Nota van wijziging
Brontekst
Versie 3d655356cc22a7e9 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 917Wijziging van de Mediawet 2008 in verband metde versterking van de uitvoering van de publiekemediaopdracht op lokaal niveauNr. 9 NOTA VAN WIJZIGINGOntvangen 3 juni 2026 Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:AArtikel I, onderdeel QQ, wordt als volgt gewijzigd:In het voorgestelde artikel 2.190 wordt het tweede derde lidvernummerd tot vierde lid en worden het vierde (oud) en vijfde lidhernummerd tot vijfde en zesde lid.BArtikel I, onderdeel YY, wordt als volgt gewijzigd:1Na het opschrift van de voorgestelde titel 9.2b wordt een artikelingevoegd, dat luidt:Artikel 9.14h1In deze titel wordt verstaan onder:nieuwe wet: Wet van [] tot wijziging van de Mediawet 2008 in verbandmet de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht oplokaal niveau (Stb. 202x, xxx).2Het voorgestelde artikel 9.14i komt te luiden: kst-36917-9ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 91 Artikel 9.14iOnze Minister zendt binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van denieuwe wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheiden de effecten van die wet in de praktijk.3Het voorgestelde artikel 9.14k komt te luiden:Artikel 9.14k1. Aanwijzingen als lokale publieke media-instelling op grond vanparagraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aande inwerkingtreding van de nieuwe wet die gelden op het moment van deinwerkingtreding van de nieuwe wet blijven van rechtswege gelden tothet begin van de eerste concessie die wordt verleend aan de NLPO opgrond van artikel 2.87d, en vervallen daarna van rechtswege.2. Voor de lokale publieke media-instellingen, bedoeld in het eerste lid,blijft de Mediawet 2008 van toepassing zoals deze luidde voorafgaand aande inwerkingtreding van de nieuwe wet.3. In afwijking van het tweede lid bestaat het college van omroepen vande NLPO tot het begin van de eerste concessie van de NLPO uit hetcollege van omroepen van het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146,onderdeel l, van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan deinwerkingtreding van de nieuwe wet, zoals dat college van omroepen wassamengesteld voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet.4. Op bezwaar en beroep tegen een besluit over aanwijzing als lokalepublieke media-instelling dat is genomen voorafgaand aan de inwerking-treding van de nieuwe wet blijft de Mediawet 2008 zoals die luiddevoorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet van toepassing.5. Indien op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wet ineen gemeente of gemeenten geen geldende aanwijzing als lokale publiekemedia-instelling is op grond van paragraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet,de laatste zodanige aanwijzing is vervallen na 1 juli 2026, er een lopendeaanwijzingsprocedure is op grond van paragraaf 2.3.1a van de Mediawet2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwewet en er één aanvrager is over wie in die aanwijzingsprocedure door debetrokken gemeenteraad of -raden op grond van artikel 2.61, derde lid,van de Mediawet 2008 zoals die luidde voorafgaand aan de inwerking-treding van de nieuwe wet is geadviseerd dat deze voldoet aan de eisen,bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, van de Mediawet 2008 zoals die luiddevoorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, danwel éénaanvrager die de voorkeur heeft gekregen in de adviesvraag aan degemeenteraad of -raden in het kader van de toetsing van het Commissa-riaat, bedoeld in artikel 2.63, tweede lid, van de Mediawet 2008 zoals dieluidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, wordtdie aanvrager van rechtswege aangewezen als de betreffende lokalepublieke media-instelling met ingang van de inwerkingtreding van denieuwe wet. Deze aanwijzing geldt tot het begin van de eerste concessievan de NLPO en vervalt daarna van rechtswege.6. Indien op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wet ineen gemeente geen geldende aanwijzing als lokale publieke media-instelling is op grond van paragraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008 zoals dieluidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet, delaatste zodanige aanwijzing is vervallen na 1 juli 2026 en het vijfde lid nietvan toepassing is, wordt de laatste zodanig aangewezen lokale publiekeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 92 media-instelling in die gemeente van rechtswege aangewezen als debetreffende lokale publieke media-instelling met ingang van de inwerking-treding van de nieuwe wet. Deze aanwijzing geldt tot het begin van deeerste concessie van de NLPO en vervalt daarna van rechtswege.7. Bij toepassing van het vijfde of zesde lid is het tweede lid vanovereenkomstige toepassing.8. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing bij inwerkingtredingvan de nieuwe wet na april 2027.9. In afwijking van artikel 2.170b, eerste lid, van de Mediawet 2008 zoalsdie luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet,dragen de betrokken colleges van burgemeester en wethouders bijtoepassing van het zesde lid gedurende de periode vanaf de inwerking-treding van de nieuwe wet tot het begin van de eerste concessie van deNLPO zorg voor de bekostiging van de lokale publieke media-instelling inhun gemeente.4Het voorgestelde artikel 9.14l wordt als volgt gewijzigd:a. Aan het slot van onderdeel a wordt een zin toegevoegd, die luidt:Indien de periode, bedoeld in de aanhef, mede een volgend kalen-derjaar omvat, wordt de uiterste datum voor indiening van de begrotingvan de NLPO voor dat jaar bepaald door Onze Minister, met dienverstande dat indiening in elk geval plaatsvindt vóór het begin van datkalenderjaar.b. Onderdeel e vervalt.5Na het voorgestelde artikel 9.14m wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:Artikel 9.14m1In afwijking van artikel 2.170d stelt Onze Minister voorafgaand aan deaanwijzingsperiode, bedoeld in artikel 2.87j, eerste lid, waarvan het begingelijktijdig is met het begin van de eerste concessie van de NLPO, hettotaalbudget dat gedurende die aanwijzingsperiode jaarlijks ten minstebeschikbaar is voor de bekostiging van de lokale publieke media-instellingen vast voorafgaand aan de start van het aanvraagtijdvak,bedoeld in artikel 2.87u, tweede lid, dat op die aanwijzingsperiodebetrekking heeft.Toelichting Deze nota van wijziging bevat het herstel van een misslag en aanpas-singen van het overgangsrecht.AHet voorgestelde artikel 2.190 heeft twee leden die als derde lid wordenaangeduid. Dat wordt hier door middel van hernummering hersteld.B1Subonderdeel 1 voegt met het voorgestelde artikel 9.14h1 een definitie-bepaling voor «nieuwe wet» toe. Hiermee wordt de Wet van [] totwijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 93 uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (Stb. 202x,xxx) bedoeld. De definitiebepaling geldt voor de voorgestelde titel 9.2b,die het overgangsrecht van het wetsvoorstel bevat. De definitiebepalingstrekt ertoe de overgangsbepalingen beter leesbaar te maken.2Het voorgestelde 9.14i, de evaluatiebepaling, wordt met subonderdeel 2herschreven met toepassing van de definitiebepaling uit subonderdeel 1.Er is geen sprake van inhoudelijke wijziging.3Subonderdeel 3 bevat het gewijzigde overgangsrecht voor aanwijzingenals lokale publieke omroep op grond van de huidige Mediawet 2008. Hetovergangsrecht wordt verruimd en verduidelijkt.Er wordt een nieuw artikel 9.14k voorgesteld. De wijzigingen in heteerste tot en met vierde lid zien uitsluitend op het gebruik van de definitie«nieuwe wet». In deze leden is geen inhoudelijke wijziging aangebracht.Het vijfde tot en met negende lid bevatten de verruiming en verduide-lijking van het overgangsrecht voor de aanwijzingen als lokale publiekeomroep.Het oorspronkelijke overgangsrecht voor de aanwijzingen in hetwetsvoorstel houdt in dat aanwijzingen als lokale publieke omroep diegelden op het moment van het in werking treden van het wetsvoorstelvan rechtswege blijven gelden tot het begin van de eerste concessie vande NLPO en daarna van rechtwege vervallen (artikel 9.14k, eerste lid). Dewetgever zorgt er zo voor dat de geldende aanwijzingen worden verlengdvoor de duur van de zogenoemde overgangsperiode. Dit is de periodetussen het moment van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel en destart van het nieuwe stelsel, dat wil zeggen: het moment waarop deaanwijzingen als lokale publieke omroep op grond van het wetsvoorstelen de eerste concessie van de NLPO van start gaan. In deze overgangspe-riode worden de benodigde voorbereidingen voor het nieuwe stelselgerealiseerd, waaronder de aanwijzingsprocedures voor de nieuwe lokalepublieke omroepen.Aangrijpingspunt voor de overgangsbepaling zijn dus geldendeaanwijzingen als lokale publieke omroep. Voor een goed begrip is vanbelang dat aanwijzingen op grond van de huidige Mediawet 2008 eenvaste duur hebben van vijf jaar, en dat er geen startmoment is geregeld.Dit betekent dat aanwijzingen door het jaar heen vervallen en er door hetjaar heen aanwijzingsprocedures worden opengesteld en doorlopen.Volgens het wetsvoorstel blijft de vaste duur van vijf jaar gehandhaafd,maar gaat voor alle aanwijzingen gelden dat ze tegelijk beginnen en weltegelijk met de start van een concessie of de tweede helft van eenconcessie van de NLPO. Een concessie bestaat uit twee tijdvakken van vijfjaar.De taak en bevoegdheid om instellingen aan te wijzen als lokalepublieke omroep zijn in de Mediawet 2008 belegd bij het Commissariaatvoor de Media (hierna: Commissariaat).1 Aan dat gegeven verandert hetwetsvoorstel niets.2 In de verwachting dat het wetsvoorstel per 1 juli 2026in werking zou treden, is het Commissariaat medio 2025 gestopt met hetopenstellen van procedures voor de aanwijzing als lokale publiekeomroep. Het stopzetten betrof de vervanging van aanwijzingen die na1 juli 2026 zouden vervallen. Immers, wanneer inwerkingtreding van het1Zie paragraaf 2.3.1a van de Mediawet 2008.2Zie de voorgestelde paragraaf 2.4.3 van het wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 94 wetsvoorstel per 1 juli 2026 zou worden gerealiseerd, zouden dergelijkeprocedures, gelet op het overgangsrecht, overbodig zijn geweest.Inmiddels is duidelijk dat het wetsvoorstel niet per 1 juli 2026 in werkingzal treden. Het Commissariaat heeft daarom de aanwijzingsprocedureshervat.3 Blijkens de publicatie in de Staatscourant op 1 mei 2026 gaat hetom aanwijzingen in 22 gemeenten.4 De website van het Commissariaatmaakt duidelijk dat deze hervatting procedures betreft voor de veertienaanwijzingen (sommige omroepen zijn aangewezen voor meer dan ééngemeente) die vervallen in de periode van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027.Voor deze procedures geldt als aanvraagtijdvak de periode van 1 tot enmet 31 mei 2026. Het Commissariaat vermeldt op zijn website te voorziendat besluitvorming volgens de hervatte aanwijzingsprocedures plaats-vindt in de periode van oktober 2026 tot en met april 2027.Het is, ondanks de inspanningen van het Commissariaat, nietondenkbaar dat bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel op een datumdie later is dan 1 juli 2026, maar niet zodanig later dat de inhaalslag vanhet Commissariaat al volledig zijn beslag heeft kunnen krijgen, in eenaantal gemeenten op de datum van die daadwerkelijke inwerkingtredinggeen aanwijzing voorhanden is waarvoor het oorspronkelijke overgangs-recht zijn werking kan hebben. Dat is onwenselijk. Voor die situatie wordthet overgangsrecht verruimd.Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk ruimte wordt gelaten voor hetfunctioneren van de aanwijzingsprocedure. Het gaat bij de aanwijzing alslokale publieke omroep immers om de verdeling van schaarse rechten.Die is het beste geborgd in een open en eerlijke procedure, waarbijaanvragers zoveel mogelijk gelijke kansen hebben om een aanwijzing teverkrijgen. Verder dient zoveel mogelijk recht te worden gedaan aan depositie van de betrokken gemeenten, als wettelijk adviseur (de gemeen-teraad) en als bekostiger van de lokale publieke omroep (het college vanburgermeester en wethouders).5 Ook dat gebeurt het beste door hetdoorlopen van een aanwijzingsprocedure. Maar het is met het oog op eengeslaagde overgang van het huidige stelsel voor de lokale publiekeomroep naar de nieuwe inrichting daarvan op grond van het wetsvoorstelnoodzakelijk om duidelijkheid te creëren en te zorgen voor continuïteit,zodat in beginsel in alle gemeenten lokale publieke omroepen zijn diemeekunnen in de overgangsperiode. Daarnaast moet voorkomen wordendat het Commissariaat en overige betrokkenen ook na de inwerkingtre-dingsdatum van het wetsvoorstel nog belast zouden zijn met aanwijzings-procedures op grond van het – dan – oude recht, terwijl die procedureszouden leiden tot aanwijzingen die, hoewel formeel voor een tijdvak vanvijf jaar verleend, effectief een kortere gelding zouden hebben dan deduur van de overgangsperiode. Dat zou ondoelmatig zijn en niet passenbij de onderbouwing van het (oorspronkelijke) overgangsrecht, waarineen belangrijk element is dat de duur van een aanwijzing op grond van dehuidige Mediawet 2008 bij de overgang naar het nieuwe stelsel niet korteris dan de duur van de overgangsperiode.6De uitbreiding van het overgangsrecht geldt uitsluitend in situaties datde laatste aanwijzing als lokale publieke omroep is vervallen na 1 juli2026. De uitbreiding ziet primair op de volgende situatie (artikel 9.14k,vijfde lid). Bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel is er in een gemeente3Zie de informatie op de website van het Commissariaat. Het gaat om een verkorte procedure.Lokale publieke omroep - Commissariaat voor de Media.4Stcrt. 2026, nr. 16187.5Zie paragraaf 2.3.1a en artikel 2.170b van de Mediawet 2008.6Zie de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 3, p. 84–85.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 95 geen geldende aanwijzing als lokale publieke omroep. Er is wel eenlopende aanwijzingsprocedure en er is sprake van een positief advies vande betrokken gemeenteraad of -raden voor één aanvrager. Dit kan zijn eenadvies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid, van de Mediawet 2008 (dat wilzeggen dat de aanvrager voldoet aan wettelijke vereisten), of eenzogenoemd voorkeursadvies in het kader van de toets van het Commissa-riaat op grond van artikel 2.63, tweede lid, van de Mediawet 2008. Eenvoorkeursadvies is aan de orde wanneer er meer aanvragers zijn voor wieeen positief advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid, van de Mediawet2008 is uitgebracht door de gemeenteraad of -raden.Als dus de advisering van de betrokken gemeenteraad of -raden klip enklaar wijst naar één aanvrager, ligt aanwijzing van die aanvrager zo voorde hand dat de regering die stand van zaken wil honoreren. De betref-fende instelling wordt dan per inwerkingtredingsdatum van hetwetsvoorstel van rechtswege aangewezen als lokale publieke omroepvoor de betrokken gemeente(n). De aanwijzing eindigt, eveneens vanrechtswege, bij de start van het nieuwe stelsel.Ten slotte is er een vangnetbepaling (artikel 9.14k, zesde lid). Als op dedatum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel in een gemeente geengeldende aanwijzing als lokale publieke omroep voorhanden is en dehierboven beschreven situatie zich niet voordoet, dan wordt aansluitinggezocht bij het naastliggende aanknopingspunt voor legitimiteit van eenaanwijzing. Dat betekent dat de instelling van wie de aanwijzing als lokalepublieke omroep in die gemeente na 1 juli 2026 is vervallen met ingangvan de inwerkingtreding van het wetsvoorstel als lokale publieke omroepopnieuw voor die gemeente wordt aangewezen. Uiteraard kan dezevangnetbepaling alleen werken als de betreffende instelling nog bestaatop het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe wet.Aanwijzing van rechtswege betekent dat geen sprake is van een nieuwaanwijzingsbesluit van het Commissariaat. Aldus wordt optimaalvoorkomen dat het Commissariaat en overige betrokkenen ook na deinwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel nog belast zouden zijn metaanwijzingsprocedures op grond van het – dan – oude recht. Het ligt welvoor de hand dat het Commissariaat bekendheid geeft aan de aanwijzingvan rechtswege van de lokale publieke omroepen die het betreft.Voor zover sprake is van een periode tussen het vervallen van eenaanwijzing als lokale publieke omroep en de aanwijzing van rechtswegewordt verwezen naar het gedoogbeleid van het Commissariaat invergelijkbare situaties. Uitgangspunt is dat de oude lokale publiekeomroep in die fase zijn werkzaamheden voortzet.7 Het Commissariaatgeeft aan dat hij de gedoogfase, dat wil zeggen de periode tussen hetvervallen van een aanwijzing en de start van de nieuwe aanwijzing voorhetzelfde verzorgingsgebied, zo kort mogelijk wil houden. De regeringonderschrijft dit streven, dat ook blijk geeft van een inzet van hetCommissariaat op een voortvarende aanpak van de hervatte procedures.Voor de aanwijzingen op grond van artikel 9.14k, vijfde of zesde lid, blijftde – dan – oude Mediawet 2008 van toepassing (artikel 9.14k, zevende lid).Dit betekent voor de aanwijzingen op grond van het vijfde lid ook dat debekostiging door de betreffende gemeente of gemeenten in deovergangsperiode doorloopt. In de situatie van het vijfde lid wordtnamelijk voldaan aan artikel 2.170b, eerste lid, van de huidige Mediawet2008. Volgens deze bepaling is aan een positief advies van een gemeente7Zie via de website van het Commissariaat: Leidraad_verkorte_aanwijzingsprocedure_lokale_pu-blieke_omroepen.pdf; de eerste pagina van de toelichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 96 uitdrukkelijk een bekostigingsverplichting verbonden.8 Voorts is vanbelang dat in de overgangsperiode de uitname uit het gemeentefonds vanhet bedrag dat is gerelateerd aan de gemeentelijke bekostiging nog nietheeft plaatsgevonden. Overigens was het dóórlopen van de gemeentelijkebekostigingsverplichting tijdens de overgangsperiode al voorzien voor hetoorspronkelijke overgangsrecht.9Zoals hierboven al is aangehaald, voorziet het Commissariaat blijkensde publicatie op zijn website dat besluitvorming volgens de per 1 meihervatte aanwijzingsprocedures plaatsvindt in de periode van oktober2026 tot en met april 2027. Dit betekent dat de uitbreiding van hetovergangsrecht haar noodzaak verliest bij inwerkingtreding van hetwetsvoorstel na april 2027. Een overeenkomstige beperking in de tijd isderhalve opgenomen (artikel 9.14k, achtste lid).Ten slotte wordt buiten twijfel gesteld dat ook bij toepassing van hetzesde lid de bekostiging van de lokale publieke omroep tijdens deovergangsperiode gebeurt door de betreffende gemeente of gemeenten(artikel 9.14k, negende lid). Deze bepaling is een uitzondering op hetvoorschrift dat de huidige Mediawet 2008 tijdens de overgangsperiodevan toepassing blijft voor de aanwijzingen die onder het overgansgrechtvallen. Het huidige artikel 2.170b, eerste lid, van de Mediawet 2008 maaktimmers uitdrukkelijk de verbinding tussen een positief advies van eengemeente over aanwijzing en het ontstaan van de bekostigingsver-plichting. En een dergelijk advies zal bij toepassing van het zesde lidontbreken. Ook hier is van belang dat in de overgangsperiode de uitnameuit het gemeentefonds van het aan de gemeentelijke bekostiginggerelateerde bedrag nog niet heeft plaatsgevonden.4Het voorgestelde artikel 9.14l gaat over begrotingen van de NLPO in deovergangsperiode. Wanneer het wetsvoorstel in werking treedt in de loopvan een kalenderjaar, gaat het daarbij om een begroting voor de rest vandat kalenderjaar en een begroting voor het opvolgende jaar. De wijzigingvan artikel 9.14l houdt een versoepeling in ten aanzien van de indienings-datum van de tweede begroting. De nieuw voorgestelde bepaling is datde Minister van OCW die indieningsdatum vaststelt. Zo kan voor dezeeenmalige situatie een maatwerkdatum worden bepaald. Wel blijftvoorgeschreven dat indiening van de begroting gebeurt vóór het beginvan dat opvolgende jaar.5Toegevoegd wordt een overgangsbepaling voor artikel 2.170d van hetwetsvoorstel. Dat artikel regelt dat de Minister van OCW vóór 1 augustusvan het tweede jaar dat voorafgaat aan een aanwijzingsperiode van lokalepublieke omroepen het totaalbudget vaststelt dat gedurende die periodejaarlijks ten minste beschikbaar is voor die lokale omroepen. Diespecifieke datum is mogelijk niet werkbaar voor de allereerste aanwij-zingsperiode op grond van het wetsvoorstel, namelijk in de situatie datinwerkingtreding van het wetsvoorstel gebeurt in de loop van de tweedehelft van het tweede jaar dat voorafgaat aan die eerste aanwijzingspe-riode. Voor de eerste aanwijzingsperiode op grond van het wetsvoorstel isdaarom in het nieuw voorgestelde artikel 9.14m1 bepaald dat devaststelling van het budget moet gebeuren vóór de start van hetaanvraagtijdvak voor aanwijzing als lokale publieke omroep. Die8Zie artikel 2.170b, eerste lid, van de Mediawet 2008. Meer precies gaat het om een positiefadvies over de vraag of de aanvrager een representatief programmabeleid bepalend orgaanheeft.9Zie de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2025/26, 36 917, nr. 3, p. 85.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 97 aanpassing geeft meer flexibiliteit, maar verzekert nog steeds dataanvragers tijdig kunnen weten welke bekostiging zij van het Rijk kunnenverwachten, zodat zij hun beleidsplannen daarop kunnen afstemmen.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.M. LetschertTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 917, nr. 98
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.