De aangifte tegen minister Moes
Brontekst
Versie 8c9a9d935d413bfa · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Justitie en Veiligheid (VI) voor hetjaar 2026Nr. 30 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 19 december 2025Op 16 oktober 2025 is aangifte gedaan tegen de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap, de heer Moes. De aangever stelt – kort gezegd –dat de Minister in het openbaar oneigenlijke druk heeft uitgevoerd op deRadboud Universiteit om aangifte te doen tegen hem. De Minister zou zichdaarmee schuldig hebben gemaakt aan het ambtsmisdrijf als bedoeld inartikel 365 van het Wetboek van Strafrecht (misbruik van gezag).Artikel 119 van de Grondwet bepaalt dat de leden van de Staten-Generaal,de Ministers en de Staatssecretarissen wegens ambtsmisdrijven in diebetrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden, terecht staan voor de HogeRaad en dat de opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijkbesluit of bij een besluit van de Tweede Kamer. Het Protocol inzake debehandeling van aangiften tegen leden van de Staten-Generaal, Ministersen Staatssecretarissen (hierna: het Protocol Ambtsmisdrijven) geeftbinnen de kaders van artikel 119 Grondwet en de Wet ministeriëleverantwoordelijkheid, richtlijnen voor de omgang met aangiften tegenleden van de Staten-Generaal, Ministers en Staatssecretarissen.Conform dit Protocol Ambtsmisdrijven heeft de procureur-generaal bij deHoge Raad de aangifte in ontvangst genomen en is hij een oriënterendonderzoek gestart. Dit oriënterend onderzoek heeft zich gericht op devraag of er aanknopingspunten zijn voor het starten van een opsporings-onderzoek naar de in de aangifte gestelde feiten. Het resultaat van hetoriënterend onderzoek heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad op11 december 2025 met mij gedeeld en toegelicht.De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat uit hetoriënterend onderzoek geen feiten en omstandigheden naar voren zijngekomen waaruit een verdenking van enig ambtsdelict kan voortvloeien.Het onderzoek heeft geen aanknopingspunten opgeleverd voor eenstrafrechtelijk onderzoek naar de aangifte. Voor zijn toelichting verwijs ik u kst-36800-VI-30ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 301 naar de pagina «publicaties» op de website van de Hoge Raad:www.hogeraad.nl/over-ons/publicaties.Eveneens op basis van het Protocol Ambtsmisdrijven is het vervolgensaan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om te beslissen of hetinstellen van een opsporingsonderzoek geïndiceerd is. Op basis van debevindingen van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, meen ik dat ditniet het geval is en beslis ik overeenkomstig. Dit betekent dat er ook geenstrafvervolging van de Minister komt naar aanleiding van deze aangifte. Ikheb de procureur-generaal bij de Hoge Raad van mijn beslissing op dehoogte gesteld.Voor de volledigheid wijs ik erop dat de bevindingen van de procureur-generaal bij de Hoge Raad en mijn daaruit voortvloeiende beslissing omgeen opsporingsonderzoek te starten, niet in de weg staan aan eenopdracht tot vervolging bij een besluit van de Tweede Kamer.De Minister van Justitie en Veiligheid,F. van OostenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 302
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.