KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 22 april 2026, over civielrechtelijke onderwerpen

2 jul 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e9a16f42abee0591 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 279Rechtsstaat en RechtsordeNr. 1064 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 2 juli 2026 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 22 april 2026overleg gevoerd met mevrouw Van Bruggen, Staatssecretaris van Justitieen Veiligheid, over:−de brief van de Minister voor Rechtsbeschermingd.d. 16 november 2018 inzake toezeggingen tijdens hetalgemeen overleg van 4 oktober 2018 over het auteursrecht(Kamerstuk 29 838, nr. 96);−de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 29 janu-ari 2019 inzake jaarverslag van het College van Toezichtcollectieve beheersorganisaties Auteurs- en naburige rechtenover 2017 (Kamerstuk 29 838, nr. 100);−de brief van de Minister voor Rechtsbeschermingd.d. 18 november 2020 inzake rapport Evaluatie Wet Auteurs-contractenrecht (Kamerstuk 29 838, nr. 102);−de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 12 janu-ari 2021 inzake jaarverslag en toezichtsrapport van hetCollege van Toezicht collectieve beheersorganisaties Auteurs-en naburige rechten over 2019 (Kamerstuk 29 838, nr. 103);−de brief van de Minister voor Rechtsbeschermingd.d. 4 november 2021 inzake convenant over bestrijdingonlinepiraterij (Kamerstuk 29 838, nr. 104);−de brief van de Minister voor Rechtsbeschermingd.d. 10 november 2021 inzake jaarverslag en toezichtsrapportvan het College van Toezicht collectieve beheersorganisatiesAuteurs- en naburige rechten over 2020 (Kamerstuk 29 838,nr. 105);−de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 4 febru-ari 2022 inzake stand van zaken schikking civiele proceduretussen Telegraaf B.V. en de Staat over de implementatie vande Databankenrichtlijn in de Nederlandse wetgeving (Kamer-stuk 29 838, nr. 106);−de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 14 juni2022 inzake reactie op verzoek commissie over een reactie opde status van de Wet wijziging auteurscontractenrecht(Kamerstuk 29 838, nr. 107); kst-29279-1064ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10641 −de brief van de Minister voor Rechtsbeschermingd.d. 23 november 2022 inzake jaarverslag en toezichtsrapportvan het College van Toezicht Auteursrechten over 2021(Kamerstuk 29 838, nr. 108);−de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 26 janu-ari 2023 inzake bemiddeling met betrekking tot het vergoe-dingsrecht inzake video on demand en schikking civieleprocedures Stobi c.s./Staat/Stichting de Thuiskopie (Kamer-stuk 29 838, nr. 109);−de brief van de Minister voor Rechtsbeschermingd.d. 2 november 2023 inzake jaarverslag en toezichtsrapportvan het College van Toezicht Auteursrechten over 2022(Kamerstuk 29 838, nr. 111);−de brief van de Staatssecretaris Rechtsbeschermingd.d. 2 december 2024 inzake WODC-onderzoek over legitiemeportie in het erfrecht (Kamerstuk 33 836, nr. 101);−de brief van de Staatssecretaris Rechtsbeschermingd.d. 20 februari 2025 inzake tussentijdse evaluatie van dewettelijke bedenktijd voor het bestuur van beursvennoot-schappen (Kamerstuk 35 367, nr. 19);−de brief van de Staatssecretaris Rechtsbeschermingd.d. 6 maart 2025 inzake vervolg toezegging onwaardigheid inhet erfrecht (Kamerstuk 29 279, nr. 928);−de brief van de Staatssecretaris Rechtsbeschermingd.d. 12 mei 2025 inzake beleidsreactie op eindrapport overzbo-evaluatie van het College van Toezicht Auteursrechten(Kamerstuk 25 268, nr. 236);−de brief van de Staatssecretaris Rechtsbeschermingd.d. 20 mei 2025 inzake aanpak civiele invordering (Kamerstuk24 515, nr. 798);−de brief van de Staatssecretaris Rechtsbeschermingd.d. 16 juni 2025 inzake WODC-rapport Rechtsvergelijkingtoegang tot de rechter van belangenorganisaties in algemeen-belangacties (Kamerstuk 29 279, nr. 975);−de brief van de Staatssecretaris Rechtsbeschermingd.d. 12 augustus 2025 inzake Tijdelijke wet transparantieturboliquidatie (Kamerstuk 36 172, nr. 7);−de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheidd.d. 18 november 2025 inzake WODC-onderzoek over legi-tieme portie in het erfrecht (Kamerstuk 33 836, nr. 128);−de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheidd.d. 19 november 2025 inzake WODC-evaluatie van de Wetafwikkeling massaschade in collectieve actie (Kamerstuk29 279, nr. 1002);−de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheidd.d. 26 november 2025 inzake kabinetsreactie op het WODC-onderzoeksrapport over de evaluatie van de Wet homologatieonderhands akkoord (Kamerstuk 35 249, nr. 28);−de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheidd.d. 11 februari 2026 inzake toezegging over het faillisse-mentsrecht, gedaan tijdens het commissiedebat Civielrechte-lijke onderwerpen van 23 oktober 2024 (Kamerstuk 33 695,nr. 24);−de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheidd.d. 16 april 2026 inzake voornemens ten aanzien van hetprivaatrecht in de komende kabinetsperiode en enkelewetgevingstrajecten in het bijzonder (Kamerstuk 29 279,nr. 1020).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10642 Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,EerdmansDe griffier van de commissie,Van TilburgTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10643 Voorzitter: EllianGriffier: PaauweAanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Abdi, Ellian, Mutluer, Snelleren Straatman,en mevrouw Van Bruggen, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.Aanvang 10.02 uur.De voorzitter:Dames en heren, goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vastecommissie voor Justitie en Veiligheid. Op de agenda staat het commissie-debat Civielrechtelijke onderwerpen. Dat spreekt uiteraard tot deverbeelding. Ik heet van harte welkom de Staatssecretaris van Justitie enVeiligheid, de aanwezige collega’s, uiteraard, het publiek in de zaal enandere geïnteresseerden die dit commissiedebat volgen.We gaan meteen beginnen met de eerste termijn van de Kamer. U heeftvier minuten. We zijn met een klein gezelschap, dus volgens mij moetenwe er prima uit komen met de interrupties. Probeer die alstublieft wel eenbeetje kort te houden. We beginnen meteen met mevrouw Mutluernamens GroenLinks-PvdA.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Voorzitter, voor ik begin nog het volgende. We zijn met z’n tweeën. Ik gawat eerder weg. Dan neemt mijn collega het een en ander waar. Dan weetu dat.De voorzitter:Dus de eerste termijn doet ...Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik doe de eerste termijn en dan ga ik helaas naar mijn andere overleg.De voorzitter:Oké. Perfect. Dat begrijpen we. Het is aan u.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ja, dan ga ik beginnen. Vandaag wil ik mij richten op drie onderwerpen. Ikwil beginnen met het faillissementsrecht. Voormalig collega Maatougwees al op het probleem dat aandeelhouders in private equity vaak voorhun onderneming geld lenen en zich daarbij zekerheden zoalspandrechten verschaffen. Bij faillissement gaan zij voor op de gewoneschuldeiser. In de praktijk betekent dit dat aandeelhouders als eersteworden terugbetaald, terwijl concurrente schuldeisers, vaakmkb-bedrijven, met lege handen achterblijven. Dat vinden wij onjuist.Aandeelhouders horen risicodragend kapitaal te verstrekken en bijfaillissement juist achteraan te staan. Dat is logisch, want ze hebbeninvloed op de koers van de onderneming en delen ook in de winst.Daarmee dragen ze ook het risico. Het afdekken van dat risico viagesecureerde leningen past daar in mijn beleving niet bij. De Kamerdeelde die opvatting ook. Daar is eerder door collega Nijboer een motieover ingediend waarin hij oproept dit soort aandeelhoudersleningen tebeperken. Toch wil de Staatssecretaris de wet niet aanpassen. Zij spreektwel over aandacht voor een juiste balans tussen betrokkenen, waarin ookde aandeelhouder een rol speelt, maar zij ziet geen aanleiding om depositie van aandeelhouders met zekerheden te wijzigen. Ik wil aan deStaatssecretaris vragen hoe zij die balans wél gaat bewaken en uitvoeringgaat geven aan de motie-Nijboer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10644 De voorzitter:Top. U zag de interruptie al aankomen. U heeft een interruptie vanmevrouw Straatman.Mevrouw Straatman (CDA):Ik heb een vraag aan mevrouw Mutluer over die gesecureerde aandeel-houdersleningen en de achterstelling daarvan. In de reactie zie je en uitonderzoek blijkt dat aandeelhouders in de laatste fase van een reddings-operatie vaak nog de enige kapitaalverschaffers zijn. Duitsland kent dieachterstelling bijvoorbeeld, maar het blijkt dat die regelgeving juist in decoronatijd, waarin die reddingsoperaties veel moesten plaatsvinden,tijdelijk stilgezet is. Hoe kijkt mevrouw Mutluer daartegen aan? Lopen weniet een heel groot risico dat reddingsoperaties daardoor mislukken?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dat zou kunnen. Dat risico bestaat. Aan de andere kant vind ik het nietgeheel gerechtvaardigd, zeker omdat zij preferente partijen zijn, dat metname mkb-bedrijven, waar het CDA hopelijk ook voor wil blijvenopkomen, regelmatig – zeg maar: bijna altijd – met lege handen achter-blijven. Daar zit een disbalans in. Die balans moet je wel bewaken.Daarom stel ik de Staatssecretaris de vraag, ondanks het feit dat ik hetrisico zie bij bijvoorbeeld zo’n pandemie die dan tot stand komt. Dit zou inmijn beleving best anders kunnen, omdat de gewone man, de gewoneondernemer, hier de pineut van is. Dat vind ik ook niet helemaal eerlijk.Mevrouw Straatman (CDA):Ik denk dat de realiteit is dat de gewone man hier juist onder lijdt, omdatbedrijven dus veel eerder failliet zullen gaan en reddingsoperaties zullenmislukken. De gewone werknemers die bij die bedrijven werken, zullenveel eerder in de problemen terechtkomen, omdat aandeelhouders die alslaatste nog kapitaal kunnen verschaffen, dit niet doen omdat zij daar geenzekerheid tegenover kunnen stellen. Ik begrijp het verhaal van mevrouwMutluer, maar ik vrees dat het in de praktijk precies averechts werkt.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dat gaan we zo meteen van de Staatssecretaris horen. Ik ben de meningtoegedaan dat de aandeelhouders hier toch wel een andere positie inmogen hebben, zeker omdat zij ook vaak delen in de winst van zo’nonderneming. Ik heb zojuist geuit dat ik dat niet helemaal rechtvaardigvind richting niet-preferente schuldeisers, zoals mkb-bedrijven. Ik hoopdat daar antwoord op komt.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik ga verder met de afhandeling van massaschades. Het is positief datdaarvoor die wet bestaat. Tegelijkertijd is het zelfs vijf jaar na invoeringnog lastig om te beoordelen of de wet in de praktijk goed werkt. Tot nu toeheeft er namelijk nog geen collectieve schadeafwikkeling plaatsgevonden.Ik zag gisteren dat de slachtoffers van Odido dat wel wensen te doen. Hetvorige kabinet was van plan om extra eisen te stellen aan de representati-viteit van belangenorganisaties met een ideëel doel die een dergelijkeprocedure starten. Daar sta ik direct achter, maar het risico bestaat datbepaalde organisaties hierdoor worden uitgesloten. Ik wil in dat lichtaandacht vragen voor een specifieke groep: de vakbonden. Zij hebben eenbijzondere positie binnen deze procedure, zeker als het gaat om collec-tieve acties en het handhaven van arbeidsrechten. Toch moeten zij in depraktijk vaak langdurige juridische discussies voeren omdat hun represen-tativiteit ter discussie wordt gesteld. Ik wil aan de Staatssecretaris vragenof ze bereid is om de vakbonden een bijzondere status te geven binnendeze procedure, zodat er geen juridisch getouwtrek ontstaat over hunrepresentativiteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10645 Ik kom op auteursrechten. Ik zag dat de laatste stukken nota bene uit 2019komen. Zeg ik het goed? Ik hoor dat het 2018 is. Nog eerder! Dat is eendrama. Het heeft heel lang geduurd voordat we dit onderwerp hier op deagenda hadden. We weten inmiddels dat auteursrechten extra wordenbemoeilijkt door artificial intelligence. We hebben onder andere vanBuma/Stemra begrepen dat het werk van componisten, tekstschrijvers enmuzikanten op grote schaal wordt gebruikt om AI-systemen te trainen,zonder dat ze daarvoor toestemming hebben gegeven en zondervergoeding. Vaak weten de makers ook niet dat hun werk gebruikt is enmoeten ze opboksen tegen de producten die door AI worden gemaakt.Een maker kan weliswaar bezwaar maken tegen dit gebruik van hun werk,maar dat lukt ze niet omdat ze niet weten of en hoe hun werk is gebruikt.Kortom, ze krijgen hun geld niet, terwijl anderen van hun werk profiteren.Ik wil van de Staatssecretaris weten hoe zij dit ziet en wat zij gaat doen omde makers te beschermen, bijvoorbeeld in Europees verband. Wil zeFrankrijk als voorbeeld nemen? Zij zijn nu met een wetsvoorstel gekomen,zodat er een eerlijke vergoeding komt.Ik weet niet of ik nog tijd heb, voorzitter?De voorzitter:U heeft nog tien seconden.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dan wil ik het nog even hebben over de legitieme portie bij erfenissen.Dat is een ingewikkelde kwestie. We begrijpen dat het moeilijk uitlegbaaris als een zoon met wie de ouders al jarenlang op voet van oorlogverkeren, toch zijn deel van de erfenis krijgt. We begrijpen echter ook dekeerzijde, namelijk dat de afstammingsband tussen ouder en kind pleitvoor het behouden van de legitieme portie. Wanneer gaat dit gebeuren?Wij moeten daar in onze fractie nog een knoop over doorhakken, maar ikben wel benieuwd naar de mening van de Staatssecretaris.Dank voor de coulance, voorzitter.De voorzitter:Niet nodig. U bedankt. Meneer Sneller, het woord is aan u voor uw eerstetermijn namens D66.De heer Sneller (D66):Dank u wel, voorzitter. «Dan nog tien seconden voor de legitieme portie»is de beste samenvatting van deze agenda, denk ik. Ik noteerde brievenvan Dekker, Weerwind, Struycken, Rutte en Van Bruggen. Er is zowel aandeze kant als aan die kant een beetje een gebrek aan tempo op sommigeonderwerpen, terwijl dat wel nodig is omdat de veranderingen snel gaan.AI is er daar slechts eentje van, maar daar kom ik zo meteen nog op terug.Ik wil beginnen met corporate governance. Dat is een beetje de Bermuda-vierhoek van Den Haag. Sociale Zaken, Economische Zaken, JenV enFinanciën wijzen naar elkaar. Wie gaat er nu precies over? Niemand heeftecht het voortouw. Dat leidt voor mijn gevoel tot een beetje stilstand of toteen gebrek aan het serieus nemen van oproepen vanuit de Kamer.Ik wil het ten eerste hebben over de rentmeestervennootschap. In april2024 is een motie aangenomen om daar een model voor uit te werken.Dat staat nu ook in het regeerakkoord. We zouden in het najaar van 2025van de vorige Staatssecretaris en de Minister van Economische Zakenmeer horen, maar we hebben helaas tot op heden niet echt iets gekregen.Nu het ook in het coalitieakkoord staat, wil ik weten op welke manier deStaatssecretaris dit gaat uitvoeren. Hoogleraren, bijvoorbeeld De Kluiver,hebben hiervoor interessante voorstellen gedaan. Volgens mij zou eenniet al te complexe wetgevingsoperatie al het gewenste resultaat moetenkunnen opleveren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10646 Ik heb ook een motie van collega Grinwis medeondertekend om hetRijnlands denken meer tot uiting te brengen in corporate governance. Opde valreep van het vorige kabinet heeft de Minister van EconomischeZaken mede namens de vorige Staatssecretaris gezegd: leuk dat deTweede Kamer dat vindt, maar wij vinden het zo wel voldoende. Ik vat hetdan een beetje samen in mijn eigen woorden. Mijn vraag is of deStaatssecretaris daar nog een keer goed naar wil kijken. Zo heb ik zelfbijvoorbeeld het voorstel gedaan om principe 1.1 uit de CorporateGovernance Code ook op te nemen in het Burgerlijk Wetboek. Ik benbenieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt. Het is overigens ookgoed om te zien dat de onderzoekers in de evaluatie van de wettelijkebedenktijd zeggen dat het effect daarvan op het investerings- en vesti-gingsklimaat eigenlijk niet aan te tonen is, op basis van literatuurstudie,terwijl dat bij dit soort wijzigingen vaak wel als een groot gevaar wordtgeschetst.Dan AI en het auteursrecht: een kat-en-muisspel. De laatste brief gaat nogover de thuiskopieheffing, bij wijze van spreken, en inmiddels gaat hetover AI. Collega Mutluer zei het al. Het gaat over de muziekmakers, maarwe zien hetzelfde bij schrijvers; van hun teksten wordt grif gebruikge-maakt door ChatGPT zonder enige vergoeding. Mijn vraag aan deStaatssecretaris op dit punt is hoe de voorwaarden die Buma/Stemranoemt in de brief, dus transparantie, toestemming en een vergoeding,worden meegenomen in bijvoorbeeld de evaluatie van de Europeserichtlijn, die dit jaar loopt. Tegelijkertijd denk ik: een evaluatie van eenrichtlijn die moet leiden tot een aanpassing die moet worden geïmple-menteerd ... Voor je het weet, ben je vijf jaar verder. Hoe zorgen we ervoordat we dat tempo bijbenen, terwijl we tegelijkertijd in Europees verbandwillen optrekken? Ook hier stel ik de vraag, bijvoorbeeld voor GPT-NL, eenNederlandse variant waarbij wél wordt gezorgd voor een vergoeding voorwat er in het model gaat, hoe dat ethische AI-aspect wordt opgepakt inNederland.Voorzitter. Tot slot de zaken van algemeen belang. Net als bij de legitiemeportie is de standpuntbepaling daaromtrent vooruitgeschoven naar ditkabinet. Misschien kunnen we een schets krijgen van wanneer we diedefinitief kunnen verwachten. Ik had in ieder geval uit de brief van devorige Staatssecretaris en ook uit het WODC-onderzoek opgemaakt dat uithet onderzoek niet blijkt dat er een noodzaak is tot het stellen van naderevereisten, dus ik hoop dat we dat boek kunnen sluiten.De voorzitter:Oké. Dan gaan we door naar de eerste termijn van het CDA, uitgesprokendoor mevrouw Straatman.Mevrouw Straatman (CDA):Dank u wel, voorzitter. Als civilist doet het mij deugd dat we vandaagstilstaan bij een aantal belangrijke leerstukken uit het privaatrecht.Tegelijkertijd bespreken we vandaag zo veel dat vijf masters rechtenstudieniet zouden misstaan. De vraag is ook wel hoe effectief dat is. Wat mijbetreft – dat zeg ik ook tegen mezelf – mag er in het vervolg dan ook meerafzonderlijke aandacht zijn voor deze thema’s.De Staatssecretaris geeft aan dat er later dit jaar een brief komt metontwikkelingen op het gebied van het faillissementsrecht. Dat lijkt me eenmooi moment. Ik ga ervan uit dat de Staatssecretaris dan ook een reactiegeeft op het WODC-rapport over de legeboedelproblematiek. Uit depraktijk kan ik namelijk meegeven dat een doorbraak op dit punt zeergewenst is.Voorzitter. Ik zal vandaag stilstaan bij drie onderwerpen. Allereerst deWamca, een hele mond vol. In de praktijk is het een wet die het voorburgers met kleine financiële belangen mogelijk maakt om collectiefschade te verhalen, want wat je alleen niet kunt, kun je in gezamenlijkheidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10647 vaak wel, zoals opkomen tegen – vaak – de overheid of bedrijven dieonrechtmatig handelen. De evaluatie van de Wamca is uitgebreid endaarin worden veel aanbevelingen gedaan. Ik ben benieuwd hoe deStaatssecretaris die verder gaat brengen.In de evaluatie van de Wamca is niet meegenomen wat de maatschappe-lijke effecten van de wet zijn. Dat vind ik om twee redenen teleurstellend.Allereerst omdat de zorgelijke rol van procesfinanciering daardoorondersneeuwt. In Nederland worden namelijk veel meer collectieve actiesingesteld dan in andere EU-landen, veelal gefinancierd met binnenlandseen buitenlandse procesfinanciers. Dat zijn commerciële clubs dierechtszaken in Nederland starten als verdienmodel. Zij kiezen niet dezaken waarbij juridisch het meeste onrecht kan worden rechtgezet, maarde zaken waarbij het rendement maximaal is. Dat is een groot risico voorbedrijven, want ook al wordt een zaak gewonnen, veel schade is dan algeleden. Vandaar mijn vraag: ziet de Staatssecretaris de noodzaak omprocesfinanciering in Nederland verder te reguleren, bijvoorbeeld dooronderzoek te doen naar wat een aanvaardbare beloning of winstmargezou zijn die een procesfinancier mag ontvangen? Is de Staatssecretarisbereid om verder onderzoek te doen naar de impact van collectieve actiesop het investeringsklimaat?Mijn tweede zorg is dat de Wamca en met name de algemeenbelangactiesbinnen de Wamca leiden tot terugkerende discussies over wie aan zet isom het beleid bij te stellen. Is dat nou de politiek of de rechter? Daarbijkun je een fundamenteel verschil maken tussen public interest litigationtegen de overheid, zoals de bekende Urgendazaak, versus die tegen eenprivate partij, zoals de bekende Shellzaak. Zeker in die laatste situatie kunje je de vraag stellen of een private partij een rechtszaak ingetrokken moetkunnen worden vanwege toch wel achterblijvend politiek beleid. In die zinvond ik het interessant om te lezen dat public interest litigation inbijvoorbeeld Engeland en Wales alleen mogelijk is tégen de overheid.Daarom mijn vraag: hoeveel ideële Wamca-zaken worden in Nederlandeigenlijk gestart tegen andere partijen dan de overheid? Hoe reflecteert deStaatssecretaris daarop?Voorzitter. Dan kom ik nu ...De voorzitter:Momentje. Er is een interruptie van meneer Sneller.De heer Sneller (D66):Ik zit hier met drie civilisten als collega’s, dus ik ga leren. Even over hetvoorkómen van excessen in de procesfinanciering. Ik had juist uit deevaluatie gehaald dat het voorkomen van excessen waarbij commerciëlepartijen de procedure vooral als verdienmodel willen gebruiken, als eenvan de doelstellingen van de Wamca best goed bereikt was, maarmevrouw Straatman zegt duidelijk dat dat niet zo is. Er is mij weleens desuggestie gedaan dat de AFM daar meer toezicht op zou moeten houden,want het is als het ware ook een soort investering.Ten slotte, voorzitter. Mevrouw Straatman zegt dat we misschien moetenkijken naar meer regulering. Welke ideeën bestaan daarover bij haar?Mevrouw Straatman (CDA):Dank voor die vraag. Ergens zit hier natuurlijk een dilemma. Je kuntnamelijk alleen een collectieve actie starten als er uiteindelijk ookfinanciering is voor stichtingen die de procedure willen starten. Er is dusergens financiering nodig. Ik denk dat er op zich niks mis mee is datprocesfinanciering onderdeel is van zo’n collectieve actie, maar we zienwel dat door de manier waarop wij het hebben ingericht, de procesfinan-ciers juist die zaken uitkiezen waar het rendement maximaal is. Omdat ernog onvoldoende regulering is, ligt daarbij het risico op de loer dat eenheel groot deel van publieke middelen door de druk op de rechtspraakTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10648 uiteindelijk terechtkomt in de zakken van vaak buitenlandse procesfinan-ciers, private-equitypartijen die hier zaken starten.De evaluatie van de Wamca roept ook op om het publieke debat te voerenover de vraag wat wij nou een redelijke vergoeding vinden voor zo’nprocesfinancier. Welk deel vinden wij redelijk als we wel de mogelijkheidwillen bieden om zo’n procedure te starten, maar niet willen dat een grootdeel daarvan naar een procesfinancier gaat? Nu gaat het vaak om rond de25%. Vinden wij dat eigenlijk niet te veel? Dat is de vraag die ik ook aan deStaatssecretaris stel. Kunnen we daar een politiek debat over voeren?Kunnen we daar nader onderzoek naar doen? Kunnen we ook kijken watdan de impact is op het investeringsklimaat? Dat houdt ook weer directverband met de hele lange doorlooptijd van de procedures. Ik heb zelf eenaantal Wamca’s mogen doen. Nou, het is geen wonder dat het nog niet totde inhoudelijke fase komt, want de ontvankelijkheidsfase duurt eindeloosen eindeloos. Dat betekent ook dat als een bedrijf vrij zeker weet dat hetde zaak uiteindelijk gaat winnen, het wel te maken krijgt met hele grotereputatierisico’s en voorzieningen die zij moeten opnemen. We zullen ookmoeten nadenken over hoe we de wet op dat punt beter kunnen maken.De heer Sneller (D66):Zoals verwacht is het inderdaad een leerzaam antwoord, maar dan is devraag volgens mij: op welke manier wil je het reguleren? Is dat als hetware een toets die de rechter nog moet doen om te kijken: houdt dezeprocesfinancier zich aan de regels; is het er een die aan de goede kantstaat of is het er een die het alleen maar doet om geld te verdienen? Ofzeggen we: nee, dit soort partijen die actief zijn in Nederland zouden meeronder publiek toezicht moeten staan, bijvoorbeeld van de AutoriteitFinanciële Markten, om te kijken of ze zich aan de regels houden en hunboekje niet te buiten gaan?Mevrouw Straatman (CDA):Ik denk dat er twee dingen zijn. Allereerst is de toets nu aan de rechter. Derechter moet beslissen of het een voldoende of een rechtvaardigevergoeding is. De vraag is of je dat bij de rechter wil neerleggen. Moet jedat bijvoorbeeld niet opnemen in de wet of er een publieke toets vanmaken of wij bijvoorbeeld 25% of 20% een redelijk percentage vinden?Aan de andere kant vraagt dit ook meer om een evaluatie van desystematiek van de wet. Om even heel kort de techniek in te duiken: wijhebben bijvoorbeeld als enige in Europa de opt-outmethode, waardoor degroep mensen die onderdeel is van een collectieve actie heel groot is ende aantrekkingskracht van zo’n collectieve actie in Nederland voorbuitenlandse procesfinanciers natuurlijk veel groter is dan in andereEuropese landen. Ik denk dat het dus allereerst gaat over de vraag hoe wedat toezicht beter kunnen vormgeven. Ik wil daarop graag een reactie vande Staatssecretaris en mogelijk ook een onderzoek. Ten tweede moetenwe breder bekijken hoe we de wet hebben ingeregeld. We moeten het niette aantrekkelijk maken om bedrijven hier ten koste van publieke middelenmogelijk op te zadelen met grote risico’s.De voorzitter:Gaat u verder.Mevrouw Straatman (CDA):Ik was gebleven bij een andere afkorting: de WHOA. In jip-en-janneketaalis dat een juridisch instrument aan de voorkant om ervoor te zorgen datbedrijven tijdig kunnen herstructureren, waardoor maatschappelijkkapitaal behouden blijft. Uit de evaluatie van de WHOA blijkt dat het mkbhier nog onvoldoende gebruik van maakt. Dat is dus een gemiste kans. Devoorganger van de Staatssecretaris gaf aan dat de griffierechten voorWHOA-procedures verlaagd worden en wilde in gesprek gaan metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10649 Economische Zaken om de WHOA meer bekendheid te geven bij het mkb.Mijn vraag is: wat is nu de stand van zaken? Welke extra maatregelen wilde Staatssecretaris nemen om de WHOA ook voor mkb-bedrijvenbekender te maken?Voorzitter. Tot slot wil ik nog kort iets zeggen over het WODC-rapport overde legitieme portie en het erfrecht. Het stemt de CDA-fractie allereersthoopvol dat het onderzoek concludeert dat familiebanden nog stevigstaan en dat de verbondenheid van families vandaag de dag nog groot is.Maar ook op dit rapport is door het vorige kabinet nog niet gereageerd.Daarom mijn vraag aan de Staatssecretaris hoe zij het vervolg voor zichziet. Meer specifiek zijn wij benieuwd hoe de Staatssecretaris kijkt naar deaanbeveling om in de considerans de reden voor onterving van een kindop te nemen.Daar wil ik het graag bij laten, voorzitter.De voorzitter:Okido. Ik kijk even wie het voorzitterschap kan overnemen. MeneerSneller?Voorzitter: SnellerDe voorzitter:Ja, dat doe ik graag. Dan geef ik graag het woord aan de heer Elliannamens de VVD-fractie.De heer Ellian (VVD):Dank. Ik denk dat mijn inbreng redelijk vergelijkbaar is met die van hetCDA. Fijn dat we dit commissiedebat met elkaar hebben. Ook al spreekthet misschien niet tot de verbeelding, het is wel degelijk van belang.Mensen vergeten vaak dat het privaatrecht eigenlijk bijna alle dagelijksehandelingen reguleert, of het nou een broodje kopen bij de Appie, hetbinnenlopen van de Tweede Kamer waarmee je akkoord gaat met dehuisregels, of het naar je werk gaan is.Even over de Wamca. Ik zie die tweeledig. Ik zie een ontwikkeling inNederland, waar in de vorige Kamerperiode en de periode daarvoor ook,geloof ik, best veel over is gedebatteerd. Vorderingen vanuit een ideëeldoel zijn vrij eenvoudig in te stellen in Nederland. Ik heb me daarbij altijdhet volgende afgevraagd. Het heeft iets geks, omdat je nooit namensiedereen spreekt die dat ook vindt. Daar zit ook een wat principiëlerevraag achter: wie beslist daarover, de wetgever of de rechter? Ik ben heelbenieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.In de tweede plaats zie ik een ontwikkeling die mevrouw Straatman heelhelder aan de orde stelde, namelijk dat het buitengewoon aantrekkelijk isgeworden om in Nederland te procederen, of dat nou tegen de overheid isof tegen bedrijven, al dan niet klein of groot. Het gaat vaak om grotebedrijven. Het is natuurlijk erg aannemelijk – dat is mij ook gebleken uitvele gesprekken die ik heb gehad – dat dit gevolgen heeft voor onsvestigingsklimaat. Daar zegt het WODC-onderzoek, dat vrij taaie kost is,eigenlijk niks over. Artikel 3:350, artikel 3:305a en de Wamca kun je niet loszien van de maatschappelijke gevolgen. Wij zijn er ook om de maatschap-pelijke gevolgen van een wet in ogenschouw te nemen. Ik ben dusbenieuwd hoe de Staatssecretaris hiernaar kijkt, omdat de VVD-fractie zichhier wel erg zorgen over maakt. Eigenlijk is voor mijn fractie ook wel al opvoorhand duidelijk dat je iets van regulering zal moeten optuigen. We zijnop dit moment namelijk het enige land in Europa dat de constructie vande opt-out heeft en verder geen enkele beperking aan de procesfinanciersstelt. Dat zijn vaak buitenlandse investeerders.Dan wil ik de Staatssecretaris vragen naar een onderwerp dat mij al jarenaan het hart gaat: oninbare vorderingen. Collega Mutluer heeft daar ookvaak vragen over gesteld. Oud-collega Van Nispen heeft dat ook gedaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106410 Het strafrecht normeert, maar wat moet je uiteindelijk doen als je eenvordering hebt op iemand die niet betaald wordt? Je hebt dan destrafrechtelijke kant. Je hebt allerlei fondsen. Het gaat dan bijvoorbeeldook om mensen die opgelicht worden. Dat voldoet vaak niet aan destrafrechtelijke grens of je hebt een vordering. Er zijn veel zzp’ers. Je hebteen vonnis, in naam van de Koning. Het is in Nederland vrij makkelijk alsje een beetje een goede boekhouder hebt om je vermogen ergens andersneer te zetten. Dan vis je dus achter het net. De essentie van een rechts-staat is ook dat een vonnis uitgevoerd moet worden, geëxecuteerd wordt.Ik ben benieuwd of de Staatssecretaris daar opvattingen over heeft.De legitieme portie is altijd een gevoelig onderwerp, ook bij liberalen.Daar kun je op meerdere manieren naar kijken. Ik wil er dus niet al teuitgesproken iets over zeggen, maar volgens mij is het op dit moment welalgemeen aanvaard dat die in ieder geval gemoderniseerd kan worden. Jekunt bijvoorbeeld bekijken of je de testeervrijheid anders vorm kan geven,zonder dat je heel principieel de wet helemaal op de schop gooit. Dit ligtnu wel stil. Dat vind ik jammer.Ik moet me ook aan de tijd houden, dus ik ga door.Op het gebied van faillissementsrecht zie ik weinig ontwikkelingen. Datvind ik wel jammer. Ik vind echt: het is allemaal de opgetuigde Faillisse-mentswet, met een centrale positie voor de curator. Mensen vissen zovaak achter het net. Ik heb die ervaring ook, net als mevrouw Straatman.We zullen daar echt een stevig sanctionerend model voor moeten gaanbedenken, of we moeten zorgen voor een stevigere positie voor decurator.Dank.De voorzitter:Er zijn geen interrupties. Ik geef graag het woord terug aan de voorzitterom de rest van de orde te regelen.Voorzitter: EllianDe voorzitter:Dat gaan we doen. Dank. Hoeveel tijd heeft u nodig, mevrouw deStaatssecretaris? Een halfuur. Dat is best veel voor weinig vragen, maargoed. Oké. Dat gaan we doen. Dan schorsen we tot 11.00 uur.De vergadering wordt van 10.28 uur tot 10.59 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen deze vergadering van de vaste commissie voor Justitie enVeiligheid. We zijn nog steeds bij het commissiedebat Civielrechtelijkeonderwerpen. We gaan beginnen aan de eerste termijn van de zijde vanhet kabinet. Mevrouw de Staatssecretaris, zou u ... Nou, zo heel veelvragen waren er niet, dus het hoeft niet per se in blokjes. O, u heeft welblokjes! Goed. We ontkomen niet aan de blokjes. U heeft waarschijnlijkook een inleiding, een hoorcollege privaatrecht. We gaan ervoor zitten. Ikgeef u graag het woord.Staatssecretaris Van Bruggen:Dank u wel, voorzitter. Een hoorcollege privaatrecht, ja. Zoals ik net al zei,heb ik toch een halfuur nodig gehad voor de voorbereiding van debeantwoording van de vragen, want dit is een complex en veelomvattendtaakveld. Niet alleen de mensen die op de tribune zitten, maar zeker ookde mensen die meekijken, kijken natuurlijk met bovenmatige interesse alsdit echt hun specialisme is. In de afgelopen periode heb ik gemerkt dat erecht specialisten zijn op dit vlak en dat we ons daar als overheid toe teverhouden hebben, evenals tot de snelheid waarmee dit vakgebied zichontwikkelt. Als je je erin verdiept, is het buitengewoon interessant.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106411 We spreken vandaag met elkaar over het privaatrecht. Voor mij is het echteen mooi moment, zo aan het begin van mijn ambtstermijn. Ik zag op deconvocatie – dat heeft u waarschijnlijk ook wel gezien – dat het oudstedocument dat geagendeerd is, uit 2017 komt. Er zijn dus ook momentengeweest die we onbenut hebben gelaten om goed te kijken naar hoe weomgaan met bepaalde onderdelen. Het biedt mij in ieder geval de kansom u deelgenoot te maken van mijn voornemens, zo na acht wekenstaatssecretariaat. Ik zie dat er inderdaad zaken wat langer zijn blijvenliggen; dat kan ook echt een politieke afweging zijn. Dat betekent datambtsopvolgers, zoals ik, zich daar nu ook het hoofd over kunnen breken.Eerst even iets over het privaatrecht in het algemeen. Het regelt de positievan burgers en bedrijven onderling. Iedereen heeft daar veelvuldig mee temaken. Juist omdat het privaatrecht iedereen raakt, is aansluiten bij debehoeften van de moderne maatschappij zo belangrijk. Voortdurend moetgoed bewaakt worden of aanpassingen nodig, wenselijk en mogelijk zijn.Zo kan het privaatrecht mee blijven bewegen met de veranderingen omons heen, of het nu maatschappelijke opvattingen, nieuwe technieken ofhet steeds internationaler wordende rechtsverkeer zijn. Om u op hoofd-lijnen mee te nemen in mijn plannen, heb ik u vorige week een briefgestuurd. Ik heb daarin enkele concrete trajecten genoemd waarvoor ikmij wil inzetten en waarmee ik invulling aan het coalitieakkoord wil geven.Ik hou daarbij drie speerpunten aan. Het eerste is de verbetering van detoegang tot het recht. Het tweede is de bescherming van partijen met eenkwetsbare positie in de samenleving. Het derde is het moderniseren envereenvoudigen van wetten waar dat kan. Ik kijk ernaar uit om dekomende periode samen met u te werken aan een toekomstbestendigprivaatrecht, een privaatrecht dat er is voor burgers én bedrijven, datpersonen in kwetsbare posities mag beschermen en dat rechtszekerheidbiedt, maar ook flexibel en veerkrachtig is waar dat nodig is.Er zijn een aantal vragen gesteld, die ik toch nog in blokjes heb weten opte delen. Ik begin graag met het blokje auteursrecht, ook op verzoek vanmevrouw Mutluer. Dan ga ik door naar de Wamca, het insolventierecht,het erfrecht en het ondernemingsrecht. Dan heb ik zelfs nog een blokjeoverig. Daarin zitten de vragen van de heer Ellian over de oninbarevorderingen.Ik begin graag met het auteursrecht. Mevrouw Mutluer en de heer Snellerhebben daar beiden vragen over gesteld. Zij vroegen hoe ik debescherming van het auteursrecht de komende jaren wil borgen. Deontwikkelingen op het gebied van AI gaan namelijk heel snel. Devragenstellers vragen terecht aandacht voor dit belangrijke onderwerp.Dat roept tal van auteursrechtelijke vragen op, en de meest in het oogspringende is wel of ontwikkelaars van generatieve AI auteursrechtelijkbeschermde werken mogen gebruiken om AI te trainen. Dat is geregeld inde Europese Richtlijn inzake auteursrechten in de digitale eengemaaktemarkt. De hoofdregel luidt daarbij: in de Europese Unie mag je AI trainenmet werken, maar alleen onder twee heel strikte voorwaarden. Eén: hetmoet uit legale bronnen komen. De werken moeten dus eerlijk verkregenzijn. Het is verboden om AI te trainen met illegaal gedownloade tracks.Twee: je hebt het recht op een «nee». Als een maker een voorbehoudmaakt, oftewel een opt-out instelt waarmee hij aangeeft dat hij niet wil datAI met zijn muziek wordt getraind, moet de AI-ontwikkelaar dat respec-teren. Er worden in toenemende mate voorbehouden gemaakt. Dan isvoor het gebruik van werken ook echt toestemming nodig. Dietoestemming wordt gegeven onder voorwaarden, zoals de betaling vaneen vergoeding. Er worden in toenemende mate afspraken gemaakttussen ontwikkelaars van AI en rechthebbenden. Een mooi voorbeeld isGPT-NL, maar ook in de muziek komt er een licentiemarkt tot stand. Ikjuich dat van harte toe.De Europese richtlijn wordt dit jaar geëvalueerd. Het biedt organisatieszoals Buma/Stemra de kans om input te leveren en eventueel ook zorgenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106412 kenbaar te maken. Die zorgen hebben wij ook. Die zal ik zeker ook ter tafelbrengen. Het feit is wel dat als je kijkt naar hoe we het nu Europeesrech-telijk geregeld hebben, je ziet dat we de rechtszekerheid op dat niveau hetbeste kunnen borgen. We werken echt op een schaal waarbij we moetenvoorkomen dat we te veel onze eigen regels gaan stellen, bijvoorbeeldzoals in het Franse model – daar is ook aan gerefereerd – terwijl je ziet datje dit op Europees niveau goed zou moeten kunnen borgen. Dat is dus ookwaarom we boven op die Europese richtlijn zitten.Dan vraagt de heer Sneller nog: hoe zit het met de ethische aspecten vanGPT-NL? Het is een verantwoord AI-model. Het is in lijn met de Neder-landse en Europese waarden. Het is volledig transparant. Er zijn strikteprivacywaarborgen. Ik vind het een goede ontwikkeling. Ik ben benieuwdof de heer Sneller daar zelf anders naar kijkt, maar ik zie dit wel als eenpositieve ontwikkeling.De voorzitter:Eerst mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Fijn, deze beweging. Aan de andere kant: wat hebben de makers, decomponisten, tekstschrijvers en muzikanten op dit moment aan hetantwoord van de Staatssecretaris? In mijn bijdrage gaf ik al aan dat dit alsinds 2016, 2017, 2018 speelt. We leven inmiddels in 2026. Wanneer wordtdie richtlijn geïmplementeerd? Ik vind het geen fijn antwoord dat wedaarop wachten, vandaar dat ik refereerde aan Frankrijk en hetwetsvoorstel dat zij aangenomen hebben weten te krijgen om AI tereguleren via auteursrecht, of om auteursrecht te reguleren ... Nou, usnapt wat ik bedoel. Wat gaat u nu doen?Staatssecretaris Van Bruggen:Wat ik anders ga doen – ik denk dat dat de vraag is – is het volgende. Wedoen al heel veel. We proberen invloed uit te oefenen op de Europeserichtlijn en we monitoren constant, bijvoorbeeld om te kijken hoe wezorgen dat de afspraken die gemaakt worden, bijvoorbeeld op basis vande template, ook altijd actueel zijn. Ik denk dat het heel goed is om tenoemen dat als wij een Frans model zouden aanhouden, wij onszelf ookkunnen isoleren. Dat moeten we zien te voorkomen. Het is een risico alswe allemaal met onze eigen regelgeving bezig zouden gaan. Dit zou jeEuropeesrechtelijk moeten kunnen regelen. Ik ben het wel met mevrouwMutluer eens dat het een superkwetsbare en snel in ontwikkeling zijndemarkt is. Wat ik anders ga doen, is dat we er dichter op gaan zitten, en datwe de gesprekken over de Europese richtlijn samen met EZ gaan voerenen daar samen invloed op gaan uitoefenen. Voorheen hebben wenatuurlijk altijd wel de ambitie gehad om erbovenop te zitten, maar wemoeten ook eerlijk zijn: de markt gaat hierin sneller dan de overheden. Hetis natuurlijk ook niet voor niets dat er een Staatssecretaris is die zich juistmet de AI-verordening bezighoudt. Dat betekent dat we daar dus ookdaadwerkelijk het gesprek mee voeren en dat ook naar Europa brengen.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Een gesprek met EZ lijkt mij goed. Dan nog zou het best interessantkunnen zijn, denk ik, om wel met eigen regels te komen à la Frankrijk, inde tussentijd af te wachten waar de EU mee komt en als de richtlijnen daniets anders vragen, je regelgeving daarop aan te passen. Is de Staatsse-cretaris daartoe bereid? Zo nee, dan ben ik nog steeds niet tevreden methet antwoord, want erbovenop zitten en het monitoren is stap één, maarje zal met regels moeten komen om er uiteindelijk voor te zorgen dat dezemakers de vergoeding krijgen die ze verdienen.Staatssecretaris Van Bruggen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106413 Ik ben er ook echt van overtuigd dat we dat op Europees niveau moetenregelen en dat het echt zorgelijk zou kunnen zijn, zeker in het kader van derechtszekerheid, als we in Nederland andere regels gaan aanhouden danwe binnen Europa met elkaar afspreken. Ik zou daar nu echt nog niet opvooruit willen lopen. Ik neem wel serieus mee – hopelijk vindt mevrouwMutluer mijn antwoord op dit moment in ieder geval iets toereikender –dat we juist nu samen met EZ optrekken. Ik denk dat dat een helebelangrijke ontwikkeling is, waarbij we ook daadwerkelijk zien dat we alsNederland invloed kunnen uitoefenen. Het is natuurlijk allemaal afhan-kelijk van de snelheid die je in Europa aanhoudt, maar daar zijn we ookzelf bij. Ik geloof er dus echt wel in dat dat een goede beweging is. Ikbegrijp de zorgen van de makers. Wees gerust. We nemen dat absoluutmee.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Tot slot, voorzitter. Toch wil ik daar niet volledig genoegen mee nemen. Ikverzoek de Staatssecretaris om op korte termijn, of na de zomer, met eenKamerbrief te komen in samenwerking met EZ, zodat wij als Kamer wetenwelke stappen worden gezet teneinde de makers in bescherming tenemen, zodat we daarna eventueel de discussie of het debat met elkaarkunnen voeren. Weet wel dat we daar nu wellicht al wat voorstellen voorgaan doen. Dat gezegd hebbende wacht ik even de antwoorden van deStaatssecretaris af. Daarna vertrek ik. Mijn collega Abdi neemt vervolgenshet commissiedebat waar.De voorzitter:Uitstekend.Staatssecretaris Van Bruggen:Het lijkt me een heel goed voorstel om een brief te sturen over hoe we ditmet EZ vormgeven. Als we daar het gesprek over aan moeten gaan metelkaar, dan neem ik dat graag op me.De heer Sneller (D66):Eerst even de toelichting op GPT-NL. Dat was juist een positief voorbeeld,want dat is inderdaad juist op ethische basis gestoeld. Mijn vraag was hoewe dat soort initiatieven meer kunnen stimuleren. Dat staat in contrastmet rechtszaken die door de NVJ en anderen worden aangespannentegen taalmodellen die niet op dezelfde ethische manier zijn gevoed endie dingen niet op die ethische wijze krijgen aangeleerd. Om dit tot eenvraag te laten leiden: kunt u in de brief die is toegezegd aan collegaMutluer misschien ook ingaan op de manier waarop er wordt gehand-haafd op dit soort dingen? Er is in februari een sommatiebrief gestuurd. Erworden rechtszaken gevoerd in de Verenigde Staten. Dat gaat natuurlijkover de illegale datasets, waar de Staatssecretaris ook naar verwees. Hetis nogal lastig voor makers om op een goede manier op te komen voorhun rechten. Als kan worden meegenomen hoe dat een rol speelt in deinbreng van Nederland bij de evaluatie van de richtlijn en wat eventueleextra acties zouden zijn, dan heel graag.Staatssecretaris Van Bruggen:Ik zeg graag toe om dit goede voorbeeld van GPT-NL en hoe daarbijgehandhaafd wordt daarin mee te nemen. Als we dit een goed voorbeeldvinden, hoe gaan we dan om met de voorbeelden die niet goed zijn? Ik wildaar zeker in de brief op terugkomen.De voorzitter:Oké. Gaat u verder.Staatssecretaris Van Bruggen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106414 Hartelijk dank. Dan ga ik naar het blokje Wamca. Daar zijn natuurlijk ookverschillende vragen over gesteld. Ik moet ze wel uit het mapje krijgen.Dat is al de helft van het werk. Over de collectieve actie, de Wamca, zijndoor mevrouw Straatman, mevrouw Mutluer – die wordt nu dusvervangen door mevrouw Abdi – de heer Sneller en de heer Ellian,eigenlijk door alle vier, vragen gesteld. Alle aanwezigen geven aan: wehebben hier zorgen over; we vinden het belangrijk dat we goed naar dezeevaluatie kijken en dat we zorgvuldig wegen. Maar de zorgen die uuitspreekt, zijn ook heel divers. Ik geef mijn eerste algemene reactie tervoorbereiding op de kabinetsreactie op de Wamca-evaluatie.Mijn ambtenaren organiseren focusgroepen. Die richten zich op bepaaldeaanbevelingen uit het onderzoek met mensen uit de praktijk. Het gaatdaarbij om vertegenwoordigers van bedrijven. Het gaat om advocaten,zowel van gedaagden als van eisende partijen. Het gaat om belangen-organisaties, rechtspraak en wetenschap. Inmiddels zijn er twee focus-groepen geweest. Eén ging over de aanbevelingen voor algemeenbelang-acties en over de aanbeveling voor de ontvankelijkheidsfase. Daar zijn ookvragen over gesteld. Ook is gesproken over de aanbevelingen voor naderonderzoek. Over twee dingen waren de deelnemers van de focusgroepenhet heel erg eens. Eén: de rechtsontwikkeling is nog volop gaande. Twee:ga nu vooral geen grote wetsaanpassingen doen. Er volgt op éénonderdeel nog wel een extra focusgroep. Die ziet op procesfinanciering.Daar is door mevrouw Straatman een vraag over gesteld. Ik betrek in dekabinetsreactie graag de input van die focusgroepen. Ik verwacht u daarkort na de zomer over te kunnen informeren.Dan de vraag van mevrouw Mutluer ...De voorzitter:Momentje, mevrouw Straatman heeft een interruptie.Staatssecretaris Van Bruggen:Excuus.Mevrouw Straatman (CDA):Zou de Staatssecretaris iets meer kunnen toelichten hoe die focusgroepeneruitzien als het gaat over die procesfinanciering? Volgens mij is deconclusie van de evaluatie namelijk dat er eigenlijk nog heel weinigonderzoek is gedaan naar de maatschappelijke effecten in brede zin. Ikneem aan dat daar dan ook bijvoorbeeld economen bij betrokken zullenzijn, of is dit nu nog maar een beperkte focusgroep?Staatssecretaris Van Bruggen:Hier ga ik geen suggestie voor doen. Ik heb een beeld daarvan, maar ikzou dit in de tweede termijn graag even beantwoorden.De voorzitter:Oké. Gaat u verder.Staatssecretaris Van Bruggen:Ja, dank u wel. Mevrouw Abdi heeft een vraag gesteld over de bijzonderepositie van de vakbonden. Zij moeten vaak langdurig een discussie voerenover hun representativiteit. De vraag was of ik hun een bijzondere positiewil geven. Mijn antwoord luidt als volgt. Uit het evaluatieonderzoek volgtinderdaad dat die ontvankelijkheidsfase heel lang duurt, zeker bij devakbonden. Dat raakt hen ook. Ze zijn betrokken bij de focusgroepen diemijn ambtenaren nu organiseren over de aanbevelingen die uit deevaluatieonderzoeken voortvloeien. Ik ga hierover ook met het Ministerievan Sociale Zaken en Werkgelegenheid apart aan tafel met de vakbondenen ik zal hun input ook meenemen bij het opstellen van de inhoudelijkekabinetsreactie. Dan kan ik dus ook daar aangeven hoe ik aankijk tegen dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106415 al dan niet bijzondere positie van de vakbonden. Ik verwacht u kort na dezomer op dit onderwerp een reactie te kunnen geven.Dan de vraag van mevrouw Straatman over de vele aanbevelingen van deevaluatie. Ik vind het belangrijk om de input uit de praktijk te betrekken.Eind vorig jaar heeft de jaarlijkse monitoringsbijeenkomst plaatsge-vonden. De praktijk kon de eerste indruk over de uitkomsten van hetonderzoek delen. Hierbij spelen ook de focusgroepen een rol, waar ik hetnet over had. Eigenlijk is mijn antwoord hierop hetzelfde als het antwoorddat ik net gaf. Vooral van de focusgroepen die er nu geweest zijn en defocusgroep die gaat over de procesfinanciering moeten we de uitkomstengoed wegen. Misschien is er al wel een beeld bij hoe de ... Nee, daar komik straks in de tweede termijn wel op terug.Mevrouw Straatman merkte op dat er in Nederland meer collectieve actiesworden ingesteld dan in andere landen, veelal gefinancierd doorprocesfinanciers. Op haar vraag kan ik al wel in ieder geval een deel vaneen antwoord geven. Zij vroeg of ik aanleiding zie om de procesfinan-ciering nader te regelen. De onderzoekers constateren in het evaluatieon-derzoek dat het aantal collectieve acties in Nederland juist licht gedaald is,naar aanleiding van de invoering van de Wamca. Of misschien kan ikbeter zeggen: sinds de invoering van de Wamca. Ik weet dat VNO-NCW enVEUO zorgen hebben over onder andere die procesfinanciering. Zehebben mij, de Minister van EZK en de Minister van Financiën een briefgestuurd, waarin juist ook het punt van de procesfinanciering aan de ordeis gekomen. We gaan samen met die andere ministeries in gesprek overde brief en de daarin geuite zorgen, juist ook over die procesfinanciering.Ik neem dat graag mee in de overleggen bij het opstellen van de inhoude-lijke kabinetsreactie.Mevrouw Straatman (CDA):Ik denk dat we niet alleen naar absolute aantallen moeten kijken, maar datwe het juist in Europees perspectief moeten zien. Dan is het volgens mijwel zo dat in Nederland veel meer wordt geprocedeerd dan in anderelanden. Dat raakt natuurlijk het investeringsklimaat waar de heer Ellian hetzojuist ook al over had. Dus ik denk dat we die scope niet te beperktmoeten laten zijn en dat we niet alleen moeten kijken naar de aantallencollectieve acties sinds invoering van de Wamca, want dan hebben weeen te beperkte blik, denk ik. Hoe ziet de Staatssecretaris dat?Staatssecretaris Van Bruggen:Daar ben ik het absoluut mee eens. Ik heb nu nog twee uitgebreidereantwoorden die gaan over wat ik daarvan vind. Het gaat ook om deweging die je daarin maakt tussen de ruimte die er moet zijn om tekunnen procederen en de tijd die het kost voordat een partij wel of nietontvankelijk is. Hoe anders is het in Engeland geregeld? Daar komt het erde facto op neer dat het alleen de overheid is. Op het moment dat het welom bedrijven gaat, zou je als rechter bijna op de stoel van een beleid-smaker moeten gaan zitten. Dat willen we voorkomen. Maar als deoverheid achterblijft, dan hou je wel de ruimte om ook te kunnen zeggen:dit moet wel geregeld worden. Dus ik herken zeker wel de zorg diehierover uitgesproken wordt.U stelde ook de vraag, mevrouw Straatman, of ik bereid ben om naderonderzoek te doen naar de impact van collectieve acties op het investe-ringsklimaat. Bij de wetsevaluatie staat die vraag centraal, met in de wetgestelde doelen die in de praktijk zijn gehaald. Een van de doelen wasvoorkomen dat buitenlandse partijen collectieve acties in Nederlandaanhangig zouden maken. Een grote toename van dat aantal collectieveacties kan leiden tot een verminderd investeringsklimaat. Onderzoekersconcluderen echter dat er nu geen aanwijzingen zijn voor zo’n aanzui-gende werking. Het aantal zaken lijkt ook licht gedaald, zoals ik net al zei.We hebben ook niet het idee dat er een aanzuigende werking van uitgaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106416 Ze geven ook aan dat andere maatschappelijke effecten niet zijn onder-zocht in de evaluatie. Dat is natuurlijk wel een belangrijk punt. U maaktedat punt zelf ook. Ze doen aanbevelingen voor nader onderzoek. Ik wildaarom in aanvulling op het evaluatieonderzoek graag nader onderzoeklaten doen, liefst in samenwerking met EZ, naar de maatschappelijkeeffecten van de collectieve acties, waaronder eventuele gevolgen voor hetinvesterings- en vestigingsklimaat.De voorzitter:Als ikzelf, namens de VVD, een vraag mag stellen, zeg ik graag hetvolgende. Dat is prettig om te horen, want ik vroeg natuurlijk naar datonderzoek. Dat zouden we denk ik nog wel even moeten afbakenen metelkaar. Het is voor mijn fractie in ieder geval van belang, want hetinvesteringsklimaat in Nederland neemt steeds verder af. Maar ik ben welwat verbaasd, zeg ik tegen de Staatssecretaris. Er wordt nu heel erggefocust op absolute aantallen en op het WODC-onderzoek, maar het iseen feit dat het procesklimaat in Nederland gunstiger is dan in de onsomringende landen. Dat is gewoon een feit. Dat verzin ik niet. Dat heeftonder andere te maken met het opt-outkarakter van de Wamca, de relatieflage toetredingsdrempels en het beperkte proceskostenrisico. Dus als jeeen gunstiger procesklimaat hebt dan andere landen, dan is het evidentdat die financiers zich richten op Nederland. Wat je dan krijgt, is: financierzoekt claim, zoekt bedrijf, zoekt procedure. Het kan best zo zijn dat hetWODC dat anders ziet. Ik zeg dit met alle respect, want ik hoef niethetzelfde te vinden als het WODC, maar dit is een reëel risico dat, als deStaatssecretaris bij EZ navraag gaat doen, volgens mij ook bevestigdwordt door bedrijven die te maken hebben met deze procedures. Dus hetantwoord van de Staatssecretaris verwondert mij, moet ik zeggen. Zou deStaatssecretaris hierop kunnen reageren?Staatssecretaris Van Bruggen:Dank voor deze vraag, meneer Ellian. Kijk, toegang tot het recht is ook eengroot goed. Het is een doorlopende afweging: wat vinden we dan nogacceptabel als het gaat om de situatie die kan ontstaan? Ik denk datdaarom juist ook dat aanvullende onderzoek heel belangrijk is. We moetenhierbij duidelijk afbakenen welke gevallen of situaties acceptabel zijn enwat de ontvankelijkheidseisen daarvoor zijn. Wanneer vinden we hetacceptabel en wanneer schieten we door? Ik denk dat dat een belangrijkeafweging is die we zouden moeten kunnen maken en die ik ook mee zouwillen nemen in dat aanvullende onderzoek, omdat je dan juist het beeldkan krijgen of dat daadwerkelijk voldoende onderzocht is. Daarvan zegthet WODC natuurlijk zelf ook dat ze dat echt niet goed hebben kunnenonderzoeken. Vandaar dat er ook een noodzaak is om dat nog wel te doen.De voorzitter:Als ik daar nog even op mag reageren: ik hoor de wil van de Staatssecre-taris om in ieder geval aanvullend onderzoek te doen naar de econo-mische gevolgen. Dat is superbelangrijk. Ik heb het doel van de wetopgezocht. Ik hoop dat u mij dat vergeeft. In de memorie staat het heelduidelijk. De gedachte is dat het voor dezelfde groep gelaedeerden, zoalsdat juridisch heet, dus mensen die dezelfde soort schade hebben geleden,makkelijker moet zijn. Zo hoeft niet iedereen zelf te gaan procederen tegende grote bank of de grote autofabrikant. Ze kunnen dan gezamenlijk eenvoordeel hebben. Dat gaat dan om toegang tot het recht. Maar dat is ietsheel anders dan wat er nu aan de hand is, namelijk dat procesfinancierskijken wat een potentieel kansrijke claim zou kunnen zijn en zij zich daaroptoespitsen. Uit voorbeelden – die zijn er volgens mij gewoon – wordtduidelijk dat die financiers gigabedragen verdienen. Daarvoor is die wetniet bedoeld. Die wet is er met het oog op rechtsbescherming. Kan deStaatssecretaris daarop reageren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106417 Staatssecretaris Van Bruggen:Uiteraard. Ik denk dat we hier exact hetzelfde punt bedoelen en allebei eenoplossing daarvoor zoeken. Wat is ooit de bedoeling geweest? Dat istoegang tot het recht voor een groep die daar onvoldoende recht toe had.Dat is wellicht doorgeschoten. Daarom hebben we nu ook extra focus-groepen juist ten aanzien van die procesfinanciering. We zien dat daar nogeen zorg leeft. Maar dat nadere onderzoek gaat wat mij betreft niet alleenover de economische effecten. Dat gaat ook juist over de eventuelegevolgen voor het vestigings- en investeringsklimaat. Dus dat gaat ookover welke prikkels er nu in ons systeem of in onze wet zitten waardoorwe te veel ruimte hebben gecreëerd en waardoor we dus ook zien dat hetop een andere manier, niet zozeer in aantallen zaken, een aanzuigendewerking heeft. Ik denk daarom dat het goed is dat we dat dus ookmeenemen. Ik heb het dan niet alleen over de economische effecten. Ermoet juist gekeken worden of we dit maatschappelijk hebben beoogd metdeze wet. Dat is wat het aanvullende onderzoek zou moeten kunnenuitwijzen. Dank u wel.De heer Sneller (D66):Ik ben heel gevoelig voor dit argument en deze prikkelwerking. Tegelij-kertijd had ik bij het lezen juist vragen bij de andere kant van demaatschappelijke effecten, namelijk de preventieve werking van dit soortregels, en bij zo’n ideëelbelangactie. Ik vroeg mij juist af wat demaatschappelijke effecten zijn wat betreft de naleving van regelgevingdoor de overheid, en dat dan ook vanuit een positief perspectief. Als wevervolgonderzoek gaan doen, hoop ik dat we naast deze heel terechtepunten ook die kant van de maatschappelijke effecten terug kunnen zien.Staatssecretaris Van Bruggen:Zeker. Dat is juist iets wat we daarin mee moeten kunnen blijven nemen.Ik denk dat de heer Sneller een heel belangrijk aspect noemt.Voorzitter. Ik ben door de vragen over de Wamca heen. Ik ga naar hetvolgende blokje. Dat gaat over ...De voorzitter:Straatman wil hier nog één vraag over stellen.Mevrouw Straatman (CDA):Ik had nog een aantal vragen over de Wamca in het kader van algemeen-belangacties. Misschien komen die bij het kopje overig nog aan de orde.Kan dat kloppen? Of komen die nu?De voorzitter:Dat denk ik niet. Staatssecretaris: de algemeenbelangacties.Staatssecretaris Van Bruggen:Nee, die zitten niet bij het kopje overig. Ik kom er zo dadelijk in de tweedetermijn op terug.De voorzitter:Ik had daar ook naar gevraagd, naar de ideële doelstelling.Oké, gaat u verder, Staatssecretaris.Staatssecretaris Van Bruggen:We kijken nog even hoe ze nu zijn vormgegeven.Dan zijn er vragen gesteld over het insolventierecht, bijvoorbeeld doormevrouw Abdi, die een vraag had over de achterstelling van de aandeel-houderslening. «Aandeelhouders horen risicodragend kapitaal teverstrekken. Het afdekken van risico door gesecureerde leningen past daarniet bij. De Staatssecretaris wil de wet niet aanpassen. Zij spreekt wel overTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106418 juiste aandacht en balans bij betrokkenen, maar ziet geen aanleiding totwijziging. Hoe gaat de Staatssecretaris die balans dan wél bewaken?» Datwil mevrouw Abdi weten. Hoewel voorstanders van een wettelijkeregeling wijzen op enkele grote faillissementen waarin aandeelhoudersflinke uitkeringen ontvingen, bestaat er geen beeld dat dit een breedvoorkomende problematiek is. Voor zover problemen worden gesigna-leerd, raken die vooral aan de verdeling en de dynamiek ín het faillis-sement. Het Nederlands recht kent al verschillende mogelijkheden omdaar wat aan te doen en benadeling van schuldeisers aan te pakken.Daarbij spelen ook Europese ontwikkelingen waarmee rekening moetworden gehouden, omdat ze deze mogelijkheden verder invullen.Het kabinet streeft bovendien naar een vermindering van de regeldrukvoor ondernemers en het mkb. Een wettelijke regeling waarmee de positievan aandeelhouders wordt achtergesteld, staat daarmee echt opgespannen voet. Een wettelijke regeling zou vragen om ingrijpen in devrijheid van partijen om hun eigen positie te bepalen. Ik kom zo dadelijknog iets uitgebreider terug op de financierbaarheid in herstructureringen,iets waar mevrouw Straatman het over had.Uit het WODC-onderzoek naar wettelijke regelingen in het buitenland, datnaar aanleiding van de motie is uitgevoerd, blijkt dat deze regelingentechnisch en complex zijn. Bovendien kan een dergelijke regelingnegatieve effecten hebben op de financierbaarheid van ondernemingen,vooral bij herstructureringen. Tijdens COVID-19 werd afgeweken van dezebuitenlandse regeling om efficiënte reddingspogingen juist te stimuleren.We hebben de door mevrouw Abdi gegeven argumenten gewogen. Wezien op dit moment geen aanleiding om echt een wettelijke regelinghierop uit te werken.Dan de legeboedelproblematiek, een vraag van mevrouw Straatman. «DeStaatssecretaris geeft aan dat er later dit jaar een brief komt met daarinontwikkelingen op het gebied van faillissementsrecht. Ik ga ervan uit datde Staatssecretaris dan ook een reactie geeft op het WODC-rapport overde legeboedelproblematiek», zei mevrouw Straatman. Dat ga ik zekerdoen. Ik sta ook open voor wat misschien de suggestie achter de vraagvan mevrouw Straatman is, namelijk om heel expliciet over bepaaldeonderdelen binnen dit toch heel brede rechtsgebied het gesprek metelkaar te voeren. Daar sta ik ook zeker voor open. We raken het nu aan enproberen ook om de essentie ervan te vatten in een debat waarin we daareen aantal uren de tijd voor hebben en waarin we echt een wezenlijkediscussie met elkaar zouden moeten kunnen voeren, zeker als het gaatover het faillissementsrecht. Daar sta ik dus zeer voor open.Dan het WODC-onderzoek over de legeboedelproblematiek. Er ligtinderdaad een rapport waaruit blijkt dat curatoren niet altijd volledigbetaald worden voor hun werkzaamheden. Het is voor mij duidelijk dat wehier iets aan moeten doen. Als curatoren namelijk niet betaald worden,kunnen zij hun werk niet goed doen en dat is een risico voor onzeeconomie. Failliete ondernemingen moeten namelijk gewoon goedworden afgewikkeld. In een eerste kabinetsreactie onder mijn voorgangerStaatssecretaris Struycken is aangegeven dat er aan oplossingsrichtingenwordt gewerkt. Ik ga daar graag mee verder. Ik heb inderdaad hetvoornemen om uw Kamer voor het einde van het jaar nader te informerenover de plannen met het faillissementsrecht. Ik zeg daarbij «het najaar».Het lijkt me heel mooi om daar met elkaar het gesprek over te voeren,zoals nu al gedaan wordt met de curatoren. Dat is dus niet iets wat nustilligt; het is iets wat op dit moment ook gebeurt.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik had ook nog een andere vraag, namelijk of daarin ook een inhoudelijkereactie kan worden meegenomen op het advies over het toezicht van derechter-commissaris op de afwikkeling van het faillissement door deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106419 curator. Daar is namelijk nog geen inhoudelijke reactie op gekomen vanuithet kabinet.Staatssecretaris Van Bruggen:Die vraag had ik niet genoteerd, maar dat punt neem ik graag mee. Zeker.De voorzitter:Ik heb zelf een verhelderende vraag. De Staatssecretaris zegt dat decuratoren betaald moeten worden. Ja, en dat worden ze nu ook, met allerespect, want de curator zorgt er vaak eerst voor, ook als de boedel relatiefleeg is, dat zijn eigen ... Maar goed. Dat is logisch. Het hele punt isnatuurlijk dat de prikkel om vervolgens toch voor de benadeeldeschuldeisers alles uit de kast te halen er dan niet is. Mag ik de Staatssecre-taris zo begrijpen dat in de reactie die we in het najaar krijgen, juist wordtmeegenomen wat in eerdere commissiedebatten ook is gewisseld,namelijk dat je echt fundamenteel zult moeten kijken naar hoe je ervoorzorgt dat de curator niet afhankelijk is van de boedel, maar echt aan deslag gaat voor die schuldeisers, hoe vervelend ook en ook als er bestuur-dersaansprakelijkheid nodig is? Dat is overigens ook gewoon deverplichting die voortvloeit uit de wet. Dit lijkt ons heel erg nodig.Staatssecretaris Van Bruggen:Dank voor deze aanscherping. Absoluut. Mijn zorg gaat niet alleen uit naarde positie van de curatoren en of zij wel betaald worden voor hun werk,maar zeker ook naar het effect van een lege boedel en hoe we daar beternaar kunnen kijken, ook in relatie tot de rol van de curatoren. Absoluut.Voorzitter. Dan de vragen over de WHOA. Ik realiseer mij ...De voorzitter:Voor de liefhebbers: dat is de Wet homologatie onderhands akkoord.Staatssecretaris Van Bruggen:Dank u wel, voorzitter. Voor de liefhebbers en de mensen die dit volgen: jeleert heel veel bij over afkortingen. Dit is wel een belangrijke. «Homolo-gatie» was ook een nieuw woord voor mij. Maar het is absoluut eenrelevant thema. Er zijn ook vragen over gesteld door onder anderenmevrouw Straatman en ook mevrouw Mutluer, of «mevrouw Abdi» zeg ikdan in dit geval. Uit de evaluatie van de WHOA blijkt dat het mkb hier nogonvoldoende gebruik van maakt. Een voorganger van de Staatssecretarisgaf aan dat de griffierechten voor WHOA-procedures worden verlaagd enin gesprek te gaan met EZ om de WHOA meer bekendheid te geven bij hetmkb. Wat is de stand van zaken, willen de vraagstellers weten. Welkeextra maatregel wil de Staatssecretaris nemen om de WHOA bekender temaken voor mkb-bedrijven? Voor wat betreft de griffierechten is doorwijziging van de Wet griffierechten burgerlijke zaken in juli 2025 hetgriffierecht voor WHOA-zaken substantieel verlaagd. Dat is al gebeurd.Zoals toegezegd in de kabinetsreactie wil ik werken aan meer bekendheidvan de WHOA bij het mkb. Op dit moment is voor ondernemers eeninformatie- en adviespunt ingericht bij de Kamer van Koophandel.Ondernemers krijgen hier onder meer informatie over hoe zij financiëleproblemen bij een klant kunnen signaleren en wat de mogelijkheden zijnals zij zelf in zwaar weer dreigen te verkeren. Dat is natuurlijk een situatiedie in ieder geval in de afgelopen jaren vaker is voorgekomen. Onder-nemers kunnen daarnaast een WHOA-routekaart volgen die hen helpt tebepalen welke stappen zij het beste kunnen zetten om op tijd aan de bel tetrekken.Naar aanleiding van het evaluatierapport is er een internetconsultatiegestart met onder meer als doel om aanbevelingen op te halen voor hoede WHOA meer bekendheid kan krijgen bij het mkb. Naar aanleiding vande reacties op deze internetconsultatie wil ik onderzoeken in hoeverre deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106420 bekendheid verder verbeterd kan worden. De internetconsultatie loopt tot1 mei. Begin mei heb ik een gesprek met de voorzitter vanMKB-Nederland. In dat gesprek zal ik juist ook het vraagstuk van wat weer nog meer aan kunnen en moeten doen onder de aandacht brengen. Totslot zal ik het ook betrekken in de brief over het faillissementsrecht die ikzoals gezegd in het najaar naar uw Kamer zal sturen.Mevrouw Straatman (CDA):Ik heb een korte vraag over het informatiepunt dat er nu is voor onder-nemers. Ik denk dat dat heel goed is, want je wil natuurlijk zo vroegmogelijk bedrijven informeren om zo’n WHOA-procedure nog kansrijk telaten zijn. Zijn daar ook bijvoorbeeld boekhouders, accountants enpartijen rondom een bedrijf bij betrokken, zodat zij ook die signalerendefunctie hebben en door kunnen verwijzen?Staatssecretaris Van Bruggen:Dat antwoord moet ik u even schuldig blijven, maar ik kom daar graag inde tweede termijn op terug. Het is een heel relevante aanvulling. Wemoeten het even goed uitzoeken.Dan de achterstelling van de aandeelhoudersleningen, een vraag vanmevrouw Abdi. Aandeelhouders horen risicodragend kapitaal teverstrekken. Afdekken van risico past daar niet bij. Toch wil de Staatsse-cretaris het niet aanpassen. Er is door collega Nijboer een motie overingediend. Wil ik het niet aanpassen naar aanleiding van de motie-Nijboer,zo vraagt mevrouw Abdi. Aan de motie-Nijboer is uitvoering gegevendoor het WODC-rapport over de positie van concurrente schuldeisers infaillissement. Daar is al in 2024 op gereageerd door de toenmaligeMinister voor Rechtsbescherming Weerwind. Uw Kamer heeft mijnambtsvoorganger eerder gevraagd om onderzoek te doen naar eenrechtvaardigere verdeling van de boedel tussen banken en overigeschuldeisers, het beperken van verpanding bij bedrijven en het beperkenvan aandeelhoudersleningen. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb bericht,heb ik deze motie opgevat als een opdracht vanuit uw Kamer om demogelijkheden te onderzoeken om te komen tot een rechtvaardigereverdeling in het faillissement, met vervolgens de conclusie dat ik niet veelheil zie in het ontwikkelen van een regeling voor het achterstellen vanbepaalde aandeelhouders. De kwetsbaarheden daarbij heb ik zojuist algenoemd. Uit de ervaringen in Duitsland en Oostenrijk blijkt dat er ooknegatieve effecten zijn voor de financierbaarheid van ondernemingen,met name in het geval van herstructurering. Dat staat haaks op de inzetom juist zo veel mogelijk faillissementen te voorkomen, bijvoorbeeld doorhet goed mogelijk maken van herstructurering. Bovendien blijft hetingewikkeld om dergelijke regels te ontwerpen, omdat er de nodigeuitzonderingen zullen moeten worden overwogen. We maken het dan dusmogelijk onnodig ingewikkeld.Ik begrijp heel goed wat in dit geval de vraag achter de vraag is, namelijk:zorgen we dan voor een goede bescherming van bijvoorbeeld demedewerkers in een bedrijf? Dat is de weging die je maakt. Ik vermoed, ikdenk en ik zie ook dat de evaluatie in Duitsland en Oostenrijk dat effectduidelijk heeft laten zien. Bescherm de medewerkers door juist demogelijkheden te geven om daarin nog als aandeelhouders een rol tepakken.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dank aan de Staatssecretaris voor deze beantwoording. Ik ben evenbenieuwd. U verwijst naar de evaluaties in Duitsland en Oostenrijk. Kunt udaar nader op ingaan? Ik heb namelijk niet helder wat er concreet uit dieevaluaties is voortgekomen.Staatssecretaris Van Bruggen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106421 Daar kom ik graag in de tweede termijn op terug.De voorzitter:Dat wordt een volle tweede termijn.Staatssecretaris Van Bruggen:Tot nu toe behandel ik volgens mij nog drie vragen in de tweede termijn.Ik zal proberen om het in ieder geval uiterlijk om 13.00 uur af te ronden.De voorzitter:Nou, dat zou eerder moeten kunnen, maar we gaan door! De Staatssecre-taris.Staatssecretaris Van Bruggen:Het thema erfrecht is het volgende belangrijke onderwerp. Hoe gaat u deknoop doorhakken na het rapport over de legitieme portie, was een vraagvan mevrouw Abdi, de heer Sneller ... Nou, eigenlijk van u allen. HetWODC-onderzoek naar het draagvlak onder de legitieme portie is eind2025 naar uw Kamer gestuurd. Het is een belangrijk onderzoek. Er zijnnatuurlijk beelden van de toegevoegde waarde van de legitieme portiezoals we die nu hebben ingericht. Het rapport geeft ook een zeer compleetbeeld van het leerstuk van de legitieme portie en de opvattingen hieroverbinnen de samenleving. De onderzoekers concluderen dat de legitiemeportie breed wordt gedragen door de Nederlandse bevolking. Algeheleafschaffing wordt door een overgrote meerderheid van 80% nietgesteund. Hieruit blijkt dat de rechtsovertuiging dat kinderen de natuur-lijke erfopvolgers van ouders zijn, nog sterk wordt gevoeld. In hetWODC-onderzoek komen ook argumenten aan bod voor afschaffing vande legitieme portie, zoals de inperking van het recht om zelf te kunnenbepalen wie van jou erft. Ik beraad me daar op dit moment op en ikverwacht u voor de zomer een inhoudelijke reactie op het rapport tekunnen sturen, waarin ik ook dit onderdeel heel graag meeneem.Dan het opnemen in een testament van een considerans, dus de redenvoor de onterving van een kind. In het WODC-onderzoek wordt dewetgever in overweging gegeven om een considerans in het testamentverplicht te stellen in de situatie waarin een kind wordt onterfd. Ikonderschrijf dat het heel schrijnend kan zijn als een kind niet weet wat dereden is van onterving. Een considerans kan begrip, acceptatie en inzichtgeven. Onder juridische professionals zijn de meningen over het verplichtstellen van een considerans echter verdeeld. De considerans kan namelijkook juist een bron van geschil zijn, en kan ook gevoeld worden als eentrap na. Dat is volgens mij juist niet wat ermee wordt beoogd. Al dieargumenten neem ik mee in de appreciatie van het WODC-onderzoek, dieik voor de zomer nog aan de Kamer zal doen toekomen.Voorzitter. Dan het blokje rentmeestervennootschap. Wat ga ik daarmeedoen, vroeg de heer Sneller. Dat staat in het coalitieakkoord. Ik leg evenuit wat het precies is. Het is een besloten vennootschap waarin dezeggenschap bij zogenaamde rentmeesters of stewards ligt. In hoofdlijnenziet het model er als volgt uit. De rentmeesters hebben de rol om demissie van de vennootschap en het langetermijnbeleid te bewaken.Daarom hebben de rentmeesters het stemrecht, en niet de aandeel-houders. De rentmeesters bepalen dus wat er met de winst gebeurt,benoemen bestuurders en kunnen de statuten wijzigen. Ook de winstuit-kering zelf is in dit model beperkt. Aandeelhouders krijgen enkel eenredelijke vergoeding voor hun investering in de vennootschap. De winstwordt geherinvesteerd in de onderneming of uitgekeerd aan een goeddoel, in lijn met de missie van die vennootschap. De zeggenschap van eenrentmeester kan niet verkocht worden, zoals aandelen nu wel verkochtkunnen worden. Dit model wordt nu meestal gerealiseerd met behulp vaneen stichting die de beslissende aandeelhouder is in die rentmeesterven-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106422 nootschap. De rentmeesters vormen dan het bestuur van de stichting. Erzijn nu in Nederland, voor zover mij bekend, 120 van dit soort rentmees-tervennootschappen.Ik ben me erop aan het voorbereiden hoe we dit onderdeel van hetregeerakkoord het beste kunnen realiseren. Ik sta er volledig achter.Gelukkig maar, want het staat in het coalitieakkoord. Maar het is ook eenbelangrijke ontwikkeling om snel vorm te geven. U kunt daarbij in eersteinstantie denken aan het organiseren van een rondetafel met weten-schappers, praktijkjuristen en stakeholders, zoals de belangenorganisatieWe Are Stewards, om met elkaar het gesprek aan te gaan. Het liefst doe ikdat nog voor de zomer. Het doel daarvan is om een beter beeld te krijgenvan de exacte problemen waar men tegenaan zou kunnen lopen bij deuitwerking van deze vorm van vennootschap en om te bekijken wat debeste oplossingsrichtingen kunnen zijn, want we willen natuurlijkvoorkomen dat we hier de verkeerde afslag nemen. Tegelijkertijd is dit weleen belangrijke ontwikkeling die we vorm willen geven. Dus wat mijbetreft begint het bij een rondetafel. Zodra ik hierover een besluit hebgenomen – ik verwacht dat dus zo snel mogelijk te doen, want wat mijbetreft vindt de rondetafel voor de zomer plaats – dan zal ik uw Kamerdaar per brief over informeren.Dan de vraag over corporate governance, ook van de heer Sneller, over demotie-Grinwis, het Rijnlands model en het opnemen van principe 1.1.1 of1.1 van de Corporate Governance Code. Het Rijnlands model zal ik eventoelichten. Dat wordt ook wel het «stakeholdersmodel» genoemd. Het isgoed verankerd in wetgeving, jurisprudentie en zelfregulering, zoals deCorporate Governance Code die de heer Sneller ook noemt. Dit is ook inde reactie op de motie beantwoord in het vorige kabinet. Het Nederlandsestakeholdersmodel staat in de wet in Boek 2 van het BW. Dat betekent dathet bestuur van een nv of een bv zich moet richten naar het belang van devennootschap, zich moet richten op een lange termijn en zorgvuldigheidmoet betrachten ten aanzien van de belangen van iedereen die bij devennootschap betrokken is, dus bij de stakeholders. Tot de stakeholdersbehoren niet alleen de aandeelhouders, maar bijvoorbeeld ook dewerknemers van de onderneming, de omwonenden, de klanten en detoeleveranciers. Bestuurders mogen niet op basis van één bepaaldbelang, bijvoorbeeld dat van de aandeelhouders, op voorhand dedoorslag geven. Alle belangen moeten worden afgewogen. Dat waarborgthet publieke belang, de langetermijnhoudbaarheid en de continuïteit vande onderneming.Principe 1.1.1 van de Corporate Governance Code stelt dat het bestuurverantwoordelijk is voor de continuïteit van de vennootschap in deonderneming en voor de duurzame langetermijnwaardecreatie van devennootschap en stelt dat het bestuur rekening moet houden met deeffecten van de onderneming op mens en milieu. De belangen van destakeholders moeten daarbij worden meegewogen. Zoals ik net al zeistaat dit in beginsel in feite ook in de wet, dus naar een echte aanvullingop de wet zou ik goed moeten kijken. Maar mochten noodzakelijkeaanpassingen nodig zijn, dan ben ik wel bereid om daar in ieder geval nuook ambtelijk naar te laten kijken, omdat ik denk dat het belangrijk is datwe de uitgangspunten van de Corporate Governance Code vooropstellen.Als dat betekent dat een nuancering nodig is, dan gaan we goed kijken ofde wet op dat punt momenteel toereikend is.De heer Sneller (D66):Ik zou het waarderen als we dat inderdaad in een brief zouden kunnenkrijgen. Die Corporate Governance Code kent een «comply or explain»-principe. Daar hoef je je dus verder niet aan te houden. Dan moet je alleeneven uitleggen waarom je dat niet doet. Nee, dat is een beetje te makkelijkgezegd. Maar ik zou willen dat het een wat meer bindende werking heeft.Dat betekent ook dat er in rechte kan worden opgekomen om dit af teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106423 dwingen, terwijl dat bij de code niet kan. Het andere aspect is hetvolgende. Het Rijnlandse model is uitgewerkt in het Cancunarrest enandere arresten. Dan moet je maar gaan zoeken. Voor de kenbaarheid vande norm, als we die als wetgever ook belangrijk vinden, is het volgens mijook goed om hem te codificeren in het Burgerlijk Wetboek. Dus ik zou heelgraag zien dat inderdaad op die meerwaarde kan worden ingegaan in debrief.Staatssecretaris Van Bruggen:Exact die meerwaarde zou ik willen onderzoeken. Ik neem dat graag meein de beantwoording in de brief.Dan was er nog een fundamentele vraag over de oninbare vordering vande heer Ellian; die valt onder het kopje overig. Wat moeten mensen doenmet een vordering die niet geïnd kan worden? Hoe kunnen vorderingengeëxecuteerd worden? Het is belangrijk dat mensen hun recht kunnenhalen en dat een uitspraak geëffectueerd kan worden. Dat is alleen al voorde rechtszekerheid goed, maar vooral ook vanwege de emotionelecomponent die hierbij kan komen kijken, zeker ook omdat er gerefereerdwordt aan het strafrecht, zoals de heer Ellian zei. Op dit moment wordt ergewerkt aan het verbeteren van het stelsel van civiele invorderingen.Inzicht in het vermogen en de aflossingscapaciteit van mensen metschulden kan het proces van invorderingen versnellen. Eerder is door mijnvoorganger toegezegd om in gesprek te gaan met de KoninklijkeBeroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders. Dit vraagstuk wordtbetrokken bij de herziening van het stelsel van civiele invordering. DeKoninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders is nadrukkelijkbetrokken bij de verdere uitwerking van civiele invorderingen. Dat is in lijnmet de eerdere toezegging die aan de Kamer is gedaan. In mijn optiekwas dat ook een toezegging aan de heer Ellian. Die toezegging ging overde transparantie van het vermogen en de vraag wat er daadwerkelijk teverhalen is. Ik kom ook op dit onderdeel graag voor de zomer terug in eenKamerbrief.De voorzitter:Wij noteren driftig alle toezeggingen en toegezegde brieven. Ik voorzie datwe hier snel weer een debat over voeren, Staatssecretaris.Staatssecretaris Van Bruggen:Dat was het einde van de beantwoording van de vragen die in de eerstetermijn aan mij zijn gesteld.De voorzitter:Ik kijk even rond om te zien of er nog onbeantwoorde vragen zijn. Zijn ervragen blijven liggen, anders dan de vragen waarvan de Staatssecretarisal heeft aangegeven dat ze er nog op terugkomt? Volgens mij niet. Dangaan we naar de tweede termijn. Meneer Sneller.De heer Sneller (D66):Ik hou het heel kort. Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording.Mijn vragen zijn beantwoord. Ik denk dat de conclusie die de voorzittertussen neus en lippen door trok en de opmerking van mevrouwStraatman terecht zijn. Ik denk ook dat we hier wat langer en met watmeer afgebakende onderwerpen over moeten praten. Dat zou dediepgang van het volgende debat ten goede komen. Maar voor nu washet goed om deze onderwerpen te bespreken.Dank u wel.De voorzitter:Mevrouw Straatman.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106424 Mevrouw Straatman (CDA):Dank u wel, voorzitter. Ik sluit me daar helemaal bij aan. Dank ook aan deStaatssecretaris voor de beantwoording. Ik denk dat het goed is dat wenader onderzoek gaan doen naar de maatschappelijke effecten van deWamca. Fijn dat de Staatssecretaris dat heeft toegezegd. Ik ben welbenieuwd hoe die tijdlijn er ongeveer uitziet, want dit soort processenlijken allemaal wel heel lang te duren. Procesfinanciering lijkt mij daarbijeen separaat onderdeel. Ik begrijp dat het nu bij die focusgroep ligt.Tegelijkertijd ligt er ook wel een echt politieke vraag, namelijk: hoeworden we daar tijdig bij betrokken, zodat we mee kunnen spreken overwat politiek wenselijk is, los van de vraag wat juridisch mogelijk is?Los daarvan wacht ik nog even op de beantwoording van de Staatssecre-taris in tweede termijn over het algemeen belang binnen de Wamca. Datis volgens mij ook een bron van veel discussie en polarisatie. Ik zou graagwillen dat dit minder plaatsvindt omdat we als politiek met name aan zetzijn. Vandaar ook de vraag hoe het in Engeland en Wales zit en hoe deStaatssecretaris daartegen aankijkt.De voorzitter:Mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Ik sluit me aan bij de laatste woorden van collegaStraatman over de Wamca. Ik ben ook benieuwd naar de tijdlijn. Ik zougraag van de gelegenheid gebruik willen maken om een tweeminuten-debat aan te vragen.De voorzitter:Oké. Dan noteren we dat. Ik dank de Staatssecretaris ook voor debeantwoording. Het ging best prima, ook al bent u geen civilist; toch hetmooiste vak wat er is, zeg ik als oud-docent.Ik worstel zelf nog even met de Wamca. Ik denk dat het helpt als we zometeen alle toezeggingen even precies nalopen. Ik ben zelf niet per seenthousiast over focusgroepen. Ik bedoel dat niet oneerbiedig, maar dat isniet helemaal wat de VVD-fractie voor ogen had. De vragen over degevolgen voor het investeringsklimaat en de economische gevolgen vande Wamca zijn wat groter dan je met elkaar in een focusgroep kanbeantwoorden. Daar zoek ik nog even naar. Voorshands denkt de VVD alwel dat die gevolgen er zijn. Het is goed om dat nog even onderbouwd tehebben met elkaar. Daarna komt de politieke vraag aan de orde of we datgoed gedaan hebben. Daarbij gaat het ons specifiek om die procesfinan-ciering, maar absoluut ook om algemeenbelangvorderingen. Die kunnennamelijk ook een gevolg hebben, bijvoorbeeld als het gaat om devoorspelbaarheid van overheidshandelen. Er zitten dus verschillendeonderwerpen in. Ik wacht ook even af wat de Staatssecretaris in tweedetermijn gaat zeggen en wat eruit komt als we zo meteen de toezeggingennalopen.Hoeveel tijd heeft de Staatssecretaris nodig om zich voor te bereiden ophaar tweede termijn? Een paar minuten. Dan schors ik de vergaderingvoor enkele ogenblikken.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering. We gaan luisteren naar de antwoorden van deStaatssecretaris in tweede termijn.Staatssecretaris Van Bruggen:Dank u wel, voorzitter. Ook dank voor de tweedetermijnvragen. Er zijn ooknog een aantal vragen uit de eerste termijn die ik in tweede termijn zouTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106425 beantwoorden omdat sommige vragen wat fundamenteler afwegingenvragen, zeker als het gaat over de kabinetsreactie die aanstaande is op deevaluatie van de Wamca, om daar maar even mee te beginnen. Natuurlijkgeven de focusgroepen zoals ze nu zijn ingericht een beeld dat we uit dieeerste evaluatie krijgen van waarop we echt nader zouden moetenfocussen. Maar het onderzoek dat we daarnaast vormgeven, gaat over demaatschappelijke effecten van de Wamca. Ik zou de Kamer echt willenvragen om de kabinetsreactie af te wachten, omdat ik beide nodig heb omecht een volledige reactie te kunnen geven. Dat geldt zeker ook voor hetvormgeven van de algemeenbelangacties en de manier waarop we daarmet elkaar naar kijken, zeker ook in deze Kamer. Wat mij betreft hebbenwe dus hierover een nader gesprek met elkaar na de kabinetsreactie, metalle input die op dit moment wordt meegenomen.Mevrouw Straatman (CDA):Ik begrijp goed dat we eerst alle informatie bij elkaar moeten verzamelen.Zou de Staatssecretaris willen toezeggen dat in die reactie, als het gaatom algemeenbelangacties binnen de Wamca, onderscheid wordt gemaakttussen algemeenbelangacties tegen de overheid en tegen private partijen,zodat we dat debat ook scherp hebben?Staatssecretaris Van Bruggen:Zeker. Dat is een heel fundamenteel punt, denk ik. Dat neem ik zeker opdie manier mee.Dan de vraag van mevrouw Abdi over wat er precies gebeurd is inDuitsland en Oostenrijk waardoor we dat niet zouden moeten willen. Indie landen heeft het geleid tot uitzonderingen op een achtergestelde plek,om het zo maar even te zeggen. Dat leidt tot ingewikkelde regels. Toen iservoor gekozen een tijdelijke buitenwerkingstelling van de wettelijkeregeling te organiseren of tijdelijk af te roepen, of hoe dat dan ook heelspecifiek heet, juist in verband met die economische gevolgen. Ze haddenhet voor zichzelf ingewikkelder gemaakt. Dat risico willen we natuurlijkvoorkomen. Is de situatie een-op-een hetzelfde als in Nederland? Nou, decoronacrisis heeft gemaakt dat zich sowieso onvoorspelbare situatieshebben voorgedaan. Dat is daar wel het effect geweest. Daarom voel ikniet heel erg snel de noodzaak voor ons om daar nu al op te anticiperen.Je ziet namelijk dat dit het effect kan zijn in bepaalde situaties zodra wedie aandeelhouders daadwerkelijk een andere positie zouden geven.Dan nog de vraag van mevrouw Straatman over de focusgroep van deprocesfinanciering, een vraag die in de eerste termijn is gesteld. Ze vroegof ik denk daarin bijvoorbeeld ook economen mee te nemen. Dat is eenbelangrijke suggestie. De suggestie om in de samenstelling van defocusgroep ook economen een plek te geven neem ik graag mee. Defocusgroep vindt plaats in mei. Dat nemen we dus graag mee.Dan kom ik tot het einde van de beantwoording van de vragen in tweedetermijn.De voorzitter:Oké. Dan gaan we afronden. We gaan de administratie doen.−De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer toe om inde zomer van 2026 een brief aan de Kamer te sturen, samen met deverantwoordelijk bewindspersoon van Economische Zaken, metinformatie over de stappen die genomen gaan worden om makers tebeschermen in het AI-tijdperk.−De Staatssecretaris zegt de Kamer toe de Kamer na de zomer van 2026te informeren over de focusgroepen, in het bijzonder inzake procesfi-nanciering betreffende de Wamca, de bijzondere positie van vakbon-den en de algemeenbelangacties, waarbij onderscheid wordt gemaakttussen acties tegen de overheid en tegen private entiteiten.«Na de zomer» is wel breed gedefinieerd. Dat kan ook herfst 2031 worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106426 Staatssecretaris Van Bruggen:Ik bedoel na de zomer van 2026. Is Q3 een acceptabele omschrijving?De voorzitter:Ik kijk als voorzitter eerst naar mevrouw Straatman. Het is een toezeggingaan ons beiden, denk ik. Ik denk het wel. Ik moet even nadenken of dit nogzijn beslag moet krijgen in een motie om richting te geven. Ik vind dat deStaatssecretaris het duidelijk toezegt en wij moeten ons ook een beetjeleren te beheersen met elkaar qua moties. Ik slaap er nog een nachtjeover, maar op zich is deze toezegging akkoord. Dan gaan we naar devolgende toezegging.−De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zegt toe de Kamer in hetnajaar van 2026 in de brief over ontwikkelingen binnen het faillisse-mentsrecht te informeren over het onderzoek naar de legeboedel-problematiek alsmede de stappen die gezet worden om de Wethomologatie onderhands akkoord meer bekendheid te geven bijondernemers.−De Staatssecretaris zegt de Kamer toe voor de zomer van 2026 in dereactie op het WODC-onderzoek in te gaan op de mogelijke afschaffingvan de legitieme portie.De Staatssecretaris heeft «afschaffing» niet gezegd. Wat zullen we doen?Staatssecretaris Van Bruggen:Als ik een suggestie mag doen: «een reactie op het WODC-onderzoek naaraanleiding van de ontwikkelingen ten aanzien van de legitieme portie».De voorzitter:«De ontwikkelingen ten aanzien van de legitieme portie en de toekomstdaarvan». Zoiets?Staatssecretaris Van Bruggen:Ja, prima.De voorzitter:Oké.−De Staatssecretaris zegt toe de Kamer na de zomer van 2026 teinformeren over de rondetafel aan de kant van het kabinet, dus niet dievan ons, inzake de rentmeestervennootschap.Maar ook dit kan weer herfst ’31 worden. Zullen we er Q3 van maken?Staatssecretaris Van Bruggen:Ja, Q3.De voorzitter:Oké.−De Staatssecretaris zegt toe de Kamer voor de zomer van 2026 in eenbrief te informeren over de mogelijke meerwaarde van codificatie vanonderdeel 1.1 uit de Corporate Governance Code in het BW, hetBurgerlijk Wetboek.−De Staatssecretaris zegt toe de Kamer voor de zomer van 2026 teinformeren over ontwikkelingen op het gebied van oninbarevorderingen.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Misschien is het vergeten, maar ik had ook gevraagd om een inhoudelijkereactie op het advies dat is gegeven door de Commissie Insolventierechtover het toezicht van de rechter-commissaris op de rol van de curator bijde afwikkeling van faillissementen.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106427 Dat komt volgens mij in de brief waarin ook het faillissementsrechtbenoemd wordt. Klopt dat, Staatssecretaris?Staatssecretaris Van Bruggen:Dat klopt. Dat neem ik mee in die brief.De voorzitter:Dan hebben we dat ook afgehecht met elkaar. Ik constateer dat er eentweeminutendebat is aangevraagd door mevrouw Abdi. Dat gaan we dusdoorgeven aan de Griffie plenair.Ik dank de Staatssecretaris voor haar aanwezigheid, ondersteuning enbeantwoording. Ik dank de collega’s voor hun aanwezigheid en interessein dit mooie onderwerp. Ik dank ook alle geïnteresseerden in de zaal endegenen die anderszins dit debat hebben gevolgd. Natuurlijk ook dankaan de ondersteuning van de Kamer. Ik sluit de vergadering.Sluiting 12.01 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 106428

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6ba5cb39076d2046

16 okt 2026 · 7717385b90504d31

14 okt 2026 · 57f8a4c0b752992b

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingCivielrechtelijke onderwerpen
    Verslag van een commissiedebat, gehouden op 22 april 2026, over civielrechtelijke onderwerpen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.