Nota naar aanleiding van verslag
Brontekst
Versie 90f61e3705395731 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 918Wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijkemaatregelen terrorismebestrijding in verbandmet de permanentmaking van die wet en enkeleandere wijzigingenNr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 17 juni 2026 I. Algemeen Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vastecommissie Justitie en Veiligheid. Daarbij ben ik uw commissie erkentelijkvoor de voortvarende behandeling van het wetsvoorstel, nu de huidigewet met ingang van 1 maart 2027 vervalt. De leden van de fracties vanD66, VVD, GroenLinks-PvdA, PVV, CDA, BBB en SGP hebben nog enkelevragen, die ik hierna zal beantwoorden.Bij de beantwoording is grotendeels de indeling van het verslag gevolgd,waarbij een nummering bij de gestelde vragen is aangebracht. Waar ditde duidelijkheid ten goede komt is een aantal vragen bij de beant-woording samengevoegd. De inhoud van het verslag is daarbij cursiefweergegeven.De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatre-gelen terrorismebestrijding in verband met de permanentmaking van diewet en enkele andere wijzigingen (hierna: het wetsvoorstel). Deze ledenonderschrijven het belang van een doelmatige en efficiënte aanpak vanterrorisme en extremisme om de nationale veiligheid te garanderen.Tegelijkertijd constateren voornoemde leden dat het wetsvoorstelingrijpende maatregelen bevat die tot een beperking van diversegrondrechten kunnen leiden, wat vraagt om een uitgebreide onder-bouwing van de noodzaak van het wetsvoorstel. De aan het woord zijndeleden zijn daarnaast van mening dat een doelmatige aanpak vanterrorisme vraagt om zowel het nemen van maatregelen met betrekkingtot de veiligheid als maatregelen met betrekking tot preventie. In dat kaderhebben deze leden nog enkele vragen.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Zij delen de noodzaak die de regering beschrijft omde Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (hierna:Twbmt) permanent te maken. Deze leden zien met de regering de kst-36918-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 71 blijvende noodzaak om te kunnen beschikken over bestuurlijke maatre-gelen ter bescherming van de nationale veiligheid. Zij stellen nog enkelevragen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingen ook enige verbazing kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deoorspronkelijke wet kende vanwege het vergaande karakter van de in diewet opgenomen bestuurlijke maatregelen die meerdere grondrechtenraakten, een horizonbepaling die de wet in 2022 deed vervallen. Uit dekritische evaluatie van die tijdelijke wet bleek toen al dat de bestuurlijkemaatregelen te weinig toegevoegde waarde hadden. Het wetsvoorstel totverlenging van de wet stuitte ook op kritiek van de Afdeling adviseringvan de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling achtte hetverlengingsvoorstel onvoldoende onderbouwd. De toen nog beide fractiesvan GroenLinks en PvdA stemden tegen het wetsvoorstel tot verlenging.Desalniettemin werd de tijdelijke wet in 2022 met vijf jaar verlengd.De tweede evaluatie van de Twbmt uit 2024 is wat de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie betreft duidelijk: de evaluatie wijst erop dat detijdelijke wet nauwelijks is «toegepast en dan vaak ook nog in aanvullingop een strafrechtelijk traject. De wet voorziet kennelijk niet in eenwerkelijke behoefte»1. Bovendien is uit de evaluatie niet gebleken «dat erterroristische activiteiten zijn ontplooid die met toepassing van de Twbmthadden kunnen worden voorkomen»2. En «[g]een van de door onsgeïnterviewde professionals van gemeenten, de politie of Zorg- enVeiligheidshuizen, die op lokaal niveau betrokken zijn bij de aanpak vanradicalisering, heeft aangegeven grote behoefte te hebben aan de wet. Ditrechtvaardigt de algemene conclusie dat de Twbmt geen noodzakelijkinstrument is in de bestrijding van terroristische activiteiten»3.Daarnaast is gebleken dat ook de rechter in meerdere gevallen heeftgeoordeeld dat er onvoldoende onderbouwing was voor een maatregel.Ook wordt er in de evaluatie op gewezen dat artikel 38z van het Wetboekvan Strafrecht inmiddels is gaan voorzien in de mogelijkheid «om inafgeronde strafzaken met betrekking tot terroristische misdrijven (mitsuitgemond in een veroordeling tot een vrijheidsstraf of tbs) blijvendgedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende maatregelen toe tepassen»4. En als er in een strafzaak met betrekking tot een terroristischmisdrijf geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, geldt ooknaar de mening van deze leden dat het strafrecht het ultimum remediummoet blijven en is een bestuursrechtelijke maatregel die na een strafrech-telijk vonnis zou moeten komen, dus ongewenst. Ten slotte stuit hetvoorliggend wetsvoorstel nu wéér op een kritisch advies van de Afdeling.Voornoemde leden kunnen zich aansluiten bij de woorden van deAfdeling, namelijk dat er «geen reden [is] om af te zien van de eerder naarvoren gebrachte vraagtekens bij deze wettelijke maatregelen, temeer nietnu wordt voorgesteld de wet permanent te maken». Temeer ook daar devoorgestelde bestuurlijke maatregelen meerdere grondrechten raken, ziende aan het woord zijnde leden geen reden om de tijdelijke wet permanentte maken.Vraag 1Zij vragen de regering het wetsvoorstel beter te onderbouwen anders dande redenering dat het handig kan zijn «voor het geval dat» om de1Evaluatie van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, Nood zoekt wet,juli 2024, bijlage bij Kamerstuk 29 754, nr. 730, p. 153.2Idem.3Idem.4Idem, p. 154.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 72 bestuurlijke maatregelen alvast in de spreekwoordelijke gereedschapskistte hebben.De regering stelt vast dat er sprake is van een aanhoudende en verande-rende terroristische dreiging, waarover periodiek wordt gerapporteerd inhet Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN). Een Dreigingsbeeld kanin de loop der jaren fluctueren. Dit neemt niet weg dat ook bij een lagerdreigingsniveau er personen kunnen zijn ten aanzien van wie het terbescherming van de nationale veiligheid noodzakelijk kan zijn eenmaatregel op te leggen. De frequentie van de noodzaak tot het opleggenvan een maatregel kan daarbij ook fluctueren. Daarnaast geldt dat de tebeschermen belangen groot zijn, wat het behoud van de wet ook bij eenlagere frequentie van toepassing rechtvaardigt. Uit de verschillende DTN’sdie de afgelopen jaren zijn verschenen blijkt echter dat de terroristischedreiging onverminderd hoog is. Om de terroristische dreiging het hoofd tekunnen bieden blijft een brede aanpak nodig, waaronder het kunnennemen van preventieve maatregelen. De Twbmt vormt daar naar hetoordeel van de van de regering een onmisbaar onderdeel van.Recente inzet van maatregelen bij een aantal terrorismeveroordeeldenmet een hoog dreigingsprofiel zonder verblijfsrecht, waarbij anderinstrumentarium om de dreiging uitgaande van deze personen temitigeren ontbrak, laat zien dat de wet nog steeds noodzakelijk is. Hetstrafrecht is niet in alle gevallen inzetbaar of een oplossing waar het gaatom preventieve maatregelen. Dat geldt ook ten aanzien van de hierbovengenoemde voorbeelden. Indien er bij het vonnis geen gedragsbeïnvloe-dende en vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd, is de inzet vanstrafrecht na detentie alleen aan de orde bij nieuwe strafbare feiten. Deinzet van de Twbmt is nodig om het zicht op deze personen te behoudenen risico’s te mitigeren. Met name bij deze specifieke doelgroep is er danook een belangrijke noodzaak, wat ook uw Kamer benadrukt, om zicht tehouden en hun dreiging voor de nationale veiligheid te beperken.Overigens neemt dat niet weg dat ook in andere situaties de inzet van dewet ter bescherming van de nationale veiligheid noodzakelijk kan zijn. Opdit moment geldt echter dat specifiek deze groep maatregelen vergt.Daarbij wordt benadrukt dat het gaat om bestuurlijke maatregelen diepreventief kunnen worden ingezet en nadrukkelijk geen punitief oogmerkhebben.Tot slot dient te worden benadrukt dat indien «voor het geval dat»betekent dat de maatregelen uit de wet alleen worden ingezet indien ditnoodzakelijk is ter bescherming van de nationale veiligheid, dit geennegatief uitgangspunt is. Juist omdat het gaat om vrijheidbeperkendemaatregelen wordt met de toepassing van die maatregelen zorgvuldigomgegaan en juist omdat de te beschermen belangen die op het spelstaan groot zijn, is het noodzakelijk dat het instrumentarium behoudenblijft.Vraag 2Deelt de regering de mening van deze leden dat het in het kader van hetvoorkomen van terroristische aanslagen effectiever is om te voorkomendat mensen afglijden naar terroristisch gedachtegoed en gedrag? Zo ja,hoe gaat de regering daar gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?Het uitgangspunt is dat wordt voorkomen dat personen radicaliserenrichting extremisme en/of terrorisme. Preventie kent verschillende fasenen een brede en gerichte inzet. Inzet op al deze fasen is van belang omons land veilig te houden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 73 Het voorkomen van radicalisering begint in de eerste plaats bij dezogenoemde brede preventie: het bevorderen van veerkracht enweerbaarheid. Deze vorm van preventie ziet op het versterken vanbeschermende factoren en het verminderen van voedingsbodems vooronder andere (maar niet enkel) radicalisering. Dit vraagstuk is niet enkelgericht op veiligheid, maar is ook nauw verbonden met het sociaal,onderwijs- en zorgdomein en sluit dan ook aan op bredere programma’sdie welzijn, samenleven of democratisch burgerschap in algemene zinbevorderen. Een voorbeeld hiervan is de Agenda Veerkrachtige enWeerbare Samenleving, die als doel heeft om kennis en instrumenten tebieden aan gemeenten en professionals om de veerkracht enweerbaarheid van individuen en groepen te vergroten. Daarnaast richtbijvoorbeeld de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) zich op hetversterken van de sociale stabiliteit en daarmee veerkracht in de samen-leving inzake maatschappelijke spanningen, polarisatie, preventie vanondermijning en radicalisering. Tot slot speelt ook het onderwijs een groterol in het versterken van (digitale) weerbaarheid en burgerschapson-derwijs.Naast deze brede vorm van preventie, focust de lokale aanpak radicali-sering, extremisme en terrorisme op gerichte preventie. Deze preven-tiefase heeft als doel te voorkomen dat personen radicaliseren of verdergaan in hun radicaliseringsproces. Om dit te kunnen bewerkstelligenwordt onder andere ingezet op:•het zicht verkrijgen op vatbare individuen in vatbare omgevingen en/ofpersonen die zich in gemeenten bevinden,•het uitvoeren van projecten en interventies voor deze personen,gericht op het versterken van beschermende factoren,•het vergroten van inzicht in effectieve preventieve interventies gerichtop deze groepen en/of personen,•het versterken en onderhouden van kennis, vaardigheden, vertrouwenen samenwerking in het netwerk,•het evalueren en bijschaven van interventies en het bouwen aanbestuurlijk draagvlak.Onderdeel van de lokale aanpak radicalisering, extremisme en terrorismeis de persoonsgerichte aanpak radicalisering (PGA). Het doel van de PGAis het tegengaan van radicalisering en het voorkomen van (gewelddadig)extremisme en terrorisme, door gezamenlijke inspanning van lokaleketenpartners. De PGA is een integrale, op de persoon of zijn of haardirecte omgeving toegesneden mix van bestuursrechtelijke, strafrechte-lijke, zorg- en overige interventies. Hierin werken diverse organisatiesvanuit verschillende disciplines samen, zoals bestuur (gemeente),strafrecht (de politie, het OM) en zorg (zoals GGZ-partners).5 De grondslagvan de PGA is gelegen in de Wet gegevensverwerking persoonsgerichteaanpak radicalisering en terroristische activiteiten.Een groot deel van de aanpak is gericht op het voorkomen van radicali-sering en het tegengaan van verdere radicalisering in verschillende fasen.De Twbmt vindt zijn plaats in het laatste stukje van de preventieve fase,daar waar preventie gericht op een persoon noodzakelijk is om denationale veiligheid te beschermen.De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel en hebben hierover enkele vragen.5Overige betrokken partners kunnen zijn: Raad voor de Kinderbescherming, ReclasseringNederland, gemeentelijke diensten (sociaal domein, wet maatschappelijke ondersteuning,onderwijs/leerplicht), het landelijk steunpunt extremisme (LSE), de vreemdelingenketen,theologen, jongerenwerkers, jeugdbescherming, Veilig Thuis, NCTV, Koninklijke Marechaussee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 74 De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen aan de regering over dit wetsvoorstel.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel en hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel.1. Inleiding De leden van de D66-fractie merken op dat bij de invoering van deTwbmt is benoemd dat de bestuurlijke maatregelen niet los kunnenworden gezien van het gehele palet aan maatregelen om radicaliseringtegen te gaan. Deze leden delen de mening dat een effectieve aanpak vanterroristisch en extremistisch gedachtegoed vraagt om zowel maatregelenmet betrekking tot het beschermen van de nationale veiligheid alsmaatregelen ten behoeve van preventie.Vraag 3Voornoemde leden vragen de regering dan ook het volledige pakket aanmaatregelen uiteen te zetten waarbinnen de bestuurlijke maatregelen eenrol vervullen en vragen de regering daarbij expliciet uiteen te zetten welkemaatregelen worden getroffen ten behoeve van preventie van radicali-sering.Zoals geschetst bij de beantwoording van de vragen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie onder 2 wordt er in verschillende faseningezet op preventie. De Twbmt is een vorm van gerichte preventie op eenindividu. Het doel van de Twbmt ziet op het beschermen van de nationaleveiligheid tegen mogelijk extremistisch of terroristisch geweld, dat metandere maatregelen, zoals het strafrecht, (nog) niet kan worden wegge-nomen. De maatregelen hebben een preventief karakter, enkele maatre-gelen kunnen ook ingezet worden na detentie wanneer een veiligere-integratie centraal staat. Onderstaand worden diverse (niet limitatieve)preventieve en repressieve maatregelen in de fase van de PGA geschetst.Voorbeelden van preventieve interventies/activiteiten door sociaal- enzorgdomein betreffen:•Familie- en netwerkondersteuning;•Gezinsbegeleiding;•Coaching vanuit jongerenwerk;•Theologische/ideologische begeleiding;•Sociaal-emotionele vaardigheden verbeteren;•Praktische ondersteuning bij het zoeken van een woning, werk ofschuldenproblematiek;•Vrijwillige zorg in overleg met betrokkene (bijv. gesprekken met eenbehandelaar of opname in een GGZ-instelling);•Bemoeizorg (dit kan ook zien op hulp bij sociale problemen, zoalsschulden);•Zorgmachtiging, crisismaatregel;•Aanmelding bij het Zorg- en Veiligheidshuis voor de levensloopaan-pak;•Zorgmaatregelen via de Wet verplichte GGZ (Wvggz);•Gecoördineerde aanpak in het geval van meervoudige problematiekvia de Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams).De inzet op deze interventies kan worden afgestemd in het lokalecasusoverleg radicalisering, zoals geregeld in de Wet gegevensverwerkingpersoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 75 Binnen de diverse rechtsgebieden (bestuursrecht en strafrecht) is de inzetvan veiligheidsmaatregelen mogelijk. CTER specifieke interventies, naastde Twbmt, zijn:•Artikel 23 van de Paspoortwet: het bemoeilijken van zowel de uitreisvan personen naar terroristische strijdgebieden als eventueleongeziene terugkeer uit strijdgebied.•Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN): het intrekken van hetNederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, en 14, vierde lid,RWN.•Bevriezingsmaatregel: bevriezen van financiële tegoeden van personendie opgenomen zijn op de nationale sanctielijst.•Strafrechtelijke maatregelen: bij verdenking van strafbare feiten.Specifiek voor terroristische misdrijven geldt artikel 83 van hetWetboek van Strafrecht.Hierbij dient te worden opgemerkt dat de inzet van deze interventiesafhankelijk is van de beschermende en risicofactoren van de betrokkenen.Bij de inzet van interventies wordt altijd gekeken naar proportionaliteit ensubsidiariteit.Vraag 4Hoe beoordeelt de regering de balans tussen veiligheidsmaatregelenenerzijds en de inzet op preventie anderzijds? Is deze balans met hethuidige wetsvoorstel voldoende gewaarborgd?Preventie en repressie gaan hand in hand. De beantwoording van devragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onder 2 en deleden van de D66-fractie onder 3 laat zien dat er binnen het brede paletvan interventies veel mogelijkheden op het gebied van preventie zijn. Inminder gevallen zijn repressieve maatregelen, zoals het strafrecht vantoepassing. De Twbmt vormt een brug tussen deze twee vormen vanmaatregelen: daar waar de preventieve interventies door het sociaal- enzorgdomein niet meer toereikend zijn om een dreiging te beperken, maarwaar repressieve maatregelen zoals het strafrecht nog niet (of niet langer)in beeld komen. Dit past bij de aard van de Twbmt, in het uiterstespectrum van preventieve maatregelen: daar waar overige interventiesniet toereikend zijn, nog geen sprake is van een strafbaar feit, maar er welop een individu gerichte interventies nodig zijn om gevolgen voor denationale veiligheid te voorkomen, zoals in gevallen waarin de strafrechte-lijke detentie is geëindigd, maar er nog steeds sprake is van een risicovoor de nationale veiligheid.De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering de noodzaak van deTijdelijke wet onderschrijft door te verwijzen naar het DreigingsbeeldTerrorisme Nederland (hierna: DTN) van juni 2025, waaruit blijkt dat dejihadistische dreiging van geradicaliseerde individuen in Nederlandonverminderd hoog is.Vraag 5Kan de regering bevestigen dat dit beeld vrijwel onveranderd is aan dehand van het DTN van december 2025? Is er sindsdien sprake van anderesoorten dreigingen, een afname of intensiteit van bepaalde vormen vanjihadisme?De terroristische dreiging tegen Nederland is sinds de publicatie van hetDTN in juni 2025 nog steeds hoog. Het dreigingsniveau is in december2025 opnieuw als substantieel aangemerkt. Naast dreiging vanuit hetjihadisme blijft er een terroristische dreiging uitgaan van aanhangers vanrechts-terroristisch gedachtegoed en van een klein deel geweldsbereideanti-institutioneel extremisten. Ten slotte kunnen aanslagplegersTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 76 gedreven worden door persoonlijke omstandigheden of handelen uit eenfascinatie voor nihilistisch geweld.62. Terroristische dreiging en contraterrorisme 2.1 Aanhoudende dreiging De leden van de D66-fractie lezen dat de regering onder andere hethuidige dreigingsbeeld, de zorgen over online radicalisering en de relatiefsnel veranderende omstandigheden in de wereld benoemt als redenenom tot een andere weging te komen ten aanzien van de noodzaak voorbehoud van de Tijdelijke wet dan de onderzoekers in het evaluatierapport.Deze leden onderschrijven het dreigingsbeeld dat de regering schetst metbetrekking tot jihadistische, rechts-terroristische, anti-institutionele enandere groeperingen. Daarnaast delen voornoemde leden de zorgen overde snelheid van online radicalisering en de steeds grotere impact vansociale media op het ontwikkelen van extremistisch gedachtegoed. De aanhet woord zijnde leden zien echter niet hoe deze problematiek wordtondervangen met de permanentmaking van de Twbmt.Vraag 6Kan de regering uiteenzetten hoe de maatregelen in het onderhavigewetsvoorstel bijdragen aan het tegengaan van deze online ontwikke-lingen?De zorgen over de online dreiging nemen toe. Het online domein mist eencorrigerend geluid en wordt door extremisten en terroristen benut omhun ideologieën te verspreiden en om te rekruteren via sociale media enandere platformen. Online radicalisering blijft hierdoor vaak in eersteinstantie onopgemerkt voor de directe omgeving. Online radicaliseringblijft niet beperkt tot de digitale wereld, maar fungeert regelmatig als brugnaar fysieke dreigingen. Het is daarom essentieel om de stap van onlineuitingen naar gewelddadige actie te voorkomen. De Twbmt biedt ook devereiste maatregelen, zoals gebieds- of contactverboden, om debewegingsvrijheid van personen met een acuut online dreigingsprofiel inde fysieke wereld te beperken nog voordat zij tot actie overgaan. Zonderdeze wet ontstaat er een leemte wanneer een persoon weliswaarradicaliseert, maar (nog) niet strafrechtelijk vervolgd kan worden, ofwanneer hij is gestraft, maar nog steeds een risico vormt. Met bijvoor-beeld het opleggen van een meldplicht kan met betrokkene contact kanworden gelegd. Op deze manier kan risicogedrag, waaronder online, datkan uitmonden in geweldsbereidheid worden gesignaleerd met het oogop het mitigeren van het risico voor de nationale veiligheid dat van dezepersoon uitgaat.De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de regering concludeert datde maatregelen nog steeds noodzakelijk zijn met het oog op hetbestaande terroristische dreigingsniveau. Deze leden erkennen dat hetdreigingsniveau van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding enVeiligheid (hierna: NCTV) onverminderd hoog is. Tegelijkertijd bestaat demogelijkheid dat het dreigingsniveau in de toekomst zal afnemen.Vraag 7Kan de regering toelichten waarom desondanks is gekozen voor eenpermanente wet in plaats van een verlenging van de wet tot het dreigings-niveau substantieel is afgenomen? Is de regering van mening dat devoorgestelde maatregelen en de mogelijk daaraan verbonden inbreuk op6Bij nihilistisch geweld gaat het om het plegen van geweld omwille van het geweld, waarbijmisantropie en destructie van de maatschappij een voorname rol spelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 77 grondrechten nog steeds noodzakelijk, proportioneel en uitlegbaar zijnwanneer het dreigingsniveau sterk is afgenomen? Kan de regering dit perbestuurlijke maatregel toelichten?De regering heeft gekozen voor een permanente wettelijke regeling,omdat de terroristische dreiging tegen Nederland al gedurende langeretijd substantieel is en bovendien een veranderlijk en moeilijk voorspelbaarkarakter heeft. Uit de opeenvolgende Dreigingsbeelden TerrorismeNederland (DTN’s) blijkt dat de aard en verschijningsvorm van de dreigingvoortdurend veranderen, waardoor behoefte blijft bestaan aan eenduurzaam en flexibel bestuurlijk instrumentarium. Het kabinet acht hetdaarom niet wenselijk dat de beschikbaarheid van deze maatregelenafhankelijk blijft van periodieke verlengingen van tijdelijke wetgeving. Omdie reden is dan ook in het coalitieakkoord «Aan de slag, Bouwen aan eenbeter Nederland» de permanentmaking van de wet aangekondigd.Zoals ook aan bod kwam bij de beantwoording van de vragen van deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie onder 2 neemt een eventueleverlaging van het algemene dreigingsniveau niet weg dat zich nog steedsindividuele gevallen kunnen voordoen waarin sprake is van een concretedreiging voor de nationale veiligheid. Ook in dergelijke situaties acht deregering het noodzakelijk te kunnen beschikken over bestuurlijkemaatregelen om risico’s tijdig en proportioneel te beperken. Het algemenedreigingsniveau is niet bepalend voor de noodzaak van een maatregel ineen individueel geval, maar geeft in algemene zin aan welke dreigingenzich voordoen als gevolg waarvan de noodzaak tot inzet van maatregelenvoorstelbaar is.Voor alle bestuurlijke maatregelen uit de wet geldt dat toepassinguitsluitend mogelijk is indien in het concrete geval wordt voldaan aan devereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Iederemaatregel dient individueel gemotiveerd te worden waarbij rechterlijketoetsing mogelijk is. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventuele beper-kingen van grondrechten slechts plaatsvinden indien dit gerechtvaardigdis in het belang van de nationale veiligheid.Dit geldt voor alle maatregelen uit de wet, waaronder het contactverbod,gebiedsverbod, uitreisverbod en de meldplicht. Per maatregel wordtbeoordeeld of deze, gelet op de aard en ernst van de dreiging, passend enevenwichtig is. Zo kan een meldplicht noodzakelijk zijn om zicht te houdenop een persoon die een risico vormt voor de nationale veiligheid, terwijleen contactverbod kan worden ingezet om beïnvloeding binnen extremis-tische netwerken te voorkomen. De regering acht deze maatregelen, medegelet op de bestaande waarborgen en de individuele toetsing per geval,ook bij een lager algemeen dreigingsniveau uitlegbaar en juridischgerechtvaardigd.Tot slot is nog relevant dat de regering de wet binnen vijf jaar nainwerkingtreding van de permanentmaking opnieuw zal evalueren,waarbij onder meer zal worden gekeken naar de toepassing, effectiviteit,proportionaliteit en uitvoerbaarheid van het instrumentarium in depraktijk. De evaluatie en de kabinetsreactie daarop zullen aan beideKamers der Staten-Generaal worden toegezonden.De leden van de VVD-fractie lezen in de beantwoording van feitelijkevragen bij de Voorjaarsnota 2026 dat er in 2023 vijfentwintig verdachtenvan terroristische misdrijven zijn geregistreerd bij het Openbaar Ministerie(hierna: OM). In 2024 waren dat er veertig. Er zijn nog geen cijfersbeschikbaar uit 2025. Mede uit deze cijfers en de jaarrapporten van deAlgemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Militaire Inlichtingen- enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 78 Veiligheidsdienst en het recente DTN blijkt dat het dreigingsniveausubstantieel blijft. Er is volgens het recente DTN een hoge voorstelbareterroristische dreiging en er is een reële kans dat een aanslag inNederland zal plaatsvinden.Vraag 8Kan de regering ingaan op de maatregelen die tijdens de kabinetsperiodeworden getroffen om deze dreiging te beperken? Welke maatregelenworden er naast permanentmaking van de Twbmt genomen om bijvoor-beeld de toegenomen snelle online radicalisering van eenlingen tegen tegaan?Om de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde tebeschermen tegen de aanhoudende terroristische en geweldsbereideextremistische dreiging is de Nationale Contraterrorismestrategieopgesteld. Deze strategie voorziet van een brede en wendbare aanpakwaar nauwe samenwerking tussen partners uit de betrokken veiligheids-,vreemdelingen- en zorgketen op nationaal en lokaal niveau plaatsvindt.De strategie bestaat uit vier hoofddoelen: verwerven, voorkomen,voorbereiden en vervolgen.De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)werkt middels de Versterkte Aanpak Online (VAO) aan een gecoördineerdeaanpak van specifiek online extremisme en terrorisme. Daarin wordtintensief samengewerkt met partners binnen het veiligheidsdomein, maarook in het jeugddomein en met de online platformen. Daarnaast vervultNederland een voortrekkersrol bij het op de Europese agenda zetten vanonlineradicalisering. Zo pleit Nederland, samen met Frankrijk enDuitsland, voor aanvullende maatregelen, in de vorm van eengedragscode ten aanzien van dergelijke platformen via de gezamenlijkenon-paper «Countering together: Fighting Online Radicalisation, ViolentExtremism and Terrorism».Ook wordt ingezet op preventie van en bewustwording over onlineradicalisering. Zo werk ik samen met de Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid (SZW) aan de (brede) preventie en de digitaleweerbaarheid van jongeren via regionale bijeenkomsten en conferenties.De NCTV is met partners voornemens om door middel van communicatie-inzet aandacht te genereren voor de zorgwekkende ontwikkeling vanonder andere radicaliserende jongeren en handelingsperspectief tebieden, naast de inzet die door gemeenten hierop wordt gedaan diegefinancierd worden met de Versterkingsgelden. Voor een uitgebreidoverzicht van maatregelen en beleidstrajecten om online radicaliseringtegen te gaan, verwijs ik uw Kamer naar de voortgangsbrief VAO inzakeextremisme en terrorisme, die recent is verzonden aan uw Kamer.Nederland heeft een robuuste aanpak op het tegengaan van radicali-sering, extremisme en terrorisme. Deze aanpak is ideologie-onafhankelijken toepasbaar op iedere doelgroep en leeftijd. Ook wordt in de lokaleaanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme het online domeinsteeds beter geïntegreerd: zo worden handvatten geboden om onlinesignalen sneller te kunnen herkennen, zoals in het verdiepingsdossieronline. In het geval van signalen van (online) radicalisering kan debetrokkene worden opgenomen in de PGA. Ten aanzien van alleenhande-lende daders is bekend dat een deel van hen kampt met psychischeproblematiek. Mede daarom wordt ingezet op betrekken van de (foren-sische) geestelijke gezondheidszorg bij de multidisciplinaire lokaleaanpak.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 79 De leden van de CDA-fractie lezen dat de terroristische dreigingonverminderd actueel is en de kans op een aanslag reëel blijft. Dedreiging komt vooral voort uit jihadistische groepen uit ISIS-provincies diejihadisten aansturen op aanslagen. Dit gedachtegoed wordt met nameverspreid via sociale media, wat veel terechtkomt bij tieners en jongvol-wassenen. Deze leden constateren dat eind 2022 de motie van het lid Kuik(Kamerstuk 29 754, nr. 658) is aangenomen om een pilot te starten om deaanpak van online radicalisering te versterken door jongeren dieradicaliserende content opzoeken, online om te leiden naaranti-extremistische content.Vraag 9Kan de regering al resultaten delen van deze pilot, die in januari 2026 isuitgerold op Instragram, Facebook en Threads? Zo nee, wanneer kan deTweede Kamer de eerste resultaten verwachten?In januari 2026 is de Re-Direct-pilot met Meta kleinschalig uitgerold opInstagram. Met behulp van deze ReDirect methode worden gebruikers diezoeken naar terroristische online content omgeleid naar het LandelijkSteunpunt Extremisme (LSE). Tot op heden is het aantal omleidingenrelatief beperkt. In de zomer van dit jaar wordt de pilot uitgebreid naarThreads en Facebook, waarna in het najaar van 2026 op basis van deresultaten zal worden bezien of een eventuele uitbreiding en/of verlengingopportuun is. Ik zal uw Kamer hierover eind 2026 informeren in devolgende voortgangsbrief ten aanzien van de Versterkte Aanpak Online(VAO).Vraag 10De leden van de CDA-fractie vragen tevens of de regering bereid is teonderzoeken of met andere platformen vergelijkbare pilots kunnenworden opgezet om radicalisering tegen te gaan, zoals gamingplatformenof andere platformen waar veel jongeren actief op zijn. Daarnaast vragendeze leden, nu de regering in de memorie van toelichting schrijft dat deonline radicalisering zich manifesteert over landsgrenzen heen, of deregering bereid is om de pilot onder de aandacht te brengen bij andereEuropese lidstaten.De regering brengt de ReDirect-pilot reeds onder de aandacht van andereEuropese lidstaten. Zo heb ik het EU Internet Forum hiervoor aange-grepen. Gedurende de «Ministerial Meeting» georganiseerd door deEuropese Commissie worden Ministers vanuit de lidstaten, hoogge-plaatste vertegenwoordigers van online platformen, EU-instellingen enmaatschappelijke organisaties samengebracht om misbruik van onlinediensten voor terroristische en gewelddadige extremistische doeleindentegen te gaan. Ik zal op Europees niveau ervaringen blijven uitwisselenover interventies, met aandacht voor samenwerkingsmogelijkheden, bestpractices en kennisdeling. Verder is de regering bereid te onderzoeken ofmet andere platformen vergelijkbare pilots kunnen worden opgezet omonline radicalisering tegen te gaan. Er loopt momenteel een verkenning.Zo wordt de mogelijkheid tot het opzetten van een dergelijke pilot met eenander, vaak gebruikt sociale media platform onderzocht, met oog voor dewijze waarop jongeren het beste bereikt kunnen worden. Daarnaast kijk iknaar een project op een online gamingplatform. Ik zal uw Kamer in hetnajaar van 2026 nader over de voortgang van deze initiatieven infor-meren.Vraag 11De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat op grond van deTijdelijke wet in de afgelopen zes jaren slechts tweemaal een maatregel isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 710 opgelegd, te weten een meldplicht. Hoe verhouden deze cijfers zich tot deaanhoudende dreiging die beschreven wordt door de regering?In de afgelopen zes jaar (periode juli 2020 tot en met mei 2026) zijn aanvijf personen één of meer maatregelen op grond van de Twbmt opgelegd.Daarbij dient te worden opgemerkt dat het aantal opgelegde maatregelenhoger ligt indien de verlengingen worden meegerekend.De Twbmt voorziet in een bestuurlijk instrumentarium voor die gevallenwaarin sprake is van een dreiging voor de nationale veiligheid en hetnoodzakelijk is om tijdig maatregelen te kunnen treffen ter beschermingdaarvan, wanneer andere interventies ontbreken. Dat het instrumentariumgericht en terughoudend wordt ingezet, past ook bij het ingrijpendekarakter van de maatregelen en de beperking van grondrechten diedaarmee gepaard gaat, en het uitgangspunt dat per casus in eersteinstantie wordt bezien of de dreiging kan worden tegengegaan metinterventies uit een ander kader.De terroristische dreiging tegen Nederland is aanhoudend hoog, zoals ookvolgt uit de recente DTN’s. Daarbij komt dat sinds 2025 meerdereterrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel uit detentievrijkomen. In individuele gevallen kan het noodzakelijk zijn om ten aanzienvan deze personen aanvullende bestuurlijke maatregelen te treffen omzicht te houden op gedragingen en risico’s voor de nationale veiligheid tebeperken. De regering acht het daarom noodzakelijk dat dit instrumen-tarium beschikbaar blijft.2.2 Terrorismeveroordeelden met hoger dreigingsprofiel uit detentie Vraag 12De leden van de VVD-fractie stellen dat ook de komende jaren eenaantal terrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel uitdetentie zal komen. In het coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt overdeze groep, waarbij specifiek aandacht is besteed aan de groep waarvanhet Nederlanderschap is ingetrokken. Kan de regering een stand vanzaken geven met betrekking tot de uitvoering van de afspraken uit hetcoalitieakkoord?De intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweedelid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), gaat in de meestegevallen gepaard met het opleggen van een terugkeerbesluit en eeninreisverbod door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Hiernadient de persoon Nederland te verlaten. Het kabinet intensiveert de inzetop het maatwerk van vertrek van personen die een risico vormen voor denationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf (meer) hebben. In de briefCoördinatie operationeel contraterrorismebeleid die op 22 april jl. aan uwKamer is verstuurd wordt hier nader op ingegaan. Het kabinet voertvoortvarend de afspraken uit het coalitieakkoord uit waaronder depermanentmaking van de Twbmt. Zo is het advies van de Afdelingadvisering van de Raad van State verwerkt en is het wetsvoorstel op24 maart jl. bij uw Kamer ingediend. Daarnaast zet het kabinet zich in omde wettelijke mogelijkheid te creëren om ter bescherming van denationale veiligheid elektronische monitoring in combinatie met eengebiedsgebod op te leggen. Het kabinet wil deze maatregel graagzorgvuldig en toekomstbestendig vormgeven. Uw Kamer zal hierover inhet najaar nader geïnformeerd worden.Wat betreft het creëren van een tijdelijke toezichtsmaatregel nationaleveiligheid wordt gekeken naar de aanpak van het Verenigd Koninkrijk voorterrorismeveroordeelden, waaronder vreemdelingen zonder rechtmatigTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 711 verblijf. Het Verenigd Koninkrijk heeft de mogelijkheid om een beperkte entijdelijke juridische voorziening op te leggen om op verschillendemanieren en door verschillende organisaties duurzaam (toe)zicht tehouden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden, waaronder ookvreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Dit kan doordat er strengevrijheidsbeperkende voorwaarden aan deze voorziening zijn gekoppeld.Conform het coalitieakkoord wordt gekeken naar de mogelijkheden om inNederland een soortgelijke maatregel te creëren. Hierbij geldt alsuitgangspunt dat de toezichtmaatregel geen (permanente) aanspraak opvoorzieningen oplevert. Deze tijdelijke voorziening dient enkel terbescherming van de nationale veiligheid en wordt zo ingericht dat er geenrechten uit voortkomen.De leden van de VVD-fractie brengen in herinnering dat de rechtertegenwoordig ook de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkendemaatregel (hierna: GVM) kan opleggen bij veroordeling wegens eenterroristisch misdrijf. Hier is een specifieke wettelijke grondslag voorgecreëerd.Vraag 13Kan de regering toelichten hoe vaak inmiddels de GVM is opgelegd aanterrorismeveroordeelden? En hoe vaak is de tenuitvoerlegging van dezemaatregel gelast? Acht de regering het wenselijk dat het OM bij hetuitspreken van strafeisen wegens terrorismedelicten ook vaker aan derechter verzoekt een GVM op te leggen? Hoe vaak is dat in 2024, 2025 entot nu toe in 2026 gebeurd?Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) heeft in hetkader van het onderzoeksprogramma van de Wet langdurig toezichtonderzoek gedaan naar de toepassing van de GVM in de periode van2018–2022. In die periode is de GVM 302 keer opgelegd, waarbij in17 gevallen sprake is geweest van een veroordeling voor een terroristischmisdrijf.Tot en met 2023 heeft het openbaar ministerie ten aanzien van tienmaatregelen een vordering tot tenuitvoerlegging ingediend bij derechtbank. Hiervan zijn negen vorderingen toegewezen. Eén vordering isafgewezen. Het is niet bekend in hoeveel gevallen de tenuitvoerleggingbetrekking had op terrorismeveroordeelden.Het aantal tenuitvoerleggingsbeslissingen is nog beperkt omdat de GVMsinds 2018 kan worden opgelegd en de tenuitvoerlegging pas kan wordengevorderd en bevolen aan het einde van de gevangenisstraf oftbs-maatregel. Hierdoor duurt het doorgaans meerdere jaren alvorens detenuitvoerlegging aan de orde is.Het WODC brengt momenteel in kaart hoe vaak de GVM is opgelegd entenuitvoergelegd in de periode 2023–2026. Deze cijfers worden eind 2026verwacht.De leden van de CDA-fractie lezen dat bij terrorismeveroordeelden dienaast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit hebben enbinnenkort vrijkomen, het Nederlanderschap kan worden ingetrokken.Vraag 14Deze leden vragen hoeveel terrorismeveroordeelden de komende tweejaar vrijkomen en of voor elke terrorismeveroordeelde met een dubbelenationaliteit geldt dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 712 Het precieze aantal invrijheidstellingen van deze groep is lastig tenoemen, omdat dit onder meer afhankelijk is van ontwikkelingen in deindividuele strafprocessen en het voldoen aan opgelegde voorwaarden.Het aantal (onherroepelijk) veroordeelden van terroristische misdrijvendat in 2026 vrijkomt is daarmee afhankelijk van deze uitkomsten. Op ditmoment is van minder dan tien terrorismeveroordeelden de uitstroom uitdetentie voorzien in 2026.De Minister kan op grond van artikel 14, tweede lid, van de RWN hetNederlanderschap intrekken van personen die onherroepelijk zijnveroordeeld voor een terroristisch misdrijf. Hoewel het intrekken van hetNederlanderschap geen automatisme is, betreft het hier wel een belan-genafweging die naar zijn aard al snel in het nadeel van de betrokkenpersoon uitvalt: met de onherroepelijke veroordeling is immers gegevendat de essentiële belangen van het Koninkrijk ernstig zijn geschaad. Ditweegt zwaar en rechtvaardigt dat bij de belangenafweging wordtuitgegaan van «intrekking, tenzij». Dat betekent dat de Minister na eenonherroepelijke veroordeling voor één van de genoemde misdrijvenbevoegd is in te trekken, maar betekent óók dat dat die intrekking al snelin de rede ligt.Vraag 15Ook vragen voornoemde leden hoe de regering gaat voorkomen datwanneer het Nederlanderschap is ingetrokken maar het vertrek naar hetderde land niet wordt gerealiseerd, deze persoon onder de radar verdwijnten onrechtmatig in Nederland verblijft met het risico op radicalisering.Wordt over de terugkeer van deze groep veroordeelden afsprakengemaakt met derde landen?Onder coördinatie van de NCTV werken alle betrokken partners, iedervanuit de eigen processen en verantwoordelijkheden, intensief samen omde risico’s die van hoogrisico casuïstiek uitgaat te mitigeren en zicht tehouden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden zonder rechtmatigverblijf totdat vertrek gerealiseerd is. De aanpak is geïntensiveerd om tevoorkomen dat personen uit beeld raken en om vertrek te realiseren.De Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) voert het terugkeerbeleid uit enzet zich maximaal in om het vertrek van deze doelgroep te realiseren.DTenV is hiervoor mede afhankelijk van externe factoren, waaronder demedewerking van landen van herkomst en de persoon zelf alsmedeindividuele juridische procedures. Juist omdat medewerking vanherkomstlanden en juridische procedures vaak een lange doorlooptijdhebben, wordt ingezet op een proactieve en samenhangende benadering,zodat beschikbare interventies tijdig en effectief kunnen worden benut endiplomatieke inzet goed kan worden voorbereid. Omwille van devertrouwelijkheid van deze diplomatieke inzet kan ik niet ingaan opeventuele afspraken die met derde landen worden gemaakt.Om te voorkomen dat betrokkenen uit beeld raken, wordt – afhankelijk vande casus – gebruikgemaakt van beschikbare maatregelen, zoals eenmeldplicht en gebiedsverbod op basis van de Twbmt, de GVM zoalstoegelicht bij de beantwoording van de vragen van de leden van deVVD-fractie onder 13, en vreemdelingenrechtelijke maatregelen(waaronder een meldplicht en een gebiedsgebod). Signaleringen enperiodieke casusafstemming in ketenverband borgen dat zichtmomentenworden gecreëerd en behouden. Daarnaast is in het coalitieakkoordaangekondigd dat wordt bezien op welke wijze het instrumentarium terbescherming van de nationale veiligheid verder kan worden versterkt.Daarbij is onder meer genoemd het creëren van een tijdelijke toezicht-maatregel nationale veiligheid, mede naar analogie van het VerenigdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 713 Koninkrijk, evenals de mogelijkheid van elektronische monitoring incombinatie met een gebiedsgebod. Eventuele voorstellen zullen afzon-derlijk moeten worden uitgewerkt en beoordeeld, mede in het licht vangrondrechtelijke en verdragsrechtelijke waarborgen.Vraag 16De leden van de CDA-fractie lezen dat bij terrorismeveroordeeldenzonder dubbele nationaliteit door betrokken ketenpartners wordt ingezetop het houden van zoveel mogelijk zicht op deze personen. Kan deregering nader uiteenzetten welke ketenpartners hierbij betrokken zijn,hoe de informatie- en gegevensdeling op een adequate manier isingericht en op welke manier zicht wordt gehouden op de veroordeeldendie vrij zijn gekomen?Bij personen zonder dubbele nationaliteit, dus van wie het Nederlander-schap niet kan worden ingetrokken na een onherroepelijke veroordelingvoor een terroristisch misdrijf, geldt dat wordt ingezet op de re-integratievan de betrokkene. Buiten detentie komen, onder regie van de gemeente,diverse zorg- en veiligheidspartners bijeen in het lokale casusoverleg. Deuitwisseling van gegevens vindt in het casusoverleg plaats onder de Wetgegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroris-tische activiteiten. De voorbereidingen voor een veilige re-integratieworden al tijdens detentie getroffen. De partners in het casusoverleginvesteren na vrijlating uit detentie verder in de veilige re-integratie. Zoheeft iemand die uit detentie komt in de regel een traject bij de reclas-sering lopen. De overige inzet door overige partijen is persoonsgericht enkent een significante overlap met de werkwijze, doelstellingen ensamenwerkingspartners van de persoonsgerichte aanpak. Deze aanpak iseerder toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie onder 2.Zij kunnen, indien dat noodzakelijk wordt geacht, de inzet van bestuurlijkemaatregelen op basis van de Twbmt verzoeken. Indien de rechter bij hetvonnis toezichtmaatregelen heeft opgelegd op basis van artikel 38z WvSrkunnen ex-veroordeelden bij de tenuitvoerlegging zo lang als nodig ondertoezicht blijven staan en kan bij terugvalgedrag en dreigende recidiveworden ingegrepen. Bij personen zonder rechtmatig verblijf is de inzettijdens en na detentie niet op re-integratie, maar op het realiseren vertrekgericht.Vraag 17De leden van de CDA-fractie lezen dat een GVM zoals opgenomen in deWet langdurig toezicht, binnen het strafrechtelijk kader niet altijd kanworden toegepast op terrorismeveroordeelden. De regering benadruktdaarom het belang van de Twbmt, die ook ziet op preventieve werking enhet voorkomen van recidive. Heeft de regering overwogen om de Wetlangdurig toezicht aan te passen, zodat terrorismeveroordeelden dievrijkomen, vaker hieronder kunnen vallen en, zo nee, waarom niet?Kunnen de maatregelen in het wetsvoorstel de Wet langdurig toezicht nudoorkruisen of kan dit niet naast elkaar bestaan?De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) zoalsopgenomen in artikel 38z WvSr heeft tot doel recidive te voorkomen enslachtoffers te beschermen, door langer toezicht te houden op veroor-deelden en te werken aan gedragsverandering. De inzet van artikel 38zWvSr vereist dat deze maatregel reeds in het veroordelende vonnis isopgelegd, in combinatie met een (voorwaardelijke) gevangenisstraf oftbs-maatregel. Indien de rechter de GVM niet heeft opgelegd, kan dat laterniet alsnog gebeuren. Dit in verband met het beginsel van ne bis in idem(verbod op dubbele bestraffing).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 714 Indien de rechter de GVM heeft opgelegd, kan het openbaar ministerie detenuitvoerlegging vorderen aan het einde van de gevangenisstraf oftbs-maatregel. De GVM kan vervolgens aansluitend worden tenuitvoer-gelegd. Tenuitvoerlegging is kort gezegd mogelijk in geval van recidive-risico of mogelijk ernstig belastend gedrag jegens slachtoffers ofgetuigen. De GVM kan worden verlengd zolang de risico’s aanwezigblijven.De Twbmt kan ook worden toegepast ná of zonder een strafrechtelijkkader, wanneer er nieuwe dreigingsinformatie naar voren komt en iemandop grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht metterroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. De Twbmt isbedoeld voor die gevallen waarin sprake is van een dreiging voor denationale veiligheid, maar waarin de strafrechtelijke drempel voorbijvoorbeeld vervolging, voorlopige hechtenis of het opleggen vanstrafrechtelijke maatregelen (nog) niet wordt gehaald. De Twbmt kan dusook worden toegepast in gevallen waarin de GVM niet is opgelegd oftenuitvoergelegd. In zoverre vormt de Twbmt een aanvulling op hetstrafrechtelijk instrumentarium. Per geval wordt zorgvuldig bekeken welkeinterventies noodzakelijk en proportioneel zijn, en welke interventies hetmeest effectief zijn.Vraag 18De leden van de SGP-fractievragen de regering te reageren op kritiek datde uitvoering van de meldplicht veel te wensen overlaat en dat de wijzevan uitvoeren vaak niet bijdraagt aan het daadwerkelijk verwerven vangoede informatie. Welke inspanningen verricht de regering om dit teverbeteren?De onderzoekers van het WODC hebben in hun evaluatie van de Twbmtvoorgesteld de meldplicht te verbeteren door er een contactmoment vante maken met professionals binnen de radicaliseringsaanpak. Het kabinetheeft deze suggestie omarmd en heeft in de gevallen waarin sinds hetverschijnen van het onderzoek meldplichten zijn opgelegd, de politieverzocht professionals op het gebied van CTER en/of gesprekstechniek inte zetten bij de uitvoering van een meldplicht. Ten behoeve vanvoornoemde professionals is een leidraad professionele oordeelsvormingopgesteld met het oog op het benutten van het contactmoment dat demeldplicht biedt voor zicht op de betreffende personen. Dit heeft geleidtot meer inhoudelijke gesprekken met en een versterkt zicht op depersonen aan wie de meldplicht is opgelegd.Vraag 19De leden van de SGP-fractie constateren op basis van het evaluatieon-derzoek dat in acht van de negen gevallen een bestuurlijke maatregel isingezet na een strafrechtelijke procedure. Deze leden vragen of deregering kan duiden in hoeveel gevallen naar verwachting de inzet vanartikel 38z van het Wetboek van Strafrecht soelaas had kunnen bieden.De inzet van artikel 38z WvSr kan niet zonder meer als alternatief geldenvoor de Twbmt. De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkendemaatregel (GVM) heeft tot doel recidive te voorkomen en slachtoffers tebeschermen, door langer toezicht te houden op veroordeelden en tewerken aan gedragsverandering. De inzet van artikel 38z WvSr vereist datdeze maatregel reeds in het veroordelende vonnis wordt opgelegd, incombinatie met een (voorwaardelijke) gevangenisstraf of tbs-maatregel.De tenuitvoerlegging kan vervolgens worden gevorderd door hetopenbaar ministerie aan het einde van de gevangenisstraf oftbs-maatregel. De Twbmt kan met het oog op de bescherming van denationale veiligheid ook worden toegepast ná of zonder een strafrechtelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 715 kader, wanneer er nieuwe dreigingsinformatie naar voren komt en iemandop grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht metterroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. In zoverre vormtde Twbmt een aanvulling op het strafrechtelijk instrumentarium. Per casuswordt zorgvuldig onderzocht welke interventies noodzakelijk en proporti-oneel zijn, en welke interventies daarbij het meest effectief zijn.3. De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding 3.1 Onderdeel van de persoonsgerichte aanpak Vraag 20De leden van de CDA-fractie lezen dat in een casusoverleg gezamenlijkde aanpak van radicaliserende of geradicaliseerde personen wordtbesproken tussen verschillende ketenpartners. Op welke manier is degegevensdeling hierbij geborgd, zodat lokale partners uit het sociale enzorgdomein en nationale partners zoals de politie en reclassering,beschikken over voldoende en dezelfde informatie over de persoon inkwestie? Onder welke voorwaarden kan de NCTV aansluiten bij decasusoverleggen?De gegevensdeling in het casusoverleg is geborgd middels de Wetgegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroris-tische activiteiten. Deze continueert en codificeert de praktijk van depersoonsgerichte aanpak radicalisering en zorgt voor heldere juridischegrondslagen waardoor deelnemers aan de casusoverleggen inzakeradicalisering en terroristische activiteiten (persoons)gegevens met elkaarmogen delen en verwerken. Hierop is ook ingegaan bij de beantwoordingvan de vragen van de leden van uw fractie onder 16.De NCTV kan, op grond van de aan de Minister toegekende taken onderde Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid, opincidentele basis aansluiten bij een casusoverleg, indien zij een uitno-diging ontvangt van de lokale weegploeg, bestaande uit de burgemeestervan de gemeente van verblijf, het OM en de politie.3.2 Doelstelling De leden van de D66-fractie constateren dat met het onderhavigewetsvoorstel de Minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid krijgtvrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen aan een persoon die opgrond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht metterroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Het gaat daarbijom personen die in strafrechtelijke zin nog niets verwijtsbaars doen, maarwiens gedragingen wel een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.Vraag 21Deze leden merken op dat onduidelijk is wanneer sprake is van het «inverband kunnen worden gebracht» of «het ondersteunen» van terroris-tische activiteiten, waarbij de gedragingen niet strafbaar zijn. Kan deregering daarom uiteenzetten welke activiteiten hieronder kunnen vallen?Wat wordt concreet bedoeld met «het ondersteunen» van terroristischeactiviteiten? In welke concrete omstandigheden zou hier sprake van zijnzonder dat strafrechtelijk optreden mogelijk is? Kan de regering een aantalvoorbeelden schetsen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 716 Zoals ook bij de invoering van de Twbmt is betoogd7 geldt dat het begripterroristische activiteiten niet is gedefinieerd, omdat het bestuur eenzekere interpretatievrijheid bij de uitleg van het begrip behoort te hebben.Als richtsnoer kan niettemin dienen dat het moet gaan om (ondersteuningvan) activiteiten die worden verricht met een terroristisch oogmerk alsbedoeld in artikel 83a van het WvSr. In dat artikel wordt onder terroristischoogmerk verstaan: het oogmerk om (een deel van) de bevolking ernstigevrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatiewederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan welde fundamentele politieke, constitutionele, economische of socialestructuren van een land of een internationale organisatie ernstig teontwrichten of te vernietigen.De regering onderschrijft dat bij de toepassing van de Twbmt zorgvuldigmoet worden beoordeeld wanneer gedragingen kunnen worden aange-merkt als het «in verband kunnen worden gebracht met terroristischeactiviteiten» of het «ondersteunen» daarvan. Het gaat daarbij nadrukkelijkniet uitsluitend om gedragingen die reeds strafbaar zijn gesteld, maar ookom gedragingen die, in onderlinge samenhang bezien, aanleiding geventot ernstige zorgen over risico’s voor de nationale veiligheid.Onder het ondersteunen van terroristische activiteiten kan bijvoorbeeldworden verstaan het faciliteren, stimuleren of in stand houden vanterroristische netwerken, radicalisering of extremistische activiteiten,zonder dat reeds sprake hoeft te zijn van strafrechtelijk bewijs voordeelname aan een terroristische organisatie of de voorbereiding van eenterroristisch misdrijf. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan hetstructureel onderhouden van contacten met personen uit extremistischenetwerken, het verspreiden van extremistische propaganda, het onder-steunen van radicaliseringsprocessen of gedragingen die bijdragen aande logistieke of organisatorische ondersteuning van terroristischeactiviteiten.Ook kan sprake zijn van gedragingen die afzonderlijk bezien niet strafbaarzijn, maar die in samenhang met andere feiten en omstandigheden welkunnen duiden op een risico voor de nationale veiligheid. Hierbij kanbijvoorbeeld worden gedacht aan personen die reeds (meermaals) zijnveroordeeld voor terroristische misdrijven, maar die ook na hun veroor-deling actief contact onderhouden met jihadistische of extremistischenetwerken, herhaaldelijk verblijven in kringen waarin extremistischgedachtegoed wordt verspreid, of zich bezighouden met het aanjagen ofverheerlijken van gewelddadig extremisme, terwijl strafrechtelijk optredenop dat moment nog niet mogelijk is.De Twbmt is juist bedoeld voor situaties waarin vanuit het oogpunt vanbescherming van de nationale veiligheid aanleiding bestaat om maatre-gelen te treffen, terwijl het strafrecht nog niet of niet langer voldoendemogelijkheden biedt om in te grijpen. Daarbij geldt steeds dat toepassingvan maatregelen uitsluitend mogelijk is indien, gelet op alle feiten enomstandigheden van het individuele geval, sprake is van noodzaak,proportionaliteit en subsidiariteit.Vraag 22De leden van de BBB-fractie lezen dat met dit wetsvoorstel een tijdelijkewet permanent wordt gemaakt, terwijl uit evaluaties blijkt dat de wetslechts beperkt is toegepast en de effectiviteit moeilijk aantoonbaar is.Deze leden vragen de regering daarom allereerst om een nadereonderbouwing van de effectiviteit van de wet. Op basis waarvan conclu-7Kamerstukken II 2015/16, 34 359, nr. 3, p. 13.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 717 deert de regering dat deze bevoegdheden daadwerkelijk bijdragen aan hetvoorkomen van terroristische dreiging?De regering onderkent dat de effectiviteit van bestuurlijke maatregelen inhet kader van contraterrorisme niet uitsluitend in kwantitatieve zin kanworden beoordeeld. De belangen die op het spel staan zijn echter groot.De Twbmt is bedoeld voor specifieke situaties waarin sprake is van risico’svoor de nationale veiligheid en waarin het noodzakelijk kan zijn ompreventief bestuurlijk op te treden. Het gaat daarbij nadrukkelijk om eeninstrumentarium dat is gericht op het voorkomen van terroristischeactiviteiten en het beperken van risico’s, juist ook in situaties waarinstrafrechtelijk optreden nog niet of niet langer mogelijk is.De regering acht de beperkte toepassing van de wet daarom niet zondermeer een aanwijzing dat de bevoegdheden onvoldoende effectief zoudenzijn. Het ingrijpende karakter van de maatregelen en de mogelijkebeperking van grondrechten brengen mee dat maatregelen uitsluitendkunnen worden ingezet indien in het individuele geval wordt voldaan aande eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Dat leidter logischerwijs toe dat het instrumentarium terughoudend en casusge-richt wordt toegepast.Daarnaast blijkt uit de evaluaties dat de Twbmt in concrete gevallen heeftbijgedragen aan het behouden van zicht op personen die een risicovormen voor de nationale veiligheid en aan het beperken van veiligheids-risico’s. Ook heeft de wet voorzien in aanvullende handelingsmogelijk-heden in situaties waarin bestaande kaders onvoldoende toereikendwaren. De regering acht juist de beschikbaarheid van een dergelijkaanvullend instrumentarium van belang, gelet op het voortdurende enveranderlijke karakter van de terroristische dreiging.Daarbij komt dat vanaf 2025 naar verwachting meerdere terrorismeveroor-deelden uit detentie zullen vrijkomen met een hoger dreigingsprofiel daneerder vrijgekomen terrorismeveroordeelden. De regering acht hetnoodzakelijk dat ook in dergelijke situaties passende bestuurlijkemaatregelen kunnen worden getroffen indien dat, gelet op debescherming van de nationale veiligheid, noodzakelijk wordt geacht.Tot slot dient er wellicht ten overvloede op worden gewezen dat deeffectiviteit van preventieve maatregelen op het terrein van de nationaleveiligheid naar zijn aard moeilijk is te staven. Er kan immers geenvergelijkend onderzoek worden verricht naar de situatie waarin er wel ende situatie waarin geen maatregel is opgelegd.3.3 De bestuurlijke maatregelen De leden van de D66-fractie constateren uit de evaluatie van de Tijdelijkewet dat de meldplicht, die bedoeld is om zicht te krijgen op geradicali-seerde personen, op dit moment weinig effectief is, omdat de meldmo-menten niet altijd zinvolle interactie opleveren. Zo ontbreken de noodza-kelijke vaardigheden hoe om te gaan met geradicaliseerde individuen bijmedewerkers waarbij een persoon zich moet melden. Deze leden zijn vanmening dat de meldplicht extra waarde zou hebben als de contactmo-menten die daaraan zijn verbonden, ook daadwerkelijk zicht geven op hetgedachtegoed van de betrokken persoon en of (verdere) radicaliseringplaatsvindt.Vraag 23Voornoemde leden vragen de regering dan ook toe te lichten hoe, met depermanentmaking van de meldplicht, extra kan worden ingezet op hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 718 vergroten van dergelijke vaardigheden bij relevante instanties enwerkgevers. Welke concrete wijzigingen vinden plaats in de uitvoering vande meldplicht om het instrument te verbeteren?Bij de beantwoording van de vragen van de leden van de SGP-fractieonder 18 is hier nader op ingegaan. Voor de beantwoording van dezevraag van de leden van uw fractie wordt dan ook naar die beantwoordingverwezen.Vraag 24De leden van de VVD-fractie constateren dat in het DTN vaak wordtgeconstateerd dat er personen zijn die radicaliseren of sterk geradicali-seerd zijn en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Welkeconcrete gevolgen zouden er ontstaan als de Twbmt zou komen tevervallen per 1 maart 2027?Met het opleggen van maatregelen op grond van de Twbmt wordt beoogdterroristische dreiging te voorkomen en risico’s voor de nationaleveiligheid te beperken. De wet biedt daarbij de mogelijkheid om bestuur-lijke maatregelen op te leggen aan personen die in verband kunnenworden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuningdaarvan, juist in situaties waarin andere interventiemogelijkhedenonvoldoende toereikend zijn.Indien de Twbmt per 1 maart 2027 zou vervallen, zou een belangrijkbestuurlijk instrumentarium wegvallen waarmee gericht kan wordeningegrepen ter bescherming van de nationale veiligheid. Dat zou ondermeer betekenen dat geen bestuurlijke maatregelen meer kunnen wordenopgelegd zoals een meldplicht, contactverbod, gebiedsverbod ofuitreisverbod. Daarmee zouden mogelijkheden verdwijnen om zicht tehouden op personen die een dreiging vormen voor de nationaleveiligheid, netwerkvorming tegen te gaan, of personen te beletten zichnaar bepaalde locaties of strijdgebieden te verplaatsen.De regering acht dit onwenselijk, mede gelet op het voortdurende enveranderlijke karakter van de terroristische dreiging zoals beschreven inde opeenvolgende DTN’s. Daarbij komt dat sinds 2025 meerdereterrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel uit detentievrijkomen. In individuele gevallen kan het noodzakelijk zijn om ten aanzienvan dergelijke personen aanvullende bestuurlijke maatregelen te treffenom risico’s voor de nationale veiligheid te beperken, juist wanneerstrafrechtelijke of andere bestaande kaders daarvoor onvoldoendemogelijkheden bieden.De Twbmt vervult daarmee een aanvullende rol binnen het brederecontraterrorismebeleid en de persoonsgerichte aanpak. Het wegvallen vandit instrumentarium zou ertoe leiden dat in specifieke gevallen niet langertijdig en adequaat bestuurlijk kan worden opgetreden tegen personen dieeen dreiging vormen voor de nationale veiligheid.Vraag 25De leden van de PVV-fractie vragen of de regering een voorbeeld kangeven van een hypothetische casus waarin andere middelen, zoals hetstrafrecht, niet kunnen worden ingezet en deze bestuurlijke middelennoodzakelijk zijn.Er zijn verschillende situaties denkbaar waarin de inzet van de Twbmtnoodzakelijk kan zijn, terwijl strafrechtelijke interventies of anderebestaande kaders op dat moment onvoldoende mogelijkheden bieden. DeTwbmt is juist bedoeld voor die gevallen waarin sprake is van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 719 dreiging voor de nationale veiligheid, maar waarin de strafrechtelijkedrempel voor vervolging, voorlopige hechtenis of het opleggen vanstrafrechtelijke maatregelen (nog) niet wordt gehaald.Zo was de noodzaak tot het opleggen van maatregelen op grond van deTwbmt in 2025 aan de orde bij een casus van een terrorismeveroordeeldemet een hoog dreigingsprofiel, die na het vrijkomen uit strafrechtelijkedetentie op grond van concrete gedragingen in verband kon wordengebracht met terrorisme en een dreiging tegen de nationale veiligheidwerd geacht, maar waarin strafrechtelijke vervolging nog niet aan de ordewas. Ook kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een persoon die intensiefcontact onderhoudt met extremistische netwerken, online jihadistisch ofextremistisch gedachtegoed verspreidt en signalen van verdere radicali-sering vertoont, terwijl de beschikbare informatie op dat momentonvoldoende is voor strafrechtelijke vervolging. In een dergelijk geval kaneen bestuurlijke maatregel, zoals een meldplicht of contactverbod,noodzakelijk zijn om zicht te houden op betrokkene en verdere netwerk-vorming of radicalisering te beperken.Een ander voorbeeld betreft personen die na afloop van een strafrechte-lijke detentie vrijkomen en ten aanzien van wie nog altijd sprake is vaneen hoog dreigingsprofiel. Indien aan deze personen bij het vonnis geengedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) alsbedoeld in artikel 38z van het WvSr, is opgelegd, kan de Twbmt noodza-kelijk zijn om risico’s voor de nationale veiligheid te beperken en zicht tehouden op gedragingen en contacten van betrokkene.De regering acht het van belang dat in dergelijke situaties een aanvullendbestuurlijk instrumentarium beschikbaar is, zodat ook buiten het strafrechttijdig en proportioneel kan worden opgetreden ter bescherming van denationale veiligheid.Vraag 26De leden van de CDA-fractie lezen dat een maatregel die opgelegd kanworden op basis van de Twbmt, noodzakelijk moet zijn met het oog op debescherming van de nationale veiligheid. Kan de regering ingaan op dezwaarte van die toets en wanneer er wel en niet sprake is van debescherming van de nationale veiligheid.De criteria «in verband kunnen worden gebracht met terroristischeactiviteiten» en het «ondersteunen van terroristische activiteiten» moetenworden bezien in samenhang met het vereiste dat een maatregelnoodzakelijk moet zijn ter bescherming van de nationale veiligheid. Nietiedere radicale, omstreden of zorgwekkende gedraging valt daarmeeonder de reikwijdte van de Twbmt. Doorslaggevend is steeds of degedragingen, gelet op alle feiten en omstandigheden van het individuelegeval, een zodanig verband houden met terroristische activiteiten of deondersteuning daarvan dat sprake is van een risico voor de nationaleveiligheid.Bij de beoordeling of iemand in verband kan worden gebracht metterroristische activiteiten wordt gekeken naar het totaalbeeld vangedragingen, contacten, uitingen en overige relevante omstandigheden.Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan intensieve contacten metextremistische netwerken, gedragingen die wijzen op verdere radicali-sering, het verspreiden of verheerlijken van terroristisch gedachtegoed,pogingen anderen te radicaliseren, of gedragingen die duiden opbetrokkenheid bij of facilitering van terroristische activiteiten. Dezegedragingen moeten echter wel in verband kunnen worden gebracht meteen dreiging voor de nationale veiligheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 720 Van het ondersteunen van terroristische activiteiten kan eveneens sprakezijn zonder dat betrokkene zelf terroristische handelingen verricht of reedsstrafrechtelijk verwijtbaar handelt. Daarbij kan bijvoorbeeld wordengedacht aan gedragingen die bijdragen aan het faciliteren, versterken of instand houden van terroristische netwerken of extremistische structuren,indien die gedragingen noodzaken tot het nemen van preventievemaatregelen ter bescherming van de nationale veiligheid.De beoordeling vindt steeds plaats aan de hand van het individuele gevalen in samenhang met de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit ensubsidiariteit.Van noodzakelijkheid is slechts sprake indien op basis van het geheel aanfeiten en omstandigheden voldoende aanleiding bestaat om aan te nemendat betrokkene een dreiging vormt voor de nationale veiligheid eningrijpen noodzakelijk is om die dreiging te beperken. Daarbij wordtsteeds beoordeeld of de maatregel daadwerkelijk kan bijdragen aan debescherming van de nationale veiligheid. Daarnaast geldt dat demaatregel proportioneel moet zijn in verhouding tot de aard en ernst vande dreiging. Hoe ingrijpender de maatregel en de beperking van grond-rechten, hoe zwaarder de motivering moet zijn. Tevens moet wordenbeoordeeld of minder ingrijpende middelen of bestaande interventiestoereikend zijn. Indien met andere, minder ingrijpende maatregelenhetzelfde doel kan worden bereikt, ligt inzet van de Twbmt niet in de rede.Gedragingen die uitsluitend een lokaal karakter hebben, vormen nietzonder meer een bedreiging voor de nationale veiligheid. Indien echterlokale gedragingen onderdeel zijn van bredere extremistische netwerk-vorming, radicalisering of terroristische beïnvloeding, kunnen deze –afhankelijk van de concrete omstandigheden – wel degelijk raken aan debescherming van de nationale veiligheid.Juist vanwege het preventieve karakter van de Twbmt kan aanleidingbestaan om bestuurlijk op te treden voordat strafrechtelijk optredenmogelijk is of als strafrechtelijk optreden niet langer mogelijk is. Tegelij-kertijd waarborgt de zware toets aan de nationale veiligheid dat maatre-gelen uitsluitend kunnen worden opgelegd in die gevallen waarindaadwerkelijk sprake is van een voldoende concrete en ernstige dreigingvoor de nationale veiligheid.Vraag 27De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de cijfers kan duidenrondom de aantal opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen tussen2017 en 2027. Wat is de reden dat de aantallen relatief laag liggen? Heeftdat te maken met juridische of praktische bezwaren of heeft dit andereoorzaken?Er zijn verschillende verklaringen mogelijk voor het gegeven dat hetaantal gevallen waarin maatregelen zijn opgelegd, beperkt is. Uitonderzoek van het WODC is gebleken dat partijen die gevallen kunnenaandragen in eerste instantie kijken naar alternatieve interventies. Daarbijis de drempel voor inzet van de Twbmt hoog, en wordt gekozen voor de(combinatie van) minst ingrijpende, maar meest effectieve interventie(s).Ook is eerder vastgesteld dat de bekendheid van de wet was afgenomenin een periode waarin het dreigingsniveau lager was, en waarin de NCTVbovendien geen mogelijkheid had aan te sluiten bij lokale casusover-leggen en zo de mogelijkheden van de wet onder de aandacht te brengen.Inmiddels kan de NCTV onder voorwaarden weer op incidentele basisaansluiten bij de casusoverleggen radicalisering en heeft de NCTV demogelijkheid de deelnemers van het casusoverleg te adviseren over deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 721 maatregelen van de Twbmt. Deze ontwikkeling kan bijdragen aan meerbekendheid en inzet van de wet.Vraag 28De leden van de BBB-fractie vragen ten aanzien van het gebiedsverbodde regering te reflecteren op hoe vaak deze maatregel sinds de invoeringvan de wet is toegepast. Deze leden vragen hoe effectief een gebieds-verbod is in situaties waarin sprake is van een concrete terroristischedreiging. In hoeverre voorkomt een dergelijke maatregel daadwerkelijkdat iemand tot geweld overgaat?Sinds de invoering van de Twbmt is aan drie personen een gebiedsverbodop grond van de Twbmt opgelegd. Uit de praktijk is gebleken dat metname de handhaving van dit verbod door middel van elektronischemonitoring sterk bijdraagt aan de effectiviteit van dit verbod. Bijovertreding van het verbod, dat wordt opgelegd bij dreiging tegen eenspecifieke locatie, wordt de politie door de elektronische monitoring instaat gesteld deze overtreding snel op te volgen en zo concrete terroris-tische dreiging tegen te gaan.Vraag 29De aan het woord zijnde leden vragen daarnaast of in situaties vanserieuze dreiging niet een zwaardere maatregel overwogen zou moetenworden. Waarom wordt niet gekozen voor een vorm van tijdelijkeadministratieve detentie of een andere administratieve vrijheidsbene-mende maatregel indien sprake is van een concrete dreiging, maarstrafrechtelijk ingrijpen (nog) niet mogelijk is?De regering onderkent dat in situaties van ernstige terroristische dreigingde vraag kan opkomen of verdergaande maatregelen noodzakelijk zijn.Tegelijkertijd geldt dat administratieve detentie of andere administratievevrijheidsbenemende maatregelen zeer ingrijpende bevoegdhedenbetreffen, die diep ingrijpen in fundamentele rechten, in het bijzonder hetrecht op vrijheid zoals beschermd door artikel 5 van het EVRM. Voor eendergelijke maatregel is een uitdrukkelijke en toereikende wettelijkegrondslag vereist, waarbij tevens hoge eisen gelden ten aanzien vannoodzakelijkheid, proportionaliteit, rechtsbescherming en rechterlijketoetsing.De Twbmt voorziet daarom in bestuursrechtelijke vrijheidsbeperkendemaatregelen, zoals een meldplicht, contactverbod, gebiedsverbod enuitreisverbod, die gericht zijn op het beperken van risico’s voor denationale veiligheid, zonder dat sprake is van vrijheidsbeneming. Daarbijgeldt dat steeds wordt gekozen voor de minst ingrijpende maatregel die,gelet op het concrete dreigingsbeeld, effectief wordt geacht.Indien sprake is van een concrete terroristische dreiging en strafrechtelijkoptreden mogelijk is, ligt inzet van het strafrecht en de daarbij behorendedwangmiddelen in de rede. De Twbmt is juist bedoeld voor situatieswaarin vanuit het oogpunt van nationale veiligheid bestuurlijk optredennoodzakelijk wordt geacht, maar waarin de strafrechtelijke drempel voorvervolging of voorlopige hechtenis (nog) niet wordt gehaald.In het coalitieakkoord is aangekondigd dat wordt bezien op welke wijzehet instrumentarium ter bescherming van de nationale veiligheid verderkan worden versterkt. Daarbij is onder meer genoemd het creëren van eentijdelijke toezichtmaatregel nationale veiligheid, mede naar analogie vanhet Verenigd Koninkrijk, evenals de mogelijkheid van elektronischemonitoring in combinatie met een gebiedsgebod. Eventuele voorstellenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 722 zullen afzonderlijk moeten worden uitgewerkt en beoordeeld, mede in hetlicht van grondrechtelijke en verdragsrechtelijke waarborgen.Vraag 30De leden van de SGP-fractie maken uit de toelichting op dat inmiddelsmeer maatregelen zijn opgelegd dan in het evaluatieonderzoek uit 2024 telezen valt. Deze leden vragen of de regering het overzicht zoals weerge-geven op pagina 109 van het onderzoek, kan aanvullen met de nieuwegegevens en of zij een duiding kan geven van de meest recente maatre-gelen die zijn opgelegd.In aanvulling op de gegevens op pagina 109 van het WODC-rapport kanworden aangegeven dat het totaal aantal personen aan wie maatregelenzijn opgelegd sinds inwerkingtreding van de wet per juni 2026 11 betreft.In casus 10 zijn met ingang van mei 2025 een meldplicht en gebieds-verbod opgelegd; deze maatregelen zijn inmiddels tweemaal verlengd. Incasus 11 is sinds december 2025 een meldplicht opgelegd.Vraag 31De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre het doel van hetgebiedsverbod op grond van de Tijdelijke wet ook bereikt kan worden meteen gebiedsverbod door de burgemeester of burgemeesters dan wel opbasis van een civielrechtelijke procedure.De burgemeester kan op grond van artikel 172a van de Gemeentewet bijernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde eengebiedsverbod opleggen. Dit gebiedsverbod houdt in een bevel om zichniet te bevinden in de omgeving van een of meer bepaalde objectenbinnen de gemeenten, dan wel in een of meer bepaalde delen van degemeenten, of zich niet in een of meer bepaalde delen van de gemeenteop een voor het publiek toegankelijke plaats zonder redelijk doel met meerdan drie andere personen in groepsverband op te houden. Dit gebieds-verbod kan worden opgelegd aan een persoon die individueel of ingroepsverband de openbare ernstig heeft verstoord of bij de groepsge-wijze ernstige verstoring van de openbare orde een leidende rol heeftgehad. Te denken valt aan personen die hebben gezorgd voor overlast inde wijk of rondom wedstrijden in het betaald voetbal en ernstige vreesbestaat dat er verdere verstoring van de openbare orde plaatsvindt. Ditzijn personen die veelal ook strafbaar gedrag vertonen. Het doel van dezebevoegdheid is om herhaling van (ernstige) verstoringen van de openbareorde te voorkomen.Het doel van de bevoegdheid van de Minister om een gebiedsverbod opte leggen op grond van de Twbmt is de bescherming van de nationaleveiligheid. Een gebiedsverbod kan door de Minister slechts wordenopgelegd een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kanworden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuningdaarvan indien dit noodzakelijk is ter bescherming van de nationaleveiligheid. Vaak gaat het om personen die (nog) geen strafbare gedra-gingen hebben verricht.Kortom, het doel, de doelgroep en de voorwaarden waaronder eenburgemeester een gebiedsverbod kan opleggen verschillen fundamenteelvan het doel, de doelgroep en de voorwaarden waaronder de Minister eengebiedsverbod kan opleggen. Dit geldt overigens ook voor gebiedsver-boden die de burgemeester op basis van andere wetsbepalingen kangeven, zoals artikel 172, derde lid, en 175 van de Gemeentewet of de APV,als de gemeenteraad daarin heeft voorzien. De burgemeester is belast metde handhaving van de openbare orde en heeft bevoegdheden om optreden bij een (dreigende) verstoring van de openbare orde. Bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 723 belangenafweging die een burgemeester maakt bij het opleggen van eengebiedsverbod wordt het belang van de nationale veiligheid daarom nietmeegewogen. Daarnaast voldoen personen die een gevaar vormen voorde nationale veiligheid veelal niet aan de voorwaarden om een gebieds-verbod op grond van de Gemeentewet op te leggen, omdat zij zich nietschuldig maken aan een verstoring van de openbare orde. Als dat in eenbepaalde casus wel zo is, is de bevoegdheid van de burgemeesterbovendien beperkt tot zijn eigen gemeente. Het belang van de nationaleveiligheid kan onvoldoende worden gewaarborgd met de bevoegdheidvan burgemeesters om op grond van de Gemeentewet een gebieds-verbod op te leggen. Het is daarom noodzakelijk dat de bevoegdheid vande Minister om een gebiedsverbod op te leggen blijft bestaan.Een civielrechtelijk gebiedsverbod speelt voornamelijk in zaken waarineen persoon hinder of overlast ervaart door een ander en in een kortgeding aan de civiele rechter om een gebiedsverbod vraagt. Bij deafweging van de rechter om een gebiedsverbod op te leggen speelt hetbelang van de nationale veiligheid geen rol.Vraag 32De leden van de SGP-fractie vragen of het gebiedsverbod dat onder deTijdelijke wet aan een drietal personen is opgelegd, ook gepaard ging meteen enkelband. Eveneens vragen zij of de regering kan aangeven wat hetgeografische bereik was van de gebiedsverboden die zijn opgelegd.Tot op heden is aan drie personen een gebiedsverbod opgelegd op grondvan de Twbmt. In twee van deze gevallen heeft handhaving door middelvan elektronische monitoring plaatsgevonden. Ten aanzien van hetgeografische bereik kan worden aangegeven dat in twee gevallen eendeel van de stad Den Haag, en in het andere geval een deel van de stadRotterdam als verboden gebied is aangemerkt.Vraag 33De leden van de SGP-fractie vragen of het toepassen van een enkelbandvolgens de regering in beginsel voor de hand ligt gezien het ernstigekarakter van de maatregel van een gebiedsverbod op basis van devoorgestelde bijzondere bestuursrechtelijke regeling.Zoals ook is toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de ledenvan de BBB-fractie onder 28 geldt dat sinds de invoering van de Twbmtaan drie personen een gebiedsverbod op grond van de Twbmt isopgelegd. Uit de praktijk is gebleken dat met name de handhaving van ditverbod door middel van elektronische monitoring sterk bijdraagt aan deeffectiviteit van dit verbod. Bij overtreding van het verbod wordt de politiedoor de elektronische monitoring in staat gesteld deze overtreding snel opte volgen en zo concrete terroristische dreiging tegen te gaan.4. Evaluatie Twbmt, beleidsreactie en voorgestelde maatregelen 4.1 Conclusies evaluatierapport Vraag 34De leden van de D66-fractie lezen in de wetsevaluatie dat de bestuurlijkemaatregelen uit de Tijdelijke wet in de afgelopen jaren zelden zijntoegepast en als deze zijn toegepast deze vaak in aanvulling op eenstrafrechtelijk traject van toepassing waren. Deze leden lezen in dememorie van toelichting dat een van de argumenten vóór hetwetsvoorstel juist is dat preventief ingrijpen mogelijk wordt als strafrech-telijk ingrijpen geen uitkomst biedt. Voornoemde leden vragen deregering dan ook te reflecteren op deze doelstelling van het wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 724 Welk gat vullen de maatregelen op als de maatregelen niet preventiefmaar in aanvulling op een strafrechtelijk traject worden opgelegd?Het klopt dat in een aanzienlijk deel van de gevallen waarin maatregelenop grond van de Twbmt zijn opgelegd, sprake was van een voorafgaandstrafrechtelijk traject. Dat neemt echter niet weg dat de inzet van deTwbmt een preventief karakter heeft. De maatregelen uit de Twbmt zijnimmers niet gericht op bestraffing van eerder handelen, maar op hetvoorkomen van toekomstige terroristische dreiging en het beperken vanrisico’s voor de nationale veiligheid.Ook in situaties waarin een strafrechtelijk traject is geëindigd of waarinstrafrechtelijke interventies onvoldoende mogelijkheden bieden, kan nogsteeds sprake zijn van een actuele dreiging voor de nationale veiligheid.Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen die na detentievrijkomen en ten aanzien van wie nog altijd zorgen bestaan overradicalisering, extremistische contacten of de kans op recidive, terwijlgeen grondslag bestaat voor verdere strafrechtelijke vrijheidsbeperkendemaatregelen.In dergelijke gevallen kan inzet van de Twbmt noodzakelijk zijn ompreventief risico’s te beperken. Zo kunnen maatregelen worden ingezetom zicht te houden op gedragingen van betrokkene (meldplicht),netwerkvorming of beïnvloeding binnen extremistische kringen tegen tegaan (contactverbod), of verplaatsingen die relevant zijn voor terroris-tische activiteiten te beperken (gebiedsverbod of uitreisverbod).De regering acht het preventieve karakter van de Twbmt daarmee juistgelegen in het feit dat maatregelen kunnen worden getroffen vóórdatnieuwe strafbare feiten plaatsvinden en in situaties waarin strafrechtelijkoptreden niet of niet langer mogelijk is, maar vanuit het oogpunt vannationale veiligheid nog wel aanleiding bestaat om risico’s te beperken.4.2 Beleidsreactie 4.2.1 Noodzaak behoud vrijheidsbeperkende maatregelen De leden van de VVD-fractie stellen dat het contactverbod van de Twbmtin de huidige vorm fysiek van aard is. Tegelijkertijd hebben zij zeker in deafgelopen paar jaren gezien dat er een toename is van online radicali-sering, met name bij jongeren. De aan het woord zijnde leden menen datdaarmee de aard van de dreiging van terrorisme is veranderd ten opzichtevan 1 maart 2017, toen de Twbmt in werking trad.Vraag 35Heeft de regering onderzoek gedaan naar uitbreiding van het contact-verbod uit de Twbmt naar online contacten? Zo nee, waarom niet?Voornoemde leden stellen dat een online contactverbod in sommigegevallen effectiever kan zijn om de nationale veiligheid te beschermendan een fysiek contactverbod. Wat is hiervoor nodig? En is de regeringbereid deze uitbreiding voor te bereiden?In het coalitieakkoord zijn verschillende maatregelen op het gebied vancontraterrorisme opgenomen. Zo wordt de (lokale) aanpak van contrater-rorisme versterkt en zet de regering in op een gecoördineerde aanpak vanradicaliserende jongeren. Daarbij wordt (online) radicalisering tegen-gegaan door middel van preventie en vroegsignalering, en door hetvergroten van kennis en vaardigheden van professionals. Ook is aange-kondigd dat het toezicht op vrijkomende terrorismeveroordeelden zonderverblijfsrecht wordt versterkt, waaronder het verkennen van mogelijk-heden voor elektronische monitoring en gebiedsgebonden maatregelenen het verkennen van de mogelijkheid tot invoeren van een tijdelijketoezichtsmaatregel naar Brits voorbeeld. De permanentmaking van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 725 Twbmt is eveneens een belangrijk onderdeel van de versterking vantoezicht. Gelet op de horizonbepaling in de huidige wet heeft de regeringer voor gekozen zich in eerste instantie te richten op behoud van deTwbmt en zich ervan te verzekeren dat de voor terrorismebestrijdingbelangrijke maatregelen die daarin zijn opgenomen blijvend ingezetkunnen worden. Daarbij geldt dat de genoemde maatregelen nadereuitwerking vergen. Mogelijke aanpassing van het contactverbod wordthierin ook betrokken.Vraag 36De leden van de PVV-fractie lezen dat er in 2027 weer jihadistischeterrorismeveroordeelden vrijgelaten zullen worden. Zij vragen de regeringom hoeveel personen het gaat.Bij de beantwoording van de vragen van de leden van de CDA-fractieonder 14 is toegelicht dat het precieze aantal invrijheidstellingen vanterrorismeveroordeelden lastig is te noemen, omdat dit onder meerafhankelijk is van ontwikkelingen in de individuele strafprocessen en hetvoldoen aan voorwaarden. Het aantal (onherroepelijk) veroordeelden vanterroristische misdrijven dat in 2026 vrijkomt is daarmee afhankelijk vandeze uitkomsten. Op dit moment is van minder dan tien terrorismeveroor-deelden de uitstroom uit detentie voorzien in 2026.De wetsartikelen die ten grondslag liggen aan een veroordeling voor eenterroristisch misdrijf zijn ideologie-neutraal. Daarom is het niet mogelijkom inzichtelijk te maken welke terrorismeveroordeelden in 2027 vrij zullenkomen uit detentie die veroordeeld zijn voor een jihadistisch gemotiveerdterroristisch misdrijf.Vraag 37De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of zij een updatekan geven over potentiële uitreizigers uit Nederland of Europa richtingSyrië, Somalië of Afghanistan met betrekking tot het aansluiten bij eenkalifaat. Zijn sinds het DTN uit december 2025 nieuwe signalen binnenge-komen over een stroom richting die gebieden?Binnen de jihadistische beweging is er nog steeds interesse om uit tereizen en zich aan te sluiten bij terroristische groeperingen in degenoemde landen. In absolute aantallen is het aantal echter nog beperkt,afgezet tegen de periode 2012–2016.Vraag 38De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering schrijft dat dehandhaving van een gebiedsverbod met een enkelband ervoor zorgt dattijdig ingegrepen kan worden bij een dreiging richting personen ofobjecten in het verboden gebied. Deze leden vragen of bij een gebieds-verbod als preventieve bestuurlijke maatregel een enkelband standaardonderdeel is van de maatregel.Zoals ook bij de beantwoording van de vragen van de leden van deBBB-fractie onder 28 en de SGP-fractie onder 33 is toegelicht geldtdat elektronische monitoring wordt ingezet wanneer dit voor dehandhaving van een gebiedsverbod noodzakelijk wordt geacht. Dit wordtper casus beoordeeld en separaat gemotiveerd bij het opleggen vanmaatregelen op grond van de Twbmt. Tot op heden is aan drie personeneen gebiedsverbod opgelegd op grond van de Twbmt. In twee van dezegevallen heeft handhaving door middel van elektronische monitoringplaatsgevonden.Vraag 39Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 726 De leden van de CDA-fractie vragen onder welke voorwaarden de NCTVkan aansluiten bij de casusoverleggen radicalisering.Zoals tevens toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de ledenvan uw fractie onder 16 en 20 geldt dat de Wet gegevensverwerkingpersoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten vantoepassing is op de casusoverleggen radicalisering.De NCTV kan, op grond van haar taken onder de Wet coördinatieterrorismebestrijding en nationale veiligheid, op incidentele basisaansluiten bij een casusoverleg indien zij een uitnodiging ontvangt van delokale weegploeg, bestaande uit de burgemeester van de gemeente vanverblijf, het OM en de politie.Vraag 40De leden van de CDA-fractie constateren dat uit de evaluatie van deTijdelijke wet blijkt dat de meldplicht maar beperkt leidt tot zicht op depersoon die zich moet melden en dat de regering uitvoeringspartijen heeftgevraagd om van de meldplicht een contactmoment te maken metprofessionals binnen de radicaliseringsaanpak. Kan de regering verderingaan op de uitwerking van de meldplicht en op welke wijze meer zichtkan worden gekregen op de persoon die zich moet melden? Deze ledenzijn vooral benieuwd of de meldplicht dus ook automatisch leidt totindividueel, inhoudelijk contact. Welke professionals zijn betrokken bij eendergelijk contactmoment en op welke manier wordt geborgd dat relevanteinformatie onderling wordt gedeeld tussen de instanties die hierbijbetrokken zijn?Bij de beantwoording van de vragen van de leden van de SGP-fractieonder 18 en de leden van de D66-fractie onder 23 is hier op ingegaan.In aanvulling hierop kan worden toegelicht dat de informatie die degesprekken opleveren waar mogelijk wordt gedeeld met relevantebetrokkenen via overlegstructuren zoals het lokale casusoverleg.4.2.2 Schrappen grondslag afwijzen aanvraag voor een besluit afte wijzen, of een genomen besluit in te trekken De leden van de VVD-fractie zijn niet overtuigd van de noodzaak van hetschrappen van artikel 6 van de Twbmt, waarin een grondslag is geregeldvoor het afwijzen of intrekken van een subsidie, vergunning of ontheffingals de aanvrager in verband kan worden gebracht met terroristischeactiviteiten of als er een ernstig gevaar bestaat dat de subsidie ofvergunning wordt gebruikt ten behoeve van (ondersteuning aan)terroristische activiteiten. Zij hebben hierover nog een aantal vragen.Vraag 41De leden van de VVD-fractie merken op dat de tekst van het coalitieak-koord 2026 over de Twbmt helder is. In het coalitieakkoord is namelijkafgesproken dat de Tijdelijke wet permanent wordt gemaakt. Er is nietafgesproken dat een deel van de Tijdelijke wet permanent wordt gemaakten een ander deel komt te vervallen. De tekst laat aldus geen ruimte omeen deel van deze wet te laten vervallen. Kan de regering toelichtenwaarom zij desondanks voorstelt artikel 6 van de Twbmt te schrappen?Op het moment van publicatie van het coalitieakkoord op 30 januari 2026was het wetsvoorstel tot permanentmaking van de Twbmt reeds inbehandeling bij de Afdeling advisering van de Raad van State sinds24 december 2025. De consultatiefase, verplichte toetsten en behandelingin de ministerraad hadden dus al plaatsgevonden. Het wijzigen van hetwetsvoorstel door het laten vervallen van een van de maatregelenongedaan te maken zou een ingrijpende wijziging zijn. Een ingrijpendewijziging van het voorstel zonder dat dit volgt uit het advies van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 727 Afdeling advisering vergt dat een aantal stappen in het wetgevingsprocesopnieuw worden gevolgd, zoals consultatie, behandeling in deMinsterraad en adviesaanvraag aan de Raad van State. Vanwege dehorizonbepaling en de druk die dit legt op een voortvarende wetsbehan-deling is het wetstraject zoals dit was gestart voortgezet. Daarnaast geldtdat met de evaluatie van de verlenging van de wet opnieuw een afwegingis gemaakt ten aanzien van het in de Twbmt opgenomen instrumentarium.Deze afweging diende tevens plaats te vinden naar aanleiding van demotie van de leden Bikker en Kuik van 7 december 2021 waarin deregering is verzocht de afzonderlijke maatregelen uit de Twbmt te toetsenop noodzakelijkheid en proportionaliteit en de uitkomsten te betrekken bijbesluitvorming over de toekomstige vormgeving van de wet (Kamer-stukken II 2021/22, 35 917, nr. 15). Ten aanzien van de bevoegdheid tot hetweigeren of intrekken van subsidies is daarbij van belang dat uit deevaluatie is gebleken dat deze bevoegdheid sinds de inwerkingtreding vande wet niet is toegepast. De onderzoekers van het WODC hebbengeconcludeerd dat voor deze bevoegdheid in de praktijk onvoldoendemeerwaarde bestaat naast bestaande mogelijkheden binnen anderewettelijke kaders. De regering heeft deze bevinding betrokken bij deafweging om deze specifieke bevoegdheid niet permanent te maken. Waareen beperkte inzet van een bevoegdheid laat zien dat een instrumentniettemin meerwaarde heeft of kan hebben in bepaalde gevallen, geldthier dat de bevoegdheid sinds de invoering van de wet nooit is toegepast.Daarmee is de lat voor de motivering van de noodzaak tot behoud van demaatregel niet gehaald.Vraag 42De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het NederlandsGenootschap van Burgemeesters (hierna: NGB) in zijn consultatiereactieheeft gesteld dat het de onderbouwing van het schrappen «bijzondermatig» vindt. Het enkele feit dat een bepaling niet is toegepast, is volgenshet NGB geen gegronde reden om deze vervolgens te laten vervallen. Hoekijkt de regering hiernaar? Als er bij bestuursorganen en/of vertegenwoor-digers van veiligheidspartners zoals het NGB nog wel de behoefte bestaataan dit instrument, kan de regering dan niet beter in gesprek gaan metalle relevante partners in de veiligheidsketen om te bezien hoe debestaande bevoegdheid beter toepasbaar kan worden gemaakt voor depraktijk?De regering heeft bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel nadrukkelijkgekeken naar de evaluatie van de Twbmt, waaronder het evaluatieon-derzoek van het WODC uit 2024 en de ontvangen consultatiereacties,waaronder die van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters(NGB). Daarbij is per bevoegdheid beoordeeld of deze in de praktijk eentoegevoegde waarde heeft binnen het bestaande contraterrorisme-instrumentarium.Voor de subsidiebevoegdheid geldt echter dat uit de evaluatie niet isgebleken van concrete gevallen waarin bestaande instrumenten onvol-doende waren om op te treden. De verwachting is daarom dat zich ook inde toekomst geen gevallen zullen voordoen waarin toepassing van dezemaatregel aan de orde is.Vraag 43De leden van de VVD-fractie constateren dat bij de verlenging van deTwbmt (Kamerstuk 35 917, nr. 6) de regering specifiek nut en noodzaakvan artikel 6 verdedigde door dit onder andere te illustreren aan de handvan een voorbeeld. Toen schreef de regering dat bij deze bevoegdheid kanworden gedacht aan de verstrekking van een subsidie voor een stichtingdie activiteiten organiseert voor de jeugd in een wijk met problemen metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 728 hangjongeren, terwijl nadien blijkt dat (leden van) het bestuur van destichting waaraan de subsidie is verleend, banden blijkt te hebben meteen terroristische organisatie, zodat het ernstige gevaar bestaat dat desubsidie mede zal worden aangewend voor terroristische activiteiten of deondersteuning daarvan. Is daar anno 2026 geen sprake meer van? Kan deregering volledig uitsluiten dat bovenstaand voorbeeld dat bij deverlenging van de Twbmt relevant werd geacht, zich ooit in de toekomstnog zal kunnen voordoen? En, zo nee, waarom kiest de regering er dantoch niet voor om artikel 6 in stand te laten?Zoals aan bod kwam bij de beantwoording van de vragen van de ledenvan uw fractie onder 42 is met de evaluatie na de verlenging opnieuween afweging gemaakt ten aanzien van iedere in de Twbmt opgenomenmaatregel. Deze afweging diende tevens plaats te vinden naar aanleidingvan de motie van de leden Bikker en Kuik van 7 december 2021 waarin deregering is verzocht de afzonderlijke maatregelen uit de Twbmt te toetsenop noodzakelijkheid en proportionaliteit en de uitkomsten te betrekken bijbesluitvorming over de toekomstige vormgeving van de wet (Kamer-stukken II 2021/22, 35 917, nr. 15). Op voorhand valt geen garantie tegeven dat een dergelijke situatie, ook al is deze hypothetisch, zich nooitkan voordoen. Doordat echter van deze bevoegdheid geen enkele keer isgebruik is gemaakt sinds de invoering van de wet is volgens de regeringde lat voor de motivering voor de noodzaak van deze bevoegdheid nietgehaald.Vraag 44De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering in de memorie vantoelichting schrijft dat naast het onderzoek van het WetenschappelijkOnderzoek- en Datacentrum (hierna: WODC) ook «organisaties in hetveiligheidsdomein» geen meerwaarde zien in de maatregel van artikel 6van de Twbmt. Kan de regering deze stelling nader onderbouwen met deadviezen van deze organisaties? Welke organisaties hebben in 2012 en2017 nog wel positief geadviseerd over artikel 6 van de Twbmt en zien opdit moment geen meerwaarde?Bij de invoering van de wet zijn in de consultatiefase voornamelijkopmerkingen gemaakt van technische aard. Bij de eerste evaluatie is hiervanwege het ontbreken van gegevens over de toepassing doordat er vande bevoegdheid geen gebruik is gemaakt niet nader op in gegaan. Ook inde consultatiefase bij de verlenging van de wet is niet ingegaan opartikel 6. Zoals aangekondigd in de beleidsreactie op het onderzoek vanhet WODC die op 16 september 2024 aan uw Kamer is aangeboden, isnaar aanleiding van de motie Bikker en Kuik (Kamerstukken II, 2021/22,35 917, nr. 15) met partners bezien of instandhouding van alle afzonder-lijke maatregelen noodzakelijk is. Hieraan is invulling gegeven doormiddel van gesprekken met veiligheidspartners. In die gesprekken isaangegeven dat behoud van deze maatregel niet noodzakelijk is.Vraag 45De leden van de VVD-fractie constateren dat in het WODC-onderzoek isuitgevraagd of het intrekken of weigeren van een beschikking een effectiefmiddel is om deelname aan of ondersteuning van terrorisme te verhin-deren. 42% van de respondenten was het (helemaal) eens met de stellingdat dit een effectieve maatregel is, ondanks dat deze nog niet in depraktijk is toegepast. Meer respondenten verwachten zelfs dat dezemaatregel effectiever is dan de meldplicht en het contact- en gebieds-verbod. Hoe kijkt de regering hiernaar?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 729 De verwachting bij de invoering van de wet was dat deze maatregel eeneffectief middel zou zijn om deelname aan of ondersteuning van terro-risme te verhinderen. In de praktijk is dit echter niet het geval gebleken.Vraag 46In het WODC-onderzoek wordt voorts geconcludeerd dat er «blijkbaargeen situaties waren waarin er behoefte was aan de maatregel of waarindeze uitkomst bood».8 Kan de regering toelichten of deze conclusieovereenkomt met de ervaringen uit de praktijk? De leden van deVVD-fractie benadrukken dat eenentwintig respondenten bij hetWODC-onderzoek hebben laten weten dat er lokaal te weinig kennis isover de toepassing van de maatregelen en twintig respondentenaangaven dat de mogelijkheden die de Twbmt biedt, niet bekend waren.Zou dat ook niet een reden kunnen zijn waarom de maatregel van artikel 6van de Twbmt nog niet is toegepast? Graag ontvangen de aan het woordzijnde leden een reactie van de regering op dit punt.Indien een situatie zich heeft voorgedaan die onder het toepassingsbereikvan artikel 6 van de Twbmt valt, waarbij vanwege een gebrek aanbekendheid de Twbmt niet is ingezet en een ander handelingsperspectiefontbrak, is het moeilijk denkbaar dat die situatie niet aan het licht zoukomen.De leden van de VVD-fractie stellen dat de dreiging van terrorisme aanverandering onderhevig is. Hierdoor kunnen zich na verloop van tijdgrotere kansen voordoen op situaties waarbij het noodzakelijk is omvrijheden van individuen te beperken zodra hun gedragingen in verbandworden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuningdaarvan en de nationale veiligheid beschermd moet worden. Daarommoet er wat deze leden betreft een wettelijke grondslag zijn om eenaanvraag voor een besluit af te wijzen of een genomen besluit in tetrekken als het ernstige gevaar bestaat dat de activiteit waarop het besluitbetrekking heeft, (mede) zou worden gebruikt ten behoeve van terroris-tische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Deze bevoegdheid biedtdaartoe de mogelijkheid en maakt het mogelijk dat de overheid kaningrijpen als ongewild en indirect wordt bijgedragen of dreigt te wordenbijgedragen aan terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan.Vraag 47Kan de regering nader toelichten waarom de bevoegdheid jarenlang isverdedigd en nu zonder dragende motivering wordt geschrapt? Deelt zijde mening dat juist gelet op snelle fluctuaties van het dreigingsniveau, hetnoodzakelijk kan zijn om snel te handelen, ook ten aanzien van debevoegdheid die is geregeld in artikel 6 van de Twbmt?Zoals toegelicht bij de beantwoording van de vragen van uw fractieonder 43 diende iedere maatregel opgenomen in de Twbmt getoetst teworden op noodzaak en proportionaliteit en betrokken te worden bij debesluitvorming over de vormgeving van de wet. Daarbij is er een verschilof een maatregel weinig is ingezet of nooit is ingezet. Doordat van dezebevoegdheid geen enkele keer is ingezet sinds de invoering van de Twbmtis de lat voor motivering volgens de regering niet gehaald.Vraag 48De leden van de PVV-fractie merken op dat in het oorspronkelijkevoorstel de regering de noodzaak zag om een aanvullende weigerings- enintrekkingsgrond te creëren voor subsidies, vergunningen, ontheffingen of8Evaluatie van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, Nood zoekt wet,juli 2024, bijlage bij Kamerstuk 29 754, nr. 730, p. 77.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 730 erkenningen. Zonder deze grondslag zou het namelijk niet toepasbaar zijnop alle vormen in voorgenoemde opsomming. Kan de regering aangevenof er bij het ontbreken van deze maatregel alsnog een grondslag bestaatom de aanvraag voor alle vormen van subsidie, vergunning, ontheffing oferkenning te weigeren of in te trekken. Zo nee, zou dit alsnog kunnenleiden tot het financieren of faciliteren van een terroristische organisatie?Zoals nader toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de ledenvan de VVD-fractie onder 43, 46 en 47 is van de bevoegdheid sindsde invoering van de Twbmt geen enkele keer gebruik gemaakt. Ook zijn ergeen situaties bekend waarbij er wegens het ontbreken van een grondslageen subsidie, vergunning, ontheffing of erkenning niet kon wordengeweigerd of een beschikking ingetrokken waarbij sprake was van eensituatie zoals omschreven in artikel 6 van de Twbmt.Vraag 49De leden van de SGP-fractie vragen waarom volgens de regering niethet risico bestaat dat subsidies, vergunningen en erkenningen alsnoodzakelijk middel kunnen dienen om een bedreiging voor de nationaleveiligheid te kunnen vormen. Mogelijk is hiervan minder sprake bijfinanciële middelen, maar een vergunning om in bepaald gebiedactiviteiten te ontplooien kan een relevant onderdeel zijn van debedreiging. Zij vragen een nadere toelichting op het besluit om dit middelte schrappen, mede gezien het feit dat de regering erkent dat ook andereinstrumenten in veel jaren niet of nauwelijks gebruikt worden.Zoals nader toegelicht bij de beantwoording van de vragen van de ledenvan de VVD-fractie onder 43, 46 en 47 en de leden van dePVV-fractie onder 48 geldt dat voor iedere maatregel getoetst is opnoodzakelijkheid en proportionaliteit en de uitkomsten daarvan betrokkendiende te worden over de toekomstige vormgeving van de wet. Hetverschil tussen de bevoegdheid opgenomen in artikel 6 en de anderemaatregelen opgenomen in de wet is dat de bevoegdheid opgenomen inartikel 6 van de wet geen enkele keer is ingezet. Voor de andere maatre-gelen geldt dat dit wel het geval is, ook al is dat niet frequent.4.2.3 Evalueren Vraag 50De leden van de BBB-fractie vragen wie toezicht houdt op de inzet vande bevoegdheden uit deze wet. Welke instantie controleert de proportio-naliteit en rechtmatigheid van de opgelegde maatregelen? In het bijzondervragen deze leden wie toezicht houdt op de verwerking van persoonsge-gevens binnen het kader van deze wet en hoe dit toezicht in de praktijk isingericht.Op grond van artikel 7 van de Twbmt geldt een overlegverplichting met deburgemeester van de gemeente waar degene tot wie het voorgenomenbesluit zich richt woon- of verblijfplaats heeft alsmede andere bij hetvoorgenomen besluit betrokken burgemeesters, tenzij de spoedei-sendheid daar aan in de weg staat. In dat geval geldt een plicht totinformeren. Daarnaast geldt dat de maatregelen tijdelijk zijn en niet langerdan noodzakelijk. Een verlenging is dan ook niet automatisch, maar moetaan dezelfde motiveringseisen voldoen als het initiële besluit. Eenmaatregel wordt tussentijds ingetrokken of gewijzigd als daar aanleidingvoor is. Bij het opleggen van een maatregel geldt de hoofdregel datbetrokkene gehoord moet worden voor het opleggen van een maatregelop grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eenuitzondering geldt overeenkomstig artikel 4:11 van de Awb bij spoed ofindien het horen in de weg staat aan het doel van de maatregel. Er kanrechtstreeks beroep worden ingesteld bij de rechtbank, er hoeft dus nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 731 eerst bezwaar te worden gemaakt. Daarnaast is de rechtbank verplicht dezaak versneld te behandelen. Ook geldt dat de rechtbank bij de beoor-deling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden houdt diena het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goedeprocesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoorontoelaatbaar wordt vertraagd.Ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens geldt dat dit onderde werking van de AVG geldt. De Autoriteit Persoonsgegevens is detoezichthouder. In aanvulling daarop houdt de Functionaris Gegevensbe-scherming binnen de NCTV toezicht op naleving van privacywetgeving.II. Overig Vraag 51De leden van de PVV-fractie vragen of de meest recente aantallenuitreizigers met de Kamer gedeeld kunnen worden.De AIVD heeft onderkend dat er sinds 2012 vanuit Nederland circa300 personen met jihadistische intenties zijn uitgereisd naar Syrië en Irak.De cijfers die de AIVD meest recentelijk gepubliceerd heeft geven de opvijftallen afgeronde aantallen volwassen uitreizigers weer op 1 maart2026.Aantal uitreizigers in gevangenissen en kampen in Syrië en Irak20Aantal uitreizigers woonachtig elders in Syrië45Aantal uitreizigers in overige landen10Aantal terugkeerders110Aantal overleden uitreizigers115Totaal300 Vraag 52De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij aan kan geven hoevaak het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14 van deRijkswet op het Nederlanderschap.De onderstaande cijfers geven de stand van zaken op 20 mei 2026betreffende aantallen omtrent het intrekken Nederlanderschap.Intrekken Nederlanderschap o.b.v. artikel 14 lid 2 RWN (intrekking na onherroepelijkveroordeling wegens een terroristisch of daarmee vergelijkbaar misdrijf)Zaken waarin is besloten tot intrekken Nederlanderschap o.b.v. 14.2 RWN44Zaken waarin het Nederlanderschap definitief is ingetrokken14Besluiten tot intrekken Nederlanderschap vernietigd door de rechter1Zaken nog in behandeling bij de rechtbank11Zaken waarbij de beroepszaak nog in behandeling is bij de Raad van State12Zaken in bezwaarfase of met openstaande bezwaar- of beroepstermijn6 Intrekken Nederlanderschap o.b.v. artikel 14 lid 4 RWN (intrekking in het belang vande nationale veiligheid nadat betrokkene is uitgereisd)Zaken waarin is besloten tot intrekken Nederlanderschap o.b.v. 14.4 RWN25Zaken waarin het Nederlanderschap definitief is ingetrokken15Besluiten tot intrekken Nederlanderschap vernietigd door rechter4Besluiten tot intrekken ingetrokken door IND5Zaken waarbij de beroepszaak nog in behandeling is bij de rechtbank1 Vraag 53De leden van de PVV-fractie vragen om het overzicht van terroristischearrestaties wegens aanslagplanning van de afgelopen vijf jaar uit tesplitsen naar stroming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 732 Het is niet mogelijk om de arrestaties op verdenking van het voorbereidenvan een aanslag met een terroristisch oogmerk uit te splitsen naarideologische stroming, omdat ideologie niet geregistreerd wordt in desystemen.Vraag 54De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij de mening deeltdat voorgestelde bestuurlijke maatregelen gewoonweg genegeerd kunnenworden en dat administratieve detentie daarom noodzakelijk is alspreventieve maatregel om de nationale veiligheid te waarborgen.De regering deelt niet de opvatting dat bestuurlijke maatregelen op grondvan de Twbmt «gewoon genegeerd» kunnen worden zonder conse-quenties. Het opzettelijk handelen in strijd met een opgelegde maatregel,dan wel het opzettelijk onttrekken aan elektronische monitoring, is opgrond van artikel 8 van de Twbmt als misdrijf strafbaar gesteld.Overtreding van een maatregel kan worden bestraft met een gevangenis-straf van ten hoogste één jaar of een geldboete van de derde categorie.Daarnaast kunnen maatregelen zoals een gebiedsverbod of meldplicht,mede in combinatie met elektronische monitoring, juist bijdragen aan heteffectief beperken van risico’s voor de nationale veiligheid en het tijdigsignaleren van overtredingen. Elektronische monitoring kan daarbijondersteuning bieden bij het toezicht op de naleving van opgelegdemaatregelen en maakt het mogelijk sneller op te treden indienvoorwaarden worden overtreden.De regering wijst er tegelijkertijd op dat administratieve detentie eenuiterst ingrijpende vorm van vrijheidsbeneming betreft, waarvoor hogeconstitutionele en verdragsrechtelijke eisen gelden, in het bijzonder geletop artikel 5 van het EVRM. Voor een dergelijke maatregel bestaat op ditmoment geen mogelijkheid binnen het in Nederland geldende grondrech-telijke kader.In het coalitieakkoord is wel opgenomen dat wordt bezien op welke wijzehet instrumentarium ter bescherming van de nationale veiligheid verderkan worden versterkt. Daarbij is onder meer genoemd het creëren van eentijdelijke toezichtmaatregel nationale veiligheid, mede naar analogie vanhet Verenigd Koninkrijk, evenals de mogelijkheid van elektronischemonitoring in combinatie met een gebiedsverbod. Eventuele voorstellenzullen afzonderlijk moeten worden uitgewerkt en beoordeeld in het lichtvan noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit en de geldendegrondrechtelijke waarborgen.Vraag 55De leden van de BBB-fractie vragen waarom de regering kiest voorpermanentmaking van de wet. Gezien het ingrijpende karakter van debevoegdheden en de blijvende discussie over nut en noodzaak, ligt eennieuwe verlenging met een horizonbepaling volgens deze leden meervoor de hand. Kan de regering toelichten waarom niet opnieuw wordtgekozen voor een verlenging met bijvoorbeeld vijf jaar, zodat hetparlement periodiek opnieuw kan toetsen of deze wet nog noodzakelijk enproportioneel is?In aanvulling op de beantwoording van de vragen van de leden van deD66-fractie onder 7, geldt dat er sprake is van een aanhoudende enveranderlijke terroristische dreiging tegen Nederland. Ontwikkelingen inbinnen- en buitenland kunnen ertoe leiden dat het dreigingsniveau en deaard van de dreiging relatief snel veranderen. Tegen die achtergrond achtde regering het noodzakelijk duurzaam te kunnen beschikken over hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 733 instrumentarium dat de Twbmt biedt ter bescherming van de nationaleveiligheid.De regering onderkent dat de bevoegdheden uit de Twbmt ingrijpend vanaard kunnen zijn en dat toepassing daarvan raakt aan grondrechten. Juistdaarom geldt dat maatregelen uitsluitend kunnen worden opgelegdindien in het individuele geval wordt voldaan aan de eisen van noodzake-lijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast worden maatregelenindividueel gemotiveerd en is rechterlijke toetsing mogelijk.De regering acht een nieuwe tijdelijke verlenging met horizonbepalingniet wenselijk. Het telkens tijdelijk verlengen van de wet doet naar hetoordeel van de regering onvoldoende recht aan het structurele karaktervan de terroristische dreiging en aan de noodzaak om blijvend tebeschikken over een adequaat bestuurlijk instrumentarium. Daarbij achtde regering ook van belang dat in verschillende concrete gevallen in deafgelopen jaren is gebleken dat de Twbmt noodzakelijke aanvullendemogelijkheden bood in situaties waarin andere interventies onvoldoendetoereikend waren.Dat neemt niet weg dat de regering het van belang acht dat de werking entoepassing van de wet worden geëvalueerd. Om die reden is in hetwetsvoorstel voorzien in een evaluatiebepaling. Het kabinet isvoornemens de wet binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de perma-nentmaking te evalueren, waarbij onder meer zal worden gekeken naar detoepassing, effectiviteit, proportionaliteit en uitvoerbaarheid van hetinstrumentarium in de praktijk. De evaluatie en de kabinetsreactie daaropzullen aan beide Kamers der Staten-Generaal worden toegezonden.De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. van WeelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 734
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.