KamerkringInloggen
Kamerstuk

Nota naar aanleiding van het verslag

19 apr 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f75ac983a2a8dac3 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 481Herstel van wetstechnische gebreken enleemten alsmede aanbrenging van anderewijzigingen van ondergeschikte aard in diversewetsbepalingen hoofdzakelijk op het terrein vanhet Ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties (Verzamelwet BZK 20XX)Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 19 april 2024 Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen enopmerkingen van de leden van de fracties van NSC en de SGP. Graagbeantwoord ik deze vragen mede namens de Staatssecretaris vanBinnenlandse Zaken Koninkrijksrelaties.I. Algemeen De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan dit wetsvoorstel. Deze leden hebben nog een vraag over de voorge-stelde wijziging van de Algemene pensioen- en uitkeringswet politiekeambtsdragers (Appa) en het voornemen van de regering om het voorpensioengerechtigden mogelijk te maken om tien procent van hetpensioenvermogen in één keer op te nemen. Deze leden hebben hierbezwaar tegen en wijzen erop dat definitieve besluitvorming over het inéén keer opnemen van dit bedrag nog moet plaatsvinden. Kan de regeringaangeven hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het ineens opnemen vandit bedrag?Deze leden merken voorts op dat in de onderdelen A en B van devoorgestelde wijziging van de Wet Appa twee keer gesproken wordt overwijziging van art. 52b. Kan de regering dit uitleggen? Kan het zijn dat inonderdeel A art. 52a van de Wet Appa wordt bedoeld en niet art. 52b?De leden van de NSC-fractie merken op dat de definitieve besluitvormingover het in één keer opnemen van 10 procent van het pensioenvermogennog moet plaatsvinden en vragen hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tothet ineens opnemen van dit bedrag.In de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen is in een nieuw artikel 69avan de Pensioenwet geregeld dat het voor deelnemers aan een pensioen-regeling mogelijk is om tot 10% van het door hun opgebouwde pensioenineens op te nemen op de pensioeningangsdatum. In artikel I, onderdeelRa, van de Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021 is eennieuw artikel 13k ingevoegd in de Appa, waarin onder verwijzing naar kst-36481-8ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 81 artikel 69a van de Pensioenwet voor politieke ambtsdragers dezelfdemogelijkheid wordt geregeld. Dit is in overeenstemming met hetuitgangspunt om de Appa-pensioenen te regelen op de voet van deregeling voor het overheidspersoneel, afgezien van afwijkende elementendie noodzakelijk zijn in verband met het bijzondere karakter van politiekefuncties, waarop artikel 69a van de Pensioenwet immers ook vantoepassing zal zijn.1 De inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Ra, vande Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten, en dus van artikel 13kvan de Appa, is op grond van artikel XII, onderdeel 3, van de Wetaanpassing Appa en enkele andere wetten 2021 gekoppeld aan deinwerkingtreding van artikel 69a van de Pensioenwet. Dit betekent datartikel 13k niet inwerking treedt zolang genoemd artikel 69a niet inwerking is getreden. Artikel 69a is nog niet in werking getreden, omdat deEerste Kamer de regering heeft verzocht om met de (vertegenwoordigersvan de) pensioenuitvoerders in overleg te treden om één onderdeel vanhet keuzerecht aan te passen, zodat dit onderdeel voor de uitvoeringminder complex is, beter communiceerbaar is en substantieel lagereuitvoeringskosten kent. Hiertoe is eind juni 2022 een wetsvoorstel van deWet herziening bedrag ineens ingediend bij de Tweede Kamer.2 In datwetvoorstel vindt onder meer een vernummering plaats binnen artikel 69avan de Pensioenwet van het derde tot en met vijfde lid tot het zesde tot enmet achtste lid. In verband hiermee dient de verwijzing in artikel 13k vande Appa naar artikel 69a, vierde lid, te worden vervangen door eenverwijzing naar artikel 69a, zesde lid. Hiertoe strekt artikel II van hetwetsvoorstel; dit betreft dus een puur technische aanpassing. Dezeaanpassing dient op hetzelfde tijdstip inwerking te treden of tot en met dattijdstip terug te werken als de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Ra,van de Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021. Dit isgeregeld in artikel XLV, vierde lid, van het onderhavige wetsvoorstel.Zolang artikel 69a van de Pensioenwet niet in werking treedt, zal artikel13k van de Appa dus evenmin in werking treden.De leden van de NSC-fractie vragen voorts of de regering kan uitleggenwaarom in de onderdelen A en B van de voorgestelde wijziging van deAppa twee keer gesproken wordt over wijziging van artikel 52b.Bij de Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten 2021 is de tekst vanartikel 52b van de Appa gewijzigd; de inwerkingtreding van dit artikel wasvoorzien bij koninklijk besluit. Per abuis is het gewijzigde artikel bijkoninklijk besluit van 13 juni 2022 met ingang van 1 juli 2022 in werkinggetreden. Het gewijzigde artikel kan echter niet worden toegepast, zolanghet Besluit sollicitatie gewezen politieke ambtsdragers nog niet isaangepast. Daarom wordt thans in artikel I, onderdeel A, voorgesteld dewijziging van artikel 52b terug te draaien (met terugwerkende kracht tot enmet 1 juli 20223). In onderdeel B is de formulering van artikel 52bopgenomen, zoals vastgesteld bij de Wet aanpassing Appa en enkeleandere wetten 2021; dit onderdeel zal op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip in werking treden. Dit tijdstip zal hetzelfde tijdstip zijnwaarop de beoogde wijziging van het Besluit sollicitatie gewezen politiekeambtsdragers in werking zal treden. Wanneer dit precies is, is nog nietbekend.De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Deze leden hebben ten aanzien van twee wettenvragen.1De Pensioenwet is niet van toepassing op de Appa-pensioenen.2Kamerstukken II, 2021/22, 36154.3Zie artikel XLV, onderdeel 2, onder a.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 82 II. Artikelsgewijs deel Artikel XII KieswetDe leden van de SGP-fractie zouden graag op twee regelingen uit deKieswet nadere toelichting ontvangen in het kader van deze Verzamelwet.Allereerst zouden de leden van de SGP-fractie graag een duiding krijgenvan artikel V 11 in het licht van de praktijk van de aanvang van hetlidmaatschap van de Tweede Kamer. Deze leden vragen hoe de regeringde beschikking inzake toelating interpreteert, of deze in de praktijkdaadwerkelijk functioneert en hoe het moment van ontvangst zou moetenworden bepaald. Is de regering ook van mening dat het besluit van deKamer over het voorstel van de Commissie voor het onderzoek van degeloofsbrieven niet als zodanig kan worden geïnterpreteerd? Meerfundamenteel vragen deze leden naar de verhouding van de Kieswet totde bedoeling van de Grondwetgever. Hoe is de regeling van de Kieswetover de beschikking inzake toelating te rijmen met de opvatting van deGrondwetgever «dat het tijdstip waarop de eed wordt afgelegd tevens hetmoment is waarop het Kamerlidmaatschap aanvangt.» (Kamerstukken II1978–1979, 14 222, nr. 7, p. 20)? Deze leden constateren dat de staandepraktijk in de Kamer dat na verkiezingen de nieuwe leden wordentoegelaten nadat zij de eed respectievelijk de verklaring of de beloftehebben afgelegd weliswaar in lijn ligt met de bedoeling van de Grondwet-gever, maar weer moeilijk te verenigen is met de bedoeling van deKieswet. Een laatste cluster vragen ziet op het belang van de continuïteitvan het parlement. De Grondwetgever gaf aan dat de Staten-Generaalononderbroken moeten kunnen functioneren en dat de ontbinding van deKamer kan samenvallen met de openingshamerslag van de eerstevergadering van de nieuwe Kamer. Vindt de regering ook dat dit funda-mentele uitgangspunt centraal zou moeten staan bij het ontwikkelen vande regelgeving, ten einde te voorkomen dat een dubbele Kamer of geenKamer zou functioneren? Kan de regering aangeven of daadwerkelijksprake is geweest van een door de Voorzitter van de Tweede Kamer tebepalen tijdstip van ontbinding, zoals aangegeven in ontbindingsbesluiten(bijvoorbeeld Staatsblad 2023, 302)?Alles overziende vragen de leden van de SGP-fractie hoe de regering hetgebrek aan consistentie zou willen verhelpen. Wil de regering met oog opeen duidelijke regeling verkennen of het mogelijk is te bepalen dat hetdoor de Kamer te nemen toelatingsbesluit het tijdstip bevat waarop hetlidmaatschap aanvangt, zodat naar analogie van de benoeming vanbewindslieden geen twijfel bestaat over het moment waarop de ambtsuit-oefening aanvangt en dat dit moment niet samen hoeft te vallen met hetmoment van beëdiging?De SGP-fractie heeft een aantal vragen gesteld over de benoeming en detoelating van nieuwe leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.Meer in het bijzonder heeft de fractie gevraagd naar de verhouding tussende regelgeving hieromtrent in de Grondwet en de Kieswet. De regering isgaarne bereid de door de SGP-fractie aan haar gestelde vragen op dezeplaats te beantwoorden. Wel brengt de regering daarbij graag te berde dathet bij uw Kamer ingediende voorstel van wet op dit punt géénaanpassing bevat. Een inhoudelijke aanpassing van de Kieswet zou zichbovendien niet goed verdragen met het karakter van een technischeverzamelwet, die immers technisch en beleidsarm van aard dient te zijn.Nadat de Kiesraad, in zijn hoedanigheid van centraal stembureau voor deverkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, deuitslag van een Tweede Kamerverkiezing heeft vastgesteld, brengt deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 83 voorzitter van het centraal stembureau de personen die tot lid van deKamer zijn benoemd schriftelijk in kennis daarvan. Sinds eind 2001 staatin de Kieswet dat de voorzitter dit doet door een daartoe strekkende brief– de zogenoemde «benoemingsbrief» – onverwijld aan de voorzitter vande Kamer te overhandigen, die deze brief uiterlijk de dag nadat deverkiezingsuitslag is vastgesteld4 tegen gedagtekend ontvangstbewijsuitreikt aan de benoemde of aangetekend aan deze verzendt.5 Op adviesvan de Kiesraad werd de Kieswet daarmee in overeenstemming gebrachtmet de bestaande praktijk.6 Op hetzelfde moment stelt de voorzitter vanhet centraal stembureau de Tweede Kamer ook schriftelijk in kennis vande benoeming: de zogenoemde geloofsbrief.Het is vervolgens aan de benoemde om te beslissen of hij de benoemingaanneemt. Neemt de benoemde de benoeming aan, dan gaat de TweedeKamer onverwijld over tot het onderzoeken van diens geloofsbrief en hetbeslissen of de benoemde als lid van Kamer kan worden toegelaten. In depraktijk pleegt de beslissing van de Kamer te worden voorbereid door deCommissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven,7 maar het isuiteindelijk de Kamer die plenair de beslissing neemt over iemandstoelating als Kamerlid. In het verslag hebben de leden van de SGP-fractiede regering gevraagd of de beschikking inzake de toelating in de praktijkdaadwerkelijk functioneert. De regering heeft geen aanwijzingen dat zichop dit punt thans grote problemen voordoen.De aan het woord zijnde leden hebben voorts de vraag gesteld hoe hetmoment van ontvangst van de beschikking inzake de toelating bepaaldmoet worden. In artikel V 11 van de Kieswet is immers vastgelegd dat hetbetrokkene Kamerlid is vanaf het moment dat de beschikking omtrentdiens toelating aan hem bekendgemaakt is.8 Bij veel vertegenwoordi-gende organen betreft het een bekendmaking in de zin van artikel 3:41,eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Maar omdat de TweedeKamer der Staten-Generaal zelf geen bestuursorgaan is,9 kan die bepalinghooguit analoog worden toegepast waar het de toelating van nieuweKamerleden betreft. De relevantie van het moment van ontvangst van debeschikking inzake de toelating moet evenwel niet worden overschat. Alsiemand benoemd wordt, zijn benoeming aanneemt en vervolgens door deKamer in een plenaire vergadering wordt toegelaten als lid van de Kamer,dan is het rechtsgevolg hiervan dat vanaf dat moment de bepalingen uitde Kieswet die gevolgen verbinden aan het Kamerlidmaatschap op debetrokkene van toepassing zijn. Als er bijvoorbeeld op dat moment eenandere Kamerzetel vacant komt dan waarop betrokkene is benoemd, dankomt de betrokkene niet meer voor benoeming in aanmerking.10 En na detoelating kan de betrokkene zijn ontslag indienen,11 of tijdelijk verlofaanvragen wegens zwangerschap en bevalling.12 Het afgelegd hebben4De genoemde termijn is wettelijk vastgelegd bij Wet van 25 september 2008 tot wijziging vande Kieswet en enkele andere wetten houdende enkele technische aanpassingen (Stb. 2008,405). In werking getreden op 1 december 2008 (Stb. 2008, 481). In werking getreden op1 december 2008 (Stb. 2008, 481).5Wet van 20 december 2001 tot wijziging van de Kieswet, houdende verlenging van de duur vande stemming van zeven uur dertig ’s ochtends tot negen uur ’s avonds alsmede regeling vandiverse andere onderwerpen (Stb. 2001, 705. In werking getreden op 29 december 2001 (Stb.2001, 705).6Kamerstukken II 2000/01, 27 673, nr. 3, p. 7.7Art. 2.1 RvOTK.8Art. V 11 Kieswet.9Art. 1:1 lid 2 onder b Awb.10Art. W 2 lid 1 onder e Kieswet.11Art. X 2 lid 1 Kieswet.12Art. X 10 lid 1 Kieswet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 84 van de eed of de verklaring en belofte is daarvoor géén vereiste.13 Vanafde toelating is iemand Kamerlid.14Op grond van artikel 60 van de Grondwet leggen Kamerleden bij deaanvaarding van hun ambt in de vergadering een eed, dan wel eenverklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aande Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt. Ook de Grondwetgaat er dus vanuit dat men Kamerlid is op het moment dat de eed, danwel een verklaring en belofte, wordt afgelegd; en geen ambteloos burger.Het afgelegd hebben van de eed, dan wel een verklaring en belofte, kandus geen voorwaarde zijn om als lid te worden toegelaten. Als degeneover wiens toelating als Kamerlid in het publiek dan wel in de coulisseaanwezig is op het moment dat de Kamer beslist over diens toelating, dankunnen beide stappen wel direct na elkaar volgen. De regering ziet in hetvoorgaande geen inconsistentie.De SGP-fractie heeft ook vragen gesteld over het belang van continuïteitvan het parlement. De leden vragen de regering of er naar haar oordeel bijvoorbije Tweede Kamerverkiezingen daadwerkelijk sprake is geweest vaneen door de voorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip vanontbinding, zoals aangegeven in, bijvoorbeeld, het meest recenteontbindingsbesluit.15 Anders dan bij de leden van provinciale staten,algemene besturen van waterschappen en gemeenteraden, houdt hetlidmaatschap van de Kamer voor Kamerleden niet van rechtswege ommiddernacht op – waarna de volgende dag het vertegenwoordigendorgaan in nieuwe samenstelling in functie is –, maar op een door devoorzitter van de Tweede Kamer te bepalen tijdstip op een woensdagbinnen een in de Kieswet vastgelegde periode. Dit is vastgelegd in deartikelen C 1, tweede lid, en C 2, eerste lid, van de Kieswet. Met hetaannemen van het amendement-Rehwinkel heeft de Kamer haarvoorzitter met deze plicht belast,16 om het mogelijk te maken dat deKamer op één en dezelfde dag zowel in oude samenstelling als in haarnieuwe samenstelling zou kunnen vergaderen.17Artikel XVII Wet BRPDe leden van de SGP-fractie constateren dat de wijziging van artikel XVIIgeen technische wijziging betreft en daarom niet goed thuishoort in hetwetsvoorstel. Bovendien constateren deze leden dat de voorgesteldewijziging niet goed aansluit bij de opvatting die de regering nog recentheeft uitgedragen. Zij zouden daarom graag een reactie ontvangen op eenaantal vragen.De leden van de SGP-fractie merken op dat het wetsvoorstel raakt aan hetaloude uitgangspunt dat de moeder altijd duidelijk is (mater sempercerta). Bepalingen zoals artikel 2.3 Wet BRP en artikel 1:22 BW geven hierduidelijk rekenschap van. Waarom vindt de regering dat het wijzigen vanzulke bepalingen zomaar bij Verzamelwet zou kunnen gebeuren? Verdientdit niet een open en inhoudelijk debat in plaats van dit weg te schuiven ineen pakket van naar het lijkt technische maatregelen?13Kamerstukken II 1988/89, 20 264, 18, p. 46; en Kamerstukken II 2018/19, 35 273, nr. 3, p. 6.14A.K. Koekkoek, De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar onder redactievan A.K. Koekkoek, Deventer: Tjeenk Willink 2000, p. 351; C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneelrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2005, p. 235; en P.P.T. Bovend’Eert, H.R.B.M. Kummeling, HetNederlandse parlement, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 218–219.15Besluit van 8 september 2023, houdende de ontbinding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Stb. 2023, 302.16Handelingen TK 15 november 2011 (24e vergadering). p. 1726.17Kamerstukken II 2001/02, 27 673, 12. Zie ook Handelingen TK 31 31 oktober 2001 (17evergadering), p. 1112.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 85 De voorgestelde wijziging betrof de artikelen 2.3 en 2.18 Wet BRP die deinschrijving als ingezetene en het eerste adres van de nieuwgeborenebetreffen. Inschrijving vindt op grond van artikel 2.3 Wet BRP automatischplaats als de moeder uit wie het kind is geboren zelf als ingezetene isingeschreven. In artikel 2.18 is bepaald dat het kind wordt ingeschrevenmet het adres van de moeder uit wie het kind geboren is. Het voorstelbetrof de vervanging van de term «moeder» door «ouder» in dezewetsartikelen.Anders dan in het Besluit burgerlijke stand, werd het begrip moeder nietbehouden, maar geheel vervangen door ouder. Ten onrechte is in dememorie van toelichting bij het wetsvoorstel de indruk gewekt dat determinologie van het Besluit burgerlijke stand 1 op 1 is gevolgd. Dat wasniet het geval.Het is hierbij goed om op te merken dat de artikelen 2.3 en 2.18 materieelniet gewijzigd werden: de terminologische wijziging zou niet leiden tot deregistratie van een ander adres voor de nieuwgeborene. Ook betreffendeze artikelen niet de aanduiding van personen in de registratie zelf. In deBRP-registratie zelf worden personen sinds 2001 aangeduid als «ouder».Ook raakte de wijziging niet aan het afstammingsrecht, waarin het door deleden van de SGP-fractie genoemde uitgangspunt «mater semper certaest» van belang is. In een vraag hierna komt dit aan de orde.Met de leden van de SGP-fractie is de regering van mening dat hetvoorstel ten onrechte in het wetsvoorstel was opgenomen omdat een(technische) verzamelwet enkel technische en beleidsneutrale wijzigingendient te bevatten. Zoals reeds aangegeven in mijn brief van 4 maart 2024had de voorgestelde wijziging van de Wet BRP dan ook niet in dezeVerzamelwet opgenomen dienen te worden.18 Om die reden wordtgelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag een nota vanwijziging ingediend, waarmee dit onderdeel uit de Verzamelwet wordtgeschrapt.Voor een goede beantwoording hecht ik eraan toe te lichten hoe devoorgestelde wijziging in het wetsvoorstel terecht is gekomen.Ten eerste was, zoals in de memorie van toelichting bij de Verzamelwet isaangegeven, aansluiting gezocht bij het Besluit van 28 november 2022 totwijziging van het Besluit burgerlijke stand 1994. Hierbij is ten onrechteverondersteld dat deze wijziging van het Besluit burgerlijke stand nooptetot de voorgestelde aanpassing van de Wet BRP. Dat is evenwel niet hetgeval. Bovendien geldt – zoals hiervoor vermeld – dat in het Besluitburgerlijke stand de begrippen moeder en ouder naast elkaar bestaan,terwijl in de voorgestelde wijziging van de Wet BRP het begrip moederwerd vervangen door ouder. De wijziging van het Besluit burgerlijke standregelde kort gezegd dat de transgender man die een kind baart, ervoorkan kiezen om in de geboorteakte als «ouder» in plaats van «moeder»aangeduid te worden. In alle andere gevallen blijft de geboorteaktespreken van «moeder». De wijziging van het Besluit burgerlijke stand zagdaarmee op de aanduiding van personen op de geboorteakte, terwijl dedesbetreffende artikelen 2.3 en 2.18 Wet BRP over de inschrijving en heteerste adres van de nieuwgeborene gaan. Het betreft hier aldus tweeverschillende onderwerpen, waarbij niet noodzakelijkerwijs dezelfdeterminologie hoeft te worden gehanteerd.Ten tweede speelde bij de voorbereiding van het verzamelwetsvoorsteleen rol dat technische verbeteringen werden verzameld die in hetwetsvoorstel opgenomen konden worden. Daarbij werd onder andere18Kamerstukken II 2023/24, 36 481, nr. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 86 gekeken naar niet genderneutrale aanduidingen, waarbij werd verwezennaar aanwijzing 3.8 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, die luidt:«Indien mogelijk worden persoonsaanduidingen gebruikt die sekseneu-traal zijn.» Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het vermijden van mannelijkeof vrouwelijke voornaamwoorden bij verwijzing naar personen of functies:«degene die» in plaats van «hij die». De termen sekse en gender werdenten onrechte door elkaar gebruikt. Gender verwijst echter – anders dansekse – niet naar biologische kenmerken, maar naar sociale, culturele enpsychologische kenmerken die met een geslacht in verband wordengebracht. Ook is er bij de voorbereiding van de verzamelwet ten onrechtevan uitgegaan dat de aanwijzing over het vermijden van onnodigesekse-specifieke persoonsaanduidingen in nieuwe wetgeving inhoudt dattot vervanging moet worden overgegaan van de term «moeder» door«ouder» in bestaande wetgeving, in dit geval de Wet BRP. De aanwijzinglaat evenwel ruimte om hierin keuzes te maken.Hoe is het wetsvoorstel te rijmen met de recente erkenning door deregering dat de juridische duiding van het begrip moeder voor velen vanbetekenis is en dat een algemene aanpassing daarom niet wenselijk was(Kamerstukken II 2020–2021, 35 825, nr. 3, p. 10)? Als nadere reactie gaf deregering zelfs aan dat een verdergaande aanpassing van het afstam-mingsrecht niet proportioneel is, dat de ouder uit wie het kind geboren isin vrijwel alle gevallen een vrouw is en dat het voorstelbaar en invoelbaaris dat veel ouders hechten aan het begrip moeder (Kamerstukken II2021–2022, 35 825, nr. 7, p. 28).De leden van de SGP-fractie wijzen op het standpunt dat de regering heeftingenomen bij de behandeling van de wijziging van Boek 1 van hetBurgerlijk Wetboek in verband met het veranderen van de voorwaardenvoor wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte vangeboorte. Gelet op het voorgaande begrijp ik dat de leden van deSGP-fractie deze vraag stellen. Voor de volledigheid merk ik op dat dewijziging van de Wet BRP in de Verzamelwet niet raakte aan het afstam-mingsrecht, deze zag enkel op inschrijving en registratie van het eersteadres van de nieuwgeborene. Echter deze aanpassing had, alleen alvanwege de door de SGP-fractie genoemde betekenis van het woord«moeder» voor velen, niet in een Verzamelwet met technische enbeleidsneutrale aanpassingen opgenomen dienen te worden. Zoalshierboven is aangegeven ziet de regering dan ook af van de voorgesteldewijziging van de Wet BRP. Hiermee blijft het woord «moeder» dus in deartikelen 2.3 en 2.18 van de Wet BRP staan.En, wanneer dan toch tot wijziging zou moeten worden besloten, zoudendan niet ten minste bepalingen zoals artikel 1:22 BW integraal moetenworden bezien en meegenomen, aangezien deze bepalingen nauwsamenhangen met de Wet BRP?Zoals hierboven aangegeven ziet de regering af van de voorgesteldewijziging van de Wet BRP.De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat de regering in de nota vantoelichting bij de wijziging van het Besluit burgerlijke stand uitdrukkelijkheeft aangegeven dat de wijziging van de begrippen moeder in ouderuitsluitend betrekking had op de specifieke situatie van een persoon dieop het moment van het baren van het kind juridisch als man geregistreerdstaat (Stb. 2022, 484). Waarom meent de regering nu toch op het niveauvan de formele wet af te kunnen wijken van deze duidelijke stelling? Tenovervloede verwijzen deze leden nog naar de stelling van de Minister dathet niet wenselijk en proportioneel is om de aanduiding vader en moederte veranderen in ouder en dat voor een specifieke situatie de genoemdeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 87 wijziging van het Besluit burgerlijke stand werd aangekondigd (Kamer-stukken II 2022–2023, 30 420, nr. 373).Zoals hierboven aangegeven ziet de regering af van de voorgesteldewijziging van de Wet BRP. Niet werd beoogd af te wijken van hetgeen isvermeld in de door de leden van de fractie van de SGP genoemdetoelichting. Ten onrechte werd uitsluitend technisch naar de formuleringgekeken.De leden van de SGP-fractie constateren dat, zoals blijkt uit het onder-zoeksrapport dat aan de Kamer is aangeboden (Kamerstukken II2014–2015, 27 859, nr. 76), het begrip moeder op allerlei plaatsen in dewetgeving aan de orde komt en dat het daarom van wezenlijk belang isvooraf de consequenties van een aanpassing te overzien. Deze ledenvragen op welke wijze de regering dat heeft gedaan en hoe zij kangaranderen dat in de rechtspraktijk niet allerlei onduidelijkheid kanontstaan. Als voorbeeld noemen deze leden de regeling van artikel 3 vande Rijkswet op het Nederlanderschap die spreekt over het kind van eenvader of moeder. Kan zomaar verondersteld worden dat het kind van deouder hier in alle gevallen ook onder geschaard wordt? Is het toelaatbaaren wenselijk om de Nederlandse wet te wijzigen terwijl de hogereRijkswet duidelijk andere terminologie kiest?Ik stel voorop dat in het afstammingsrecht de persoon die het kind baart,geldt als de juridische moeder van het kind (mater semper certa est). Hetjuridische en biologische ouderschap vallen samen. Het kind is hierdoorsteeds verzekerd van een juridische ouder. Aan het afstammingsrechtwijzigt niets, overigens ook niet met de eerder voorgestelde wijziging inde Wet BRP.Het nationaliteitsrecht heeft als hoofdregel dat een kind de Nederlandsenationaliteit verkrijgt indien ten minste één van de ouders Nederlander is(artikel 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap). Voor de toepassingvan de Rijkswet kan, mede gelet op de heldere definitiebepalingen (artikel1 onder c en d van de Rijkswet) geen twijfel bestaan over de vraag of hetNederlanderschap over gaat op het kind van een transgender man. Deaanduiding op de geboorteakte is daarvoor niet bepalend.De Nederlandse wet- en regelgeving is daarmee niet in strijd met deRijkswet op het Nederlanderschap. Pas indien en wanneer een wijzigingvan de terminologie in het afstammingsrecht aan de orde zal zijn, zal ookde relatie met de Rijkswet op het Nederlanderschap en andere wetgevingintegraal moeten worden beoordeeld.De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de verwarringcompleet maakt door gelijktijdig aan dit wetsvoorstel in het wetsvoorsteldraagmoederschap voor te stellen om het begrip moeder in artikel 1:22BW te vervangen door persoon in plaats van ouder. Wat is nu eigenlijk debedoeling? Zou het niet raadzaam zijn ten minste even te wachtenalvorens het begrip moeder te vervangen? De leden van de SGP-fractievragen hoe het wetsvoorstel te verenigen is met de (internationale)verplichtingen die specifiek de bescherming van vrouwen en moedersdienen. Deze leden noemen als voorbeelden het Haags kinderontvoerings-verdrag en het Haags adoptieverdrag, die zich expliciet richten op depositie van moeders. Waarom meent de regering terloops bij Verzamelwetfundamentele begrippen in het familierecht te kunnen wijzigen die een zobelangrijke positie en achtergrond hebben in verdragen? Is hieroverinternationaal voorafgaand afstemming geweest? Deze leden wijzen erbovendien op dat Nederland in 2020 op de vingers is getikt door de Groupof Experts on Action against Violence against Women and DomesticViolence (GREVIO) dat een genderneutrale benadering heeft geleid tot eengebrek aan aandacht voor de specifieke positie van kwetsbare vrouwenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 88 als het gaat om huiselijk geweld. In hoeverre kan een vergelijkbaar risicozich hier voordoen? De leden van de SGP-fractie vragen wat ditwetsvoorstel heel concreet betekent voor de geboorteakte die burgersonder ogen krijgen bij de burgerlijke stand en of de regering voorbeel-daktes wil bijvoegen hoe dit bij verschillende relatievormen uitpakt. Leidthet ertoe dat in de reguliere situatie van een vader en moeder naast degeslachtsnaam van de vader niet langer in de akte te lezen is«geslachtsnaam moeder uit wie het kind is geboren», maar dat daar komtte staan «geslachtsnaam ouder uit wie het kind is geboren»?Graag beantwoord ik deze vraag als volgt. Als gevolg van hetwetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming (36 390) zal deeerste zin van artikel 1:22 lid 1 BW komen te luiden: «De akte van geboortebewijst ten aanzien van een ieder dat op de in de akte vermelde plaats,dag en uur uit de daarin genoemde persoon een kind van het daarinvermelde geslacht is geboren.» De term «moeder» wordt in deze zinvervangen omdat als gevolg van datzelfde wetsvoorstel bij de geboortede draagmoeder niet als de juridische moeder van het kind geregistreerdwordt. Zij blijft evenwel vermeld op de geboorteakte en de bewijsfunctievan de akte blijft in die zin ongemoeid. De termen moeder en vaderblijven ook bij invoering van het Wetsvoorstel kind, draagmoederschap enafstamming behouden in het afstammingsrecht. Zoals de Minister voorRechtsbescherming eerder heeft overwogen, is het invoelbaar datsommigen zich niet thuis voelen in binaire indelingen als «moeder» en«vader», maar is tegelijkertijd ook invoelbaar dat anderen daaraan juistwaarde hechten. Zowel de eerder voorgestelde wijziging in de Wet BRPals de aanpassing van artikel 1:22 BW beogen niet om het gebruik van determ moeder en vader uit het afstammingsrecht te schrappen. Dezeaanpassingen hebben dan ook geen nadelig effect op het beleid tegengeweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en leiden evenmin tot eenwijziging van de akten van de burgerlijke stand.De leden van de SGP-fractie vragen de regering toe te lichten op welkegronden zij meende de wijziging als bedoeld in Staatsblad 2022, 484 doorte kunnen voeren. Onderkent de regering dat de in dit aanpassingsbesluitgenoemde delegatiegrondslagen niet zover strekken dat zij ruimte biedenom in te gaan tegen de kaders van de formele wet? Waarom acht deregering het mogelijk om in het gesloten systeem van het BurgerlijkWetboek, waarin de heldere norm is dat in ieder geval van eenieder demoeder op de geboorteakte vermeld wordt (1:22 BW), toch te bepalen datin sommige gevallen niet van een moeder gesproken wordt?De wijziging van het Besluit burgerlijke stand (Staatsblad 2022, 484) vloeitvoort uit een daartoe strekkende toezegging aan uw Kamer van19 november 2021 (Kamerstukken II 2021/22, 35 825, nr. 7, p. 28).Artikel 1:28c lid 3 BW bepaalt kort gezegd dat het ouderschap van detransgender man uit wie het kind wordt geboren, tot stand komt via deband van artikel 1:198 BW. Hierin is het moederschap geregeld. Daarmeewordt voor het ontstaan van het ouderschap bij de geboorte van het kinduitgegaan van de fictie dat de transgender man nog vrouw is. Het kindheeft zo door geboorte altijd een juridische ouder. Dat is van belang voorde bescherming van het kind. Het voorkomt dat het kind zonder juridischeouder op de wereld komt. Artikel 1:22 BW lees ik in dit licht. In degeboorteakte dient deze afstammingsrelatie te zijn opgenomen. Degeboorteakte bewijst namelijk dwingend uit wie het kind is geboren. Uitartikel 28 lid 3 BW volgt dat daarbij niet van belang is of deze ouder manof vrouw is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 89 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bij algemene maatregel vanbestuur wordt geregeld »al hetgeen het opmaken van de akten betreft».Dit biedt de ruimte om in de geboorteakte de transgender man uit wie hetkind is geboren aan te duiden als de ouder in plaats van de moeder. Ditkan niet leiden tot onduidelijkheid, het gaat in beide gevallen immers omhet juridisch ouder zijn door geboorte. Deze mogelijkheid geeft nadereinvulling aan het respect voor het familie- en privéleven van de betrok-kenen (artikel 8 EVRM), waarbij de aanduiding «moeder» niet passend isvoor een man die een kind krijgt. Ook de Raad van State heeft ingestemdmet deze wijziging en hierin geen aanleiding gezien voor het maken vanopmerkingen over de aanpassing of de verhouding daarvan tot hogerrecht.Deze leden menen dat de regering in de toelichting op het wetsvoorstelniet de juiste rangorde en volgorde in acht neemt. Zij stelt voor om de wetaan te passen aan het reeds gewijzigde Besluit BRP, terwijl eerst sprakegeweest zou moeten zijn van een (her)overweging van de wettelijkekaders alvorens het Besluit te wijzigen.Zoals hierboven aangegeven ziet de regering af van de voorgesteldewijziging van de Wet BRP. Waar in de vraag het Besluit BRP wordtgenoemd lijkt te worden gedoeld op het Besluit burgerlijke stand 1994.De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,H.M. de JongeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 481, nr. 810

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · abde50cab371eeff

14 okt 2026 · 0fc4887e357d0edd

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.