Uitwerking akkoord 'Gezond naar het pensioen'
Brontekst
Versie 563293acbf2eb63e · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 043Toekomst pensioenstelselNr. 685 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 28 mei 2025Op 18 oktober jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over het akkoord«Gezond naar het pensioen» dat ik namens het kabinet heb gesloten metwerkgevers- en werknemersorganisaties. Hierin hebben we afsprakengemaakt over een breed pakket aan maatregelen, waaronder eengezamenlijke agenda voor duurzame inzetbaarheid en een structurele enmeer gerichte drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegduitreden (RVU) met ijkmomenten. In de afgelopen periode hebben socialepartners en het Ministerie van SZW in de Stichting van de Arbeidgezamenlijk gewerkt aan de uitwerking van de afspraken uit het akkoord.In deze brief informeer ik uw Kamer hierover.Kabinet en sociale partners vinden het belangrijk dat zo veel mogelijkmensen na hun loopbaan gezond kunnen genieten van hun pensioen. Wezien dat het nu niet voor iedereen haalbaar is om gezond werkend deAOW-leeftijd te bereiken. Kabinet en sociale partners onderschrijven dateen regeling voor vervroegd uittreding ook na 2025 nodig blijft, en weondertussen volop moeten blijven investeren in gezond langerdoorwerken. Kabinet en sociale partners hebben afgesproken om deRVU-drempelvrijstelling na 2025 voort te zetten, onder de voorwaarde datRVU’s beheerst en meer gericht worden ingezet voor werknemers diedoor de zwaarte van hun werk niet gezond kunnen doorwerken tot deAOW-leeftijd. Gelijktijdig gaan we aan de slag met een agenda voorduurzame inzetbaarheid.Derde partijIn het akkoord tussen kabinet en sociale partners is afgesproken dat deRVU-regelingen altijd een onderbouwde, afgebakende doelgroep hebbendie gericht is op belastende functies of werkzaamheden en gebaseerd opobjectieve criteria. Een door SZW erkende derde partij valideert deafbakening van de RVU-doelgroep, zoals vastgesteld door decentralewerkgevers en werknemers in het cao-overleg. Hierbij kan ik uw Kamer kst-32043-685ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6851 melden dat TNO deze rol als derde partij gaat vervullen. Met hun kennisen ervaring op het gebied van zwaar werk en duurzame inzetbaarheid isTNO bij uitstek geschikt om deze rol op zich te nemen. TNO zal hiertoeeen expertisecentrum zwaar werk inrichten, dat als taak heeft deafbakening van de RVU-doelgroep in cao’s te valideren. Hieronder ga ikdaar nader op in. Daarnaast heeft het expertisecentrum de taak om eenkennisprogramma op te zetten waarmee kennis over zwaar werk,duurzame inzetbaarheid en RVU kan worden ontwikkeld en verspreid.Ik vertrouw erop dat de betrokkenheid van TNO als derde partij bijdraagtaan meer kennis over het vraagstuk zwaar werk en een gedegen onder-bouwing van de RVU-doelgroep door cao-partijen.Duurzame inzetbaarheidDuurzame inzetbaarheid is van belang voor iedereen die actief is op dearbeidsmarkt, van het begin tot het eind van de loopbaan. Om verschil-lende redenen blijkt het niet voor alle werkenden haalbaar om gezond hetpensioen te halen. Dit geldt in het bijzonder voor mensen die langdurigzwaar werk verrichten. Naast de brede Gezondheid in alle Beleids-domeinen-aanpak, waarvan het kabinet vorig jaar de eerste contourenheeft geschetst,1 richt deze beleidsagenda zich op aanpassingen in dewerk gerelateerde context die invloed hebben op de duurzame inzet-baarheid van werkenden. Werknemers, werkgevers en overheid zijn erbijgebaat als zo veel mogelijk mensen gezond, vaardig en veilig aan hetwerk kunnen blijven tot hun pensioen. Dit biedt bestaanszekerheid enwerkplezier, voldoende en gekwalificeerde arbeidskrachten, en draagt bijaan een goed functionerende en rechtvaardige arbeidsmarkt. Daaromhebben kabinet en sociale partners hun onverminderde inzet hieropvastgelegd in het akkoord «Gezond naar het pensioen» met de voorge-nomen beleidsagenda duurzame inzetbaarheid. Sociale partners en SZWzijn gezamenlijk bezig met de uitwerking van deze agenda. Hiervoor is hetresterende budget van de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid enEerder Uittreden (MDIEU) beschikbaar gesteld. Zo kan het kabinet vanaf2026 nog enkele jaren een impuls geven aan het ondersteunen vanmensen die niet op gezonde wijze werkend de eindstreep kunnen halen.Aandacht voor duurzame inzetbaarheid gedurende de hele loopbaanvraagt om cultuurverandering en een lange adem van alle partijen.Uiteindelijk is het aan werkgevers en werknemers zelf om de met deafspraken uit deze agenda ingezette verandering, voort te zetten en verderte brengen.Agenda 2026–2030Aansluitend bij de aandachtspunten van het akkoord krijgen de mensenmet zwaar werk de eerste prioriteit. Zo zetten we niet alleen de bewegingvoort naar een gezonde, vaardige en veilig werkende beroepsbevolking,maar ook naar het beperken van de instroom in regelingen voorvervroegd uittreden. Dit betekent dat de duurzame inzetbaarheidsagendazich focust op zo veel mogelijk voorkomen dat mensen niet langer doorkunnen werken vanwege de zwaarte van hun werk. Hierbij sluiten we aanbij de belastende werkelementen zoals beschreven door TNO.Speerpunten van de agenda worden het voorkomen of verlichten vanzwaar werk, zo veel mogelijk bij de bron, en waar mogelijk een tijdigeovergang van zwaar naar lichter werk. Hierin spelen ook het bestaandearbobeleid en handhaving een belangrijke rol. Ik heb hierbij aandacht voorachterblijvers voor wie duurzame inzetbaarheid belangrijk is, maar niet1Kamerstuk 32 793, nr. 794.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6852 altijd urgent lijkt; voor de grote groep (kleine) werkgevers die graag aande slag wil met gezond, vaardig en veilig werken binnen hun onder-neming, maar hier ondersteuning bij nodig heeft; en ook voor devoorlopers die al grote stappen zetten en van wiens kennis mogelijkbreder benut kan worden. Deze groepen hebben behoefte aan verschil-lende maatregelen. Zo kan ondersteuning bij het in kaart brengen van derisicofactoren op de werkvloer met behulp van een branche-RI&E enmogelijke oplossingsrichtingen in een arbocatalogus helpen bij hetbepalen van de bron van de belasting.Bij het aanpakken daarvan helpt een meer toegespitste advisering ensubsidiëring. Ook kan worden gedacht aan het verder brengen vanonderzoek naar technologische ontwikkelingen, hulpmiddelen enontwikkelpaden van zwaar naar minder zwaar werk.Hierbij sluit ik zo veel mogelijk aan bij lopende trajecten, zoals onderdelenvan de Arbovisie 2040 en VWNW-beleid. Daarnaast ga ik verder met delessen en ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan rondom hetstimuleren van duurzame inzetbaarheid. In 2026 wil ik de eerste maatre-gelen in gang zetten. Voor de duurzame inzetbaarheidsagenda kunnen deresterende MDIEU-middelen worden ingezet. Ook het TNO-expertise-centrum zwaar werk wordt vanuit deze middelen gefinancierd. De vanuitMDIEU gesubsidieerde activiteitenplannen eindigen dit jaar, eind 2026 kande financiële eindstand worden opgemaakt. Uiterlijk bij het volgendemonitoringsmoment informeer ik uw Kamer verder over de uitwerkingvan de maatregelen.Ondertussen wordt vanuit sociale partners verder ingezet op de inge-slagen weg van de MDIEU, bijvoorbeeld door in cao-afspraken in te zettenop een betere organisatie van het werk. Jaarlijks zal ik uw Kamer in hetvoorjaar informeren over de voortgang van de duurzame inzetbaarheidsa-genda. Dit is onderdeel van de bredere monitoring en ijking die socialepartners en het kabinet met elkaar hebben afgesproken in het akkoord.Hieronder ga ik daar nader op in.VerlofsparenIn het akkoord «Gezond naar het pensioen» is afgesproken ervarenbelemmeringen en mogelijke oplossingen rondom verlofsparen nader teonderzoeken.2 Met gespaard verlof kunnen mensen bijvoorbeeld eentussentijdse periode van verlof opnemen, minder uren werken richting heteind van hun loopbaan, of eerder uittreden. Er wordt echter in de praktijknog weinig gebruik van gemaakt.Sociale partners geven aan dat de fiscale behandeling bij externeonderbrenging van verlofsaldi het grootste knelpunt is. Het gespaardeverloftegoed zal veelal over tientallen jaren worden opgebouwd. Om dittegoed te beschermen tegen het risico dat een werkgever failliet gaat enom behoud van gespaard verlof bij baanwisseling te vergemakkelijken, ishet problematisch als het verloftegoed gedurende lange periode op debalans van de werkgever staat. Externe onderbrenging is dus gewenst.Hiervoor is het belangrijk dat fiscale facilitering van het verlof via deomkeerregel van toepassing blijft: inning van loonbelasting als het verlofwordt uitgekeerd, niet wanneer het wordt opgebouwd. Op dit momentlijkt de uitvoering toebedelen aan een aparte stichting de enige2In het Pensioenakkoord van 2019 is afgesproken om werknemers ruimere mogelijkheden tegeven om verlof te sparen. De bovengrens van het fiscaal gefaciliteerd bovenwettelijk verlof isverhoogd van 50 naar 100 weken in de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen (Kamerstuk35 555).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6853 mogelijkheid van extern verlofsparen die past binnen fiscale wet- enregelgeving. Dit gaat echter gepaard met inefficiëntie en hoge uitvoerings-kosten, vanwege het uitbesteden van taken zoals administratie, communi-catie en vermogensbeheer. Werkgevers- en werknemersorganisatiespleiten er daarom voor om mogelijk te maken dat het verloftegoed directop naam van de werknemer bij een bank (of andere uitvoerder) op eenrekening wordt ondergebracht, waarbij onttrekkingen en stortingen via dewerkgever lopen. Daartoe zal het kabinet samen met sociale partnersonderzoeken of een externe verlofspaarrekening mogelijk is die budgettairneutraal en uitvoerbaar is, en waarbij de effecten op de arbeidsmobiliteitworden meegewogen.In de motie Inge van Dijk c.s. (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 57) wordtgevraagd of het Duitse systeem voor verlofsparen bij de werkgever(«urenbank»; Wertguthaben) voor onder meer mantelzorg, in Nederlandmeerwaarde zou kunnen bieden.3 Kern van dat systeem is, dat dewerknemer bij zijn of haar werkgever een spaarsaldo opbouwt uit loon ofde geldelijke tegenwaarde van niet genoten verlofuren of overwerkuren.Bij verlofopname krijgt hij of zij uit het spaarsaldo een uitkering. Ook aandeze urenbank zitten enkele nadelen, zoals het niet altijd bieden vanvoldoende bescherming tegen het faillissementsrisico en de vraag wat tedoen met het gespaarde saldo bij wisseling van baan naar een nieuwewerkgever die niet deelneemt aan de urenbank. Daarom is mijn conclusiedat het Duitse systeem van een urenbank geen meerwaarde biedt, indienwordt besloten om een externe verlofspaarrekening mogelijk te maken.Een dergelijke externe verlofspaarrekening kan immers ook gebruiktworden voor mantelzorgverlof. Hiermee beschouw ik deze motie alsafgedaan.Betere gerichtheid van RVURVU’s moeten alleen daar terecht komen waar dit nodig en verantwoordis. Aangezien de RVU-drempelvrijstelling een generieke fiscale faciliteit is,zijn decentrale sociale partners aan zet om RVU’s gericht en beheerst in tezetten. De nieuwe afspraken die hierover met het kabinet zijn gemaaktgelden voor RVU-regelingen vanaf 2026. Dit betekent dat cao-partijen dienu een RVU kennen opnieuw met elkaar in overleg moeten gaan.Allereerst over de vraag of voortzetting van een RVU-regeling na 2025voor de hand ligt, gegeven de nieuwe afspraken met het kabinet. Of datwellicht een andere maatregel, zoals gerichte inzet van verlofsparen ofeen vitaliteitspact voor werknemers in zware functies, beter past. Alscao-partijen wel kiezen voor een RVU-regeling vanaf 2026, dienen zij hunRVU-doelgroep af te bakenen aan de hand van de centrale afspraken.4 Omop basis van objectieve criteria tot een onderbouwde afbakening vanbelastende functies of werkzaamheden voor de RVU-doelgroep te komen,heeft TNO een kader ontwikkeld. Dit kader is bijgevoegd bij dezeKamerbrief. In dit kader staan de belastende werkelementen beschrevenwaar TNO naar kijkt bij de validering. Hiermee kunnen cao-partijen aan deslag met het in kaart brengen van bezwarende functies of werkzaamhedenin hun bedrijf of sector. Ik verwacht hiermee decentrale sociale partners in3Zie ook: Broschüre Wertguthaben – BMAS4(1) RVU-afspraken bevatten altijd een onderbouwde afbakening van de doelgroep, gericht opbelastende functies en werkzaamheden gebaseerd op objectieve criteria, (2) Cao-partijenkunnen een inkomensgrens overwegen, passend binnen de sector, (3) De afbakening van dewerknemers die in aanmerking komt voor RVU wordt periodiek herzien om aan te sluiten bijontwikkelingen van functies en werkzaamheden, (4) Een afspraak over RVU wordt gekoppeldaan een inzet op duurzame inzetbaarheid, in ieder geval voor de doelgroep die in aanmerkingkomt voor RVU, (5) Werkgevers en werknemers spreken af om een door SZW erkende derdepartij in te schakelen om de juistheid van de afbakening te objectiveren en te valideren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6854 sectoren en bedrijven duidelijkheid te geven over hoe zij de afspraken uithet akkoord voor de RVU in de praktijk kunnen toepassen.Het expertisecentrum zwaar werk van TNO zal na de zomer operationeelzijn. Vanaf dan kunnen cao-partijen de onderbouwde afbakening van hunRVU-doelgroep bij het expertisecentrum van TNO indienen. Op basis vande aangeleverde documenten komt het expertisecentrum met een adviesrichting cao-partijen. De cao-partijen zelf zijn uiteindelijk verantwoordelijkvoor wie er in aanmerking komt voor hun RVU-regeling. Het proces vanvalidering vraagt een lerende aanpak. Centrale sociale partners in deStichting van de Arbeid en het Ministerie van SZW houden hierbij eenvinger aan de pols.Op die manier kunnen centrale sociale partners, die zitting nemen in deklankbordgroep van het expertisecentrum, met hun decentrale onderhan-delaars in contact treden als dat nodig is.De afspraken uit het akkoord vragen van cao-partijen om hun RVU-regeling en de doelgroep opnieuw onder de loep te nemen. Waarschijnlijkis op 1 januari 2026 een groot deel van de RVU-regelingen nog niet doorTNO beoordeeld. Dit lijkt onontkoombaar, omdat cao-partijen allemaalrond dezelfde periode aan de gerichtheid van hun RVU werken envalidering zullen vragen. Alle tijdelijke RVU-regelingen lopen immers eind2025 af. Dit leidt tot een concentratie aan werk voor het expertisecentrumvanaf eind 2025. Cao-partijen kunnen echter hun RVU-regeling alvastaanpassen aan de hand van de nieuwe afspraken uit het akkoord en hetkader van TNO, ook als ze nog in de wachtrij voor validatie staan. Daarbijkunnen zij bijvoorbeeld afspreken dat herziening van de doelgroep na eenjaar mogelijk is, als de validatie is afgerond en daar aanleiding toe is. Zogroeien ze geleidelijk richting meer gerichtheid. Het voortzetten vanongerichte RVU-regelingen vanaf 2026 in afwachting van validatie doorTNO is ongewenst en strijdig met de afspraken uit het akkoord «Gezondnaar het pensioen». Sociale partners onderschrijven dit en zijn hier ook opaanspreekbaar.Uitvoering RVU vanaf 2026Om cao-partijen in Nederland handvatten te geven bij de uitvoering vanhun RVU-regeling vanaf 2026, hebben mijn ministerie en sociale partnersde handreiking RVU geactualiseerd in lijn met de afspraken uit hetakkoord. Deze is bijgevoegd bij deze Kamerbrief. In deze handreikingwordt onder meer aandacht gevraagd voor de mogelijke gevolgen voorde uitbetalingen van RVU-uitkeringen aan ex-werknemers wanneer dewerkgever failliet gaat en deze geen voorziening heeft getroffen voor dedoorbetaling van RVU’s. De handreiking beschrijft oplossingen om ditrisico af te dekken en de uitbetaling van RVU-uitkeringen veilig te stellen.Met sociale partners is afgesproken dat cao-partijen stilstaan bij hoe zijmet dit faillissementsrisico omgaan. Daarnaast hebben sociale partnersen kabinet herbevestigd dat samenloop van RVU met WW onwenselijk is.De RVU is immers bedoeld als mogelijkheid voor oudere werknemers metzwaar werk om op eigen initiatief vervroegd uit het arbeidsproces tetreden. Daarom is afgesproken dat cao-partijen in hun cao-afspraak overRVU vastleggen dat het dienstverband aantoonbaar vrijwillig en opinitiatief van de werknemer wordt beëindigd. De bovenstaande elementenkomen terug in het cao-onderzoek van SZW naar RVU-afspraken.Daarnaast gaat SZW samen met het Ministerie van Financiën bezien of enhoe het aansturen op een periodieke uitbetaling passend is in de fiscalewetgeving. Een RVU-uitkering die voor de hele RVU-periode in één keerwordt uitbetaald is namelijk onwenselijk voor de werknemer. Zo heeft ditmeestal een ongunstig effect op belastingen en toeslagen en vraagt ditTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6855 veel van het doenvermogen van de ex-werknemer; zij of hij moet deuitkering zelf spreiden over de periode tot het bereiken van deAOW-leeftijd. Aansturen op maandelijkse of periodieke uitbetaling zoukunnen door de RVU-drempelvrijstelling aan te passen, zodanig dat eeneenmalige RVU-uitkering wordt belast met RVU-heffing. Ondertussen blijftmijn ministerie een vinger aan de pols houden om te zien of eventueleaanvullende maatregelen nodig zijn.Monitoring en ijkingKabinet en sociale partners houden gezamenlijk de vinger aan de pols bijde uitwerking van de afspraken uit het akkoord «Gezond naar hetpensioen». Dit proces bestaat uit jaarlijkse rapportage en monitoring endriejaarlijkse ijkmomenten over alle onderdelen: voortgang van degezamenlijke duurzame inzetbaarheidsagenda, inzet van maatregelenrond verlofsparen en vitaliteitspacten, de feitelijke vormgeving van(collectieve) RVU-afspraken, profiel van RVU-deelnemers, totale RVU-gebruik en de koppeling van duurzame inzetbaarheid aan collectieveRVU-regelingen.Jaarlijks zal ik uw Kamer de actuele inzichten uit de monitoring zenden.Voor deze rapportages kunnen verschillende bronnen worden benut:cao’s, inzichten uit het werk van TNO in de advisering rond RVU’s en hetkennisprogramma, rapportages van sociale partners, sectoren enbedrijven, de Polisadministratie, CBS-microdata, en overige wetenschap-pelijke kennis. Als bijlagen bij deze brief ontvangt uw Kamer de eersterapportages, namelijk het cao-onderzoek naar RVU-afspraken en eendata-analyse van het profiel van RVU-deelnemers.Het onderzoek naar RVU-afspraken in cao’s (zie bijlage) maakt inzichtelijkhoe op 1 januari 2025 de RVU’s in cao’s waren afgebakend en vormge-geven. Van de 273 cao’s met een collectieve RVU, staan er 99 (vrijwel)generiek open voor alle werknemers vanaf drie jaar voor de AOW-leeftijd.Onder deze 99 cao’s valt 8% van de werknemers die werken onder een caomet een collectieve RVU. In de overige cao’s zijn RVU-afspraken meergericht, maar bijna nergens is al sprake van een onderbouwde afbakeningop basis van objectieve criteria. Het merendeel van de afgebakende RVU’shanteren meerdere criteria om de doelgroep af te bakenen, met name(een combinatie van) aantal dienstjaren, type functie of rooster. In 59 cao’swordt de term «zwaar werk» genoemd bij de afbakening van deRVU-doelgroep. Tot slot zijn er sinds het akkoord «Gezond naar hetpensioen» 62 principeakkoorden afgesloten met een bepaling over eenRVU-regeling vanaf 1 januari 2026. In ieder geval een kwart van dezeakkoorden benoemt expliciet de intentie om de RVU-doelgroep (meer) inlijn te brengen met de doelstellingen uit het akkoord. In vier collectieveRVU-regelingen en één maatwerkregeling is al afgesproken de regelinggewijzigd voort te zetten. Daarnaast worden zeven collectieveRVU-regelingen met een mate van gerichtheid, twee maatwerkregelingen,en vier (vrijwel) generieke regelingen ongewijzigd voortgezet.In 2024 zijn ongeveer 13.200 personen met RVU gegaan. Uit de analysevan verschillende kenmerken van 61–65-jarige RVU-deelnemers enwerknemers, blijkt dat mensen die gebruikmaken van een RVU vaker manzijn en vaker voltijd werken. Verder zijn RVU’ers relatief minder vaakhoogopgeleid, vaker lager of middelbaar opgeleid en hebben zij vaker eenhoog middeninkomen (zie bijlage).Beide rapportages geven een beeld van de RVU-praktijk vóór uitwerkingvan het akkoord «Gezond naar het pensioen». Volgend jaar stuur ik u hetcao-onderzoek naar de RVU-afspraken per 1 januari 2026. Ook zijn dan deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6856 eerste inzichten beschikbaar die TNO heeft opgedaan in de adviseringover de afbakening van RVU’s. Daarmee wordt inzichtelijk hoe deRVU-afspraken zijn gewijzigd naar aanleiding van het gesloten akkoord.Bij de monitoring wordt ook gekeken naar de eventuele benutting van deextra fiscale ruimte voor mensen in knellende situaties (maximaal€ 300 bruto per maand) in cao’s, en de onderbouwing voor het gebruikdaarvan door cao-partijen, conform de afspraken uit het akkoord. Een jaarlater zijn ook de gegevens beschikbaar over de mensen die in 2026 vaneen RVU gebruik hebben gemaakt, en wordt het beeld over RVU sinds hetakkoord nog completer. Vanaf volgend jaar biedt de jaarlijkse monitoringook inzicht in de voortgang van de duurzame inzetbaarheidsagenda en deinzet van maatregelen rond verlofsparen en vitaliteitspacten. Hierbij wordtin ieder geval informatie gegeven over afspraken in cao’s, zoals wordtbijgehouden in de cao-jaarrapportage (over de circa 150 grootste cao’s).De monitoring- en ijkmomenten vinden elk jaar voor de zomer plaats. Dejaarlijkse monitoring is het moment om te waarschuwen wanneermaatregelen zich niet volgens de afspraken ontwikkelen, met het oog ophet ijkmoment. Bij zowel de monitoring als ijkmoment wordt ook gekekennaar de ontwikkeling van het totale RVU-gebruik ten opzichte van designaalwaarde van 15.000 jaarlijkse RVU-deelnemers.Indien de monitoring een ontwikkeling toont die niet aansluit bij deafspraken uit het akkoord, sturen sociale partners en de overheid bij. Ophet ijkmoment vormen kabinet en sociale partners een beeld van deontwikkeling van het pakket aan afspraken uit het akkoord en wordtbepaald of de maatregelen zich volgens de afspraken ontwikkelen. Heteerste ijkmoment is in 2028. Als we op het gewenste pad zitten, is hetvolgende ijkmoment in 2031. Concluderen partijen tijdens het ijkmomentdat bijsturen niet tot de gewenste ontwikkeling heeft geleid, dan maken zijafspraken over nadere bijsturing of kan het kabinet besluiten deRVU-drempelvrijstelling aan te passen, af te bouwen of te beëindigen. Hetis aan te raden dat decentrale sociale partners in de vormgeving van huncao-afspraak over RVU rekening houden met de mogelijke uitkomsten vanhet ijkmoment.Wetswijziging RVU-drempelvrijstellingMijn ministerie werkt op dit moment in samenwerking met het Ministerievan Financiën aan de wetswijziging om de RVU-drempelvrijstellingstructureel voort te zetten met ijkmomenten. Ik verwacht dit wetsvoorstelna de zomer als onderdeel van het Belastingplan 2026 bij de TweedeKamer te kunnen indienen. Daarnaast is in het akkoord afgesproken datkabinet en sociale partners parallel manieren gaan ontwikkelen voor eenbetere borging van de gerichtheid en beheersbaarheid van de RVU.Bijvoorbeeld door te onderzoeken of het mogelijk is om via eenaanpassing van de wet op de loonbelasting (of in ander dan fiscalewetgeving) te komen tot een uitvoerbare fiscale regeling die uitsluitendgericht is op werknemers met zwaar werk. Hierbij worden in ieder gevalde uitvoerbaarheid, juridische haalbaarheid, beheersbaarheid, arbeids-markteffecten, de objectiveerbaarheid van zwaar werk en de borgingdaarvan meegenomen. Uiterlijk bij het eerste ijkmoment wegen kabineten sociale partners op welke wijze de borging van een gerichte enstructurele RVU-vorm krijgt. Er wordt daarbij gekeken of de onderzochtemanieren een verbetering zijn ten opzichte van de lopende aanpak waarbijde gerichtheid van de fiscale RVU-drempelvrijstelling wordt geborgd viacentrale afspraken tussen kabinet en sociale partners.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6857
Gerelateerde bronnen
- De minister zegt toe de Kamer rond mei, in de brief over de uitwerking van de afspraken uit het RVU-akkoord, te informeren over de toepasbaarheid van het Duitse
De minister zegt toe de Kamer rond mei, in de brief over de uitwerking van de afspraken uit het RVU-akkoord, te informeren over de toepasbaarheid van het Duitse model van de urenbank (motie Inge van Dijk, Kamerstuk 36600-XV-57).
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.