Analyse monitor stapeling eigen bijdragen
Brontekst
Versie 3ec7aa2ff689d60c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202429 689Herziening ZorgstelselNr. 1248 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 8 mei 2024In het Coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar detoekomst» 2021–20251 is gevraagd de stapeling van eigen bijdragen in dezorg te monitoren en tegen te gaan. Om dit doel te bereiken is eenmonitor stapeling eigen bijdragen in de Zorgverzekeringswet (Zvw), deWet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Wetlangdurige zorg (Wlz) opgezet. Zoals aangegeven in mijn brief van28 september jl.2 heeft het CBS de monitor op 21 september 2023 op haarwebsite gepubliceerd. Daarnaast zijn zowel op de websites MonitorLangdurige Zorg (MLZ)3 als op de Staat van Volksgezondheid en Zorg4specifieke pagina’s ingericht over de stapeling van eigen bijdragen.In deze brief presenteer ik de resultaten van mijn analyse van de monitor.In de monitor zijn eigen bijdragen (incl. het verplicht eigen risico)meegenomen die verzekerden moeten betalen voor verzekerde zorg uit deZvw en Wlz, en/of voor ondersteuning vanuit de Wmo 2015. De belang-rijkste resultaten van de analyse zijn in kernpunten:•Ongeveer een derde van de bevolking betaalt géén eigen bijdragenvoor zorg. Dit aandeel is constant gebleven in de onderzochte periode.•Ongeveer twee derde van de bevolking heeft te maken met eigenbijdragen in de zorg. Zij betalen gemiddeld € 39 per maand aan eigenbijdragen. Dit bedrag is constant gebleven de afgelopen jaren. Datkomt doordat van iedereen met eigen bijdragen de meerderheid (76%in 2021) alleen uitgaven had onder het eigen risico in de Zvw en hetgemiddelde betaalde eigen risico gelijk is gebleven door het bevriezenvan het verplicht eigen risico.1Bijlage bij Kamerstuk 35 788, nr. 77.2Kamerstukken II 2023–2024, 29 689, nr. 1226.3https://www.monitorlangdurigezorg.nl/kerncijfers/eigen-bijdrage/stapeling-eigen-risico-en-eigen-bijdrage-zvw-wmo-wlz4https://www.staatvenz.nl/stapeling-eigen-risico-en-eigen-bijdrage kst-29689-1248ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12481 •Het gemiddelde bedrag dat personen met meerdere eigen bijdragenper maand betalen aan eigen bijdragen is gedaald van € 117 permaand in 2016 tot € 84 in 2021. Er heeft de afgelopen jaren wel eenverschuiving plaatsgevonden: het aantal personen met meerderesoorten eigen bijdragen is licht gestegen.•De daling van de gemiddelde eigen bijdrage voor personen metmeerdere eigen bijdragen komt mede door de beleidsmaatregelen vanhet huidige demissionaire kabinet en vorige kabinet. Deze maatregelenbetreffen het maximeren van de eigen bijdragen voor extramuralegeneesmiddelen in 2019, de invoering van het abonnementstarief in deWmo 2015 in 2019 en de in 2018 en 2019 doorgevoerde maatregelenom het inkomen en vermogen minder zwaar mee te tellen voor deeigen bijdragen in de Wlz en beschermd wonen in de Wmo 2015.•Bij mensen met lage inkomens is er doorgaans vaker sprake van eeneigen bijdrage voor de Wlz en specifiek de eigen bijdrage voor zorgmet verblijf. Door het hogere gebruik van Wlz (met verblijf) onderlagere inkomensklassen is de gemiddelde eigen bijdrage per maandvoor personen in de lagere inkomensklassen hoger dan in de hogereinkomensklassen. De verklaring hiervoor is dat de eigen bijdrage voorzorg met verblijf hoger is dan andere eigen bijdragen, omdat cliëntengeen bijkomende kosten meer hebben voor wonen en voeding.•Vanuit macro-perspectief geeft de monitor een positief beeld van deeigen bijdragen in de zorg voor de burger, omdat de gemiddeldehoogte van (de stapeling van) eigen bijdragen is verminderd, terwijltegelijkertijd de totale zorguitgaven zijn gestegen. Deze ontwikkelingblijft zichtbaar als er in de monitor wordt ingezoomd op bepaaldeachtergrondkenmerken, zoals leeftijd, geslacht en inkomen.ToezeggingenIn mijn brief van 28 september jongstleden heb ik toegezegd uw Kamer inhet eerste kwartaal van 2024 een inhoudelijke reactie op de monitor tegeven. Deze toezegging kom ik, mede namens de Minister voor MedischeZorg en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, metdeze brief na. Daarnaast kom ik de toezegging na over jonge gezinnen eneigen bijdragen zoals genoemd in mijn brief van 14 juni 2023.5LeeswijzerIn het vervolg van deze brief geef ik eerst een toelichting op de achter-grond van de eigen bijdragen in Nederland en hoe onze eigen bijdragenzich verhouden tot eigen bijdragen in andere westerse landen. Daarna legik kort uit welke informatie de monitor bevat. Vervolgens ga ik in op deanalyse van de monitor, waarna ik de resultaten in breder perspectieftoelicht. Ik richt me ook op de stapeling van eigen bijdragen bij specifiekegroepen personen. Daarna volgt een korte toelichting op het feit dat deeigen bijdragen voor hulpmiddelen (Zvw) niet in deze monitor zijnmeegenomen, omdat de gegevens daarvoor niet beschikbaar zijn.Vervolgens volgt de uitwerking van de toezegging over jonge gezinnen. Iksluit deze brief af met een toelichting op het vervolg van de monitor.1. Achtergrond eigen bijdragen Voorafgaand aan de analyse van de monitor schets ik graag beknopt deachtergrond van eigen bijdragen in de zorg.5Kamerstukken II, 2022–2023, 29 689, nr. 1199.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12482 Doelen van eigen bijdragen in de zorgOver het algemeen hebben eigen bijdragen in de zorg het doel om bij tedragen aan de betaalbaarheid, de toegankelijkheid en de kwaliteit van dezorg. Verschillende eigen bijdragen kunnen daarbij verschillende enmeerdere doelen nastreven. Een van de doelen van de eigen bijdragenbetreft medefinanciering: een relatief beperkt gedeelte van de totalezorguitgaven wordt bij de zorggebruiker gelegd, wat bijdraagt aan hetdraagvlak voor de hoge mate van inkomens- en risicosolidariteit in onsstelsel.Een ander doel van eigen bijdragen is het creëren van kostenbewustzijnen het remmen van onnodige zorgvraag. Een van de doelen van het eigenrisico is bijvoorbeeld om mensen ertoe aan te zetten na te denken of eenbeoogde behandeling op dat moment passend en nodig is, met alsstreven dat hiermee onnodig zorggebruik wordt geremd. Dit vermindertvervolgens de druk op de nominale premies, waardoor de zorg toeganke-lijker blijftEr kan ook sprake zijn van een besparingsmotief. Dit komt bijvoorbeeld totuiting in de eigen bijdragen Wlz, waarbij de eigen bijdragen voor zorg metverblijf hoger zijn omdat cliënten zelf geen bijkomende kosten meerhebben voor wonen of voeding. Zie box 1 voor meer toelichting over deeigen bijdragen Wlz.Ten slotte kan een eigen bijdrage gevraagd worden als iemand kiest vooreen specifieke variant van zorg. Dit speelt onder andere bij eigen bijdragevoor niet-preferente extramurale geneesmiddelen.Box 1: Eigen bijdragen in de WlzDe eigen bijdragen in de Wlz zijn inkomens- en vermogensafhan-kelijk en zijn bovendien afhankelijk van de leveringsvorm van dezorg. Voor zorg met verblijf betaalt de cliënt in principe de hogeeigen bijdrage, tenzij het een uitzonderingssituatie betreft, bijvoor-beeld als er sprake is van een thuiswonende partner. In het geval vaneen uitzonderingssituatie betaalt men de lage eigen bijdrage. Voorzorg zonder verblijf is tevens de lage eigen bijdrage van toepassing,maar is de uiteindelijke hoogte van de eigen bijdrage, naast inkomenen vermogen, afhankelijk van de leveringsvorm (vpt, mpt of pgb). Deeigen bijdragen voor beschermd wonen in de Wmo 2015 kennenexact dezelfde systematiek als de eigen bijdragen voor verblijf in deWlz.De hoge eigen bijdrage voor zorg met verblijf is de hoogste eigenbijdrage binnen de Wlz. Dit komt omdat de hoge eigen bijdrage eensterk besparingsmotief kent: in deze situatie ontvangt de cliënt eenintegraal zorgpakket, waarbij verblijf en voeding onderdeel uitmakenvan het zorgpakket. De cliënt heeft dus zelf geen bijkomende kostenmeer voor wonen of voeding.Uit de monitor over stapeling van eigen bijdragen blijkt dat de eigenbijdragen Wlz in vergelijking met de andere soorten eigen bijdragende kleinste cliëntengroep kennen (0,3 mln mensen in 2021, gelijk aan3% van de personen die een eigen bijdrage betalen). Tegelijkertijdkent de Wlz de hoogste eigen bijdragen, waardoor – als er sprake isvan Wlz-zorg – de gemiddelde eigen bijdrage per maand sterkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12483 omhoog gaat. In onderstaande figuur wordt de gewogen6 gemid-delde eigen bijdrage per maand getoond voor iedereen metmeerdere eigen bijdragen («Totaal»). Daarnaast wordt de gemid-delde eigen bijdrage ook apart getoond voor personen met Wlz enpersonen zonder Wlz. Hieruit wordt duidelijk dat de gemiddeldeeigen bijdrage voor personen met Wlz-zorg hoger ligt dan voorpersonen zonder Wlz-zorg en dat dit komt door de eigen bijdrageWlz. Tegenover de hoge eigen bijdrage staat voor de cliënt (in hetgeval van zorg met verblijf) wel een besparing op de kosten voorwonen en voeding. Eigen betalingen in internationaal perspectiefDe eigen betalingen in Nederland zijn relatief laag in vergelijking metandere landen. In figuur 2 is te zien dat de gemiddelde eigen betalingen inNederland substantieel lager liggen dan de EU- en OESO-gemiddelden.7In 2021 werd circa 9% van de totale uitgaven aan gezondheidszorg inNederland gefinancierd door middel van eigen betalingen. De gemid-delden voor de EU- en OESO-landen liggen voor dat jaar een stuk hogerop 15% en 19% respectievelijk. Ook is uit het figuur af te leiden dat hetaandeel eigen betalingen van de totale uitgaven aan gezondheidszorg inde periode 2015–2021 (in Nederland) is gedaald.6Om een gewogen gemiddelde eigen bijdrage te bepalen, wordt rekening gehouden met hoevaak een bepaalde eigen bijdrage voorkomt.7In Nederland maken wij een onderscheid tussen wettelijke eigen bijdragen (bijv. eigen risico)en andere kosten voor eigen rekening (bijv. niet verzekerde zorg). Internationaal wordt dezeopsplitsing niet gemaakt en valt dit allemaal onder eigen betalingen.Figuur 1: Gewogen gemiddelde EB per maand voor personen met meerdere eigenbijdragen (2021)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12484 2. De monitor Inhoud van de monitorIn de monitor zijn eigen bijdragen meegenomen die verzekerden moetenbetalen uit hoofde van de tot het basispakket behorende verzekerde zorguit hoofde van de Zorgverzekeringswet (Zvw), alsmede voor zorg in hetkader van de Wet Langdurige Zorg (Wlz) en/of voor ondersteuning vanuitde Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het gaat omde volgende eigen bijdragen:•verplicht eigen risico Zvw;•eigen bijdragen in de Zvw voor extramurale farmacie, ziekenvervoer,kraamzorg en mondzorg;•eigen bijdragen in de Wlz;•eigen bijdragen voor beschermd wonen en voor overige maatwerk-voorzieningen8 in de Wmo 2015.Andere uitgaven die mensen maken voor zorg, zoals bijvoorbeeld denominale premie voor de basisverzekering, zorgkosten buiten hetbasispakket – zoals voor ongecontracteerde zorg of de premie voor eenaanvullende verzekering – of andere eventuele bijkomende uitgaven dievoortvloeien uit een zorg- of ondersteuningsbehoefte, zijn niet meege-nomen in de monitor. De reden daarvan is dat naarmate er meer kosten ofuitgaven worden betrokken in de monitor deze verwaterd raakt. Verze-kerde zorg is een redelijk vastomlijnd begrip dat niet afhankelijk is van hetuitgavenpatroon van de individuele verzekerde.9 Daarnaast is er niet vooralle uitgaven aan zorg die mensen kunnen hebben registerdatabeschikbaar.De monitor geeft inzicht in de gemiddelde hoogte van (de stapeling van)eigen bijdragen en hoeveel verzekerden c.q. cliënten en huishoudens temaken hebben met (een stapeling van) eigen bijdragen over de verschil-lende zorgdomeinen heen. Op dit moment bevat de monitor informatie8Vanaf 2020 zitten in de monitor stapeling eigen bijdragen ook de eigen bijdragen vooralgemene voorzieningen met een duurzame hulpverleningsrelatie in de Wmo 2015.9Deze keuze is uitgebreid toegelicht in de brief van 13 april 2023, verslag van een schriftelijkoverleg, Kamerstukken II, 2022–2023, 29 689, nr. 1190.Figuur 2: Ontwikkeling aandeel eigen betalingen van totale zorguitgaven11 Bronnen: Eurostat; OECD StatTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12485 over de jaren 2015 t/m 2021.10 In de monitor kunnen er uitsplitsingengemaakt worden naar achtergrondkenmerken als leeftijd, geslacht,huishoudsamenstelling en huishoudinkomen. Deze uitsplitsingen wordenook gemaakt in onderstaande analyse. In de analyse van de stapeling vaneigen bijdragen voor verschillende inkomensgroepen wordt alleengekeken naar personen die tot een- of meerpersoonshuishoudensbehoren. Personen die tot een institutioneel huishouden behoren wordenweggelaten uit deze analyses. Hier is voor gekozen, omdat het brutohuishoudinkomen van deze personen mogelijk een overschattingbetreft.11In de monitor worden de eigen bijdragen als gemiddelden binnen eenspecifieke groep getoond. Gegeven de omvangrijke scope van de monitoren de waarborgen op het gebied van privacy en betrouwbaarheid vanregisterdata12, is ervoor gekozen alleen de gemiddelde eigen bijdragebinnen een groep weer te geven en bijvoorbeeld niet de spreiding om zote voorkomen dat er vooral heel veel ontbrekende data zouden ontstaan.Daardoor is het niet bekend hoe de eigen bijdragen binnen een groepverdeeld zijn. Als een eigen bijdrage bijvoorbeeld in een groep gemiddelddaalt, dan hoeft dat niet te betekenen dat die daling zich bij iedereen in degroep voordoet. De monitor geeft dan ook een beeld van de stapeling vaneigen bijdrage vanuit een macro-perspectief. Onder de paragraaf«Meerwaarde van de monitor» ga ik hier verder op in.Definitie stapelingIn deze analyse wordt stapeling gezien als de totale hoogte van de eigenbijdragen over eenzelfde termijn (i.c. per maand). Als een individubijvoorbeeld verplicht eigen risico in de Zvw én een eigen bijdrage voorde Wmo 2015 in dezelfde maand moet betalen, dan wordt het bedrag vanhet verplicht eigen risico Zvw opgeteld bij de betaalde eigen bijdrage inde Wmo 2015.Naast de totale hoogte van de eigen bijdragen kijken we in deze analyseook naar hoeveel en welke soorten eigen bijdragen personen hebben, omeen beter beeld te krijgen van de (ontwikkeling van) eigen bijdragen in dezorg.10Data over het verplicht eigen risico is pas in het najaar van T+2 beschikbaar. Hierdoor kunnengegevens over een nieuw jaar pas twee jaar later worden toegevoegd. De data over 2022wordt dus in het najaar van 2024 toegevoegd aan de monitor.11In de monitor is voor iedereen in hetzelfde institutionele huishouden met het hoogste brutoinkomen binnen het institutionele huishouden gerekend. Dat betekent bijvoorbeeld dat in demonitor alle cliënten in hetzelfde verpleeghuis hetzelfde bruto inkomen hebben, namelijk hetinkomen van de cliënt met het hoogste bruto inkomen. Dit is echter niet het inkomen waar deeigen bijdrage voor personen in institutionele huishoudens is gebaseerd. Daarom leidt hetgekozen inkomensbegrip in de monitor vermoedelijk tot een overschatting van het brutohuishoudinkomen voor personen in institutionele huishoudens. Om te voorkomen dathierdoor de analyse gaat vertekenen, is besloten deze personen in de analyse naar inkomenbuiten beschouwing te laten. In andere delen van de analyse worden deze personen welmeegenomen. Deze keuze betekent overigens niet dat iedereen met zorg met verblijf niet ismeegenomen in de analyses naar inkomen. Dit hangt namelijk af van de registratie van decliënt in de Basisregistratie Personen (BRP). Als mensen met zorg met verblijf staaningeschreven op hun oude woonadres, dan tellen deze personen mee als personen in een een-of meerpersoonshuishouden (en niet een institutioneel huishouden).12Bij te kleine aantallen personen of huishoudens komt niet alleen de privacy, maar ook dekwaliteit van de inkomensgegevens te veel onder druk te staan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12486 Analyse van de monitorIn de analyse is door VWS op basis van openbare gegevens uit demonitor onderzocht in hoeverre er de afgelopen jaren sprake is geweestvan een stapeling van eigen bijdragen. De analyse is enerzijds voor dehele Nederlandse bevolking uitgevoerd. Anderzijds is er ook onderscheidgemaakt naar leeftijd, geslacht, huishoudsamenstelling en het inkomenvan het huishouden.Bovendien is daarbij zowel naar de totale eigen bijdrage gekeken als hetbedrag per domein (Zvw, Wlz of Wmo 2015).In de monitor kan er verder onderscheid gemaakt worden tussenpersoonsniveau en huishoudniveau. Omdat beide invalshoeken over hetalgemeen zeer vergelijkbare resultaten opleveren, worden in deze briefalleen de resultaten van de analyse op persoonsniveau getoond. Verder iservoor gekozen om, indien een vergelijking tussen twee jaren wordtgemaakt voor de Wmo 2015 of Wlz, dit te doen voor de jaren 2016 en2021. Het jaar 2015 laat namelijk mogelijk een vertekend beeld zien doorde (effecten van de) hervorming van de langdurige zorg in 2015.Ten slotte wordt er in de resultaten van de analyse onderscheid gemaaktnaar personen zonder eigen bijdrage, personen met één soort eigenbijdrage en personen met meerdere soorten eigen bijdragen. Iemandwordt in de analyse voor deze brief tot deze laatste groep gerekendwanneer hij bijvoorbeeld eigen risico en een eigen bijdrage in de Zvwbetaalt. Andere combinaties zijn ook mogelijk.13Meerwaarde van de monitorDe monitor is een belangrijk instrument om de betaalbaarheid van zorgvoor de zorggebruiker in den brede nog beter in kaart te brengen. Demonitor geeft een bijna volledig overzicht van alle wettelijk verplichteeigen bijdragen voor verzekerde zorg of ondersteuning voor de geheleNederlandse bevolking14 voor de periode van 2015 tot en met 2021.Daarmee geeft de monitor voor de eerste keer een nagenoeg compleetbeeld van de gemiddelde te betalen eigen bijdragen en de ontwikkelingvan de stapeling ervan.De monitor geeft een beeld vanuit macroperspectief. Dat wil zeggen datbinnen de monitor niet kan worden ingezoomd op achtergrondkenmerkenanders dan die reeds zijn opgenomen in de monitor. Hierdoor kan er nietvoor hele specifieke groepen worden gekeken hoe de (stapeling van)eigen bijdragen er voor hen uitziet. Het kan wel mogelijk zijn om speci-fieke groepen nader te bestuderen door aanvullend onderzoek. Later indeze brief ga ik bijvoorbeeld in op de situatie van «jonge gezinnen». Ditzijn huishoudens met kinderen waarbij één van de ouders zorg ontvangtin een zorginstelling en waar ik de financiële impact van eigen bijdragenvoor deze groep ben nagegaan. In hoofdstuk 8 bespreek ik welke andereonderzoeken naar betaalbaarheid van de zorg voor de zorggebruikergaande zijn of binnenkort gestart worden.13Iemand met uitsluitend (een) eigen bijdrage(n) Zvw wordt gerekend tot één soort eigenbijdrage. Alleen voor de eigen bijdragen Zvw kan dit betekenen dat er wel sprake kan zijn vanmeerdere eigen bijdragen Zvw, bijvoorbeeld voor geneesmiddelen en kraamzorg. Dit komtechter in slechts 4% van de gevallen voor. Binnen de Wmo 2015 en Wlz is de combinatie vanmeerdere eigen bijdragen niet mogelijk, mede vanwege de anticumulatieregeling.14De hele bevolking omvatte 17,6 miljoen personen en 8,1 miljoen huishoudens in 2021.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12487 3. Resultaten van de analyse van de monitor 3.1 Ontwikkeling aantal personen met één of meerdere eigen bijdragen engemiddelde eigen bijdrage per maand. Figuur 3 toont de ontwikkeling van het aandeel personen van de Neder-landse bevolking met meerdere eigen bijdragen en de ontwikkeling vande totale gemiddelde eigen bijdrage per maand voor deze personen. Hetgaat hierbij om personen die minstens twee soorten eigen bijdragenbetalen, bijvoorbeeld eigen risico in de Zvw én een eigen bijdrage in deWmo 2015. In het figuur is te zien dat de afgelopen jaren het aandeelpersonen met meerdere eigen bijdragen is toegenomen van 10% in 2016tot 14% in 2021. Deze ontwikkeling kan door verschillende factorenworden verklaard, zoals bijvoorbeeld het toenemen van de zorgvraagvanwege de vergrijzende samenleving. Tegelijkertijd is de totale gemid-delde eigen bijdrage per maand van deze groep gedaald van € 117 in2016 tot gemiddeld € 84 in 2021. Ik duid het voorgaande als positief,omdat weliswaar het aantal mensen dat een eigen bijdrage betaalt licht isgestegen, maar de gemiddelde te betalen totale eigen bijdrage wel sterk isafgenomen. Dit kan door verschillende factoren worden verklaard, zoalsbijvoorbeeld het toenemen van de zorgvraag vanwege de vergrijzendesamenleving. De ontwikkelingen blijven zichtbaar als er in de monitorwordt ingezoomd op bepaalde achtergrondkenmerken, zoals leeftijd,geslacht en inkomen.Figuur 3: Ontwikkeling aandeel personen met meerdere eigen bijdragen en hoogtegemiddelde eigen bijdrage per maandTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12488 Figuur 3 laat de ontwikkeling over de afgelopen jaren zien voor personendie meerdere eigen bijdragen betalen. Figuur 4 heeft betrekking op dehele bevolking. In dit figuur is te zien dat het aandeel personen zondereigen bijdragen de afgelopen jaren stabiel is gebleven op ongeveer 35%.Daarnaast is het aandeel personen met één soort eigen bijdrage deafgelopen jaren afgenomen van 55% in 2016 tot 51% in 2021, terwijl hetaandeel personen met meerdere eigen bijdragen is toegenomen van 10%in 2016 naar 14% in 2021. Er heeft dus een relatieve verschuivingplaatsgevonden van één naar meerdere soorten eigen bijdragen. Dit komtmet name doordat personen vaker verplicht eigen risico én een eigenbijdrage in de Zvw betalen. Zoals ook bij figuur 3 vermeld, kan dezeontwikkeling door verschillende factoren worden verklaard, zoalsbijvoorbeeld het toenemen van de zorgvraag vanwege de vergrijzendesamenleving.Figuur 5: Verdeling van personen met eigen bijdragen (2021)Figuur 5 laat voor 2021 zien welke soorten eigen bijdragen personenhebben en hoe vaak dat voorkomt. Een groot deel van de bevolking (76%in 2021) betaalt alleen het verplicht eigen risico Zvw. In totaal heeft 21%van de bevolking in 2021 uitgaven voor zowel het verplicht eigen risico alsandere eigen bijdragen. Hiervan betreft 15% een combinatie van hetverplicht eigen risico Zvw en eigen bijdragen Zvw. 3% van de personenFiguur 4: Verdeling personen met en zonder eigen bijdragenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 12489 hebben één of meerdere eigen bijdragen Zvw, Wmo 2015, of Wlz betalenen maken geen kosten onder het verplicht eigen risico Zvw.Tabel 1: Aantal personen (in mln) met eigen bijdrage201620172021ER Zvw10,911,1EB Zvw11,62,2EB Wmo20,40,5EB Wlz0,30,3Totaal aantal personen met eigen bijdrage311,111,4Totale bevolking17,117,217,61 Er blijkt een onderschatting te zitten in de eigen bijdragen voor kraamzorg in de jaren 2015 en2016. Daarom wordt voor de eigen bijdragen Zvw een vergelijking getoond tussen de jaren 2017en 2021. De onderschatting wordt naar verwachting begin mei aangepast in de monitor.2 Bij de combinatie van een eigen bijdrage Wmo exclusief verblijf en opvang en een eigenbijdrage voor de Wlz of beschermd wonen in de Wmo 2015 is er sprake van anti-cumulatie. Inaantal personen kan er dus sprake zijn van overlap van eigen bijdragen, maar de eigen bijdrageWmo exclusief verblijf en opvang is in die gevallen gelijk aan € 0.3 De som van de aantallen personen per soort eigen bijdrage telt niet op tot het totaal, omdatpersonen meer dan één eigen bijdrage tegelijkertijd kunnen hebben. Tabel 1 toont per soort eigen bijdrage en in totaal het aantal personen datuitgaven heeft voor die specifieke eigen bijdrage. Net als in figuur 4, blijkthieruit dat zowel het totaal aantal personen dat een eigen bijdrage betaaltals het aantal personen per soort eigen bijdrage, niet sterk is gestegendan wel gelijk is gebleven over de afgelopen jaren. Wel is het aantalpersonen dat een eigen bijdrage in de Zvw betaalt toegenomen van 1,6miljoen mensen in 2017 naar 2,2 miljoen mensen in 2021. Deze stijgingkomt naar verwachting door een hogere zorgvraag vanwege vergrijzing.Daarnaast is er een stijging van het aantal personen met een eigenbijdrage voor geneesmiddelen te zien. De stijging komt naar verwachtingook doordat er nieuwe geneesmiddelen op de markt komen.Ook blijkt uit deze tabel dat verreweg de meeste mensen uitgaven hebbenvanwege het eigen risico in de Zvw. Ongeveer vier vijfde van dezemensen betaalt enkel eigen risico en geen andere eigen bijdragen in deZvw, Wmo 2015 of Wlz. Mensen die wel een eigen bijdrage in de Zvw,Wmo 2015 en/of Wlz hebben, hebben daarentegen wel in veruit de meestegevallen te maken met stapeling van eigen bijdragen. Dit resultaat isvolgens verwachting: mensen met een eigen bijdrage Zvw, Wmo 2015 ofWlz hebben een zorgvraag die waarschijnlijk ook uitgaven onder hetverplicht eigen risico Zvw met zich meebrengt.Tabel 2: Ontwikkeling gemiddelde eigen bijdrage per maand2015201620172018201920202021ER Zvw€ 22€ 23€ 23€ 23€ 23€ 23€ 23EB Zvw1€ 7€ 7€ 5€ 5€ 5EB Wmo€ 54€ 55€ 50€ 50€ 30€ 31€ 22w.v. ondersteuning thuis(totaal exclusief verblijfen opvang)€ 45€ 42€ 36€ 35€ 15€ 18€ 18w.v. verblijf en opvang€ 305€ 355€ 352€ 342€ 342€ 326€ 183EB Wlz€ 651€ 577€ 564€ 534€ 526€ 516€ 519Gewogen gemiddelde€ 39€ 39€ 39€ 39€ 38€ 38€ 391 Er blijkt een onderschatting te zitten in de eigen bijdragen voor kraamzorg in de jaren 2015 en 2016. Daarom wordt voor de eigen bijdragen Zvween vergelijking getoond tussen de jaren 2017 en 2021. De onderschatting wordt naar verwachting begin mei aangepast in de monitor. Tabel 2 geeft de gewogen gemiddelde eigen bijdrage weer per stelselweten eveneens voor het totaal. Om de totale gewogen gemiddelde eigenbijdrage te bepalen, wordt rekening gehouden met hoe vaak een bepaaldeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124810 eigen bijdrage voorkomt.15 Een persoon betaalde in 2021 gemiddeld € 39per maand aan eigen bijdragen in de zorg. Dit bedrag is de afgelopenjaren stabiel gebleven, omdat de meeste mensen alleen uitgaven voor heteigen risico hebben en het eigen risico al jarenlang is bevroren op € 385per jaar: in de tabel is te zien dat het gemiddelde uitgaven aan het eigenrisico tussen 2016 en 2021 met € 23 per maand constant is gebleven.De gemiddelde eigen bijdragen Zvw, Wmo 2015 en Wlz zijn gedaald in deafgelopen jaren. De gemiddelde eigen bijdrage in de Zvw bedraagt € 5 in2021 en is gedaald ten opzichte van voorgaande jaren. Deze daling wordtin 2019 verklaard door de maximering van de bijbetalingen voor extra-murale geneesmiddelen op € 250 per jaar. Bij de eigen bijdragen Wmo isaanvullend onderscheid gemaakt tussen de gemiddelde eigen bijdragevoor ondersteuning thuis, waar sinds 2019 het abonnementstarief op vantoepassing is, en de gemiddelde eigen bijdragen voor verblijf en opvang.Door invoering van het abonnementstarief is de gemiddelde eigenbijdrage in de Wmo 2015 flink gedaald.16De eigen bijdrage Wlz is de hoogste eigen bijdrage per maand enbedraagt gemiddeld € 519 per maand in 2021. Dit komt voort uit het feitdat het grootste17 aandeel van de Wlz-cliënten zorg met verblijfontvangen. De eigen bijdragen voor zorg met verblijf zijn doorgaans eenstuk hoger dan andere eigen bijdragen, omdat deze cliënten zelf geenwoonlasten, waaronder energie, betalen en tevens eten en drinken vanuitde zorgaanbieder ontvangen. Daarnaast zijn de eigen bijdragen Wlz (alsook de eigen bijdragen voor beschermd wonen in de Wmo 2015)inkomens- en vermogensafhankelijk. De gemiddelde eigen bijdrage Wlz isde afgelopen jaren ook gedaald: van gemiddeld € 577 in 2016 naar € 519in 2021. Dit heeft twee oorzaken: de afgelopen jaren heeft er een relatieveverschuiving plaatsgevonden in het aantal cliënten dat zorg met verblijfheeft (waar in beginsel de hoge eigen bijdrage op van toepassing is), naarmeer cliënten die zorg zonder verblijf hebben (waar de lage eigen bijdrageop van toepassing is). Daarnaast is de gemiddelde lage eigen bijdrage deafgelopen jaren gedaald. Dit is met name het geval in 2018 toen hetmarginaal tarief is verlaagd van 12,5% naar 10%, waardoor inkomenminder zwaar is gaan meetellen in de berekening van de eigen bijdragenWlz. In 2019 is tevens de vermogensinkomensbijtelling (VIB) gehalveerd(van 8% naar 4%) waardoor ook vermogen minder zwaar is gaanmeetellen in de eigen bijdragen Wlz.15Het gewogen gemiddelde is € 39 per maand wat laag lijkt in vergelijking tot de gemiddeldeeigen bijdrage in de Wlz (€ 519 p.m. in 2021). Zoals ook in figuur 5 te zien is zijn er echterrelatief weinig mensen die gebruik maken van Wlz en relatief veel mensen die uitsluitend eeneigen risico in de Zvw betalen. Hierdoor is het gewogen gemiddelde «laag».16Met ingang van 2021 hebben volwassenen die voldoen aan de inhoudelijkeWlz-toelatingscriteria ook op grond van een psychische stoornis directe toegang tot de Wlz.Dit heeft ervoor gezorgd dat een groot deel van de cliënten in beschermd wonen in de Wmo2015 naar de Wlz zijn gegaan. Hierdoor dalen de gemiddelde eigen bijdragen voor verblijf enopvang en de totale Wmo 2015 in tabel 2 van 2020 op 2021. Vermoedelijk zijn juist de cliëntendie langdurig gebruik maakten van verblijf in de Wmo 2015 (en dus relatief vaker de hogeeigen bijdrage betaalden) overgegaan naar de Wlz. In de Wlz betalen deze cliënten ook eeneigen bijdrage.17Ongeveer 60% van de cliënten in de Wlz betaalde een hoge eigen bijdrage voor Wlz-zorg in2021.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124811 De totale gemiddelde eigen bijdrage van € 39 voor iedereen met één ofmeerdere eigen bijdragen per maand uit tabel 2 kan ook apart kan wordenberekend voor personen met één eigen bijdrage en personen metmeerdere eigen bijdragen. Zoals verwacht betalen mensen met één soorteigen bijdrage gemiddeld minder dan mensen met meerdere soorteneigen bijdragen. In figuur 6 is te zien dat mensen met één soort eigenbijdrage gemiddeld € 27 per maand betalen in 2021, terwijl mensen metmeerdere soorten eigen bijdragen gemiddeld € 84 per maand betalen indat jaar.3.2 Ontwikkelingen met verdieping naar leeftijd, geslacht, huishoudsa-menstelling en inkomen LeeftijdIn de monitor is het mogelijk om onderscheid te maken naar 2 leeftijdsca-tegorieën: Jonger dan AOW-leeftijd en AOW-leeftijd of ouder. Net zoals dehoofdanalyse, is voor beide leeftijdscategorieën zichtbaar dat deafgelopen jaren:•Het aandeel personen zonder eigen bijdragen gelijk is gebleven.•Het aandeel personen met één eigen bijdrage is afgenomen.•Het aandeel personen met meerdere eigen bijdragen is toegenomen.Hieruit blijkt dus wederom dat er een verschuiving heeft plaatsgevondenvan één naar meerdere eigen bijdragen. Verder blijkt dat personen in decategorie AOW-leeftijd of ouder vaker één of meerdere eigen bijdragenhebben dan personen in de categorie Jonger dan AOW-leeftijd. Deverklaring hiervoor is dat AOW-gerechtigden in het algemeen meer zorgafnemen.Figuur 6: Gemiddelde eigen bijdrage per maand van personen met één eigen bijdrageen personen met meerdere eigen bijdragenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124812 In figuur 7 wordt net als in figuur 6 onderscheid gemaakt naar degemiddelde eigen bijdrage per maand voor personen met één eigenbijdrage en personen met meerdere eigen bijdragen. Aanvullend wordthet verschil tussen wel en niet-AOW-gerechtigden in beeld gebracht. Degemiddelde eigen bijdrage in de situatie van één eigen bijdrage is relatiefconstant (lichte stijging bij AOW-gerechtigden). Voor beide leeftijds-groepen is de gemiddelde eigen bijdrage per maand in de situatie vanmeerdere eigen bijdragen afgenomen. AOW-gerechtigden betalen in 2021gemiddeld € 44 per maand meer aan eigen bijdragen dan niet-AOW-gerechtigden. Dit heeft als oorzaak dat ouderen doorgaans meer zorgnodig hebben en daardoor vaker geconfronteerd worden met één ofmeerdere eigen bijdragen.GeslachtBij het onderscheid naar geslacht blijven de hierboven beschreven trendszichtbaar. Vrouwen betalen over het algemeen gemiddeld € 6 per maandmeer aan eigen bijdragen dan mannen (in 2021). Dit wordt verklaarddoordat (gegeven dat er sprake is van een eigen bijdrage) vrouwenrelatief vaker alleenstaand zijn en relatief vaker de hoge eigen bijdrage inde Wlz betalen.HuishoudtypeDe hierboven genoemde trends doen zich ook voor als er onderscheidgemaakt wordt naar eenpersoonshuishoudens en meerpersoonshuis-houdens. Personen in een eenpersoonshuishouden hebben verder overhet algemeen vaker één of meerdere eigen bijdragen dan personen in eenmeerpersoonshuishouden. Dat komt omdat mensen in een meerpersoon-shuishouden doorgaans jonger zijn en minder zorg nodig hebben. Ook bijeen- en meerpersoonshuishoudens is de afgelopen jaren de gemiddeldeeigen bijdrage voor personen met meerdere eigen bijdragen gedaald.Personen in een eenpersoonshuishouden betalen gemiddeld € 11 permaand meer aan eigen bijdragen dan personen in een meerpersoonshuis-houden (in 2021).Figuur 7: Gemiddelde eigen bijdrage per maand van personen met één eigen bijdrageen personen met meerdere eigen bijdragen met onderscheid naar leeftijdTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124813 De hierboven beschreven trends wijken af voor personen die tot eeninstitutioneel huishouden behoren. Personen die tot een institutioneelhuishouden behoren betreffen personen die in een verpleeghuisverblijven, maar ook personen die verblijven in kindertehuizen, gezinsver-vangende tehuizen, revalidatiecentra en penitentiaire inrichtingen. Deaandelen personen met en zonder eigen bijdragen zijn constant geblevende afgelopen jaren, maar binnen de groep met eigen bijdragen lijkt er eenrelatieve verschuiving op te zijn getreden van het hebben van meerdereeigen bijdragen naar één eigen bijdrage. Vanwege de heterogeniteit vandeze groep is deze ontwikkeling niet goed te verklaren. Een deel van demogelijke verklaring is dat per 2020 een deel van de bewoners vanWlz-zorginstellingen zonder behandeling hun mobiliteitshulpmiddelenniet langer uit de Wmo krijgt, maar vanuit de Wlz.18InkomenZoals aangegeven in hoofdstuk 3 wordt in dit deel van de analyse alleengekeken naar personen die tot een- of meerpersoonshuishoudensbehoren. Personen die tot een institutioneel huishouden behoren, wordendus niet meegenomen, omdat hun bruto huishoudinkomen mogelijk eenoverschatting betreft.In de monitor is het mogelijk om onderscheid te maken naar zeveninkomensklassen op basis van bruto huishoudinkomen. Figuur 8 toont datpersonen in de hogere inkomensklassen relatief vaak geen eigen bijdragebetalen (39% van de personen met een bruto huishoudinkomen tussen€ 75.000 en € 100.000 en 42% van personen met een bruto huishoudin-komen boven de € 100.000).Verder hebben personen in de lagere inkomensklassen over het algemeenvaker één of meerdere eigen bijdragen. Het aandeel personen zondereigen bijdragen is daarnaast relatief hoog (31%) voor personen met eenbruto huishoudinkomen lager dan € 20.000 vergeleken met de anderelagere inkomensklassen (20% voor personen met een bruto huishoudin-komen tussen € 20.000 en € 30.000). Dit komt mede doordat de monitor18Vanwege anticumulatie is de feitelijke eigen bijdrage Wmo bij samenloop tussen Wmo en Wlzgelijk aan € 0.Figuur 8: Verdeling personen met en zonder eigen bijdragen met onderscheid naarinkomen (excl. personen in institutionele huishoudens, 2021)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124814 gegevens bevat van de gehele Nederlandse bevolking en studentendaarmee ook worden meegenomen in de monitor. Studenten kenmerkenzich over het algemeen door lage inkomens en een goede gezondheid.Uit figuur 9 blijkt dat personen met een eigen bijdrage voor de Wmo 2015of Wlz doorgaans een lager bruto huishoudinkomen hebben danpersonen met andere eigen bijdragen. Zij maken niet alleen vaker gebruikvan Wlz-zorg (of beschermd wonen in de Wmo 2015), maar gegeven datze Wlz-zorg krijgen, maken ze ook relatief vaker gebruik van zorg metverblijf. Aangezien de eigen bijdragen Wlz (en Wmo 2015 in het kader vanbeschermd wonen) hoger zijn dan bijvoorbeeld het maximaal eigen risicoper maand in de Zvw, resulteert het relatief hoge gebruik van Wlz (metverblijf) en beschermd wonen in de Wmo 2015, in een hogere gemiddeldeeigen bijdrage bij lagere inkomens. Dit is zichtbaar in figuur 10. Personenmet een huishoudinkomen tussen de € 20.000 en € 30.000 betalengemiddeld € 38 per maand in 2021, terwijl personen met een huishoudin-komen van meer dan € 100.000 gemiddeld € 23 per maand betalen.Dat deze relatief hoge gemiddelde eigen bijdrage wordt veroorzaakt doorde relatief hogere zorgvraag van lage inkomensklassen bij Wlz-zorg, wordtduidelijk in figuur 11. In figuur 11A wordt het aandeel personen en degemiddelde eigen bijdrage getoond voor iedereen met uitgaven voor heteigen risico en/of eigen bijdragen Zvw. Zowel het aandeel personen metdeze uitgaven als de gemiddelde eigen bijdrage liggen hoger in de lagereinkomensklassen, maar het absolute verschil is klein (de gemiddeldeeigen bijdrage is € 28 per maand bij inkomens tussen € 20.000 en€ 30.000 en € 21 per maand bij inkomens van meer dan € 100.000). In derechtergrafiek wordt hetzelfde uitgebeeld, maar dan enkel voor de eigenbijdragen Wlz. In deze rechtergrafiek is te zien dat het gebruik vanWlz-zorg in de lage inkomensklassen hoger is, maar ook dat de gemid-delde eigen bijdrage – gegeven dat iemand Wlz-zorg gebruikt – oplooptmet de stijging van het inkomen. Dit komt door de inkomensafhankelijkevormgeving van de eigen bijdragen in de Wlz (zie ook box 1). De laagsteinkomensklasse vormt hierop de uitzondering, maar uit de monitor blijktdat in deze inkomensklasse, zoals eerder toegelicht, het gebruik van zorgmet verblijf hoger ligt dan in de andere inkomensklassen.Figuur 9: Aandelen inkomensgroepen voor totale bevolking en per soort eigenbijdrage (2021)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124815 Figuur 10: Aandeel personen en gemiddelde eigen bijdrage p.m. naar inkomen (excl.personen in een institutioneel huishouden, 2021)Figuur 11A: Aandeel personen en gemiddelde eigen bijdragen p.m. naar inkomen(excl. personen in een institutioneel huishouden, 2021)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124816 Als wordt gekeken naar de ontwikkeling over de afgelopen jaren komt datovereen met het beeld dat te zien is bij de gehele bevolking en deuitsplitsingen naar andere kenmerken:•Het aandeel personen zonder eigen bijdragen is bij nagenoeg alleinkomensklassen constant gebleven of afgenomen.•Het aandeel personen met één eigen bijdrage is bij nagenoeg alleinkomensgroepen afgenomen.•Het aandeel personen met meerdere eigen bijdrage is bij nagenoegalle inkomensgroepen toegenomen.Zoals eerder toegelicht, wijken de ontwikkelingen bij de laagste inkomens-klasse (met een bruto huishoudinkomen van minder dan € 20.000) somsaf ten opzichte van de andere inkomensklassen. In de laagste inkomens-klasse is het aandeel personen zonder eigen bijdragen toegenomen, hetaandeel personen met één eigen bijdrage afgenomen en het aandeelpersonen met meerdere eigen bijdragen constant gebleven. De ontwikke-lingen in deze inkomensgroep kunnen lastig vergeleken worden met deontwikkelingen in andere inkomensgroepen. Enerzijds maakt deze groeprelatief meer gebruik van Wlz-zorg, terwijl de groep anderzijds ook bestaatuit personen met een laag inkomen en over het algemeen een goedegezondheid (bijv. studenten). De gezondheid van de personen in dezeinkomensklasse dus erg heterogeen, waardoor het niet mogelijk isduidelijke conclusies voor deze inkomensgroep te trekken.5. Conclusies en reactie monitor De monitor is een belangrijke stap in het in kaart brengen van debetaalbaarheid van zorg voor de individuele zorggebruiker. De monitorgeeft een bijna volledig overzicht van alle wettelijk verplichte eigenbijdragen voor verzekerde zorg of ondersteuning voor de geheleNederlandse bevolking19 voor de periode van 2015 tot en met 2021. Alleenhet inzicht in de eigen bijdragen aan hulpmiddelen ontbreekt nog in ditstadium. Daarmee geeft de monitor voor de eerste keer een nagenoegcompleet beeld van de gemiddelde te betalen eigen bijdragen en deontwikkeling van de stapeling ervan over de jaren 2016 tot en met 2021.19De hele bevolking omvatte 17,6 miljoen personen en 8,1 miljoen huishoudens in 2021.Figuur 11B: Aandeel personen en gemiddelde eigen bijdragen p.m. naar inkomen(excl. personen in een institutioneel huishouden, 2021)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124817 De opdracht uit het coalitieakkoord was om de stapeling van eigenbijdragen te gaan monitoren en de stapeling ook tegen te gaan. Met dezemonitor en de analyse daarvan is naar mijn oordeel uitvoering gegevenaan het eerste onderdeel daarvan20. Daarnaast ben ik ook van mening datook het tweede onderdeel – het tegengaan van stapeling van eigenbijdragen – is uitgevoerd. De monitor heeft namelijk laten zien dat, mededankzij het beleid van het huidige en het vorige kabinet, het bedrag datmensen kwijt zijn bij een combinatie van meerdere soorten eigenbijdragen is gedaald de afgelopen jaren. Dit beeld blijft bestaan als eronderscheid gemaakt wordt naar verschillende achtergrondkenmerken.Zoals bekend gemaakt bij de Voorjaarsnota 202321 is er momenteel eenwetsvoorstel in voorbereiding voor de afschaffing van het abonnements-tarief en de herinvoering van een inkomens- en vermogensafhankelijkeeigen bijdrage in de Wmo 2015 (zie toelichting in box 2). Voorafgaand aan2019, het jaar van invoering van het abonnementstarief, was voor debetreffende Wmo-maatwerkvoorzieningen ook al een inkomens- envermogensafhankelijke eigen bijdrage van kracht. Hoewel invoering vanhet abonnementstarief heeft bijgedragen aan een daling van de (stapelingvan) eigen bijdragen, blijven de conclusies uit de analyse van dezemonitor gelden, ook als het effect van het abonnementstarief niet wordtmeegenomen. Zoals hieronder in box 2 ook wordt toegelicht, neemt datniet weg dat voor een deel van de cliënten de (stapeling van) eigenbijdrage(n) weer zal toenemen door herinvoering van een inkomens- envermogensafhankelijke eigen bijdrage.Kortom, vanuit een macro-perspectief geeft de monitor een positief beeldvan de stapeling van eigen bijdragen: de mate van stapeling van eigenbijdragen is gemiddeld afgenomen. Dat neemt niet weg dat er specifiekegroepen (of individuen) kunnen zijn waarbij dit beeld afwijkt. In hoofdstuk8 ga ik verder in op vervolgstappen met betrekking tot het in kaartbrengen van de betaalbaarheid van de zorg.Box 2: Herinvoering inkomens- en vermogensafhankelijkeeigen bijdrage Wmo 2015Op dit moment is voor een groot aantal voorzieningen in het kadervan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) hetzogenaamde abonnementstarief van toepassing. Dit is een vasteeigen bijdrage van € 20,60 per maand (2024) die voor elkeWmo-cliënt hetzelfde is, ongeacht inkomen, vermogen of het aantaluren benodigde ondersteuning. Invoering van het abonnements-tarief was onderdeel van het pakket aan maatregelen van het vorigekabinet om de stapeling van eigen bijdragen te verlagen.Echter, de invoering van het abonnementstarief betekende datgemeenten beperkt werden in de mate waarin zij burgers kondenstimuleren tot kostenbewustzijn en tot het op andere wijze voorzienin hun ondersteuningsbehoefte. Als gevolg daarvan is het beroep opde Wmo 2015 voor met name huishoudelijke hulp de afgelopen jarensterk gestegen. Deze «aanzuigende werking» heeft geleid tot hogerekosten voor gemeenten waardoor de beschikbaarheid vanmaatschappelijke ondersteuning onder druk is komen te staan. Methet oog op het voorgaande, wordt momenteel een wetsvoorstelvoorbereid om met ingang van 1 januari 2026 het abonnementstariefaf te schaffen en de inkomens- en vermogensafhankelijke eigenbijdrage te herintroduceren.20Met dien verstande dat de eigen bijdrage voor de hulpmiddelen nog moet wordentoegevoegd.21Kamerstukken II 2022/23, 36 350, nr. 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124818 Het is onvermijdelijk dat met herinvoering van een inkomens- envermogensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo 2015 de gemid-delde hoogte van eigen bijdragen per maand voor een deel van decliënten weer omhoog zal gaan. Het huidige kabinet acht deze keuzenoodzakelijk met het oog op de beschikbaarheid van ondersteuningvoor mensen die daarvoor op de Wmo 2015 zijn aangewezen. Welwordt in het wetsvoorstel beoogd bepaalde parameters gelijk testellen aan dezelfde parameters in de Wlz (en beschermd wonen inde Wmo 2015), die de afgelopen jaren gunstiger zijn ingericht methet oog op het tegengaan van de stapeling van eigen bijdragen.Voorbeelden hiervan zijn het marginaal tarief en de vermogensinko-mensbijtelling, die bepalen in welke mate inkomen en vermogenmeetellen in de berekening van de eigen bijdragen. Beoogd wordtom voor de meeste huishoudens de inkomens- en vermogensafhan-kelijke eigen bijdrage geleidelijk op te laten lopen vanaf eenbijdrageplichtig inkomen van 120% van het sociaal minimum,waardoor mensen met lage inkomens een eigen bijdrage blijvenbetalen die gelijk is aan het abonnementstarief.22 Daarnaast blijvende huidige bepalingen omtrent anticumulatie met andere eigenbijdragen in de Wmo 2015 en Wlz van kracht en behoudengemeenten – net als nu bij het abonnementstarief – de mogelijkheidom, in het kader van minimabeleid, een inkomensgrens te bepalenwaar beneden cliënten geen inkomens- en vermogensafhankelijkeeigen bijdrage verschuldigd zijn.6. Hulpmiddelen Het rapport van het Nivel «Eigen betalingen voor hulpmiddelgebruikers»is uw Kamer met een beleidsreactie aangeboden bij brief van21 september 2021.23 Dankzij dit onderzoek kan er een globaal beeldgeschetst worden van hetgeen in deze monitor ontbreekt wanneer hetover de stapeling van eigen bijdragen gaat. Een beknopte samenvattingvan de kernpunten van dit onderzoek:•In het vragenlijstonderzoek van Nivel onder 4.923 respondentengebruikte ruim drie vijfde van de respondenten hulpmiddelen.•38% van de gebruikers van hulpmiddelen gaven aan dat ze een eigenbijdrage hebben betaald voor hun hulpmiddel(en) in 2020.•De mediaan van alle eigen betalingen voor hulpmiddelen die eenmaligvoorkomen, zoals een pruik of hulpmiddelen wat betreft incontinentieen/of stoma-materiaal, bedraagt € 250 per jaar (ongeveer € 21 permaand). De mediaan van alle eigen betalingen voor hulpmiddelen diejaarlijks voorkomen, zoals orthopedische of aangepaste schoenen,bedraagt € 127 per jaar (ruim € 10 per maand).•Volgens Nivel betaalde in 2020 61% van de gebruikers van hulpmidde-len een eigen bijdrage voor hulpmiddelen én een eigen bijdrage voorandere zorg.Het onderzoek van Nivel betreft een dwarsdoorsnede over het jaar 2020en zegt daarmee helaas niets over de ontwikkeling van eigen betalingenvoor hulpmiddelen over de afgelopen jaren. Het onderzoek is ookgebaseerd op een relatief kleine groep gebruikers van hulpmiddelen,waarbij het zeer wel mogelijk is dat deze groep respondenten onvol-doende representatief is voor alle gebruikers van hulpmiddelen. Het blijftdus belangrijk deze in beeld te brengen. Ik ben op dit moment in overleg22In de vormgeving van de nieuwe inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage in deWmo 2015 wordt de nieuwe minimum eigen bijdrage gelijk gesteld aan het abonnements-tarief. Indien het abonnementstarief de komende jaren wordt geïndexeerd, zal de nieuweminimum eigen bijdrage dit geïndexeerde bedrag overnemen.23Kamerstukken II, 2020–2021, 32 805, nr. 121.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124819 met de zorgverzekeraars om te bezien of ook de eigen bijdragen voorhulpmiddelen opgenomen kunnen worden in de monitor en er uiteindelijkeen compleet beeld gegeven kan worden van de omvang van de eigenbijdragen voor verzekerde zorg.7. Jonge gezinnen In de brief van 23 december 202224 van mijn ambtsvoorganger is detoezegging gedaan dat er onderzoek gedaan zou worden naar despecifieke situatie van gezinnen met jonge kinderen waarbij één van deouders zorg met verblijf vanuit de Wlz ontvangt. Het vraagstuk is daar inwelke mate de eigen bijdrage, die afhankelijk is van het verzamelinkomenen vermogen, invloed heeft op het besteedbaar inkomen en of dit nogredelijk wordt geacht. Voor de definitie van «jong gezin» ga ik uit van desituatie waarbij één (of beide) ouders een Wlz- indicatie voor zorg metverblijf heeft (of hebben) en waarbij het jongste kind niet ouder is dan 21jaar.25Door middel van een analyse van CBS-microdata is gekeken voor de jaren2017 t/m 2020 hoe groot de doelgroep is en welk aandeel de eigenbijdrage Wlz beslaat van het belastbaar en besteedbaar inkomen van dezedoelgroep. In de analyse is het niet mogelijk gebleken om de gehele groepin beeld te brengen. Tabel 3 laat zien dat de doelgroep minstens uit circa400 huishoudens op jaarbasis bestaat. Deze 400 huishoudens betreffenhuishoudens waarbij de volwassene die Wlz-zorg in een instellingontvangt op hetzelfde adres staat geregistreerd als de andere gezinsledengedurende (een gedeelte van) de geanalyseerde tijdsperiode. Deze groepwoont dus wel in een zorginstelling, maar staan nog op het oorspronke-lijke huisadres ingeschreven. Er is aanvullend gekeken hoe groot de groepis die gedurende de geanalyseerde tijdsperiode achtereenvolgens op hetoorspronkelijke huisadres en vervolgens op het adres van de instellingstaat ingeschreven. Dit betreft in totaal over de jaren 2018 t/m 2020 52individuen. De huishoudens waarbij de volwassene met Wlz-zorg in eeninstelling reeds vóór 2017 staat ingeschreven op het adres van dezorginstelling konden niet als zodanig gekoppeld worden aan de anderegezinsleden26 en ontbreken daarom in de analyse. Echter, gegeven degemiddelde leeftijd van kinderen in de doelgroep van 12 à 13 jaar en decumulatieve instroom in de periode 2018 t/m 2020 waarbij personen dieWlz-zorg vanuit een instelling ontvangen ook zijn geregistreerd op hetadres van de zorginstelling, is de inschatting dat de totale doelgroep (incl.individuen die reeds vóór 2017 op het adres van de zorginstelling stondeningeschreven) circa 550 huishoudens betreft.Over de periode 2017 t/m 2019 is de gemiddelde eigen bijdrage Wlz perjaar toegenomen. Daar staat een hogere stijging van het belastbaar enbesteedbaar inkomen tegenover. Als de eigen bijdrage wordt uitgedruktals percentage van het belastbaar inkomen, dan bedraagt de eigenbijdrage voor de mediaan 6,8% in de periode 2017 t/m 2019. In relatie tothet besteedbaar inkomen bedraagt dit percentage 7,2%. Dit is conformverwachting, gezien het marginale tarief van 10% in de eigen bijdragenWlz dat ook door andere Wlz-cliënten met een lage eigen bijdrage wordtbetaald. Een marginaal tarief van 10% betekent dat de eigen bijdrage per24Kamerstukken II, 2022–2023, 29 689, nr. 1176.25Deze leeftijdsgrens is gekozen omdat ouders tot de leeftijd van 21 jaar een onderhoudsplichthebben.26Personen die staan ingeschreven op het adres van de zorginstelling hebben een anderhuishoudnummer dan het huishoudnummer van de overige gezinsleden. Als de individuenmet Wlz-zorg in een instelling reeds vóór 2017 ingeschreven stonden op het adres van dezorginstelling, dan konden deze niet herleid worden naar het huishoudnummer van de overigegezinsleden binnen de geanalyseerde periode.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124820 jaar gelijk is aan 10% van de som van het verzamelinkomen en devermogensinkomensbijtelling.Vanwege de relatief kleine doelgroep is het voor mij vanwege privacymaar ook het ontbreken van registerdata over andere onderwerpen helaasniet mogelijk gebleken om de analyse nog verder uit te breiden.Tabel 3: Beschrijvende statistieken «jonge gezinnen»1 2201720182019Aantal huishoudens waarbij volwassenemet Wlz-zorg in een instelling niet reedsvóór 2017 staat ingeschreven op het adresvan de zorginstelling424393398Gemiddelde leeftijd volwassene metWlz-zorg in een instelling45,746,046,7Gemiddelde aantal kinderen per huishou-den1,91,81,8Gemiddelde leeftijd kinderen12,212,412,9Gemiddelde EB Wlz per jaar€ 3.283€ 3.425€ 3.522Gemiddelde belastbaar inkomen€ 42.100€ 45.900€ 49.200Gemiddelde besteedbaar inkomen€ 36.800€ 39.900€ 40.700Mediaan percentage eigen bijdrage Wlzvan belastbaar inkomen6,6%7,0%6,9%Mediaan percentage eigen bijdrage Wlzvan besteedbaar inkomen7,3%7,1%7,3%1 Vanwege coronajaar 2020 worden alleen de statistieken voor de jaren 2017 t/m 2019 in de tabelgetoond. Wel is aanvullend gekeken hoeveel huishoudens in 2020 tot de doelgroep behoren enop het adres van het gezin staan ingeschreven. Dit betreft 367 huishoudens in 2020.2 In de inkomens(gerelateerde)-statistieken in tabel 3 zijn alleen huishoudens waarbij devolwassene met Wlz-zorg in een instelling nog op het oorspronkelijke huisadres staatingeschreven, meegenomen. Het inkomen van huishoudens waarbij de volwassene met Wlz-zorgin een instelling gedurende de periode 2018 t/m 2020 is geregistreerd op het adres van de zorgin-stelling bevat namelijk een onderschatting, omdat het inkomen van de volwassene met Wlz-zorgin een instelling in het eerste jaar nadat de registratie is aangepast niet langer bij het inkomenvan de overige gezinsleden wordt geteld. Het CAK heeft een aantal mogelijkheden om ten aanzien van schrijnendegevallen uit hoofde van wet- en regelgeving en hierop gebaseerd beleid,hieraan tegemoet te komen. Ik noem in dit verband als eerste depeiljaarverlegging. De peiljaarverlegging houdt in dat het CAK opaanvraag van de verzekerde het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vastkan stellen op grond van het inkomen en het vermogen van het lopendejaar in plaats van op basis van het tweede kalenderjaar voorafgaande aanhet jaar waarin de verzekerde zijn recht op zorg tot gelding brengt. Dezepeiljaarverlegging kan toegekend worden indien redelijkerwijs teverwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar tenminste € 3.105,80 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen uit hetjaar T-2. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid van een vrijstelling van delage eigen bijdrage en geven ook de Beleidsregels CAK termijnen eigenbijdrage Wlz en Wmo 201527 ruimte voor aanpassing zoals opgenomen indeze beleidsregels.Het CAK heeft desgevraagd aangegeven dat er vanaf de periode2015-heden over de Wlz bij het team Klachten, Bezwaren & Beroep metbetrekking tot de Wlz en specifiek deze groep bij hen één zaak bekend waswaar de problematiek rond het niet kunnen betalen van eigen bijdrageheeft gespeeld. Deze zaak is toen op eigen27https://wetten.overheid.nl/BWBR0047964/2023-03-16.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124821 initiatief van de cliënt opgelost waardoor in deze situatie er geen lageeigen bijdrage meer verschuldigd was maar er een hoge eigen bijdragevan desalniettemin € 0,00 kon worden opgelegd.Hoewel ik het zou betreuren indien de kosten voor deze doelgroep tothoge druk op het besteedbaar inkomen zou leiden, kan ik uit debeschikbare informatie niet afleiden dat dat op dit moment het geval is.De toezegging beschouw ik hiermee als afgedaan.8. Vervolg De monitor is mijns inziens een van de puzzelstukjes om de betaal-baarheid van zorg van de individuele zorggebruiker in kaart te brengen.Uit de monitor blijkt dat de stapeling van eigen bijdragen vanuit eenmacro-perspectief zich de afgelopen jaren positief ontwikkeld heeft. Ditmacro-perspectief neemt niet weg dat er specifieke groepen (ofindividuen) kunnen zijn waarbij dit beeld afwijkt. Alhoewel dit niet uit demonitor af te leiden is, kunnen er specifieke groepen zijn waarvoor deeigen bijdragen één van de factoren is die mede tot zorgmijding offinanciële problemen kunnen leiden zoals het versterken van schulden. Ditkunnen bijvoorbeeld huishoudens zijn waarvoor de eigen bijdrage eengrote impact heeft omdat ze niet veel te besteden hebben. Ook voorchronisch zieken en gehandicapten kunnen de eigen bijdragen eenbelemmering voor de toegang tot zorg zijn.Zoals ik aan het begin van deze brief al heb aangegeven, ben ik mij er ookvan bewust dat de monitor geen overzicht geeft over álle eigen kosten aanzorg- en ondersteuning, zoals de premie, de aanvullende verzekering ofuitgaven aan zelfzorgmiddelen en mondzorg. Daarom is het belangrijk dater naast de monitor ook naar de specifieke groepen gekeken wordt en datdaarbij naar de kosten van zorg in brede zin gekeken wordt. Zulkonderzoek is reeds in gang gezet:•Zo is er bijvoorbeeld binnen het interdepartementale programmaVereenvoudiging inkomensondersteuning voor mensen (VIM)aandacht voor de samenhang tussen inkomensondersteuning enzorg(gerelateerde) kosten. Op 8 december jl. ontving uw Kamer van deMinister van VWS en andere bewindspersonen daarover een brief.28 Indeze brief werd toegezegd Uw Kamer eind 2024 te informeren over descenario’s voor vereenvoudiging.•Vanuit de aanpak Doe onbeperkt mee van het Ministerie van VWS, watals doel heeft drempels voor mensen met een beperking weg tenemen zodat zij meer en naar eigen wens en vermogen kunnenmeedoen aan de samenleving, worden door het Nibud voorbeeldbe-grotingen uitgewerkt die specifiek inzicht geven in de uitgaven vanverschillende typen huishoudens met een beperking. De analyses enconclusies uit de monitor zijn gebaseerd op een macro-perspectief. HetNibud-onderzoek kan vanuit een micro-perspectief inzicht in stapelingvan eigen bijdragen geven. Zodra de uitkomst van het Nibud-onderzoek bekend is, zal ik deze met u delen en indien mogelijk eenverband leggen met de monitor stapeling eigen bijdragen.•Daarnaast is er het Project vermindering mijding van mondzorg omfinanciële redenen.29 In deze brief is aangegeven dat op basis van deuitgewerkte oplossingsrichtingen de Projectgroep verder werkt aaneen gewogen advies dat voor de zomer van 2024 aan uw Kamer zalworden toegestuurd.28Kamerstukken II, 2023–2024, 29 362, nr. 347.29Brief van 21 december met de 2e voortgangsrapportage, Kamerstukken II, 2023–2024, 32 620,nr. 290.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124822 De monitor zal ondersteunend voor deze trajecten kunnen werken en insamenspraak met de trekkers van deze trajecten zelfs mogelijk verderkunnen worden ontwikkeld en uitgebreid. Elk traject draagt bij om vanuitverschillende invalshoeken de betaalbaarheid van zorg voor de zorgge-bruiker in beeld te brengen waarbij het ene onderzoek de diepte ingaatvoor een specifieke groep en het andere onderzoek juist voor de helebevolking de betaalbaarheid in kaart brengt.Ook ben ik mij ervan bewust dat de inkomensafhankelijke eigen bijdrageWmo 2015, indien het bij de Tweede Kamer in te dienen wetsvoorstel totwet wordt verheven, voor sommige inkomensgroepen een stapeling ineuro’s van de eigen bijdragen kan opleveren.De monitor over stapeling van eigen bijdragen wordt structureeldoorgezet en doorontwikkeld en wordt ieder jaar aangevuld met nieuwegegevens. Daarnaast zal in samenspraak met het CBS worden gekeken ofer mogelijk nog verbeteringen mogelijk zijn (met het oog op de inkomens-bepaling van institutionele huishoudens) of dat er wellicht aanvullendevariabelen zijn die toegevoegd kunnen worden aan de monitor. Zo zoudener uit de bovengenoemde trajecten zoals het programma VIM mogelijkverzoeken kunnen komen voor aanvulling van de monitor. Uiteraard zal ikdergelijke verzoeken positief beschouwen.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,C. HelderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 689, nr. 124823
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.