Reactie op verzoek commissie over de vragen van de rapporteurs bij de begroting 2025
Brontekst
Versie 173ffcf17dd1719f · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 VIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Justitie en Veiligheid (VI) voor hetjaar 2025Nr. 30 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 13 november 2024In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Justitie enVeiligheid van 24 oktober 2024 heeft de commissie mij verzocht omschriftelijk te reageren op de vragen van de rapporteurs bij de begroting2025. Hierbij voldoe ik aan dit verzoek van de rapporteurs.De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. van Weel kst-36600-VI-30ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 301 Vraag:Welke fenomenen bepalen hoe georganiseerde en ondermijnendecriminaliteit zich ontwikkelt en hoe daarop wordt ingezet?–De Minister heeft aanpak van ondermijning en georganiseerdecriminaliteit als topprioriteit deze kabinetsperiode. In zijn brief over devoortgang van aanpak ondermijning van 28 augustus vult hij dit naderin en noemt hij een aantal speerpunten, namelijk dat er geïnvesteerdwordt in mainports, in het verminderen of helemaal stoppen vancriminele rolmodellen en in het versterken van de anti-witwas enconfiscatie aanpak. Verder noemt de Minister het vergroten vanmaatschappelijke weerbaarheid, het tegengaan van corruptie enmaatschappelijke inbedding en internationale samenwerking.–Kan de Minister toelichten waarom hij juist voor deze speerpunten endit beleid gekozen heeft om de maatschappelijke trends het hoofd tebieden? Waarom leiden deze maatregelen (en misschien kunt u hetnog concreter maken) nou juist tot vermindering van ondermijning engeorganiseerde criminaliteit? Hoe weten we straks of de aanpakeffectief was of dat er andere externe factoren hebben meegespeeld?Op basis van welke concrete indicatoren en doelstellingen bepaalt u ofbeleid doorgezet moet worden of niet? Is er een nulmeting? Wat is destand vanwaar wordt gemeten? Kan de Minister dit nader toelichten enonderbouwen?–Als we de stukken lezen over de voortgang van de aanpak vangeorganiseerde criminaliteit en ondermijning, dan wordt dit namelijkniet echt duidelijk. Er worden termen aangehaald als investeren,inzetten op gesprekken, samenwerking aangaan met, coalities smeden,leren van het buitenland. Maar wat zegt dat nu concreet? Als deMinister schrijft dat de aanpak zijn vruchten heeft afgeworpen, watbetekent dat? Kan de Minister dat kwantificeren en meetbaar maken?Antwoord:Ondermijning is een complex en veelvormig fenomeen dat zich opverschillende plaatsen en manieren in de samenleving manifesteert, endat zijn grondslag heeft in de georganiseerde criminaliteit. De aanpak vanondermijning richt zich op het terugdringen van de schadelijke effectenvan de georganiseerde criminaliteit in de maatschappij. In praktijk enwetenschap bestaat consensus dat hiervoor een brede aanpak met eencoalitie van publieke en private partners noodzakelijk is, waarbij wordtingezet op een combinatie van preventieve én repressieve maatregelen.Het fundament voor deze aanpak is de afgelopen jaren opgezet.Binnen die brede aanpak kiezen we speerpunten, zowel op basis vanbeschikbare analyses en actuele bronnen als op basis van inzichten vanprofessionals en bestuurders. Daarbij wordt een weging gemaakt vanernst en impact van de ondermijning en van de kansen om de georgani-seerde criminaliteit een slag toe te brengen, zodat de brede ondermij-ningsaanpak over de hele linie wordt versterkt en evenwichtig blijft. Metdat totaalpakket zetten we in op een maximaal effect. Ik zet extra in opmaatschappelijke weerbaarheid, omdat ondermijnende criminaliteit zo’nfundamentele dreiging is dat deze nooit door één of enkele spelers kanworden gekeerd. We hebben de hele maatschappij nodig. We smedencoalities en gaan om tafel met partners, het bedrijfsleven, en andereactoren die een rol spelen in de aanpak van ondermijnende criminaliteit,om gezamenlijk te werken aan een maatschappij die zich op alle frontenactief kan weren tegen de druk van de ondermijnende criminaliteit. Hettweede speerpunt en onderdeel van weerbaarheid, is de aanpak vancorruptie. Criminelen dringen binnen bij de overheid en het bedrijfsleven.Het is urgent dat we hier een sterke aanpak op zetten. Dat betekent datoverheid en bedrijfsleven hun organisaties en hun medewerkers hiertegenbeter moeten kunnen beschermen. Hierbij is bewustwording eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 302 belangrijke eerste stap. Daarom zet ik in op gesprekken en samenwerkingen komt er een rijksbrede en risicogerichte aanpak van corruptie. Tot slotmoeten we voor een effectieve aanpak voortdurend blijven inspelen opinternationale ontwikkelingen, want de problematiek van ondermijnendecriminaliteit is voor een belangrijk deel grensoverschrijdend en internati-onaal van karakter. Daarom wordt er geïnvesteerd in internationalesamenwerking en pakt Nederland in EU-verband een voortrekkersrol opdit thema, bijvoorbeeld als het gaat om publiek-private samenwerking inde havens binnen de EU Ports Alliance.Er moet continu worden bezien waar we criminelen het hardst kunnenraken. Om de capaciteit zo efficiënt en effectief mogelijk in te zetten, is hetnodig scherpe keuzes te maken. Daarom gaan we werken met periodiekestrategische dreigingsbeelden van het Strategisch KenniscentrumOndermijnende Criminaliteit (SKC). De dreigingsbeelden bieden inzicht inde manier waarop criminelen zich bewegen en welke maatschappelijkeschade dit teweegbrengt. Op middellange termijn zullen de strategischedreigingsbeelden het inzicht in huidige en toekomstige dreigingen verdervergroten. Met een gerichte analyse van de ondermijnende effecten die de(inter)nationale georganiseerde criminaliteit heeft op de Nederlandsesamenleving, en de (systeem)kwetsbaarheden die hierop van invloed zijn,kan de ondermijningsaanpak nog effectiever richting worden gegeven.Het eerste strategische dreigingsbeeld wordt naar verwachting in 2026door het SKC opgeleverd.Zoals benoemd is ondermijning geen eenduidig fenomeen, maar complexen veelvormig. Om die reden wordt zoveel mogelijk de effectiviteit van deinterventies die zich richten op de verschillende aspecten van onder-mijning in beeld gebracht. Gezien het verborgen en complexe karakterleent het fenomeen zich niet goed voor een (kwantitatieve) nulmeting dieals basis voor beoordeling van de effectiviteit van de aanpak kan dienen.Het voorkomen of indammen ondermijning is niet eenvoudig aan te tonenof meetbaar te maken, juist omdat het fenomeen zich onder de radarafspeelt. Daarom is bij de intensivering van de aanpak ingezet op hoe wehet fenomeen ook kwalitatief beter in beeld krijgen. In de voortgangsrap-portages die jaarlijks aan de Tweede Kamer worden gestuurd, wordtgebruik gemaakt van zowel cijfers als ervaringen en praktijkverhalen vanprofessionals. De komende jaren zal de monitoring van de verschillendeonderdelen van de aanpak verder worden verrijkt. Zo is bijvoorbeeld hetCBS gevraagd om periodiek relevante data in beeld te brengen voor defocusgebieden waarin geïnvesteerd wordt vanuit het programmaPreventie met Gezag.Van veel maatregelen kan de effectiviteit in termen van het rechtstreeks enzichtbare resultaat dat zij moeten opleveren wel worden vastgesteld(outputniveau). Het is echter minder goed mogelijk om vast te stellen inhoeverre zij bijdragen aan het beoogde effect in de samenleving (outco-meniveau). Op basis van resultaten op het outputniveau is het mogelijk devoortgang van de aanpak te benoemen, bijvoorbeeld de realisatie vanverhoogde barrières om het smokkelen van drugs via de mainports voorcriminelen onaantrekkelijker te maken, of de vergrote bewustwording bijbedrijven en overheden.In hoeverre maatregelen die zich bijvoorbeeld richten op het tegengaanvan drugssmokkel via logistieke knooppunten – individueel of in onderlingverband – effect hebben gesorteerd, kan niet enkel worden afgeleid uit dehoeveelheid drugs die in beslag worden genomen. De mate waarinbarrières effectief blijken om de hoeveelheid verboden drugs diesuccesvol het land in worden gebracht terug te dringen hangt namelijkook sterk af van externe factoren als de omvang van de productie vandrugs in bronlanden en de omvang van de Europese gebruikersmarkt. Ditgezegd hebbende, onderschrijf ik het grote belang van goede monitoringTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 303 om de aanpak de komende jaren steeds beter in te richten en waar nodigbij te sturen. Het doel van alle inspanningen is uiteindelijk om deondermijnende criminaliteit in al haar facetten terug te dringen. Dat zalzich op termijn moeten vertalen in een zo goed mogelijk meetbareafname. Ik zal de Tweede Kamer doorlopend informeren over devoortgang van de aanpak en de monitoring via halfjaarlijkse voortgangs-brieven.Vanuit het belang van goed gefundeerde maatregelen wordt voor deverschillende onderdelen van de ondermijningsaanpak – in lijn met deaanbevelingen uit het Verantwoordingsonderzoek 2023 van de AlgemeneRekenkamer – de beleidstheorie expliciet gemaakt en waar nodigaangevuld. Daarbij wordt ook geëxpliciteerd welke precieze doelenworden nagestreefd en hoe wordt gemonitord dan wel geëvalueerd datdeze doelstellingen worden bereikt. Op deze wijze streef ik ernaar om overde langere termijn te laten zien dat plausibel is dat de ingezette maatre-gelen bijdragen aan het bereiken van de doelen van de aanpak. Kortom,van de diverse onderdelen van de ondermijningsaanpak wordt steedszichtbaarder welk effect wordt beoogd, hoe dat effect zal worden bereikt,en of het beoogde effect wordt gerealiseerd. Zo hebben we steeds beterzicht op wat goed werkt, waarbij we met een wendbare aanpak inspelenop de veranderende werkwijzen van criminelen.Vraag:Hetzelfde geldt voor de risicogerichte aanpak die de Minister noemt in zijnbrief. Wat houdt die aanpak in en wat betekent het als hij zegt dat«specifieke risicovolle processen en plekken, die bij uitstek interessant zijnvoor criminelen, met voorrang versterkt worden»? Hoe gaat de Minister,zoals hij zelf zegt: «bezien hoe toezicht-, handhaving- en opsporingversterkt kunnen worden en of het huidige strafrechtelijke instrumen-tarium voldoende is». Dit klinkt ons nogal vaag in de oren.Antwoord:Er komt een rijksbrede en risicogerichte aanpak van corruptie. Corruptiekan overal plaatsvinden, binnen de overheid en het bedrijfsleven.Ambtenaren zijn zich vaak niet bewust van de interesse die criminelenkunnen hebben in hun informatie of toegangsmogelijkheden. Voorbedrijven is het van groot belang dat zij zich bewust zijn van hoe hunmedewerkers kwetsbaar zijn voor corruptie. Zij moeten werken aan hetweerbaar maken van hun personeel tegen omkoping en intimidatie, en zedaarbij beschermen tegen criminelen, door hun processen zo in te richtendat een «klusje doen» voor een crimineel onmogelijk wordt. Corruptieheeft weinig zin als bijvoorbeeld bepaalde informatie ontoegankelijk is ofer regelmatig controles plaatsvinden.Mijn ambitie is om in de komende jaren goed zicht krijgen op de omvangvan criminele inmenging en de sectoren waarin dat plaatsvindt. Dat doenwe door zicht te krijgen op kwetsbare bedrijfsprocessen (welke informatie,middelen, bevoegdheden heeft men die interessant zijn voor criminelen)en kwetsbare functies. Ook dit is onderdeel van de gesprekken die hetkabinet met het bedrijfsleven voert. Samen met Europese ontwikkelingenals de anti-corruptie richtlijn die begin 2025 wordt verwacht en interna-tionale rapporten vormt de uitkomst van deze gesprekken input voor hetopzetten van rijksbreed beleid. De uitwerking daarvan is onderdeel vanmijn volgende halfjaarbrief.Vraag:Het is mooi om te lezen dat de Minister periodieke strategische dreigings-beelden zal opstellen op het gebied van ondermijning. Graag horen wenog wat meer over wat dit precies zal inhouden en welke informatie alsinput zal dienen en hoe die geobjectiveerd kan worden. Hoe wordt er voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 304 gekozen bepaalde informatie wel of juist niet mee te nemen? Zeker als hetgaat om (soms) oneindige buitenlandse informatie zouden we dit graagvernemen. Worden in deze dreigingsbeelden ook prestatie-indicatorenopgenomen om effectiviteit te meten?Antwoord:Het Strategisch Kenniscentrum Ondermijnende Criminaliteit (SKC) heefttot taak integrale strategische dreigingsbeelden te maken die richting-gevend zijn voor de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Het eersteintegrale strategische dreigingsbeeld ondermijning verschijnt naarverwachting in 2026. In het dreigingsbeeld op ondermijning wordt eenanalyse gemaakt van de ondermijnende effecten die de (inter)nationalegeorganiseerde criminaliteit heeft op de Nederlandse samenleving, dedreiging die hiervan uitgaat voor de nationale veiligheid en de (systeem-)kwetsbaarheden in Nederland die op het ontstaan, bestaan en deomvang van huidige en potentiële toekomstige ondermijnende effectenvan invloed zijn.Het dreigingsbeeld is geen instrument om de effectiviteit van beleid temeten en bevat geen prestatie-indicatoren. Het dreigingsbeeld maakt hetwel mogelijk om nauwkeuriger, en adaptiever richting te bepalen in deondermijningsaanpak. Kennis en inzichten die in de uitvoering wordenopgedaan zijn bronnen van informatie voor het volgende dreigingsbeeld.Zo kunnen in de uitvoering en tijdens evaluaties van de aanpak bijvoor-beeld nieuwe risico’s worden gesignaleerd, of nieuwe dreigingen diemaatschappelijke schade veroorzaken zichtbaar worden. Deze informatieis nieuwe input voor het volgende dreigingsbeeld.Om de meest relevante selectie te maken uit alle beschikbare informatiewerkt het SKC nauw samen met landelijke partners en de RegionaleInformatie en Expertise Centra’s. Ook maakt het SKC gebruik vaninformatie van kennisorganisaties die wereldwijd of in verschillende delenvan de wereld actief zijn, en vanuit hun lokale kennis en brede netwerk ineen vroegtijdig stadium relevante ontwikkelingen kunnen signaleren enduiden. In het analyseproces vindt toetsing en waardering van dezebronnen plaats voordat deze onderdeel wordt van de dreigingsanalyse.Vraag:Inzage in hoe inzet georganiseerde criminaliteit en ondermijning wordtvertaald naar doelstellingen voor de verschillende onderdelen van destrafrechtketen en hoe gemeten wordt of deze doelstellingen wordenbehaald. We willen in het bijzonder weten hoe speerpunten en aanpak vande Minister op georganiseerde criminaliteit en ondermijning van invloedzijn op de strafrechtketen. Als we alle inzet op het tegengaan vanondermijning en georganiseerde criminaliteit doorvertalen naar deconcrete druk en toestroom op de organisaties van de strafrechtketen ende instroom van verdachten en zaken bij de verschillende organisaties,wat betekent dit dan? Kan de Minister dit kwantificeren? En in hoeverreleent het PMJ-model zich hiervoor? In hoeverre kan dit model helpenbepalen of de doelstellingen bereikt zijn?AntwoordDe keuzes en prioriteiten in de bestrijding van de georganiseerde,ondermijnende criminaliteit hebben altijd impact op de organisatiesbinnen de strafrechtketen. Alle schakels binnen deze keten dienen dan ookvoldoende uitgerust te zijn om optimaal te kunnen functioneren. In deafgelopen jaren hebben meerdere kabinetten dan ook middelenbeschikbaar gesteld, waarmee de slagkracht van deze strafrechtketen-partners aanzienlijk is vergroot. Bij investeringen in de ene strafrechtke-tenorganisatie wordt ook rekening gehouden met keteneffecten bij andereTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 305 strafrechtpartners. Hierdoor zorgen we ervoor dat als één schakel wordtverstevigd, de gehele strafrechtketen kracht bij wordt gezet. Om tevoorkomen dat de strafrechtketenpartners worden overvraagd zijn weverder voortdurend in gesprek met deze organisaties over -de impact van-(nieuwe) speerpunten en beleidsinitiatieven op de keten, als ook over hetwegnemen van eventuele knelpunten die de uitvoering hiervan in de wegzitten.Het Prognosemodel Justitiële ketens (PMJ) raamt de ontwikkeling van decapaciteitsbehoefte in de strafrechtelijke, civielrechtelijke en bestuursrech-telijke keten. Ook kan met het PMJ inzichtelijk worden gemaakt wat de teverwachten gevolgen van ontwikkelingen bij de ene ketenpartner zijn voorde andere ketenpartners in de justitiële keten. De PMJ-ramingen wordenopgesteld in aantallen producten, zoals aantallen rechtszaken, aantallentoevoegingen voor de rechtsbijstand en de behoefte aan celcapaciteit. HetPMJ is een ketenmodel op macroniveau, gebaseerd op een analyse vanhistorische reeksen en exogene factoren. Het PMJ is dus een ramings-model en leent zich niet tot het kunnen bepalen of beleidsdoelstellingenbereikt zijn. Wel geldt dat als de aanpak van criminaliteit succes heeft zichdit op termijn zou kunnen vertalen naar een lagere capaciteitsbehoefte inde keten, die dan zichtbaar wordt in toekomstige PMJ-ramingen.Vraag:Het PMJ raamt wat de benodigde capaciteit is voor de verschillendeorganisaties in de strafrechtketen. Maar hoe zinvol is dit model als hetalleen raamt op basis van cijfers uit het verleden en die doortrekt naar detoekomst? Het kan geen trendbreuken of effecten van nieuwe ontwikke-lingen of nieuw beleid voorspellen. Dit is immers nog niet in de statis-tieken verwerkt en dat zijn juist gegevens die in PMJ worden gebruikt omte voorspellen En juist in de ondermijnende criminaliteit volgen nieuweontwikkelingen, trends, maar ook beleid zich snel op. En de afgelopenjaren is veelal gebleken dat het PMJ niet goed raamt: de gerealiseerdeaantallen in de strafrechtketen weken af van de geraamde aantallen. Hoekan de Minister ervoor zorgen dat het PMJ beter toegerust is op de snelveranderende trends in de (onder)wereld?AntwoordHet startpunt voor het PMJ zijn ontwikkelingen in de samenleving diegeheel of grotendeels buiten de invloedssfeer van JenV liggen. Dergelijkeontwikkelingen kunnen gevolgen hebben voor het ontstaan van crimina-liteit en rechtsproblemen en daarmee voor het beroep op de justitiëleketens. Te denken valt bijvoorbeeld aan de mogelijke gevolgen vanontwikkelingen in sociale cohesie, maatschappelijke ongelijkheid, botsingvan culturen en welvaart. Zo worden de veranderende trends in demaatschappij in beeld gebracht en meegenomen in het PMJ-model.Daarbij wordt naast de beleidsneutrale raming in het PMJ ook rekeninggehouden met kwantitatieve effecten van nieuwe wet- en regelgevingevenals andere voorgestelde (beleids-)maatregelen die naar verwachtinginvloed hebben op de capaciteitsbehoefte. Indien beleidsaanpassingeninvloed hebben op de capaciteitsbehoefte zal dit leiden tot bijstellingenvan de PMJ-ramingen.Een model is een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Er zit altijd eenonzekerheidsmarge in de cijfers. Verder kan het PMJ-model geentrendbreuken voospellen (tenzij er trendbreuken in de exogene factorenaanwezig zijn) maar dit probleem is inherent aan prognosemodellen in hetalgemeen. Geen enkel prognosemodel is perfect, maar door de jaren heenis steeds vastgesteld dat het PMJ het beste model is dat momenteelvoorhanden is. Het model is meermalen geëvalueerd, met positieveTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 306 bevindingen. De conclusie van de op één na laatste externe evaluatie vanhet PMJ van Everhardt et al. (2016) luidde dat «er geen aanwijzingen zijndat het model fundamenteel zou moeten worden herzien vanwege nieuweeconometrische en/of criminologische inzichten. (...) Het model ziteconometrisch goed in elkaar.»1 In één van de evaluaties die heeftplaatsgevonden is ook gekeken naar de voorspelkracht van het model. Devoorspelfouten van PMJ zijn drie tot vier jaar vooruit kleiner of vrijwelgelijk aan die van alternatieve eenvoudige tijdreeksmodellen. Daarna ishet beeld diffuus. De meest recente externe evaluatie van De Poot et al.(2020) heeft de conclusie van Everhardt et al. (2016) overgenomen enheeft zich derhalve meer op het proces rondom het PMJ gericht. Zijhebben de wensen van de eindgebruikers van het PMJ in kaart gebrachten hieruit komt niet naar voren dat gebruikers behoefte hebben aan eenradicaal ander model. Als laatste kan er ook sprake zijn van een «self-denying prophecy»: als de ramingen een ongewenste ontwikkelingvertonen, kan er beleid worden ingezet om deze ongewenste ontwikke-lingen tegen te gaan. Per definitie zullen de ramingen dan niet wordengerealiseerd (wat ook de bedoeling was van het ingezette beleid).Daarnaast wordt met de langetermijn onderzoeksagenda de mogelijk-heden voor het verbeteren van de ramingen van het PMJ onderzocht. HetWODC heeft onderzocht in hoeverre nieuwe ontwikkelingen op het gebiedvan data en technieken benut zouden kunnen worden om de PMJramingen te verbeteren. De resultaten zijn naar uw Kamer gestuurd(Kamerstuk 29 279, nr. 853). De conclusie uit dit onderzoek is dat eenaantal technieken hiervoor in aanmerking komen. In een vervolgon-derzoek zal een aantal pilots met de meest veelbelovende algoritmes opeen beperkt aantal onderdelen van de justitiële ketens worden uitgevoerdom te kijken of deze algoritmes ook daadwerkelijk tot een hogerevoorspelkwaliteit leiden. Indien er nieuwe inzichten zijn, wordt uw Kamerdaarover geïnformeerd.Vraag:In hun boek Ondermijning (2024) vragen Pieter Tops en Edward van derTorre zich terecht af wat geleerd is van alle informatie en inzichten diepolitie en justitie hebben verkregen door het kraken van cryptotelefoonsvan criminelen. Wat leren al deze data en gegevens Nederland tot nu toe?Wat zegt het ontstane inzicht over de georganiseerde misdaad in onsland? Welke maatschappelijke schade is hierdoor ontstaan en wat kanhiertegen gedaan worden? Wat zouden de politieke consequenties hiervanmoeten zijn, bijvoorbeeld voor investeringen in het opsporingsapparaaten in de strafrechtketen?(...) Kan Minister deze analyse aan de Kamersturen?AntwoordEen uitgebreide analyse waar om wordt gevraagd is op dit moment niet tegeven. Bovendien zijn sommige vragen, zoals welke maatschappelijkeschade er is ontstaan door de georganiseerde misdaad, niet zomaar tebeantwoorden op basis van deze data. Wel kan worden gesteld datcryptodata van grote waarde is (geweest) in de aanpak van de georgani-seerde misdaad.De inzichten uit de ontsleutelde cryptocommunictaie maakt dat we steedsbeter zicht krijgen op hoe criminelen te werk gaan. Zo is er bijvoorbeeldinzicht verkregen in de manier waarop criminele organisaties hungeldstromen inrichten; het geld verdwijnt vaak snel naar het buitenland ofwordt buiten het reguliere financiële stelsel om via «ondergronds1Everhardt, T., Vonk, J., Wilms, P. (2016). «Review PMJ ramingen. Second opinion van debeleidsneutrale ramingen». Den Haag: APETweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 307 bankieren» weggesluisd. Dat betekent dat we onze aanpak daarop moetenaanpassen, bijvoorbeeld door meer in te zetten op internationalesamenwerking. Zo raken we criminelen steeds vaker waar het ook echtpijn doet. We blijven de aanpak doorlopend kritisch bekijken, passen onsaan waar nodig en leren van de gedane inzichten en ervaringen. Zo stelthet kabinet dit jaar ook extra middelen ter beschikking om gerichteversterkingen door te trekken tot in de haarvaten van de ondermijnings-aanpak. Hiermee wordt de slagkracht van de politie en andere strafrecht-ketenpartners op een aantal kwetsbare onderwerpen vergroot.Zoals ook in het halfjaarbericht Politie van juni 2023 gemeld zijn politie enOM er in de afgelopen jaren meerdere malen in geslaagd om cryptocom-municatiediensten te ontmantelen en toegang te krijgen tot versleuteldberichtenverkeer van criminelen. Het gaat onder andere om Ennetcom,Encrochat, SkyECC, ANOM en de cryptocommunicatiedienst Exclu.Hierdoor is een enorme hoeveelheid waardevolle data en informatiebeschikbaar. Die geven inzicht in criminele werkwijzen en processen enworden in veel opsporingsonderzoeken gebruikt. Relevante data kunnenter beschikking worden gesteld aan lopende opsporingsonderzoeken ofworden gebruikt om nieuwe opsporingsonderzoeken te starten. Over hetalgemeen hoeven door deze manier van werken in die onderzoekenminder traditionele opsporingshandelingen te worden verricht omaanvullende gegevens te verzamelen en duren deze daardoor minderlang. Er zijn inmiddels dan ook vele strafzaken geweest waarin decryptodata als bewijs is gebruikt. Marengo en Eris zijn grote, bekendevoorbeelden.Verder heeft de data tot verschillende belangrijke, strategische inzichtengeleid. Zie bijvoorbeeld het versterkte inzicht in de rol die ondergrondsbankieren speelt in de drugseconomie.Gelet op de inhoud van de data is het van groot belang dat hier ergzorgvuldig mee wordt omgegaan. De politie en justitie zijn daarom terechterg terughoudend met het delen van de data. Dat geldt ook voor hetgebruik van deze data voor wetenschappelijke analyses, waarbijbovendien de Minister van Justitie en Veiligheid toestemming moetgeven.Vragen Politie:–Een derde onderwerp dat we willen aankaarten als rapporteurs is decapaciteit van de grootste organisatie uit de strafrechtketen, de politie.En dan vooral de inzichtelijkheid van de budgetten binnen de politie ende ruimte van de Kamer om daarop te amenderen. We hebben het alvaker aangekaart: hoe kan de Kamer inzicht krijgen in wat de politiewel en niet doet met de ruim 8 miljard euro die het jaarlijks ontvangt?–In de politiebegroting wordt wel toelichting gegeven op bepaaldespeerpunten zoals de aanpak van cybercrime of georganiseerdecriminaliteit, maar er wordt niet toegelicht hoeveel budget daarmeegemoeid gaat. Waar gaat nu precies het meeste geld heen? Hoekunnen wij controleren of de juiste keuzes in opsporing gemaaktworden als we dit niet weten?Antwoord:De politie wordt grotendeels met een algemene bijdrage bekostigd diebedoeld is voor het uitvoeren van de wettelijke politietaak. De gedachtehierachter is dat de korpschef het beheer zodanig kan vormgeven dat dithet best aansluit bij de prioriteiten van de vele verschillende (lokale)gezagsdragers. Uitgangspunt in het politiebestel is immers dat beheer hetgezag volgt. De Minister van Justitie en Veiligheid is politiek verantwoor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 308 delijk voor het beheer en bepaalt wat de politie kan en het gezag bepaaltwat de politie doet. De Korpschef bepaalt als korpsbeheerder hoe depolitie haar taak uitvoert. De Minister van Justitie en Veiligheid stelt hetfinanciële kader en het kader voor de operationele sterkte vast en verdeeltde sterkte over de eenheden. Algemene sterkte-uitbreidingen vindenplaats via een door de Tweede Kamer goedgekeurde systematiek. Naaraanleiding van een brief van de regioburgemeesters en het OM en demoties Van der Plas c.s. en Van der Werf en Kuik wordt een nieuweverdeelsystematiek voor politiesterkte vormgegeven2. Naast de algemenebijdrage ontvangt politie ook bijzondere bijdragen voor een specifiekomschreven doel. De jaarverantwoording van de politie biedt specifiekinzicht in de besteding van de bijzondere bijdragen zoals bijvoorbeeldvoor een deel van de Hermansmiddelen die zijn toegekend als bijzonderebijdragen waaronder middelen voor zedenwetgeving en versterkingopsporing/landelijke eenheid. Dit zal ook gelden voor een deel van deintensiveringen uit de enveloppe nationale veiligheid.Op basis van de beheersverantwoordelijkheid van de Minister wordt deTweede Kamer in de JenV-begroting (met als bijlage de ontwerpbegrotingpolitie), het JenV-jaarverslag (met als bijlage het jaarverslag politie) en dehalfjaarberichten geïnformeerd over ontwikkelingen op de verschillendepersonele en materiële posten.In opvolging van de motie van de leden Helder en Van der Werf(Kamerstuk 36 200 VI, nr. 52) is meer informatie opgenomen om hetinzicht van de Tweede Kamer in de besteding van het budget te vergroten.Het betreft een tabel met een uitsplitsing van de meerjarige uitgaven naarkostencategorieën. Deze is voor het eerst in de JenV begroting 2021opgenomen. Daarnaast is een extra tabel met meerjarig inzicht in deoperationele sterkte en de toedeling daarvan aan de verschillendeonderdelen van het politiekorps opgenomen en een meerjarig inzicht inde ontwikkeling van de niet operationele sterkte.De kostenpost personeel heeft de grootste omvang. In het halfjaarberichtpolitie wordt nader inzicht geboden in deze post. In de kerncijfers is eenoverzicht opgenomen met een indeling in fte van de operationele sterktenaar de volgende acht werksoorten: GGP, opsporing, intake & service enmeldkamer, informatiefunctie, beveiliging, leiding, overige operationelefuncties en aspiranten. Uit de cijfers in het eerste halfjaarbericht politie2024 blijkt dat ultimo 2023 40,3% van de totale operationele bezetting valtin de categorie gebiedsgebonden politie (20.504 fte), 20,6% in de categorieopsporing (10.480 fte) en 10,7% (5.453 fte) in de categorie intake & serviceen meldkamer.Vraag:In het bijzonder willen we weten hoe de prioriteiten uit de Veiligheidsa-genda, die inzet vragen van de politie, worden doorvertaald naarpolitiecapaciteit. Of is daar geen harde onderbouwing voor? In debegroting zien wij dit in ieder geval niet terug. Er zijn ook geen gekwantifi-ceerde doelstellingen te vinden t.a.v. de prioriteiten uit de Veiligheidsa-genda voor politie. Kan de Minister daarop ingaan?AntwoordDe Veiligheidsagenda bevat gekwantificeerde doelstellingen voor politieop de thema’s ondermijning en georganiseerde criminaliteit, mensen-2Naar aanleiding van een brief van de regioburgemeesters en het OM en de moties Van der Plasc.s. (Kamerstuk 36 200 VI, nr. 87) en Van der Werf en Kuik (Kamerstuk 29 628, nr. 1176) wordteen nieuwe verdeelsystematiek voor politiesterkte vormgegeven. Deze zal worden gebruiktvoor het verdelen van eventuele nieuwe sterkte over de regionale eenheden in de toekomst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 309 handel, cybercrime, gedigitaliseerde criminaliteit en online seksueelkindermisbruik. Deze staan in de Veiligheidsagenda zelf en zijn te vindenop pagina 29 van de begroting van JenV. De doelstellingen in deVeiligheidsagenda zijn eind 2022 vastgesteld door de Minister van Justitieen Veiligheid, gehoord het College van procureurs-generaal en deregioburgemeesters. De korpschef was een belangrijke adviseur in datproces. Er is geen doorvertaling gemaakt naar politiecapaciteit. Wel is deinschatting gemaakt dat het ambitieniveau van de doelstellingenrealistisch is. De onderbezetting bij politie en de krapte op de arbeids-markt zijn bij het realiseren van de doelstellingen en in het gesprekdaarover vanzelfsprekend een factor die in ogenschouw wordt genomen.Vraag:In 2016 al heeft de Algemene Rekenkamer onderzoek gedaan naarcapaciteitsmanagement bij de politie en de koppeling van geld aandoelstellingen. De Rekenkamer constateerde destijds dat de personelebezetting nog niet stabiel was, maar met name dat er een cultuur waswaarin sturen op capaciteit als een inperking van persoonlijke vrijhedenwordt gezien. Om die redenen zou de politie onvoldoende sturen op demeest effectieve inzet van haar capaciteit. De Rekenkamer benoemdeverder dat «het onvoldoende sturen op capaciteit niet alleen het makenvan goede keuzes binnen de uit te voeren werkzaamheden belemmert,maar beperkt ook de flexibiliteit van de politie om in te kunnen spelen opde wisselende vraag vanuit de samenleving. Ook de zakelijke dialoog methaar opdrachtgevers over de vraag welke taken wel of niet kunnenworden uitgevoerd, lijdt hieronder. Daarnaast kan de politie nog onvol-doende verantwoording afleggen over de hoeveelheid capaciteit die isbesteed aan de aanpak van (bepaalde vormen van) onveiligheid.» Graagvernemen wij van de Minister wat er sindsdien gebeurd is. Welke stappenzijn er gezet om verbetering te brengen in de sturing op capaciteit?Antwoord:Sinds de vaststelling van de «Visie op capaciteitsmanagement politie» in2018 werkt de politie aan de sturing met capaciteitsmanagement encultuurontwikkeling aan de hand van vier speerpunten: (1) procesbe-schrijving van capaciteitsmanagement, (2) de sturing op capaciteitsma-nagement, (3) cultuurontwikkeling waarin specifiek aandacht wordtbesteed aan verantwoord kiezen, flexibiliseren, kostenbewustzijn, ruimtegeven en medewerkerswelzijn en (4) Randvoorwaarden als kwaliteit vanleidinggevenden, de juiste beleidskaders en ondersteunende ICT-tools. Dithelpt om een balans te bereiken tussen vraag naar en aanbod vancapaciteit en draagt daarmee bij aan transparantie richting gezag (wat kande politie aan) en anderzijds aan het optimaliseren van de balanswerk-privé voor medewerkers. Hoe de capaciteit vervolgens wordtingezet, is aan het lokaal gezag. De verbeteringen in het capaciteitsma-nagement helpen het gezag om tot de juiste keuzes te komen. Concretemijlpalen hierin zijn:De politie heeft inmiddels een nieuw plansysteem verworven en werktnu aan de stapsgewijze implementatie hiervan. Sinds 2023 is het deelvan het nieuwe systeem in gebruik genomen dat de politie faciliteertom tactisch capaciteitsmanagement te bedrijven. Leidinggevenden enadviseurs zijn getraind om hun tactische jaarplannen eenduidig op testellen met behulp van het nieuwe systeem. Hierdoor wordt sturen opcapaciteit steeds meer gezien als een gedeelde verantwoordelijkheidvan de managementlijn. De vervolgstap, die begin 2025 gezet zalworden, is de implementatie van het operationele deel en de vertalingvanuit jaarplannen naar concrete roosters per periode.Vanaf dat moment zal het Anders Roosteren in de gehele politieorgani-satie worden uitgerold. Anders Roosteren is een manier om medewer-kers individueel vanuit een gedeelde teamverantwoordelijkheid meerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 3010 zeggenschap te geven over hun arbeidstijden, passend bij de vraagnaar politiecapaciteit van buiten. Het nieuwe systeem, in tegenstellingtot het huidige systeem, faciliteert deze manier van roosteren.Er is een korpscapaciteitsmanagementtafel opgericht, om eenheidover-stijgende operationele vraagstukken en de landelijke ontwikkeling vancapaciteitsmanagement logisch met elkaar te verbinden op één plek.Dit helpt bij het voeren van een zakelijke dialoog met de opdrachtge-vers over de vraag welke taken wel of niet kunnen worden uitgevoerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VI, nr. 3011
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.