublieke omroepen aan te passen. De huidige Mediawet 2008 bevat regelsover reclame, sponsoring en dienstbaarheid aan winst van derden. HetCommissariaat houdt daarop toezicht. De regering wil reclame niet verderaanmoedigen, omdat lokale publieke omroepen een publieke taak hebbenen omdat uitbreiding van reclame de positie van commerciële lokalemedia kan raken. Een verbod op reclame voor lokale publieke omroepen87Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 148.88Dit blijkt uit de Evaluatie van de bekostiging van de Lokale Publieke Omroepen 2022 – 2024van het Commissariaat, nog te publiceren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 862 acht de regering echter niet aan de orde; dat zou niet bijdragen aan hetdoel van het wetsvoorstel om de lokale omroepen te versterken. Beperktereclame is binnen de bestaande regels mogelijk en de reclame-inkomstenkunnen benut worden voor de versterking van de publieke mediaopdrachtop lokaal niveau.10. Overgangsrecht en inwerkingtreding De termijnen voor de aanwijzingsprocedures zouden wel eens erg krapkunnen worden indien het wetsvoorstel pas na 1 november 2026 inwerking zou treden. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vrezen dathet nieuwe stelsel zou dan niet meer zou kunnen starten per 1 januari2028. Hoe beziet de regering de haalbaarheid van 1 november 2026?Als beschreven in de beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie van OCWblijft het streven dat deze stelselwijziging van start gaat op 1 januari2028.89 Dat is waar lokale publieke omroepen, gemeenten, de NLPO enhet Commissariaat al enige jaren naartoe werken.In verband met de benodigde voorbereidende werkzaamheden,waaronder het doorlopen van de procedures voor de aanwijzing van denieuwe lokale publieke omroepen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorsteluiterlijk op 1 november 2026 als wet in werking treedt.90 Bij latereinwerkingtreding is start van het nieuwe stelsel per 1 januari 2028 niethaalbaar. In dat geval zal die start naar alle waarschijnlijkheid een jaarvertraging oplopen; dat wil zeggen dat het nieuwe stelsel dan per1 januari 2029 van start gaat.De haalbaarheid van 1 november 2026 hangt in deze belangrijke fasenauw samen met de behandeling van het wetsvoorstel in uw Kamer, ende resultaten daarvan.II. Artikelsgewijs Artikel I, onderdeel ODe leden van de SGP-fractie vragen waarom in het voorgestelde artikel2.78, eerste lid, onderdeel e, de leden van waterschapsbesturen niet zijnopgenomen. Deze leden menen dat ook vanuit de hoedanigheid van hetwaterschap op vergelijkbare wijze sprake zou kunnen zijn van onwense-lijke invloed door het vervullen van dubbelfuncties.De regering heeft bij de vormgeving van het wetsvoorstel de analogiegezocht met de regeling voor de regionale publieke mediadienst: de RPOen de regionale publieke omroepen. Die regeling is op haar beurt geëntop de inrichting van de landelijke publieke mediadienst. Zo heeft deregering beoogd voor consistentie te zorgen in de bestuurlijk-juridischeinrichting van het publieke mediabestel. Een onverenigbaarheid voorleden van waterschapsbesturen is op het landelijke of regionale niveauniet voorzien.Bovenstaand uitgangspunt ligt ten grondslag aan de keuze om lidmaat-schap van het waterschapsbestuur niet op te nemen in de artikelen overonverenigbaarheden in het wetsvoorstel. Overigens wijst de regering indit verband op het voorgestelde artikel 2.78, eerste lid, onderdeel g.89Kamerstukken II 2025/26, 36 800-VIII, nr. 148.90Zoals ook benoemd in het position paper van het Commissariaat van 23 april 2026https://www.cvdm.nl/nieuws/position-paper-over-wetsvoorstel-stelselwijziging-lokale-publieke-omroep/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 863 Hieruit volgt dat het hebben van een nevenfunctie waardoor de onafhan-kelijkheid in het gedrang komt, een onverenigbaarheid kan opleveren.Artikel 2.87lDe leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering als uitwerkingvan de doelstelling van de lokale publieke media-instelling uitsluitendbenoemt het bevredigen van de maatschappelijke behoeften. Hoewel hetvan belang is dat deze instellingen zich in voldoende mate rekenschapgeven van de maatschappelijke behoeften, menen deze leden dat hetuitvoeren van een hoogwaardige, veelzijdige opdracht meer behelst danhet bevredigen van behoeften. Tegen de achtergrond van het feit dat ookde ICE-norm komt te vervallen, hebben deze leden de indruk dat hier eenkwetsbaarheid schuilt. Zij vragen een toelichting waarom het wetsvoorstelniet kiest voor een iets meer richtinggevende benadering.Het voorgestelde artikel 2.87l, onderdeel b, waarnaar de leden verwijzen,regelt de statutaire doelstelling van de instelling als aanwijzingsvereiste.De formulering sluit aan bij de formulering in het huidige artikel 2.61,tweede lid, onderdeel b, voor de lokale en regionale omroep, en bij devergelijkbare bepalingen voor de landelijke omroep (artikelen 2.24, eerstelid, onderdeel c, en 2.24a, eerste lid, onderdeel c). De inhoudelijkeopdracht voor de lokale publieke omroep volgt uit het bredere wettelijkekader. Het voorgestelde artikel 2.87l moet worden gelezen in samenhangmet artikel 2.1 van de Mediawet 2008, waarin de publieke mediaopdrachten de publieke waarden zijn vastgelegd, en met het voorgestelde artikel2.87x, dat normen bevat voor gebiedsgericht en eigen aanbod. Daarnaastgeven het concessiebeleidsplan NLPO en het beleidsplan dat eeninstelling moet overleggen om te kunnen worden aangewezen als lokalepublieke omroep, en waarover advies wordt uitgebracht door de NLPO ende gemeenteraad of -raden, richting aan de uitvoering van de publiekemediaopdracht op lokaal niveau. De regering acht een aanpassing van deformulering in artikel 2.87l, onderdeel b, niet nodig of wenselijk.Artikel 2.87nDe leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering er niet voorgekozen heeft om in de beschrijving van het beleidsplan aan te sluiten bijde maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verschei-denheid die ook in artikel 2.87m te vinden is. Op deze wijze zou hetvoorstel een meer eenduidige focus brengen in de opdracht van de lokaleomroepen, mede van belang voor de adviestaak die de gemeentenhebben in dezen.De regering heeft in artikel 2.87n gekozen voor een beleidsplan dat ingaatop de uitvoering van de lokale publieke mediaopdracht in brede zin,waaronder het bedienen van de geografische en sociaal-cultureleverscheidenheid, zichtbaarheid en vindbaarheid van het media-aanbod,afspraken over de inzet van vrijwilligers en samenwerking met lokalepartners. Artikel 2.87m ziet specifiek op het pbo en met name de represen-tativiteit van het pbo voor de belangrijkste maatschappelijke, culturele,godsdienstige en geestelijke stromingen in het verzorgingsgebied. Dezebepalingen hebben verwante, maar verschillende functies. Wel is het zodat de gemeenteraad, bij zijn advisering in het kader van de aanwijzings-procedure, zowel een advies uitbrengt over de representativiteit van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 864 pbo als over de hierboven genoemde criteria waaraan het beleidsplanmoet voldoen. Daarmee is de samenhang tussen beide bepalingen, in deogen van de regering, voldoende verzekerd.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.M. LetschertTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 865

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 34752bcf0cba1f67

14 okt 2026 · 7d1adf626a0979fb

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.