Memorie van toelichting
Brontekst
Versie 87bb60a2b6ea9c81 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 XVVaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2026MEMORIE VAN TOELICHTINGNr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 INHOUDSOPGAVEA.Algemeen31.Geraamde uitgaven en ontvangsten32.Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstel53.Leeswijzer6B.Artikelsgewijze toelichting bij de begrotingsartikelen94.Beleidsagenda94.1Beleidsprioriteiten94.2Belangrijkste beleidsmatige mutaties234.3Budgettaire ontwikkeling uitgaven Sociale Zekerheid324.4Openbaarheidsparagraaf354.5Strategische Evaluatie Agenda395.Beleidsartikelen525.1Artikel 1 Arbeidsmarkt525.2Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet685.3Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid885.4Artikel 4 Jonggehandicapten985.5Artikel 5 Werkloosheid1035.6Artikel 6 Ziekte en verlofregelingen1115.7Artikel 7 Kinderopvang1215.8Artikel 8 Oudedagsvoorziening1315.9Artikel 9 Nabestaanden1385.10Artikel 10 Tegemoetkoming ouders1435.11Artikel 11 Uitvoering1505.12Artikel 12 Rijksbijdragen1585.13Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang1616.Niet-beleidsartikelen1706.1Artikel 96 Apparaat Kerndepartement1706.2Artikel 99 Nog onverdeeld1737.Departementspecifieke informatie1747.1Sociale fondsen SZW1747.2Koopkracht en specifieke inkomensaspecten1788.Bijlagen195Bijlage 1: Zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak195Bijlage 2: Specifieke uitkeringen196Bijlage 3: Subsidieoverzicht199Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda201Bijlage 5: Conversietabel inburgering213Bijlage 6: Lijst van afkortingen2162Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 A. ALGEMEEN1. Geraamde uitgaven en ontvangstenFiguur 1 Geraamde begrotingsgefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 65.707.199.000,-587,4587,49.256,49.256,413,113,14.851,44.851,498,898,840,840,86.213,76.213,766,966,93,33,39.929,09.929,0723,7723,732.633,132.633,1485,7485,7635,9635,9168,0168,01. Arbeidsmarkt2. Bijstand, Participatiewet enToeslagenwet3. Arbeidsongeschiktheid4. Jonggehandicapten5. Werkloosheid6. Ziekte en verlofregelingen7. Kinderopvang8. Oudedagsvoorziening9. Nabestaanden10. Tegemoetkoming ouders11. Uitvoering12. Rijksbijdragen13. Integratie en maatschappelijkesamenhang96. Apparaat kerndepartement99. Nog onverdeeld05.00010.00015.00020.00025.00030.00035.000Figuur 2 Geraamde begrotingsgefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 2.630.327.000,-17,717,755,455,40,00,00,00,00,00,00,00,02.112,92.112,90,00,00,00,0335,7335,70,00,00,00,03,03,0105,7105,70,00,01. Arbeidsmarkt2. Bijstand, Participatiewet enToeslagenwet3. Arbeidsongeschiktheid4. Jonggehandicapten5. Werkloosheid6. Ziekte en verlofregelingen7. Kinderopvang8. Oudedagsvoorziening9. Nabestaanden10. Tegemoetkoming ouders11. Uitvoering12. Rijksbijdragen13. Integratie en maatschappelijkesamenhang96. Apparaat kerndepartement99. Nog onverdeeld05001.0001.5002.0002.5003Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Figuur 3 Geraamde premiegefinancierde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 93.330.920.000,-601,1601,119.349,319.349,35.252,75.252,76.620,36.620,358.431,158.431,1367,2367,22.709,22.709,21. Arbeidsmarkt3. Arbeidsongeschiktheid5. Werkloosheid6. Ziekte en verlofregelingen8. Oudedagsvoorziening9. Nabestaanden11. Uitvoering010.00020.00030.00040.00050.00060.00070.000Figuur 4 Geraamde premiegefinancierde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 290.609.000,-0,00,00,00,0290,6290,60,00,00,00,00,00,00,00,01. Arbeidsmarkt3. Arbeidsongeschiktheid5. Werkloosheid6. Ziekte en verlofregelingen8. Oudedagsvoorziening9. Nabestaanden11. Uitvoering0501001502002503003504Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 2. Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstelWetsartikel 1De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat voor het aangegeven jaar vast te stellen.Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting verder toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Mariëlle Paul5Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 3. LeeswijzerOpbouw begrotingDe begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is vormgegeven conform de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV), die zijn gestoeld op de Comptabiliteitswet 2016. Na deze leeswijzer volgen hoofdstukken met de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de niet-beleidsartikelen. Hoofdstuk 7 bevat paragrafen met departementspecifieke informatie, hoofdstuk 8 de bijlagen.BeleidsagendaIn de paragraaf beleidsprioriteiten van de beleidsagenda worden de hoofdlijnen van het beleid van SZW voor het komende jaar beschreven. In de beleidsagenda wordt daarnaast ingegaan op de uitgaven aan Sociale Zekerheid. Tevens zijn in de beleidsagenda de Openbaarheidsparagraaf en de Strategische Evaluatie Agenda opgenomen.BeleidsartikelenDe beleidsdoelstellingen van SZW zijn in afzonderlijke beleidsartikelen opgenomen. De begroting van SZW bestaat uit 13 beleidsartikelen. Alle beleidsartikelen hebben dezelfde opbouw. Allereerst wordt de algemene doelstelling en de rol en verantwoordelijkheid van de Minister toegelicht. Daarna komen de beleidswijzigingen 2026 aan de orde. Vervolgens worden de budgettaire gevolgen van beleid in tabelvorm vermeld. In zeven van de dertien artikelen is naast begrotingsuitgaven sprake van premiegefinancierde uitgaven, die eveneens in tabelvorm worden weergegeven. Ten slotte wordt in elk artikel een toelichting gegeven op de financiële instrumenten. Hierbij wordt gefocust op:–het doel van het financiële instrument;–wie er voor in aanmerking komen;–de financiële regeling;–de budgettaire ontwikkeling;–de beleidsrelevante kerncijfers.De begrotingsgefinancierde uitgaven luiden in constante prijzen. In de Miljoenennota 2026 is een voorziening gecreëerd voor de loon- en prijsbijstellingen op alle begrotingshoofdstukken. De hiervoor gereserveerde middelen worden via de eerste suppletoire wetten 2026 naar de departementale begrotingen overgeboekt. Bij de premiegefinancierde uitgaven wordt het effect van deze loon- en prijsstijging op een afzonderlijke regel «nominaal» in de tabellen van deze begroting opgenomen. In het onderdeel nominaal wordt de geraamde ontwikkeling van de prijzen per jaar gereserveerd.Nieuw bij de premiegefinancierde uitgaven is de registratie van de over uitkeringen betaalde sociale premies. Om aan te sluiten op een recente revisie van de systematiek van de nationale rekeningen worden vanaf 2025 de over de uitkeringen betaalde werkgeverspremies opgenomen als uitgave in de budgettaire tabellen. De betaalde sociale premies staan onder de regel «sociale lasten». Dit doet zich voor bij de beleidsartikelen 3, 5, 6 en 9.Niet-beleidsartikelenDe begroting van SZW kent twee niet-beleidsartikelen. Deze artikelen bevatten de apparaatsuitgaven voor het kerndepartement en de nog niet verdeelde reserveringen.6Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Departementspecifieke informatieDe departementspecifieke informatie bestaat uit de paragrafen «Sociale fondsen SZW» en «Koopkracht en specifieke inkomensaspecten».BijlagenDe begroting van SZW bevat zes bijlagen. Dit betreft de bijlage Zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taak, de bijlage Specifieke uitkeringen, het Subsidieoverzicht, de Uitwerking Strategische Evaluatieagenda, een conversietabel inburgering en ten slotte de lijst van afkortingen.Begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen en uitgaven Sociale ZekerheidDe Minister van SZW is beleidsverantwoordelijk voor de begrotingsgefinancierde regelingen zoals opgenomen in deze begroting. De Minister van SZW is daarnaast ook beleidsverantwoordelijk voor een aantal regelingen die niet begrotings- maar (grotendeels) premiegefinancierd zijn. In de begrotingen en de jaarverslagen van het Ministerie van SZW wordt daarom gerapporteerd over zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde regelingen. In de beleidsartikelen waar premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten voorkomen zijn deze opgenomen in een afzonderlijke budgettaire tabel. In de beleidsagenda (in de paragraaf Budgettaire ontwikkeling uitgaven Sociale Zekerheid) wordt gedetailleerd ingegaan op de ontwikkeling van het totaal van deze uitgaven.Bronvermelding tabellen met kerncijfersIn tabellen waarin realisatiegegevens van kerncijfers zijn opgenomen wordt in noten onder de tabel verwezen naar de bron van deze gegevens. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze cijfers kunnen afwijken van gegevens die in vorige publicaties werden gepresenteerd. Ramingen van de kerncijfers komen – tenzij anders vermeld – voor rekening van het Ministerie van SZW.Motie SchouwIn juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In lijn met voorgaande jaren roept de Europese Commissie Nederland op om maatregelen vast te stellen en uit te voeren om het gebruik van flexibele of tijdelijke arbeidscontracten minder aantrekkelijk te maken. Ook beveelt de Commissie aan om uitgebreide maatregelen uit te voeren om tekorten aan arbeidskrachten en vaardigheden aan te pakken, onder meer door onderbenut arbeidspotentieel aan te boren, door de bij- en omscholingsmogelijkheden voor iedereen te versterken via gericht en op maat gesneden actief arbeidsmarktbeleid, en door mobiliteit naar sectoren met een hoge productiviteit en sectoren met betrekking tot maatschappelijke uitdagingen aan te moedigen.Het demissionaire kabinet werkt door aan een implementatie van het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP). Over de voortgang van de implementatie van het HVP wordt de Kamer minimaal tweejaarlijks geïnformeerd door het Ministerie van Financiën. De laatste keer dat de Tweede Kamer hiervan op de hoogte is gebracht was op 17 april jongstleden (Kamerstukken II 2024/25, 21501-07, nr. 2107).7Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Eind 2025 dient Nederland het derde betaalverzoek in. Eén van de mijlpalen in het derde betaalverzoek is de inwerkingtreding van de Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Ondertussen werkt het demissionaire kabinet door aan de voorbereidingen voor het vierde en vijfde betaalverzoek, die in 2026 worden ingediend. In deze betaalverzoeken lopen mijlpalen mee op het gebied van het pensioenstelsel en de basisverzekering arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. Ook dient tegen die tijd de doelstelling behaald te zijn met betrekking tot het financieren van scholingstrajecten voor WW-gerechtigden.GroeiparagraafHet kabinet werkt aan verbetering, modernisering en vereenvoudiging van het begrotings- en verantwoordingsproces en de financiële informatievoorziening. In de Voorjaarsnota (Kamerstukken II 2024/25, 36 725, nr. 1) is dit nader toegelicht. Een van de stappen die in dit kader gezet worden, is om informatie niet op verschillende plekken meer aan te bieden. Daarom komen de volgende bijlagen vanaf de begroting 2026 te vervallen:–Verdiepingshoofdstuk;–Moties en toezeggingen;–Rijksuitgaven Caribisch Nederland;–Nationaal Groeifonds.Toegevoegd aan de SZW begroting is de paragraaf belangrijkste beleidsmatige mutaties (paragraaf 4.2) in de Beleidsagenda.Met ingang van 2026 vallen de inburgeringsactiviteiten weer onder de begroting van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De middelen voor inburgering zijn met ingang van dat jaar overgeheveld van de begroting van Justitie en Veiligheid. Dat betekent dat artikel 13 van de SZW-begroting vanaf 2026 zowel om integratie als inburgering handelt.8Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN4. Beleidsagenda4.1 Beleidsprioriteiten1. InleidingHet kabinet is sinds 2 juni 2025 demissionair. Tegelijk blijft het zich inzetten voor werk, bestaanszekerheid en perspectief voor iedereen. Ook blijft het kabinet werken aan grip op arbeidsmigratie.Nederland heeft de hoogste participatiegraad van Europa. Een historisch hoog aantal mensen in Nederland heeft een betaalde baan. Mensen dragen bij aan het verbeteren van onze welvaart en zetten zich in voor elkaar. Dat doen ze met overtuiging. En met resultaat.De Nederlandse economie blijft sterk in onzekere tijden. Onze economie laat de komende jaren een gematigde groei zien. Ook daalt de armoede. Lonen nemen meer toe dan de inflatie, waardoor de koopkracht voor de meeste mensen stijgt. Huishoudens hebben meer te besteden.Tegelijkertijd zijn er ook veel Nederlanders met zorgen. Over hun bestaanszekerheid, veiligheid en de toekomst. Ondanks de demissionaire status blijft het kabinet zich inzetten om deze zorgen aan te pakken.In tijden van geopolitieke onrust werkt het kabinet aan het versterken van de maatschappelijke weerbaarheid. Er zijn spanningen op het wereldtoneel zoals oorlogen, digitale aanvallen en sabotage. Daarnaast hebben we te maken met de onvoorspelbare internationale handelspolitiek door internationale partners. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) richt zich op een goed functionerende arbeidsmarkt, bestaanszekerheid voor iedereen en een veerkrachtige samenleving. Daarbij dragen we bij aan het versterken van sociale cohesie om polarisatie tegen te gaan. Ook tijdens een crisis of conflict.We staan voor uitdagingen in de sociale zekerheid. Regels voor uitkeringen, toeslagen en andere aanvullingen zijn te ingewikkeld. Daardoor maken sommige mensen geen gebruik van regelingen waar zij recht op hebben. De vrees om een bedrag terug te moeten betalen draagt hieraan bij. Hierdoor lopen mensen inkomsten mis en dat kan leiden tot geldzorgen. Tegelijk is het aantal huishoudens met problematische schulden de afgelopen jaren toegenomen naar 8,9%1. Dit percentage daalt niet, ondanks de economische groei en de dalende armoedecijfers.We vereenvoudigen de sociale zekerheid en verbeteren de dienstverlening met de Hervormingsagenda Inkomensondersteuning. Met proactieve dienstverlening op een aantal regelingen dringen we het niet-gebruik van regelingen terug en met de herijking van het handhavingsinstrumentarium bieden we een zekerder en voorspelbaarder inkomen. Daarnaast bouwen we aan een toekomstbestendige arbeidsmarkt. Mensen moeten meer zekerheid over hun werk en inkomen hebben. Arbeidsmigranten willen we selectiever inzetten.1 Zie CBS-pagina «Schuldenproblematiek in beeld».9Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 We zetten ons in voor de kwaliteit van de uitvoering. Burgers en publieke dienstverleners betrekken we eerder en beter in het beleidsproces en we willen de uitvoering vlot trekken waar die vast zit. Hiermee voorkomen we dat de uitvoering vastloopt als gevolg van te ingewikkelde wet- en regelgeving. Dit draagt bij aan het herstel van vertrouwen in de overheid.10Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 1.1 Hoofdlijnenakkoord en voorjaarsbesluitvormingWe blijven werken aan een sterke economie, waarbij werken loont. Het kabinet ondersteunt de koopkracht van werkenden door een verhoging van de arbeidskorting. Met hogere lonen en meer werkzekerheid gaan we ook ongelijkheid tegen. En met een gezonde en productieve werkomgeving blijven mensen duurzaam inzetbaar en kunnen zij doorwerken tot hun pensioen. Hier plukken bedrijven, onze economie en de hele maatschappij de vruchten van.Het minimumjeugdloon wordt per 1 januari 2027 verhoogd. Het kabinet ziet dit als een belangrijke stap naar meer bestaanszekerheid voor jongeren. Voor werknemers tussen de 16 en 20 jaar gaat het minimumloon stapsgewijs omhoog. Zo komt het dichter bij het reguliere minimumloon.De vergoedingen voor kinderopvang worden verhoogd. Dat gebeurt in een aantal stappen, tot het nieuwe stelsel in 2029. Daarin betalen ouders een eigen bijdrage aan de kinderopvanginstelling zelf en wordt de kinderopvangtoeslag vervangen door directe financiering. Hierdoor nemen voor veel werkende ouders de kosten van kinderopvang af.We maken onze arbeidsmarkt toekomstbestendig, met aandacht voor arbeidsmigratie. Door vergrijzing blijft onze krappe arbeidsmarkt ook in de toekomst onder druk staan. We moeten af van een eenzijdige focus op werkgelegenheid, en juist meer aandacht hebben voor de kwaliteit van werk. Hierbij zorgen we voor een gelijker speelveld tussen zelfstandigen en werknemers en tussen werknemers onderling. We dringen schijnzelfstandigheid terug en beperken het gebruik van flexibele contracten tot situaties waarin de aard van het werk daar om vraagt. Ook introduceren we een toelatingsstelsel voor uitzendbureaus en andere uitleners van arbeidskrachten. Met deze veranderingen kunnen we misstanden voorkomen en maatschappelijke transities realiseren.Bij de bezuinigingen op de overheid kijken we waar we slimmer kunnen werken met minder mensen. Daarbij hebben we oog voor het op peil houden van de kennis en capaciteit die nodig is om alle beleidsprioriteiten te realiseren. Voor de uitgaven aan personeel en spullen van SZW bezuinigen we € 23 miljoen in 2025, oplopend tot € 99 miljoen vanaf 2029. Voor 2025 is een grotendeels financiële invulling gevonden met snel te realiseren maatregelen. Voor 2026 en verder worden er inhoudelijke keuzes gemaakt. De Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), UWV en SVB leveren een bijdrage aan de bezuiniging.2. Bestaanszekerheid2.1 Vereenvoudiging inkomensondersteuningWe werken aan een zekerder en begrijpelijker stelsel van inkomensondersteuning waarin (meer) werken loont. Daarvoor heeft het kabinet de Hervormingsagenda Inkomensondersteuning opgesteld. Deze agenda schetst de aanpak voor vereenvoudiging op korte, middellange en lange termijn. In de Kamerbrief van 11 juli jl.2 is uitgewerkt hoe we deze vereenvoudiging via zeven sporen kunnen bereiken:1.Borgen van een toereikend en toegankelijk sociaal minimum;2 Zie Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849.11Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 2.Zekere en begrijpelijke regelingen als vangnet, ook bij werkloosheid;3.Vereenvoudiging gegevensdeling, begrippen en overgangsrecht;4.Een zekere en begrijpelijke regeling voor arbeidsongeschiktheid;5.Zekere en begrijpelijke financiële ondersteuning voor ouders;6.Een voorspelbaar inkomen, door het verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen;7.Betere toeleiding naar werk: via werk in inkomen voorzien.In 2026 gaan we door met vereenvoudigen. De zeven sporen werken vooral op langere termijn. Ook komend jaar zijn de eerste veranderingen al merkbaar. Zo streven we ernaar volgend jaar in het eerste spoor het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening in werking te laten treden. Dit wetsvoorstel moet het niet-gebruik van bepaalde uitkeringen en andere sociale voorzieningen tegengaan. Zo krijgen mensen waar ze recht op hebben. Op korte termijn stelt dit uitvoerders in staat om aanvragen van verschillende regelingen vooraf in te vullen. Daarvoor versterken we de mogelijkheden voor gegevensdeling tussen partijen. In het zesde spoor werken we aan een oplossing voor de ongewenste keteneffecten die nabetalingen van uitkeringen van de overheid kunnen hebben. Door deze nabetalingen voortaan uit te zonderen op het toetsingsinkomen, vergroten we de voorspelbaarheid van het inkomen, krijgen mensen waar ze recht op hebben en nemen we stress en onzekerheid bij mensen weg. In het zevende spoor werken we aan het verminderen van drempels tot arbeidsparticipatie. Zo verbeteren we de Banenafspraak3. Hier speelt ook het efficiënter gebruiken van beschikbare gegevens een grote rol.We verbeteren de kwaliteit van de publieke dienstverlening om zo het vertrouwen in de overheid te vergroten. De Minister van SZW coördineert het overheidsbrede programma Werk aan Uitvoering (WaU). Met dit programma werken we aan betere publieke dienstverlening. Dit gebeurt samen met ministeries, publieke dienstverleners, medeoverheden, burgers en de politiek. Het programma WaU richt zich op eenvoudiger beleid en uitvoering, gegevensdeling, schaarste in de uitvoering en de samenwerking met de politiek. In aanvulling op de overheidsbrede taak van het programma WaU werkt het Ministerie van SZW ook zelf aan het verbeteren van de publieke dienstverlening. Zo kunnen politiek, uitvoering en beleid samen knelpunten signaleren en oplossen door middel van de knelpuntenbrieven van UWV, de SVB en LCR en de Stand van de Uitvoering4.We ondersteunen Caribisch Nederland in het sociale domein. We stellen structureel € 4 miljoen beschikbaar om mensen met een afstand te begeleiden op de arbeidsmarkt. Bovendien zetten we in 2026 eenmalig de energietoeslag voor minimahuishoudens voort. Daarnaast ontwerpen we in de wetgevingsagenda een werkloosheidsregeling en een verlofregeling voor begeleiders bij medische uitzending. In het najaar van 2025 zetten we deze onderwerpen samen met een verkenning naar een inkomensafhankelijke kindregeling uiteen in een beleidsbrief aan de Tweede Kamer. We werken samen een plan uit om de continuïteit van socialezekerheidsuitkeringen te verzekeren in geval van crisis. Dat doen we met UWV, de SVB en het gemeentelijk domein. We onderzoeken of instanties waar nodig 3 Brief van 19 juni 2025 over verbeteringen in de banenafspraak, Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 340.4 Zie Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 845.12Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 elkaars taken kunnen overnemen. Ook onderzoeken we welke praktische en juridische kaders nodig zijn om uitkeringen in crisisomstandigheden goed en tijdig bij de mensen te krijgen.2.2 ArbeidsongeschiktheidWe vereenvoudigen het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. We gaan ‘praktisch beoordelen’ en maken het advies van de bedrijfsarts leidend bij de toetsing van het re-integratieverslag. De huidige complexiteit maakt het stelsel voor zowel mensen als uitvoeringsorganisaties onwerkbaar. Daarom zijn ingrijpende maatregelen noodzakelijk om het stelsel te verbeteren, te vereenvoudigen en weer uitvoerbaar te maken. Naast deze twee oplossingen voor de korte termijn blijft er aandacht voor een fundamentele stelselherziening. Hierbij kijken we naar de ideeën van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS). In het najaar van 2025 wordt het Interdepartementaal Beleidsonderzoek over de WIA opgeleverd.2.3 Armoede en schuldenHet aantal mensen en het aantal kinderen in armoede neemt naar verwachting in 2026 verder af. De kinderarmoede- en armoedecijfers komen niet uit boven het referentiejaar 2024, waarmee de kabinetsdoelstelling wordt gehaald en deze dalende trend doorzet5. Maar cijfers zeggen niet alles. Met het Nationaal Programma Armoede en Schulden werken we aan effectiever en eerlijker armoedebeleid en het terugdringen van problematische schulden. Als er schulden ontstaan, willen we op drie punten verbetering: een kleine vordering moet klein blijven, mensen met schulden moeten overzicht houden en er moet sneller en goede schuldhulpverlening beschikbaar zijn. We hebben bestuurlijke afspraken gemaakt om een minimaal niveau van dienstverlening in elke gemeente te garanderen. Daarnaast werken we aan betere borging van het bestaansminimum bij beslag. En aan het verbeteren van het stelsel van publieke en private invordering door schulden in een vroeg stadium op te lossen.We zetten stappen om landelijke regels eenvoudiger te maken en zo het armoedebeleid te verbeteren. Het armoedebeleid in Nederland kan effectiever en eerlijker. Rapporten van onder meer de Commissie sociaal minimum, Nibud, FNV en IPE laten zien dat er soms grote verschillen zijn tussen gemeenten. Het doel is een eenvoudiger en effectiever armoedebeleid met minder (ervaren) rechtsongelijkheid. Daarbij blijft het uitgangspunt dat werken moet lonen. Het kabinet richt zich op interdepartementale samenwerking om te komen tot samenhangend beleid in het sociaal domein. Dit doen we onder andere via de interdepartementale aanpak kwetsbare gezinnen met jeugdigen van 0-27 jaar. De ministeries VWS, OCW, SZW, JenV en BZK zijn hierbij betrokken. Door geldzorgen vroegtijdig te signaleren en mensen snel naar passende ondersteuning te leiden, krijgen inwoners meer grip op hun financiële situatie en wordt schuldenproblematiek effectief voorkomen.Het kabinet stimuleert een rechtvaardige en betaalbare energietransitie. Het kabinet heeft voor 2026 een reservering getroffen van € 60 miljoen. Die wordt gebruikt voor de cofinanciering van het Social Climate Fund (2026-2032), door een meerjarig publiek energiefonds in te richten dat 5 Zie CPB-publicatie «De armoede-intensiteit: een raming van de diepte van armoede», maart 2025.13Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 huishoudens steunt met lage inkomens en hoge energielasten. Rijksbreed willen we huishoudens zowel op de korte als op de lange termijn ondersteunen door de positie van kwetsbare huishoudens in beleidskeuzes mee te nemen. Zo wordt de bestaande afsluitregeling energie 2026 op bepaalde punten verbeterd, waaronder uitgebreidere gegevensuitwisseling tussen leveranciers en gemeenten voor schuldhulpverlening.We werken aan gelijkwaardige bestaanszekerheid voor inwoners van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Eén op de drie inwoners van Caribisch Nederland leeft onder het sociaal minimum. Armoede is er hardnekkig en wordt vaak van generatie op generatie doorgegeven. De problematiek verschilt van die in Europees Nederland. Het kabinet werkt aan een gelijkwaardig sociaal vangnet dat is afgestemd op de lokale context en waarmee de inkomensondersteuning op een beter niveau is gebracht. Deze veranderingen bereiken we via de prioritaire wetgevingsagenda Caribisch Nederland6.2.4 PensioenenWe gaan zorgvuldig door met de pensioentransitie. In 2026 stappen steeds meer pensioenuitvoerders over naar nieuwe pensioenregelingen. We scherpen de regelgeving over hoe pensioenuitvoerders hun deelnemers mee moeten nemen in de transitie aan. De pensioensector rapporteert twee keer per jaar over hoe ze hun deelnemers hierin meenemen. We zorgen ervoor dat eventuele knelpunten tijdig worden gesignaleerd en opgelost. Dat doen we door gebruik van monitoring, signalering en onafhankelijke adviezen van de regeringscommissaris transitie pensioenen. We staan open voor zorgen uit de samenleving en houden rekening met de belangen van deelnemers. De Tweede Kamer wordt ten minste twee keer per jaar geïnformeerd over de voortgang van de pensioentransitie.Het akkoord ‘Gezond naar het pensioen’ zorgt ervoor dat zo veel mogelijk mensen gezond hun pensioen bereiken. Dit akkoord is eind 2024 gesloten tussen het kabinet en sociale partners7. Daarin staan afspraken over een gezamenlijke agenda voor duurzame inzetbaarheid. Ook komt er een structurele en meer gerichte drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegd uittreden (RVU) met ijkmomenten. Het kabinet en de sociale partners houden gezamenlijk de vinger aan de pols bij de voortgang van deze afspraken. Voor de zomer van 2026 vindt een gezamenlijk monitoringsmoment plaats. Het eerste ijkmoment is gepland voor 2028.3. Arbeidsmarkt en demografieWe maken onze arbeidsmarkt toekomstbestendig. Een goed functionerende arbeidsmarkt draagt bij aan de welvaart van iedereen. We gaan de werkzekerheid versterken. En we zorgen ervoor dat bedrijven zich sneller kunnen aanpassen. Daarom gaan we door met het arbeidsmarktpakket. Het wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers is al aangeboden aan de Tweede Kamer. Hierbij hebben we oog voor het duurzaam begeleiden van mensen naar werk en gaan we selectiever om met arbeidsmigratie. Daarvoor introduceren we onder andere een toelatingsstelsel voor uitzendbureaus. Ook verkennen we een sectoraal uitzendverbod. Gezien de krapte op de arbeids6 Brief van 22 januari 2025 met halfjaarlijks wetgevingsoverzicht, Kamerstukken II 2024/25, 36 600 IV, nr. 41.7 Zie Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 663.14Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 markt is iedereen hard nodig. Het kabinet werkt aan het wetsvoorstel voor de verkorting van de maximale WW-duur van 24 naar 18 maanden om de WW meer activerend te maken.3.1 ArbeidsmarktWe willen ondernemerschap stimuleren als deze bijdraagt aan een productieve economie. Daarom geven we zelfstandigen en werknemers duidelijkheid en bescherming. Wanneer werk je als werknemer en wanneer ben je zelfstandige? Met het wetsvoorstel Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR) wil het kabinet meer duidelijkheid geven. Opdrachtgevers, uitvoerders en toezichthouders weten zo beter wanneer loondienst passend is. En onder welke voorwaarden opdrachtgevers zelfstandige ondernemers kunnen inschakelen. Daarmee creëren we een gelijker speelveld op de arbeidsmarkt. Het wetsvoorstel introduceert ook een rechtsvermoeden, waarop werkenden of hun vertegenwoordigers zich kunnen beroepen. Hiermee voorkomen we schijnzelfstandigheid zo veel mogelijk.Om de bestaanszekerheid van zelfstandigen te versterken werken we aan een basisverzekering voor arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen (BAZ). De BAZ biedt een adequate inkomensvoorziening aan zelfstandigen in het geval van arbeidsongeschiktheid. Zij worden zo beter beschermd tegen verlies van inkomen bij langdurige arbeidsongeschiktheid. De BAZ beschermt kwetsbare zelfstandigen die anders onverzekerd zouden blijven. Dit creëert een gelijker speelveld tussen zelfstandigen onderling en tussen werknemers en zelfstandigen. Door een verplichte verzekering hoeven mensen ook minder gebruik te maken van algemene voorzieningen. Op dit moment hebben twee op de drie zelfstandigen een voorziening die ze kunnen aanspreken wanneer ze arbeidsongeschikt raken.We zetten in op meer zekerheid voor flexwerkers. Het wetsvoorstel ‘Meer zekerheid flexwerkers’ vervangt nulurencontracten door een bandbreedtecontract met meer rooster- en inkomenszekerheid. Ook verkorten we de meest onzekere fases van uitzendwerk en voorkomen we draaideurconstructies van tijdelijke contracten.We werken aan het behouden van voldoende personeel in tijden van crisis. Dit is een randvoorwaarde om de economie draaiende te houden. We herzien de Noodwet Arbeidsvoorziening. Deze wet voorziet in bevoegdheden en maatregelen voor de continuïteit van arbeid in noodsituaties. Daarnaast verkennen we met sociale partners en andere departementen wat er nodig is om de allocatie van arbeid bij militaire en hybride dreigingen soepel te laten verlopen. Ook introduceren we het Wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis. Daarmee wil het kabinet levensvatbare bedrijven ondersteunen. Werkgevers krijgen hiermee meer flexibiliteit, omdat werknemers intern op een andere plek ingezet kunnen worden. Voor werknemers vergroot dat de kans dat zij ondanks een crisis hun baan behouden.Daarbij vergroten we de wendbaarheid van kleine en middelgrote werkgevers bij de re-integratieverplichtingen. Dit doen we door eerder duidelijkheid te creëren over het vervangen van langdurig zieke werknemers. Per 1 januari 2025 geldt het lagere WW-tarief bij overwerk voor werknemers met een vast contract van gemiddeld meer dan 30 uur per week. Hierdoor krijgen werkgevers meer mogelijkheden om werknemers 15Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 met een groot vast contract flexibeler in te zetten tegen de lage WW-premie. Door deze maatregelen stellen we bedrijven in staat om makkelijker vaste contracten aan te bieden en zijn ze weerbaarder tijdens crises.We gaan het verlofstelsel vereenvoudigen. Door de jaren heen is het verlofstelsel meerdere keren uitgebreid. Daardoor hebben ouders meer mogelijkheden om hun werk te combineren met de zorg voor hun kinderen. Het stelsel is hierdoor ook complex geworden. Daarom werken we aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel.We verkennen mogelijkheden om het cao-stelsel te versterken. Het Nederlandse collectieve arbeidsovereenkomststelsel (cao-stelsel) en het algemeen verbindend verklaren stelsel (avv-stelsel) zijn belangrijk voor de bevordering van evenwichtige arbeidsverhoudingen. Het cao-stelsel zorgt voor arbeidsrust, maakt zelfregulering door sociale partners mogelijk en voorkomt concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Het stelsel is flexibel en biedt ruimte om mee te bewegen met veranderingen in de tijd. Maar, daar zitten grenzen aan. Verschillende maatschappelijke en sociaaleconomische ontwikkelingen maken dat het stelsel onder druk staat. Daarom verkent het kabinet maatregelen die het stelsel kunnen versterken en ervoor kunnen zorgen dat de wettelijke kaders werkbaar en passend blijven. Daarmee zetten we in op verbetering van de organisatiegraad van werknemers- en werkgeversorganisaties, van het avv- en dispensatiebeleid en van de cao-dekkingsgraad. En we willen de onafhankelijkheid van vakbonden versterken.3.2 DemografieWe streven naar gematigde demografische groei. In januari 2024 heeft de Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050 een rapport uitgebracht. In het rapport staan 3 ontwikkelingen centraal: toenemende groei van de bevolking door migratie, toenemende diversiteit naar herkomst en (dubbele) vergrijzing. Vanuit het perspectief van brede welvaart komt de staatscommissie tot het advies van gematigde groei. Deze doelstelling is door het kabinet omarmd en bevestigd door de Tweede Kamer. We gebruiken de suggesties uit het rapport om de kennisinfrastructuur, monitoring en governance verder te ontwikkelen. Op deze manier blijven we als samenleving langjarig binnen de bandbreedtes van gematigde groei.3.3 ArbeidsmigratieWe introduceren een toelatingsstelsel voor uitzendbureaus en andere uitleners van arbeidskrachten. De wet die dit regelt is aangenomen door de Tweede Kamer. Uitleners moeten voortaan aan een aantal eisen voldoen om kwetsbare arbeidskrachten te beschermen. We willen daarbij voorkomen dat goedwillende uitleners lijden onder de kwaadwillende partijen. De kwaadwillenden houden zich niet aan de wet door werknemers en met name arbeidsmigranten uit te buiten. Inleners mogen na de invoering van het stelsel alleen nog van toegelaten uitleners arbeidskrachten inhuren. Binnen het Ministerie van SZW wordt in 2026 een autoriteit ingericht die de aanvragen voor een toelating en het behoud ervan beoordeelt.16Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 We hebben een sectoraal uitzendverbod verkend8. Voor sectoren waar aantoonbaar sprake is van wijdverspreide en stelselmatige misstanden en geen verbetering te zien is, wordt als stok achter de deur een in- en uitleenverbod voorbereid via een Algemene Maatregel van Bestuur. Deze bevoegdheid geeft de mogelijkheid om in- en uitlenen van uitzendkrachten te verbieden in specifieke sectoren. Ook is de verplichting dat in een sector een minimaal percentage van arbeidskrachten in dienst wordt genomen onderzocht. Voor de vlees-, teelt-, schoonmaak- en transportsector is er een aanvullend maatregelenpakket om misstanden met uitzendkrachten tegen te gaan.We maken keuzes voor gerichte en selectieve arbeidsmigratie. In de zomer van 2025 is het Interdepartementaal Beleidsonderzoek en het advies van de SER over arbeidsmigratie verschenen. Deze rapporten bieden inzicht in de keuzes die we kunnen maken op de arbeidsmarkt en de economie om te zorgen voor selectiever en gerichtere arbeidsmigratie.3.4 Gezond en veilig werkenHet kabinet werkt aan meerdere thema’s uit de Arbovisie van 20409. Gezond en veilig werken is niet altijd een vanzelfsprekendheid. Het doel van de Arbovisie 2040 is dan ook nul doden en fors minder ongevallen en zieken door werk. Zo wordt de beschikbaarheid en kwaliteit van risico-inventarisaties en -evaluaties (RI&E’s) verbeterd. Daarnaast richt het kabinet zich op het vergroten van de werkbaarheid van arboregelgeving. Hiermee verminderen we de regeldruk. Dat doen we ook op het terrein van de RI&E en van gevaarlijke stoffen. Verder werken we aan de implementatie van de Europese asbestrichtlijn.Het kabinet zet in op wet- en regelgeving voor kindfluencers en vlogfamilies. Deze groepen worden steeds populairder op sociale media. Deskundigen waarschuwen dat kinderen die in vlogs voorkomen risico’s lopen op het gebied van mentale gezondheid, ontwikkeling en algemeen welzijn. Daarom bekijken we hoe de boetes voor het niet naleven van de wet- en regelgeving effectiever kunnen zijn. Ook zetten we in op voorlichting over de risico’s en bestaande regelgeving.3.5 KinderopvangWe gaan de financiering van kinderopvang verbeteren10. De onzekere en ingewikkelde kinderopvangtoeslag gaat verdwijnen. In plaats daarvan vragen kinderopvangorganisaties straks de vergoeding voor kinderopvang aan bij de overheid. De overheid betaalt deze vergoeding daarna uit aan de kinderopvangorganisaties. De hoogte van de vergoeding is straks niet meer afhankelijk van het inkomen van ouders. Ouders betalen vervolgens een eigen bijdrage aan de kinderopvangorganisatie. Zo wordt de financiering van kinderopvang voor hen veel eenvoudiger en zekerder. Terugvorderingen bij ouders komen dan nooit meer voor. In 2026 stuurt het kabinet een wetsvoorstel voor deze nieuwe financiering naar de Tweede Kamer. Het Ministerie van SZW en de Dienst Toeslagen richten samen 8 Zie Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 530.9 Zie Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 528.10 Brief van 26 juni 2025 over de planning van een nieuw financieringsstelsel in de kinderopvang, Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 560.17Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 de uitvoering van de nieuwe financiering in. En het kabinet zorgt samen met de kinderopvangsector voor een soepele overgang naar de nieuwe financiering, zodat het nieuwe stelsel in 2029 in werking kan treden.We verhogen nu al de vergoedingen voor kinderopvang. De komende jaren verhogen we de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag steeds in stappen, zodat in 2029 alle werkende ouders het maximale vergoedingspercentage krijgen. De vraag naar kinderopvang kan zo geleidelijk toenemen, waardoor de kinderopvangsector tijd heeft daarop te reageren. Toch blijft het mogelijk dat de opvangtarieven gaan stijgen als het aanbod niet voldoende mee kan groeien. Het kabinet wil met flankerend beleid de financieel meest kwetsbare ouders beschermen tegen de gevolgen van zulke prijsstijgingen. Daarnaast heeft het kabinet bij de afgelopen voorjaarsbesluitvorming besloten om de maximum uurprijs in de kinderopvangtoeslag per 2026 wél te indexeren. Zo blijft de kinderopvangtoeslag in de pas lopen met de opvangkosten die ouders betalen.We verbeteren de kwaliteit en veiligheid van onze kinderopvang. Dit doen we met een wijziging in de wet Kinderopvang. In Nederland is de kinderopvang van goede kwaliteit en dat moet zo blijven. Ouders willen hun kinderen met een gerust hart naar de opvang brengen. Daarom werkt het kabinet continu aan het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit en de veiligheid van kinderopvang. Per 1 juli 2026 treden verbetermaatregelen voor de gastouderopvang in werking. Deze wetswijziging heeft als doel de kwaliteit van gastouderopvang beter te waarborgen. Hiervoor worden onder andere de eisen aan gastouderopvang aangescherpt. Bijvoorbeeld om de begeleiding van gastouders door het gastouderbureau te verbeteren en om bij te dragen aan (verdere) professionalisering van gastouders.Net als in het Europees deel van Nederland verbeteren we het kinderopvangstelsel in Caribisch Nederland. Naar verwachting treedt op 1 januari 2026 de Wet kinderopvang BES in werking. Deze wet verbetert de kwaliteit van kinderopvang op Caribisch Nederland en maakt kinderopvang beter betaalbaar.4. Participatie en integratie4.1 ParticipatieOns doel is om vertrouwen en menselijke maat in de Participatiewet te verankeren. Ook moet de uitvoering van de wet eenvoudiger worden. Zo wil het kabinet de hardheden die mensen ervaren in deze wet tegengaan. Daarvoor wordt de Participatiewet meer in balans gebracht. Het wetsvoorstel Participatiewet in balans is aangenomen in de Tweede Kamer. De implementatie wordt voorbereid. De inwerkingtreding van de nieuwe wet- en regelgeving is in 2026. Daarnaast onderzoekt het kabinet de opties voor een fundamentele herziening van de Participatiewet en wordt er ook gewerkt aan het versterken van de vakkundigheid in de uitvoering door gemeenten.We willen dat mensen zeker kunnen zijn dat kleine fouten niet tot grote gevolgen leiden. Dat doen we via het wetsvoorstel Handhaving Sociale Zekerheid waarmee we de handhaving in brede zin herzien. Met het versterken van de preventieve aanpak verkleinen we bovendien de kans op fouten. Tot slot wordt er gewerkt aan de kabinetsambitie om verschillende 18Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 inkomensondersteunende regelingen binnen de Participatiewet, zoals de Studietoeslag en de Individuele Inkomenstoeslag, te vereenvoudigen en verschillen tussen gemeenten te verkleinen.Het kabinet werkt aan een arbeidsmarkt waar iedereen meedoet en tot zijn recht kan komen. Dat betekent dat werken loont en dat werkgevers goed ondersteund worden. Maar ook dat mensen die ondersteuning nodig hebben om de stap naar werk te zetten, die ook krijgen. Ook om dat werk vervolgens te behouden. Verder werken we aan het verbeteren van de banenafspraak. Op kortere termijn doen we dat door te werken aan een beperkte verbreding van de doelgroep. Maar we werken ook aan een langetermijnvisie op de banenafspraak. Daarnaast blijft het kabinet investeren in de sociaal ontwikkelbedrijven zodat deze ook in de toekomst banen kunnen blijven bieden aan mensen voor wie werk in een reguliere setting niet vanzelfsprekend is. En net zoals in 2025 worden ook voor de jaren 2026 t/m 2028 medewerkers van sociaal ontwikkelbedrijven gecompenseerd. Bovendien trekt het kabinet structureel € 12 miljoen uit voor het starten van Individuele Plaatsing en Steuntrajecten (IPS). Hiermee kunnen ook in 2026 mensen met psychische problemen in de gemeentelijke doelgroep, starten met meerjarige ggz-trajecten gericht op werk.Het wordt voor mensen makkelijker gemaakt om te switchen tussen uitkering, dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en regulier werk. Ook zorgen de ministeries van SZW en OCW voor een soepelere overgang van school naar werk en het houden van werk voor jongeren met een risico op een structurele achterstand op de arbeidsmarkt. Zoals jongeren met een beperking. De nieuwe wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk treedt naar verwachting 1 januari 2026 in werking.Daarnaast ambieert het kabinet dat werkzoekenden en werkgevers elkaar eenvoudig kunnen vinden, om mensen snel aan een baan te helpen. Daarvoor werkt het kabinet aan de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur. Er komt in elke arbeidsmarktregio één regionaal loket: het Werkcentrum. Werkzoekenden, werkenden en werkgevers kunnen daar terecht met vragen over werk, loopbaanontwikkeling, scholing en personeelsvraagstukken. Het Werkcentrum dient als toegangspoort voor dienstverlening van een publiek-private netwerksamenwerking. Ook wordt het van-werk-naar-werk-stelsel versterkt om wisselen van baan soepeler te laten verlopen. Verder helpt het kabinet Oekraïense ontheemden mee te doen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zolang het niet veilig genoeg is om terug te keren, ondersteunen we deze groep door ze te begeleiden naar passend en duurzaam werk.Professionals voor Maatwerk Multiproblematiek (PMM) helpt bij het doorbreken van vastgelopen complexe situaties. Gemeenten krijgen regelmatig te maken met inwoners die in complexe situaties vastlopen. PMM is een netwerk van professionals van 6 ministeries, meer dan 65 gemeenten en 20 publieke dienstverleners. Via het Landelijk Maatwerkloket Multiproblematiek biedt PMM één ingang bij het Rijk voor het oplossen van vastgelopen situaties met multiproblematiek. Daarnaast signaleert PMM knelpunten en deelt deze met beleidsmakers, om bij te dragen aan een beter werkend systeem.19Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 4.2 Integratie en maatschappelijke samenhangIn 2026 gaan we aan de slag met de Actieagenda Integratie. Het kabinet zet in op vertaling van de pijlers ‘Open en vrije samenleving’ en ‘Meedoen met werk en taal’, in concrete maatregelen. Zoals toegezegd in de Kamerbrief ‘Actieagenda Integratie en de Open en Vrije samenleving’11. De Actieagenda is een set van geïntensiveerde en nieuwe maatregelen in het integratiedomein. Het zet in op de versterking van de waarden en normen van de open en vrije samenleving. In aanvulling op de versterking van kennis over de Nederlandse waarden en normen via het onderwijs, emancipatiebeleid en inburgering streven we ook naar het bevorderen van het recht op zelfbeschikking in gesloten gemeenschappen, het tegengaan van schadelijke praktijken en het vergroten van de bewustwording van buitenlandse beïnvloeding.Via de Actieagenda willen we ook de arbeidsdeelname van mensen met een migratieachtergrond vergroten. Zodat er gelijkwaardige kansen zijn op de arbeidsmarkt. Dit doen we door in te zetten op taal en werk voor nieuwkomers, zodat zij snel een goede start kunnen maken, goed kunnen integreren, volwaardig mee kunnen doen en een bijdrage kunnen leveren aan Nederland. Het actieplan ‘Statushouders aan het werk’ biedt een bredere aanpak om deze groep aan het werk te krijgen. Het Rijk zet in op samenwerking met werkgevers voor betere arbeidsmarktkansen van Nederlanders met een migratieachtergrond die hier al langer zijn. Het kabinet heeft vanaf 2027 extra middelen vrijgemaakt voor taalonderwijs aan mensen in de bijstand die het vereiste taalniveau nog niet halen. Met gemeenten wordt gewerkt aan een effectieve uitvoering en handhaving van de taaleis. Ook bekijken we met gemeenten wat een goede manier is om mensen met taalonderwijs te ondersteunen.Met de Actieagenda willen we ook dialoog en samenwerking bevorderen. Zo dragen we bij aan het verkleinen van scheidslijnen, zowel lokaal als nationaal, en voorkomen we dat deze uitgroeien tot breuklijnen. Met dit doel zetten we een Nationale Dialoog in gang die bij moet dragen aan het versterken van het wederzijds vertrouwen tussen burgers en overheid, een respectvolle en constructieve gesprekscultuur stimuleert en de onderlinge verbondenheid in de samenleving bevordert.Daarnaast werken we aan hoe we als samenleving de impact van dreigingen op de sociale stabiliteit kunnen opvangen. Dat gebeurt in de eerste plaats op lokaal niveau. Het Ministerie van SZW zet daarom in op het versterken van netwerken. Dit doen we met goed toegeruste professionals, het maatschappelijk middenveld en de signaleringsfunctie van het ministerie ten tijde van crisis. We hebben aandacht voor de repatriëring van eigen burgers. Én de mogelijkheid dat de samenleving te maken krijgt met een instroom van vluchtelingen en ontheemden door een conflict elders in Europa.Met de Wet Inburgering laten we inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk meedoen in Nederland. Onder andere door het leren van de Nederlandse taal en vinden van werk. De Wet inburgering 2021 (hierna: Wi2021) is sinds 1 januari 2022 van kracht. In 2026 zullen de inzichten en lessen uit de 11 Brief van 7 februari 2025, Kamerstukken II 2024/25, 32 824, nr. 448. Zie ook de voortgangsbrief van 4 juli 2025, Kamerstukken II 2024/25, 32 824, nr. 456.20Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 tussenevaluatie en het onderzoek naar de betaalbaarheid van inburgering worden gebruikt om de werking van het stelsel te versterken. Dit doen we samen met de ketenpartners.Ook wordt het inburgeringsstelsel doorontwikkeld. De asiel- en huisvestingsmaatregelen die door het kabinet zijn aangekondigd hebben consequenties voor de uitvoerbaarheid van het stelsel. Hiervoor onderzoekt het kabinet hoe en op welke termijn deze gevolgen kunnen worden ondervangen, zodat de inburgering goed kan blijven functioneren. Tot slot zal in 2026 vorm gegeven worden aan een nieuw handhavingsbeleid van de inburgering naar aanleiding van de uitspraken van het Europese Hof van Justitie op 4 februari 2025 en de Raad van State op 9 juli 2025. We werken aan een wetsvoorstel voor dit nieuwe beleid.KerncijfersHandhaving UWV, SVB en gemeentenBij het ontvangen van een uitkering gelden diverse verplichtingen, zoals het tijdig verstrekken van gegevens over het inkomen en het melden van samenwonen. De naleving van deze verplichtingen is een belangrijke voorwaarde voor een goed werkend stelsel van sociale zekerheid. UWV, de SVB en de gemeenten zetten diverse instrumenten in om de naleving en handhaving van wet- en regelgeving te bevorderen. Het gaat zowel om voorkomen (bijvoorbeeld door gedragsbeïnvloeding en voorlichting) als om controleren en sanctioneren (bijvoorbeeld opleggen van boetes). De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid. Voor het jaarverslag waren cijfers van gemeenten over het laatste kwartaal van 2024 nog niet beschikbaar. Deze cijfers zijn nu toegevoegd.Tabel 1 Kerncijfers opsporing UWV, SVB en gemeentenAantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)202220232024202220232024UWV14,52,61,615139SVB23,03,12,36,27,16,7Gemeenten3204144124473430Totaal2820166854461Bron: UWV, kwantitatieve informatie.2Bron: SVB, administratie.3Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.4Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager.Tabel 2 Kerncijfers sanctionering UWV, SVB en gemeentenAantal boetes (x 1.000)Totaal opgelegd boetebedrag (x € 1 mln)Aantal waarschuwingen (x 1.000)202220232024202220232024202220232024UWV11,71,10,62,01,20,77,14,42,5SVB20,90,90,80,91,11,14,04,03,3Gemeenten35,84,33,53,72,92,44,25,25,6Totaal8657541514111Bron: UWV, kwantitatieve informatie.2Bron: SVB, administratie.3Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.21Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 3 Kerncijfers incassoratio UWV, SVB en gemeentenIncassoratio benadelingsbedrag + boetevordering ultimo 2024 (%)20202021202220232024UWV15856472919SVB24458412913Gemeenten340353124141Bron: UWV, kwantitatieve informatie.2Bron: SVB, administratie.3Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.Re-integratieTabel 4 geeft weer hoeveel mensen met een beperking door UWV aan het werk zijn geholpen. SZW heeft in samenwerking met UWV gewerkt aan een herijking van de prestatie indicatoren. Aanvankelijk werd enkel de uitstroom naar werk met benutten van volledige restverdiencapaciteit in onderstaande tabel weergegeven. Vanaf 2025 wordt er gerekend met een nieuwe prestatie-indicator, waarbij ook de mensen geteld worden die uitstromen naar werk en de restverdiencapaciteit gedeeltelijk benutten alsmede het aantal gerealiseerde contractverleningen. De streefwaarde is jaarlijks cumulatief voor de WIA 12.000 plaatsingen en contractverleningen en voor de Wajong 15.000 plaatsingen en contractverleningen.Tabel 4 Aantal door UWV aan het werk geholpen mensen met een beperking1Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Streefwaarde 2026Mensen met recht op WAO-/WAZ-uitkering150100100‒2Mensen met recht op Ziektewetuitkering500350400‒2Mensen met recht op WIA-uitkering4.2004.5004.50012.000Mensen met recht op Wajong7.7007.1006.10015.000Totaal12.60012.05011.100‒1De aantallen zijn afgerond op vijftigtallen. De aantallen zijn op verschillende manieren berekend. Bij de Wajong worden alleen de mensen geteld die een arbeidsovereenkomst van minimaal zes maanden voor minimaal twaalf uur per week hebben aanvaard. Bij de WIA, WAO en WAZ worden de mensen geteld van wie het re-integratiedienstverleningstraject is beëindigd omdat ze voor hun resterende verdiencapaciteit (gedeeltelijk) werk hebben aanvaard. Voor de Ziektewet worden uitsluitend de mensen geteld die na een re-integratietraject aan het werk zijn gekomen.2Door de aard van deze regelingen kan geen streefwaarde worden opgesteld.Bron: UWV, jaarverslag.22Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 4.2 Belangrijkste beleidsmatige mutatiesTabel 5 Belangrijkste beleidsmatige uitgaven mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)Art.202520262027202820292030Stand begroting 2025 (inclusief NvW)59.996.99164.414.24267.273.41169.328.29971.745.052Belangrijkste mutatiesEerste suppletoire begroting143.392‒ 135.853‒ 787.927‒ 1.456.149‒ 424.68873.768.370Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW)1133.742Kadercorrecties Bijstand en LKS2‒ 217.574‒ 210.340‒ 192.477‒ 237.648‒ 249.665‒ 193.825Kinderopvangtoeslag (KOT)733.624‒ 200.118419.699268.447173.366163.744Wet Kindgebonden Budget (WKB)10‒ 220.237‒ 181.446‒ 369.606‒ 335.641‒ 297.507‒ 261.333Niet-kaderrelevant12627.800949.800452.100‒ 796.200‒ 608.8001.905.900Lage-inkomensvoordeel1‒ 181.526Banenafspraak257.585Invoering nieuwe financiering kinderopvang per 20297‒ 38.300‒ 611.600‒ 2.168.900‒ 1.742.900‒ 155.700‒ 47.300Ingroeipad nieuw kinderopvangstelsel719.200295.800850.8001.078.600445.900148.400Steilere afbouw WKB vanaf een inkomen van 60.000 euro10‒ 25.000‒ 304.400‒ 291.000‒ 295.600‒ 300.000Afschaffen criterium samengestelde gezinnen WKB104.60056.20055.10040.80050.200Actieagenda integratie13,994.96810.62215.64722.25226.65721.990Duurverkorting Werkloosheidsuitkeringdiv18.970110.35180.938Invulling Taakstellingendiv30.50044.08557.90172.23886.53086.530Toedeling prijs- en loonbijstelling 20259978.83787.32278.11366.66165.41965.242Overboekingen met andere begrotingshoofdstukkendiv‒ 117.203‒ 108.892‒ 128.105‒ 86.345‒ 3.567‒ 7.178Overboekingen van Aanvullende postdiv200.606113.617155.628140.83466.62547.685Kasschuivendiv‒ 193.011‒ 234.885162.436152.75355.97585.332Uitgekeerde Eindejaarsmarge 2024div15.241Desalderingendiv19.650Overige mutaties en extrapolatiediv‒ 110.510‒ 69.418127.037157.730114.52871.922.045Mutaties Amendementen55.668‒ 34.332‒ 34.332‒ 34.332‒ 34.332‒ 34.332Amendement Bontenbal Taakstelling OCW99‒ 34.332‒ 34.332‒ 34.332‒ 34.332‒ 34.332‒ 34.332Amendement Grinwis/Ceder Tijdelijk Noodfonds Energie250.000Amendement Van Kent t.b.v. sociaal ontwikkelbedrijven240.000Mutaties begroting 20261.116.1651.463.1421.287.9291.737.2371.532.3611.476.491Herverkaveling Inburgering naar SZWdiv421.392353.211345.366312.181271.472Compensatie inkomens sociaal-ontwikkelbedrijven224.57523.75923.063WW-duurverkorting2‒ 19.274‒ 93.198‒ 6.834Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)10‒ 15.401‒ 20.3075.9391.1112.406‒ 13.843Kinderopvangtoeslag (KOT)7‒ 2.107603‒ 3.488‒ 22.295‒ 35.855‒ 43.302Bijstelling MEVdiv7.5886.590‒ 6.2222.2495.52740.288Energiefonds Kasschuif amendement Grinwis2‒ 50.00050.000Niet-kaderrelevant1217.700‒ 93.100‒ 426.70043.30031.300‒ 133.700Herschikkingen met H40div‒ 4.979‒ 1.320‒ 900‒ 3.400‒ 8.700‒ 15.600Overboeken nominale ontwikkeling (van H83)div1.274.9201.173.4481.280.6741.351.0011.418.2111.418.983Overboekingen met andere begrotingshoofdstukkendiv‒ 89.218‒ 98.965‒ 69.528‒ 22.675‒ 27.970‒ 21.260Overboekingen van Aanvullende post2,765.833Kasschuivendiv‒ 4.514‒ 9.67768.34235.446‒ 74.504‒ 15.093Desalderingen96‒ 9851.8151.6154.0154.0154.015Correctie Loon- en prijsbijstelling7‒ 16.881‒ 6.514‒ 696‒ 172‒ 61‒ 4Overige mutatiesdiv42‒ 1.23111.923‒ 498‒ 991‒ 8.631Stand ontwerpbegroting 202661.312.21665.707.19967.739.08169.575.05572.818.39375.210.52923Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ToelichtingIn deze toelichting wordt de relevante informatie opgenomen. Bij beleidsmatige intensiveringen met een budgettaire mutatie van € 20 miljoen of meer in enig jaar wordt verwezen of vooruitgewezen naar een stuk met daarin de door de Kamer te ontvangen informatie conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).Mutaties eerste suppletoire begrotingDe mutaties van de eerste suppletoire begroting zijn toegelicht in onderdeel 2.1 van de Memorie van Toelichting van de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstukken II 2024/25, 36 725 XV, nr. 2).Mutaties AmendementenAmendement Bontenbal Taakstelling OCWDe Kamer heeft een amendement van het lid Bontenbal aangenomen om een aanzienlijk deel van de bezuinigingen op de Begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap terug te draaien. Een deel van de dekking hiervoor is onder andere gevonden in een bezuiniging op de apparaatskosten van departementen. Voor SZW komt dit neer op een taakstelling van € 34,3 miljoen.Amendement Grinwis/Ceder Tijdelijk Noodfonds EnergieDe Kamer heeft een amendement van het lid Grinwis aangenomen om € 50 miljoen extra beschikbaar te stellen voor het Tijdelijk Noodfonds energie.Amendement Van Kent t.b.v. sociaal ontwikkelbedrijvenDe Kamer heeft een amendement van het lid van Kent aangenomen om € 40 miljoen extra beschikbaar te stellen ter compensering van fiscale maatregelen sociaal ontwikkelbedrijven.Mutaties begroting 2026Herverkaveling Inburgering naar SZWMet ingang van 2026 vallen de inburgeringsactiviteiten weer onder de begroting van het Ministerie van SZW. De middelen voor inburgering zijn overgeheveld van de begroting van Justitie en Veiligheid. Dat betekent dat artikel 13 van de SZW-begroting vanaf 2026 zowel om integratie als inburgering handelt.Compensatie inkomens sociaal-ontwikkelbedrijvenVoor de compensatie van de inkomens van de medewerkers SO-bedrijven wordt het budget opgehoogd voor 2026 t/m 2028.WW-duurverkortingIn de begroting is een besparingsverlies als gevolg van een jaar uitstel van de WW-duurverkorting verwerkt omdat de beoogde datum van inwerkingtreding van 1 januari 2027 niet uitvoerbaar is voor UWV. Dit leidt ten opzichte van de Voorjaarsnota 2025 tot lagere uitgaven aan bijstand, Toeslagenwet en de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)De verwachte uitgaven aan het kindgebonden budget (WKB) worden structureel naar beneden bijgesteld. Onderliggend spelen er daarbij verschillende tegengestelde effecten. Enerzijds stijgen de structurele uitgaven aan WKB namelijk op basis van de cMEV-raming. Dit komt 24Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 onder meer doordat de prognose voor de tabelcorrectiefactor (de relevante indexatiefactor voor de WKB) door het CPB naar boven is bijgesteld, waardoor de afbouwgrens voor paren en de vermogensgrenzen meerjarig hoger uitkomen dan eerder verwacht, met hogere WKB-uitgaven tot gevolg. Anderzijds is er een technische correctie gedaan vanwege de bij Voorjaarsnota genomen maatregelen op het kindgebonden budget (het inrichten van een extra knikpunt en het verlagen van de vermogensgrenzen), omdat er nog geen onderscheid was gemaakt tussen nabetalingen en terugontvangsten. Dit leidt tot minder uitgaven aan WKB. Per saldo leiden de bijstellingen tot lagere uitgaven aan het kindgebonden budget in 2030.Kinderopvangtoeslag (KOT)De uitgaven aan de kinderopvangtoeslag worden naar beneden bijgesteld op basis van twee ontwikkelingen. Ten eerste komt de werkloze beroepsbevolking op basis van de cMEV-raming van het CPB hoger uit dan eerder werd verwacht. Dit leidt tot minder gebruik van kinderopvang en als gevolg daarvan ook tot lagere uitgaven aan de kinderopvangtoeslag. Daarnaast vindt er een correctie plaats op de jaarlijkse indexatie. Bij het op prijsniveau 2025 brengen van de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag was er nog geen rekening mee gehouden dat de nabetalingen over de periode tot en met 2024 niet meestijgen. Dit wordt nu gecorrigeerd, met lagere uitgaven als gevolg.Bijstelling MEVRamingsbijstellingen op basis van de nieuwe CPB-prognose (MEV 2026).Niet-kaderrelevantDe geraamde uitgaven aan de rijksbijdrage aan het Ouderdomsfonds voor de kosten van heffingskortingen en het vermogenstekort worden bijgesteld op basis van de MEV-raming van het CPB.Herschikkingen met H40Er zijn diverse herschikkingen en doorverdelingen naar het premiegefinancierde begrotingshoofdstuk, waaronder een budgetneutrale schuif tussen het begrotings- en premiegefinancierde budget voor de uitvoeringskosten van UWV. Dit is een gevolg van de jaarlijkse prijsherijking van de uitvoeringskosten.Overboeken nominale ontwikkeling (van H83)Dit betreft de nominale ontwikkeling in de budgetten van 2025 als gevolg van de mutaties van de uitgaven (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexatiepercentages van lonen en prijzen op basis van de macro-economische raming van het CPB.Overboekingen met andere begrotingshoofdstukkenEr zijn in totaal 54 overboekingen met andere departementen, waarvan de grootste overboekingen zijn:–Een overboeking naar BZK voor beschut werk. Dit betreft een (tijdelijke) ophoging van de rijksbijdrage beschut werk bij BZK (onderdeel van de IU Participatie). De ophoging volgt uit de voorjaarsnota 2025 en bedraagt in 2026 € 36,7 miljoen.–Een overboeking naar het gemeentefonds voor de implementatie van de Participatiewet. Voor de implementatie van Participatiewet in balans spoor 1 wordt er binnen de begrotingshorizon cumulatief € 55,5 miljoen van de SZW-begroting overgemaakt naar het cluster Participatie van het Gemeentefonds (€ 15,2 miljoen in 2026).25Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 –Een overboeking naar BZK van € 10,0 miljoen in 2026 voor de ontwikkeling van de sociale agenda. In de kabinetsreactie op de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (Nij Begun), is de ontwikkeling van een sociale agenda aangekondigd.12–Overboeking naar Financiën voor de uitvoeringskosten die met de uitvoering van het opheffen van het handhavingsmoratorium DBA per 1 januari 2025 samenhangen (€ 7,4 miljoen in 2026).–Overboeking naar JenV van € 6,2 miljoen in 2026. Het Ministerie van SZW draagt bij in de kosten van de dienstverlening van het Juridisch Loket, voor zover deze uitgebreid of aangepast moet worden om de doelgroep te bereiken.Overboekingen van Aanvullende postEr zijn twee overhevelingen van de Aanvullende post bij het Ministerie van Financiën naar het Ministerie van SZW. Voor het energiefonds gaat het om een bedrag van € 60 miljoen en voor het opdrachtenbudget van het nieuwe kinderopvangstelsel € 5,8 miljoen. Voor de mutatie betreffende het energiefonds ontvangt uw Kamer de onderbouwing conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1) voordat hierover wordt gestemd.KasschuivenEr zijn 30 kasschuiven waarvan de grootste zijn:–Om het kasbudget van MDIEU voor 2025 in overeenstemming te brengen met verwachte uitgaven wordt er € 10 miljoen van 2026 naar 2025 geschoven.–Op de begroting zijn middelen gereserveerd om geleidelijk toe te groeien naar de nieuwe financiering voor de kinderopvang en voor de invoering daarvan per 2029. Om deze middelen in het juiste kasritme te plaatsen wordt het budget herverdeeld over de jaren 2025 tot en met 2030.–De uitvoeringstoetsen van Vbar en Flex zijn inmiddels herijkt. Door de vertraging in de inwerkingtreding zal de Belastingdienst per saldo voor beide wetsvoorstellen in 2025 en 2026 minder budget claimen, maar in de latere jaren hogere uitvoeringskosten hebben dan momenteel rekening mee is gehouden. Daarom wordt er € 3,6 miljoen in 2025 en € 1,1 miljoen in 2026 doorgeschoven naar 2027 en verder.–De nabetalingen voor WIA-herstelacties lopen vertraging op. Met deze boeking wordt rekening gehouden met latere nabetalingen op WIA-uitkeringen, waardoor de besparing op de TW tevens later plaats zal vinden als gevolg van de herstelactie voor loonloze tijdvakken in de WIA. Daarom wordt er budget vanuit 2027 (€ 5,0 miljoen) naar 2025 (€ 3,4 miljoen) en 2026 (€ 1,6 miljoen) geschoven.–Er wordt vanuit 2028 € 1 miljoen en vanuit 2029 € 3 miljoen naar 2026 geschoven voor de schuldhulpverlening.–Er wordt € 3 miljoen van 2025 naar 2026 geschoven voor de subsidie van-werk-naar-werk.DesalderingenEr zijn diverse desalderingen waarvan de grootste zijn:–De uitgaven en ontvangsten van de rijksschoonmaakorganisatie worden opgehoogd zodat die aansluiten bij de voorziene werkzaamheden.–Aanpassing van de uitgaven en ontvangsten van het onderdeel van de UVB die de Europese subsidies (ESF) uitvoert en daarvoor vergoeding krijgt vanuit de Europese Commissie.12 Kamerbrief over Nij begun: op weg naar erkenning, herstel en perspectief | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl26Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Correctie Loon- en prijsbijstellingEerder is de loon- en prijsbijstelling 2025 overgeheveld om het totaal van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag op prijspeil 2025 te brengen. Doordat de nabetalingen over de jaren tot en met 2024 niet worden beïnvloed door het nieuwe prijspeil ontstaat een meevaller, met name in 2025 en 2026.Overige mutatiesEr zijn diverse kleinere mutaties.Tabel 6 Belangrijkste beleidsmatige ontvangsten mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)Art.202520262027202820292030Stand begroting 2025 (inclusief NvW)2.501.5332.498.3572.465.8912.373.8672.304.405Belangrijkste mutatiesEerste suppletoire begroting23.017‒ 1.60050.743151.052191.7332.390.502Bijstelling boete-ontvangsten1‒ 900‒ 900‒ 900‒ 900‒ 900‒ 900Terugontvangsten TOZO28.013‒ 1.100‒ 1.000‒ 300Terugontvangsten TW21.536Terugontvangsten IOW22.458Terugontvangsten TSB62.639Uitvoeringsmutaties KOT715.60225.74323.18613.3892.535‒ 4.094Ontvangsten WKB10‒ 29.932‒ 20.184‒ 16.595‒ 20.021‒ 20.898‒ 20.598Intensiveringen KOT7‒ 4.450‒ 4.650‒ 4.200‒ 1.200‒ 1.150Invoering nieuwe financiering kinderopvang per 20297‒ 50045.400158.900212.600143.800Intensiveringen WKB10‒ 4.450‒ 4.450‒ 4.350‒ 4.250‒ 4.150Diverse kasschuivendiv4.2009.9008.8004.2001.500Desalderingen419.650Overige mutaties en extrapolatiediv3.95141‒ 148‒ 266‒ 3542.276.094Mutaties begroting 2026120.745133.570131.193118.920114.788124.018Herverkaveling Inburgering naar SZW133.0003.0003.0003.0003.000Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)105.6958.1682.397‒ 12.026‒ 18.522‒ 20.714Kinderopvangtoeslag (KOT)72.5737.65712.80415.90715.17610.428Niet-kaderrelevant7109.475111.102114.701116.613120.755132.294Overboeken nominale ontwikkeling (naar H83)103.9873.8833.9403.9583.9223.873Desalderingen96‒ 9851.8151.6154.0154.0154.015Overige mutatiesdiv0‒ 2.055‒ 7.264‒ 12.547‒ 13.558‒ 8.878Stand ontwerpbegroting 20262.645.2952.630.3272.647.8272.643.8392.610.9262.514.520ToelichtingMutaties eerste suppletoire begrotingDe mutaties van de eerste suppletoire begroting zijn toegelicht in onderdeel 2.1 van de Memorie van Toelichting van de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van SZW (XV) voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstukken II 2024/25, 36 725 XV, nr. 2).Mutaties begroting 2026Herverkaveling Inburgering naar SZWZoals hierboven beschreven vallen de inburgeringsactiviteiten met ingang van 2026 weer onder de begroting van het Ministerie van SZW.Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)De verwachte terugontvangsten van het kindgebonden budget worden per saldo naar beneden bijgesteld. Dit heeft voornamelijk te maken met de technische verwerking van de bij Voorjaarsnota genomen maatregelen op het kindgebonden budget (het inrichten van een extra knikpunt en het verlagen van de vermogensgrenzen). Omdat er structureel minder uitgaven aan de WKB zijn, worden er structureel ook minder terugontvangsten 27Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 verwacht. De verwerking van de cMEV-raming van het CPB leidt juist tot iets hogere verwachte terugontvangsten. Per saldo worden de verwachte terugontvangsten in 2030 naar beneden bijgesteld.Kinderopvangtoeslag (KOT)De verwachte terugontvangsten van de kinderopvangtoeslag worden per saldo naar boven bijgesteld. Dit betreft voornamelijk een correctie op de toegepaste indexatie. Bij de indexatie voor 2025 zijn de ontvangsten nog niet op prijsniveau 2025 gebracht. Dit wordt nu gecorrigeerd. Als gevolg van het nieuwe prijspeil komen de ontvangsten over de toeslagjaren 2025 en verder hoger uit. De verwerking van de cMEV-raming van het CPB leidt juist tot iets lagere verwachte terugontvangsten. Per saldo worden de geraamde terugontvangsten naar boven bijgesteld.Niet-kaderrelevantDe werkgeversbijdrage kinderopvang is een vast percentage van de totale loonsom. De totale loonsom is naar boven bijgesteld. Dit leidt tot hogere ontvangsten werkgeversbijdrage.Overboeken nominale ontwikkeling (van H83)Dit betreft de nominale ontwikkeling als gevolg van de mutaties van de uitgaven (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexatiepercentages van lonen en prijzen op basis van de macro-economische raming van het CPB.DesalderingenZie de toelichting onder uitgaven.Overige mutatiesEr zijn diverse kleinere mutaties.Tabel 7 Belangrijkste beleidsmatige premiegefinancierde uitgaven mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)Art.202520262027202820292030Stand begroting t-1 (inclusief NvW)83.107.66088.106.21692.565.25697.348.163102.772.039Belangrijkste mutatiesEerste suppletoire begroting395.649794.3691.089.650644.440222.238108.157.812Compensatieregeling transitievergoeding - LAO123.67030.47013.37017.21621.18725.288Werkloosheidswet (WW)5‒ 197.741‒ 295.213‒ 383.229‒ 406.076‒ 325.828‒ 247.234Verlofregelingen645.56346.54451.45558.04763.42168.971Ziektewet (ZW)699.18079.07396.209119.702137.351140.668Algemene Ouderdomswet (AOW)8‒ 11.752‒ 34.069‒ 55.882‒ 72.255‒ 82.082‒ 82.920Uitvoeringskosten SVB en UWV (uitvoeringsinformatie)1113.36279.53358.16334.63047.32447.408Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) (uitvoeringsinformatie)div319.416463.971488.955396.561401.505300.719Duurverkorting Werkloosheidsuitkering55.000200.00066.630‒ 308.454‒ 323.672Uitvoeringskosten SVB en UWV (beleidsmatig))1129.80033.60035.700Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) (beleidsmatig)div‒ 31.985166.677211.746196.536214.274224.048Overige intensiveringen en ombuigingendiv57.529‒ 116.157‒ 136.81739.954341.887‒ 5.742Bijstelling nominaaldiv130.192233.643398.740302.302153.927‒ 209.134Taakstelling HLA11‒ 10.780‒ 21.821‒ 33.267‒ 44.658‒ 45.163Taakstelling OCW11‒ 23.996‒ 24.489‒ 24.567‒ 24.567‒ 24.567‒ 24.567Overboekingen naar andere departementen11‒ 6.426Overboekingen naar Begrotingshoofdstuk 15div2.5075.0647.85010.85513.39115.731Overboekingen van de Aanvullende postdiv16.99515.16311.1083.000Diverse kasschuivendiv‒ 15.442‒ 1.2588.7001.0004.0003.00028Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Art.202520262027202820292030Overige mutaties en extrapolatiediv‒ 55.223117.597129.970‒ 65.828‒ 390.440108.270.411Mutaties begroting 20264.318.8404.430.3354.842.7975.492.8426.081.3466.095.298WW-beëindiging op eigen initiatief5‒ 20.908‒ 43.205‒ 22.29700WW-duurverkortingdiv‒ 5.0005.000134.345369.4320Vervroegen invoering RIV-toets3, 112.0005.80013.60018.900Uitstel re-integratie 2de spoordiv‒ 1.700‒ 12.200‒ 27.279‒ 19.461Niet-kaderrelevantdiv‒ 9.959‒ 7.8766.71124.34179.742443Kadercorrectiesdiv14.288‒ 178.441‒ 198.90216.10273.019212.743Herschikkingendiv4.9791.3209003.4008.70015.600Overboekingen met andere begrotingshoofdstukkendiv302201.0801.140990‒ 200Bijstelling MEVdiv5.76851.47958.02474.45247.89261.099Kasschuivendiv‒ 71.962‒ 18.91290.874Sociale lastendiv4.375.5874.606.6774.920.2655.267.4655.516.1945.807.330Overige mutatiesdiv1091.7761.750294‒ 944‒ 1.156Stand ontwerpbegroting 202687.822.14993.330.92098.497.703103.485.445109.075.623114.253.110ToelichtingIn deze toelichting wordt de relevante informatie opgenomen. Bij beleidsmatige intensiveringen met een budgettaire mutatie van € 20 miljoen of meer in enig jaar wordt verwezen of vooruitgewezen naar een stuk met daarin de door de Kamer te ontvangen informatie conform de werkwijze Beleidskeuzes uitgelegd (CW3.1).Mutaties eerste suppletoire begrotingDe mutaties van de eerste suppletoire begroting zijn toegelicht in onderdeel 2.1 van de Memorie van Toelichting van de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van SZW (XV) voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstukken II 2024/25, 36 725 XV, nr. 2).Mutaties begroting 2026WW-beëindigen op eigen initiatiefMet deze buitenwettelijke maatregel wordt het tijdelijk makkelijker gemaakt voor WW-gerechtigden om op eigen verzoek door UWV de WW-uitkering te laten beëindigen. Er vindt dan tijdelijk geen beoordeling meer plaats door UWV op de geldende voorwaarden voor het stopzetten van een WW-uitkering. Dit zorgt voor lagere uitkeringslasten WW van cumulatief € 86 miljoen. De vrijgekomen uitvoeringscapaciteit wordt ingezet om UWV zo goed mogelijk in staat te stellen de hersteloperatie WIA-dagloon uit te voeren. Dit is onderdeel van een aantal maatregelen die tijdelijk ingevoerd worden, waarmee UWV capaciteit kan besparen die kan worden ingezet voor de uitvoering van de hersteloperatie. De andere maatregelen zijn onder andere het in het geheel niet opleggen van een maatregel indien iemand een WW-uitkering te laat aanvraagt en het uitgaan van een hedenbeslissing bij overlijden bij een arbeidsongeschiktheidsuitkering.WW-duurverkortingIn de begroting is een besparingsverlies als gevolg van een jaar uitstel van de WW-duurverkorting verwerkt omdat de beoogde datum van inwerkingtreding van 1 januari 2027 niet uitvoerbaar is voor UWV. Dit leidt ten opzichte van de Voorjaarsnota 2025 tot hogere uitgaven aan de WW- en loongerelateerde WGA-uitkering.Vervroegen invoering RIV-toetsDe meest recente prognoses wijzen op een nog groter oplopende achterstand bij het sociaal medisch beoordelen (SMB). Daarom gaat het wetsvoorstel RIV-toets (re-integratieverslagtoets) vanaf de ingangsdatum 29Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 (1 januari 2028) gelden voor alle ziekmeldingen in plaats van alleen voor personen die vanaf dan hun eerste ziektedag hebben. Het wetsvoorstel gaat nog steeds in op 1 januari 2028, maar heeft de facto 2 jaar eerder effect. Hierdoor bespaart het wetsvoorstel al vanaf 2028 verzekeringsartsencapaciteit bij het UWV.Uitstel re-integratie 2de spoorHet wetsvoorstel re-integratie 2de spoor wordt uitgesteld met twee jaar naar 1 januari 2030. Dit wetsvoorstel regelt dat kleine en middelgrote werkgevers de re-integratie van zieke werknemers in het tweede ziektejaar in principe richten op re-integratie bij een andere werkgever (tweede spoor). Dit wetsvoorstel wordt uitgesteld gelet op de toenemende achterstanden bij het sociaal-medisch beoordelen (SMB) en de extra uitvoeringscapaciteit die dit wetsvoorstel van UWV vraagt.Niet-kaderrelevantDit betreft de bijstelling van de nominale ontwikkeling als gevolg van de mutaties van de uitgaven (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexatiepercentages van lonen en prijzen op basis van de laatste macro-economische raming van het CPB (MEV).Herschikkingen met H15Er zijn diverse herschikkingen en doorverdelingen van het begrotingsgefinancierde begrotingshoofdstuk, waaronder een budgetneutrale schuif tussen het begrotings- en premiegefinancierde budget voor de uitvoeringskosten van UWV. Dit is een gevolg van de jaarlijkse prijsherijking van de uitvoeringskosten.Overboekingen naar andere begrotingshoofdstukkenDit betreft een teruggave van middelen over de jaren 2025 tot 2029 door uitstel van het Besluit inkomstenverhouding. Vanaf 2030 is er sprake van een structurele verhoging van het budget.Bijstelling MEVDit betreft de bijstelling van de nominale ontwikkeling als gevolg van de mutaties van de uitgaven (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexatiepercentages van lonen en prijzen op basis van de macro-economische raming van het CPB.KasschuivenEr zijn diverse kasschuiven waarvan de grootste zijn:–De herstelacties WIA-dagloon en Loonloze tijdvakken zullen dit jaar nog niet starten met uitbetalen. Daarom schuiven de middelen voor de uitvoering van 2025 door naar 2027 (€ 13,4 voor herstelactie WIA-dagloon en € 3,6 miljoen voor Loonloze tijdvakken).–Het later uitbetalen bij bovengenoemde herstelacties samen met de herstelactie WIA-indexatie heeft effect op de WGA en IVA. Voor de WGA wordt € 28,2 miljoen in 2025 en € 14,2 miljoen in 2026 doorgeschoven naar 2027 (€ 42,3 miljoen). Voor de IVA gaat het in totaal voor 2025 om € 24,3 miljoen en in 2026 om € 7,3 miljoen dat wordt doorgeschoven naar 2027 (€ 31,6 miljoen).–Daarnaast is er een kasschuif in verband met de vertraging bij het wetsvoorstel proactieve dienstverlening, hierdoor verschuiven de implementatiekosten (€ 2,5 miljoen) voor de TW van 2025 naar 2026.30Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Sociale lastenVanaf 2025 worden voor een aantal uitkeringsregelingen de over deze uitkeringen betaalde werkgeverspremies toegevoegd aan de SZW-begroting. Deze wijziging heeft een technisch karakter. Het CBS classificeert werkgeverspremies die betaald worden over uitkeringen voortaan als overheidsuitgaven.Overige mutatiesEr zijn diverse kleinere mutaties.Tabel 8 Belangrijkste beleidsmatige premiegefinancierde ontvangsten mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)Art.202520262027202820292030Stand begroting t-1 (inclusief NvW)245.359281.534305.685336.827349.087Belangrijkste mutatiesEerste suppletoire begroting13.2038.795‒ 3.4218.69714.822363.229Bijstelling UFO ontvangsten525.01020.4109.36721.31227.15514.973Bijstelling UFO ontvangsten nominaal5‒ 11.807‒ 11.615‒ 12.788‒ 12.615‒ 12.333‒ 15.425Overige mutaties en extrapolatie500000363.681Mutaties begroting 202602802923343522Bijstelling MEV502802923343522Stand ontwerpbegroting 2026258.562290.609302.556345.858364.261363.231ToelichtingMutaties eerste suppletoire begrotingDe mutaties van de eerste suppletoire begroting zijn toegelicht in onderdeel 2.1 van de Memorie van Toelichting van de Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van SZW (XV) voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) (Kamerstukken II 2024/25, 36 725 XV, nr. 2).Mutaties begroting 2026Bijstelling MEVDit betreft de bijstelling van de nominale ontwikkeling als gevolg van de mutaties van de uitgaven (grondslag) en als gevolg van aanpassing van de indexatiepercentages van lonen en prijzen op basis van de macro-economische raming van het CPB.31Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 4.3 Budgettaire ontwikkeling uitgaven Sociale ZekerheidDeze paragraaf schetst de ontwikkelingen binnen de uitgaven aan Sociale Zekerheid. De uitgaven aan Sociale Zekerheid bevatten alle uitgaven op de begroting van SZW, die uiteenvallen in uitgaven aan begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde regelingen. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden gefinancierd uit belastingopbrengsten. De premiegefinancierde uitgaven worden betaald uit premies die werknemers en werkgevers afdragen aan de sociale fondsen. UWV en de SVB doen deze uitgaven uit sociale fondsen zelf. Tabel 9 bevat de totale begrotings- en premiegefinancierde uitgaven aan de Sociale Zekerheid.4.3.1 Opbouw uitgaven Sociale ZekerheidTabel 9 Opbouw SZ-uitgaven (bedragen x € 1 miljard)202520262027202820292030Begrotingsgefinancierde SZ-uitgaven31,433,635,237,039,240,4wv. loon- en prijsbijstelling begrotingsgefinancierd0,01,32,43,64,85,9Premiegefinancierde SZ-uitgaven87,593,098,2103,1108,7113,9wv. loon- en prijsbijstelling premiegefinancierd0,03,36,810,313,817,4Totale SZ-uitgaven (lopende prijzen) (A+B)118,9126,6133,4140,1147,9154,3De uitgaven aan Sociale Zekerheid in tabel 9 zijn uitgedrukt in lopende prijzen. Dit betekent dat we rekening houden met toekomstige loon- en prijsontwikkelingen. Voor de begrotingsgefinancierde regelingen staat hiervoor in 2026 € 1,3 miljard op een afzonderlijke begrotingspost die de Minister van Financiën beheert. Voor de premiegefinancierde regelingen staat een reservering op de SZW-begroting. Beide zijn meegenomen in bovenstaande bedragen. Daarnaast houden bovenstaande bedragen rekening met niet-belastingontvangsten. Ook zijn de begrotingsgefinancierde uitgaven gecorrigeerd voor de rijksbijdragen aan de sociale fondsen, deze lopen mee in premiegefinancierde uitgaven.In 2026 bedragen de totale uitgaven aan Sociale Zekerheid € 126,6 miljard. In de jaren van 2026 tot 2030 stijgen de verwachte uitgaven naar € 154,3 miljard. De stijging is voor een groot deel toe te wijden aan de aanpassing aan de loon- en prijsontwikkeling. Deze post bedraagt € 4,6 miljard in 2026 en stijgt naar € 23,3 miljard in 2030. Gecorrigeerd voor de loon- en prijsbijstelling lopen de uitgaven aan Sociale Zekerheid licht op. Een overzicht van het verloop van de uitgaven over de jaren 2025 t/m 2030 is te vinden in de horizontale toelichting in de bijlagen bij de Miljoenennota.32Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 4.3.2 Uitgaven Sociale Zekerheid 2025-2030Tabel 10 SZ-uitgaven per cluster van regelingen 2025-2030 (bedragen x € 1 miljard)202520262027202820292030ArbeidsmarktLIV/jeugd-LIV/LKV0,30,10,20,20,20,2Transitievergoeding/Compensatieregeling TV MKB0,60,60,20,20,20,2Werkloosheid/BijstandWW-uitgaven (werkloosheid)3,74,04,24,64,84,6Macrobudget participatiewetuitkeringen (bijstand)7,87,98,08,28,48,6Ziekte/arbeidsongeschiktheid/verlofregelingenZW-uitgaven2,52,52,62,62,62,7WIA/WAO/WAZ/Wajong19,920,420,520,720,921,0WAZO/geboorteverlof/ouderschapsverlof2,82,82,93,03,03,1Ouderdom/NabestaandenAOW55,356,557,758,159,460,8Inkomensondersteuning AOW0,00,00,00,00,00,0Anw0,30,30,30,30,30,3Kinderopvang en kindregelingenKOT5,55,86,67,28,28,2AKW/WKB9,79,69,39,29,19,0Re-integratie/ParticipatieRe-integratieuitgaven arbeidsongeschiktheid0,20,20,20,20,20,2Uitvoeringskosten en overige uitgavenUitvoeringskosten (UWV/SVB etc.)3,23,33,33,33,33,3Overige uitgaven2,63,33,13,02,92,8Loon- en prijsbijstelling0,04,59,213,918,623,3Sociale lasten4,34,64,95,35,65,8Totaal SZ-uitgaven118,9126,6133,4140,1147,9154,3Tabel 10 laat zien hoe de uitgaven aan Sociale Zekerheid zijn opgebouwd per cluster van regelingen. In 2026 vormen de AOW-uitgaven met € 56,5 miljard de grootste uitgavenpost. Daarnaast zijn de arbeidsongeschiktheidsregelingen (€ 20,4 miljard), de WW en bijstand (tezamen € 11,9 miljard) en de kinderopvangtoeslag en kindregelingen (tezamen € 15,4 miljard) grote uitgavenposten. We zien de uitgaven aan de WW en bijstand toenemen, onder meer door een verwachte geleidelijke toename van de werkloosheid in de komende jaren. De uitgaven aan de AOW stijgen doordat het aantal AOW-gerechtigden groeit als gevolg van de vergrijzing. De uitgaven aan de Kinderopvangtoeslag (KOT) nemen de komende jaren toe door (de aanloop naar) het nieuwe kinderopvangstelsel.De Sociale Zekerheidsuitgaven zijn vanaf 2026 hoger dan voorheen als gevolg van een wijziging van de definitie van overheidsuitgaven door het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS). Voortaan lopen de werkgeverspremies die over een aantal uitkeringsregelingen worden betaald mee 33Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 als uitgaven in de SZW-begroting. Daarmee samenhangend zijn de premieontvangsten op de begroting van het Ministerie van Financiën al eerder verhoogd. Op het niveau van de rijksbegroting verandert er per saldo niets.34Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 4.4 OpenbaarheidsparagraafHet versneld op orde brengen van onze informatiehuishouding en het vergroten van de transparantie naar de samenleving en parlement zijn belangrijke lessen uit het verslag ‘Ongekend onrecht’ van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK, december 2020). Daarnaast heeft de Wet open overheid (Woo) de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) per 1 mei 2022 vervangen. Dit betekent dat de overheid (nog) transparanter moet worden. Ook SZW zal een deel van haar informatie (documenten) tijdig actief openbaar moeten maken naar de burger toe, daar waar de burger dat nu nog vaak via een Woo-verzoek moet opvragen.SZW pakt het verbeteren van de informatiehuishouding en het vergroten van transparantie op met het meerjarige programma ENIGMA IHH Open op Orde. Het programma heeft tot doel om het informatiebeheer van SZW te verbeteren en transparanter te maken. Daarnaast heeft het programma het doel om het bewustzijn van de omgang met openbaarheid van informatie in het DNA van de ambtenaren en in het werkklimaat/-proces van het departement te verankeren.Het jaar 2026 is het laatste jaar van het programma ENIGMA. Er wordt onderzocht hoe het programma eind 2026 het beste geborgd kan worden in de lijnorganisatie.Daarnaast is het doel om eind 2026 een volwassenheidsniveau informatiehuishouding (IHH) van 3.0 te bereiken (in 2024 was dit 2.3). In deze paragraaf wordt ingegaan op de inspanningen om dit te bereiken. Ook wordt ingegaan op de financiën van het programma ENIGMA. Ten slotte wordt ingegaan op de passieve openbaarmaking.Inspanning om volwassenheidsniveau 3.0 te halenIn 2026 wil SZW langs een viertal lijnen het volwassenheidsniveau 3.0 halen. Op deze vier lijnen wordt hieronder nader ingegaan.Lijn 1. Open en op orde (OoO)SZW heeft ongeveer 20 TB overheidsinformatie op de zogenaamde netwerkschijven staan. Deze informatie is nog niet volledig geordend en wordt nog niet beheerd zoals de Archiefwet dit vereist. Om hieraan wel te kunnen voldoen is het nodig om de aanwezige informatie op te schonen. Allereerst zullen de netwerkschijven op «read-only» worden gezet, zodat er geen nieuwe informatie op deze schijven kan worden bijgeplaatst. Vervolgens zullen deze schijven worden opgeschoond. Indien nodig zal de informatie dan in het Document Managementsysteem (DMS) DigiDoc Online worden opgeslagen.Daarnaast zullen de focusdossiers die in 2025 in kaart zijn gebracht, in 2026 zoveel mogelijk op orde worden gebracht. Focusdossiers zijn dossiers waarvan de verwachting is dat ze kunnen leiden tot Woo-verzoeken, parlementaire enquêtes of maatschappelijke beroering, onderwerpen met een bepaalde mate van media en politieke gevoeligheden, maar kunnen ook dossiers zijn met een hoge mate van financieel, juridisch, bedrijfsvoering of bestuurlijk risico.35Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De laatste twee jaar is actief ingezet op het meer en beter (actief) archiveren van e-mails door directies en afdelingen binnen SZW en de Arbeidsinspectie. Daarvoor zijn een instructie en workshop ontwikkeld. Hiermee wordt in 2026 doorgegaan.Lijn 2. Kaders en monitoringHet kwaliteitssysteem IHH (KS-IHH) zal naar verwachting op 1 december 2025 worden opgeleverd. Het KS-IHH biedt een gestructureerd kader om de kwaliteit van informatiebeheer te volgen, verbeteren, bestuurlijke verankering te realiseren en compliance met wet- en regelgeving te waarborgen. In 2025 moet het proces rond het kwaliteitssysteem IHH zijn opgestart in lijn met de planning & control (p&c)-cyclus voor 2026. Ook moeten alle benodigde rollen/taken en verantwoordelijkheden zijn belegd.Daarnaast wordt begin 2026 het informatiebeheerplan (IBP) opgeleverd. Het doel van het IBP is een totaaloverzicht waarin is opgenomen waar overheidsinformatie binnen SZW is opgeslagen. Dit wordt per directie in kaart gebracht. Hiermee ontstaat inzicht in de staat van het beheer daarop en kunnen via een knelpunten- en risicoanalyse gerichte verbetervoorstellen worden gedaan. De ontwikkeling van het KS-IHH en het IBP draagt bij aan een structurele verbetering van de informatiehuishouding en een directe stijging van het Open en op Orde (OoO) volwassenheidsniveau. SZW kan tevens bij inspecties van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed (IOE) aantoonbaar maken dat het grip heeft op haar informatiebeheer, de beheersing van daaraan gerelateerde knelpunten en risico’s en het voldoen aan relevante (wettelijke) kaders.Naar verwachting zal de nieuwe Archiefwet, (alsmede Archiefbesluit en Archiefregeling) per 1 juli 2026 in werking treden (afhankelijk van de behandeling van de wet in de Eerste Kamer). Ook SZW zal deze dan implementeren. Hiervoor zal een plan worden opgesteld. Rijksbreed komt er een meerjarig implementatieprogramma.Lijn 3. Actieve openbaarmakingIn de Wet open overheid (Woo) is geregeld dat de overheid (nog) transparanter moet worden en daarom moet ook SZW een deel van haar informatie (documenten) tijdig actief openbaar maken naar de burger toe, daar waar de burger dat nu nog vaak via een Woo-verzoek moet opvragen.De in de Woo genoemde 11 verplichte informatiecategorieën op directieniveau worden grotendeels al actief openbaar gemaakt, onder andere via eigen SZW-websites, de Staatscourant en Rijksoverheid.nl. Op basis hiervan is een SZW-brede infographic beschikbaar gekomen. De infographic geeft inzicht met welke verplichte informatiecategorieën op werkveld- en directieniveau wordt gewerkt. Dit levert management-/sturingsinformatie op en genereert meer bewustwording en betrokkenheid binnen SZW. Deze infographic zal in 2026 worden geactualiseerd en tevens zullen er dan infographics per directoraat-generaal worden opgesteld.Naast de reeds bestaande openbaarmaking zullen in 2026 ook de derde en vierde tranche van de verplichte informatiecategorieën openbaar worden gemaakt.Ten slotte zullen ook toolboxen actieve openbaarmaking voor medewerkers worden ontwikkeld, zodat de medewerkers goed zijn uitgerust voor de actieve openbaarmaking.36Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Lijn 4. Implementatie en gedragBij alle trajecten vanuit ENIGMA richting de SZW-onderdelen is er aandacht voor de best passende implementatie. Onderdeel van de strategie is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande kanalen en werkwijze binnen een werkveld. In 2026 wordt deze lijn doorgezet.Zo stopt in 2025 elk organisatieonderdeel (zoveel mogelijk) met opslag op de netwerkschijf, zodat er nog meer gewerkt wordt vanuit het DMS Digidoc Online. Voor sommige onderdelen is dit een eenvoudige overstap omdat ze niet of nauwelijks nog gebruik maken van de netwerkschijf, voor andere onderdelen is dit een forse verandering. Om de medewerkers van die onderdelen zo goed mogelijk te ondersteunen zullen ook in 2026 interventies worden uitgevoerd. Het programma ENIGMA blijft inzetten op ondersteuning op de werkplek, en training van (nieuwe) medewerkers en leidinggevenden. Hoewel gedrag lastig te meten is, streeft ENIGMA ernaar om eind 2025 een onderbouwing te kunnen geven over de verandering binnen SZW in de omgang met overheidsinformatie. Deze onderbouwing zal ook in 2026 zijn uitwerking hebben.Financiën programma ENIGMABegin 2022 zijn de definitieve actieplannen IHH Open op Orde 2022 van SZW, SVB en UWV door de plaatsvervangend Secretaris-Generaal (pSG) aangeboden aan BZK. Op basis van fiches (financiële onderleggers van de projecten) in het actieplan van SZW is voor deze opgave in totaal € 6,2 miljoen POK-IHH-gelden van BZK ontvangen voor 2026. Over dit budget wordt aan BZK verantwoording afgelegd. BZK rapporteert hierover naar de Kamer. Daarnaast heeft SZW in 2026 circa € 0,6 miljoen beschikbaar in het kader van de implementatie van de Woo. Ten slotte moet het programma ENIGMA € 1,2 miljoen bijdragen aan de taakstelling voor SZW, die door het huidige kabinet is opgelegd. Per saldo is € 5,6 miljoen beschikbaar in 2026 voor de realisatie van het programma ENIGMA.Passieve openbaarmaking (Woo-verzoeken)Het is van groot belang om burgers, wetenschappers en journalisten tijdig van informatie te kunnen voorzien ingeval zij een Woo- of informatieverzoek indienen.De maximale termijn voor de beantwoording van Woo-verzoeken bedraagt 42 dagen. Deze termijn wordt door SZW vaak nog niet gehaald. SZW blijft gericht op het onderzoeken waar de behandeling en het afhandelingsproces efficiënter kan worden ingericht. Zo zetten wij in 2026 de in 2025 ingezette, interdepartementale lijn voort om bij omvangrijke verzoeken aan de verzoekers eerst de meest belangrijke documenten te verstrekken met daarbij de vraag of deze informatie al afdoende in de vraag voorziet. Als daarmee nog niet afdoende in de vraag is voorzien, dan kan in overleg met verzoeker een volgende set aan documenten worden geselecteerd om te beoordelen en te openbaren. Hiermee wordt getracht om de verzoeker met snelheid te bedienen in diens behoefte, alsmede worden zo de middelen binnen de passieve openbaarmaking efficiënt ingezet. Daarnaast zet SZW zich in om, waar mogelijk, buiten de Woo om te voorzien in de informatiebehoefte van burgers, wetenschappers en journalisten.Verder zullen wij in 2026 werken met een departementaal Woo-dashboard. Deze zal, samen met het Rijksbrede dashboard, in de organisatie zorgen voor inzicht, monitoring en daarmee opties bieden tot nadere sturing.37Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Voor 2026 zetten wij voortdurend in op de vanuit de kabinetsreactie op de Woo-invoeringstoets, onder regie van BZK, opgestarte lijnen. Bij een aantal van daaruit gestarte werkgroepen zijn wij actief deelnemer, bij andere lijnen volgen wij de ontwikkelingen en zullen wij de daaruit voortkomende interdepartementale lijn volgen en implementeren binnen onze organisatie passend. Ook zullen wij input leveren aan en meedenken met de wetsevaluatie (welke is voorzien voor 2025) en zullen wij vervolgens in 2026 mee blijven werken aan welke vragen of acties uit de wetsevaluatie zullen hebben te volgen.38Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 4.5 Strategische Evaluatie AgendaDe Strategische Evaluatie Agenda (SEA) is een overkoepelende agenda met daarin de evaluatieprogrammering van de beleidsterreinen van SZW. De evaluatieonderzoeken staan geordend naar thema’s die aansluiten bij de strategie van heel SZW en zijn opgebouwd vanuit onze maatschappelijke opgaven (top-down) en vanuit onze kennis van hoe ons beleid werkt (bottom-up). Bij de inhoud van de thema’s is gekeken naar de samenhang met de kennisagenda van SZW, de thema’s onderling en beleidsthema’s van andere departementen. Dit is terug te zien in de toelichtende teksten bij de thema’s en het agenderen van onderzoeken onder meerdere thema’s.De evaluaties op deze SEA dienen niet alleen ter verantwoording van de effectiviteit en doelmatigheid van uitgaven, maar zijn ook gericht op verbetering van bestaand beleid en het voorbereiden van nieuw beleid. Met de evaluaties kan op langere termijn worden beoordeeld hoe het beleid werkt en hoe we het beleid kunnen verbeteren. Daarbij hebben we aandacht voor de publieke waarde van ons beleid; ofwel de impact van beleid op de maatschappij. De SEA is van en voor heel SZW om te reflecteren op bestaand beleid ten behoeve van keuzes voor toekomstige SZW beleid.Per SEA-thema is (voor een periode van de komende 4-7 jaar) inzichtelijk gemaakt:–welke doelen het beleid op dat thema heeft;–welke vastgestelde kennis er op dit thema al is;–welke kennis er nog niet is en wat de inzichtbehoeften zijn;–hoe de evaluatieplanning daaruit volgt;–waar een eventuele overlap met andere thema’s van de SEA bestaat.Bijlage 4 bij deze begroting biedt een overzicht van alle geplande evaluatieonderzoeken. In de SEA maakt SZW onderscheid tussen evaluaties en overig onderzoek. De evaluaties zijn als volgt getypeerd: ex-ante evaluaties (zoals pilots, nulmetingen en experimenten), ex-durante evaluaties (zoals monitoring en tussenevaluaties), ex-post evaluaties (zoals wets- en effectevaluaties en periodieke rapportages).39Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 11 Planning Strategische Evaluatie AgendaThema/Periodieke rapportageEerstvolgende Periodieke rapportageBegrotingsartikelen123456789101112113Thema 1/Periodieke rapportage gezonde en veilige arbeidsomstandigheden2028xThema 2/Periodieke rapportage leven lang ontwikkelen2027xThema 3/Periodieke rapportage arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden2027xThema 4/Periodieke rapportage kinderopvangbeleid2025xThema 4/Periodieke rapportage tegemoetkoming ouders2025xThema 4/Periodieke rapportage arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind2031xxxThema 5/Periodieke rapportage pensioen en oudedag2028/2029xThema 5/Periodieke rapportage gezond naar pensioen2027xxThema 6/Periodieke rapportage armoede en schulden2026xThema 7/Periodieke rapportage bijstand en participatie2027xThema 8/Periodieke rapportage jonggehandicapten2025xThema 9/Periodieke rapportage werkloosheid werknemers2030xThema 10/Periodieke rapportage ziekte en arbeidsongeschiktheid voor werknemersn.t.b.xxThema 11/Periodieke rapportage nabestaanden en wezen2028xThema 12/Periodieke rapportage integratie2029xThema 13/Periodieke rapportage uitvoering SUWI-stelsel2026x1Artikel 12 van de SZW-begroting bevat de rijksbijdragen. De rijksbijdragen zijn overboekingen van het Rijk (SZW) naar de sociale fondsen beheerd door UWV en SVB. De rijksbijdragen aan de SVB zijn ingesteld omdat bij de AOW de premie-inkomsten alleen niet hoog genoeg zijn om alle uitgaven te dekken. Bij het UWV gaat het om rijksbijdragen voor uitgavenregelingen waarvoor het niet mogelijk is of niet wenselijk is om premies te heffen, zoals voor de zwangerschapsuitkering aan zelfstandigen en de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten. Bij alle rijksbijdragen is het zo dat de uitgavenregelingen waar de rijksbijdragen naar toe gaan (AOW, Wet arbeid en zorg en de arbeidsongeschiktheidsregelingen) verantwoord worden op de andere beleidsartikelen van de SZW begroting (bij de premiegefinancierde uitgaven). Die uitgavenregelingen worden dus via het betreffende beleidsartikel geëvalueerd. Een losse evaluatie van artikel 12 is daarom niet nodig.Thema 1: Gezonde en veilige arbeidsomstandighedenHet beleid rond Gezond en Veilig Werken (G&VW) heeft tot doel dat mensen in Nederland op een gezonde en veilige manier kunnen werken. Zo kunnen zij gezond blijven en werkend hun pensioenleeftijd halen. De Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidstijdenwet vormen het fundament van de beleidsinzet. Een belangrijk deel van het beleid bestaat uit stimuleringsprogramma’s en -projecten gericht op werkgevers en werknemers. Daarnaast zijn communicatie via het Arboportaal en de dialoog met sociale partners en andere betrokken partijen belangrijke onderdelen van het beleid.SZW heeft in september 2020 een uitgebreide beleidsdoorlichting over artikel 1 van de SZW-begroting uitgevoerd, inclusief het beleidsterrein G&VW. Mede op basis van deze beleidsdoorlichting en de toekomstverkenning arbeid & gezondheid is de Arbovisie 2040 opgesteld. De Arbovisie 2040 legt de basis voor gezonder en veiliger werken in Nederland. Met onder andere de sociale partners werken we deze Arbovisie verder uit. Centrale elementen in deze uitwerking zijn een stevige inzet op preventie en betere uitvoering van de Arbo regels, met als sluitstuk goed toezicht en handhaving. Daarmee bieden we ook een handvat om in de toekomst terug te blikken en te evalueren.Naast de genoemde trajecten volgt SZW met een meerjarig monitoringsprogramma de ontwikkelingen op het gebied van arbeidsomstandigheden en gezondheid van werkenden. Dit alles biedt, samen met de evaluaties van de beleidsinstrumenten onder dit thema, input voor de periodieke 40Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 rapportage die in 2028 gepland staat. De onderwerpen binnen het thema waarvoor middelen zijn gereserveerd komen aan bod in de evaluaties en worden meegenomen in de periodieke rapportage.Thema 2: Leven lang ontwikkelenBeleidsmaatregelen binnen het thema Leven Lang Ontwikkelen (LLO) hebben als doel mensen te helpen zich te ontwikkelen en inzetbaar te blijven op de arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt is sterk in beweging. Het is belangrijk dat vraag en aanbod goed op elkaar aan blijven sluiten. LLO beoogt werkzekerheid te vergroten en werkloosheid te voorkomen. Ook draagt LLO bij aan doorgroei in loopbanen, en meer werkplezier en inkomen. Verder kan LLO een bijdrage leveren aan productiviteitsgroei en innovatie van bedrijven. Cruciaal is een sterke leer- en ontwikkelcultuur waarin het vanzelfsprekend is voor mensen om zich te blijven ontwikkelen. SZW werkt binnen het thema LLO samen met onder andere OCW, EZ en de SER en stemt onderzoek en beleid op elkaar af.Op dit moment zijn er verschillende LLO beleidsinstrumenten, zoals de SLIM-regeling en de Expeditie-regeling. We onderzoeken de effectiviteit van deze beleidsinstrumenten. Ook werken we toe naar een periodieke rapportage waarbinnen alle onderwerpen van het thema worden meegenomen. Hierin onderzoeken we de onderlinge samenhang tussen de beleidsinstrumenten. Het is hierbij de wens om inzicht te krijgen in de toegankelijkheid en het gebruik van de regelingen voor verschillende groepen werkenden, zoals werkenden in het mkb, praktisch opgeleiden, flexwerkers en ouderen. Ook kijken we of het nuttig is om de evaluaties in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) op te nemen in de periodieke rapportage. Een van de prioriteiten van ESF+ is ‘Kwetsbare werkenden en werkzoekenden’, waarbij een van de doelstellingen LLO is.Thema 3: Arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaardenDe beleidsinstrumenten onder het thema Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden beschermen en versterken de positie van werkenden. Zo bevorderen ze het functioneren van de arbeidsmarkt (evenwicht tussen werkgevenden en werkenden). De beleidsinstrumenten onder dit thema zijn divers: van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag die ervoor zorgt dat iedere werknemer een minimumloon ontvangt en de Arbeidswet 2000 BES die specifiek in Caribisch Nederland geldt, tot beleid rond gelijke behandeling op de werkvloer.In 2020 is de beleidsdoorlichting naar artikel 1 Arbeidsmarkt van de SZW-begroting afgerond. De scope van artikel 1 was breder dan beleid naar Arbeidsverhoudingen en- voorwaarden. De belangrijkste conclusie was dat doelbereik niet of nauwelijks te beoordelen was omdat de instrumenten moeilijk te koppelen waren aan de doelen. Artikel 1 is nu opgesplitst in een aantal thema’s, waaronder arbeidsverhoudingen en -voorwaarden. Daarnaast hebben we ook een beleidstheorie opgesteld specifiek voor dit thema. Dit maakt het te evalueren beleid overzichtelijker. Ook kunnen we zo meer uitspraken doen over doeltreffendheid en doelmatigheid.Onder dit thema vallen alle evaluaties van het beleid rond arbeidsverhoudingen en -voorwaarden. Dit omvat ook beleidswijzigingen die hebben plaatsgevonden, zoals de Wet Arbeidsmarkt in Balans, de Implementatiewet herziene detacheringsrichtlijn en de Meldingsplicht Wet Arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie. SZW monitort en evalueert de effecten van deze instrumenten – en andere instrumenten op dit thema.41Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Daarnaast is in de Kamerbrief van april 2023 het arbeidsmarktpakket aangekondigd. Daarin worden maatregelen aangekondigd zoals Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden, en maatregelen voor flexcontracten. Deze maatregelen vallen onder dit thema. Om in de toekomst een gedegen evaluatie van de maatregelen uit het arbeidsmarktpakket uit te kunnen voeren zal het ministerie een jaarlijkse monitor uitvoeren.In april 2025 heeft de Tweede Kamer de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten aangenomen. Deze wet heeft als doel de positie van kwetsbare uitzendkrachten te verbeteren en een gelijk speelveld te creëren voor uit- en inleners. In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Wet is reeds een ex-ante evaluatie van start gegaan. Drie jaar na inwerkingtreding volgt een tussentijdse evaluatie van de wet.Het beleid Arbeidsverhoudingen en -voorwaarden heeft ook effecten buiten de bescherming van de positie van werkenden. Bijvoorbeeld op de wendbaarheid van bedrijven en de arbeidsproductiviteit van Nederland. De verschillende evaluaties, waaronder in de monitor van het arbeidsmarktpakket, zullen ook hierop ingaan.Op alle onderwerpen binnen het thema volgt er dus een evaluatie. Ook zullen ze allemaal deel uitmaken van de periodieke rapportage die in 2027 gepland staat. De verschillende onderwerpen kunnen zich wel in andere evaluatiefases bevinden.Thema 4: Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kindHet beleid van SZW op het gebied van arbeid en zorg en de ontwikkeling van het kind valt uiteen in de onderwerpen kinderopvang, kinderbijslag, kindgebonden budget (tegemoetkoming ouders) en arbeid en zorg (onder andere zwangerschaps- en bevallingsverlof, ouderschapsverlof en flexibel werken).Dit thema in de SEA maakt inzichtelijk dat het beleid arbeidsdeelname van ouders wil bevorderen en hun inkomensondersteuning wil bieden. Zo krijgen mensen controle op hun werk en leven én tegelijk de mogelijkheid zich te kunnen ontwikkelen. Daarnaast wil het beleid een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het kind en het bestrijden van armoede onder kinderen.De komende jaren zullen we als Ministerie van SZW ons beleid evalueren. We kijken dan naar alle onderwerpen die raken aan arbeid en zorg, en de ontwikkeling van het kind. Wat zijn de doelen van dit SZW-beleid? Welk inzicht hebben we op dit vlak nodig? En vooral ook: waar zit overlap en waar ontbreekt kennis of een eventuele hogere doelomschrijving en link met ander (SZW- of rijks-)beleid?De subthema’s kinderopvang, tegemoetkoming ouders en arbeid en zorg hebben nu alle drie een eigen evaluatieplanning. Momenteel vinden twee van de drie periodieke rapportages plaats, op de subthema’s Kinderopvang en Tegemoetkoming Ouders. Het subthema Arbeid en Zorg heeft afgelopen jaar een periodieke rapportage gehad. We sorteren voor, onder voorbehoud van uitkomsten van de lopende rapportages, op één gezamenlijke periodieke rapportage in de volgende evaluatiecyclus. Deze gezamenlijke periodieke rapportage zal de periodieke rapportages per subthema vervangen. Alle onderwerpen binnen het thema zullen deel uitmaken van 42Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 deze periodieke rapportage. Ook zullen we een gezamenlijke beleidstheorie opstellen. De verschillende onderwerpen kunnen zich wel in andere evaluatiefases bevinden.KinderopvangKinderopvang moet zowel de arbeidsdeelname van ouders bevorderen als de ontwikkeling van het kind stimuleren. Het beleid richt zich op kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare kinderopvang zodat ouders ook gebruik maken van kinderopvang. Op dit moment loopt er een periodieke rapportage over het doel «bevorderen van arbeidsparticipatie». Daarnaast is er de periodieke rapportage over het doel «stimuleren van de ontwikkeling van het kind (2023)». Samen vormen ze de evaluatie over het totale kinderopvangbeleid.Verder werkt het kabinet aan een wettelijk kinderopvangstelsel in Caribisch Nederland. In juni 2024 is de Wet kinderopvang BES (Wko BES) gepubliceerd. Doel van deze wet is de kwaliteit en de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang te verbeteren. De Wko BES treedt naar verwachting op 1 januari 2026 in werking.Het kabinet introduceert een nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang. Deze nieuwe financiering is eenvoudiger, biedt ouders meer zekerheid en maakt kinderopvang voor veel ouders beter betaalbaar. De inkomensafhankelijke, ingewikkelde en onzekere kinderopvangtoeslag verdwijnt. Er komt een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding voor alle werkende ouders voor terug. De overheid betaalt deze vergoeding rechtstreeks aan kinderopvangorganisaties. Ouders weten vooraf waar ze recht op hebben, dus de overheid vordert niet meer terug bij ouders. Voor deze nieuwe financiering is een wetswijziging nodig. Voor deze wijziging zal SZW een uitgebreid monitoring- en evaluatieplan opstellen. Daarmee volgen en onderzoeken we de gevolgen van de wijzigingen.Tegemoetkoming oudersDe overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen. Dit doet zij via de Algemene kinderbijslagwet (inclusief de dubbele kinderbijslag en extra kinderbijslag - AKW+), het kindgebonden budget en de kinderbijslagvoorziening BES.Sinds de vorige beleidsdoorlichting Artikel 10 Tegemoetkoming ouders zijn verschillende wijzigingen doorgevoerd in de kinderbijslag. In 2020 heeft het (toenmalige) kabinet de kinderbijslag ontkoppeld van de studiefinanciering. Hierdoor behouden ouders het recht op kinderbijslag en kindgebonden budget wanneer het kind studiefinanciering ontvangt. Daarnaast is op 1 juli 2024 een wijziging in de dubbele kinderbijslag intensieve zorg doorgevoerd. De SVB kent sindsdien automatisch de dubbele kinderbijslag toe als het kind een Wlz-indicatie heeft (Wet langdurige zorg). Ouders ontvangen de dubbele kinderbijslag intensieve zorg ook standaard met zes maanden terugwerkende kracht.In de afgelopen jaren hebben het kabinet en de Tweede Kamer geïnvesteerd in de kindregelingen, vooral in het kindgebonden budget. Het kindgebonden budget is op een aantal punten gewijzigd. Deze intensiveringen en aanpassingen komen terug in de periodieke rapportage die het kabinet in 2025 oplevert. Deze rapportage onderzoekt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de kinderbijslag en het kindgebonden budget en reflecteert op de opvolging van de aanbevelingen uit de beleidsdoorlichting. De periodieke rapportage gaat ook in op de doelmatigheid van de kinderbijslag 43Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 BES. SZW besteedt separaat onderzoek hiernaar uit. Als uit de periodieke rapportage blijkt dat er nog ‘witte vlekken’ zijn, kan dat aanleiding zijn voor aanvullend onderzoek.Arbeid en zorgHet beleidsterrein Arbeid en Zorg maakt het mogelijk om arbeid en zorg te combineren. In de Wet arbeid en zorg zijn de verlofregelingen opgenomen. Dit verlof kan worden gebruikt voor de zorg voor kinderen, de zorg voor naasten en bij calamiteiten. Er wordt op dit moment gewerkt aan het vereenvoudigen van het verlofstelsel. Over de mogelijkheden voor vereenvoudiging is de Tweede Kamer eerder geïnformeerd (Kamerstukken II 2022/23, 32 855, nr. 38 en Kamerstukken II 2023/24, 32 855, nr. 39). Zeer binnenkort wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over het nieuwe, vereenvoudigde verlofstelsel.UWV heeft in 2024 onderzoek gedaan naar de eerste ervaringen van ouders, werkgevers en UWV met het betaald ouderschapsverlof.13 Deze invoeringstoets is eind 2024 gedeeld met de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2024/25, 26 447, nr. 60). In 2025 volgt de eerste evaluatie van het betaald ouderschapsverlof. Hierin wordt gekeken naar het gebruik en de effecten van dit verlof. Ook de Wet flexibel werken valt onder het beleidsterrein Arbeid en Zorg. Door deze wet kunnen werknemers vragen om aanpassing van hun arbeidsduur, arbeidstijden en arbeidsplaats. In 2026 wordt de Wet flexibel werken opnieuw geëvalueerd.In 2024 is onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het Arbeid en Zorg-beleid. Deze periodieke rapportage is eind 2024 gedeeld met de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2024/25, 26 447, nr. 60). Hierin is ook de beleidstheorie Arbeid en Zorg opgenomen. Uit de periodieke rapportage blijkt dat de doelstellingen van het beleidsterrein redelijk tot behoorlijk goed worden bereikt met de bestaande regelingen. Er konden geen uitspraken worden gedaan over de doelmatigheid. In mei is de Tweede Kamer geïnformeerd over wat de vervolgstappen zijn (Kamerstukken II 2024/25, 31 865, nr. 281). Bijvoorbeeld voor toekomstige onderzoeken en evaluaties. Waar mogelijk worden in vervolgonderzoek beide partners en kwantitatieve effecten in de tijd meegenomen.Thema 5: Pensioen en oudedagOm ons pensioenstelsel toekomstbestendiger te maken, hebben kabinet en sociale partners in 2019 het pensioenakkoord gesloten. De maatregelen die daaruit voortvloeien moeten deze oudedagsvoorziening verbeteren en mensen uitzicht bieden op een koopkrachtig pensioen. Zo’n koopkrachtig pensioen sluit aan bij het SZW-doel ‘mensen hebben een vangnet bij ouderdom’.Daarnaast bevat het pensioenakkoord tijdelijke maatregelen rond duurzame inzetbaarheid en eerder stoppen met werken. Deze zijn uitgewerkt in onder andere de subsidieregeling Maatwerk duurzame inzetbaarheid en Eerder uittreden (MDIEU), de Regeling voor vervroegde uittreding (RVU) en de uitbreiding van verlofsparen. Deze maatregelen sluiten aan bij het SZW-doel ‘mensen hebben (duurzaam) gezond en veilig werk’. De maatregelen rond de oudedagsvoorziening en een koopkrachtig pensioen zijn uitgewerkt in het wetsvoorstel Toekomst Pensioenen (WTP).13 Met de Wet betaald ouderschapsverlof kregen werknemers recht op negen weken gedeeltelijk betaald ouderschapsverlof.44Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De evaluaties van deze wetten zijn geagendeerd in de SEA. Daarnaast monitort SZW de voortgang van de transitieperiode van de WTP (2023-2028). In 2028 is de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel afgerond. De ervaringen van deelnemers, en de effecten van de transitie worden in de jaren daarna geëvalueerd.Ook is in het pensioenakkoord overeengekomen dat de AOW-leeftijdsverhoging vanaf 2020 langzamer omhoog gaat en vanaf 2025 wordt gekoppeld aan de levensverwachting. SZW monitort de gevolgen van de leeftijdsverhoging op de arbeidsparticipatie, gebruik van uitkeringen, gezondheid en duurzame inzetbaarheid. De AOW-monitor is tussen 2019 en 2024 jaarlijks uitgebracht. Ook in de periode 2025 tot en met 2027 zal SZW deze monitor laten uitvoeren. Verder is er een onderzoek voorzien naar knelpunten en kansen rond gezond doorwerken tot aan het pensioen. In dit onderzoek is aandacht voor het perspectief van zowel de werkende als de werkgever. Zo kan het duidelijk worden welke factoren de uittreedleeftijd bepalen en hoe we langer doorwerken kunnen stimuleren. SZW zal dit onderzoek samen met de voortgangsrapporten van de monitoring en evaluatie van de MDIEU benutten om beslissingen te nemen in het vervolg van de discussie over zwaar werk en maatregelen voor duurzame inzetbaarheid.Een periodieke rapportage op het onderwerp gezond naar pensioen is voorzien voor 2027. Naast opgedane ervaringen met de MDIEU en RVU, is het streven om verbinding te leggen met het thema ‘leven lang ontwikkelen’ en gezondheidsthema’s rond ouder worden. De periodieke rapportage voor ‘oudedagsvoorziening’ is vooralsnog voorzien voor 2028/2029. SZW zal alle beleidsinstrumenten evalueren, waarmee de SEA dekkend is voor het thema.Thema 6: Armoede en schuldenEen van de strategische doelen van SZW is dat mensen een vangnet hebben als ze dat nodig hebben. Maar in de praktijk kampen nog te veel mensen in Nederland met ernstige geldzorgen, problematische schulden of leven onder of rond de armoedegrens. De persoonlijke impact hiervan op mensen is groot. En daarnaast betalen we hiervoor als samenleving ook een hoge prijs. Het kabinet zet daarom in op het Nationaal Programma Armoede en Schulden.Met het Nationaal Programma Armoede en Schulden wil het kabinet een toename van (kinder)armoede voorkomen, en zo mogelijk verder terugdringen. Het kabinet wil de langetermijneffecten van armoede tegengaan en mensen in armoede helpen vooruit te komen. Ook moeten problematische schulden worden voorkomen. En als er schulden ontstaan, moeten drie dingen beter: een kleine vordering moet klein blijven, mensen met schulden moeten overzicht houden, en er moet snelle en goede schuldhulpverlening beschikbaar zijn. Met dit programma wil het kabinet nadrukkelijk ook voorzieningen beter toegankelijk maken. Zo krijgen mensen meer bestaanszekerheid en de ruimte om mee te doen in de samenleving.Het kabinet stelt jaarlijks een monitor op bij de rapportage aan de Tweede Kamer over de voortgang van het programma. Hiermee biedt het kabinet inzicht in de aard van de problematiek en ontwikkelingen in het armoede- en schuldenbeleid. En bekijken we aan de hand van verschillende kwantitatieve gegevens en indicatoren of we op de goede weg zijn. Samen met de monitors en evaluaties van de beleidsinstrumenten onder dit thema vormt dit de input voor de overkoepelende periodieke rapportage die voor dit begrotingsjaar 2026 gepland staat. De onderwerpen binnen het thema 45Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 worden zodoende allen geëvalueerd en worden ook meegenomen in de periodieke rapportage. De onderwerpen kunnen zich daarbij wel in verschillende evaluatiefases bevinden.Thema 7: Bijstand en participatieIn Nederland bestaat een vangnet voor wie (tijdelijk) niet zelf in het bestaan kan voorzien. Sinds 2015 regelt de Participatiewet een deel van deze voorzieningen. Deze wet biedt net als zijn voorgangers inkomenssteun aan mensen die het tegenzit via de bijstand en helpt hen om weer (gedeeltelijk) aan het werk te komen. Samenhangend met de Participatiewet stimuleert de Wet banenafspraak en het quotum arbeidsbeperkten werkgevers om mensen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen.De afgelopen jaren is gebleken dat de Participatiewet niet altijd uitpakt zoals bedoeld. Daarom is het traject Participatiewet in balans gestart. Eerder is met het Breed Offensief al gepoogd om de situatie van mensen met een arbeidsbeperking binnen de Participatiewet te verbeteren.SZW monitort de Participatiewet al sinds de introductie in 2015 uitgebreid. Zo verschijnt jaarlijks een monitoringsbrief Participatiewet en twee keer per jaar een factsheet Participatiewet met de belangrijkste cijfermatige ontwikkelingen. Daarnaast schetst de Nederlandse Arbeidsinspectie een beeld van het stelsel werk en inkomen in de Spiegel Bestaanszekerheid, met veel aandacht voor de Participatiewet. In de monitoring en evaluatie van de Participatiewet zoeken we ook nadrukkelijk aansluiting bij ontwikkelingen in het sociale domein.Op dit moment bestaat er al specifieke aandacht voor het onderzoeken van potentiële brede baten (bijvoorbeeld op het gebied van zorggebruik) die kunnen ontstaan bij dienstverlening aan bijstandsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden. Een ander belangrijk aspect, dat ook in de evaluatie van de Participatiewet benoemd werd, is de duurzaamheid van werk(hervatting). Deze onderwerpen zullen de komende jaren prominent aan de orde komen bij onderzoek naar de werking van de Participatiewet. Een periodieke rapportage van de effecten (inclusief de werking van enkele specifieke instrumenten binnen de Participatiewet) van het huidige beleid verschijnt in 2027, waarbij we ook, voor zover relevant, de inzichten uit eerdere periodieke rapportages (onder andere Jonggehandicapten, SUWI en Armoede & Schulden) meenemen. Vanwege de decentrale uitvoering van het beleid, zullen we de periodieke rapportage vooral uit (landelijk) stelselperspectief bezien. Daarbij gaan we niet in op individuele gemeenten. In de periodieke rapportage zullen we, voor zover mogelijk, ook de effecten van de maatregelen uit het Breed Offensief en Participatiewet in Balans (spoor 1) onderzoeken.Thema 8: JonggehandicaptenHet thema jonggehandicapten omvat de doelstelling om jonggehandicapten in de Wajong via een uitkering een financieel vangnet te bieden als dat nodig is. En de kans zich te ontwikkelen op weg naar betaald werk, zodat ze zelf kunnen bijdragen aan hun (financiële) toekomst.Op basis van de bevindingen uit de beleidsdoorlichting Wajong in 2018 heeft het toenmalige kabinet de Wajong aangepast. Met de Wet vereenvoudiging Wajong zijn diverse maatregelen in de Wajong verwerkt. Die zorgen er onder andere voor dat meer (gaan) werken loont. Ook kunnen Wajongers tot de AOW-leeftijd herleving van hun Wajonguitkering aanvragen als dat nodig is. En ze behouden hun uitkering als zij onderwijs (gaan) volgen. 46Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Daarnaast is UWV in 2017 gestart met een nieuw dienstverleningsmodel om jonggehandicapten die kunnen werken te helpen bij het vinden van werk. De onderzoeksplanning heeft de afgelopen tijd in het teken gestaan van het afronden van een evaluatie naar de effectiviteit van deze dienstverlening, het uitvoeren van een wetsevaluatie en een periodieke rapportage in 2025. Op basis van de resultaten van deze onderzoeken werkt SZW aan een nieuwe onderzoeksplanning.De onderwerpen binnen het thema worden allemaal geëvalueerd en zullen ook mee worden genomen in de periodieke rapportage. De verschillende onderwerpen kunnen zich wel in andere evaluatiefases bevinden.Thema 9: Werkloosheid werknemersBij het thema ‘werkloosheid werknemers’ gaat het erom werknemers inkomensbescherming te bieden bij werkloosheid en hen te stimuleren een nieuwe baan te vinden. Hiertoe heeft SZW in 2023 een periodieke rapportage opgesteld. De toenmalige Minister van SZW heeft deze dat jaar naar de Tweede Kamer gestuurd. Een van de aanbevelingen uit de periodieke rapportage was vervolgonderzoek naar de effecten van de duurverkortingsmaatregelen uit de Wet werk en zekerheid. Dit onderzoek is inmiddels afgerond. De resultaten zijn onlangs aangeboden aan de Tweede Kamer. Verder is UWV begin 2025 gestart met een vier jaar durend experiment met de sollicitatieplicht in de werkloosheidswet (WW) en onderzoek naar de effecten daarvan. Het onderzoek vergelijkt de effectiviteit van diverse varianten van de invulling van de sollicitatieplicht in de WW. Over het verloop en de voorlopige resultaten van het experiment in de praktijk zal medio 2027 worden gerapporteerd. De eindevaluatie is naar verwachting begin 2029 beschikbaar.De onderwerpen binnen het thema worden met uitzondering van de IOW allemaal geëvalueerd en zullen ook mee worden genomen in de periodieke rapportage. De verschillende onderwerpen kunnen zich wel in andere evaluatiefases bevinden. Voor de IOW wordt nog bezien of een nieuwe evaluatie nodig is. De IOW is in 2020 reeds geëvalueerd en loopt af in 2028.Thema 10: Ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemersIn Nederland beschermen we werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Ook ondersteunen we deze mensen naar werk (re-integratie). Thema 10 gaat over deze onderwerpen.Dit jaar voeren we een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) uit. Dit onderzoek gaat over het stelsel voor zieke en arbeidsongeschikte werknemers. Het IBO kijkt naar hoe het stelsel betaalbaar en beheersbaar kan blijven. Mensen die ziek of arbeidsongeschikt zijn, kunnen soms voor een deel nog werken. Het IBO onderzoekt hoe we deze mensen kunnen stimuleren om dit te doen. Het IBO publiceert de resultaten in het najaar van 2025.In 2024 heeft de Minister van SZW de Tweede Kamer geïnformeerd over de periodieke rapportage ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers. In deze periodieke rapportage onderzoekt het ministerie of de verschillende regelingen over ziekte en arbeidsongeschiktheid doen wat ze moeten doen. Na het sturen van de Kamerbrief heeft het kabinet het eerdergenoemde IBO ingesteld. Hier geeft SZW nu eerst prioriteit aan. Als er meer bekend is over de resultaten van het IBO, kijkt het ministerie hoe het deze resultaten mee kan nemen in de periodieke rapportage. 47Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Binnen het ministerie is afgesproken dat periodieke rapportages ook de wet- en regelgeving in Caribisch Nederland onderzoeken. De Wijzigingswet SZW-wetten BES 2024 wijzigt de Wet ongevallenverzekering BES en de Wet ziekteverzekering BES. Een deel van deze wijzigingen treedt per 1 juli 2025 in werking. Een ander deel van de Wijzigingswet SZW-wetten BES 2024 wordt op een later tijdstip van kracht. Omdat deze wetten nog gewijzigd worden, nemen we ze nu niet mee in de periodieke rapportage. Latere periodieke rapportages over het thema ‘ziekte en arbeidsongeschiktheid’ zullen deze wetten wel evalueren.Verder voert het ministerie onderzoeken uit op losse thema’s. Bijvoorbeeld naar hoeveel werkgevers een verzuimverzekering hebben. En een onderzoek naar alles wat we nog niet weten als het gaat om re-integratie.De onderwerpen binnen het thema worden allemaal geëvalueerd en zullen ook mee worden genomen in de periodieke rapportage. De verschillende onderwerpen kunnen zich wel in andere evaluatiefases bevinden.Thema 11: Inkomensondersteuning nabestaanden en wezenHet beleid over nabestaanden en wezen beschermt deze groepen tegen financiële gevolgen van het verlies van partner of ouder(s). Op basis van de Algemene nabestaandenwet (Anw) beschermt de overheid nabestaanden tegen de financiële gevolgen van het verlies van een partner of ouder(s). De nabestaandenuitkering garandeert achterblijvende partners bestaanszekerheid. Het vangnet voor wezen is de wezenuitkering.In de afgelopen jaren zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de Anw. Zo is er in navolging op de beleidsdoorlichting van 2019 een verkennend kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de wezenuitkering. Uit dit onderzoek blijkt in 2022 dat zowel de doeltreffendheid als doelmatigheid van de wezenuitkering te vergroten zijn.In 2023 heeft het Nibud de kosten van levensonderhoud voor wezen onderzocht. Op basis van de onderzoeken uit 2022 en 2023 worden verbetermogelijkheden voor wezenuitkering en de effecten daarvan verder verkend.Verder heeft de SVB in 2023 een intern onderzoek uitgevoerd naar het ‘niet-gebruik’ van de wezenuitkering. Daaruit bleek dat veel wezen die recht hebben op een wezenuitkering, daar geen gebruik van maken. Daarnaast zijn er voor de nabestaanden doelgroep binnen de Anw twee zogeheten klantreizen uitgezet in 2022. Naar aanleiding van deze klantreizen verbetert de SVB de dienstverlening aan Anw-gerechtigden op verschillende punten.In 2025 wordt een onderzoek uitgezet bij het CBS. Dit onderzoek gaat over de inkomens- en arbeidsmarktpositie van nabestaanden voor, tijdens en na afloop van hun Anw-uitkering, niet-gebruik van de nabestaandenuitkering en het niet-gebruik van de wezenuitkering. De SVB verwacht de resultaten in 2026. In 2026/2027 start het syntheseonderzoek op de Anw. In 2028 wordt de periodieke rapportage naar de Tweede Kamer gestuurd.De onderwerpen binnen het thema worden allemaal geëvalueerd en zullen ook mee worden genomen in de periodieke rapportage. De verschillende onderwerpen kunnen zich wel in andere evaluatiefases bevinden.48Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Thema 12: Integratie en maatschappelijke samenhangSZW wil bijdragen aan een inclusieve en sociaal stabiele samenleving waarin mensen in verscheidenheid met elkaar samen leven en kunnen participeren in de maatschappij. Het beleid van integratie en maatschappelijke samenhang richt zich op het mogelijk maken dat iedereen meedoet in de samenleving. Daartoe worden gelijkwaardige kansen en evenredige posities op de arbeidsmarkt bevorderd, ingezet op een snelle en goede inburgering van nieuwkomers en inclusief en gelijkwaardig samenleven gestimuleerd. Ook is het weerbaar maken tegen ongewenste beïnvloeding en het versterken van de sociale stabiliteit een doel van dit beleid.Op 7 februari 2025 heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie zijn beleidsplannen op het terrein van samenleven en integratie voor de komende jaren aan de Tweede Kamer aangeboden in de Actieagenda Integratie en de Open en Vrije Samenleving. Deze agenda vormt de basis voor de doorontwikkeling van het beleid en de keuze voor welke beleidsinstrumenten worden ingezet. Daarbij worden ook de inzichten meegenomen die de periodieke rapportage Integratie en Maatschappelijke samenhang uit 2023 heeft opgeleverd. Die rapportage liet zien dat groepen met een migratieachtergrond in het algemeen nog steeds een minder gunstige sociaaleconomische positie innemen dan gemiddeld. Dit beeld is zichtbaar in bijvoorbeeld het onderwijs, op de arbeidsmarkt en in het inkomen. Verder bleek dat er tussen maatschappelijke domeinen verschillen bestaan in positie en positieontwikkeling. In het onderwijs is bijvoorbeeld een duidelijke inhaalslag te zien in de afgelopen periode. Tegelijkertijd is de problematiek op de arbeidsmarkt weerbarstiger en kent het sterkere conjunctuurinvloeden. Desalniettemin blijkt uit de rapportage dat het beleidsprogramma Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA) doeltreffend is. Dit heeft ertoe geleid dat inmiddels op verzoek van de Tweede Kamer (Motie Ergin, Kamerstukken II 2023/24, 32 824, nr. 419) en de belangrijkste actoren op de arbeidsmarkt (verenigd in de Taskforce VIA) een tweede Werkagenda VIA is opgesteld. Hiermee wordt het doeltreffende beleid verder geïntensiveerd. Deze tweede Werkagenda VIA draagt bij aan de doelen van de Actieagenda Integratie en de Open en Vrije Samenleving. De werkagenda VIA is inmiddels uitgebreid met het Plan van Aanpak Statushouders aan Werk inclusief een intensivering daarvan. Daarbij gaat het om verschillende maatregelen om de toeleiding van statushouders naar werk te verbeteren.De inzichten uit de periodieke rapportage 2023 worden de komende jaren gebruikt om het beleid verder te onderbouwen en ontwikkelen. Zo wordt de beleidstheorie aangevuld en getoetst met monitoring en evaluatie van de Werkagenda VIA. Ook worden evaluaties opgezet van een aantal acties gericht op het bevorderen van samen leven.Beleidsonderwerpen rondom Samenleven en Weerbare Samenleving bevinden zich nog veelal in de beleidsontwikkelingsfase en zijn daarom niet evenredig vertegenwoordigd in de evaluatieplanning. Wel worden alle onderwerpen binnen het thema geëvalueerd. Ook de beleidsonderwerpen rondom Samenleven en Weerbare Samenleving zullen dus mee worden genomen in de periodieke rapportage in 2029. Recentelijk is, mede als doorwerking van de periodieke rapportage uit 2023, het traject rondom de beleidstheorie afgerond. Hierin zijn de wetenschappelijke fundering van de beleidstheorie van Weerbare Samenleving getoetst en de beleidsdoelstellingen geëxpliciteerd. Die toetsing bevat ook de eerste aanzet voor een indicatorenstelsel om dit beleidsonderdeel te gaan monitoren. Dit instrument wordt momenteel verder uitgewerkt.49Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De Wet inburgering 2021 is op 1 januari 2022 van kracht geworden. De kennisbehoefte rondom deze wet is uitgewerkt in een Monitoring- en Evaluatieplan Wi2021 (M&E-plan) en vertaald in een onderzoeksagenda voor de periode 2022-2027. De kennisbehoefte omvat de werking, het doelbereik en de doeltreffendheid en doelmatigheid van de Wi2021. De hiertoe uitgevoerde en uit te voeren onderzoeken worden ook meegenomen in de periodieke rapportage in 2029.De onderwerpen waarmee SZW zich bezighoudt zijn maatschappelijk brede thema’s en dit betekent dat er ook interdepartementaal wordt samengewerkt. Voorbeelden daarvan zijn - in aanvulling op de eerdergenoemde Werkagenda VIA waarin samengewerkt wordt met OCW en negentien andere partners - de meerjarige longitudinale onderzoeken onder het cohort statushouders (LOCS) en Oekraïense vluchtelingen (LOCOV). Voor deze onderzoeken wordt er samengewerkt met JenV, een consortium van kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties. Een ander voorbeeld is de beleidsontwikkeling en organisatie van de brede beleidsinformatiestructuur op het thema demografie waarvoor negen departementen samenwerken. Bij al deze projecten is SZW trekker.Thema 13: Uitvoering SUWI-stelselDe Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (de Wet SUWI) regelt de structuur voor de uitvoering van taken rond arbeidsvoorziening en sociale verzekeringswetten. Deze structuur moet bijdragen aan bestaanszekerheid en meer arbeidsdeelname.Momenteel loopt de periodieke rapportage Uitvoering SUWI-stelsel voor de periode 2020-2025. Het onderzoek kijkt naar de mate waarin we de uitvoering van de socialezekerheidswetgeving binnen het huidige SUWI-stelsel als rechtmatig, doelmatig, doeltreffend en klantgericht kunnen beschouwen in deze periode. Het onderzoek is grotendeels gebaseerd op bestaande bronnen (synthesestudie), aangevuld met interviews met relevante betrokkenen binnen het SUWI-domein. De onderwerpen binnen het thema worden allemaal geëvalueerd en worden meegenomen in de periodieke rapportage. De verschillende onderwerpen kunnen zich wel in andere evaluatiefases bevinden.Daarnaast richt het onderzoek zich op de werkbaarheid en effectiviteit van het toezicht binnen het stelsel, evenals op de manier waarop inrichting, aansturing, toezicht en uitvoering gezamenlijk bijdragen aan een doelmatig en doeltreffend SUWI-stelsel waarin het burgerperspectief centraal staat. In dat kader staat het onderzoek stil bij de verbeteracties die het kabinet sinds 2020 heeft ingezet naar aanleiding van onder andere Werk aan Uitvoering, het rapport van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het rapport van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties. Deze acties hadden als doel om de uitvoering te versterken, met meer nadruk op de menselijke maat en het belang dat mensen gehoord en gezien worden.Het onderzoek moet duidelijk maken of deze investeringen tussen 2020 en 2025 daadwerkelijk hebben geleid tot verbeteringen in de werking van het SUWI-stelsel. Het kabinet zal het rapport en zijn reactie daarop in 2026 aanbieden aan de Tweede Kamer.50Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Thema 14: Werk aan UitvoeringHet programma Werk aan Uitvoering (WaU) is in het leven geroepen om de publieke dienstverlening duurzaam te verbeteren. Centraal staan een betere dienstverlening aan burgers en bedrijven, meer ruimte voor de professional en een meer lerende overheid. Binnen dit SEA-thema wordt het beleid rondom de uitvoering van deze ambities geëvalueerd en wordt inzicht opgebouwd in de vraag wat werkt om de uitvoering van publieke taken effectiever, mensgerichter en wendbaarder te maken.In het coalitieakkoord van Rutte IV zijn middelen gereserveerd voor het verbeteren van de publieke dienstverlening. Gedurende 10 jaar is jaarlijks circa € 600 miljoen gereserveerd aan incidentele middelen, met een aanloop van € 200 miljoen in 2022. Structureel is vanaf 2032 jaarlijks € 133 miljoen beschikbaar. De middelen worden ingezet ten behoeve van het toekomstbestendiger maken van de publieke dienstverlening, het versnellen van de digitale agenda en het verbeteren van de statuur van de uitvoering. Een deel van de middelen is gereserveerd om gezamenlijke plannen ter verbetering van de dienstverlening te bekostigen en daarmee ook organisatie-overstijgende samenwerking te stimuleren.Departementen zijn zelf verantwoordelijk voor het evalueren van de verschillende plannen die zijn gefinancierd met incidentele WaU-middelen. Aan het einde van de reeks voor de incidentele middelen zal een onderzoek plaatsvinden naar deze incidentele WaU-middelen. Dit onderzoek wordt opgepakt door SZW, gezien de Minister van SZW coördinerend bewindspersoon is van het programma Werk aan Uitvoering. Aldus staat het ook op de SEA van SZW. De evaluaties van de departementen worden meegenomen in dit onderzoek. Het onderzoek zal ook een basis bieden voor de vormgeving van de verdeling van de structurele middelen. In de komende periode wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een passende onderzoeksaanpak om het onderzoek goed vorm te geven.Voor een verdere onderbouwing van de Strategische Evaluatie Agenda, zie Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie Agenda. Klik op deze link voor een interactieve versie van de SEA. Voor een overzicht van afgerond evaluatie- en overig onderzoek, klik op deze link.51Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5. Beleidsartikelen5.1 Artikel 1 ArbeidsmarktA. Algemene doelstellingDe overheid draagt bij aan evenwichtige arbeidsverhoudingen en -voorwaarden door kaders te stellen en waar van toepassing toe te zien op de naleving daarvan. De overheid bevordert en stimuleert een inclusieve arbeidsmarkt en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.De overheid bevordert het functioneren van de arbeidsmarkt door bescherming te bieden en de belangen van werknemers te waarborgen in evenwicht met de belangen van de onderneming. De overheid voorziet hierbij in een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming, onder andere ten aanzien van de arbeidsomstandigheden, arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. Daarnaast draagt zij zorg voor een op de arbeidsmarkt toegesneden arbeidsmigratiebeleid.De overheid vindt het belangrijk dat werknemers en zelfstandigen hun werk onder goede condities kunnen verrichten. Dit is ook van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit, het beperken van uitval door ziekte en arbeidsongeschiktheid, en het bevorderen van de duurzame inzetbaarheid van werknemers.De overheid geeft invulling aan bovenstaand beleid door de vormgeving van een stelsel van wet- en regelgeving. Ook ziet de overheid toe op de naleving daarvan. Concreet gaat het daarbij om:–gezond en veilig werken, waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de Arbeidstijdenwet (ATW);–arbeidsverhoudingen, waaronder de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en de Wet op de ondernemingsraden (WOR);–arbeidsrechtelijke bescherming, waaronder de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml), wet- en regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);–toelating van arbeidsmigranten, waaronder de Wet arbeid vreemdelingen (Wav);–de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU);–maatregelen tegen schijnconstructies van werkgevers, waaronder de Ketenaansprakelijkheid voor loon;–de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl);–de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab).Bij het realiseren van deze doelstelling is een belangrijke taak weggelegd voor sociale partners. Zij zijn verantwoordelijk voor het maken van onderlinge afspraken over arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen en het bieden van veilige en gezonde werkomstandigheden. De overheid bevordert dat sociale partners hier vorm en uitvoering aan geven en voert hiertoe overleg met hen.52Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister stimuleert met financiële instrumenten het in dienst nemen van mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt, initiatieven die bijdragen aan gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en aan goede arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. De Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel van minimumeisen. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van dit stelsel;–de vaststelling van de hoogte van het wettelijk minimumloon (Wml) en het maximumdagloon;–het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen, onder andere door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en het in stand houden van een adequate overlegstructuur met de sociale partners;–het bevorderen dat werkgevers en werknemers gezonde en veilige arbeidsomstandigheden en een goed werktijden- en verzuimbeleid realiseren;–het bevorderen dat werkenden gezond en vitaal kunnen doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd;–het zorgdragen voor gelijke kansen voor en tijdens arbeidsdeelname;–het stimuleren en faciliteren van postinitiële scholing ten behoeve van het optimaal functioneren van de arbeidsmarkt;–de handhaving van de wet- en regelgeving door de Nederlandse Arbeidsinspectie.De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsmarktbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.C. BeleidswijzigingenArbeidsmarktpakketMiddels de wetsvoorstellen Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) en Meer zekerheid flexwerkers wordt schijnzelfstandigheid tegengegaan en wordt aan werknemers meer zekerheid geboden. Beide wetsvoorstellen zijn onderdeel van het arbeidsmarktpakket. In de beleidsagenda wordt hier nader op ingegaan.Herziene EU-asbestrichtlijnIn 2026 worden de uitvoeringstechnische aspecten die volgen uit de herziene EU-asbestrichtlijn verder ingericht. Dit betreft onder andere de inrichting van de vergunningverlening door Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 527) en ICT-systemen die regelgeving ondersteunen. De ambitie is om de gewijzigde regelgeving en uitvoerende aspecten op 1 januari 2027 in werking te laten treden.Beperking Compensatieregeling transitievergoeding bij langdurig arbeidsongeschiktheid tot kleine werkgeversHet kabinet streeft ernaar om per 1 juli 2026 de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (Compensatieregeling LAO) te beperken tot kleine werkgevers. Alleen kleine werkgevers kunnen dan nog een beroep doen op deze compensatieregeling wanneer zij een transitievergoeding hebben betaald aan een 53Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is beëindigd. Met deze maatregel wordt een besparing gerealiseerd wat bijdraagt aan houdbare overheidsfinanciën.Voor de definitie van «kleine werkgever» wordt aansluiting gevonden bij de definitie die krachtens artikel 36, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt gehanteerd in artikel 2.19d van het Besluit Wfsv: degene die als kleine werkgever wordt aangemerkt voor de gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Deze definitie van kleine werkgever zal per 1 juli 2026 ook worden gehanteerd voor de compensatieregeling transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming vanwege pensionering of overlijden van de werkgever.Lage-inkomensvoordeel (LIV) en loonkostenvoordelen (LKV)Op 1 januari 2025 is het LIV afgeschaft. In 2025 vinden de laatste betalingen plaats over het LIV van 2024. Op 1 januari 2025 zijn de bedragen van het LKV oudere werknemer verlaagd van € 3,05 per verloond uur met een maximum van € 6.000 per jaar naar € 1,35 per verloond uur met een maximum van € 2.600 per jaar. Op 1 januari 2026 wordt het LKV oudere werknemer afgeschaft. Deze verlaging van het LKV oudere werknemer geldt alleen voor dienstbetrekkingen die zijn begonnen op of na 1 januari 2024.Per 1 januari 2026 treden onderdelen van de Wet banenafspraak (Kamerstukken II 2024/25, 36 449, A) in werking, die het LKV doelgroep banenafspraak vereenvoudigen. Ten eerste hoeven werknemers voor dit loonkostenvoordeel geen doelgroepverklaring meer aan te vragen. Daarnaast wordt het recht op het LKV doelgroep banenafspraak verlengd van maximaal drie jaar naar structureel, waardoor het recht op dit LKV blijft doorlopen zolang de dienstbetrekking voortduurt. Ten slotte wordt de doelgroep van het loonkostenvoordeel (LKV) voor de banenafspraak gelijkgetrokken met de doelgroep van de banenafspraak zelf.Er wordt daarnaast gewerkt aan een wetsvoorstel met onder andere als doel om mensen in de WIA en WW die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen op te nemen in het doelgroepregister banenafspraak en om loonkostensubsidie voor deze groepen beschikbaar te maken. We bevinden ons in de beleidsvoorbereidende fase. Het streven is om nog in 2025 de uitgangspunten voor dit wetsvoorstel vast te stellen.54Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 12 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen2.262.892602.524259.545532.493339.193334.084333.771Uitgaven2.061.879676.336587.419551.603395.018346.022334.4591.0Arbeidsmarkt2.061.879676.336587.419551.603395.018346.022334.459Inkomensoverdrachten610.964258.678112.245219.384213.894214.284215.036Lage-inkomensvoordeel461.659131.96000000Minimumjeugdloonvoordeel16.423000000Loonkostenvoordelen132.882126.718112.245219.384213.894214.284215.036Subsidies (regelingen)1.413.490368.929414.110273.496119.72267.86955.979Overige subsidies algemeen6.5808.9686.3144.6504.4613.3903.390Duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen7.3613.16714.06514.43111.67413.57411.674Stimuleringregeling LLO in MKB56.96278.86971.90076.93058.69743.43040.915Stimulans Arbeidsmarktpositie250000000Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid1.155.793133.74200000Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden186.013139.243317.128172.72440.00000Subsidie meer uren werkt5314.9404.7034.7614.8907.4750Opdrachten31.21742.08250.56048.41944.14845.96545.540Opdrachten31.21742.08250.56048.41944.14845.96545.540Bekostiging100100100100100100100Bekostiging100100100100100100100Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken01854.1314.1314.1314.7814.781Ministerie van VWS056565656706706Ministerie van EZ en LVVN01294.0754.0754.0754.0754.075Bijdrage aan agentschappen5.1085.4624.9734.9734.9734.9734.973Agentschap RIVM5.0275.3644.8754.8754.8754.8754.875Agentschap CJIB81989898989898Bijdrage aan medeoverheden1.0009001.3001.1008.0508.0508.050SPUK Brabants Migratie Informatiepunt (BMIP)1.000000000DU Work in NL09001.3001.1008.0508.0508.050Ontvangsten24.30417.68017.68017.68017.68017.68017.680Tabel 13 Uitsplitsing ontvangsten artikel 1 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Ontvangsten24.30417.68017.68017.68017.68017.68017.6801.0Arbeidsmarkt24.30417.68017.68017.68017.68017.68017.680Ontvangsten24.30417.68017.68017.68017.68017.68017.680Algemeen8.8061.1801.1801.1801.1801.1801.180Boeten15.49816.50016.50016.50016.50016.50016.50055Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Geschatte budgetflexibiliteitTabel 14 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 12026juridisch verplicht92%bestuurlijk gebonden8%beleidsmatig gereserveerd0%nog niet ingevuld / vrij te besteden0%De uitgaven op artikel 1 Arbeidsmarkt zijn voor 92% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitgaven aan de regeling Loonkostenvoordelen (LKV’s).SubsidiesVan het programmabudget van MDIEU is in 2026 100% juridisch verplicht. Verplichtingen die vrijvallen zijn bestuurlijk gebonden als onderdeel van de afspraken in het pensioenakkoord. Resterende middelen worden ingezet voor de uitwerking van de beleidsagenda duurzame inzetbaarheid, die het kabinet en sociale partners zijn overeengekomen als onderdeel van het akkoord ‘Gezond naar het pensioen’ van oktober 2024.Van het programmabudget van het Meerjarig Investeringsprogramma Duurzame Inzetbaarheid en Leven Lang Ontwikkelen (MIP DI&LLO) is in 2026 49% juridisch verplicht en 4% beleidsmatig gereserveerd. 47% is bestuurlijk gebonden.Van het programmabudget van Stimuleringsregeling LLO in MKB is 51% juridisch verplicht. 49% is bestuurlijk gebonden.Van het programmabudget van Meer Uren Werkt is in 2026 66% juridisch verplicht. Het overige budget is bestuurlijk gebonden.Van het overige subsidiebudget algemeen is naar schatting 85% juridisch verplicht. 15% is beleidsmatig gereserveerd.OpdrachtenVan het opdrachtenbudget op artikel 1 is naar schatting 35% juridisch verplicht en 62% bestuurlijk gebonden. Deze inschatting is gemaakt op basis van de openstaande verplichtingen en bestedingsplannen in 2026. Dit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken, evenwichtige arbeidsverhoudingen en handhaving.BekostigingDe jaarlijkse bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen is 100% juridisch verplicht.Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukkenDe bijdragen aan andere begrotingen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit betreft de jaarlijkse bijdrage aan de Gezondheidsraad en aan ‘Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals and Classification, 56Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Labelling and Packaging’ (REACH CLP) van VWS. Verder betreft dit een bijdrage aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) van LVVN en aan EZ ten behoeve van TNO/MAPA.Bijdrage aan agentschappenDe bijdragen aan agentschappen zijn voor 100% juridisch verplicht. Dit is de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de bijdrage aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).Bijdrage aan medeoverhedenDe bijdrages aan medeoverheden betreffen reserveringen voor de verlenging van decentrale uitkeringen ten behoeve van het programma Work in NL. Dit budget is 100% bestuurlijk gebonden.Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierdTabel 15 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 1 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen594.388636.451601.110215.314228.663242.369256.642Uitgaven594.388636.451601.110215.314228.663242.369256.6421.0Arbeidsmarkt594.388636.451601.110215.314228.663242.369256.642Inkomensoverdrachten594.388636.451601.110215.314228.663242.369256.642Compensatieregeling transitievergoeding na langdurige AO584.770625.751564.735187.911193.035198.298203.705Compensatieregeling transitievergoeding bij pensionering9.61810.70010.70010.70010.69910.69910.700Compensatieregeling transitievergoeding na langdurige AO nominaal0025.19815.80323.62031.66440.129Compensatieregeling transitievergoeding bij pensionering nominaal004779001.3091.7082.108Ontvangsten0000000E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten in dit artikel vallen onder de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). De Wtl bestaat uit het LKV (loonkostenvoordeel). Voorheen vielen hier ook het Minimumjeugdloonvoordeel en Lage-inkomensvoordeel onder. Deze zijn respectievelijk per 1 januari 2024 en 1 januari 2025 afgeschaft.LoonkostenvoordelenDe Loonkostenvoordelen (LKV’s) bestaan sinds 2018. De loonkostenvoordelen zijn tegemoetkomingen in de loonkosten voor werkgevers met als doel werkgevers te stimuleren om specifieke groepen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt in dienst te nemen. De tegemoetkomingen worden na afloop van het kalenderjaar uitbetaald, het zogeheten t+1 principe. Werkgevers krijgen in 2026 de tegemoetkoming uitbetaald voor werknemers die in 2025 in dienst waren. De Wtl-tegemoetkomingen gelden niet voor werknemers boven de AOW-gerechtigde leeftijd.57Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 In 2026 zijn er drie typen LKV: LKV arbeidsgehandicapte werknemer, LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer en LKV doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden. Het LKV oudere werknemer wordt per 1 januari 2026 afgeschaft. De laatste uitbetalingen vinden in 2027 plaats, omdat er vanwege het overgangsrecht een groep is die ook in 2026 recht heeft op LKV werknemer.LKV oudere werknemer, LKV arbeidsgehandicapte werknemer en LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer–Als een werkgever een uitkeringsgerechtigde aanneemt van 56 jaar of ouder, geeft dat (tot en met 2025) recht op het LKV oudere werknemer. Dit indien de werknemer in de 6 maanden voor hij in dienst kwam niet in dienst was bij deze werkgever en de werkgever verzekerd is voor een of meer van de werknemersverzekeringen.–Als een werkgever een werknemer aanneemt met een WIA-uitkering, geeft dat recht op het LKV arbeidsgehandicapte werknemer. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze LKV-doelgroep als zij na afloop van de WIA-wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, of als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben. Dit indien de werknemer in de 6 maanden voor hij in dienst kwam niet in dienst was bij deze werkgever en de werkgever verzekerd is voor een of meer van de werknemersverzekeringen.–Als een werknemer met een WIA-uitkering de werkzaamheden bij zijn huidige werkgever hervat, geeft dat recht op het LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer. Werknemers vallen onder voorwaarden ook onder deze doelgroep als zij een WAO- of WAZ-uitkering hebben en de werkzaamheden bij de oude werkgever hervatten. Dit indien de werknemer in de 6 maanden voor hij in dienst kwam niet in dienst was bij deze werkgever.De tegemoetkoming voor het LKV oudere werknemer (dienstverbanden die zijn gestart voor 2024), het LKV arbeidsgehandicapte werknemer en het LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer waren in 2025 € 3,05 per uur en maximaal € 6.000 per jaar. De maximale duur van het LKV oudere werknemer en het LKV arbeidsgehandicapte werknemer is 3 jaar. De maximale duur van het LKV herplaatsen arbeidsgehandicapte werknemer is een jaar. Voor dienstverbanden die zijn begonnen op of na 1 januari 2024 geldt dat de bedragen van het LKV oudere werknemer per 1 januari 2025 zijn verlaagd van € 3,05 per uur naar € 1,35. Het maximumbedrag per jaar is sinds 2025 verlaagd van € 6.000 naar € 2.600. Het LKV oudere werknemer wordt per 1 januari 2026 afgeschaft.LKV doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerdenAls een werkgever een werknemer uit de doelgroep banenafspraak in dienst neemt, is er recht op het LKV banenafspraak en scholingsbelemmerden. Hetzelfde geldt voor zogenoemde scholingsbelemmerden, die de afgelopen 5 jaar door ziekte of gebrek belemmering hebben ondervonden bij het volgen van onderwijs en mensen met een Wajong DGA uitkering. De tegemoetkoming is € 1,01 per uur en maximaal € 2.000 per jaar. Per 1 januari 2026 wordt dit LKV aangepast en geldt dit LKV alleen nog voor personen die in het doelgroepregister banenafspraak zijn opgenomen. Vanaf dat moment heet dit LKV ook het ‘Loonkostenvoordeel banenafspraak’, en vervalt de toevoeging ‘en scholingsbelemmerden’. Tevens wordt de duur van het LKV banenafspraak gewijzigd van maximaal drie jaar naar structureel, zolang het dienstverband duurt. Zolang de werknemer in het doelgroepregister staat, kan ook een volgende werkgever aanspraak maken op het LKV banenafspraak, als hij dit aangeeft in de polisadministratie.58Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire ontwikkelingenHet LKV oudere werknemer wordt stapsgewijs afgeschaft. Dit leidt tot een besparing van € 49 miljoen per jaar vanaf 2027. In de begroting 2025 was de bezuiniging op € 60 miljoen per jaar geschat, maar omdat een deel van de groep recht krijgt op LKV arbeidsgehandicapten is de bezuiniging € 11 miljoen lager dan aanvankelijk gedacht.In het arrest van 24 mei 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij overgang van onderneming het recht op loonkostenvoordeel mee overgaat naar de nieuwe verkrijger. Dit was in tegenstelling tot de toenmalige uitvoering van de loonkostenvoordelen. Doordat UWV na de uitspraak van de Hoge Raad ook loonkostenvoordeel toekent aan werkgevers na een overgang van onderneming stijgen de uitgaven in 2025 en 2026 met € 2,2 miljoen per jaar. Het kabinet heeft een wetsvoorstel in voorbereiding waarbij een nieuwe systematiek wordt geïntroduceerd waarbij werknemers bij wisseling van werkgever en een overgang van onderneming van de werkgever een nieuwe doelgroepverklaring kunnen aanvragen, waardoor het resterende recht op loonkostenvoordeel kan doorlopen naar de nieuwe werkgever. De beoogde inwerkingtredingsdatum voor dit wetsvoorstel is 1 januari 2027. Hierdoor zullen de uitgaven aan het LKV vanaf 2028 nog toenemen met een additionele € 1,1 miljoen structureel.Tot slot stijgen de uitgaven aan het LKV doelgroep Banenafspraak doordat de maximale duur van drie jaar wordt verlengd naar structureel en daarnaast door de verbreding van de doelgroep van het LKV Banenafspraak. Op 22 april 2025 is het wetsvoorstel Vereenvoudiging van de banenafspraak en de quotumregeling voor mensen met een arbeidsbeperking aangenomen door de Eerste Kamer. De uitgaven nemen in 2027 toe met € 121 miljoen en structureel met € 102 miljoen.Indien het wetsvoorstel wordt aangenomen waarin geregeld wordt dat mensen in de WIA en WW die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen per 1 januari 2028 worden toegevoegd aan het doelgroepregister banenafspraak, stijgen de uitgaven aan het LKV met € 0,4 miljoen in 2029 en € 0,7 miljoen structureel vanaf 2030.Compensatieregeling transitievergoeding na langdurige arbeidsongeschiktheidVanaf 1 april 2020 worden alle werkgevers gecompenseerd voor de transitievergoeding die zij moeten betalen bij ontslag van een twee jaar zieke werknemer. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de bij ontslag betaalde transitievergoeding. Het kabinet streeft ernaar om per 1 juli 2026 de compensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (CRTV LAO) te beperken tot kleine werkgevers. Alleen kleine werkgevers kunnen dan nog een beroep doen op deze compensatieregeling wanneer zij een transitievergoeding hebben betaald aan een werknemer waarvan de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is beëindigd. Budgettaire ontwikkelingenDoor een verwachte toename van het aantal langdurig arbeidsongeschikte werknemers neemt het aantal toekenningen van de CRTV LAO toe. De beperking van de CRTV LAO tot kleine werkgevers leidt echter tot een sterke daling van het aantal toekenningen vanaf 2026 en 2027 waarna deze weer langzaam toeneemt. Naar verwachting leidt de beperking van de CRTV LAO tot kleine werkgevers tot een daling van de uitgaven met circa 70%.59Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Compensatieregeling transitievergoeding bij pensionering of overlijdenOp 1 januari 2021 is de compensatieregeling transitievergoeding bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming vanwege pensionering of overlijden van de werkgever in werking getreden. De compensatie is afhankelijk van de hoogte van de bij ontslag aan de werknemer betaalde transitievergoeding.Budgettaire ontwikkelingenHet aantal werkgevers dat elk jaar stopt vanwege pensionering of overlijden is redelijk constant. Het is niet de verwachting dat dit in de nabije toekomst verandert. De verwachting is daarom dat de uitgaven elk jaar circa € 11 miljoen bedragen.SubsidiesMaatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU)Een van de maatregelen uit het pensioenakkoord betreft een tijdelijke subsidieregeling die ziet op het faciliteren van maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Sociale partners in sectoren en bedrijven kunnen in gezamenlijk overleg subsidieaanvragen indienen met als doel het duurzaam inzetbaar houden van werkenden, het faciliteren van langer doorwerken en het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die tijdelijk zijn vrijgesteld van de heffing voor regelingen voor vervroegd uittreden (RVUheffing). Binnen de MDIEU is in de periode 2021-2025 subsidie beschikbaar gesteld voor sectoranalyses en activiteitenplannen. Uitbetaling van subsidie vindt gefaseerd plaats in de jaren na subsidietoekenning. Het totale budget van € 1 miljard is verspreid over de jaren 2021 tot en met 2028.Meerjarig investeringsprogramma Duurzame Inzetbaarheid (DI) & Leven Lang Ontwikkelen (LLO)In 2020 is het meerjarige investeringsprogramma duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen (MIP) opgezet. Voor dit programma is structureel € 11,6 miljoen beschikbaar. In 2026 lopen de activiteiten van het MIP door, met als doel bewustwording te creëren en kennis (door) te ontwikkelen. Dit gebeurt onder andere via communicatieactiviteiten en bijeenkomsten, maar voornamelijk via de Expeditie-regeling. Deze regeling is opgezet om een maatschappelijke beweging te stimuleren waarin interventies, werkwijzen en methodieken op het gebied van DI en LLO vaker, beter en sneller worden toegepast. Het kas- en verplichtingenritme van het MIP loopt aanzienlijk uiteen, enerzijds omdat er niet jaarlijks maar tweejaarlijks een aanvraagtijdvak van de Expeditie-regeling wordt geopend, anderzijds omdat het bij deze regeling gaat om meerjarige projecten waarvoor de betalingen veel later plaatsvinden dan de subsidietoekenning.Stimuleringsregeling LLO in MKBIn 2020 is de subsidieregeling Leren en ontwikkelen in het MKB (SLIM) gestart. Met deze regeling wil het kabinet leren en ontwikkelen in het MKB vanzelfsprekend maken. De subsidieregeling is bedoeld voor twee groepen aanvragers: individuele mkb-ondernemingen en samenwerkingsverbanden in het mkb. Ondernemingen kunnen subsidie aanvragen voor het onderzoeken van scholings- en opleidingsbehoeften in een onderneming. Of het inkopen (of verkrijgen) van loopbaanadviezen voor werkenden in de onderneming. Tot slot biedt de regeling ook ruimte voor initiatieven gericht op het ontwikkelen of invoeren van een L&O- methode die werknemers in de onderneming stimuleert kennis, vaardigheden en beroepshouding verder te ontwikkelen. Bijvoorbeeld door het oprichten van een bedrijfsschool of het ontwikkelen en realiseren van 60Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 een systeem van periodieke ontwikkelgesprekken met werknemers in de onderneming. Initiatieven van samenwerkingsverbanden moeten minimaal het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een L&O-methode bevatten. Op basis van een positieve tussenevaluatie is de regeling eind 2024 voor een periode van 5 jaar verlengd. Voor de regeling is in 2026 € 71,9 miljoen beschikbaar. Structureel is er circa € 41 miljoen beschikbaar.Daarnaast is de tijdelijke SLIM-scholingssubsidie sinds maart 2025 beschikbaar voor opleidingen voor maatschappelijk cruciale sectoren. Werkgevers kunnen nieuwe of huidige medewerkers met subsidie scholing laten volgen die bijdraagt aan instroom in, doorstroom binnen en overstappen naar maatschappelijk cruciale sectoren. De subsidie is voor praktijkgerichte opleidingen waarbij mensen tegelijkertijd werken en leren. Het subsidiepercentage hangt af van het niveau van de betreffende opleiding. Met deze subsidie wil het kabinet geld gerichter inzetten om de tekorten in deze sectoren aan te pakken en bijdragen aan duurzame inzetbaarheid van personeel. De subsidie kan vrijwel doorlopend worden aangevraagd door individuele werkgevers. Daarnaast zijn er tijdvakken waarin paritaire collectieven een projectbudget kunnen aanvragen om de deelname aan de gesubsidieerde scholing te stimuleren en faciliteren. Arbeidsmarktregio’s die dat willen, kunnen zich bij zo’n collectieve aanvraag aansluiten om daarmee bij te dragen aan de instroom van werkzoekenden in de sector. Voor de tijdelijke regeling is € 73,8 miljoen beschikbaar voor de periode 2025-2027.Meer Uren Werkt!Het subsidiebudget voor het Groeifondsproject Meer Uren Werkt! is enerzijds bestemd voor de projectsubsidie aan Groeifondspartner Universiteit van Utrecht, en anderzijds voor de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek interventies ter uitbreiding arbeidstijd.Overige subsidies algemeenHet budget voor «overige subsidies algemeen» betreft verschillende subsidies op de beleidsterreinen van arbeidsverhoudingen en gezond en veilig werken. Onder andere wordt subsidie verleend aan de SER ten behoeve van het programma Diversiteit in bedrijf, aan Fairwork voor ondersteuning aan (potentiële) slachtoffers arbeidsuitbuiting, voor het werkprogramma Lexces 2023-2028 en aan Netspar ten behoeve van het werkprogramma 2023-2027.OpdrachtenDit budget wordt divers ingezet voor het stimuleren van gezond en veilig werken en evenwichtige arbeidsverhoudingen. Daarnaast worden middelen ingezet voor het beheer van het wagenpark van de Nederlandse Arbeidsinspectie.BekostigingDit betreft de jaarlijkse bijdrage aan de SER Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen.Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukkenDit betreft de jaarlijkse bijdrage aan de Gezondheidsraad en aan ‘Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of Chemicals and Classification, Labelling and Packaging’ (REACH CLP) van VWS. Verder 61Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 betreft dit een bijdrage aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) van LVVN en aan EZ ten behoeve van TNO/MAPA (maatschappelijk programma arbeidsomstandigheden).Bijdrage aan agentschappenTen behoeve van de jaarlijkse kennisvraag aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is € 4,9 miljoen gereserveerd. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) ontvangt € 0,1 miljoen per jaar.Bijdrage aan medeoverhedenDit betreft reserveringen voor de verlenging van decentrale uitkeringen ten behoeve van het programma Work in NL.OntvangstenDe algemene ontvangsten betreffen ontvangsten uit eigen bijdragen van medewerkers van de Nederlandse Arbeidsinspectie ten behoeve van een andere dienstauto dan het standaardaanbod.De boeteontvangsten betreffen ontvangsten uit boetes opgelegd door de Arbeidsinspectie. De raming van deze ontvangsten is met onzekerheid omgeven. Boeteontvangsten hangen onder andere af van het aantal bedrijven dat wordt bezocht, op welke punten wordt geïnspecteerd en wat bij deze inspecties wordt geconstateerd. Boeteontvangsten zijn niet taakstellend. De Arbeidsinspectie stuurt niet op het behalen van de geraamde boeteontvangsten; zij stuurt uiteraard wel op het innen van de opgelegde boetes.Extracomptabele fiscale regelingenNaast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota.Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Toelichting op de fiscale regelingen’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.Tabel 16 Fiscale regelingen 2024-2026, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1202420252026Arbeidskorting36.01636.92138.107Inkomensafhankelijke combinatiekorting2.0142.1292.230Btw Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten1.1701.2331.3081[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.62Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 KerncijfersArbeidsmarktDe arbeidsmarkt in 2024 was stabiel. De beroepsbevolking is licht toegenomen en de niet-beroepsbevolking licht afgenomen. Dit is een trend die al langere tijd gaande is. De werkzame beroepsbevolking is minder toegenomen dan de jaren ervoor. De werkloze beroepsbevolking is iets meer toegenomen dan de jaren ervoor. Historisch gezien is het werkloosheidspercentage nog steeds laag. Gedurende het jaar schommelde het werkloosheidspercentage tussen 3,6% en 3,7%. Dit is iets hoger dan in 2023, wat past bij het beeld van een iets minder krappe arbeidsmarkt. Voor alle kwartalen gold dat het aantal vacatures hoger lag dan het aantal werklozen, maar was de krapte lager dan in 2023. Eind 2024 ging het om 108 vacatures per 100 werklozen.Zowel de lagere krapte als de iets hogere werkloosheid past bij het algemene conjunctuurbeeld. Hier speelt de toename van de beroepsbevolking een grotere rol dan baanverlies. De beroepsbevolking bestaat uit personen van 15 tot 75 jaar die ofwel betaald werk hebben (werkzame beroepsbevolking), of recent naar betaald werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn (werkloze beroepsbevolking). In 2024 was het aantal mensen dat vanuit niet-beroepsbevolking toetrad tot de arbeidsmarkt maar niet meteen een baan vond en dus werkloos was, groter dan het aantal mensen dat werkloos werd vanuit werk.De ontwikkeling van het werkloosheidspercentage verschilt per leeftijdsgroep. Jeugdwerkloosheid is verder gestegen. Jongeren hebben vaker bijbanen en beschikken vaker over flexibele contracten. Daardoor reageert het werkloosheidscijfer en de participatiegraad van deze groep sterker op conjuncturele schommelingen. Onder oudere werkenden is werkloosheid licht afgenomen. Oudere werkenden hebben vaker vaste contracten, waardoor werkloosheidscijfers minder snel en vertraagd meebewegen met de conjunctuur.Tabel 17 Kerncijfers arbeidsmarktRealisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Beroepsbevolking (x 1.000)9.89810.09610.170Niet-beroepsbevolking (x 1.000)3.3303.2303.217Werkzame beroepsbevolking (x 1.000)9.5489.7379.798Werkloze beroepsbevolking (x 1.000)350359372Werkloosheidspercentage3,53,63,715 tot 25 jaar (jeugdwerkloosheid)7,68,28,725 tot 45 jaar2,92,9345 tot 75 jaar2,52,22,1Bron: CBS, Statline. De kerncijfers in de tabel betreffen de leeftijdsgroep 15 tot 75 jaar.Werkzame beroepsbevolkingHet totaal aantal werkenden is toegenomen, maar dit verschilt per opleidingsniveau. Bij de laagste opleidingscategorie bleef het totaal aantal werkenden nagenoeg gelijk. Het aantal werkenden in de middelste opleidingscategorie is gedaald. Deze daling komt vooral door een daling in het aantal werkenden met een flexibele arbeidsrelatie. Het aantal werkenden met een vaste arbeidsrelatie steeg bij die groep en het aantal zelfstandigen bleef nagenoeg gelijk.63Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 In 2024 waren er bijna 8,2 miljoen werknemers, van wie de meeste een vaste arbeidsrelatie hadden. Dat wil zeggen: een contract voor onbepaalde tijd en een vast aantal uren per week. Vanaf 2016 steeg het aantal vaste werknemers en die stijgende trend zette in 2024 door voor elke opleidingscategorie. Het aantal flexwerknemers nam in 2024 af. De rest van de werkenden, ongeveer 1,6 miljoen, werkte als zelfstandige. Sinds 2013 is het aantal zelfstandigen jaarlijks gestegen. Deze stijging is in 2024 alleen zichtbaar bij de hoogopgeleide beroepsbevolking, wat ook de grootste groep zelfstandigen is. Voor het eerst zette in het 1e kwartaal van 2025 deze trend niet door en was er een daling van het aantal zzp’ers. Dit past bij het beeld dat bedrijven naar verwachting minder zzp’ers zullen inhuren in 2025, waarbij de controle op schijnzelfstandigheid een rol speelt. Het aantal laag opgeleiden met een flexibele arbeidsrelatie is relatief groot. Onder deze groep valt ook een groep jonge flexwerknemers (15-25 jaar) waarvan een groot deel (80%) nog bezig is een diploma te halen.Tabel 18 Kerncijfers werkzame beroepsbevolking, aandeel contractvorm naar opleidingsniveauvaste arbeidsrelatieflexibele arbeidsrelatiezelfstandigentotaalLaag (x 1.000)20228507532481.85120238978072671.97120249088042591.972Midden (x 1.000)20222.0301.0665683.66520232.0511.0875823.72020242.0661.0425803.688Hoog (x 1.000)20222.4138587133.98420232.4478307304.00720242.5068247684.097Totaal (x 1.000)120225.2932.6771.5299.50020235.3952.7241.5799.69820245.4802.6701.6079.7571Totaal is berekend als de som van laag, midden en hoog opleidingsniveau. De categorie onbekend is niet meegenomen in het totaal waardoor het totaal niet overeenkomt met de tabel op statline.Bron: CBS, Statline.Gezond en veilig werkenHet ziekteverzuim is na een piek in 2022 gedaald naar 5,2% in 2024, maar het verzuimpercentage is nog altijd hoog ten opzichte van 2020 en de jaren daarvoor. Het percentage werknemers met een beroepsziekte is in 2023 en 2024 hoger dan de jaren daarvoor, maar is in 2024 wel iets gedaald ten opzichte van een jaar eerder. In de periode 2020-2024 is het aandeel werknemers met een arbeidsongeval vrijwel stabiel en het aantal incidenten met gevaarlijke stoffen ligt tussen 0 en 3 per jaar.64Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 19 Kerncijfers gezond en veilig werkenRealisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Werknemers met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)11,31,31,2Zelfstandigen met een arbeidsongeval met ten minste een dag verzuim (%)20,9‒1,2Ziekteverzuim (%)35,65,35,2Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen4322Werknemers met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)53,33,93,6Zelfstandigen met een volgens henzelf door een arts vastgestelde beroepsziekte (%)21,9‒2,11Bron: CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden.2Bron: CBS/TNO, Zelfstandigen Enquête Arbeid. Deze enquête wordt tweejaarlijks uitgevoerd.3Bron: CBS, kwartaalenquête ziekteverzuim.4Bron: Nederlandse Arbeidsinspectie, administratie.5Bron: CBS/TNO, Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden. In deze enquête wordt tweejaarlijks gevraagd naar beroepsziekten.Arbeidsverhoudingen en -voorwaardenAantal werknemers onder caoDe ontwikkeling van het aantal werknemers dat onder een cao valt hangt samen met het aantal bij SZW aangemelde cao’s in het betreffende onderzoeksjaar. Dit is afhankelijk van de looptijd van cao’s en kan per jaar verschillen, evenals het aantal werknemers dat onder de aangemelde, lopende cao’s valt.Aantal verleende tewerkstellingsvergunningenIn 2024 is het aantal afgegeven tewerkstellingsvergunningen (twv’s) ten opzichte van 2023 sterk toegenomen. De toename komt grotendeels voor rekening van de verleende twv’s voor asielzoekers en kennismigranten kort verblijf. Nadat door de uitspraak van de Raad van State op 29 november 2023 de beperking dat asielzoekers maximaal 24 weken in een periode van 52 weken mogen werken onverbindend is verklaard, is een forse stijging in de arbeidsparticipatie van asielzoekers merkbaar. In 2024 zijn 9.207 vergunningen verleend, ruim 7.000 meer dan in 2023. De groei na de coronajaren in aantal verleende twv’s voor buitenlandse werkstudenten die bijkomende werkzaamheden verrichten, heeft zich ook dit jaar verder doorgezet (van 4.215 in 2020, naar 11.030 in 2023 en 12.509 in 2024). Een vergelijkbare ontwikkeling laat de toename in twv’s voor kennismigranten kort verblijf zien (van 771 in 2021, naar 2.013 in 2023 en 2.532 in 2024). Daarnaast lijken de arbeidsmarkttekorten in verschillende sectoren ertoe te leiden dat werkgevers vaker buiten Nederland en Europa naar personeel zoeken. Het aantal afgegeven arbeidsmarktadviezen voor deze vergunningen (ruim 721) is bijna verdubbeld ten opzichte van coronajaar 2020 (381) en met bijna 50% toegenomen ten opzichte van 2023 (484).Tabel 20 Kerncijfers arbeidsverhoudingen en -voorwaardenRealisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Aantal werknemers onder cao (x 1.000, ultimo)15.9176.1846.142bij direct aan bedrijfstak- en ondernemingscao's gebonden werkgevers4.9795.1845.227bij door algemeen verbindendverklaring gebonden werkgevers9381.001915Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen (x 1.000, ultimo)217,020,229,41Bron: SZW, administratie.2Bron: UWV, kwantitatieve informatie. Het gaat hierbij om verleende tewerkstellingsvergunningen en positieve adviezen ten aanzien van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.HandhavingDe Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) is toezichthouder en opsporingsinstantie van het Ministerie van SZW op de terreinen gezond, veilig en eerlijk werk en bestaanszekerheid voor iedereen. Ook voert de NLA op het gebied 65Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 van pgb- en declaratiefraude opsporingstaken uit voor het Ministerie van VWS. Net als de strafrechtelijke opsporing op het terrein van SZW vinden deze onderzoeken plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.In 2026 zal de NLA verder uitbreiden als gevolg van de invoering van nieuwe wetgeving. In aanloop naar de invoering van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) wordt het toezicht op de uitzendsector door de NLA uitgebreid. Daarnaast gaat het om een kleine uitbreiding voor het uitvoeren van de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS).De NLA werkt (pro-)actief in programma’s op basis van geprioriteerde arbeidsrisico’s. Zo pakt ze complexe vraagstukken gericht en effectief op en kan ze zich snel aanpassen als de maatschappelijke omgeving verandert. Daarnaast acteert de NLA waar nodig reactief via de afhandeling van meldingen van burgers, organisaties en partners en acteert de NLA waar nodig reactief op niet-geprioriteerde arbeidsrisico’s. De opvolging van meldingen vormt ook de komende jaren een substantieel aandachtsgebied van de NLA. Circa de helft van al haar inspanningen betreft reactieve activiteiten.De NLA komt in de praktijk regelmatig onwenselijke of schadelijke situaties tegen waarbij zij niet bevoegd is om op te treden. De NLA wil ook de komende jaren over dergelijke situaties een duidelijk signaal afgeven, zodat andere partijen vanuit hun bevoegdheden daarop wel actie kunnen ondernemen. Hierin past ook dat zij vroegtijdig waarschuwt voor situaties of constructies die weliswaar legaal zijn, maar toch een schadelijke uitwerking hebben op gezond, veilig en eerlijk werk.Hardnekkige maatschappelijke problemen op het inspectiedomein zijn vervlochten met andere beleidsterreinen en raken het werk op internationaal, nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Voor een effectieve aanpak in het programmatisch georganiseerd toezicht werkt de NLA samen met internationale, nationale en regionale toezichthouders.KerncijfersTabel 21 toont de kerncijfers die staan voor de door de NLA beoogde resultaten via welke zij bijdraagt aan gezond, veilig en eerlijk werk voor iedereen.De NLA zet in 2026 (het laatste jaar van het meerjarenplan 2023-2026) blijvend in op een evenwichtige balans tussen reactieve inspecties en actieve op preventie gerichte inspecties op het terrein van Gezond en Veilig en een verhoging van het aandeel gezamenlijke inspecties bij Seveso-bedrijven (voorheen Brzo) naar ten minste 90%. Daarnaast wil de NLA dusdanig in mensen, processen en techniek investeren dat er in 2026 een beheerst niveau van informatiegestuurd werken wordt gerealiseerd. Bovendien streeft de NLA naar een interventiedekking eerlijk werk in 2026 van 5%.Handhavingspercentages geven een indicatie van de bijdrage van de NLA aan het beoogde maatschappelijk effect. Het handhavingspercentage bij eerste inspectie biedt inzicht in de mate waarin zij erin slaagt om risicogericht te inspecteren, dus om werkgevers te bezoeken die de regels overtreden. Dit is voldoende het geval als daarvan bij meer dan de helft van de bezochte bedrijven sprake is. Het handhavingspercentage bij herinspectie zegt iets over de mate waarin de NLA erin slaagt om 66Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 een gedragsverandering te realiseren bij werkgevers die de regels niet naleefden. Als de NLA daarin voldoende slaagt, ligt het handhavingspercentage bij herinspectie onder de 50%.Tabel 21 Kerncijfers Nederlandse ArbeidsinspectieRealisatie 2024Raming 2025Raming 2026ResultaatVerhouding actief/reactief in Gezond en Veilig (excl. Seveso; %)52:4850:5050: 50Deelname Nederlandse Arbeidsinspectie aan gezamenlijke Seveso-inspecties (%)198>90>90Niveau informatiegestuurd werken2‒‒beheerstInterventiedekking Eerlijk werk (%)34,4‒5%EffectHandhavingspercentage eerste inspectie Gezond en Veilig (excl. Seveso)47>50>50Handhavingspercentage herinspectie Gezond en Veilig (excl. Seveso)17<50<50Handhavingspercentage Seveso438<40<40Handhavingspercentage eerste inspectie Eerlijk54>50>50Handhavingspercentage herinspectie Eerlijk38<50<501Betreft de deelname van de Arbeidsinspectie aan periodieke (geplande en aangekondigde) inspecties bij Sevezo-bedrijven.2Voor deze kerncijfers kent de Arbeidsinspectie alleen doelen voor 2023 en 2026. Voor de tussenliggende jaren zijn geen doelen geformuleerd.3De interventiedekking betreft de interventieclusters 1 (rechtstreekse beïnvloeding), 2 (beïnvloeding via anderen) en 3 (communicatie).4Bij het inspecteren van Seveso-bedrijven wordt geen onderscheid gemaakt tussen eerste inspecties en herinspecties. De Arbeidsinspectie blijft inspecteren totdat een onvolkomenheid of overtreding is opgeheven.67Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.2 Artikel 2 Bijstand, Participatiewet en ToeslagenwetA. Algemene doelstellingDe overheid ondersteunt bij het vinden van werk en biedt inkomensondersteuning en aangepaste arbeid aan hen die dat nodig hebben.Wie kan werken, moet dat ook doen. Dit is in de eerste plaats in het belang van de betrokkene zelf: werk zorgt voor economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en biedt kansen om volop mee te doen in de samenleving. De overheid streeft naar een transparant en activerend sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds ondersteunt en prikkelt om (weer) aan het werk te gaan als dat kan en dat hen anderzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is.Mensen hebben de verantwoordelijkheid om in het eigen inkomen te voorzien en nemen daartoe zelf het initiatief. Alleen als het vinden van werk op eigen kracht niet lukt, helpt de overheid hierbij door ondersteuning bij re-integratie of beschut werk aan te bieden. Aan mensen die (tijdelijk) niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien biedt de overheid een sociaal vangnet in de vorm van bijstand. Daarbij streeft de overheid ernaar om het aantal loketten waar uitkeringsgerechtigden mee te maken hebben te beperken.De overheid biedt inwoners van Caribisch Nederland waar nodig re-integratieondersteuning en inkomensondersteuning op grond van de Onderstandsregeling.B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister heeft een systeemverantwoordelijkheid. In dit kader stimuleert de Minister het vinden van werk door middelen beschikbaar te stellen aan gemeenten ten behoeve van re-integratie-inspanningen, sociale werkvoorziening en loonkostensubsidies, en financiert de Minister de inkomensondersteuning en de loonkostensubsidies.De Minister is verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;–de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstandsniveaus;–het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor zelfstandigen;–het ter beschikking stellen aan en verdelen van middelen onder gemeenten voor de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;–het houden van systeemtoezicht; het toepassen van interbestuurlijke toezichtinstrumenten indien de medeoverheden op ernstige wijze onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen. Het verzamelen van informatie om op landelijk geaggregeerd niveau te kunnen beoordelen of het systeem werkt, en zo niet, wanneer en in welke vorm aanpassingen van dat systeem wenselijk zijn;68Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 –de budgetmutaties en de extrapolatie van de meerjarenraming van de integratie-uitkering Participatie en de verdeling daarvan die aansluit bij de gedecentraliseerde taak;–de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB (AIO, bijstand buitenland) en UWV (TW);–de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).Het Rijk verschaft gemeenten middelen voor de uitvoering en geeft de wet- en regelgeving vorm waarbinnen deze uitvoering plaatsvindt. Binnen deze wettelijke kaders hebben gemeenten beleidsvrijheid om maatwerk te bieden waarmee participatie zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Het Rijk stelt een toereikend macrobudget aan de gemeenten beschikbaar om loonkostensubsidies en bijstandsuitkeringen te betalen. Het macrobudget wordt zoveel mogelijk op basis van objectieve factoren onder de gemeenten verdeeld, vanaf 2022 wordt het deelbudget voor loonkostensubsidies op basis van historische uitgaven over gemeenten verdeeld. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de Participatiewet en aan genoemde wet verwante wetten en voorzieningen. Gemeenten zijn hiermee onder meer verantwoordelijk voor de handhaving van de naleving van verplichtingen door personen die een beroep doen op deze wetten. Bij ernstig onrechtmatig handelen of nalaten rechtmatig te handelen in de gemeentelijke uitvoering van de Participatiewet kan de Minister een aanwijzing geven aan een college, overgaan tot het optreden namens een nalatige gemeente dan wel een besluit tot vernietiging door de Kroon voordragen. De interbestuurlijke interventie heeft geen betrekking op de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering, die een louter gemeentelijke aangelegenheid zijn.C. BeleidswijzigingenParticipatiewet in balansDe Participatiewet moet meer in balans worden gebracht. Het kabinet wil de ervaren hardheden in de Participatiewet wegnemen door vertrouwen en menselijke maat te verankeren in de wet en door de uitvoering van de wet eenvoudiger te maken. Het wetsvoorstel Participatiewet in balans is aangenomen in de Tweede Kamer en daarom wordt de implementatie van de aangepaste regelgeving voorbereid voor de inwerkingtreding in 2026 (Kamerstukken II 2024/25, 36 582, nr. 3). Daarnaast onderzoekt het kabinet de opties voor een fundamentele herziening van de Participatiewet en wordt er gewerkt aan het versterken van de vakkundigheid in de uitvoering door gemeenten (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 344). Met het wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid wordt de handhaving in brede zin herzien, zodat mensen de zekerheid krijgen dat kleine foutjes niet tot grote gevolgen leiden (Kamerstukken II 2024/25, 36 785, nr. 3). Met het versterken van de preventieve aanpak wordt bovendien de kans op fouten verkleind. Tot slot wordt gewerkt aan de ambitie om verschillende inkomensondersteunende regelingen binnen de Participatiewet waar mogelijk te harmoniseren en verschillen te verkleinen (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849).Uitbreiding vangnet ParticipatiewetBinnen de financieringssystematiek van de Participatiewet is een vangnet ingericht voor gemeenten die grote tekorten realiseren op het budget voor bijstand en loonkostensubsidies. Enkele gemeenten realiseren echter meerdere jaren achter elkaar tekorten op het budget, wat leidt tot toenemende financiële druk. Met ingang van 1 januari 2026 verlaagt 69Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 het kabinet voor deze gemeenten in twee stappen het eigen risico (Stb. 2025, 222). Daardoor hoeven zij minder van het tekort zelf te dragen en wordt een groter deel opgevangen door de vangnetuitkering. Het vangnet wordt gefinancierd vanuit het macrobudget voor bijstand en loonkostensubsidies. Uitbreiding van de regeling is dus budgetneutraal voor SZW. Het kabinet vindt de verlaging van het eigen risico verantwoord onder voorwaarde dat gemeenten zich blijven inspannen om de tekorten te beperken. Wanneer gemeenten vijf jaar achter elkaar aanspraak maken op de verlaagde eigenrisicodrempel, wordt daarom extra toelichting gevraagd op de getroffen maatregelen.Afsluiten IOAZ voor nieuwe instroomIn 2026 wordt een wetstraject gestart om de IOAZ per 1 januari 2028 af te sluiten voor nieuwe instroom.ArmoedeHet kabinet zet via het Nationaal Programma Armoede en Schulden samen met gemeenten in op een effectief en eerlijk armoedebeleid in Nederland (Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 799). Het aantal mensen en het aantal kinderen in armoede neemt naar verwachting af in 2026. De kinderarmoede- en armoedecijfers komen niet uit boven het referentiejaar 2024 waarmee de kabinetsdoelstellng wordt gehaald. Tegelijk laten rapporten van onder meer de Commissie sociaal minimum, Nibud, FNV en IPE zien dat het gemeentelijke armoedebeleid versnipperd is, zowel bij de landelijke als lokale regelingen, en daarnaast zijn er soms grote verschillen tussen gemeenten. Het kabinet wil daarom landelijke regels eenvoudiger en effectiever maken en zo het armoedebeleid verbeteren. Hierbij wordt ingezet op interdepartementale samenwerking om te komen tot samenhangend beleid in het sociaal domein, onder andere via de interdepartementale aanpak kwetsbare gezinnen met jeugdigen van 0-27 jaar vanuit de ministeries VWS, OCW, SZW, JenV en BZK. Door geldzorgen vroegtijdig te signaleren en inwoners te leren omgaan met geld en snel naar passende ondersteuning te leiden, krijgen inwoners meer grip op hun financiële situatie. Het kabinet ondersteunt dit onder andere met financiële educatie.Het energiefondsHet kabinet zet zich in voor een rechtvaardige en betaalbare energietransitie. Er is voor 2026 een reservering getroffen van € 60,0 miljoen om een meerjarig publiek energiefonds in te richten dat steun biedt aan huishoudens met lage inkomens en hoge energielasten. De reservering wordt ingezet als de verplichte cofinanciering voor het Nederlandse plan in het kader van het Social Climate Fund (2026-2032). Hierbij wordt de verbinding gezocht met de verduurzamingsinzet van het Ministerie van VRO, om huishoudens zowel voor de korte als lange termijn te ondersteunen, en met het Ministerie van KGG, verantwoordelijk voor het energiesysteem, om de positie van kwetsbare huishoudens in beleidskeuzes mee te nemen. De aanstaande wijziging van de Regeling afsluitbeleid energie is hier een concreet resultaat van (Kamerstukken II 2024/25, 27 879, nr. 110). De bescherming uit de bestaande regeling wordt overgenomen en vanaf 2026 op bepaalde punten verbeterd. Zo worden de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling tussen de leverancier en gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening uitgebreid.SchuldenIn het Nationaal Programma Armoede en Schulden zijn de doelstellingen voor het schuldenbeleid geformuleerd (Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 799). Minder huishoudens krijgen problematische schulden, minder 70Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 huishoudens gaan van beginnende naar problematische schulden en meer huishoudens stromen succesvol en duurzaam uit de problematische schulden. Het kabinet zet in op verbetering van de schuldhulpverlening. Met VNG en Divosa zijn bestuurlijke afspraken gemaakt over de basisdienstverlening. Daarmee willen we het hulpaanbod toegankelijker maken en in elke gemeente minimaal dezelfde elementen laten bevatten. Daarnaast versterkt het kabinet ook op andere vlakken de schuldhulpverlening door een kwaliteitskader te ontwikkelen en de aansluiting van het minnelijk traject op het wettelijk traject te verbeteren. Verder wordt gewerkt aan betere borging van het bestaansminimum in geval van beslag, onder meer via de evaluatie van de beslagvrije voet en het wetsvoorstel Stroomlijning keten voor derdenbeslag (Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 768). Met nadere invulling van het Afsprakenkader Sociaal Incasseren gaan we met 28 partijen in 2026 door met het verbeteren van het stelsel van publieke en private invordering. Het doel is om schulden zoveel mogelijk in een vroeg stadium te signaleren en op te lossen. Met de betrokken departementen en partijen wordt een voorstel uitgewerkt hoe de tot 2029 beschikbare middelen voor verschillende schuldenmaatregelen, zoals vroegsignalering en een schuldenoverzicht, zo goed mogelijk kunnen worden ingezet.Infrastructuur sociaal ontwikkelbedrijvenSociaal ontwikkelbedrijven spelen een belangrijke rol om mensen mee te laten doen. Het kabinet wil dat sociaal ontwikkelbedrijven ook in de toekomst banen kunnen blijven bieden aan mensen voor wie werk niet vanzelfsprekend is. Voor deze toekomstbestendige inrichting ontvangen gemeenten vanaf 2025 een impulsbudget. Dit budget loopt door tot 2034 en loopt af naar € 19,8 miljoen. Ook wordt in 2026 doorgegaan met een ondersteuningsteam dat gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven gericht kan adviseren en ondersteunen. Hiervoor is in de periode 2025-2028 € 3,0 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Tevens zijn er middelen beschikbaar oplopend naar € 90,0 miljoen structureel voor de invoering van een forfaitaire loonkostensubsidie waarmee de loonwaardemeting voor beschut werk in de toekomst kan worden afgeschaft. Verder is in deze begroting te zien dat er compensatie beschikbaar is voor de medewerkers van de sociaal ontwikkelbedrijven voor de jaren 2026 t/m 2028.Toetreding tot de arbeidsmarktDe ministeries van SZW en OCW zorgen voor een soepelere overgang van school naar werk en het houden van werk voor jongeren met een (risico op een) structurele achterstand op de arbeidsmarkt, waaronder jongeren met een beperking. De nieuwe wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk treedt naar verwachting 1 januari 2026 in werking (Kamerstukken II 2024/25, 36 667, nr. 3). Ook wordt het voor mensen makkelijker gemaakt om te switchen tussen uitkering, dagbesteding, beschut werk, banenafspraak en regulier werk.Hervorming arbeidsmarktinfrastructuurOok in 2026 wordt gewerkt aan de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur. Meer dan de helft van de regio’s hebben of realiseren een Werkcentrum op de korte termijn. De bedoeling is dat begin 2026 alle regio’s een Werkcentrum hebben, zoveel mogelijk vooruitlopend op de voorgenomen inwerkingtreding per 1 januari 2027 van de gewijzigde wet- en regelgeving ter versterking van de arbeidsmarktinfrastructuur (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849). Werkzoekenden, werkenden en werkgevers kunnen bij een Werkcentrum terecht met vragen over werk, loopbaanontwikkeling, scholing en personeelsvraagstukken. Per 2026 start het Landelijk Beraad en wordt voor het eerst met een landelijke 71Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 meerjarenagenda gewerkt. Het streven is om in 2026 voor alle arbeidsmarktregio’s een Regionaal Beraad te realiseren, die een regionale meerjarenagenda opstellen. Op dit moment beschikken veel regio’s hier al over. Daarnaast wordt het van-werk-naar-werk-stelsel versterkt om wisselen van baan soepeler te laten verlopen. Verder versterken we de samenwerking tussen de publieke en private partijen. Een goede samenwerking met (private) uitvoerders, opleidingsinstituten en uitzendorganisaties in de arbeidsmarktregio is van belang voor goede matching.Vereenvoudiging van de ToeslagenwetIn een verkenning zijn uiteenlopende maatregelen onderzocht om de Toeslagenwet (TW) te vereenvoudigen en het beleidsdoel van de TW beter te kunnen behalen. Dit resulteerde in een aantal beleidsopties die soms een aanscherping van de voorwaarden voor een aanvulling betekenen en soms een versoepeling. Alle maatregelen vereisen een aanpassing van wet- of regelgeving. We werken richting de afronding van de uitwerking van een pakket aan concrete maatregelen die op de korte termijn de TW vereenvoudigen. Deze maatregelen verhogen voor mensen de begrijpelijkheid en voorspelbaarheid van de TW.Banenafspraak en quotum arbeidsbeperktenDe banenafspraak uit het Sociaal Akkoord van 2013 heeft tot doel om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers. Met de sociale partners is afgesproken 125.000 banen voor deze doelgroep te creëren. De opgave voor markt en overheid tot en met 2024 was om 115.000 extra banen te realiseren ten opzichte van de nulmeting. In 2024 blijft de realisatie van het aantal banen steken op 89.616 ten opzichte van de nulmeting (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 342). Dit is zeer teleurstellend, want dit is ruim 25.000 banen minder dan de doelstelling was. Hiervoor zijn diverse redenen. Een van die redenen is dat een deel van de werkgevers niet bekend is met de banenafspraak en de regelingen die er zijn voor werkgevers. Ook zien we dat werkgevers het systeem van de banenafspraak en quotumregeling en de bijbehorende financiële instrumenten als complex zien. Ook kan de beschikbaarheid van voldoende kandidaten uit de doelgroep banenafspraak een rol spelen. Het kabinet gaat komende jaren aan de slag om de banenafspraak te verbeteren, en bovenstaande knelpunten zoveel mogelijk op te lossen.Op 3 juli 2025 heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie de Tweede Kamer geïnformeerd over het verbeteren van de banenafspraak (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 340). Zo werken we aan een langetermijnvisie, waarin de ondersteuningsbehoefte van mensen centraal gesteld wordt. Ook werken we nog aan een verdere verbreding van de doelgroep banenafspraak, waarbij onder andere loonkostensubsidie beschikbaar wordt gesteld in de WIA, de WW en mogelijk ook in de Wajong (Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 281). Tot slot is op 22 april 2025 het wetsvoorstel Vereenvoudigde banenafspraak aangenomen door de Eerste Kamer (Stb. 2025, 178).72Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 22 Indicatoren banenafspraakRealisatie 20241Streefwaarde 20242Streefwaarde 20252Streefwaarde 20262Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten marktsector t.o.v. nulmeting op 1-1-201377.14390.000100.00090.000Cumulatief aantal extra banen arbeidsbeperkten overheidssector t.o.v. nulmeting op 1-1-201312.47425.00025.00025.0001Berekening SZW op basis van metingen UWV.2Streefwaarden afkomstig uit memorie van toelichting bij de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Kamerstukken II 2013/14, 33 981, nr. 3, blz. 6, tabel «Aantal te realiseren banen voor beoordeling activering quotumheffing».Werken met een afstand tot de arbeidsmarkt Caribisch NederlandHet kabinet heeft de afgelopen jaren incidentele middelen beschikbaar gesteld voor instrumenten die mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt (hiervoor: mensen met een arbeidsbeperking) in Caribisch Nederland nodig hebben om te kunnen werken. Vanaf 2026 wordt hier structureel € 4,0 miljoen voor beschikbaar gesteld. Voor 2026 geldt dat deze middelen via een bijzondere uitkering worden verstrekt aan de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.Energietoelage voor minimahuishoudensVanaf 2022 zijn er voor Caribisch Nederland middelen incidenteel beschikbaar gesteld voor een energietoelage voor minimahuishoudens van $ 1.300 per huishouden per jaar. In 2026 wordt eenmalig € 4,0 miljoen beschikbaar gesteld om de toelage van $ 1.300 ook in 2026 aan minimahuishoudens te kunnen toekennen. De middelen worden via een bijzondere uitkering aan de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba verstrekt.73Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 23 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 2 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen8.820.7719.079.6869.248.5799.343.2259.467.7229.647.0419.867.992Uitgaven8.497.3069.084.7179.256.4429.356.3979.479.1789.658.3769.876.6422.0Bijstand, Participatiewet en toeslagenwet8.497.3069.084.7179.256.4429.356.3979.479.1789.658.3769.876.642Inkomensoverdrachten8.296.3808.829.9258.999.4329.115.7869.338.0679.552.0459.771.549Macrobudget participatiewetuitkering en intertemporele tegemoetkoming7.340.9127.780.8587.945.9948.040.6638.205.8038.394.5888.598.433Tozo en Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)9.8557.2766.3066.5176.5176.5176.517Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)455.079518.068532.172550.141562.440580.174598.619Toeslagenwet (TW)479.900511.365502.417505.828550.634558.049555.250Bijstand overig819838795758721678641Onderstand (Caribisch Nederland)9.81511.52011.74811.87911.95212.03912.089Subsidies (regelingen)127.591139.914143.838118.60364.49252.05049.595Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM)2.8002.8002.8002.8002.8002.8002.800NIBUD484951693693693693693Overige subsidies algemeen38.19633.87332.80319.93416.83011.63913.446Alle kinderen doen mee13.73615.66515.33215.36215.36215.36216.362Waarborgfonds sanering3.048000000Energiefonds55.47059.00060.00050.000000Geldzorgen Armoede en Schulden (Gas)13.85710.42010.00013.00012.0004.7281.554Subsidies Arbeidsmarktinfrastructuur017.20522.21016.81416.80716.82814.740Opdrachten19.54947.70636.12941.65534.50635.75336.970Opdrachten algemeen19.54944.19529.01635.21529.80735.04836.264Opdrachten Arbeidsmarktinfrastructuur03.5117.1136.4404.699705706Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukken1.0783.4792.2002.2002.2002.2002.200Financiën1.0783.4792.2002.2002.2002.2002.200Bijdrage aan sociale fondsen10.00010.00010.00010.00010.00010.00010.000Pensioenfonds Wsw10.00010.00010.00010.00010.00010.00010.000Bijdrage aan agentschappen39.164870510510510510510Rijksdienst voor Ondernemend Nederland78510510510510510510DUO39.08636000000Bijdrage aan medeoverheden3.54452.81464.32467.63429.3945.8095.809Tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek0028.91837.544000Bijzondere uitkeringen2.63611.2759.2724.7724.7724.2504.250Sociaal ontwikkelbedrijven040.00024.57523.75923.06300SPUK Grensinformatiepunten9081.5391.5591.5591.5591.5591.559Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties0999999Contributie Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS)0999999Ontvangsten85.21568.29355.35740.44213.9299.0699.00874Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 24 Uitsplitsing ontvangsten artikel 2 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Ontvangsten85.21568.29355.35740.44213.9299.0699.0082.0Bijstand, Participatiewet en toeslagenwet85.21568.29355.35740.44213.9299.0699.008Ontvangsten85.21568.29355.35740.44213.9299.0699.008Algemeen27.06117.93014.15713.54211.9299.0699.008Tozo retour kapitaal verstrekkingen58.15450.36341.20026.9002.00000Geschatte budgetflexibiliteitTabel 25 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 22026juridisch verplicht98,3%bestuurlijk gebonden1,3%beleidsmatig gereserveerd0,4%nog niet ingevuld / vrij te besteden0,0%De uitgaven op artikel 2 Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet zijn voor 98,3% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn voor 100% juridisch verplicht. In algemene zin geldt dat inkomensoverdrachten die gebaseerd zijn op wet- en regelgeving voor 100% juridisch verplicht zijn. De inkomensoverdrachten worden gefinancierd door rijksbijdragen aan uitvoerende instellingen, zoals gemeenten (Macrobudget participatiewetuitkeringen, dat vóór oktober 2025 wordt toegekend/verplicht en betrekking heeft op 2026), UWV (Toeslagenwet € 502,4 miljoen) en de SVB (AIO € 532,2 miljoen).SubsidiesDe subsidies zijn voor 21,5% juridisch verplicht en voor 76,2% bestuurlijk gebonden. Er is nog circa 2,4% (€ 3,4 miljoen) aan kasmiddelen waarvoor ruimte is om verplichtingen aan te gaan.OpdrachtenDe opdrachten zijn voor 8,9% juridisch verplicht. Het gaat om circa € 3,2 miljoen. Verder zijn er veel nieuwe reserveringen voor volgende jaren die als beleidsmatig gereserveerd zijn aangemerkt.Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukkenDe bijdrage aan het Ministerie van Financiën is 100% juridisch verplicht en vormt een compensatie voor de auditwerkzaamheden in het kader van de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds (ESF).Bijdrage aan sociale fondsenDe bijdrage aan sociale fondsen is 100% juridisch verplicht en vormt compensatie van gestegen werkgeverslasten, onder de voorwaarde dat de werkgevers (de gemeenten) en werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw een akkoord bereiken over een structurele oplossing voor het pensioenfonds PWRI. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.75Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijdrage aan agentschappenDe bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is voor 100% bestuurlijk gebonden. De bijdrage aan de RVO vormt een compensatie voor de auditwerkzaamheden in het kader van de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds (ESF).Bijdrage aan medeoverhedenDe bijdragen voor de tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek en de specifieke uitkering grensinformatiepunten zijn voor 100% juridisch verplicht. Verder zijn de bijzondere uitkeringen aan de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor 100% bestuurlijk gebonden.Bijdrage aan (inter)nationale organisatiesDe bijdrage aan het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van Rijnvarenden (CASS) is 100% juridisch verplicht.E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenMacrobudget participatiewetuitkeringenHet Macrobudget participatiewetuitkeringen voorziet in de middelen voor bijstandsuitkeringen, loonkostensubsidies, IOAW, IOAZ en bijstand voor levensonderhoud van ondernemers. Voor alle gemeenten tezamen wordt het macrobudget voor 2026 geraamd op € 7,9 miljard. In 2026 wordt hiervan een bedrag van € 4,2 miljoen gereserveerd voor de vangnetregeling 2024. Bij de verdeling van het voorlopig macrobudget wordt hiermee rekening gehouden. De vangnetuitkering is bedoeld voor gemeenten waarvan het tekort op het budget op grond van artikel 69 Participatiewet de geldende eigenrisicodrempel overstijgt. Alle gemeenten met een tekort dat over 2024 meer bedraagt dan 7,5% en over 2022, 2023 en 2024 samen ook meer bedraagt dan 7,5% van het budget 2024, kunnen een beroep doen op de vangnetregeling 2024, gefinancierd uit het macrobudget 2026. Vanaf 1 januari 2026 wordt er ook een uitgebreider vangnet ingericht voor gemeenten met meerjarige tekorten van 5% of hoger. In tabel 26 wordt de opbouw van het budget gespecificeerd.Tabel 26 Extracomptabel overzicht Macrobudget participatiewetuitkeringen (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Macrobudget participatiewetuitkeringen en intertemporele tegemoetkoming7.340.9127.780.8587.945.9948.040.6638.205.8038.394.5888.598.433Macrobudget participatiewetuitkeringenAlgemene bijstand6.551.1326.922.1277.069.2247.129.0437.295.3397.478.5577.674.613Loonkostensubsidie515.149600.801644.356702.765748.308792.786837.262IOAW211.657189.567162.110137.27499.93667.62237.535IOAZ31.17831.93734.58835.86426.34519.74713.148Bbz levensonderhoud31.04735.36435.71635.71635.87535.87535.875Correctie verdeelmodel749Overig1.062Algemene bijstandDe algemene bijstand op grond van de Participatiewet voorziet in een sociaal vangnet voor personen die niet zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien.76Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Wie komt er voor in aanmerking?Iedereen die rechtmatig in Nederland verblijft en woont en die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, kan in aanmerking komen voor bijstand. Dat houdt in dat iedereen met een inkomen onder het sociaal minimum en onvoldoende eigen vermogen recht heeft op bijstand.Hoe hoog is de bijstand?De hoogte van de bijstandsuitkering is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie. In tabel 27 zijn de bijstandsnormen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden/alleenstaande ouders van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd die niet samenwonen met meerderjarige medebewoners. Voor gehuwden en alleenstaanden van 21 jaar of ouder die samenwonen met één of meer personen van 27 jaar of ouder waarmee kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag. Bijstandsgerechtigden van 18 tot 21 jaar ontvangen een lagere uitkering.Tabel 27 Netto bijstandsnormen van 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd, inclusief vakantietoeslag (in €)1 juli 2025Gehuwd / samenwonend1.955,80Alleenstaande (ouder)1.369,06Budgettaire ontwikkelingenDe bijstandsuitgaven worden voor 2026 geraamd op € 7,1 miljard. Op basis van de CPB-raming van de werkloosheid wordt de bijstandsraming naar boven bijgesteld in 2026. Daarnaast leiden een aantal (eerdere) wetswijzigingen tot een oploop in de raming van de bijstandsuitgaven. Dit betreft onder andere de invoering van maatregelen uit het wetsvoorstel Participatiewet in balans, de afloop van de IOAW en de ingroei van de nieuwe doelgroep als gevolg van de invoering van de Participatiewet in 2015.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 28 toont de gerealiseerde en geraamde omvang van het aantal bijstandsuitkeringen. De Factsheet Participatiewet bevat meer informatie over de ontwikkeling en samenstelling van het bijstandsvolume.Tabel 28 Kerncijfers volume ParticipatiewetRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume Participatiewetuitkering (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)3423473531Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.77Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 29 Kerncijfers re-integratie door gemeentenRealisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Aantal voorzieningen Participatiewet (x 1.000, ultimo)1217225244Aantal personen met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1162168177Aantal gestarte banen na re-integratievoorziening door gemeenten (x 1.000, ultimo)2373232Werkenden met een voorziening Participatiewet (x 1.000, ultimo)1575863Werknemersbestand Wsw (x 1.000, ultimo)3636055Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen3363635Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen37,37,57,81Bron: CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.2Bron: CBS, Uitstroom na re-integratie.3Bron: Panteia, WSW-rapportage.Tabel 30 Kerncijfers werk voor mensen met een arbeidsbeperkingRealisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Totaal werkend met een arbeidsbeperking (x 1.000, ultimo)178182185waarvan werkend binnen de Banenafspraak (x 1.000, ultimo)1134139142waarvan werkend op een interne plaatsing Wsw (x 1.000, ultimo)2363432waarvan werkend met positief advies beschut werk (x 1.000, ultimo)38,09,411,01Bron: UWV, Factsheet banenafspraak.2Bron: Panteia, Jaarrapportage Wsw-statistiek. Onder «interne» plaatsing valt ook «werken op locatie», waarbij begeleiding plaatsvindt vanuit het Sw-bedrijf.3Bron: UWV, Rapportage beschut werk.Loonkostensubsidie (LKS)Het instrument LKS voorziet werkgevers van een compensatie voor de lagere loonwaarde van een werknemer op basis van de Participatiewet.Wie komt er voor in aanmerking?Gemeenten kunnen LKS inzetten voor mensen die niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Het gaat om mensen voor wie de gemeente verantwoordelijk is om hen te ondersteunen bij het vinden van werk. Dat kan dus gaan om mensen die bijstand ontvangen, mensen die een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen, mensen die met behulp van een andere voorziening van de gemeente al aan het werk zijn, maar ook om mensen zonder uitkering.Hoe hoog is de loonkostensubsidie?De hoogte van de LKS is gelijk aan het verschil tussen het bruto wettelijk minimumloon en de vastgestelde loonwaarde. De LKS bedraagt maximaal 70% van het wettelijk minimumloon (inclusief vakantietoeslag), vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten. De vergoeding bedraagt 25% van de loonkosten waarover loonkostensubsidie wordt verstrekt. Gedurende het eerste halfjaar van een dienstbetrekking kan ook forfaitaire LKS worden ingezet. Deze bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon, wederom vermeerderd met een vergoeding voor werkgeverslasten. Tijdens dat halfjaar wordt de loonwaarde van de werknemer bepaald.Budgettaire ontwikkelingenDe uitgaven voor LKS worden voor 2026 geraamd op € 644,4 miljoen. De uitgaven aan loonkostensubsidie nemen jaarlijks toe doordat de doelgroep van LKS sinds de invoering van de Participatiewet ingroeit.78Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Beleidsrelevante kerncijfersTabel 31 Kerncijfers volume loonkostensubsidieRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume loonkostensubsidie (x 1.000 personen, jaargemiddelde)4046491Bron: CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.Wetten inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en gewezen zelfstandigen (IOAZ)De IOAW-uitkering is een aanvulling op het (gezins)inkomen tot bijstandsniveau voor oudere werkloze werknemers. Anders dan bij de Participatiewet hoeven werkloze ouderen, die vaak vermogen in spaargeld of eigen huis hebben, in de IOAW hun vermogen niet aan te spreken.De IOAZ is een uitkering voor ouderen die noodgedwongen zijn gestopt met hun werk als zelfstandige, omdat de inkomsten daaruit onvoldoende waren. De IOAZ-uitkering vult het (gezins)inkomen aan tot het bijstandsniveau. In de IOAZ wordt rekening gehouden met de bijzondere positie van zelfstandigen en hun (bedrijfs)vermogen.Wie komt er voor in aanmerking?De belangrijkste doelgroepen van de IOAW-regeling zijn:–Werkloze werknemers die op het moment dat zij werkloos worden ten minste 50 jaar zijn en geboren zijn voor 1 januari 1965, die recht hebben op een uitkering op grond van de WW van meer dan drie maanden en die de volledige uitkeringsduur daarvan hebben doorlopen;–Werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1965, na hun 50e verjaardag recht hebben gekregen op een loongerelateerde WGA-uitkering en van wie de WGA-uitkering is beëindigd, omdat zij niet langer ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn.De IOAZ is bedoeld voor oudere zelfstandigen tussen de 55 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd, die hun bedrijf of zelfstandig beroep na hun 55e verjaardag hebben beëindigd. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moet de gewezen zelfstandige onder andere voldoen aan voorwaarden betreffende het gemiddeld jaarinkomen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, het verwachte inkomen uit beroep of bedrijf bij voortzetting van het bedrijf en het aantal uren en de duur van de werkzaamheden als zelfstandige. De IOAZ wordt vanaf 2028 afgesloten voor nieuwe instroom.Hoe hoog is de IOAW/IOAZ?De hoogte van de IOAW/IOAZ uitkering is afhankelijk van de leefsituatie. Een overzicht van de bruto bedragen staat in tabel 32. In de IOAW en IOAZ geldt sinds 2015 de kostendelersnorm voor alleenstaande kostendelers. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is de norm 50% van de gehuwdennorm, indien zij samenwonen met een of meer medebewoners van 27 jaar of ouder.Tabel 32 Bruto bedragen IOAW/IOAZ per maand, inclusief vakantietoeslag (in €)1 juli 2025Gehuwd / samenwonend2.248,80Alleenstaande (ouder) zonder medebewoners van 27 jaar of ouder1.733,22Alleenstaande (ouder) met één of meer medebewoners van 27 jaar of ouder1.124,4079Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire ontwikkelingenDe uitgaven aan IOAW en IOAZ worden in 2026 geraamd op respectievelijk € 162,1 miljoen en € 34,6 miljoen. De IOAW-uitgaven dalen door de beperkende voorwaarde dat het IOAW-recht alleen geldt voor personen geboren voor 1965. In de meerjarenraming wordt rekening gehouden met de doorstroom vanuit de WW naar de IOAW. Een lager gebruik van de WW door oudere werknemers, zorgt ook voor een lager IOAW gebruik. Daarnaast zorgt de stijging van de AOW-leeftijd en invoering van maatregelen uit het wetsvoorstel Participatiewet in Balans voor hogere uitgaven aan de IOAW en IOAZ.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 33 Kerncijfers IOAW en IOAZRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume IOAW (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)12108Volume IOAZ (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)1,51,51,61Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.Bijstand zelfstandigen levensonderhoud (Bbz 2004)De toelichting op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 staat later in het artikel. Alleen het deel dat onderdeel is van het Macrobudget participatiewetuitkeringen wordt hier toegelicht. Dit is het onderdeel bijstand dat kan worden verstrekt om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor zelfstandigen.Wie komt er voor in aanmerking?Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is en het inkomen onvoldoende is.Hoe hoog is de Bbz-uitkering?De uitkering voor levensonderhoud is gelijk aan die van de algemene bijstand (zie tabel 27) als aanvulling voor levensonderhoud.Budgettaire ontwikkelingenDe uitgaven voor Bbz levensonderhoud worden in 2026 geraamd op € 35,7 miljoen. De invoering van maatregelen uit het wetsvoorstel Participatiewet in Balans zorgt naar verwachting voor hogere uitgaven aan het Bbz in 2026.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 34 Kerncijfers BbzRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume Bbz (x 1.000 huishoudens, jaargemiddelde)1,81,81,81Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.HandhavingHet is primair de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het lokale bestuur om een goede invulling te geven aan de handhaving. Waar nodig en mogelijk faciliteert het Ministerie van SZW daarbij, veelal in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa. Dit doet zich onder andere voor bij de aanpak van complexe misbruikrisico's of wijzigingen in wet- en regelgeving.80Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.Tabel 35 Kerncijfers Participatiewet (handhaving inlichtingenplicht algemene bijstand)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Preventie1Gepercipieerde detectiekans (%)697367Kennis van de verplichtingen (%)899090Opsporing2Aantal vorderingen in verband met geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)320143,3Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)47348,2Sanctionering2Aantal boetes (x 1.000)5,84,31,0Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)3,72,90,7Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering4Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)3124141Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».2Bron: CBS, Bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.3Dit kerncijfer betreft het aantal vorderingen wegens overtreding van de inlichtingenplicht. Eén overtreding kan meerdere vorderingen tot gevolg hebben. Het aantal overtredingen ligt dus lager.4Bron: CBS, bijstandsdebiteuren- en fraudestatistiek.Bijstand zelfstandigen bedrijfskrediet (Bbz 2004)Startende, gevestigde en beëindigende zelfstandigen kunnen voor financiële ondersteuning onder voorwaarden een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Met dit besluit wordt beoogd kansrijke vanuit een uitkering startende ondernemers een steun in de rug te geven en zelfstandigen met tijdelijke financiële moeilijkheden in staat te stellen hun werkzaamheden voort te zetten. De bijstand kan worden verstrekt in de vorm van een uitkering om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en in de vorm van bedrijfskredieten.Wie komt er voor in aanmerking?Startende ondernemers vanuit een uitkering en gevestigde zelfstandigen die aan de voorwaarden van het Bbz voldoen, zoals wanneer hulp via een andere weg niet meer mogelijk is en het inkomen onvoldoende is.Hoe hoog is de Bbz-uitkering en het bedrijfskapitaal?De maximale hoogte van de bijstand voor bedrijfskapitaal wordt in onderstaande tabel vermeld. De bedragen worden jaarlijks aangepast voor gestegen prijzen.Tabel 36 Bbz-normen kredietverlening (maxima) (in €)1 juli 2025Startende zelfstandige46.656Gevestigde zelfstandige253.420Budgettaire ontwikkelingenDe uitgaven voor Bbz bedrijfskrediet in 2026 worden geraamd op € 6,3 miljoen en bestaan uit vergoedingen aan gemeenten voor kapitaalverstrekkingen die zij in 2024 hebben uitgegeven. Het bijstandsonderdeel van het Bbz om te voorzien in de kosten van levensonderhoud is onderdeel van het macrobudget en wordt toegelicht onder Macrobudget participatiewetuitkeringen.81Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)Ouderen met geen of een onvolledig opgebouwd AOW-pensioen, of ouderen met een volledig opgebouwd AOW-pensioen en een partner jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd kunnen recht hebben op algemene bijstand. Deze bijstand kan worden aangevraagd bij de SVB.Wie komt er voor in aanmerking?Personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben, rechtmatig in Nederland wonen en niet genoeg inkomen of vermogen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien.Hoe hoog is de AIO?De AIO is een uitkering op huishoudenniveau en vult aan tot bijstandsniveau. De hoogte van de AIO-uitkering hangt af van het inkomen en de leefsituatie. In onderstaande tabel zijn de normen opgenomen voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaanden zonder meerderjarige medebewoners. Voor AIO-gerechtigden die samenwonen met een of meer meerderjarige personen met wie kosten kunnen worden gedeeld, geldt op grond van de kostendelersnorm een lager bedrag.Tabel 37 AIO netto maandbedragen (maximaal), inclusief vakantietoeslag (in €)1 juli 2025Gehuwd / samenwonend2.094,98Alleenstaande (ouder)1.530,21Budgettaire ontwikkelingenDe begrote AIO-uitkeringslasten bedragen in 2026 € 532,2 miljoen. Naar verwachting zullen de uitkeringslasten tussen 2026 en 2030 toenemen met € 66,4 miljoen. De voornaamste verklaring voor de toename is de verwachte stijging van het aantal AIO-gerechtigden veroorzaakt door de vergrijzing.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 38 Kerncijfers AIORealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Aantal huishoudens AIO (x 1.000, jaargemiddelde)5355561Bron: CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek.HandhavingDe handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.82Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 39 Kerncijfers AIO (handhaving inlichtingenplicht)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Preventie1Gepercipieerde detectiekans (%)656664Kennis van de verplichtingen (%)949392Opsporing2Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)0,60,70,9Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)30,50,70,6Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)1,31,81,7Sanctionering2Aantal waarschuwingen (x 1.000)0,40,50,6Aantal boetes (x 1.000)0,20,20,2Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)0,20,20,2Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering2Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)4023131Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».2Bron: SVB, administratie.3Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.Toeslagenwet (TW)De TW vult uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen aan tot het normbedrag voor het relevante sociaal minimum als het totale inkomen (exclusief TW-uitkering) van de uitkeringsgerechtigde en diens eventuele partner daaronder ligt.Wie komt er voor in aanmerking?Uitkeringsgerechtigden komen in aanmerking voor een toeslag als zij een uitkering ontvangen op grond van een van de zogenoemde moederwetten. Dit zijn de WIA, WAO, WAZ, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), Wajong, IOW, WW, ZW en WAZO. Ook als een werkgever in het tweede ziektejaar minder loon doorbetaalt dan het voor de werknemer geldende sociaal minimum, komt de betrokkene in aanmerking voor een toeslag. De volgende personen kunnen recht hebben op een toeslag:–Een gehuwde/samenwonende met een gezamenlijk inkomen dat lager is dan het bruto minimumloon;–Een alleenstaande met een inkomen dat lager is dan 70% van het netto minimumloon;–Een alleenstaande van 21 jaar of ouder, die samenwoont met een of meer meerderjarige personen die ouder zijn dan 27 jaar waarmee kosten kunnen worden gedeeld, met een inkomen dat lager is dan 50% van het netto minimumloon.Hoe hoog is de toeslag?De toeslag vult de uitkering in beginsel aan tot het TW-normbedrag dat op de uitkeringsgerechtigde van toepassing is. Indien het dagloon lager is dan het TW-normbedrag, dan vult de toeslag aan tot dit lagere dagloon.Tabel 40 Normbedragen TW bruto per dag, inclusief vakantietoeslag (in €)1 juli 2025Gehuwd / samenwonend103,26Alleenstaande van 21 jaar en ouder73,79Alleenstaande van 21 jaar en ouder met een of meer medebewoners van 27 jaar of ouder47,8783Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire ontwikkelingenDe TW-uitgaven worden in 2026 begroot op € 502,4 miljoen. Op basis van uitvoeringsinformatie van UWV worden de TW-uitgaven meerjarig naar beneden bijgesteld. De neerwaartse bijstelling is het per saldo effect van een hoger aantal TW-aanvullingen en een lagere gemiddelde hoogte van de TW-aanvullingen dan eerder verwacht.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 41 Kerncijfers TWRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Gemiddeld jaarvolume TW (x 1.000 uitkeringsjaren)98101103Gemiddelde toeslag per jaar (x € 1)24.1134.3214.3011Bron: UWV, kwantitatieve informatie.2De gemiddelde toeslag per jaar is exclusief sociale lasten.HandhavingDe handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.Tabel 42 Kerncijfers TW (handhaving inlichtingenplicht)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Opsporing1Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)1,11,10,5Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)20,80,60,3Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln.)3,53,51,5Sanctionering1Aantal waarschuwingen (x 1.000)0,20,20,1Aantal boetes (x 1.000)0,50,30,2Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)0,40,20,1Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering1Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)3421181Bron: UWV, kwantitatieve informatie.2Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.Bijstand overigOnder bijstand overig vallen de bijstand buitenland- en de repatriëringsregeling. Verlening van bijstand aan een in het buitenland gevestigde Nederlander wordt alleen nog voortgezet ingeval het recht op uitkering vóór 1 januari 1996 is vastgesteld. Sinds 1996 zijn er dus geen nieuwe gerechtigden meer toegelaten.Budgettaire ontwikkelingenDe verwachte uitkeringslasten voor de bijstand buitenland nemen de komende jaren af, omdat het aantal gerechtigden verder afneemt. Uitgaven onder de repatriëringsregeling worden dit jaar via de AIO gedaan.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 43 Kerncijfers bijstand buitenlandRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume bijstand buitenland (x 1.000 gerechtigden, ultimo)0,10,10,11Bron: SVB, administratie.84Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Onderstand (Caribisch Nederland)De Rijksoverheid biedt aan inwoners van Caribisch Nederland inkomensondersteuning in de vorm van Onderstand. Het betreft zowel algemene als bijzondere onderstand. Laatstgenoemde component heeft betrekking op uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten die de belanghebbende zelf niet kan voldoen.Budgettaire ontwikkelingenDoor en in navolging van de WML-verhoging op Caribisch Nederland is de Onderstand verhoogd per juli 2024. Dit verklaart de oploop in de uitkeringslasten van de Onderstand tussen 2024 en 2025. Bevolkingsgroei verklaart de beperktere oploop in de uitkeringslasten in de daaropvolgende jaren.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 44 Kerncijfers Onderstand (Caribisch Nederland)Realisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume Onderstand Caribisch Nederland (x 1.000 huishoudens, ultimo)1,21,21,21Bron: RCN-unit SZW.SubsidiesIn totaal is er in 2026 € 143,8 miljoen beschikbaar voor subsidies. Hiervan is € 32,8 miljoen beschikbaar voor overige (incidentele) subsidies, zoals subsidies voor armoede en schulden, ondersteuning arbeidsmarktregio's en vakmanschap. Daarnaast is er € 15,3 miljoen beschikbaar voor het armoedebeleid specifiek voor kinderen en € 10,0 miljoen in het kader van Geldzorgen, Armoede en Schulden. Ook is er € 2,8 miljoen beschikbaar voor subsidie aan de Stichting Beheer Collectieve Middelen (SBCM) en € 0,7 miljoen voor NIBUD. Verder wordt er voor 2026 een reservering van € 60,0 miljoen opgenomen om een energiefonds in te richten dat steun biedt aan huishoudens die hun energierekening niet kunnen betalen. Deze reservering wordt ingezet als de verplichte cofinanciering voor het Nederlandse plan in het kader van het Social Climate Fund (2026-2032).Tot slot is er € 22,2 miljoen beschikbaar voor subsidies arbeidsmarktinfrastructuur. Het tijdelijke budget van € 13,5 miljoen wordt ingezet op een impuls om te komen tot een dekkende infrastructuur van-werk-naar-werk dienstverlening in Nederland. Het structurele budget van € 8,7 miljoen wordt ingezet op het borgen van een goede regionale organisatie van werkgevers- en werknemersorganisaties in de arbeidsmarktregio’s.OpdrachtenOpdrachten algemeenHet algemene opdrachtenbudget van € 29,0 miljoen in 2026 is met name bestemd voor activiteiten op de terreinen van bevordering arbeidsparticipatie (€ 9,0 miljoen), armoede en schulden (€ 8,7 miljoen), onderzoek en beleidsinformatie (€ 7,7 miljoen), multiproblematiek (€ 1,4 miljoen), bevordering ondernemerschap (€ 0,1 miljoen) en opdrachten gerelateerd aan de Europese fondsen (€ 2,1 miljoen).Opdrachten ArbeidsmarktinfrastructuurHet opdrachtenbudget voor arbeidsmarktinfrastructuur van € 7,1 miljoen in 2026 wordt ingezet voor diverse opdrachten om de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur en de ontwikkeling van Werkcentra in Nederland te organiseren.85Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijdrage aan (andere) begrotingshoofdstukkenDit budget van € 2,2 miljoen is beschikbaar ten behoeve van controlewerkzaamheden voor het ESF-programma 2014-2020 en 2021-2027 die uitgevoerd worden door het Ministerie van Financiën.Bijdrage aan sociale fondsenMet ingang van 2018 wordt een financiële tegemoetkoming van € 10,0 miljoen beschikbaar gesteld aan het Wsw-programma Pensioenfonds Werk en (re)Integratie (PWRI) onder voorwaarde dat de werkgevers (de gemeenten) en werknemers die verantwoordelijk zijn voor de pensioenen van de Wsw zelf tot een structurele oplossing komen voor het fonds. De financiële compensatie wordt jaarlijks gegeven tot uiterlijk 2057.Bijdrage aan agentschappenJaarlijks is er € 0,5 miljoen beschikbaar voor de controle van de betaalaanvragen uit het Europees Sociaal Fonds, het Europees Globaliseringsfonds en de ESF-programma's uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).Bijdrage aan medeoverhedenOp grond van artikel 92, lid 2, onder c Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt in 2025 maximaal € 9,3 miljoen aan de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba verstrekt via een bijzondere uitkering. Hiervan wordt € 4,0 miljoen uitgekeerd voor de energietoelage en € 4,0 miljoen voor werken met een beperking. De overige middelen zijn bestemd voor de financiering van initiatieven van de openbare lichamen met betrekking tot arbeidsbemiddeling en (lokale) armoedebestrijding.Van 2025 tot en met 2027 zijn gemeenten bereid om een vaste tegemoetkoming te verstrekken aan huishoudens in de alleenverdienersproblematiek. Hiertoe is per 1 januari 2025 de Wet tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek in werking getreden. Gemeenten ontvangen financiering voor deze regeling via een decentralisatieuitkering binnen het Gemeentefonds. Hiervoor is in 2026 € 28,9 miljoen beschikbaar. De decentralisatie-uitkering zal in meerdere tranches worden uitgekeerd, zodat de middelen aansluiten op actuele gegevens over het aantal alleenverdienerhuishoudens per gemeente. Elke tranche zal apart worden overgeheveld van de SZW-begroting naar het Gemeentefonds.Voor de medewerkers van de sociaal ontwikkelbedrijven is er compensatie voor het inkomensverlies als gevolg van een combinatie van fiscale maatregelen en de indexatie van de inkomensbelasting. Bij de Voorjaarsnota 2025 is het amendement Van Kent (SP) aangenomen voor compensatie in 2025. Met deze begroting worden er middelen beschikbaar gesteld voor compensatie in 2026 t/m 2028. Deze middelen worden verstrekt via het Gemeentefonds. In 2026 gaat het om € 24,6 miljoen.Verder wordt er in 2026 via een specifieke uitkering € 1,6 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten en provincies voor grensinformatiepunten (GIPs).86Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijdrage aan (inter-)nationale organisatiesVanaf 2020 is de financiering van de contributie van het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de Rijnvarenden (CASS) overgegaan van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hiervoor is € 9.000 gereserveerd in 2026.OntvangstenIn het Bestuursakkoord Verhoogde Asielinstroom is een intertemporele tegemoetkoming afgesproken voor bijstandsuitgaven aan statushouders. De terugbetaling van de intertemporele tegemoetkoming van 2016 en 2017 vindt in 8 jaar plaats vanaf respectievelijk 2018 en 2019, waarvoor in 2026 € 3,8 miljoen aan ontvangsten zijn geraamd.Tijdens de coronacrisis hebben gemeenten uitvoering gegeven aan de Tozo, een crisisregeling om uitkeringen voor levensonderhoud en kapitaalverstrekking aan zelfstandigen te verstrekken. Gemeenten dragen met een vertraging van twee jaar terugontvangsten uit de kapitaalverstrekkingen af aan het Rijk. In 2026 wordt € 41,2 miljoen aan ontvangsten verwacht.Verder worden er vanuit het Bbz terugbetalingen van kapitaalverstrekkingen verwacht van € 10,3 miljoen.87Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.3 Artikel 3 ArbeidsongeschiktheidA. Algemene doelstellingDe overheid beschermt werknemers tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid en stimuleert hen te blijven werken of het werk te hervatten.De overheid vindt dat werknemers die loon derven als gevolg van arbeidsongeschiktheid verzekerd moeten zijn van een redelijk inkomen. Daarom zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De WIA omvat twee uitkeringsregimes: de Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is bij de introductie van de WIA ingetrokken, maar geldt nog wel voor mensen die vóór 1 januari 2004 door ziekte of gebrek arbeidsongeschikt zijn geworden. Op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) waren ondernemers verplicht verzekerd tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid. De WAZ is per 1 augustus 2004 ingetrokken, maar geldt nog wel voor zelfstandigen die op dat moment een uitkering ontvingen.Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WIA, WAO of WAZ en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.De overheid stimuleert met behulp van financiële prikkels voor zowel uitkeringsgerechtigden als werkgevers dat uitkeringsgerechtigden aan het werk blijven of (op termijn) weer aan het werk gaan. Daarnaast biedt de overheid gerichte re-integratieondersteuning aan uitkeringsgerechtigden die ondersteuning nodig hebben. De overheid kent daarbij een groot belang toe aan de eigen verantwoordelijkheid en het meewerken aan re-integratie door de uitkeringsgerechtigde.Aan werknemers in Caribisch Nederland wordt met de Ongevallenverzekering (OV) een inkomensvoorziening geboden in geval van arbeidsongeschiktheid door een bedrijfsongeval.B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister stimuleert aan het werk blijven of het werk hervatten met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV. De Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;–de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;–de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;–de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).88Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het arbeidsongeschiktheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.C. BeleidswijzigingenHerinvoering 60-plusmaatregelDe 60-plusmaatregel wordt voor een periode van 2 jaar in de periode 1 september 2025 ‒ 31 augustus 2027 opnieuw geïntroduceerd. Mensen die vanaf 1 september 2025 het einde van de wachttijd bereiken en op dat moment 60 jaar of ouder zijn, komen in aanmerking voor de vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling zonder of met minder inzet van de verzekeringsarts en met extra inzet van de arbeidsdeskundige. Door de maatregel kan UWV jaarlijks zo’n 10.000 extra beoordelingen uitvoeren.Kwijtschelden WIA-voorschottenVanwege de verwachting dat de achterstanden bij de WIA-claimbeoordeling zullen aanhouden, wordt het tijdelijke kwijtscheldingsbeleid structureel gemaakt. Hierbij worden voorschotten niet teruggevorderd wanneer blijkt dat werknemers bij de claimbeoordeling geen recht op een WIA-uitkering hebben, als dit niet verrekend kan worden met een andere uitkering.Medisch advies van de bedrijfsarts leidend bij de toets op re-integratie-inspanningenEr zijn middelen gereserveerd voor het invoeren van een wetsvoorstel per 1 januari 2028 waarmee het medisch advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend wordt bij de toets door UWV op de re-integratie inspanningen. Wanneer een werknemer een WIA-aanvraag doet en er een compleet re-integratieverslag (RIV) is ingestuurd, beoordeelt UWV of de re-integratie-inspanningen van de afgelopen 104 weken voldoende waren. Door het advies van bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend te maken bij de RIV-toets, zal de verzekeringsarts dit advies bij deze toets niet langer beoordelen. Hierdoor zijn loonsancties op basis van een medisch verschil van inzicht tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts niet meer mogelijk. De sociaal-medische claimbeoordeling voor het recht op een WIA-uitkering blijft uitgevoerd worden door de verzekeringsarts van UWV. Deze maatregel biedt werkgevers meer zekerheid bij de verplichtingen rond loondoorbetaling bij ziekte van hun werknemers. Het uitgangspunt van de maatregel is dat een werkgever uit moet kunnen gaan van het medisch advies van de bedrijfsarts, aangezien de werkgever dit niet zelf kan vaststellen. Ook verlaagt het in beperkte mate de werkdruk van de verzekeringsartsen bij UWV.Praktisch beoordelenDe maatregel praktisch beoordelen is op dit moment tijdelijk ingevoerd voor de periode van 1 juli 2024 tot 1 juli 2027. Deze werkwijze zal structureel gemaakt worden na 1 juli 2027. Mensen die gedeeltelijk aan het werk zijn, krijgen hiermee sneller duidelijkheid omdat voor de hoogte van hun uitkering alleen wordt gekeken naar wat zij feitelijk verdienen naast de uitkering. Er wordt geen theoretische beoordeling meer gedaan voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. UWV kan naar verwachting meer beoordelingen per jaar uitvoeren door deze maatregel.89Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Wet ongevallenverzekering BESMet de Wijzigingswet SZW-wetten BES 2024 wordt het hiaat van het ontbreken van een wettelijke basis voor terugvordering opgelost. In een algemene maatregel van bestuur wordt uitgewerkt hoe terugbetaling in de praktijk geregeld kan worden. Dit ontwerpbesluit terugvordering werknemersverzekeringen BES is via internetconsultatie openbaar gemaakt, waarbij is aangegeven dat inwerkingtreding per 1 januari 2026 is beoogd.D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 45 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen7.36011.62613.0566.4362.949863867Uitgaven7.36011.62613.0566.4362.9498638673.0Arbeidsongeschiktheid7.36011.62613.0566.4362.949863867Inkomensoverdrachten1.3601.4421.4421.4601.149863867Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)1.3601.4421.4421.4601.149863867Bijdrage aan ZBO's/RWT's6.00010.18411.6144.9761.80000Uitvoering individuele plaatsing & steun6.00010.18411.6144.9761.80000Ontvangsten1.048000000Geschatte budgetflexibiliteitTabel 46 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 32026juridisch verplicht100%bestuurlijk gebonden0%beleidsmatig gereserveerd0%nog niet ingevuld / vrij te besteden0%De uitgaven op artikel 3 Arbeidsongeschiktheid zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten van de Ongevallenverzekering Caribisch Nederland.Bijdrage aan ZBO's/RWT'sDe bijdrage aan ZBO's/RWT's is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft de uitvoering van de individuele plaatsing en steun voor de gemeentelijke doelgroep.90Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierdTabel 47 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 3 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen14.250.28218.033.68919.349.26620.288.17521.262.59422.299.48923.110.192Uitgaven14.250.28218.033.68919.349.26620.288.17521.262.59422.299.48923.110.1923.0Arbeidsongeschiktheid14.250.28218.033.68919.349.26620.288.17521.262.59422.299.48923.110.192Inkomensoverdrachten14.120.56817.892.57519.198.81320.130.97721.100.41522.148.61522.953.309WAO3.212.1653.085.0132.759.9002.424.3902.184.2171.957.8391.727.546IVA5.361.0405.973.2866.331.6846.589.4946.833.3037.146.7207.377.556WGA4.943.7805.497.2695.880.9916.041.6426.178.8766.339.1876.388.984WAZ75.69969.79860.21450.18943.73837.32630.077WGA eigenrisicodragers527.884573.219591.696611.221629.754627.740625.727WAO nominaal00122.454203.886267.263312.629340.321IVA nominaal00289.581570.936860.2081.171.0571.488.611WGA nominaal00272.888532.807791.0561.054.8581.307.749WAZ nominaal002.6664.2215.3525.9615.925WGA eigenrisicodragers nominaal0027.65553.90380.625104.458128.079sociale lasten02.693.9902.859.0843.048.2883.226.0233.390.8403.532.734Bijdrage aan ZBO's/RWT's129.714141.114150.453157.198162.179150.874156.883Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW129.714141.114145.878147.614147.834133.718135.195Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WW nominaal004.5759.58414.34517.15621.688Ontvangsten0000000E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenOngevallenverzekering (Caribisch Nederland)Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt, krijgen op basis van de Ongevallenverzekering een uitkering (ongevallengeld). De uitkering is gekoppeld aan het laatstverdiende loon van de werknemer.Budgettaire ontwikkelingenDe uitkeringslasten voor de Ongevallenverzekering nemen af vanaf 2028 omdat onrechtmatige betalingen naar verwachting niet langer plaats zullen vinden dankzij een hernieuwd ICT-landschap. Vanaf 2029 blijven de uitkeringslasten nagenoeg stabiel.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 48 Kerncijfers Ongevallenverzekering (Caribisch Nederland)Realisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume uitkeringen Ongevallenverzekering (x 1.000 uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsdagen)6,56,76,81Bron: RCN-unit SZW.91Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)De WIA geeft werknemers die na een wachttijd van twee jaar ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn recht op een uitkering, mits aan de voorwaarden daarvoor voldaan is. In de WIA staat werk voorop. Het accent ligt op wat mensen wel kunnen. Tegelijkertijd is er sprake van inkomensbescherming. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes. De IVA verstrekt een loondervingsuitkering aan werknemers die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn. Wie nog gedeeltelijk kan werken of bij wie herstel op termijn nog mogelijk is, krijgt een uitkering op basis van de WGA. De WIA wordt uitgevoerd door UWV. Werkgevers kunnen daarbij eigenrisicodrager worden voor de WGA-lasten van hun (ex-)werknemers. Dit betekent dat ze een lagere premie aan UWV betalen, omdat zij het gros van de verplichtingen van UWV met betrekking tot re-integratie en uitkeringsbetaling overnemen.Wie komt er voor in aanmerking?Werknemers die op of na 29 december 2005, na een wachttijd van twee jaar, 35% of meer arbeidsongeschikt zijn als gevolg van ziekte.Hoe hoog is de IVA-uitkering en wat is de duur?Iemand die ten minste 80% arbeidsongeschikt is en niet meer kan herstellen of een geringe kans op herstel heeft, komt op basis van de IVA in aanmerking voor een uitkering van 75% van het laatstverdiende loon, met een maximum van 75% van het maximumdagloon. Het maximumdagloon bedraagt per 1 juli 2025 € 297,82, dat is afgerond € 6.477,59 per maand. De IVA-uitkering bedraagt maximaal € 4.858,19 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Daarnaast ontvangen IVA-gerechtigden jaarlijks een tegemoetkoming (in 2025 netto € 219,90) mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een IVA-uitkering. Deze tegemoetkoming arbeidsongeschikten is bedoeld om een arbeidsongeschikte tegemoet te komen in de kosten die hij/zij moet maken door zijn/haar handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.Hoe hoog is de WGA-uitkering en wat is de duur?–Iemand die ten minste 35% arbeidsongeschikt is komt in aanmerking voor een uitkering op basis van de WGA. De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het loonverlies (oude maandloon minus eventueel inkomen). Het totale inkomen neemt toe naarmate de betrokkene meer werkt.–Indien het loonverlies meer dan 35% maar minder dan 80% bedraagt, is er sprake van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid. Afhankelijk van het arbeidsverleden heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte minimaal 3 tot maximaal 24 maanden recht op een loongerelateerde uitkering.–De gedeeltelijk arbeidsgeschikte wordt geacht te gaan of te blijven werken. Om dit te stimuleren wordt de uitkering na de loongerelateerde fase afhankelijk van het verdiende inkomen. Is dat inkomen ten minste 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt het loon aangevuld met 70% van het loonverlies. Als de betrokkene na afloop van de loongerelateerde uitkering geen werk heeft of minder verdient dan 50% van de resterende verdiencapaciteit, dan wordt een uitkering verstrekt die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het wettelijk minimumloon.–Indien het loonverlies ten minste 80% bedraagt en herstel op termijn nog mogelijk is, is er sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. De volledig arbeidsongeschikte houdt ook na de loongerelateerde fase recht op een uitkering van 70% van het loonverlies.92Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 –WGA-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WGA-uitkering ontvangen evenals IVA-gerechtigden een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2025) netto € 219,90.–Evenals bij de IVA-uitkering geldt ook bij de WGA-uitkering het maximumdagloon.–Het recht op uitkering kan doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.Budgettaire onwikkelingenIn 2026 stijgen de uitkeringslasten WIA (IVA en WGA) inclusief de lasten voor eigenrisicodragers met circa € 761miljoen ten opzichte van 2025. Dit is voornamelijk het gevolg van een hogere verwachte instroom in 2026 ten opzichte van 2025. Onderliggende factoren zijn het gegeven dat de WIA een ingroeiende regeling is die nog niet het structurele niveau heeft bereikt, de verwachte ontwikkeling en samenstelling van de beroepsbevolking en het verwachte aantal voorschotten.Beleidsrelevante kerncijfersDe verwachte instroom in de IVA en WGA zijn respectievelijk lager en hoger in 2026 dan in 2025. Tegelijkertijd stijgt de verwachte doorstroom van de WGA naar de IVA van 2025 op 2026. Dit komt door de toename van het aantal verstrekte voorschotten. Deze leidt tot minder directe instroom in de IVA, meer instroom in de WGA en meer doorstroom. Op totaalniveau stijgt de WIA-instroom.Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)De WAO is per 29 december 2005 vervangen door de WIA. De WAO blijft gelden voor werknemers die op 1 januari 2004 een WAO-uitkering ontvingen. De WAO verstrekt uitkeringen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd. Daarom zullen er nog decennia lang mensen zijn die een beroep blijven doen op de WAO. De WAO wordt uitgevoerd door UWV.Wie komt er voor in aanmerking?De werknemer die op 1 januari 2004 al een WAO-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:–Hij is 15% of meer arbeidsongeschikt;–Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.De WAO blijft ook gelden voor werknemers die hun eerste ziektedag hadden vóór 1 januari 2004 of van wie het recht op WAO-uitkering is geëindigd, indien zij binnen vijf jaar (opnieuw) arbeidsongeschikt worden door dezelfde oorzaak. Hierdoor worden alleen nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend bij herleving van een oud recht.Hoe hoog is de WAO-uitkering?De WAO-uitkering bestaat uit twee fasen:–In de eerste fase ontvangt een WAO-gerechtigde een loondervingsuitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het dagloon. De uitkering bedraagt maximaal 75% van het maximumdagloon. Dat is per 1 juli 2025 maximaal € 4.858,19 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). De duur van de loondervingsuitkering is afhankelijk van de leeftijd op de ingangsdatum van de WAO-uitkering.–In de tweede fase ontvangt de WAO-gerechtigde een vervolguitkering die gerelateerd is aan het arbeidsongeschiktheidspercentage en het vervolgdagloon. De hoogte van het vervolgdagloon is onder andere afhankelijk van de leeftijd die iemand heeft op de ingangsdatum van de WAO-uitkering. De vervolguitkering kan in principe doorlopen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.93Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 WAO-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAO-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn, ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2025) netto € 219,90.Budgettaire ontwikkelingenDe uitkeringslasten WAO dalen in 2026 met ongeveer € 325 miljoen ten opzichte van 2025. Het WAO-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand.Beleidsrelevante kerncijfersEr is alleen nog instroom in de WAO door herleving van uitkeringen. Er worden dan ook nauwelijks nog nieuwe WAO-uitkeringen toegekend. Tegelijkertijd worden er in 2026 naar verwachting circa 14.000 uitkeringen beëindigd.Tabel 49 Kerncijfers IVA, WGA en WAORealisatie 20241Raming 2025Raming 2026IVA, WGA en WAOBestand in uitkeringen (x 1.000, ultimo)607616625waarvan IVA182192200waarvan WGA273287301waarvan WAO152138124Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)7,67,77,7Instroom in uitkeringen (x 1.000)69,068,371,9waarvan IVA13,013,011,1waarvan WGA56,054,960,5waarvan WAO0,40,40,3Instroomkans (%)0,90,80,9Uitstroom uit uitkeringen (x 1.000)53,058,462,9waarvan IVA15,018,119,3waarvan WGA23,024,929,5waarvan WAO15,015,414,1Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)15,014,616,7Uitstroomkans WAO + WIA (%)8,08,79,1WGAAandeel werkend WGA (%, ultimo)20‒2‒2Aandeel werkende WGA'ers met resterende verdiencapaciteit (%, ultimo)50‒2‒21Bron: UWV, kwantitatieve informatie.2Dit aandeel wordt niet geraamd.HandhavingDe handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.94Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 50 Kerncijfers IVA, WGA, WAO en WAZ (handhaving inlichtingenplicht)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Preventie1Gepercipieerde detectiekans (%)602612552Kennis van de verplichtingen (%)932922932Opsporing3Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)1,81,61Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)40,30,20,2Totaal benadelingsbedrag3,93,33,4Sanctionering3Aantal waarschuwingen (x 1.000)0,60,70,3Aantal boetes (x 1.000)0,20,20,1Totaal boetebedrag (x € 1 mln.)0,30,30,1Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering3Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)3825161Kerncijfers preventie hebben alleen betrekking op WGA en WAO. De IVA is bij het onderzoek «Kennis der verplichtingen en detectiekans» buiten beschouwing gebleven.2Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».3Bron: UWV, kwantitatieve informatie.4Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)De WAZ is een verplichte verzekering voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en meewerkende echtgenoten tegen de inkomensgevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. De WAZ is op 1 augustus 2004 ingetrokken. Sindsdien kunnen ondernemers zelf bepalen of zij de inkomensrisico’s al dan niet willen afdekken, bijvoorbeeld via een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. De WAZ blijft gelden voor zelfstandigen die op 1 augustus 2004 een uitkering ontvingen. De WAZ wordt uitgevoerd door UWV.Wie komt er voor in aanmerking?De zelfstandige die op 1 augustus 2004 al een WAZ-uitkering ontving, behoudt deze zolang aan de uitkeringsvoorwaarden wordt voldaan:–Hij is 25% of meer arbeidsongeschikt;–Hij heeft de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet bereikt.Hoe hoog is de WAZ-uitkering?De hoogte van de WAZ-uitkering hangt af van de mate van arbeidsongeschiktheid en het feitelijk gederfde inkomen per dag, mits dat niet hoger is dan het wettelijk minimumloon (de maximale grondslag). De uitkering voor volledig arbeidsongeschikten is 75% van de grondslag en bedraagt per 1 juli 2025 maximaal € 1.684,35 bruto per maand (exclusief vakantiegeld). Heeft de betrokkene voortdurend oppas en verzorging nodig, dan kan de uitkering worden verhoogd tot maximaal 100% van de grondslag. WAZ-gerechtigden die op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een WAZ-uitkering en ten minste 35% arbeidsongeschikt zijn ontvangen daarnaast een tegemoetkoming arbeidsongeschikten van (in 2025) netto € 219,90.Budgettaire ontwikkelingenIn 2026 bedraagt de verwachte afname van de uitkeringslasten ten opzichte van 2025 circa € 10 miljoen.95Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Beleidsrelevante kerncijfersDe toegang voor zelfstandigen tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. In de WAZ is nog slechts in beperkte mate sprake van nieuwe instroom, die bestaat uit herleving van uitkeringen. Het WAZ-bestand en de uitkeringslasten nemen de komende jaren af, met name door het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van het zittend bestand.Tabel 51 Kerncijfers WAZRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Bestand in aantal uitkeringen (x 1.000, ultimo)5,14,43,81Bron: UWV, kwantitatieve informatie.Sociale lastenVanaf 2025 worden voor een aantal uitkeringsregelingen de over deze uitkeringen betaalde werkgeverspremies toegevoegd aan de SZW-begroting. Deze wijziging heeft een technisch karakter. Het CBS classificeert werkgeverspremies die betaald worden over uitkeringen voortaan als overheidsuitgaven.Bijdrage aan ZBO's/RWT'sUitvoering individuele plaatsing & steunMet deze regelingen krijgen GGZ-instellingen subsidie voor de uitvoering van een Individuele Plaatsing en Steun-traject (IPS). Het doel van deze regeling is om de inzet van IPS-trajecten voor de gemeentelijke doelgroep te bevorderen. Voor GGZ-cliënten met een common mental disorder (CMD) kan een tweejarig IPS-traject worden aangevraagd. Voor mensen met een ernstige psychische aandoening (EPA) kan een driejarig IPS-traject worden aangevraagd.De middelen voor IPS bestaan uit twee delen: middelen die al eerder voor 2025 en 2026 beschikbaar zijn gesteld, betreffen resterende kosten voor de IPS-trajecten die in 2023 en 2024 zijn gestart. Uit de envelop voor «groepen in de knel» uit het hoofdlijnenakkoord is extra geld beschikbaar gekomen voor de gemeentelijke doelgroep (mensen in de Participatiewet). Met dit budget kan in 2026 ook één cohort van deze doelgroep meerjarig geholpen worden.Re-integratie WIA/WAO/WAZ/ZW/WWUWV begeleidt uitkeringsgerechtigden in de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW zo nodig naar werk of ondersteunt ze zodra zij werk hebben. UWV zet deze middelen in voor inkoop van trajecten en diensten gericht op het vinden van werk. Daarnaast koopt UWV voorzieningen (waaronder jobcoaching en vervoersvoorzieningen) in voor het ondersteunen van werkenden met een structurele functionele beperking.UWV beschikt over één taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (inclusief Wajongers). Dit budget wordt door UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget wordt verantwoord in beleidsartikel 4. Voor het premiegefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget is in 2026 € 145,9 miljoen beschikbaar.96Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Extracomptabel overzicht re-integratiebudgetIn tabel 52 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong. Aandachtspunt is dat een deel van het begrotingsgefinancierde budget gericht is op de subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling). Het overige begrotingsgefinancierde deel is samen met het premiegefinancierde deel beschikbaar voor inkoop van trajecten, diensten en voorzieningen.Tabel 52 Extracomptabel overzicht totaal re-integratiebudgetten UWV (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030WIA/WAO/WAZ/ZW/WW 35- (premiegefinancierd, artikel 3)129.714141.114145.878147.613147.834133.718135.195Wajong (begrotingsgefinancierd, artikel 4)86.80091.59988.52185.10081.80578.32874.840waarvan re-integratiebudget Wajong69.71276.87973.21569.79466.49963.02259.535waarvan ESB-regeling17.08814.72015.30615.30615.30615.30615.306WW (premiegefinancierd, artikel 5)13.0003.0003.0003.0003.0003.000Totaal re-integratiebudgetten UWV (excl. ESB-regeling)199.4262220.993222.093220.407217.333199.740197.7301Re-integratiebudget voor WW’ers met een kwetsbare arbeidsmarktpositie.2In 2024 sluit het beschikbare budget niet een op een aan op de uitgaven aan re-integratie door UWV. Dit wordt verklaard doordat UWV in 2024 ESF-gelden heeft ontvangen voor oude projecten (€ 1,9 miljoen).Extracomptabele fiscale regelingenNaast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota. Naast de fiscale regelingen die in onderstaande tabel zijn opgenomen, heeft ook de Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid betrekking op dit beleidsartikel.Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Toelichting op de fiscale regelingen’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.Tabel 53 Fiscale regelingen 2024-2026, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1,2202420252026Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek592624647Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering‒ 480‒ 506‒ 529ASB Vrijstelling ongevallen-, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen7467748031[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.2ASB = Assurantiebelasting97Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.4 Artikel 4 JonggehandicaptenA. Algemene doelstellingDe overheid biedt jonggehandicapten arbeids- en inkomensondersteuning.De Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) bestaat met ingang van 2021 uit twee groepen jonggehandicapten: personen met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie en personen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.De groep met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie bestaat uit jonggehandicapten die zijn ingestroomd vanuit de «oude Wajong» (tot 2010) en de «Wajong2010» (2010 tot 2015). Voor deze groep staat arbeidsparticipatie centraal. De overheid zet in op het vergroten van de arbeidsparticipatie van deze groep via arbeidsondersteuning. Daarnaast zet de overheid in op inkomensondersteuning, waarbij (meer) gaan werken moet lonen. Sinds 2015 is er geen nieuwe instroom meer van jonggehandicapten met mogelijkheden tot arbeidsparticipatie in de Wajong. Deze groep komt nu doorgaans in aanmerking voor de Participatiewet.De groep die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, bestaat uit mensen die vanuit de «oude Wajong», «Wajong2010» en de «Wajong2015» (sinds 2015) zijn ingestroomd. De overheid heeft voor deze groep als doel te voorzien in een inkomensvoorziening. Zij hebben geen recht op arbeidsondersteuning.Als het totale inkomen van een persoon met een Wajong-uitkering en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister stimuleert het vinden van werk met een bijdrage voor re-integratieinspanningen aan UWV en een subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. De Minister financiert de inkomensondersteuning via het verstrekken van uitkeringen. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;–de vaststelling van het niveau van de uitkeringen uit hoofde van de Wajong;–het ter beschikking stellen van middelen voor het aan het werk helpen van mensen die arbeidsmogelijkheden hebben;–de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV.De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het jonggehandicaptenbeleid te realiseren, zoals bijvoorbeeld de jonggehandicaptenkorting, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.98Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 C. BeleidswijzigingenEr zijn geen voorgenomen beleidswijzigingen voor 2026.In april 2023 is het experiment bredere inzet re-integratie instrumenten gestart. UWV kan vanaf dat moment tijdelijk ook alle re-integratie instrumenten inzetten voor mensen met duurzaam geen arbeidsvermogen. Het doel van het experiment is om te onderzoeken in hoeverre mensen werk kunnen vinden, verrichten en behouden met behulp van ondersteuning, of de dienstverlening aansluit bij hun behoeften en wat mogelijke andere individuele en maatschappelijke baten kunnen zijn van ondersteuning naar werk. Op basis van de tussenevaluatie zal worden bezien of deze re-integratie instrumenten voor deze groepen structureel kunnen worden ingezet. De uitkomst wordt in 2026 verstuurd naar de Staten-Generaal. In 2029 volgt de eindevaluatie.D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 54 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen4.465.5004.809.8674.851.3924.831.0954.876.2854.912.4834.953.987Uitgaven4.465.5004.809.8674.851.3924.831.0954.876.2854.912.4834.953.9874.0Jonggehandicapten4.465.5004.809.8674.851.3924.831.0954.876.2854.912.4834.953.987Inkomensoverdrachten4.378.7004.718.2684.762.8724.745.9954.794.4814.834.1564.879.147Wajong4.378.7004.718.2684.762.8724.745.9954.794.4814.834.1564.879.147Bijdrage aan ZBO's/RWT's86.80091.59988.52085.10081.80478.32774.840Re-integratie Wajong86.80091.59988.52085.10081.80478.32774.840Ontvangsten4.61919.65000000Geschatte budgetflexibiliteitTabel 55 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 42026juridisch verplicht100%bestuurlijk gebonden0%beleidsmatig gereserveerd0%nog niet ingevuld / vrij besteedbaar0%De uitgaven op artikel 4 Jonggehandicapten zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en zijn derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Wajong.Bijdrage aan ZBO's/RWT'sDe bijdragen aan ZBO’s en RWT’s zijn 100% juridisch verplicht. Het betreft een re-integratiebudget voor Wajong-gerechtigden.99Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)De Wajong biedt inkomensondersteuning aan mensen die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden en geen arbeidsverleden hebben en aan hen die tijdens hun studie voor het bereiken van de 30-jarige leeftijd arbeidsgehandicapt zijn geworden. Sinds 2015 is de Wajong alleen nog voor mensen die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. De Wajong wordt uitgevoerd door UWV.Hoe hoog is de Wajong-uitkering? Voor personen met een Wajong-uitkering die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben is de uitkering 75% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2025 is dit € 1.684,35 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 21 jaar en ouder. Voor jongeren is de uitkering 75% van het wettelijk minimumjeugdloon. Op het moment dat deze personen toch gaan werken en een inkomen ontvangen, wordt 75% van dit inkomen verrekend met de uitkering. Voor Wajong-gerechtigden die mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) hebben is de uitkering 70% van het wettelijk minimumloon. Per 1 juli 2025 is dit € 1.572,06 bruto per maand (exclusief vakantiegeld) voor mensen van 21 jaar en ouder. Op het moment dat een persoon met arbeidsvermogen gaat werken en een inkomen ontvangt, wordt maximaal 70% van dit inkomen verrekend met de uitkering. Voor personen die werken met loondispensatie wordt afhankelijk van de loonwaarde een kleiner deel van het inkomen verrekend. Daarnaast wordt het inkomen van deze personen ten minste aangevuld tot het inkomen dat zij zouden hebben verdiend wanneer zij zonder loondispensatie aan het werk zouden zijn. Naast de uitkering ontvangen alle Wajong-gerechtigden in 2025 een tegemoetkoming van netto € 219,90 mits zij op 1 juli van het kalenderjaar recht hebben op een Wajong-uitkering. Dit is bedoeld als tegemoetkoming voor kosten die arbeidsongeschikten maken door hun handicap. Het recht op uitkering wordt beëindigd bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.Budgettaire ontwikkelingenVoor 2026 is in totaal € 4,8 miljard voor de uitkeringslasten beschikbaar. Hiervan is € 81 miljoen beschikbaar ten behoeve van de Tegemoetkoming Arbeidsongeschikten. Deze is vanaf 2027 afgeschaft. De uitkeringslasten stijgen jaarlijks door een toenemende Wajong2015 populatie. Dit zijn personen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en een hogere gemiddelde uitkering kennen. Sinds 2025 stromen de eerste personen in naar aanleiding van de 10-jaarregel. Dit komt bovenop de reguliere jaarlijkse stijging van het aantal personen in de Wajong2015. De 10-jaarregel houdt in dat voor Wajongers waarbij tijdelijk geen arbeidsvermogen is vastgesteld en die in tien jaar tijd geen ontwikkelingen hebben laten zien, het ontbreken van arbeidsvermogen als duurzaam wordt aangenomen.Beleidsrelevante kerncijfersIn 2026 stijgt het totale volume in de Wajong licht door een toenemende instroom in de Wajong2015, onder andere door de 10-jaarregel. Dit effect wordt gedempt door een per saldo afname van het volume in de oude Wajongregelingen. Ook neemt de totale uitstroom toe.100Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 56 Kerncijfers WajongRealisatie 2024Raming 2025Raming 2026Volume Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen, ultimo)2471248248waarvan oude Wajongregelingen2122207202waarvan met arbeidsvermogen (%)4924848waarvan Wajong20153524146Instroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)7,017,87,6Uitstroom Wajong totaal (x 1.000 uitkeringen)5,617,07,2Aandeel Wajongers met arbeidsvermogen dat werkt (%)56156561Bron: UWV, kwantitatieve informatie.2Bron: SZW berekening op basis van UWV, kwantitatieve informatie.HandhavingDe handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.Tabel 57 Kerncijfers Wajong (handhaving inlichtingenplicht)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Preventie1Gepercipieerde detectiekans (%)565862Kennis van de verplichtingen (%)898988Opsporing2Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)0,40,40,3Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)30,10,10,1Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)1,11,30,8Sanctionering2Aantal waarschuwingen (x 1.000)0,10,10,1Aantal boetes (x 1.000)0,10,1<0,1Totaal boetebedrag (x € 1 mln)0,10,1<0,1Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering2Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)30941Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».2Bron: UWV, kwantitatieve informatie.3Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.Bijdrage aan ZBO's/RWT'sRe-integratie WajongVoor jonggehandicapten is een re-integratiebudget beschikbaar om hen te begeleiden op weg naar werk en te ondersteunen zodra zij werk hebben. Dit budget is bestemd voor de inzet van trajecten gericht op het vinden van werk, voorzieningen na werkaanvaarding (waaronder jobcoaching) en voor de financiering van de subsidieregeling voor scholing aan jongeren met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen. Jonggehandicapten met arbeidsvermogen zijn verplicht om mee te werken aan re-integratie. UWV beschikt over één taakstellend re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en voorzieningen voor de ondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (Wajong, WIA, WAO, WAZ, ZW en WW). Het premiegefinancierde deel van het re-integratiebudget heeft betrekking op de WIA, WAO, WAZ, ZW en WW en wordt verantwoord in artikel 3 en 5. In tabel 52 is het totale budget dat voor UWV beschikbaar is voor de inkoop van re-integratietrajecten en werkvoorzieningen te zien, voor zowel WIA/WAO/WAZ/ZW/WW als Wajong.101Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire ontwikkelingenVoor 2026 is voor het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re- integratiebudget en voor ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling) in totaal € 88,5 miljoen beschikbaar. In de loop der jaren neemt het begrotingsgefinancierde gedeelte van het re-integratiebudget geleidelijk af. Dit hangt samen met de Participatiewet, waarin geregeld is dat de instroom in de Wajong2015 wordt beperkt tot mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben. De afname in het re-integratiebudget Wajong voor deze groep wordt gecompenseerd door een toename in het re-integratiebudget Participatiewet.Extracomptabele fiscale regelingenNaast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota.Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Toelichting op de fiscale regelingen’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.Tabel 58 Fiscale regelingen 2024-2026, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1202420252026Jonggehandicaptenkorting2172212261[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.102Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.5 Artikel 5 WerkloosheidA. Algemene doelstellingDe overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid en stimuleert hen het werk te hervatten.De overheid biedt werknemers die hun baan verliezen en geheel of gedeeltelijk werkloos worden, bescherming tegen het verlies aan loon als gevolg van werkloosheid. Zij kunnen een beroep doen op een uitkering die voorziet in een tijdelijk inkomen om de periode van werkloosheid te overbruggen. Hiervoor zijn werknemers verplicht verzekerd op grond van de Werkloosheidswet (WW). Door middel van instrumenten als bijvoorbeeld de sollicitatieplicht, het besluit passende arbeid en inkomstenverrekening stimuleert de overheid een terugkeer naar werk.Werklozen die bij instroom in de WW ouder zijn dan 60 jaar en 4 maanden, komen na afloop van hun WW-recht in aanmerking voor een uitkering op minimumniveau op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW).Als het totale inkomen van de uitkeringsgerechtigde WW of IOW en diens eventuele partner onder het sociaal minimum ligt, kan de uitkeringsgerechtigde een toeslag ontvangen tot het sociaal minimum op grond van de Toeslagenwet (TW), zie beleidsartikel 2.Werknemers in Caribisch Nederland ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt de overheid deze verplichting over.B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Daarnaast stimuleert de Minister met financiële instrumenten initiatieven die bijdragen aan de werking van de arbeidsmarkt. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;–de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;–het borgen van het activerend karakter van de regelingen en van hun bijdrage aan de werking van de arbeidsmarkt;–de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV;–de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).De Minister van Financiën is primair verantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het werkloosheidsbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.103Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 C. BeleidswijzigingenWW-duurverkortingIn de Voorjaarsnota 2025 is een verkorting van de maximale duur van 24 naar 18 maanden van de WW- en loongerelateerde WGA-uitkering opgenomen. In de begroting is een besparingsverlies als gevolg van een jaar uitstel verwerkt omdat de beoogde datum van inwerkingtreding van 1 januari 2027 niet uitvoerbaar is voor UWV. In hoofdstuk 4.2 «Belangrijkste beleidsmatige mutaties» worden de budgettaire effecten hiervan nader toegelicht.WW-beëindigen op eigen initiatiefMet deze buitenwettelijke maatregel wordt het tijdelijk makkelijker gemaakt voor WW-gerechtigden om op eigen verzoek door UWV de WW-uitkering te laten beëindigen. Er vindt dan tijdelijk geen beoordeling meer plaats door UWV op de geldende voorwaarden voor het stopzetten van een WW-uitkering. Dit zorgt voor lagere uitkeringslasten WW van cumulatief € 86 miljoen. De vrijgekomen uitvoeringscapaciteit wordt ingezet om UWV zo goed mogelijk in staat te stellen de hersteloperatie WIA-dagloon uit te voeren. Dit is onderdeel van een aantal maatregelen die tijdelijk ingevoerd worden, waarmee UWV capaciteit kan besparen die kan worden ingezet voor de uitvoering van de hersteloperatie. De andere maatregelen zijn onder andere het in het geheel niet opleggen van een maatregel indien iemand een WW-uitkering te laat aanvraagt en het uitgaan van een hedenbeslissing bij overlijden bij een arbeidsongeschiktheidsuitkering.Dienstverlening WW'ers met kwetsbare arbeidsmarktpositieWW-gerechtigden met een kwetsbare arbeidsmarktpositie hebben baat bij de inzet van re-integratiedienstverlening bij het vinden van een nieuwe baan. Het kabinet vindt het belangrijk, voor mensen zelf en in het kader van arbeidsmarktkrapte, dat iedereen die met hulp aan het werk kan dat daadwerkelijk doet. Daarom is de inkoop van deze dienstverlening structureel mogelijk gemaakt. Dit gebeurt met een taakstellend budget van € 3 miljoen per jaar (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 802).104Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 59 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 5 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen164.386122.49898.78295.03796.97199.30576.653Uitgaven164.913122.49898.78295.03796.97199.30576.6535.0Werkloosheid164.913122.49898.78295.03796.97199.30576.653Inkomensoverdrachten109.000101.46095.45891.71393.64795.98173.229Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)109.000101.45595.45391.70893.64295.97673.224Cessantiawet (Caribisch Nederland)0555555Subsidies (regelingen)8.0968.3562.8002.8002.8002.8002.900Overige subsidies algemeen6507500000Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening6.2744.28100000Werkgeverssubsidie praktijkleren1.1724.0002.8002.8002.8002.8002.900Bijdrage aan ZBO's/RWT's47.37112.15800000Arbeidsmarktdienstverlening47.37112.15800000Bijdrage aan agentschappen446524524524524524524Rijksdienst voor Ondernemend Nederland446524524524524524524Ontvangsten8.9182.45800000Geschatte budgetflexibiliteitTabel 60 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 52026juridisch verplicht100%bestuurlijk gebonden0%beleidsmatig gereserveerd0%nog niet ingevuld / vrij te besteden0%De uitgaven op artikel 5 Werkloosheid zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten voor de IOW en de Cessantiawet (Caribisch Nederland).SubsidiesHet budget voor de subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg is 100% juridisch verplicht.Bijdrage aan agentschappenDeze bijdrage is 100% juridisch verplicht. Dit zijn de uitvoeringskosten voor de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor de bovengenoemde subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg.105Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierdTabel 61 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 5 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen3.602.3174.706.0135.252.7255.776.6046.535.5947.034.6346.999.138Uitgaven3.602.3174.706.0135.252.7255.776.6046.535.5947.034.6346.999.1385.0Werkloosheid3.602.3174.706.0135.252.7255.776.6046.535.5947.034.6346.999.138Inkomensoverdrachten3.587.6404.688.3215.234.5835.758.0116.516.5707.015.1756.979.226WW3.587.6403.984.0154.268.7314.514.5914.920.8855.118.9764.923.106WW nominaal00190.050383.837614.578839.2171.000.439sociale lasten0704.306775.802859.583981.1071.056.9821.055.681Bijdrage aan ZBO's/RWT's14.67717.69218.14218.59319.02419.45919.912Re-integratie WW03.0003.0003.0003.0003.0003.000Scholing WW14.67714.69214.69214.69214.69214.69214.692Re-integratie WW nominaal0091191287375472Scholing WW nominaal003597101.0451.3921.748Ontvangsten209.000258.562290.609302.556345.858364.261363.231Tabel 62 Uitsplitsing premiegefinancierde ontvangsten artikel 5 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Ontvangsten209.000258.562290.609302.556345.858364.261363.2315.0Werkloosheid209.000258.562290.609302.556345.858364.261363.231Ontvangsten209.000258.562290.609302.556345.858364.261363.231Ufo209.000258.562278.096278.666307.190312.602301.476Ufo nominaal0012.51323.89038.66851.65961.755E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenWet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)De IOW geeft werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, na afloop van hun WW-uitkering recht op een vervolguitkering. Ook gedeeltelijk arbeidsgeschikten die bij aanvang van de loongerelateerde WGA-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn, kunnen na afloop van hun loongerelateerde uitkering recht hebben op IOW.De IOW is een tijdelijke regeling. Oudere WW’ers en WGA’ers zouden, na de beoogde verlenging van 4 jaren, in aanmerking kunnen komen voor een IOW-uitkering als zij vóór 1 januari 2028 werkloos of gedeeltelijk arbeidsongeschikt worden. De IOW wordt uitgevoerd door UWV.Wie komt er voor in aanmerking?–Werklozen die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar en vier maanden of ouder zijn en die recht hebben op meer dan drie maanden WW-uitkering, komen bij beëindiging van hun WW-uitkering wegens het bereiken van de maximale duur in aanmerking voor een IOW-uitkering.–Gedeeltelijk arbeidsgeschikte ouderen hebben na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als de loongerelateerde WGA is toegekend op of na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar en vier maanden.106Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Hoe hoog is de IOW-uitkering?Deze uitkering is maximaal 70% van het netto minimumloon. Dit is op 1 juli 2025 € 1.604,23 bruto per maand (exclusief vakantietoeslag). De uitkering kan lager zijn dan 70% van het netto minimumloon als:–De WW- of loongerelateerde WGA-uitkering lager was dan 70% van het minimumloon;–De betrokkene tijdens de IOW-uitkering andere inkomsten heeft, bijvoorbeeld loon of een andere uitkering.Budgettaire ontwikkelingenIn 2026 bedragen de IOW-uitgaven naar verwachting ongeveer € 95,5 miljoen. De IOW-uitgaven dalen tot en met 2027 en nemen daarna toe. Dit is het gevolg van de WW-duurverkorting zoals die is opgenomen in de Voorjaarsnota 2025.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 63 Kerncijfers IOWRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume IOW (x 1.000 uitkeringsjaren)6,865,71Bron: UWV, kwantitatieve informatie.Cessantiawet (Caribisch Nederland)Werknemers in Caribisch Nederland die werkzaam zijn in de private sector ontvangen bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door de schuld van de werknemer op grond van de Cessantiawet een eenmalige uitkering, te betalen door de werkgever. Als de werkgever wegens faillissement of surseance van betaling niet in staat is om de uitkering (tijdig) te betalen, neemt SZW deze verplichting over.Budgettaire ontwikkelingenDe uitgaven aan uitkeringen op grond van de Cessantiawet zijn vanwege de aard van de uitkering onvoorspelbaar. Gezien de lage realisaties van de afgelopen 2 jaar zijn € 5.000 aan uitkeringslasten meerjarig doorgetrokken.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 64 Kerncijfers Cessantiawet (Caribisch Nederland)Realisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume Cessantiawet (x 1.000 uitkeringen)0<0,1<0,11Bron: RCN-unit SZW.Werkloosheidswet (WW)De WW verzekert werknemers tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode gedeeltelijk opgevangen worden met een uitkering. Het recht op een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. De maximale duur is afhankelijk van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat hij werkloos werd. Per jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer de eerste tien jaar één maand recht op een WW-uitkering op. Vanaf tien jaar arbeidsverleden bouwt een werknemer met elk extra gewerkt jaar een halve maand recht op WW-uitkering op. Voor gewerkte jaren vóór 2016 geldt een overgangsrecht. De WW wordt uitgevoerd door UWV. Hoofdstuk 7.1, Sociale fondsen SZW, gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de WW.107Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Wie komt er voor in aanmerking?Om voor een WW-uitkering in aanmerking te komen moet een werknemer in ieder geval:–De AOW-gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt;–Verzekerd zijn voor de WW;–Minimaal vijf arbeidsuren per week kwijtraken (of voor wie minder dan tien uur per week werkte, minimaal de helft van de arbeidsuren);–Geen recht meer hebben op loon over die verloren arbeidsuren;–Beschikbaar zijn om te gaan werken;–Voldoen aan de wekeneis: in de 36 weken voor de eerste werkloosheidsdag in minimaal 26 weken in loondienst hebben gewerkt;–Geen ZW-uitkering, WAO-uitkering bij volledige arbeidsongeschiktheid of IVA-uitkering ontvangen;–Geen WGA-uitkering ontvangen (tenzij men naast de WGA-uitkering werkte, en die baan is kwijtgeraakt);–Zich tijdig registreren als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf;–Niet verwijtbaar werkloos zijn. Verwijtbaar werkloos is iemand die zelf ontslag heeft genomen of om een dringende reden is ontslagen. In dat geval krijgt de werknemer geen uitkering of een korting op de uitkering.Hoe hoog is de WW-uitkering?De eerste twee maanden bedraagt de uitkering 75%, daarna 70% van het WW-maandloon (dat maandloon wordt gebaseerd op het loon van de periode van 12 maanden voordat iemand werkloos werd). Inkomsten uit arbeid worden gedeeltelijk verrekend, zodat het totale inkomen toeneemt naarmate de WW-gerechtigde meer werkt. De hoogte van het maandloon is gemaximeerd, waardoor de 75%-uitkering per 1 juli 2025 maximaal € 4.858,19 bruto per maand bedraagt en de 70%-uitkering maximaal € 4.534,30 (beide bedragen inclusief vakantietoeslag).Budgettaire ontwikkelingenDe WW-uitgaven bewegen mee met de ontwikkeling van de werkloosheid. De komende jaren neemt de werkloze beroepsbevolking naar verwachting toe. Hierdoor stijgen de WW-uitgaven. In 2026 bedragen de WW-uitgaven naar verwachting ongeveer € 4,3 miljard.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 65 Kerncijfers WWRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume WW (x 1.000 uitkeringsjaren)141153165Aantal lopende WW-uitkeringen (x 1.000, ultimo)175186204Aantal WW-instromers (x 1.000)271293312waarvan nieuwe uitkeringen (x 1.000)249‒2‒2waarvan herleefde uitkeringen (x 1.000)323‒2‒2Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)2572742941Bron: UWV, kwantitatieve informatie.2Dit getal wordt niet geraamd.3Wie na afloop van een WW-uitkering binnen 26 weken weer werkloos wordt, kan de oude WW-uitkering weer terugkrijgen. Dit wordt «herleving» genoemd.108Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 66 Kerncijfers uitstroom uit de WW gerelateerd aan werkRealisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Aandeel uitstroom gerelateerd aan werk binnen 12 maanden na instroom1464543waarvan leeftijd bij instroom jonger dan 55 jaar504845waarvan leeftijd bij instroom 55 jaar en ouder333335Aandeel uitstroom gerelateerd aan werk binnen 3 maanden na instroom2424231Het aandeel uitstroom wordt berekend door alle werkgerelateerde uitstroom te delen door de totale uitstroom. Dit gaat dus over alle WW-gerechtigden die in het betreffende verslagjaar zijn uitgestroomd, deze mensen kunnen in een eerder jaar zijn ingestroomd. Deze cijfers onderschatten de daadwerkelijke werkhervatting vanwege een vertragingseffect in de registratie en vanwege het ontbreken van gedeeltelijke werkhervatting.Bron: UWV, kwantitatieve informatie.HandhavingDe handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.Tabel 67 Kerncijfers WW (handhaving inlichtingenplicht)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Preventie1Gepercipieerde detectiekans (%)707173Kennis van de verplichtingen (%)939393Opsporing2Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)3,63,01,7Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)31,00,50,3Totaal benadelingsbedrag (x 1 mln)4,43,62,0Sanctionering2Aantal waarschuwingen (x 1.000)1,91,61,1Aantal boetes (x 1.000)0,80,40,2Totaal boetebedrag ( x 1 mln)1,20,70,4Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering2Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)5328221Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».2Bron: UWV, kwantitatieve informatie.3Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.Sociale lastenVanaf 2025 worden voor een aantal uitkeringsregelingen de over deze uitkeringen betaalde werkgeverspremies toegevoegd aan de SZW-begroting. Deze wijziging heeft een technisch karakter. Het CBS classificeert werkgeverspremies die betaald worden over uitkeringen voortaan als overheidsuitgaven.SubsidiesSubsidieregeling praktijklerenWerkzoekenden en werkenden kunnen via praktijkleren in het mbo bij- of omgeschoold worden ter verbetering van hun directe en duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Bij praktijkleren in het mbo wordt werken gecombineerd met het doen van (een deel van) een mbo-opleiding resulterend in een praktijkverklaring, mbocertificaat of mbo-diploma. Op grond van de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg kunnen werkgevers een vergoeding krijgen voor het realiseren van de benodigde leerbaan. Voor 2026 is € 2,8 miljoen beschikbaar om deze kosten voor werkgevers achteraf te vergoeden.109Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijdrage aan ZBO's/RWT'sRe-integratie WWDe inkoop van re-integratiedienstverlening wordt structureel mogelijk gemaakt om WW-gerechtigden met een kwetsbare arbeidsmarktpositie weer aan het werk te helpen. Hiervoor is jaarlijks € 3,0 miljoen beschikbaar.Scholing WWEr is jaarlijks € 14,7 miljoen beschikbaar voor het financieren van scholing voor WW-gerechtigden. Hiermee worden WW-gerechtigden met een (zeer) zwakke arbeidsmarktpositie door middel van (om)scholing geholpen om weer terug te keren op de arbeidsmarkt. Bijdrage aan agentschappenRijksdienst voor Ondernemend NederlandDe Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voert de subsidieregeling Praktijkleren in de derde leerweg uit. Hiervoor ontvangt deze partij € 0,5 miljoen in 2026.OntvangstenUitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo)De overheid is eigenrisicodrager voor de WW. UWV verstrekt WW-uitkeringen aan voormalige overheidswerknemers en verhaalt deze uitkeringen vervolgens op de betrokken overheidswerkgever. Dit wordt als ontvangsten Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) in dit beleidsartikel van de begroting opgenomen. Voor 2026 verwachten we dat deze uitgaven toenemen ten opzichte van 2025, naar ongeveer € 278 miljoen.Extracomptabele fiscale regelingenNaast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. Het betreft de ASB vrijstelling voor werkloosheidsverzekeringen. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Toelichting op de fiscale regelingen’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.110Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.6 Artikel 6 Ziekte en verlofregelingenA. Algemene doelstellingDe overheid beschermt werknemers tegen de financiële gevolgen van ziekte en stimuleert hen het werk te hervatten. Tevens beschermt de overheid werknemers tegen de financiële gevolgen van zwangerschap en bevalling en komt tegemoet bij verlofopname wegens geboorte, adoptie of bij opname van een pleegkind en ook voor de verzorging en opvoeding van een kind. Ook biedt de overheid een eenmalig financiële tegemoetkoming aan (voormalig) werkenden die ziek zijn geworden door gevaarlijke stoffen op het werk.De overheid vindt dat mensen die ziek worden en waarbij de loonbetalingsverplichting bij ziekte voor de werkgever niet van toepassing is, ook verzekerd moeten zijn van een tijdelijk loonvervangend inkomen. Zij kunnen het verlies aan inkomen daarom voor een periode van twee jaar, gelijk aan de periode van de loonbetalingsverplichting, opvangen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Door middel van verzuimbegeleiding en re-integratie stimuleert de overheid deze (gewezen) werknemers om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan.Ook tijdens de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof voorziet de overheid in een tijdelijk loonvervangend inkomen. Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) komen zwangere werknemers en zelfstandigen in aanmerking voor een uitkering. Ook andere verlofvormen geven recht op een uitkering, namelijk: adoptie- en pleegzorgverlof, aanvullend geboorteverlof en ouderschapsverlof voor maximaal 9 weken indien deze weken in het eerste jaar na de geboorte of in het eerste jaar na de opname in het gezin in verband met adoptie of pleegzorg van het kind worden opgenomen.Werknemers in Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering op grond van de Ziekteverzekering (ZV).Slachtoffers van stoffengerelateerde beroepsziekten kunnen gebruikmaken van de regeling Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB). Deze regeling houdt in dat mensen die ernstig ziek zijn geworden doordat zij op het werk blootgesteld zijn (geweest) aan gevaarlijke stoffen, van de overheid eenmalig recht hebben op een financiële tegemoetkoming. Het doel van deze regeling is om slachtoffers een kortere en snellere route te bieden naar erkenning van hun beroepsziekte. Voorheen was een aansprakelijkstelling de enige mogelijkheid. Een rechtsgang duurt gemiddeld zeven jaar en is in veel gevallen niet kansrijk. De regeling loopt sinds 1 januari 2023, waarbij is gestart met een tegemoetkoming rondom drie ziekten, namelijk longkanker door asbest, allergisch beroepsastma en CSE. Per 1 juli 2025 zijn er drie ziekten toegevoegd. Het gaat om longkanker door silica, silicose en neus(bijholte)kanker door houtstof. De regeling wordt gestaag verder uitgebreid, op basis van advies van de Adviescommissie Lijst beroepsziekten.Mensen die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose door blootstelling aan asbest, kunnen van de overheid een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding ontvangen op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS).111Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister financiert de inkomensondersteuning en financiële tegemoetkoming met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;–de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;–de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door UWV en de SVB;–de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).C. BeleidswijzigingenWet ziekteverzekering BESMet de Wijzigingswet SZW-wetten BES 2024 wordt het hiaat van het ontbreken van een wettelijke basis voor terugvordering opgelost. In een algemene maatregel van bestuur wordt uitgewerkt hoe terugbetaling in de praktijk geregeld kan worden. Dit ontwerpbesluit terugvordering werknemersverzekeringen BES is via internetconsultatie openbaar gemaakt, waarbij is aangegeven dat inwerkingtreding per 1 januari 2026 is beoogd.Intensivering re-integratiedienstverlening ZWBij de voorjaarsnota is cumulatief € 27 miljoen beschikbaar gesteld voor de intensivering van de re-integratiedienstverlening in de Ziektewet door UWV. Onderdeel hiervan zijn drie pilots gericht op het onderzoek welke begeleiding het meest effectief is bij terugkeer naar werk en het verbeteren van de re-integratiedienstverlening:1.Het ontwikkelen van een werkwijze ten behoeve van de landelijke en structurele uitrol om de instroom in de Ziektewet vanuit de WW en de verzuimduur te beperken;2.Het ontwikkelen van het programma ‘Succesvol naar werk’ voor circa 3.000 Ziektewet uitkeringsgerechtigden. Doel is een programma ontwikkelen voor cliënten in de Ziektewet dat zich richt op verbetering van sollicitatievaardigheden en benutting van het eigen netwerk;3.Het inzetten van jobhunting bij circa 3.000 Ziektewet uitkeringsgerechtigden. Door ondersteuning te bieden in het proces van actief zoeken naar een baan is het doel dat mensen sneller aan het werk komen.De tweejarige pilots starten medio 2025 en de activiteiten en resultaten worden gemonitord en geëvalueerd.112Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 68 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen21.19628.73740.76553.14161.25364.45065.373Uitgaven21.19628.73740.76553.14161.25364.45065.3736.0Ziekte en verlofregelingen21.19628.73740.76553.14161.25364.45065.373Inkomensoverdrachten21.19628.73740.76553.14161.25364.45065.373Tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)7.5817.7557.7557.7557.7557.7557.755Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)9.4158.4128.1058.1946.4366.4756.503Organo Psycho Syndroom (OPS)- fonds051260000Tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB)4.20012.51924.87937.19247.06250.22051.115Ontvangsten27.9832.68100000Geschatte budgetflexibiliteitTabel 69 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 62026juridisch verplicht100%bestuurlijk gebonden0%beleidsmatig gereserveerd0%nog niet ingevuld / vrij te besteden0%De uitgaven op artikel 6 Ziekte en verlofregelingen zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (TAS), Ziekteverzekering Caribisch Nederland, OPS-voorzieningenfonds en Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB).113Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierdTabel 70 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 6 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen5.093.6656.312.7396.620.3276.973.1617.370.9727.791.3998.239.844Uitgaven5.093.6656.312.7396.620.3276.973.1617.370.9727.791.3998.239.8446.0Ziekte en verlofregelingen5.093.6656.312.7396.620.3276.973.1617.370.9727.791.3998.239.844Inkomensoverdrachten5.093.6656.312.7396.620.3276.973.1617.370.9727.791.3998.239.844ZW2.422.3642.547.8132.548.1592.566.8282.602.8262.646.5152.694.127WAZO1.699.9871.796.3891.816.5661.848.4691.886.1331.934.3911.984.171WAZO aanvullend geboorteverlof partners266.743280.974284.122289.538295.875303.412311.199Wet Betaald ouderschapsverlof (WBO)704.571739.418747.729762.015778.692798.528819.017ZW nominaal00114.667220.118327.768437.562552.179WAZO nominaal0081.701158.323237.103319.151405.697WAZO aanvullend geboorteverlof partners nominaal0012.78524.82937.25950.16563.782Wet Betaald ouderschapsverlof (WBO) nominaal0033.64865.34798.059132.025167.863sociale lasten0948.145980.9501.037.6941.107.2571.169.6501.241.809Ontvangsten0000000E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenTegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS)Werknemers die lijden aan de ziekte maligne mesothelioom of asbestose als gevolg van blootstelling aan asbest tijdens het werk, kunnen een tegemoetkoming ontvangen op grond van de TAS. De TAS heeft tot doel asbestslachtoffers bij leven maatschappelijke erkenning te bieden. Dat gebeurt in de vorm van een tegemoetkoming of een voorschot op een schadevergoeding van de werkgever. Als de (voormalige) werkgever het slachtoffer alsnog een schadevergoeding betaalt, wordt het voorschot hiermee verrekend. Indien de werknemer geen schadevergoeding ontvangt, wordt het voorschot omgezet in een tegemoetkoming. De TAS wordt uitgevoerd door het IAS en de SVB.Wie komt er voor in aanmerking?Mensen die ziek zijn geworden door het werken met asbest, krijgen een voorschot als:–Bij hen maligne mesothelioom of asbestose is vastgesteld;–Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, in loondienst bij een werkgever in Nederland werkten;–Zij, of in het geval van maligne mesothelioom ook een huisgenoot, op het werk zijn blootgesteld aan asbest;–Zij nog geen schadevergoeding hebben gekregen of een schadevergoeding hebben ontvangen die lager is dan € 25.679 (prijspeil 2025, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd).114Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Hoe hoog is de TAS?Zowel het voorschot als de tegemoetkoming is in 2025 € 25.679, waarop reeds van de werkgever ontvangen bedragen in mindering worden gebracht. Dit is een eenmalige uitkering. De hoogte van de TAS volgt de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon.Budgettaire ontwikkelingenDe uitkeringslasten van de TAS worden vanaf 2026 geraamd op ongeveer € 7,8 miljoen per jaar.Beleidsrelevante kerncijfersNaar verwachting blijft het aantal TAS-aanvragen de komende jaren stabiel, ondanks dat het werken met asbest al in 1993 is verboden. Dit komt doordat mensen tot tientallen jaren na blootstelling aan asbest ziek kunnen worden.Tabel 71 Kerncijfers TASRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Aantal toekenningen voorschot TAS (x 1.000 uitkeringen)0,40,40,4waarvan toekenning in verband met maligne mesothelioom0,30,40,4waarvan toekenning in verband met asbestose0,10,10,1Aantal terugontvangen voorschotten TAS (x 1.000 uitkeringen)0,10,10,1Aantal toekenningen maligne mesothelioom bij leven ten opzichte van totaal aantal toekenningen (%)83‒2‒21Bron: SVB, administratie.2Dit cijfer wordt niet geraamd.Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)Werknemers in de private sector van Caribisch Nederland die door ziekte of zwangerschap met loonderving geconfronteerd worden, ontvangen een uitkering (ziekengeld) op grond van de Ziekteverzekering. De uitkering is gerelateerd aan het laatstverdiende loon van de werknemer.Budgettaire ontwikkelingenDe uitgaven aan de Ziekteverzekering worden in 2026 geraamd op circa € 8,1 miljoen. De verwachte uitkeringslasten nemen af in 2028 omdat onrechtmatige betalingen naar verwachting niet langer plaatsvinden dankzij een vernieuwd ICT-landschap. Vanaf 2028 blijven de uitkeringslasten nagenoeg stabiel.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 72 Kerncijfers Ziekteverzekering (Caribisch Nederland)Realisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume Ziekteverzekering CN (x 1.000 uitbetaalde ziektedagen)1221261281Bron: RCN-unit SZW.OPS-fondsDe OPS-problematiek is het gevolg van blootstellingen aan vluchtige oplosmiddelen in het werk die hoger waren dan volgens de destijds geldende wettelijke voorschriften waren toegestaan. In maart 2020 is de tijdelijke CSE-regeling in werking getreden om OPS-slachtoffers een financiële tegemoetkoming toe te kennen. Bij de opzet van de regeling is zoveel mogelijk aangesloten bij regelingen voor asbestslachtoffers. De regeling wordt uitgevoerd door de SVB.115Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De CSE-regeling gold tot eind 2023. OPS-slachtoffers kunnen sinds 2023 een aanvraag indienen via de TSB-regeling.Budgettaire ontwikkelingenAlleen lopende aanvragen worden nog afgehandeld. Hierdoor lopen de geraamde uitgaven af.Tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB)De TSB maakt het mogelijk om (ex-)werkenden met een ernstige stoffengerelateerde beroepsziekte een financiële tegemoetkoming toe te kennen. De tegemoetkoming is geen schadevergoeding maar vormt een erkenning van het feit dat men door participatie aan het arbeidsproces ziek is geworden. Indien de (ex-)werkende naast de tegemoetkoming ook een schadevergoeding van de ex-werkgever/opdrachtgever (heeft) ontvang(t)(en), moet de tegemoetkoming worden terugbetaald tot het bedrag van de gehonoreerde schadeclaim. De TSB wordt uitgevoerd door de SVB, Bureau Lexces (RIVM) en het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke Stoffen (ISBG).Wie komt er voor in aanmerking?De doelgroep betreft (ex-)werkenden met ernstige beroepsziekten door blootstelling aan gevaarlijke stoffen op het werk.Hoe hoog is de tegemoetkoming?Het betreft een eenmalige tegemoetkoming van € 25.679 (prijsniveau 2025). Indien de (ex-)werkende naast de tegemoetkoming ook een schadevergoeding van de ex-werkgever/opdrachtgever ontvangt, moet bij een gehonoreerde schadeclaim de tegemoetkoming worden terugbetaald tot het bedrag van de gehonoreerde schadeclaim.Budgettaire ontwikkelingenDe TSB-uitkeringslasten bedragen in 2026 ongeveer € 24,9 miljoen. Naar verwachting worden er ieder jaar meer ziektes toegevoegd aan de regeling. Daardoor stijgen de geraamde uitgaven. Ook wordt in samenwerking met de uitvoeringspartners en de Adviescommissie gewerkt aan een verbeterplan. De verwachting is dat de acties die hieruit voortvloeien een positief effect hebben op het aantal toekenningen in de toekomst.Ziektewet (ZW)De ZW geeft zieke werknemers het recht op een uitkering als zij geen werkgever meer hebben. Deze personen ontvangen ook ondersteuning bij re-integratie. De ZW geldt ook voor een beperkte groep werknemers die wel in dienst zijn van een werkgever. Dit zijn werknemers die tijdelijk arbeidsongeschikt zijn als gevolg van zwangerschap of orgaandonatie en zieke werknemers met een zogenaamde no-riskpolis. De werkgever mag de ZW-uitkering dan verrekenen met het loon dat moet worden doorbetaald. De ZW wordt uitgevoerd door UWV of door werkgevers zelf wanneer zij ervoor gekozen hebben om eigenrisicodrager voor de ZW te zijn.Wie komt er voor in aanmerking?In aanmerking voor een ZW-uitkering komen:–Uitzendkrachten (zonder vast contract met het uitzendbureau);–Oproepkrachten (afhankelijk van het soort oproepcontract);–Personen met een arbeidscontract dat afloopt tijdens de ziekte;–Personen die een WW-uitkering ontvangen en langer dan dertien weken ziek zijn;116Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 –Personen die ziek worden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wanneer zij in loondienst werken hebben zij tijdens hun zwangerschapsverlof recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg. Als deze personen door de zwangerschap vóór of na de bevalling ziek worden, ontvangen zij een ZW-uitkering;–Orgaandonoren die door hun donatie tijdelijk niet kunnen werken;–Personen met een no-riskpolis die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en die binnen vijf jaar nadat ze in dienst zijn gekomen van een werkgever ziek worden;–Ondernemers en directeuren-grootaandeelhouders kunnen alleen een beroep doen op de ZW als zij hiervoor een vrijwillige verzekering hebben.Hoe hoog is de ZW-uitkering?De ZW-uitkering bedraagt meestal 70% van het loon dat de betrokkene gemiddeld per dag verdiende in het jaar voordat hij ziek werd. De hoogte van het dagloon is per 1 juli 2025 gemaximeerd op € 297,82 bruto per dag. Hierdoor bedraagt de uitkering maximaal € 4.534,31 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De uitkering duurt maximaal twee jaar. Er zijn enkele uitzonderingen. Orgaandonoren en werknemers die arbeidsongeschikt zijn als gevolg van de zwangerschap of bevalling hebben recht op een ZW-uitkering van 100% van het dagloon, wat neerkomt op een uitkering van maximaal € 6.477,59 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Op verzoek van de werkgever kan UWV de ZW-uitkering van personen die onder de no-riskpolis vallen het eerste jaar op 100% van het dagloon vaststellen.Budgettaire ontwikkelingenDe ZW-uitkeringslasten in 2026 zullen naar verwachting vergelijkbaar zijn met de uitkeringslasten in 2025.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 73 Kerncijfers ZWRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume ZW (x 1.000 uitkeringen, gemiddelde)105107107Instroom ZW (x 1.000 uitkeringen)324‒2‒2Uitstroom ZW (x 1.000 uitkeringen)329‒2‒21Bron: UWV, kwantitatieve informatie.2In- en uitstroom worden niet geraamd.HandhavingDe handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.117Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 74 Kerncijfers ZW (handhaving inlichtingenplicht)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Preventie1Gepercipieerde detectiekans (%)676860Kennis van de verplichtingen (%)959494Opsporing2Aantal beslissingen op onderzoekswaardige signalen (x 1.000)5,22,61,3Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)32,41,20,8Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)2,51,41,2Sanctionering2Aantal waarschuwingen (x 1.000)4,31,90,9Aantal boetes (x 1.000)0,20,1<0,1Totaal boetebedrag (x € 1 mln)0,10,1<0,1Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering2Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)534091Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».2Bron: UWV, kwantitatieve informatie.3Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.Wet arbeid en zorg (WAZO)De WAZO bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof, (aanvullend) geboorteverlof, adoptie- en pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Vaak bestaat er recht op (gedeeltelijke) loondoorbetaling of op een uitkering: zwangerschaps- en bevallingsuitkering, adoptie- en pleegzorguitkering, geboorteverlofuitkering en ouderschapsverlofuitkering. Deze uitkeringen op grond van de WAZO worden uitgevoerd door UWV.Wie komt er voor in aanmerking?In aanmerking voor een zwangerschaps- en bevallingsuitkering komen:–Vrouwelijke werknemers;–Andere vrouwelijke verzekerden voor de ZW (onder andere thuiswerksters en vrouwen die een ZW-, WW- of loongerelateerde WGA-uitkering ontvangen);–Vrouwelijke vrijwillig verzekerden voor de ZW;–Vrouwen van wie de vermoedelijke bevallingsdatum binnen 10 weken na het einde van de verplichte ZW-verzekering ligt, evenals vrouwen die later uitgerekend zijn, maar die toch binnen 10 weken na het einde van de verplichte verzekering bevallen.In aanmerking voor adoptie- en pleegzorgverlof komt de werknemer die een kind heeft geadopteerd dan wel als pleegkind in zijn gezin heeft opgenomen. Er is een afzonderlijke uitkeringsregeling voor zwangere zelfstandigen, de regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ). Vrouwelijke zelfstandigen, directeuren-grootaandeelhouders, meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaars op arbeidsovereenkomst (hulpen in de huishouding voor minder dan vier dagen per week) hebben gedurende ten minste 16 weken recht op een uitkering. Zie ook beleidsartikel 12.Hoe hoog is de WAZO-uitkering?De zwangerschaps- en bevallingsuitkering en de adoptie- en pleegzorguitkering bedraagt 100% van het laatstverdiende loon, tot een maximum van 100% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2025 gelijk aan € 6.477,59 bruto per maand inclusief vakantiegeld. De hoogte van de uitkering voor zelfstandigen is maximaal het wettelijk minimumloon (per 1 juli 2025 € 2.245,91 bruto per maand exclusief vakantiegeld).118Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire ontwikkelingenIn 2026 nemen de uitgaven aan de WAZO naar verwachting met circa € 20 miljoen toe ten opzichte van 2025. De post uitkeringslasten WAZO omvat zowel de uitkeringslasten van het bevallings- en geboorteverlof van werknemers als de uitkeringslasten voor de regeling Zelfstandig en Zwanger. De raming voor de uitkeringslasten WAZO volgt de prognose van het aantal geboorten in de bevolkingsprognose van het CBS. Door een voorspelde toename van het aantal geboorten nemen ook de verwachte uitgaven aan WAZO-uitkeringen in de komende jaren toe.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 75 Kerncijfers WAZORealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Totaal aantal toekenningen zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000 uitkeringen)147144145Aantal toekenningen werknemers (x 1.000 uitkeringen)134131132Aantal toekenningen zelfstandigen (x 1.000 uitkeringen)1313131Bron: UWV, kwantitatieve informatie.WAZO aanvullend geboorteverlof partnersHet aanvullend geboorteverlof duurt maximaal 5 weken. Het verlof dient binnen 6 maanden na de geboorte te worden opgenomen. Ook deze regeling wordt door UWV uitgevoerd.Wie komt er voor in aanmerking?In aanmerking voor een aanvullend geboorteverlof uitkering komt de werknemer die echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner van de moeder van het kind is, met de moeder ongehuwd samenwoont of haar kind erkent. Voorwaarde is dat de werknemer eerst een week geboorteverlof opneemt, waarbij de werkgever het loon doorbetaalt.Hoe hoog is de uitkering?De hoogte van de uitkering voor aanvullend geboorteverlof bedraagt 70% van het dagloon, tot een maximum van 70% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2025 gelijk aan € 4.534,31 bruto per maand inclusief vakantiegeld.Budgettaire ontwikkelingenIn 2026 nemen de uitgaven aan het aanvullend geboorteverlof naar verwachting met circa € 3 miljoen toe ten opzichte van 2025. De raming voor de uitkeringslasten van het aanvullend geboorteverlof voor partners volgt de prognose van het aantal geboorten in de bevolkingsprognose van het CBS. Door een voorspelde toename van het aantal geboorten nemen ook de verwachte uitgaven aan aanvullend geboorteverlof de komende jaren geleidelijk toe.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 76 Kerncijfers aanvullend geboorteverlofRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Totaal aantal toekenningen aanvullend geboorteverlof (x 1.000 uitkeringen)848384Gemiddeld aantal opgenomen dagen2323231Bron: UWV, kwantitatieve informatie.119Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Wet betaald ouderschapsverlof (WBO)Het betaald ouderschapsverlof duurt maximaal 9 weken. De uitkering wordt alleen verstrekt indien het verlof in het eerste levensjaar van het kind wordt opgenomen. Bij adoptie of pleegzorg kan het verlof worden opgenomen gedurende het eerste jaar na opname van het kind in het gezin.Wie komt er voor in aanmerking?Rechthebbend is de werknemer die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot het kind, dan wel blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen.Hoe hoog is de uitkering?De uitkering bedraagt 70% van het dagloon, met als maximum 70% van het maximumdagloon. Dit is per 1 juli 2025 gelijk aan € 4.534,31 bruto per maand inclusief vakantiegeld.Budgettaire ontwikkelingenIn 2026 nemen de uitgaven aan het betaald ouderschapsverlof naar verwachting met circa € 8 miljoen toe ten opzichte van 2025. De raming voor de uitkeringslasten betaald ouderschapsverlof volgt de prognose van het aantal geboorten in de bevolkingsprognose van het CBS. Door een voorspelde toename van het aantal geboorten nemen ook de verwachte uitgaven aan betaald ouderschapsverlof de komende jaren geleidelijk toe.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 77 Kerncijfers betaald ouderschapsverlofRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Totaal aantal toekenningen betaald ouderschapsverlof (x 1.000 uitkeringen)160160162Gemiddeld aantal opgenomen dagen3636361Bron: UWV, kwantitatieve informatie.Sociale lastenVanaf 2025 worden voor een aantal uitkeringsregelingen de over deze uitkeringen betaalde werkgeverspremies toegevoegd aan de SZW-begroting. Deze wijziging heeft een technisch karakter. Het CBS classificeert werkgeverspremies die betaald worden over uitkeringen voortaan als overheidsuitgaven.120Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.7 Artikel 7 KinderopvangA. Algemene doelstellingDe overheid biedt financiële ondersteuning aan werkende ouders voor kinderopvang en bevordert de kwaliteit van kinderopvang.De overheid hecht aan goede, veilige en financieel toegankelijke kinderopvang, zodat ouders arbeid en zorg kunnen combineren. Voor de bevordering van de arbeidsparticipatie is het belangrijk dat ouders van jonge kinderen actief blijven op de arbeidsmarkt. Bovendien zorgt goede kinderopvang er ook voor dat kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling. De kinderopvangtoeslag houdt formele kinderopvang betaalbaar voor ouders. Om de kwaliteit van kinderopvang te bevorderen heeft de overheid in de Wet kinderopvang (Wko) vastgesteld aan welke eisen de kinderopvangvoorzieningen moeten voldoen. De GGD houdt hier, in opdracht van gemeenten, toezicht op. Daarnaast steunt de Minister via subsidies projecten die de (informatie)positie van ouders versterken om ervoor te zorgen dat ouders hun kind naar een kinderopvangvoorziening kunnen brengen die veilig en van goede kwaliteit is. De kinderopvangondernemers zijn verantwoordelijk voor het goed functioneren van de kinderopvang. Gastouderbureaus en gastouders zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van gastouderopvang. Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en kunnen hun invloed onder andere via de oudercommissies uitoefenen.B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister regisseert met wet- en regelgeving het stelsel, financiert met de kinderopvangtoeslag (KOT) het gebruik van kinderopvang en stimuleert met subsidies de (informatie)positie van ouders. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;–het vaststellen van de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de voorwaarden waaronder deze wordt toegekend;–het ter beschikking stellen van middelen aan gemeenten via het Gemeentefonds ter financiering van toezicht en handhaving op de kinderopvang;–het borgen van de kwaliteit van toezicht en handhaving;–het verstrekken van middelen ten behoeve van de kinderopvang in Caribisch Nederland;–het bevorderen van de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang.De Dienst Toeslagen voert het stelsel van kinderopvangtoeslag uit in opdracht van het Ministerie van SZW. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de KOT.C. BeleidswijzigingenVerhoging toeslagpercentages en indexatie maximum uurprijs 2026Het kabinet zet in 2026 de volgende stap van het ingroeipad naar een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding voor kinderopvang voor alle werkende ouders. Dit ingroeipad houdt in dat de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag elk jaar stapsgewijs worden verhoogd, totdat 121Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 alle werkende ouders met ingang van de nieuwe financiering recht hebben op een vergoedingspercentage van 96%. Dit zorgt ervoor dat de vraag naar opvang geleidelijk toeneemt, waardoor de kinderopvangsector en -markt meer tijd heeft om te reageren op deze grotere vraag en marktschokken worden voorkomen.Voor 2026 is er € 199 miljoen gereserveerd voor de volgende stap van het ingroeipad. Vanaf begin 2026 hebben werkende ouders met een gezamenlijk toetsingsinkomen tot ongeveer € 56.000 recht op het maximale vergoedingspercentage van 96%. Ook ouders met hogere inkomens hebben recht op een hoger vergoedingspercentage dan in 2025. Kinderopvang wordt zo beter betaalbaar voor midden- en hogere inkomens, waardoor (meer) werken voor deze groepen meer gaat lonen.Terugdraaien niet-indexeren maximum uurprijzenDe maatregel uit het hoofdlijnenakkoord om de maximum uurprijzen in 2026 eenmalig niet te indexeren wordt teruggedraaid. Dat betekent dat de maximum uurprijzen voor 2026 volgens de gebruikelijke systematiek worden aangepast aan de verwachte loon- en prijsontwikkeling. De maximum uurprijzen worden in 2026 geïndexeerd met 4,84% en komen daarmee uit op € 11,23 voor dagopvang, € 9,98 voor buitenschoolse opvang en € 8,49 voor gastouderopvang. Door te indexeren blijft de kinderopvangtoeslag in de pas lopen met de kosten die ouders voor kinderopvang maken. Dat maakt het aantrekkelijker voor ouders om (meer) te werken.Kwaliteit en veiligheidHet kabinet zorgt voor veilige kinderopvang van goede kwaliteit. In Nederland is de kinderopvang van goede kwaliteit en het is van belang dat deze kwaliteit behouden blijft. Daarom werkt het kabinet continu aan het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit en de veiligheid van kinderopvang. In dat kader zijn er komend jaar drie maatregelen. Ten eerste wijzigen per 1 juli 2026 de kwaliteitseisen voor gastouderopvang. Ten tweede verandert in 2026 de manier waarop de EHBOkwalificatie van medewerkers in de kinderopvang wordt gewaarborgd. Ten derde loopt tot 1 juli 2026 de tijdelijke verruiming om beroepskrachten in opleiding in te mogen zetten tot 50% van de formatie per kindercentrum (in plaats van 33%). De Minister van SZW neemt voor 1 juli 2026 een besluit over het verlengen of beëindigen van deze verruiming.Verbetermaatregelen toeslagenMet ingang van 1 januari 2026 worden enkele verbetermaatregelen doorgevoerd. Het recht op kinderopvangtoeslag wordt niet meer met terugwerkende kracht ingetrokken als bij een burger de verblijfstitel wordt ingetrokken. Hiermee worden hoge terugvorderingen voorkomen. Verder wordt per 1 januari 2026 de belastingrente op terugvorderingen en nabetalingen afgeschaft.Daarnaast geldt voor alle toeslagen (met uitzondering van de huurtoeslag) dat ook het knelpunt van gezinnen met een partner die noodgedwongen elders verblijft wordt opgelost, zoals aangekondigd in het regeerprogramma. Dit betekent dat mensen met een partner die vermist is of zich nog in een vluchtsituatie bevindt, voortaan niet meer als toeslagpartner worden beschouwd. Specifiek voor de kinderopvangtoeslag zorgt de maatregel ervoor dat er in deze situaties niet meer wordt getoetst of de partner aan de arbeidseis voldoet en wordt het eventuele inkomen van de partner buiten beschouwing gelaten. Daarmee voorkomt de maatregel financiële problemen en kinderarmoede bij deze groep, aangezien de partner niet kan 122Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 bijdragen aan de kosten en zorg voor het huishouden. Het wetsvoorstel voor deze maatregel is op 1 juli 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2024/25, 36 779, nr. 3). De verwachte ingangsdatum is 1 januari 2026.Vereenvoudiging toeslagpartnerbegripNaast de drie verbetermaatregelen die in 2026 ingaan, wordt per 2027 ook het criterium samengestelde gezinnen afgeschaft. Dit behelst het afschaffen van de regel dat mensen toeslagpartner worden als zij samenwonen met één andere volwassene en er daarnaast een minderjarig kind van een van beiden op het adres is ingeschreven. Hierdoor ontstaan veel onterechte partnerschappen. Denk hierbij aan mantelzorgers, mensen die tijdelijk een familielid of vriend in huis nemen, of mensen die gaan samenwonen (woningdelers) omdat zij geen eigen woning kunnen betalen. Zij lopen door het toeslagpartnerschap al snel duizenden euro’s aan ondersteuning onterecht mis. Door de maatregel worden mensen alleen nog partner als zij hier zelf voor kiezen. Gepland is om deze maatregel per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Het wetsvoorstel voor deze maatregel wordt naar verwachting in het voorjaar van 2026 bij de Tweede Kamer ingediend.D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 78 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen4.987.2565.847.7146.213.7456.983.0747.628.5598.570.4228.509.115Uitgaven4.990.6865.849.7146.213.7456.983.0747.628.5598.570.4228.509.1157.0Kinderopvang4.990.6865.849.7146.213.7456.983.0747.628.5598.570.4228.509.115Inkomensoverdrachten4.939.0155.795.5376.140.7296.908.6937.569.6678.511.4898.449.334Kinderopvangtoeslag4.939.0155.795.5376.140.7296.908.6937.569.6678.511.4898.449.334Subsidies (regelingen)16.77825.52016.2954.5004.2459.6329.150Kinderopvang1.5724.1004.5004.5004.2459.6329.150Subsidies Caribisch Nederland15.20621.42011.7950000Opdrachten2.6735.23912.17316.2587.9237.3947.394Overige Opdrachten1.4702.3253.3027.2375.7025.7025.702Opdrachten Caribisch Nederland1962.2142.3712.5212.2211.6921.692Opdrachten Stelselherziening KO1.0077006.5006.500000Bekostiging1.6171.87813.58227.20628.42329.83731.167Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (Projectbureau PGV)1.6171.8781.7871.7871.7871.7871.787Kinderopvang BES0011.79525.41926.63628.05029.380Bijdrage aan agentschappen8.7069.90911.30910.9589.9589.6589.658Agentschap DUO8.7069.90911.30910.9589.9589.6589.658Bijdrage aan medeoverheden21.89711.63119.65715.4598.3432.4122.412Versterking Kinderopvang Samenwerking BES(t) 4 kids CN11.6395.4415.7286.1733.6992.4122.412SPUK kwijtschelden schulden Kinderopvang10.2586.19013.9299.2864.64400Ontvangsten1.932.5412.086.3212.112.9302.146.3172.181.8942.163.3512.073.337123Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 79 Uitsplitsing ontvangsten artikel 7 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Ontvangsten1.932.5412.086.3212.112.9302.146.3172.181.8942.163.3512.073.3377.0Kinderopvang1.932.5412.086.3212.112.9302.146.3172.181.8942.163.3512.073.337Ontvangsten1.932.5412.086.3212.112.9302.146.3172.181.8942.163.3512.073.337Algemeen1.405480480480480480480Terugontvangsten kinderopvangtoeslag222.613278.846296.125324.180354.679331.994230.441Werkgeversbijdrage Kinderopvang1.708.5231.806.9951.816.3251.821.6571.826.7351.830.8771.842.416Geschatte budgetflexibiliteitTabel 80 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 72026juridisch verplicht99,6%bestuurlijk gebonden0,4%beleidsmatig gereserveerd0,0%nog niet ingevuld / vrij te besteden0,0%De uitgaven op artikel 7 Kinderopvang zijn voor 99,6% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en daarom voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten kinderopvangtoeslag.SubsidiesHet budget voor Subsidies Kinderopvang is voor 62% juridisch verplicht. Het juridisch verplichte gedeelte bestaat uit instellingssubsidies en projectsubsidies kinderopvang in Nederland. De twee grootste subsidies zijn een subsidieregeling voor groepshulpen, ter bedrage van circa € 2,0 miljoen, uitgezet via de RVO, en een subsidie voor de arbeidsmarktcampagne «Kleine Stappen, grote dromen» van Kinderopvang Werkt!, ter bedrage van circa € 140.000.Voor de Tijdelijke subsidieregeling Caribisch Nederland geldt dat alle kinderopvangorganisaties die aan de voorwaarden voldoen een beroep op de regeling kunnen doen. Daarmee is 100% van het budget voor Subsidies Caribisch Nederland juridisch verplicht. Naar verwachting treedt in 2026 de Wet kinderopvang BES in werking. De kinderopvangorganisaties worden dan via het instrument bekostiging gefinancierd en niet langer via de tijdelijke subsidieregeling.OpdrachtenHet budget voor Overige Opdrachten is voor 35% juridisch verplicht. Het gaat om opdrachten en onderzoek voor de kinderopvang in Nederland. Daarnaast is 53% bestuurlijk gebonden. Het gaat onder meer om uitgaven voor de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang (LKK) en voor wetenschappelijke ontwikkeling om de start in het basisonderwijs te verbeteren. De rest van het budget voor Overige Opdrachten is beleidsmatig gereserveerd.124Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Vanuit het budget opdrachten Caribisch Nederland is nog niets juridisch verplicht, maar wel is dit budget voor 100% bestuurlijk gebonden. Dit betreft de uitvoeringskosten van UVB (ten behoeve van de tijdelijke subsidieregeling), Inspectie van het Onderwijs (kosten voor het toezicht op de kinderopvang) en de kosten die volgen in aanloop naar de inwerkingtreding van de Wet Kinderopvang BES (waaronder implementatiekosten voor de RCN Unit SZW, als financierder van de kinderopvang en toezichthouder op de rechtmatigheid).De opdrachten voor de ontwikkeling van het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang (Opdrachten Stelselherziening KO) zijn voor 98% bestuurlijk gebonden.BekostigingHet budget voor bekostiging is voor 100% juridisch verplicht en bedoeld voor de uitgaven aan Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (PGV) en voor de kinderopvang in Caribisch Nederland.Bijdrage aan agentschappenHet budget voor bijdrage aan agentschappen is niet juridisch verplicht maar wel voor 100% bestuurlijk gebonden voor de uitvoering door DUO van het Landelijk Register Kinderopvang en het Personenregister Kinderopvang.Bijdrage aan medeoverhedenDe regeling kwijtschelden van publieke schulden in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag, die door de gemeenten wordt uitgevoerd (SPUK), is 100% juridisch verplicht. De middelen voor de versterking van de kinderopvang in Caribisch Nederland, het realiseren van meer huisvesting voor nieuwe kinderopvangorganisaties en voor Plusopvang zijn niet juridisch verplicht maar wel voor 100% bestuurlijk gebonden.E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenKinderopvangtoeslag (KOT)Ouders die betaalde arbeid verrichten en ouders die tot een doelgroep behoren zoals omschreven in de Wko, ontvangen een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderopvang: de kinderopvangtoeslag. Hierbij geldt de voorwaarde dat zij hun kinderen naar een kinderopvanginstelling of gastouder brengen die voldoet aan de eisen van de Wko en daarom geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De KOT wordt uitgevoerd door Dienst Toeslagen van het Ministerie van Financiën. DUO verzorgt de inschrijving in het register buitenlandse kinderopvang en de SVB is verantwoordelijk voor de uitbetaling van de aanvulling op de KOT in het buitenland.Wie komt er voor in aanmerking?–Ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren en beiden werken (werknemers en zelfstandigen);–Alleenstaande ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren (werknemers en zelfstandigen);–Doelgroepouders, bijvoorbeeld ouders die studeren of deelnemen aan een traject om weer aan het werk te komen.125Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Hoe hoog is de kinderopvangtoeslag?De hoogte van de kinderopvangtoeslag is van een aantal aspecten afhankelijk:–Hoogte van het toetsingsinkomen van de ouder(s);–Hoogte van de betaalde uurprijs, tot aan de maximum uurprijs;–De opvangsoort: dagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang kennen een verschillende maximum uurprijs waarvoor ouders een toeslag kunnen ontvangen;–Het kind waar de opvang betrekking op heeft: voor het eerste kind geldt een andere toeslag dan voor tweede en volgende kinderen;–Het aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvangvoorziening.Budgettaire ontwikkelingenDe uitgaven voor de kinderopvangtoeslag nemen in de periode 2026-2029 geleidelijk toe. De toename houdt grotendeels verband met de stapsgewijze verhoging van de vergoedingspercentages in aanloop naar het nieuwe financieringsstelsel in de kinderopvang en de beoogde invoering daarvan in 2029. Vanaf dat jaar krijgen alle werkende ouders een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. In 2030 nemen de uitgaven aan kinderopvangtoeslag enigszins af. Dit komt met name doordat er in het nieuwe financieringsstelsel minder nabetalingen zijn.Beleidsrelevante kerncijfersHet aantal huishoudens met kinderopvangtoeslag en het aantal kinderen dat gebruik maakt van kinderopvang nemen in 2025 en 2026 naar verwachting toe. De stijging houdt met name verband met de stapsgewijze verhoging van de vergoedingspercentages. Onderliggend gaan er vooral meer kinderen naar de buitenschoolse opvang.Ook het gemiddelde aantal uren per kind neemt in 2025 naar verwachting toe, gevolgd door een lichtere stijging in 2026.De gemiddelde tarieven in de dagopvang en de buitenschoolse opvang stijgen in 2025 naar verhouding iets sterker dan de maximum uurprijs.126Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 81 Kerncijfers gebruik kinderopvang (jaargemiddelden)Realisatie 20241Raming 2025Raming 2026Aantal huishoudens dat gebruik maakt van kinderopvangtoeslag (x 1.000)614630641Aantal kinderen met kinderopvangtoeslag (x 1.000)0-12 jaar9129369520-4 jaar (dagopvang)4264314344-12 jaar (buitenschoolse opvang)485504518Deelname kinderen met kinderopvangtoeslag (%)0-12 jaar4344450-4 jaar (dagopvang)6264654-12 jaar (buitenschoolse opvang)343536Aantal uren per kind per maand0-12 jaar65,766,867,20-4 jaar (dagopvang)91,793,594,54-12 jaar (buitenschoolse opvang)42,944,044,3Gebruik kinderopvangtoeslag naar verzamelinkomen (aantal kinderen met kinderopvangtoeslag x 1.000)Tot 130% Wml767879130% Wml tot 1 1/2 x modaal1291221251 1/2 x modaal tot 3 x modaal5015145233 x modaal en hoger207221225Aantal uren per kind met kinderopvangtoeslagTot 130% Wml848787130% Wml tot 1 1/2 x modaal6870701 1/2 x modaal tot 3 x modaal6162623 x modaal en hoger6969701De realisatiecijfers van 2024 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen als gevolg van het definitief vaststellen van inkomen en gebruik.Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van CBS (bevolkingsprognose voor berekening deelname) en Dienst Toeslagen.127Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 82 Kerncijfers kinderopvang bijdragen sectoren en oudersRealisatie 2024Raming 2025Raming 2026Bijdragen sectoren (in %)Collectief677274waarvan Overheid434951waarvan Werkgevers242323Ouders332826Wettelijke maximum uurprijs (in €)1Dagopvang10,2510,7111,23Buitenschoolse opvang9,129,529,98Gastouderopvang7,538,108,49Gemiddelde tarieven van kinderopvanginstellingen (in €)2Dagopvang10,5611,1711,71Buitenschoolse opvang9,5410,1410,63Gastouderopvang7,668,238,63Ouderbijdrage eerste kind in € per uur voor gezinsinkomen3130% Wml1,140,890,931 1/2 x modaal2,491,821,553 x modaal6,806,326,26Ouderbijdrage volgend kind in € per uur voor gezinsinkomen3130% Wml0,830,890,931 1/2 x modaal0,981,161,093 x modaal1,962,182,161De maximum uurprijzen betreffen de vastgestelde maximum uurprijzen (en niet een raming).2De gemiddelde tarieven zijn weergegeven in het prijsniveau van het betreffende jaar en gebaseerd op de uurprijzen die kinderopvanginstellingen en gastouderbureaus maandelijks aanleveren bij Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen verstrekt op verzoek van SZW geanonimiseerde en geaggregeerde overzichten van deze data, zodat SZW de tariefmonitoring in de kwartaalrapportages kan verbeteren. De tarieven zijn daarmee actueler en geven naar verwachting een accurater beeld van de daadwerkelijke tarieven in de sector. Daarentegen zijn de tarieven in bovenstaande tabel niet goed vergelijkbaar met de tarieven die zijn opgenomen in voorgaande begrotingen. De realisatiecijfers van 2024 kunnen nog wijzigen op basis van nagekomen informatie.3Kosten van kinderopvang per uur voor ouders, gebaseerd op het gemiddelde instellingstarief in de dagopvang en de toeslag die ouders ontvangen. In voorgaande begrotingen was bij de bepaling van de ouderbijdrage nog uitgegaan van een instellingstarief gelijk aan de maximum uurprijs. Door te rekenen met het gemiddelde tarief dat kinderopvanginstellingen hanteren ontstaat een beter beeld van de kosten die ouders daadwerkelijk maken.Bron: SZW-berekeningen op basis van informatie van Dienst Toeslagen.SubsidiesVoor subsidies is in 2026 in totaal € 16,3 miljoen beschikbaar. Voor Caribisch Nederland is een subsidiebudget van € 11,8 miljoen beschikbaar, dat wordt ingezet voor de Tijdelijke subsidieregeling Financiering Kinderopvang Caribisch Nederland. Vanaf naar verwachting 1 januari 2026 zal dit budget worden ingezet voor de financiering van de kinderopvang in Caribisch Nederland op grond van de Wet kinderopvang BES (samen met de € 11,8 miljoen op het instrument bekostiging). Daarnaast is € 4,5 miljoen beschikbaar voor kinderopvang in Europees Nederland. Het budget is bestemd voor instellingssubsidies en projectsubsidies.OpdrachtenVoor 2026 is in totaal € 12,2 miljoen beschikbaar voor opdrachten. Daarvan is € 3,3 miljoen bestemd voor onderzoek en opdrachten voor kinderopvang in Nederland (zie ‘Overige Opdrachten’ in tabel 78). Voor de uitvoering van het programma BES(t) 4 kids is een opdrachtenbudget van € 2,4 miljoen beschikbaar. Een bedrag van € 6,5 miljoen is bestemd voor de ontwikkeling van het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang.128Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 BekostigingVoor 2026 is € 13,6 miljoen beschikbaar voor bekostiging. Het betreft € 1,8 miljoen voor de Stichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid Nederland (PGV) voor de coördinatie op het toezicht op de kinderopvang. PGV is wettelijk aangewezen voor deze taak. Daarnaast betreft het € 11,8 miljoen voor de financiering van de kinderopvang in Caribisch Nederland op grond van de Wet kinderopvang BES (samen met de € 11,8 miljoen op het instrument subsidies).Bijdrage aan agentschappenHet budget voor bijdrage aan agentschappen (€ 11,3 miljoen in 2026) is bedoeld voor de uitvoering door DUO van het beheer, onderhoud en de ontwikkeling van het Landelijk Register Kinderopvang (LRK), het Personenregister Kinderopvang (PRK) en het Register Buitenlandse Kinderopvang (RBK).Bijdrage aan medeoverhedenHet budget voor bijdrage medeoverheden betreft voor € 13,9 miljoen de compensatie aan gemeenten voor het kwijtschelden van publieke schulden in het kader van de hersteloperatie Kinderopvangtoeslag.Voor de financiering van het programma BES(t) 4 kids (versterking kinderopvang in Caribisch Nederland) is in 2026 € 1,8 miljoen beschikbaar. Daarnaast is er € 2,1 miljoen beschikbaar voor specifieke huisvestingsprojecten voor kinderopvang in Caribisch Nederland. Het overige budget voor bijdrage aan medeoverheden (€ 1,9 miljoen) is bestemd voor Plusopvang. Plusopvang is kinderopvang voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. Plusopvang draagt bij aan de ontwikkeling van deze groep kinderen en het biedt ouders de mogelijkheid om te (blijven) werken.OntvangstenDe ontvangsten zijn opgebouwd uit drie componenten: de ontvangsten algemeen, de terugontvangsten kinderopvangtoeslag en de werkgeversbijdrage kinderopvang.De ontvangsten algemeen betreft de eigen bijdrage die deelnemers betalen voor inschrijving in het Personenregister Kinderopvang.De terugontvangsten kinderopvangtoeslag betreft de ontvangsten uit terugvorderingen van kinderopvangtoeslag over eerdere jaren. De ontvangsten nemen in de jaren 2025 tot en met 2028 naar verwachting toe. Vanaf toeslagjaar 2029 zijn er minder terugvorderingen als gevolg van de nieuwe financiering voor de kinderopvang. Daardoor nemen ook de terugontvangsten kinderopvangtoeslag vanaf 2029 geleidelijk af.De werkgeversbijdrage kinderopvang betreft een vast percentage (0,5%) van de geraamde totale loonsom. De totale loonsom en de werkgeversbijdrage kinderopvang nemen naar verwachting licht toe.KerncijfersHet aantal gewerkte uren per week is in alle groepen in 2024 stabiel tot zeer licht gedaald ten opzichte van 2023.129Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 83 Ontwikkeling in gewerkte uren (gemiddelde binnen de groep mensen met een baan van meer dan 1 uur, jaarcijfers)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Vrouwen 15 tot 75 jaar27,927,927,9Mannen 15 tot 75 jaar36,136,035,9Moeders met jonge kinderen (0-11 jaar)28,128,228,1Vaders met jonge kinderen (0-11 jaar)40,140,039,8Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking.De netto arbeidsparticipatie in 2024 laat een wisselend beeld zien. Over de gehele beroepsbevolking (‘totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar’) is de netto arbeidsparticipatie stabiel gebleven ten opzichte van 2023, evenals voor moeders en vaders met jonge kinderen. Onder moeders binnen een ouderpaar en alleenstaande vaders is de netto arbeidsparticipatie in 2024 gestegen. Onder vaders binnen een ouderpaar en alleenstaande moeders is de netto arbeidsparticipatie in 2024 juist gedaald ten opzichte van 2023.Tabel 84 Netto arbeidsparticipatie (%)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Totaal mannen en vrouwen 15 tot 75 jaar72,273,173,2Moeders (lid van ouderpaar)82,682,883,3Vaders (lid van ouderpaar)92,693,392,2Alleenstaande moeders70,573,671,8Alleenstaande vaders84,483,584,5Moeders met jonge kinderen (0-11)81,581,881,9Vaders met jonge kinderen (0-11)94,395,095,0Bron: CBS, Enquête Beroepsbevolking.130Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.8 Artikel 8 OudedagsvoorzieningA. Algemene doelstellingDe overheid biedt een basispensioen aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. De overheid stimuleert de opbouw van en stelt kaders voor de houdbaarheid van aanvullende arbeidspensioenen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.Het kabinet vindt dat iedere gepensioneerde een basispensioen dient te hebben. Daarom verschaft zij een basispensioen (AOW) aan diegenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dit is de eerste pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarnaast bevordert de overheid het opbouwen van toekomstbestendige aanvullende pensioenen, zodat werknemers na hun pensionering niet te maken krijgen met een grote inkomensachteruitgang. Op basis van de meest recente CBS-cijfers bouwt ruim 89% van de werknemers een aanvullend arbeidspensioen op door verplichte deelname aan pensioenregelingen die vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers meestal beheren. Dit betreft de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. Met regelgeving en toezicht waarborgt de overheid een zorgvuldig beheer van de ingelegde pensioengelden. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen facultatief op eigen initiatief individuele pensioenproducten afsluiten.De overheid biedt een overbruggingsuitkering aan mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd (OBR). De OBR is per 1 januari 2025 gesloten voor nieuwe instroom.Inwoners van Caribisch Nederland die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een basispensioen op grond van de Algemene Ouderdomsverzekering (AOV).B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen en de aanvullende arbeidspensioenen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;–de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen voor zover de overheid hier zelf verantwoordelijkheid voor draagt;–de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;–de vormgeving van het toezicht met betrekking tot de arbeidspensioenen door De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM);–de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).131Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wet- en regelgeving. Wanneer fiscale instrumenten worden ingezet om doelstellingen in het kader van het pensioenbeleid te realiseren, is de Minister van SZW hiervoor medeverantwoordelijk.C. BeleidswijzigingenImplementatietraject Wet toekomst pensioenenOp 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen in werking getreden. Nu de transitieplannen zijn afgerond en de eerste fondsen zijn overgegaan naar het nieuwe pensioenstelsel, zal in 2026 de grootste groep deelnemers de transitie doormaken. Om deze grote stelselherziening te monitoren, versterken en waar nodig knelpunten op te lossen, loopt er een meerjarig implementatietraject met diverse elementen. In 2026 zal in die trajecten extra aandacht zijn voor het beter betrekken en informeren van deelnemers over het transitieproces en hoe daarin de belangen van deelnemers zijn meegenomen.Voor het publiek is er het informatieplatform Pensioenduidelijkheid.nl. Dit is de plek waar Nederlanders terechtkunnen voor feitelijke informatie over het tweede-pijlerpensioen en de transitie naar het nieuwe stelsel. Voor de pensioenprofessional is nog steeds het informatieplatform Werkenaanonspensioen.nl beschikbaar. In 2026 zal de sector opnieuw worden geïnformeerd over relevante politieke en beleidsmatige ontwikkelingen, en daarnaast over handige informatie vanuit de samenwerkende partners. Er zal in 2026 speciale aandacht zijn voor kleine werkgevers met een verzekerde regeling, om te zorgen dat zij hun regeling vóór 2028 kunnen oversluiten en de omzetting naar het nieuwe stelsel meer gelijkmatig over de transitieperiode wordt verspreid. Wetsvoorstel herziening bedrag ineensOp grond van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen kan een deelnemer op de pensioeningangsdatum maximaal 10% van de opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen opnemen (‘bedrag ineens’). In het wetsvoorstel herziening bedrag ineens worden een aantal technische aanpassingen voorgesteld ten aanzien van de mogelijkheid om de uitbetaling van het bedrag ineens uit te stellen. In dit wetsvoorstel wordt onder andere de periode tussen de pensioeningangsdatum en het uitbetalingsmoment verkleind. Ook wordt de uitkeringsstroom vereenvoudigd. Als een deelnemer kiest voor uitgestelde betaling van bedrag ineens wordt de periodieke uitkering direct vanaf pensioeningangsdatum verlaagd. Het kabinet heeft toegezegd om de ontwikkeling van een keuzetool voor bedrag ineens te willen ondersteunen. De keuzetool kan de deelnemer meer inzicht geven in de gevolgen van bedrag ineens voor inkomensafhankelijke regelingen. Het bedrag ineens treedt niet eerder in werking dan 1 juli 2026. De uiteindelijke inwerkingtredingsdatum is afhankelijk van de voortgang van het parlementaire proces.Wetsvoorstel toezeggingen pensioenonderwerpenTijdens de behandeling van de Wet toekomst pensioenen in de Eerste Kamer zijn er een aantal toezeggingen gedaan. Deze lopen mee in het traject van het wetsvoorstel toezeggingen pensioenonderwerpen. Dit wetsvoorstel ziet op het mogelijk maken van het vrijwillig voortzetten van het wezenpensioen, alsmede het uniformeren van het kindbegrip. Daarnaast richt het zich ook op het verbeteren van de uitvoering door het overgangsrecht voor 132Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 de voortzetting van het pensioen bij arbeidsongeschiktheid, voor zowel gesloten pensioenfondsen als verzekeraars, te verruimen. Dit wetsvoorstel wordt in het najaar van 2025 aangeboden aan de Tweede Kamer.D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 85 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen182.97764.56066.72569.87373.74577.45081.397Uitgaven182.34364.72266.88770.03573.90777.61281.5598.0Oudedagsvoorziening182.34364.72266.88770.03573.90777.61281.559Inkomensoverdrachten181.92363.87366.33569.48373.35577.06081.007AOV inclusief tegemoetkoming (Caribisch Nederland)54.94062.56866.08469.48373.35577.06081.007Overbruggingsregeling AOW1.3647652510000Gebaar erkenning Surinaamse ouderen125.61954000000Opdrachten420849552552552552552Opdrachten420849552552552552552Ontvangsten02.20500000Geschatte budgetflexibiliteitTabel 86 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 82026juridisch verplicht99,7%bestuurlijk gebonden0,0%beleidsmatig gereserveerd0,1%nog niet ingevuld/ vrij te besteden0,2%De begrotingsgefinancierde uitgaven op artikel 8 Oudedagsvoorziening zijn voor 99,7% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AOV en de Overbruggingsregeling AOW (OBR).OpdrachtenDe middelen onder opdrachten zijn voor 61% juridisch verplicht. De juridisch verplichte uitgaven betreffen gereserveerde middelen voor onder andere de periodieke rapportage van de Wet SUWI en een analyse over de inkomenspositie van Anw-gerechtigden. De middelen onder opdrachten zijn voor 14% beleidsmatig gereserveerd.133Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierdTabel 87 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 8 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen51.926.16055.281.82258.431.09662.029.32964.817.93068.322.32372.135.054Uitgaven51.926.16055.281.82258.431.09662.029.32964.817.93068.322.32372.135.0548.0Oudedagsvoorziening51.926.16055.281.82258.431.09662.029.32964.817.93068.322.32372.135.054Inkomensoverdrachten51.926.16055.281.82258.431.09662.029.32964.817.93068.322.32372.135.054AOW51.708.57155.281.82256.459.63057.697.61658.146.84159.395.51660.771.395Inkomensondersteuning AOW217.589000000AOW nominaal001.971.4664.331.7136.671.0898.926.80711.363.659Ontvangsten0000000E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenAlgemene Ouderdomsverzekering (AOV) (Caribisch Nederland)Personen die in Caribisch Nederland verzekerde jaren hebben opgebouwd voor de AOV en die de AOV-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, ontvangen een aan de verzekerde jaren gerelateerd ouderdomspensioen op grond van de AOV. Naast het ouderdomspensioen wordt op Sint Eustatius en Saba een tegemoetkoming verstrekt die gebaseerd is op de prijsverschillen tussen de eilanden. Tevens kent de AOV een partnertoeslag.Budgettaire ontwikkelingenIn 2025 nemen de uitkeringslasten van de AOV toe vanwege een beleidsmatige verhoging per 1 juli 2024 van de uitkeringsbedragen. De uitgaven voor de AOV stijgen ook vanaf 2025 meerjarig. Dit heeft te maken met de sterke vergrijzing op de eilanden. Het aantal 65-plussers neemt elk jaar met circa 5 à 5,5% toe.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 88 Kerncijfers AOV (Caribisch Nederland)Realisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume AOV (x 1.000 personen, ultimo)5,55,86,11Bron: RCN-unit SZW.Overbruggingsregeling AOW (OBR)De OBR geldt voor mensen die per 1 januari 2013 reeds deelnemen aan een vut- of prepensioenregeling, private AOV, partnerpensioen of een daarmee vergelijkbare regeling en die zich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd. De regeling is per 1 oktober 2013 in werking getreden en werkt terug tot 1 januari 2013. Vanaf 2016 is de OBR uitgebreid voor mensen die tussen 1 januari 2013 en 1 juli 2015 met vroegpensioen zijn gegaan. De OBR overbrugt voor deze groep het AOW-gat voor zover dat het gevolg is van de versnelde verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, omdat deze groep zich niet op die versnelling heeft kunnen voorbereiden.134Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Sinds 1 januari 2025 is de OBR gesloten voor nieuwe instroom. Per 1 januari 2027 zullen de laatste OBR-gerechtigden zijn uitgestroomd wanneer de laatste OBR-gerechtigden de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Dit leidt ertoe dat tot 2027 voor de OBR uitgaven worden voorzien.Algemene Ouderdomswet (AOW)De AOW is een volksverzekering en heeft als doel het verschaffen van een basispensioen aan degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De AOW wordt uitgevoerd door de SVB. Hoofdstuk 7.1, Sociale fondsen SZW gaat nader in op de financiering van de uitgaven aan de AOW.Wie komt er voor in aanmerking?Iedereen die rechtmatig in Nederland woont tussen de aanvangsleeftijd (in 2026 17 jaar) en de AOW-gerechtigde leeftijd (in 2026 67 jaar) is verplicht verzekerd voor de AOW. Ook als iemand niet in Nederland woont maar hier wel werkt en op grond daarvan onder de loonbelasting valt, is hij of zij verzekerd.De AOW-gerechtigde leeftijd neemt de komende jaren stapsgewijs toe. De AOW-leeftijd voor 2026 en 2027 is vastgesteld op 67 jaar en 0 maanden. Dit is onveranderd ten opzichte van 2024. In 2028 stijgt de AOW-leeftijd met 3 maanden naar 67 jaar en 3 maanden. De AOW-gerechtigde leeftijd wordt vijf jaar van tevoren vastgesteld op basis van de wettelijk vastgestelde formule met de 2/3e-koppeling aan de levensverwachting.AOW’ers die vóór 1 april 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, kunnen in aanmerking komen voor de partnertoeslag als de jongere partner nog niet AOW-gerechtigd is. Die toeslag wordt alleen uitgekeerd als de jongste partner geen of weinig eigen inkomen heeft. De toeslag stopt zodra de partner een eigen AOW-pensioen ontvangt of wanneer de oudere partner overlijdt. Per 1 april 2015 is de partnertoeslag gesloten voor nieuwe instroom.Hoe hoog is de AOW?De hoogte van het AOW-basispensioen is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon. Alleenstaanden ontvangen 70% van het AOW-normbedrag dat is afgeleid van het wettelijk minimumloon en gehuwden of samenwonenden elk 50%. De exacte bedragen voor 1 januari 2026 worden eind 2025 bekend gemaakt.Tabel 89 AOW bruto maandbedragen, exclusief vakantietoeslag (in €)1 juli 2025Gehuwd / samenwonend1.103,97Alleenstaand1.612,44De bedragen in bovenstaande tabel zijn volledige AOW-pensioenen. Wie pas later in Nederland is komen wonen of een aantal jaren in het buitenland heeft gewoond en daarom niet de volledige opbouw heeft gehad, krijgt een lagere uitkering: voor ieder gemist jaar 2% minder AOW.Budgettaire ontwikkelingenDe begrote uitgaven aan AOW-uitkeringslasten, inclusief de verwachte nominale ontwikkeling, bedragen in 2026 circa € 58,4 miljard. Naar verwachting zullen de uitkeringslasten tussen 2026 en 2030 toenemen met € 13,7 miljard. De voornaamste oorzaak van de stijging van de AOW-uitke135Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ringslasten is de toename van het aantal AOW-gerechtigden als gevolg van de vergrijzing. De instroom in 2028 wordt iets gedempt door de stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 90 Kerncijfers AOWRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume AOW (x 1.000 personen, jaargemiddelde)3.5943.6633.736Personen met een onvolledige AOW-uitkering (% van totaal, ultimo)1919191Bron: SVB, administratie.HandhavingDe handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.Tabel 91 Kerncijfers AOW (handhaving inlichtingenplicht)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Preventie1Gepercipieerde detectiekans (%)363941Kennis van de verplichtingen (%)899393Opsporing2Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)54,64,4Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)30,50,50,4Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)2,63,32,7Sanctionering2Aantal waarschuwingen (x 1.000)0,50,30,3Aantal boetes (x 1.000)0,30,30,3Totaal boetebedrag (x € 1 mln)0,50,70,6Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering2Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)36,730,112,71Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».2Bron: SVB, administratie.3Cijfers betreffen alle verwijtbare overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.OpdrachtenDe gebudgetteerde middelen voor opdrachten bedragen vanaf 2026 jaarljks € 552.000. De middelen onder opdrachten worden hoofdzakelijk ingezet voor onderzoeken.Extracomptabele fiscale regelingenNaast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Minister van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage ‘Fiscale regelingen’ in de Miljoenennota.Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, verwijzing naar de wettekst, verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en de ramingsgrond wordt verwezen naar de paragraaf ‘Toelichting op de fiscale regelingen’ in de bijlage ‘Fiscale regelingen’.136Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 92 Fiscale regelingen 2024-2026, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1202420252026Pensioen niet-belaste premie25.62327.07328.655Pensioen belaste uitkering‒ 15.861‒ 16.272‒ 17.424Pensioen vrijstelling box 39.35811.87712.531Lijfrente premieaftrek1.0041.0581.119Lijfrente belaste uitkering‒ 550‒ 569‒ 614Lijfrente vrijstelling box 3325415441Nettopensioen en nettolijfrente1926291[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.Aanvullende arbeidspensioenenSociale partners zijn verantwoordelijk voor de inhoud en de reikwijdte van pensioenregelingen. De overheid stelt regels om te bevorderen dat toezeggingen ook daadwerkelijk worden nagekomen en draagt zorg voor toezicht op de naleving daarvan.Beleidsrelevante kerncijfersAls kerncijfers zijn het totaal aantal pensioenfondsen opgenomen, het aantal pensioenfondsen met een dekkingsgraad onder de 130% en de daarbij betrokken deelnemers en gepensioneerden. De maatstaf van 130% is gekozen omdat een dergelijke dekkingsgraad met de wettelijk vastgestelde mate van zekerheid toereikend is om de pensioenverplichtingen met een grote mate van zekerheid na te komen. Ten opzichte van de afgelopen jaren is het aantal pensioenfondsen in 2024 afgenomen. Dit past bij de dalende trend van de afgelopen jaren. Het gaat hierbij vooral om een afname van de pensioenfondsen met een geringe omvang. Door schaalvergroting met andere pensioenfondsen kan beter worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan een verantwoord beheer. Het aandeel pensioenfondsen met een dekkingsgraad lager dan 130% is licht afgenomen. Sinds 1 juli 2022 kunnen fondsen die voornemens zijn de pensioenen in te varen naar het nieuwe pensioenstelsel gebruik maken van aangepaste regelgeving. Middels die aangepaste regelgeving wordt een voorschot genomen op het nieuwe pensioenstelsel en kunnen pensioenfondsen al indexeren vanaf een beleidsdekkingsgraad van 105%. Het indexeren van pensioenen heeft een neerwaarts effect op de dekkingsgraad.Tabel 93 Kerncijfers aanvullende pensioenenRealisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Totaal aantal pensioenfondsen1181180173Aantal pensioenfondsen met dekkingsgraad ≤130%2125128121Aantal bij deze fondsen betrokken deelnemers (x 1.000)5.4285.9575.7583Aantal bij deze fondsen betrokken gepensioneerden (x 1.000)3.1543.6193.50831Pensioenfondsen zonder eigen verplichtingen, bijvoorbeeld de volledig herverzekerde fondsen, kennen geen dekkingsgraad en zijn daarom niet opgenomen in de tabel.2Beleidsdekkingsgraad.3Betreft voorlopige cijfers. Definitieve cijfers komen in Q3 2025 beschikbaar.Bron: DNB, Statistiek toezicht pensioenfondsen.137Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.9 Artikel 9 NabestaandenA. Algemene doelstellingDe overheid beschermt nabestaande partners en wezen voor zover nodig tegen de financiële gevolgen van het verlies van partner of ouders.De overheid vindt dat mensen die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s) en die vanwege de zorg voor een kind of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) in een eigen inkomen kunnen voorzien, verzekerd moeten zijn van financiële ondersteuning. Daarom regelt zij in deze gevallen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) een nabestaandenuitkering voor de overblijvende partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren.Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) recht op een uitkering.B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister financiert de inkomensondersteuning met begrotingsgefinancierde uitkeringsregelingen. Bij de premiegefinancierde uitkeringsregelingen regisseert de Minister. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;–de vaststelling van het niveau van de uitkeringen van de onderscheiden regelingen;–de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering door de SVB;–de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).C. BeleidswijzigingenEr zijn geen voorgenomen beleidswijzigen in 2026.D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 94 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen2.8293.2303.2803.3153.3343.3573.371Uitgaven2.8293.2303.2803.3153.3343.3573.3719.0Nabestaanden2.8293.2303.2803.3153.3343.3573.371Inkomensoverdrachten2.8293.2303.2803.3153.3343.3573.371AWW (Caribisch Nederland)2.8293.2303.2803.3153.3343.3573.371Ontvangsten0000000138Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Geschatte budgetflexibiliteitTabel 95 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 92026juridisch verplicht100%bestuurlijk gebonden0%beleidsmatig gereserveerd0%nog niet ingevuld / vrij te besteden0%De uitgaven op artikel 9 Nabestaanden zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AWW Caribisch Nederland.Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierdTabel 96 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 9 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen358.152367.201367.233370.435382.581384.158386.724Uitgaven358.152367.201367.233370.435382.581384.158386.7249.0Nabestaanden358.152367.201367.233370.435382.581384.158386.724Inkomensoverdrachten358.152367.201367.233370.435382.581384.158386.724ANW352.229342.309329.006319.448319.908313.251307.669Tegemoetkoming ANW5.9235.7055.4875.3325.3345.2255.135ANW nominaal0014.62326.64937.00845.14552.807Tegemoetkoming ANW nominaal00158290418538648sociale lasten019.18717.95918.71619.91319.99920.465Ontvangsten0000000E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenAlgemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) (Caribisch Nederland)Inwoners van Caribisch Nederland die geconfronteerd zijn met het overlijden van hun partner of ouder(s), hebben op grond van de AWW recht op een uitkering. De hoogte van de uitkering is leeftijdgerelateerd.Budgettaire ontwikkelingenIn 2025 nemen de uitkeringslasten van de AWW toe vanwege een beleidsmatige verhoging per 1 juli 2024 van de uitkeringsbedragen. In latere jaren blijven de uitgaven redelijk constant.139Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Beleidsrelevante kerncijfersTabel 97 Kerncijfers AWW (Caribisch Nederland)Realisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume AWW (x 1.000 personen, ultimo)0,30,30,31Bron: RCN-unit SZW.Algemene nabestaandenwet (Anw)De Anw is een volksverzekering en regelt, onder voorwaarden, bij overlijden een uitkering voor de partner en een wezenuitkering voor kinderen die beide ouders hebben verloren. Daarnaast ontvangt iedere Anw-gerechtigde maandelijks de Anw-tegemoetkoming. De Anw wordt door de SVB uitgevoerd.Wie komt er voor in aanmerking?Nabestaande partners komen in aanmerking voor een nabestaandenuitkering als zij jonger zijn dan de AOW-gerechtigde leeftijd, de partner op de datum van overlijden verzekerd was voor de Anw en de nabestaande:–Een of meer kinderen onder de 18 jaar verzorgt, of;–Voor minstens 45% arbeidsongeschikt is.Een kind heeft recht op een wezenuitkering indien beide ouders zijn overleden. Wezen tot 16 jaar hebben altijd recht op een uitkering. De uitkering kan worden verlengd tot 18 jaar wanneer het kind bezig is een startkwalificatie te behalen of daarvan is vrijgesteld of volledig dagonderwijs volgt na het behalen van een startkwalificatie. De wezenuitkering kan eventueel tot 21 jaar worden verstrekt wanneer de wees volledig dagonderwijs volgt of wanneer een ongehuwde wees de tijd grotendeels besteedt aan een gezamenlijke huishouding met een andere wees of voor een hulpbehoevende zorgt.De Anw maakt geen onderscheid tussen gehuwden en mensen die ongehuwd zijn en samen een huishouden vormen. Daarom wordt gesproken van «partner». Nabestaanden die vóór 1 juli 1996 recht hadden op de voorganger van de Anw, de Algemene Weduwen- en Wezenwet, vallen onder een overgangsregeling.Hoe hoog is de Anw?De nabestaandenuitkering bedraagt 70% van het referentieminimumloon. Voor kostendelers geldt een lager normbedrag ter hoogte van 50% van het referentieminimumloon. Op de nabestaandenuitkering vindt inkomstenverrekening plaats. Daarbij kent de nabestaandenuitkering een vrijlating voor inkomen uit arbeid. Deze bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon, plus een derde deel van het meerdere inkomen. Inkomen in verband met arbeidsgerelateerde uitkeringen (bijvoorbeeld WIA- of WW-uitkering) wordt geheel verrekend. Eigen vermogen, de inkomsten uit dit vermogen en particuliere aanvullende nabestaandenpensioenen worden niet in mindering gebracht op de nabestaandenuitkering.De wezenuitkering bedraagt een percentage van het referentieminimumloon, afhankelijk van de leeftijd van de wees. De hoogte van de wezenuitkering is niet afhankelijk van het inkomen. Nabestaanden of wezen ontvangen naast hun Anw-uitkering ook een tegemoetkoming Anw.140Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 98 Anw bruto maandbedragen (maxima), exclusief vakantietoeslag en exclusief tegemoetkoming Anw (in €)1 juli 2025Nabestaandenuitkering1.610,71Nabestaandenuitkering met een of meer meerderjarige medebewoners (kostendelersnorm: 50% referentieminimumloon)1.037,11Wezenuitkering (wezen tot 10 jaar)536,59Wezenuitkering (wezen van 10 tot 16 jaar794,30Wezenuitkering (wezen van 16 tot 21 jaar)1.052,01Tegemoetkoming Anw21,16Budgettaire ontwikkelingenDe uitkeringslasten van de Anw nemen de komende jaren af, omdat het aantal nabestaanden dat recht heeft op een Anw-uitkering naar verwachting afneemt. De Anw is een inkomensaanvulling en in die hoedanigheid inkomensafhankelijk. Door toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen sinds de invoering van de Anw komt een kleinere doelgroep in aanmerking voor de uitkering. Daarnaast bereiken de komende jaren relatief veel mensen die onder de rechtsvoorganger van de Anw (de AWW) een publieke nabestaandenuitkering krijgen de pensioengerechtigde leeftijd waardoor zij uitstromen naar de AOW.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 99 Kerncijfers AnwRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Volume Anw nabestaande partners (x 1.000 personen, ultimo)222020Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht voor 1 juli 19962,62,11,6Volume nabestaandenuitkering (x 1.000 personen, ultimo), ingang recht na 1 juli 1996191818waarvan met kind7,47,27,1waarvan op grond van arbeidsongeschiktheid111111Volume wezenuitkering (x 1.000 personen, ultimo)1,00,90,91Bron: SVB, administratieHandhavingDe handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.141Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 100 Kerncijfers Anw (handhaving inlichtingenplicht)Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Preventie1Gepercipieerde detectiekans (%)735664Kennis van de verplichtingen (%)939394Opsporing2Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)0,20,20,2Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)3<0,1<0,1<0,1Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)0,50,30,9Sanctionering2Aantal waarschuwingen (x 1.000)<0,1<0,1<0,1Aantal boetes (x 1.000)<0,1<0,1<0,1Totaal boetebedrag (x € 1 mln)<0,10,10,1Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering2Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)30311Bron: I&O Research «Kennis der verplichtingen en gepercipieerde detectiekans».2Bron: SVB, administratie.3Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.Sociale lastenVanaf 2025 worden voor een aantal uitkeringsregelingen de over deze uitkeringen betaalde werkgeverspremies toegevoegd aan de SZW-begroting. Deze wijziging heeft een technisch karakter. Het CBS classificeert werkgeverspremies die betaald worden over uitkeringen voortaan als overheidsuitgaven.142Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.10 Artikel 10 Tegemoetkoming oudersA. Algemene doelstellingDe overheid biedt een financiële tegemoetkoming aan ouders of verzorgers voor de kosten van kinderen.De overheid biedt ouders of verzorgers een financiële tegemoetkoming voor de kosten voor verzorging en opvoeding van kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de kinderbijslagvoorziening BES (Caribisch Nederland). Gezinnen in Europees Nederland met een laag of middeninkomen komen daarnaast in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van de Wet op het kindgebonden budget (WKB).B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister financiert de tegemoetkoming met uitkeringsregelingen. De Minister is in deze rol verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving;–de vaststelling van het niveau van de tegemoetkoming op grond van de AKW, de WKB en de kinderbijslagvoorziening BES;–de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering van de AKW door de SVB;–de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).De Dienst Toeslagen voert de WKB uit in opdracht van het Ministerie van SZW. De Staatssecretaris Toeslagen en Douane is verantwoordelijk voor de rechtmatige, doeltreffende en doelmatige uitvoering van de WKB.C. BeleidswijzigingenVerbetermaatregelen toeslagenToeslagenbreed worden er per 1 januari 2026 een aantal verbetermaatregelen doorgevoerd. Het betreft hier het met drie maanden verlengen van de aanvraagtermijn voor toeslagen om niet-gebruik tegen te gaan.14 Daarnaast wordt recht op kindgebonden budget niet meer met terugwerkende kracht ingetrokken als bij een burger de verblijfstitel wordt ingetrokken. Hiermee worden hoge terugvorderingen tegengegaan. Verder wordt per 1 januari 2026 de belastingrente op terugvorderingen en nabetalingen afgeschaft.Bovendien geldt voor alle toeslagen (met uitzondering van de huurtoeslag) dat ook het knelpunt van gezinnen met een partner die noodgedwongen elders verblijft wordt opgelost, zoals aangekondigd in het regeerprogramma. Dit betekent dat mensen met een partner die vermist is, in detentie zit of zich nog in een vluchtsituatie bevindt voortaan niet meer als toeslagpartner worden beschouwd en daarmee aanspraak kunnen maken op de alleenstaande ouderkop en de hogere andere toeslagen die horen bij de situatie als alleenstaande. Daarmee voorkomt de maatregel financiële problemen en kinderarmoede bij deze groep, aangezien de partner financieel niet kan bijdragen aan de kosten en zorg voor het 14 Deze maatregel geldt niet voor de kinderopvangtoeslag.143Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 huishouden. Het wetsvoorstel voor deze maatregel is op 1 juli 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstukken II 2024/25, 36 779, nr. 3). De verwachte ingangsdatum is 1 januari 2026.Vereenvoudiging toeslagpartnerbegripNaast de drie verbetermaatregelen die in 2026 ingaan, wordt per 2027 ook het ‘criterium samengestelde gezinnen’ afgeschaft. Dit behelst het afschaffen van de regel dat mensen toeslagpartner worden als zij samenwonen met één andere volwassene en er daarnaast een minderjarig kind van een van beiden op het adres is ingeschreven. Hierdoor ontstaan momenteel veel onterechte partnerschappen. Denk hierbij aan mantelzorgers, mensen die tijdelijk een familielid of vriend in huis nemen, of mensen die gaan samenwonen omdat zij geen eigen woning kunnen betalen. Zij lopen door het toeslagpartnerschap al snel duizenden euro’s aan ondersteuning onterecht mis. Door de maatregel worden mensen alleen nog partner als zij hier zelf voor kiezen.Het afschaffen van het criterium samengestelde gezinnen wordt gedekt door het verlagen van de vermogensgrenzen in het kindgebonden budget en de zorgtoeslag. Gepland is om deze maatregelen per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Het wetsvoorstel voor deze maatregelen wordt naar verwachting in het voorjaar van 2026 bij de Tweede Kamer ingediend.Verhoging afbouwpercentage kindgebonden budget voor inkomens vanaf € 60.000In het kader van de bredere budgettaire opgave is besloten om het kindgebonden budget beter te richten op de lagere- en middeninkomens door middel van een steiler afbouwpercentage voor huishoudens met een verzamelinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024). Het afbouwpercentage voor inkomens vanaf € 60.000 wordt met 4,3%-punt verhoogd en neemt daardoor structureel toe van 8,5% tot 12,8%. Hierdoor komen huishoudens met een hoger inkomen minder (of geheel niet meer) in aanmerking voor kindgebonden budget. Het wetsvoorstel voor deze maatregel, die per 1 januari 2027 in werking treedt, wordt naar verwachting in het voorjaar van 2026 bij de Tweede Kamer ingediend.Dubbele kinderbijslag intensieve zorg Caribisch NederlandMet de Wijzigingswet SZW-wetten BES 2024 is de Wet kinderbijslagvoorziening BES voorzien van een wettelijke grondslag voor een bij algemene maatregel van bestuur te treffen regeling voor dubbele kinderbijslag intensieve zorg voor ouders met een kind dat intensieve zorg behoeft. Een daartoe strekkend ontwerpbesluit heeft het proces van internetconsultatie al doorlopen, maar moet nog worden geformaliseerd. Vooruitlopend daarop wordt dubbele kinderbijslag intensieve zorg vormgegeven op basis van een tijdelijke regeling.144Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 101 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 10 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen9.753.73610.061.0329.928.9979.639.1659.529.6969.427.0329.351.461Uitgaven9.753.73610.061.0329.928.9979.639.1659.529.6969.427.0329.351.46110.0Tegemoetkoming ouders9.753.73610.061.0329.928.9979.639.1659.529.6969.427.0329.351.461Inkomensoverdrachten9.753.73610.061.0329.928.9979.639.1659.529.6969.427.0329.351.461Algemene Kinderbijslagwet (AKW)4.625.1284.768.3904.749.2354.731.4174.712.0354.695.1074.688.130Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)5.113.9385.277.0925.164.0704.891.9444.801.8114.716.0464.647.335Kinderbijslagvoorziening BES14.67015.55015.69215.80415.85015.87915.996Ontvangsten267.081341.909335.662334.690321.758312.248305.917Tabel 102 Uitsplitsing ontvangsten artikel 10 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Ontvangsten267.081341.909335.662334.690321.758312.248305.91710.0Tegemoetkoming ouders267.081341.909335.662334.690321.758312.248305.917Ontvangsten267.081341.909335.662334.690321.758312.248305.917Terugontvangsten267.081341.909335.662334.690321.758312.248305.917Geschatte budgetflexibiliteitTabel 103 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 102026juridisch verplicht100%bestuurlijk gebonden0%beleidsmatig gereserveerd0%nog niet ingevuld / vrij te besteden0%De uitgaven op artikel 10 Tegemoetkoming ouders zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.InkomensoverdrachtenDe inkomensoverdrachten zijn gebaseerd op huidige wet- en regelgeving en derhalve voor 100% juridisch verplicht. Het betreft uitkeringslasten AKW, WKB en kinderbijslagvoorziening BES.E. Toelichting op de financiële instrumentenInkomensoverdrachtenAlgemene Kinderbijslagwet (AKW)De AKW biedt ouders of verzorgers een tegemoetkoming in de kosten die het opvoeden en verzorgen van kinderen onder de 18 jaar met zich meebrengt. De AKW wordt uitgevoerd door de SVB.145Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Wie komt er voor in aanmerking?Ouders van kinderen tot 18 jaar hebben recht op kinderbijslag. Het recht op kinderbijslag vervalt indien ouders valt te verwijten dat hun kind niet voldoet aan de Leerplichtwet.Hoe hoog is de kinderbijslag?De hoogte van de kinderbijslag hangt af van de leeftijd van het kind. De kinderbijslagbedragen worden doorgaans per 1 januari en 1 juli geïndexeerd. Bij ziekte of handicap, of omdat het kind niet thuis woont om onderwijsredenen, kan onder nadere voorwaarden sprake zijn van dubbele kinderbijslag. Alleenstaande en alleenverdienende ouders van thuiswonende kinderen met ziekte of handicap kunnen onder voorwaarden in aanmerking komen voor een extra tegemoetkoming.Tabel 104 AKW, netto bedragen per kwartaal (in €)1 juli 2025Voor kinderen van:0 t/m 5 jaar291,496 t/m 11 jaar353,9512 t/m 17 jaar416,41Extra tegemoetkoming AKW (jaarbedrag 2023)2.634,17Budgettaire ontwikkelingenDe uitgaven nemen per saldo af in de periode 2026-2030 doordat het aantal kinderen in alle leeftijdsgroepen meerjarig afneemt (op basis van de CBS-leeftijdsprognose). Onderliggend is er ook een klein opwaarts effect doordat het aantal kinderen dat recht heeft op DKIZ en AKW-plus meerjarig toeneemt.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 105 Kerncijfers AKWRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Aantal gezinnen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)1.8781.8671.860Aantal kinderen AKW (x 1.000, jaargemiddelde)3.3353.3173.305Realisatie 20221Realisatie 20231Realisatie 20241Aantal dubbele AKW uitkeringen ( x 1.000, ultimo jaar):Kind uitwonend vanwege onderwijsredenen0,90,80,8Kind thuiswonend met intensieve zorg34,240,646,2Kind uitwonend vanwege ziekte of handicap1,21,21,2Extra tegemoetkoming AKW (x 1.000)10,411,113,91Bron: SVB, administratie.HandhavingDe handhavingskerncijfers worden niet geraamd. In de begroting zijn de realisatiecijfers opgenomen in lijn met het jaarverslag van SZW van 2024. In het jaarverslag worden de ontwikkelingen op de kerncijfers geduid.146Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 106 Kerncijfers AKW (handhaving inlichtingenplicht)1Realisatie 2022Realisatie 2023Realisatie 2024Opsporing2Aantal onderzoekswaardige signalen (x 1.000)0,30,20,5Aantal geconstateerde overtredingen met financiële benadeling (x 1.000)31,91,81,3Totaal benadelingsbedrag (x € 1 mln)1,71,71,4Sanctionering2Aantal waarschuwingen (x 1.000)33,12,4Aantal boetes (x 1.000)0,30,30,2Totaal boetebedrag (x € 1 mln)0,10,10,1Ontstaansjaar vordering202220232024Terugvordering2Incassoratio vorderingen (boete + benadelingsbedrag) ultimo 2024 (%)5638271Als gevolg van een andere insteek van het onderzoek die in 2019 is doorgevoerd worden er geen preventiecijfers voor de AKW meer meegenomen, omdat de wet na afschaffing van de bijverdiengrens te weinig verplichtingen kent.2Bron: SVB, administratie.3Cijfers betreffen alle overtredingen van de inlichtingenplicht met financiële benadeling.Wet op het Kindgebonden Budget (WKB)Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van de overheid in de kosten van kinderen voor gezinnen tot een bepaald inkomen en vermogen. De WKB wordt uitgevoerd door de Dienst Toeslagen van het Ministerie van Financiën. Indien sprake is van een aanvulling op buitenlandse gezinstoeslagen, is de SVB verantwoordelijk voor de uitbetaling van de WKB.Wie komt er voor in aanmerking?Ouders of verzorgers van kinderen tot 18 jaar, die in aanmerking komen voor kinderbijslag, kunnen het kindgebonden budget krijgen, afhankelijk van de hoogte van het inkomen en vermogen.Hoe hoog is het kindgebonden budget?De hoogte van het kindgebonden budget hangt af van het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, het (gezamenlijke) inkomen en vermogen van de ouders en de leefvorm van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. Per 1 januari 2026 geldt dat als het (gezamenlijke) inkomen hoger is dan € 29.697 (alleenstaande) of € 39.074 (aanvrager met toeslagpartner) het kindgebonden budget geleidelijk minder wordt. Voor iedere € 100 boven dit inkomen, wordt het kindgebonden budget € 7,60 lager. Indien het (gezamenlijk) vermogen op de peildatum 1 januari 2026 hoger is dan € 145.586 (alleenstaande) of € 184.095 (aanvrager met toeslagpartner), vervalt het recht op kindgebonden budget voor 2026. De bedragen van het kindgebonden budget worden jaarlijks per 1 januari aangepast aan de prijsontwikkelingen.Tabel 107 WKB, netto maximum bedragen per jaar (in €)1 januari 2026Een gezin met:1 kind2.573Verhoging ieder volgend kind (extra bedrag per jaar)2.573Extra verhoging 12-15-jarigen1722Extra verhoging 16-17-jarigen1961Extra verhoging alleenstaande ouder3.4071Ten opzichte van bovengenoemde bedragen147Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire ontwikkelingenDe uitgaven WKB nemen af vanaf 2026. Deels vloeit deze afname voort uit het tijdelijke intensiveringspakket van de WKB dat in 2023 is getroffen en in de jaren 2026 en 2028 verder wordt afgebouwd. De grote afname van de uitgaven in 2027 houdt echter grotendeels verband met de introductie van een extra knikpunt in de WKB.Per 1 januari 2027 geldt een steiler afbouwpercentage binnen de WKB voor huishoudens met een verzamelinkomen vanaf € 60.000 (prijspeil 2024). Het afbouwpercentage voor inkomens vanaf € 60.000 wordt met 4,3%-punt verhoogd en neemt daardoor structureel toe van 8,5% tot 12,8%. Hierdoor komen huishoudens met een hoger inkomen minder (of geheel niet meer) in aanmerking voor kindgebonden budget.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 108 Kerncijfers WKBRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Aantal huishoudens WKB (x 1.000, jaargemiddelde)1.0941.0701.038Aantal kinderen WKB (x 1.000, jaargemiddelde)2.0742.0291.968Aantal alleenstaande ouders WKB (x 1.000, jaargemiddelde)3463473471Bron: Ministerie van Financiën, Toeslagen. Het betreft gegevens voor (verwachte) toegekende toeslagen per berekeningsjaar. De realisatiecijfers van 2024 zijn gebaseerd op de opgaven van aanvragers die nog kunnen wijzigen bij het definitief vaststellen van het recht op toeslag.Wet kinderbijslagvoorziening BESDe kinderbijslagvoorziening BES biedt ouders of verzorgers die op Bonaire, Sint Eustatius en Saba wonen een tegemoetkoming voor de kosten van opvoeding en verzorging van kinderen die nog geen 18 jaar zijn.Wie komt er voor in aanmerking?Ouders of verzorgers van kinderen tot 18 jaar die ingezetene zijn van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.Hoe hoog is de kinderbijslagvoorziening BES?De hoogte van de bedragen in 2025 is $ 231 per kind per maand op Bonaire, $ 223 op Sint Eustatius en $ 230 op Saba. De hoogte van de kinderbijslagvoorziening voor 1 januari 2026 moet nog worden bepaald aan de hand van de ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer.Budgettaire ontwikkelingenDe CBS-bevolkingsprognose voorspelt een vrij gelijkblijvend aantal kinderen op de eilanden. Hierdoor blijven de uitkeringslasten voor de kinderbijslagvoorziening van jaar op jaar redelijk stabiel.Beleidsrelevante kerncijfersTabel 109 Kerncijfers Wet kinderbijslagvoorziening BESRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Aantal kinderen kinderbijslagvoorziening BES (x 1.000, ultimo)6,16,36,41Bron: RCN-unit SZW.OntvangstenDe ontvangsten betreffen grotendeels de ontvangsten ten gevolge van terugvorderingen van het kindgebonden budget. Nadat de toeslagen definitief zijn toegekend worden terugvorderingen ingesteld bij de huishoudens die meer hebben ontvangen dan waar ze recht op hadden 148Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 op basis van hun vastgestelde inkomen. Omdat de definitieve afrekening achteraf plaatsvindt, zijn de ontvangsten in een bepaald jaar veelal gebaseerd op definitieve afrekeningen van eerdere jaren.De ontvangsten van de WKB nemen structureel enigszins af en ontwikkelen zich daarmee in gelijke tred met de uitgaven. Ook de structurele afname van de ontvangsten houdt verband met de introductie van een steiler afbouwpercentage binnen de WKB per 1 januari 2027. Hierdoor komen huishoudens met een hoger inkomen minder (of geheel niet meer) in aanmerking voor kindgebonden budget, hetgeen zich per saldo doorvertaalt naar lagere ontvangsten.149Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.11 Artikel 11 UitvoeringA. Algemene doelstellingDe overheid voorziet de uitvoeringsorganisaties van financiële middelen voor een rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering van socialezekerheidsregelingen, binnen de kaders die de overheid stelt.De uitvoering van de socialezekerheidswetten vindt mede plaats door ZBO’s en RWT’s. De Minister van SZW bepaalt de kaders waarbinnen de uitvoering tot stand komt en stelt uitvoeringsbudget ter beschikking aan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) inclusief het Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI), de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en het Bureau Informatiediensten Nederland (BIDN). De Minister maakt daarbij prestatieafspraken en stuurt op rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering. Hiertoe is een planning- en controlcyclus ingericht tussen de uitvoeringsorganen en het ministerie.B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister is verantwoordelijk voor het doen uitvoeren van de sociale‐ zekerheidswetgeving door de uitvoeringsorganen en draagt zorg voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het stelsel van wet- en regelgeving (wet SUWI) waarbinnen de uitvoeringsorganen opereren;–de vormgeving van het stelsel van socialezekerheidswetten die UWV en de SVB uitvoeren;–de vaststelling van de budgetten die aan UWV, de SVB en het BIDN beschikbaar worden gesteld met daarbij passende prestatieafspraken;–de sturing van en het toezicht op de rechtmatige, doelmatige, doeltreffende en klantgerichte uitvoering door UWV, de SVB en het BIDN en de verantwoording daarover;–de vaststelling van de omvang van de middelen die aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR) beschikbaar worden gesteld;–de organisatie van de eigen uitvoering binnen het verband van de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).Prestatie-indicatoren UWV en SVBIn onderstaande tabellen zijn indicatoren voor UWV en de SVB weergegeven die de doelmatigheid, rechtmatigheid en klantgerichtheid van de uitvoering weergeven.Menselijke maat monitor UWVUWV maakt sinds 2023 gebruik van de «menselijke maat monitor». Dit is een onderzoek dat UWV ieder half jaar inzicht geeft in waar cliënten en werkgevers de menselijke maat ervaren, en waar dit nog niet helemaal het geval is. De menselijke maat monitor heeft de metingen die voorheen werden verricht om tot klanttevredenheidscijfers te komen vervangen en meet op meer indicatoren dan voorheen. De uitkomsten van de meest recente «menselijke maat monitor» zijn opgenomen in het UWV jaarverslag 2024.150Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 110 Indicatoren uitvoering UWVRealisatie 20241Streefwaarde 20252Streefwaarde 20263Doelmatigheid: Percentage realisatie uitvoeringskosten binnen budget102100100Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid99,2499991Bron: UWV, jaarverslag 2024.2Bron: UWV, jaarplan 2025.3Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan 2026 van UWV.4In dit cijfer is niet de rechtmatigheid van de NOW-subsidieverstrekking meegenomen. In het jaarverslag van UWV wordt dit nader toegelicht.Tabel 111 Indicatoren uitvoering SVBRealisatie 20241Streefwaarde 20252Streefwaarde 20263Doelmatigheid: Kosten per klant471‒5‒5Rechtmatigheid: Percentage rechtmatigheid1009999Klantgerichtheid: Cijfer klanten8,3‒681Bron: SVB, jaarverslag 2024.2Bron: SVB, jaarplan 2025.3Deze streefcijfers worden opgenomen in het jaarplan 2026 van de SVB.4Betreft een gewogen gemiddelde. In het jaarplan 2025 van de SVB worden de kosten per klant uitgesplitst naar de verschillende regelingen weergegeven.5Er is geen norm afgesproken voor de indicator doelmatigheid.6Het klanttevredenheidsonderzoek vindt tweejaarlijks plaats.C. BeleidswijzigingenDienstverleningHet wetsvoorstel Proactieve dienstverlening SZW creëert de bevoegdheid tot proactieve dienstverlening voor UWV, de SVB en gemeenten bij de uitvoering van taken in het kader van de sociale zekerheid. Met dit wetsvoorstel wordt een wettelijke grondslag gecreëerd voor het gericht benaderen van mensen die mogelijk recht hebben op een uitkering of voorziening, en hen te helpen bij het doen van een aanvraag, om zo niet-gebruik te voorkomen. Dit zal in de eerste instantie gelden voor de Toeslagenwet, AIO en de Wajong.Het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening biedt een wettelijke grondslag voor UWV om het niet-gebruik van de Toeslagenwet tegen te gaan. Daarnaast wordt gewerkt aan een Algemene Maatregel van Bestuur waarin wordt uitgewerkt welke specifieke gegevens uitgewisseld mogen worden voor proactieve dienstverlening, met name de overdacht afgewezen Wajong-aanvragers aan gemeenten en het proactief aanbieden van de AIO om het niet-gebruik tegen te gaan. Het wetsvoorstel zal in de loop van 2025 naar de Kamer worden verzonden en naar verwachting in de loop van 2026 in werking treden.Sociaal medische centraDe omslag naar sociaal medische centra (SMC’s) vergt een flinke inspanning van UWV. Om te zorgen dat UWV dit kan doorzetten, wordt er de komende jaren extra geïnvesteerd in de vormgeving van SMC’s. Er zijn prestatieafspraken gemaakt met UWV om zo inzicht te krijgen in de effecten van de investering. Als de effecten uitblijven of tegenvallen zal de bestemming van deze middelen opnieuw worden bezien.HervormingsagendaDe inzet voor 2026 is om verder te werken aan vereenvoudiging van het sociale zekerheidsstelsel, om wet- en regelgeving begrijpelijker en eenvoudiger te maken en de dienstverlening in de toekomst uitvoerbaar te houden. Met gerichte, gezamenlijke inzet van SZW, UWV en SVB 151Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 wordt gewerkt aan vereenvoudiging van wet- en regelgeving. De vereenvoudigingsopgaven verschillen in de mate waarin ze al zijn uitgewerkt tot mogelijke oplossingen. De komende tijd stellen we – in onderlinge samenhang - prioriteiten voor vereenvoudiging op SZW-terrein als geheel.ICTNet als voorgaande jaren zetten UWV en SVB zich aan de hand van meerjarige programma’s in om verouderde systemen te vervangen en hun ICT te verbeteren. Dit om zo de continuïteit en kwaliteit van de dienstverlening te blijven waarborgen en te verbeteren. Het houden van voortgang op het aanpakken van de legacy (verouderde ICT-systemen) is daarnaast van belang om ruimte te creëren voor nieuwe wet- en regelgeving.Waar het projecten betreft die zich richten op de implementatie van nieuwe of veranderde wet- en regelgeving, wordt met UWV ingezet op het beter zicht krijgen op de benodigde capaciteit en financiële middelen met als doel een helder beeld van de personele inzet en budgettaire behoeften te krijgen die noodzakelijk zijn om de gestelde beleidsdoelen te realiseren. Bijvoorbeeld door personele gevolgen van nieuw beleid expliciet te beschrijven in uitvoeringstoetsen. Dit biedt tevens de mogelijkheid om onderbouwde prioriteiten te stellen en bij te sturen waar nodig. Het aanpakken van de legacy blijft een belangrijke opgave voor de SVB. De realisatie van het verder wegwerken van de legacy zal in 2026, en mogelijk daarna, inzet van de SVB vragen. Niet alleen om ruimte te creëren voor nieuwe wet- en regelgeving, maar ook voor de continuïteit van de (internationale) dienstverlening.Informatiebeveiliging en privacyMensen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens bij overheidsorganisaties goed beschermd worden. In het kader van informatiebeveiliging en privacy werkt de SVB aan een meerjarige roadmap, programma Digitale Veiligheid en een geactualiseerd securitybeleid. De Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) vormt een groot deel van de invulling van de zorgplicht voor de Cyberbeveiligingswet (Cbw), de Nederlandse vertaling van de NIS2-richtlijn van de Europese Unie (EU). UWV en SVB achten het met het oog op de digitale weerbaarheid van groot belang om data en informatie in processen en informatiesystemen adequaat te beveiligen in lijn met geldende wet- en regelgeving. UWV en SVB streven ernaar om in 2026 te voldoen aan de eisen die de huidige BIO stelt.Europese AI-verordeningDe AI-verordening van de Europese Unie (EU) gaat gefaseerd in en zal medio 2027 geheel van kracht zijn. UWV en SVB zijn zich ervan bewust dat de inzet van AI in de sociale zekerheid politieke en maatschappelijke aandacht heeft en ontplooien daarom diverse initiatieven om AI verantwoord in te zetten. Richting 2027 worden de al bestaande governance en processen getoetst aan de AI-verordening. UWV voert pilots uit met een beperkte groep medewerkers binnen een gesloten omgeving om vaardigheden en bewustzijn rondom generatieve AI te vergroten.Preventie en handhavingIn 2025 werkt SZW aan het herijken van de handhavingskoers. Dit zal leiden tot de handhavingskoers 2026-2029. Daarom is aan UWV en SVB gevraagd om in 2026 weer met een meerjarenplan handhaving te komen waarin de ambities en strategie op het gebied van handhaving en preventie worden verwoord.152Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Ook wordt ingezet op het voorkomen van veelgemaakte fouten en vergissingen van klanten. UWV, SVB, VNG en SZW werken hierbij samen om oplossingen te zoeken in uitvoering of regelgeving. Daarbij is ook aandacht voor de wijze waarop door UWV opvolging wordt gegeven aan het onderzoek «In aanraking met waarschuwingen, boetes en terugvorderingen», dat UWV heeft laten uitvoeren naar veel gemaakte fouten van klanten.D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 112 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen733.917726.740723.710703.584696.028694.154695.397Uitgaven734.383726.540723.710703.584696.028694.154695.39711.0Uitvoering734.383726.540723.710703.584696.028694.154695.397Opdrachten7211.8422.2282.2652.3002.3352.335Handhaving en gegevensuitwisseling7211.8422.2282.2652.3002.3352.335Bekostiging8.25610.51716.66114.33512.19612.29812.400Uitvoeringskosten CN8.25610.51716.66114.33512.19612.29812.400Bijdrage aan ZBO's/RWT's723.619711.660703.542685.705680.253678.242679.383Uitvoeringskosten UWV520.729508.729490.670486.096482.811480.203479.896Uitvoeringskosten SVB184.133184.026192.812180.255179.132179.729180.677Uitvoeringskosten Bureau Informatie Diensten Nederland (BIDN)18.75718.90520.06019.35418.31018.31018.810Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties1.7872.5211.2791.2791.2791.2791.279Landelijk Clientenraad1.7872.5211.2791.2791.2791.2791.279Ontvangsten89.527000000Geschatte budgetflexibiliteitTabel 113 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 11 (%)2026juridisch verplicht95%bestuurlijk gebonden4%beleidsmatig gereserveerd1%nog niet ingevuld / vrij te besteden0%De uitgaven op artikel 11 Uitvoering zijn voor 95% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.OpdrachtenHet budget voor opdrachten is voor 40% juridisch verplicht en voor 60% beleidsmatig gereserveerd. Het betreft het budget handhaving en gegevensuitwisseling SZW.BekostigingHet budget voor bekostiging is voor 100% juridisch verplicht. Het betreft het uitvoeringsbudget voor de RCN-unit SZW en middelen voor ICT-ontwikkeling.153Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijdrage aan ZBO's/RWT'sDe bijdragen aan ZBO's zijn voor 95% juridisch verplicht, 4% bestuurlijk gebonden en 1% beleidsmatig gereserveerd. Deze budgetten worden bij goedkeuring van de jaarplannen vastgesteld.Bijdrage aan (inter-)nationale organisatiesDe bijdrage aan nationale organisaties is 100% juridisch verplicht. Het betreft een bijdrage aan de Landelijke Cliëntenraad (LCR). Het budget wordt bij goedkeuring van het jaarplan vastgesteld.Budgettaire gevolgen van beleid premiegefinancierdTabel 114 Premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten artikel 11 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen2.319.7922.484.2342.709.1632.844.6852.887.1113.001.2513.125.516Uitgaven2.319.7922.484.2342.709.1632.844.6852.887.1113.001.2513.125.51611.0Uitvoeringskosten2.319.7922.484.2342.709.1632.844.6852.887.1113.001.2513.125.516Bijdrage aan ZBO's/RWT's2.319.7922.484.2342.709.1632.844.6852.887.1113.001.2513.125.516Uitvoeringskosten UWV2.089.7342.259.3772.383.4912.419.2672.362.1902.384.3462.402.273Uitvoeringskosten SVB230.058224.857220.632217.552219.957219.845222.689Uitvoeringskosten UWV nominaal0096.472191.348279.975364.760459.632Uitvoeringskosten SVB nominaal008.56816.51824.98932.30040.922Ontvangsten0000000E. Toelichting op de financiële instrumentenOpdrachtenHet budget handhaving en gegevensuitwisseling betreft beleidsondersteunend budget dat wordt ingezet voor de ontwikkeling van beleid met betrekking tot handhaving en gegevensuitwisseling in de sociale zekerheid. Hieronder valt onder andere het laten uitvoeren van beleidsinhoudelijk onderzoek. Handhaving van de plichten in de materiewetten wordt bekostigd via de uitvoeringskosten aan de uitvoeringsorganisaties en wordt per materiewet verantwoord. Het budget is daarmee geen indicatie van de totale inzet die wordt gepleegd op handhaving in de sociale zekerheid.BekostigingDe RCN-unit SZW is een bij de Rijksdienst Caribisch Nederland gepositioneerd onderdeel van het departement dat namens de minister is belast met uitkeringsverstrekking, vergunningverlening en arbeidsinspectie in Caribisch Nederland.Budgettaire ontwikkelingenDe uitvoeringskosten voor de RCN-unit SZW zijn hoger in de jaren 2025-2027 vanwege extra kosten in verband met ICT-ontwikkeling. Ook in de daaropvolgende jaren blijven de uitgaven hoger in verband met onderhoud en beheerskosten voor de ICT.Bijdrage aan ZBO's/RWT'sDe Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor UWV, de SVB en het BIDN, waarbinnen deze organisaties hun jaarplannen dienen op te stellen. Deze financiële kaders hebben alleen betrekking op de uitvoering van 154Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 SZW-taken door genoemde ZBO’s. In de jaarplannen nemen UWV en de SVB een verdeling van de uitvoeringskosten naar wet en/of fonds op. De Minister stuurt in eerste aanleg op het totaalbudget per organisatie. Uitgangspunt daarbij is dat de organisaties zelfstandig de uitvoering organiseren en over de realisatie via het jaarverslag verantwoording afleggen aan de Minister van SZW.Budgettaire ontwikkelingenDe uitvoeringskosten van UWV en de SVB wijzigen gedurende de jaren als gevolg van beleidswijzigingen en volumeontwikkelingen in de onderscheiden wetten en regelingen.Per saldo stijgen de uitvoeringskosten (begrotings- en premiegefinancierd) van UWV in 2026 met circa € 106 miljoen. De premiegefinancierde uitvoeringskosten stijgen, voornamelijk als gevolg van de bijgestelde volumeontwikkelingen op de WW, ZW en WIA (WGA en IVA). De begrotingsgefinancierde uitvoeringskosten dalen in 2026 door de afwikkeling van de NOW-regeling in 2025.Per saldo stijgen de uitvoeringskosten (begrotings- en premiegefinancierd) van de SVB in 2026 met circa € 4,5 miljoen. De begrotingsgefinancierde uitvoeringskosten stijgen voornamelijk als gevolg van de bijgestelde volumeontwikkelingen op de AKW en AIO.In de tabellen 115 en 116 zijn de uitvoeringskosten van UWV en de SVB toegedeeld aan de wetten en regelingen. Dit is een ex-ante raming op basis waarvan de bekostiging van ZBO’s plaatsvindt. De toedeling is extracomptabel. Hier is de loon- en prijsbijstelling nog niet aan toebedeeld.155Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 115 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten UWV (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030UWV (incl. BKWI)2.610.4632.768.1052.874.1612.905.3632.845.0012.864.5492.882.170Begrotingsgefinancierd520.729508.729490.670486.096482.811480.203479.896IOW1.6981.7381.6731.6891.7721.8511.123Wajong224.592229.193228.411226.559223.741221.768222.523Re-integratie Wajong1114.837124.365125.685125.100124.598123.910124.537Basisdienstverlening87.75095.96293.51790.99790.99790.99790.497Beoordeling gemeentelijke doelgroep20.00020.00020.00020.00020.00020.00020.000Wsw indicatiestelling1.3301.3781.1391.1111.0851.0601.036NOW 189426000000NOW 24.29430000000NOW 316.0383.78000000NOW 42.1061.80000000NOW 53.0002.40000000NOW 614.4803.60000000MCKW132000000Uitvoering kassierstaak2.22057000000Centrale uitvoering landelijke ondersteuning2.930000000Skills en mogelijkheden3.0824.02300000STAP2.682000000IPS voor gemeenten901886422000BKWI18.57419.17120.18020.61720.61720.61620.180Premiegefinancierd2.089.7342.259.3772.383.4912.419.2672.362.1902.384.3462.402.273WW676.607827.937824.102847.774865.944878.294875.707ZW386.061483.852505.234502.738454.000455.198458.250WAZO12.2877.9927.9927.9927.9927.9927.992WAO70.96851.13748.80446.86445.25443.41441.863Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW1218.973144.127146.333149.063152.548155.444157.956WGA613.378623.463724.029735.011702.906708.947724.190IVA157.182118.675124.916127.849131.647133.239134.587WAZ3.1782.1932.0811.9771.8981.8191.728Toevoeging aan bestemmingsfonds/egalisatiereserve‒ 48.9001Dit zijn uitvoeringskosten. Re-integratie in de vorm van voorzieningen en/of trajecten staan weergegeven op beleidsartikel 3. De uitvoeringskosten re-integratie hebben betrekking op de werkzaamheden die UWV verricht ten behoeve van de inkoop van externe re-integratiediensten en de re-integratiedienstverlening voor werkzoekenden in de WIA, WAO en Wajong die UWV zelf aanbiedt.156Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 116 Extracomptabel overzicht begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitvoeringskosten SVB (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030SVB414.190408.883413.444397.807399.089399.574403.366Begrotingsgefinancierd184.133184.026192.812180.255179.132179.729180.677AKW126.800119.911120.961109.023108.075108.059108.282TAS1.5651.6011.6201.6201.6201.6201.620TSB14.4486.0009.0009.0009.0009.0009.000KOT/WKB10.03411.57511.02211.02211.02211.02211.022AIO39.07443.03448.47648.08947.98648.66949.477Bijstand buitenland223533327211511OBR2502502500000Remigratiewet1.7391.6031.4501.4751.4081.3441.265Premiegefinancierd230.057224.857220.632217.552219.957219.845222.689AOW214.712210.433206.561203.701206.077206.042208.832Anw15.34514.42414.07113.85113.88013.80313.8571Inclusief middelen Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen.Bijdrage aan (inter-)nationale organisatiesDe Landelijke Cliëntenraad (LCR) is een overlegorgaan ingesteld bij Wet SUWI, waarin landelijke cliëntenorganisaties, vertegenwoordigers van gemeentelijke cliëntenraden en vertegenwoordigers van de centrale cliëntenraden van de SVB en UWV zitting hebben. De LCR heeft tot taak periodiek te overleggen met UWV, de SVB, de gemeenten en de Minister van SZW over onderwerpen op het terrein van werk en inkomen. De Minister van SZW stelt de financiële kaders vast voor de LCR, waarbinnen de LCR een jaarplan dient op te stellen.157Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.12 Artikel 12 RijksbijdragenA. Algemene doelstellingDe overheid borgt voldoende dekking in sociale fondsen.De uitgaven die worden gedaan vanuit de sociale fondsen worden hoofdzakelijk gefinancierd via premies. In een aantal gevallen vindt de overheid het heffen van premies niet wenselijk, bijvoorbeeld om te voorkomen dat premiepercentages blijvend toenemen en daarmee een evenwichtige koopkrachtontwikkeling in de weg staan. In andere gevallen vindt de overheid financiering van een regeling vanuit de algemene middelen passend, maar wordt de regeling wel betaald uit een van de sociale fondsen. In beide gevallen worden de inkomsten van de sociale fondsen aangevuld via een of meerdere rijksbijdragen.B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister financiert de sociale fondsen uit de rijksbegroting, al dan niet in aanvulling op premieheffing. De Minister is in deze rol verantwoordelijk voor:–de vaststelling van de hoogte van de rijksbijdragen aan de desbetreffende sociale fondsen;–het betalen van de rijksbijdragen aan de sociale fondsen.C. BeleidswijzigingenVoor 2026 worden er geen beleidswijzigingen verwacht.D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 117 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen31.203.17529.154.35232.633.05634.210.18935.386.64537.696.34540.046.045Uitgaven31.203.17529.154.35232.633.05634.210.18935.386.64537.696.34540.046.04512.0Rijksbijdragen31.203.17529.154.35232.633.05634.210.18935.386.64537.696.34540.046.045Bijdrage aan sociale fondsen31.203.17529.154.35232.633.05634.210.18935.386.64537.696.34540.046.045Kosten heffingskortingen AOW3.066.4003.916.8004.128.9004.331.9004.579.8004.743.8004.861.600Vermogenstekort Ouderdomsfonds27.828.00024.940.30028.203.60029.574.60030.498.90032.644.60034.876.500Tegemoetkoming arbeidsongeschikten202.575185.081186.563188.266191.077191.077191.077Zwangere zelfstandigen106.200112.171113.993115.423116.868116.868116.868Ontvangsten6.680000000158Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Geschatte budgetflexibiliteitTabel 118 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 122026juridisch verplicht100%bestuurlijk gebonden0%beleidsmatig gereserveerd0%nog niet ingevuld / vrij te besteden0%De uitgaven op artikel 12 Rijksbijdragen zijn voor 100% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Per financieel instrument wordt dit onderstaand toegelicht.Bijdrage aan sociale fondsenDe bijdragen aan sociale fondsen zijn 100% juridisch verplicht. De rijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOW en het vermogenstekort Ouderdomsfonds zijn juridisch verplicht volgens de Wet financiering sociale verzekeringen. De rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschikten is juridisch verplicht volgens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rijksbijdrage zwangere zelfstandigen is juridisch verplicht volgens de Wet arbeid en zorg. Hoofdstuk 7.1 Sociale fondsen SZW gaat nader in op de financiering van de sociale fondsen.E. Toelichting op de financiële instrumentenBijdrage aan sociale fondsenRijksbijdrage in de kosten van heffingskortingen AOWDeze rijksbijdrage compenseert de gewijzigde premieopbrengst die het gevolg is van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. De hoogte van deze rijksbijdrage wordt jaarlijks aangepast aan de geraamde omvang van de heffingskortingen en aan de verdeling van de heffingskortingen over de verschillende premies volksverzekeringen en de inkomstenbelasting.Budgettaire ontwikkelingenDe BIKK AOW is in 2026 hoger dan in 2025. De totale omvang van de heffingskortingen neemt in 2026 toe doordat de bedragen geïndexeerd worden en doordat de arbeidskorting licht wordt verhoogd. Hierdoor stijgt ook de BIKK, die de gederfde opbrengst door de heffingskortingen deels moet compenseren. In 2026 daalt ook het tarief van de eerste schijf van de inkomstenbelasting. Ook hierdoor stijgt de BIKK AOW, omdat een groter deel van de kosten van de heffingskortingen daardoor wordt toegerekend aan de volksverzekeringen.Rijksbijdrage vermogenstekort OuderdomsfondsDe uitgaven uit het Ouderdomsfonds worden grotendeels gedekt door de premie-inkomsten. De hoogte van de AOW-premie is echter wettelijk gemaximeerd om te voorkomen dat de groeiende AOW-uitgaven leiden tot een alsmaar stijgende AOW-premie en een onevenwichtige koopkrachtontwikkeling. Dit leidt tot een jaarlijks exploitatietekort in het Ouderdomsfonds. De rijksbijdrage Ouderdomsfonds is bedoeld om het exploitatietekort in het Ouderdomsfonds aan te vullen zodat dat fonds gemiddeld genomen een neutrale vermogenspositie heeft.159Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Budgettaire ontwikkelingenDe rijksbijdrage voor het Ouderdomsfonds is in 2026 hoger dan in 2025. Dat komt voornamelijk omdat de geraamde premie-inkomsten in 2026 maar licht stijgen. De inkomsten van het Ouderdomsfonds nemen daardoor in 2026 minder toe dan de uitgaven aan AOW-uitkeringen stijgen. Via een hogere bijdrage vanuit het Rijk wordt dat gecompenseerd. zodat het Ouderdomsfonds naar verwachting eind 2026 geen vermogensoverschot of -tekort heeft.Rijksbijdrage tegemoetkoming arbeidsongeschiktenDe tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten is onderdeel van de WIA, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), de WAZ en WAO. De tegemoetkomingen voor de categorieën WAO, WAZ, IVA en WGA worden gefinancierd uit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort. Daarnaast financiert deze rijksbijdrage de uitvoeringskosten van UWV aan de tegemoetkoming. De tegemoetkomingen voor arbeidsongeschikten worden verantwoord op de beleidsartikelen 3 en 4.Budgettaire ontwikkelingenDe rijksbijdrage stijgt mee met het aantal ontvangers van de betreffende uitkeringen. Daarnaast wordt de hoogte van de tegemoetkoming jaarlijks geïndexeerd.Rijksbijdrage zwangere zelfstandigenDe regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ) voorziet in een uitkering aan zelfstandigen voorafgaand aan en volgend op de bevalling (zie ook beleidsartikel 6). Deze regeling wordt gefinancierd via een rijksbijdrage aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Ook de uitkeringen voor zwangere alfahulpen worden via deze rijksbijdrage gefinancierd. In deze rijksbijdrage zijn daarnaast de uitvoeringskosten van UWV opgenomen.Budgettaire ontwikkelingenDe rijksbijdrage stijgt mee met de uitgaven aan de ZEZ-regeling. Deze uitgaven stijgen onder andere doordat de bedragen jaarlijks worden geïndexeerd.160Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 5.13 Artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhangA. Algemene doelstellingDe overheid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit door participatie en inburgering van iedereen met een migratieachtergrond. Daarnaast bevordert de overheid de acceptatie van culturele diversiteit in de samenleving.In het integratiebeleid ligt de nadruk op het creëren van sociale stabiliteit in een samenleving die in cultureel opzicht steeds meer divers wordt. Een sociaal stabiele samenleving houdt in dat:–mensen zelfredzaam zijn en zonder belemmeringen kunnen meedoen;–zij in al hun verscheidenheid met elkaar samenleven;–iedereen zich thuisvoelt ongeacht herkomst, religie of levensovertuiging.Dit wordt gerealiseerd door:–het versterken van inclusief en gelijkwaardig samenleven;–het bevorderen van samenhang en het voorkomen van maatschappelijke spanningen;–het overbruggen van verschillende scheidslijnen door verbinding van verschillende groepen in de samenleving te stimuleren;–het verhogen van de veerkracht en weerbaarheid ten behoeve van de sociale stabiliteit;–werk stimuleren als basis van integratie;–het werken aan een evenredige positie en participatie in de Nederlandse samenleving en aan een evenredig bereik en effectiviteit van voorzieningen voor alle burgers in Nederland;–het faciliteren dat nieuwkomers snel de Nederlandse taal machtig zijn en kennis hebben van de Nederlandse samenleving.B. Rol en verantwoordelijkheidDe Minister stimuleert met behulp van onder andere financiële instrumenten de zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving van migranten, en het samenleven met elkaar in de diverse samenleving. De samenlevingsvraagstukken verschillen per gemeente of regio. De rol van de Minister bij het oplossen hiervan is een faciliterende. De Minister financiert gemeenten voor het invullen van de regierol bij inburgering voor asielstatushouders, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) voor het programma Voorbereiding op de Inburgering, een leenstelsel voor inburgeringsplichtige gezins- en overige migranten en een uitkeringsregeling aan remigranten op grond van de Remigratiewet alsmede de hiermee samenhangende uitvoeringskosten. De Minister is in deze rollen verantwoordelijk voor:–de vormgeving, het onderhoud en de werking van het inburgeringsstelsel;–de visie en samenhang van het integratiebeleid en de daarvoor benodigde kennis;–het aanspreken van de vakdepartementen op hun verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat reguliere voorzieningen toegankelijk en effectief zijn voor alle burgers;–de uitvoering van de Remigratiewet, de Wet inburgering en de Wet inburgering buitenland.161Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 C. BeleidswijzigingenEind 2025 is de tussenevaluatie van de Wi2021 gereed. De uitkomsten van deze tussenevaluatie worden in 2026 gebruikt voor verdere versterking van het stelsel. Hier wordt de invulling van de voorgenomen budgetkorting van 10 procent op de SPUK inburgering vanaf 2028 bij betrokken.Daarnaast heeft op 9 juli 2025 de Afdeling rechtspraak van de Raad van State, naar aanleiding van prejudiciële vragen die zij stelde aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, geoordeeld dat het boete- en leningenstelsel voor asielstatushouders onder de Wi2013 in strijd is met de EU Kwalificatierichtlijn. De wet- en regelgeving wordt aangepast om deze strijdigheden te verhelpen.Ook hebben de voorgenomen asiel- en huisvestingsmaatregelen consequenties voor de uitvoerbaarheid van het inburgeringsstelsel. Dit kan eveneens leiden tot wetswijzigingen in de Wi2021.Op 7 februari 2025 is de Kamer geïnformeerd over de opzet en de doelstellingen uit de Actieagenda Integratie en Open en Vrije samenleving. In 2026 zal de Actieagenda Integratie verder worden uitgewerkt en zullen maatregelen onder de pijlers ‘Open en vrije samenleving’ en ‘Meedoen met werk en taal’, worden uitgevoerd. Het gaat daarbij om intensiveringen en nieuwe maatregelen op de terreinen van waarden en normen van de open en vrije samenleving, aanpak schadelijke praktijken, versterking zelfbeschikking, tegengaan van buitenlandse beïnvloeding, tegengaan van polarisatie in de samenleving, betere regulering voor versterkte gebedsomroepen, vergroten van arbeidsmarktkansen van statushouders via taal en werk en de preventie van discriminatie en racisme en anti-semitisme. Daarnaast wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een geaccrediteerde imamopleiding.162Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 D. Budgettaire gevolgen van beleidTabel 119 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (bedragen x € 1.000)12024202520262027202820292030Art.Verplichtingen627.73760.469484.728405.195394.286358.144305.765Uitgaven626.71560.469485.728406.195394.286358.144305.76513.0Integratie en maatschappelijke samenhang626.71560.469485.728406.195394.286358.144305.765Inkomensoverdrachten37.45438.06436.59434.78332.99131.20929.371Remigratiewet37.45438.06436.59434.78332.99131.20929.371Subsidies (regelingen)19.9758.70320.41416.79815.27214.67411.174Opbouw kennisfunctie integratie2.6282.7362.6322.6322.2382.1982.198Vluchtelingenwerk Nederland1.3941.2081.2081.2081.0271.0091.009Overige subsidies algemeen6.8014.7594.3575.3004.8004.8001.300Vroege Integratie en Participatie9.152012.2177.6587.2076.6676.667Opdrachten11.65113.70229.56119.06118.37717.26010.928Opdracht Integratie10.07013.00229.06119.06118.37717.26010.928Remigratie1.5817005000000Bijdrage aan ZBO's/RWT's38.000063.57135.45335.45335.45335.453COA38.000063.57135.45335.45335.45335.453Bijdrage aan agentschappen27.168029.59526.25625.44525.44525.445Agentschap DUO27.168029.59526.25625.44525.44525.445Bijdrage aan medeoverheden434.1790289.645261.311255.009222.489181.780Gemeenten inburgeringsvoorzieningen413.9810289.645261.311255.009222.489181.780Specifieke uitkering onderwijsroute20.198000000Leningen58.288016.34812.53311.73911.61411.614DUO58.288016.34812.53311.73911.61411.614Ontvangsten24.67203.0003.0003.0003.0003.0001De uitgaven aan inburgering in 2025 zijn terug te vinden op de begroting van Justitie en Veiligheid.Tabel 120 Uitsplitsing ontvangsten artikel 13 (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Ontvangsten24.67203.0003.0003.0003.0003.00013.0Integratie en maatschappelijke samenhang24.67203.0003.0003.0003.0003.000Ontvangsten24.67203.0003.0003.0003.0003.000Algemeen12.492000000Leningen7.01503.0003.0003.0003.0003.000Ontvangsten SPUK Inburgering5.165000000Geschatte budgetflexibiliteitTabel 121 Geschatte budgetflexibiliteit artikel 132026juridisch verplicht90%bestuurlijk gebonden0%beleidsmatig gereserveerd6%nog niet ingevuld / vrij te besteden4%163Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De uitgaven op artikel 13 Integratie en maatschappelijke samenhang zijn voor 90% juridisch verplicht voor het jaar 2026. Hieronder volgt een toelichting per financieel instrument.InkomensoverdrachtenDe Inkomensoverdrachten volgen uit wet- en regelgeving op het terrein van de Remigratiewet en zijn daarmee voor 100% juridisch verplicht.SubsidiesDe subsidies zijn voor 20% juridisch verplicht. Daarnaast zijn de subsidies voor het Kennisplatform Integratie en Samenleving, Vluchtelingenwerk Nederland en de werkgeversregeling 'Statushouders aan het werk' beleidsmatig gereserveerd vanwege meerjarige afspraken met de ontvangende organisaties. Iedere vijf jaar bezien we opnieuw of de subsidies worden voortgezet. De post overige subsidies is voor 20% verplicht en is bestemd voor de afrekening van lopende integratieverplichtingen. De verwachting is dat de overige middelen volledig besteed gaan worden aan geplande nieuwe subsidies in het kader van de Actieagenda Integratie in 2026.OpdrachtenDe opdrachtenbudgetten zijn voor 20% verplicht. De rest is beleidsmatig gereserveerd voor de uitvoering van de Actieagenda Integratie en ter ondersteuning van de Wi2021. De middelen voor opdrachten zijn voor het onderdeel Remigratie geheel gebonden aan bestuurlijke afspraken.Bijdrage aan ZBO's/RWT'sDe bijdrage aan ZBO's is bedoeld voor de uitvoering van de voorinburgering door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en is daarmee 100% juridisch verplicht.Bijdrage aan agentschappenDe bijdrage aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ten behoeve van het beheer van het examenstelsel en de uitvoering van het leenstelsel is gebaseerd op gemaakte afspraken en daarmee 100% juridisch verplicht.Bijdrage aan medeoverhedenDe taken en verantwoordelijkheden door gemeenten zijn vastgelegd in de inburgeringswet. De specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van inburgeringsvoorzieningen in het nieuwe stelsel is onderdeel van de nieuwe Wet inburgering 2021. Daarmee zijn deze uitgaven 100% juridisch verplicht.LeningenDit budget vloeit voort uit de Wet inburgering 2013 en de Wet inburgering 2021 en is daarmee 100% juridisch verplicht.E. Toelichting op de financiële instrumentenHet integratiebeleid bevordert de maatschappelijke samenhang en sociale stabiliteit en heeft onder andere als doel dat groepen met een migratieachtergrond dezelfde maatschappelijke positie innemen als groepen zonder migratieachtergrond. Dit doel komt dichterbij als de verschillen tussen de groepen afnemen. Drie belangrijke indicatoren hiervoor zijn de arbeidsparticipatie, de werkloosheid en het aandeel leerlingen dat in het voortgezet onderwijs havo en vwo volgt.164Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De figuren 5, 6 en 7 presenteren de ontwikkeling in deze indicatoren: de aandelen van de bevolking met betaald werk, het werkloosheidspercentage en het aandeel leerlingen in de derde klas van het voortgezet onderwijs dat havo of vwo volgt naar achtergrond, generatie en (school)jaar. De figuren laten verschillen zien zowel tussen de uiteenlopende herkomstgroepen als tussen de generaties binnen dezelfde herkomstgroep.Figuur 5 Kerncijfers integratie: netto arbeidsparticipatie15 (%)Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.15 Het aandeel van de bevolking van 15 tot 75 jaar met betaald werk voor ten minste een uur per week.165Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Figuur 6 Kerncijfers integratie: werkloze beroepsbevolking16 (%)Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.16 Het aandeel van de bevolking van 15 tot 75 jaar zonder betaald werk, die recent naar werk hebben gezocht en daarvoor direct beschikbaar zijn. Bij betaald werk gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur.166Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Figuur 7 Kerncijfers integratie: aandeel havo/vwo-leerlingen in het 3e leerjaar van het voortgezet onderwijs (%)Bron: CBS, Kernindicatoren Integratie.InkomensoverdrachtenEen remigratievoorziening is een maandelijkse uitkering op grond van de Remigratiewet met eventueel een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering. Deze uitkering geldt voor personen die naar Nederland kwamen voor arbeid en vestiging, maar nu een dringende wens tot terugkeer hebben omdat zij in een uitzichtloze en afhankelijke situatie (uitkering) verkeren en zelf hun remigratie niet kunnen bekostigen. Om voor een dergelijke uitkering in aanmerking te komen gelden criteria zoals leeftijd, verblijfsduur in Nederland, doelgroep en herkomstland. Met de wijziging van de Remigratiewet per 1 juli 2014 zijn de criteria om in aanmerking te komen voor een remigratievoorziening aangescherpt. Vanaf 1 januari 2025 is het niet meer mogelijk een nieuwe aanvraag te doen voor een remigratievoorziening.Budgettaire ontwikkelingenDe budgettaire ontwikkeling is gebaseerd op ramingen van de SVB. De SVB verwacht in 2026 een iets lager budget nodig te hebben dan eerder verwacht.167Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Beleidsrelevante kerncijfersTabel 122 Kerncijfers RemigratieRealisatie 20241Raming 2025Raming 2026Aantal remigranten met een periodieke uitkering ( x 1.000 personen, ultimo)21212121Bron: SVB, administratie.2Inclusief nihil-uitkeringen: de remigrant heeft recht op een remigratie-uitkering, maar na verrekening van andere, exporteerbare uitkeringsgelden wordt het bedrag op nihil vastgesteld.SubsidiesDe post subsidies bestaat uit de jaarlijkse subsidies voor het Kennisplatform Integratie en Samenleving, de steunfunctie helpdesk Vluchtelingenwerk en de werkgeversregeling «Statushouders aan het werk». Tevens zijn er een aantal incidentele subsidies zoals die in het kader van de Actieagenda Integratie, de ondersteuning van de regierol aan gemeenten in het kader van de Wi2021 (nieuwe wet inburgering) via Divosa en VNG en de uitwerking van de informatievoorziening inburgering naar plateau 2 via VNG.Vroege Integratie en ParticipatieSubsidie aan COA voor de jaarlijkse activiteiten in het kader van de vroege integratie en participatie van statushouders en asielzoekers met een kansrijke aanvraag (VRIP). De activiteiten van de VRIP betreffen de Kansrijke koppeling van Screening & matching, de Participatie vanaf dag één, de Meedoenbalies en de Nt2-lessen voor jongeren met een kansrijke aanvraag.OpdrachtenDe middelen voor opdrachten zijn voor het onderdeel Remigratie gebonden aan bestuurlijke afspraken. De overige middelen zijn bedoeld voor onderzoeken, methodiekontwikkeling, kennisoverdracht, trainingen, communicatieve activiteiten en de uitrol van pilots in het kader van de uitvoering van de Actieagenda Integratie.Bijdrage aan ZBO's/RWT'sHet Ministerie van SZW verstrekt het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) jaarlijks een bijdrage voor de voorinburgering van asielstatushouders in de azc's. Het budget voor 2026 is gebaseerd op afspraken met het COA.Bijdrage aan agentschappenAls onderdeel van de inburgeringsketen voert de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) op grond van de Wi2013 en Wi2021 een aantal taken uit. Voorbeelden hiervan zijn het handhaven van de inburgeringsplicht, het verstrekken van leningen en het organiseren van examens. DUO ontvangt hiervoor een bijdrage van het Ministerie van SZW. De taken van DUO zijn in een mandaatregeling vastgelegd.168Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 123 Kerncijfers inburgering (x 1.000 personen, ultimo)Realisatie 2024Raming 2025Raming 2026Inburgeringsplichtige nieuwkomers die een kennisgeving van DUO ontvangen3713333waarvan Wi20130,30,20,1waarvan Wi2021363333Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de voorbereiding op inburgering in de opvang van COA8,6213,713,7Inburgeraars die een inburgeringsdiploma of inburgeringscertificaat behalen31641214Afgesloten Plannen Inburgering en Participatie (PIP)53031,531,5Asielgerechtigde nieuwkomers die deelnemen aan de maatschappelijke begeleiding door gemeenten60,10,101Bron: DUO, informatiesysteem Inburgering.2Bron: COA, voortgangsrapportages.3Dit kan zowel op A2 niveau zijn als op niveau Staatsexamen B1 of B2. De cijfers zijn exclusief vrijwillige inburgeraars. Onder de Wi2021 kan aan de inburgeringsplicht voldaan worden door het behalen van het inburgeringsexamen, maar ook door het behalen van een inburgeringscertificaat na afronding van de Z-route.4Bron: DUO, informatiesysteem Inburgering. Het gaat hier alleen om diploma's.5Bron: DUO, informatiesysteem Inburgering. Dit gaat alleen over de Wi2021.6Dit betreft enkel de Wi2013. Voor de Wi2021 wordt een andere financieringssystematiek gehanteerd.Bijdrage aan medeoverhedenDe SPUK voor inburgeringsvoorzieningen wordt aan gemeenten verstrekt ter financiering van kosten voor voorzieningen die bijdragen aan het voldoen aan de inburgeringsplicht. De raming van dit budget is gebaseerd op de Meerjaren Productie Prognose van het Ministerie van AenM en een inschatting van het aantal gezins- en overige migranten op basis van realisaties.De raming voor de jaren 2026 tot en met 2029 valt hoger uit als gevolg van het incidenteel meerjarig beschikbaar gestelde aanvullend budget voor de onderwijsroute.Vanwege de budgetkorting vanaf 2026 op alle SPUK's uit het regeerakkoord kabinet Schoof, valt de raming vanaf 2028 structureel lager uit. Voor de jaren 2026 en 2027 is de budgetkorting budgettair gecompenseerd binnen artikel 13 van de begroting.LeningenHet Ministerie van SZW verstrekt op grond van de Wet inburgering 2021 via DUO leningen aan gezins- en overige migranten met inburgeringsplicht. Deze leenmogelijkheid geldt voor gezins- en overige migranten indien zij of hun partner niet over voldoende financiële middelen beschikken.Daarnaast is de leenfaciliteit beschikbaar voor de resterende inburgeringsplichtigen die vallen onder de Wet inburgering 2013. Asielstatushouders die met succes en tijdig hun inburgering afronden hoeven de lening niet terug te betalen maar krijgen die kwijtgescholden. Terugbetaling vindt plaats naar draagkracht.Vanwege het uitfaseren van de Wet inburgering 2013 is de budgettaire reeks voor leningen aflopend en resteren structureel de leningen aan gezins- en overige migranten onder de huidige wet.OntvangstenHet betreft hier de geraamde ontvangsten van de leningen aan gezins- en overige migranten met inburgeringsplicht.169Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 6. Niet-beleidsartikelen6.1 Artikel 96 Apparaat KerndepartementA. Budgettaire gevolgenTabel 124 Budgettaire gevolgen artikel 96 Apparaat Kerndepartement (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen641.773647.779631.903603.866587.437584.050584.647Uitgaven616.915648.607635.914608.267588.696583.809584.40696.0Apparaat Kerndepartement616.915648.607635.914608.267588.696583.809584.406Personele uitgaven511.117523.115517.384497.896483.176475.900476.526eigen personeel468.081501.571501.263482.105470.315463.039463.665externe inhuur39.67816.74711.37011.0408.1108.1108.110overige personele uitgaven3.3584.7974.7514.7514.7514.7514.751Materiële uitgaven105.798125.492118.530110.371105.520107.909107.880overige materiële uitgaven20.75824.22621.51821.88221.86921.92321.923ICT17.00033.43631.31928.47325.03327.55727.557bijdrage aan SSO's68.04067.83065.69360.01658.61858.42958.400Ontvangsten106.689104.098105.698105.698105.578105.578105.578B. Toelichting op de financiële instrumentenPersonele en materiële uitgavenIn het verloop van de uitgaven voor eigen personeel is de invulling van de apparaatstaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord zichtbaar.SZW heeft de invulling van de taakstelling gesplitst in 2025 en 2026 en verder. De apparaatstaakstelling voor 2025 vullen we grotendeels in met reserves op het terrein van apparaat. Voor een beperkt bedrag wordt een besparing op zaken zoals de overige personeelskosten (bloemetjes en borrels) en de catering ingeboekt. Ten slotte is er een bijdrage van het apparaatsbudget van de Nederlandse Arbeidsinspectie.Voor 2026 en volgende jaren gaat het om inhoudelijke afwegingen. De taakstelling voor het kerndepartement SZW bouwt op tot € 39 miljoen in 2029 en structureel.Daarnaast is afgesproken dat de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en de ZBO's (zie artikel 11) een bijdrage leveren aan de taakstelling. Deze bijdrage bedraagt 0,5% per jaar waarmee het CPB rekent, oplopend naar 2% in 2029 en structureel. Voor de NLA gaat het om € 4 miljoen in 2029 en structureel.Overige personele uitgavenOm aan te sluiten bij de rijksbrede definitie zullen de uitgaven voor tolken en landsadvocaat onder overige personele uitgaven worden meegenomen in plaats van eigen personeel.170Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 OntvangstenDe ontvangsten hebben voor het grootste deel betrekking op de facturering door de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) van schoonmaakkosten aan de afnemers. Daarnaast zijn er ontvangsten ten behoeve van werkzaamheden van de directie Uitvoering Van Beleid voor de uitvoering van subsidieregelingen.RijksschoonmaakorganisatieDe RSO is in 2016 gestart met het uitvoeren van de schoonmaakactiviteiten. Vanaf 2021 zijn alle beoogde departementen aangesloten. De schoonmakers zijn in dienst van het Rijk en zijn per 2022 ondergebracht in de cao Rijk.De ontvangsten van de RSO zijn gebaseerd op de meerjarige dienstverleningsafspraken met opdrachtgevers. Met ingang van 2022 wordt de vergoeding voor locatie- en contractmanagement alsook glasbewassing via facturering verrekend.Tabel 125 geeft een splitsing van de totale apparaatsbedragen in RSO en kerndepartement exclusief RSO.Tabel 125 Apparaatsuitgaven en -ontvangsten kerndepartement (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Kerndepartement exclusief RSOUitgaven520.027548.920535.027507.980488.409483.522484.119Ontvangsten7.7503.9165.5165.5165.3965.3965.396RijksschoonmaakorganisatieUitgaven96.88899.687100.887100.287100.287100.287100.287Ontvangsten98.939100.182100.182100.182100.182100.182100.182Naar aanleiding van een toezegging in het wetgevingsoverleg over het jaarverslag 2018 is een indicator opgenomen met betrekking tot de medewerkerstevredenheid van de schoonmakers in dienst van de RSO. Het volgende onderzoek staat gepland voor 2027.Tabel 126 Medewerkerstevredenheid RSORealisatie 2019Realisatie 2021Realisatie 2024Tevredenheid medewerkers RSO8,69,08,9C. Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kostenTabel 127 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief zbo's/rwt's (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Totaal apparaatsuitgaven ministerie616.915648.607635.914608.267588.696583.809584.406Totaal apparaatskosten ZBO’s/RWT’s12.954.6763.195.8943.412.7053.530.3903.567.3643.679.4933.804.899UWV (inclusief BKWI)2.553.9482.768.1062.970.6333.096.7113.124.9763.229.3093.341.801SVB381.971408.883422.012414.325424.078431.874444.288BIDN18.75718.90520.06019.35418.31018.31018.8101Dit betreft apparaatskosten samenhangend met zowel begrotingsgefinancierde als premiegefinancierde artikelen binnen de SZW-begroting. De ontvangsten zijn in mindering gebracht op de uitgaven.171Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het departement vanaf het begrotingsjaar onderverdeeld naar de verschillende organisatieonderdelen. De uitgaven voor de SSO's (onder andere huisvesting en ICT van het gehele departement) vallen onder de plaatsvervangend SG (pSG).Tabel 128 Apparaatsuitgaven kerndepartement 2026 ‒ 2030 naar organisatieonderdeel (bedragen x € 1.000)20262027202820292030SG50.60045.13743.91742.29343.461pSG152.063141.847137.424136.419135.710RSO100.887100.287100.287100.287100.287SZI55.09152.85450.44048.82848.828Werk49.49043.86836.68834.52934.380NLA216.476214.164213.171214.684214.684WaU11.30710.1106.7696.7697.056Totaal635.914608.267588.696583.809584.406172Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 6.2 Artikel 99 Nog onverdeeldA. Budgettaire gevolgenTabel 129 Budgettaire gevolgen artikel 99 Nog onverdeeld (bedragen x € 1.000)2024202520262027202820292030Art.Verplichtingen09.769168.026221.548362.250326.019325.429Uitgaven09.769168.026221.548362.250326.019325.42999.0Nog onverdeeld09.769168.026221.548362.250326.019325.429Nog te verdelen09.769168.026221.548362.250326.019325.429waarvan apparaat06197.27010.1351.7621.3521.352waarvan programma09.150160.756211.413360.488324.667324.077Ontvangsten0000000B. Toelichting op de financiële instrumentenOp dit artikel staan diverse nog niet verdeelde reserveringen. De grondslag van dit artikel ligt in de Comptabiliteitswet, waarin de mogelijkheid bestaat een artikel voor onvoorziene uitgaven op te nemen. Op dit artikel staan middelen gereserveerd die op een later moment nog uitgedeeld moeten worden als de precieze invulling en voorwaarden bekend zijn. Dit betreft onder andere middelen om de financiering van sociaal ontwikkelbedrijven te verbeteren, voor de opvolging van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten en voor handhaving sociale zekerheid. Daarnaast staan er reserveringen tot en met 2028 voor het maatregelenpakket van het IBO-schulden en om netto in plaats van bruto terugvorderen mogelijk te maken. Verder staan er nog middelen gereserveerd voor het wetsvoorstel Stroomlijning Keten Derdenbeslag en de uitvoering van het opheffen van het handhavingsmoratorium door de Belastingdienst.173Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 7. Departementspecifieke informatie7.1 Sociale fondsen SZWDeze paragraaf beschrijft de financiering van de premie-uitgaven onder de uitgaven Sociale Zekerheid. Onderdeel daarvan zijn de door de Minister van SZW vast te stellen premiepercentages voor de volks- en werknemersverzekeringen. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de exploitatiesaldi en vermogensposities van de sociale fondsen van UWV en SVB.7.1.1 Premiepercentages 2026PremievaststellingDe voorgenomen premiepercentages voor 2026 zijn opgenomen in tabel 130. Deze premiestelling heeft het kabinet beoordeeld binnen het inkomstenkader voor huishoudens en bedrijven en de koopkrachtontwikkeling. De besluitvorming over de inkomsten wordt toegelichting in de Miljoenennota.Algemene Ouderdomswet (AOW-premie)Het premiepercentage voor de Algemene ouderdomswet (AOW) wordt net als dit jaar vastgesteld op 17,9 procent. Bij het Ouderdomsfonds zijn de premieopbrengsten niet voldoende om de uitgaven te dekken. De inkomsten van het Ouderdomsfonds worden daarom aangevuld door middel van rijksbijdragen (zie ook artikel 12). De AOW-premie wordt gecombineerd geheven met de loon- en inkomstenbelasting. Uit het Ouderdomsfonds worden de uitgaven op grond van de AOW betaald.Algemene Nabestaandenwet (Anw-premie)Het premiepercentage voor de Algemene Nabestaandenwet (Anw) wordt net als dit jaar vastgesteld op 0,1 procent.Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf-premie)Het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) financiert de WW-uitkeringen van marktwerkgevers. Als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) zijn er sinds 2020 twee premietarieven binnen het AWf: een laag tarief voor vaste dienstverbanden en een hoog tarief voor flexibele dienstverbanden. Het lage tarief wordt in 2026 gelijk gehouden op 2,74 procent en het hoge tarief op 7,74 procent.Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo-premie)Uit het uitvoeringsfonds voor de overheid worden de uitvoeringskosten van de WW voor (voormalige) overheidswerkgevers betaald. De WW-uitkeringen zelf worden bij de (voormalige) werkgever in rekening gebracht. Wel betaalt het Ufo een eventuele ziektewetuitkering als de WW-gerechtigde ziek wordt. De Ufo-premie wordt voor 2026 gelijk gehouden op 0,68 procent.Uniforme opslag kinderopvangDe premieopslag kinderopvang voor 2026 blijft met 0,5 procent ongewijzigd. De premieopslag kinderopvang wordt door werkgevers betaald door middel van een opslag op de Aof-premie.Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof-premie)Vanaf 2022 kent de Aof-premie twee verschillende tarieven: een tarief voor kleine werkgevers (tot 25 maal de gemiddelde premieplichtige loonsom) en een tarief voor grotere werkgevers. In 2026 betalen kleine werkgevers een premie van 6,26 procent en grote werkgevers een premie van 7,61 procent. 174Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De Aof-tarieven dalen licht in 2026. Dat komt vooral doordat de hogere Whk-premie binnen de regels van het inkomstenkader is gecompenseerd door de Aof-premie lager vast te stellen. Daar staat tegenover dat de Aof-premie wordt verhoogd als dekking voor de liquidatieverliesregeling.Werkhervattingskas (Whk-premie)De gemiddelde premie voor de Werkhervattingskas (Whk), waaruit de uitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) en uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) worden betaald, is door UWV voor 2026 vastgesteld op 1,52 procent. Dat is een stijging van 0,19 procentpunt ten opzichte van 2025. Deze stijging komt voornamelijk door een toename in de geraamde uitkeringslasten van de WGA en de ZW.Tabel 130 Premiepercentages sociale verzekeringen (%)PremieFondsUitgavenBetaald door20252026AOWOuderdomsfondsAOWWerknemer17,9017,90AnwNabestaandenfondsAnwWerknemer0,100,10Awf-laagAlgemeen WerkloosheidsfondsWW, ZWWerkgever2,742,74Awf-hoogAlgemeen WerkloosheidsfondsWW, ZWWerkgever7,747,74UfoUitvoeringsfonds voor de overheidWW, ZWWerkgever0,680,68Aof-laagArbeidsongeschiktheidsfondsWGA, IVA, WAO, WAZ, WAZO, ZWWerkgever6,286,26Aof-hoogArbeidsongeschiktheidsfondsWGA, IVA, WAO, WAZ, WAZO, ZWWerkgever7,647,61AofUniforme opslag kinderopvangKinderopvangWerkgever0,500,50WhkWerkhervattingskas (rekenpremie)WGA, ZWWerkgever1,331,527.1.2 Sociale fondsenExploitatiesaldiDe premiegefinancierde uitgaven worden uit de sociale fondsen betaald. Op basis van de eerdergenoemde premiepercentages voor 2025 en 2026, de verwachte ontwikkeling van de premiegrondslagen en de uitkeringslasten zijn de uitgaven en ontvangsten van de sociale fondsen geraamd in tabel 131 en 132. Hierbij is rekening gehouden met de bijdragen aan de fondsen vanuit het Rijk. Bij het Ouderdomsfonds bestaan de sociale lasten uit de betaling aan het Zorgverzekeringsfonds. Dit is een wettelijk geregelde bijdrage omdat Aow-gerechtigden het lage tarief van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw betalen. Vanuit het Ouderdomsfonds wordt het verschil tussen het hoge en lage tarief aan het Zorginstituut vergoed.In de onderstaande tabellen worden de arbeidsongeschiktheidsfondsen (het Aof en de Whk) en de werkloosheidsfondsen (AWf en Ufo) samen weergegeven.Het exploitatiesaldo van de fondsen is het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven. Dit saldo is zowel in 2025 als in 2026 positief, er zijn dus meer inkomsten dan uitgaven. In 2025 is het saldo voor alle fondsen samen naar verwachting bijna € 11 miljard positief en in 2026 bijna € 12 miljard positief. Dit positieve saldo wordt met name veroorzaakt door de WW-fondsen en de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Voor zowel de WW als de arbeidsongeschiktheidsfondsen geldt dat de premie-inkomsten hoger zijn dan de uitgaven die uit het fonds worden gedaan. Het exploitatiesaldo van de fondsen maakt onderdeel uit van het totale EMU-saldo van de overheid. 175Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tegenover het positieve EMU-saldo van de sociale fondsen staan negatieve EMU-saldi bij het Rijk en de decentrale overheid, waardoor er voor de collectieve sector als geheel sprake is van een begrotingstekort.Het exploitatiesaldo van het Anw-fonds is negatief doordat de rijksbijdrage op nul is vastgesteld. Hierdoor wordt het vermogensoverschot in het Anw-fonds langzaam teruggebracht.Het geraamde exploitatiesaldo van het Ouderdomsfonds is in 2025 negatief en in 2026 licht positief. Hiermee wordt naar verwachting het positieve vermogen van € 0,4 miljard dat het fonds eind 2024 had weer teruggebracht naar nul.Tabel 131 Overzicht sociale verzekeringen 2025 (bedragen x € 1 mln)AOWAnwAOWWTotaalPremies26.60117929.59011.39767.768Bijdragen van het Rijk28.857011210929.078Saldo Interest9288866371.083Totaal Ontvangsten55.55026730.56811.54397.929Uitkeringen/ Verstrekkingen55.28234819.2714.51879.419Sociale lasten689193.6427045.054Uitvoeringskosten214121.3818792.485Totaal Uitgaven56.18438024.2946.10186.958Exploitatiesaldo‒ 634‒ 1136.2745.44310.970Bron: SZW en CPB (MEV 2026).Tabel 132 Overzicht sociale verzekeringen 2026 (bedragen x € 1 mln)AOWAnwAOWWTotaalPremies27.14418131.45912.02270.806Bijdragen van het Rijk32.333‒11411132.558Saldo Interest9288873421.095Totaal Ontvangsten59.56826932.44612.175104.458Uitkeringen/ Verstrekkingen58.43134920.6584.97484.412Sociale lasten727183.8407765.361Uitvoeringskosten218121.5089722.710Totaal Uitgaven59.37637926.0066.72292.483Exploitatiesaldo193‒ 1116.4405.45311.976Bron: SZW en CPB (MEV 2026).VermogenspositiesIn tabel 133 wordt voor de jaren 2025 en 2026 de vermogenspositie van de verschillende fondsen weergegeven. De sociale fondsen zijn verplicht om hun liquide middelen in de schatkist aan te houden, of indien nodig, te lenen bij de schatkist. De huidige positieve fondsvermogens zorgen voor een lagere EMU-schuld.Voor de sociale fondsen samen stijgt het vermogensoverschot in 2026 naar ongeveer € 63 miljard. Deze vermogensoverschotten zijn de optelsom van alle de positieve en negatieve exploitatiesaldo's uit het verleden. Bij de arbeidsongeschiktheidsfondsen is sinds 2015 sprake van (forse) positieve exploitatiesaldo's. Bij de werkloosheidsfondsen is dat vanaf 2017 het geval. Deze positieve exploitatiesaldo's komen deels doordat de premietarieven 176Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 van de arbeidsongeschiktheidspremies zijn gestegen. Die stijging van de premietarieven komt voor een groot deel doordat binnen de afspraken in de begrotingsregels over het inkomstenkader de Aof-premie is verhoogd om meevallers bij de zorgpremies te compenseren. Los van de tariefverhogingen worden de positieve exploitatiesaldi ook veroorzaakt doordat de arbeidsdeelname is toegenomen en de lonen zijn gestegen. Hierdoor wordt over een groter bedrag aan loon premies afgedragen. De stijging van de uitkeringslasten is daar de afgelopen jaren bij achter gebleven. De extra verhoging van het minimumloon in 2023 zorgde ook voor dezelfde extra verhoging van het maximumpremieloon, omdat deze aan het minimumloon gekoppeld is. Ook hierdoor nemen de premie-inkomsten toe.Tabel 133 Vermogenspositie sociale fondsen (bedragen x € 1 mln)ultimo 2025ultimo 2026Feitelijk vermogenNormvermogenVermogens-overschotFeitelijk vermogenNormvermogenVermogens-overschotOuderdomsfonds1.8361.4074281.5011.501‒ 0Anw-fonds2.469342.4352.382352.347Arbeidsongeschiktheidsfondsen40.29296439.32846.6511.02745.624WW-fondsen11.6051.8809.72516.5961.88014.716Totaal sociale fondsen56.2024.28551.91667.1304.44362.687Bron: CPB (MEV 2026).177Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 7.2 Koopkracht en specifieke inkomensaspecten7.2.1 Inleiding en leeswijzerDit hoofdstuk beschrijft hoe de koopkracht zich naar verwachting ontwikkelt in 2026 en welke beleidsmatige veranderingen de koopkracht beïnvloeden.Het koopkrachtbeeld voor 2026 is positief en evenwichtig. De meeste mensen gaan erop vooruit en de armoede daalt. Dit komt vooral doordat de lonen naar verwachting sterker stijgen dan de prijzen (inflatie), waarmee er sprake is van reële loongroei. De koopkrachtontwikkeling van werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden is in balans. Beleidsmatige aanpassingen spelen een beperkte rol. Een evenwichtig koopkrachtbeeld dat vooral wordt bepaald door niet-beleidsmatige ontwikkelingen is gepast vanwege de demissionaire status van het kabinet.LeeswijzerParagraaf 7.2.2 geeft een korte toelichting op het concept koopkracht en de koopkrachtramingen van SZW. Paragrafen 7.2.3 en 7.2.4 gaan in op de belangrijkste beleidsmatige en niet-beleidsmatige ontwikkelingen die relevant zijn voor de koopkrachtontwikkeling in 2026. Paragrafen 7.2.5 en 7.2.6 beschrijven het verwachte koopkrachtbeeld voor 2026 en de verwachte ontwikkeling van de armoedecijfers. Paragraaf 7.2.7 gaat in op de financiële prikkels als mensen vanuit de bijstand gaan werken, of als mensen meer uren gaan werken. Paragraaf 7.2.8 gaat in op een aantal moties waarmee het kabinet rekening heeft gehouden bij de besluitvorming en die hiermee zijn afgedaan. Paragraaf 7.2.9 geeft een overzicht van de afzonderlijke beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2026. Paragraaf 7.2.10 gaat tot slot in op de belangrijkste maatregelen voor Caribisch Nederland.7.2.2 Koopkracht en de koopkrachtramingen van SZWKoopkracht gaat over het inkomen dat huishoudens overhouden na het betalen van belastingen en premies en na het ontvangen van toeslagen. Dit wordt ook wel het besteedbaar inkomen genoemd. Koopkrachtcijfers tonen doorgaans de ontwikkeling van het besteedbaar inkomen in een bepaald jaar ten opzichte van het voorgaande jaar. Daarbij wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van lonen, uitkeringen en pensioenen, de effecten van beleid en de ontwikkeling van prijzen (inflatie). Als de koopkrachtontwikkeling gelijk is aan 0, zijn huishoudens in staat om het bestedingspatroon van het voorgaande jaar te handhaven. Bij een positieve koopkrachtontwikkeling kunnen huishoudens juist meer uitgeven.Het Ministerie van SZW maakt – net als het Centraal Planbureau – ramingen van de koopkracht. Deze koopkrachtramingen zijn niet bedoeld om de veranderingen in de portemonnee van individuele huishoudens te voorspellen, maar bedoeld om inzicht te geven in de effecten van (voorgenomen) beleid. De ramingen zijn gebaseerd op de aanname dat er niets verandert in de persoonlijke omstandigheden van huishoudens. Dit wordt ook wel statische koopkracht genoemd. In de praktijk kunnen levensgebeurtenissen sterk bepalend zijn voor de koopkrachtontwikkeling van individuele huishoudens, vaak bepalender dan overheidsbeleid. Denk hierbij aan verhuizen, samen gaan wonen of uit elkaar gaan, het krijgen van kinderen, of het vinden of verliezen van een baan. Het is echter onmogelijk om deze ontwikkelingen vooraf goed in te schatten, en bovendien verschillen 178Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ze sterk tussen huishoudens. Daarom worden ze niet meegenomen in koopkrachtramingen. Als gevolg daarvan bieden de ramingen vooral inzicht in de verdelingseffecten van overheidsbeleid.De koopkrachtramingen van SZW worden gemaakt met behulp van een microsimulatiemodel. Dit model werkt met een representatieve steekproef van ongeveer 100.000 huishoudens. Samen geven zij een betrouwbaar beeld van alle huishoudens in Nederland. In de berekeningen worden alle verschillende componenten van het inkomen meegenomen, namelijk inkomen uit arbeid, inkomen uit onderneming, uitkeringen, toeslagen, pensioen, inkomen uit vermogen en eigen woning, aanmerkelijk belang en eventueel ontvangen alimentatie.177.2.3 Belangrijkste niet-beleidsmatige ontwikkelingen voor de koopkrachtDeze paragraaf geeft een overzicht van de belangrijkste niet-beleidsmatige ontwikkelingen die invloed hebben op de geraamde koopkrachtontwikkeling voor 2026. Het gaat hier om verwachte ontwikkelingen, omdat voor de meeste factoren pas achteraf definitief kan worden vastgesteld hoe ze zich hebben ontwikkeld.De belangrijkste verwachte ontwikkelingen zijn:–De gemiddelde cao-loonstijging in de marktsector van 4,2%.–De stijging van het minimumloon met 4,5%. Door de koppeling werkt dit ook door naar de uitkeringen.–De stijging van de consumentenprijzen (inflatie, cpi) met 2,3%.–De indexatie van de parameters in het belastingstelsel (zoals schijfgrenzen en de hoogte van heffingskortingen) met 1,53% en in de toeslagen met 2,9%.18–De gemiddelde indexatie van de aanvullende pensioenen met 4,0%.–De stijging van de gemiddelde nominale zorgpremie van € 1.876 naar € 1.908.197.2.4 Belangrijkste beleidsmatige ontwikkelingen voor de koopkrachtDeze paragraaf geeft een overzicht van de belangrijkste beleidsmatige ontwikkelingen die invloed hebben op de geraamde koopkrachtontwikkeling voor 2026. De opsomming in deze paragraaf beperkt zich tot nieuwe maatregelen die nog niet eerder zijn aangekondigd en de belangrijkste maatregelen die eerder door dit kabinet zijn genomen.Maatregelen die volgen uit de koopkrachtbesluitvorming 2026:–Verhoging van de arbeidskorting met maximaal € 27.–Verhoging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting met 0,05%-punt.17 Het model berekent vervolgens het netto-inkomen (het bruto-inkomen minus sociale premies en belastingen, rekening houdend met de specifieke aftrekposten van het huishouden). Het besteedbaar inkomen wordt berekend door het netto-inkomen te verrekenen met de zorgkosten, eventuele toeslagen, kinderbijslag en de netto-kosten van kinderopvang. Ten slotte kan de procentuele verandering van het besteedbaar inkomen tussen jaar t en t+1 worden berekend, gecorrigeerd voor inflatie. Dat is de koopkrachtmutatie die wordt gerapporteerd.18 Normaliter worden de parameters in het belastingstelsel en de toeslagen beide aan de hand van de tabelcorrectiefactor (tcf) geïndexeerd. Voor 2026 wordt de tabelcorrectiefactor in het belastingstelsel echter niet volledig toegepast, maar gedeeltelijk. Zie voor een toelichting hierop paragrafen 7.2.4 en 7.2.9.19 Koopkrachtramingen van SZW zijn gebaseerd op de nominale zorgpremie van het Ministerie van VWS. Deze raming voor 2026 valt naar verwachting € 8 hoger uit dan de raming van het CPB. Een onderbouwing van de raming van het Ministerie van VWS is opgenomen in de VWS-begroting.179Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 De belangrijkste maatregelen van dit kabinet die eerder besloten zijn:–Aanpassing van de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting (lastenverlichting).–Beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor in het belastingstelsel (lastenverzwaring).–Aanpassing van de bedragen in het kindgebonden budget in combinatie met een steilere afbouw van het kindgebonden budget.–Verhoging van de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag.–Vereenvoudiging en verhoging van de huurtoeslag.–Bevriezing van de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in de bijstand in de jaren 2025-2027. Als gevolg hiervan daalt de bijstand niet in deze jaren.Paragraaf 7.2.9 gaat uitgebreider in op alle afzonderlijke koopkrachtrelevante maatregelen.7.2.5 Algemeen koopkrachtbeeldDeze paragraaf geeft een toelichting op het verwachte koopkrachtbeeld voor 2026. Dit gebeurt aan de hand van de boxplot (figuur 8) en een tabel met de koopkrachtontwikkeling voor een aantal voorbeeldhuishoudens (tabel 134).De boxplot toont de koopkrachtontwikkeling voor alle huishoudens, en voor verschillende huishoudgroepen afzonderlijk. In de boxplot zijn vier uitsplitsingen gemaakt op basis van verschillende kenmerken: inkomen (in vijf groepen van 20%), inkomensbron (werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden), huishoudsamenstelling (tweeverdieners, alleenstaanden en alleenverdieners) en de aanwezigheid van kinderen (huishoudens met en zonder kinderen).De boxplot laat steeds voor elke groep de mediane koopkrachtontwikkeling zien, ofwel de koopkrachtontwikkeling van het middelste huishouden. Dat betekent dat de helft van de huishoudens een hogere koopkrachtontwikkeling heeft dan de mediaan, en de helft van de huishoudens een lagere koopkrachtontwikkeling. In 2026 komt de mediane koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens uit op +1,3%. Dat betekent dus dat de helft van de huishoudens er meer dan 1,3% op vooruitgaat. Het koopkrachtbeeld voor 2026 wordt vooral beïnvloed door niet-beleidsmatige factoren, zoals de ontwikkeling van de lonen (en daaraan gekoppeld de ontwikkeling van het minimumloon en de uitkeringen), prijzen, en de indexatie van pensioenen.Uit de boxplot blijkt dat de mediane koopkrachtontwikkeling van werkenden (+1,2%), uitkeringsgerechtigden (+1,3%) en gepensioneerden (+1,5%) dicht bij elkaar ligt. En ook de verschillen tussen andere groepen (zoals alleenverdieners versus tweeverdieners, of huishoudens met en zonder kinderen) zijn beperkt. Daarmee ziet het koopkrachtbeeld er evenwichtig uit.De boxplot geeft ook de spreiding van de koopkrachtontwikkeling binnen de verschillende groepen. Hiervoor toont de figuur het 25e en 75e percentiel. Dat zijn de waarden die horen bij de uiteinden van de blauwe balkjes. Het 25e percentiel betekent dat een kwart van de huishoudens een lagere koopkrachtontwikkeling heeft dan de bijbehorende waarde, en driekwart van de huishoudens een hogere koopkrachtontwikkeling. In 2026 komen het 25e en 75e percentiel uit op +0,9% en +1,6%. Dat betekent dat de koopkrachtontwikkeling bij de helft van alle huishoudens tussen +0,9% en +1,6% ligt. Tot slot toont de boxplot het 5e en 95e percentiel. Dat zijn de uiteinden van de horizontale lijntjes. De waarden die horen bij deze uiteinden geven aan 180Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 tussen welke waarden de koopkracht van 90 procent van de huishoudens zich ontwikkelt. Deze waarden staan symbool voor de hoogste en laagste koopkrachtontwikkeling in dat jaar. De boxplot laat zien dat de koopkracht van 90 procent van de huishoudens in 2026 naar verwachting tussen ‒ 0,2% en +2,0% ligt.Figuur 8 Boxplot verwachte koopkrachtontwikkeling 2026De boxplot geeft goed inzicht in de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen in de samenleving en de spreiding binnen die groepen, maar is moeilijk te relateren aan concrete huishoudtypen. Daarom toont tabel 134 de koopkrachtontwikkeling van een aantal voorbeeldhuishoudens. Dit zijn versimpelde voorbeelden van herkenbare huishoudtypen, zoals 181Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 minimumloonverdieners, huishoudens met bijstand, alleenstaande ouders of AOW’ers zonder aanvullend pensioen. Hoewel er in de praktijk weinig huishoudens zijn die exact overeenkomen met de gehanteerde aannames achter de getoonde voorbeeldhuishoudens, zijn de voorbeelden wel representatief voor een groep soortgelijke huishoudens.20In het kader van representativiteit zijn de berekeningen voor de koopkrachtontwikkeling van voorbeeldhuishoudens in principe gebaseerd op generieke (inkomens)regelingen, waarop alle vergelijkbare huishoudens aanspraak kunnen maken. Denk daarbij aan de belastingtarieven en heffingskortingen in de inkomstenbelasting, en regelingen zoals de zorgtoeslag, kinderbijslag of het kindgebonden budget.21 Regelingen waarvan niet duidelijk is of vergelijkbare huishoudens er aanspraak op kunnen maken (of in welke mate), zijn niet meegenomen. Denk daarbij aan de kinderopvangtoeslag (niet alle huishoudens met kinderen maken gebruik van kinderopvang, en voor zover ze dat wel doen niet in dezelfde mate), de hypotheekrenteaftrek (niet alle huishoudens hebben een koopwoning, en voor zover ze dat wel hebben verschilt de rente die kan worden opgevoerd als aftrekpost) of de huurtoeslag (niet alle huishoudens hebben een huurwoning, en voor zover ze die wel hebben verschilt de huurhoogte).2220 De SZW-begroting voor 2024 bevat een uitgebreide toelichting op de representativiteit van de voorbeeldhuishoudens (zie paragraaf 7.2.7 van de SZW-begroting 2024).21 Voor huishoudens met kinderen zijn de berekeningen gebaseerd op de aanwezigheid van twee kinderen tussen 6 en 11 jaar oud.22 In 2026 worden de vergoedingspercentages voor de kinderopvangtoeslag verhoogd, en daarnaast wordt er ook geïntensiveerd in de huurtoeslag (zie ook paragraaf 7.2.9). Doordat de huurtoeslag en de kinderopvangtoeslag buiten beschouwing blijven bij de berekening van de koopkrachtontwikkeling van voorbeeldhuishoudens, kan de koopkrachtontwikkeling van vergelijkbare huishoudtypen in de praktijk hoger uitvallen. De intensiveringen van de kinderopvangtoeslag en de huurtoeslag zijn overigens wel meegenomen in de berekeningen voor koopkrachtontwikkeling zoals getoond in de boxplot.182Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 134 Verwachte koopkrachtontwikkeling voorbeeldhuishoudens 2026WerkendenAlleenverdiener met kinderenmodaal1,1%2 x modaal1,0%Tweeverdienersmodaal + ½ x modaal met kinderen1,3%2 x modaal + ½ x modaal met kinderen1,6%2½ x modaal + modaal met kinderen1,5%modaal + modaal zonder kinderen1,6%2 x modaal + modaal zonder kinderen1,6%Alleenstaandeminimumloon1,3%modaal1,6%2 x modaal1,5%Alleenstaande ouderminimumloon1,3%modaal0,9%Niet-werkendenSociale minimapaar met kinderen1,3%alleenstaande1,6%alleenstaande ouder0,9%AOW (alleenstaand)(alleen) AOW1,5%AOW +100001,7%AOW (paar)(alleen) AOW1,6%AOW +100001,7%AOW +300001,7%7.2.6 ArmoedeDeze paragraaf geeft een toelichting op de verwachte ontwikkeling van de (kinder)armoedecijfers in 2026. Het kabinet streeft ernaar om de (kinder)armoede niet op te laten lopen ten opzichte van het referentiejaar 2024. Tabel 135 toont de verwachte ontwikkeling van de (kinder)armoedecijfers in 2024, 2025 en 2026 volgens de armoededefinitie van CBS, Nibud en SCP. De tabel laat zien dat het streefcijfer van het kabinet naar verwachting wordt behaald.Tabel 135 Verwachte ontwikkeling (kinder)armoedecijfers2024 (streefcijfer)20252026Aandeel personen in armoede3,4%2,9%2,6%Aandeel kinderen in armoede3,2%2,9%2,6%183Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 7.2.7 Financiële prikkels bij werkaanvaarding of meer uren werkenNaast een evenwichtig inkomensbeeld en het voorkomen van oplopende armoede streeft het kabinet een activerend arbeidsmarktbeleid na. Dat houdt onder andere in dat mensen erop vooruitgaan als zij gaan werken, of als zij meer uren gaan werken. Deze paragraaf belicht vanuit verschillende invalshoeken in welke mate het loont om (meer uren) te gaan werken. Daarbij wordt ook een vergelijking gemaakt tussen 2025 en 2026.Tabellen 136 en 137 geven voor verschillende huishoudsituaties inzicht in de prikkels om (meer uren) te gaan werken vanuit vier verschillende invalshoeken.23De werkloosheidsval (tabel 136) laat de inkomensvooruitgang zien bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. Het uitgangspunt is daarbij steeds dat mensen een baan vinden op minimumloonniveau. Een hoger percentage in de tabel betekent dat de stap van uitkering naar werk financieel aantrekkelijker is. Tabel 136 laat zien dat de stap van uitkering naar werk voor alleenstaanden zonder kinderen relatief aantrekkelijk is, en dat alleenverdieners met kinderen en alleenstaande ouders minder overhouden als zij gaan werken. De belangrijkste verklaring voor deze beperkte inkomensvooruitgang bij alleenverdieners is dat het brutoloon maar beperkt hoger is dan de netto-bijstand dat op dit huishoudtype van toepassing is. Bij een alleenstaande ouder spelen daarnaast ook de netto-kosten van kinderopvang een rol. De laatste kolom van de tabel laat zien dat de verschillen tussen 2025 en 2026 qua inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding zeer beperkt zijn.Tabel 136 Werkloosheidsval1WerkloosheidsvalInkomensvooruitgang bij aanvaarden werk op minimumloonniveau vanuit een bijstandsuitkering20252026VerschilAlleenverdiener met kinderen5%5%Geen verschilAlleenstaande37%37%Geen verschilAlleenstaande ouder (gaat werken in deeltijd (0,8 fte))9%10%+ 1%-punt1De inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding door alleenstaande ouders in 2025 valt in bovenstaande tabel lager uit dan het percentage dat vorig jaar in de begroting werd gerapporteerd voor 2025. Dat komt voornamelijk door een methodologische wijziging in de berekening van de kosten van kinderopvang, die is doorgevoerd om beter aan te sluiten bij wat mensen in de praktijk ervaren.De doorgroeival brengt de marginale druk in beeld wanneer er een loonsverhoging of promotie plaatsvindt. Het uitgangspunt in deze paragraaf is daarbij steeds dat mensen van 100% wml naar 150% wml doorgroeien. Tabel 137 (eerste set voorbeelden) laat de cijfers van de marginale druk zien. Een hoger percentage betekent dat mensen minder overhouden van extra verdiend inkomen. De tabel laat zien dat de marginale druk bij een hogere beloning van werk voor alleenstaande ouders relatief laag is (30%), maar aanzienlijk hoger is voor de andere huishoudtypen. De belangrijkste verklaringen hiervoor zijn de inkomstenbelasting en het afbouwen van toeslagen 23 In deze tabellen is – overal waar dat van toepassing zou kunnen zijn – rekening gehouden met de afbouw van de huurtoeslag, de kosten van kinderopvang, en het verlies aan ondersteuning via gemeentelijke regelingen of kwijtschelding van lokale lasten. In de praktijk zullen niet alle mensen hiermee te maken hebben. Als gevolg daarvan kan de inkomensvooruitgang bij het aanvaarden van werk in de praktijk hoger uitvallen dan in tabel 136, en kan de marginale druk bij een hoger inkomen of meer uren werk in de praktijk lager uitvallen dan in tabel 137.184Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 bij een hoger inkomen.24 De laatste kolom in tabel 137 laat zien dat de marginale druk bij een hogere beloning van werk voor een alleenverdiener en een alleenstaande in 2026 min of meer gelijk is als in 2025. Voor een alleenstaande ouder is de marginale druk toegenomen. Dit komt vooral door de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor en de introductie van een lineair afbouwpad in de huurtoeslag dat voor huishoudens in het begin van het afbouwpad iets steiler is dan het afbouwpad in 2025 (zie ook paragraaf 7.2.9).De herintredersval toont de marginale druk wanneer een niet-werkende partner met een werkende partner een baan vindt. Het uitgangspunt is daarbij steeds dat de niet-werkende partner een baan vindt met een deeltijdfactor van 0,6 fte. De deeltijdval toont de marginale druk wanneer een deeltijdwerkende partner meer uren gaat werken. Het uitgangspunt is daarbij steeds dat de deeltijdwerkende partner doorgroeit van 0,6 naar 0,8 fte. Tabel 137 (tweede en derde set voorbeelden) laat de cijfers van de marginale druk zien. Een hoger percentage betekent dat mensen minder overhouden als ze (meer uren) gaan werken. De tabel laat zien dat het voor de getoonde huishoudtypen altijd loont om de stap naar werk te zetten of om meer uren te gaan werken. De tabel laat daarnaast zien dat de marginale druk in 2026 iets lager wordt ten opzichte van 2025. Dit komt vooral door de introductie van een lineair afbouwpad in de huurtoeslag (dat voor huishoudens verder in het afbouwpad iets minder steil is dan het afbouwpad in 2025) en de verhoging van de vergoedingspercentages binnen de kinderopvangtoeslag (zie ook paragraaf 7.2.9).24 Bovendien speelt ook mee dat het inkomen waarmee wordt gerekend bij een alleenstaande ouder lager is dan de twee andere huishoudtypen vanwege de aanname dat de alleenstaande in de uitgangssituatie in op minimumloonniveau in deeltijd werkt (0,8 fte), terwijl bij de twee andere huishoudtypen wordt aangenomen dat zij voltijds werken op minimumloonniveau. Als gevolg daarvan heeft een alleenstaande ouder bij doorgroeien meer baat bij de arbeidskorting (die nog sterk oploopt tot circa 90% minimumloonniveau) en bovendien heeft een alleenstaande ouder minder te maken met de afbouw van de zorg- en huurtoeslag, waarvan de afbouw begint vanaf circa 100-105% minimumloonniveau.185Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 137 Doorgroeival, herintredersval en deeltijdval1DoorgroeivalMarginale druk bij hogere beloning werk (150% wml i.p.v. 100% wml)20252026VerschilAlleenverdiener met kinderen77%76%‒ 1%-puntAlleenstaande70%70%Geen verschilAlleenstaande ouder (werkt in deeltijd (0,8 fte))27%30%+ 3%-puntHerintredersvalMarginale druk bij aanvaarden werk niet-werkende partner20252026VerschilPartner 1 verdient minimumloon47%46%‒ 1%-puntPartner 2 in deeltijd (0,6 fte) op minimumloonniveauPartner 1 verdient modaal29%29%Geen verschilPartner 2 in deeltijd (0,6 fte) en verdient 50% modaalPartner 1 verdient 200% modaal30%28%‒ 2%-puntPartner 2 in deeltijd (0,6 fte) en verdient 50% modaalDeeltijdval minstverdienende partnerMarginale druk bij meer uren werken20252026VerschilPartner 1 verdient minimumloon55%51%‒ 4%-puntPartner 2 gaat van 0,6 naar 0,8 fte op minimumloonniveauPartner 1 verdient modaal26%25%‒ 1%-puntPartner 2 gaat van 0,6 naar 0,8 fte en gaat van 50% naar 67% modaalPartner 1 verdient 200% modaal31%30%‒ 1%-puntPartner 2 gaat van 0,6 naar 0,8 fte en gaat van 50% naar 67% modaal1De marginale druk bij een inkomensvooruitgang valt in bovenstaande tabel voor de meeste huishoudtypen hoger uit dan de percentages die vorig jaar in de begroting werden gerapporteerd voor 2025. Dat komt voornamelijk door een methodologische wijziging in de berekening van de kosten van kinderopvang, die is doorgevoerd om beter aan te sluiten bij wat mensen in de praktijk ervaren.In aanvulling op de financiële prikkels bij (meer uren) werken voor specifieke huishoudtypen (tabellen 136 en 137) toont tabel 138 voor een aantal inkomensklassen de gemiddelde marginale druk van werkenden. Voor de berekening hiervan is gebruik gemaakt van de eerdergenoemde steekproef. De tabel toont voor vijf inkomensklassen de gemiddelde marginale druk van werknemers weergegeven bij een bruto-loonstijging van 3%. De marginale druk geeft ook hier aan hoeveel procent van de bruto-loonstijging niet resulteert in een hoger besteedbaar inkomen. Ten opzichte van 2025 stijgt de marginale druk licht (+0,7%-punt) voor werknemers met een inkomen lager dan het minimumloon. Dit komt onder meer door de beperking van de tabelcorrectiefactor en de (niet-beleidsmatige) indexatie van de arbeidskorting.25 Voor de overige inkomensgroepen zijn de veranderingen in gemiddelde marginale druk relatief beperkt (maximaal 0,3 %-punt). Beleidsmatige aanpassingen kunnen hierbij een rol spelen, maar samenstellingseffecten kunnen ook de geringe mutatie verklaren.2625 De arbeidskorting wordt geïndexeerd aan de hand van de tabelcorrectiefactor en de ontwikkeling van het minimumloon. Als het minimumloon harder stijgt dan de toegepaste tabelcorrectiefactor (zoals het geval is in 2026), dan leidt dat tot een minder steile opbouw van de arbeidskorting, waardoor de marginale druk voor werkenden stijgt.26 Samenstellingseffecten ontstaan doordat werknemers binnen een bepaalde inkomensgroep niet allemaal dezelfde marginale druk hebben. Als er dan (binnen een inkomensgroep) meer mensen komen met een bovengemiddelde marginale druk, en minder mensen met een ondergemiddelde marginale druk, dan stijgt de gemiddelde marginale druk zonder dat beleid hierin een rol speelt.186Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 138 Gemiddelde marginale druk bij verschillende inkomenscategorieënBruto-inkomen20252026Omvang inkomensgroep (2025, in %)<wml17,2%17,9%22%1-1,5x wml47,9%48,0%24%1,5-2x wml54,1%53,8%21%2-3x wml56,4%56,6%22%>3x wml58,1%57,9%11%Figuur 9 toont verhouding tussen de marginale druk en het bruto-inkomen.27 De dikgedrukte lijn in de figuur toont de gemiddelde marginale druk. De stippellijnen tonen het zogenoemde 5e en 95e percentiel van de marginale druk. Het 95e percentiel betekent dat 95 procent van de werkenden met dat inkomen een lagere marginale druk heeft, en dat 5 procent van de werkenden met dat inkomen een hogere marginale druk heeft. Het 5e en 95e percentiel vormen bij benadering de onder- en bovengrens (extremen) van de marginale druk. De belangrijkste verklaring voor het verloop van de marginale druk is de inkomstenbelasting. Daarnaast spelen ook de toeslagen met een inkomensafhankelijke afbouw een rol. Een hoger inkomen betekent immers afbouw van toeslagen. Figuur 9 laat zien dat de gemiddelde marginale druk relatief laag is bij inkomens tot circa € 25.000, en dan oploopt tot circa 50 à 60%. De figuur laat echter ook zien dat een deel van de werknemers met een inkomen tussen minimumloon en modaal een zeer hoge marginale druk heeft (meer dan 80%). Deze hoge marginale druk ontstaat vaak door een samenloop van inkomensafhankelijke afbouwtrajecten van toeslagen.Figuur 9 Gemiddelde en extreme marginale druk naar inkomensniveau 202627 Met figuur 9 wordt uitvoering gegeven aan de motie-Ester (Kamerstukken I 2017/18, 34 775, nr. O).187Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 In de paragraaf is tot nu toe met name aandacht besteed aan de marginale druk. De marginale druk geeft aan welk deel van extra verdiend inkomen opgaat aan belastingheffing, pensioenopbouw en de afbouw van toeslagen. Het vervolg van deze paragraaf gaat in op de gemiddelde druk. De gemiddelde druk laat zien welk deel van het totale bruto inkomen gemiddeld genomen opgaat aan belastingheffing en pensioenopbouw, rekening houdend met toeslagen. Over het algemeen geldt dat een hoge marginale druk samengaat met een lage gemiddelde druk en andersom.Figuur 10 toont de gemiddelde belastingdruk op huishoudniveau voor alleenstaanden, alleenverdieners en tweeverdieners in 2026.28 Sinds 2021 sluit de berekening van de gemiddelde druk aan bij het advies van de werkgroep Koopkracht om voor alle toeslagen en kinderbijslag zowel de toeslag als de bijbehorende kosten mee te nemen in de berekening.29,30 De bijbehorende kosten moeten immers gemaakt worden om voor de toeslag in aanmerking te komen. De gemiddelde belastingdruk zoals weergegeven in figuur 10 ligt in 2026 voor de meeste inkomens iets hoger dan in 2025. Tegenover lastenverlichting in de vorm van (iets) lagere schijftarieven, hogere arbeidskorting, de verhoging van het aanvangspunt toptarief en de verhoging van de huurtoeslag staat een lastenverzwaring in de vorm van een beleidsmatig beperkte doorwerking van de tabelcorrectiefactor en – voor hogere inkomens – een verlaging van het kindgebonden budget vanwege de steilere afbouw (zie ook paragraaf 7.2.9).28 Kamerstukken II 2017/18, 34 785, nr. 59.29 De werkgroep Koopkracht bestaat uit vertegenwoordigers van CPB, CBS, Nibud, de wetenschap en de ministeries van SZW en Financiën.30 Daarmee sluit de berekening van de gemiddelde druk aan bij de zogenaamde maatstaf bestedingsindex, die is geïntroduceerd door de Commissie Draagkracht. In deze invulling is de gemiddelde druk gelijk aan 1 minus de bestedingsindex. In het rapport van de Commissie Draagkracht is te lezen hoe de huren en kosten van kinderen daarin worden meegenomen en ook welke aanpassingen nodig zijn voor huishoudens met een koopwoning.188Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Figuur 10 Gemiddelde belastingdruk naar huishoudtype 20267.2.8 Moties en toezeggingenHet kabinet heeft bij de besluitvorming over het koopkrachtbeeld een aantal moties gewogen. In de eerste plaats de motie-Klaver c.s., die de regering onder andere verzoekt om bij het koopkrachtbeleid als uitgangspunt te nemen dat middeninkomens er meer op vooruitgaan dan de hoogste inkomens.31 In de tweede plaats de motie-Van Apeldoorn c.s., die de regering verzoekt om in de Miljoenennota voor 2026 gerichte maatregelen op te nemen met als doel de kinderarmoede in 2026 en de jaren daarna significant te verminderen, onder het niveau dat door het CPB in het Centraal Economisch Plan werd geraamd.32Het verwachte koopkrachtbeeld voor 2026 voldoet aan de motie-Klaver c.s. Figuur 8 laat zien dat het tweede en derde inkomenskwintiel er naar verwachting 1,4% op vooruitgaan, terwijl het vierde en vijfde inkomenskwintiel er 1,3% op vooruitgaan. Het kabinet heeft er niet voor gekozen om in de Miljoenennota voor 2026 nieuwe maatregelen voor te stellen om de kinderarmoedecijfers verder te laten dalen. Tabel 135 laat zien dat het aandeel kinderen in armoede naar verwachting daalt van 2,9% in 2025 naar 2,6% in 2026. Dat is een iets grotere daling dan in februari jongstleden door het CPB werd voorzien. Volgens het CPB is de verwachte daling onder andere toe te schrijven aan de verhoging van de huurtoeslag, de lagere inkomstenbelasting in box 1 en de maatregelen van dit kabinet rond het kindgebonden budget.33 Gelet op de demissionaire status van het kabinet, 31 Kamerstukken II 2024/25, 36 600, nr. 94.32 Kamerstukken I 2024/25, 36 725, G.33 CPB (2025): Concept-Macro Economische Verkenning 2026.189Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 de maatregelen die het kabinet al neemt om armoede terug te dringen en de bijzondere aandacht die het kabinet daarbij heeft voor kinderen in armoede (zie ook het Nationaal Programma Armoede en Schulden), en het ontbreken van dekking voor extra maatregelen, acht het kabinet het niet passend om nu extra geld uit te trekken voor een verdere verlaging van de kinderarmoedecijfers.Het kabinet zal in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor een extra knikpunt in de afbouw van het kindgebonden budget reageren op de motie-Flach/Van der Lee.34 Daarnaast zal de minister van VRO reageren op drie moties van de leden Ergin, Beckerman/De Hoop en El Abassi.35Naar aanleiding van het debat over de SZW-begroting voor 2025 heeft de Tweede Kamer de motie-Aartsen aangenomen, die de regering verzoekt om bij de berekening van de marginale druk van werkenden ook de kosten van kinderopvang mee te nemen.36 Eerder is reeds aangegeven dat het niet mogelijk is om de kosten van kinderopvang mee te nemen in alle (standaard)berekeningen over marginale druk, maar dat dit al wel deels gebeurt, en dat het kabinet ook kritisch zou kijken naar de mogelijkheden om de kosten van kinderopvang beter mee te nemen in berekeningen over marginale druk. In deze SZW-begroting is in tabellen 136 en 137 bij de berekeningen voor de werkloosheidsval bijvoorbeeld rekening gehouden met de kosten van kinderopvang als een alleenstaande ouder gaat werken, en bij de berekeningen voor de herintredersval en de deeltijdval is dat ook gedaan voor niet-werkende partners die gaan werken of minstverdienende partners die meer uren gaan werken. Daarnaast is een methodologische wijziging doorgevoerd in de berekeningswijze van de kosten van kinderopvang, waardoor de berekeningen beter aansluiten bij wat mensen in de praktijk ervaren. Ook in de toekomst zal het kabinet steeds kritisch kijken om waar mogelijk rekening te houden met de bijdrage van de kosten van kinderopvang in de marginale druk. Daarmee beschouwt het kabinet de motie-Aartsen als afgedaan.7.2.9 Overzicht van beleidsmaatregelen met inkomenseffecten in 2026Tabel 139 Overzicht beleidsmaatregelen met inkomenseffecten 2026ThemaBeleidsmaatregelInkomenseffectVerwerkt in boxplot1. Fiscaal generiekAanpassing schijftarieven inkomstenbelasting (lastenverlichting)+JaBeperkte indexering bovengrens eerste belastingschijf‒JaVerhoging aanvangspunt toptarief+JaVerlaging zelfstandigenaftrek‒JaBeperkte toepassing tabelcorrectiefactor‒JaVerhoging arbeidskorting op tweede en derde knikpunt+JaFiscale maatregelen met een effect op de inflatie‒Ja (via inflatie)2. Sociale zekerheidAanpassingen binnen het kindgebonden budget‒JaVerbetermaatregelen toeslagen+NeeVerhoging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslag+Ja3. ZorgBevriezing eigen risico in de zorgverzekering+/-JaVerhoging van het normpercentages binnen de zorgtoeslag en steilere afbouw‒Ja4. WonenVereenvoudiging en verhoging van de huurtoeslag+JaGeleidelijke afschaffing belastingaftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld‒Ja34 Kamerstukken II 2024/25, 36 725, nr. 23.35 Kamerstukken II 2024/25, 36 725, nr. 17; Kamerstukken II 2024/25, 36 725 XXII, nr. 12; Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 1366.36 Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XV, nr. 54.190Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 In aanvulling op bovenstaande is ook relevant dat aan het begin van de kabinetsperiode is besloten om de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in de bijstand te pauzeren voor de jaren 2025-2027. Deze afbouw van de dubbele AHK blijft gelijk aan 2024, waardoor de bijstand niet daalt.1. Fiscaal generiekAanpassing schijftarieven inkomstenbelasting (lastenverlichting)Het tarief van de eerste schijf (inkomen tot circa € 38.900) gaat met 0,12%-punt omlaag, van 35,82% naar 35,70%. Dit is een saldo van een verlaging met 0,17%-punt als gevolg van de afgesproken lastenverlichting uit het Hoofdlijnenakkoord en een verhoging van 0,05%-punt uit de koopkrachtbesluitvorming om de verhoging van de arbeidskorting budgettair neutraal te dekken. Het tarief in de tweede schijf (inkomen tussen circa € 38.900 en € 79.100) gaat met 0,08%-punt omhoog, van 37,48% naar 37,56%. Deze maatregelen hebben een mediaan inkomenseffect van +0,1% voor alle huishoudens.Beperkte indexering bovengrens eerste belastingschijfMet ingang van 2011 wordt de bovengrens van de (huidige) eerste schijf (circa € 38.900 in 2026) maar voor 75% geïndexeerd, zodat vergeleken met volledige indexatie de eerste schijf verkort wordt en de tweede schijf verlengd. Personen geboren in 1945 of eerder zijn van deze maatregel uitgezonderd. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van 0,0% voor de huishoudens met een effect.Verhoging aanvangspunt toptariefIn het Belastingplan 2019 is een stapsgewijze beleidsmatige verhoging opgenomen van het aanvangspunt van het toptarief tot en met het jaar 2031. In 2026 wordt het aanvangspunt van het toptarief met € 1.143 verhoogd. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van 0,0% voor alle huishoudens. Dit heeft ook een positief inkomenseffect op huishoudens met een inkomen onder het aanvangspunt van het toptarief omdat de afbouw van de algemene heffingskorting hieraan gekoppeld is. Bij een verhoging van het aanvangspunt van het toptarief verloopt de afbouw van de algemene heffingskorting minder steil.Verlaging zelfstandigenaftrekSinds 2020 wordt de zelfstandigenaftrek in stappen verlaagd. In 2026 wordt de zelfstandigenaftrek verlaagd met € 1.270 van € 2.470 naar € 1.200. De zelfstandigenaftrek wordt verder verlaagd tot € 900 in 2027. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,5% voor huishoudens met een effect.Beperkte toepassing tabelcorrectiefactorVoor 2026 komt de tabelcorrectiefactor (tcf) uit op 2,9%. In het voorjaar van 2025 is besloten om de tcf beperkt toe te passen in de inkomstenbelasting. Daar wordt de tcf maar voor 52,8% toegepast; de parameters in de inkomstenbelasting worden daarom met 1,53% geïndexeerd. In de toeslagen wordt wel de volledige tcf toegepast. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,3% voor de huishoudens met een effect.191Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Verhoging arbeidskorting op tweede en derde knikpuntIn de koopkrachtbesluitvorming is besloten om de arbeidskorting beleidsmatig met € 25 te verhogen op het tweede knikpunt en met € 27 op het derde knikpunt. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van +0,1% voor de huishoudens met een effect.Fiscale maatregelen met een effect op de inflatieEen aantal maatregelen van dit kabinet heeft effect op de prijzen die consumenten betalen. Zo wordt het verlaagde btw-tarief op logies afgeschaft. Hierdoor stijgen de prijzen. Daarnaast is afgelopen voorjaar besloten om het verlaagde btw-tarief op cultuur, media en sport te behouden. En tijdens de augustusbesluitvorming is besloten om de verlaging van de brandstofaccijnzen te verlengen met één jaar, tot 1 januari 2027.2. Sociale zekerheidAanpassingen binnen het kindgebonden budgetDit kabinet heeft besloten om de kindbedragen van het kindgebonden budget te verhogen. In 2023 werden zowel de kindbedragen als de alleenstaande ouderkop (ALO-kop) binnen het kindgebonden budget verhoogd, maar een groot deel daarvan was tijdelijk. In de periode 2024-2028 wordt deze tijdelijke verhoging weer afgebouwd, waaronder ook een deel per 2026. Per saldo resteert een beleidsmatige verlaging van de kindbedragen van ongeveer € 3 op jaarbasis en een beleidsmatige verlaging van de ALO-kop van ongeveer € 69 op jaarbasis. Daarnaast heeft dit kabinet besloten om de afbouw van het kindgebonden budget 0,5%-punt steiler te maken (van 7,1% naar 7,6%). Deze maatregelen hebben een mediaan inkomenseffect van ‒ 0,2% voor de huishoudens met een effect.Wetsvoorstel verbetermaatregelen toeslagenIn 2026 worden een aantal knelpunten binnen de toeslagen aangepakt. Er komt een uitzondering op het partnerbegrip voor gehuwden met een partner die noodgedwongen elders verblijft. Zij worden vanaf volgend jaar gelijkgesteld met een alleenstaande (ouder), met als gevolg dat mensen onder andere aanspraak kunnen krijgen op een verhoging van het kindgebonden budget met de alleenstaande ouderkop (ALO-kop). De aanvraagtermijn van huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget wordt verlengd. Daarnaast worden toeslagen niet langer met terugwerkende kracht aangepast bij bepaalde overheidsbesluiten, vinden er aanpassingen plaats in het boetebeleid en wordt de rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen afgeschaft. Inkomenseffecten zijn voor deze maatregelen niet te berekenen, maar deze maatregelen kunnen op individueel niveau een grote (positieve) impact hebben.Verhoging vergoedingspercentages kinderopvangtoeslagAls onderdeel van een ingroeipad naar een vergoeding van 96% van de kosten van kinderopvang (tot aan de maximumuurprijs) voor alle werkende ouders, worden in 2026 de vergoedingspercentages binnen de kinderopvangtoeslag verhoogd voor huishoudens met een verzamelinkomen hoger dan circa € 49.300. De maatregel heeft positieve inkomenseffecten voor huishoudens met een verzamelinkomen boven genoemde grens die gebruik maken van kinderopvang. De omvang van het positieve effect hangt af van het aantal uren kinderopvang dat ouders afnemen en de hoogte van het inkomen van ouders. Huishoudens met een inkomen lager dan circa € 49.300 ontvangen nu al een vergoeding van 96% van de kosten van kinderopvang (tot aan de maximumuurprijs).192Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Daarnaast is afgelopen voorjaar besloten om de voorgenomen bevriezing van de maximumuurprijzen in de kinderopvangtoeslag in 2026 terug te draaien. Deze maatregel heeft per saldo geen effect op de koopkracht in 2026 (beleidsmatig verandert er per saldo immers niets), maar voorkomt wel het eerdere besluit met een negatief inkomenseffect.3. ZorgBevriezen van het eigen risico in de zorgverzekeringHet verplicht eigen risico van de zorgverzekering blijft in 2026 bevroren op € 385 per jaar per volwassen verzekerde. De bevriezing van het eigen risico en het effect daarvan op de zorguitgaven leidt tot een hogere nominale premie, inkomensafhankelijke bijdrage en zorgtoeslag. De combinatie hiervan kan positief of negatief uitpakken voor huishoudens, afhankelijk van de vraag of men het eigen risico volledig betaalt.Verhoging normpercentages binnen de zorgtoeslag en steilere afbouwElk jaar worden de normpercentages binnen de zorgtoeslag (licht) verhoogd en wordt het afbouwpercentage (licht) verhoogd. Hierdoor ontvangen mensen iets minder zorgtoeslag. Deze maatregelen hebben een mediaan inkomenseffect van 0,0% voor de huishoudens met een effect.4. WonenVereenvoudiging en verhoging van de huurtoeslagDe huurtoeslag wordt in 2026 op een aantal punten aangepast met maatregelen uit het wetsvoorstel Vereenvoudiging van de huurtoeslag en het wetsvoorstel Wet Huurtoeslag ter verbetering van de koopkracht en de vereenvoudiging van de regeling:–De maximumhuurgrens als voorwaarde voor het ontvangen van huurtoeslag vervalt. Hierdoor kunnen ook huurders met een hogere huur en een laag inkomen huurtoeslag ontvangen.–De jongerenleeftijdsgrens wordt verlaagd van 23 jaar naar 21 jaar. Jongeren vanaf 21 jaar krijgen daardoor recht op volledige huurtoeslag.–Servicekosten tellen niet meer mee voor de berekening van de huurtoeslag.–De afbouw van de huurtoeslag wordt lineair. Het afbouwpercentage bedraagt 22% voor meerpersoonshuishoudens en 27% voor eenpersoonshuishoudens. Door deze maatregel bouwt de huurtoeslag voor de meeste mensen langzamer af, wat betekent dat huishoudens minder huurtoeslag verliezen als het inkomen stijgt.–Verlaging van de eigen bijdrage met per saldo € 7,58 per maand in 2026.Deze maatregelen hebben een mediaan inkomenseffect van +0,3% voor huishoudens met een effect.Geleidelijke afschaffing belastingaftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuldVanaf 1 januari 2019 wordt de aftrek voor de kleine woningschuld over 30 jaar afgebouwd. Het percentage neemt ieder jaar af met 3,33%. Vanaf 1 januari 2048 vervalt de aftrek helemaal. Dit betekent dat er in 2026 sprake is van een maximale aftrek van 76,67% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de aftrekbare (rente)kosten voor de eigen woning. In 2026 is dit 73,33%. De maatregel heeft een mediaan inkomenseffect van 0,0% voor de huishoudens met een effect.193Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 7.2.10 Maatregelen Caribisch NederlandVoor Caribisch Nederland zijn er geen beleidsmatige aanpassingen voor 2026 met gevolgen voor de koopkracht.194Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 8. BijlagenBijlage 1: Zelfstandige bestuursorganen en rechtspersonen met een wettelijke taakDeze bijlage bevat in tabel 140 een overzicht van de zelfstandige bestuursorganen (ZBO) en rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT) die onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van SZW vallen. In tabel 141 zijn de bijdragen aan de ZBO's en RWT's opgenomen die onder de verantwoordelijkheid van een ander ministerie vallen. De opgenomen bedragen zijn de in de beleidsartikelen verantwoorde uitgaven van de begrotings- en de premiegefinancierde regelingen in de budgettaire tabellen onder de instrumenten «Inkomensoverdrachten» en «Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s».Tabel 140 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid)Naam organisatieRWT/ZBOBegrotingsartikelBegrotingsramingen (x € 1 mln)Uitgevoerde evaluatie ZBO onder KaderwetVolgende evaluatie ZBOUitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)ZBO en RWT1,2,3,4,5,6,1139.964,3evaluatie2026inclusiefBureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI)Sociale Verzekeringsbank (SVB)ZBO en RWT2,6,8,9,10,11,1364.572,0evaluatie2026Bureau InformatieDiensten Nederland (BIDN)RWT1120,1evaluatie2026Tabel 141 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder andere ministeries)Naam organisatieMinisterieRWT/ZBOBegrotingsartikelBegrotingsramingen (x € 1 mln)Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)JenVZBO en RWT1363,6195Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijlage 2: Specifieke uitkeringenAls het Rijk bijdragen onder voorwaarden ten behoeve van een bepaald openbaar belang aan provincies en gemeenten verstrekt, is op basis van artikel 15a lid 1 Financiële-verhoudingswet sprake van een specifieke uitkering. In deze bijlage is voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) aangegeven welke specifieke uitkeringen voor 2025 tot en met 2030 uitgekeerd worden en welke voornemens er zijn voor specifieke uitkeringen. De voornemens worden aangeduid met een «V» onder het kopje SiSa nummer (Single information Single audit). Indien nodig wordt er onder de tabel een toelichting gegeven.Tabel 142 Overzicht specifieke uitkeringen (SPUK's) (bedragen x € 1 mln.)SiSa nr.OnderdeelToelichting202520262027202820292030G2NaamSPUK Participatiewet7.780,97.946,08.040,78.205,88.394,68.598,4Korte duidingTer beschikking stellen van middelen aan gemeenten voor de inkomensvoorziening en de loonkostensubsidies vanuit de Participatiewet, waarin begrepen zijn de IOAW, IOAZ en algemene bijstand voor zelfstandigen.Juridische grondslagArtikel 69 Participatiewet en artikel 48 BbzMaatschappelijke effectenZie toelichting onder artikel 2Ontvangende partijenGemeentenArtikel2 Bijstand, Participatiewet en ToeslagenwetSiSa nr.OnderdeelToelichting202520262027202820292030G3NaamSPUK Bbz‒ 4,1‒ 4,0‒ 3,0‒ 1,41,51,5Korte duidingTer beschikking stellen van middelen aan gemeenten voor de kapitaalverstrekkingen aan zelfstandigen op grond van het Besluit bijstand zelfstandigen.Juridische grondslagArtikel 49 en 50 BbzMaatschappelijke effectenZie toelichting onder artikel 2Ontvangende partijenGemeentenArtikel2 Bijstand, Participatiewet en ToeslagenwetSiSa nr.OnderdeelToelichting202520262027202820292030G4NaamSPUK Tozo‒ 42,4‒ 42,3‒ 27,9‒ 2,30,00,0Korte duidingTer beschikking stellen van middelen aan gemeenten voor de algemene bijstand en kapitaalverstrekkingen aan zelfstandigen op grond van de Tozo.Juridische grondslagArtikel 19 TozoMaatschappelijke effectenZie toelichting onder artikel 2196Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 SiSa nr.OnderdeelToelichting202520262027202820292030Ontvangende partijenGemeentenArtikel2 Bijstand, Participatiewet en ToeslagenwetSiSa nr.OnderdeelToelichting202520262027202820292030G10NaamSPUK Wet inburgering 20210,0289,6261,3255,0222,5181,8Korte duidingTer beschikking stellen van middelen aan gemeenten voor de financiering van inburgeringsvoorzieningen.Juridische grondslagArtikel 40 Wet inburgeringMaatschappelijke effectenZie toelichting onder artikel 13Ontvangende partijenGemeentenArtikel13 Integratie en maatschappelijke samenhangSiSa nr.OnderdeelToelichting202520262027202820292030G12NaamSPUK Kwijtschelden schulden6,213,99,34,60,00,0Korte duidingCompensatie van gemeenten voor het kwijtschelden van publieke schulden in het kader van de hersteloperatie Kinderopvangtoeslag.Juridische grondslagArtikel 7.3 Wet hersteloperatie toeslagenMaatschappelijke effectenHet kabinet zet zich in om gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire en hun kinderen te helpen en te voorkomen dat zoiets ooit nog kan gebeuren. Om gedupeerden en ex-partners met een schone lei te laten starten, is onder andere besloten tot het kwijtschelden van openstaande gemeentelijke schulden.Ontvangende partijenGemeentenArtikel7 KinderopvangSiSa nr.OnderdeelToelichting202520262027202820292030G15NaamSPUK Brabants migratie informatiepunt0,0‒0,00,00,00,0Korte duidingHet pilotproject Brabants Migratie Informatiepunt test activiteiten ter verbetering van de informatievoorziening aan arbeidsmigranten.Juridische grondslagBeschikkingMaatschappelijke effectenDraagt bij aan praktische realisatie van arbeidsrechtelijke bescherming en gezonde en veilige arbeidsomstandigheden.197Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 SiSa nr.OnderdeelToelichting202520262027202820292030Ontvangende partijenProvincie Noord-BrabantArtikel1 ArbeidsmarktSiSa nr.OnderdeelToelichting202520262027202820292030G16NaamSPUK Grensinformatiepunten1,51,61,61,61,61,6Korte duidingDit bedrag wordt verdeeld over 6 rijksontvangers (provincies/gemeenten). Dit doet SZW op basis van een convenant uit 2019 met de provincies/gemeenten. De voorwaarden hierin hebben o.a. betrekking op cofinanciering door de provincies/gemeenten van 50%. Met een spuk komt SZW tot een rechtmatige betaling.Juridische grondslagMinisteriële regelingMaatschappelijke effectenEen vitale grensoverschrijdende arbeidsmarkt heeft op regionaal en op nationaal niveau voordelen. Een goed functionerende grensinformatiestructuur is daarbij van groot belang. Het netwerk van tien bestaande Grensinfopunten (GIP’s) vormt hier een belangrijk onderdeel van.Ontvangende partijenGemeenten/ProvinciesArtikel2 Bijstand, Participatiewet en ToeslagenwetTotaal7.7428.2058.2828.4638.6208.783198Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijlage 3: SubsidieoverzichtTabel 143 Subsidies uit hoofde van subsidieregelingen (bedragen x € 1.000)ArtikelNaam subsidie (regeling)2024202520262027202820292030Laatste evaluatieVolgende evaluatieEinddatum subsidie1Actieprogramma DILLO7.3613.16714.06514.43111.67413.57411.6742025120281Stimuleringsregeling LLO in het MKB56.96278.86971.90076.93058.69743.43040.91520242025, 2029220291STAP2500000002024202520231NOW1.155.793133.74200000202420241MDI&EU186.013139.243317.128172.72440.000002025202620251Onderzoek interventies arbeidstijd03.3363.1023.1603.2894.4070202920292Geldzorgen Armoede en Schulden13.85710.42010.00013.00012.0004.7281.5542024202820254ESB-regeling317.08814.72015.30615.30615.30615.30615.3062022202720285Praktijkleren1.1724.0002.8002.8002.8002.8002.9002025TOTAAL1.438.496387.497434.301298.351143.76684.24572.3491De evaluatie betreft de Tijdelijke subsidieregeling onderzoek en experimenten duurzame inzetbaarheidsinterventies, niet het gehele actieprogramma.2De SLIM-regeling bestaat uit twee afzonderlijke onderdelen met elk een eigen evaluatie: mkb (2025) en scholen (2029).3De volledige naam: Subsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringen (ESB-regeling). Deze regeling staat in de budgettaire tabel van artikel 4 onder bijdrage ZBO omdat de financiering via UWV gaat.199Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Tabel 144 Incidentele subsidies (bedragen x € 1.000)ArtikelNaam subsidie2024202520262027202820292030Laatste evaluatieVolgende evaluatieEinddatum subsidie1Arbeidsmarkt7.11110.5727.9156.2516.0626.4583.39020202027Algemeen6.5808.9686.3144.6504.4613.3903.390Meer uren werkt5311.6041.6011.6011.6013.06802Bijstand, Participatiewet en Toeslagenwet113.734129.494133.838105.60352.49247.32248.04120202026Subsidies algemeen: alle kinderen doen mee13.73615.66515.33215.36215.36215.36216.362Overige subsidies algemeen37.73233.55532.38519.51616.41211.22113.028Instellingssubsidie464318418418418418418SBCM2.8002.8002.8002.8002.8002.8002.800NIBUD484951693693693693693Energiefonds55.47059.00060.00050.000000Waarborgfonds3.048000000Arbeidsinfrastructuur1017.20522.21016.81416.80716.82814.7405Werkloosheid6.9244.3560000020232030Algemeen6507500000Coördinatie arbeidsmarktdienstverlening6.2744.281000007Kinderopvang16.77825.52016.2954.5004.2459.6329.15020232025Algemeen7393.1924.5004.5001.8501.8501.850Instellingssubsidie833908002.3957.7827.300Caribisch Nederland15.20621.42011.795000013Integratie en maatschappelijke samenhang19.9758.70320.41416.79815.27214.67411.17420232029Opbouw kennisfunctie integratie2.6282.7362.6322.6322.2382.1982.198Vluchtelingenwerk1.3941.2081.2081.2081.0271.0091.009Overige subsidies algemeen4.1251.2591.3081.8001.3001.3001.300Subsidie statushouders2.6763.5002.5423.5003.5003.5000Overige subsidies inburgering005070000Vroege integratie en participatie9.152012.2177.6587.2076.6676.667TOTAAL164.522178.645178.462133.15278.07178.08671.7551Er bestaan ideeën om in de toekomst een subsidieregeling op te zetten vanuit dit budget.200Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijlage 4: Uitwerking Strategische Evaluatie AgendaThema 1: Gezonde en veilige arbeidsomstandighedenThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage gezonde en veilige arbeidsomstandighedenEx-post evaluatie2028Te starten1De periodieke rapportage over Gezond en veilig werken is een synthese-onderzoek waarmee de werking van het beleid op dit thema wordt geëvalueerd. In aanloop naar de periodieke rapportage zal, mede op basis van de inzichtbehoeften, worden nagegaan welke evaluaties ter voorbereiding uitgevoerd dienen te worden.Toekomstverkenning arbeid en gezondheidEx-ante evaluatie2024-2025Lopend1Het doel is om inzicht te krijgen in de mogelijke ontwikkelingen die in de komende tien tot twintig jaar naar alle waarschijnlijkheid de gezondheid en veiligheid van werkenden in Nederland kunnen beïnvloeden. De laatste verdiepingsstudie in het kader van de toekomstverkenning wordt nu afgerond. In 2024 is gestart met een afsluitend rapport waarin de opbrengsten van de toekomstverkenningen zoveel mogelijk vertaald worden in handelingsopties voor beleid. Dit wordt in 2025 afgerond.Onderzoek financiële prikkels ter bevordering preventieEx-ante evaluatie2024-2025Lopend1In kaart brengen welke opties er zijn voor het invoeren van stevige en directe financiële prikkels ter bevordering van primaire preventie (voorkomen van gezondheidsschade en ongevallen onder werkenden) door werkgevers. Zowel bonus als malus varianten.Evaluatie maatwerkregeling in ArbowetgevingEx-post evaluatie2025-2026Te starten1De Arbowet verplicht de werkgever om zich door deskundigen te laten ondersteunen bij het verzuimbeleid. De werkgever kan hiervoor een contract afsluiten met een gecertificeerde arbodienst voor een dienstenpakket (vangnetregeling). Bij de maatwerkregeling bepaalt de werkgever zelf hoe en door wie hij zich deskundig laat bijstaan op het gebied van verzuimbegeleiding. In dat geval is de werkgever zelf verantwoordelijk voor afstemming tussen de ingehuurde arbodeskundigen. De contracten met de ingeschakelde deskundigen moeten voldoen aan wettelijke en professionele normen.Monitor herziene ARIE-regelingEx-post evaluatie2025-2026Te starten1In 2024 is afgesproken om de herziene ARIE-regeling te monitoren op effectiviteit en uitvoerbaarheid. De eerste monitor staat gepland voor uitvoering in 2025. De rapportage hiervan staat gepland voor medio 2026.Evaluatie Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB)Ex-post evaluatie2028Te starten1Evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk. De regeling bestaat nu ruim twee jaar. Het aantal aanvragen en toekenningen is in die periode aanzienlijk lager dan voorzien was bij de invoering. Daarom heeft SZW tezamen met de uitvoerders van de regeling en de Adviescommissie Lijst beroepsziekten in 2024 onderzocht wat mogelijke oorzaken kunnen zijn in een tussentijdse evaluatie. De uitkomsten zijn uiteengezet in de rapportage «Werken aan verbeteringen», een bijlage bij een Kamerbrief die op 19 december 2024 naar de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstukken II 2024/25, 25 883, nr. 518). In 2028, vijf jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, is de evaluatie voorzien van de doeltreffendheid en de effecten van de regeling in de praktijk.Evaluatie meld- en vergewisplicht arbeidsongevallen door uitlenersEx-post monitoring2031Te starten1Vijf jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, die is voorzien op 1 juli 2026, staat een evaluatie gepland van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de meldplicht arbeidsongevallen en vergewisplichten uitleners. De evaluatie zal in het bijzonder gericht zijn op de ontwikkeling van het aantal arbeidsongevallen van ter beschikking gestelde werknemers in relatie tot de melding van uitleners van ernstige en/of dodelijke arbeidsongevallen van ter beschikking gestelde werknemers. Daarbij wordt bezien wat het effect is van de vergewisplichten van de uitlener na een arbeidsongeval met een ter beschikking gestelde werknemer.Thema 2: Leven lang ontwikkelenThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage leven lang ontwikkelenEx-post evaluatie2027Te starten1De rapportage onderzoekt de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid op het thema leven lang ontwikkelen. Daarbij is in het bijzonder aandacht voor het bereik van de regelingen onder verschillende groepen werkenden (waaronder flexwerkers en praktisch opgeleiden) en voor de mate waarin de regelingen stimuleren tot intersectorale mobiliteit. Indien de komende jaren blijkt dat het waardevol is om de LLO-instrumenten in samenhang met verwante instrumenten van andere thema's te bekijken worden deze instrumenten waar mogelijk ook betrokken in de periodieke rapportage.Evaluatie SLIM-regelingEx-ante, ex-durante en ex-post evaluatie2021-2025Lopend1De SLIM-regeling beoogt dat mkb-bedrijven meer investeren in een leerrijke omgeving en een cultuur waarin het actueel houden van vakkennis en vaardigheden vanzelfsprekend is. De nulmeting en procesevaluatie hebben in 2021 plaatsgevonden. Met de nulmeting is de huidige stand van zaken van de leercultuur en deelname aan scholing en ontwikkeling bij de aanvragers in beeld gebracht. Een procesevaluatie van het aanvraag- en beoordelingsproces is uitgevoerd om te leren van de ervaringen van het eerste jaar van de uitvoering om zo nodig de regeling tussentijds aan te kunnen passen. Bij de tussen- (2023) en eindevaluatie (2025) wordt gekeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling.201Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelEvaluatie subsidieregeling STAP-budgetEx-ante, ex-durante en ex-post evaluatie2024-2025Lopend1Volgens de STAP-regeling vindt er twee jaar na implementatie een evaluatie plaats naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het STAP-budget en wordt er vijf jaar na implementatie een uitgebreide evaluatie uitgevoerd. In de evaluatie wordt aandacht besteed aan het gebruik van het STAP-budget (verdeeld naar leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsmarktpositie) en de invloed ervan op de arbeidsmarktpositie. Ook wordt gekeken naar de verdeling van het STAP-budget over type scholingsactiviteiten en of het scholingsaanbod voldoende aansluit op de behoefte van de arbeidsmarkt. Daarnaast worden ook financieringsaspecten geëvalueerd. De monitoring en evaluatie van STAP is eind 2022 gegund. Er zijn diverse monitorrapportages gepubliceerd. Het STAP-budget is vanwege bezuinigingen vanaf 2024 niet meer beschikbaar. Het onderzoek is naar aanleiding daarvan aangepast, omdat er minder cohorten te onderzoeken zijn en er minder monitors hoeven te komen.Evaluatie expeditie-regelingEx-post evaluatie2023-2027Lopend1De Expeditie-regeling is onderdeel van het meerjarig investeringsprogramma Duurzame inzetbaarheid & Leven lang ontwikkelen (DI&LLO). De regeling is begin mei 2022 gepubliceerd. De eerste trajecten zijn eind 2022 gestart. Het gaat om trajecten van één tot vier jaar. In 2024 is er een tweede aanvraagtijdvak geopend. De evaluatie van de regeling is voorzien voor 2023-2027. De evaluatie moet zicht geven op het proces en de doeltreffendheid van de regeling. De evaluatie als geheel wordt gebruikt bij de keuze om de regeling voort te zetten.Thema 3: Arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaardenThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaardenEx-post evaluatie2027Te starten1De rapportage onderzoekt de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid op het thema arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. Themaspecifieke inzichtbehoeften worden de komende jaren verder uitgewerkt.Evaluatie Wet arbeidsmarkt in balans (WAB)Ex-post evaluatie2023-2025Lopend1Op 1 januari 2020 is (een groot gedeelte van) de Wet arbeidsmarkt in balans in werking getreden, waarmee het kabinet streeft naar een nieuwe balans op de arbeidsmarkt. Het kabinet wil de kloof tussen vaste contracten en flexibele contracten kleiner maken. De wet wordt uiterlijk in 2025 geëvalueerd. Met aankondiging van het nieuwe arbeidsmarktpakket kan deze evaluatie tevens dienen als nulmeting voor de evaluatie van dit nieuwe arbeidsmarktpakket.Tweede evaluatie Meldplicht WagwEUEx-post evaluatie2024-2025Lopend1Buitenlandse werkgevers (dienstverrichters) uit Europa moeten sinds 1 maart 2020 voor aanvang van hun werkzaamheden in Nederland een melding doen via het onlinemeldloket Posted Workers. Toezichthouders krijgen door de meldingen zicht op welke bedrijven met welke werknemers wanneer in Nederland actief zijn. Zo kan toezicht op de naleving van Nederlandse arbeidsvoorwaarden voor deze groep doelmatiger en effectiever plaatsvinden. Uit de eerste evaluatie (die voortkwam uit wettelijke verplichting) bleek dat er significante ondermelding was. Inmiddels is er veel gedaan aan voorlichting en is het meldloket verder doorontwikkeld. Ook is toegezegd de meldplicht nogmaals te evalueren. Die toezegging wordt met dit onderzoek uitgevoerd.Invoeringstoets en nulmeting Implementatiewet detachering wegvervoerEx-ante evaluatie2024-2026Lopend1De Implementatiewet detachering wegvervoer heeft betrekking op sociale bescherming van buitenlandse chauffeurs in de wegvervoerssector die tijdelijk in Nederland werken. Doel van de invoeringstoets is onder meer om in 2024 en 2025 een onderzoek uit te voeren dat zicht geeft op de werking van de nieuwe regels detachering wegvervoer in de praktijk voor betrokken partijen waaronder chauffeurs, vervoersondernemingen en toezichthouders. Daarnaast dient dit onderzoek ook als nulmeting voor een evaluatie die de EC gaat uitvoeren naar het hele Europese Mobiliteitspakket.Tevredenheidsonderzoek onder arbeidsmigrantenOverig onderzoek2024-2028Lopend1Het doel van dit onderzoek is om meerjarig een onafhankelijk en zo representatief mogelijk beeld te krijgen van de eigen ervaringen van arbeidsmigranten met betrekking tot hun positie in Nederland. Door dit onderzoek meerjarig uit te voeren worden trends en ontwikkelingen zichtbaar. Daarnaast wordt onderzocht of de inzet voortkomend uit de uitvoering van de aanbevelingen van Roemer ook tot uiting komt in een betere positie voor arbeidsmigranten. Naast dit tevredenheidsonderzoek lopen er ook onderzoeken naar de afzonderlijke maatregelen. Een voorbeeld hiervan is het onderzoek «Evaluatiekader en nulmeting certificering uitzendsector».Monitor(rapportage) WttaEx-durante monitoring2026/2027-2029Te starten1De monitor Wtta heeft als doel inzicht te krijgen in de werking en voortgang van de Wtta, knelpunten en succesfactoren te identificeren, en relevante input te leveren voor de evaluatie van de wet vijf jaar na implementatie. De monitoring vindt plaats gedurende de eerste drie jaar na inwerkingtreding van de Wtta.Tussenevaluatie WttaEx-post/ex-durante evaluatie2030Te starten1De tussenevaluatie richt zich op de eerste ervaringen van inleners en uitleners en de toezichthoudende instantie, waarbij wordt gekeken naar de effectiviteit en de uitvoerings- en handhavingsaspecten.202Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelMonitor arbeidsmarktpakketEx-durante evaluatie2025-2031Te startenMeerdereSZW is van plan om verschillende wetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket te monitoren. Het gaat hierbij om de impact over tijd van de wendbaarheid van werkgevers en de werkzekerheid van werknemers. We verwachten dat de eerste wetsvoorstellen per 1 januari 2026 in werking zullen treden. Om de effecten van de verschillende wetsvoorstellen zo goed mogelijk te evalueren, zullen we ook een nulmeting doen. We verzamelen vanaf 2025 data voor deze nulmeting. Het vooronderzoek is in 2024 afgerond en het ministerie streeft ernaar om het eerste rapport van de monitor in 2027 te publiceren.Thema 4: Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kindThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kindEx-post evaluatie2031Te starten6,7,10De periodieke rapportage staat gepland voor 2031. De rapportage onderzoekt de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid op het SEA-thema Arbeid, zorg en de ontwikkeling van het kind.Subthema - KinderopvangPeriodieke rapportage kinderopvangbeleid (bevorderen arbeidsparticipatie)Ex-post evaluatie2025Lopend7Dit syntheseonderzoek zal de doeltreffendheid en doelmatigheid van het kinderopvangbeleid onderzoeken en is gericht op het doel «stimuleren arbeidsparticipatie». Samen met de periodieke rapportage op het doel «ontwikkeling kind» vindt zo een integrale evaluatie op artikel 7 plaats.Landelijke kwaliteitsmonitor kinderopvangEx-durante evaluatieJaarlijksLopend7In het kader van de Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang worden jaarlijks metingen verricht bij kinderopvangorganisaties en gastouders om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de kinderopvang in Nederland. De opvangvormen dagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang worden in de monitor meegenomen. De monitor is toegezegd tot en met 2025, met een publicatie in 2026, waarna het vervolg zal worden bezien.Monitor implementatie kwaliteitseisen kinderopvangEx-durante monitorJaarlijksLopend7De monitor richt zich op de implementatie van recent gewijzigde kwaliteitseisen en op de mogelijke knelpunten die zich bij de overige kwaliteitseisen voordoen. Het eerste rapport is op 17 december 2024 aan de Tweede Kamer gezonden.Evaluatie Wet kinderopvang KOT voor ouders met partner buiten de EUEx-post evaluatie2026Te starten7Onderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de wijziging van de Wet kinderopvang die het mogelijk maakt om aanspraak op kinderopvangtoeslag te maken voor Oekraïense ontheemden en ouders met een partner buiten de EU, de EER of Zwitserland.Invoeringstoets Wet kinderopvang BESEx-durante evaluatie2026-2027Te starten7De invoeringstoets biedt inzicht in de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de gestelde eisen, zodat indien nodig bijsturing kan plaatsvinden. De invoeringstoets start in het najaar van 2026 en loopt door tot 2027.Evaluatie Wet kinderopvang BESEx-post evaluatie2031Te starten7Vijf jaar na de voorziene inwerkingtreding (1 januari 2026) vindt evaluatie plaats van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de Wet kinderopvang BES.Subthema - Tegemoetkoming oudersPeriodieke rapportage tegemoetkoming oudersEx-post evaluatie2024-2025Lopend10In de periodieke rapportage wordt onderzocht in hoeverre de financiële tegemoetkomingen voor de kosten van kinderen aan ouders of verzorgers doeltreffend en doelmatig zijn. In het onderzoek wordt ook gereflecteerd op de opvolging van de aanbevelingen uit de beleidsdoorlichting van 2018. De Kamer is over de opzet en aanpak van de Periodieke rapportage geïnformeerd.Subthema - Arbeid en ZorgEvaluatie Wet Flexibel WerkenEx-post evaluatie2026Te starten6Op basis van de Wet flexibel werken hebben werknemers het recht om bij hun werkgever een verzoek te doen voor het aanpassen van hun arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats. De Wet flexibel werken moet elke vijf jaar worden geëvalueerd. In de evaluatie moet aandacht zijn voor de doeltreffendheid van de wet en de effecten van deze wet in de praktijk. De wet is in werking getreden op 1 januari 2016. Op 10 februari 2021 is de eerste evaluatie afgerond. In 2026 moet een tweede evaluatie worden gedaan.Evaluatie Wet betaald ouderschapsverlofEx-post evaluatie2025-2026Lopend6203Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelSinds de invoering van de Wet betaald ouderschapsverlof (Wbo) op 2 augustus 2022 hebben werknemers recht op een uitkering gedurende negen weken bij opname van ouderschapsverlof. Deze beleidswijziging diende ter implementatie van Richtlijn (EU) 2019/1158. Hiermee is beoogd het evenwicht tussen werk en privéleven en de gelijke behandeling van vrouwen en mannen te helpen verwezenlijken, door de arbeidsparticipatie van vrouwen te bevorderen en het verschil tussen vrouwen en mannen met betrekking tot inkomsten en loon weg te nemen. In 2024 is de invoeringstoets betaald ouderschapsverlof opgeleverd. Daarbij is bekeken hoe de wet uitpakt voor rechthebbende werknemers, werkgevers en de uitvoering (UWV). Daarnaast wordt de Wbo in 2025 geëvalueerd, waarbij aandacht is voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van de wet.Thema 5: Pensioen en oudedagThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelOudedagsvoorzieningPeriodieke rapportage oudedagsvoorzieningEx-post evaluatie2028/2029Te starten8De rapportage onderzoekt de doeltreffendheid en doelmatigheid van alle aspecten van het beleid op het thema oudedagsvoorziening. De scope en afbakening van deze rapportage zullen vooraf met de Kamer worden gedeeld.Werknemers zonder pensioenEx-durante evaluatie2026Lopend8Tussen 2022 en 2028 wordt tweejaarlijks onderzoek gedaan naar werknemers zonder pensioen. Dit geeft inzicht in welk deel van de werknemers in Nederland geen pensioenregeling via de werkgever heeft. Uit het onderzoek blijkt ook welke sectoren of andere kenmerken relevant zijn bij de aanpak van werknemers zonder pensioen.Experimenten pensioenopbouw onder zelfstandigenEx-durante monitoring en evaluatie2025-2027Te starten8Op basis van experimenteerwetgeving wordt proefondervindelijk bekeken of en op welke wijze bredere toegankelijkheid in de tweede pijler kan worden gecreëerd voor zelfstandigen om tot een betere pensioenopbouw te komen. Deze experimenteerfase is onderdeel van de Wet toekomst pensioen en wordt gemonitord en geëvalueerd.Monitoring Wet toekomst pensioenenEx-durante monitoring2023-2028Lopend8Het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen leidt tot een ingrijpende vernieuwing van het arbeidsvoorwaardelijke pensioen. Het kabinet vindt het belangrijk dat de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel zorgvuldig verloopt. Gedurende de transitiefase wordt de voortgang van de transitie gemonitord en worden beide Kamers periodiek (ten minste jaarlijks) over de voortgang geïnformeerd.Evaluatie Wet bedrag ineensEx-durante en ex-post evaluatie2028-2031Te starten8De voorgenomen inwerkingtredingsdatum van de wet is niet eerder dan 1 juli 2026, afhankelijk van de parlementaire behandeling. Op grond van de wet wordt de wet twee keer geëvalueerd: de eerste keer twee jaar na inwerkingtreding, de tweede keer drie jaar later. Als de wet in 2026 in werking treedt vinden de evaluaties derhalve plaats in 2028 en 2031.Evaluatie van de Wet toekomst pensioenenEx-post evaluatie2028-2038Te starten8Het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen kent een drieledige doelstelling: 1. eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen; 2. een transparanter en meer persoonlijk pensioenstelsel, en 3. betere aansluiting op ontwikkelingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. De wet is op 1 juli 2023 in werking getreden en wordt geëvalueerd in drie etappes waarbij gerapporteerd wordt over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk. Binnen vijf jaar na inwerkingtreding (2023) volgt het eerste verslag, binnen vier jaar na het einde van de transitieperiode (2028) volgt het tweede verslag en in 2038 volgt het derde verslag.Gezond naar pensioenPeriodieke rapportage gezond naar pensioenEx-post evaluatie2027Te starten1 en 8De rapportage onderzoekt de doeltreffendheid en doelmatigheid van alle aspecten van het beleid op het thema gezond naar pensioen. De scope en afbakening van deze rapportage zullen vooraf met de Kamer worden gedeeld.Monitor AOW-leeftijdsverhogingEx-durante evaluatie2025Lopend8Jaarlijkse monitor naar het effect van het verhogen van de AOW-leeftijd op de arbeidsparticipatie, gebruik van uitkeringen, gezondheid en duurzame inzetbaarheid.Monitoring Regeling vervroegd uittreden (RVU)Ex-durante monitoring2021-2026Lopend8Sinds 1 januari 2021 is het mogelijk voor bepaalde groepen werknemers om vanaf drie jaar voor de AOW-leeftijd vervroegd uit te treden met een regeling vervroegd uittreden (RVU) zonder dat hierover RVUheffing afgedragen moet worden door de werkgever. Hiertoe is een tijdelijke drempelvrijstelling in de RVUheffing gerealiseerd. Werknemers die gebruikmaken van de RVU zouden ook een WW-uitkering kunnen aanvragen. De monitor RVU is bedoeld om te bepalen hoe het gebruik van de WW binnen de RVU-groep zich verhoudt tot de geraamde effecten. Daarnaast zal de 204Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelmonitor een globaal beeld geven onder welke cao de werknemers die in aanvulling op de RVU een WW-uitkering ontvangen vielen, en welke afspraken over RVU's in de cao's worden gemaakt (onder andere afbakening doelgroep en duur/hoogte RVU). De monitor heeft betrekking op de periode 2021 t/m 2025. In 2026 wordt de laatste informatie gepubliceerd.Monitoring en evaluatie maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittredenEx-durante en ex-post evaluatie2021-2026Lopend1De tijdelijke subsidieregeling voor duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden wordt gedurende de looptijd gemonitord. De onderzoeksvragen hierbij gaan over het bereik van de regeling, de effectiviteit van de vormgeving en de efficiëntie van de uitvoering. Het eindrapport na de looptijd biedt inzicht in de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling.Thema 6: Armoede en schuldenThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage armoede en schuldenEx-post evaluatie2026Te starten2De periodieke rapportage armoede en schulden is een syntheseonderzoek. Hiermee wordt de werking van het beleid op dit thema integraal geëvalueerd.Monitor Nationaal Programma Armoede en SchuldenEx-durante evaluatieJaarlijksTe starten2Jaarlijks wordt bij de voortgangsrapportage over het Nationaal Programma Armoede en Schulden een monitor meegestuurd. Aan de hand van verschillende indicatoren biedt deze monitor inzicht in de voortgang van doelen en maatregelen.Monitor EnergiearmoedeEx-durante evaluatieJaarlijksLopendmeerdereJaarlijkse monitor die inzicht biedt in de ontwikkeling (hoogte) van de energiearmoede.Ontwikkelingen buitengerechtelijke incassoEx-ante evaluatie2025Lopend2Verkennend onderzoek naar het functioneren van de incassomarkt en de praktijk van de buitengerechtelijke incasso, inclusief opdrachtverlening en prijzen.Evaluatie instellingssubsidies KinderarmoedeEx-post evaluatie2026Te starten2Dit onderzoek evalueert de werking, doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidie aan de kinderarmoede instellingen (Sam& partijen).Evaluatie Tijdelijk Noodfonds EnergieEx-post evaluatie2026Te starten2Ex-post evaluatie van de werking van het Tijdelijk Noodfonds Energie, inclusief lessen om mee te nemen naar de toekomst.Evaluatie ontwikkelpad energiehulpEx-post evaluatie2026Te starten2Evaluatie van de implementatie van de ontwikkelpaden in de technische sectoren, waaronder het ontwikkelpad energiehulp.Evaluatie adviesrecht gemeenten bij schuldenbewindEx-post evaluatie2026Lopend2In 2021 is Burgerlijk Wetboek 1 gewijzigd. Bij schuldenbewind is het adviesrecht voor gemeenten toegevoegd. Ook is bepaald dat rechters schuldenbewind alleen nog voor bepaalde tijd kunnen uitspreken. Deze evaluatie onderzoekt, na 5 jaar werking, de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van deze wetswijziging.Looptijd en hoogte aflossing beslagvrije voetEx-post evaluatie2026Te startenmeerdereDit onderzoek kijkt naar de gevolgen van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Specifiek wordt de praktische uitwerking van de 5%-regeling nader in kaart gebracht.Evaluatie subsidieregeling financiële educatie op scholen ter preventie van geldzorgenEx-post evaluatie2028Lopend2De subsidieregeling Financiële educatie voor onderwijsinstellingen biedt scholen de mogelijkheid financiële educatie structureel aan te pakken. Een meerjarige monitor en evaluatie brengt de voortgang en werking van de subsidieregeling financiële educatie in kaart.205Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Thema 7: Bijstand en participatieThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage bijstand en participatieEx-post evaluatie2027Te starten2De periodieke rapportage naar bijstand en participatie is een synthese-onderzoek waarmee de werking van het beleid op dit thema wordt geëvalueerd. In aanloop naar de periodieke rapportage zal worden nagegaan welke evaluaties ter voorbereiding uitgevoerd dienen te worden, ook op basis van de inzichtbehoeften. Op basis van de inzichtbehoeften wordt bepaald wanneer deze periodieke rapportage plaatsvindt.Monitor uitvoering uniforme loonwaardebepalingEx-durante monitoringjaarlijksLopend2Sinds 1 juli 2021 geldt een landelijk uniforme methode voor loonwaardebepaling. De uitvoering ervan wordt gemonitord door stichting Blik op Werk. Minstens een keer per jaar wordt daarvan verslag gedaan aan SZW.Verdeelsleutel inleenverbanden banenafspraakOverig onderzoekjaarlijksLopend2Vaststellen van de verdeelsleutel om banen die gerealiseerd zijn voor de doelgroep banenafspraak via inleenverbanden toe te wijzen aan de sector markt of overheid.Duurzaamheid van werk binnen de banenafspraakOverig onderzoekjaarlijksLopend2Analyse van de duurzaamheid van het werk van mensen uit de doelgroep banenafspraak.Onderzoek rechtmatige uitvoering Subidieregeling IPS-trajectenEx-post evaluatie2025Lopend2Met ingang van 1 maart 2023 is het in 2023 mogelijk om een beroep te doen op de Subsidieregeling IPS-trajecten voor de gemeentelijke doelgroep. De bedragen per beschikking zijn van een beperkte omvang, waardoor verantwoording over de bedragen en controle erop niet verplicht is. SZW heeft vanwege het totaalbedrag van de regeling ervoor gekozen een onderzoek te willen (laten) uitvoeren om vast te kunnen stellen dat de bedragen in overeenstemming met de regeling zijn besteed.Re-integratie onder de ParticipatiewetEx-durante monitoring2024-2025Lopend2Met dit onderzoek wordt gekeken hoe het re-integratielandschap onder de Participatiewet is ingevuld binnen gemeenten. Er wordt onder andere gekeken naar keuzes die gemaakt worden met betrekking tot re-integratie door gemeenten en naar de kosten van ingezette instrumenten. Naar verwachting wordt het onderzoek in het najaar van 2025 gepubliceerd.Evaluatie verandering financieringssystematiek van het wettelijk instrument LKSEx-post evaluatie2025 ‒ 2026Lopend2De effecten van de wijziging van de financieringssystematiek van loonkostensubsidie (sinds 2022) worden geëvalueerd. Naar verwachting zijn de resultaten begin 2026 bekend.Onderzoek inclusieve arbeidsmarkt BESEx-post evaluatie2025-2026Te startenmeerdereOnderzoek naar doelmatigheid en doeltreffendheid van instrumenten die worden ingezet om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen bij het vinden van passend werk. Het evaluatiedeel is onderdeel van een bredere scope die onderzoekt wat er nodig is voor structurele doelmatige en doeltreffende passende ondersteuning voor de doelgroep bij het vinden van werk. Oftwel, wat is er nodig voor het realiseren van een inclusieve arbeidsmarkt?Evaluatie banenafspraakEx-post evaluatie2026/2027Te starten2Evaluatie van tien jaar banenafspraak na het einde van het ingroeipad.Monitor programma Simpel SwitchenEx-durante monitoring2024-2027Lopend2Een monitor wordt ontworpen om het bereik, de effecten, de efficiëntie en de knelpunten van het programma Simpel Switchen in kaart te brengen. De eerste uitkomsten van deze monitor worden eind 2025 verwacht.Onderzoek naar investering in re-integratiedienstverlening in de 20 focusgebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV)Ex-durante monitoring2023-2028LopendmeerdereVan 2023 t/m 2028 wordt geïnvesteerd in de re-integratiedienstverlening van de 20 focusgebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Met dit onderzoek evalueren we de effecten van deze investering.Brede synthesestudie re-integratieEx-post evaluatie2027-2028Te startenmeerdereIn deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.206Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Thema 8: JonggehandicaptenThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage jonggehandicaptenEx-post evaluatie2024-2025Lopend4In deze periodieke rapportage wordt onderzocht in hoeverre de inkomensondersteuning en de dienstverlening ten behoeve van de arbeidsparticipatie en arbeidsondersteuning van de Wajongers doelmatig en doeltreffend is. In de periodieke rapportage van 2024-2025 zal worden nagegaan in hoeverre de aanbevelingen uit de vorige beleidsdoorlichting (2018) zijn opgevolgd. Aan de hand van de opvolging van die eerdere aanbevelingen zal de aanpak van de periodieke rapportage ingevuld worden. Met de periodieke rapportage jonggehandicapten geven we gelijktijdig invulling aan de wetsevaluatie die eind 2025 gereed moet zijn.Evaluatie Wet vereenvoudiging WajongEx-post evaluatie2024-2025Lopend4In 2025 staat de evaluatie van de Wet vereenvoudiging Wajong gepland. Met deze evaluatie onderzoeken we in hoeverre de doelen van deze wet zijn gerealiseerd. Met de periodieke rapportage jonggehandicapten geven we gelijktijdig invulling aan de wetsevaluatie die eind 2025 gereed moet zijn.Brede synthesestudie re-integratieEx-post evaluatie2027-2028Te startenmeerdereIn deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.Evaluatie van de pilot brede inzet van re-integratie instrumenten voor IVA/DGAEx-post evaluatie2023-2029Lopend3 en 4De pilot maakt re-integratiedienstverlening aan mensen met een WIA-IVA-uitkering of een Wajong-DGA-uitkering mogelijk. De evaluatie onderzoekt hoe deelnemers met de ondersteuning werk kunnen vinden, uitvoeren en behouden. Ook kijkt de evaluatie of de dienstverlening passend is. Verder kijkt de evaluatie naar andere (indirecte) maatschappelijke en individuele winst. Tijdens de pilot worden deelnemers gemonitord. Op basis van de tussenevaluatie besluiten de bewindspersonen of UWV blijvend re-integratie-instrumenten inzet voor deze groepen. De bewindspersonen delen de uitkomst uiterlijk in april 2026 met de Tweede Kamer. De eindevaluatie van de pilot sturen zij uiterlijk 1 april 2029 naar de Eerste en Tweede Kamer.Thema 9: Werkloosheid werknemersThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage Werkloosheid WerknemersEx-post evaluatie2030Te starten5In deze periodieke rapportage wordt onderzocht in hoeverre de inkomensondersteuning en de dienstverlening ten behoeve van de werknemers die werkloos worden doelmatig en doeltreffend is. De onderzoeken in deze SEA bieden input voor deze periodieke rapportage.Brede synthesestudie re-integratieEx-post evaluatie2027-2028Te startenmeerdereIn deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.Effectiviteitsonderzoek sollicitatieplichtEx-post evaluatie2024-2029Lopend5We voeren een omvangrijk, meerjarig effectiviteitsonderzoek uit naar de sollicitatieverplichting van de WW. Middels een experimentele onderzoeksopzet onderzoeken we de effectiviteit van de huidige invulling van de inspanningsplicht in de vorm van de sollicitatieplicht en de effectiviteit van een andere invulling van de plicht. Daarbij is meer aandacht voor maatwerk en sturing op de kwaliteit van het werkzoekgedrag.Thema 10: Ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemersThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage ziekte en arbeidsongeschiktheid voor werknemersEx-post evaluatien.t.bTe starten3 en 6In deze periodieke rapportage wordt onderzocht in hoeverre de inkomensondersteuning en de dienstverlening ten behoeve van de arbeidsparticipatie en arbeidsondersteuning van mensen in de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) doelmatig en doeltreffend is. De onderzoeken in deze SEA bieden input voor deze periodieke rapportage.Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) WIAOverig onderzoek2025Lopend3 en 6Het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) is een onderzoek dat verschillende ministeries uitvoeren. Zij onderzoeken het stelsel voor zieke en arbeidsongeschikte werknemers (loondoorbetaling bij ziekte, ZW, WIA). Hierbij kijken de onderzoekers naar de betaalbaarheid. Ook onderzoeken zij hoe we voldoende controle kunnen houden over het stelsel. Verder kijken de onderzoekers naar hoe we mensen kunnen stimuleren om te werken met wat ze nog wel kunnen. De resultaten worden in het najaar van 2025 gepubliceerd.Onderzoek verzuimverzekeringsgraad werkgevers (en de MKB-verzuim-ontzorgverzekering)Ex-post en ex-ante evaluatie2025Lopend3 en 6Het gaat om een onderzoek waarin we kijken hoeveel werkgevers een verzuimverzekering hebben. Een verzuimverzekering dekt onder meer de verplichtingen van loondoorbetaling aan zieke werknemers en de verplichtingen om zieke werknemers te ondersteunen bij hun re-integratie. Het onderzoek brengt ook in kaart hoe tevreden werkgevers zijn over de MKB-verzuim-ontzorgverzekering. Ook bekijkt het ministerie waar de behoeften van werkgevers op dit gebied liggen. De resultaten worden eind 2025 gepubliceerd.207Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelWat kopen we in voor wie?Ex-durante evaluatie2026Te starten3UWV probeert om zoveel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking te ondersteunen naar werk. Dit doet UWV onder andere door het inkopen van dienstverlening bij re-integratiebedrijven. Dit onderzoek beschrijft de ontwikkeling en verantwoording van het aantal ingekochte re-integratiediensten. Ook kijkt het onderzoek naar hoe succesvol deze diensten zijn en hoeveel mensen werk hebben gevonden. Verder onderzoeken we hoe we mensen kunnen helpen die (nog) niet aan het werk zijn gegaan. Dit onderzoek is een vervolg op het eerdere onderzoek uit 2020. Het onderzoek zal waarschijnlijk na half 2026 gepubliceerd worden.Evaluatie pilot generieke werkgeversvoorzieningenEx-ante evaluatie2026Te starten3UWV en het Ministerie van SZW zijn in maart 2020 met het experiment Generieke Werkgeversvoorziening (GWV) gestart. Werkgevers moeten soms werkplekken en werkprocessen op hetzelfde moment of achter elkaar toegankelijk maken voor mensen met een blijvende arbeidsbeperking. Het experiment helpt werkgevers hierbij, en moest ook geëvalueerd worden. De evaluatie moest kijken of het experiment heeft gezorgd voor inclusieve participatie en innovatie op de werkvloer. Ook moest de evaluatie onderzoeken wat de ervaringen van werkgevers en werknemers zijn. In 2022 is op basis van een kritische uitvoeringstoets besloten om geen nieuwe gevallen te laten starten met het experiment. Er is een tussenevaluatie uitgevoerd over de start en de eerste resultaten van het experiment. Deze is in september 2023 opgeleverd en gepubliceerd met de Stand van de Uitvoering in december 2023. In het experiment zijn er ook projecten die al lopen. Deze projecten worden nog drie jaar gevolgd voor de eindevaluatie. Het ministerie moet de eindevaluatie uiterlijk 1 juli 2026 aan de Tweede Kamer aanbieden. De eindevaluatie wordt in 2025 gestart.Brede synthesestudie re-integratieEx-post evaluatie2027-2028Te startenmeerdereIn deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.Evaluatie van de pilot brede inzet van re-integratieinstrumenten voor IVA/DGAEx-post evaluatie2023-2029Lopend3 en 4De pilot maakt re-integratiedienstverlening aan mensen met een WIA-IVA-uitkering of een Wajong-DGA-uitkering mogelijk. De evaluatie onderzoekt hoe deelnemers met de ondersteuning werk kunnen vinden, uitvoeren en behouden. Ook kijkt de evaluatie of de dienstverlening passend is. Verder kijkt de evaluatie naar andere (indirecte) maatschappelijke en individuele winst. Tijdens de pilot worden deelnemers gemonitord. Op basis van de tussenevaluatie besluiten de bewindspersonen of UWV blijvend re-integratie-instrumenten inzet voor deze groepen. De bewindspersonen delen de uitkomst uiterlijk in april 2026 met de Tweede Kamer. De eindevaluatie van de pilot sturen zij uiterlijk 1 april 2029 naar de Eerste en Tweede Kamer.Monitor arbeidsmarktpakketEx-ante evaluatie2025-2031Te startenmeerdereSZW is van plan om verschillende wetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket te monitoren. Het gaat hierbij om de impact over tijd van de wendbaarheid van werkgevers en de werkzekerheid van werknemers. We verwachten dat de eerste wetsvoorstellen per 1 januari 2026 in werking zullen treden. Om de effecten van de verschillende wetsvoorstellen zo goed mogelijk te evalueren, zullen we ook een nulmeting doen. We verzamelen vanaf 2025 data voor deze nulmeting. Het vooronderzoek is in 2024 afgerond en het ministerie streeft ernaar om het eerste rapport van de monitor in 2027 te publiceren.Thema 11: Inkomensondersteuning nabestaanden en wezenThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage nabestaanden en wezenEx-post evaluatie2028Te starten9De periodieke rapportage over nabestaanden en wezen is een synthese-onderzoek waarmee de werking van het beleid op dit thema wordt geëvalueerd. In aanloop naar de periodieke rapportage zal worden nagegaan welke evaluaties ter voorbereiding uitgevoerd dienen te worden, ook op basis van de inzichtbehoeften. De periodieke rapportage geeft inzicht in doelmatigheid en doeltreffendheid en de verandering hierin ten opzichte van de vorige evaluatie. Daarnaast wordt gekeken naar niet-gebruik van nabestaandenuitkering en wezenuitkering, kenmerken van de doelgroepen, inzichten vanuit burgerperspectief en beleidsopties om de Anw te moderniseren. In 2028 wordt de periodieke rapportage naar de Kamer gestuurd.Cohort partner overleden in 2015 t/m 2018 volgen van jaar voor overlijden tot en met 5 jaar na overlijdenOverig onderzoek2025-2026Te starten9CBS voert het onderzoek uit, in dit onderdeel gaan de onderzoeksvragen over werk en inkomensbronnen van de groepen arbeidsongeschikten en nabestaanden met kinderen.Niet-gebruik onder nabestaanden die in 2015 t/m 2018 hun partner hebben verlorenOverig onderzoek2025-2026Te starten9CBS voert het onderzoek uit, in dit onderdeel gaan de onderzoeksvragen over of er sprake is van niet-gebruik in de Anw? Hoeveel is dit? Wat zijn de kenmerken van deze groep?Personen waarvan de Anw-uitkering in 2019 t/m 2022 is gestopt volgen van jaar voor uitstroom tot en met jaar na uitstroomOverig onderzoek2025-2026Te starten9CBS voert het onderzoek uit, in dit onderdeel gaan de onderzoeksvragen over de uitstroom Anw.Gebruik en niet-gebruik onder wezenOverig onderzoek2025-2026Te starten9208Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelCBS voert het onderzoek uit, in dit onderdeel gaan de onderzoeksvragen over de wezenuitkering, over het aantal volle wezen per leeftijdscategorie en het niet gebruik.Anw-gebruik door de jaren heen volgen om de ontwikkeling van de afhankelijkheid van vrouwen in kaart te brengenOverig onderzoek2025-2026Te starten9CBS voert het onderzoek uit, in dit onderdeel gaan de onderzoeksvragen over of vrouwen minder afhankelijk worden van een uitkering zoals de Anw, omdat ze hoger opgeleid zijn en grotere deeltijdbanen hebben? Is er een dalende trend te zien?Thema 12: Integratie en maatschappelijke samenhangThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelIntegratiePeriodieke rapportage integratieEx-post evaluatie2029Te starten13Via deze studie wordt op basis van reeds beschikbare inzichten een beeld geschetst van het gevoerde integratiebeleid en de mate van doelbereik, doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde beleid, of van delen daarvan.Evaluatie SPUK Kansrijke WijkEx-durante monitoring2024-2025Lopend13Onderzoeksconsortium WijkWijzer voert gedurende de looptijd van de SPUK Kansrijke Wijk (2023-2025) de monitoring en evaluatie uit naar de interventies die vanuit deze regeling worden bekostigd. Een deel van de interventies heeft betrekking op het thema «Veerkracht en Weerbaarheid». De monitoring en evaluatie ziet zowel op de effectiviteit van interventies binnen dit thema als de voortgang van nog vast te stellen indicatoren die zich hier tot verhouden.Evaluatie Meerjarenplan ZelfbeschikkingEx-post evaluatie2024-2026Lopend13Het Meerjarenplan Zelfbeschikking bestaat uit verschillende projecten die elk worden geëvalueerd. Aansluitend wordt na afloop een overkoepelende evaluatie uitgevoerd, bestaande uit een meta-review van alle eindrapportages.Monitoring VIAEx-durante monitoring2022-2026Lopend13Herhaalmeting van de VIA outcome monitor, waarin de belangrijkste indicatoren worden geupdate. In 2026 worden de uitkomsten van meerdere jaargangen benut voor de evaluatie (zie evaluatie VIA).Rapportage integratie en samenleven (RIS)Ex-durante monitoring2022-2026Lopend13De jaarrapporten bevatten een beschrijving van de positie en ontwikkelingen van bevolkingsgroepen met verschillende achtergronden alsook een aantal verdiepende en verklarende hoofdstukken die per jaar kunnen verschillen.Longitudinaal Onderzoek Cohort Statushouders (LOCS)Ex-durante monitoring en ex-post evaluatie2021-2026Lopend13Brede beschrijvende en verklarende studie naar de maatschappelijke positie en ontwikkeling van statushouders die in Nederland sinds 1-1-2014 een verblijfstitel asiel hebben gekregen op basis van survey's en (gekoppelde) registerdata.Longitudinaal Onderzoek Cohort Oekraïense Vluchtelingen (LOCOV)Ex-durante monitoring en ex-post evaluatie2023-2026Lopend13Er worden vragen beantwoord van een beleidsevaluatieve aard zoals welke factoren en interventies de (verschillen in) ontwikkeling verklaren, ook ten opzichte van de reguliere aanpak bij andere vluchtelingengroepen.Evaluatie onderdeel «Startbanen» van het plan van aanpak «statushouders aan het werk»Ex-durante en ex-post evaluatie2024-2026Lopend13De maatregelen uit het intensiveringspakket van het plan van aanpak «Statushouders aan het werk» worden geëvalueerd. De proeven voor Startbanen worden door middel van een (overkoepelend) overzoek geëvalueerd. Dit onderzoek naar de werkende elementen van de proeven voor startbanen is in 2024 gestart en wordt in 2026 afgerond.Evaluatie onderdeel «Regionale verbinders» van het plan van aanpak «statushouders aan het werk»Ex-post evaluatie2025-2026Te starten13De maatregelen uit het intensiveringspakket van het plan van aanpak «Statushouders aan het werk» worden geëvalueerd. De evaluatie van de beleidsintensivering lerend netwerk Regionale verbinders Statushouders (doelgroepspecifieke aanpak) start in 2025 en wordt in 2026 afgerond.Evaluatie VIAEx-durante evaluatie2026-2027Te starten13209Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 ThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelHet beleid wordt ex-durante geëvalueerd. Daarbij wordt gekeken naar zowel het uitgevoerde als lopende beleid. Daarbij zal ook een overkoepelend beeld gegeven worden van de ontwikkeling van arbeidsmarktkansen en posities van mensen met een migratieachtergrond. Dat doen we op basis van verschillende onderzoeks-, monitorings- en evaluatierapporten. Daarbij hebben we specifieke aandacht voor statushouders.Survey Samenleven in Meervoud (SIM)Overig onderzoek2025-2027Lopend13In 2025-2026 wordt door het SCP een grootschalig enquête-onderzoek uitgevoerd onder de Nederlandse bevolking (mèt en zonder migratieachtergrond) waarmee aspecten van de sociaal-culturele positie van de bevolking in kaart worden gebracht (zoals waardeoriëntaties, contacten, identificatie, et cetera). Deze dataverzameling vormt de basis voor onderzoeksanalyses naar samenleven en integratie in Nederland in de komende jaren.Evaluatie onderdeel «Subsidieregeling voor werkgevers» van het plan van aanpak «statushouders aan het werk»Ex-durante en ex-post evaluatie2023-2028Lopend13De maatregelen uit het intensiveringspakket van het plan van aanpak «Statushouders aan het werk» worden geëvalueerd. De evaluatie van de beleidsintensivering Subsidieregeling voor werkgevers is in 2025 van start gegaan en loopt door tot 2028 wanneer het eindrapport wordt opgeleverd. Eind 2025 wordt een tussenrapportage opgeleverd. De tussenrapportage wordt onder andere gebruikt om te bezien of de voorwaarden van de regeling tussentijds moeten worden gewijzigd om de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regeling te verbeteren.Actualisatie verkenning bevolking 2025Ex-durante monitoring en ex-post evaluatie2023-2033Lopend13De beleidsinformatiestructuur brengt de ontwikkeling van de maatschappelijke problematiek in de tijd in kaart en levert aanknopingspunten voor het beleid op. Dat gebeurt enerzijds aan de hand van een periodieke beschrijvende analyse van de demografische ontwikkeling. Anderzijds gebeurt dat door het uitvoeren van verdiepende analyses van de maatschappelijke gevolgen van die demografische ontwikkeling op uiteenlopende maatschappelijke terreinen, die aanknopingspunten opleveren voor beleidsinstrumentering.InburgeringStatistiek Wet inburgeringEx-durante evaluatiejaarlijksLopend13Kwantitatief onderzoek op basis van de Statistiek Wet inburgering. Het CBS publiceert in de periode 2023-2027 jaarlijks over deze statistiek in de vorm van een interactief dashboard. Hiermee wordt inzicht gekregen in de doeltreffendheid van de Wi2021 in termen van het voldoen aan de inburgeringsplicht, de behaalde taalniveaus, de arbeidsparticipatie en de doorstroom naar vervolgonderwijs.Tussenevaluatie Wet inburgering 2021Ex-durante evaluatie2025-2026Lopend13Dit is een synthese-studie van alle uitgevoerde deelonderzoeken in het kader van de monitoring en evaluatie van de Wi2021. Het geeft een eerste beeld van de werking, doeltreffendheid en doelmatigheid van de Wi2021.Onderzoek kosten gemeenten bij uitvoering Wi2021Ex-durante evaluatie2025-2026Lopend13Met de VNG is afgesproken 3 jaar na de start van de Wi2021 een onderzoek naar de betaalbaarheid van het inburgeringsstelsel uit te voeren. Dit onderzoek wordt ook gebruikt als input voor de tussenevaluatie.Onderzoek onderwijsrouteEx-durante evaluatie2026Te starten13Nog nader uit te werken onderzoek naar de werking en doeltreffendheid van de onderwijsroute, één van de drie leerroutes die in de Wi2021 onderscheiden worden.MarktmonitorEx-durante evaluatie2023-2027Lopend13Onderzoek naar ontwikkelingen en werking van de markt van inburgeringsaanbod, met vijf rapportages, waarvan de laatste in 2027 wordt opgeleverd.Onderzoek perspectief inburgeraarsEx-durante evaluatie2023-2027Lopend13Onderzoek naar de ervaringen van inburgeraars met de Wet inburgering 2021, met rapportages in 2023, 2024, 2025 en 2027. De hoofdvraag van dit onderzoek is: In hoeverre werkt de Wet inburgering 2021 vanuit het perspectief van de inburgeraar zoals de wetgever heeft beoogd?Wetsevaluatie Wi2021Ex-durante en ex-post evaluatie2027-2028Te starten13Onderzoek naar de werking, doelbereik, doeltreffendheid en doelmatigheid van de Wi2021. Verplichting op basis van artikel 53 Wi2021. Doeltreffendheid op basis van vergelijking Wi2013 – Wi2021 en wederom een synthese van uitgevoerde onderzoeken.210Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Thema 13: Uitvoering SUWI-stelselThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelPeriodieke rapportage uitvoering SUWI-stelselEx-post evaluatie2025-2026Lopend11De periodieke rapportage over de uitvoering van het SUWI-stelsel is een synthese-onderzoek dat wordt gecombineerd met de evaluatie van de Wet SUWI en de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de ZBO's UWV en SVB conform artikel 39 van de Kaderwet zbo’s. In de periodieke rapportage en de evalutie van de Wet SUWI zal worden ingegaan op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de incidentele middelen die SZW heeft ontvangen in het kader van het programma Werk aan Uitvoering. In de periodieke rapportage zal eveneens aandacht worden besteed aan de verbeteracties die het kabinet heeft ingezet in het kader van de rapporten Werk aan Uitvoering, het rapport van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het rapport van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties. Met deze acties heeft het kabinet geïnvesteerd in verbetering van de uitvoering en een flinke impuls aan de uitvoering gegeven. Uit de periodieke rapportage Uitvoering SUWI-stelsel moet blijken of dit inderdaad een positief effect heeft gehad op de werking van het SUWI-stelsel.Evaluatie van het terugvorderingsbeleidEx-post evaluatie2025LopendmeerdereSZW wil onderzoek laten uitvoeren naar de effecten van het huidige terugvorderingsbeleid in de praktijk in den brede. Het doel van dit onderzoek is het vergroten van de effectiviteit van het terugvorderingsbeleid door de effecten van het terugvorderingsbeleid in de praktijk in kaart te brengen. Op basis van de bevindingen kunnnen verbetering in het terugvorderingsbeleid doorgevoerd worden.Wat kopen we in voor wie?Ex-durante evaluatie2026Lopend3,4,6UWV probeert om zoveel mogelijk mensen met een arbeidsbeperking te ondersteunen naar werk. Dit doet UWV onder andere door het inkopen van dienstverlening bij re-integratiebedrijven. Dit onderzoek beschrijft de ontwikkeling en verantwoording van het aantal ingekochte re-integratiediensten. Ook kijkt het onderzoek naar hoe succesvol deze diensten zijn en hoeveel mensen werk hebben gevonden. Verder onderzoeken we hoe we mensen kunnen helpen die (nog) niet aan het werk zijn gegaan. Dit onderzoek is een vervolg op het eerdere onderzoek uit 2020. Het onderzoek zal waarschijnlijk na half 2026 gepubliceerd worden.Doelmatigheid uitvoering SUWI-stelselEx-post evaluatie2024-2026Lopend11In dit onderzoek wordt gekeken naar de productiviteitsontwikkeling bij de ZBO's UWV en SVB in de periode tot 2024.Doeltreffendheid gegevensuitwisseling binnen het SUWI-stelselEx-post evaluatie2024-2026Lopend11Bureau InformatieDiensten Nederland (BIDN) en Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen (BKWI) zijn uitvoeringsorganisaties binnen het SUWI-stelsel. Zij spelen een belangrijke rol bij de gegevensuitwisseling in het sociale zekerheidsstelsel. Deze evaluatie kijkt naar de doeltreffendheid van deze organisaties.Brede synthesestudie re-integratieEx-post evaluatie2027-2028Te startenmeerdereIn deze synthesestudie worden de kennislacunes op het gebied van re-integratie in kaart gebracht en waar mogelijk ingevuld met bestaand onderzoek. Hiervoor zal onder andere gebruik worden gemaakt van de volgende periodieke rapportages: jonggehandicapten, ziekte en arbeidsongeschiktheid werknemers, armoede en schulden, uitvoering SUWI-stelsel, bijstand en participatie en werkloosheid werknemers.Effectiviteitsonderzoek sollicitatieplichtEx-post evaluatie2024-2029Lopend5We voeren een omvangrijk, meerjarig effectiviteitsonderzoek uit naar de sollicitatieverplichting van de WW. Middels een experimentele onderzoeksopzet onderzoeken we de effectiviteit van de huidige invulling van de inspanningsplicht in de vorm van de sollicitatieplicht en de effectiviteit van een andere invulling van de plicht. Daarbij is meer aandacht voor maatwerk en sturing op de kwaliteit van het werkzoekgedrag.Evaluatie van de pilot brede inzet van re-integratieinstrumenten voor IVA/DGAEx-post evaluatie2023-2029Lopend3,4De pilot maakt re-integratiedienstverlening aan mensen met een WIA-IVA-uitkering of een Wajong-DGA-uitkering mogelijk. Het doel van deze evaluatie is om inzicht te krijgen in welke mate deelnemers met behulp van ondersteuning werk kunnen vinden, verrichten en behouden, of de dienstverlening aansluit bij hun behoeften, en om inzicht te krijgen in overige (indirecte) maatschappelijke en individuele baten. Deelnemers worden gedurende de pilot gemonitord. Op basis van de tussenevaluatie besluiten de bewindspersonen of UWV structureel re-integratie instrumenten inzet voor deze groepen. De uitkomst delen de bewindspersonen uiterlijk in april 2026 met de Tweede Kamer. De eindevaluatie van de pilot sturen zij uiterlijk 1 april 2029 naar de Eerste en Tweede Kamer.Evaluatie Hervorming ArbeidsmarktinfrastructuurEx-durante en ex-post evaluatie2024-2031Lopend2Het onderzoek geeft zicht op de werkende mechanismen van de hervorming arbeidsmarktinfrastructuur en voorziet in de wettelijke verplichting voor evaluatie van nieuw beleid. Met de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur wil SZW de arbeidsmarktdienstverlening in arbeidsmarktregio’s verbeteren. De hervorming verbetert de samenwerking in de arbeidsmarktdienstverlening aan bedrijven, werkzoekenden en werkenden, in het bijzonder aan mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Om de hervorming tot stand te brengen werkt SZW aan verschillende maatregelen met ieder een eigen beleidsambitie. Het gewenste resultaat bestaat uit ten minste twee ‘hoofdproducten’. Hoofdproduct 1 is de evaluatie van de werking van het impulsbudget, een van de onderdelen van de brede hervormingsagenda. Hoofdproduct 2 is een evaluatie van een pakket aan maatregelen van de hervorming arbeidsmarktinfrastructuur.211Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Thema 14: Werk aan UitvoeringThemaType onderzoekLooptijdStatusBegrotingsartikelWerk aan uitvoeringOverig onderzoek2030Te starten11Dit onderzoek richt zich op het Werk aan Uitvoering (WaU) middelen. Deze zijn toegekend over de periode 2022-2031 en hebben het doel de publieke dienstverlening duurzaam te verbeteren. In het onderzoek wordt onder andere gekeken naar het effect van de bestede WaU-middelen, en wordt bezien op welke wijze impact en doelmatigheid in beeld gebracht kan worden. Departementale evaluaties van de WaU-middelen vormen de basis van het onderzoek.212Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijlage 5: Conversietabel inburgeringOnderstaande tabel toont de reeksen op het terrein van inburgering die vanaf het jaar 2026 worden overgeheveld van de begroting van JenV naar de begroting van SZW.Tabel 145 Conversietabel inburgeringBegrotingsnummers (nieuw, oud)ArtikelnaamOmschrijving20252026202720282029203015SZWVerplichtingen420.392352.211345.366312.181271.4726JenVVerplichtingen526.14215SZWUitgaven421.392353.211345.366312.181271.4726JenVUitgaven527.14215SZWOntvangsten3.0003.0003.0003.0003.0006JenVOntvangsten72.212Beleidsartikelen (uitsplitsing)15.13Integratie en maatschappelijke samenhangverplichtingen419.857349.001341.643308.458267.7496.38Asiel en Migratieverplichtingen525.82415.13Integratie en maatschappelijke samenhanguitgaven420.857350.001341.643308.458267.7496.38Inburgeringuitgaven526.82415.13Integratie en maatschappelijke samenhang420.857350.001341.643308.458267.7496.38.2InburgeringInburgering526.82415.13.0.18Integratie en maatschappelijke samenhangBijdrage aan Agentschappen29.59526.25625.44525.44525.4456.38.2.1InburgeringBijdrage aan Agentschappen29.26415.13.0.18.1Integratie en maatschappelijke samenhangAgentschap DUO29.59526.25625.44525.44525.4456.38.2.1.20InburgeringDUO29.26415.13.0.15Integratie en maatschappelijke samenhangBijdrage aan ZBO's/RWT's63.57135.45335.45335.45335.4536.38.2.2InburgeringBijdrage aan ZBO’s/RWT’s59.62815.13.0.15.1Integratie en maatschappelijke samenhangCOA63.57135.45335.45335.45335.4536.38.2.2.20InburgeringCOA59.62815.13.0.19Integratie en maatschappelijke samenhangBijdrage aan medeoverheden290.878261.311255.009222.489181.7806.38.2.3InburgeringBijdrage aan medeoverheden382.49715.13.0.19.1Integratie en maatschappelijke samenhangGemeenten maatschappelijke begeleiding000006.38.2.3.20InburgeringMaatschappelijke begeleiding2213Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Begrotingsnummers (nieuw, oud)ArtikelnaamOmschrijving20252026202720282029203015.13.0.19.2Integratie en maatschappelijke samenhangGemeenten inburgeringsvoorzieningen290.878261.311255.009222.489181.7806.68.2.3.21InburgeringInburgeringsvoorzieningen367.01615.13.0.19.3Integratie en maatschappelijke samenhangSpecifieke uitkering onderwijsroute000006.38.2.3.22InburgeringOnderwijsroute15.47915.13.0.12Integratie en maatschappelijke samenhangSubsidies12.7247.6587.2076.6676.6676.38.2.4InburgeringSubsidies15.36515.13.0.12.5Integratie en maatschappelijke samenhangVroege Integratie en Participatie12.2177.6587.2076.6676.6676.38.2.4.20InburgeringVroege Integratie12.89615.13.0.12.4Integratie en maatschappelijke samenhangOverige subsidies algemeen50700006.38.2.4.29InburgeringOverig2.46915.13.0.13Integratie en maatschappelijke samenhangOpdrachten7.7416.7906.7906.7906.7906.38.2.5InburgeringOpdrachten11.05815.13.0.13.1Integratie en maatschappelijke samenhangInburgering en Integratie7.7416.7906.7906.7906.7906.38.2.5.20InburgeringInburgering en Integratie11.05815.13.0.22Integratie en maatschappelijke samenhangLeningen16.34812.53311.73911.61411.6146.38.2.6InburgeringLeningen29.01215.13.0.22.1Integratie en maatschappelijke samenhangDUO16.34812.53311.73911.61411.6146.38.2.6.20InburgeringDUO29.01215.96Apparaat kerndepartementverplichtingen1311311311311316.91.1Apparaat kerndepartementverplichtingen13115.96Apparaat kerndepartementuitgaven1311311311311316.91.1Apparaat kerndepartementuitgaven13115.96.0.20Apparaat kerndepartementApparaat kerndepartement1311311311311316.91.1.1Apparaat kerndepartementApparaat kerndepartement13115.96.0.20.1Apparaat kerndepartementApparaat kerndepartement1311311311311316.91.1.1.11Apparaat kerndepartementApparaat kerndepartement13115.99.0.21.11Nog onverdeeldverplichtingen4043.0793.5923.5923.5926.92.1Onverdeeldverplichtingen187214Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Begrotingsnummers (nieuw, oud)ArtikelnaamOmschrijving20252026202720282029203015.99.0.21.11Nog onverdeelduitgaven4043.0793.5923.5923.5926.92.1Onverdeelduitgaven18715.99.0.21Nog onverdeeld4043.0793.5923.5923.5926.92.1.1OnverdeeldOnverdeeld18715.99.0.21.11Nog onverdeeldProgramma4043.0793.5923.5923.5926.92.1.1.11OnverdeeldOnverdeeld187Ontvangsten15.13Integratie en maatschappelijke samenhangOntvangsten3.0003.0003.0003.0003.0006.38InburgeringOntvangsten72.212215Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 Bijlage 6: Lijst van afkortingenLijst van afkortingenAfkortingBetekenisAenM(Ministerie van) Asiel en MigratieAFMAutoriteit Financiële MarktenAIOAanvullende Inkomensvoorziening OuderenAKWAlgemene KinderbijslagwetAnwAlgemene Nabestaandenwet / NabestaandenfondsAOArbeidsongeschiktheid, of Algemeen OverlegAofArbeidsongeschiktheidsfondsAOVAlgemene Ouderdomsverzekering Caribisch Nederland, of ArbeidsongeschiktheidsverzekeringAOWAlgemene Ouderdomswet / OuderdomsfondsArboArbeidsomstandighedenARIEAanvullende Risico-Inventarisatie en -EvaluatieASBAssurantiebelastingATWArbeidstijdenwetavvWet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomstenAWfAlgemeen WerkloosheidsfondsAWWAlgemene Weduwen- en Wezenverzekering Caribisch Nederland, of Algemene Weduwen en WezenwetAzcAsielzoekerscentrumBAZBasisverzekering voor arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigenBbzBesluit bijstandsverlening zelfstandigenBESBonaire, Sint-Eustatius en Saba (samen Caribisch Nederland)BIDNBureau InformatieDiensten NederlandBIKKBijdrage in kosten kortingenBIOBaseline Informatiebeveiliging OverheidBKWIBureau Keteninformatisering Werk en InkomenBMIPBrabants Migratie InformatiepuntBrzoBesluit risico’s zware ongevallenBZK(Ministerie van) Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiescaoCollectieve arbeidsovereenkomstCASSAdministratief Centrum voor de sociale zekerheid van de RijnvarendenCBSCentraal Bureau voor de StatistiekCbwCyberbeveiligingswetCJIBCentraal Justitieel IncassobureauCMDCommon Mental DisorderCNCaribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius, Saba)COACentraal Orgaan opvang AsielzoekersCPBCentraal PlanbureauCRTV LAOCompensatieregeling transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheidCSEChronic solvent-induced encephalopathy, een aandoening van het centrale zenuwstelsel als gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelenCtgbCollege voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biocidenCWComptabiliteitswetDBADeregulering Beoordeling ArbeidsrelatiesDGADuurzaam geen arbeidsvermogenDIDuurzame inzetbaarheidDKIZDubbele kinderbijslag intensieve zorgDMSDocument ManagementsysteemDNBDe Nederlandsche BankDUDecentralisatie-uitkeringDUODienst Uitvoering Onderwijs216Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 AfkortingBetekenisEEREuropese Economische RuimteEMUEconomische en Monetaire UnieEPAErnstige psychische aandoeningESB-regelingSubsidieregeling voor scholing en re-integratie van personen met arbeidsbeperkingen en ernstige scholingsbelemmeringenESFEuropees Sociaal FondsESF+Europees Sociaal Fonds PlusEUEuropese UnieEZ(Ministerie van) Economische ZakenG&VWGezond en Veilig WerkenGasGeldzorgen Armoede en SchuldenGGDGemeentelijke of Gemeenschappelijke GezondheidsdienstGGZGeestelijke gezondheidszorgGIPsGrensinformatiepuntenGWVGenerieke WerkgeversvoorzieninghavoHoger algemeen voortgezet onderwijsHLAHoofdlijnenakkoordIASInstituut AsbestslachtoffersIBOInterdepartementaal BeleidsonderzoekIBPInformatiebeheerplanIHHInformatiehuishoudingIOAWInkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze WerknemersIOAZInkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen ZelfstandigenIOEInspectie Overheidsinformatie en ErfgoedIOWInkomensvoorziening Oudere WerklozenIPSIndividuele Plaatsing en SteunISBGInstituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke StoffenIUIntegratie-uitkeringIVAInkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschiktenJenV(Ministerie van) Justitie en VeiligheidJeugd-LIVTegemoetkoming verhoging minimumjeugdloon, of MinimumjeugdloonvoordeelKGG(Ministerie van) Klimaat en Groene GroeiKOKinderopvangKOTKinderopvangtoeslagKS-IHHKwaliteitssysteem informatiehuishoudingLAOLangdurige arbeidsongeschiktheidLCRLandelijke CliëntenraadLIVLage-inkomensvoordeelLKKLandelijke Kwaliteitsmonitor KinderopvangLKSLoonkostensubsidieLKVLoonkostenvoordelenLLOLeven Lang OntwikkelenLOCOVLongitudinaal Onderzoek Cohort Oekraïense VluchtelingenLOCSLongitudinaal Onderzoek Cohort StatushoudersLRKLandelijk Register KinderopvangLVVN(Ministerie van) Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en NatuurM&E-planMonitoring- en evaluatieplanmbomiddelbaar beroepsonderwijsMCKWMobiliteitscentrum Kolenketen WesthavenMDIEUMaatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittredenMEVMacro-economische VerkenningMIPMeerjarig investeringsprogrammaMkbMidden- en kleinbedrijf217Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 AfkortingBetekenisMlnMiljoenNibudNationaal instituut voor budgetvoorlichtingNLNederlandNLANederlandse ArbeidsinspectieNOWTijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor WerkgelegenheidNPLVNationaal Programma Leefbaarheid en VeiligheidNvWNota van wijzigingOBROverbruggingsregeling AOWOCTASOnafhankelijke commissie toekomst arbeidsongeschiktheidsstelselOCW(Ministerie van) Onderwijs, Cultuur en WetenschapOoOOpen en op OrdeOPSOrgano Psycho SyndroomOVOngevallenverzekering Caribisch NederlandP&C-cyclusPlanning- en controlcyclusPgbPersoonsgebonden budgetPGVStichting Projectenbureau Publieke Gezondheid van de Vereniging van Publieke Gezondheid en Veiligheid NederlandPIPPlan Inburgering en ParticipatiePMMProfessionals voor Maatwerk MultiproblematiekPOKParlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslagPRKPersonenregister KinderopvangpSGPlaatsvervangend secretaris-generaalPWRIPensioenfonds Werk en (Re-)IntegratieRBKRegister Buitenlandse KinderopvangRBVRijksbegrotingsvoorschriftenRCNRijksdienst Caribisch Nederland (unit Sociale Zaken en Werkgelegenheid)REACH CLPRegistration, Evaluation, Authorisation en restriction of Chemicals and Classification, Labelling en PackagingRI&ERisico-inventarisatie en -evaluatieRISRapportage integratie en samenlevenRIVRe-integratieverslagRIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en MilieuRSORijksschoonmaakorganisatieRVORijksdienst Voor Ondernemend NederlandRVURegeling voor vervroegde uittredingRWTRechtspersoon met een Wettelijke TaakSBCMStichting Beheer Collectieve MiddelenSCPSociaal en Cultureel PlanbureauSEAStrategische Evaluatie AgendaSERSociaal-economische RaadSGSecretaris-generaalSIMSurvey Samenleven in MeervoudSiSaSingle information Single auditSLIMStimuleringsregeling leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingenSMC'sSociaal Medische centraSPUKSpecifieke UitkeringSSOShared Service OrganisatieSTAPStimulering ArbeidsmarktpositieSUWIStructuur Uitvoeringsorganisatie Werk en InkomenSVBSociale VerzekeringsbankSwSociale werkvoorzieningSZSociale ZekerheidSZI(Directoraat Generaal) Sociale Zekerheid en IntegratieSZW(Ministerie van) Sociale Zaken en WerkgelegenheidTASRegeling Tegemoetkoming AsbestslachtoffersTNOOrganisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek218Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2 AfkortingBetekenisTozoTijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemersTSBTegemoetkoming Stoffengerelateerde BeroepsziektenTVTransitievergoedingTWToeslagenwetTwvTewerkstellingsvergunningUfoUitvoeringsfonds voor de overheidUVBUitvoering Van BeleidUWVUitvoeringsinstituut WerknemersverzekeringenVbarVerduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoedenVIAVoor een Inclusieve ArbeidsmarktVNGVereniging van Nederlandse GemeentenVRIPVroege Integratie en ParticipatieVRO(Ministerie van) Volkshuisvesting en Ruimtelijke OrdeningVutVervroegde uittredingvwoVoorbereidend wetenschappelijk onderwijsVWS(Ministerie van) Volksgezondheid, Welzijn en SportWaadiWet allocatie arbeidskrachten door intermediairsWabWet arbeidsmarkt in balansWagwEUWet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese UnieWajongWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicaptenWamilWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairenWAOWet op de ArbeidsongeschiktheidsverzekeringWaU(Programma-directoraat-generaal) Werk aan UitvoeringWavWet arbeid vreemdelingenWAZWet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering ZelfstandigenWAZOWet Arbeid en ZorgWBOWet betaald ouderschapsverlofWfsvWet financiering sociale verzekeringenWGARegeling Werkhervatting Gedeeltelijk ArbeidsgeschiktenWGSWet gegevensverwerking door samenwerkingsverbandenWhkWerkhervattingskasWi2021Wet inburgering 2021WIAWet Werk en Inkomen naar ArbeidsvermogenWKBWet op het Kindgebonden BudgetWkoWet kinderopvangWlzWet langdurige zorgWmlWet minimumloon en minimumvakantiebijslag / Wettelijk minimumloonWobWet openbaarheid van bestuurWooWet open overheidWORWet op de OndernemingsradenWswWet sociale werkvoorzieningWtlWet tegemoetkomingen loondomeinWtpWet toekomst pensioenenWttaWet toelating ter beschikkingstelling van arbeidskrachtenWWWerkloosheidswetZBOZelfstandig BestuursorgaanZEZRegeling Zelfstandig En ZwangerZVZiekteverzekering Caribisch NederlandZVWZorgverzekeringswetZWZiektewetzzpZelfstandige zonder personeel219Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 2
Gerelateerde bronnen
- Bij de begroting van 2026 wordt nadere informatie toegestuurd over de invulling van de genoemde taakstelling bij SZW en de verschillende onderdelen.
Bij de begroting van 2026 wordt nadere informatie toegestuurd over de invulling van de genoemde taakstelling bij SZW en de verschillende onderdelen.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.