Verslag
Brontekst
Versie 8186694d84e57be3 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 706Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001om een tegenbewijsregeling te introduceren bijhet bepalen van het belastbare inkomen uitsparen en beleggen (Wet tegenbewijsregelingbox 3)Nr. 6 VERSLAGVastgesteld 28 april 2024 De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidendonderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslaguit te brengen van haar bevindingen.Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig engenoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbareberaadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,Nijhof-LeeuwAdjunct-griffier van de commissie,Lips kst-36706-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 61 Vragen en opmerkingen namens de commissie AlgemeenDe vaste commissie voor Financiën heeft in het kader van het voorbe-reidend onderzoek van dit wetsvoorstel de leden Stultiens (GroenLinks-PvdA) en Van Eijk (VVD) tot wetgevingsrapporteurs benoemd. Dewetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag eenschriftelijke inbreng opgesteld met vragen van verdiepende en verduidelij-kende aard aan de regering. De commissie heeft in de procedureverga-dering van 17 april 2025 besloten de inbreng van de wetgevingsrappor-teurs over te nemen en in het verslag als inbreng van de commissie op tenemen.1 Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel mogelijk de volgordevan de memorie van toelichting aangehouden. Na de inbreng namens decommissie volgen in dit verslag de vragen en opmerkingen van de diversefracties, eveneens zoveel mogelijk in de volgorde van de memorie vantoelichting van het wetsvoorstel.RondetafelgesprekDe vaste commissie voor Financiën heeft op 16 april 2025 een rondetafel-gesprek met experts gevoerd over het wetsvoorstel, waarvoor de herenBavinck, Niessen, Boer en Heithuis zogenoemde position papers hebbenaangeboden. De leden van de commissie zijn de experts zeer erkentelijkvoor hun bijdragen aan dit gesprek. De leden van de commissie vragen deregering om een reactie op de position papers van deze experts.2Inleiding en achtergrondDe leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat hetwetsvoorstel beoogt de heffing in box 3 in overeenstemming te brengenmet de jurisprudentie van de Hoge Raad en dat daartoe een tegenbewijs-regeling in box 3 wordt geïntroduceerd. De Hoge Raad heeft geoordeelddat onder het forfaitaire stelsel een schending van artikel 1 EP insamenhang met artikel 14 EVRM optreedt wanneer het werkelijkrendement van een belastingplichtige lager is dan het forfaitairerendement. In zo’n geval moet rechtsherstel worden geboden, waarvoorde Hoge Raad regels heeft geformuleerd. De leden van de commissielezen in de memorie van toelichting dat de regering van mening is dat deHoge Raad duidelijk heeft aangegeven hoe rechtsherstel moet wordengeboden en dat daarom geen alternatieve opties aan de orde zijn.De leden van de commissie vragen de regering of zij de gekozen weg vaneen tegenbewijsregeling de enige verdragsbestendige optie acht omtegemoet te komen aan de door de Hoge Raad geconstateerde verdrags-rechtelijke tekortkomingen van het forfaitaire stelsel. Ziet zij daarin nogeen verschil tussen de jaren 2017 tot en met 2024 (verleden) en 2025 e.v.(heden)? Heeft de regering overwogen om (tot de invoering van de Wetwerkelijk rendement box 3) te kiezen voor een andere systematiek, ook inhet licht van het grote beroep op de uitvoering dat het invoeren van eentegenbewijsregeling doet?1De inbreng van de wetgevingsrapporteurs is in het verslag te herkennen aan de zinsnede «deleden van de commissie (zijn van mening)» in tegenstelling tot «de leden van de X- fractie (zijnvan mening)».2Te raadplegen via www.tweedekamer.nl door te zoeken op zaaknummers 2025Z07330,2025Z07338, 2025Z07341 resp. 2025Z07646.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 62 De voorgestelde aanpassingenDoelgroepDe memorie van toelichting vermeldt dat de voorgestelde tegenbewijsre-geling met terugwerkende kracht gaat gelden voor een groot aantalaanslagen vanaf 2017. De regering kiest voor een ruime benadering vande doelgroep. Kan de regering bevestigen dat de veronderstelling juist isdat de enige groep die niet voor rechtsherstel in aanmerking komt over dejaren 2017 tot aan inwerkingtreding van het nieuwe stelsel, de groepniet-bezwaarmakers betreft?De leden van de commissie lezen dat, indien de niet-bezwaarmakers in demassaalbezwaarplusprocedure in het gelijk worden gesteld, zij alsnog inaanmerking zullen komen voor de tegenbewijsregeling zoals in ditwetsvoorstel wordt voorgesteld. De leden van de commissie vragen deregering hoe groot deze groep is. De memorie van toelichting vermeldtdat die procedure nog loopt. Wat is de stand van zaken van dezeprocedure en wanneer is naar verwachting meer duidelijk over deuitkomsten? Zullen deze belastingplichtigen, indien zij gelijk krijgen, geletop de jaren waar het om draait (2017–2020), nog de beschikking kunnenkrijgen over gegevens die zij nodig hebben om de omvang van hunwerkelijk rendement te stellen en indien nodig aannemelijk te maken? Kande regering een inschatting maken van de budgettaire gevolgen (fiscalederving en uitvoeringskosten) wanneer deze groep in het gelijk wordtgesteld? En welke consequenties zou dit hebben voor de uitvoerbaarheidvoor de Belastingdienst?Uitgangspunten Hoge RaadDe leden van de commissie lezen in het arrest van de Hoge Raad van6 juni 2024 dat de Hoge Raad om redenen van rechtseenheid en rechtsze-kerheid regels formuleert voor het vaststellen van het werkelijkrendement. Die regels moeten gelet op de arresten van de Hoge Raadworden gezien in de context om vast te stellen of het EVRM-schendendeforfaitaire stelsel in een concreet geval tot een EVRM-schending leidt (enzo ja, om de wijze van rechtsherstel te bepalen). De leden van decommissie constateren dat de regering tracht met het wetsvoorstel voorhet vaststellen van het werkelijk rendement zo nauw mogelijk aanprobeert te sluiten bij de regels die de Hoge Raad heeft geformuleerd. Kande regering ingaan op de vraag in hoeverre zij hierbij nog mogelijkejuridische kwetsbaarheden en/of ruimte ziet en of zij, als wetgever, nogeen zelfstandige afweging moet maken over het een op een volgen van devuistregels?De leden van de commissie hebben ook een vraag over het voordeel vanhet eigen gebruik van een onroerende zaak. Het wetsvoorstel regelt dathet voordeel eigen gebruik tot 2026 op nihil wordt gesteld. Per 2026 wordtdit voordeel, aldus het voorstel, gesteld op de economische huurwaardevan de onroerende zaak. In het nader rapport geeft de regering aan dat zijonderkent dat het vaststellen van dit voordeel ingewikkeld kan zijn. Hoeschat de regering de conflictgevoeligheid van de waardebepaling van heteigen gebruik van de onroerende zaak in?Verdere invulling begrip werkelijk rendementDe leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting dat ernog een aantal cassatieprocedures loopt, maar dat de verwachting is datdeze geen nieuwe zienswijzen zullen opleveren die impact hebben op devoorgestelde wetgeving. Kan de regering kort schetsen waar die nogTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 63 lopende cassatieprocedures in de kern over gaan? Waarom verwacht deregering dat deze procedures geen impact zullen hebben op de voorge-stelde wetgeving?Formeelrechtelijke aspecten bij de tegenbewijsregeling / aannemelijkmakenDe leden van de commissie lezen in het voorstel dat de belastingplichtigedie vindt dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitairberekende rendement door middel van het formulier Opgaaf WerkelijkRendement (OWR) zijn werkelijke rendement kan opgeven. De inspecteurkan vervolgens vragen om dit aannemelijk te maken. Dit brengt de ledentot de vraag hoe een belastingplichtige, die, zoals in de uitvoeringstoetsstaat vermeld, mogelijk slechts beperkt bank- en beleggingsgegevens kanopvragen, zijn werkelijk rendement aannemelijk kan maken, in hetbijzonder wanneer het gaat om jaren die verder in het verleden liggen.Evenzo vragen de leden van de commissie hoe een belastingplichtigewaardemutaties aannemelijk kan maken. In welke gevallen zal deinspecteur overgaan tot betwisting van een gesteld lager werkelijkrendement? Wanneer heeft de belastingplichtige het werkelijke rendementvoldoende aannemelijk gemaakt? Of zal de Belastingdienst dit oordeeluiteindelijk aan de rechter laten?Tijdpad en implementatieDe leden van de commissie lezen dat belastingplichtigen die inaanmerking komen voor de tegenbewijsregeling / aanvullend rechts-herstel door middel van een informatiebrief proactief zullen wordenbenaderd door de Belastingdienst. Hoe groot is deze doelgroep, in hetbijzonder voor dat deel waarbij het formulier OWR (nog) geen onderdeelvan de aangifte zal zijn? Geldt een termijn waarbinnen belastingplichtigenhet formulier OWR moeten hebben ingediend? En aan welke termijnen isde Belastingdienst in dit verband gebonden? Kan de regering alsnogingaan op de opmerking van de Afdeling advisering van de Raad vanState dat een proactieve houding vergt dat de regering op voorhand derisico’s van termijnoverschrijdingen van beslistermijnen in kaart brengt enadequate maatregelen treft? Bestaat er een risico op termijnoverschrij-dingen die kunnen leiden tot dwangsommen wegens te laat beslissen endaarmee voor extra kosten? Kan de regering een inschatting geven vandeze extra kosten? Heeft de regering ook mogelijkheden overwogen omde bestuurlijke dwangsom uit te sluiten en/of om beslistermijnen teverlengen?Gevolgen voor het doenvermogenDe leden van de commissie constateren dat de regering aangeeft dat deberekening van het box 3-inkomen op basis van werkelijk rendementnieuw is en potentieel ingewikkeld en dat het op juiste manier gebruik-maken van de tegenbewijsregeling lastig kan zijn gelet op de complexiteitvan de materie. De verwachting van de regering is dan ook dat belasting-plichtigen een groter beroep doen op de dienstverlening van de Belasting-dienst of een (fiscaal) dienstverlener moeten inschakelen, waarbij deverwachting is dat belastingplichtigen bij wie de regeling het meest vergtvan het doenvermogen (met complexe vermogens) meestal toegangzullen hebben tot een fiscaal dienstverlener. De regering berekent dat hetgaat om structurele regeldrukkosten voor het opzoeken van gegevens enhet invullen van het OWR-formulier van 16,3 miljoen euro. Kan deregering aangeven of de berekende regeldrukkosten ook, conform hetadvies van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), de kosten voor hetinschakelen van adviseurs omvatten? Zo ja, welk deel van deze regeldruk-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 64 kosten ziet hierop? Zo nee, wat zijn naar schatting hiervan de regeldruk-kosten? Heeft de regering zicht op de manier waarop (fiscaal) dienstver-leners zich voorbereiden? Vindt hierover overleg plaats? Welke rol speelthorizontaal toezicht convenanten hierbij?De leden van de commissie constateren verder dat de Belastingdienst inde uitvoeringstoets aangeeft dat leveranciers (waaronder banken enverzekeringsmaatschappijen) zich ernstig zorgen maken of zij de infor-matie die burgers vragen om het OWR-formulier te kunnen in vullen welkunnen leveren. De Belastingdienst merkt in dit kader op dat hetuitgangspunt van de wetgeving is dat deze niet tot aanpassingen (metterugwerkende kracht) in de bestaande renseigneringsstromen zal leiden.Kan de regering nader ingaan op deze zorgen van onder andere bankenen verzekeringsmaatschappijen? Zien deze zorgen op het niet kunnenleveren van gegevens aan de Belastingdienst of aan klanten die hieromvragen; of op beide? Kan de regering een inschatting maken van deomvang van dit probleem en is hierover overleg geweest met banken,verzekeringsmaatschappijen en de Belastingdienst? Kan de regeringaangeven wat dit in concrete gevallen betekent voor het doenvermogenvan de belastingplichtige en voor de uitvoerbaarheid door de Belasting-dienst? Op welke wijze kan een klant de ontvangst van de benodigdeinformatie afdwingen bij leveranciers?UitvoeringsaspectenInwerkingtredingsdatum en consequentiesDe leden van de commissie lezen dat de Belastingdienst in de uitvoerings-toets van november 2024 aangeeft dat invoering mogelijk is per 1 juni2025, in het geval het wetsvoorstel uiterlijk 31 maart 2025 wordt aange-nomen door de Tweede Kamer en uiterlijk 31 mei 2025 door de EersteKamer en tijdens de parlementaire behandeling niet tot ingrijpendeveranderingen wordt besloten. De leden van de commissie constaterendat deze planning voor behandeling door de Tweede en Eerste Kamer vanhet op 13 maart 2025 daadwerkelijk ingediende wetsvoorstel al verstrekenis. De leden van de commissie vragen dan ook welke datum de regeringdan wel nastreeft voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Welkeconsequenties heeft een latere inwerkingtreding dan 1 juni 2025 concreet,bezien vanuit de uitvoerbaarheid door de Belastingdienst, budgettairegevolgen en eventuele juridische risico’s?Benodigde aantal medewerkers en wervingDe leden van de commissie begrijpen dat in totaal 1.757 extra ftebenodigd is verspreid over de jaren 2024 tot en met 2026. Het totale aantalfte’s dat benodigd is wordt ingeschat op 3.349. De regering geeft aan datde fte’s die zijn benodigd voor de jaren 2027 en verder als indicatie in deuitvoeringstoets zijn opgenomen en op basis van een herijking wordenbepaald. De leden van de commissie vragen de regering om een naderetoelichting te geven op het aantal fte dat benodigd is voor de jaren 2027en verder. Op basis waarvan is deze eerste inschatting gemaakt?De Belastingdienst geeft aan dat realisatie van deze werving en hetopleiden van deze medewerkers in de krappe arbeidsmarkt nagenoegonhaalbaar wordt geacht. De verwachting van de Belastingdienst is danook dat het niveau van toezicht zal achterblijven en de dienstverlening niettegemoetkomt aan de behoefte van de belastingplichtige. Als onvol-doende medewerkers kunnen worden geworven, leidt dit blijkens deuitvoeringstoets mogelijk tot verdringing van werkzaamheden dan wel totcomplexe herprioriteringskeuzes.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 65 Ten aanzien van het totaal aantal benodigde extra fte voor de geheleperiode hebben de leden van de commissie enkele vragen. In hoeverre isde hoeveelheid en de mate van complexiteit van de burgerreactiesmeegenomen in deze inschatting, aangezien in de uitvoeringstoets wordtaangegeven dat deze aspecten vooraf moeilijk in te schatten zijn? Kan deregering verder het benodigde aantal fte plaatsen in de context van detotale wervingsopgave van de Belastingdienst, nu de leden van decommissie lezen dat bij de Belastingdienst in de periode tot en met 2028naar verwachting veel medewerkers uitstromen (circa 11.500 fte,ongeveer 45% van de huidige bezetting)3. In hoeverre staan beidewervingsopgaven elkaar in de weg? Kan de regering aangeven of demedewerkers die worden aangenomen voor de uitvoering van de Wettegenbewijsregeling box 3 voor bepaalde of voor onbepaalde tijd wordengeworven, ook in relatie tot de totale wervingsopgave van de Belasting-dienst op langere termijn?Gevolgen van onvoldoende kunnen wervenDe leden van de commissie vragen de regering verder om nader in tegaan op de inschatting van de Belastingdienst dat de werving van hetbenodigde aantal medewerkers nagenoeg onhaalbaar is. Kan de regeringeen inschatting maken van een aantal dat wel realistisch is? Kan deregering concretiseren wat de consequenties zijn als de werving van hetbenodigde aantal inderdaad onhaalbaar blijkt? Wat betekent dit concreetvoor het niveau van toezicht en de dienstverlening aan belastingplich-tigen? Welke keuzes maakt de regering als het niet voldoende kunnenwerven leidt tot verdringing van werkzaamheden dan wel tot herpriorite-ringskeuzes binnen de werkzaamheden van de Belastingdienst? Is deregering voornemens om de Kamer te betrekken bij dergelijke keuzes enzo ja, op welke wijze?Niet-tijdige, onjuiste en onvolledige aangiftenDe leden van de commissie lezen dat de Belastingdienst als risico voor deuitvoerbaarheid benoemt dat door de toegenomen complexiteit en hetberoep op het doenvermogen het risico bestaat dat belastingplichtigenniet tijdig, juist en volledig aangifte doen. De Belastingdienst beschiktdaarnaast op dit moment vrijwel niet over gegevens die voor devaststelling van het werkelijk rendement relevant zijn en die de werke-lijkheid bij de belastingplichtige weergeven. In combinatie met deconstatering van de Belastingdienst dat leveranciers (zoals banken enverzekeraars) zich ernstig zorgen maken of zij de informatie die burgersnodig hebben om het OWR-formulier te kunnen invullen wel kunnenleveren, vragen de leden van de commissie wat dit betekent voor debenodigde capaciteit voor de Belastingdienst en de uitvoerbaarheid enhandhaafbaarheid. Kan de regering een inschatting maken van het deelvan de aangiften dat niet tijdig, onjuist of onvolledig zal zijn? Welkemaatregelen neemt de regering om dit aantal te beperken?Mitigerende maatregel: verplichten OWR-formulierIn de uitvoeringstoets van de Belastingdienst wordt benoemd dat naarverwachting verzoek- en bewaarschriften op andere wijze (ongestructu-reerd) worden ingediend en waarbij dus om diverse redenen geen gebruikgemaakt wordt van een OWR-formulier. De leden van de commissie lezendat de Belastingdienst ervan uitgaat dat van 2% van de 3,6 miljoenbelastingplichtigen wordt verwacht dat zij jaarlijks zo’n ongestructureerdverzoek- of bezwaarschrift indienen. Hierbij is uitgegaan van een laag3Kamerstukken II 2024–2025, 31 066, nr. 1446, p. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 66 scenario. Het midden scenario is vastgesteld op 5% en het hoge scenarioop 10%. Kan de regering onderbouwen op basis waarvan de inschattingvan het lage scenario (2%) is gemaakt? Wat zouden de gevolgen, intermen van capaciteit in fte en kosten, zijn als onverhoopt het middenscenario (5%) werkelijkheid wordt?De leden van de commissie lezen dat de regering, mede naar aanleidingvan het advies van de Raad van State, in de memorie van toelichtingingaat op de door de Belastingdienst in de uitvoeringstoets geopperdemitigerende maatregel om het OWR-formulier verplicht te stellen.Hiervoor is een wetswijziging noodzakelijk. De regering geeft aan dat eendergelijke verplichting niet wenselijk en juridisch kwetsbaar is. Deregering geeft kort verwoord aan dat de belastingplichtige de ruimte moethebben om alles wat van belang is aan te dragen en dat het – deels metterugwerkende kracht – aanpassen hiervan en het verplicht stellen vanaanvullende formaliteiten juridisch kwetsbaar is en kan leiden totjuridische procedures en uiteindelijk juist tot een grote belasting van deuitvoering kan leiden. Kan de regering nader toelichten waarom hetverplichten van een formulier in onderhavig geval juridisch kwetsbaar is,ook gegeven het feit dat bij andere (belasting)regelingen wel formulieren(wettelijk) verplicht worden gesteld? Hoe weegt de regering in dit kaderhet juridische risico af ten opzichte van de impact op de uitvoering in diegevallen waarin geen gebruik wordt gemaakt van het OWR-formulier? Watis de weging van de Belastingdienst op dit specifieke punt?Ook vragen de leden van de commissie of alternatieve mogelijkhedenoverwogen zijn, bijvoorbeeld om het formulier in bepaalde gevallen welen in bepaalde gevallen niet verplicht te stellen. Tot slot vragen de ledenvan de commissie welke alternatieve mogelijkheden de regering ziet omhet aantal ongestructureerde verzoek- en bezwaarschriften te beperkenzonder de introductie van een wettelijke verplichting voor het gebruik vanhet OWR-formulier. Ziet de regering mogelijkheden om het gebruik vanhet formulier stimuleren en/of het niet gebruiken van het formulieronaantrekkelijker maken?Geplande herijkingenDe leden van de commissie lezen in de memorie van toelichting en deuitvoeringstoets van de Belastingdienst dat een eerste herijking ongeveereen jaar na het vaststellen van de uitvoeringstoets zal plaatsvinden in deperiode oktober/november 2025 en een tweede herijking nog een jaarlater in de periode oktober/november 2026. Is de regering voornemensdeze herijkingen na vaststelling aan de Kamer te zenden? Kan de regeringinzicht geven in hoe deze herijkingen tot stand komen en naar welkeaspecten hierin specifiek zal worden gekeken? Is de regering voornemensom bepaalde indicatoren te monitoren in de periode tot aan de eersteherijking en de periode tussen de eerste en tweede herijking?Vragen en opmerkingen namens de fracties AlgemeenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben het wetsvoorstel Wettegenbewijsregeling box 3 aandachtig gelezen. Zij danken de rapporteursStultiens en Van Eijk voor hun nuttige inbreng. Voorts hebben deze ledeneen aantal aanvullende vragen.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomenvan het wetsvoorstel. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 67 De leden van de NSC-fractie onderschrijven het belang van wetgeving dieuitvoering geeft aan de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekkingtot de box 3-heffing. Tegelijkertijd signaleren deze leden dat de voorge-stelde tegenbewijsregeling complex is en grote druk legt op het doenver-mogen van burgers. Daarom plaatsen de leden kanttekeningen bij deuitvoerbaarheid en complexiteit van de voorgestelde regeling. Dezeregeling is in de ogen van deze leden een noodzakelijke, maar tijdelijkeoplossing.De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3. Deze ledenonderkennen het belang van een rechtvaardige en rechtmatige belasting-heffing op vermogen, waarbij rechtsherstel wordt geboden aan belasting-plichtigen van wie het werkelijke rendement lager ligt dan het forfaitairberekende rendement. Tegelijkertijd hebben deze leden enkele zorgenover de uitvoerbaarheid, de rechtszekerheid en de budgettaire gevolgenvan het wetsvoorstel, alsook over de mate waarin het wetsvoorstelbijdraagt aan het verkleinen van vermogensongelijkheid.De leden van de BBB-fractie hebben met zorg kennisgenomen van hetwetsvoorstel tegenbewijsregeling box 3 in zijn huidige vorm. Deze ledenblijven van mening dat een vermogenswinstbelasting moet wordenvormgegeven naar daadwerkelijk gerealiseerd rendement. Hetwetsvoorstel zoals het nu voorligt brengt een rechtvaardiger box 3-stelselin de ogen van deze leden niet dichterbij en mist een aantal kritischepunten die nodig zijn voor een rechtvaardige heffing.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstelvoor de wet tegenbewijsregeling box 3. Zoals reeds in het commissie-debat over box 3 aangegeven, zien deze leden onwenselijke gevolgen vanhet voorliggende wetsvoorstel op twee punten. Ten eerste op dehuurmarkt vanwege de manier waarop het wetsvoorstel is ingericht voorde berekening van het werkelijk rendement op vastgoed, waardooruitponding zal blijven doorgaan. Ten tweede vrezen deze leden juridischerisico’s en opnieuw een enorme hoeveelheid bezwaren als gevolg van deinrichting van de tegenbewijsregeling, waardoor uitvoering en rechts-systeem onder druk komen te staan.Alles in ogenschouw nemend zien de leden van de CDA-fractie tweeopties. Of de tegenbewijsregeling wordt zo aangepast dat die het stelselvan werkelijk rendement benadert, zoals door toestaan van kostenaftrek,niet belasten van ongerealiseerd rendement op vastgoed enniet-beursgenoteerde aandelen en een passende berekening voor tweedewoningen. Of er wordt gekeken naar opties om zo snel mogelijk het stelselvan werkelijk rendement in te voeren, zelfs als dat betekent dat deregering in de ingroeifase de vooringevulde aangifte (VIA) loslaat, zodatniet in korte tijd twee keer een impactvolle wets- en uitvoeringstechnischeoperatie nodig is.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van hetonderhavige wetsvoorstel. Deze leden hebben zorgen over de uitvoer-baarheid, rechtvaardigheid en effectiviteit van de voorgestelde regelingen.Deze leden vrezen dat de zowel de Belastingdienst als individuelebelastingplichtigen overvraagd worden, zonder dat de beoogde doelenvan rechtsherstel worden behaald. Om deze reden stellen deze ledenhierbij een aantal vragen.De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorlig-gende wetsvoorstel. Deze leden hebben daarover enkele vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 68 1. Inleiding De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering heeft gekozen om dewet tegenbewijsregeling box 3 zoveel mogelijk te laten aansluiten bij hetnieuwe wetsvoorstel werkelijk rendement, maar daarin de arresten van deHoge Raad leidend te laten zijn, die in feite zeggen dat de Hoge Raad dewetgever volgt op basis van uitgangspunten uit het forfaitair stelsel.Daardoor is niet voor een kostenaftrek gekozen of het uitzonderen vanongerealiseerde vermogensstijgingen van vastgoed.Allereerst vragen de leden van de CDA-fractie naar het oordeel van deregering in hoeverre dit volgens de regering inhoudelijk juist is, onderverwijzing naar de ook door de NOB genoemde passages uit de wetsge-schiedenis, waaruit blijkt dat kostenaftrek wel verwerkt zit in het forfait, teweten:«Onder het forfaitaire rendement worden aftrekbare kosten en financie-ringsrenten als zodanig niet langer in aftrek toegelaten. Voorzover dekosten niet bestaan uit rente, gaat het om kosten die het te behalenrendement van het vermogen beïnvloeden. Het karakter van eenforfaitaire heffing brengt met zich dat bij de bepaling van de hoogte vanhet forfait op globale wijze rekening met die kosten is gehouden. Vooraftrek van de kosten zelf is dan geen plaats meer. Dat levert tevens eenbelangrijke vereenvoudiging op.» (Tweede Kamer, vergaderjaar1998–1999, 26 727, nr. 3, pag. 39)en:«Onder de forfaitaire rendementsheffing kunnen de aftrekbare kosten nietmeer afzonderlijk in aftrek worden gebracht omdat deze kosten in feite alzijn verwerkt in de hoogte van het forfaitaire rendement; er wordt bij deforfaitaire rendementsheffing immers uitgegaan van de gedachte dat de«netto» te belasten voordelen uit bezittingen – dat is het bruto-rendementna aftrek van kosten – 4% bedragen.» (Tweede Kamer, vergaderjaar1998–1999, 26 727, nr. 3, pag. 230).Ook vragen de leden van de CDA-fractie de regering om in te gaan op depassage dat huuropbrengsten op basis van de parlementaire geschiedenisook niet tot het werkelijk rendement zouden moeten worden gerekend:«In de categorie beleggen worden drie componenten onderscheiden:onroerende zaken, aandelen en obligaties. Voor het rendement oponroerende zaken is gekozen voor de ontwikkeling van hetCBS-prijsindexcijfer voor Bestaande Koopwoningen. Daarmee wordtimpliciet aangenomen dat de prijsstijging voor bestaande koopwoningenindicatief is voor het rendement van onroerende zaken in box 3 inclusiefde netto-inkomsten uit die beleggingen. Voor netto-inkomsten wordtdaarom voorzichtigheidshalve aangenomen dat eventuele huurop-brengsten en kosten van bezit per saldo tegen elkaar wegvallen»(Kamerstukken II 2020/21, 31 066, nr. 794)).Deze leden vragen of de regering in deze passages aanleiding ziet tot eenmogelijk andere zienswijze.In het kader van rechtvaardigheid vragen de leden van de CDA-fractievervolgens hoe de regering een in feite volledige vermogensaanwasbe-lasting in de tegenbewijsregeling rechtvaardigt als benadering vanwerkelijk rendement, als de gevolgen daarvan door diezelfde regeringonacceptabel worden geacht. Deze leden verwijzen naar de schriftelijkebeantwoording4 door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit,Belastingdienst & Douane van vragen gesteld op 20 februari 2025 in deeerste termijn van het Commissiedebat box 3, waarin hij aangeeft dat inde toekomst voor vastgoed en aandelen in start-ups een vermogenswinst-4Kamerstukken II 2024–2025, 32 140, nr. 227.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 69 belasting gaat gelden, omdat een vermogensaanwasbelasting tot«onoverkomelijke» problemen leidt. Want hoewel belastingplichtigen vaakwel andere liquide middelen hebben, zegt de Staatssecretaris dat het nietaan de regering is om in de portemonnee van deze beleggers te kijken.De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering hier dan precieswel voor kiest in het voorliggende wetsvoorstel en waarom de regeringeen vermogensaanwasbelasting ineens wél overkomelijk vindt in hetvoorliggende wetsvoorstel.Voorts vragen de leden van de CDA-fractie of het de wetgever nietvrijstaat te kiezen voor een andere vormgeving die eveneens aansluit opwerkelijk rendement. De Hoge Raad oordeelt alleen dat werkelijkrendement moet worden benaderd, niet dat de regering de gegevenrekenregels moét aanhouden. Want uit de keuzes voor de wet werkelijkrendement volgt evident dat de wetgever de vermogensaanwas voorvastgoed en niet-beursgenoteerde aandelen onrechtvaardig vindt.Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe de regering heeft getoetst ofvoorgenomen tegenbewijsregeling EVRM-bestendig is, aangezien zowelde Raad van State, wetenschap, NOB en anderen hierbij twijfels hebben.Deze leden vragen om een risicoweging van de regering dat het stelseluiteindelijk toch niet EVRM-bestendig is.2. Achtergrond De leden van de NSC-fractie stellen vast dat de forfaitaire box 3-heffingmeerdere keren is aangewezen als strijdig met het EVRM. Daarbij merkendeze leden op dat niet alleen het eigendomsrecht, maar ook het discrimi-natieverbod is geschonden. Deze leden vragen of de regering erkent datde uitvoering jarenlang ten koste is gegaan van grondrechten, waaronderhet recht op gelijke behandeling.3. De voorgestelde aanpassingen De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom bij de tegenbewijs-regeling een aantal voor de hand liggende elementen ontbreekt, zoals deverrekening van werkelijke kosten voor huurders. Wat zouden zowel deuitvoeringsgevolgen als budgettaire effecten zijn als dit alsnog zouworden toegevoegd? Is ook overwogen om een forfaitaire regeling toe tevoegen, zodat een en ander uitvoeringstechnisch eenvoudiger is tefaciliteren?Ook vragen deze leden of de regering, conform de toezegging bij hetBelastingplan 2023, de hoogte van de leegwaarderatio evalueert en (in elkgeval tijdelijk) te herstellen voor verhuurde huizen in box 3. Is de regeringmet deze leden van mening dat dit verhuurders iets meer lucht zougeven? Wat zou een bijstelling van de leegwaarderatio op dit momentvoor gevolgen hebben?3.1 Inleiding De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat het onderhavigewetsvoorstel het voortvloeisel is van rechterlijke uitspraken. Kan deregering aangeven wat in die uitspraken witte vlekken waren die wel zijningevuld met het voorliggende wetsvoorstel? Met andere woorden, welkeelementen van deze wet zijn niet direct door de rechter voorgeschreven?Tevens vragen deze leden of het mogelijk is de Wet werkelijk rendementtegelijkertijd met de nota naar aanleiding van verslag over het onder-havige wetsvoorstel naar de Kamer te sturen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 610 De leden van de SGP-fractie hebben vragen over het gebruik van hetformulier Opgaaf Werkelijk Rendement. Klopt het dat in een laag scenarioongeveer 80.000 belastingplichtigen op ongestructureerde wijze eenverzoek- of bezwaarschrift in zullen dienen? En dat dit in een hoogscenario om 368.000 belastingplichtigen gaat? Betekent dat dat dieaantallen belastingplichtigen geen gebruik maken van het formulier?De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat het goed zou zijn alszoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van het formulier OpgaafWerkelijk Rendement. Dit verbetert in de ogen van deze leden deuitvoering. Hoe ziet de regering dit? Hoe wordt gestimuleerd dat er zoveelmogelijk gebruik wordt gemaakt van het formulier?De Afdeling advisering van de Raad van State benoemt in haar advies deverplichtstelling van het formulier. De regering geeft aan dat dezeverplichtstelling juridisch kwetsbaar is. Welke juridische risico’s voorzietde regering precies? In hoeverre wordt de positie van de belasting-plichtige daadwerkelijk aangetast bij een verplichtstelling? Is er geentussenoplossing mogelijk, waarbij er bijvoorbeeld wel verplicht gebruikmoet worden gemaakt van het formulier, maar dat belastingplichtigendaarbovenop nog alle gronden, gegevens en bescheiden mogenaandragen? Hoe kan zowel recht worden gedaan aan de positie van debelastingplichtige als aan de grote voordelen die kleven aan de verplicht-stelling van het formulier?3.2 Doelgroep De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering wanneer deregering een uitspraak in de procedure massaalbezwaarplus verwacht.Voorts willen deze leden graag weten in hoeverre het scenario waarinniet-bezwaarmakers gelijk krijgen in deze procedure is meegenomen in deuitvoeringstoets en de budgettaire raming van het wetsvoorstel.De leden van de NSC-fractie onderschrijven de noodzaak om belasting-plichtigen die onterecht te veel box 3-heffing hebben betaald effectiefrechtsherstel te bieden. De Hoge Raad heeft immers duidelijk geoordeelddat het huidige stelsel in strijd is met het eigendomsrecht en het discrimi-natieverbod (artikel 1 EP en artikel 14 EVRM). De voorgestelde tegenbe-wijsregeling is in dat licht begrijpelijk en noodzakelijk. Toch roept degekozen doelgroepafbakening bij de leden van de NSC-fractie vragen op.Zij constateren dat de regeling uitsluitend geldt voor belastingplichtigenmet aanslagen vanaf 2017 die op 24 december 2021 nog niet onherroe-pelijk vaststonden en voor wie tijdig bezwaar is gemaakt of een verzoektot ambtshalve vermindering is ingediend. Daarmee vallen zogeheten«niet-bezwaarmakers» (vooralsnog) buiten de boot. Tevens merken dezeleden op dat er met de massaalbezwaarplusprocedure een traject isingezet voor deze groep. De Hoge Raad moet zich uitlaten of deze groepalsnog in aanmerking komt voor rechtsherstel box 3. De leden van deNSC-fractie hebben hierover een aantal vragen.Geeft de regering niet-bezwaarmakers toegang tot de tegenbewijsregelingindien zij via de massaalbezwaarplusprocedure gelijk krijgen? Heeft deregering overwogen om de parlementaire behandeling van hetwetsvoorstel op te schorten totdat de uitkomst van de massaalbezwaar-plusprocedure bekend is, gezien de potentieel ingrijpende gevolgen vooruitvoering en rechtszekerheid? De leden van de NSC-fractie merken op datprof. dr. René Niessen tijdens het rondetafelgesprek dat de commissieheeft gehouden, heeft gewaarschuwd voor een mogelijke stortvloed aanbezwaarschriften die de uitvoering mogelijk kan overspoelen.Tot slot vragen de leden van de NSC-fractie op dit punt of de regeringbereid is te monitoren welke groepen feitelijk gebruikmaken van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 611 tegenbewijsregeling en of burgers met minder kennis of middelendaardoor worden benadeeld.De leden van de BBB-fractie constateren dat de regering in de memorievan toelichting het volgende schrijft over de groep niet bezwaarmakers:«Het eerste rechtsherstel geldt niet voor belastingplichtigen van wie deaanslag al onherroepelijk vaststond op 24 december 2021, dezogenoemde «niet-bezwaarmakers».» En voorts: «Aangezien de «niet-bezwaarmakers» niet in aanmerking komen voor het eerste rechtsherstelop basis van het Kerstarrest en de Wet rechtsherstel box 3, kunnen zij ookgeen gebruik maken van de tegenbewijsregeling.»De leden van de BBB-fractie vragen of het uitsluiten van deze groep nietleidt tot een enorme stortvloed aan extra tegenbewijzen als de Hoge Raadanders beslist en hoe weegt de regering deze mogelijkheid. Kan dezeaanpak wat de regering betreft als onrechtvaardig worden aangemerktaangezien ook de niet-bezwaarmakers mogelijk te veel belasting hebbenbetaald en dus per definitie de mogelijkheid moeten krijgen om tegen-bewijs te leveren? Is het niet beter om op voorhand alle aanslagen dieonder het rechtsherstel box 3 vallen te betrekken bij de wet tegenbewijsre-geling om nieuwe verrassingen te voorkomen?De leden van de BBB-fractie constateren dat het Register van Belastingad-viseurs (hierna: RB) heeft bekritiseerd dat de Wet tegenbewijsregelingbox 3 alleen geldt voor belastingplichtigen die tijdig een verzoek totambtshalve vermindering hebben ingediend, constateren deze leden.Hierdoor worden met name belastingplichtigen benadeeld die voor 2017en 2018 meededen aan de massaalbezwaarprocedure, maar geen tijdigverzoek indienden. Het RB vindt deze uitsluiting onrechtvaardig enmogelijk juridisch onhoudbaar, zeker omdat niet-bezwaarmakers via eensuccesvolle MB+-procedure wél recht krijgen op herstel. Het RB roept dewetgever op om de tegenbewijsregeling toe te passen op alle aanslagendie onder het rechtsherstel box 3 vallen en waarschuwt dat circa 40.000belastingplichtigen hierover mogelijk gaan procederen. De leden van deBBB-fractie ontvangen graag een reactie van de regering op dit door hetRB geconstateerde procesrisico en de financiële implicaties daarvan. Is deBelastingdienst in staat een dergelijke stortvloed aan extra bezwaar-schriften tijdig en zorgvuldig te behandelen?De leden van de CDA-fractie constateren op dit punt dat in de memorievan toelichting staat vermeld dat niet-bezwaarmakers niet in aanmerkingkomen voor het eerste rechtsherstel en dus ook geen gebruik kunnenmaken van de tegenbewijsregeling. Deze leden vragen of dit voor allejaren van 2017–2022 geldt, of ook vanaf 2023. Ook vragen deze ledenwanneer de regering de uitspraak van de Hoge Raad inzake de massaalbezwaar plus procedure verwacht en of rekening wordt gehouden meteen uitspraak in het voordeel van de niet-bezwaarmakers voor wat betreftde werklast van de Belastingdienst.De leden van de SGP-fractie constateren dat voor de jaren 2017 tot en met2020 de doelgroep niet wordt vergroot ten opzichte van de doelgroep aanwie reeds rechtsherstel is geboden. Kleven hier volgens de regering geenjuridische risico’s aan? Wat zijn de extra (budgettaire) gevolgen alsiedereen vanaf 2017 gebruik kan maken van de tegenbewijsregeling?Klopt het dat de Hoge Raad op 6 juni 2024 in feite ook heeft geoordeelddat het stelsel per 2017 in strijd was met het EVRM? Moet op basisdaarvan de doelgroep niet worden uitgebreid?De leden van de SGP-fractie lezen dat een verzoek tot ambtshalvevermindering tijdig is wanneer het binnen vijf jaar na het einde van hetdesbetreffende belastingjaar (vijfjaarstermijn) is ingediend. Voor hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 612 belastingjaar 2020 moet het verzoek dan in 2025 zijn ingediend. Met hetformulier OWR kan een dergelijk verzoek worden gedaan. De kans bestaatechter dat het voorliggende wetsvoorstel pas laat in het jaar 2025 wordtaangenomen (ervan uitgaande dat het wordt aangenomen). Hoe langerhet duurt voor het wetsvoorstel wordt aangenomen, hoe minder tijdbelastingplichtigen hebben om een verzoek tot ambtshalve verminderingte doen. Kan de regering hierop reflecteren? Hoe wordt de positie vanbelastingplichtigen verstevigd, indien het nog lang duurt voordat hetwetvoorstel is aangenomen? Is het mogelijk om de vijfjaarstermijn voorhet belastingjaar 2020 te verlengen? Zeker gezien het feit dat er reedsverwachtingen zijn gewekt als het gaat om het belastingjaar 2020.3.3 Wet rechtsherstel box 3 en overbruggingsperiode De leden van de NSC-fractie merken op dat zij het positief vinden datrechtsherstel wordt geboden aan belastingplichtigen. Tegelijk vragen dezeleden aandacht voor de begrijpelijkheid en uitvoerbaarheid van hetstelsel. Met drie mogelijke berekeningswijzen (twee forfaits en werkelijkerendement) is het systeem complex en mogelijk moeilijk navolgbaar voorburgers. Dit geeft deze leden aanleiding tot de volgende vragen: Hoewordt geborgd dat belastingplichtigen goed worden geïnformeerd overde verschillende berekeningswijzen en de mogelijkheid tot tegenbewijs?Hoe voorkomt de regering dat het verschil in behandeling tussenbelastingplichtigen die het werkelijke rendement kunnen aantonen en zijdie dat niet kunnen, leidt tot nieuwe ongelijkheid?De leden van de BBB-fractie constateren op dit punt dat de regering in dememorie van toelichting schrijft dat bij de vaststelling van het rendementop bezittingen geen rekening kan worden gehouden met kosten. Naar hetoordeel van de Hoge Raad kan bij de vaststelling van het werkelijkerendement op schulden wel rekening worden gehouden met de daaropbetrekking hebbende rente. De leden van de BBB-fractie zijn van meningdat dit, hoewel in lijn met de uitspraken van de Hoge Raad, een groveinconsistentie is met de toekomstige wet werkelijk rendement.De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat de wetgever de plichtheeft een eerlijk en rechtvaardig stelsel vorm te geven. Is de regering hetmet deze leden eens dat de wetgever ook zelf de plicht heeft om metconsistente wetgeving te komen die voldoet aan het doel van de heffing?Is de regering het met deze leden eens dat een belasting op hetrendement zonder kostenaftrek nooit als belasting werkelijk rendementkan worden aangemerkt (immers, de vennootschapsbelasting wordt ookniet geheven over de bruto omzet maar over de nettowinst ná aftrek vankosten) en een grote ongelijkheid creëert tussen beleggers in aandelen(geen tot weinig kosten) en beleggers in vastgoed? Kan de regeringbevestigen dat onder de tegenbewijsregeling box 3, een belegger invastgoed via een transparant vastgoedfonds géén kosten in aftrek magbrengen, terwijl een belegger in vastgoed via bijvoorbeeld een beursge-noteerde bedrijf feitelijk slechts het nettoresultaat (na aftrek van kosten) inbox 3 opneemt? Hoe verhoudt dit onderscheid zich tot het beginsel vangelijke behandeling van economisch gelijke situaties, ongeacht dejuridische vorm? Kan de regering toelichten waarom in dergelijke gevallener toch geen sprake zou zijn van ongeoorloofde discriminatie?De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat een te verhuren woning veelonderhoud, reparaties, schilderwerk, servicecontracten, ketels eninstallaties vergt en er moeten (inmiddels flink verhoogde) gemeentelijkeOZB-belastingen over worden betaald. Om de zoveel jaar moeten ookkeukens, badkamers, vloeren, betegeling, ketel en verwarming wordenvervangen. Verder zijn er bij verhuur makelaarskosten en willen bankenregelmatig dure taxatieverslagen van de verhuurders. Voorts zijn er in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 613 ogen van deze leden ook kosten voor bijvoorbeeld een lift, schoonmaaken energie, openbare ruimte etc. De bank wil ook haar rente en aflossingelke maand betaald zien. Al deze kosten zijn er bij het aanhouden van eenspaarrekening of bezit van aandelen niet, maar drukken wel flink op hetdaadwerkelijk gerealiseerde rendement van vastgoed. Het RB wijst eropdat beleggers planbare onderhoudskosten en verbeteringen zullenuitstellen tot de invoering van het nieuwe box 3-stelsel in 2028. Dit zoueen budgettaire derving tot gevolg kunnen hebben. Ziet de regering ditrisico ook? Waarom wordt, indien dat het geval is, de kostenaftrek dantoch niet toegepast? Is de regering bereid deze alsnog mogelijk te makenin het voorliggende wetsvoorstel?De leden van de BBB-fractie lezen dat de regering het volgende in dememorie van toelichting schrijft over de belasting van vermogensontwik-keling op onroerende zaken: «Het werkelijke rendement omvat allepositieve en negatieve resultaten uit het box 3-vermogen.» [...] «De HogeRaad rekent ook ongerealiseerde waardeontwikkelingen (waardestij-gingen of waardedalingen) van het vermogen tot het werkelijkerendement.»Waarom is er in de wet tegenbewijsregeling gekozen voor een vermo-gensaanwasbelasting op onroerende zaken die jaarlijks wordt belastterwijl hier in de wet werkelijk rendement geen sprake van is? Is deregering het met deze leden eens dat ruimte geboden door de Hoge Raadook op dit punt niet betekent dat het benutten van deze ruimte wenselijk isom tot een eerlijke heffing te komen? Is de regering bereid alsnog eenaanpak te hanteren die consistent is met de voorgestelde toekomst vanhet stelsel?De leden van de BBB-fractie vragen voorts waarom ervoor is gekozen omverliesverrekening niet mogelijk te maken in de wet tegenbewijsregeling.Deze leden zijn van mening dat ook het ontbreken van een verliesverre-kening een onuitlegbaar verschil is met de uiteindelijke Wet werkelijkrendement. Is de regering het met deze leden eens dat het ontbreken vaneen verliesverrekening een rechtvaardiger stelsel voor belastingplichtigenniet dichterbij brengt?Voorts hebben de leden van de BBB-fractie een vraag over de bijtellingprivégebruik vakantiewoningen/tweede woningen. De regering schrijft inde memorie van toelichting: «Het voordeel bestaat uit de economischehuurwaarde van de onroerende zaak. De economische huurwaarde is dehuurprijs die bij verhuur onder normale omstandigheden bedongen kanworden. [...] Het aantal punten van een woning op grond van hetwoningwaarderingsstelsel kan bijvoorbeeld een indicatie vormen voor deeconomische huurwaarde.» Waarom is ook hier gekozen voor eenafwijking ten opzichte van de Wet werkelijk rendement? Leidt dezehandelwijze niet tot veel extra werk en administratieve lasten en hoewordt de economische waarde onafhankelijk vastgelegd? Is het niet veeleenvoudiger en minder bewerkelijk om een percentage van deWOZ-waarde te nemen zoals bij de wet werkelijk rendement?Verder hebben de leden van de BBB-fractie enkele vragen over deverhoging van het forfait voor overige bezittingen. In een van de bijlagesbij de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 2 april 2025 naaraanleiding van het commissiedebat over box 3 van 19 maart 20255 is hetvolgende opgenomen: «Een verhoging van het forfait voor overigebezittingen in 2026 en 2027 met 1,78%-punt is als voorlopige invullingvoorgesteld om de derving als gevolg van een jaar uitstel van de Wetwerkelijk rendement box 3 naar 2028 te dekken.» Betekent dit dat de extra5Kamerstukken II 2024–2025, 32 140, nr. 238.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 614 verhoging hoofdzakelijk/alleen op budgettaire motieven is gebaseerd? Zoja, hoe verhoudt dit zich tot de vereiste dat een forfaitair stelsel dewerkelijkheid moet benaderen, zoals door de Hoge Raad is uitgesproken?De leden van de BBB-fractie constateren dat in een van de genoemdebijlages voorts het volgende staat: «Het rendementsbegrip in box 3 omvatook huurinkomsten en voordelen uit eigen gebruik van onroerende zaken.Deze elementen zijn momenteel echter niet opgenomen in de bereke-ningsmethodiek van het forfait voor overige bezittingen (waaronderonroerende zaken).Door deze elementen wel op te nemen in de berekeningsmethodiek, stijgthet forfait voor alle overige bezittingen.»Waarom is ervoor gekozen om deze verhoging generiek toe te passen opálle «overige bezittingen» in box 3, terwijl de onderliggende motivering(huur en eigen gebruik) in feite alleen woningen betreft?Op welke wijze is deze extra verhoging van het forfait te rechtvaardigen inrelatie tot belastingplichtigen die wel overige bezittingen in box 3 hebbenmaar geen onroerende zaken? Of beleggers die wel onroerende zakenbezitten maar geen woningen? Hoe verhoudt zich voor deze belasting-plichtigen de extra verhoging van het forfait tot de eis van de Hoge Raaddat forfaits de werkelijkheid moeten benaderen?De leden van de BBB-fractie hebben voorts een vraag over het massaleuitponden van woningen. Deze leden zijn van mening dat deze ontwik-keling schadelijk is voor de huurmarkt en zijn oorsprong vindt, onderandere in een onrechtvaardig box 3 stelsel. De regering is voornemensom met de wet tegenbewijsregeling beleggers te belasten via eenvermogensaanwasbelasting en tevens kostenaftrek niet toe te staan. Deleden van de BBB-fractie zijn van mening dat dit een verdere beknellingvan de huurmarkt en uitpondingsgolf tot gevolg heeft.In het besef dat de Belastingdienst op dit moment geen grote systeemwij-zigingen zou aankunnen, is het naar de mening van de regering eenfiscaal-juridisch begaanbare weg om de verhuurders van vastgoed inbox 3 eenmalig de mogelijkheid te geven om het verhuurde vastgoedzonder overdrachtsbelasting of tegen verlaagd tarief over te brengen naarbox 2?Een dergelijke faciliteit is volgens de leden van de BBB-fractie in hetverleden al eens eerder toegekend. Dit stelt vastgoedbeleggers wel instaat om kostenaftrek toe te passen en zodoende binnen de kaders vaneen vermogenswinststelsel te opereren. Verwacht de regering voor deBelastingdienst dat een dergelijke regeling uitvoeringstechnisch haalbaaris? In hoeverre ziet de regering budgettaire bezwaren of juist kansen? Kande regering een overzicht geven van de verwachte instroom van box 3beleggers naar box 2, de derving in box 3, en de budgettaire opbrengstvoor de vpb/box 2?Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie op dit punt de regering omeen reactie op het dringende advies van professor Heithuis tijdens derecente rondetafelbijeenkomst. De heer Heithuis gaf ten aanzien van dewet tegenbewijsregeling box 3 aan: «Doe het niet!» Hij gaf aan dat hetzowel voor de Belastingdienst als voor belastingplichtigen veel extra werkbetekent om eerst gedurende een aantal jaren te moeten werken met dewet tegenbewijsregeling om vervolgens vanaf 2028(?) weer met eennieuw systeem aan de slag te gaan. De heer Heithuis adviseerde dringendom gelijk over te gaan op het nieuwe box 3-stelsel en niet eerst voor eenbeperkt een aantal jaren een ander systeem te hanteren. Dit heeft alsvoordeel dat de mankracht nu voorzien voor toepassing van de wettegenbewijsregeling ingezet kan worden voor het nieuwe box 3-systeem,wat mogelijk zelfs tot eerdere invoering dan in 2028 zou kunnen leiden ofop in ieder geval niet tot verdere vertraging leidt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 615 De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen bij de verhoging vanhet forfait voor overige bezittingen met 1,78%-punt per 2026. Kan deregering rekenkundig onderbouwen hoe de regering bij dit percentage isuitgekomen? Kan hierbij worden aangegeven of hier louter sprake is vaneen technische exercitie, of dat hier ook sprake is van een politiekeafweging dan wel een invulling van het budgettaire gat? Kan de regeringaangeven of, gegeven de hypothetische situatie dat er geen budgettairegat zou zijn, in dat geval ook overgegaan was tot deze verhoging met1,78%-punt? Kan de regering in bredere zin reflecteren op de afwegingtussen rechtvaardigheid en het invullen van budgettaire doelen?Hoe rechtvaardigt de regering deze verhoging, die gebaseerd is op heteigen gebruik van vastgoed, voor alle overige bezittingen in box 3, dusook voor niet-vastgoed? Hoe verhoudt dit forfait zich daarmee tot de eisuit het Kerstarrest van de Hoge Raad, namelijk dat een forfait de werke-lijkheid dient te benaderen?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen tot slot of de regering kantoelichten dat met dit forfait de vermeende bruto huuropbrengst hogerwordt belast, maar dat evenwel kosten die samenhangen met dezeveronderstelde huuropbrengst niet aftrekbaar zijn. Om welke reden achtde regering dit rechtvaardig?3.4 Uitgangspunten Hoge Raad De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of zijuitvoeringsproblemen voorziet bij het maken van onderscheid tussen«investeringen» en «kosten van onderhoud». Valt het plaatsen van nieuwekozijnen bijvoorbeeld onder onderhoud of onder investeringen? En als hetgaat om kozijnen met HR++-glas? Hoe kan de regering een waardestijgingopsplitsen in rendement en een waardestijging als gevolg van investe-ringen? Worden daarvoor simpelweg de kosten van investeringenaftrekbaar bij het bepalen van het werkelijk rendement of is er een andereberekeningsmethode?De leden van de NSC-fractie merken op dat zij het uitgangspunt steunendat belasting geheven wordt op basis van werkelijk rendement wanneerhet forfaitaire stelsel leidt tot een onevenredige last. Deze leden zien detegenbewijsregeling als noodzakelijk rechtsherstel. Tegelijk vragen dezeleden aandacht voor enkele fundamentele keuzes in het voorliggendewetsvoorstel, die voortvloeien uit de jurisprudentie van de Hoge Raad.Zo sluit de Hoge Raad aftrek van kosten volledig uit. De leden van deNSC-fractie vragen of de regering dit (in alle gevallen) in overeen-stemming acht met het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen hadbij de vormgeving van het huidige forfaitaire stelsel? Liggen volgens deregering netto-, of brutorendementen ten grondslag aan het huidigeforfaitaire stelsel? Hoe verhoudt een gebrek aan aftrekbaarheid van kostenzich tot deze netto-, of brutorendementen?De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering aangeeft dat deHoge Raad voor andere vermogensbestanddelen dan vastgoed nietexpliciet heeft bepaald hoe deze moeten worden gewaardeerd, waardoorhet kabinet concludeert dat daar moet worden gewaardeerd op waardeeconomisch verkeer. De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre hette verwachten is dat dit praktisch mogelijk is en doenlijk voor belasting-plichtigen. Bijvoorbeeld in het geval van niet-beursgenoteerde aandelenof andere vermogensbestanddelen die moeilijk te waarderen zijn, ookrichting het verleden. De regering geeft immers ook zelf aan dat hetleveren van gegevens over soms oude jaren complex kan zijn. Kan deregering aangeven hoe de Belastingdienst verwacht dat dit aannemelijkgemaakt kan worden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 616 De leden van de SGP-fractie constateren dat er geen verliesverrekeningmogelijk is. Hoe wordt er dan omgegaan in gevallen waarin er sprake isvan een negatief rendement? Het werkelijk rendement is minimaal nihil.Hierdoor kan het zijn dat er over een aantal jaar gemeten sprak is van eennegatief rendement, terwijl door één jaar met positief werkelijk, alsnogbelasting betaald moet worden. Hoe rijmt de regering dat met het feit dater geheven wordt op basis van het werkelijke rendement?De leden van de SGP-fractie vragen naar bepaling van het werkelijkrendement van een woning. Daarvoor wordt de WOZ-waarde gebruikt.Hoe werkt dat in de praktijk uit bij aan- of verkoop van een woninggedurende het jaar?Daarnaast wijzen de leden van de SGP-fractie erop dat zeker bij onroe-rende zaken, zoals woningen, de stijging van de WOZ-waarde niet liquideis. Deze papieren stijging kan niet ingezet worden om de verschuldigdebelasting, op basis van die stijging, af te dragen. In hoeverre verwacht deregering hierbij (financiële) problemen? Wordt hierdoor het bezit van tweewoningen, al dan niet verhuurd, niet verder ontmoedigd? Kan de regeringinzichtelijk maken wat de verschuldigde belasting is bij een tweedewoning met een WOZ-waarde van 400.000 euro, die jaarlijks 20.000 euroin waarde stijgt, en waarbij er geen sprake is van andere beleggingen?3.5 Verdere invulling begrip werkelijk rendement De leden van de VVD-fractie lezen dat sommige vraagstukken die een rolkunnen spelen bij het bepalen van het werkelijk rendement niet explicietworden beantwoord in de arresten van de Hoge Raad. Voor die gevallenworden nadere regels gegeven. De leden van de VVD-fractie zijn vanmening dat enkele van deze nadere regels onvoldoende duidelijk zijn. HetRB bijvoorbeeld stelt vast dat de voorgestelde wet geen antwoord biedtop in de praktijk opkomende vragen.De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat belastingplichtigen enfiscaal dienstverleners op een juiste wijze het werkelijk rendement box 3kunnen bepalen. Zij verzoeken de regering dan ook om de volgendevragen te beantwoorden.In artikel 5.27, tweede lid, van het wetsvoorstel wordt de term «aangeganeschulden» gebruikt. Dit suggereert dat rente over andere dan «aangeganeschulden» geen negatief regulier voordeel zou zijn. Is het woord«aangegane» hier bewust gebruikt? Betekent dit dat rente wegens tebetalen erfbelasting of wettelijke rente omdat een burger in verzuim is,geen negatief regulier voordeel is? Waarom valt boeterente niet onder denegatieve reguliere voordelen? Hoe verhoudt dit zich met de gangbaredefinitie van boeterente zoals gehanteerd door bijvoorbeeld de AutoriteitFinanciële Markten (AFM) («eigenlijk zou je de rente in de toekomstmoeten betalen, maar de vergoeding die je nu in een keer betaalt, krijg jeeen soort van korting op de gemiste rentebetalingen»)? Wordt meege-kochte rente bij een aanschaf van een obligatie als een als negatiefregulier voordeel beschouwd en niet als niet-aftrekbare kosten?De leden van de NSC-fractie onderschrijven het belang van een regelingdie aansluit bij het werkelijke rendement, maar maken zich zorgen over depraktische uitvoerbaarheid en begrijpelijkheid voor burgers.De leden van de SGP-fractie vragen of de lopende cassatieproceduresnieuwe zienswijzen en/of mogelijke aanpassingen van het wetsvoorstelhebben opgeleverd?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 617 3.5.1 Bepalen vermogensaanwas De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd in hoeverre er inhet forfaitaire stelsel de afgelopen jaren spraken was van liquiditeitspro-blemen bij het belasten van vermogensaanwas, bijvoorbeeld bij vastgoed.Waardestijgingen worden inmiddels al lange tijd forfaitair belast. Kan deregering dat kwantitatief toelichten? Kan de regering ook aangeven wat dehuidige mogelijkheden zijn qua betalingsregelingen voor wie onvol-doende liquide middelen heeft om de belasting in box 3 te voldoen? Inhoeverre werken deze afdoende om liquiditeitsproblemen te voorkomen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering ook hoeveeljuridische ruimte zij ziet om het voordeel door eigen gebruik van eenonroerende zaak op meer dan nihil te stellen voor de jaren 2017–2025. Kanhier worden aangesloten bij de beoogde bepalingen in de Wet werkelijkrendement? Zo nee, waarom niet? Zou het niet logisch zijn om ditvoordeel wel mee te nemen, aangezien hier ook vanuit was gegaan bij hetintroduceren van het forfaitaire stelsel en het vaststellen van de forfaitairerendementspercentages? Hoeveel kleiner zou de budgettaire derving vanhet voorliggende wetsvoorstel zijn als voordeel door eigen gebruik vaneen onroerende zaak wél wordt meegenomen bij het vaststellen van hetwerkelijk rendement in 2017–2025?Voorts vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de regering wat zijbedoelt met «bijvoorbeeld» het woningwaarderingsstelsel als het gaat omde economische huurwaarde? Is het aantal punten in het woningwaarde-ringsstelsel hier bindend of hebben belastingplichtigen de vrijheid ommet een eigen berekening te komen?De leden van de VVD-fractie lezen dat vanaf 2026 een inkomen voor eigengebruik van de tweede woning in aanmerking wordt genomen op basisvan economische huurwaarde. De Nederlandse Orde van Belastingadvi-seurs (NOB) beschrijft in haar reactie op het wetsvoorstel van 18 april20256 een vijftal praktijkvoorbeelden waar de voorgestelde maatregelonvoldoende duidelijk is over hoe daarmee om te gaan. De leden van deVVD-fractie verzoeken de regering om de vragen bij de praktijkvoor-beelden te beantwoorden.Het gaat om de volgende praktijkvoorbeelden en vragen:Voorbeeld 1: seizoensgebonden verhuurEen belastingplichtige bezit een vakantiewoning, welke de facto alleen inhet hoogseizoen verhuurd kan worden en voor de rest van het jaar nietgeschikt is voor verhuur. Welke economische huurwaarde geldt dan voorde periode dat de woning niet verhuurd kan worden?Voorbeeld 2: in tijd beperkte mogelijke verhuurIn verschillende gemeentes geldt een beperking in het aantal dagen dateen woning verhuurd mag worden. Doel is te voorkomen dat de woningonttrokken wordt aan het woningaanbod voor permanente bewoning.Welke economische huurwaarde geldt voor een woning die door degemeente wettelijk in duur beperkt is voor wat betreft het aantal dagendat de woning verhuurd mag worden?Voorbeeld 3: onroerende zaken en afspraken in het kader vanechtscheidingIndien een belastingplichtige in het kader van een echtscheiding afsprakenheeft gemaakt met diens gewezen partner, op grond waarvan de gewezenpartner gebruik mag blijven maken van het aandeel van de belasting-plichtige in diens voormalige eigen woning, geldt op grond van6Te raadplegen via de website van de NOB (https://www.nob.net/publicaties/box-3-aandachtspunten-tegenbewijsregeling)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 618 artikel 3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001 een overgangsregelingwaardoor de belastingplichtige diens aandeel in de woning noggedurende een periode van twee jaar als eigen woning mag kwalificeren.Na verloop van die twee jaren, verhuist het aandeel van de belasting-plichtige in de woning naar box 3. Veelal is in het echtscheidingscon-venant een vergoeding voor het aandeel in de woning van de belasting-plichtige vastgelegd die door de gewezen partner aan debelastingplichtige moet worden betaald. Deze vergoeding is in de regel(veel) lager dan die van onder normale omstandigheden verhuurdevergelijkbare woningen. Vaak wordt namelijk aangesloten bij heteigenwoningforfait van artikel 3.112, van de Wet IB 2001 over dat deel vande woning. Welke economische huurwaarde geldt dan voor de periodedat de woning ter beschikking staat aan de gewezen partner van debelastingplichtige en de overgangsregeling van artikel 3.111, vierde lid,van de Wet IB 2001 niet meer van toepassing is?Voorbeeld 4: onroerende zaken in een onverdeelde boedel na eenoverlijdenEen belastingplichtige erft samen met anderen een onverdeeld aandeel ineen woning. Deze woning staat dan niet ter beschikking van de belasting-plichtige. Er zijn immers ook andere erfgenamen die een onverdeeldaandeel hebben in de woning. Ook zal een woning veelal niet (direct)geschikt zijn voor verhuur. Welke economische huurwaarde geldt danvoor het onverdeelde aandeel in de woning? En wat als de woningonbruikbaar is anders dan door brand of verbouwing, maar bijvoorbeelddoor achterstallig onderhoud?Voorbeeld 5: mede-eigendom van een vakantiewoningEen belastingplichtige is (mede-)eigenaar is van een vakantiewoning opeen vakantiepark, welke woning door het park deels verhuurd wordt aanniet eigenaren en voor een vaste periode per jaar ter beschikking staat aanbelastingplichtige en andere eigenaren. Welke economische huurwaardegeldt dan voor belastingplichtige voor de periode dat de woning nietverhuurd is en tevens niet gebruikt kan worden door belastingplichtige?De leden van de VVD-fractie merken op dat het Register Belastingadvi-seurs (RB) in reactie op het wetsvoorstel van 15 april 20257 een specifiekevraag heeft opgenomen over de reikwijdte van artikel 5.27, eerste lid,onderdeel i, en artikel 5.27a, eerste lid, zoals deze gaan luiden vanaf 2026.De leden van de VVD-fractie hebben dezelfde vraag. Welke onroerendezaken vallen onder de reikwijdte van genoemde artikelen? Blijft hetvoordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staand onroerendezaken beperkt tot één onroerende zaak of kunnen dit meerdere onroe-rende zaken betreffen?De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat het RB vaststelt dat devoorgestelde wet geen antwoord biedt op in de praktijk opkomendevragen. De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat belastingplichtigenen fiscaal dienstverleners op een juiste wijze het werkelijk rendementbox 3 kunnen bepalen. Deze leden verzoeken de regering om de volgendevragen te beantwoorden. Doet een stijging van de actuele marktrente deWEV van een vordering met een vaste rente dalen, welke daling leidt toteen negatieve vermogensaanwas in de zin van artikel 5.28? Dit omdat deWEV van de vordering mede wordt bepaald door actuele marktrente tenopzichte van de contractuele rente? Doet een daling van de actuelemarktrente de WEV van een schuld stijgen, welke stijging leidt tot eennegatieve vermogensaanwas in de zin van artikel 5.28? Dit omdat de WEV7Te raadplegen via de website van het RB (https://rb.nl/nieuws/wet-tegenbewijsregeling-box-3-nog-veel-onduidelijk-en-het-rb-verwacht-een-tsunami-aan-bezwaarschriften).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 619 van de schuld mede wordt bepaald door actuele marktrente ten opzichtevan de contractuele rente?De leden van de VVD-fractie lezen dat ter zake van bankrekeningen,effectenrekeningen en contant geld in een andere valuta dan euroongerealiseerde en gerealiseerde valutakoersresultaten onderdeel zijn vanhet werkelijke rendement. De koersresultaten dienen te worden vastge-steld op basis van de gemiddelde maandelijkse valutakoers. De leden vande VVD-fractie zijn van mening dat dit voor burgers ondoenlijk is. Is deregering bereid toe te zeggen dat het werkelijk rendement kan wordengebaseerd op de gemiddelde jaarkoers, zoals gepubliceerd door DeNederlandsche Bank?De leden van de NSC-fractie merken op dat zij het waarderen dat hetformulier OWR het werkelijke rendement zodanig uitvraagt dat debelastingplichtige alleen feitelijke gegevens hoeft in te vullen, waarna hetsysteem automatisch de berekening uitvoert. Dit draagt in de ogen vandeze leden bij aan gebruiksgemak en voorkomt rekenfouten. Tegelijkvragen deze leden hoe belastingplichtigen eventuele fouten die door hetsysteem worden gemaakt kunnen herkennen en corrigeren. Wordt deuitkomst transparant getoond, zodat burgers kunnen nagaan of hetsysteem hun gegevens correct verwerkt heeft? Is voorzien in eenlaagdrempelige mogelijkheid tot correctie of bezwaar als er iets misgaat?De leden van de CDA-fractie lezen dat voor het bepalen van de vermo-gensaanwas het werkelijk rendement uitgevraagd wordt door middel vanhet formulier OWR. Daarin wordt per vermogenscategorie de fiscaalrelevante gegevens uitgevraagd bij de belastingplichtige om het werkelijkrendement te bepalen. Deze leden vragen of dit niet vergelijkbareinformatie is die uitgevraagd zou moeten worden als je de Wet werkelijkrendement in eerste instantie zonder VIA zou invoeren. Zorgt juist deICT-technische kant van de VIA voor de lange implementatieperiode?Dat dit een te grote impact op het doenvermogen zou hebben, geldt danook voor het wetsvoorstel tegenbewijsregeling. Overigens wordt volgensde regering ook bij de tegenbewijsregeling gestreefd dat financiëleinstellingen het werkelijk rendement van bankrekeningen, beleggingen enverzekeringen op de wat langere termijn renseigneren, zodat dezegegevens vooraf ingevuld kunnen worden.De leden van de CDA-fractie vragen de regering zeer precies aan te gevenwaarin hier uitvoeringstechnisch de verschillen zitten met invoering vaneen belasting op werkelijk rendement in eerste instantie zonder VIA. In deuitvoeringstoets wordt immers ook gesteld dat met voorliggendwetsvoorstel feitelijk een nieuw box 3 stelsel geïntroduceerd is op basisvan de uitgangspunten van de Hoge Raad. De leden van de CDA-fractievragen dan oprecht of de uitgangspunten niet beter helemaal in lijngebracht kunnen worden met de voorgenomen Wet werkelijk rendement,zodat meer zekerheid voor belastingplichtigen richting de toekomstontstaat, minder bezwaar en beroep zal worden ingediend en men directnaar een zuiver stelsel gaat in plaats van via een hele complexeombuiging.De leden van de CDA-fractie vragen voorts waarom voor het bepalen vanhet voordeel van eigen gebruik van een onroerende zaak wordt gekozenvoor berekenen van de economische huurwaarde van de onroerende zaaken niet voor een forfait zoals in het eerste concept wetsvoorstel van dewet werkelijk rendement. Ook vragen de leden van de CDA-fractie deregering in te gaan om de voorbeelden van de NOB ten aanzien van deeconomische huurwaardebepaling van een tweede woning.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 620 De leden van de SGP-fractie constateren dat er geen kostenaftrek mogelijkis. Deze leden zijn van mening dat kostenaftrek wel noodzakelijk is. Kostenverlagen namelijk het rendement, en zouden daarom ook onderdeelmoeten zijn van het werkelijke rendement. Deze leden lezen dat enkelinvesteringskosten kunnen worden opgevoerd. Ontstaan hierdoor nietgrote juridische moeilijkheden? Hoe wordt precies bepaald of er sprake isvan investeringskosten of «gewone kosten». Zo komen schilderkostenvolgens de memorie van toelichting niet in aanmerking voor kostenaftrek,maar is niet te beargumenteren dat dit ook investeringskosten zijn?Daarnaast vragen deze leden of er richtlijnen voor belastingplichtigen zijnof komen om het onderscheid te maken tussen onderhoudskosten eninvesteringskosten.De leden van de SGP-fractie vragen naar de budgettaire consequentiesvan het toestaan van een kostenaftrek. Zijn daarin varianten mogelijk?Bijvoorbeeld het toestaan van een kostenaftrek tot een bepaald bedrag?Of op basis van een forfaitair percentage? Wat zijn daarvan de budgettaireconsequenties?Klopt het dat in de Wet werkelijk rendement box 3 wel een kostenaftrekwordt ingevoerd? Indien er de komende jaren geen kostenaftrek mogelijkis, hoe kijkt de regering dan ook tegen de inconsistentie die daardoor dekomende jaren optreedt?Naar de mening van de leden van de SGP-fractie ontstaat er door het niettoestaan van kostenaftrek ook een verschil in behandeling tussen soortenbeleggers. Bij beleggers met onroerende zaken is er vaker sprake vankosten, dan bij bijvoorbeeld beleggers met aandelen. Het werkelijkerendement wordt daardoor verschillend benaderd, volgens deze leden.Hoe rechtvaardigt de regering dit verschil?Ten slotte wijzen de leden van de SGP-fractie op de bijzondere positie vanrijksmonumenten. Deze hebben wettelijk nauwelijks mogelijkheden tot hetdoen van investeringen, terwijl er wel veel (noodzakelijke) onderhouds-kosten nodig zijn. Als hier geen kostenaftrek mogelijk is, zal dit mogelijkgrote gevolgen hebben voor het onderhoud aan en de instandhoudingvan rijksmonumenten. Graag vernemen deze leden hoe de regering hiertegenaan kijkt? Hoe wordt de instandhouding van rijksmonumentengewaarborgd? Hoe komt de bijzondere positie van rijksmonumenten terugin het onderhavige wetsvoorstel?3.5.2 Grondslag en waardering De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat investe-ringen in woningen alleen aftrekbaar zijn als deze investeringenaantoonbaar van invloed zijn geweest op het vaststellen van deWOZ-waarde. Moeten belastingplichtigen hiervoor zelf bewijs aanleveren?De leden van de VVD-fractie lezen dat het verschil tussen deWOZ-waarden aan het einde en het begin van het kalenderjaar – kortgezegd – als waardemutatie in aanmerking wordt genomen. Hoe moetworden omgegaan met de extra waardesprong (louter papieren waarde-stijging) vanwege de gewijzigde percentages leegwaarderatio in 2023 tenopzichte van 2022? Behoort deze waardesprong als gevolg van degewijzigde leegwaarderatio tot het werkelijk rendement? De leden van deVVD-fractie roepen de regering op om hierover duidelijkheid teverschaffen.Een waardemutatie als gevolg van een investering blijft buitenbeschouwing, voor zover de investering leidt tot een uitbreiding of eenverbetering van de onroerende zaak, constateren deze leden. De leden vande VVD-fractie zijn van mening dat het isoleren van het effect van deverbouwingswerkzaamheden vanuit een waarderingstechnisch oogpuntTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 621 zeer complex is en hebben behoefte aan een nadere toelichting. De NOBheeft in reactie van 18 april 2025 een aantal punten benoemd waarom eennadere toelichting wenselijk is.De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering om de volgendevragen te beantwoorden:•Hoe is een belastingplichtige kenbaar dat bij het vaststellen van deWOZ-waarde artikel 18, derde lid, van de Wet WOZ is toegepast,daarbij rekening houdend met het onderscheid tussen: voor degemeente kenbare verbouwingen (met vergunningen); en vergun-ningsvrije verbouwingswerkzaamheden (denk aan een nieuwe keukenen/of badkamer)?•Op welke wijze is aan belastingplichtigen het geïsoleerde effect van detoepassing van artikel 18, derde lid, van de Wet WOZ kenbaar, zodat dewaardeontwikkeling als gevolg van een investering in een woning dietot een uitbreiding of verbetering van die woning heeft geleid, volledigbuiten toepassing blijft?•Hoe wordt omgegaan met verbouwingen die een peildatum overschrij-den?•In hoeverre is het één-op-één aansluiten bij het arrest van de HogeRaad op dit punt praktisch uitvoerbaar? Zijn wellicht marktgemiddel-den bekend in hoeverre een aanvullende investering van een woningtot een waardestijging leidt? Wellicht zou daarbij dan aansluitingkunnen worden gezocht als de belastingplichtige niet in staat is om ineen individueel geval aannemelijk te maken welke waardestijgingtoerekenbaar is aan een gedane investering?De leden van de VVD-fractie lezen dat de belastingplichtige ook hetonderzoek van SEO naar de huurwaarderatio van woningen in box 3 kangebruiken als handvat voor de waardering van het voor eigengebruik terbeschikking staan van de tweede woning. Volgens dat onderzoek is degemiddelde economische huurwaarde van een woning 5,06 procent vande WOZ-waarde. Mag een belastingplichtige voor de waardering van hetvoordeel uit eigen gebruik van een onroerende zaak zonder nadereonderbouwing altijd uitgaan van 5,06 procent van de WOZ-waarde? Geldtdie 5,06 procent als een «safe harbour»?De leden van de VVD-fractie vragen wat de achterliggende gedachte is ombij de economische huurwaarde in artikel 27a, eerste lid, een gemiddeldeeconomische huurwaarde te hanteren van 5,06 procent op basis van hetonderzoek van SEO naar de huurwaarderatio van woningen in box 3,terwijl in het concept wetsvoorstel werkelijk rendement op basis vanhetzelfde onderzoek wordt uitgegaan van 3,35 procent? Kan de regeringdit nader toelichten?De leden van de CDA-fractie vragen de regering ten aanzien van valuta-koersen in te gaan op de opmerking van de NOB of het niet doenlijker isuit te gaan van gemiddelde jaarkoersen, dan om 12 keer de maandelijkseaanwas te moeten bepalen.De leden van de SGP-fractie lezen dat de waardeontwikkeling vanwoningen als gevolg van investeringen buiten beschouwing mag wordengelaten bij de bepaling van de jaarlijkse waardeontwikkeling. Dit kanechter alleen als er bij de bepaling van de WOZ-waarde rekening isgehouden met deze investeringen. Hoe kan de belastingplichtige ditnagaan? Moet deze belastingplichtige dit altijd nagaan bij de gemeente?Hoe wordt hierin willekeur of ongelijkheid tussen belastingplichtigenvoorkomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 622 3.5.4 Toerekening van het werkelijke rendement bij fiscaalpartners De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor de situatie dat eenandere partnerverdeling tot meer teruggaaf kan leiden. Hoe vindt deverdeling van het box 3-inkomen tussen partners plaats? In hoeverre isonderzocht om een aanpassing van de partnerverdeling te faciliteren inhet formulier OWR, dan wel de mogelijkheid om de partnerverdeling openigerlei andere wijze aan te passen? Kan de regering toelichten wanneerwel en wanneer niet een nieuwe verdeling tussen partners is toegestaan?3.6 Formeelrechtelijke aspecten bij de tegenbewijsregeling De leden van de NSC-fractie merken op dat de bewijslast bij het toepassenvan de tegenbewijsregeling bij de belastingplichtige ligt. Hoewel ditaansluit bij de fiscale praktijk, rijst de vraag of dit passend is in het lichtvan het rechtsherstel dat hier centraal staat. Kan de regering reflecterenop de vraag of het redelijk is om burgers (na jaren van mogelijkeonrechtmatige heffing) ook de volledige juridische bewijslast te latendragen?Daarnaast vragen de leden van de NSC-fractie hoe in de praktijk wordtomgegaan met situaties waarin de inspecteur aanvullende bewijsstukkenverlangt. Wordt hierbij rekening gehouden met het feit dat veel gegevensover eerdere jaren inmiddels moeilijk/niet terug te halen zijn? Op welkewijze wordt voorkomen dat belastingplichtigen hierbij alsnog tussen walen schip vallen? Zijn andere verdelingen van bewijslast mogelijk?4. Internationale aspecten De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering om een toelichting tegeven, eventueel aan de hand van voorbeelden (denk aan het bezit vaneen vakantiewoning in het buitenland), op de werking van de aftrek vandubbele belasting.4.2 Voorkoming van dubbele belasting De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe dubbeleniet-belasting wordt voorkomen bij buitenlands bezit.5. Overwogen alternatieven De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd of er alternatievenzijn om de uitvoering te ontlasten, bijvoorbeeld door een lager forfait eneen hoger tarief. Kan de regering aangeven hoeveel het forfait budgetneu-traal omlaag kan als het tarief in box 3 wordt verhoogd (per procentpunt)?Hoeveel minder mensen zouden dan naar schatting gebruik maken van detegenbewijsregeling? Kan de regering dit in een tabel kan weergeven?Voorts willen deze leden graag weten hoeveel sneller de Wet werkelijkrendement ingevoerd zou kunnen worden als in eerste instantie wordtafgestapt van een vooringevulde aangifte en belastingplichtigen in plaatsdaarvan zelf moeten invullen wat hun behaalde rendement is (net als bijde voorgestelde tegenbewijsregeling). Zou het mogelijk zijn de vooringe-vulde aangifte vervolgens later alsnog in te voeren, zodra dat uitvoerings-technisch mogelijk is? Kan de regering reflecteren op de voor- en nadelenvan deze optie?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of is onderzocht of eentijdelijke, eenvoudige vermogensheffing van bijvoorbeeld één procentover het vermogen boven het heffingsvrij vermogen als overbruggings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 623 maatregel tot 2028 uitvoerbaar zou zijn. Zou een dergelijke tussenop-lossing, los van eventuele uitvoeringsbezwaren, in de ogen van deregering rechtvaardiger zijn dan het voorgestelde systeem met eenforfaitair rendement en een complexe tegenbewijsregeling? Wat zoudende (verwachte) perceptiekosten zijn van een tijdelijke vermogensheffing invergelijking met de kosten van uitvoering van het wetsvoorstel tegenbe-wijsregeling box 3? Is in de uitvoeringstoets ook het scenario bekekenwaarin alle forfaitaire rendementen op nul worden gezet en tijdelijk eenvermogensheffing wordt ingevoerd, zoals bepleit door verschillendeexperts? Zijn er Europese of verdragsrechtelijke belemmeringen voor hettijdelijk invoeren van een eenvoudige vermogensheffing? Kan hetministerie een rekenvoorbeeld geven van de budgettaire opbrengst vaneen tijdelijke vermogensheffing van bijvoorbeeld 1,4 procent boven eendrempel van 50.000 euro per persoon? Waarom is het invoeren van eentijdelijke vermogensbelasting niet uitvoerbaar per 1 januari 2026?Tevens vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of is overwogen omeen vrijstelling of verlaging van de overdrachtsbelasting te faciliteren,zodat vastgoed van box 3 naar box 2 overgebracht kan worden. Met welkeredenen heeft de regering ervoor gekozen dit niet te faciliteren? Klopt deinschatting van deze leden dat deze route op korte termijn uitvoerbaar zouzijn?6. Budgettaire effecten De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering in ééncomplete tabel kan weergeven wat de totale hersteloperatie box 3 heeftgekost (opgeteld van 2017–2027) en bij welke inkomens/vermogensgroepen dit bedrag precies terecht is gekomen. Kan deregering daarnaast in één complete tabel weergeven hoe de helehersteloperatie box 3 (2017–2027) is gedekt? Welk deel van de kostenbinnen box 3, welk deel uit de staatsschuld en welk deel bij inkomen/arbeid?Deze leden vragen daarnaast wat de budgettaire gevolgen zijn als uit demassaal bezwaar plus-procedure blijkt dat de overheid nog meer mensenmoet gaan compenseren? Gaat dit worden gedekt binnen domeinvermogen en winst of legt de regering de rekening weer bij werkenden?De leden van de NSC- fractie vragen of en in hoeverre in de budgettaireraming is meegenomen dat de groep die aanspraak maakt op de regelingmogelijk groter wordt (bijvoorbeeld als de Hoge Raad deniet-bezwaarmakers alsnog in het gelijk stelt). Kan de regering hieropreflecteren?De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van de budgettairegevolgen van de tegenbewijsregeling om meer cijfermatige onder-bouwing. Deze leden vragen de regering op basis van het format van«Tabel II: Box 3 vermogen en aantal box 3-belastingplichtigen (gegevens2017)» uit de Kamerbrief over de Wet aanpassing box 3 (Kamerstuk 35 577– memorie van antwoord (EK, C), ook voor de jaren 2018, 2019, 2020, 2021en 2022 cijferoverzichten op te stellen en naar de Kamer te sturen.Ook vragen deze leden om alle aannames die rondom de berekeningenvan het budgettaire beslag zijn gedaan en die naar het CPB zijn gestuurdvoor certificering.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat de turbu-lentie op de aandelen- en verhuurdersmarkt betekent voor de tegenbe-wijsregeling en de opbrengsten van box 3. Is bij de huidige budgettaireraming rekening gehouden met het feit dat de beurskoersen het eerstekwartaal daalden en de gevolgen die deze koersdalingen hebben voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 624 aantrekkelijkheid van de tegenbewijsregeling? Wat zouden hiervan debudgettaire en uitvoeringsgevolgen zijn, bijvoorbeeld om dat meerbelastingplichtigen dan verwacht gebruikmaken van de tegenbewijsre-geling?De leden van de SGP-fractie vragen de regering wanneer de certificeringvan de raming door het CPB naar de Kamer wordt gestuurd.De leden van de SGP-fractie hebben grote twijfels bij de raming van debudgettaire kosten van het wetsvoorstel. Zij wijzen daarbij bijvoorbeeldook op de hoge rendementen die zijn behaald in de afgelopen jaren. Kande regering inzichtelijk maken hoe de raming precies is opgebouwd?Welke aannames liggen daaraan ten grondslag? Welke rendementenworden verwacht?7. Gevolgen voor het bedrijfsleven en burger De leden van de NSC-fractie geven aan dat rechtsherstel in box 3begrijpelijk en toegankelijk moet zijn voor alle burgers. De voorgestelderegeling is in de ogen van deze leden technisch complex en legt veelverantwoordelijkheid bij de belastingplichtige zelf. Deze leden maken zichdan ook zorgen over de praktische uitvoerbaarheid en de gevolgen voormensen met minder fiscale kennis of beperkte digitale vaardigheden. Kande regering hierop ingaan?7.1 Inkomenseffecten De leden van de NSC-fractie merken op dat het vaststellen van hetwerkelijk rendement gevolgen kan hebben op inkomensafhankelijkeregelingen. Zij vragen de regering of belastingplichtigen worden gewezenop de gevolgen die een andere vaststelling van het box-3 inkomen metzich meebrengen voor bijvoorbeeld de hoogte van toeslagen.Voorts constateren de leden van de NSC-fractie dat van de 359.500belastingplichtigen die naar verwachting geld terugkrijgen slechts 26.900personen (= 7,5 procent) een inkomen van meer dan vier keer modaalhebben, maar dat deze groep vermoedelijk 33 procent van het totalerestitutiebedrag ontvangt. Kan de regering deze cijfers verder toelichten?Hoe komt het dat deze relatief kleine groep een dermate groot beroepdoet op het restitutiebedrag?De leden van de D66-fractie benadrukken het belang van een proporti-onele en evenwichtige fiscale behandeling van vermogen. Hoe wordtvoorkomen dat het voorliggende wetsvoorstel vooral voordeel oplevertvoor belastingplichtigen met hoge vermogens, terwijl de lasten van deuitvoeringscomplexiteit en administratieve lasten (mede) op het collectiefdrukken?De leden van de D66-fractie vragen tevens om een reactie op de analysedat het merendeel van het budgettaire voordeel terechtkomt bij belasting-plichtigen, die meer dan tweemaal modaal verdienen. Hoe beoordeelt deregering dit in het licht van het streven naar een eerlijker belastingstelsel?Tevens zijn deze leden benieuwd hoe de regering het apprecieert datiemand die minder rendement behaalt dan verondersteld wél gecompen-seerd wordt, maar dat mensen die (significant) meer rendement behalendan verondersteld daar geen belasting over betalen. Welke mogelijkhedenziet de regering om een oplopende vermogensongelijkheid te vermijden?De leden van de D66-fractie zijn kritisch over het voorstel om de vermo-gensvrijstelling te verlagen, een maatregel die volgens hen niet vanzelf-sprekend aansluit bij het beginsel van progressieve belastingheffing. EenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 625 lagere vrijstelling raakt immers in relatieve zin vooral belastingplichtigenmet kleinere vermogens. Deze leden vragen de regering op welke wijze demaatregel zich verhoudt tot het streven om kleine spaarders en beleggerste ontzien. Heeft de regering alternatieve dekkingsopties overwogen dieminder ingrijpend zijn voor huishoudens met beperkte vermogens?De leden van de D66-fractie verzoeken de regering om een heroverwegingvan de verlaging van de vermogensvrijstelling en vragen een onder-bouwing van de keuze om juist op dit punt budgettaire neutraliteit na testreven.7.2 Gedragseffecten De leden van de NSC-fractie merken op dat de cijfers over het aantalbelastingplichtigen per inkomensgroep dat naar schatting geld terugkrijgtmet de tegenbewijsregeling, het geschatte bedrag dat zij kunnenterugkrijgen en hun gemiddelde vermogen in combinatie met de hybridewerking van box 3 (waarbij jaarlijks kan worden gekozen voor de meestgunstige berekening) de vraag oproept in hoeverre het draagkrachtbe-ginsel wordt ondermijnd door deze vorm van rechtsherstel. Hebben meervermogende belastingplichten, of belastingplichten uit hogere-inkomensgroepen in de regel meer risicodragend vermogen? In hoeverreworden gedragseffecten gemonitord?7.3 Administratieve lasten De leden van de NSC-fractie constateren dat de tegenbewijsregelingstructureel leidt tot hogere administratieve lasten voor belastingplich-tigen, zeker bij meer gevarieerd vermogen. Is de regering bereid destructurele regeldrukkosten te blijven monitoren en in een later stadium teevalueren hoe de balans tussen belastingdruk, rechtszekerheid enuitvoerbaarheid uitpakt in de praktijk?7.4 Gevolgen voor het doenvermogen De leden van de NSC-fractie merken op dat zij grote waarde hechten aaneen belastingstelsel dat ook uitvoerbaar is voor burgers met een beperktdoenvermogen. Zij waarderen het dat de Belastingdienst bij de inrichtingvan de tegenbewijsregeling rekening heeft gehouden met dituitgangspunt. Dit is te zien bij de opzet van het formulier OWR. Welvragen de leden van de NSC-fractie in hoeverre mensen zonder fiscalekennis, met lage digitale vaardigheden of beperkte taalvaardigheid,daadwerkelijk zelfstandig gebruikmaken kunnen van deze regeling.Kunnen deze groepen belastingplichten gebruik maken van additionelehulp bij het invullen van het formulier, bijvoorbeeld via de Belasting-Telefoon?De leden van de D66-fractie vragen of de regering heeft overwogen omhet formulier Opgaaf Werkelijk Rendement wél verplicht te stellen enwaarom ervoor is gekozen deze verplichting niet wettelijk in te beddenondanks het uitvoeringsvoordeel daarvan. Waarom precies voorziet deregering juridische risico’s bij verplichtstelling? In hoeverre acht deregering het wenselijk dat belastingplichtigen via bezwaar en ambtshalvevermindering afwijkende routes kunnen bewandelen die de uitvoeringcomplexer maken? Wat gaat de regering doen om deze risico’s temitigeren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 626 De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Belastingdienst toezicht zalhouden op de juistheid van de aangeleverde gegevens door belasting-plichtigen. Hoe controleert de Belastingdienst specifiek de juisteberekening van ongerealiseerde waardemutaties?7.5 Rechtsbescherming De leden van de NSC-fractie achten het van belang dat belastingplichtigendie gebruikmaken van de tegenbewijsregeling ook beschikken overlaagdrempelige en effectieve rechtsbescherming. Zij vragen hoe deregering waarborgt dat burgers bezwaar kunnen maken tegen deberekening van het werkelijke rendement, zeker wanneer deze berekeningautomatisch tot stand komt via het formulier OWR. Wordt de uitkomst vandie berekening helder en controleerbaar gepresenteerd aan de belasting-plichtige? Hoe wordt voorkomen dat bezwaarprocedures verzanden intechnische discussies die voor burgers moeilijk te volgen zijn?Tot slot vragen deze leden op dit punt of de regering bereid is om signalenvan structurele knelpunten in de rechtsbescherming actief te verzamelenen periodiek met de Kamer te delen.8. Uitvoeringsaspecten De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering naar eerderevoorbeelden van wetsvoorstellen of amendementen die vijf rode vlaggenkregen in de uitvoeringstoets. Hoe vaak is dit eerder voorgekomen? Welkevan die voorstellen zijn aangenomen door het parlement en ingevoerd?Ook vragen deze leden wat de gevolgen voor de uitvoering zijn als ookniet-bezwaarmakers de gelegenheid krijgen gebruik te maken van detegenbewijsregeling.De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd over de uitvoering. Hoewel hetformulier OWR niet verplicht is, begrijpen de leden van de VVD-fractie dathet de voorkeur heeft van de Belastingdienst dat belastingplichtigen hetformulier OWR gebruiken zodat de Belastingdienst toezicht kan houdenop het aangeven van het werkelijk rendement en vervolgens op eengeautomatiseerde wijze rechtsherstel kan bieden.De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor situaties waarvan hetevident is dat het werkelijk rendement (fors) negatief is. Is de regeringbereid om een soepele benadering te hanteren, waarbij het bijvoorbeeldvolstaat dat een overzicht wordt verstrekt van het vermogensverlies,zonder dat het volledig tot op detailniveau moet worden uitgezocht? Kanworden volstaan met het aantonen van het negatieve rendement in hetformulier OWR, zonder het gehele formulier volledig en zonder voorbe-houden in te vullen? Kan worden bevestigd dat in dat geval geen boetesop dit punt zullen worden opgelegd aan belastingplichtige en/of fiscaaldienstverlener?De leden van de VVD-fractie lezen in de bijgevoegde uitvoeringstoets vande Belastingdienst dat de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst meteen grote onzekerheid omgeven zijn en dat de Kamer hierover eind 2025en eind 2026 wordt geïnformeerd. Hoe groot acht de regering degenoemde risico’s? Kan een onderbouwde inschatting gemaakt wordenvan mogelijke toekomstige tegenvallers in uitvoeringskosten? Zou extrauitvoeringscapaciteit gevolgen kunnen hebben voor de invoering van deWet werkelijk rendement per 1 januari 2028?De leden van de NSC-fractie onderkennen dat de uitvoering van detegenbewijsregeling een belasting vormt voor de Belastingdienst. Zijwaarderen het dat is gekozen voor een opzet waarbij het werkelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 627 rendement grotendeels automatisch wordt berekend op basis vanfeitelijke gegevens. Tegelijk vragen deze leden hoe de Belastingdienst zichvoorbereidt op mogelijke piekbelasting, bijvoorbeeld wanneer veelbelastingplichtigen zich alsnog melden na een gunstige uitspraak in demassaalbezwaarplusprocedure. Is er voldoende capaciteit om dezetoestroom te verwerken zonder vertraging of fouten? Zijn de ongeveer1700 FTE voldoende in een scenario waarin de belastingplichtigen die zijnaangesloten bij de massaalbezwaarplusprocedure in het gelijk wordengesteld? Kan een «worst case» scenario worden uitgewerkt?De leden van de D66-fractie constateren dat zowel de Afdeling adviseringvan de Raad van State als de Belastingdienst ernstige zorgen uit over deuitvoerbaarheid van het voorliggende wetsvoorstel. De constatering dat ersprake is van «vijf rode vlaggen» in de uitvoeringstoets onderstreept dezezorgen. Deze leden vragen de regering op welke wijze zij voornemens isom het risico op verdringing van reguliere werkzaamheden bij deBelastingdienst te mitigeren, gegeven de grote inzet aan capaciteit die hetonderhavige wetsvoorstel vereist. Hoe verhoudt dit zich tot de beperktebeschikbaarheid van geschikt personeel?De leden van de CDA-fractie lezen in de uitvoeringstoets dat het ramenvan de uitvoeringskosten met beduidend meer onzekerheden zijnomgeven dan gebruikelijk, omdat er onzekerheid is over het aantal teverwachten burgerreacties, het aantal benodigde medewerkers tijdens dehersteloperatie en de financiële gevolgen van de hersteloperatie. Hierdoorworden twee herijkingen voorgenomen eind 2025 en eind 2026. Daarkomt nog bij dat de vraag is in hoeverre deze wet het ontstane probleemoplost. De leden van de CDA-fractie vragen de regering daarom om in tegaan op het commentaar van de Raad van State dat de Belastingdienstvoor een «onoplosbaar dilemma» wordt gesteld, omdat een tegenbewijs-regeling die niet doenbaar en uitvoerbaar is, niet bijdraagt aan rechts-herstel.Daar komt volgens deze leden bovenop dat veel belastingplichtigen detegenbewijsregeling als zeer onrechtvaardig zullen beschouwen, zoals ookde NOB aangeeft, en daardoor de regeling nog minder bijdraagt aanrechtsherstel. Deze leden vragen of de regering het voorgenomenrechtsherstel in dat licht daadwerkelijk voldoende acht, in relatie tot deenorme te accepteren uitvoeringsrisico’s. Wat de leden van de CDA-fractiebetreft ontstaat een giftige cocktail van vijf rode uitvoeringsvlaggen,waaronder een enorme personele last op basis van zeer onzekereinschattingen en onzekere budgettaire inschattingen, met daarbovenopeen voorgenomen systeem dat veel ontevredenheid en bezwaarproce-dures zal oproepen en een dreigende uitspraak van de Hoge Raad in demassaal bezwaarprocedure plus die explosief kan uitpakken. Deze ledenvragen of de regering van mening is dat inzake voorliggende wet eenverantwoorde beslissing kan worden genomen, of dat financiële enuitvoeringsrisico’s zodanig zijn dat de regering zou moeten proberen inieder geval enkele elementen van de giftige cocktail te mitigeren.Bijvoorbeeld door eerst de uitspraak van de Hoge Raad af te wachten ofevidente bezwaargronden zoals de rekenregels voor vastgoed aan tepassen.De leden van de CDA-fractie lezen dat verschillende aannames zijn gedaanvoor inschatting van de uitvoeringslast voor verzoek- en bezwaarschriften.Daar wordt alleen een schatting van ongestructureerd bezwaar, dus nietvia het OWR-formulier, gegeven. Dat zou voor vastgoedbezitters slechtséén procent van de 800.000 eigenaren zijn en over het geheel vanbelastingplichtigen in box 3 wordt uitgegaan van het lage scenario vantwee procent. Deze leden vragen op basis waarvan deze aannames zijngedaan, en hoe hoog de te verwachten aantallen zijn als de verzoek- enbezwaarschriften via het OWR-formulier worden meegenomen. Ookvragen deze leden in hoeverre het nog haalbaar is de nieuwe wetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 628 werkelijk rendement in 2028 in te voeren als het aantal verzoek- enbezwaarschriften veel hoger is dan nu ingeschat. Deze leden schatten hetrisico op vele bezwaren immers zeer hoog in en willen graag inzicht in descenario’s en de vertraging die deze zouden inhouden voor het nieuwestelsel.In de uitvoeringstoets wordt ook toegelicht dat de voorstellen voortegenbewijs en het nieuwe box 3 stelsel zullen gaan samenlopen, zoconstateren de leden van de CDA-fractie. Dat zal ook het geval zijn voor deuitvoering hiervan. De leden van de CDA-fractie vragen de regering bij deinschatting van personele capaciteit voor de tegenbewijsregeling, ook deingeschatte personele capaciteit voor de nieuwe wet weer te geven en aante geven in hoeverre die tijdig te realiseren is. Ten aanzien van de Wetwerkelijk rendement vragen deze leden ook om aan te geven waar degrootste knelpunten zitten voor invoering hiervan, of dat in wetgeving, IT,personele capaciteit of anders is. Ook vragen deze leden het heel precieshet proces richting invoering per 2028 te schetsen.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen bij de uitvoe-ringsdruk als gevolg van hetgeen in het onderhavige wetsvoorstelbepaald staat. Hoe verhoudt de huidige uitvoeringsdruk zich tot eerderewaarschuwingen uit uitvoeringstoetsen en signalen van overbelastingbinnen de Belastingdienst (zoals ook klinkt in de rapporten van deAlgemene Rekenkamer), alsook de maximale negatieve score van vijf rodevlaggen bij de uitvoeringstoets door de Belastingdienst? Hoeveel extra ftezijn structureel en tijdelijk nodig voor uitvoering van de Wet tegenbewijs-regeling box 3 en het aanstaande stelsel Wet werkelijk rendement box 3,uitgesplitst per onderdeel? Hoeveel fte zijn inmiddels geworven ofopgeleid, en hoeveel vacatures staan nog open? Wat is de gemiddeldeopleidingsduur of inwerktijd voor deze nieuwe fte’s binnen het box 3-domein? Hoe verhoudt dit zich tot het structurele personeelstekort bij deBelastingdienst? Is invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 per1 januari 2028 nog realistisch gelet op de benodigde wetswijzigingen,IT-aanpassingen, ketenafspraken en uitvoeringscapaciteit? Wat is op ditmoment het grootste knelpunt in de planning richting 2028: wetgeving,uitvoering, IT, data-inwinning of personele capaciteit? Kan de regering eentijdlijn geven van de belangrijkste stappen (mijlpalen) die nog gezetmoeten worden voor een werkende uitvoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028? Zorgt de verwachte golf van procedures voor vertragingvan het Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3? Is dit een reden ombijvoorbeeld de kostenaftrek in te voeren in de Wet tegenbewijsregelingbox 3 of het forfait niet te verhogen met 1,78 procent om zo (massale)juridische procedures te reduceren, dan wel te voorkomen?De leden van de SGP-fractie hebben grote zorgen over de uitvoering vanhet wetsvoorstel. De uitvoeringstoets laat vijf rode vlagen zien. De Raadvan State merkt volgens deze leden terecht op dat het wetsvoorstel deBelastingdienst voor «een haast onmogelijke opgave stelt». Met de Raadvan State zijn de leden van de SGP-fractie van mening dat er aanvullendemaatregelen nodig zijn om de uitvoering van het wetsvoorstel teverbeteren. Welke maatregelen zijn in het voorproces overwogen? Kan deregering inzicht geven in de keuzes die gemaakt zijn om de uitvoering teontlasten, en welke afwegingen daarbij zijn gemaakt?Voor de uitvoering van het wetsvoorstel is een groot aantal fte nodig, zoconstateren de leden van de SGP-fractie. Hoe groot schat de regering hetrisico dat er onvoldoende fte voorhanden is voor de uitvoering? Welke(praktische) gevolgen heeft dat voor de uitvoering? Welke «herpriorite-ringskeuzes» moeten er in dat geval gemaakt worden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 629 De leden van de SGP-fractie wijzen op de uitvoeringstoets waarin is telezen dat een tijdige inwerkingtreding afhankelijk is van het feit of hetwetsvoorstel uiterlijk 31 maart 2025 door de Kamer en 31 mei 2025 doorde Eerste Kamer is aangenomen. De eerste datum ligt reeds in hetverleden. Wat zijn de gevolgen daarvan voor de uitvoeringstoets? Kan deregering een herijking van de uitvoeringstoets delen?9. Doelmatigheid en doeltreffendheid en evaluatie De leden van de SGP-fractie vernemen graag hoe bij het voorliggendewetsvoorstel rekening is gehouden met de gevolgen voor de woning-markt, in het bijzonder voor particuliere verhuurders?10. Advies en consultatie De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad voor de Rechtspraakvanwege toegenomen complexiteit een substantiële stijging van dewerklast verwacht. Het formulier zal een tijdelijke stroom extra zaken vanberoep naar de rechter introduceren, met cumulatief circa 25 miljoen euroaan werklast voor de Rechtspraak. De leden van de CDA-fractie vragen ofdeze grote werklast het systeem van de rechtspraak onacceptabelverstoort, omdat dit andere zaken verdringt en of in deze gevolgen ook alomogelijke consequenties van de uitspraken van de Hoge Raad inzake demassaal bezwaarprocedure plus zijn meegenomen.Tot slot ontvangen de leden van de CDA-fractie graag een reactie van deregering op het commentaar op het wetsvoorstel van enkele expertstijdens het rondetafelgesprek van 16 april 2025, die in feite elk afzonderlijkadviseerden de tegenbewijsregeling niet, of niet in deze vorm in tevoeren, vanwege de te grote risico’s. Deze leden vragen hoe de regeringdeze standpunten weegt. Ook vragen deze leden de regering omafzonderlijk in te gaan op tijdens dit rondetafelgesprek door de expertsgeuite stellingen, namelijk: het in aanmerking nemen van ongerealiseerdrendement en het niet in aftrek toestaan van kosten, leidt tot groteverschillen tussen verschillende soorten beleggers; de Hoge Raad neemtde ongelijkheid uit het stelsel met haar uitspraak niet weg, dit gaat ookweer massaal aan de rechter worden voorgelegd; een echte oplossing isinvoeren van de vermogenswinstbelasting, waarbij valt af te dingen optegenargumenten; het is mogelijk om het in te voeren, we doen dit ookgewoon voor BV’s; derving is geen goed argument als men bezig bent eengoed stelsel in te richten, en doordat men te laat heeft hervormd, is er nujuist veel derving. Of er veel derving is, is overigens volledig afhankelijkvan de economie. Een te hoge administratieve last is geen argument, alsmen kijkt naar de administratieve last van het voorliggende voorstel; deeconomische huurwaarde voor tweede woningen bijtellen wordt eendrama; het voorstel heeft vijf rode vlaggen in de uitvoeringstoets, datmoet je niet doen; de ICT is elke keer weer een probleem, waarom dantwee keer een enorme wijziging doorvoeren, beter in één keer een goedsysteem. Temeer omdat het nieuwe voorstel op twee punten beter is: hetstaat aftrek van kosten toe en neemt ongerealiseerde waardestijging nietmee. Daar is bewust voor gekozen in het voorstel het beter één keer eenenorme wijziging door te voeren, in het voorgenomen voorstel voor dewet werkelijk rendement omdat het veel rechtvaardiger is. Derving is eennon-discussie, ook als men kijkt naar de andere boxen waar de tarievenhoger zijn. Beter een eerlijk systeem met een hoger tarief.Veel van de gegevens voor tegenbewijs zijn er helemaal niet, omdatmensen dit nooit hebben hoeven administreren. De dreiging van massaalbezwaar plus hangt boven de markt, dat kan neerkomen op miljoenenbezwaren over meerdere jaren. Het is beter te wachten tot helder is of deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 630 Hoge Raad de massaal bezwaar plus procedure openstel. Als dat gebeurten deze wet wordt doorgevoerd, dan staat men voor een enorm drama.De leden van de SGP-fractie lezen dat er geen internetconsultatie heeftplaatsgevonden. Hoe zijn de adviezen van de sector wel opgehaald enmeegewogen?II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering hoeveelbelasting iemand met één miljoen euro bezit en 1,2 miljoen euro schuldbinnen het huidige forfaitaire stelsel zou moeten betalen. Klopt het dat ditbedrag uitkomt op zo’n 30.000 euro aan verschuldigde belasting? Klopthet daarnaast dat mensen met een groot bezit en een minstens zo hogeschuld geen aangifte hoeven te doen in box 3? Bijvoorbeeld iemand metéén miljoen euro bezit en 1,2 miljoen euro schuld?Klopt het dat belastingplichtigen in box 1 en box 2 bij negatief vermogenwel gewoon aangifte moeten doen? Wat zouden de budgettaire gevolgenzijn als mensen met meer dan twee ton bezit (ongeacht schuld) welaangifte in box 3 moeten doen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 631
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.