Lijst van vragen en antwoorden over de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën (Kamerstuk 36800-1)
Brontekst
Versie 91f74163d79ba4ea · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800Nota over de toestand van ’s Rijks FinanciënNr. 93 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 26 september 2025 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen voorgelegdaan de Minister van Financiën over de Nota over de toestand van ’s RijksFinanciën (Kamerstuk 36 800, nr. 1).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 26 september2025. Vragen en antwoorden, voorzien van een inleiding, zijn hiernaafgedrukt.De voorzitter van de commissie,Nijhof-LeeuwAdjunct-griffier van de commissie,Van der Steur kst-36800-93ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 931 INLEIDING1 Toezegging publieke investeringen en consumptie aan lidbontebal (CDA) Tijdens de APB heeft de Minister-President toegezegd aan het lidBontenbal (CDA) dat de Minister van Financiën tijdens de AFB ingaat opde vraag hoe de ontwikkeling van investeringen ten opzichte vanconsumptieve uitgaven beter inzichtelijk gemaakt kan worden in bijvoor-beeld de Miljoenennota en de begrotingen. Hieronder vindt u eenschriftelijke reactie op deze toezegging.1. Belang van investeringen voor verdienvermogen Investeringen die het toekomstige verdienvermogen versterken zijnbelangrijk voor het verhogen van de welvaart van huidige en toekomstigegeneraties. Toekomstige economische groei zal door beperktere groei vanhet arbeidsaanbod namelijk vooral moeten komen vanuit productiviteits-groei. De Nederlandse arbeidsmarkt is krap en door de vergrijzingstagneert de groei van het structurele arbeidsaanbod. Dit zet de potentiëleeconomische groei onder druk. Het CPB raamt dat de potentiële econo-mische groei vertraagt naar gemiddeld 1% per jaar in de periode2027–2033, terwijl dit de afgelopen 25 jaar nog rond de 1,5% per jaar lag.Publieke investeringen kunnen de potentiële economische groeiverhogen.1 , 2 Denk bijvoorbeeld aan onderhoud en aanleg van fysieke endigitale infrastructuur. Tevens zijn investeringen in de energievoorzieningvan belang, voor zover dit leidt tot lagere energieprijzen of meer aanslui-tingen op het net. Investeringen kunnen ervoor zorgen dat mensen enbedrijven slimmer en efficiënter kunnen werken, zich beter kunnenaanpassen en kansen kunnen benutten. De baten van publieke investe-ringen zijn echter moeilijk te kwantificeren. Het gemeten effect van depublieke investering hangt sterk af van het type investering, de econo-mische omstandigheden en zelfs de methodologie van de studie.Publieke investeringen zijn geen panacee. Zo zijn ze niet de enige factordie bijdraagt aan economische groei. Naast publieke investeringen zijnbijvoorbeeld ook private investeringen en groeibevorderende hervor-mingen van belang. Het Draghi-rapport, dat een oproep doet vooraanvullende investeringen in het verdienvermogen van de Europeseeconomie, gaat daarbij uit van 20% publieke investeringen en 80% privateinvesteringen. Waar de publieke investeringen in Nederland vergelijkbaarzijn met die in omringende landen, liggen onze private investeringen juistlager. Bij publieke investeringen bestaat het risico van «crowding-out»,oftewel verdringing, van private investeringen. Daarnaast vragen publiekeinvesteringen ongeacht het rendement op termijn vandaag om finan-ciering. Daarmee gaan ze ten koste van andere uitgaven en vereisen zekeuzes, zowel nu als in de toekomst. Dit vraagt om prioritering binnen debegroting en binnen de economie als geheel. De historisch hogekasschuiven en onderuitputting van de afgelopen jaren, die met nameplaatsvonden bij investeringen, bevestigen dat de overheid aan haargrenzen zit qua uitvoeringscapaciteit en dat de Nederlandse economietegen de grenzen aanschuurt van volledige productie, met het risico opopwaartse druk op inflatie tot gevolg. De Afdeling advisering van de Raadvan State zal dit najaar een aanzet tot een analysekader voor eeneconomische structuuranalyse uitbrengen dat ook aan dit vraagstuk raakt.1ECB (2017). The effect of public investment in Europe: a model-based assessment2Mazzucato (2011). The entrepreneurial stateTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 932 2. Uitdaging: verdringing investering door stijging consumptieveuitgaven De consumptieve uitgaven van de overheid zijn harder gestegen danpublieke investeringen. De gemiddelde groei van de Nederlandseoverheidsconsumptie over de periode 1995–2023 was 2,1% per jaar. Bij deoverheidsinvesteringen was dat 1,8%. In 2023 ging 25,3% van het bbpnaar publieke consumptieve bestedingen en 3,2% naar publieke investe-ringen.3In de Miljoenennota 2026 (paragraaf 1.4) is aandacht besteed aan deoploop van de consumptieve uitgaven. Daaruit blijkt op basis van deCPB-ramingen dat richting 2060 zonder aanvullend beleid de vergrijzings-gevoelige uitgaven zoals zorg en sociale zekerheid steeds zwaarder zullendrukken op de begroting. De collectieve-uitgavenquote stijgt zonderaanvullend beleid van circa 40% bbp naar bijna 50%; een forse stijgingvan bijna een kwart. Daarmee is er zonder aanvullend beleid steedsminder ruimte voor overheidsinvesteringen. Daarom heeft het kabinet ookeen stap gezet om de groei van de uitgaven te beperken, zodat er ook inde toekomst voldoende ruimte blijft voor het doen van de overheids-investeringen.De Raad van State merkt dan ook op in de reactie op de Miljoenennota2026 dat een verschuiving nodig is van consumptieve uitgaven zoals desociale zekerheid en de zorg naar kapitaaluitgaven om de overheidsfi-nanciën op de lange termijn houdbaar te houden en dat dit politiekekeuzes vergt. De groei van consumptieve uitgaven ligt volgens deAfdeling voornamelijk aan vergrijzing.3. Dilemma: wat is een groeibevorderende investering? Een belangrijke uitdaging bij het opstellen van begrotingsregels enmonitoringsinstrumenten rondom publieke investeringen ligt bij dedefinitie. Macro-economische statistieken over investeringen zijngebaseerd op de statistische definitie van investeringen. Deze definitieomvat uitgaven aan vaste activa. Deze definitie is ook de norm voorbeleid. Het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Publiekeinvesteringen stelt dat deze definitie enkel naar «traditioneel» economischkapitaal kijkt en daarom te nauw is. Niet iedere investering in vaste activais groeibevorderend. Daarnaast hangt de toekomstige welvaart in eenontwikkelde economie als Nederland vooral ook af van de andere vormenvan kapitaal: menselijk, natuurlijk en sociaal. Vanuit dit perspectief wordenpublieke investeringen gedefinieerd als overheidsuitgaven die een ofmeer van deze soorten kapitaal vergroten. Dit betekent bijvoorbeeld datoverheidsuitgaven aan onderwijs ook als investeringen kunnen wordengezien, voor zover deze bijdragen aan het opbouwen van menselijkkapitaal en de kenniseconomie.In de praktijk zijn de opbrengsten van uitgaven gericht op sociaal,natuurlijk en menselijk kapitaal echter lastiger te meten dan opbrengstenvan uitgaven gericht op economisch kapitaal. Dit beperkt de afbakeningvan welke uitgaven in het sociaal, natuurlijk en menselijk domein dekapitaalgoederenvoorraad verhogen en dus investeringen zijn. Wanneerde definitie van het begrip investeringen fluïde is, maakt dit monitoringlastig. In de statistische definitie van investeringen tellen sommigeuitgaven met een hoog rendement niet als investeringen, zoals kleinereschoolklassen. Anderzijds telt een brug op een locatie waar niemand hetwater hoeft over te steken in theorie wel als investering. Ook heeft iedere3Op basis van de ESA-2010 definitie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 933 investering een ander rendement en is het exacte rendement van tevorenlastig in te schatten. Bijvoorbeeld in het onderwijs, maakt het uit hoeinvesteringen worden ingezet en voor welke groep. Bovendien isNederland een ontwikkeld land, waar veel cruciale investeringen reedszijn gedaan. Denk daarbij aan een goede (digitale) infrastructuur of hetopzetten van essentiële instituties voor een goed werkende economie.Gegeven de krappe arbeidsmarkt moet daarom scherp worden gekekenwelke investeringen het meest renderen, bijvoorbeeld met behulp vanMKBA’s.Daarnaast heeft een fluïde definitie van het begrip «investeringen»gevolgen voor het begrotingsbeleid, zoals onderstaand voorbeeldillustreert. Onder meer Van Dijk en Kranenburg (2025)4 stellen in heteconomenblad ESB voor om een gulden financieringsregel in te voeren,waarbij geld geleend mag worden voor investeringen, maar niet voorconsumptieve uitgaven. Deze systematiek leidt – naast andere inhoude-lijke bezwaren – echter tot een sterke politieke prikkel om zoveel mogelijkoverheidsuitgaven te labelen als investeringen, omdat het in de praktijkzeer complex blijkt om een duidelijke definitie te hebben van wat eeninvestering is (zie ook de reactie van de economen Donders en de Kam,20255). Eerdere ervaringen in landen die een gulden financieringsregelhebben gehanteerd (onder meer Duitsland en het Verenigd Koninkrijk)bevestigen het risico dat deze regels onder politieke druk wordenopgerekt niet denkbeeldig is.6 In beide landen is deze systematiekinmiddels dan ook afgeschaft. Ook de 18e Studiegroep Begrotingsruimteis dan ook afwijzend ten aanzien van een gulden financieringsregel.Binnen de bestaande begrotingsregels bestaan afdoende waarborgen ominvesteringen te kunnen doen zonder dat sprake is van een afbakenings-discussie. Voorbeelden hiervan zijn onder andere de onbeperkte einde-jaarsmarge op fondsen en het feit dat de meerjarenperiode van investe-ringsfondsen veel langer is dan van reguliere begrotingen hetgeen pastbij de meerjarenplanning die bij investeringen horen. Tot slot geldt datelke euro die wordt uitgegeven ergens vandaan moet komen, of het nouconsumptieve of investeringsuitgaven betreft. Hiervoor is het noodzakelijkom scherpe keuzes te maken. Het anders categoriseren van uitgaven ofoverstappen naar een ander boekhoudstelsel (zoals een batenlastenbe-groting) doet hier niets aan af. Tot slot zou elke stelselwijziging een groteen tijdrovende operatie worden, zoals ook de Raad van State constateert.4. Monitoring en rapportering Het kabinet monitort de ontwikkeling van de uitgaven, waaronder hetonderscheid tussen consumptief en investeringen, waar dat kan. Conformde aanbevelingen uit de 17e Studiegroep Begrotingsruimte gebeurt datonder meer via het tonen van de volledige looptijd van investerings-fondsen op de departementale begrotingen. Daarnaast publiceert hetkabinet een investeringsmonitor, waarin wordt gerapporteerd over deontwikkeling van de investeringsfondsen (zie bijlage 11 Miljoenennota2026). De monitor toont onder andere de horizontale ontwikkelingen vandeze fondsen, de kasschuiven en aanvullende investeringen per fonds.Ook publiceert het kabinet in Europese begrotingsstukken op basis vanCPB-cijfers over de overheidsfinanciën, waarbij een uitsplitsing wordtgemaakt tussen onder andere, sociale uitkeringen, sociale overdrachten,subsidies en investeringen in vaste activa. Ook zal het kabinet een4Meer publiek investeren vergt aanpassing van het begrotingsbeleid – ESB5Scherper afbakenen investeringen en aanpassen begrotingsregels leidt niet tot hogereoverheidsinvesteringen – ESB6SEO, 2019. Notitie gulden financieringsregelingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 934 Productiviteitsraad oprichten die concrete beleidsadviezen zal geven omonze productiviteitsgroei aan te jagen.7Daarnaast rapporteren onder meer de planbureaus over de investeringen(bijvoorbeeld in de doorrekening van de verkiezingsprogramma’s), zijn erinternationale studies van OESO, de Europese Commissie en het IMF dieaandacht besteden aan overheidsinvesteringen. Ook heeft het CPB deafgelopen jaren geïnvesteerd in de ontwikkeling van een human-capital-model, dat inzicht verschaft in de omvang van menselijk kapitaal en hoebeleid hierop invloed kan uitoefenen.8 Daarmee is het kabinet van meningdat er een breed scala aan informatiebronnen beschikbaar is over depublieke investeringen.5. Investeringsinstelling In de Kamerbrief van 4 juli 2025 heb ik aangegeven het idee van eenNationale Investeringsinstelling (NII) – onder de juiste randvoorwaarden –te omarmen en dit samen met MinEZ en met MinBZ verder uit te werken.Deze instelling kan onder andere helpen om het gat in de (private)financieringsmarkt waar bedrijven mee kampen te dichten en meereffectieve en efficiënte toegang tot het Europese financieringsinstrumen-tarium te bieden. Via deze beide routes kan een NII bijdragen aan hetinvesteringsniveau in Nederland.2 VERKENNING NAAR INSTRUMENTEN BIJ INFLATIESCHOKKEN Bij het debat over de hoge inflatie in Nederland in de Tweede Kamer opwoensdag 24 september 2025 is aan het lid Van Dijk (CDA) toegezegdterug te komen op het in kaart brengen van instrumenten die in hetverleden zijn gebruikt in tijden van inflatieschokken. Hier is in deafgelopen jaren al een aantal rapporten en stukken over gepubliceerd. Indit kader breng ik graag een aantal van deze publicaties vanuit zowel hetkabinet als het Centraal Planbureau onder uw aandacht.Rond de energiecrisis zijn er verschillende verkenningen gedaan naar deeffecten van specifieke beleidsmaatregelen. In februari 2023 heeft hetkabinet een de brief9 naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd waarinwordt ingegaan op de context van stijgende energieprijzen en inflatie ende resultaten van de verkenning om gerichte koopkrachtondersteuning tebieden aan kwetsbare huishoudens, gevolg door een brief in april 202310.Ten tweede heeft het Centraal Planbureau in juni 2023 de Doorrekeningbeleidsopties voor terugdringen armoede gepubliceerd. Het rapportanalyseert zeven beleidsmaatregelen om armoede in Nederland terug tedringen en toont de effecten ervan op onder andere het aantal mensenonder de armoedegrens en het arbeidsaanbod.11 In het algemeen geldtdat loonstijging ervoor zorgt dat de samenleving zich aanpast aan hogereprijzen. Dit leidt ook tot hogere uitkeringen en AOW door de koppelingaan het minimumloon.Incidentele steunmaatregelen kunnen op de korte termijn steun biedenaan kwetsbare huishoudens, bijvoorbeeld vanwege de vertraging in deloonstijging. Dit gaat gepaard met afruilen.7Kamerbrief Productiviteitsagenda (link)8Meerjarenonderzoeksprogramma CPB 2025 – 20279Kamerstuk 36 200, nr. 178 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen10Kamerstuk 36200, nr. 182, links: Eerste Kamer der Staten-Generaal met bijlage Eerste Kamerder Staten-Generaal11Doorrekening beleidsopties voor terugdringen armoedeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 935 Incidentele maatregelen dragen niet bij aan het versimpelen en verduide-lijken van het belastingstelsel en het stelsel van inkomensondersteuning.Het is uitdagend om een specifiek geraakte groep met een adequaat enuitvoerbaar instrumentarium te bedienen. Daarnaast gaan maatregelengepaard met budgettaire derving, die dienen te worden gedekt uit anderemiddelen.Dit vergt keuzes met gevolgen, die hun weerslag hebben op huishoudensen/of bedrijven. Ook geldt dat incidentele steun op een gegeven momentweer afloopt, wat tegen die tijd mogelijk gepaard gaat met negatieveinkomenseffecten, met voor sommigen mogelijke grote consequenties.Verder ligt er ook altijd een grote uitdaging om van tijdelijke maatregelenafscheid te nemen. Ook dat risico moet worden gewogen wanneer er opeen andere wijze dan via de gebruikelijke koopkrachtinstrumenten steunaan huishoudens wordt vormgegeven.3 PRIJSCONCURRENTIEPOSITIE NEDERLAND Bij het debat over de hoge inflatie in Nederland in de Tweede Kamer opwoensdag 24 september 2025 is aan het lid Vijlbrief (D66) toegezegd terugte komen op de vraag wat het inflatieverschil tussen Nederland en deeurozone betekent voor de concurrentiepositie van Nederland.Sinds 2020 is het inflatieverschil tussen Nederland en de eurozoneopgelopen. Dit komt door een combinatie van structurele kenmerken,zoals de openheid van de economie en het hoge aandeel gas in deenergiemix, en cyclische kernmerken, waaronder het sterke economischeherstel en de krappe arbeidsmarkt, en eenmalige factoren, zoals belasting-wijzigingen.12 Vooral het sterke herstel uit de coronapandemie en deinhaalgroei van de lonen hebben bijgedragen aan een hogere inflatie. Hetverschil in inflatie en loongroei hangt samen met de handelsbalans enarbeidsmarkt. Nederland heeft een structureel overschot op de lopenderekening van de betalingsbalans. Dit komt voornamelijk doordatNederland meer goederen en diensten exporteert dan importeert. Dit laatzien dat de Nederlandse economie concurrerend is, maar is tegelijkertijdeen onevenwichtigheid in de Europese interne markt. De loongroei is eenaanpassingsmechanisme voor economische verschillen tussenEurolanden en kan een kanaal van aanpassing en afkoeling zijn. Deloonstijgingen helpen ook om het evenwicht tussen vraag en aanbod ineen krappe arbeidsmarkt te herstellen. Alhoewel de nominale loongroeide afgelopen tijd hoger was dan de inflatie, zitten de reële cao-lonen inNederland nu pas ongeveer op het niveau van de pandemie. Het is vanbelang dat lonen niet alleen meegroeien met de inflatie maar ook met deproductiviteitsgroei.13Momenteel (augustus 2025) bedraagt het inflatieverschil nog 0,3%-punt,het kleinste verschil sinds mei 2024. De kerninflatie was in Nederland(2,2%) juist iets lager dan in de eurozone (2,3%). Het CPB raamt voor 2026een HICP-inflatie van 2,1% in Nederland en 1,8% voor het gemiddelde vande eurozone.14 De lagere inflatie in de eurozone in 2026 wordt voorna-melijk verklaard doordat negatieve energie-inflatie aanhoudt tot eind2026.12DNB (2025). Inflation differentials as rebalancing mechanism in the EMU: the case of theNetherlands.13SER (2025). SER-briefadvies Samenwerken voor arbeidsproductiviteitsgroei.14CPB (2025). Macro-economische Verkenning 2026.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 936 De hogere inflatie zegt niet direct iets over de prijsconcurrentiepositie vanhet Nederlandse bedrijfsleven. Zo zijn prijzen van productcategorieën alstabak gestegen die onmiskenbaar niets te maken hebben met onzeconcurrentiepositie. Rabobank heeft begin dit jaar onderzoek gedaan naarhet concurrentievermogen van de Nederlandse economie.15 Alhoewel deloonkosten per eenheid product van exporterende Nederlandse produ-centen tussen 2015 en 2023 harder zijn stegen dan het gemiddelde van deeurozone, ligt het niveau nog steeds aanzienlijk lager (zie figuur). Deloonkosten per eenheid product zeggen iets over de ontwikkeling van denominale loonkosten in vergelijking tot de reële arbeidsproductiviteit. Detoename de afgelopen jaren in Nederland wordt verklaard door eencombinatie van hogere nominale loongroei en relatief lagere productivi-teitsgroei.Naast de ontwikkeling van de loonkosten liggen er ook andere factorenten grondslag aan het vestigingsklimaat en het concurrentievermogen. Zozijn de energiekosten zijn sinds 2022 in Nederland sterker opgelopen danin de rest van de eurozone. Het kabinet heeft besloten om de subsidiere-geling indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) te verlengen tot 2028.Verschillende economen stellen dat Nederland ook op de langere termijngeconfronteerd zal worden met hogere kale leveringskosten voor energie.Dit kan van invloed zijn op de concurrentiepositie, voornamelijk vanenergie-intensieve bedrijven. In beginsel is het zo dat een economie zichop de lange termijn voegt naar daar waar sprake is van een structureelcomparatief voordeel ten opzichte van andere landen. Ook andereuitdagingen, waaronder de beperkingen rondom stikstof, zetten een remop de concurrentiepositie en het vestigingsklimaat. Het gaat hierbij omfundamentelere keuzes die aan volgende kabinetten zijn.VRAAG 1Vraag 1Kunt u een overzicht geven van alle lastenverlichtende maatregelen in deMiljoenennota incl. het budgettair belang (graag per onderdeeluitsplitsen)?Antwoord op vraag 1Het overzicht van alle lastenverlichtende en lastenverzwarende maatre-gelen is weergegeven in tabel 3 van de Miljoenennota, pagina 41 t/m 43.VRAAG 2Vraag 215Rabobank (2025). Het concurrentievermogen van de Nederlandse economie bezien vanuitlonen en productiviteit.Figuur: Exportgewogen loonkosten per eenheid productTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 937 Kunt u een overzicht geven van alle lastenverzwarende maatregelen in deMiljoenennota incl. het budgettair belang (graag per onderdeeluitsplitsen)?Antwoord op vraag 2Zie antwoord op vraag 1.VRAAG 3Vraag 3Kunt u een overzicht geven van alle intensiveringen in de Miljoenennotaincl. het budgettair belang (graag per onderdeel uitsplitsen)?Antwoord op vraag 3Voor ieder begrotingshoofdstuk wordt in de bijlage verticale toelichtingvan Miljoenennota 2026 de budgettaire veranderingen ten opzichte vanVoorjaarsnota 2025 toegelicht. In de overzichten wordt onder andere hetonderscheid gemaakt tussen intensiveringen en ombuigingen. Debelangrijkste intensiveringen en ombuigingen zijn ook opgenomen in desamenvattende kadertoets in H2.VRAAG 4Vraag 4Kunt u een overzicht geven van alle bezuinigingen in de Miljoenennotaincl. het budgettair belang (graag per onderdeel uitsplitsen)?Antwoord op vraag 4Zie het antwoord op vraag 3.VRAAG 5Vraag 5Wat houdt de buffelboete precies in en klopt het dat de lage inkomenserop achteruitgaan? Zo ja, met hoeveel gaan ze erop achteruit?Antwoord op vraag 5De term «buffelboete» is afkomstig uit een ESB-artikel Inkomstenbelastingvoor lagere inkomens stijgt onder kabinet-Schoof – ESB waarin wordtgesteld dat de inkomstenbelasting voor lagere inkomensgroepen stijgt in2026 ten opzichte van 2024. Daarbij spelen meerdere factoren een rol. Inhet Belastingplan 2025 is de algemene heffingskorting verlaagd. Tegelij-kertijd is het tarief in de eerste schijf ook verlaagd. Voor de meestepersonen is dit per saldo voordelig, maar voor mensen met een inkomentot ongeveer € 26.000 is dit per saldo een nadeel van maximaal ca. € 185per jaar. Daarnaast wordt de arbeidskorting elk jaar regulier geïndexeerd.Dit gebeurt met de meeste parameters in het belastingstelsel om debelastingheffing in reële termen ongeveer gelijk te houden. Anderszouden door loongroei op termijn alle inkomens het toptarief betalen. Deindexatie geldt ook voor de arbeidskorting. De arbeidskorting kent eenopbouwtraject om (meer) werken lonender te maken. Werkenden met eeninkomen tussen de € 12.739 en € 27.519 in 2026 betalen daardoor weinigbelasting over elke euro die zij meer verdienen. Een keerzijde hiervan isdat, indien hun loonstijging in enig jaar lager is dan de indexatie van dearbeidskorting, er een lager recht op arbeidskorting ontstaat.In het ESB-artikel wordt gesproken over 800.000 mensen die meerinkomstenbelasting zijn gaan betalen. In werkelijkheid is deze groep forskleiner en is het nadeel in de meeste gevallen kleiner. In de praktijk is voorde meeste werkenden sprake van loongroei. Daarnaast laat het artikelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 938 andere maatregelen die zijn genomen die positief uitpakken voor lageinkomens buiten beschouwing, zoals de verhoging van de huurtoeslag enhet kindgebonden budget. De koopkracht van alle inkomensgroepen, dusook van de laagste inkomens, is positief voor 2025 en 2026.VRAAG 6Vraag 6Hoeveel krijgt een alleenstaande ouder van 30 jaar met 2 kinderen (6 en 10jaar) in de bijstand, zowel bruto als netto (incl. alle toeslagen)?Antwoord op vraag 6Onderstaande tabel toont het netto en besteedbaar inkomen vanalleenstaande ouders met twee kinderen van 6 en 10 jaar wanneer zij in debijstand zitten, en het bruto, netto en besteedbaar inkomen wanneer zijwerkzaam zijn tegen het wettelijk minimumloon (WML), 1,5 keer WML en2 keer WML. We nemen aan dat de werkende alleenstaande ouders 0,8 ftewerken en vier dagen gebruik maken van buitenschoolse opvang. Verderhouden we geen rekening met het (eventueel) vervallen van gemeente-lijke regelingen.Tabel 1 Bruto, netto en besteedbaar jaarinkomen van een alleenstaande ouder mettwee kinderen (6 en 11 jaar), 2026. Bedragen in duizenden euro.InactiefWerkzaam (0,8 fte), loonniveau:BijstandWml1,5 keer Wml2 keer WmlBruto inkomen243648,1Netto inkomen16,923,433,640,2+ Zorgtoeslag1,61,60,90– Zorgpremies en eigenrisico– 2,1– 2,1– 2,1– 2,1+ Kinderbijslag2,92,92,92,9+ Kindgebonden budget8,68,68,27,3Besteedbaar inkomen27,934,343,548,3+ Huurtoeslag14,64,63,91,4– Kosten buitenschoolseopvang– 22,8– 22,8– 22,8+ Kinderopvangtoeslag20,820,820,8Besteedbaar inkomen,inclusief huurtoeslag enkinderopvang32,53745,447,81 Uitgaande van een maandelijkse huur van 629 euro. VRAAG 7Vraag 7Hoeveel krijgt een alleenstaande ouder van 30 jaar met 2 kinderen (6 en 10jaar) in de bijstand als diegene gaat werken tegen het wettelijkminimumloon (WML), 1,5 keer WML en 2 keer WML?Antwoord op vraag 7Zie antwoord op vraag 6.VRAAG 8Vraag 8Kunt u een overzicht maken van de prijzen van gas, energie,boodschappen, benzine, sigaretten, alcohol, btw en inkomstenbelasting inNederland en in de rest van EU?Antwoord op vraag 8Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 939 Eurostat maakt halfjaarlijks een analyse van de kosten van verschillendegoederen en diensten binnen de Europese Unie. Deze informatie kunt udaar vinden16.VRAAG 9Vraag 9Wat voor gevolgen heeft de aangenomen motie van de leden Van Hijumen Bikker over de verhoging van de arbeidskorting terugdraaien en deinkomstenbelasting met de vrijvallende middelen verlagen (Kamerstuk36800, nr. 30)? Wat is de reden dat het kabinet deze maatregelenüberhaupt wilde treffen? Welke inkomensgroepen zouden als gevolghiervan erop vooruitgaan en welke groepen zouden erop achteruitgaan?Antwoord op vraag 9Het kabinet heeft ervoor gekozen de arbeidskorting per 2026 te verhogenom werken meer te laten lonen. Dit wordt gedekt uit een verhoging vanhet tarief in de eerste schijf in de inkomstenbelasting. De combinatie vandeze maatregelen zorgt voor een kleine schuif van de lasten opwerkenden naar de lasten voor iedereen. Hierdoor ligt de koopkrachtont-wikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden dichter bij elkaar.Indien het voorstel zoals omschreven in de motie van de leden Van Hijumen Bikker wordt doorgevoerd, zal dit effect worden teruggedraaid. Hetgaat hierbij om relatief beperkte koopkrachtveranderingen.VRAAG 10Vraag 10Wat is het precieze verschil tussen de raming van het Ministerie vanFinanciën en het CPB wat betreft de EMU-saldi over de periode2025–2029? Graag ook het verschil vermelden in een tabel.Antwoord op vraag 10De saldoraming van het CPB in de MEV gaat alleen over 2025 en 2026.Onderstaande tabel toont de verschillen tussen het EMU-saldo in deMiljoenennota en de MEV. De CPB-raming voor het EMU-saldo verschiltvan de raming van het Ministerie van Financiën in de Miljoenennota 2026.De kabinetsraming is gebaseerd op de departementale begrotingen en debelastingraming van het Ministerie van Financiën, terwijl het CPB eenonafhankelijke raming maakt en andere uitgangspunten kan hanteren.Met name over onderuitputting hanteert het CPB andere uitgangspunten.Daarnaast bevat de MEV-raming beleidsmatige verschillen ten opzichtevan departementale begrotingen voor asielkosten en decentraleoverheden. De overige verschillen zijn op het gebied van belasting- enpremie-inkomsten, zorg en sociale zekerheid.Tabel 2 Verschillenanalyse EMU-saldo tussen Miljoenennota en MEVin % bbp, + is saldoverbeterend t.o.v. Financiën20252026EMU-saldo Financiën Miljoenennota– 2,1%– 2,9%Aanvullende onderuitputting CPB0,3%0,3%Hogere asielkosten CPB0,0%0,1%Mede-overheden– 0,2%– 0,3%Overige verschillen0,1%0,0%EMU-saldo CPB MEV– 1,9%– 2,7% 16https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Comparative_price_levels_of_consumer_goods_and_servicesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9310 Meerjarige raming CPBDe precieze verschillen tussen de raming van Financiën in de Miljoe-nennota en het CPB voor de jaren 2027 tot en met 2030 zijn niet bekendomdat de MEV alleen een raming bevat voor 2025 en 2026. In deconcept-Macro Economische Verkenning 2026 (cMEV) heeft het CPB voorhet laatst een raming tot en met 2030 gemaakt. De cMEV-raming is tot enmet 2028 positiever dan Financiën, in 2029 vrijwel gelijk en in 2030negatiever. Het saldo valt met name positiever uit in eerder jaren doordatrekening wordt gehouden met onderuitputting ten opzichte van debegroting. Een deel van deze onderuitputting komt niet meer totbesteding, terwijl verwacht wordt dat een ander deel in latere jareningehaald zal worden. Daarnaast hanteert het CPB andere uitgangspuntenten aanzien van asieluitgaven, de in het Hoofdlijnenakkoord voorgesteldenoodremafspraak voor de EU-afdrachten en de ramingen voor decentraleoverheden. Een nadere toelichting van de meerjarige CPB-raming isopgenomen in de cMEV.VRAAG 11Vraag 11Hoeveel is er inmiddels in totaal uitgegeven aan Oekraïne, dus vóór 2025(graag per jaar uitsplitsen)?Antwoord op vraag 11Een geactualiseerd totaaloverzicht van de geraamde uitgaven aanOekraïne voor de jaren 2025–2030 is in de Miljoenennota 2026opgenomen in paragraaf 2.7.1 Oekraïne. Een overzicht van de gereali-seerde uitgaven van voorgaande jaren zijn terug te vinden in hetFinancieel Jaarverslag Rijk van het desbetreffende jaar. In dezeoverzichten wordt het onderscheid gemaakt tussen internationale steun(militair en niet-militair), binnenlandse regelingen (zoals opvang, zorg enonderwijs) en leveringszekerheid.VRAAG 12Vraag 12Kunt u een totaaloverzicht maken van de uitgaven aan Oekraïne in deperiode 2025–2030 (graag per jaar uitsplitsen)?Antwoord op vraag 12Zie het antwoord op vraag 11.VRAAG 13Vraag 13Kunt u een overzicht geven van het aantal Rijksambtenaren in dienst in deperiode 2010–2025 en wat de uitgaven waren hieraan (graag per jaaruitsplitsen)?Antwoord op vraag 13In onderstaande tabel is het overzicht opgenomen van medewerkers meteen vast of tijdelijk dienstverband die onder CAO rijk17vallen per eindevan elk jaar, tenzij anders vermeld. Daarnaast zijn de apparaatsuitgavenaan eigen personeel toegevoegd vanaf 2013.17Onder CAO rijk vallen ook uitvoeringsorganisaties zoals Belastingdienst, DJI en Rijkswater-staat. Het Defensiepersoneel valt hier niet onder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9311 Tabel 3Rijksmede-werkersFteAantalJaarlijkse uitgaven x€1.0002010112.492120.5562011110.998119.0792012109.101117.0092013108.836116.4176.937.3742014109.487116.8837.056.2942015109.150116.5317.186.9772016109.581117.1187.535.5152017110.649118.3477.639.2892018113.533121.3917.930.1892019119.185127.1768.489.8582020125.446133.7679.259.1252021131.132139.4539.626.0092022138.376146.74610.545.7292023147.841156.47811.719.2882024157.019165.90313.560.2262025160.9531169.952113.946.8521 Dit betreft de stand einde tweede kwartaalBron: O&P Rijk, op basis van de administratie in P-direct (PDS) VRAAG 14Vraag 14Kunt u een overzicht geven van het aantal externen ingehuurd door derijksoverheid in de periode 2010–2025 en wat de uitgaven hieraan waren(graag per jaar uitsplitsen)?Antwoord op vraag 14In onderstaande tabel zijn de gerealiseerde uitgaven voor externe inhuuropgenomen voor de periode 2010 tot en met 2024. De realisatie van 2025komt in mei 2026 beschikbaar. Er worden geen gegevens bijgehouden vanhet geraamde aantal in te huren uren om het equivalent te kunnenberekenen van een fulltime-medewerker.Tabel 4JaarUitgaven x€1.0002010€ 1.027.2052011€ 875.7542012€ 913.2832013€ 1.015.4782014€ 1.106.0432015€ 1.108.7262016€ 1.286.6872017€ 1.287.5202018€ 1.404.3922019€ 1.664.4922020€ 1.944.3592021€ 2.286.4622022€ 2.678.3522023€ 3.259.7112024€ 3.667.996Bron: Jaarrapportages bedrijfsvoering Rijk 2010 tot en met 2024 VRAAG 15Vraag 15Klopt het dat de Defensiebegroting stijgt van 22 miljard euro naar 25miljard euro in 2026? Klopt het dat dit overeenkomt met 2,02% van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9312 bbp, net iets meer dan de NAVO-norm van 2% van het bbp? Is dezeNAVO-norm gebaseerd op de ramingen van uitgaven of de daadwerkelijkeuitgaven? Kan de regering een tabel geven van de geraamde uitgaven opDefensie en de daadwerkelijke uitgaven op Defensie in de jaren 2020 t/m2024? En de prognose voor de geraamde uitgaven op Defensie en dedaadwerkelijke uitgaven in het lopende begrotingsjaar 2025?Antwoord op vraag 15–De Defensiebegrotingen nemen met 1,5 miljard euro toe in 2026 t.o.v.2025. Dit is het saldo van de groei van de defensie-uitgaven met 3,4miljard euro in 2026 t.o.v. van 2025 en de vermindering in uitgaven aanmilitaire steun aan Oekraïne in 2026 t.o.v. van 2025. Een groot gedeeltevan de voor 2026 beschikbaar gestelde Oekraïnesteun wordt namelijkal in 2025 besteed.–De verwachte omvang van de gesaldeerde Defensiebegroting18 in 2025is 24,9 miljard euro. Dit is opgenomen in de september suppletoirebegroting.–De verwachte gesaldeerde omvang van de Defensiebegroting voor2026 is 26,4 miljard euro.19 Dit is opgenomen in de Ontwerpbegroting2026. De stijging in 2026 t.o.v. is een optelsom van eerdere intensive-ringen en financiële bijstellingen, zoals kasschuiven uit voorgaandejaren en bijstellingen n.a.v. volume- en prijsontwikkeling bbp.–Van de totale geraamde Defensie-uitgaven op de Defensiebegrotingkan 24,1 miljard euro aan Defensie-uitgaven worden toegerekend aande NAVO-norm. Daarnaast kan circa 800 mln. aan uitgaven op anderedepartementale begrotingen en reserveringen voor de prijsbijstellingworden toegerekend aan de NAVO-norm. Tezamen is dit 24,9 miljardeuro. Dit komt overeen met het NAVO-percentage van 2,02% exclusiefmilitaire steun aan Oekraïne. Inclusief de militaire steun aan Oekraïnevan 2,7 miljard euro is in 2026 het percentage 2,24% van het bbp.–Het NAVO-percentage wordt ex ante bepaald op basis van degeraamde defensie-uitgaven. Gedurende het jaar wordt het NAVO-percentage dus berekend op basis van de meest actuele begrotings-stand. Aan het einde van het begrotingsjaar wordt het NAVO-percentage berekend op basis van realisatiestanden. Dat betekent dathet NAVO-percentage voor 2025 in de Miljoenennota 2026 is berekendop basis van de begrotingsstand van dat moment.–Onderstaande tabel geeft de geraamde en gerealiseerde uitgaven opde Defensiebegroting (Defensiebegroting, inclusief Defensiematerieel-begrotingsfonds) weer in de periode 2020–2024. De gerealiseerdeuitgaven liggen veelal rond hetzelfde niveau als de geraamdeuitgaven. Enerzijds hebben er tussentijdse budgetverhogingengedurende het jaar plaatsgevonden bij de suppletoire begrotingen. Ditbetreft bijvoorbeeld het toekennen van de jaarlijkse loon- en prijsbij-stelling om de begrotingsstanden naar het juiste prijspeil te brengenen aanvullende middelen voor militaire steun aan Oekraïne. Daarte-genover stonden kasschuiven en onderuitputting vanwege hetbegrensde realisatie vermogen van Defensie.–De geraamde defensie-uitgaven bij ontwerpbegroting 2025 bedroegen22,0 miljard euro. Sindsdien zijn er bij de diverse suppletoire begrotin-gen wijzigingen doorgevoerd. Pas bij het Jaarverslag 2025 is hetmogelijk om inzicht te geven in de definitieve realisatie.18Defensiebegroting incl. het Defensiematerieelbegrotingsfonds. Uitgaven zijn gesaldeerd metniet-belastingontvangsten en bevatten ook militaire steun aan Oekraïne.19Hierin is 8,15 miljard euro voor de eenmalige affinanciering van de begrotingsgefinancierdemilitaire pensioenen niet in opgenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9313 Tabel 5 Geraamde en gerealiseerde Defensie-uitgaven (H10 & Defensiematerieelbegrotingsfonds; in miljarden euro)Jaar202020212022202320242025Geraamde uitgaven (Ontwerpbegroting)11,011,712,515,221,422,0Gerealiseerde uitgaven11,211,712,915,320,1– VRAAG 16Vraag 16Waarom is de brandstof zo duur in Nederland? Zijn er nog andere factorendan de accijns? Welke invloed heeft de wijze van aanbesteden, de veilingvan verzorgingsplaatsen en tankstations langs de snelweg? Klopt het datIn België en Duitsland de brandstofaccijns niet automatisch geïndexeerdwordt?Antwoord op vraag 16In de brandstofanalyse20die op 11 juli 2025 met uw Kamer is gedeeld,wordt nader toegelicht hoe de pompprijzen in Nederland zich ontwikkelen.In nominale termen zijn de brandstofprijzen de afgelopen 15 jaar flinkgestegen. Door de tijdelijke accijnskorting liggen de reële tarieven onderhet niveau van de afgelopen 15 jaar. Zonder de huidige accijnskortingwaren de reële tarieven vergelijkbaar geweest met het niveau van deafgelopen 15 jaar.Er zijn veel verschillende factoren die de pompprijs beïnvloeden zoalsaccijns, BTW, de olieprijs, kosten voor biobrandstoffen, transport- enexploitatiekosten en winstmarges. Daarnaast zijn pompprijzen langs desnelweg hoger dan buiten de snelweg. Een van de verklaringen hiervooris dat tankstations op verzorgingsplaatsen langs snelwegen wordengeveild op grond van de Benzinewet. Ondernemers nemen de kosten vande concessie, die gemiddeld enkele centen per liter bedragen en de laatstejaren zelfs tot circa tien cent kunnen oplopen indien volledig doorbe-rekend, mee in hun businesscase.Deze veilingkosten kunnen echter slechts een deel van het prijsverschilverklaren. Ook andere factoren spelen mee, zoals de doelgroep waarophet tankstation zich richt (bijvoorbeeld zakelijke rijders met tankpas),specifieke verdienmodellen langs de snelweg en de hogere vraag door hetgrotere aantal weggebruikers.Uit het onderzoek volgt verder dat de pompprijs voor benzine inNederland de afgelopen 15 jaar hoger lag dan in België en Duitsland,terwijl diesel en LPG dichter bij het prijsniveau van de buurlanden liggen.Accijnsverschillen verklaren een deel van de verschillen in pompprijstussen Nederland en buurlanden. Daarbij passen België en Duitsland géénautomatische indexatie toe, waardoor de accijnsverschillen metNederland in de loop der jaren zijn opgelopen. Maar de prijsverschillenkunnen niet volledig worden verklaard door accijnsverschillen, ook anderefactoren spelen een rol.VRAAG 17Vraag 17In hoeverre is de beoogde afdrachtvermindering met 1,6 miljard euro voorhet MFK inmiddels gerealiseerd? Wanneer en hoe gaat hierover beslotenworden?Antwoord op vraag 1720Analyse ontwikkeling brandstofaccijns en pompprijzen, bijlage kamerstuk 32800 nr. 89Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9314 Deze maatregel uit het hoofdlijnenakkoord is opgenomen in de ramingvan de Nederlandse afdrachten aan de Europese Unie op de begrotingvan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De onderhandelingen over hetdoor de Europese Commissie voorgestelde Meerjarig Financieel Kader2028–2034 en het nieuwe eigenmiddelenbesluit duren naar verwachtingnog tot in 2027. De besluitvorming hierover vindt plaats in de RaadAlgemene Zaken en de Europese Raad.VRAAG 18Vraag 18Is bij het opstellen van de Rijksbegroting gebruik gemaakt van AI? Zo ja,op welke manier?Antwoord op vraag 18De teksten van de Rijksbegroting heeft het kabinet zelf opgesteld zondergebruik van AI. Verder is het Ministerie van Binnenlandse Zaken bezig methet bevorderen van een verantwoorde inzet van AI, zie ook de beschikbarepublieke informatie hieromtrent op het platform «Digitale overheid».21VRAAG 19Vraag 19Hoe is de motie van de leden Stultiens en Vijlbrief over herstel van deonrechtvaardige herverdeling van geld van werkenden naar de grootstevermogens (Kamerstuk 36706, nr. 18) uitgevoerd en waar is dit te vindenin de Miljoenennota?Antwoord op vraag 19Tijdens het Commissiedebat Fiscaliteit op 2 juli jl. heeft de voormaligeStaatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst (FBD) en Douane aangegevendat bij de behandeling van het Belastingplan 2025 en opeenvolgendedebatten daarna, uitgebreid is ingegaan op de dekking van de budgettairederving als gevolg van het rechtsherstel aan mensen met box 3vermogen. Met het Belastingplanpakket 2025 heeft het kabinet gemeendrecht te doen aan wat bij box 3 van rechtswege moest gebeuren endaarnaast een evenwichtig koopkracht gepresenteerd. Dat is ook beaamddoor CPB en CBS.Het kabinet heeft zich afgelopen augustus bij de koopkrachtbesluit-vorming desalniettemin beraden over de onderhavige motie bij hetstreven naar een evenwichtige koopkrachtverdeling. Een mediaanhuishouden gaat er met 1,2% op vooruit en de mediane koopkrachtont-wikkeling van werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerdenlicht dicht bij elkaar ligt. Ook de verschillen tussen andere groepen zijnbeperkt. Daarmee ziet het koopkrachtbeeld er evenwichtig uit en is hetkabinet van mening daarmee recht te hebben gedaan aan de motie.Hierbij wijst het kabinet ook op het belang – en dat kan niet genoegworden benadrukt – van het belasten van het werkelijke rendement opvermogen in box 3 voor een evenwichtige belasting op arbeid envermogen worden benadrukt. Het wetsvoorstel Werkelijk rendement box 3is afgelopen mei door de voormalige Staatssecretaris FBD ter behandelingaangeboden aan de Tweede Kamer.VRAAG 20Vraag 2021Zie: AI (Artificiële Intelligentie) – Digitale Overheid (link)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9315 Hoeveel van het Nederlandse gasverbruik komt nog steeds uit Rusland?Wanneer wordt dit beëindigd?Antwoord op vraag 20In Nederland komt alleen nog in Rotterdam rechtstreeks Russisch gasbinnen in de vorm van vloeibaar gas (LNG). Sinds juli 2024 gaat het omeen stabiele reststroom van ca. twee LNG-carriers per maand. In 2024telde dit op tot een volume van circa 1,7 miljard m3 gas. Ter vergelijking,het totale jaarverbruik in Nederland bedraagt circa 30 miljard m3 per jaar.Het LNG dat op deze manier binnenkomt blijft echter niet alleen inNederland. Het wordt, net als al het andere LNG dat via Nederland wordtgeïmporteerd, verhandeld op de interne EU-gasmarkt en ook doorgevoerdnaar andere landen. Andersom geldt ook, dat gas dat oorspronkelijk alsRussisch LNG in de EU is geïmporteerd, via de interne gasmarkt terechtkan komen in Nederland.Nederland zet zich, conform REPowerEU, in EU verband hard in voor dezo spoedig mogelijke en permanente uitfasering van Russische fossielebrandstoffen. Op 17 juni 2025 heeft de Europese Commissie eenREPowerEU-wetgevingsvoorstel gepresenteerd voor het gefaseerdbeëindigen van de invoer van Russisch gas tegen eind 2027.22 In deafgelopen periode is intensief onderhandeld over dit wetgevingsvoorstelmaar dat heeft er niet toe geleid dat de essentie van het voorstel isaangepast. Het is de verwachting dat tijdens Energieraad op 20 oktobereen algemene oriëntatie van EU-lidstaten wordt bereikt en dat vrijwelonmiddellijk daarna de onderhandelingen met het Europees Parlementworden gestart om tot een definitieve tekst te komen. Daarbij is het tevensde verwachting dat op afzienbare termijn tot overeenstemming kanworden gekomen, want in het parlement is er brede steun voor hetgeenmet de verordening wordt beoogd. De beoogde datum van inwerking-treding is dan ook nog steeds 1 januari 2026.Daarnaast heeft de Europese Commissie op 19 september jl. haar voorstelvoor een 19e sanctiepakket uitgebracht (Statement by the President: 19thpackage of sanctions against Russia). Onderdeel van dit pakket is dat deimport van LNG uit de Russische Federatie onder de sancties komt tevallen en per 1 januari 2027 wordt verboden. Hoe dit samenloopt met deREPowerEU-verordening is nog onderwerp van gesprek in Brussel.VRAAG 21Vraag 21Wat is het effect van de «buffelboete» op mensen die 20 uur per weekwerken en het minimumloon verdienen?Antwoord op vraag 21Onderstaande tabel toont het netto inkomen van iemand die 20 uur perweek werkt tegen minimumloon in 2024, 2025 en 2026. Het minimumloonvoor 2026 is nog niet definitief vastgesteld, het betreft een voorlopigeinschatting. Bij de berekening is uitgegaan van iemand jonger dan deAOW-leeftijd en zonder kinderen.22Kamerstuk 22 112, nr. 4106.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9316 Bovenstaande tabel laat zien dat door de verlaging van de algemeneheffingskorting sprake is van minder recht op algemene heffingskorting in2025 ten opzichte van 2024. Het recht op arbeidskorting neemt iets toeomdat ook het inkomen is toegenomen. Netto houdt deze persoon meerover. Wijzigingen in toeslagen zijn afhankelijk van de huishoudsamen-stelling en in deze berekening nog niet meegenomen. De huurtoeslag enhet kindgebonden budget zijn sinds 2024 verhoogd.VRAAG 22Vraag 22Is een geraamd begrotingstekort van – 2,9% van het bbp daadwerkelijkgezond? Er hoeft toch maar iets tegen te zitten en dan gaat het tekort overde 3% heen. Wordt er weer niet te veel vlak langs de vangrail gereden,zoals de Raad van State eerder aangaf?Antwoord op vraag 22Een tekort van – 2,9% van het bbp blijft binnen de Europese tekortnorm,maar de cijfers wijzen inderdaad wel op het belang van het herstellen vanbegrotingsdiscipline. Daar spant het kabinet zich voor in. Daarnaast hangtde verslechtering van het saldo in 2026 samen met de eenmalige uitgavenvoor de overgang van de via de begroting gefinancierde militairepensioenen naar een kapitaaldekkingsstelsel. Voor deze pensioenen is inhet verleden geen vermogen opgebouwd. Omdat Defensie nu overstaptnaar het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP), wordt er ruim 8miljard euro gestort (0,7% bbp). Deze storting vergroot het overheids-tekort in 2026, maar betreft een eenmalige uitgave.Nederland staat op langere termijn wel voor aanzienlijke budgettaireuitdagingen, onder meer door vergrijzing, veiligheid en investeringen inenergie-infrastructuur. Het huidige demissionaire kabinet houdt vast aande uitgaven- en inkomstenkaders en schuift geen extra rekeningen door.Vanaf 2027 beperken de afspraken uit het hoofdlijnenakkoord de uitgaven-groei, wat zich vertaalt in een afnemend tekort van 2,4% in 2027 en 2,1%in 2028. Ook toekomstige kabinetten zullen aanvullende maatregelenmoeten nemen om het saldo en de schuld onder de Europese grens-waarden te houden.VRAAG 23Vraag 23Aan de andere kant is er sinds 2020 een structureel ramingsoverschot vancirca 25 miljard euro. Welke maatregelen zijn er inmiddels genomen omdit verschil kleiner te maken? Welke maatregelen zijn daarbij betrokken uithet advies van de Expertgroep en welke uit de Initiatiefnota RealistischRamen?Antwoord op vraag 23Figuur 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9317 De betrouwbaarheid van ramingen is cruciaal voor het parlement om zijnbudgetrecht uit te oefenen. De afgelopen jaren waren er grote verschillentussen de verwachte en gerealiseerde EMU-saldi. De Expertgroeprealistisch ramen (Expertgroep) heeft onderzocht wat hier de oorzakenwaren van de verschillen tussen de geraamde en gerealiseerdeEMU-saldi. De Expertgroep concludeerde dat circa 60% van de ramingsaf-wijkingen in de jaren 2021–2023 worden verklaard door twee op elkaarvolgende «perfect storms» die over de Nederlandse economie trokken:corona en de energiecrisis. Het kabinet heeft alle aanbevelingen overge-nomen en voert momenteel verbeteringen door.23 Voor enkele aanbeve-lingen van de Expertgroep, deels overeenkomstig met de aanbevelingenuit de initiatiefnota realistisch ramen24, bevat hoofdstuk 2.8.1 van deMiljoenennota informatie over de stand van zaken. Zo werkt het kabinetaan periodieke rapportage van kasontvangsten en kasuitgaven, en wordtmet ingang van deze Miljoenennota de inkomstenraming getoetst aan eennaïeve raming.Het kabinet heeft de afgelopen jaren op verschillende manieren ingezet ophet realistischer maken van de begroting, onder andere door middel vankasschuiven, het inboeken van aanvullende onderuitputting en hetafschaffen van uitzonderingen op de eindejaarsmarge. Daarnaastrapporteert het kabinet sinds enkele jaren in diverse begrotingsstukken,waaronder de Voorjaarsnota, het Financieel Jaarverslag van het Rijk en dejaarverslagen uitgebreid over realisaties van de begroting en niet-bestedemiddelen. In 2025 stond er 7,1 miljard euro aan verwachte onderuitputtingin de boeken, In de Miljoenennota wordt 1,1 miljard euro aan in=uit-taakstelling met de incidentele ruimte ingevuld. Dit betekent dat er nog 6,0miljard euro aan openstaande taakstelling en aanvullende onderuitputtingresteert. Bij Najaarsnota en het Financieel Jaarverslag Rijk zal verderduidelijk worden hoeveel onderuitputting er op de begroting is. Het deeldat dat bij het eind van het jaar niet wordt ingevuld, leidt tot saldover-slechtering.Desondanks zullen er altijd ramingsafwijkingen bestaan, zo stelt ook deExpertgroep. Daarnaast kan het meevallende beeld van de afgelopenjaren ook omslaan, zeker gezien de grote internationale onzekerheid.VRAAG 24Vraag 24Klopt het dat het tekort in 2024 21 miljard euro lager uitviel dan aanvan-kelijk begroot? Hoeveel gaat dit ramingsverschil naar verwachting in 2025bedragen? Kan de regering de Kamer hier maand voor maand overinlichten? En ook over het verloop van de overheidsinkomsten en-uitgaven?Antwoord op vraag 24Het begrotingstekort viel in 2024 inderdaad circa 21 miljard euro lager uitdan begroot. In de Miljoenennota 2026 is de meest actuele raming van hetbegrotingstekort over 2025 opgenomen. Het verwachte tekort bedraagt24,8 miljard euro ten opzichte van een aanvankelijk begroot tekort van32,6 miljard euro bij Miljoenennota 2025. De huidige verwachting isdaarom dat het ramingsverschil over 2025 circa 7,8 miljard euro zalbedragen.23Kabinetsreactie rapport Expertgroep realistisch ramen (link)24Kabinetsreactie initiatiefnota leden Omtzigt en Idsinga over realistisch ramen (link)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9318 De verschillen tussen ramingen en realisaties zijn de laatste jarenafgenomen, onder andere door inspanningen van het kabinet om debegroting in een realistischer kasritme te plaatsen. Dit conform deadviezen uit de Expertgroep Realistisch Ramen.25 In 2024 zaten degrootste verschillen aan de uitgavenkant, onder andere omdat er in totaalvoor 11 miljard euro aan uitgaven naar latere jaren werd verschoven. In2025 zijn zowel hogere belastingontvangsten als gevolg van economischeontwikkelingen en doorgeschoven uitgaven naar latere jaren de oorzaakvan de ontstane verschillen. Deze verschillen zijn vooralsnog kleiner danin 2024. Daarbij staat er in 2025 nog 6 miljard euro aan onderuitputtinggeraamd die dit jaar ingevuld dient te worden.In de Miljoenennota is opgenomen dat het kabinet vanaf oktobermaandelijks een update van de realisaties van de uitgaven en inkomstenzal publiceren op rijksfinancien.nl. Dit om de transparantie rondomramingen en realisaties te verbeteren. Ramingsverschillen worden hierinniet opgenomen. Het begrotingstekort zal bij de Najaarsnota wordengeactualiseerd.VRAAG 25Vraag 25Wat zou het EMU-saldo zijn indien de eenmalige uitgave voor defensie-pensioenen in 2026 niet wordt meegerekend?Antwoord op vraag 25De eenmalige uitgave voor defensiepensioenen in 2026 is 8,15 miljardeuro. Als dit niet wordt meegerekend is het EMU-saldo – 2,2% in 2026.VRAAG 26Vraag 26Kan in de grafiek over de groei van reële lonen ook de ontwikkeling vanhet minimumloon en de koopkracht van bijstandsgerechtigden wordenmeegenomen?Antwoord op vraag 26Zie onderstaand figuur.25Op drift of op koers: Analyses en aanbevelingen om beter te ramen en begroten (link)Figuur 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9319 VRAAG 27Vraag 27Waarom wordt in de Miljoenennota het sluiten van de budgettaire kaders«binnen de begrotingshorizon» als uitgangspunt genomen? Hoe verhoudtdie keuze zich tot de begrotingsregels van het kabinet?Antwoord op vraag 27Vasthouden aan de afgesproken budgettaire kaders draagt bij aan solideoverheidsfinanciën, voorspelbaarheid en stabiliteit. In de Miljoenennotaheeft het kabinet de kaders over de begrotingshorizon gehandhaafd,waarbij is gezocht naar enerzijds een balans en budgettaire dekking, enanderzijds budgettaire haalbaarheid, ook gezien de demissionaire status.De derving als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad over deliquidatieverliesregeling, en de verlenging van de verlaging van debrandstofaccijns leiden tot een grote incidentele derving in 2025 en 2026.Hiervoor is ook budgettaire dekking aangedragen in de jaren na 2026.Over de begrotingshorizon is er daarmee sprake van een gedektebegroting, al wordt het inkomstenkader binnen de kabinetsperiodeoverschreden. Daarmee wordt voorkomen dat er additionele rekeningenworden doorgeschoven. De voorgestelde set aan maatregelen enbudgettaire dekking acht het kabinet daarom passend.VRAAG 28Vraag 28Is de verlaging van de koopkracht van de uitkeringsgerechtigden door deverhoging van de arbeidskorting en het tarief in de eerste schijf van deinkomstenbelasting met 0,1% een beoogd effect?Antwoord op vraag 28Het kabinet heeft ervoor gekozen de arbeidskorting per 2026 te verhogenom werken meer te laten lonen. Dit wordt gedekt uit een verhoging vanhet eerste tarief in de inkomstenbelasting. De combinatie van dezemaatregelen zorgt voor een schuif van de lasten op werkenden naar delasten voor iedereen. Het beoogde doel was dus het dichter bij elkaarbrengen van de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsge-rechtigden, wat met deze maatregelen is gelukt.VRAAG 29Vraag 29Klopt het dat de koopkracht van de ouderen sinds 2010 inmiddels met16% achterloopt op de werkeneden?Antwoord op vraag 29Onderstaande figuur toont de ontwikkeling van de gerealiseerdekoopkracht (gedefinieerd als de ontwikkeling van het gemiddeld reëelbesteedbaar inkomen) van gepensioneerden en werkenden tussen 2011en 2023. Hieruit blijkt dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerdencumulatief 5 procentpunt lager ligt dan die van werkenden. Dit komt mededoordat de indexatie van de aanvullende pensioenen is achtergebleven bijde loonontwikkeling in deze periode. Met name gepensioneerden methogere aanvullende pensioenen hebben hier nadeel van ondervonden.Hiertegenover staat dat nieuwe cohorten gepensioneerden vaak eenhoger aanvullend pensioen hadden dan personen die al met pensioenwaren, wat juist een opwaarts effect op de koopkracht heeft gehad. Voor2026 raamt het kabinet een hogere statische koopkrachtstijging voorgepensioneerden (1,5%) dan voor werkenden (1,2%).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9320 VRAAG 30Vraag 30Waarom ontbreekt – anders dan in de laatste jaren gebruikelijk – eenpassage over de koopkrachtmaatregelen in Caribisch Nederland in deMiljoenennota? Hoe luidt de afweging, in het kader van het «comply orexplain»-beginsel, om maatregelen die in Nederland effect hebben op dekoopkracht in Caribisch Nederland al dan niet door te voeren?Antwoord op vraag 30Het «comply or explain»-principe gaat ervan uit dat in beginsel allenieuwe wet- en regelgeving en wijzigingsvoorstellen ook voor Bonaire,Sint-Eustatius en Saba gelden, tenzij er onderbouwde redenen zijn omhiervan af te wijken. De maatregelen die dit jaar zijn genomen en effecthebben gehad op de koopkracht in Europees Nederland, zoals deverlenging van de accijnsverlaging, vallen onder de uitgavenmaatregelenen zijn gedekt binnen het sociaal domein. Omdat er per saldo geen extramiddelen zijn uitgegeven ten behoeve van de koopkrachtontwikkeling, zijner geen additionele maatregelen genomen voor Caribisch Nederland en iser ook geen passage opgenomen in de Miljoenennota.VRAAG 31Vraag 31Welk deel van de toegenomen economische onzekerheid is te herleidennaar de Amerikaanse importheffingen?Antwoord op vraag 31De economische onzekerheid is door de aankondiging van de handelsta-rieven toegenomen. Na 2 april is een piek zichtbaar in zowel de Europeseals de Nederlandse onzekerheidsindex. De Europese index (onderstaandefiguur) laat zien dat de piek ook vrij snel weer wat is afgezwakt. Deonzekerheid ligt dan nog wel op een hoger niveau dan in de voorgaandejaren maar er is een dalende trend. De index is gebaseerd op het aantalartikelen over beleidsonzekerheid in Europese kranten.Figuur 3Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9321 De Nederlandsche Bank (DNB) heeft in zijn voorjaarsraming een onzeker-heidsindex voor de Nederlandse economie gemaakt (onderstaandefiguur). Deze index is gebaseerd op het aantal onzekerheidsgerelateeerdeartikelen in het FD. De onzekerheid is sterk toegenomen in 2025 enbereikte een top op ongeveer het niveau van het begin van de corona-crisis. Voor zowel Nederland als de EU is er sterke een toename van deonzekerheid na 2 aprilFiguur 4Figuur 5Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9322 Het is niet te kwantificeren welk deel van de toegenomen onzekerheid toete schrijven is aan de Amerikaanse importtarieven. De handelstarievenvanuit de VS zijn niet de enige oorzaak van economische onzekerheid inde wereld. De oorlog in Oekraïne en de onrust in het Midden-Oostenzorgen voor verstoringen in de wereldeconomie en dragen ook bij aan deonzekerheid.VRAAG 32Vraag 32Welke stappen neemt het kabinet om de arbeidsproductiviteit in depublieke sector te verhogen?Antwoord op vraag 32Het kabinet verkent de mogelijkheden van AI om de productiviteit in depublieke sector te verhogen. Verschillende pilots zijn uitgerold en er wordtonderzocht of de inzet van generatieve AI door ambtenaren verder kanworden verruimd. Ook heeft het kabinet heeft als doel om de producti-viteit in de zorg te verbeteren. Dit gebeurt door het halveren van deadministratietijd in 2030, efficiënter inzetten van medewerkers en hetvergroten van vakmanschap en werkplezier. In de Productiviteitsagendaheeft het kabinet vijf aandachtsgebieden geformuleerd die de producti-viteit moeten verbeteren: digitalisering & innovatie, concurrentie &interne markt, bedrijfsfinanciering, onderwijs & leven lang ontwikkelen enarbeidsmarkt. De resultaten hiervan kunnen er bovendien voor zorgen datook de productiviteit in de publieke sector toeneemt. Daarnaast zet hetkabinet stappen om een Productiviteitsraad op te richten. Deze raad heeftals doel jaarlijks beleidsadviezen uit te brengen die bijdragen aan eenhogere productiviteit in Nederland.VRAAG 33Vraag 33Kunnen zowel publieke als private investeringen per sector wordenuitgesplitst en vergeleken worden met andere landen?Antwoord op vraag 33Eurostat publiceert een uitsplitsing van de publieke investeringen alspercentage van het bbp naar sectoren voor alle EU-landen. De onder-staande figuur bevat een vergelijking van Nederland en het gemiddeldevan de eurozone in 2023. De indeling van de sectoren is op basis van deCOFOG en de ESA-10 definitie van de Nationale Rekeningen. Naast dezeinvesteringen profiteren sectoren van andere overheidsuitgaven, zoalssubsidies. Deze tabel geeft dus geen beeld van de totale uitgaven die naareen sector gaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9323 Eurostat publiceert geen uitsplitsing naar sectoren voor private investe-ringen. De onderstaande figuur bevat een vergelijking van de privateinvesteringen als percentage van het bbp in Nederland, Duitsland,Frankrijk en het gemiddelde van de eurozone van 2000 tot 2023.Eurostat(2025), Investment share of GDP by institutional sectorsVRAAG 34Vraag 34Kunt u nader toelichten wat de relatief sterke stijging van de overheids-consumptie vanaf 2020 verklaart? Komt dat vooral door vergrijzingsgere-lateerde uitgaven, of spelen ook andere consumptieve uitgaven de laatstejaren een rol?Antwoord op vraag 34Onderstaande grafiek toont de ontwikkeling van de consumptieveoverheidsbestedingen van verschillende overheidsfuncties (in lopendeprijzen). Deze grafiek toont dat de stijging van de consumptieve beste-Figuur 6Figuur 7Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9324 dingen sinds 2020 met name het gevolg is van stijgende uitgaven aansociale bescherming en volksgezondheid. Het CBS maakt geen uitsplitsingnaar vergrijzingsgerelateerde uitgaven. Belangrijke disclaimer is dat degrafiek in lopende prijzen is uitgedrukt. Een gedeelte van de hogereuitgaven wordt veroorzaakt doordat het algemene prijspeil in die periodeook is toegenomen.VRAAG 35Vraag 35Hoe beoordeelt u de ontwikkeling vanaf 2012 waarbij de overheidscon-sumptie meer groeit dan de overheidsinvesteringen?Antwoord op vraag 35Groeibevorderende investeringen kunnen bijdragen aan de welvaart vanhuidige en toekomstige generaties en maken het eenvoudiger omcollectieve arrangementen te financieren. Vanwege vergrijzing nemen deuitgaven aan AOW en de zorg structureel en automatisch toe. Dit kan detoekomstige budgettaire ruimte voor investeringen beperken. Hetdemissionaire kabinet heeft daarom een eerste stap gezet in debeheersing van overheidsuitgaven. De maatregelen uit het hoofdlijnenak-koord verminderen de overheidsuitgaven structureel vanaf 2027.De onderuitputting van de afgelopen jaren vond voornamelijk plaats opinvesteringsmiddelen. De onderuitputting toont dat de overheid quauitvoeringskracht aan haar grenzen zit. De ambities van het geplandebeleid bleken vaak groter dan de beschikbare uitvoeringscapaciteit. Hetdemissionaire kabinet heeft daarom stappen gezet om de begrotingrealistischer te maken.VRAAG 36Vraag 36Figuur 8 Consumptieve bestedingen overheid (in lopende prijzen)Bron: CBSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9325 Klopt het dat er, als je uitgaat van de meest recente CPB-ramingen, voorhet volgende kabinet in 2030 een budgettaire opgave ligt van circa 7miljard euro als dat kabinet de overheidsschuld als percentage van hetbbp constant wil houden rond het niveau van 2030?Antwoord op vraag 36De 18e Studiegroep Begrotingsruimte (SBR) heeft inderdaad eenstructurele opgave geraamd van 7 miljard euro, volgend uit een feitelijkEMU-saldo in 2030 van – 2,5% om de schuld van het niveau van 2030, 53%bbp, te stabiliseren. Voor een uitgebreide analyse en toelichting op deberekening, zie het rapport van de 18e SBR, in het bijzonder hoofdstuk 3»kwantitatief advies en begrotingsankers». De SBR volgt altijd de ramingvan het CPB.De kabinetsraming van het langjarig saldo is – 2,1% in 2030; een verschilvan 0,4% bbp. Op basis van de stand van de Voorjaarsnota was ditverschil 0,3% bbp. In de verticale toelichting van het EMU-saldo in deMiljoenennota (paragraaf 2.4) is de oorzaak van deze verbeteringbeschreven. Deze is met name het gevolg van ontwikkelingen van hetuitgavenkader. Daarnaast is de kabinetsraming in de Miljoenennota opbasis van de macro-economische cijfers van de MEV. De meest recenteCPB-raming voor 2030 is de cMEV, omdat de MEV alleen de jaren 2025 en2026 bevat. Zie ook antwoord vraag 10.Verder zijn de verschillen in de raming tussen het CPB en het kabinet,zoals ook uiteengezet in de Ontwerpbegroting 2026 (Draft BudgetaryPlan)26, als volgt. De kabinetsraming is gebaseerd op de departementalebegrotingen en de belastingraming van het Ministerie van Financiën,terwijl het CPB een onafhankelijke raming maakt en andere uitgangs-punten kan hanteren. Met name over onderuitputting hanteert het CPBandere uitgangspunten. Verder verschilt de raming tussen het CPB en hetkabinet vooral bij asiel, EU-afdrachten en decentrale overheden. In hetgeval van de kabinetsraming is de opgave voor 2030 dan ceteris paribus(exclusief uitverdieneffecten) 0,4% bbp (circa 6 miljard) lager.VRAAG 37Vraag 37Welke budgettaire opgave ligt er voor 2030 volgens de raming van hetkabinet in de Miljoenennota om de overheidsschuld als percentage vanhet bbp constant te houden rond het niveau van 2030 (in miljardeneuro’s)? Wat verklaart het verschil met de opgave volgens de CPB-raming?Antwoord op vraag 37Zie antwoord bij vraag 36.VRAAG 38Vraag 38Wat is de budgettaire opgave voor 2030 om te voldoen aan het door deEuropese Commissie aanbevolen uitgavenpad volgens de raming van hetkabinet in de Miljoenennota? En volgens de raming van het CPB (inmiljarden euro’s)? Wat verklaart het verschil?Antwoord op vraag 38Het kabinet maakt zelf geen ramingen van de groei van de netto primaireuitgaven. Voor Europese stukken wordt altijd uitgegaan van de ramingen26Ontwerpbegroting Nederland 2026 (link)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9326 van het CPB. Het CPB raamt in zijn recentste raming (cMEV27) dat de nettoprimaire uitgaven in de periode 2024 – 2028 cumulatief met 26,2%groeien, terwijl de Raad Nederland aanbeveelt dat de groei in dezeperiode maximaal 21,0% bedraagt. Het door de Raad aanbevolenuitgavenpad loopt tot met 2028; de opgave voor 2030 is nog onbekend.VRAAG 39Vraag 39Acht u het haalbaar binnen de in Nederland geldende begrotingssyste-matiek tot een langer doorrollende meerjarenraming voor de overheidsfi-nanciën te komen (cf. de OESO-aanbeveling in de Economic Survey overNederland van juli 2025), en zo ja, met ingang van welk begrotingsjaar?Antwoord op vraag 39In lijn met de aanbevelingen van het OECD Economic Survey en de 18eStudiegroep Begrotingsruimte wordt komende periode een werkgroepopgestart waarin onderzocht wordt hoe de begrotingshorizon kan wordenverlengd met vier jaar zodat jaarlijks beter meerjarig inzicht gegeven kanworden in de ontwikkeling van de uitgaven, inkomsten en saldo. Hetuitgangspunt is hierin dat bij de begroting van 2028 wordt overgestapt opeen nieuwe systematiek. Dit uitgangspunt kan worden aangepast mochtde werkgroep tot de conclusie komen dat de verlenging van de begro-tingshorizon of het tijdspad niet haalbaar is.VRAAG 40Vraag 40Kunt u nader toelichten wat u bedoelt met de zin «Met het pakket aanmaatregelen in deze Miljoenennota sluit het uitgavenkader exclusiefkasschuiven binnen de begrotingshorizon»?Antwoord op vraag 40Het sluiten van het kader betekent dat het uitgavenniveau binnen hetkader (het maximum) blijft, dat door het kabinet bij startnota is vastge-steld. In regel 50 van de kadertoets is te zien dat alle onder- en overschrij-dingen optellen tot een onderschrijding. Oftewel, het uitgavenkader sluitexclusief kasschuiven binnen de begrotingshorizon. Inclusief kasschuivenis dit ook het geval. Dit betekent dat alle budgettaire mutaties in debegrotingshorizon (t/m 2030) zijn gedekt.Hiernaast worden ook de structurele uitgaven in 2030 in deze Miljoe-nennota gedekt. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat geen rekening naarvolgende generaties wordt doorgeschoven. In vraag 27 wordt dit verdertoegelicht.VRAAG 41Vraag 41Hoe beoordeelt u de overschrijding van het uitgavenkader in 2029, ookexclusief kasschuiven? Hoe verhoudt die overschrijding zich tot debegrotingsregels van het kabinet?Antwoord op vraag 41Zie vraag 27.27De MEV bevat geen raming voor de uitgavengroei in de periode 2027–2028.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9327 VRAAG 42Vraag 42Deelt u de vaststelling dat het door de wijze waarop kasschuiven dekomende jaren worden ingezet de speelruimte voor een nieuw kabinetbelast?Antwoord op vraag 42Bij de Miljoenennota zijn budgetten zoveel mogelijk in een realistischritme geplaatst en zodoende zijn middelen naar latere jaren geschoven.Tegenover hogere uitgaven in latere jaren staan lagere uitgaven in dejaren waaruit wordt geschoven, waardoor er in totaliteit per saldo nietméér wordt uitgegeven. Een nieuw kabinet kan deze uitgaven opnieuwafwegen en eigen prioriteiten en doelen vormgeven.VRAAG 43Vraag 43Waarom wordt de kasschuif Infrastructuur van € 1 miljard naar 2027 bij deMiljoenennota weer naar 2026 geschoven?Antwoord op vraag 43Het kabinet heeft in het voorjaar van 2025 besloten tot fasering van deinfrastructuur. Daarom werd er kasbudget van 2026 naar 2027 geschoven.Op basis van recente uitvoeringsinformatie blijkt dat deze kasschuif van 1miljard euro van 2026 naar 2027 alleen kan worden doorgevoerd door nuactief te remmen in de productie. Actief remmen in productie wil ditkabinet niet en is niet conform eerder gemaakte afspraken (zie hiervoor deKamerbrief van 22 mei over gevolgen Voorjaarsnota voor Mobiliteits-fonds). Daarom is besloten om 1 miljard euro weer terug te schuiven naar2026.VRAAG 44Vraag 44Hoe wordt het terugdraaien van het afschaffen van de onderwijskansenre-geling gedekt? Klopt het dat ofwel de Envelop ouderenzorg, ofwel eenkorting op de incidentele loonontwikkeling (ILO) – zie beslisnota’s bij deMiljoenennota, p. 22), dan wel beiden, hiertoe zijn ingezet?Antwoord op vraag 44Het kabinet heeft in de Miljoenennota een integrale afweging gemaakt vanalle uitgaven. Het terugdraaien van het afschaffen van de onderwijskan-senregeling was hier onderdeel van. De uitgaven worden gedekt,waardoor de rekening niet wordt doorgeschoven naar toekomstigegeneraties.De dekking bestaat uit een deel van de Envelop ouderenzorg en eenkorting op de incidentele loonontwikkeling, maar bijvoorbeeld ook eendeel van de prijsbijstelling.VRAAG 45Vraag 45Bent u bereid in een helder samenhangend overzicht duidelijk te makenwelke enveloppen in het Hoofdlijnenakkoord precies waren voorzien, watdaar in deze kabinetsperiode uit is betaald en wat er daarin nu nogresteert?Antwoord op vraag 45Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9328 In de budgettaire bijlage van het hoofdlijnenakkoord staan alle reserve-ringen die het kabinet Schoof beschikbaar heeft gesteld. Deze reserve-ringen zijn grotendeels overgeheveld naar de departementale begrotingenen zijn terug te vinden in de betreffende begrotingen. Op de AanvullendePost resteren nog enkele reserveringen. Deze zijn terug te vinden bijlage16 van de Miljoenennota.VRAAG 46Vraag 46Waarom sluit het uitgavenkader en inkomstenkader niet van jaar-op-jaar,over de geplande kabinetsperiode en structureel? Hoe verhoudt die keuzezich tot de begrotingsregels van het kabinet?Antwoord op vraag 46Zie antwoord op vraag 27.VRAAG 47Vraag 47Kunt u toelichten wat er gebeurd is met de 600 miljoen euro voorouderenzorg die in het Hoofdlijnenakkoord jaarlijks stond ingeboekt voor2027 en 2028? Wordt dit nu anders besteed en zo ja, waaraan?Antwoord op vraag 47In onderstaande tabel staat de benutting van de envelop ouderenzorgweergegeven.Tabel 6 Benutting envelop ouderenzorgBedragen x1.000202520262027202820292030Envelop ouderenzorg HLA600.000600.000600.000600.000LPO tranche 202527.76427.76427.76427.764Kasschuif t.b.v. HLO281.000– 171.000– 92.000– 18.000Inzet HLO– 281.000– 229.000– 148.000– 41.000Tariefmaatregelen Wlz (motie Dobbe/Westerveld)– 65.000Inzet voor intensivering LVHC– 4.360– 7.710– 7.710– 7.710Gedeeltelijke vrijval niet-bestedemiddelen envelop Ouderenzorg– 150.000– 150.000– 150.000– 150.000Kasschuif91.000– 91.000Huidige reservering Aanvullende Post–08.404321.054320.054470.054 In het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is vanaf 2027 structureel 600 miljoen eurobeschikbaar gesteld voor investeringen in betere ouderenzorg. Met detoevoeging van de loon- en prijsbijstelling over 2025 kwam er aanvullendstructureel 27,8 miljoen euro beschikbaar. Een (incidenteel) deel van deenvelop is inmiddels ingezet voor afspraken in het Hoofdlijnenakkoordouderenzorg (HLO). In 2027 en 2028 gaat het om respectievelijk 229miljoen euro en 148 miljoen euro. Omdat de financiële afspraken in hetHLO al per 2026 ingaan is een deel van de middelen naar 2026 geschoven(171 miljoen euro vanuit 2027, 92 miljoen euro vanuit 2028 en 18 miljoeneuro vanuit 2029.). Daarnaast wordt er in 2027 65 miljoen euro ingezet ter(intertemporele) dekking van de motie Dobbe en Westerveld28 om detariefmaatregel meerjarig contracteren in de gehandicaptenzorg en delangdurige ggz voor 2026 niet in te laten gaan. Ook wordt er 4,4 miljoeneuro in 2027 en vanaf 2028 structureel 7,7 miljoen euro ingezet voor hettoevoegen van twee doelgroepen in de aanspraak op gespecialiseerdelangdurige zorg (traject «laag volume hoog complex» (LVHC)). Ter dekkingvan structurele problematiek op de Rijksbegroting wordt structureel 15028Kamerstuk 36 725-XVI, nr. 18.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9329 miljoen euro vanaf 2027 ingezet. Als laatste vindt er een kasschuif plaatsvan 91 miljoen euro van 2029 naar 2028. Er resteert nu een structureelbedrag van 470 miljoen euro.VRAAG 48Vraag 48Waarom worden middelen voor de extra zorgvraag door het verminderderemgeldeffect van een lager eigen risico ingezet voor investeringen in het«aanvullend zorg- en welzijnsakkoord» (AZWA)? Betekent dit dat debeoogde verlaging van het eigen risico naar verwachting gepaard zalgaan met een lager dan verwachte stijging van de zorgvraag?Antwoord op vraag 48In het AZWA maken partijen afspraken over het gelijkwaardiger toegan-kelijk maken van zorg en ondersteuning in de periode tot en met 2028. Alsonderdeel hiervan hebben de partijen afspraken gemaakt over de inzetvan het remgeld, dat beschikbaar is om de verwachte stijging vanzorgvraag door het lagere eigen risico op te vangen. Het remgeld wordtgrotendeels gereserveerd voor extra zorgverlening in de curatievezorgsectoren. Een kleiner deel wordt ingezet voor andere investeringenom de zorgvraag op te vangen (0,6 miljard euro in 2027 en 2028 en 0,2miljard euro structureel in tabel 2 op pagina 33 van de Miljoenennota2026). Dit zijn deels uitgaven om de vraag naar zorg in de curatieve zorg teverminderen, bijvoorbeeld door investeringen in het sociaal domein enpreventie, en deels investeringen om de zorgverlening efficiënter temaken, bijvoorbeeld door het financieren van investeringen in arbeidsbe-sparende projecten.VRAAG 49Vraag 49Hoe komt het dat het Nederlandse aandeel in de EU-begroting is gestegennaar 6,4%? Kunt u een overzicht geven van wat alle lidstaten bijdragenaan de EU in 2025, incl. het aandeel wat ze hierin hebben?Antwoord op vraag 49Het Nederlands bni-aandeel is gestegen naar 6,4%. Het bni-aandeel is hetrelatieve aandeel van Nederland in de totale economie van de EU27. Detoename is met name te verklaren door relatief hoge economische groei-en prijsontwikkeling (inflatie) in Nederland. Daarnaast is als gevolg van debronnenrevisie van het CBS het Nederlands bni naar boven bijgesteld,relatief meer dan in andere lidstaten. Wat lidstaten bijdragen aan de EU isbreder dan alleen de bni-afdracht. De tweede aanvullende Europesebegroting voor 2025 geeft het meest recente overzicht van de bijdragenvan alle lidstaten aan de EU-begroting in 2025 (zie tabel 6 op pagina 6 vande annex, die hier te vinden is.29 [1] Dit betreft een raming, aangezien hetbegrotingsjaar 2025 nog niet is afgelopen. In deze tabel staat ook hetaandeel van de lidstaten in de totale nationale afdrachten (de bni-, btw- enplastic-afdrachten). Dit is dus iets anders dan het hierboven beschrevenbni-aandeel, omdat het ook de btw- en plastic-afdracht betreft. Bovendienbeïnvloedt de korting op de bni-afdracht, die geldt voor de zogenaamdekortingslanden waaronder Nederland, de bijdrage van de lidstaten aan deEU. Hierdoor wijkt het Nederlandse aandeel in de daadwerkelijkeafdrachten af van het bni-aandeel van 6,4%. Hieronder is de tabel uit deannex samengevat:29https://commission.europa.eu/document/download/163df95d-d4a4-423e-a272-2290596ceee2_en?filename=COM_2025_410_EN_Budgetary%20Annex.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9330 Aandeel per lidstaat in de nationale afdrachten (bni/btw/plastic, exclusiefdouanerechten):Tabel 7LandTotaal bni/btw/plasticAandeelBelgium4.710.327.6633,6%Bulgaria843.068.9630,6%Czechia2.385.584.5001,8%Denmark2.710.970.2832,1%Germany29.643.876.98622,4%Estonia318.915.9370,2%Ireland2.999.627.7642,3%Greece1.886.551.7661,4%Spain13.010.192.9449,8%France23.741.625.69518,0%Croatia715.760.0670,5%Italy17.007.630.37412,9%Cyprus246.249.7800,2%Latvia322.954.0400,2%Lithuania627.429.1680,5%Luxembourg445.789.7430,3%Hungary1.676.506.7401,3%Malta165.604.3880,1%Netherlands6.443.444.0594,9%Austria3.150.287.2722,4%Poland6.891.874.3165,2%Portugal2.396.369.7471,8%Romania2.886.399.8162,2%Slovenia530.378.5090,4%Slovakia1.009.827.5780,8%Finland2.188.937.2561,7%Sweden3.233.644.6042,4%Total132.189.829.958100,0% VRAAG 50Vraag 50Wat zijn de oorzaken van de meevallers bij de Wet langdurige zorg van€ 788 miljoen en bij de uitgaven Zorgverzekeringswet á € 994 miljoen?Hoe is in deze gevallen bepaald welk deel hiervan structureel is en welkdeel incidenteel?Antwoord op vraag 50De geraamde uitgaven binnen de Zorgverzekeringswet zijn geactualiseerdop basis van de meest recente uitvoeringsinformatie van het Zorginstituuten de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Dit leidt tot een totale meevallervan 994 miljoen euro in 2025. In de akkoordsectoren zijn onderschrij-dingen in de wijkverpleging (-407 miljoen euro), de medisch-specialistische zorg (-206 miljoen euro), de huisartsenzorg (-126 miljoeneuro) en de multidisciplinaire zorgverlening (-40 miljoen euro) en eenoverschrijding in de GGZ (84 miljoen euro). In de niet-akkoordsectoren iseen per saldo meevaller van 300 miljoen euro, met als grootste bijstel-lingen de grensoverschrijdende zorg (-74 miljoen euro), de tandheel-kundige zorg (-51 miljoen euro) en de apotheekzorg (-47 miljoen euro).Voor de akkoordsectoren wordt bij Miljoenennota geen structureledoorwerking geboekt. In het AZWA hebben partijen met elkaarafgesproken de meerjarige bijstelling in beginsel in het voorjaar in debegroting te verwerken, met instandhouding van de MBI-kaders. Hierbijvindt een technische sectorale weging plaats. Voor deniet-akkoordsectoren wordt – 139 miljoen euro structureel verwerkt. Ookhiervoor wordt per sector bezien in hoeverre er redenen zijn om teveronderstellen dat de structurele ontwikkeling afwijkt van de realisatie.Hiervoor wordt in ieder geval gekeken naar de effecten op tarieven vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9331 NZa-kostprijsonderzoeken en voor zover mogelijk naar de oorzaken vansectorspecifieke ontwikkelingen.Het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz) is geactualiseerd op basis vande julibrief van de NZa. De julibrief van de NZa laat zien dat hetbeschikbare Wlz-kader voor 2025 ruimschoots toereikend is30. Ditresulteert in een totale meevaller van 711 miljoen euro in 2025. Voor hetstructurele deel wordt rekening gehouden met deze uitvoeringsgegevensover 2025 en met de impact van kostenonderzoeken en beleid. Dit leidt toteen meevaller van structureel 184 miljoen euro.De Wlz-uitgaven die buiten het kader vallen, zoals tandheelkundige zorgen hulpmiddelen, zijn geactualiseerd op basis van recente gegevens vanhet Zorginstituut en de NZa. Dit levert een meevaller op van incidenteel 57miljoen euro en structureel 10 miljoen euro. Ook de geraamdeontvangsten voor de eigen bijdragen Wlz zijn geactualiseerd. Dezeontvangsten vallen in 2025 20 miljoen euro hoger uit, waarvan 15 miljoeneuro structureel doorwerkt.VRAAG 51Vraag 51Betekent de vaststelling van het CPB in de cMEV ten aanzien van hetverslechterende saldo van gemeenten en provincies, dat gemeenteninderdaad nog altijd in latere jaren een verslechtering van de inkomstenuit Gemeente- en Provinciefonds tegemoet kunnen zien, ook ondanks decompensatie van incidentele tekorten in de jeugdzorg? Zo ja, hoe groot isdie achteruitgang, ook als je het accres meerekent?Antwoord op vraag 51Het EMU-saldo van lokale overheden, zoals toegelicht in de cMEV, omvatmeerdere componenten en volgt uit de ontwikkeling van zowel inkomstenals uitgaven van de medeoverheden.De ontwikkeling van de uitgaven op het Gemeentefonds is te zien in dehorizontale toelichting van het gemeentefonds (bijlage 10). BijVoorjaarsnota 2025 heeft het kabinet voor de jaren 2025 tot en met 2027cumulatief circa 3 miljard euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voorzowel jeugdzorg als voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds (GF).Voor 2028 en verder worden de beheers- en inhoudelijke maatregelen uitde Hervormingsagenda Jeugd versterkt en worden aanvullende maatre-gelen uitgewerkt. Hiernaast is aanvullend bij Miljoenennota 728 miljoenentoegevoegd ter compensatie van incidentele tekorten in de jeugdzorg in2023 en 2024.VRAAG 52Vraag 52Hoeveel resteert er nog in het Klimaatfonds? Welk deel hiervan is juridischverplicht?Antwoord op vraag 52Er resteert 21,2 miljard euro in het Klimaatfonds in de periode 2025 t/m2035. De middelen in het Klimaatfonds zijn niet juridisch verplicht omdater pas verplichtingen worden aangegaan nadat de middelen zijn overge-heveld naar departementale begrotingen. Een groot deel van de reste-rende middelen is wel voorwaardelijk toegekend of gereserveerd. Een30Kamerstuk 34 104, nr. 450Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9332 overzicht hiervan is te vinden in het Meerjarenprogramma 2026 Klimaat-fonds.31VRAAG 53Vraag 53Hoe ziet de verwachte koopkrachtontwikkeling in Caribisch Nederland erin 2026 uit?Antwoord op vraag 53Het is niet mogelijk om voor Caribisch Nederland de verwachtekoopkrachtontwikkeling aan te geven zoals dit voor Europees Nederlandgebeurt, omdat ramingen van toekomstige prijs- en loonontwikkelingenontbreken. In 2026 zullen de bij de voorjaarsnota 2025 aangekondigdemaatregelen doorlopen (Kamerstuk 36 600 IV, nr. 65). Daarnaast zullen hetminimumloon en de uitkeringen worden geïndexeerd aan de hand van deconsumentenprijsindex (cpi) van het derde kwartaal.VRAAG 54Vraag 54Kunt u een overzicht geven van de maatregelen die van invloed zijn op dekoopkrachtontwikkelingen in Caribisch Nederland, met bijbehorendebedragen? Klopt het dat er geen veranderingen zijn ten opzichte van deinhoud van de brief van 21 mei 2025 met het totaaloverzicht koopkracht-maatregelen voor de BES in de verschillende suppletoire begrotingen(Kamerstuk 36600 IV, nr. 65)?Antwoord op vraag 54Ten opzichte van de brief van 21 mei 2025 (Kamerstuk 36 600 IV, nr. 65) iser één aanvullende maatregel voor 2026, namelijk een verlaging van hettarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting in combinatie met eenverhoging van het tarief in de tweede schijf. Het betreft een budgetneu-trale maatregel waarmee de bestaanszekerheid op de BES-eilanden wordtversterkt.VRAAG 55Vraag 55Hoe verhoudt de omstandigheid dat een overzicht over de koopkracht inCaribisch Nederland ontbreekt zich met de aankondiging in de brief vande Staatssecretaris Koninkrijksrelaties van 3 juli 2025 onder Kamerstuk-nummer 36600 IV, nr. 72, dat net als voor Europees Nederland, hetwenselijk is om een vast jaarlijks integraal besluitvormingsmoment tehebben over de koopkracht in Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin ophet terrein van onder meer inkomens, kosten van levensonderhoud enfiscale maatregelen een afzonderlijke afweging gemaakt voor CaribischNederland, en dat deze afweging voor 2026 bij Prinsjesdag 2025 bekend-gemaakt wordt?Antwoord op vraag 55In de brief van 3 juli 2025 (Kamerstuk 36 600 IV, nr. 72) is aangegeven datvoor Caribisch Nederland een van Europees Nederland afzonderlijkeafweging wordt gemaakt. Omdat ten opzichte van de voorjaarsnota geenmaatregelen met budgettaire gevolgen te delen zijn, is geen nadereinformatie in de stukken opgenomen.31Bijlage bij Kamerstuk 33 043, nr. 119.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9333 VRAAG 56Vraag 56In hoeverre is er, inclusief de voorjaarsbesluitvorming, sprake vanstructurele overdekking van het inkomstenkader? Wat zijn de belangrijksteoorzaken van die overdekking?Antwoord op vraag 56Tijdens de voorjaarsbesluitvorming is het inkomstenkader gesloten meteen structurele overdekking van 271 miljoen euro. Tijdens de augustusbe-sluitvorming is het inkomstenkader gesloten met een structureleoverdekking van 351 miljoen euro. In totaal komt dit uit op een structureleoverdekking van 622 miljoen euro. Structurele overdekking is doorgaanshet gevolg van het dekken van incidentele tegenvallers met een (kleinere)structurele verhoging van de lasten. Het structurele overschot datgepresenteerd is in de Miljoenennota wordt nu bijvoorbeeld ingezet omhet inkomstenkader over de begrotingshorizon (t+5) rond te laten lopen.Dit is nodig vanwege de grote incidentele tegenvallers, en wenselijk omschuld niet te laten oplopen en door te schuiven naar toekomstigegeneraties.VRAAG 57Vraag 57Wat is de precieze alternatieve invulling van de maatregel m.b.t. rodediesel?Antwoord op vraag 57Voor investeringen in het landbouwbeleid is 146 miljoen euro structureelop de LVVN-begroting ter beschikking gesteld als alternatief voor de rodedieselmaatregel uit het Hoofdlijnenakkoord. Het gaat daarbij om middelenvoor robotisering en digitalisering (137 miljoen euro tot en met 2030), deregeling verduurzaming landbouwvoertuigen (16,6 miljoen euro tot enmet 2030), klimaatadaptatie en bodem (51,2 miljoen euro tot en met 2030),het Nationaal Groenfonds (136 miljoen euro tot en met 2030), hetprogramma BoerenPerspectief en Taboer (37,5 miljoen euro tot en met2030) en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (206 miljoen euro tot enmet 2030). Vanaf 2031 is het budget structureel verdeeld over robotiseringen digitalisering (25 miljoen euro), Nationaal Groeifonds (15 miljoeneuro), BoerenPerspectief (10 miljoen euro) en het GemeenschappelijkLandbouwbeleid (96 miljoen euro).VRAAG 58Vraag 58Klopt het dat het pakket maatregelen dat nu voorligt per saldo tot eenstructurele beleidsmatige lastenverzwaring van 622 miljoen euro leidt(voorjaarsbesluitvorming en augustusbesluitvorming)? Waarom is ergekozen voor deze structurele overdekking aan de lastenkant?Antwoord op vraag 58Zie antwoord op vraag 56.VRAAG 59Vraag 59Wat is het effect van het verlengen van de verlaging van de brandstofac-cijnzen op de inflatie in 2026? In welke mate belemmert het aflopen vande verlaging het bereiken van de inflatiedoelstelling in 2027?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9334 Antwoord op vraag 59Het verlengen van de verlaagde brandstofaccijnzen zal in 2026 voorongeveer 0,3 procentpunt32minder inflatie zorgen ten opzichte vanwanneer de tarieven zouden zijn teruggegaan naar het basispad. Verderdraagt het aflopen van de verlaging per 1 januari 2027 inderdaad bij aande inflatie in 2027. Het Centraal Planbureau heeft het effect van debesluitvorming op de macro-economische cijfers (waaronder de inflatie)in de Macro-Economische Verkenning alleen geraamd voor 2025 en 2026.Het precieze effect van de het aflopen van de verlaging van de brandsto-faccijnzen op de inflatie is nu nog niet te zeggen.VRAAG 60Vraag 60Wat is het effect van het verlengen van de accijnsverlaging op denettoprijs per liter brandstof (inclusief btw)?Antwoord op vraag 60Het gevolg van de verlenging van de accijnskorting is dat het accijnstariefdat sinds 1 juli 2023 geldt tot 1 januari 2027 van kracht blijft. Hiermee blijftniet alleen de accijnskorting in stand, maar wordt ook de indexering vande accijnstarieven voor benzine, diesel en lpg tot 1 januari 2027 uitgesteld.Dit zorgt in 2026 voor een accijnskorting van 21 cent per liter benzine, 14cent per liter diesel en 5 cent per liter LPG ten opzichte van de situatie datde accijnstarieven per 1 januari 2026 weer naar het basispad zonderverlaging zouden gaan.De verwachting is dat deze accijnsmaatregel ook wordt doorberekend inde prijs aan de pomp33. Inclusief BTW is deze korting ongeveer 26 centvoor benzine, 17 cent voor diesel en 6 cent voor LPG ten opzichte van hetbasispad34. Per 1 januari 2027 loopt de tijdelijke accijnskorting af en zullende accijnstarieven naar het basispad terugveren (waarbij ook de uitge-stelde indexatie zal worden ingehaald).VRAAG 61Vraag 61Waarom is ervoor gekozen de tijdelijke verlenging van de verlaging vande brandstofaccijns te financieren door lastenverzwaring in latere jaren,waardoor het inkomstenkader in de afzonderlijke jaren en over de eerdergeplande kabinetsperiode niet sluit?Antwoord op vraag 61Het kabinet heeft ervoor gekozen om de derving van de verlaging van debrandstofaccijns te dekken met een lastenverzwaringen in latere jarenomdat het een incidentele derving is. En hierdoor is het moeilijk om ditincidenteel te dekken met een lastenverzwaring omdat dit zou leiden toteen schommelend lastenpeil. Het kabinet achter dit niet wenselijk.32In de Macro Economische Verkenning 2026 van het CPB is de nationale consumentenprijs-index (CPI) voor 2026 geschat op 2,3% en in de Concept-Macro Economische Verkenning 2026werd het CPI voor 2026 geschat op 2,6%. Dit verschil is grotendeels toe te schrijven aan debrandstofaccijnsmaatregel.33Uit de grenseffectenrapportages (zie kamerstuk 36418, nr. 128) blijkt dat verschillendeindicatoren suggereren dat het voordeel van de accijnsverlaging grotendeels wordt doorbe-rekend in de verkoopprijzen.34Bedrijven die btw in vooraftrek kunnen nemen, profiteren niet van het feit dat er minder btwbetaald hoeft te worden over de accijns. Voor hen geldt de schatting van het voordeel van deaccijnskorting exclusief btw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9335 VRAAG 62Vraag 62Is ook overwogen om de tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnsstructureel te maken, de verlaging slechts gedeeltelijk door te zetten ofandere koopkracht maatregelen te nemen? Kunt u nader toelichtenwaarom voor de optie van tijdelijke verlenging met een jaar is gekozen?Antwoord op vraag 62Het kabinet heeft gekozen om de accijnskorting met een jaar te verlengen,omdat dit past bij de demissionaire status van het kabinet. Door deaccijnskorting met een jaar te verlengen, wordt voorkomen dat er eensubstantiële prijsstijging van brandstoffen optreedt per aankomende1 januari. Het kabinet vindt het passend om de structurele besluitvormingover de accijnzen en de accijnskorting te laten aan een volgend kabinet.VRAAG 63Vraag 63Kunt u net als in andere jaren de verschillen in de ramingen van hetEMU-saldo van de Miljoenennota en de Macro Economische Verkenningvan het CPB toelichten? Kunt u daarbij uitsplitsen welk deel komt door eenandere raming van de belasting- en premieontvangsten, en welk deeldoor een andere uitgavenraming?Antwoord op vraag 63Zie antwoord vraag 10.VRAAG 64Vraag 64Wat is de belangrijkste verklaring van het verschil tussen de tekortramingvan het kabinet (2,1% bbp) en het CPB in de cMEV (2,5% bbp) in 2030?Antwoord op vraag 64Er zijn een verschillende oorzaken voor het verschil tussen decMEV-raming en de raming van Financiën in de Miljoenennota voor hetEMU-saldo in 2030. Het CPB ging bij de meerjarige cMEV-raming tenopzichte van de begroting uit van aanvullende onderuitputting, hogereasielkosten, hogere afdrachten aan de EU en een aantal beleidsmatigeverschillen in de raming van het saldo decentrale overheden. Deuitgangspunten die het CPB hanteert worden nader toegelicht in de cMEV.Bovendien heeft de besluitvorming in de Miljoenennota een saldoverbe-terend effect in 2030 en is het saldo in de Miljoenennota op basis van demacro-economische cijfers uit de MEV. Deze zijn beide niet meegenomenin de cMEV-raming van het CPB.VRAAG 65Vraag 65Wat is de totale structurele som van defensie-investeringen door ditkabinet?Antwoord op vraag 65De structurele intensiveringen in de reguliere Defensiebegroting die zijngedaan sinds de start van kabinet Schoof zijn weergegeven in tabel 1.Deze intensiveringen zijn uit te splitsen in twee categorieën:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9336 Middelen die gedurende 2024 en 2025 zijn toegekend aan de Defensiebe-groting om te voldoen aan de inputnorm van minimaal 2% brutobinnenlands product (bbp). De toevoegingen t.b.v. de inputnorm zijn voorhet laatst gedaan bij Voorjaarsnota 2025 op basis van de economischeraming van het Centraal Economisch Plan 2025 (CEP).De aanvullende intensivering die bovenop de 2% bbp is toegevoegd aande Defensiebegroting bij Voorjaarsnota 2025.Tabel 8 Totale intensiveringen Defensie kabinet Schoof (in miljarden €)202520262027202820292030Struc.2%-koppeling Defensie0,991,923,394,164,404,404,40Intensivering Voorjaars-nota 20250,000,000,090,510,660,740,74Totale intensiveringen0,991,923,484,675,065,145,14 VRAAG 66Vraag 66Wat is, rekening houdend met inflatie, het verschil tussen de in deMiljoenennota 2024 geraamde ontwikkeling van de beleidsmatige lastenen de huidige raming in Tabel 7 van de Miljoenennota? Wat verklaart hetverschil, met name in het blo-effect van het kabinetsbeleid?Antwoord op vraag 66De beleidsmatige lastenontwikkeling is in 2026 met circa 4 miljard eurogedaald in vergelijking tot wat is gepresenteerd in de Miljoenennota 2025.Het verschil kan voornamelijk worden verklaard door lagere zorgpremies(IAB en normale premie), het verlengen van de korting op brandstofac-cijns en het in stand houden van de verlaagde btw op media, sport encultuur. Dit heeft effect in 2026 en werkt door in de standen in dedaaropvolgende jaren.VRAAG 67Vraag 67Kunt u Tabel 7 aanvullen met een onderscheid tussen de beleidsmatigelastenontwikkeling voor gezinnen, bedrijven en buitenland, en daarbijtevens aangeven welk deel komt door het beleid van eerdere kabinettenen welk deel van dit kabinet.Antwoord op vraag 67Onderstaande tabellen tonen de blo van respectievelijk bedrijven, burgersen buitenland, inclusief uitsplitsing naar basispad en effect kabinetsbeleid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9337 VRAAG 68Vraag 68Kunt u Tabel 7 aanvullen voor de begrotingshorizon, dus inclusief 2029 en2030, en de beleidsmatige lastenontwikkeling voor die jaren ook nadertoelichten?Antwoord op vraag 68Door een technische fout verschilt bovenstaande tabel vanaf 2026 met eenbedrag van circa 26 miljoen en komt daarmee niet volledig overeen mettabel 7 uit de miljoenennota. Deze fout is nu hersteld.De beleidsmatige lasten stijgen in 2029 en 2030. Dit wordt voornamelijkverklaard door hogere zorgpremies (IAB en normale premie), een hogereMRB en een hogere BPM. Daarnaast stijgt de inkomstenheffing en neemtde hypotheekrente aftrek verder af.VRAAG 69Vraag 69Hoe verklaart u het grote verschil in onderuitputting dat u raamt in 2026en latere jaren en de onderuitputting die het CPB raamt?Antwoord op vraag 69Er zijn verschillende redenen waarom het CPB een andere onderuitputtingpresenteert dan het kabinet. Ten eerste definieert het CPB onderuitputtingbreder; zo vallen kasschuiven hier ook onder. In de budgettaire nota’s vanhet kabinet worden kasschuiven apart gepresenteerd.Figuur 9Figuur 10Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9338 Ten tweede heeft het CPB vanuit hun onafhankelijke positie meermogelijkheden om onderuitputting te ramen. Het kabinet gaat uit van deplannen en cijfers die worden aangeleverd door de verschillendedepartementen. Daarnaast heeft het kabinet rekening gehouden metaanvullende onderuitputting op niveau van de rijksbegroting. In paragraaf2.8.2 van de Miljoenennota wordt dit verder uiteengezet.Om beter oog te houden voor het verschil tussen de begroting enrealisatie, worden vanaf medio oktober op rijksfinancien.nl elke maandinkomsten- en uitgavenrealisaties gepubliceerd.VRAAG 70Vraag 70Kan gekwantificeerd worden wat het effect van eurobonds zou zijn opNederlandse risicopremies en daarmee op rentelasten?Antwoord op vraag 70De rente op staatsobligaties is van meerdere factoren afhankelijk. Derisicovrije rente is het rendement op een volledig veilige investering, watde basis vormt voor de rente op staatsobligaties. Daarbovenop verlangeninvesteerders een risicopremie ter compensatie van onder andere hetkredietrisico.35Dit hangt samen met de financiën van de overheid, maarook de inflatieverwachtingen en het groeivermogen van een land. Daarbijzijn ook voorwaardelijke verplichtingen zoals garanties op schuld diewordt uitgegeven door andere entiteiten relevant. Tot slot speelt deliquiditeitspremie een rol. Goed verhandelbare obligaties hebbendoorgaans een lagere rente, omdat beleggers bereid zijn een premie tebetalen voor de zekerheid van een liquide markt.Er kan op voorhand geen kwantitatieve inschatting worden gemaakt overhet eventuele effect van de uitgifte van eurobonds op de rentelasten vande Nederlandse staat. Het eventuele effect op de Nederlandse rentes enrisicopremies is daarnaast afhankelijk van de vormgeving van eurobonds.Hierbij zijn diverse factoren van invloed zoals de mate van risicodeling, deomvang van de schulduitgifte, en de mate waarin bredere liquiditeit vande Europese kapitaalmarkt wordt beïnvloed. Er zijn op dit moment geenplannen voor eurobonds.VRAAG 71Vraag 71Wat is het effect van stijgende rentes op staatsobligaties uit o.a. de VS enFrankrijk op Nederland?Antwoord op vraag 71Over het algemeen hangt de mate van correlatie tussen internationalerentes af van de onderliggende oorzaak van de rentestijging. Indienbinnenlandse factoren de oorzaak zijn van rentestijgingen, zal de mate vanspillover naar andere landen kleiner zijn dan als deze wordt gedrevendoor internationale factoren.Uit onderzoek van de Nederlandsche Bank blijkt dat macro-economischeontwikkelingen in de Verenigde Staten een sterke invloed hebben oprenteontwikkelingen in de eurozone.36 Volgens DNB kwam in 2024 56%van de totale rentestijging in Europa voort uit ontwikkelingen in de VS. Zoleidde de hogere inflatie in de VS niet alleen in Amerika, maar ook in35Revised Guidelines for Public Debt Management; IMF Policy Paper; April 1, 2014.36Europese rentes overgeleverd aan Amerikaanse economie – ESBTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9339 Europa tot hogere rentes. De invloed van deze factoren kan echterverschillen over de tijd. Zo was er kort na de aankondiging van deimportheffingen door de Verenigde Staten in april 2025 sprake van eenstijging van Amerikaanse rentes, terwijl de rentes in Europa beperktveranderden.37 In dit geval was de Amerikaanse rentestijging grotendeelseen reflectie van binnenlandse beleidsonzekerheid.De rentestijging in Frankrijk is met name een reflectie van zorgen over deschuldhoudbaarheid en binnenlandse beleidsonzekerheid. Na aankon-diging van de verkiezingen in juni 2024 was een sterke stijging van deFranse rentes zichtbaar, vergeleken met rentes van andere landen.38 DeFranse rentes bleven sindsdien ook hoger, terwijl de rente voor anderelanden terugkeerde naar het niveau van voor de verkiezingen. Ditsuggereert dat financiële markten de rentestijging vooral interpreteren alseen binnenlands fenomeen in Frankrijk, met een beperkte spillover naarandere landen.37Overzicht Financiële Stabiliteit – Voorjaar 202538Europese rentes divergeerden na aankondiging Franse verkiezingen – ESBTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 9340
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.