KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 2 februari 2026, over begrotingsonderdeel Jeugd

23 mrt 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 6172fc544d4ef945 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 XVIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn enSport (XVI) voor het jaar 2026Nr. 184 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 23 maart 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de vastecommissie voor Justitie en Veiligheid hebben op 2 februari 2026 overleggevoerd met de heer Rutte, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, enmevrouw Tielen, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, over:–het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voorhet jaar 2026 (Kamerstuk 36 800-XVI);–de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d.19 september 2025 inzake reactie op de motie van het lidTielen over onderzoeken of glutenscreening op een kostenef-fectieve wijze onderdeel kan uitmaken van de protocollen voorde jeugdgezondheidszorg (Kamerstuk 36 600-XVI, nr. 66)(Kamerstuk 32 793, nr. 855);–de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg d.d. 26 september 2025 inzake NSOB-rapport«(N)iets te kiezen» en vervolg rondom inrichting coördinatievan de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling(inclusief femicide) en geweld tegen vrouwen (Kamerstuk28 345, nr. 290);–de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg d.d. 18 december 2025 inzake voortgang van deaanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling (Kamer-stuk 28 345, nr. 293);–de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg d.d. 12 december 2025 inzake reactie op verzoekcommissie over het bericht dat gemeenten dreigen ommoeders hun kind af te pakken als ze aankloppen bij dedaklozenopvang (Kamerstuk 29 325, nr. 192);–de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d.17 december 2025 inzake stand van zaken moties en toezeg-gingen op terrein jeugd en aanbieding van rapporten (Kamer-stuk 31 839, nr. 1145); kst-36800-XVI-184ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1841 –de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d.27 januari 2026 inzake voortgangsbrief jeugd (Kamerstuk31 839, nr. 1146).Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid,Welzijn en Sport,MohandisDe voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,EerdmansDe griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn enSport,EsmeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1842 Voorzitter: MohandisGriffier: MeijerinkAanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Ceder, Coenradie, Dobbe,Hamstra, Van Houwelingen, Van Meetelen, Mohandis, Moinat, Stoffer,Synhaeve, Wendel en Westerveld,en de heer Rutte, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en mevrouwTielen, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.Aanvang 10.04 uur.De voorzitter:Ik open de vergadering. Ik heet u allen van harte welkom, alle aanwezigenhier, iedereen die dit debat op afstand volgt en alle Kamerleden. Ookwelkom aan de bewindspersonen. Wij hebben tot ongeveer 17.00 uur. Eris een goede opkomst van de zijde van de Kamer. Daarom wil ikvoorstellen om in de eerste termijn van de Kamer maximaal zes inter-rupties toe te staan. U heeft spreektijden aangegeven. Die zijn natuurlijkindicatief, maar het is wel belangrijk dat die inclusief de tweede termijnzijn. Hou daar dus voor uzelf rekening mee. U kent mij als een voorzitterdie niet heel streng is. Als het debat gewoon gericht is en dingen nietsteeds herhaald worden, dan ben ik altijd bereid om u wat meer tijd tegeven; u kent mij. Maar ik probeer wel te koersen op 17.00 uur. Ik zalsamen met u mijn best doen om er zo goed mogelijk doorheen te gaan.We hebben de begrotingsvolgorde op basis van de huidige tweecoalitiepartijen. Dat betekent dat we straks starten met D66, dan VVD etcetera. Dat is de volgorde. Dat zeg ik zodat u niet denkt: waaromverspringt het? Dat heeft daarmee te maken.Aangeschoven zijn diverse fracties. Om te beginnen hebben we mevrouwSynhaeve van D66, de heer Hamstra van de CDA-fractie, mevrouwWesterveld van GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Stoffer van deSGP, de heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie, mevrouwCoenradie van JA21, mevrouw Van Meetelen van de PVV-fractie, de heerCeder van de ChristenUnie en mevrouw Moinat van de Groep Markus-zower. Of is het Moenat? Sorry, ik ga het vanzelf een keer goed doen. Ookzijn mevrouw Dobbe van de SP-fractie en mevrouw Wendel van deVVD-fractie er. Ik geef het woord aan mevrouw Synhaeve.Mevrouw Synhaeve (D66):Dank u wel, voorzitter. De afgelopen weken sprak ik met jongeren vanbinnen en buiten de jeugdzorg, met jonge mensen die hun leven in dejeugdzorg achter de rug hebben en met ouders. Ter voorbereiding op ditdebat stelde ik mezelf de vraag: wat was de constante in al diegesprekken? Het antwoord is: moedige keuzes durven maken. Neem demoed van de jonge vrouw die me vertelde dat ze na gesloten jeugdzorgdakloos werd, over slapen op een bankje in het park en de moed om tochhulp te vragen op de plek waar ze al zo vaak was afgewezen. Moedig wasde moeder wier zoon uit huis is geplaatst en die in alle openheidbeschreef welke beslissingen ze nam, soms helpend en soms niet. Iknoem de moed van de ouder op het schoolplein die in gesprek met eenandere ouder zei: «Ik hoorde dat het thuis niet altijd even makkelijk is. Alshet even zwaar is, bel me dan. Je hoeft het niet alleen te doen.»Moed is niet de afwezigheid van angst en onzekerheid, maar hetoverwinnen daarvan. Die moed hebben wij ook nodig. Ik geloof dat hetwél kan, dat we ervoor kunnen zorgen dat alle kinderen die dat nodighebben, snel en goede zorg kunnen krijgen. Dat begint met erkennen dathet huidige jeugdhulpstelsel niet werkt voor onze meest kwetsbarekinderen. Als de jeugdzorg niet doet wat hij belooft, verdwijnt hetvertrouwen van kinderen en ouders. Zonder dat vertrouwen wordt elkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1843 systeem hol. In een systeem dat ieder voor zich ademt, gaat iedereen erindividueel het maximale uit proberen te halen en vergeten we hetcollectief. Moed is keuzes durven maken voor een systeem waar we wél ingeloven, en dat stap voor stap voor elkaar krijgen, soms met twee stappenvooruit en één stap terug. Dat doen we wat mij betreft langs twee lijnen:vanuit principes en vanuit pragmatisme.Ik begin met de principes. Principe één raakt aan de meest wezenlijkevraag, namelijk: voor wie is de jeugdzorg bedoeld? Jeugdzorg is voor dehulpvragen waarbij professionele hulp onmisbaar is. Dat betekent datjeugdzorg zich moet richten op de meest kwetsbare kinderen. Dat zijnkinderen die vaak al veel te veel hebben meegemaakt in hun jonge levenen ernstig getraumatiseerd zijn. Juist voor hen schiet het stelsel nu tekort.In tien jaar tijd is het stelsel verdubbeld in omvang en kosten: van 3,6miljard naar meer dan 8 miljard euro per jaar en van 1.300 aanbiedersnaar meer dan 7.000 aanbieders. Ondertussen krijgen de meest kwetsbarekinderen nog steeds niet de zorg die zij nodig hebben. Als de jeugdzorgonze meest kwetsbare kinderen niet beschermt, dan falen we als Kamer,als gemeente, als professionals en als samenleving in onze meestfundamentele opdracht.Het tweede principe. Problemen in de jeugdzorg lossen we vooral buitende jeugdzorg op. De afgelopen jaren hebben we een systeem opgetuigdwaarin steeds meer hulp bij ongemak, kwetsbaarheid en afwijking isgeprofessionaliseerd en georganiseerd. Dat gebeurde vanuit de bestebedoelingen, maar daarmee hebben we ook wat fundamenteel menselijksuit handen gegeven, namelijk het vermogen om als samenleving zelf tezorgen. We moeten leren verschillen te omarmen in plaats van ze tebehandelen. Ik ben ervan overtuigd dat minder jeugdzorg begint bij meersamenleven. We hebben een taak die we als maatschappij hebben, bij dejeugdzorg neergelegd. Om dat tij te keren, zullen we veel scherper moetenkijken wie wel en wie geen jeugdzorg krijgt. Ook moeten we durveninvesteren buiten de jeugdzorg: in onderwijs, in gezonde keuzes, in fijnebuurten en in de aanpak van armoede.Het derde principe. Het perspectief van kind en gezin moet leidend zijn.We hebben het systeem kapotgeïnstitutionaliseerd. Een ouder vertelde mijhoe zij in drie jaar tijd meer dan 15 verschillende wijkteammedewerkerstoegewezen kreeg en meer dan 30 professionals ontmoette aan al dieverschillende overlegtafels om te praten over háár kind. Dan heb ik nogniet de jeugdzorgprofessionals meegerekend die daadwerkelijk contacthadden met haar kind. Uiteindelijk voelde van al die mensen niemand zichecht verantwoordelijk. Ik geloof niet dat meer geld in de jeugdzorg deoplossing is, integendeel. Ik geloof dat meer geld juist een systeem datonvoldoende functioneert, in stand houdt.Wat is er dan wel nodig om die stappen voorwaarts te zetten? Pragma-tisme. Pragmatisme omvat voor mij twee elementen.: als eerste nietjarenlang praten over plannen maar gaan doen, en als tweede daarinfocussen op die onderdelen waar onze impact om het verschil te maken,het grootst is. We moeten veel sneller opschalen wat werkt en stoppenmet datgene waarvan we weten dat het niet werkt. Als we weten dat ermisstanden zijn, moeten we die direct aanpakken. Ik wil daadkracht zien,ook van deze staatssecretarissen. In dat kader heb ik vragen aan destaatssecretarissen. Maar ik neem eerst even een slok water.Ik begin met het voorstel Reikwijdte. Waarom stuurt de Staatssecretarispas eind 2026 het wetsvoorstel Reikwijdte jeugdhulp naar de Kamer,terwijl dit al afgesproken was in de Hervormingsagenda Jeugd, die in2023 is vastgesteld? Waarom duurt het meer dan drie jaar om ditwetsvoorstel naar de Kamer te krijgen? Daarnaast heeft dit wetsvoorstelpas toegevoegde waarde als we ook echt durven zeggen wat weljeugdzorg is en wat niet. Als ik de voortgangsbrief jeugd lees, bekruiptmet het gevoel dat we weer niet gaan kiezen. Gemeenten, de Jeugdauto-riteit en de NZa vragen ons juist om heel scherp af te bakenen en teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1844 kiezen, ook met een wettelijk kader. Daar lijkt de Staatssecretaris nu nietvoor te kiezen. Waarom niet? Haalt de Staatssecretaris daarmee niet hetfundament onder deze wet vandaan, namelijk het beantwoorden van devraag tot hoever de Jeugdwet reikt?Dan over de ervaringscertificaten. Er werken mensen met nepdiploma’smet onze meest kwetsbare kinderen en jongeren. Dat weten we. We wetenook dat het om ongeveer 800 mensen gaat. Een deel van hen is daarkinderen en jongeren aan het ronselen voor de criminaliteit. Ook datweten we, en dat weet het kabinet al meer dan een jaar. Wat heeft deStaatssecretaris het afgelopen jaar gedaan om de veiligheid van diehonderden, misschien wel duizenden kwetsbare kinderen te waarborgen?Wij lezen in de antwoorden vooral de afwachtende houding van hetkabinet en een gebrek aan daadkracht. We zullen dan ook met eenamendement komen om direct mensen met valse diploma’s op te sporenen te zorgen dat zij niet meer met kinderen mogen werken, en om ook hetgeld vrij te maken om dat te regelen.Dan wil ik naar het onderdeel klachten in de jeugdzorg. Uit onderzoek naarklachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein blijkt dat ergrote verschillen zijn in hoe met klachten wordt omgegaan en dat voorkinderen en ouders vaak niet duidelijk is waar ze terechtkunnen met eenklacht. In het rapport met de titel «Onderzoek klachtbehandeling bijorganisaties in het jeugdzorgdomein» worden vier wetswijzigingengeadviseerd. Graag een reflectie van de Staatssecretaris hoe ze tegendeze voorstellen voor wetswijzigingen aankijkt en welke ze al dan niet ingang heeft gezet.Dan wil ik het hebben over pleegzorg. Ik zei het twee jaar geleden al indeze Kamer: we zijn druk in de weer met het werven van nieuwepleegouders, maar we moeten veel meer aandacht hebben voor hetbehoud van pleegouders. Veel pleegouders haken af omdat de zorg vooreen pleegkind toch te zwaar blijkt te zijn. Dat is traumatisch voor een kind,dat weer naar een volgende plek toe moet. Maar ik geloof dat het ookvaak traumatisch is voor pleegouders zelf. Zij beginnen namelijk niet metde intentie om er voortijdig mee te stoppen. Twee jaar geleden nam ik indeze Kamer het initiatief om Mockingbird breder te verspreiden inNederland. Dit is een belangrijke manier om ervoor te zorgen dat minderpleegouders uitvallen, dankzij een stevig, informeel netwerk dat ompleegkinderen heen wordt gezet. De afgelopen twee jaar is naaraanleiding van deze motie Mockingbird uitgebreid van één pleegorgani-satie naar zeven pleegorganisaties. Eerst was het een handvol pleegge-zinnen, nu zijn het er meer dan 40. En het werkt. Er zijn minder crisisplaat-singen, pleegouders houden het langer vol en pleegkinderen vinden hetfijn.Ik heb twee vragen aan de Staatssecretaris. Ten eerste: zijn er behalveMockingbird andere initiatieven in het land, die net zo effectief leiden totminder uitval van pleegouders door in te zetten op informele onder-steuning? Ten tweede: welke stappen zet VWS momenteel omMockingbird beschikbaar te maken voor meer pleeggezinnen? Enwanneer verwacht zij dat voor iedere pleegouder die dat wil een informeelsteunnetwerk, in de vorm van Mockingbird of in een andere vorm,beschikbaar is?Dan wil ik het hebben over de uithuisplaatsingen. Er werd deze ochtendopnieuw aandacht voor gevraagd vanuit Stichting Het Vergeten Kind endat is niet meer dan terecht. Jaarlijks worden in Nederland namelijkduizenden kinderen uit huis geplaatst. Dit is een van de meest ingrijpendeinterventies, terwijl we weten dat uithuisplaatsingen vaak te voorkomenzijn. Dat blijkt ook weer uit het gepubliceerde onderzoek «Van inzicht naaruitvoering: het verminderen van het aantal uithuisplaatsingen» door hetVerwey-Jonker Instituut, dat in opdracht van Het Vergeten Kind isuitgevoerd. Daaruit blijkt dat we eigenlijk heel goed weten wat wel en nietwerkt om kinderen veilig en zo veel mogelijk thuis te laten opgroeien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1845 Welke stappen zet de Staatssecretaris nu om het aantal uithuisplaatsingente verminderen? En hoe reflecteert de Staatssecretaris op dit rapport datstelt dat kennis niet wordt toegepast als gevolg van versnippering vanverantwoordelijkheden, onvoldoende samenwerking en financiële prikkelsdie de korte termijn boven duurzame oplossingen stellen?Dan ga ik naar het toekomstscenario. Wat betreft het Toekomstscenariokind- en gezinsbescherming heb ik op dit moment vooral één prangendevraag.De voorzitter:U heeft een interruptie op het vorige punt, meneer Van Houwelingen?De heer Van Houwelingen (FVD):Ja.De voorzitter:Check; dan laat ik ’m toe. Gaat uw gang.De heer Van Houwelingen (FVD):Ja, een korte interruptie. Wij maken ons ook zorgen over het aantaluithuisplaatsingen. Ik ben heel blij dat D66 een motie van ons heeftgesteund om het wettelijke kader daarvoor aan te passen. Mijn vraag gaateigenlijk over het volgende. Hoe kijkt mevrouw Synhaeve aan tegenuithuisplaatsingen die niet voortkomen uit bijvoorbeeld mishandeling engeweld maar die voortkomen uit het feit – dat hoor je heel vaak – dat eenvan de ouders psychische problemen heeft. In plaats van dat het gezindan ondersteund wordt, wordt er echter gekozen voor uithuisplaatsing. Ikvraag me gewoon af hoe D66 daarnaar kijkt. Is dat wenselijk of niet?Mevrouw Synhaeve (D66):Ik ben ervan overtuigd dat we hier hetzelfde beeld bij hebben. Natuurlijk isdat niet wenselijk. We gaan dus kijken hoe het gezin ondersteund moetworden. Dat is wat we moeten doen. Terwijl we nu heel vaak kijken naarhet kind waar van alles mee aan de hand is, moeten we veelmeer kijkennaar wat er in het gezin aan de hand is en hoe we juist ook het gezinkunnen ondersteunen. Daar vindt u ons dus nog steeds aan uw zijde.De voorzitter:Zet u uw betoog voort.Mevrouw Synhaeve (D66):Ik kom bij het toekomstscenario. De problemen bij JeugdbeschermingNoord zijn zo groot en ze duren al zo lang dat ik betwijfel of ze op telossen zijn. Heeft de Staatssecretaris het scenario uitgewerkt waarinJeugdbescherming Noord haar certificering verliest? Zo nee, waarom isdat scenario niet uitgewerkt? Zo ja, hoe ziet dat scenario eruit?Dan de gesloten jeugdzorg. Er was een bedrag van 180 miljoen gereser-veerd voor de afbouw van de gesloten jeugdzorg en de opbouw vanalternatieven voor de gesloten jeugdzorg. Ik zie op enkele uitzonderingenna nog weinig kwalitatief goede alternatieven. Ik heb daarover een aantalvragen aan de Staatssecretaris. Als eerste: hoeveel van die 180 miljoen iser nog over? Als tweede: hoeveel van het geld dat is uitgegeven is nouecht besteed aan de opbouw van alternatieven en hoeveel is er naar hetopvangen van frictiekosten gegaan?We weten dat vele jongeren in de gesloten jeugdzorg schade hebbengeleden op de plek waar we hen juist hadden moeten beschermen. Datvraagt om erkenning van de fouten die zijn gemaakt en om het bieden vanruimte voor herstel. Herstel is geen knop. Het is een proces. Dat proceshoort menselijk en betrouwbaar te zijn. Hierover heb ik de volgendevragen aan de Staatssecretaris. Hoever is de Staatssecretaris met hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1846 hersteltraject voor kinderen die in gesloten jeugdzorg hebben gezeten?Daarnaast wil ik graag een reflectie van de Staatssecretaris op het procestot nu toe. Twee jaar geleden is Kamerbreed gevraagd om een herstel-traject. Vindt de Staatssecretaris dat het proces van de afgelopen tweejaar menselijk en betrouwbaar was? Hoe reflecteert zij daarbij op het feitdat we in die periode verschillende jonge mensen die juist in geslotenjeugdzorg hebben gezeten, hebben verloren door zelfdoding en eutha-nasie door psychisch lijden?Voorzitter. Vele kinderen in gesloten jeugdzorg – ik zei het net al – rakengetraumatiseerd door wat ze meemaken in gesloten jeugdzorg. In datkader maak ik me ernstig zorgen over het wetsvoorstel waar de Staatsse-cretaris aan werkt om kinderen ’s nachts weer op te sluiten in een kameren om de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen mogelijk te maken.Ik weet dat de Staatssecretaris aangeeft dat het om een afgebakendwetsvoorstel met zeer strenge voorwaarden gaat en dat het maar om eenhandvol kinderen gaat. Maar dat zeiden we ook bij de start van geslotenjeugdzorg. Het zou gaan om maximaal 50 kinderen per jaar en nu zijn wemeer dan 10.000 kinderen verder. Als we ervoor kiezen om kinderen die ’snachts zorg nodig hebben op te sluiten als dat nodig is – ik ben er zelf nogniet van overtuigd dat dat nodig – dan moet dat met de hoogst mogelijkezorgvuldigheid gebeuren. Kan de Staatssecretaris toezeggen eerst delopende onderzoeken naar de impact van nachtopsluitingen af te wachten,net als de dialoog waar ze naar verwijst in haar brief, en die met de Kamerte delen voordat ze aan de slag gaat met de uitwerking van hetwetsvoorstel gericht op het ’s nachts opsluiten van kinderen? Neemt ze bijde uitwerking ook expliciet mee wat de alternatieven zijn voor het ’snachts opsluiten van kinderen die zorg nodig hebben?Voorzitter, ik rond af. We moeten aan de slag, en dat vraagt moedigekeuzes. Ik wil werken aan de wezenlijke oplossingen die ook gevoeldworden. Problemen die lang vooruit zijn geschoven lossen we op vanuitheldere principes en pragmatisme. Daarbij blijf ik spreken met de jongemensen om wie het gaat. Ik wil hun namen kennen, ik wil hun gezichtenzien, ik wil hun verhalen horen. Dat is wat leidend zal zijn om tot eenwezenlijke verandering te komen. Hun verhalen zijn onze toetssteen of wijhier de goede dingen aan het doen zijn.Dank u wel.De voorzitter:Eerst mevrouw Dobbe en dan mevrouw Westerveld.Mevrouw Dobbe (SP):Mevrouw Synhaeve van D66 zegt dat meer geld niet de oplossing is. Iksnap dat ze dat zegt namens een partij die ruim 10 miljard wil bezuinigenop de zorg de komende jaren; de presentatie hebben we allemaal metinteresse gevolgd dit weekend. Dit jaar wordt er bijna een half miljardbezuinigd op de jeugdzorg, zonder dat al die hervormingen waarmevrouw Synhaeve van D66 over spreekt zijn doorgevoerd. Decommissie-Van Ark noemde dit «het zwaard van Damocles boven dejeugdzorg». Toch heeft D66 er niet voor gekozen om deze bezuinigingterug te draaien. Waar denkt mevrouw Synhaeve dat deze bezuinigingterechtkomt? Wij weten het wel: die landt op de werkvloer, die komtterecht bij de kinderen en de gezinnen die hulp nodig hebben.Mevrouw Synhaeve (D66):Dank voor deze vraag. Ik begrijp de zorg. Vanuit verschillende rollenpleiten we al jaren voor betere jeugdzorg. De vraag die we onszelf moetenstellen is: hoe helpen we nou echt? Het automatisme om direct te kijkennaar meer geld: ik geloof niet dat dat nog gaat werken. Ik geloof dat wedaarmee juist een systeem in stand houden dat onvoldoende functioneert.Maak ik me zorgen over hoe we die ombuigingen gaan realiseren? Ja,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1847 natuurlijk maak ik me daar zorgen over, juist omdat ik niet wil dat het demeest kwetsbare jongeren raakt. Maar dat betekent wel dat je keuzesmoet durven maken. Dat betekent wat mij betreft de keuze maken om deaanspraken te verminderen zodat we naar een op de tien jongeren gaanen zo voor de jongeren die het echt nodig hebben de allerbeste zorg voorelkaar kunnen krijgen. Gaat dat vanzelf? Nee, natuurlijk niet. Daarom ookde vragen die ik net gesteld heb, want we moeten heel snel meters gaanmaken.Mevrouw Dobbe (SP):Dit is gewoon willens en wetens bezuinigen op een kapot stelsel. Zonderdat het stelsel is hersteld daar toch een half miljard euro aan onttrekken.Het antwoord op mijn vraag is nog niet gekomen. Wij weten waar dezebezuinigingen terechtkomen. Mijn vraag aan mevrouw Synhaeve van D66was: waar denkt zij dat de bezuinigingen, die dit jaar al ingaan, terechtgaan komen? Wij zeggen dat die terechtkomen bij kinderen, bij gezinnenen bij de mensen die de zorg geven. Ik heb daar nog geen ontkenning vangehoord, omdat dat ook niet kán. We weten namelijk dat de bezuinigingdaar terecht gaat komen. Daarop krijg ik dus graag nog een antwoord.Mevrouw Synhaeve (D66):Ik heb in mijn pleidooi aangegeven dat we moeten hervormen. Dat doenwe vanuit principes en pragmatisme. Een van die principes was dat weproblemen binnen de jeugdzorg toch vooral buiten de jeugdzorg gaanoplossen. We hebben morgen het debat over het coalitieakkoord. Daarinhebt u ook kunnen zien dat we juist heel veel investeren in de cirkel om dejeugdzorg heen. Er gaat meer dan 1,5 miljard naar onderwijs. We zorgenvoor veel meer versterking van de buurten en voor de aanpak vanarmoede. Dat is waar we het verschil gaan maken. Ik geloof dat de impactvan het investeren daarin uiteindelijk veel groter is dan het blijvenstoppen van geld in een jeugdzorgsysteem dat op dit moment onvol-doende functioneert en waarvan we moeten erkennen dat het nu al tenkoste gaat van onze meest kwetsbare kinderen.De voorzitter:Tot slot, mevrouw Dobbe.Mevrouw Dobbe (SP):Tot slot, voorzitter. D66 heeft heel veel mooie woorden over de plannenvoor de komende tijd, maar maakt de zorg natuurlijk helemaal kapot. Datis wat er gebeurt. Mevrouw Synhaeve zegt: ik begrijp de zorgen. Maarnee, ik heb geen zorgen meer. Ik heb boosheid. Ik maak me niet bezorgd,omdat ik weet wat er gaat gebeuren. Ik ben vooral boos over wat er dekomende tijd gaat gebeuren in de zorg, over wat D66, CDA en VVD samenhebben bekokstoofd. Er komt geen erkenning dat de bezuinigingen op dejeugdzorg voor dit jaar nog steeds staan. Dat gaat kinderen, gezinnen enmensen die in de zorg werken, keihard raken, ondanks de mooie woordenvan mevrouw Synhaeve. Mijn slotvraag gaat alsnog over de eigenbijdrage. Daarover heb ik niks teruggelezen. Blijft die nu staan of gaat D66zich houden aan de eerdere belofte om hem te schrappen?Mevrouw Synhaeve (D66):Dat waren heel veel vragen en opmerkingen in één reactie. We maken dezorg niet kapot. We zetten juist stappen om de zorg voor onze meestkwetsbare jongeren te verbeteren. Dat vraagt om heel veel moedigekeuzes, maar die gaan we wel maken. Ik hoop heel erg dat we dat samenmet verschillende partijen vanuit deze Kamer kunnen doen.Dan wat de eigen bijdrage betreft: die blijft staan. U zal namelijk ook in hetakkoord gelezen hebben dat we het basispad blijven volgen. Daarin zit ookde eigen bijdrage. Daar wil ik toch even kort bij stilstaan. Als u me vraagtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1848 of ik diep in mijn hart blij word van de eigen bijdrage: nee, ik word er nietblij van. Ik heb namelijk dezelfde rapporten gelezen en dezelfde mensengesproken, die zich zorgen maken of het niet onze meest kwetsbarekinderen raakt. Maar ik zie ook dat de eigen bijdrage waarschijnlijk welnodig zal zijn in de mix van wat er nodig is. Wat mij betreft zetten we volin op de aanspraken verminderen – ik denk dat dat een veel betere route is– maar dat neemt niet weg dat ik, als dat onvoldoende oplevert, weldegelijk naar de eigen bijdrage zal kijken. Dat doen we wat mij betreft heelzorgvuldig. Dat doen we door heel goed na te denken over verschillendescenario’s en daarin de consequenties uit te denken en door te kijken watwe ermee zouden kunnen ombuigen, maar vooral door ons de vraag testellen hoe we waarborgen dat kinderen in de meest kwetsbare situatiesaltijd toegang blijven houden tot de zorg die nodig is.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):De eigen bijdrage heeft jarenlang boven de markt gehangen. Het gaat integen het Kinderrechtenverdrag, er zijn rapporten waaruit blijkt dat hetaverechts werkt en uitvoeringsorganisaties zeggen dat het niet kan. Tochkomt het telkens weer terug. Ik vind het geen voorbeeld van een moedigekeuze. Daar gaat mijn vraag over. Ik zou graag van mevrouw Synhaevewillen weten welke moedige keuzes deze coalitie dan wél gaat maken. Weweten welke gezinnen door de bezuinigingen op de sociale zekerheid enop de zorg getroffen gaan worden. Ik ben bang dat het niet gaat leiden totminder instroom in de jeugdzorg. In het coalitieakkoord lees ik ook tekstenterug die ik al acht jaar lees en hoor. Mijn vraag is dus: welke moedigekeuzes gaat de coalitie maken?Mevrouw Synhaeve (D66):Eerst kort over de eigen bijdrage. Ik gaf het net al aan: die zorgen hoor enzie ik ook. Wat mij betreft is dat ook precies de bril waarmee we kijken alshet kabinet met scenario’s voor de uitvoering komt. Het spreekt voor zichdat wat we hier ook invoeren – dat geldt voor alle terreinen – niet magindruisen tegen het Kinderrechtenverdrag. Dat gebeurt in de praktijk tevaak wél.Welke moedige keuzes moeten we maken? Ik denk dat dat langs tweelijnen loopt. Ik denk dat dat deels zit in de beweging naar voren. Dat is eenverschrikkelijk holle term, maar dat is wat ik probeerde te beschrijven metdat tweede principe: de problemen in de jeugdzorg gaan we vooral buitende jeugdzorg oplossen. Ik denk dat we daar wel degelijk een aantal heelmoedige keuzes in maken door fors te investeren in wonen, door 135miljoen per jaar beschikbaar te stellen voor het programma leefbaarheiden door 1,5 miljard per jaar erbij te doen voor onderwijs. Al die bezuini-gingen op het vergroten van kansengelijkheid draaien we terug. Dat doenwe door middel van een gemeenschapsfonds, door ten aanzien van dejeugd in te zetten op preventie op school en door de aanpak van armoedeen problematische schulden. Als we die bedragen optellen, dan zitten weop bedragen die een stuk hoger zijn dan die we nu aan het ombuigen zijnin de jeugdzorg. Ik geloof dat we daar het verschil gaan maken. Dat wasde eerste lijn: de jeugdzorg verbeteren we vooral buiten de jeugdzorg.De tweede lijn is: durven we ook keuzes te maken in hoe we de jeugdzorgvervolgens georganiseerd hebben? Ik denk dat we daar heel scherpmoeten inzetten op het verminderen van aanspraken. De druk moet eraf.Dat betekent dat er gewoon echt minder kinderen in de jeugdzorg moetenkomen, zodat er ruimte komt voor de kinderen die heel complexe zorgnodig hebben. Dat betekent dat we meer moeten standaardiseren. Datbetekent dat er af en toe scherpere wet- en regelgeving nodig is. Datmoeten we doen. U hebt ook de vragen gehoord die ik aan de staatssecre-tarissen heb gesteld. Dat zijn wat mij betreft de belangrijke knoppen omaan te draaien, om vanuit pragmatisme het grote verschil te maken voorde kinderen die het het meest nodig hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1849 Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Het lastige van dit antwoord is dat ik een heel aantal woorden en zinnenhoor die ik al acht jaar hoor: de beweging naar voren maken, het vooralzoeken buiten de jeugdzorg, preventie enzovoorts. Dat is niet nieuw. Datwil iedereen hier trouwens. Daar is helemaal geen discussie over. Hetprobleem is alleen dat het maar niet gebeurt, omdat het te weinigconcreet wordt. Mevrouw Synhaeve heeft het over investeren inonderwijs. Daar ben ik blij mee, hoor, maar feitelijk is het gewoon hetterugdraaien van de bezuiniging van het vorige kabinet. Nu zijn we weerop hetzelfde punt als anderhalf jaar geleden. Ik hoor helemaal niet welkemoedige keuzes er nou specifiek gemaakt zijn voor gezinnen waarin hetnu al niet goed gaat en die te maken hebben met jeugdzorg. Ik ben opzoek naar een concreet antwoord daarop.Mevrouw Synhaeve (D66):In alle eerlijkheid: ik heb mezelf natuurlijk ook die vraag gesteld. Volgensmij willen we hier van links tot rechts al tien jaar dat het beter gaat in dejeugdzorg. Volgens mij verschillen onze beelden niet eens zo heel erg overhoe we daar moeten komen. Ik heb mezelf ook de vraag gesteld: waaromlukt het dan niet? Die vragen hebt u mij ook horen stellen aan deAlgemene Rekenkamer en de andere gremia die we gesproken hebben. Ikdenk dat het deels te maken heeft met hoe wij vanuit deze Kamer sturen.Ik denk dat we veel scherpere doelen moeten neerzetten en veel duide-lijkere afspraken met een kabinet moeten maken over wat wanneergeregeld wordt, bijvoorbeeld als het gaat over zo’n reikwijdtediscussie.We moeten veel scherper afspreken wat we daarin willen terugzien. Wemoeten een kabinet niet laten wegkomen met mooie, vage omschrij-vingen die uiteindelijk geen zoden aan de dijk zetten. Ik denk dat het deelsdaarin zit. Ik denk dat het ook deels zit in de vraag of wij als politiek ookdurven te zeggen: we gaan het niet allemaal meer oplossen; sommigeproblemen moeten toch echt elders worden opgepakt. Dat neemt niet wegdat mensen nog steeds zorgen hebben en dat die zorgen heel terecht zijn,maar dat hoeft geen zorgvraag te zijn. Hoe we dat precies voor elkaarkrijgen, daar ben ik ook op aan het puzzelen, want dat krijgen we ook nieteen-twee-drie voor elkaar.De voorzitter:De antwoorden moeten iets korter, anders halen we 17.00 uur niet, vreesik. Probeer echt de vraag te beantwoorden. Ik zie dat de heer Ceder ookeen vraag heeft aan D66.De heer Ceder (ChristenUnie):Toen ik de jeugdzorgparagraaf las, was ik wel teleurgesteld. Er zijn eenaantal dingen gebeurd die me enorm zorgen baren. Allereerst wordt hetrapport-Van Ark gewoon niet uitgevoerd. Die bezuiniging blijft staan. Menricht zich nu op jeugdhulp buiten de jeugdzorg. Daarmee geef je eigenlijkde generatie op die nu al last heeft en een vorm van jeugdzorg krijgt. Erwordt geïnvesteerd in de volgende generatie, maar er wordt niets gedaanvoor de huidige generatie. Er wordt ook niets gedaan voor demedewerkers, die nu al elk jaar zeggen dat hun het water tot aan de lippenstaat. Helemaal niets. Dat vind ik wel teleurstellend. Ik ken, denk ik, departijlijnen. De VVD heeft hier lange tijd voor gepleit, maar het CDA enD66 niet. Ik ben het ermee eens: we moeten inderdaad meer steken in hetstabiliseren van gezinnen. Daar zult u de ChristenUnie altijd over horen,maar mevrouw Synhaeve is het toch met mij eens dat dit, nog even losvan de afspraken die nu al vastgelegd zijn, onverantwoord beleid is? Datstaat nog even los van de vraag of wij dit nog kunnen terugdraaien.Mevrouw Synhaeve (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18410 Nee, ik werp verre van me dat dit onverantwoord beleid zou zijn. Ik denkdat we juist keuzes maken die wijzen op verantwoord beleid. Overigensgeldt nog steeds dat de ombuigingen in 2026 en in 2027 met een halfmiljard per jaar worden gedempt. Dat is dus onveranderd gebleven. Uvroeg om een kort antwoord, voorzitter, dus bij dezen een kort antwoord.De voorzitter:Dank u wel, ook daarvoor. De heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Oké, het staat genoteerd dat D66 de financiële paragraaf verantwoordvindt. Die vraag zal ik ook bij het CDA neerleggen. Ik had gehoopt dat u inlijn der verwachting zou zeggen «het is niet onze keuze», of misschien «deVVD heeft hier wat scherper op ingezet en wij hebben andere keuzesgemaakt». Maar D66 zegt gewoon: dit vind ik verantwoord. Het is goedom dat te noteren.Ik heb een vraag over het eigen risico. Volgens mij hebben we daar zelfstechnische briefings over gehad. Er is continu gezegd dat dit onverstandigis, op welke manier daar ook invulling aan wordt gegeven. Kunt uuitleggen, los van dat we buiten de jeugdzorg gaan investeren, waaromD66 in de afgelopen jaren toch van mening is geworden dat dit wél eenverstandige keuze is die leidt tot de verbetering van de jeugdzorg?De voorzitter:U noemt het eigen risico in relatie tot de jeugdzorg, maar ik denk dat u deeigen bijdrage bedoelt.De heer Ceder (ChristenUnie):Sorry. Ik zei «eigen risico», maar ik bedoelde «eigen bijdrage».De voorzitter:Dan weten we waar we het over hebben. Mevrouw Synhaeve.Mevrouw Synhaeve (D66):Ik vind de keuzes die we maken verantwoord, omdat we dit koppelen aanmaatregelen. Ik geloof dat steeds geld blijven opplussen ’m gewoon nietgaat worden. In combinatie met de maatregelen die we voorstaan: jazekervind ik dat we dan verantwoorde keuzes maken. Wordt dat makkelijk?Zeker niet.Dan de eigen bijdrage. Die vraag heb ik al beantwoord. Om niet inherhaling te vallen verwijs ik naar mijn eerdere antwoord.De voorzitter:Tot slot, meneer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Goed, tot slot. Kan D66 aangeven welke extra maatregelen en beteremaatregelen genomen worden anders dan de maatregelen die al door hetkabinet van PVV, NSC, BBB en VVD waren ingezet? De reikwijdteaanpassen werd al genoemd. De eigen bijdrage werd al genoemd.Gezinnen meer stutten werd al genoemd. De beweging naar terug-plaatsing of minder uithuisplaatsingen werd ook genoemd. Ik kan ze nietuit het coalitieakkoord halen. Op welke extra maatregelen die niet al doorhet vorige kabinet zijn ingezet, bent u nou trots?Mevrouw Synhaeve (D66):We investeren meer dan ooit in preventie en dat is ook financieel duidelijk,want daar maken we geld voor vrij.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18411 Dan ga ik naar de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Wehanteren de begrotingsvolgorde. Daardoor krijgt mevrouw Wendel nu hetwoord. Zij zit aan de andere kant. Anders denkt iedereen: waarom is dat?De begrotingsvolgorde is de sprekersvolgorde die wordt gehanteerd bijde begrotingen. Aan u het woord, mevrouw Wendel.Mevrouw Wendel (VVD):Dank, voorzitter. Van jongs af aan heb ik van mijn ouders meegekregendat ik zelf verantwoordelijk ben voor mijn eigen leven en dat je, als je jebest doet op school, respect hebt voor anderen en bereid bent hard tewerken, kunt worden wie je wil zijn. Dat klinkt misschien vanzelfsprekend,maar voor mij is het heel bepalend geweest. Het heeft ervoor gezorgd datik ook als ik geen zin had toch naar school ging en altijd bijbaantjes hadnaast school en studie. Dat maakt mij tot wie ik nu ben, de versie vanmezelf die ik wil zijn. Dat gun ik ieder kind.Voorzitter. Hard je best doen en keihard werken zijn belangrijk, maar datkan alleen als de randvoorwaarden op orde zijn. De les van mijn oudersgeldt alleen als je als kind opgroeit in een veilig en liefdevol thuis. Je kuntpas het beste uit jezelf halen als je veilig bent, als je gezien wordt en als erhulp is wanneer die nodig is. Dat kan een steuntje in de rug zijn ofintensieve hulp. Ieder kind verdient een veilige en liefdevolle plek om opte groeien, om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Als een kind echt hulpnodig heeft, dan moet die hulp beschikbaar zijn. Dat is nu te vaak niet hetgeval. De druk op de jeugdzorg is enorm. Er zijn torenhoge wachtlijsten.Als een kind dringend hulp nodig heeft en eindeloos moet wachten, richtdat nog meer schade aan. Dat is niet een probleem van de afgelopenweken of maanden. Dat is een probleem dat al jaren speelt.Sinds een paar weken mag ik mij als Kamerlid bezighouden metjeugdzorg en jeugdbescherming. Ik geef toe dat dat me niet koud laat. Deverhalen die ik hoor, de situaties die ik lees, de incidenten die geenincidenten zijn, raken me enorm. Samen met mijn collega’s in de Kamerwil ik mijn stinkende best doen om ervoor te zorgen dat geen enkel kindzich onveilig voelt of aan zijn lot wordt overgelaten. Hoewel onze visiesover hoe dit het beste kan ongetwijfeld zullen verschillen, zullen we zij aanzij moeten staan. Ik geloof dat we dat met elkaar kunnen.De urgentie maakt ongeduldig. En ja, dat brengt de verleiding met zichmee om steeds nieuwe ideeën of nieuwe regels te verzinnen. Toch ga ikdat nu niet doen. Kinderen help je namelijk niet met telkens nieuweplannen, maar met het doen van wat is afgesproken. De VVD steunt danook de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario kind- engezinsbescherming. Ik wil de staatssecretarissen bedanken voor devoortgang die is geboekt en voor de routekaarten die naar de Kamergestuurd zijn. Dit zorgt voor een beter beeld van de concrete acties die hetkabinet onderneemt. Dat geeft vertrouwen. Ik wil de staatssecretarissenwel vragen of er stappen zijn die sneller gezet kunnen worden.Voorzitter. We zijn blij dat de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorgop 1 januari 2026 in werking is getreden. De VVD ziet dit als een belang-rijke stap in het oplossen van de problemen in de jeugdzorg. Toch is hetslechts het begin. Het grote probleem in de jeugdzorg is namelijk dat devraag veel te hoog is. Waar een aantal jaren geleden 1 op de 27 kinderengebruikmaakte van de jeugdzorg, geldt dat nu voor 1 op de 7. Voorjongens tussen de 8 jaar en de 12 jaar is dat zelfs 1 op de 4. Dat kan enmoet echt minder. Niet elk probleem is een jeugdzorgprobleem. De VVDvindt dat we niet onnodig een label op een kind moeten plakken. Nietiedere vorm van afwijkend gedrag is een probleem dat in de jeugdzorgopgelost moet worden.Daarom is de reikwijdtewet ook zo cruciaal. Die bepaalt wat wel en geenjeugdzorg is. Met deze wet zorgen we ervoor dat het aantal kinderen in dejeugdzorg afneemt en dat er jeugdzorg beschikbaar is voor de kinderendie dat echt nodig hebben. We hebben een groot tekort aan medewerkers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18412 De medewerkers die er zijn, moeten zich kunnen richten op de zware enmeest complexe gevallen. De bestuurders in het land vragen hier al jarenom. Deze wet had er eigenlijk allang moeten zijn. Nu staat de behandelinggepland voor eind «26. Ik wil de Staatssecretaris vragen of dit echt nietsneller kan. Hoe voorkomt zij in ieder geval verdere vertraging? Ik zalhierover in de tweede termijn een motie indienen.De VVD wil dat er vaart gemaakt wordt met de hervormingsagenda en hettoekomstscenario. Tegelijkertijd wil ik er ook toe oproepen om niet enkelin de vergaderstand te blijven zitten met vergezichten, maar ook te kijkennaar wat er nu al kan op de korte termijn. Hebben de staatssecretarissenconcrete ideeën over wat zij nu al kunnen doen om de druk op dejeugdzorg, specifiek op de jeugdbescherming, te verminderen en ervoorte zorgen dat we de kwaliteit al op de korte termijn verbeteren?Dan de kwaliteit zelf. In juni 2024 werd grootschalige fraude metevc-certificaten blootgelegd. Mensen konden met een gekocht diploma inde jeugdzorg aan de slag zonder echte opleiding of ervaring. Dat isonacceptabel. Het systeem was bedoeld om mensen gemakkelijker aanhet werk te laten gaan in de jeugdzorg, maar dat wordt misbruikt doormensen met verkeerde bedoelingen. In plaats van jongeren liefdevollezorg te bieden, werd geld witgewassen en werden jongeren geworvenvoor criminele activiteiten. Om deze fraude aan te pakken, zal ik de motievan D66-collega Synhaeve dan ook mede indienen.Voorzitter. Al jaren horen we dat de regeldruk in de jeugdzorg omlaagmoet. Toch besteden jeugdzorgwerkers nog steeds bijna 40% van hun tijdaan administratie. De administratieve regeldruk is zelfs nergens zo hoogals in de jeugdzorg. Hoe kan het dat deze regeldruk nog steeds zo hoog isen wat gaat de Staatssecretaris concreet doen om deze regeldruk nu welte verminderen? Welke concrete regels kunnen we schrappen omjeugdzorgwerkers meer lucht te geven en ervoor te zorgen dat zij hunaandacht kunnen besteden aan de jeugd in plaats van aan papierwerk?Als de Staatssecretaris hier niet direct een antwoord op heeft, kan zij dantoezeggen hier onderzoek naar te doen en dit ons voor de zomer per brieftoe te sturen?Dan de gesloten jeugdzorg. De Staatssecretaris heeft aangegeven datnachtelijke insluiting in uitzonderlijke gevallen nodig blijft. De VVD steuntdeze lijn, hoe pijnlijk het ook is. Soms is het noodzakelijk om jongeren,hun omgeving en medewerkers te beschermen. Ik wil de Staatssecretarisvragen hoe zij dit wil vormgeven en of dit kan worden geregeld binnenhet huidige budget.Voorzitter. Tot slot: kindermishandeling. Naar schatting worden ieder jaar119.000 kinderen slachtoffer van mishandeling. Ieder jaar overlijden ertussen de 40 en 50 kinderen door dit geweld; in 96% van de gevallenwordt dit geweld gepleegd door ouders. De Staatssecretaris heeft eenaanpak voor huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik wil de Staatsse-cretaris vragen hoe effectief die programma’s zijn. Besteden we het geldaan de juiste dingen? Kan zij dit ook onderbouwen?Voorzitter. Ik sluit positief af. Iedere dag werken vele jeugdzorgwerkers kei-en keihard om jongeren vooruit te helpen. Ze werken dag in, dag uit onderhoge werkdruk. Zij verdienen onze waardering. Als het misgaat, haalt datde kranten, maar het vele goede werk blijft vaak onzichtbaar. Daarom zegik hier: dank jullie wel. Hetzelfde geldt voor de vele pleegouders inNederland. Vaak horen we de verhalen waarin het misgaat, maar in demeeste gevallen gaat het juist heel erg goed. Ik heb meerdere berichtengekregen van mensen die zeiden: dankzij mijn pleegouders heb ik de kansgekregen om in veiligheid op te groeien en mezelf te ontwikkelen. Diepleegouders verdienen onze waardering en steun. Daarom wil ik afsluitenmet een oprecht dankwoord aan hen.Dank u wel.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18413 Dank u wel. U bent aan het einde van uw inbreng gekomen. Eerst heeft ueen interruptie van mevrouw Westerveld en dan van mevrouw Dobbe.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Mevrouw Wendel zegt best veel dingen die we volgens mij allemaalvinden. Niemand vindt dat kinderen onnodig gelabeld moeten worden,om maar een voorbeeld te noemen. Ze zegt: ik ga niet voortdurendnieuwe regels bedenken. Volgens mij wil niemand dat hier. Maarmevrouw Wendel noemde twee punten waarover ze zei: als we afsprakenmaken, moeten we dat doen. Ze verwees daarbij naar het rapport van decommissie-Van Ark en naar het toekomstscenario. De commissie-Van Arkzegt: neem de bezuinigingen op als pm-post op de begroting. Dat is eenvan de heel concrete aanbevelingen die zij doet. Het budget voor hettoekomstscenario komt te vervallen vanaf 2027. Dat wordt voortgezet,maar zonder deze middelen, die ook zijn beloofd. De twee dingen diemevrouw Wendel belooft en die we volgens haar moeten doen om onzebeloftes na te komen en ons aan afspraken te houden, worden nietnagekomen. Wat vindt mevrouw Wendel daarvan?De voorzitter:Mevrouw Westerveld, de interrupties moeten iets korter. Ik ga er watscherper op letten.Mevrouw Wendel (VVD):Dank aan mevrouw Westerveld voor de vraag. Ik denk dat u terechtopmerkt dat ik zeg dat ik nu geen nieuwe zaken wil bedenken, maar echtwil vasthouden aan de uitgezette paden. Ik vind het zelf ook erg lastig datdat al heel lang duurt. Dat hoort u mij ook zeggen in mijn bijdrage: ermoet meer tempo op; het moet sneller, zodat we niet steeds nieuwe zakenhoeven te bedenken en het daadwerkelijk bijdraagt aan betere kwaliteit inde jeugdzorg.Dan uw specifieke vraag over de financiën. Ik heb afgelopen weken velegesprekken gevoerd over dit onderwerp en over de financiën. Steedsmeer bekruipt mij het idee dat we impopulaire keuzes moeten maken inplaats van er ieder jaar weer meer geld aan toe te voegen. We zien dat deuitgaven in de jeugdzorg echt uit de pas lopen en dat de kwaliteit er nietbeter van wordt.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dat vind ik ook. Dat vinden we allemaal, maar dat is geen antwoord opmijn vraag. Mijn punt luidt als volgt. Mevrouw Wendel zegt hier heelduidelijk dat er twee dingen moeten gebeuren, maar die gebeuren niet. Ikvraag haar dus wat zij daarvan vindt. Misschien moet ik de vraag andersstellen, net als bij mevrouw Synhaeve. Ik begrijp ook dat dit technischgezien een ingewikkelde vraag is. Wat gaat het komende kabinet doen omervoor te zorgen dat die moedige keuzes gemaakt worden en dat hetstraks echt beter gaat met jongeren in de jeugdzorg? Even heel concreet,want al die algemeenheden vinden we allemaal; daar schiet niemand watmee op. Even heel concreet.Mevrouw Wendel (VVD):Het nieuwe kabinet gaat ervoor zorgen dat de reikwijdtewet zo snelmogelijk wordt ingevoerd, waardoor we echte keuzen maken over welkeproblemen we in de jeugdzorg moeten oplossen en welke problemendaarbuiten horen. Dat kan zijn door niet onnodig te labelen, maar metname ook door met de lokale teams kinderen en hun gezinnen vroegtijdiggoed te ondersteunen.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18414 Wilt u nog iets vragen over dit onderwerp, mevrouw Westerveld? Nee.Dan ga ik eerst naar mevrouw Dobbe.Mevrouw Dobbe (SP):Het nieuwe kabinet gaat ook de zorg kapotbezuinigen. Dat moet ook evengeconstateerd worden. Ik hoor de VVD zeggen dat jeugdzorgmedewerkerswaardering verdienen. Dat is goed om te horen voor jeugdzorgmede-werkers, denk ik, want ze gaan morgen in actie komen, onder anderetegen de gevolgen van het beleid van de VVD. Het is dus fijn om te horendat ze in ieder geval de steun van de VVD daarin hebben. In het begin vanhet betoog hoorde ik dat de randvoorwaarden op orde moeten zijn. Mijncollega Westerveld zei het ook al: de commissie-Van Ark noemde debezuinigingen «een zwaard van Damocles» boven de jeugdzorg. Eenzwaard van Damocles boven de jeugdzorg! De randvoorwaarden zijn nietop orde en toch wordt er al dit jaar bijna een half miljard euro uit dejeugdzorg gesloopt. Ook aan de VVD is mijn vraag waar zij denkt dat dezebezuinigingen terechtkomen. Is er een aanleiding om aan te nemen dat zeniet terechtkomen bij kinderen, bij gezinnen en bij de medewerkers dieelke dag het werk doen in de jeugdzorg?Mevrouw Wendel (VVD):In alle eerlijkheid heb ik moeite met de harde uitspraken die gedaanworden. «Het nieuwe kabinet gaat de zorg kapotbezuinigen.» Het nieuwekabinet neemt een impopulaire beslissing en ziet dat we vanwegedemografische ontwikkeling geen andere keuze hebben dan het stelselhervormen om ervoor te zorgen dat we er op de lange termijn kunnen zijnvoor de mensen die dat het hardste nodig hebben. Dat geldt dus ook voorde jeugdzorg. We moeten keuzes maken over wat we wel en niet gaandoen om er te kunnen zijn voor de meest kwetsbare kinderen. Dat noem ikniet «kapotbezuinigen». Dat noem ik: een moedige keuze en ervoor zorgendat we er kunnen zijn voor de kinderen die dat nodig hebben.De voorzitter:Probeer niet buiten de microfoon om dingen te zeggen. Doe het via demicrofoon. Dat zeg ik even in het algemeen. Mevrouw Coenradie en dande heer Van Houwelingen.Mevrouw Coenradie (JA21):Ik heb eigenlijk een beetje een punt van orde. Ik snap waar het vandaankomt, maar we hebben het wel steeds over «het nieuwe kabinet». Hetlastige in dit verhaal is ... De timing is een beetje onhandig; laat ik hetmaar even zo zeggen. Het debat over het nieuwe kabinet wordt morgengevoerd. Ik zou dus graag willen dat we onze kostbare tijd en de inter-rupties daar niet aan besteden. Ik kijk u als voorzitter dan even aan om datte handhaven. Als dat mogelijk is, heel graag.De heer Ceder (ChristenUnie):Wij stemmen pas in maart over de begroting. Dan is er een kabinet ofkunnen we in ieder geval de impact doorlopen van de keuzes die vorigeweek gepresenteerd zijn. Ik heb amendementen gezien, maar niet van dieorde dat er fundamentele wijzigingen plaatsvinden. Hen daarop bevragenheeft dus wel degelijk te maken met de huidige begroting. Ik snap dat weniet moeten gaan filosoferen over wat het nieuwe kabinet gaat doen. Datsnap ik, maar ik vind wel dat we elkaar in het debat met de Kamerledenonderling, niet in dat met de bewindspersonen, zouden moeten bevragenover waarom bepaalde keuzes gemaakt worden of waarom bepaaldestappen juist niet gezet worden, juist ook omdat er afspraken zijn gemaaktvoor de komende jaren. In die zin zou ik er dus toch nog wel wat ruimtevoor willen laten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18415 De voorzitter:Ik begrijp mevrouw Coenradie heel goed. Ik snap die opmerking. Wemoeten twee dingen uit elkaar houden. Ik denk dat we nu gewoon hetkabinet hebben dat hier zit. Dat punt klopt. Dit is mijn derde of vierdeperiode als Kamerlid. Ik weet dat het onontkoombaar is dat als er eenakkoord ligt, het debat met de Kamerleden onderling ook gaat over wat erligt. Dat mag ook. Dan is het wel belangrijk dat de Kamerleden in huntoekomstige coalitierol worden aangesproken en niet als «het kabinet»,want dat kabinet is er feitelijk nog niet; het moet nog op het bordes komente staan. Daarin heeft u wel een punt, mevrouw Coenradie.Laten we het debat onderling dus vooral gericht houden op de keuzes dievoorliggen en als het woord «kabinet» valt even beseffen dat hier hethuidige kabinet zit en dat er nog geen nieuw kabinet is. Ik denk dat dat welbelangrijk is, ook voor de kijker. Daar zal ik iets scherper op letten, maar iklaat wel toe dat de keuzes besproken worden die gemaakt worden in hetcoalitieakkoord en betrekking hebben op dit begrotingsonderdeel. Datlaatste is wel belangrijk. Laten we inderdaad niet te veel erbij halen, wantdat gaan we morgen uitvoerig bespreken. Dan bedoel ik de verderemaatregelen op het VWS-terrein. Laten we ons echt richten op ditonderdeel. Volgens mij ging dat vooralsnog best goed. Als dat af en toeniet helemaal goed gaat, zal ik daar wat van zeggen. We zetten het debatvoort. Mevrouw Coenradie, had u nog een interruptie of was dit een puntvan orde? Check. Dan een interruptie van de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Over keuzes gesproken, ik ben wat verbaasd, want de PVV zei zojuist overde jeugdzorg: het is niet anders; we moeten erop bezuinigen.De voorzitter:De VVD.De heer Van Houwelingen (FVD):Excuus, de VVD inderdaad. Dank. De VVD zegt dat we erop moetenbezuinigen, maar er zijn natuurlijk wel degelijk keuzes te maken. Ik bedoel,de VVD heeft ervoor gekozen om miljarden over te maken naar Oekraïne.Dat was bijvoorbeeld eind december nog binnen 48 uur 700 miljoen. Diekeuzes kunnen dus gemaakt worden, maar de VVD kiest iets anders. Diestuurt bijvoorbeeld graag miljarden naar Oekraïne, de massa-immigratieen krankzinnig klimaatbeleid. Wees daar dan eerlijk over. Ja, dan hou jeniet veel over voor de jeugdzorg.Mevrouw Wendel (VVD):Allereest heb ik niet gezegd dat we niet onder bezuinigen op de jeugdzorguit komen. Ik wil namelijk benadrukken dat we de kosten ombuigen, maardat er nog steeds ieder jaar meer geld naar de jeugdzorg gaat dan het jaardaarvoor. Dat ten eerste. Daarnaast begrijp ik natuurlijk dat iedere partijeen andere visie op Nederland heeft. Dat kan. Ik denk dat we dat morgenin het debat van onze partijleiders zeker gaan horen. Alleen, de VVD staatinderdaad voor een land waarin we zorgen dat de veiligheid zowelnationaal als internationaal op orde is, ook voor onze kinderen.De voorzitter:Meneer Van Houwelingen, het moet echt wel gericht zijn op de jeugdzorg.Ik snap het allemaal, maar anders is het ook een beetje onnavolgbaar voordegenen die het op afstand volgen. Zijn er nog andere interrupties voormevrouw Wendel voordat ik naar de volgende spreker ga? Nee. Danmevrouw Westerveld, namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18416 Dank, voorzitter. Het ging er net al even over in het interruptiedebat: hetdoel van dit wetgevingsoverleg – dat is natuurlijk het controleren en hetbijsturen van het kabinet – wordt ons gewoon vrij lastig gemaakt vanwegede timing. We bespreken hier namelijk de begroting van 2026 terwijl het al2026 is en we bespreken de begroting van een demissionair kabinetterwijl afgelopen vrijdag het conceptregeerakkoord werd gepresenteerd.Dat maakt het gewoon best wel onhandig om de demissionaire staatsse-cretarissen hier te bevragen. Tegelijkertijd vind ik het ook heel actueel,omdat we ook zien dat er in de keuzes die de nieuwe coalitie maakt niet zoveel lijkt te veranderen. Volgens mij is dat dus wel degelijk iets waar wehet vandaag goed met elkaar over moeten hebben.Gezien de grote belangen en alle grote problemen die spelen bij jongeren,gezinnen en hulpverleners, moeten we die taak namelijk heel serieusnemen. Ik geloof ook helemaal niet dat we in deze commissie nou zoverschillend kijken naar de jeugdzorg, want niemand zit hier als woord-voerder omdat die hoopt dat het straks nog slechter gaat met kinderen.Iedereen wil dat het beter gaat met kinderen, dat het stelsel beter wordt,dat hulpverleners hun werk gewoon goed kunnen doen en dat erkwalitatief goede en genoeg hulpverleners zijn. Dat willen we allemaal.Daar zit helemaal geen licht tussen, maar dan moeten er wel keuzesgemaakt worden. Ik hoor hier de hele tijd dat er keuzes gemaakt moetenworden, maar volgens mij gaat het er dan om welke keuzes we met elkaarmaken. Welke moedige keuzes maken wij straks met elkaar om ervoor tezorgen dat wat we allemaal willen, echt gaat gebeuren? Ik denk dat eenheel groot probleem waar jeugdzorg, en misschien wel zorg in hetalgemeen, tegenaan loopt, is dat wij het misschien wel belangrijk vindenmet elkaar, maar dat gewoon niet alle partijen dat belangrijk vinden. Datzien we volgens mij ook aan de keuzes die het nieuwe kabinet maakt,waarbij ik zie dat maatregelen wel degelijk keihard gezinnen raken waarinnu ook al grote problemen zijn. Want als je gaat tornen aan bestaansze-kerheid, raakt dat natuurlijk de gezinnen waarbij het thuis gewoon nietgoed gaat. Als we de uitkering van mensen die tijdelijk geen werk hebbennog verder gaan verlagen, zorgt dat natuurlijk voor stress. Al die keuzesraken ook de jongeren die nu in de jeugdzorg zitten. Daarom verbind ikdat soort vragen dus aan dit debat vandaag.Voorzitter. Terwijl de Staatssecretaris ons vorige week woensdag nog ineen brief schreef dat ze – ik citeer – het tij wil keren en alles op alles gaatzetten zodat niet meer een op de zeven jeugdigen gebruikmaakt vanjeugdzorg, maar eind 2028 maximaal een op de tien jeugdigen in dejeugdzorg zit, lees ik dus in het conceptregeerakkoord allemaal maatre-gelen waarvan ik denk: die gaan er alleen maar voor zorgen dat er nogmeer gezinnen en jongeren hulp nodig hebben. Mensen die al in eenkwetsbare positie zitten, mensen met functiebeperkingen, mensen metlicht verstandelijke beperkingen, gezinnen in armoede: dat zijn de mensendie straks het hardst de klappen krijgen als er weer verder bezuinigdwordt. We weten namelijk allemaal dat stress, psychische problemen,armoede enzovoorts leiden tot gedoe in gezinnen en uiteindelijk ook toteen groter beroep op jeugdhulp. Mijn eerste vraag aan de Staatssecretarisen aan de coalitiepartijen is: hoe gaan ze, zoals in de brief staat, diedoelstelling en de ambitie nou voor elkaar krijgen om in 2028 het aantalvan 500.000 jongeren en gezinnen die jeugdhulp nodig hebben teverlagen naar 350.000? Dit vraag ik ook in de wetenschap dat alles wat wehier horen, al die beloftes, eigenlijk de afgelopen jaren ook is gedaan endat het in de afgelopen jaren onvoldoende is gelukt. Ik lees in hetconceptregeerakkoord niets nieuws ten opzichte van die belofte. Watbetekent dat voor de eigen bijdrage? We hoorden net al dat die blijftstaan. Ik hoor het ook graag van de Staatssecretaris.Waarom staat er ook niets over dakloosheid in het regeerakkoord en in deplannen? Deze vraag stel ik in de wetenschap dat het aantal daklozeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18417 jongeren flink is gestegen en veel dakloze jongeren en jongvolwasseneneen verleden in de jeugdzorg hebben.Voorzitter. Ik heb veel vragen. Ik begrijp ook dat de Staatssecretariswaarschijnlijk niet ingaat op mijn vragen over het conceptregeerakkoord,maar ik wilde die toch benoemen. Ook in de voortgangsbrief die wevorige week kregen en het interview dat de Staatssecretaris in DeTelegraaf gaf, werd namelijk gezegd dat er een plan zou komen om deinstroom te verlagen. Dat plan is ook niet nieuw. Ik hoor dit al jaren. Iederebewindspersoon op Jeugd die ik heb meegemaakt, zegt dit; geen van diebewindspersonen heeft dat plan uiteindelijk ook geleverd. In 2018 – dat isal een hele tijd geleden – was daling van de instroom hét stokpaardje vanMinister Hugo de Jonge, die een grote beleidswijziging aankondigde. Nahem wilde Paul Blokhuis precies hetzelfde. Na hem kwam Maarten vanOoijen, die ons ook echt in ieder debat voorhield dat de instroom echtomlaag zou moeten, dat er een grote maatschappelijke discussie zoumoeten komen en dat er een wet zou komen. Na hem kwam VincentKarremans, die dit ook voortdurend verkondigde.Voorzitter. Dit kan niet acht jaar lang telkens de meest genoemdeoplossing zijn voor alle problemen, terwijl er acht jaar lang geen concreetvoorstel komt. Zo zie ik dat de brief van de Staatssecretaris vol staat vandit soort zinnen die ook acht jaar geleden in brieven hadden kunnen staan.Een voorbeeld is: de kern van het plan is dat er een cultuuromslag moetkomen, dat hulp dichterbij gezinnen moet komen en dat specialistischejeugdzorg alleen moet worden ingezet als het echt nodig en effectief is.Dat willen we al acht jaar allemaal, maar wat betekenen deze zinnen dan?Wat gaat er dan precies gebeuren? Dit zijn namelijk echt zinnen die ik deafgelopen jaren letterlijk in alle brieven heb gelezen. Sterker nog, toen ikin de gemeenteraad zat en in 2015 de jeugdzorg werd gedecentraliseerd,was dit ook al het adagium.Dan vraag ik mij toch af: wat moet ons het vertrouwen geven dat er nuwel echt een goed plan gaat komen, dat er een doorbraak gaat komen, dater echt keuzes gemaakt worden? Welke keuzes zijn dat dan? Kan deStaatssecretaris in haar antwoorden ook ingaan op de verschillendegroepen jongeren die nu onder de Jeugdwet vallen? Ik steun diebeweging natuurlijk in de zin dat de opvoedvragen, vooral de kleinereopvoedvragen, helemaal niet thuishoren in de jeugdhulp, maar ik ziebijvoorbeeld wel dat de context voor kinderen met een verstandelijkebeperking en hun ouders anders is. Daarbij kan lichte hulp wel helpen omzwaardere hulp te voorkomen. Dat geldt ook voor kinderen waarbij eenvan de ouders psychische problemen heeft of verslaafd is. Bij RTL kondenwe afgelopen weekend zien dat het gaat om naar schatting zo’n 900.000kinderen die opgroeien in een gezin waarbij een of beide ouderspsychische problemen hebben of verslaafd zijn. Daar kwam ook Jozef aanhet woord, die opgroeide bij een moeder, die er niet voor hem kon zijn. Hijvertelde dat er gewoon niemand was die naar hem omkeek. Daarom vondik het zo knap dat hij zijn verhaal deed. Zoals hij zijn er dus heel veel meerkinderen, die er gewoon behoefte aan hebben dat er iemand naar henomkijkt en hun helpt. Dat zijn dus die kleinere opvoedvragen, zou jekunnen zeggen, die wel grotere problemen voorkomen. Hoe kijkt deStaatssecretaris daarnaar?Voorzitter. Dan ga ik naar het blokje geld, want we praten vandaag over debegroting. Daarna ga ik naar een aantal amendementen die we vandaaghebben ingediend en naar andere inhoudelijke onderwerpen. Dan duseerst geld. Het demissionaire kabinet heeft de afgelopen Voorjaarsnotafors geïnvesteerd in jeugdzorg en heeft dit opnieuw gedaan bij debegroting. Dat is mooi, maar ik plaats wel even de kanttekening dat hetbedrag er bij deze begroting bij kwam, 728 miljoen, om de korting uit 2023en 2024 op de jeugdzorg bij gemeenten te compenseren. Bij het extra gelduit de Voorjaarsnota kwamen ook drie extra bezuinigingsposten, vanafTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18418 2028. Deze extra bezuinigingsposten tellen op tot een structurelebesparingsopgave van ongeveer 1,8 miljard vanaf 2028.Voorzitter. Je kan dus feitelijk zeggen dat het demissionaire kabinet hetravijnjaar heeft opgeschoven van 2026 naar 2028, ook omdat jeugdzorgniet de enige post is waarop vanaf dat jaar gemeentelijk wordt bezuinigd.Ik wil aan de Staatssecretaris van VWS vragen of ze dit erkent en ook dathet ravijnjaar nu opnieuw in de boeken staat, maar nu vanaf 2028. Inhoeverre acht zij dit in lijn met het advies van de commissie-Van Ark,vraag ik ook even teruggrijpend op het interruptiedebatje met mevrouwWendel. De commissie-Van Ark stelde namelijk heel duidelijk dat het nietwenselijk en haalbaar is om de beoogde besparing vanaf 2028, zoalsopgenomen in het financieel kader van de hervormingsagenda, tehandhaven. Zij adviseerde het Rijk de besparingen tot 2028 als pm-post inde rijksbegroting op te nemen. Kan de Staatssecretaris uitleggen waaromdat advies niet is opgevolgd?De commissie-Van Ark adviseerde ook om in de periode 2025–2028 tekomen tot reële en meetbare besprekingsdoelstellingen. Is dit gebeurd, isdan mijn vraag. En zo ja, op welke manier acht de Staatssecretaris de drieextra besparingsopgaven, zoals bijvoorbeeld de eigen bijdrage, een reëleen meetbare besparingsdoelstelling? Het is namelijk nog totaal ondui-delijk hoe deze eigen bijdrage zal worden ingevuld en wat deze gaatopbrengen. Toch staat er al vanaf 2028 260 miljoen euro in de boeken. Isdat niet de omgekeerde wereld, vraag ik de Staatssecretaris. Waarom is zenog steeds dit wetsvoorstel aan het uitwerken, terwijl een Kamermeer-derheid zich in een motie hiertegen heeft uitgesproken?Voorzitter. Dan het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Hiergeldt eigenlijk hetzelfde verhaal als voor de wet over de reikwijdte. Ook ditwordt al jaren door opvolgende bewindspersonen als dé oplossing gezienvoor de grote problemen in de jeugdbescherming. Ook in het debat overde afschuwelijke mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingennoemde de toenmalige bewindspersoon dit eigenlijk voortdurend alsoplossing, als iets dat hij ging doen. Daarom was onze verbazing groottoen wij zagen dat er in de laatste Voorjaarsnota geen geld was vrijge-maakt voor de incidentele transitiekosten. Nog opvallender is dat ditdemissionaire kabinet het budget hiervoor volledig laat vervallen vanaf2027. We hebben hier al eerder in het plenaire debat een groot punt vangemaakt, want ik vind dat je als kabinet moet nakomen wat je de Kamerbelooft, ook financieel. Toen wuifde Staatssecretaris Rutte te makkelijkonze zorgen weg, vond ik. Hij zei: we gaan het binnen de huidigefinanciële kaders proberen. De inspectie zei dit najaar nog dat deuitvoering van het toekomstscenario uiterst onzeker wordt door hetwegvallen van het geld. Zij riep op tot stevig leiderschap vanuit het Rijk. Ikwil graag een reactie daarop van Staatssecretaris Rutte.Voorzitter. Het gaat hier namelijk ook om jongeren die in een lastigethuissituatie zitten, soms geen huis hebben, slachtoffer zijn van ernstigeverwaarlozing of mishandeling, of met soortgelijke problemen die grootgenoeg zijn om door de Staat onder bescherming te worden gebracht. Ikvind het ronduit kwalijk en schadelijk dat ze vervolgens een hele lange tijdin die onzekere situatie blijven zitten. Dit is ook in strijd met kinderrechten.Juist deze kinderen verdienen urgentie, duidelijkheid en middelen als ereen oplossing wordt aangekondigd. Dat kan niet anders. Is Staatssecre-taris Rutte het met ons eens dat deze kinderen meer verdienen dan een«we zien wel»? Misschien druk ik het daarmee iets te makkelijk uit, maardat hoor ik dan graag van hem in zijn beantwoording. Kan hij uitleggenwaarom dat geld in 2027 volledig afloopt?Hoe worden de goede voorbeelden uit de proeftuinen voortgezet als hetgeld voor die proeftuinen eind 2026 stopt? Wat zijn de alternatieven voordeze groep jongeren en kinderen? Wat gaat er gedaan worden om alleproblemen, die echt allang bekend zijn ... Verschillende collega’sherhaalden dat al, dus ik ga om tijd te besparen niet al die vragenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18419 herhalen; ik sluit me daar gewoon bij aan. Maar wat gaat er dan nugebeuren om echt knopen door te hakken en voor hen tot oplossingen tekomen? Hoe zit het met de beloofde verbetering om de rechtspositie vandeze jongeren en ouders te versterken? Hoe kan het dat het leerlingen-vervoer niet altijd wordt geregeld voor jongeren die uit huis zijn geplaatsten voor wie het van belang is dat ze naar hun eigen school blijven gaan?Voelt deze Staatssecretaris ook daarvoor een verantwoordelijkheid? Kande Staatssecretaris ook ingaan op de eerdere toezeggingen omknelpunten in de bijzondere kosten voor pleegouders weg te nemen? Datwas trouwens een toezegging van Staatssecretaris Tielen, dus die vraagstel ik aan haar.Dan heb ik een vraag over Jeugdbescherming Noord. Daar zijn veelverhalen over. Ik las de voortgang ervan in de voortgangsbrief, maar diesluit niet helemaal aan bij de signalen die ik krijg. Mijn vraag is daarom ofer ook met de mensen van het meldpunt is gesproken. Is er ook metouders gesproken over hoe zij het ervaren?Voorzitter. Ik heb nog een paar fundamentele punten. Hoe kan het dat ernog steeds te veel kinderen uit huis worden geplaatst? Ik weet dat we niette makkelijk over dit onderwerp moeten denken en praten. Ik weet dat ersoms complexe situaties zijn. Ik ken ook de lastige situatie waar hulpver-leners vaak voor staan. Maar als ik het onderzoek Van inzicht naaruitvoering lees, dat het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van HetVergeten Kind – ze stonden ook vanochtend hier met hun manifest – heeftgedaan, dan vraag ik me wel af waarom zo veel dingen die we al weten,die er uitgebreid in staan beschreven, gewoon niet worden uitgevoerd.Waarom komen ook al die dingen waarover helemaal geen politiekediscussie is, omdat we die we allemaal vinden, nog steeds niet van degrond? Waarom komt gezinshulp vaak onvoldoende van de grond?Waarom heeft nog niet iedere jongere iemand zoals een JIM of eeninformele steunfiguur die die jongere bijstaat? Waarom lezen we datscholing, het bijhouden van actuele kennis en vaardigheden, niet overalgoed gebeurt en dat het hoorrecht van kinderen niet overal goed wordtgeborgd, terwijl we inmiddels weten wat er wel en niet werkt en wat jewel en niet van een kind kan en mag vragen? Waarom wordt er soms nogte weinig tijd genomen voor een verklarende analyse? Zo kan ik nog weleen tijdje doorgaan. Vanwege de tijd doe ik dat niet, maar kan deStaatssecretaris daar een eerste reactie op geven, zodat we de volgendekeer niet opnieuw dezelfde vragen moeten stellen?Wat is de stand van zaken wat betreft de afbouw van de geslotenjeugdzorg? Ik sluit me aan bij de vragen van mevrouw Synhaeve. Wijhebben er voortdurend op gehamerd dat de bekostiging moet wordenaangepast. We hebben meerdere keren moties daarover ingediend.Waarom is hier zo weinig op gebeurd? Ik ben heel benieuwd naar deantwoorden van de Staatssecretaris. Kan ze dan ook reageren op hetrecente onderzoek voor het Platform Sociaal Domein? Dat onderzoek heeftals titel Bekostiging jeugdzorg werkt transformatie tegen. Daarin staat eeninteressante analyse. Heeft de Staatssecretaris die gelezen en kan zedaarop reageren?Voorzitter. Dan ga ik verder met een onderwerp waarover we het hier alheel vaak hebben gehad, namelijk gesloten jeugdzorg. We hebbenhierover vorig jaar een debat gehad. Dat ging onder meer over het rapportvan Jason Bhugwandass over de ZIKOS-instellingen. Jongeren diejarenlang niet zijn geloofd, kregen door zijn rapport en door zijn verhaleneindelijk een stem. Daardoor werden zij hier in de Tweede Kamer eindelijkserieus genomen. Ik maak me enorme zorgen over hoe het gaat met dezejongeren. Ik denk dat de Staatssecretaris ook het recente interview heeftgelezen in de Volkskrant, waarin Indra samen met Jason werd geïnter-viewd voordat ze overleed. Zij is een van de vele kinderen die aangeeft:door alles wat ik heb meegemaakt, vóór de jeugdzorg maar ook in degesloten jeugdzorg, heb ik zo veel schade opgelopen dat ik niet meer weetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18420 hoe ik verder moet leven. Dat is niet alleen haar lot, dat is ook het lot vanheel veel andere jongeren die zo getraumatiseerd zijn.Dit is een lastig onderwerp, maar juist daarom horen we het hier tebespreken. Ik weet dat veel van deze jongeren teleurgesteld zijn. Er is weleen debat geweest in de Tweede Kamer, maar zij wachten nu operkenning, op excuses. Dan hoor ik mooie dingen over het nazorgtrajectwaarvoor we vorig jaar bij de begroting een amendement aangenomenhebben gekregen, maar dan kan het vervolgens niet stil blijven. Ik hoorheel graag van de Staatssecretaris wat zij nu gaat doen en wat deinvulling wordt van dat erkenningstraject en van die excuses. Het rapportvan Jason en het bijbehorende debat hadden we al in maart 2024. Ik zeinet «vorig jaar», maar het is dus al twee jaar geleden. In die twee jaar ishet grotendeels stil gebleven. Heeft het kabinet door dat het juist voordeze groep jongeren, die al zo veel teleurstelling heeft meegemaakt en alzo lang moest wachten, extra pijnlijk is dat zij nu weer het gevoel krijgendat ze niet serieus genomen worden?Dan nog iets. Ik las in de brief uit december dat een aanbeveling uit hetrapport van Jason, namelijk een onafhankelijk onderzoek naar ZIKOS-afdelingen, ondanks een toezegging niet uitgevoerd kon worden. Ik werddaar heel boos van. Niet op de Staatssecretaris, want volgens mij is zijook ontstemd hierover, maar wel op de instellingen die voorheenZIKOS-afdelingen hadden en niet wilden meewerken. Mijn vraag aan deStaatssecretaris is hoe we kunnen regelen dat dit wel gaat gebeuren, wantzij wil dit, de Kamer wil dit en we zijn het ook aan de jongeren verplicht,vind ik. Instellingen werken niet mee. Wat kunnen wij dan gezamenlijkdoen om ervoor te zorgen dat de instellingen alsnog gaan meewerken? Bijdezen wil ik ook een oproep doen. Ik hoop dat de instellingen alsnog gaanmeewerken, want ik vind dat zij het aan deze jongeren verplicht zijn. Dezejongeren zaten namelijk bij voorgangers van deze instellingen, dusvandaar deze oproep.De heer Van Houwelingen (FVD):Heel kort. Instellingen werken dus niet mee. Mijn vraag is of dat wellichtook zou kunnen zijn omdat ze er financieel belang bij hebben. Moeten wedan niet gewoon de financieringsstromen afknijpen?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Instellingen verschuilen zich achter privacy, las ik in de brief van deStaatssecretaris. Het zijn natuurlijk de voorlopers van deze instellingengeweest die niet meewerkten. Dan kan je de vraag stellen of de huidigeinstellingsbestuurders verantwoordelijk zijn voor deze groep. Ik zouvinden van wel, dus daarom doe ik mijn oproep. Ik vind dat ze moetenmeewerken. Ik denk niet dat het werkt om te zeggen dat we ze anders eenbestuurlijke boete opleggen, maar daar kan de Staatssecretaris wellicht opingaan. Ik ben er namelijk bang voor dat dat weer ten koste gaat vanpersoneel en zorgt voor dingen die we met elkaar juist niet willen. Ik benbenieuwd naar de reactie van de Staatssecretaris hierop, maar ik denk datwat ik vind, wel duidelijk is. Ik vind dat de instellingen het deze jongerenverschuldigd zijn dat ze openheid krijgen en dat het onderzoek dat we metelkaar willen, wordt uitgevoerd. Ik hoop dat echt alles op alles wordt gezetom die gegevens boven water te krijgen.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Als mevrouw Westerveld geen bestuurlijke boetes of wat dan ook wil, hebik de volgende vraag aan haar. U zult dadelijk ook in mijn tekst merken datik juist heel erg kijk naar: op welke manier kunnen we de verantwoorde-lijkheid nou oppakken en neerleggen waar die hoort? U zegt dat u geenboetes of wat dan ook wil, maar wat wilt u dan wel? Wat vindt u danbillijk? Wat moeten we in uw optiek doen om bijvoorbeeld bepaaldeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18421 organisaties ertoe te dwingen om betere resultaten te halen en deveiligheid van kinderen borgen?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Volgens mij gaat het hier nu niet zozeer om veiligheid van kinderen, maarom bijvoorbeeld het openstellen van archieven, zodat onderzoekersdaarin kunnen en gegevens kunnen achterhalen. Er was namelijk eenonderzoek toegezegd. Daarom lijkt het mij ingewikkeld – maar dat weet deStaatssecretaris waarschijnlijk beter – om nu boetes op te leggen aaninstellingsbestuurders. Dan ben ik namelijk bang dat er bijvoorbeeld extramensen worden ontslagen die we juist zo hard nodig hebben in dejeugdzorg. Dat lijkt mij dan een nadeel. Maar ik ben aan het speculerenhier. Ik hoop eigenlijk dat er gewoon juridische mogelijkheden zijn omdeze instellingen alsnog te vragen mee te werken. Misschien helpt het datwij het er in de Tweede Kamer over hebben. Ik denk dat dat een betereweg is.De voorzitter:Mevrouw Westerveld, u kunt doorgaan met uw betoog.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik ga verder met het blokje trauma’s bij kinderen. Dit is een vrij zwaaronderwerp in mijn hele betoog, maar dat moeten we hier juist ookbespreken. Ik wil het hebben over trauma’s bij Nederlandse kinderen diein het buitenland zijn geplaatst. In De Telegraaf en Dagblad van hetNoorden lazen we een paar artikelen over afschuwelijke misstanden enuitbuiting van kinderen die zijn geplaatst bij gastgezinnen in Frankrijk. Ikheb ook schriftelijke vragen gesteld met wat meer details. Wat wedaarover lezen is namelijk niet mals. Kinderen werden basale rechtenontnomen. Ze werden keihard uitgebuit en het contact werd hunontnomen. Ze kregen te maken met straf, dwang, opsluiting, enzovoorts.Ik wil in dit debat een paar dingen alvast weten. De belangrijkste vraag isvolgens mij: zijn alle kinderen daar nu weggehaald? En zijn er geenandere kinderen meer in het buitenland die onveilig zijn? Dat wil ikvandaag heel graag weten van de Staatssecretaris. Zijn er ook eerdersignalen binnengekomen bij bijvoorbeeld de inspectie? Hoe kan het datonze inspectie geen bevoegdheid heeft om in te grijpen in het buitenland?Ik heb gelezen hoe dat zit, maar ik blijf het wonderbaarlijk vinden dat daarzo lang zo weinig toezicht was. Ik vind dat daar ook een verantwoorde-lijkheid in ligt voor de Nederlandse overheid. Is er ook nazorg voor dezekinderen en hun families? Dat is ook een vraag die ik vandaag graagbeantwoord wil krijgen. Wat is nu het vervolgtraject? Hoe gaat de Ministervoorkomen dat dit vaker gebeurt? Die laatste vraag is natuurlijk lastig tebeantwoorden. Maar ik ben benieuwd wat er in het vervolgtraject gaatgebeuren en hoe de Staatssecretaris dit verder ziet.Voorzitter. Dan kom ik nog een keer terug op het debat over het Vlaar-dingse pleegmeisje. Dat hebben we namelijk een tijd geleden gevoerd. Dehele Kamer, en ook bewindspersonen, waren boos en ontstemd. Iedereenvond het ongelofelijk naar en die emotie is echt oprecht. We vondenallemaal dat kinderen beter gehoord moesten worden. Onze motie vandestijds, waarin we vroegen om ervoor te zorgen dat externe vertrou-wenspersonen bekend zijn bij alle pleegkinderen, kreeg brede steun. Maartot mijn verbazing hoorde ik van Jeugdstem, de organisatie die dieexterne vertrouwenspersonen levert, dat twee relatief kleine subsidieaan-vragen die zij voor 2026 heeft gedaan, niet zijn toegekend door hetministerie. Met het oog op het genoemde debat vond ik dat wonderlijk,want het gaat hier om € 186.000 om het toegenomen aantal gezinshuizente bezoeken. In 2025 kreeg Jeugdstem daarvoor extra geld, maar diesubsidieaanvraag is voor 2026 afgewezen. Ik begrijp dat totaal niet, zekerniet na alle beloftes die in dat debat over het Vlaardingse pleegmeisje zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18422 gedaan, maar ook niet gelet op de schrijnende situaties die de afgelopenweken nog in het nieuws waren. Ik heb alleen de afgelopen week al driekeer afschuwelijke berichten gehoord over misstanden in een gezinshuis.Laat mij ook helder zijn: verreweg de meeste pleegouders, gezins-huisouders, doen echt fantastisch werk. Daar vinden kinderen die tijdelijkof langer niet thuis kunnen wonen, een hele fijne plek. Maar als hetmisgaat, dan is er vaak een heel groot probleem, omdat deze kinderenzich wel loyaal voelen tegenover hun gezinshuisouders of pleegouders.Dan staat een kind er vaak alleen voor, zeker kinderen die al zo veelhebben meegemaakt.Daarom hebben wij een amendement ingediend, dat afgelopen vrijdagaan de collega’s is gestuurd. Het gaat hierbij om € 186.000 op de heleVWS-begroting van 114 miljard. Ik hoop dus dat we dat met elkaar voordeze jongeren over kunnen hebben, want dat een kind dat uit huis isgeplaatst zijn verhaal kan doen bij een externe vertrouwenspersoon, vindik ontzettend belangrijk. We hebben ook nog een tweede amendementrondom vertrouwenspersonen. We begrijpen dat Jeugdstem ook eensubsidieaanvraag heeft gedaan om de wachtlijsten voor ouders enpleegouders terug te dringen. Daarbij gaat het ook om een bedrag dat nietheel groot is in verhouding tot de hele VWS-begroting, namelijk tweeën-halve ton. Ook dit is afgewezen door VWS, terwijl snellere hulp escalatiekan voorkomen. We horen en weten dat ouders en pleegouders numaanden op de wachtlijst staan, waardoor onveilige situaties voorkinderen kunnen ontstaan. Daarnaast zorgt late hulp ook vaak voorcomplexere en duurdere hulp. Ook hierover heb ik een amendementingediend. Weer gaat het om een relatief klein bedrag op die hele groteVWS-begroting van 114 miljard. Bij dezen kijk ik de collega’s ookindringend aan. Ik vraag hen om hier serieus naar te kijken.Voorzitter. We hebben nog een derde amendement ingediend. Dat gaatover het geven van meer inspraak aan jongeren. Jongeren hebbenimmers het recht om mee te praten over beleid dat hen raakt. Heel veelministeries hebben dat prima geregeld. Bij het Ministerie van Onderwijshebben we de studenten- en scholierenorganisaties die met de bewinds-personen meepraten als er nieuwe wetgeving aankomt. Ze zijn goedgeorganiseerd, hebben voelsprieten in het hele land. Dat gaat hartstikkegoed. De meeste politieke partijen hebben ook een politieke jongerenor-ganisatie. Die valt ook onder zo’n regeling bij het Ministerie van OCW. Datzijn degenen die onze partijen bij de les houden en soms ook eeneigenwijze eigen koers varen; daartoe hebben ze het volste recht. Maardat werkt dus. Jongeren laten meepraten werkt hartstikke goed. Daarwordt beleid beter van, daar wordt inspraak beter van. Soms krijg je eenkritische spiegel voorgehouden, wat op dat moment ook ontzettend nodigis, al is dat niet altijd fijn. Daarom hebben we jongerenorganisaties.Maar wat schetst mijn verbazing? Bij VWS hebben we dat helemaal nietgeregeld voor jongeren in de jeugdhulp, voor jongeren die dakloos zijn ofvoor jongeren met een beperking. Ik weet natuurlijk dat de jongerenclubsen de initiatieven die er zijn en die goed werk doen, vaak incidentelesubsidie krijgen. Hartstikke mooi dat VWS dat doet, maar van incidentelesubsidies kun je geen organisatie opbouwen. Je bent immers steeds weerafhankelijk van het volgende jaar. Je kunt geen netwerk opbouwen, jekunt geen kennis opbouwen om op langere termijn te kunnen meepratenover alle wetten die er spelen. Je bent immers steeds onzeker: blijft datbedrag dat we krijgen, volgend jaar ook nog staan? Ik ben bang datorganisaties daardoor eerder geneigd zijn om dingen te vertellen die hetministerie graag wil horen. Je subsidie hangt er immers vanaf. Ik weet datdie voorwaarden niet worden gesteld, maar soms wordt het wel zogevoeld. Daarom hebben we hierover ook een amendement ingediend.Afgelopen maart hebben we in de Jeugdwet een haakje opgenomen. Water in onderwijswetten staat, hebben we gekopieerd naar de Jeugdwet.Gelukkig stemde de Kamer voor dat amendement. Jongeren moeten nuTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18423 inspraak leveren en mogen met de Staatssecretaris of de Minister omtafel. Laten we dan ook met elkaar fiksen dat ze dit kunnen gaan doen.Daar gaat ons derde amendement over.Voorzitter. Ik ben bijna klaar. Ik sluit af met een hartenkreet over kinderendie hiernaartoe zijn gevlucht. Sinds de verkiezingen ben ik woordvoerderAsiel en Migratie. Ik me al eerder verbaasd over hoe we in Nederlandomgaan met kinderen die in de asielopvang zitten. Vaak volgt verhuizingop verhuizing. Ze lopen vaak weer nieuwe trauma’s op, bijvoorbeeld alsze worden opgevangen op een boot terwijl ze als vluchteling via eenbootreis hiernaartoe zijn gekomen. Dat doet ontzettend veel met dezekinderen. Ik weet dat het formeel niet de portefeuille van deze Staatssecre-taris is, maar ik vind dat deze portefeuille niet in goede handen is bij haarcollega’s, dus wil ik de Staatssecretaris vragen om gedurende de tijd datze nog in het kabinet zit, mee te kijken en te staan voor deze kinderen. Allekinderen die in Nederland zijn, hebben immers recht op de allerbestehulp. Daar ontbreekt het veel te vaak aan, zeker voor deze groep kinderen.De voorzitter:Ik begin even bij het begin. Eerst mevrouw Synhaeve en dan loop ik hetrijtje af.Mevrouw Synhaeve (D66):Mevrouw Westerveld heeft gelijk: we horen al acht jaar dezelfde teksten.Het zijn mooie woorden, het zijn weinig daden en het gaat inderdaad tenkoste van onze meest kwetsbare kinderen. Waar dat anderen misschienmoedeloos maakt, geeft het mij juist de energie om te laten zien dat wehet wel degelijk anders kunnen doen. Dat gaan we ook aantonen dekomende jaren. Ik geloof dat het ’m niet zit in allerlei grootste nieuweplannen maken, maar in doen wat we beloven. Dan heb ik de volgendevraag aan mevrouw Westerveld: vinden we GroenLinks-PvdA aan onzezijde op het moment dat we moeilijke keuzes gaan maken, bijvoorbeelddoor te zeggen wat wel jeugdzorg is en wat niet?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Absoluut. Sterker, al sinds Hugo de Jonge Minister was – dat is inmiddelsacht jaar geleden – zeggen we: kom alsjeblieft met betere wetgeving, latenwe het beter afbakenen en laten we ervoor zorgen dat juist de jongerendie hulp nodig hebben van de aller-, allerbeste professionals omdat zehelemaal klem zitten, die ook krijgen. Niet alles moet zomaar jeugdhulpworden. Dat zit ’m niet alleen in jeugdzorg. Dat zit deels in onderwijs. Datzit ook deels in hoe we met elkaar omgaan. Ik vind dat we met elkaarkinderen ook kansen moeten geven om af en toe eens domme dingen tedoen: te struikelen, te blijven zitten op school, enzovoort. Het zit in heelveel dingen. Onze steun daarvoor. Sterker nog, ik zei het net: we dringener al heel lang op aan.De voorzitter:Mevrouw Synhaeve? Nee, zie ik. Dan ga ik naar de heer Hamstra.De heer Hamstra (CDA):Ik sluit een beetje aan bij wat collega Westerveld zei over dat we hier al zolang over praten en dat er eigenlijk te weinig lijkt te veranderen. Dat zie jeaan de instroom en aan de financiën, die alleen maar toenemen. Datinzicht delen we hier volgens mij allemaal. Ik zou u graag dezelfde vraagwillen stellen die ik u heb horen stellen aan een aantal collega’s, mevrouwWesterveld. Wat zijn vanuit uw visie de concrete veranderingen die nu welbij gaan dragen aan het feit dat we het tij gaan keren? Welke concretekeuzes zou u dan maken?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18424 Volgens mij begint dat bij het eindelijk naar ons toesturen van verschil-lende wetten en van toezeggingen die ons eerder zijn gedaan. We haddenhet net al even over de Wet reikwijdte, maar er zijn veel meer wettenaangekondigd. Daar vragen we al heel lang om als Kamer. Die zijn nogniet naar ons toegestuurd. Daarnaast zou ik ook willen dat er veel groterestappen worden gezet om de marktwerking uit het stelsel te halen en omervoor te zorgen dat de echt specialistische hulp beter wordt bekostigddan alle, zeg ik tussen aanhalingstekens, laagdrempelige hulp. Daar zitnamelijk een groot verdienmodel achter. Ik zou willen dat we hulpver-leners veel meer mogelijkheden geven om hun werk te doen zoals zij datzouden willen. Ik zou ook heel graag willen dat we – dat voorstel hebbenwe een aantal jaar geleden al gedaan – in het land bijvoorbeeld een aantalspecialistische centra neerzetten met echt de aller-, allerbeste specialisten,zoals we dat ook in de medische zorg hebben. Als je kind kanker heeft,dan kan je echt naar de aller-, allerbeste specialist in Utrecht. Dat is eenfijne plek voor jongeren, waarbij ook onderwijs zit en waar ouders kunnenblijven slapen. Er wordt daar ook heel erg nagedacht over de ontwikkelingvan een kind en over hoe we omgaan met een kind als het er weeruitkomt. Als ik dat vergelijk met bijvoorbeeld de gesloten jeugdzorg, danzie ik daar een wereld van verschil. Dat zijn soms letterlijk oude gevange-nissen. Ik zou willen dat de big five voor jongeren op orde zijn. Dat zijnbelangrijke dingen zoals een woning, een opleiding, werk en een sociaalnetwerk. Ook zit er nog steeds een harde knip van 18 jaar in de jeugdzorg,al wordt die door sommige gemeenten wat minder hard ingevuld. Dat zijneen paar voorstellen die we de afgelopen tijd hebben gedaan. Ik wil nogwel even doorgaan, maar ik zie dat de voorzitter wil dat ik afrond. Maar ikhoop dat daar de komende jaren ook ruimte voor is. Dat vraagt wel omiets meer dan wat we nu in het coalitieakkoord zien.De voorzitter:De heer Hamstra in tweede instantie.De heer Hamstra (CDA):Een korte vervolgvraag. Mooi. Ik denk dat dit heel veel punten zijn waarinwe elkaar kunnen vinden.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Mooi.De heer Hamstra (CDA):Dat is dus heel goed, denk ik. Heeft u vanuit uw visie en ook wel ervaringhet idee dat dit voldoende is om terug te gaan naar een op de tien enmisschien wel te komen tot een hoger aantal, dus dat er minder instroomis?De voorzitter:Het antwoord moet specifiek op deze vraag. Het gaat echt om de vraagover «terug naar een op de tien». Dat is eigenlijk de vraag.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ja. Ik heb daar gewoon een hard hoofd in. Het ligt niet aan de wil, wantiedereen wil het. We willen het al jarenlang met elkaar. Maar vanochtendwerd bijvoorbeeld de petitie van Het Vergeten Kind aangeboden. Toenvroeg ik aan de jongere die daar stond, wat hij zou willen. Toen zei hij: datniet alleen maar wordt gekeken naar een kind en psychische problemen,maar ook veel meer naar het gezin. Stress, armoede enzovoort leidengewoon tot veel meer jeugdhulp. Ik vond dat een hele goeie opmerkingvan hem. Ik denk dus dat een heel aantal plannen die nu wordenaangekondigd, alleen maar voor meer stress en gedoe in gezinnenzorgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18425 De voorzitter:Ik ga even door. Ik kom bij mevrouw Moinat.Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):Ik heb één korte vraag aan mevrouw Westerveld. Ik heb de amende-menten niet ontvangen, dus ik zou ze als nieuwe woordvoerder Jeugdzorggraag alsnog van u ontvangen.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Die staan in Parlis, als het goed is. Tenminste, ik heb daarvoor een apartemap op mijn... Voor de mensen die kijken: we krijgen echt megaveelmails. Heel vaak als je Kamerstukken krijgt, dan verzuipt dat dus eenbeetje in de hoeveelheid mails die je krijgt. Maar we krijgen ook mails vanParlis. Daar staan ze, als het goed is, gewoon tussen.De voorzitter:Ik weet dat er ook onmisbare ondersteuning is bij onze griffie. Echt allevragen die u als commissie heeft met betrekking tot stukken en dergelijke,kunnen gesteld worden.De heer Van Houwelingen (FVD):Mooi betoog. Ik denk ook dat we een aantal van de amendementen diemevrouw Westerveld aankondigde, kunnen steunen. MevrouwWesterveld trekt zich, net zoals wij, het lot van de kinderen in pleegge-zinnen erg aan. We hebben natuurlijk het debat over het Vlaardingsepleegmeisje gehad. Ik heb toch even een vraag. Er bleek daaruit namelijkdat er onvoldoende betekenisvol contact is vanuit de gecertificeerdeinstellingen. Vervolgens vindt het toezicht door de inspectie alleen op degecertificeerde instellingen plaats. U weet waarschijnlijk al welke vraag ikwil gaan stellen. Zou het niet heel logisch en een goed idee zijn als deinspectie rechtstreeks toezicht gaat houden op de pleeggezinnen engezinshuizen? Dat is mijn vraag.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We hebben die discussie al weleens eerder gevoerd. Wat ik hier best welingewikkeld aan vind, is de volgende afweging. Hoe zorg je er nou voordat het kind zo thuis mogelijk woont, dus dat ook een gezinshuis of eenpleeggezin een thuis is voor zo’n kind, zonder dat er elke maand of elketwee weken iemand op de stoep staat die je niet kent en die komt vragenhoe het met je gaat? Aan de andere kant: als het misgaat, kan het ookgoed misgaan. Daar moeten we volgens mij de balans in zoeken. Ookvoor gezinshuizen en pleegouders lijkt het me heel onwenselijk. In eengewoon gezin staat ook niet elke week iemand op de stoep die vraagt enkomt kijken of een kind wordt mishandeld. Er is ook een reden waaromwe dat volgens mij niet willen met elkaar. Dat is de reden waarom we heelerg hebben ingezet op vertrouwenspersonen. Dat kunnen vaste gezichtenworden voor kinderen. Als ze oud genoeg zijn, kunnen kinderen zelf diestap zetten. Dan word je niet per se elke keer aan je mouw getrokken metde vraag «gaat het wel goed thuis?», maar dan weet je wel waar jenaartoe kan gaan op het moment dat er iets aan de hand is. Dat iswaarom we daar flink op hebben ingezet. Andere vormen van toezicht zijner al, maar misschien niet zo veel als de heer Van Houwelingen zou willen.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik begrijp ook wat mevrouw Westerveld zegt. Niemand zal er natuurlijkvoor pleiten dat dat elke week of elke maand plaatsvindt. Dat kan nieteens. Maar toch gaat er heel veel mis. Dat zal mevrouw Westerveld metme eens zijn. We kennen de incidenten. Ik vraag me trouwens af of hetincidenten zijn. Het zou toch georganiseerd moeten kunnen worden dat jehet losweekt van de gecertificeerde instellingen en dat iemand van buitenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18426 – dat is dan de inspectie, lijkt me – gewoon even aanklopt, aangekondigdof onaangekondigd, om zelf polshoogte te nemen, al is het maar één keerper jaar? We weten allemaal wat er gebeurd is, bijvoorbeeld bij dezorgboerderij. We kennen de incidenten. Is dat niet het minste wat wekunnen doen? Als de Staat een kind uit huis plaatst, dan moet de Staat ertoch ook alles aan doen om dat kind vervolgens te beschermen? Is datniet het minste wat we zouden kunnen doen?De voorzitter:Volgens mij is uw vraag helder.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Hier hebben we het vorig jaar ook over gehad. Ik heb dus liever dat zo’ntaak bij een vertrouwenspersoon komt te liggen, om redenen die ikdestijds in dat debat heb genoemd en die ik nu opnieuw noem.De voorzitter:Helder. We gaan naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Van Meetelennamens de PVV-fractie.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dank u, voorzitter. Na het enorm lange en vlammende betoog vanmevrouw Westerveld, zal dat van mij een andere insteek hebben. Ik zit ookwat korter op dit dossier dan mevrouw Westerveld. Desalniettemin denk ikdat iedereen zich dit eigen wil maken, want dit voel je allemaal.Voorzitter. Dit is een wetgevingsoverleg over de VWS-begroting, maarvoor duizenden kinderen in Nederland is deze begroting geen beleidsstuk,geen tabel en geen abstracte verdeling van middelen. Voor hen gaat hetover veiligheid of, beter gezegd, over het structurele gebrek daaraan. Zijgroeien op in onveilige situaties, die vaak allang bekend zijn bij hulpver-leners, instanties, jeugdzorgorganisaties en soms zelfs bij meerderepartijen tegelijk. Toch wordt er te weinig effectief ingegrepen.Voorzitter. Huiselijk geweld en kindermishandeling zijn geen incidentendie ons verrassen. Het zijn processen die zich over maanden en jarenuitstrekken, met signalen, meldingen, dossiers en betrokken professi-onals. Juist daarom is het zo ernstig als het faalt, want als signalenbekend zijn en kinderen toch onveilig blijven, dan hebben we niet temaken met domme pech, maar met nalatigheid.Voorzitter. De afgelopen jaren hebben we eindeloos onderzoek gedaan. Erliggen rapporten, evaluaties, voortgangsbrieven, analyses. Het blijft maardoorgaan. Uiteindelijk is de analyse glashelder: we weten dat geweld vaaklangdurig is, dat signalen zelden ontbreken, dat vaak – niet altijd, maartoch – meerdere instanties betrokken zijn en dat het toch misgaat. Devraag is dus niet wat we nog meer moeten weten, maar wie er eindverant-woordelijk is als het misgaat. Die vraag blijft telkens onbeantwoord.Voorzitter. Het NSOB-rapport legt dit toch wel pijnlijk bloot, niet omdatprofessionals hun werk niet doen – laat ik duidelijk zijn: er werken echtheel goede, hardwerkende mensen hierin – maar omdat het stelselgewoon geen heldere verantwoordelijkheidslijn kent. Verantwoordelijk-heden zijn te veel verspreid, taken zijn gedeeld en aansprakelijkheid isverdund. Het gevolg is dan voorspelbaar. Als iedereen een beetjeverantwoordelijk is, is uiteindelijk niemand verantwoordelijk. Dat is geendetail; dat is gewoon de kern van het probleem.Voorzitter. Dit zien we ook terug in de praktijk, in recente zaken vanernstige kindermishandeling, onder meer binnen de pleegzorg. Kinderenzijn langdurig mishandeld terwijl ze onder toezicht stonden, terwijlinstellingen betrokken waren, terwijl signalen bekend waren. En watgebeurt er daarna? Er volgen onderzoeken, er volgen rapporten en ervolgen verbeterplannen, maar wat niet volgt zijn echte consequenties. Deinstellingen blijven bestaan, de bestuurders blijven zitten en het systeemTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18427 draait door alsof het falen een natuurverschijnsel was. Dat kunnen wegewoon niet meer accepteren.Voorzitter. In andere sectoren accepteren we dit niet. Als een zorginstellingstructureel faalt, volgen sancties. Als bestuurders ernstig nalatig zijn,worden ze daarop aangesproken of weggestuurd en als de veiligheid inhet geding is, grijpt de overheid in. Maar in de jeugdzorg, waar het gaatom de bescherming van kinderen – kinderen: echt het allerbelangrijkste –lijkt falen zelden tot echte gevolgen te leiden. Dat ondermijnt niet alleenhet vertrouwen van ouders en kinderen, maar ook de norm dat kinderbe-scherming geen vrijblijvende taak is.Voorzitter. Ik kijk naar artikel 5, over jeugd, van de VWS-begroting. We zienambities, we zien programma’s en we zien middelen die via gemeentenlopen. Wat we echter niet zien, is precies wat essentieel is, namelijk wieeindverantwoordelijk is als een kind onveilig blijft ondanks dat de signalenbekend zijn, hoe die verantwoordelijkheid afdwingbaar is en welkegevolgen falen heeft voor instellingen en bestuurders. Zo blijft dezebegroting bestuurlijk leeg op het punt waar het om draait. Kan deStaatssecretaris van VWS vandaag expliciet aangeven wie zij politiek enbestuurlijk verantwoordelijk acht als een kind ondanks bekende signalenvan onveiligheid niet wordt beschermd? Waarom is die verantwoordelijknu niet zichtbaar en toetsbaar vastgelegd in beleid en begroting?Voorzitter. Kinderbescherming raakt onlosmakelijk aan Justitie enVeiligheid. Dat is niet omdat alles strafrecht moet worden, maar omdatbescherming zonder consequenties hol is. Als instellingen weten dat falenzelden gevolgen heeft en als bestuurders weten dat ze nooit persoonlijkworden aangesproken, dan verdwijnt de prikkel om structureel beter tehandelen. Dat is wat we nu zien gebeuren. Deelt de Staatssecretaris vanJustitie en Veiligheid onze analyse dat het huidige juridische kaderonvoldoende mogelijkheden biedt om ernstig nalaten door jeugdzorgin-stellingen en hun bestuurders effectief te sanctioneren? En zo ja, waaromis dat tot op heden niet hersteld?Voorzitter. De PVV stelt vandaag twee fundamentele vragen. Ten eerste.Wie is eindverantwoordelijk als een kind ondanks bekende signalenonveilig blijft, en dan niet procedureel of in algemene termen, maarconcreet toetsbaar en zichtbaar in beleid en in begroting en, waar nodig,in wetgeving? Ten tweede. Welke mogelijkheden zijn er om falendejeugdzorginstellingen en hun bestuurders daadwerkelijk aan te pakken?Als die mogelijkheden er onvoldoende zijn, wanneer worden die danserieus ontwikkeld?Zolang falen geen gevolgen heeft, zolang verantwoordelijkheid verdamptin overlegstructuren en zolang bestuurders buiten schot blijven, blijft elkverbeterplan een herhaling van zetten. De kinderen betalen daar de prijsvoor. De PVV vraagt aan beide staatssecretarissen hoe zij rechtvaardigendat jeugdzorginstellingen en hun bestuurders na ernstige en aantoonbaretekortkomingen in de bescherming van kinderen in de praktijk zeldenbestuurlijk, juridisch of financieel worden aangesproken.Voorzitter. De Kamer heeft het budgetrecht niet om goede bedoelingen tebelonen, maar om duidelijke keuzes af te dwingen. De keuze die vandaagvoorligt, is deze: blijven we accepteren dat ernstige nalatigheid zonderconsequenties blijft, of durven we eindelijk vast te leggen wie verantwoor-delijk is en wie aangesproken wordt als het systeem faalt? De PVV kiestvoor het laatste.De voorzitter:Eerst mevrouw Wendel en dan de heer Van Houwelingen.Mevrouw Wendel (VVD):Dank aan mevrouw Van Meetelen voor haar verhaal. Het is mij heldergeworden dat de PVV bestuurders wil aanpakken na incidenten. Maar watik via de voorzitter aan mevrouw Van Meetelen wil vragen, is: wat wil deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18428 PVV op korte en op lange termijn doen om de problemen in de jeugdzorgop te lossen? Kan ik mevrouw Van Meetelen aan mijn zijde vinden als wij,hopelijk zo snel mogelijk, de reikwijdtewet willen invoeren, om ervoor tezorgen dat jeugdzorg beschikbaar is juist voor de kinderen die deze hetallerhardst nodig hebben?Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dank u voor de vraag. Je hoort constant over ambities en instrumenten,over van alles en nog wat, maar er zijn gewoon geen expliciete uitkomst-doelen gesteld voor de veiligheid van het kind. De middelen zijn onvol-doende gekoppeld aan afdwingbare verantwoordelijkheden. Dat is wat wewillen. Dat is waar we naartoe willen. Wat die Wet reikwijdte betreft: daarmoet ik gewoon nog beter naar kijken. Daar ben ik heel eerlijk in. Ik durfnu geen ja of nee te zeggen. Maar de PVV is in ieder geval wel van zinsom het zo goed mogelijk te verbeteren, vooral voor de veiligheid van dekinderen, want ik denk dat dat voorop moet staan in deze hele discussie.Mevrouw Wendel (VVD):Ik wil mevrouw Van Meetelen vragen om zich dan zo snel mogelijk goedin te lezen over die reikwijdtewet, want volgens mij is dit een heelbelangrijk onderdeel om de problemen in de jeugdzorg aan te pakken. Ikheb het idee dat de Staatssecretaris die er nu zit de afgelopen tijd weldegelijk stappen heeft gezet en ook met een concreet tijdpad is gekomenvoor de invoering van een aantal maatregelen. Dus ik wil mevrouw VanMeetelen vragen hoe zij daarnaar kijkt. Zal zij dit steunen?Mevrouw Van Meetelen (PVV):Zoals zojuist gezegd: over die reikwijdtewet zeg ik nog niets. Ik zie ook datde Staatssecretaris stappen heeft ondernomen, ook goede, denk ik.Desalniettemin willen wij gewoon dat er consequenties aan wordenverbonden als het systeem faalt, vooral ten aanzien van de bestuurders.Hoe kan het dat er zulke ernstige misstanden zijn en dat daar niemandverantwoordelijk voor is? In ieder geval is het niet duidelijk. Die verant-woordelijkheid willen wij echt verankeren, zodat je erop kunt toetsen enerop terug kunt komen. Dat is wat wij willen.Mevrouw Wendel (VVD):Tot slot. Het is helder dat de PVV wil kijken naar wie verantwoordelijk isvoor misstanden. Wie is er verantwoordelijk als het fout gaat? Ik begrijpdie zoektocht ook heel erg, maar ik zou de PVV toch echt op het hart willendrukken om samen met ons en andere partijen hier in de Kamer dekomende tijd op te trekken en vooruit te kijken: hoe zorgen we ervoor datzaken niet meer gebeuren? Laten we dus niet alleen terugkijken, veroor-delen en kijken waar de schuld ligt, maar laten we echt vooruitkijken:welke stappen kunnen we zetten om ervoor te zorgen dat de jeugdzorg-keten in zijn geheel wordt verbeterd? De vraag aan de PVV is dus: gaanwe dat samen doen de komende tijd?De voorzitter:Eigenlijk een herhaling van uw vorige vraag: kan de PVV deze richtingsteunen? Dat is de vraag.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dan herhaal ik het antwoord, namelijk dat ik daar geen antwoord op geef.Daarbij kan ik het volgende zeggen. Ik wilde ervan wegblijven, maar wegaan er dan toch naartoe: gezien het regeerakkoord dat er nu ligt, denk ikniet dat we elkaar heel snel gaan vinden.De voorzitter:Duidelijk. Meneer Van Houwelingen, uw laatste interruptie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18429 De heer Van Houwelingen (FVD):Mooi betoog. Ik ben het helemaal eens met mevrouw Van Meetelen. Hoekan het toch dat iedereen na al die gruwelijke incidenten op zijn post blijftzitten? Het is echt ongelofelijk. Ik denk zelf – maar dat horen we straks vande Staatssecretaris – dat de eindverantwoordelijkheid ligt bij de inspectie,want die moet toezicht houden. Dit is eigenlijk mijn vraag aan mevrouwVan Meetelen. Ik denk bijvoorbeeld aan het geval van het Vlaardingsemeisje, een gruwelijk incident. Als zoiets plaatsvindt, zou het dan niet zomoeten zijn dat de directeur van de inspectie standaard ontslagen wordt?Misschien kunnen we dat regelen. Dat zal ze misschien motiveren om uitzichzelf ... De Staatssecretaris zal straks wel zeggen dat ze zich niet met deinspectie wil bemoeien, maar dan gaan ze misschien uit zichzelf zeggendat ze wat meer toezicht moeten gaan houden. Is dat een idee?Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dat is zeker een idee. De PVV is er sterk voor dat je, als je aantoonbaarfouten maakt en er verantwoordelijk voor bent, die verantwoordelijkheidmoet nemen. Als je die niet neemt, moet het opgelegd worden. Zo simpelis het.De voorzitter:Duidelijk. Dan eerst de heer Hamstra. Nee? Ik dacht dat ik uw hand hadgezien. Dan mevrouw Synhaeve.Mevrouw Synhaeve (D66):Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat als er misstanden zijn, jedie moet aanpakken en dat daar consequenties aan verbonden moetenworden. Eén hele concrete vraag: vind ik de PVV ook aan onze zijde als wijhet amendement indienen om te achterhalen welke mensen metnepdiploma’s op dit moment in de jeugdzorg aan de slag zijn?Mevrouw Van Meetelen (PVV):In principe geef ik eigenlijk nooit aan of wij een amendement wel of nietsteunen. U heeft mijn schriftelijke vragen hierover misschien ook gezien.Laat ik het zo zeggen: ik heb in ieder geval een hele positieve grond-houding ten opzichte van dit amendement.De voorzitter:Anderen nog? Nee? Dan dank ik mevrouw Van Meetelen voor haarinbreng en dan gaan we naar de volgende spreker. Dat is de heer Hamstranamens het CDA.De heer Hamstra (CDA):Voorzitter. Sinds anderhalf jaar ben ik vader. Geen rol in het leven maaktmij trotser dan die. Het Kamerlidmaatschap is mooi, maar aan hetvaderschap kan echt niets tippen. Ik weet het nog goed: de blijdschap toenmijn vrouw zwanger bleek te zijn, de eerste echo met het hartje dat klopten de twintigwekenecho die liet zien dat gelukkig alles goed was. En, toenhij er eenmaal was: het eerste lachje, de eerste woordjes en de eerstestapjes.Maar om eerlijk te zijn, was het niet alleen maar mooi. Het is niet alleenmaar een roze wolk geweest. Er waren ook zorgen, zeker als je voor deeerste keer ouder wordt. Die nieuwe rol is wennen, en misschien went hetwel nooit. Opvoeden en opgroeien brengt uitdagingen met zich mee. Nietalleen voor het kind zelf, maar ook voor de opvoeders en eigenlijk voor dehele omgeving daaromheen. Ik denk dat iedereen hier aan tafel hetinmiddels kan dromen: «It takes a village to raise a child». Hoe fijn is hetals je in je omgeving liefdevolle opa’s en oma’s, ooms en tantes, anderefamilieleden, vrienden en buren hebt die kunnen helpen, bijvoorbeeld metadvies of met oppassen? Alleen al het idee dat je er niet alleen voor staat,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18430 kan al helpen. En dát is nou juist de kracht van de samenleving waar hetCDA zo in gelooft, of in dit geval: de pedagogische civil society.Voorzitter. Die pedagogische civil society gaat feitelijk over iedereen diebetrokken is bij het opvoeden en opgroeien van onze kinderen. Natuurlijkzijn ouders of opvoeders primair verantwoordelijk; ik kan het niet vaakgenoeg zeggen. Zij zijn verantwoordelijk voor het opvoeden in een veiligeomgeving, voor het bijbrengen van waarden en normen en voor hetoverdragen van vaardigheden. Hierin zijn liefde, veiligheid, grenzenstellen en het stimuleren van emotionele, sociale en persoonlijke groeivan belang. Naaste familie kan een belangrijke rol spelen, net als de buurtwaarin het kind opgroeit. Verder hebben we het over scholen, kinderop-vangorganisaties, sportverenigingen, culturele organisaties en kerken. HetCDA vindt het belangrijk dat deze pedagogische civil society, dus eigenlijkhet gewone leven, wordt versterkt. Daar begint het. Dat is de basis.In hoe deze omgeving van het kind eruitziet, spelen gemeenten eenbelangrijke rol. Ik begrijp dat niet iedereen een netwerk heeft waarop hij ofzij kan terugvallen. Daarbij kunnen gemeenten helpen en ondersteunen.Zij kunnen netwerken bouwen met en voor ouders. Leer elkaar kennen viasport, in de wijk of help in de schooltuin. Onze partij vindt dat gemeentende vrijheid moeten hebben om deze pedagogische civil society medevorm te geven. Deelt de Staatssecretaris dit? Kan zij dit proces onder-steunen?Wij lezen bijvoorbeeld in de voortgangsbrief dat er een vastgesteldminimumniveau van pedagogische basisvoorzieningen nodig is. Kan deStaatssecretaris vertellen wat zij hiermee bedoelt? Hoe ziet zo’n minimum-niveau er dan precies uit?Voorzitter. Teleurstellingen horen bij het leven, en dus ook bij opvoedenen opgroeien. Natuurlijk is dat niet leuk, maar dat betekent niet meteendat er jeugdhulp, laat staan jeugdzorg, aan te pas hoeft te komen. Datbrengt mij op de visie van het CDA dat jeugdzorg niet het eerste maar hetlaatste redmiddel is. Althans, dat zou zo moeten zijn. Dat is helaas nogniet zo. De jeugdzorg kent een openeinderegeling. Waar het begin vandeze eeuw nog 1 op de 27 kinderen gebruikmaakte van jeugdzorg, is datnu 1 op de 7 kinderen, in elke klas 4 kinderen.Voorzitter. Het CDA is van mening dat niet een op de zeven kinderen inNederland een probleem heeft. De bandbreedte van wat wij problema-tisch vinden, is breder dan de op dit moment gehanteerde normen. Desamenleving is pluriform, veelzijdig en veelkleurig. Als we dat omarmen,komen we tot het besef dat niet ieder kind dat afwijkt van de te smalgehanteerde norm een probleem heeft. Hoe kijkt de Staatssecretaris aantegen het aantal van een op de zeven en het realisme van een op de tien,waar ze eind 2028 naartoe wil? Op dit moment is het nog zo dat kinderenmet een lichte zorgvraag kunnen aankloppen bij de gemeente, bijvoor-beeld bij eenzaamheidsklachten of faalangst; kinderen die beweeglijk zijn,krijgen al snel de stempel van ADHD. Ik vraag aan de Staatssecretaris ofzij vindt dat dit de bedoeling was van de Jeugdwet die in 2015 van krachtis geworden.Naast het feit dat gemeenschappen veel zelf kunnen, is ondersteuningveel, of eigenlijk vooral, gericht op de kinderen of de jongeren zelf. Maarin veel gevallen wordt het kind geconfronteerd met de gevolgen vanproblemen van volwassenen en/of problemen elders, zoals vechtschei-dingen, langdurige armoede of schulden. Zoals ik eerder aangaf, groeithet kind op in zijn omgeving en is het dus belangrijk om het gezin, deouders of opvoeders, te ondersteunen of hulp te bieden en niet alleen hetkind. Daar is ruimte en lef voor nodig. Dat brengt mij bij de reikwijdte vande jeugdzorg.Voorzitter. De reikwijdte is misschien wel het belangrijkste punt van mijnbetoog. Op dit moment heeft de gemeente die verantwoordelijk is voor deuitvoering van de Jeugdwet de zorgplicht. We weten dat de Staatssecre-taris eind van dit jaar komt met een nieuwe wet voor de reikwijdte. WeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18431 lezen in de voortgangsbrief, waarvoor dank, over de contouren van denieuwe wet. Het gaat bijvoorbeeld over het versterken en het verankerenvan de lokale teams en over de samenwerking tussen onderwijs,jeugdhulp en zorg. Onze vragen aan de Staatssecretaris luiden als volgt.Vindt u het voldoende om eind 2028 naar een op de tien te gaan? Hoemonitoren we dit? Welke scenario’s heeft de Staatssecretaris klaarliggenvoor wanneer we achterlopen op schema? Daarnaast is onze fractiebenieuwd of er daadwerkelijk iets gedaan gaat worden aan de reikwijdtezelf. Kan de Staatssecretaris aangeven of er straks bijvoorbeeld groepenzijn die niet meer onder de Jeugdwet vallen? We zijn benieuwd naar hetinzicht van de Staatssecretaris.Voorzitter. Een van de conclusies in het rapport van de commissie-Van Arkis dat geld nu nog als het grootste probleem en het sturend mechanismewordt gezien, maar dat de beschikbaarheid aan gekwalificeerde jeugdpro-fessionals een veel groter vraagstuk zal zijn. De commissie stelde dat deconsequenties van de toenemende krapte op de arbeidsmarkt nadrukke-lijker meegewogen moeten worden in de keuzes die voor een solidetoekomst van de jeugdzorg worden gemaakt. Deelt de Staatssecretaris ditpunt? Wordt de beschikbaarheid van personeel meegenomen bij deverdere uitwerking van de Wet reikwijdte? Het CDA wil dat juist dekinderen die de jeugdzorg het hardste nodig hebben, de jeugdhulpkrijgen. Daar heb ik meerdere collega’s over gehoord. We moeten keuzesdurven maken, juist omdat we meer samenredzaam moeten zijn en omdatproblemen die kinderen en jongeren raken niet altijd binnen de jeugdzorghoeven of kunnen worden opgelost.Voorzitter. Ik had het al over de kracht van de samenleving. Een mooivoorbeeld hiervan is de pleegzorg. Pleegouders stellen hun huis en hartopen voor een kind bij wie het thuis niet lukt, soms voor een korte periodeen soms voor wat langer. Dat vraagt soms veel van het gezin. Deondersteuning van pleeggezinnen is enorm belangrijk om ervoor tezorgen dat zij hun onmisbare taak vol kunnen houden. De afgelopenmaanden is er veel aandacht geweest voor pleegouders waarmee het nietgoed ging en waarbij het toezicht niet op orde was. Maar het gaat bij veelpleegouders en pleeggezinnen goed; dat mogen we niet vergeten. HetCDA draagt deze pleeggezinnen een warm hart toe. Toch zien we dat hetaantal pleegouders afneemt, terwijl er nog 900 kinderen op de wachtlijststaan. Zij wachten op een warm plekje in een gezin. Daar wil het CDA ietsaan doen. We weten dat er een campagne loopt voor het werven vannieuwe pleegouders en dat die aan het eind van het jaar afloopt. Daaromvraagt het CDA om een aanpak waarmee er meer aandacht is voor hetbehoud van de pleeggezinnen die er nu zijn. Denkrichtingen die mijn partijgraag mee wil geven in het kader van het behoud zijn goede onder-steuning aan bijvoorbeeld netwerkpleeggezinnen en goede aansluiting bijhulp en ondersteuning. Ik zal hier in de tweede termijn een motie overindienen.Voorzitter. Daar wil ik het graag bij laten in de eerste termijn. Dank u wel.De voorzitter:Eerst mevrouw Westerveld en dan mevrouw Dobbe.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We hoorden een warm pleidooi voor gezinnen. Daar ben ik het mee eens,en ik denk dat dat voor iedereen hier geldt. Maar er zijn natuurlijk ookjongeren die niet opgroeien in een stabiel gezin of helemaal niet in eengezin, of van wie een of meerdere ouders zijn overleden. Als ik de plannenzie waar ook het CDA een handtekening onder heeft gezet, ben ik welbang dat dit juist weer de gezinnen gaat treffen die het al moeilijk hebben.Mijn vraag is: welke concrete maatregelen komen er in de komende tijdom juist deze gezinnen te ontlasten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18432 De heer Hamstra (CDA):Dank aan de collega voor de vraag. Morgen gaat verder gedebatteerdworden over de plannen. In die plannen ziet u ook dat wij voor dejeugdzorg, verder kijken dan alleen maar naar het domein jeugdzorg waarwe het vandaag over hebben. Het gaat ook om het ondersteunen vangezinnen, onder andere door de investeringen die we doen in het NPLV,en om de aanpak van armoede en schulden, dus geld vrijmaken voor eengemeenschapsfonds voor de pedagogische civil society, die niet alleen inmijn inbreng staat maar ook in het coalitieakkoord. Zo ziet het CDA dat.Het gaat dus inderdaad niet alleen maar om selecte gezinnen maar ookom de hele omgeving daaromheen.De voorzitter:Uw laatste interruptie, mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Maar ook dat vindt iedereen. Ook dat is niet nieuw en wordt al heel langgezegd. Hugo de Jonge, die ik in mijn eigen bijdrage al noemde en notabene CDA-bewindspersoon was, wilde dit allemaal ook al. Dat zijn dusallemaal geen nieuwe dingen, terwijl de problemen wel vele malen groterzijn geworden. Misschien kan ik het concretiseren. Als er bijvoorbeeld eeneigen bijdrage wordt ingevoerd voor jeugdhulp, dan zijn het toch ookweer de gezinnen waar het al moeilijker gaat voor wie dit helemaal geenoplossing is? Hoe ziet het CDA dat?De heer Hamstra (CDA):Twee punten. Het eerste: ik denk dat u daar gelijk in heeft; ik heb die vraagzelf ook gesteld. Ik ben hiervoor wethouder geweest. Ik ben niet van deschool dat nieuw altijd beter is. Het hoeven ook niet per se nieuweplannen te zijn. We delen volgens mij de constatering dat de plannen dienu in de pijplijn zitten en naar deze Kamer komen, misschien nietverreikend genoeg zijn – daarom heb ik ook die vraag gesteld in het kadervan de reikwijdte – en nog onvoldoende uit de verf komen. Ik geloof duswel dat we daar misschien wel Kamerbreed actie op moeten ondernemen.In het kader van de eigen bijdrage ben ik maar gewoon heel eerlijk: als ikdaarnaar kijk, dan doet die mij als voormalig wethouder Sociaal domeinook pijn. Ik ken ook de gezinnen die dit gaat raken. Dat is een van deredenen waarom we gezegd hebben: we willen de meest kwetsbarenontzien en daarom ook misschien investeren in armoede en schulden. Hetstaat nu in het basispad, dus laten we het er ook zo in staan. Daar heefthet CDA zijn handtekening onder gezet. Daar heeft u gelijk in. Het doet welpijn. Daar ben ik ook heel eerlijk in.De voorzitter:Dan ga ik naar mevrouw Dobbe. U heeft nog twee interrupties.Mevrouw Dobbe (SP):Als ingrijpende maatregelen pijn doen, zoals de eigen bijdrage, waarvanwe ook van alle kanten horen dat die een negatief effect zal hebben op dezorg, op gezinnen, op kinderen, op jeugdzorgmedewerkers, op iedereendie daadwerkelijk bezig is met jeugdzorg, dan zou mijn oproep zijn: doehet dan niet. We hebben eerder samen met het CDA een motie ingediendom de gevolgen in kaart te laten brengen van de bezuinigingen op dejeugdzorg die nog staan. Dat hebben we gedaan, samen met het CDA,omdat we de adviezen van bijvoorbeeld de commissie-Van Ark zagen, diezei dat dit een zwaard van Damocles boven de jeugdzorg is. Dan wil je dusweten wat de gevolgen daarvan zijn. Wij weten dat dit dit jaar gevolgengaat hebben omdat de hervormingen niet zijn doorgevoerd maar debezuinigingen er wel nog staan. We weten dat het gevolgen gaat hebbenvoor mensen die in de jeugdzorg werken, voor de kinderen, voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18433 gezinnen. Is het CDA nu van gedachten veranderd of heeft het andereinformatie dan wij, waardoor het de gevolgen hiervan anders beoordeelt?Zo niet, waarom zet het CDA dit dan alsnog door?De heer Hamstra (CDA):Ik heb geen andere informatie dan u heeft. In die zin kan ik u daarinhopelijk geruststellen. Ik sluit me een beetje aan bij wat collega Synhaevehierover zei. We zien met z’n allen hervormingen voor ons, die gepaardzijn gegaan met een bepaalde financiële consequentie. Dat die hervor-mingen niet voldoende effect gesorteerd hebben, betekent niet dat jedaarom elke keer maar moet zeggen: dan plussen we op. Dat zeg ik ookvanuit mijn voormalige professie. We zagen dat het Rijk gemeentengecompenseerd heeft in de afgelopen jaren, maar gemeenten, dieverantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de jeugdzorg, moeten zelfook bepaalde stappen zetten, bijvoorbeeld in het investeren in diepedagogische civil society en in het versterken van die lokale teams. Hetniveau van onder andere die sociale basis, of pedagogische civil society,verschilt per gemeente. We zien ook dat het niveau van de wijk- enbuurtteams verschilt en dat je daar echt nog stappen te zetten hebt. Danheb ik het nog niet eens over die Wet reikwijdte. Ik ben ervan overtuigddat de financiële consequenties dan wél ingeboekt kunnen worden.Alleen, we zien nu nog dat het te weinig effect sorteert. Dus ja, ik denk datdat beter zou kunnen.De voorzitter:Tot slot.Mevrouw Dobbe (SP):We zijn het er hier allemaal over eens dat er stappen gezet kunnenworden, omdat we ook allemaal de debatten hebben gevoerd en wetendat dit stelsel, het jeugdzorgstelsel, kapot is. We moeten dat dushervormen. Dat klopt helemaal. Daar kunnen we over van meningverschillen. Wij vinden bijvoorbeeld dat de markt eruit gehaald moetworden en dat dat een heel belangrijke stap is. Daar kun je over vanmening verschillen, maar we zijn het er allemaal over eens dat erhervormingen moeten komen. Maar volgens mij is het ook een feit dat diehervormingen er dit jaar nog niet zullen komen. Ook de commissie-VanArk heeft gezegd: boek dat nou niet te vroeg in en ga pas het geldweghalen als je weet dat die besparingen daadwerkelijk worden gehaald.Dat gebeurt nu niet. Daarom is mijn vraag waarom het CDA denkt dat ditniet terecht gaat komen bij de kinderen, de gezinnen en de jeugdzorgme-dewerkers. We weten namelijk dat dat wel gebeurt, omdat de half miljardeuro die nu uit de zorg wordt getrokken, op geen andere manier kanworden gehaald.De heer Hamstra (CDA):Ik snap de vraag die mevrouw Dobbe stelt. Ik heb die meermaals gehoord.De collega van de VVD en de collega van D66 kregen dezelfde vraag. Ikmoet hetzelfde antwoord geven als ik net gaf. Dat het nog geen effectgesorteerd heeft, betekent niet dat dat niet zou moeten. Ik ben bang dat jeals je elke keer bij blijft plussen, over acht jaar nog hetzelfde debat voert,om met de woorden van mevrouw Westerveld te spreken. Het is bestinteressant dat deze Kamer deze discussie klaarblijkelijk al acht jaar langvoert en dat dat al acht jaar lang geen effect sorteert. Maar goed, ik kandaar allemaal kwalificaties aan geven, maar dat is best wel shocking.De voorzitter:Oké. We komen bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Coenradie. Aan uhet woord.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18434 Mevrouw Coenradie (JA21):Voorzitter. Vandaag spreken wij over de staat van onze jeugd, overkinderen, maar ook over moeders en vaders. We spreken over hetbeschermen van hen die thuis te kampen hebben met moeilijke situaties:kindermishandeling, huiselijk geweld en in het ergste geval moord. Datwordt vaak voorafgegaan door structurele, voorspelbare patronen vangeweld, met signalen, meldingen en dikke dossiers. De kern van hetprobleem is niet een gebrek aan betrokken professionals, maar eengebrek aan regie. In dossiers die later ontsporen, zien we steeds hetzelfdepatroon: meerdere instanties zijn betrokken, maar niemand is eindverant-woordelijk. Iedereen ziet een deel van het probleem, maar niemand heeftde doorzettingsmacht om te zeggen: nu grijpen we in. Dit is eensysteemfout, veroorzaakt door versnippering, onduidelijke mandaten ente veel schotten tussen zorg, veiligheid en justitie. Daarom is mijn eerstevraag aan het kabinet hoe het kabinet aankijkt tegen het werken met ééngezamenlijk systeem of tegen het schrappen van onnodige privacybelem-meringen, zodat informatie sneller en effectiever kan worden gedeeldwanneer de veiligheid in het geding is.Voorzitter. Huiselijk geweld escaleert zelden plotseling. Het volgtherkenbare fases. De risicofactoren zijn bekend, maar worden onvol-doende gebundeld en opgevolgd. Dat leidt tot te late interventies. Daaromvraag ik het kabinet: waarom bestaat er nog steeds geen landelijkverplicht risicotaxatiekader bij herhaalde meldingen van huiselijke gewelden kindermishandeling? Is het kabinet bereid om bij aantoonbaar hoogrisico sneller en dwingender interventies mogelijk te maken? Hoe wordthieraan concreet vormgegeven?Vandaag de dag hangt de kwaliteit van bescherming te veel af van degemeente waarin je woont. De ene gemeente heeft expertise, capaciteiten korte lijnen; de andere worstelt met tekorten en versnippering. Datbetekent dat veiligheid berust op toeval. Op andere veiligheidsdomeinenaccepteren we dat niet, vandaar mijn vragen. Hoe gaat het kabinet zorgenvoor meer regie en uniformiteit bij gemeenten? Welke landelijkeminimumvereisten gelden momenteel voor gemeenten bij de aanpak vanhuiselijk geweld? Zijn die toereikend?Voorzitter. We weten niet alleen wat niet werkt, we weten ook wat welwerkt. De Filomena-aanpak laat zien dat samenwerking, snelle informatie-uitwisseling en het hebben van één regisseur en doorzettingsmachtdaadwerkelijk levens kan redden. Dat is ontzettend waardevol. DeFilomena-aanpak verdient het om landelijk te worden uitgerold. Wat mijbetreft maken wij daar bij deze VWS-begroting of op een ander momentzo snel mogelijk werk van. Ik heb hierover de volgende vragen. Welkeresultaten ziet het kabinet op plekken die met Filomena werken en welkelessen zijn daaruit getrokken? Waarom is Filomena nog steeds afhankelijkvan lokale initiatieven? Is de Minister bereid Filomena landelijk uit terollen, met een structurele financiering en een uniforme werkwijze?Voorzitter. De grootste systeemfout is misschien wel deze. Bij huiselijkgeweld moeten slachtoffers vaak verdwijnen: verhuizen of onderduiken.Dat is de wereld op zijn kop. De veiligheid van slachtoffers en kinderenmoet altijd vooropstaan. Wat JA21 betreft verleggen we de focus naar dedader. Daarom vraag ik het kabinet: deelt men de analyse dat het systeemnu te vaak de last bij het slachtoffer legt? Is men bereid pilots of eenlandelijke verkenning naar afkoelhuizen voor daders, gekoppeld aanverplichte therapie en toezicht, te starten? Welke juridische uitvoerings- offinanciële knelpunten ziet het kabinet en welke oplossingen zijn erdenkbaar?Bescherming achter de voordeur kan niet los worden gezien van de staatvan de jeugdzorg. Daar moeten we eerlijk over zijn: die kraakt in de kern.Wachtlijsten lopen op, professionals haken af en hulp komt te laat. Datvergroot problemen en leidt uiteindelijk tot zwaardere ingrepen. Daaromis mijn vraag: hoe groot is de uitstroom van jeugdzorgprofessionals enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18435 wat doet het kabinet om die trend te keren? Welke concrete maatregelenneemt het kabinet om administratieve lasten te verlagen en professionalsweer ruimte te geven om hun werk te doen?Voorzitter. Hiermee zijn we er echter niet. In het debat over jeugdzorgkijken we vrijwel uitsluitend naar de overheid: wat moet de overheid beterdoen? Die vraag is terecht maar onvolledig. We zien namelijk ook oudersdie structureel weigeren verantwoordelijkheid te nemen voor deopvoeding van hun kinderen. We zien ook jongeren die zich nietsaantrekken van gezag, regels of grenzen, thuis niet, op school niet en opstraat niet. Als opvoeding volledig faalt, kan de overheid niet blijvenwegkijken; dan is ingrijpen geen straf maar noodzaak. Wat JA21 betreftmag daar ook meer stevigheid in komen. Praten is niet altijd de remedie.Soms is duidelijk gezag nodig. Daarom wil ik van het kabinet weten of hetkabinet de analyse deelt dat opvoedingsverwaarlozing en structureelprobleemgedrag onvoldoende worden benoemd als oorzaak vanontsporing. Is het kabinet bereid te onderzoeken welke zwaardere,dwingende vormen van heropvoeding mogelijk zijn voor jongeren diestructureel onhandelbaar zijn en elk gezag afwijzen, bijvoorbeeld in devorm van intensieve heropvoedingsprogramma’s zoals geslotenjeugdzorg of tuchtscholen? Is het kabinet bereid ouders die structureelfalen in hun opvoedende taak, nadrukkelijker aan te spreken en waarnodig te confronteren met consequenties?De Staatssecretaris schetst een ambitieus en ingrijpend hervormingsplandat moet leiden tot minder instroom in de jeugdzorg en uiteindelijk ooktot minder uithuisplaatsingen. Over dat realisme kunnen echter welvragen worden gesteld. In hoeverre beschikt de Staatssecretaris over eenconcreet tijdpad en waarop is dat gebaseerd? Wat zeggen professionalsen organisaties in het jeugdzorgveld over de haalbaarheid van dezeplannen gezien de huidige personeelstekorten en wachtlijsten? Hoe wil deStaatssecretaris dit verandertraject begeleiden? Welke mogelijk pijnlijkekeuzes zijn er volgens de Staatssecretaris nodig bij het schrappen vanhulpvormen of het herverdelen van middelen? Is de Staatssecretaris hetmet ons eens dat er meer landelijke regie nodig is, in plaats van deversnippering die wij nu zien op lokaal niveau?Voorzitter. Tot slot, wie spreekt over de staat van onze jeugd, kan nietwegkijken van een harde realiteit. Het aantal zelfmoorden en pogingen totzelfmoord onder jongeren en jongvolwassenen stijgt. De suïcidepreventie-hulplijn 113 luidt hierover nadrukkelijk de noodklok. Signalering is er vaakvroeg: bij school, huisarts, jeugdzorg en wijkteams. Maar te vaak blijftopvolging uit. Daarom heb ik de volgende vraag aan het kabinet. Is hetkabinet bereid suïcidepreventie steviger te verankeren in de jeugdzorg-keten, en zo ja, hoe? Herkent het kabinet het model van universele,selectieve en geïndiceerde preventie, en sluit het huidige beleid hieropaan? Wie is eindverantwoordelijk voor samenhang en doorzettingssmachtbinnen het zorgnetwerk?Dank. Tot zover.De voorzitter:Dank u wel. Ik dank de fractie van JA21 voor de inbreng. Ik zie eeninterruptie van het CDA.De heer Hamstra (CDA):Dank, mevrouw Coenradie voor uw betoog. U heeft het nadrukkelijk overde vraag of, wanneer de opvoeding faalt, meer stevigheid gepast is in hetkader van heropvoeding, en of de overheid daar dan een rol in zoumoeten spelen. Heeft u vanuit uw analyse het idee dat dat voldoende bijgaat dragen om uiteindelijk te komen tot bijvoorbeeld de een op de tienwaar de Staatssecretaris het in het kader van instroom in de jeugdzorgover heeft? Als het antwoord daarop nee is, heeft u dan zelf ideeën overwat we eraan kunnen doen om die instroom toch naar beneden te krijgen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18436 Mevrouw Coenradie (JA21):Ik ben an sich wel enthousiast over het plan dat er nu ligt. Ik denk namelijkdat je maar aan twee knoppen kunt draaien als je het hebt over het oporde krijgen van alle problemen in het hele stelsel, in ieder geval in dehele jeugdzorg. Ik ben er dus positief over als we het aantal uithuisplaat-singen weten terug te draaien. Tegelijkertijd merk ik in heel veel discussiesdat we vaak kijken naar de overheid. Maar wat mij betreft – dat raaktvolgens mij wel een beetje het eerste punt dat u benoemt – gaat het omhet gedrag van kinderen, waarbij ook ouders en de opvoeding eenbelangrijke rol spelen. Ik vind ook dat we goed moeten bekijken wat wedaarmee doen. Los van het kijken naar de overheid: hoe gaan we om metdeze kinderen, die maling hebben aan gezag, politie en opvoeding, entegelijkertijd met ouders die steeds meer hun grip verliezen en geen ideemeer hebben van hoe of wat? Is uithuisplaatsing daarvoor een oplossing?Nee. Ik geloof er heel erg in dat we uithuisplaatsingen kunnen terug-draaien door naast het gezin te gaan staan. Enkel praten zie ik echter nietals een remedie. Ik denk dat we veel meer moeten doen. Dat zou kunnenin de vorm van wat ik «tuchtscholen» noem, maar geef ze misschien eenandere naam, vanwege de waarde die daar in het verleden weleens aangegeven is. Ik denk dat we meer kunnen doen dan we nu doen.De heer Hamstra (CDA):Dat denk ik ook; dat laatste deel ik zeker met u. Ik heb een korte vervolg-vraag met betrekking tot het gedrag van de jongeren en het denken aanheropvoeding. Kunnen we u ook aan onze zijde vinden wanneer hetbijvoorbeeld gaat om het stutten en ondersteunen van de gezinnen en hetversterken van de omgeving, ook in het kader van bestaanszekerheid?Vindt u dat dat ook een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van hetgedrag van de jongeren en dat de gezinnen daardoor beter kunnenopvoeden?Mevrouw Coenradie (JA21):Ik weet met mijn achtergrond in Rotterdam-Zuid dat heel veel zaken eenkwestie zijn van multiproblematiek, dat het zo ontiegelijk complex is endat we aan meerdere knoppen moeten draaien om uiteindelijk de jeugdvan nu weer een goede toekomst te geven. Ik denk dat je als overheid omonze jeugd moet gaan staan. Daar moeten we vooral naar kijken.Tegelijkertijd moeten we kijken waar de verantwoordelijkheid ligt bij dejeugd en opvoeders zelf en hoe we hen nog veel meer kunnen onder-steunen en begeleiden in die zelfredzaamheid die we als overheid tochook steeds vragen. Opvoeding ligt namelijk niet bij de overheid, maar bijouders zelf. Wij vinden denk ik hetzelfde hiervan.Mevrouw Synhaeve (D66):Ik hoorde JA21 net zeggen dat de gesloten jeugdzorg een heropvoedings-programma is. Ik denk zelf dat daar toch echt kinderen zitten met helecomplexe problemen. Dat kunnen gedragsproblemen zijn of het kan gaanom kinderen die ernstig getraumatiseerd zijn of thuis problemen hebben.Ik vraag dus aan JA21: bent u het met mij eens dat de term «heropvoe-dingsprogramma» ongepast is als het gaat om kinderen met intensievezorgvragen?Mevrouw Coenradie (JA21):Dan zouden we het stenogram van dit debat moeten teruglezen, want ikdenk dat ik niet heb gezegd dat jeugdzorg wat mij betreft hetzelfde is alsheropvoeding. Daarmee zou ik namelijk én te kort door de bocht vliegenén totaal geen recht doen aan jeugdzorg en waarvoor kinderen in dejeugdzorg zitten. Laat ik dat vooropstellen. Ik heb het specifiek over desituatie waarin kinderen thuis een stuk opvoeding missen en daardoor hetverkeerde pad op gaan. Ik denk dat het dan raadzaam is om ook te kijkenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18437 waar er plek is om deze kinderen te heropvoeden als blijkt dat het nietmogelijk is om naast het gezin te staan of dit zelfstandig door het gezin telaten oppakken.De voorzitter:Duidelijk, dank u wel. Dan kom ik bij de volgende spreker van de zijde vande Kamer. Toch? Ik check het even. Ja. Dat is de heer Van Houwelingennamens Forum voor Democratie. Uw tijd gaat in.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank u, voorzitter. De afgelopen jaren ben ik regelmatig benaderd doorleden, bijvoorbeeld bij partijbijeenkomsten, maar zelfs op straat doorouders die zich zorgen maken over de jeugdzorg, en dan specifiek overgedwongen uithuisplaatsing, dus tegen de zin van de ouders in. Wat onsbetreft is gedwongen uithuisplaatsing echt het laatste redmiddel. Daar isiedereen hier in de Kamer het over eens, omdat een uithuisplaatsingnatuurlijk betekent dat het kind sowieso schade oploopt. Het wordt uit zijnnatuurlijke omgeving gerukt, verliest misschien contact met broertjes enzusjes, en moet naar een andere school. Daar maken we ons heel veelzorgen over. Toch gebeurt het ook als er geen sprake is van bijvoorbeeldmishandeling, maar als er sprake is van ouders die niet de optimale zorgkunnen verlenen. Ik heb een aantal leden gesproken die dat hebbenmeegemaakt. Ik wil twee citaten oplezen uit een brief die een van dieleden ons gestuurd heeft. Toen was ze al volwassen. In die brief blikt zeterug op haar ervaringen met een uithuisplaatsing. Dit verhaal issymptomatisch voor iets wat ik veel vaker gehoord heb. Ik lees twee kortestukken voor. Dat zijn dus citaten.«Helaas heb ik zelf meerdere malen in mijn jeugd ondervonden dat deNederlandse jeugdzorg haar eigen waarheid hanteert. Zelf heb ik hetgevoel dat het doel van de jeugdzorg was om mij uit huis te plaatsen endat ze alles in het werk stelden om dat doel te bereiken.» Dat heb ik heelvaak gehoord. Er wordt dus naar uithuisplaatsing toe geredeneerd doorde jeugdzorg. «Een van de dingen die ik daarbij zelf ervaarde, was dat zealles zo negatief mogelijk probeerden op te schrijven in het dossier.Positieve dingen werden achterwege gelaten. Zo haalde ik vroegerondanks mijn thuissituatie altijd goede cijfers op school, maar dat is nooitin het dossier van mij benoemd. In de tijd dat ik uit huis geplaatst was,had ik regelmatig gesprekken met mijn pleegmoeder en jeugdzorgmede-werkers. Zelf heb ik dit nooit als fijne gesprekken ervaren, maar eerder alspolitieverhoren. Ze bleven net zo lang doorvragen tot ze je aan het huilenkregen en je precies zei wat ze wilden horen. Als je dan uiteindelijk hadgezegd wat ze wilden horen, schreven ze dat op in het dossier.» En dannog een kort citaat: «Als ik nu terugkijk op mijn uithuisplaatsing, vind ikdat deze uithuisplaatsing onterecht was. Mijn moeder, waarbij ik toenwoonde, had op dat moment weliswaar psychische problemen. Naar mijnmening hadden deze problemen echter opgelost kunnen worden metambulante hulp van bijvoorbeeld een gezinsvoogd.» Dit heb ik ook heelvaak gehoord, daar kan ik nog veel meer voorbeelden van geven.«Daarnaast had ik nog een vader die zowel fysiek als psychisch helemaalgezond was en had mijn moeder een netwerk van familie en vrienden diehaar wilden ondersteunen bij de opvoeding van mij.» Einde citaat.Dit heb ik veel vaker gehoord. We zijn natuurlijk bekend met de gevallenvan mensen die uit huis worden geplaatst, niet omdat ze mishandeldworden of wat dan ook, maar omdat het gezin niet optimaal functioneert.Welk gezin doet dat wel? In plaats van dat het gezin wordt ondersteund,wordt er door de jeugdzorg toegewerkt naar een uithuisplaatsing, met allegevolgen van dien.Voorzitter. Ik heb hierover zeven vragen. Wat ons betreft zou eenuithuisplaatsing echt het allerlaatste redmiddel moeten zijn. Ik denk datheel veel partijen dit inmiddels met ons eens zijn. Mijn eerste vraag aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18438 de Staatssecretaris is hoe zij daartegen aankijkt. We hebben zowaar eenmotie aangenomen gekregen waarin wordt gevraagd om een verscherptwettelijk kader voor uithuisplaatsingen. Zou dan bijvoorbeeld niet – ik doemaar even een suggestie – in dat kader moeten worden opgenomen datgedwongen uithuisplaatsing alleen kan als er echt sprake is van mishan-deling, en niet als bijvoorbeeld een ouder psychische problemen heeft,maar het gezin met wat hulp nog overeind kan worden gehouden? Danmoet daar toch altijd voor worden gekozen?Mijn tweede vraag gaat over oneigenlijke financiële prikkels. Ik heb in mijngesprekken met mensen die jeugdzorg hebben ontvangen, vaak gehoorddat zij zich daar zorgen over maken. Is het zo dat de jeugdzorg betaaldkrijgt voor een ondertoezichtstelling en voor een uithuisplaatsing?Volgens mij is dat zo. Hetzelfde geldt natuurlijk voor gezinshuizen enpleeggezinnen. Dat is enerzijds onvermijdelijk, denk ik, maar geeft dat nieteen ongezonde financiële prikkel? Kan dat er niet toe leiden dat mensenonterecht uit huis worden geplaatst of dat mensen te lang uit huis blijven,dus dat kinderen niet snel genoeg worden teruggeplaatst in hun biolo-gische gezin? Dat is dus mijn tweede vraag.Dan mijn derde vraag. Die gaat over iets wat ik heb gehoord en wat ik ookniet begrijp. Hoe kan het nou zo zijn dat er seksueel misbruik plaatsvindtin pleeghuizen en pleeggezinnen? Dat komt namelijk regelmatig voor, zoblijkt ook uit onderzoek. Je zou toch verwachten dat in pleeghuizen enpleeggezinnen kinderen geplaatst worden van hetzelfde geslacht, tenzijhet broertjes of zusjes zijn, maar dat gebeurt niet. Mijn vraag aan deStaatssecretaris is waarom dat niet gebeurt. Dat is voor mij onbegrijpelijk.De vierde vraag. Daar heb ik het in een interruptiedebat met mevrouwWesterveld net al over gehad en ook eerder met de Staatssecretaris naaraanleiding van de vreselijke casus van het Vlaardingse pleegmeisje, dat zomishandeld is. Hoe kan nou zo zijn – want dat blijft voor mij onbegrijpelijk– dat de toezichthouder ... Alleen die kan namelijk toezicht houden. Deenige die toezicht kan houden, is de IGJ, de inspectie. Die houdt toezichtop gecertificeerde instellingen, die sowieso vaak niet weten wat er speelt,omdat er te weinig zinvol contact is met de pleeghuizen en pleeggezinnen.Die hebben er natuurlijk ook belang bij om de pleeghuizen en pleegge-zinnen waarvoor ze verantwoordelijk zijn, positief voor te stellen aan deinspectie, omdat zij daarvoor verantwoordelijk zijn. Waarom gaat deinspectie niet op bezoek bij pleeghuizen en pleeggezinnen, al is het maaréén keer per jaar, om daar zelf toezicht te houden en met eigen ogen teaanschouwen wat daar gebeurt, wat ze als toezichthouder ook zoudenmoeten doen? Dat is de vierde vraag die ik heb.Vraag vijf. Is het wellicht een idee om een enquête te houden ondervolwassenen die in een pleeggezin of gezinshuis hebben gezeten en naarhun ervaringen te vragen? Voor zover ik kan achterhalen, is dat nog nietgebeurd. Ik zou heel benieuwd zijn, want er wordt vaak gezegd dat hetincidenten zijn. Oké, dat kan, maar ik krijg het zo vaak te horen dat ikinmiddels denk dat daar misschien wel iets structureel mis is. Je zou duswillen weten van mensen die volwassen zijn hoe zij daarop terugkijken alsvolwassene; ik heb net een voorbeeld gegeven van zo’n getuigenis, omhet maar zo te zeggen. Daar kunnen we denk ik veel van leren. Is dat nieteen idee?Vraag zes betreft de contra-expertise, die zo belangrijk is. Ouders hebbendaar in principe ook recht op als er sprake is van een gedwongenuithuisplaatsing, begreep ik. Ik hoor echter dat het vaak voorkomt bij dekinderrechter dat die contra-expertise er niet is. Die is ontzettendbelangrijk, want anders krijg je natuurlijk de tunnelvisie, waar ik het net alover had in het voorbeeld dat ik heb voorgelezen. Die contra-expertisewordt vaak niet toegewezen door de rechter. Zou het dus niet zo moetenzijn – misschien moet dat ook in de wet worden opgenomen – dat zo’nkinderrechter zich niet alleen moet baseren op de jeugdzorg? De rechtergaat dan natuurlijk altijd met de jeugdzorg mee. Dat krijgen we altijd teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18439 horen. Moet die kinderrechter zich ook niet laten adviseren door eencontra-expertise voor de rechtbank? Zo ontstaat er iets van een gelijkspeelveld. Volgens mij is dat heel belangrijk om onterechte uithuisplaat-singen te voorkomen.Voorzitter, tot slot mijn laatste vraag. We krijgen straks natuurlijk weer debegrotingsverantwoording van VWS. In de memorie van toelichting staannatuurlijk allemaal mooie tabellen. Mijn laatste vraag aan de Staatssecre-taris is: zou het aantal ondertoezichtstellingen per jaar en over deafgelopen paar jaar daar niet standaard in kunnen worden opgenomen?Die cijfers zijn namelijk heel moeilijk te achterhalen. Dat geldt ook voor hetaantal keer dat het gezag wordt beëindigd en het aantal uithuisplaat-singen. Zo krijgen we als Kamer een beetje een beeld van hoe datverloopt. We willen volgens mij namelijk allemaal af van die gedwongenuithuisplaatsingen.Dat is dus mijn laatste vraag aan de Staatssecretaris en ik kijk uit naar debeantwoording. Dank.De voorzitter:U heeft een interruptie van de heer Stoffer.De heer Stoffer (SGP):Mijn interruptie gaat over de ondertoezichtstellingen. Het gaat eigenlijkover de toetsing van die gecertificeerde instellingen. We hebben daareerder een interruptiedebat over gehad tijdens een plenair debat. Toenhad ik de indruk dat de heer Van Houwelingen eigenlijk wilde dat deinspectie bij ieder gezin en ieder gezinshuis ging toetsen. Als ik debijdrage van de heer Van Houwelingen hoor, dan is zijn idee nu dat er afen toe een steekproef moet worden gedaan bij een aantal gezinnen. Datmaakt denk ik heel veel uit in de hoeveelheid capaciteit die je hiervoornodig hebt. Zou de heer Van Houwelingen aan kunnen geven of hijbedoelt dat ieder gezin en ieder gezinshuis bezocht moet worden? Ofmoeten er gewoon een aantal steekproeven plaatsvinden om te kijken ofdie gecertificeerde instellingen doen wat de bedoeling is en of het kloptwat ze aanleveren?De voorzitter:De vraag lijkt me duidelijk. Het woord is aan de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Heel veel dank voor de vraag. Het liefst zouden we zien dat alle gezins-huizen en pleeggezinnen minstens een keer per jaar bezocht worden.Maar als dat niet haalbaar is, is een steekproef natuurlijk ook al geweldig.U brengt hier dus een heel goed idee te berde, denk ik. Laten we dan duseen steekproef doen, zoals dat bij bedrijven ook gebeurt als ze iets moetencontroleren. Dat zou dus een heel goed idee zijn. Iets is in ieder gevalbeter dan niets. Nu zit het allemaal binnen die gecertificeerde instellingen,die dus vaak niet functioneren. Dus je moet van buiten een controlehebben. Dat kan alleen de toezichthouder doen. Dat zou een hele groteverbetering zijn, als ze daar aan het werk gaan bij de inspectie, in plaatsvan te doen waar ze nu hun tijd vaak mee kwijt zijn, bijvoorbeeld artsenachter hun broek aanzitten omdat ze offlabelmedicijnen voorschrijven.De voorzitter:Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde van deKamer, de heer Stoffer namens de SGP-fractie.De heer Stoffer (SGP):Dank, voorzitter. Gezinnen vormen de ruggengraat van een goedesamenleving. Opgroeien in een stabiel gezin vergroot aanzienlijk de kansop een evenwichtige persoonlijke ontwikkeling. Omgekeerd zijn veelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18440 individuele maatschappelijke problemen te herleiden tot het gebrekkigfunctioneren van gezinnen. Gezonde gezinnen zijn dus van groot belangvoor ons allemaal.Voorzitter. De SGP juicht het toe dat het kabinet jeugdzorg stapje voorstapje lijkt te verbreden naar gezinszorg. Ik zie dat ook terug in deroutekaart die de Staatssecretaris vorige week heeft gepresenteerd: meerkijken naar oorzaken van jeugdhulp in de context van gezinnen en deontwikkeling van een sociale agenda. Het kabinet zet in op een sterke,sociaalpedagogische basis, wil stevige lokale teams die zelf hulp bieden,en wil de aanvullende jeugdhulp terugdringen. Ook wordt er hard gewerktaan het afbakenen van de jeugdhulpplicht. Van harte steun hiervoor.Voorzitter. Een mooi voorbeeld van een effectieve preventieve aanpak isde gemeenten Kampen. Kampen maakt gebruik van gezinswerkers. Zijvoeren de eerste gesprekken met gezinnen om hun vragen en zorgen teverkennen. Ook kunnen gezinswerkers ouders ondersteunen om zelfoplossingen te verzinnen. Gezinswerkers hebben een vrije rol en kijkennadrukkelijk breder dan alleen naar de jeugdhulp. Als een kind zich meldt,is niet de eerste vraag «wat voor hulp heb je nodig?» maar bijvoorbeeld«doe je eigenlijk aan sport?» of «ben je lid van een vereniging?» Degezinswerkers blijken ook nog eens financieel een succesvolle busines-scase. Mijn vraag is dan ook of de Staatssecretaris deze aanpak brederonder de aandacht kan brengen. Gemeenten houden een sleutelpositie,maar welke rol kan de Staatssecretaris spelen via het faciliteren vanleernetwerken of andere vormen van kennisdeling?Ook de laagdrempelige inzet van schoolmaatschappelijk werk blijkt eenbelangrijke sleutel om vroegtijdig op te kunnen treden. Dit werd in veelgemeenten gefinancierd vanuit de tijdelijke gelden van het NationaalProgramma Onderwijs. Als het kabinet wil inzetten op een sterke socialebasis – en dat is tegelijk mijn vraag – is het dan ook bereid om hierstructureel in te investeren?Voorzitter. Vorig jaar werd mijn motie aangenomen die verzocht om eensamenhangende jeugd- en gezinsaanpak op te stellen vóór de behan-deling van deze Jeugdbegroting. Mijn vraag is hoe het hiermee staat. Ikheb de stukken er nog eens goed op nagekeken, maar ik zie geenexpliciete uitwerking. Pakt de Staatssecretaris dit alsnog op of wordt hetmeegenomen in de routekaart?Voorzitter. Dan de Agenda voor het Hart, een netwerk van experts enorganisaties. Dit netwerk heeft een prachtig rapport geschreven over hetversterken van liefdevolle en veilige partnerrelaties in Nederlands.Duurzame relaties zijn niet alleen een privézaak, maar ook een publiekewaarde waar de samenleving zorg voor draagt. Als relaties sterk zijn,bloeien mensen op. Als relaties breken, zien we dat overal in de samen-leving terug. Wil de Staatssecretaris reageren op de analyse en daarbijexpliciet ingaan op de afzonderlijke aanbevelingen van de Agenda voorhet Hart? Een van die aanbevelingen is om relaties te erkennen alsbeleidsdomein, zodat hiervoor ook preventieve maatregelen getroffenkunnen worden. Feitelijk gebeurt dit lokaal al op veel plaatsen. Veelgemeenten hebben een lokale aanpak voor relatie- en/of scheidingspro-blematiek. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar als stelselverantwoorde-lijke vanuit het wettelijke kader van de Jeugdwet en bijvoorbeeld ook deWet publieke gezondheid?De Agenda voor het Hart noemt ook de maatschappelijke kosten vanverbroken en gebroken relaties en stelt voor die beter in kaart te brengen.Dat kan bijvoorbeeld door de kosten op casusniveau in kaart te brengen.Welke rol ziet de Staatssecretaris voor zichzelf weggelegd bij een dergelijkonderzoek?Voorzitter. Wij vinden het heel normaal dat mensen periodiek naar desportschool gaan.... Nou ja, dat zou ik zelf ook meer mogen doen... Uweet, een goed voornemen voor dit jaar. Wij vinden het heel normaal datmensen periodiek naar de sportschool gaan of dat mensen gebruikmakenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18441 van een leefstijlcoach. Maar de vraag is hoe we het net zo gewoon makenom aan je relatie te werken als aan je conditie. Waarom voelt relatiehulpvoor veel mensen nog steeds als een laatste redmiddel in plaats vanperiodiek onderhoud? Kortom, wat kan de overheid doen om relationelefitness te normaliseren?Ja, het is stevig in de spiegel kijken... De andere Staatssecretaris begintook al... Volgens mij moeten wij samen wat gaan doen.(Hilariteit)De voorzitter:Ik vraag de heer Stoffer om verder te gaan met zijn betoog.De heer Stoffer (SGP):Dat ga ik doen.De Jeugdwet bepaalt dat gemeenten bij het bepalen van de aangewezenvormen van jeugdhulp redelijkerwijs rekening moeten houden met degodsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van de jeugdige en zijnouders. Ook in lokale jeugdverordeningen is dit geborgd. In de praktijkblijkt echter dat gemeenten nauwelijks zicht hebben op de manier waaropdit wettelijk recht wordt uitgevoerd. Is de Staatssecretaris bereid omsamen met de VNG een handreiking op te stellen voor gemeenten overhoe ze bij de indicatiestelling daadwerkelijk rekening kunnen houden metde godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van gezinnen?Voorzitter. De SGP vraagt ook aandacht voor ondertoezichtstellingen bijongeboren kinderen. Uit recent onderzoek blijkt dat die mogelijkheidinternationaal gezien uitzonderlijk is. Er zijn slechts twee andere landenwaar dit kan. Ook het aantal ondertoezichtstellingen in Nederland is hoog.In andere landen is gedwongen ingrijpen zeldzaam, maar in Nederlandgebeurt het honderden keren per jaar. Eerdere publicaties gevenbovendien aan dat de wetgever meer rechtszekerheid zou moeten biedendoor een duidelijke wettelijke basis, bijvoorbeeld als het gaat om dewekengrens. Juist in Nederland ontbreekt een duidelijke regeling. Zou eenregeling voor jeugdbescherming en ook strafrecht gelet op onderzoek enadviezen niet wenselijk zijn? Zouden vrijwillige maatregelen niet vakeractief mogelijk gemaakt moeten worden, zowel voor de moeder als voorhet kind?Voorzitter. Ik wil tot slot de schijnwerpers richten op de uiterst belangrijkepositie van jeugdbeschermers. De overheid draagt een bijzonder zwareverantwoordelijkheid bij het ingrijpen in gezinnen. De jeugdbeschermerszijn dus eigenlijk onze elitetroepen, maar helaas ervaren ze dat niet zo enstaan ze vaak onder grote druk. Hun verantwoordelijkheid is zwaar en hetziekteverzuim is hoog, net als de uitval. Dat betekent onvermijdelijk ookiets voor de kinderen en hun ouders. Soms wachten 100 kinderen op eenjeugdbeschermer zonder in beeld te zijn. Als we de jeugdbeschermersecht verder willen helpen, mogen we ons niet beperken tot de caseload,maar zullen we ook naar hun rechtspositie moeten kijken. Veel jeugdbe-schermers kiezen immers voor een andere baan, simpelweg omdat zedaar meer kunnen verdienen. In het onderwijs of bij gemeenten krijg je alsnel meer salaris. Mijn slotvraag is dan ook of de Staatssecretaris ookdenkt dat een exclusieve, aantrekkelijke positie van de jeugdbeschermerin de cao een belangrijke rol zou kunnen vervullen.Dank u wel.De voorzitter:Meneer Stoffer, dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van dezijde van de Kamer: de heer Ceder namens de ChristenUnie.De heer Ceder (ChristenUnie):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18442 Voorzitter, dank u wel. Kortheidshalve wil ik me aansluiten bij de zorgenrondom de jeugdzorgmedewerkers. De afgelopen jaren hebben we geziendat zij de noodklok luiden. Ze zeggen dat het zwaar werk is en dat derandvoorwaarden gewoon niet op orde zijn. Ik ondersteun dus de vraagvan de heer Stoffer en overigens ook de vele vragen die door mijn anderevoorgangers zijn gesteld.Voorzitter. Ik heb het manifest van Het Vergeten Kind vanochtendontvangen, net als de andere Kamerleden. Het is een beweging die aljaren bezig is om uithuisplaatsingen te verminderen en om gezinshulp opde eerste plaats te zetten. Ik ondersteun dit al jaren en nu ook weer. Ikhoop dat we met de nieuwe Kamerleden en een nieuwe coalitie ook echtdie stap met elkaar kunnen gaan zetten en zichtbaar resultaat gaan zien.Als we in dit land zeggen dat het welzijn van onze jeugd echt vooropstaat,dan vraagt dat ook iets van onze politieke moed. We moeten durven kijkennaar onderwerpen waar we soms liever omheen lopen. Voor deChristenUnie is een ervan het gezinsleven, niet omdat het een interes-sante bezuinigingspost is, maar omdat de intrinsieke meerwaarde van hetgezin doorwerkt in alle vezels, in alle haarvaten van onze samenleving.Ook in deze commissie spreken we te vaak over jongeren als het al ismisgegaan: als er al sprake is van jeugdzorg, uitval op school, mentaleproblemen of contact met justitie. Maar de vraag die we ons vaker zoudenmoeten stellen, is: wat doen we aan de voorkant?Voorzitter. Onderzoek na onderzoek laat zien dat een stabiele thuissituatieeen enorme beschermende factor is in het leven van een kind. Jongerendie opgroeien in een omgeving met voorspelbaarheid, betrokkenheid enveiligheid hebben simpelweg een grotere kans om stabiel op te groeien.Dat betekent uiteraard niet dat elk gezin perfect is of moet zijn – niemandhier gelooft dat – maar wel dat de basis telt. Het is ook juist een rol voorde overheid om die basis en het goed gaan te versterken.Voorzitter. Ik wil vandaag ook expliciet stilstaan bij een onderwerp dat, watmij betreft, nog steeds te weinig aandacht krijgt, maar dat o zo belangrijkis. Dat is positief betrokken vaderschap. Voor dit punt begin ik bij mijzelf.Ik ben opgegroeid bij mijn moeder en zij heeft het in haar eentje geweldiggedaan. Zoals vaak gezegd wordt over eenoudergezinnen: ze nam de rolvan zowel de moeder als de vader op zich. Zij was niet de enige. Er zijnongeveer 800.000 kinderen in Nederland die in eenoudergezinnenopgroeien. Ik ben dan ook trots op mijn moeder, die er niet meer is. Zeheeft gedaan wat ze kon en dat heeft ze goed gedaan.Toch kwam er ook een punt in mijn leven dat ik me realiseerde dat deafwezigheid van een vader thuis wel degelijk impact heeft gehad. Als kindzocht ik, net zoals vele jongens, naar mannelijke rolmodellen: mensen aanwie je je kan optrekken. Als je die thuis niet hebt, zoek je die buiten dedeur. Ik groeide op in de Amsterdamse Bijlmer, destijds een zeerkwetsbare wijk. Zo werden mijn rolmodellen snelle jongens met veel geld.Ze gaven je aandacht, maar je liep ook kans om meegesleurd te worden inde criminaliteit. Mij bleef dat lot bespaard. Anderen niet.In gesprek met veel generatiegenoten komt telkens naar voren dat afwezigvaderschap wel degelijk impact op ons heeft gehad. Het is dus goed enbelangrijk om betrokken vaderschap te versterken waar dat kan. Internati-onaal onderzoek lijkt dit te bevestigen. Betrokken vaders dragenaantoonbaar bij aan het emotioneel welzijn, de weerbaarheid en hetzelfbeeld van kinderen. Dat geldt voor jongens én meisjes. Als wevaderschap blijven negeren bij het jeugdbeleid, laten we kansen liggen.Dat kunnen we ons simpelweg niet permitteren. Onze jongeren zijn daarte kostbaar voor.Zeg ik hiermee dat we moeders minder gaan waarderen? Nee,integendeel. Het betekent wel dat we erkennen dat kinderen gebaat zijn bijgedeelde verantwoordelijkheid, meerdere veilige hechtingsfiguren enaanwezige, positieve en betrokken vaderfiguren. Ik begrijp heel goed datdit niet altijd even makkelijk is of kan. Denk aan samengestelde gezinnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18443 of aan situaties waarin contact met de vader niet mogelijk is, of zelfs nietveilig of verstandig. Dat erkennen we. Dat vraagt ook om een anderebenadering. Er zijn ook zeer verdrietige situaties waarin vaders wel een rolwillen en kunnen spelen, maar dit niet mogelijk wordt gemaakt, zoalsouderverstoting.Voorzitter. Vaderschap is een onderwerp dat te belangrijk is om tenegeren. Daarom presenteer ik vandaag ook een manifest genaamd:«Betrokken vaders. Een bloeiende samenleving». Ik wil namelijk graagvoorstellen doen richting de samenleving en het kabinet, om te versterkenwat goed gaat, maar ook om te ondersteunen wat momenteel kwetsbaaris.Ik ben niet voor overheidsbemoeienis met het gezinsleven. De overheidmoet daar zo ver mogelijk vandaan blijven. Maar de gevolgen vaninstabiele en gebroken gezinnen werken wel door in het onderwijs, dejeugdzorg en het veiligheidsdomein. Om die reden heeft de overheid eengoede reden om samen met maatschappelijke partners op gepaste wijzete kijken hoe we hier aandacht aan kunnen geven. Ik roep het kabinet enmijn collega-Kamerleden hier dan ook op om het gezinsbeleid niet tereduceren tot een voetnoot of een bezuinigingspost, maar om het serieuste nemen als belangrijke bouwsteen van preventief jeugdbeleid. Als wehet welzijn van jongeren echt centraal willen stellen, dan begint dat nietbij het loket, maar thuis. Laten we de politieke moed tonen om dit ookbespreekbaar te maken.Voorzitter. Daarom heb ik een aantal vragen. De betrokkenheid van vadersin de eerste levensfase vergroot de hechting, het welzijn van de moederen de stabiliteit van het gezin. De ChristenUnie wil vaderbetrokkenheid bijkraamzorg en geboortezorg vergroten waar dat kan. De Staatssecretariswil dat ook. Zij wil vaderbetrokkenheid in de eerste 1.000 dagen vergroten.Hoe wil ze dat doen? Dat vraagt ook iets in de opleiding en bijscholing vanprofessionals in de geboortezorg, kraamzorg, het onderwijs en dekinderopvang. Kan de Staatssecretaris toezeggen dit te bespreken met deMinister van OCW?Voorzitter. Er is vooral veel buitenlands onderzoek naar het belang vanvaderschap en de impact van vaderafwezigheid, maar minder vanuit deNederlandse context. Ik zou graag zien dat de overheid en kennisinstitutensystematisch onderzoeken wat het belang van positief vaderschap is, watde impact van vaderafwezigheid kan zijn, waar je kan helpen en welkeinterventies zouden kunnen helpen. Alleen zo kunnen we een goed beeldkrijgen van wat preventief werkt om te voorkomen dat kinderen kwets-baarder zijn dan nodig. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is of zij kantoezeggen dit te laten onderzoeken.Daarnaast zijn er veel losse initiatieven die vaderschap versterken, maardie zijn versnipperd en vele proberen opnieuw het wiel uit te vinden. In dedatabank Effectieve jeugdinterventies van het NJi staan vier interventieswaarin vaders worden genoemd, maar drie ervan gaan voornamelijk overmoeders. Dat is goed. De vierde, van Trias Pedagogica, zit nog in heterkenningstraject. Kan er een been worden bijgetrokken, vraag ik aan deStaatssecretaris.Ik dank de Staatssecretaris ook voor haar reactie op het rapport vanAgenda voor het Hart, dat gaat over sterke partnerrelaties. Dat is eenbelangrijk initiatief. Ook de eerdere brief over de aanpak van complexescheidingen waardeer ik. De ChristenUnie heeft zich daar jaren vooringezet, samen met de SGP en ook andere partijen, weet ik. Ik vind hetook hoopvol om te zien welke stappen de afgelopen jaren zijn gezet om tevoorkomen dat scheidingen escaleren, met alleen maar verliezers. Er zijngoed beschreven methodes en handreikingen voor gemeenten omdaarmee aan de slag te gaan. Steeds meer gemeenten hebben eenscheidings- of relatieloket. De Staatssecretaris schrijft dat ze professionals,organisaties en gemeenten aanmoedigt hiermee aan de slag te gaan in deeigen lokale aanpak. Betekent dit dat wat de Staatssecretaris betreft deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18444 inzet van de landelijke overheid op dit thema stopt? Ik zou graag zien datde Staatssecretaris zich periodiek laat informeren over hoe het nu gaat endan de Kamer informeert. Kan ze dit toezeggen?Complexe scheidingen kunnen wel € 46.000 kosten aan jeugdbe-scherming, zorg en ondersteuning, is in 2020 berekend. Naast deze kostenzijn er ook maatschappelijke kosten. Sterke relaties of op een goedemanier uit elkaar gaan, hebben tegelijkertijd maatschappelijke baten. DeChristenUnie vindt het belangrijk om hier meer zicht op te krijgen, zodatwe goed kunnen wegen welke interventies om relaties te versterken,gerechtvaardigd zijn. Kan de Staatssecretaris ook toezeggen hiermee aande slag te gaan?Tot slot op dit punt vraag ik aandacht voor hoogconflictscheidingenwaarbij huiselijk geweld aan de orde is. Dat heb ik helaas ook alsoud-advocaat meegemaakt, zeg ik erbij. Als er reguliere jeugdhulp over devloer komt voor de kinderen, terwijl dit huiselijk geweld niet bekend is,kan gemakkelijk de verkeerde hulp worden geboden. Deze professionalszijn daar ook niet voor opgeleid en toegerust, terwijl het wel goed is omhen daarop voor te bereiden. Welke mogelijkheden heeft de ouder om indit soort situaties passende ondersteuning te krijgen?Voorzitter. Ik begon met uithuisplaatsingen. Mijn strijd voor het inperkenvan het aantal uithuisplaatsingen waar dat kan, gaat door. We hebben alsKamer via een motie de staatscommissie jeugdzorg in het levengeroepen. Is deze al ingevuld? Zo nee, wanneer gaat dit gebeuren? Of legtde Staatssecretaris dit op de plank voor zijn opvolger? Voor het weekendstond het inspirerende voorbeeld van Flevoland in NRC, waar ze uithuis-plaatsingen voorkomen door het hele gezin hulp te geven. Ik word heelblij van zulke methoden en vooral ook van de positieve resultaten. Is deambitie van de bewindspersonen om deze beweging overal in het land tekrijgen? Is dat al duidelijk onderdeel van het toekomstscenario?Voorzitter, tot slot. Het is goed dat we met het rapport Gezinshuizen inNederland meer inzicht hebben in de aantallen en karakteristieken vangezinshuizen. In het debat in december hebben we het gehad over meertoezicht en kwaliteitseisen. Die zijn gewoon nodig. Het lijkt me nog steedslogisch als we een gemeente, voordat ze een contract afsluiten met eengezinshuis, een bezoek op locatie laten brengen. Wat vindt de Staatssecre-taris daarvan?Voorzitter. Verder sluit ik me aan bij de vele al gestelde vragen. Ik kijk uitnaar de beantwoording.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel voor uw inbreng, meneer Ceder. Voordat we naar de lunchgaan, hebben we nog twee sprekers van de zijde van de Kamer. Die wil ikook nog gewoon het woord geven. Daarna schorsen we voor de lunch-pauze. De volgende spreker is mevrouw Dobbe namens de SP.Mevrouw Dobbe (SP):Dank u wel, voorzitter. Het is altijd lastig om tussen mensen en hun lunchte zitten, maar vooruit.(Hilariteit)Mevrouw Dobbe (SP):Ik zal proberen er toch een bevlogen betoog van te maken. Vorige weeksprak ik met een aantal jeugdzorgmedewerkers en jeugdbeschermers overhet debat van vandaag. Stuk voor stuk zijn zij enorm betrokken bij hunwerk, met liefde voor wat zij elke dag doen voor de kinderen, de jongeren,de gezinnen waarmee zij werken. Toch gaan zij vanaf morgen actievoeren.Dat doen ze niet zomaar. Zij voeren actie vanwege hun liefde voor dejeugdzorg. De werkdruk is gigantisch, net als de verantwoordelijkhedenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18445 die zij dragen. Zij lopen de gaten dicht die de werkgevers, maar ook depolitiek, in de gemeenten en hier in Den Haag, laten vallen. Een van dejeugdzorgmedewerkers zei: ze schuiven alle tekorten en problemen opons af, maar uiteindelijk zijn de gezinnen en de kinderen om wie het gaatde dupe. De jeugdzorgmedewerkers lopen de gaten dicht die vallen doorslecht beleid en een falend jeugdzorgstelsel. Dat is hoe het nu gaat in depraktijk.Het jeugdzorgstelsel wordt vooral overgelaten aan de markt, waardoorwinsten, bureaucratie en concurrentie belangrijker zijn geworden dan debelangen van het kind. Aan het systeem en de werkdruk wordt al jarenniks gedaan. De jeugdzorgmedewerkers krijgen er nog niet eens eenfatsoenlijke loonsverhoging voor, of een aanpak van de problemen waarzij in hun werk tegenaan lopen. De SP staat vierkant achter onze jeugd-zorgmedewerkers. We hopen dat deze Kamer dat ook doet en dat zij devoorstellen van de SP hiervoor zal steunen.Iedereen zegt het al jaren: het kind moet centraal staan, niet het systeem.Ondanks die mooie woorden gebeurt al jaren het tegenovergestelde. Eenjeugdzorgmedewerker vertelt het zelf zo: «Ik ben er wettelijk verantwoor-delijk voor om te bepalen welke hulp een kind nodig heeft. Toch gebeurthet te vaak dat de gemeente die de organisatie of behandeling die ik wilinzetten, moet betalen, dat weigert, terwijl de Jeugdwet duidelijk zegt datde gezinsvoogd bepaalt welke hulp nodig is. Dit ondermijnt onze rol en deveiligheid van het kind.» Een andere jeugdzorgmedewerker zegt: «Als wedan eindelijk ergens een plek hebben gevonden, moet er weer onder-handeld worden met die instelling. Dat duurt allemaal weer maanden, enondertussen moeten het kind en het gezin wachten, wachten en wachten.Dat komt ook doordat gemeenten inzetten op zo goedkoop mogelijkehulp. Dat moet als eerste worden geprobeerd, soms via een hele reeksaan zorgbedrijfjes of zelfs zorgcowboys die zeggen dat de zorg goedkoopgeleverd kan worden. Die zorg past dan niet bij het kind en het gezin. Natig organisaties en nadat er veel tijd overheen is gegaan, komt het kinddan eindelijk op een plek die eerst te duur was bevonden, maar wel past.Maar dan zijn ze weer zoveel hulpverleners verder en dan zijn het kind enhet gezin zo vaak van hulpverlener gewisseld, dat het voor het kind en hetgezin nóg lastiger is om een vertrouwensrelatie op te bouwen. Wantwaarom zouden zij een hulpverlener nog vertrouwen? Het is immers al dezoveelste die voorbijkomt en ook wel weer zal weggaan. Dit brengt hetkind en het gezin schade toe en maakt de zorg zo veel duurder.» Ik noemook de wanhoop van sommige jeugdzorgmedewerkers als zij hetvertellen: «Wij hebben het alleen nog maar over geld; zíj hebben hetalleen nog maar over geld. We zijn de hele tijd aan het onderhandelenover geld: kan het niet goedkoper, kan het ergens anders niet goedkoper?Het gaat niet meer over het kind. Het gaat niet meer over het gezin dathulp nodig heeft, terwijl we daar zo hard voor werken.»Nogmaals, iedereen zegt het al jaren: het kind moet centraal staan in hetsysteem. Ook in het nieuwe coalitieakkoord lezen we weer hetzelfde, maarconcreet is het niet. Met vage, mooie woorden komen we er echt niet. Alsde coalitiepartijen dit menen, laten we dan ook écht concrete stappengaan zetten. De markt moet uit de jeugdzorg gehaald worden. Daaromwillen wij nu een commissie aanstellen die moet gaan onderzoeken hoede jeugdzorg kan worden vormgegeven zonder marktwerking, zonderaanbestedingen en zonder openhouseprocedures; in plaats daarvan moetmeer gewerkt worden met langdurige subsidierelaties en vaste tarieven.Wij zijn niet de enigen die ertoe oproepen de markt uit de jeugdzorg tehalen. Ook Jeugdzorg Nederland doet die oproep, naast de vele jeugd-zorgmedewerkers, die hier gewoon echt heel veel last van hebben.Als de voorbeelden die ik eerder noemde er nog niet van overtuigen datdit nodig is, dan toch dit. Ik sprak een aanbestedingsspecialist van eenlandelijke jeugdzorgaanbieder en vroeg hem hoe dit nu allemaal werkt. Zijhebben 85 fte aan mensen in dienst die alleen maar bezig zijn met hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18446 circus van aanbestedingen en inkoop. 85 fte! Eén aanbieder! Dat zijnmensen die alleen maar bezig zijn met het aflopen van marktconsultatiesen het invullen van eindeloze formulieren. Ze zijn zo een heel jaar drukmet één aanbestedingstraject, voor één gemeente of één instelling, enelke gemeente waarmee zij moeten onderhandelen, heeft ook weeraanbestedingsspecialisten in dienst. Dat zijn ook weer mensen diemarktconsultaties aflopen. Kom op, zeg! Dit zijn allemaal mensen dieworden betaald van zorggeld. Vindt de Staatssecretaris, en vindt deKamer, dit echt een goede manier om zorggeld te besteden? Graag eenantwoord. Heeft de Staatssecretaris eigenlijk enig idee hoeveel dit kost,hoeveel mensen hier elke dag mee bezig zijn? Zij worden betaald vanzorggeld, maar geven geen zorg. Als ze dat niet weet, waarom weet deStaatssecretaris dat dan eigenlijk niet?Weet u wie dat aanbestedingscircus vaak wint? Zorgcowboys, want diekunnen het zo lekker goedkoop. Er is een jungle aan zorgbedrijfjes die hetgoedkoop kunnen aanbieden. We weten allemaal waar dat toe leidt.Willen we echt dat het kind centraal staat en niet het systeem, laten wedan een einde maken aan dat aanbestedingscircus. Ik reken op steunvanuit de Kamer hiervoor.Dan heb ik nog wat losse vragen. Hoe staat het met de uitvoering vanonze motie om te zorgen dat gemeenten niet op de stoel van jeugdzorg-medewerkers gaan zitten, en dus verwijzingen van jeugdzorgmede-werkers niet gaan afwijzen of heroverwegen om de kosten te drukken?Als we het kind centraal willen stellen en niet het systeem, waarom is erdan nog steeds private equity in de jeugdzorg? Dit zijn sprinkhaankapita-listen die alleen geld willen verdienen en die het helemaal niet om de zorgvoor kinderen en gezinnen gaat. Graag een reactie, want hier zijn al tigmoties over aangenomen.Dan omzetplafonds in de jeugdzorg. Kom op, wat is daar de toegevoegdewaarde van? Zullen we die gewoon uit de jeugdzorg halen?Voorzitter. Dan de bezuinigingen. Ik heb er ook een aantal interrupties aangewijd.De voorzitter:Voordat u daarnaartoe gaat, is er een interruptie van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik heb me als gemeenteraadslid in Amsterdam ook enorm gestoord aanhet eindeloos moeten aanbesteden. Mij is toen uitgelegd dat het boveneen bepaald bedrag gewoon Europese wetgeving is. Dan moet jeaanbesteden. We zijn dus overgeleverd aan Europa, zeg ik even heelextreem. Maar volgens mij is dit wel de situatie. Er zijn een paarconstructies mogelijk, zoals open house en dat soort dingen, maar daarbijgaat het om vrij kleine gunningen. Hoe ziet u dat dan voor zich? Ik benhier ook benieuwd naar. Tegelijkertijd ben ik tegen een muur aangelopen.Mevrouw Dobbe (SP):We hebben deze vraag eerder gesteld aan de Staatssecretaris of deMinister; ik weet niet meer wie het was. We hebben bevestigd gekregen,ook op schriftelijke vragen, dat het niet hoeft. Je hoeft niet aan tebesteden. Gemeenten kiezen er wel voor om het te doen, maar het hoeftniet. Het gebeurt wel en daar willen we vanaf.De voorzitter:Duidelijk antwoord. U was bij de bezuinigingen.Mevrouw Dobbe (SP):Wij zijn niets liever dan duidelijk, voorzitter.Dan de bezuinigingen. Ondanks dat er tijdelijk wat extra geld beschikbaarwas gesteld voor de jeugdzorg, blijven er bezuinigingen ingepland staan,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18447 die oplopen tot wel 1,8 miljard euro in 2028. Ook op het gebied van degehandicaptenzorg voor jongeren staan er vanaf volgend jaar nog steedsbezuinigingen ingepland. De commissie-Van Ark noemde de ingeboektebezuinigingen een «zwaard van Damocles» boven de jeugdzorg. Nu is2026 al begonnen en hebben we het hier over de begroting. Dit jaar moeter al bijna 0,5 miljard euro bezuinigd worden op de jeugdzorg, terwijl dehervormingen helemaal nog niet bezig zijn en nauwelijks zijn bereikt.Waar gaat dat geld vandaan komen? Wij weten dat de rekening komt teliggen bij de kinderen, bij de gezinnen en bij de jeugdzorgmedewerkers.We weten inmiddels ook dat deze nieuwe coalitie, ondanks de mooiewoorden over optimisme, over het kind centraal en het systeem centraal,gewoon doorgaat met deze draconische bezuinigingen op de jeugdzorg,net zoals zij 10 miljard euro extra – extra! – op de hele zorg wil bezuinigen.Dit zijn desastreuze en onmogelijke bezuinigingen, boven op alleonmogelijke bezuinigingen die al ingepland staan. Voor alle dingen die jekapot kunt maken, laat je de zorg de rekening betalen. Het is een groveschande, net zoals het gewoon doorzetten van de eigen bijdrage in dejeugdzorg. De SP stelt nu voor om deze bezuinigingen op de jeugdzorgvan tafel te halen, net zoals we voorstellen zullen doen om de afbraak vande hele zorg door deze coalitie ongedaan te maken. Want dit zullen enkunnen we niet accepteren.Voorzitter. Vlak voor het debat sprak ik, net zoals een aantal mensen hier,met Emilio en Het Vergeten Kind. Op zijn 11de is Emilio uit huis geplaatst.Hij sprak ook over het gebrek aan gezinsondersteuning en over wat zijnuithuisplaatsing met hem heeft gedaan. Zij vragen om meer regie. Zijvragen om regie op uithuisplaatsingen, zodat we onnodige uithuisplaat-singen kunnen voorkomen. Natuurlijk kunnen wij dat steunen. Ik sluit megraag aan bij de vragen die zijn gesteld over hoe het gaat in Flevoland enover hoe we de uithuisplaatsingen kunnen voorkomen.Voorzitter. Ik wil afsluiten met de woorden van een jeugdbeschermer overdit debat: «Zonder fundamentele veranderingen kunnen wij als jeugdbe-schermers niet doen wat nodig is. Dit gaat ten koste van de veiligheid entoekomst van de meest kwetsbare kinderen. We zijn echt veel kinderenmet potentie aan het verliezen. Zij zullen opgroeien met wantrouwen inhet systeem en wantrouwen in de overheid. Dat kun je later in het levenniet zomaar herstellen.» Ik sluit mij ook graag aan bij de vragen die zijngesteld over de erkenning en de excuses. Daar heeft de Kamer omgevraagd naar aanleiding van het rapport van Jason. Zorgvuldigheid isgoed en belangrijk, maar als je er te lang over doet, is dat niet meerzorgvuldig. Dat verdienen deze mensen wel.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker. Het woord is aanmevrouw Moinat namens Groep Markuszower.Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):Dank u wel, voorzitter. Sinds vorige week ben ik woordvoerder op dezebelangrijke portefeuille. Zeker als oud-pleegmoeder – ik heb vijf jaar langvoor mijn pleegzoon gezorgd – vind ik dit een heel belangrijk deel vanVWS. Een op de zeven kinderen in Nederland ontvangt jeugdhulp. Dat iseen zeer hoog aantal, wat onze fractie betreft veel te hoog. Op basis vanafspraken tussen gemeente en provincie plaatsen Nederlandse zorgaan-bieders kinderen ook in het buitenland. We verliezen ze vervolgensgrotendeels uit het zicht. Dit is geen incident, maar een systeemfout.Waarom plaatsen we nog steeds kinderen, bijvoorbeeld om ze uit eenrisicovolle omgeving te halen, tijdelijk in het buitenland? Is de Staatsse-cretaris het met ons eens dat, gezien de ernstige incidenten van mishan-deling, en erger, die al meerdere keren naar voren zijn gekomen, dezevorm van hulp ook in Nederland kan plaatsvinden? Zo nee, waarom hechtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18448 zij er dan zo veel waarde aan dat deze plaatsing toch in het buitenland kandoorgaan?De Staatssecretaris stelt dat Nederland eindverantwoordelijk blijft. Hoeziet dat toezicht er dan concreet uit? Wie kijkt mee, wie grijpt in en wie isaanspreekbaar als het misgaat? Kan zij bevestigen dat de IGJ nietstandaard geïnformeerd wordt over buitenlandse plaatsingen, en dat ergeen verplichte registratie of meldplicht bestaat bij incidenten alsmishandeling? Zo ja, vindt zij het aanvaardbaar dat kinderen die onderNederlandse verantwoordelijkheid vallen daar feitelijk buiten het zicht vande toezichthouder kunnen verblijven, en zonder ingrijpen mishandeldkunnen worden?Als we kinderbescherming serieus nemen, vraagt dat om afdwingbarekeuzes in plaats van goede bedoelingen. Is deze zorg op afstand eigenlijkwel nodig? Kunnen kinderen die een andere omgeving nodig hebben, niettijdelijk terecht in bijvoorbeeld Friesland of Limburg? Zo blijven ze inbeeld bij de IGJ en verdwijnen ze niet naar een buitenlandse macht.Kinderen vallen dan onder onze eigen jurisdictie en zitten niet 500kilometer of nog meer verderop bij een tijdelijk gezin. Kan de Staatssecre-taris vandaag toezeggen dat bij ieder signaal van mishandeling of ernstigeveiligheidsrisico’s een buitenlandse plaatsing per direct wordt opgeschort,tot onafhankelijk is vastgesteld dat het kind veilig is? Of beter nog, kanworden bekeken of deze kinderen zo snel mogelijk in een plaats inNederland terechtkunnen, zodat toezicht voorhanden is? Wie isaanspreekbaar als dit niet gebeurt? Welke partij wordt verantwoordelijkgehouden als mishandeling niet wordt gezien, niet wordt gemeld en nietleidt tot ingrijpen?Wie een kind uit huis plaatst, ook tijdelijk en ook in het buitenland, draagtwat ons betreft de volledige verantwoordelijkheid voor de veiligheid engezondheid van het betreffende kind. Dat vraagt om toezicht en een echtestopknop. Alles minder dan dat is volgens ons onvoldoende. Onze fractiezal daarom ook een motie indienen die verzoekt om de plaatsing vankinderen voor jeugdhulp in het buitenland in beginsel te stoppen.De berichtgeving over gemeenten die dakloze moeders onder druk zettenmet de dreiging van Veilig Thuis is ronduit schrijnend. Het is goed dat deStaatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg helder stelt datdakloosheid nooit een reden mag zijn voor een melding bij Veilig Thuis ennooit als dreigmiddel mag worden gebruikt. Die norm onderschrijven wijvolledig. Tegelijkertijd constateren wij dat de Staatssecretaris vooral wijstop bestaande wetten en verantwoordelijkheden van de gemeenten, terwijlhet probleem juist is dat deze kaders in de praktijk onvoldoendebescherming bieden. Als moeders hulp mijden uit angst om hun kindkwijt te raken, dan faalt het systeem, ongeacht hoe goed de regels oppapier zijn. De Groep Markuszower vindt dat het Rijk niet kan volstaan metgesprekken en pilots. Gemeenten moeten actief worden aangesproken alszij gezinnen weren of druk uitoefenen. Wij missen concrete handhaving,duidelijke landelijke instructies en zicht op consequenties bij overtre-dingen. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat zij richting gemeentenexpliciet vastlegt dat dreigen met Veilig Thuis onacceptabel is, en hieractief toezicht op houden? Wie om hulp vraagt, moet bescherming krijgenen geen angst hebben dat een kind wordt afgepakt.Vandaag wil ik ook nog stilstaan bij de hervorming van de jeugdzorg. Wehoren steeds de bekende woorden: «het kind is niet het probleem», «hetgezin staat centraal» en «groepsgerichte hulp eerst». Dat klinkt mooi,maar de kernvraag is: gaat dat werken? Groepshulp is goedkoper, maargoedkoper is niet automatisch beter. Kan de Staatssecretaris concreetaangeven bij welke problematiek groepshulp aantoonbaar effectiever isdan individuele zorg, en hoe wordt voorkomen dat groepshulp vooral eenextra wachtrij wordt?Het risico is groot dat kwetsbare kinderen te lang in lichte trajecten blijvenhangen, waardoor hun problemen verergeren en de zorg uiteindelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18449 zwaarder en duurder wordt. Kinderen met een kleine hulpvraag belandenzo soms in langdurige trajecten, terwijl ze aan de voorkant, bijvoorbeeldmet een luisterend oor van de praktijkondersteuner ggz bij de huisarts, alvoldoende geholpen hadden kunnen zijn. Gemeenten blijven verantwoor-delijk, maar krijgen opnieuw geen echte regie. Dit voelt als een stuurlozevisie voor beleidsstukken in plaats van concrete, direct werkendeoplossingen voor kinderen en gezinnen. Ik kan het weten, aangezien ik alsraadslid bijna acht jaar aan de maatschappelijke kant heb gewerkt. Erwordt niet voorkomen dat kinderen op wachtlijsten belanden, inclusief devaak vergeten wachtlijsten na de intake.De Staatssecretaris spreekt over een cultuuromslag, maar cultuurverandert niet door nota’s. Zonder harde keuzes dreigt dit te eindigen innieuwe woorden voor hetzelfde probleem. Onze fractie wil geen volgenderonde met goede bedoelingen, maar een jeugdzorgstelsel dat écht werktvoor kinderen, gezinnen en professionals, en dat daadwerkelijk luistertnaar kind- en jeugdpsychologen, die pleiten voor vroege consultatie in hetvoorveld, zodat het kind direct de juiste hulp kan krijgen: licht waar hetkan en zwaar waar nodig. Er moet meteen concreet gekeken worden engoed worden doorverwezen. Niet elk kind heeft immers meteen jeugdhulpnodig. Is de Staatssecretaris op de hoogte van hoelang de wachtlijsten ende wachtlijsten na de intake zijn in de gemeenten? Mocht de Staatssecre-taris hier nu geen actueel beeld van hebben, is zij dan bereid metgemeenten in overleg te gaan en deze informatie zo snel mogelijk met deKamer te delen?Ik dank u voor uw aandacht.De voorzitter:Ik dank mevrouw Moinat voor haar inbreng. We zijn gekomen aan heteinde van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Gelet op de velevragen die zijn gesteld en vanwege de lunchpauze, schors ik tot 13.55 uur.We schorsen dus voor een uur. We zien elkaar straks weer en dan gaan destaatssecretarissen hun inbreng doen. Daar kijken we naar uit. Ik schorsde vergadering tot 13.55 uur.De vergadering wordt van 12.55 uur tot 13.59 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Jeugd. We zijntoegekomen aan de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Destaatssecretarissen van VWS en JenV hier zullen dat in blokken doen. Ikgeef als eerste het woord aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid,Welzijn en Sport om ons even mee te nemen door de indeling van debeantwoording, zodat de Kamerleden hun interrupties kunnen richten.Voordat ik haar het woord geef: ik begin met maximaal zes interrupties endan kijken we hoe de tijd loopt tot 17.00 uur. Daar zult u mij aan kunnenhouden en ik u. De Staatssecretaris.Staatssecretaris Tielen:Dank u wel, voorzitter. Ik heb een zo kort mogelijke inleiding, dan eenblokje over de Hervormingsagenda Jeugd en de versterking daarvan. DeWet reikwijdte is het tweede blokje. Het derde blokje gaat over deresidentiële jeugdhulp, dus gesloten jeugdzorg, pleegzorg en gezins-huizen. Het vierde blokje noem ik maar even «overig bedrijfsvoering», dusregels, contracten en afspraken. En dan heb ik ook nog wat resterendevragen, wat nog best wel een dik mapje is, heel eerlijk gezegd. Dan is deStaatssecretaris van JenV aan de beurt.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Tielen. Aan u het woord.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18450 Staatssecretaris Tielen:Voorzitter. Het eerste debat dat ik deed als Tweede Kamerlid ging overjeugdzorg. In dat debat heb ik in mijn maidenspeech gerefereerd aan defilm Ciske de Rat, wat de eerste bioscoopfilm was waar ik ooit naartoewas geweest. Wat dat betreft vind ik het wel aansprekend dat StichtingHet Vergeten Kind haar manifest Ciske heeft genoemd. Dat is misschienwel een mooi startpunt van mijn eerste begrotingsdebat als Staatssecre-taris Jeugd.Voorzitter. Vooruitkomen in het leven begint met gehecht en veiligopgroeien in goede gezondheid en een veilige omgeving. Opgroeien isper definitie een weg vol pieken en dalen. Dat is heel normaal. Als ervragen of zorgen zijn over dat opgroeien, dan helpt het als er een warmen vertrouwd netwerk is rondom het kind en zijn gezin, want dat werktnou eenmaal het allerbeste. Dat is natuurlijk allereerst de rol van deouders en de opvoeders – verscheidene van uw leden gaven dat ook alaan – maar ook anderen zijn heel belangrijk. We kunnen ons allemaal welmensen herinneren die een rol hebben gespeeld bij ons opgroeien:mensen op school, familie of vrienden, mensen op de sportvereniging ofandere mensen in de buurt.Als er extra hulp nodig is, moet die ook op tijd en laagdrempeligbeschikbaar zijn. Dat kan in een buurt- of wijkteam of met de huisarts,samen met een docent of een mentor of met de kinderopvang om samente kijken wat nodig is om ondersteuning te bieden aan gezond opgroeien.Als dat niet voldoende is, dan is het belangrijk dat er aanvullendespecialistische hulp wordt ingeschakeld en dat die ook beschikbaar en vangoede kwaliteit is.Die beweging is niet nieuw. Ook daar refereerden verschillende Kamer-leden al aan. Dat is geen nieuw inzicht of een nieuwe visie. We zijn daar aljaren met elkaar mee bezig. Maar het is wel belangrijk dat we er meerkracht op zetten en dat we er echt voor gaan zorgen dat die bewegingnaar de voorkant – ik vind dat zelf een verschrikkelijke beleidsterm, maarhet zegt wel enigszins wat we bedoelen, namelijk zwaardere problemenen zwaardere zorg terugbrengen naar ondersteuning en lichte hulp biedenin en om het gezin – echt steviger wordt ingezet.In sommige gemeenten gebeurt dat al. Hier en daar werd gesuggereerddat het nieuw is en dat we iets gaan creëren wat er nog niet is, maar hetgebeurt al. Ik was vorige week in Sint-Michielsgestel, waar de gemeenteDen Bosch samen met Vught en Sint-Michielsgestel een heel mooijeugdhulpaanbod heeft. Het heet GROEN. Jongeren en ouders kunnendaar snel en zonder wachtlijst op weg geholpen worden in collectiefverband. Ouders die ik daarover sprak, waren heel blij om zich niet alleente voelen in hun vraagstukken. Kinderen hoefden eigenlijk geen aanvul-lende specialistische jeugdhulp meer. Er zijn ook andere voorbeelden. InVeendam, in Utrecht en in Oudewater gebeuren al heel veel goededingen. Ik zal daar een aantal keer aan refereren in mijn antwoorden. Hetis zaak dat dit in alle gemeentes in Nederland neergezet wordt. Dat isnodig, zodat we het aantal van een op de zeven jongeren die nu een vormvan jeugdhulp krijgt – dat zijn 500.000 jongeren; iemand zei het al: in elkeschoolklas vier kinderen – terug gaan brengen. Ja, dat is een financieelvraagstuk, maar financiën volgen het beleid en het resultaat. Het is voormij dus geen financieel doel, maar vooral een doel voor al die kinderen enhun gezinnen, om te zorgen dat men gewoon in de buurt geholpen wordtmet vraagstukken en dat we terug kunnen gaan naar minder druk op dejeugdzorg. Dat is ook goed voor de medewerkers in de jeugdzorg.De hervormingsagenda kende vijf lijnen: het versterken van ouderschap,het creëren van stevige lokale teams, het terugdringen van aanvullendehulp, het verbeteren van de kwaliteit en het verminderen van het aantaluithuisplaatsingen en de toepassing van de gesloten jeugdhulp.Nogmaals, het is niet nieuw, maar we gaan er wel steviger mee aan debak. Dat heeft u in mijn brief kunnen lezen. Een van de dingen dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18451 daarvoor nodig is, is het wetsvoorstel Reikwijdte. Over beide dingen zijnvragen gesteld, dus laat mij naar de vragen gaan.Allereerst over de Hervormingsagenda Jeugd. Enkelen van u vroegen:hoe realistisch is nou die doelstelling om van 500.000 terug te gaan naar350.000 in een paar jaar tijd? Dan gaat het over kinderen en hun gezinnendie gebruik moeten maken van jeugdhulp en jeugdzorg. Ja, het is eenambitieuze doelstelling. Ik ben de eerste om dat toe te geven, maar ikgeloof echt dat het haalbaar is. Ik wil het niet overdrijven, maar denk aande man op de maan. Dat was in die tijd een bijna onmogelijkedoelstelling, maar het is wel gelukt. Dat gaat niet vanzelf; dat moeten wesamen doen. Ik bepaal als Staatssecretaris de koers, maar ik kan het nietalleen. Ik doe dat samen met gemeentes, jeugdzorgaanbieders, professi-onals, cliëntenorganisaties en andere departementen van de rijks-overheid. Ik denk dat als we gezamenlijk die visie hebben voor waar wenaartoe willen – ik heb net geschetst hoe we dat in de hervormingsagendahebben opgeschreven – we dat met vereende krachten echt voor elkaarkunnen krijgen, maar het is wel ambitieus. Het betekent ook echt eenverschil met het maar een beetje aanzien, wat we in de afgelopen jarenmisschien te veel hebben gedaan, of het verschillend kijken naar dingenwaardoor we afgeleid zijn van de richting. Deze vraag was door verschil-lende mensen gesteld, dus ik hoop dat dit antwoord voldoende is.Dan kan ik door naar de vragen die daarop aansloten. Zijn er stappen dienu al sneller gezet kunnen worden? In de brief heb ik een routekaartopgenomen met daarin de verschillende elementen die eraan moetenbijdragen om de hervormingsagenda wat meer kracht te geven. Datbetekent dus dat er ondertussen al van alles aan de gang is. Ik gaf net aanin welke gemeentes er al veel gebeurt en welke jeugdzorgaanbieders daaractief bij betrokken zijn. Heel veel gemeentes zijn dus ook al bezig om tekijken wat ze kunnen doen zodat de stevige lokale teams meer kracht enprofessionaliteit krijgen. Ze kijken ook hoe ze met inkoop en contracteringbetere afspraken kunnen maken over wat je mag verwachten vanaanvullende jeugdhulp. Over het convenant over stevige lokale teams isheel veel gesproken en op papier gezet. Heel veel gemeentes zijn daarmeeaan de bak. Die zijn ook in overleg met de huisartsen in de gemeentes omte zorgen dat er gezamenlijk wordt gezorgd voor ondersteuning en hulpaan jeugd en gezinnen. Zoals ik al zei, zijn er hele mooie voorbeelden. Hetis dus niet zo dat er niks gebeurt totdat iemand ergens op een knopjedrukt. Er gebeurt al heel veel, maar ik denk dat we dat veel gelijkgerichtermoeten doen. Daar heb ik de afgelopen maanden afspraken over gemaaktmet al de partijen die ik al noemde.Er werd gevraagd welke pijnlijke keuzes er nodig zijn. Het klinkt misschienwel makkelijk dat we stevige keuzes moeten maken en dat die somspijnlijk kunnen zijn, maar het gaat natuurlijk om wat je biedt en hoe je datdoet in overleg met gezinnen en kinderen. Is jeugdzorg altijd nodig? Nee.Soms ziet een professional dat al. Die zegt dan: eigenlijk is het niet nodig;zou dit of dat kunnen helpen? Maar dat is lang niet altijd het antwoord datmensen graag willen horen. Het is dus op zichzelf pijnlijk dat je daarovermet elkaar in gesprek moet. Dat betekent dus ook dat er in de stevigelokale teams in gemeentes goede professionals moeten zitten, die aan deene kant de kwaliteit hebben dat ze inzicht hebben in de daadwerkelijkeproblematiek. Ligt het bij het kind, bij de opvoedstijl of toch eigenlijk – ookdaar is al eerder aan gerefereerd – bij andere problemen in het gezin,zoals armoede en schulden, verslaving of psychiatrische problematiek? Zemoeten weten wat dan de beste oplossing is. Dat is niet iets waarbijouders erheen gaan, een gesprek van tien minuten hebben en dan hetgoede antwoord hebben. Dit zijn natuurlijk echt gesprekken waar kwaliteitvoor nodig is. Is dat meteen pijnlijk? In ieder geval is dat niet al temakkelijk; laat ik het zo zeggen. We kennen ook allemaal wel voorbeeldenvan ouders die om hulp vragen en eigenlijk verwachten dat ze die meteenkrijgen op de manier waarop ze denken dat het het beste is, terwijlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18452 professionals met een bredere blik soms zien dat andere oplossingenmeer voor de hand liggen of in ieder geval effectiever zijn. Dat ismisschien het pijnlijke wat we bedoelen: op basis van goede analyses kande goede hulp worden geboden.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Een aantal mensen, waaronder ik, vroegen inderdaad naar de doelstellingen of die haalbaar is. Dan hoor ik de Staatssecretaris zeggen dat er veelgebeurt en dat er keuzes gemaakt moeten worden, zoals over stevigelokale teams. Dat zijn allemaal woorden die volgens mij iedereen hieronderschrijft, maar mijn vraag aan de Staatssecretaris is dan waar zij hetop baseert dat die doelstelling nu wel haalbaar is, als dit de afgelopenjaren, sinds ik in de Kamer zit, en ook daarvoor al voortdurend gezegd is –ik denk dat de mensen die hier in de zaal zitten dit misschien nog wel veellanger horen – en we weten dat de problemen groter zijn dan ooit. Dehulpverleners, de jeugdzorgmedewerkers, gaan de komende tijd weerstaken, omdat er weer enorme problemen zijn, of ze gaan actievoeren.Waar baseert zij het dan op dat er nu echt wat anders gedaan gaat wordendan de afgelopen jaren is beloofd? Dat vraag ik omdat dat overduidelijkvoor onvoldoende resultaten heeft gezorgd.Staatssecretaris Tielen:Om heel eerlijk te zijn, denk ik dat we in de betrokken organisaties heelveel tijd besteden aan het met elkaar afwegen van belangen. Iedereendoet dat vanuit het eigen belang en dat vind ik ook terecht, maar het issoms misschien goed om het eigen belang van de organisatie en deaangesloten organisaties niet per se helemaal bovenaan te zetten, maarom eventjes weer te kijken waar het om gaat. Dan, zoals u ook allemaalzei, zien we allemaal waar het om gaat, namelijk om kinderen en hungezinnen voor wie de problematiek te groot is om zelf op te lossen. Daarmoeten we mee aan de slag. Dat betekent dat we verder moeten gaan dande eindeloze ... Het woord «eindeloos» is misschien iets te stevig. Dezetafels worden natuurlijk heel veel gebruikt om met elkaar over van alles ennog wat te onderhandelen. Onderhandelen betekent per definitie dat jeervan uitgaat dat je verschillende belangen hebt. Die zijn er, maar datmoet je niet wegduwen.Je kan wel met elkaar vooropstellen waar het om gaat. We hebben eenhervormingsagenda. Daar is door allerlei slimme mensen heel veel overopgeschreven. Daar staan allemaal goede dingen in. De deskundigencom-missie heeft daar ook aan gezeten. Laten we dat nou eens even als basispakken en dan met elkaar afspraken maken. Dan licht ik vast een tipje vande sluier op van het blokje twee, over de Wet reikwijdte. Dat is ook dereden dat die wat meer tijd heeft gekost. Ik kan namelijk van allesuitroepen en toezeggen, maar ik kan het niet in mijn eentje oplossen. Ikheb gemeentes, jeugdzorgaanbieders, professionals en cliëntenorgani-saties nodig om echt met elkaar diezelfde visie te omarmen of in iedergeval te onderschrijven en met elkaar te zorgen dat het voor elkaar komt.Ik kan dat niet met cijfers hard maken, maar ik zie wel vooruitgang in hetmet elkaar zoeken naar de manier waarop we dat gezamenlijk doen. Dat isvolgens mij uiteindelijk de enige methodiek om het met elkaar ook voorelkaar te krijgen. Als we dat allemaal onderschrijven heb ik er dusvertrouwen in dat het ook lukt.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Maar ook dit zijn geen nieuwe woorden. Met alle respect voor dezeStaatssecretaris: ook dit zeggen we al heel lang tegen elkaar, vinden we alheel lang enzovoort. Mijn zorg is dat er wel een ambitieuze doelstelling optafel ligt, maar dat de plannen die nodig zijn om tot die maatregelen tekomen, niet worden uitgevoerd. Ik kijk naar het komende coalitieakkoord.Er staat helemaal niets nieuws in, niets nieuws ten opzichte van wat er deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18453 afgelopen acht jaar is gezegd. Ik kijk naar de commissie-Van Ark. Iedereenzegt: we onderschrijven wat er in dat rapport – het is een stevig rapport –staat. Vervolgens wordt het niet uitgevoerd. Een heel aantal aanbeve-lingen die in het rapport van de commissie-Van Ark staan – ik hebnatuurlijk die routekaart enzovoort allemaal goed bestudeerd – wordengewoon niet opgevolgd. Daar zit mijn zorg: dat iedereen wel hetzelfdevindt, maar dat we vervolgens exact hetzelfde blijven doen als deafgelopen jaren. Ik ben dus bang dat dit met de maatregelen van dekomende coalitie nog erger wordt, maar ik snap dat de Staatssecretarisdaar niks over gaat zeggen. Waar baseert zij het dan op dat die doelstel-lingen nu wel worden gehaald? Wat gaat er dan nu echt fundamenteelanders worden?Staatssecretaris Tielen:Mevrouw Westerveld verwijst naar dingen die niet gedaan worden. Hetpunt is dat het wel gedaan wordt, maar lang nog niet overal. Dat is, denkik, het grote verschil. Er zijn echt een aantal gemeentes waar dingen heelgoed gaan, waar stevige lokale teams zijn die breed kijken. Daar iscollectief aanbod voorliggend waardoor kinderen letterlijk zeggen: haalmij maar van die wachtlijst af, want ik ben eigenlijk al geholpen met wat ikdoe. Daar zijn ouders goed betrokken en worden ook andere elementenuit het sociaal domein aangepakt als dat nodig is. Die gemeentes zijn er.Alleen zijn er nu nog te weinig gemeentes waar dat heel goed lukt.Volgens mij hebben we nu met elkaar in «de vijfhoek» afgesproken dat wedat gewoon breder uit gaan rollen. Ik hoef dus ook niet helemaal origineelte zijn; we hoeven niet allemaal nieuwe dingen te bedenken, want volgensmij delen we de analyses en delen we de oplossingen. Daar zit hetprobleem niet. Het probleem zit in het gewoon daadwerkelijk de daad bijhet woord voegen en overal in Nederland stevige lokale teams hebben endat soort zaken.Mevrouw Coenradie (JA21):Daar wil ik toch nog even op voortborduren. Er zijn dus blijkbaar ookgemeentes waar dat dan dus nog niet op orde is of waar het lastig is. Ikzou eigenlijk aan deze Staatssecretaris willen vragen of het mogelijk is datwij eens een overzicht krijgen van waar dat dan blijkbaar toch nog bestwel ingewikkeld is. Het kan namelijk niet zo zijn dat dit in het ene deel vanNederland wel goed geregeld is en in het andere deel niet. De signalenvan waar het niet goed gaat, bereiken ons natuurlijk wat sneller dan designalen van waar het wel goed gaat. Ik zou graag in de vorm van eenbrief in ieder geval willen zien waar het wel goed gaat, waar het nog nietgoed gaat en waarom het daar dan nog niet goed gaat, inclusief eentijdpad – ik gebruikte dit woord al in mijn eigen bijdrage – van wanneerwe wat kunnen verwachten. Zo meteen gaan we het ook hebben over dewet over de reikwijdte. Met zo’n tijdpad kunnen we voorkomen dat we opeen gegeven moment die eindeloze discussies – ik ga het woord maar welgebruiken – krijgen over wanneer er wat gebeurt en de afrekenbaarheiddaarin. Dat gesprek heeft niet zo veel nut als we niet weten wanneer wenou exact wat kunnen verwachten en waar we waarschijnlijk het volgendekabinet dan ook op kunnen aanspreken. Ik heb dus eigenlijk een paarvragen, maar die gaan wel gericht hierover.Staatssecretaris Tielen:Voor dat tijdpad verwijs ik toch gewoon naar de routekaart. Volgens mijheb ik die vorige week gestuurd, dus laten we die gewoon even als basisgebruiken. Ik hoop dat mevrouw Coenradie mij niet vraagt om van 342gemeentes een soort rood-geel-groen-overzichtje te maken met daarbij deuitleg wat er precies wel en niet goed gaat, want dat gaat me enorm veeladministratieve lasten opleveren. Dat geldt niet alleen voor mij – want danzou ik nog denken: oké – maar ook voor al die gemeentes, terwijl weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18454 volgens mij juist willen dat we die hele administratieve last niet latenoplopen. We kunnen wel een aantal voorbeelden geven van waar dingengoed gaan. Ik noemde er al een paar. De rode draad daarin is vaak datpartijen elkaar weten te vinden en dat gemeentes samen met professi-onals en lokale teams met verschillende expertises vanuit andere socialedomeinen een manier vinden om dicht bij het gezin, laagdrempelig,inzicht te krijgen in wat er niet zo goed gaat en wat dan de beste oplossingis. Daar kan ik dus een aantal goede voorbeelden van op papier zetten alsmevrouw Coenradie dat na dit debat nog nodig heeft, maar ik ga geenstoplichtmodel van alle 342 gemeentes toezeggen.Mevrouw Coenradie (JA21):Toch zou ik dat wel willen. Een aantal goede voorbeelden wil ik bestgeloven en het is ook fijn om te praten over de goede voorbeelden, maardaarvoor zitten we hier vandaag niet. Althans, er zijn ook tal vanniet-goede voorbeelden, als ik alle verhalen van iedereen zo beluister.Daar liggen ook precies de zorgen. Op het moment dat wij veel meerinzicht krijgen in waar zaken niet goed gaan, kunnen we veel beter zienwaar het dan misgaat, wat er nodig is en wat er vanuit ons als TweedeKamer, dus niet vanuit de lokale overheid, maar vanuit de landelijkeoverheid, nodig is om dat bij te sturen. Nu blijven we gewoon geen griphebben. We weten dat het daar wel een beetje goed gaat, maar dat hetoverall eigenlijk niet zo goed gaat. Het blijft voor mij gewoon heel ergwazig. Misschien ben ik de enige in dit debat, hoor. Maar ik krijg hiergewoon niet een gevoel van grip op. Ik wil dat gevoel wel hebben.De voorzitter:Grip.Staatssecretaris Tielen:Ik hou van grip, hoor. Ik hou ook van regie en dat soort zaken. Tegelij-kertijd denk ik dat een van de aspecten rondom opvoeding, jeugd, gezinen het bieden van daadwerkelijk goede, passende jeugdzorg is dat langniet alles in vakjes, criteria en cijfertjes te vangen is. Dat is misschienprecies een van de kernproblemen waar we nu als samenleving naarkijken als we het hebben over jeugdhulp. We proberen alles te normali-seren en binnen bandbreedtes te krijgen. Met alles wat daarvan afwijkt,moet iets gebeuren. Ik denk echter dat een deel van de oplossing juist iniets zit waar we überhaupt geen grip op hebben, maar wat wel heelbelangrijk is en waar we met elkaar als samenleving een dialoog overmoeten voeren, namelijk: wat vinden we acceptabel en wat niet?Iemand zei in de eerste termijn al dat de perfecte opvoeding of hetperfecte gezin niet bestaat. Nee. Ik denk zelf dat dat je ook helemaal niettot een vrije, zelfstandige volwassene brengt. Dus ja, ik begrijp de neigingtot grip heel erg, zeker omdat we het hebben over jongeren, in sommigegevallen in heel kwetsbare situaties. We willen er als samenleving enzeker als rijksoverheid in ieder geval alles aan doen om daar een vangnetvoor te hebben, zodat dingen niet uit de hand lopen. Maar laten weonszelf ook niet voor de gek houden en denken dat we met een overzichtmet alle cijfers, alle gemeentes enzovoort alles in handen hebben om dejeugdhulp tot een hoger niveau te krijgen. Ik denk namelijk niet dat dat deroute is. Sorry, dit was een lang antwoord, voorzitter.De voorzitter:Ja. Het was ook hetzelfde antwoord. Ik kijk even naar mevrouw Coenradie.Een derde interruptie?Mevrouw Coenradie (JA21):Ja, voorzitter, dan inderdaad een derde interruptie. De onderliggendevraag is of we eigenlijk inzichtelijk hebben waar het wel goed gaat enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18455 waar het niet goed gaat. Als het antwoord daarop ja is, dan is het volgensmij niet ingewikkeld om de Kamer te voorzien van een overzicht. Ik vraagniet om allerlei cijfers. Je kunt met elkaar kijken wat er nodig is voor eenoverzicht. Ik wil gewoon weten waar het niet goed gaat en waar dusaandacht nodig is. Gaat het om heel veel gemeenten of niet? Ik heb nugeen idee. Gaat het over twee gemeenten in het land, of over 80% van degemeenten? Waar hebben we het nou eigenlijk over? Het kan nietingewikkeld zijn om dat boven tafel te krijgen. Anders is er inderdaadgeen grip en geen regie en zitten we hier de volgende keer weer hetzelfdegesprek te voeren.Staatssecretaris Tielen:Ik zei al: als mevrouw Coenradie die 342 kleurtjes wil, dan krijgt ze die watmij betreft niet. Ik snap wel wat mevrouw Coenradie zegt. Ik zal kijken hoeik dat op kan schrijven. De goede voorbeelden die ik noem, zijn natuurlijkde voorlopers die het heel goed doen. We hebben allemaal voorbeeldenvan achterlopers, om het zo maar te zeggen. De grote kunst is volgens mijom die hele middengroep mee te krijgen met de voorhoede. Dat is waarwe naar zoeken, denk ik. Dat is waar we met de lijnen in de hervormingsa-genda ook richting aan willen geven. Als mevrouw Coenradie zegt dat«goed» betekent dat het volgens de lijnen van de hervormingsagendaloopt – ik denk dat we elkaar daarin vinden – dan denk ik dat ik daar weleen enigszins kwalitatieve duiding aan kan geven. Dat heeft dan ook hetdoel om juist de middengroep, die misschien nog een beetje zoekt naareen voorbeeld of naar hoe het moet, mee te krijgen met de voorlopers. Ikben zeker bereid om dat inzichtelijk te krijgen.De voorzitter:Kunnen we dat inzicht verwachten – ik noem maar wat – voor hetzomerreces? Een brief? U weet hoe het werkt, Staatssecretaris.Staatssecretaris Tielen:Dat is het ingewikkelde van de dag van vandaag, natuurlijk. Het latevoorjaar, is dat wat? Het late voorjaar, dus zeker vóór de zomer. Ik weetdat termijnen in de Kamer altijd allerlei mooie eufemistische termen ...De voorzitter:Dan hebben we «voor het zomerreces» en niet «voor de zomer»; dat zijnook altijd van die... Maar goed, gaat u door.Staatssecretaris Tielen:We zijn bezig met een soort monitor om de uitvoering van de hervor-mingsagenda wat meer body te geven. De eerstvolgende keer dat wehierover schrijven, zal ik in antwoord op de aanvraag wat meer woordenhieraan wijden.De voorzitter:Excuus. Ik had niet onthouden dat mevrouw Dobbe een interruptie wildoen.Mevrouw Dobbe (SP):In het late voorjaar of voor de zomer horen wij dan hoe het loopt met dehervormingsagenda, maar ondertussen wordt de bezuiniging die erbijhoort, of de besparing die ingeboekt zou moeten worden op basis van diehervormingen, al wel 100% doorgevoerd. Dat is bijna een half miljardeuro. De commissie-Van Ark, die ik hier net als mevrouw Westerveld aleerder noemde, zei: «Doe dat nou niet. Ga eerst besparen en als dat lukt,boek je ’m in. Boek ’m dus in als een pm-post.» Dat heeft dit kabinet nietgedaan. Ik hoorde de Staatssecretaris zeggen dat er een middengroep isen een achtergroep. Er gebeuren goede dingen, maar lang niet overal. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18456 gebeurt op te weinig plekken en het probleem is dat op te weinig plekkende daad bij het woord wordt gevoegd. Het is dan toch duidelijk dat dehervormingsagenda niet op alle plekken op het niveau loopt zoals wehadden gepland, maar die bezuiniging wordt wél ingeboekt. Dat kan tochniet zonder gevolgen blijven? Ik zou van de Staatssecretaris willen horenwelke gevolgen dat volgens haar heeft, zeker voor de middengroepen enachtergroepen die het nu dus blijkbaar al niet lukt.Staatssecretaris Tielen:Conceptueel-theoretisch zou ik kunnen zeggen dat het interessant is omdat pm te doen, want ik vind ook dat financiën uiteindelijk beleid moetenvolgen. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Bovendien helpt het soms ookom gewoon te beginnen met de hervorming die als doel heeft omdaadwerkelijk minder jeugdhulpgebruik voor elkaar te krijgen. Een aantalvan de echte voorlopers laten ook zien dat het kan. We gaan het wat mijbetreft dus niet veranderen. Ik geloof zelfs dat het echt kan helpen.Mevrouw Dobbe (SP):Theoretisch gezien is het dus een goed idee, maar in praktijk doen we hetanders. Dan mis ik toch wel de erkenning door deze Staatssecretaris datdit gezinnen, jongeren en het werk van jeugdzorgmedewerkers ook heelerg kan beschadigen. Je legt namelijk een bezuiniging op die niet isgebaseerd op een maatregel, want die maatregel is misschien nog nietdoorgevoerd, maar ik mis de erkenning dat dit allemaal zonder schadeaan onze jeugdzorg kan. Dat vind ik heel kwalijk, want die komt ernatuurlijk wel.Staatssecretaris Tielen:De vraag is wat mevrouw Dobbe mij nu precies vraagt. Uiteindelijkhebben wij in 2015 een aantal afspraken gemaakt. Daar is op een gegevenmoment de Hervormingsagenda Jeugd uit voortgevloeid, met daarin delijnen die ik zojuist al aangaf. Inmiddels gaat er telkens heel veel meergeld naar de jeugdzorg. Dat komt deels niet bij jongeren terecht, omdathet aan administratieve lasten en dat soort dingen wordt uitgegeven. Wezijn er hard mee bezig om dat in te dammen. Het is nog steeds heel veelmeer geld dan het ooit was. Dat zei iemand anders volgens mij ook. Elkjaar komt er meer geld bij.Mevrouw Dobbe (SP):Ja, maar dat is het punt dat we altijd bereiken, in elk zorgdebat waarbij erwordt bezuinigd. Op het moment dat er geen concreet antwoord kanworden gegeven, komt het antwoord dat we elk jaar meer aan zorgbesteden. Maar toch bezuinigen we; dat is wel wat er gebeurt. In depraktijk wordt er nu bezuinigd op de jeugdzorg, bijna een half miljard eurodit jaar. De Staatssecretaris weigert te erkennen dat dat negatievegevolgen heeft voor kinderen, gezinnen en mensen die het werk doen. Datvind ik heel kwalijk, want dat is gewoon niet eerlijk. Wees er dan ookeerlijk over en zeg: deze bezuinigingen hebben gevolgen; dat is heelpijnlijk, maar wij kiezen hiervoor. We kunnen er namelijk ook voor kiezenom dit niet te doen. Wees er dan eerlijk over.Staatssecretaris Tielen:Wij geloven dat heel veel van de oplossingen voor juist die kinderen inkwetsbare situaties liggen in de route die we met de hervormingsagendaneerzetten. Dat betekent dat er minder zware jeugdhulp nodig moet zijnen veel meer gedaan moet worden in het voorportaal. Dat zijn dus delokale teams, enzovoorts. Dat kan echt. We kunnen het geld dus veel betermet z’n allen besteden als we allemaal hetzelfde pad belopen, dezelfdevisie hebben daarop en met elkaar optrekken. Ik ben ervan overtuigd datwe daarmee de jeugdzorg kunnen verbeteren. Dat geldt zeker voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18457 toegang tot de jeugdzorg, voor al die kinderen die nu in kwetsbaresituaties te lang moeten wachten. Daarmee zijn een aantal vragenbeantwoord.Dan kom ik bij de vraag, onder anderen gesteld door mevrouwWesterveld, over de eigen bijdrage als onderdeel van de ambitie. Dit isook niet de eerste keer dat we hierover van gedachten wisselen in eendebat, maar ik snap de vraag. Uiteindelijk hebben we in het brederepakket van maatregelen rondom de Hervormingsagenda Jeugd en deversterking van de jeugdzorg afgesproken dat er een eigen bijdrage komt.Hoe die er precies uit zou zien, is destijds niet met elkaar besproken. Wezien dat het beroep op de individuele jeugdhulp best wel hard gegroeid is,terwijl dit vaak niet de enige of de beste oplossing voor de problemen vandie kinderen is, maar wel een grote druk op de beschikbaarheid legt. Datis de reden om te werken aan een eigen bijdrage, waarbij met name hetdoel is om bewuster te kijken of de vervolghulp die we nu kiezen passenden effectief is. Er is daarvoor een besparing van 260 miljoen euroopgeschreven. We zijn nu de verschillende vormen waarin het kan op eenrijtje aan het zetten, ook indachtig de oproep die een aantal keren vanuitde Kamer heeft geklonken: hou nou oog voor juist die kwetsbare gezinnenen kinderen die op andere vlakken ook al veel problemen voor de kiezenkrijgen. Dat zijn we nu op een rijtje aan het zetten en dat komt later dit jaarnaar uw Kamer. Dat waren de vragen over de eigen bijdrage.Meneer Stoffer vroeg hoe het staat met de brede jeugd- en gezinsaanpak.Volgens mij is juist in die hele richting met stevige lokale teams de bredejeugd- en gezinsaanpak geïncorporeerd, om het maar zo te zeggen.Daarnaast zijn we, zoals ook in de brief stond, bezig met die socialeagenda voor Nederland, waar ook de andere domeinen bij betrokken zijn.Daar hoort het prachtige woord «integraliteit» bij. Dat betekent dat wenaast zorg ook oog hebben voor wonen, gezondheid, veiligheid enonderwijs, om op die manier rondom gezinnen ook laagdrempeliger hulpte kunnen geven. Die sociale agenda voor Nederland wordt later ditkalenderjaar naar uw Kamer gestuurd; dat wil zeggen, de voortgang opdat gebied. We hebben een ontwerp voor de Nationale Jeugdstrategieopgeleverd, waarbij we met name voor jongeren tussen 12 en 29 kijkenhoe we op al die domeinen stappen kunnen zetten. Dat doen we samenmet andere departementen van de rijksoverheid, maar daarover zijn ookgesprekken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en deNationale Jeugdraad. Dat loopt dus. Ik zie de heer Stoffer niet, dus ik kanniet controleren of hij dat herkent.De financiering van een sterke pedagogische basis. Enkele Kamerledenrefereerden al aan een sterke sociaalpedagogische basis. «It takes avillage to raise a child», werd al genoemd. Bij een sterke sociaalpedago-gische basis op meerdere domeinen spelen lokale teams een rol, net alssamenwerking met scholen, welzijnsorganisaties in de gemeentenenzovoort, enzovoort. Dat is ook onderdeel van de afspraken met degemeenten.Mevrouw Moinat vroeg wanneer groepshulp effectief of beter is. We ziendat het helpt.De voorzitter:Voordat u verdergaat: er is een interruptie van de heer Hamstra van deCDA-fractie.De heer Hamstra (CDA):Mijn vraag zag erop dat in uw voortgangsbrief gesproken wordt van eenminimumniveau voor die sociaalpedagogische basis. Wat ziet u dan alsminimum en waarom is dat het minimum? Kunt u daarvoor een adequateonderbouwing geven?Staatssecretaris Tielen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18458 We hadden het net al eventjes over hoe het wel en niet goed gaat ingemeentes. In elke gemeente is er natuurlijk nagedacht, in 2014–2015 al,over de vraag: hoe past dit het beste in onze gemeente, wat moeten weinrichten? Nu proberen we, in overleg met gemeentes, aan te geven water nodig is om het lokale team goed in te richten en wat de sociale basisis. Je moet ervoor zorgen dat er een verbinding is in de afspraken. Dangaat het om welzijnsorganisaties, inloop- en ontmoetingsplekken eninfrastructuur voor informele steun. Dat klinkt een beetje raar, maar hetgaat erom hoe je ervoor zorgt dat informele steun ook betrokken wordt bijproblematiek. Denk ook aan de betrokkenheid van bijvoorbeeld dejeugdgezondheidszorg, die bijna 100% van de gezinnen met jonge kindjesziet. Die samenwerking moet je in ieder geval hebben afgestemd in degemeentes. Daarnaast moeten de lokale teams de mogelijkheid hebbenom als team laagdrempelige hulp te bieden en breder te kijken dan alleennaar problematiek rondom het kind. Denk aan problematiek rondomarmoede en schulden, geestelijke gezondheidszorg en al die dingen diewe eerder noemden. We proberen dit vast te leggen, zodat elke gemeentezich hierop kan baseren en weet: dit wordt er van ons verwacht.De heer Hamstra (CDA):Tot slot. Er komt in het late voorjaar een brief naar de Kamer toe.Misschien is het goed om daarin de best practices op te nemen vangemeenten die de sociaalpedagogische basis hebben ingericht. Ik heb zelfook wel wat voorbeelden. Ik denk dat dat andere gemeenten kan helpen.Staatssecretaris Tielen:Dan hoop ik dat meneer Hamstra het oké vindt dat we niet alle 342gemeentes op een rijtje zetten, want dan wordt die brief veel te dik. Maarinderdaad, op die manier kun je dat doen. Welke gemeentes lopen hierinvoorop en hebben dit volgens de normen en afspraken goed ingeregelden welke lopen echt achter? Dan kunnen we de gemeentes in het midden– dat is waarschijnlijk de grootste groep – een handreiking geven omdaarover in gesprek te gaan met hun gemeenteraden, want zo wil ik hetwel graag zien.De laatste vraag in het blokje Hervormingsagenda Jeugd gaat overgroepshulp. Mevrouw Moinat vroeg hiernaar. We zien dat het werkt ingemeentes – een voorbeeld van hoe die pedagogische basis kan wordeningevuld – waar jongeren in groepen met elkaar spreken onderbegeleiding van professionals over hun eenzaamheidsproblematiek,angsten of depressies. Soms staan ze op een wachtlijst. In de voorbeelden– dat is geen gekwantificeerd onderzoek – zegt ongeveer de helft van dejongeren: «Dit helpt mij enorm. Ik weet dat ik niet alleen ben. Ik ben metpeers daarover in gesprek.» We weten dus dat dat helpt. Er blijvennatuurlijk altijd vraagstukken die je niet in groepsverband oplost. De wegmoet altijd openblijven voor jongeren en ouders die alsnog individuelehulp nodig hebben. Maar we willen eigenlijk stimuleren om te beginnenmet collectief aanbod, omdat het vaak gewoon echt heel veel helpt.Dan ga ik naar het volgende thema. Dat is de Wet reikwijdte. Ik had er aleen paar tipjes van de sluier over opgelicht. De vraag was: waarom kanhet niet sneller? «Ons was 2023 beloofd en nu krijgen we hem pas aan heteind van het jaar te zien.» Ik heb al gezegd dat ik het heel belangrijk vinddat we de hervormingsagenda gezamenlijk opstellen. Het moet dus nietzo zijn dat het Rijk verzint hoe het moet en dat de rest dan maar geachtwordt hierin mee te gaan. Het moet echt een gezamenlijk proces zijn,zeker met gemeenten. We verwachten namelijk heel veel van degemeenten daarbij.We hebben heel zorgvuldig gekeken, zowel in de diepte als in de breedte,naar wat we verwachten van het wetsvoorstel Reikwijdte. Het is namelijkeigenlijk een aanscherping van de Jeugdwet, waarbij we de kwaliteit ende toegang van jeugdzorg proberen te verbeteren. Daarover zijn weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18459 uitgebreid in gesprek geweest met gemeenten, andere departementen,jeugdzorgaanbieders, cliëntenorganisaties en professionals, om uitein-delijk te kijken of hij ook daadwerkelijk effectief gaat zijn. Ik houd namelijkniet van wetten waarmee we uiteindelijk niets kunnen. Hij moet dus echteffectief zijn.De wet zit nu in de afrondende fase. Wat mij betreft gaat hij zo snelmogelijk in consultatie, zodat ook de rest van Nederland mee kan lezen endaar zijn ideeën en opmerkingen bij kan geven. Wat mij betreft doe ík datnog, om het maar zo te zeggen.Mevrouw Coenradie (JA21):De ervaring leert dat dit soort zaken enigszins vooruit worden gepland. Isvanuit het ministerie al helder wanneer deze wet in internetconsultatiegaat?Staatssecretaris Tielen:We zijn een demissionair kabinet, dus dat betekent dat de wet door deministerraad moet. Maar we verwachten dat hij eind van de maand ininternetconsultatie is. Dan verwachten we ongeveer acht weken consul-tatie. Daarna hebben we een aantal weken nodig om alle opmerkingen envragen te verwerken. Dan gaat hij naar de Raad van State. Dat is danhopelijk in de zomer, zodat hij na de zomer, het liefst zo snel mogelijk,maar dus in de laatste helft van het jaar gereed is.De voorzitter:Er is een interruptie van mevrouw Coenradie. Nee, toch niet, zie ik. Check.Dan mevrouw Synhaeve.Mevrouw Synhaeve (D66):Ik hoor de Staatssecretaris zeggen: het heeft tijd gekost omdat we hetzorgvuldig willen doen, samen met andere partijen. Dat roept bij mij devraag op of we dan ook echt keuzes maken. Zorgvuldigheid is goed, maarzeggen we ook wat wel en wat niet? Dat is namelijk waar om gevraagdwordt.Staatssecretaris Tielen:In de brief heeft mevrouw Synhaeve kunnen lezen welke elementen er inde Wet reikwijdte zitten. Misschien verwacht mevrouw Synhaeve dat er inde wet al komt te staan wat we niet gaan scharen onder de definitie vanjeugdhulp. Ik bedoel dan met name zorgvormen en trajecten en zo. Datgaan we niet doen. Wat we gaan doen, is in de wet de mogelijkheidcreëren om die lijst te maken. We nemen hem niet in de wet op. Waarom?Omdat er in dit stadium nog te veel verschillende vormen, beschrijvingenen uitvoeringsteksten zijn rond verschillende zorgvormen. Daar nu al ineen wet strikte criteria aan geven gaat waarschijnlijk niet helpen.Tenminste, het opnemen van strikte beschrijvingen helpt niet, maar hetopnemen van criteria wel. Dat is wat we proberen te doen. Zo zorgen wedat dat soort keuzes uiteindelijk wel gemaakt kunnen worden.Mevrouw Synhaeve (D66):Die lijst met strikte criteria landt dus niet in het wetsvoorstel, maar wehebben ze alsnog nodig. Kan er vanuit de Staatssecretaris dan eentoezegging komen dat we daar parallel aan werken? Dan hoeven we nieteerst te wachten op het wetsvoorstel en dan na te gaan denken over hoewe dat specifiek gaan afbakenen.Staatssecretaris Tielen:We gaan het als volgt doen. We nemen in de wet de mogelijkheid op ombij algemene maatregel van bestuur, zoals dat officieel heet, dus perAMvB, zo’n soort lijst te maken. Ik nodig iedereen graag uit om daaroverTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18460 mee te denken en om te kijken hoe we dat zo goed mogelijk kunnen doen.Ik kan me dus aansluiten bij mevrouw Synhaeve als ze zegt dat we ergeen serieel maar meer een parallel proces van zouden moeten maken.Als ik het goed begrepen heb, was de vraag van de heer Hamstra of hetde bedoeling is van de Jeugdwet dat met lichte hulpvragen bij degemeente wordt aangeklopt. Ja, dat is het. We willen heel graag dat jemet lichte hulp- of ondersteuningsvragen – dat geldt voor kinderen, maarnatuurlijk ook als het gaat om de opvoeding en het gezin eromheen –makkelijk in de buurt terechtkan. De vraag is of dat moet leiden totindividuele jeugdhulptrajecten. Daar zou ik liever nee op zeggen. Dat iswaarom we dat in de reikwijdtewet wat steviger opschrijven. Hetfaciliteren van collectieve voorzieningen voor lichte vragen wordtonderdeel van het wetsvoorstel Reikwijdte. Daarin komt ook eenafwegingskader voor de situaties waarvoor jeugdhulp bedoeld is, waar wenet eigenlijk al een beetje aan refereerden.De vraag van zowel het CDA als GroenLinks-PvdA was, als ik ook die goedheb begrepen: wie vallen er straks niet meer onder de Jeugdwet? DeJeugdwet is bedoeld voor jeugdigen en ouders met uiteenlopendeproblematiek. Dat varieert van chronische beperkingen tot mentaleklachten, opvoedproblemen enzovoort, enzovoort. Al die hulpvragenvragen om passende antwoorden. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.Dat is volgens mij precies waarom we zijn waar we zijn, want dat kannatuurlijk per situatie verschillen. We proberen vooral ten opzichte van deJeugdwet scherper te krijgen hoe de afweging wordt gemaakt of je echtaanvullende zorg nodig hebt of niet. We hebben bijvoorbeeld een«ernstcriterium» – zo hebben we het maar even genoemd – opgenomen inhet wetsvoorstel Reikwijdte. Dat is het criterium van hoe ernstig iets is.Over de sterke pedagogische basis heb ik al een aantal vragen beant-woord. Ik denk dat ik daarmee aan het einde van dit thema gekomen ben.De voorzitter:Dat roept een interruptie op bij de heer Hamstra.De heer Hamstra (CDA):Twee vragen die ik nog gesteld had, waren hoe we het monitoren en of deStaatssecretaris scenario’s klaar heeft liggen voor als we achterlopen opschema. Eind 2028 moet het gaan om een op de tien jongeren. Ik hoor unet iets zeggen over een AMvB en de lijst met criteria. Is dat een van descenario’s die u klaar heeft liggen, zodat we kunnen intensiveren wanneerwe het niet gaan redden, of heeft u nog andere scenario’s daarvoor?Staatssecretaris Tielen:In de routekaart hebben we opgenomen op welk tempo we dingen doenen hoe we dat een beetje bijhouden, dus hoe we monitoren dat we dattempo ook halen. Er is ons ook alles aan gelegen om dat te halen, vooralook met het oog op het vooruithelpen van al die kinderen en hun oudersen gezinnen. Als we er onderweg, waarschijnlijk samen met u, achterkomen dat we toch niet op het tempo lopen dat we willen, dan zullen wedaar op de een of andere manier versterking in moeten aanbrengen. Ikheb nu niet een rijtje met «als dit, dan dat» of «als zus, dan zo». Ik hebdaar geen beslisboom achter zitten. Maar de urgentie voelen we. De wensligt niet alleen bij mij, maar ook bij de partners met wie we dit doen en ikhoor hem ook bij uw Kamer. Volgens mij kunnen we daar samen echt welalert op zijn en scenario’s voor maken als dat nodig is.Dan kom ik bij het thema residentieel, waar onder andere ook geslotenjeugdzorg in besloten zit. Daar begin ik dan ook mee. De vraag van onderandere mevrouw Westerveld was wat de stand van zaken is metbetrekking tot de transformatie van de gesloten jeugdhulp. Die is best welhard afgebouwd de afgelopen jaren. In 2019 kenden we 1.680 plaatsingenin de gesloten jeugdhulp. Afgelopen jaar, in 2025, waren dat er 656. DaarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18461 is dus echt hard aan gewerkt. Tegelijkertijd zijn we natuurlijk nog niet waarwe willen zijn, dus we zijn nog niet klaar. Voor een heel groot deel van dejongeren die vroeger, zou ik bijna zeggen, in de gesloten jeugdhulpterechtkwamen, is het gelukt om op een andere manier jeugdhulp en debenodigde bescherming en veiligheid te bieden. Dat gaat niet zomaar. Datvergt echt wel wat. Ik hoorde de shout-outs, om het in goed Nederlands tezeggen, van een aantal van uw Kamerleden richting de professionals. Laatmij daar dan bij aansluiten, want het heeft ook echt veel gevraagd vanprofessionals en de organisaties om echt de-escalerend en op relationeelgebied op te treden en te zorgen dat jongeren zich veilig genoeg voelenom het ook voor medewerkers goed te houden. We willen echter door metafbouwen. Om residentiële jeugdhulp te voorkomen moeten jeugdigen engezinnen die eerder passende hulp nodig hebben, die dus ook kunnenkrijgen en moeten we door blijven gaan met het ontwikkelen vanalternatieve vormen van jeugdhulp. Een en ander hangt natuurlijk eenbeetje af van de zorg die in de regio beschikbaar is en van de proble-matiek van de jeugdigen zelf. Soms kun je intensieve ambulante hulpopzetten en soms zijn kleinschalige woonlocaties een goede oplossing.Dat is dus verschillend, ook per regio. De organisaties en professionals –«het veld», zoals ze het soms noemen – hebben daar het ConsortiumKleinschaligheid in de Jeugdhulp voor opgezet. Dat samenwerkings-verband is aangegaan om het opzetten van kleinschalige woonlocatiesmogelijk te maken. Zij worden ondersteund door het programmaTransformatie Gesloten Jeugdhulp.De D66-fractie vroeg naar de middelen die daarvoor beschikbaar zijngesteld. Om deze transformatie voor elkaar te krijgen, is door middel vaneen specifieke uitkering 176 miljoen verstrekt aan de zeven coördinerendegemeentes. Dat bedrag is primair bedoeld voor de afbouw van geslotenjeugdhulp en voor de ombouw naar kleinschalige gesloten jeugdhulp. Degemeentes kunnen deze middelen zelf inzetten, bijvoorbeeld voorfrictiekosten – dat zijn kosten die je hebt doordat je iets afbouwt – ofinderdaad voor het realiseren van die ombouw. Ik kan nu niet zeggenwaaraan het geld precies is besteed, want hier wordt achteraf verant-woording over afgelegd. Het Rijk weet nu dus niet waaraan dat geld welof niet is besteed; daar heeft het geen inzicht in. Dat zullen we krijgen alsdit is afgerond. Dit over deze middelen.Mevrouw Westerveld vroeg daarnaast om een reflectie op het onderzoekvan het zogenoemde PPRC, waarin staat dat de bekostiging van dejeugdzorg de transformatie tegenwerkt. De vraag was volgens mij: heeftde Staatssecretaris dat gelezen? Ja, dat heb ik gelezen. Ik heb ook deaanbevelingen gezien. PPRC beveelt ook aan om de registratie en de inzetvan jeugdhulp op regionale schaal te coördineren en om een regionaleplaatsingscoördinatie in te richten. We zijn bezig met het standaardiserenvan de gespecialiseerde jeugdzorg. Dat hebben we ook in de Hervor-mingsagenda Jeugd afgesproken. Wat we daaruit leren, zullen webetrekken bij of samenvoegen met de aanbevelingen van PPRC. Weevalueren nu ook de plaatsingscoördinatie die al loopt. Ook daarbij zullenwe nagaan in hoeverre de aanbevelingen aansluiten bij onze evaluatie-punten. We zullen daar uiteraard bij u op terugkomen. Dat wordt later ditkalenderjaar. Mevrouw Westerveld vraagt mij nu buiten de microfoonwanneer dat zal zijn. Mag ik daar in tweede termijn op terugkomen? Ik hebmeegekregen «dit jaar», maar ja, het is pas februari en dat kan dusvariëren van februari tot en met december. Dus ik begrijp het wel; dat isbest wel een wijde spreiding. Ik kom daarop terug.De voorzitter:Dat wordt straks, in de tweede termijn, dus concreter. Dank u wel.Staatssecretaris Tielen:Ja.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18462 Mevrouw Synhaeve had vragen over de nachtelijke kamerinsluiting, enterecht, denk ik. Als ik het zo zeg, klinkt het alweer alsof we verder zijn danwe zijn, maar er zijn twee wetstrajecten. Eén gaat over de nachtelijkekamerinsluiting in de gesloten jeugdzorg en één over de vrijheidsbeper-kende maatregelen in de open jeugdzorg. Deze twee wetstrajecten lopenparallel aan elkaar. Wat we nu doen op het gebied van de geslotenjeugdzorg, is echt heel veel gesprekken voeren met aanbieders, jongeren,professionals en experts. We moeten hier immers heel zorgvuldig meeaan de slag zijn; mevrouw Synhaeve benoemt dat naar mijn mening heelgoed. Veiligheid voor iedereen, dat is zeg maar het uitgangspunt en hetdoel dat we hierbij willen. Dat geldt dus voor de jongeren, dat geldt voorde professionals, dat geldt voor andere jongeren die in gesloten jeugdzor-ginstellingen verblijven. Daarom hadden we ook al aangegeven dat hetslechts in uitzonderlijke situaties zou gelden, met nog een aantalwaarborgen. Daar hebben we nu dus al die gesprekken over. Ik zou willentoezeggen dat ik voor de zomer verslag doe van wat we uit die gesprekkenophalen en wat we daarmee willen rondom dit wetstraject. En metbetrekking tot de vrijheidsbeperkende maatregelen in de open jeugdhulploopt nu een pilot, onder andere voor maatregelen met toestemming. Ikheb daar een aantal weken geleden een kijkje genomen en was ook metjongeren in gesprek daarover. De uitkomsten van die pilot wil ik eerstafwachten. Ook daarover wordt u uiteraard geïnformeerd. Die uitkomstenzijn uiteraard ook van groot belang voor het vervolg van dat wetstraject.Mevrouw Wendel vroeg daarover: hoe wilt u het vormgeven? Nou, opbasis van de expertise van allerlei mensen die daarbij betrokken zijn enmet wie we nu uitgebreide gesprekken aangaan om te kijken hoe we datzo zorgvuldig mogelijk en goed mogelijk kunnen vormgeven. Ik wil daartoch ook bij zeggen dat het daarbij echt gaat over een heel beperkt aantalsituaties waarin dit wellicht nodig zou zijn, dus des te zorgvuldigermoeten we dit ook doen. Maar ik verwacht geen grote financiële conse-quenties daarvan. Misschien is het ook wel goed om te zeggen dat we demotie-Dobbe over het verminderen van de noodzaak van insluiting,daarbij uiteraard voortdurend in de hand houden.Mevrouw Synhaeve vroeg of er ook alternatieven zijn voor waar nu alwordt gewerkt met deurverklikkers of cameratoezicht. Die makenonderdeel uit van alle gesprekken over hoe we aan de ene kant deveiligheid en aan de andere kant de zorgvuldigheid van eventuelewetgeving goed neerzetten.Mevrouw Synhaeve (D66):Ik zat nog even bij de vorige toezegging. Als ik die goed begrepen heb,gaat ze over de nachtelijke kamerinsluiting in de gesloten jeugdzorg. Ikhoorde daarover de toezegging: «Voor de zomer kom ik met een verslagover de uitkomst van die gesprekken.» Daar ben ik ook wel blij mee, maardat was niet de toezegging waar ik om gevraagd had. Wat ik gevraagdheb: eerst de lopende onderzoeken naar de impact van deze nachtopslui-tingen en de uitkomsten van de gesprekken afwachten, en die met deKamer delen alvorens er onomkeerbare stappen gezet worden in ditnieuwe wetsvoorstel.De voorzitter:Dat is gekoppeld aan die onomkeerbare stappen.Staatssecretaris Tielen:Ik denk dat we dezelfde taal spreken hier, dus volgens mij begrijpen wehetzelfde.De voorzitter:Ja? Zeker?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18463 Staatssecretaris Tielen:Ja.De voorzitter:Akkoord, helemaal goed.Staatssecretaris Tielen:Dus die toezegging gaat zowel over de uitkomsten van die gesprekken alsover wat er verder uit het onderzoek is opgehaald, en niet onomkeerbarestappen nemen. Dat vind ik eigenlijk heel logisch, dus ja.Een aantal vragen van zowel GroenLinks-PvdA als SP als D66 over hethersteltraject en het vervolg op het rapport van Jason Bhugwandass, enErkenning en Herstel. De vraag is: waarom duurt dat lang? Allereerst nogeven dit. Ik denk dat het mevrouw Westerveld was die refereerde aan hetinterview met Indra en Jason. Ik denk dat het gewoon altijd wel goed isom even stil te staan bij hoe ontzettend vreselijk dat is voor betrokkenenen de mensen die van Indra hielden, maar bij wijze van spreken ook voorons allemaal. Laat me dus hierbij nog zeggen dat dat verschrikkelijk is endat mijn gedachten uitgaan naar alle mensen die van haar hielden.Tegelijkertijd snap ik ook heel goed dat we met Erkenning en Herstel voortmoeten, maar dit is ook weer typisch iets wat niet vanuit een ministerie ofzo geregeld moet worden, maar juist in gesprekken met mensen die hetbetreft. Wat we gedaan hebben, is gesprekken voeren met de mensen diehet betreft, dus ervaringsdeskundigen. We hebben ook gesprekkengevoerd met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en JeugdzorgNederland om te kijken of we hetzelfde verwachten en hoe we dat kunnenvormgeven op een manier die recht doet aan de vraag. We hebben eenzestal pilots gestart, die volgens mij voortkomen uit het amendement vanmevrouw Westerveld. Denk aan menselijk lotgenotencontact, erkennings-dagen en dat soort activiteiten, om ervan te leren wat daadwerkelijk rechtdoet aan dat wat we met elkaar verwachten. Vanuit die pilots voeren wede gesprekken. Op basis daarvan willen we het erkennings- en herstel-traject tot een conclusie brengen. We verwachten dat dit in mei terbeschikking komt. Dan kunnen we u ook informeren erover.Wat ik hier lastig aan vind, is dat je aan de ene kant wil dat er vaart in zit,dat je ziet dat het gebeurt, maar aan de andere kant moet het recht doenaan alle verschillende tempi die de verschillende betrokkenen verwachten.Tegen iedereen die zegt dat het sneller kan, zeg ik: u heeft gelijk. Tegeniedereen die zegt dat het zorgvuldig moet, met oog voor de betrokkenen,zeg ik: u heeft ook gelijk. Dat is het tempo dat we nu proberen te volgen.Dan kom ik bij Mockingbird en pleegzorg. Mevrouw Synhaeve vroeg naarMockingbird. Ik ben daar ook heel enthousiast over, moet ik heel eerlijkzeggen. Het ziet er gewoon echt heel effectief uit. Het werkt echt goedvoor pleeggezinnen en daarmee ook voor de jongeren en de ouders diehet betreft. Dus dat is heel mooi. Vorig jaar juni hebben we een soortmaatschappelijke businesscase gepubliceerd over de Mockingbirdme-thode. In dat rapport zitten een aantal handvatten voor de sector omMockingbird verder in te richten, te ontwikkelen en ook toekomstbe-stendig te maken. Maar het is wel aan de gemeenten om dat te doen, insamenwerking met de pleegzorgaanbieders. Dat kan ik ze niet opleggen,maar ik wil ze graag enthousiasmeren om ermee aan de slag te gaan. Laatik het zo zeggen.Er was een vraag over de bijzondere kosten bij pleegzorg. In 2025 hebbenwe 2,5 miljoen euro vrijgemaakt om te zorgen dat pleegouders in hetvrijwillige kader ook recht hebben op vergoeding van bijzondere kosten.Dat is per dit jaar ook als recht opgenomen in de Regeling Jeugdwet.Gemeenten en aanbieders hebben dan afspraken te maken over deuitkering ervan. Als ik spreek met de Vereniging van NederlandseGemeenten of Jeugdzorg Nederland, benoem ik dat ook, zodat ze er ookmee aan de slag gaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18464 De heer Van Houwelingen vroeg naar pleeghuizen en pleeggezinnen, enseksueel misbruik daarin. Hij vroeg hoe dat kan. Daar heb ik natuurlijkgeen eensluidend antwoord op. De heer Van Houweling doet de suggestieom alleen kinderen van hetzelfde geslacht bij elkaar te plaatsen. Daarmeesuggereert hij dat die ellende daarmee uit te sluiten is. Ik denk dat dat nietzo is. We proberen uiteraard wel om seksueel grensoverschrijdend gedragte voorkomen en om het zo vroeg mogelijk in beeld te krijgen als hetvoorkomt. We kunnen het nooit helemaal uitsluiten, helaas. Bij dematching tussen pleeggezinnen en kinderen kijken we wel naar het risicodaarop. Het is onderdeel van de kwaliteitscriteria voor gezinshuizen en dematchingsmodellen in de pleegzorg. Op basis daarvan proberen we dit zoveel mogelijk te voorkomen.De voorzitter:Een interruptie van de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Heel veel dank voor het antwoord. De Staatssecretaris heeft natuurlijkgelijk: het is nooit uit te sluiten, maar om voor de hand liggende redenenwordt het risico wel veel kleiner, lijkt me. Dat is het dan toch waard om hetrisico veel kleiner te maken?Staatssecretaris Tielen:Ik weet niet of ik de aanname van de heer Van Houwelingen helemaalonderschrijf. Dan zouden we er meer over moeten weten, of dat echt zo is.De kwaliteitscriteria voor gezinshuizen en de matchingsmodellen in depleegzorg zijn gebaseerd op professionele kennis en onderzoek. Ik denkdat we daar voldoende aan hebben.De heer Van Houwelingen (FVD):Het spijt me. Dit kost me ook weer twee interrupties. De aanname is datdit in het algemeen gebeurt door mannen naar vrouwen en door vrouwennaar mannen. Dat is de aanname. Dat is vanzelfsprekend, dus daarom isdat mijn aanname. Ik weet niet of dat een discutabele aanname is. Bijkinderen van hetzelfde geslacht is de kans dus ... Goed, dat spreekt tochvoor zich? Dat ik dat nog moet gaan uitleggen hier!De voorzitter:U heeft uw punt gemaakt. Het woord is aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Tielen:Het is niet zo dat seksueel grensoverschrijdend gedrag in 100% van degevallen alleen van man op vrouw en van vrouw op man gaat.Meneer Van Houwelingen vroeg ook waarom de inspectie niet één keerper jaar langsgaat bij de pleeggezinnen. Daar was ook een interruptie-debat met een aantal andere Kamerleden over. Ervoor zorgen datpleegkinderen veilig zijn in hun pleeggezin begint natuurlijk bij goedepleegouders. Er wordt alles aan gedaan om pleegouders vaardig te makenom die veiligheid en warmte te bieden. Laat me dan ook dit momentgebruiken om te zeggen dat honderden pleegouders dat echt met volleovergave en warmte doen. Dat doen zij om te zorgen dat kinderen eenheel veilig opgroeien, bijna net als thuis, ervaren. Dat is heel erg fijn.Daarnaast is er een pleegzorgbegeleider, die het pleegkind begeleidt, enzijn er onafhankelijke vertrouwenspersonen. Op die manier is er dus echteen veiligheidsnet rondom het pleeggezin. De IGJ houdt ook landelijktoezicht op de pleegzorgaanbieder door informatie op te vragen, door metbetrokkenen te spreken en door bij de aanbieders langs te gaan. Het isniet de rol van de inspectie om ook bij de pleeggezinnen achter devoordeur te komen. In het thematisch toezicht op pleegzorg van deInspectie Gezondheidszorg en Jeugd staan aanbevelingen over hoe hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18465 contact met pleegkinderen betekenisvol wordt vormgegeven, en hoe hunstem mee kan worden genomen. Ik voorzie dus niet dat het beter wordtals de IGJ bij alle pleeggezinnen langsgaat.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank voor deze beantwoording. Ik begrijp dat er natuurlijk een veilig-heidsnet en maatregelen zijn om te voorkomen dat kinderen mishandeldworden in pleeggezinnen, maar die hebben niet gewerkt. De incidentenzijn ook bij de Staatssecretaris bekend. Ik begrijp oprecht niet dat, als ikhier een suggestie doe die die kans in ieder geval verder vermindert, deStaatssecretaris zegt dat de inspectie die rol niet heeft. Mijn vraag wasdaarom: zou het een goed idee zijn om aanvullend de inspectie ook die rolte geven? Dat is mijn vraag.De voorzitter:Daar kan een antwoord op komen.Staatssecretaris Tielen:Ja, dat kan. Mijn antwoord is dat mijn overtuiging is dat dit niet per se zois.De voorzitter:Oké. De Staatssecretaris gaat verder.Staatssecretaris Tielen:Meneer Van Houwelingen suggereerde ook om een enquête te houdenonder volwassenen die in een pleeggezin hebben gezeten. Daar is al heelveel kennis over. Er is een best dik rapport verschenen in 2019 van decommissie-De Winter, waarin heel veel aandacht wordt besteed aanslachtofferervaringen en andere ervaringen. Ik denk, heel eerlijk, niet datwe met een nieuwe enquête veel nieuwe dingen ophalen. Dat laatonverlet dat we, zoals meneer Van Houwelingen zegt, ook op de langeretermijn moeten blijven kijken naar wat er in de jeugdzorg gebeurt. Watvoor effect dat heeft op het latere leven, hoort een belangrijk thema teblijven in hoe we naar de jeugdzorg kijken en hoe we die inrichten metelkaar.Meneer Ceder vroeg naar de kwaliteit van gezinshuizen: hoe verbeterenwe die? De kwaliteitscriteria voor gezinshuizen worden op dit momentgeactualiseerd, om ze beter te laten aansluiten op de praktijk. Dan gaat hetbijvoorbeeld om screenen op vaardigheden en deskundigheid, en zorgendat gezinsouders goed geschoold zijn en ook extra deskundigheid kunneninzetten. Het Platform Gezinshuizen, het Nederlands Jeugdinstituut,gemeenten, aanbieders en professionals zijn betrokken bij het updatenvan die kwaliteitscriteria. Het kenniscentrum Kwaliteit en Blijvend Lerenondersteunt dat. Verder ga ik graag in overleg met de sector om tebekijken hoe we de gezinshuiszorg nog verder kunnen versterken.Gemeentes kunnen daar een belangrijke rol in spelen, dus die neem ikdaar graag in mee.Voorzitter. Tot slot op dit thema de vraag van mevrouw Westerveld overhet onderzoek naar aanleiding van het ZIKOS-onderzoek. De oplettendekijker zag aan mijn non-verbale communicatie al dat mevrouw Westervelden ik hierbij, denk ik, dezelfde emoties hebben. Ik ben juridisch, maarkennelijk dus ook niet persoonlijk, niet in staat geweest om medewerkingaan het onafhankelijke onderzoek af te dwingen zonder de onderzoekscri-teria tekort te doen, om het maar zo te zeggen. Heel eerlijk gezegd is eenbestuurlijke boete niet iets wat ik in kan zetten. Ik weet ook niet of hethelpt. Maar ik ben eigenlijk ook nog niet heel erg bereid om er een puntachter te zetten, dus laat mij kijken hoe we met de bracheorganisatiessamen kunnen kijken welke oplossingen er nog liggen om toch onafhan-kelijk vervolgonderzoek te kunnen doen. Uiteindelijk willen we namelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18466 allemaal gewoon graag inzicht hebben in wat er fout heeft kunnen gaan inwelke gevallen en wat voorkomen zou kunnen worden.Dan ga ik naar de vragen over de overige bedrijfsvoering, te beginnen metde administratieve lasten. Er was een vraag van mevrouw Wendel en vanmevrouw Coenradie over het verminderen van de regeldruk. Dat is eenbelangrijk onderwerp. We hebben afspraken gemaakt over standaardi-seren in de jeugdzorg. Dat zijn we aan het doen, want we zijn nog nietklaar. Het nadeel nu is dat elke gemeente en elke gemeenteraad zijn eigenrecept van eisen kan opstellen als het gaat over jeugdzorg. «Nadeel» ismisschien niet het goede woord, want het is niet gek dat dat kan, maar wewillen het eigenlijk wel verminderen. We gaan producten en registratie-eisen landelijk standaardiseren. Dat moet die administratieve lasten vooreen groot deel verminderen. Ik zou ook graag het aantal onderlingverschillende uitvragen van gemeentes verminderen, bijvoorbeeld doorhet uniformeren van uitvragen als het gaat om kostprijzen, wachttijden endat soort dingen. Daar hebben we ook afspraken over gemaakt. Weproberen dus gewoon meer standaardisatie aan te brengen rondom allecriteria in het jeugdzorgaanbod.Mevrouw Coenradie vroeg ook naar de uitstroom van professionals enwat we doen om de arbeidsmarkt vitaal te houden, om het zo maar tezeggen. Neem 2024. Tussen het eerste kwartaal van 2024 en het eerstekwartaal van 2025 zijn er 5.190 medewerkers begonnen in de jeugdzorg. Indiezelfde periode zijn er 4.130 jeugdzorgmedewerkers uit de branchegegaan. Gelukkig was er dus een nettogroei, maar ook daar geldt dat weniet tevreden achterover kunnen leunen, want het blijft gewoon een grootvraagstuk. Morgen gaan we dat waarschijnlijk ook horen van demedewerkers zelf. Het blijft gewoon van groot belang dat personeel naartevredenheid kan werken in de sector, want ze doen belangrijk werk. Datdoen we deels door de administratietijd te proberen te halveren, doorbetere inzet van personeel en technologie, door meer, sneller en beter opte leiden en vooral door werkplezier in te zetten om medewerkers tebehouden. Vorige week zagen we dat in de hele zorg ook zeggenschapeen belangrijk element is om grip op je werk te hebben en daarmee ookplezier in het werk. Dat zijn allemaal elementen die passen bij het totaleplan voor de arbeidsmarkt zorg en welzijn, maar speciale aandacht voorjeugd is een goede.Meneer Hamstra vroeg of we het personeel wel hebben meegenomen inde uitwerking van de reikwijdtewet. Ons doel van die hele wet is natuurlijkom het gebruik te verminderen en daarmee ook de druk op de jeugdhulpen jeugdzorg te verminderen. Daarmee hopen we de zorg te kunnenverbeteren en voor de medewerkers ook het werk te kunnen verbeteren.Mevrouw Dobbe (SP):Ik ga natuurlijk rechtop zitten als de Staatssecretaris het heeft over hetvitaal houden van de arbeidsmarkt. Ze refereert inderdaad ook aan dejeugdzorgmedewerkers die morgen in actie komen. Het lukt dus nog nietzo heel erg goed om de arbeidsmarkt vitaal te houden, want mensenmoeten in actie komen voor de meest basale dingen die hun werkaantrekkelijk maken. Dat is niet alleen maar een fatsoenlijk loon, maarinderdaad ook zeggenschap en minder werkdruk; het zijn een heleboelfactoren. Die cao-onderhandelingen liggen vast. Die mensen zijn welcruciaal als het gaat om het behoud van de jeugdzorg en alle plannen diewe hier hebben om de jeugdzorg beter te maken. Eerder, bijvoorbeeldtoen de cao van de apotheekmedewerkers vastliep, ook zo’n belangrijkecao, hebben we de Minister opgeroepen om een bemiddelende rol tespelen. Ik wil eigenlijk aan de Staatssecretaris vragen of zij bereid is omhetzelfde te doen. Voordat zij antwoordt dat zij niet over de cao’s gaat: datsnap ik, helemaal mee eens; moeten we ook vooral niet doen. Maar wehebben ook eerder gezien dat een bemiddelende rol niet intreedt op deverantwoordelijkheden van een cao en de onderhandelende partijen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18467 maar wel heel erg kan helpen. En het is ook eerder gedaan. Mijn vraag isdus of de Staatssecretaris bereid is om dat te doen.Staatssecretaris Tielen:Ik ben blij dat mevrouw Dobbe zegt dat we ook niet zouden moeten willendat de politiek zich gaat bemoeien met de cao-onderhandelingen. Dat lijktme echt iets tussen werkgevers en werknemers. Ondertussen kunnen wijals kabinet samen met onder andere de Kamer wel oog blijven houdenvoor wat er nodig is op de arbeidsmarkt, zoals zeggenschap en dat soortzaken. Maar ik ga me echt niet bemoeien met de cao.De voorzitter:Toch nog wel?Mevrouw Dobbe (SP):Ja, dat is jammer. Dit kost mij een interruptie omdat de Staatssecretarisgewoon niet antwoordt op mijn vraag. Mijn vraag was heel concreet of deStaatssecretaris bereid is om een bemiddelende rol te spelen. Dat kanzonder inbreuk te doen op de onderhandelende partijen, want dat is ookeerder gedaan. De Minister van VWS heeft dat eerder gedaan, bij deapotheekmedewerkers. Dat kan heel erg helpen om decao-onderhandelingen los te trekken. Mijn vraag aan de Staatssecretaris isheel concreet om zich niet te bemoeien met de cao, maar wel eenbemiddelende rol te spelen. Die kan deze Staatssecretaris prima op zichnemen.Staatssecretaris Tielen:In mijn verwachting, maar misschien moet mevrouw Dobbe dat dan eenandere keer beter uitleggen, is bemiddelen natuurlijk bemoeien. Dat isnatuurlijk precies wat het is. Heel eerlijk gezegd kan ik daar dus geen ja opzeggen.Ik ga door naar de vragen over de evc-fraude. Dat is ook iets waarover ikwat zou willen zeggen met emotie, maar ik ga proberen er heel zakelijkover te zijn. Fraude is überhaupt onacceptabel, maar zeker als het hieromgaat. Het is ook echt onuitstaanbaar. De vraag van mevrouw Synhaevewas: wat heeft de Staatssecretaris gedaan tegen die nepdiploma’s? Vorigjaar hebben we 1 miljoen euro aan SKJ verstrekt om onderzoek te doennaar registraties van evc-houders. Ik heb u geïnformeerd over wat daarongeveer uit kwam. Daar werden we niet heel vrolijk van, kan ik u zeggen.De Minister van VWS heeft collega’s opgeroepen om terughoudend te zijnmet werk op basis van evc-certificaten. Inmiddels is dat ook even on holdgezet. Ik kan niet zeggen hoeveel kinderen hierdoor wel of niet risicohebben gelopen. Dat is ook lastig inzichtelijk te krijgen, denk ik. Wat mijbetreft is het ook belangrijker om te zorgen dat dit gewoon niet meer kanen dat als er evc’s zijn, die ook gewoon geldig zijn. Mochten mensensignalen of zorgen hebben over de kwaliteit van zorg, dan kunnen dieuiteraard altijd gemeld worden bij het Landelijk Meldpunt Zorg.Mevrouw Coen...De voorzitter:Eerst heeft mevrouw Synhaeve een interruptie.Mevrouw Synhaeve (D66):Ik maak me nu vooral zorgen over al die mensen die nu met een nepdi-ploma in de zorg werken. Daarop mis ik de actie vanuit het kabinet, vandeze Staatssecretaris. Wat gaan we nou doen om hen op te sporen en tezorgen dat ze niet meer met deze kinderen kunnen werken? Daar is hetamendement dat ik nu heb ingediend ook op gericht. Ik heb namelijk hetidee dat die stappen nu niet gezet worden en dat daar ook geen budgetvoor vrij is gemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18468 Staatssecretaris Tielen:Ja, wij hadden inderdaad gehoopt dat we het met 1 miljoen euro allemaalinzichtelijk zouden hebben, maar noch qua tijd noch qua geld is hethelemaal afgerond. We hebben wel heel veel inzichten gekregen die ookom vervolgstappen vragen; ik denk dat mevrouw Synhaeve daar terechtopmerkingen over heeft gemaakt. Daarover zijn we samen metgemeenten en jeugdzorg in gesprek om te kijken hoe we dat gezamenlijkop kunnen lossen. Ik denk dat het ook een gezamenlijk probleem is en eengezamenlijke oplossing is in ieder geval het beste. Ik moet in tweedetermijn even terugkomen op hoe en wat, op wat we daar precies aandoen.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Heel even hierop doorgaand. Ik had hierover natuurlijk ook schriftelijkevragen gesteld. Die zijn overigens keurig netjes beantwoord, maar ik haddaarbij natuurlijk ook de volgende vraag. Het is op dit moment nietbekend om hoeveel mensen, wie en waar het gaat. Ik heb ook gevraagdwaarom niet direct iedereen met zo’n certificaat op non-actief wordt gezet,aangezien we nu uiteindelijk niet weten of er nog kinderen zijn die zorgkrijgen van iemand met zo’n verkeerd certificaat. Dat was dus even devraag. Ik haal dus niet uit de beantwoording wat nu de bedoeling is enhoe we hier nou mee verdergaan.Staatssecretaris Tielen:Ik snap de vraag van mevrouw Van Meetelen, want soms denk ik ookmeteen: laten we dat doen. Tegelijkertijd zijn ook heel veel mensen diemet een evc-certificaat werken wel gewoon op valide wijze en met zorgvan goede kwaliteit aan de slag. Je kan die niet zomaar in de wacht zetten,ook juridisch niet. Dat zou ook niet eerlijk zijn, denk ik. We proberen ditwel echt op een goede manier te doen, die juridisch klopt en ook rechtdoet aan al die mensen die wel van goede wil zijn en die goede kwaliteitleveren. Dat vergt gewoon net iets meer stappen.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dat snap ik volkomen en daar heeft u natuurlijk helemaal gelijk in. Het isook oneerlijk, maar het is natuurlijk veel oneerlijker als er eventueelkinderen verkeerde zorg krijgen of als er nog meer worden geronseld ofwat dan ook op wat voor manier dan ook. Dat lijkt mij vele malenschadelijker dan dat we iemand even een tijdje op non-actief zetten. Hetlijkt mij dat de zorg voor die kinderen voorop moet staan. Ik vraag dus nogeen keer: waarom doen we dit niet?Staatssecretaris Tielen:Deels verwijs ik naar mijn eerste antwoord. Daarnaast heeft JeugdzorgNederland, de brancheorganisatie, gezegd: we houden even op metevc-certificaten. De branche zelf heeft daar dus ook een rol in en debranche pakt die rol ook, onder andere op basis van het onderzoek. Ikverwijs ook weer naar wat ik zei: dit is ook iets waar we echt metgemeenten, jeugdzorg en Rijk samen gewoon goede stappen in moetenzetten, denk ik, zodat we ook weer met z’n allen op de goede koers zijn.Een vraag van mevrouw Coenradie over de landelijke regie en lokaleversnippering; zo noemde zij dat: «versnippering». Dat vraagt om eenbalans. In elke gemeente zijn dingen gewoon anders, ook omdat hetanders is om op te groeien in Appelscha dan in Rotterdam-Zuid; dat weetmevrouw Coenradie misschien zelf nog wel het beste. We proberen duslandelijke kaders neer te zetten en waar nodig op regionaal niveaubindende afspraken te maken. Daar hebben we de Wet verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg voor aangenomen; eigenlijk heeft u hemaangenomen en de Eerste Kamer ook. Die wet is per dit jaar van kracht.We willen met die wet – hoe noem je dat? – versnipperingsproblemenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18469 enigszins tegengaan. Met het wetsvoorstel Reikwijdte gaan we ookproberen om wat meer kaders te geven, maar uiteindelijk blijft hetnatuurlijk ook wel van belang om lokale verschillen aan te pakken als hetkan, als het nodig is. Nogmaals, er zijn gewoon heel veel verschillendegemeentes, met andere vraagstukken, andere problemen.Mevrouw Dobbe vroeg naar de aanbestedingen. Gemeentes zijn nietverplicht om aan te besteden; volgens mij kwam dat in de interruptiede-batjes ook al even terug. De manier van inkopen moet passen bij de visievan de gemeente en bij het type jeugdzorg dat nodig is. We hebben eenketenbureau – dat heet i-Sociaal Domein – dat gemeenteregio’s kanhelpen bij het kiezen van een bepaalde inkoopstrategie. Ondertussen zijnwe bezig met bijvoorbeeld het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg-en jeugdhulpaanbieders om aan de ene kant ervoor te zorgen datgemeenten handvatten krijgen om bij goede aanbieders in te kopen, endaarnaast zijn we bezig met standaardisatie om administratieve lasten teverminderen.Mevrouw Dobbe zou ook graag een staatscommissie willen instellen omte zoeken naar jeugdzorgoplossingen die anders georganiseerd zijn. Elkstelsel kent voor- en nadelen, of dat nou helemaal overheidgestuurd is ofmarktgeoriënteerd of wat dan ook. Je kunt overal voor- en nadelen aanhangen. Mevrouw Dobbe heeft dan waarschijnlijk een net iets ander rijtjedan ik zou hebben. Het gaat er echter om dat wat ons betreft een volledigestelselwijziging nu niet aan de orde is. Het is volgens mij belangrijk omnegatieve effecten te voorkomen. We zijn dus bezig met een wetsvoorstelIntegere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders. Daar heb ik net aliets over gezegd. Dat is om meer te kunnen borgen dat de kwaliteit vanaanbieders goed is. We zijn bezig met standaardisatie van specialistischejeugdzorg en we kijken of een vergunningplicht van toepassing is en ookdaadwerkelijk effectief kan zijn. Nogmaals, je hoeft als gemeente niet aante besteden als je dat zou willen; er zijn andere vormen voor en daar kanook bij geholpen worden.Een andere vraag van mevrouw Dobbe was naar aanleiding van haarmotie dat gemeenten niet op de stoel van jeugdzorgmedewerkers zoudenmoeten gaan zitten. Ik ben het heel erg met mevrouw Dobbe eens dat wemoeten zorgen dat gemeenten goed samenwerken met lokale teams, metgecertificeerde instellingen en met andere professionals en verwijzers. Zemoeten goed van elkaar weten wat hun rol is, maar moeten ookgezamenlijk kijken naar het gezin waar het om gaat. Omdat gemeenteseen breder beeld hebben, zeker met goede lokale teams, hebben ze eengoed beeld van wat er in gezinnen eventueel aan oplossingen mogelijk is.Het is dus ook aan die lokale teams om op dit punt goed samen werken.De motie vraagt om gemeentes hierop aan te spreken. Dat doen wenatuurlijk, in alle overleggen die we als Rijk hebben met gemeentes,gecertificeerde instellingen en aanbieders. Er komt een aanpak, maar daarzal de Staatssecretaris van JenV nader op ingaan als het over hettoekomstscenario gaat. Ik zie mevrouw Dobbe knikken, maar ze heeft tochnog een vraag.Mevrouw Dobbe (SP):Ik denk dat het heel goed is om, zoals de motie ook vraagt, gemeentenerop aan te spreken om niet op de stoel van de jeugdzorgverlener of degecertificeerde instelling te gaan zitten. Ik vraag me wel af of de Staatsse-cretaris kan zeggen hoe effectief dat aanspreken is. Over de markt in dezorg hebben we het natuurlijk al tijden. Denk aan de voorbeelden die iknoemde. Ik sprak echt één instelling die zei: ik heb 85 fte aan aanbeste-dingsmensen in dienst. Dat zijn mensen die alleen maar bezig zijn metinkopen of met het voorbereiden en aflopen van marktconsultaties. Hetgaat om één jaar per aanbestedingstraject en ze hebben er dan tientallenper jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18470 De voorzitter:Uw vraag?Mevrouw Dobbe (SP):Ik vind het dan iets te makkelijk om te zeggen: wij kijken er misschien watanders naar. Is er wel erkenning bij deze Staatssecretaris dat dit gewoonniet de ideale situatie en niet de ideale besteding van zorggeld is? Weweten dat het niet verplicht is, maar moeten we er dan ook gewoon voorzorgen dat gemeentes het niet meer gaan doen?Staatssecretaris Tielen:Het waren twee vragen. De eerste vraag was: is het effectief omgemeentes aan te spreken? Uiteindelijk moeten we het samen doen. Degemeentes en het Rijk staan samen aan de lat om te zorgen dat dejeugdzorg goed is ingeregeld. Ik vind dat het best effectief is, maar ik wilbest aan hen vragen of zij dat ook vinden. Nee, dat is flauw gezegd, maarik denk daadwerkelijk dat we daar samen in op moeten trekken. Wehebben bijna maandelijks, geloof ik, formeel overleg met gemeenten omhet hierover te hebben. Ik zal daar dus op terugkomen.Ik denk dat wij inderdaad voor sommige dingen een ander lijstje hebben,zoals mevrouw Dobbe zegt, maar niet wat betreft zorggeld dat naaradministratie en dat soort dingen gaat. Volgens mij hebben we daar bestwel dezelfde verwachting bij. In 2019 hebben we het op een rijtje gezet.Toen bleek dat ongeveer 30% van het jeugdzorgbudget wordt besteed aancoördinatiekosten. Dat is natuurlijk waar mevrouw Dobbe aan refereert.Op dit moment zijn we nog wat verfijnder aan het kijken naar de adminis-tratieve lasten binnen de specialistische jeugdzorg. Dan kan ik dat ookweer actualiseren, want 2019 is natuurlijk alweer een tijdje geleden. Weverwachten de uitkomsten van dat onderzoek eind september. We hoevendaar niet op te wachten om te blijven werken aan het verminderen van deadministratieve last, dus dat doen we ook niet. In het najaar kunnen wewellicht nog wat doorgaan op de uitkomsten van dit onderzoek.Mevrouw Dobbe vroeg ook naar private equity. Het punt is dat er niet zoheel veel private equity in de jeugdzorg is, maar dat is volgens mij niet perse waar mevrouw Dobbe aan refereert. Volgens mij refereert ze aancowboys, organisaties die het eigenlijk niet om het kind te doen is maarom heel veel andere dingen, en dat soort zaken. De Minister van VWS isbezig met de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders.In december heeft hij daar een brief over geschreven. Daarin staan eenaantal antwoorden op de vraag van mevrouw Dobbe. We zijn naaraanleiding van de discussies en debatten daarover nu wel aan het kijkenwat we precies in de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaan-bieders kunnen en moeten opnemen om ervoor te zorgen dat wat we quajeugdhulp aan te bieden hebben, daadwerkelijk gericht is op oplossingenvoor kinderen en hun gezinnen. Daar zult u voor de zomer over wordengeïnformeerd.Mevrouw Dobbe vroeg ook naar omzetplafonds. Daar gaan wij natuurlijkniet over. Het is aan gemeenten om met jeugdhulpaanbieders afsprakente maken. Ik kan dus niet zo veel zeggen over budget- of omzetplafonds,anders dan dat het uiteindelijk draait om waar we het allemaal voor doen,namelijk zorgen dat kinderen en gezinnen die jeugdhulp nodig hebben,die kunnen krijgen. Dat zou het doel van ons allemaal moeten zijn.Daarover gesproken: mevrouw Moinat vroeg naar de wachttijden. Ik hebgeen landelijk inzicht in alle wachttijden. Dat zit vooral bij de gemeentenen de regio’s. Zeker als het gaat om de Wet verbetering beschikbaarheidjeugdzorg is dat echt daar geregeld. We zijn echter ook bezig met destandaardisatie waar ik eerder naar verwees. Dat zal meer inzicht geven inde wachttijden op landelijk niveau. Dat past ook bij de afspraken die we inde hervormingsagenda hebben gemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18471 De voorzitter:Ik zat even niet op te letten. Mevrouw Moinat.Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):Dank u, voorzitter. Even weer wakker worden met z’n allen.Ik wil de Staatssecretaris toch wat vragen. Met de wachtlijsten bedoel ikde wachtlijst na de intake. In mijn tijd als gemeenteraadslid hebben wijmeermaals geld moeten uittrekken om die wachtlijst weg te krijgen, endan heb ik het echt over een miljoen. Dan kom je er later achter dat dewachtlijst na de wachtlijst ook weer overvol is. Dan roept een wethouderbijvoorbeeld: de wachtlijst is verkort. Vraag je dan naar de wachtlijst na dewachtlijst, dan is die ook mega. Ik zou aan de Staatssecretaris willenvragen of ze die ook wil meenemen, want ik denk dat veel gemeenten ookmet dat soort wachtlijsten werken.Staatssecretaris Tielen:Ik herken dat probleem heel erg. Dat speelt namelijk ook in de geestelijkegezondheidszorg. Iedereen werkt met andere definities en criteria. Ikherken het dus heel erg en ik los het ook niet zomaar op, moet ik zeggen.Soms is bewustzijn al de helft van de oplossing; ik herken het heel erg. Weproberen in afspraken met de gemeenten door die standaardisatie ookdaar wat gelijkluidender definities van te krijgen, maar ik kan niet belovendat het binnen nu en een paar maanden opgelost is. Mevrouw Moinatwijst wel op een terecht punt en dat zullen we meenemen in de manierwaarop we verder uitvoering geven aan de afspraken.Het kopje overig. Zoals ik al aankondigde, voorzitter, is dat nog best veel.De voorzitter:Maar ik hoorde ook heel af en toe overlap ...Staatssecretaris Tielen:Toch wel dubbel? Dan probeer ik het nog zo, hè.De voorzitter:Ik hoorde wat veel over dezelfde beleidsterreinen. Ik hoorde weer eenpaar keer «reikwijdte». Ik ben niet heel streng, maar als oud-woordvoerderweet ik ook waar deze materie over gaat, dus dan hoor ik ook ... Met eenstrikt filter van Mohandis had ik er 20% uit kunnen filteren, maar dat heb ikniet gedaan. Dat doe ik misschien bij «overig» wel. Aan u het woord.Staatssecretaris Tielen:Spannend. Dan moet ik de neiging onderdrukken om sneller te gaanpraten. Het moet vooral effectiever.De vraag van meneer Stoffer over de leernetwerken en kennisdeling. Diezijn superbelangrijk. Een van de lijnen van de hervormingsagenda is omde kwaliteit te verbeteren, en daar hebben we ook echt veel meer kennisvoor nodig. Er is structurele financiering voor de werkorganisatie met denaam Kwaliteit en Blijvend Leren. Dat loopt op tot 13 miljoen structureelper jaar. Bij ZonMw en het Nederlands Jeugdinstituut, als kennisinstituut,is ook geld om kennisdeling en kwaliteitsbevordering te ondersteunen.Mevrouw Coenradie vroeg naar de Filomena-aanpak. Dat is een helemooie aanpak, waar de Staatssecretaris Langdurige en MaatschappelijkeZorg in december een kijkje is gaan nemen. Zij heeft aangegeven samenmet Filomena te bekijken hoe de ondersteuning van slachtoffers beter kanworden ingericht vanuit de Filomenavisie. Zij betrekt ook de inzichten vanhet houdbaarheidsonderzoek Wmo daarbij en bekijkt hoe we symmetriekunnen vinden met de Hervormingsagenda Jeugd. Uiteindelijk is het aangemeenten zelf om een Filomena-aanpak of een soortgelijke aanpak in terichten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18472 Mevrouw Coenradie vroeg ook naar suïcidepreventie. Dat is een heelbelangrijk onderwerp en het is fijn dat het ook hier aan de orde komt,want elke suïcide is verdrietig en er één te veel. De vraag was wat wevanuit hier kunnen doen. Er is onder andere de Landelijke AgendaSuïcidepreventie, die 113 uitvoert. We hebben een aantal specifiekeaandachtspunten voor jongeren en ook voor jongeren in de jeugdzorg. Delandelijke agenda loopt nu voor de vierde keer. Daar is ook geld voorbeschikbaar gesteld. De Wet integrale suïcidepreventie, waarin ookgemeenten een rol hebben, zal daarop voortbouwen om preventiemaatre-gelen in te zetten.Wie is eindverantwoordelijk, vroeg mevrouw Coenradie. De doorzettings-macht ligt vooral bij de gemeenten als het gaat over regie, verantwoorde-lijkheid en een toereikend aanbod van jeugdhulp. Met de Wet integralesuïcidepreventie krijgen alle partijen, ook gemeenten, handvatten vooreen suïcidepreventieaanpak dicht bij de leefomgeving van mensen dierisico lopen. Daar is ook geld voor beschikbaar gesteld. Er is een regionaalexpertteam in elke jeugdregio dat daarbij kan meehelpen en handvattenkan helpen geven.Over verantwoordelijkheid gesproken: mevrouw Van Meetelen vroeg wieer politiek en bestuurlijk verantwoordelijk is bij onveilige situaties thuis,oftewel bij kindermishandeling. In de Jeugdwet staat dat het college vanburgemeester en wethouders in een gemeente de plicht heeft om tezorgen dat kinderen hulp krijgen. Daar willen we via de Wet reikwijdtemeer handvatten voor kunnen geven. De verplichte meldcode bestaatvoor professionals en Veilig Thuis, als centraal advies- en meldpunt. Ookde gecertificeerde instellingen hebben natuurlijk een rol. Als we hethebben over gewelds- en afhankelijkheidssituaties – dan praat ik overhuiselijk geweld, kindermishandeling en het actieplan geweld tegenvrouwen, waar de Staatssecretaris van JenV misschien meer over kanvertellen – komt er een nationaal coördinator die daar ook een rol in heeft.Veilig Thuis heeft overigens bij elke melding de verantwoordelijkheid omeen nieuwe beoordeling te maken van situaties van huiselijk geweld ofkindermishandeling. Veilig Thuis is ook degene die moet verbinden metinformatie van eventueel eerdere meldingen. Ook moet zij samen metpolitie, jeugdbescherming en de opvang zoeken naar instrumenten omdat risico goed in te kunnen schatten. Met betrokken organisaties alsVeilig Thuis, de politie, de Raad voor de Kinderbescherming, de reclas-sering en de vrouwenopvang wordt gekeken hoe we die taxaties goeduitwerken en hoe we daar beter in kunnen samenwerken.Welke minimumvereisten hebben gemeenten nu? Sorry.De voorzitter:Nee, dat maakt niet uit. Ik hou van tempo. Blijf dat dus doen. Het woord isaan mevrouw Van Meetelen.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Om het tempo erin te houden, wil ik best wachten tot er nog een vervolgkomt. Anders heb ik nu een interruptie.Staatssecretaris Tielen:Stelt u de vraag.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Zoals we dus net al hoorden, zijn er allerlei betrokken instanties. Waar hetom gaat, is niet kindermishandeling zelf, maar als er echt duidelijk ietsmisgaat door het plaatsen van instanties. We hebben hier een aantal heleslechte voorbeelden van gezien. We willen geen herhaling van zetten,maar niemand weet hoe het verder gaat. Dat is waar we om vragen. Wieis op dat moment verantwoordelijk? En wat kunnen we doen om ervoor teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18473 zorgen dat mensen verantwoordelijkheid nemen, of opgelegd krijgen? Datis de vraag.De voorzitter:Eindverantwoordelijkheid in de keten.Staatssecretaris Tielen:Het ingewikkelde is natuurlijk dat ik niet een heel eenvoudig antwoord hebop die vraag. Een jeugdzorgorganisatie waarnaar een kind is doorver-wezen, is namelijk verantwoordelijk, eigenlijk ook eindverantwoordelijk.Daar zit het ’m.De voorzitter:Mevrouw Van Meetelen nog?Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dat is volgens mij dus de kern van het probleem. Uiteindelijk is dan dusniemand echt verantwoordelijk, wordt het een afschuifsysteem en houdenwe bepaalde dingen dus in stand. Dat is dus precies waar wij als PVV ietsaan willen doen. Ik dien dadelijk twee moties in. Ik hoop ook dat ze nietontraden worden en gesteund worden, want we moeten hier echt wat aangaan doen.De voorzitter:We kijken uit naar de moties.Staatssecretaris Tielen:De jeugdzorgorganisatie is gewoon verantwoordelijk. Punt. Daar zit het ’min.De minimumvereisten voor gemeentes met betrekking tot de aanpakhuiselijk geweld zijn: elke gemeente heeft een Veilig Thuisorganisatieingericht, er is passende hulp op basis van het wetsvoorstel Verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg, er is een integrale lokale aanpak, waarvoor wedat convenant Stevige lokale teams hebben gesloten, en er is uniformiteiten samenwerking op landelijk niveau, waarbij Veilig Thuis verkent of eenlandelijk dekkende functie ook van toepassing kan zijn. Ook blijven wevoortdurend verbeteren.«Opvoedverwaarlozing» is een ingewikkeld begrip, omdat we daar allebeimisschien niet precies hetzelfde beeld bij hebben. Ouders verwaarlozenhun kinderen vrijwel nooit bewust of expres. Vaak is het een optelsom vanomstandigheden waardoor dingen niet gaan zoals we dat idealiter zoudenwillen. Dat betekent dus ook dat er breder gekeken moet worden naar degezinsproblematiek. Daarvoor worden die stevige lokale teams opgezet,die in sommige gemeentes ook al heel goed werken. Die spelen ook eenrol in het toekomstscenario, maar dan verwijs ik naar de Staatssecretarisvan Justitie en Veiligheid.Dan jeugdhulp in het buitenland. Ik las dat artikel ook en dacht: «Huh, hoekan dit? Wat heftig voor Nederlandse jongeren die, in deze gevallen, inFrankrijk jeugdhulp tussen aanhalingstekens kregen.» Hulp in hetbuitenland kan weleens passend zijn, maar het is natuurlijk nooit de meestlogische oplossing. Soms is het goed om kinderen ver uit hun omgevingte halen, zo laat ik mij vertellen door experts, bijvoorbeeld bij drugspro-blematiek, maar het klinkt niet als heel logisch en voor de hand liggend.Bovendien moeten we zeker weten dat de kwaliteit goed is. Uiteindelijkgaat dit ook weer over inkoopafspraken tussen gemeente en jeugdzorg-aanbieders.Daarnaast gaat het om toezicht. U zult het ook niet helemaal met mijoneens zijn dat het best logisch is dat de Inspectie Gezondheidszorg enJeugd, een Nederlandse instantie, bevoegdheden heeft in Nederland endus niet zomaar in het buitenland toezicht kan houden. Als een gemeenteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18474 ervoor kiest om een jeugdhulpaanbieder in het buitenland in te zetten,moet ze, net zoals ten aanzien van andere Nederlandse instanties, wetendat de hulp voldoet en dat die ook kwalitatief goed is. Het PlatformJeugdhulp Buitenland, IGJ en de Vereniging van Nederlandse Gemeentenhebben hierover ook afspraken gemaakt in het Afsprakenkader buiten-lands zorgaanbod Jeugd. Van gemeentes wordt verwacht dat ze dieafspraken ook volgen bij de inkoop van deze zorg. In dat afsprakenkaderhebben we ook afgesproken dat de jeugdhulpaanbieder verplicht is omaan de IGJ door te geven wie de lokale toezichthouder is – in dit geval deFranse – en hoe het toezicht op de kwaliteit is vormgegeven. Voordat erjeugdhulp kan worden verleend, is men ook verplicht tot afstemming metde Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden om in testemmen met of goedkeuring te geven aan een lokale centrale autoriteit.We hebben het dus eigenlijk best wel goed geregeld, maar toch blijkt ersprake te zijn van dit soort ernstige misstanden. Ik kijk nu samen met deVereniging van Nederlandse Gemeenten en de inspectie wat er isgebeurd, wat er met het afsprakenkader is gebeurd en wat we nodighebben om dit in de toekomst te voorkomen. De Vereniging van Neder-landse Gemeenten heeft het afsprakenkader opgesteld. Met hen zal ikbekijken in hoeverre zij daar nog wat over kunnen zeggen ten aanzien vande gemeentes.De voorzitter:Mevrouw Westerveld. Of nee, ik ga toch vragen om de interrupties evenop te sparen.Staatssecretaris Tielen:Ik heb er nog een paar.De voorzitter:Nog een paar vragen en dan doen we de interrupties. Dan doe ik nog eenslotronde.Staatssecretaris Tielen:Mevrouw Westerveld wilde weten hoe het vervolgtraject eruitziet. Ik zeinet al dat we in gesprek zijn met de inspectie en de VNG. We bekijken ofhet afsprakenkader moet worden verbeterd. Ik wil ook dat die verplichteprocedures bij de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegen-heden beter worden gevolgd. Daar ga ik mee aan de slag.Is er nazorg voor de jongeren? Dat weet ik niet. Daarover ga ik ook ingesprek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, want ik vind hetbelangrijk genoeg.Mevrouw Westerveld vroeg ook naar de trauma’s bij kinderen die in hetbuitenland zijn geplaatst. Zijn er nog meer kinderen in het buitenland ineen onveilige situatie? We hebben dus die centrale autoriteit en verplichteprocedures. In deze gevallen lijken de procedures niet gevolgd te zijn.Daardoor heb je er geen zicht op. Ik was er dus ook verbaasd over. Datmaakt dat ik niet kan garanderen dat dit niet aan de hand is. Maarnogmaals, ik ga met de inspectie en de Vereniging van NederlandseGemeenten in gesprek om opvolging te geven aan wat er nu is gebeurden ook om na te gaan of er eventueel nog meer gevallen zijn. Ik neem hetwel hoog op, om het zo te zeggen.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Heel fijn hoor, ook dat de Minister dit serieus neemt. Wat daar is gebeurd,is afschuwelijk genoeg, dat vinden we allemaal. Ik begrijp, gelet op hoehet stelsel in elkaar zit, dat de Staatssecretaris niet kan zeggen: ikTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18475 garandeer dat alle jongeren veilig zijn. Tegelijkertijd hoop ik wel dat er nuecht ... Misschien kan ze een brief uit doen gaan naar alle gemeenten metde vraag: «Hebben jullie jongeren in het buitenland zitten? Zo ja, dan wilik meteen een terugkoppeling of zij in dit soort situaties terecht kunnenkomen.» Want volgens mij is het daar echt serieus genoeg voor.Staatssecretaris Tielen:Ik weet niet of het een brief moet zijn of iets anders. Maar is mevrouwWesterveld het met me eens dat ik dit met de VNG samen probeer eendergelijke opvolging te geven? Ja, zie ik. Het is ook een van de dingen diein het gesprek met de VNG op de agenda staan, wat mij betreft.Mevrouw Moinat vroeg naar de dakloosheid. Het ging haar met name, alsik het goed heb begrepen, over moeders met kinderen bij wie gedreigdwordt met Veilig Thuis. Ik begrijp heel goed wat mevrouw Moinat zegt envraagt, want ik voel dat hetzelfde. De Staatssecretaris Langdurige enMaatschappelijke Zorg, mevrouw Nicki Pouw-Verweij, heeft daarover indecember een brief gestuurd, om nog eens te bevestigen dat we dat ookvinden. Dat is ook besproken met de VNG. Er zijn ook afspraken overgemaakt. In die gesprekken heeft de VNG toegezegd om het gesprek metde gemeenten te organiseren en om het niet bij een bestuurlijke tafel tehouden, maar om het ook in de praktijk te brengen. De Staatssecretarisheeft aangegeven dat ze het opnieuw onder de aandacht brengt, als zenieuwe signalen heeft.Mevrouw Westerveld vroeg naar gezinshulp en een informele steunfiguur.Het is ontzettend belangrijk dat je iemand in je omgeving hebt aan wie jesteun kan ontlenen, of dat nou een vriend, familielid of wie dan ook is. Wezijn bezig met het versterken van het samenwerken met informele steun,onder andere via de ondersteuning van het landelijke JIMpact, waarbij erzelf een mentor wordt gekozen. Er zijn veertien jeugdhulporganisaties bijaangesloten. Meer dan 3.000 professionals zijn opgeleid om samen tewerken met informele steunfiguren. De leeragenda Kwaliteit en BlijvendLeren in de jeugdhulp, waarover ik het eerder had, is ook een explicieteleerlijn die daarover opgezet is. Er zijn ook al veel gemeenten die inzettenop informele steun voor gezinnen. Home-Start, Buurtgezinnen enSteunouderNL zijn goede voorbeelden daarvan.Mevrouw Westerveld vroeg waarom er niets over jongerendakloosheid inhet regeerakkoord staat. Dat vind ik natuurlijk een ingewikkelde vraag,want daar ga ik niet zo heel erg over. Wel kan ik zeggen dat op dit momenthet Nationaal Actieplan Dakloosheid met de titel Eerst een Thuis loopt.Daarin zijn jongeren als bijzondere doelgroep benoemd. Dat loopt. Hetblijft dus onze aandacht houden.Mevrouw Wendel vroeg naar de programma’s tegen kindermishandeling.Besteden we ons geld goed, vroeg ze. Regelmatig onderzoeken we ofaanpakken daadwerkelijk helpen, of ze effect hebben en hoe ze verbeterdkunnen worden. We zien in dat soort onderzoeken dat het bij twee derdevan de gezinnen waar eerder sprake was van huiselijk geweld, een jaar naeen melding bij Veilig Thuis en inzet van hulp nog niet weg is, om hetmaar zo te zeggen. Het is dus best wel hardnekkig. We zien wel dat ernstigen veelvuldig geweld afneemt. Het effect is dus nog niet zoals we willen,maar er is wel een beweging. We onderzoeken dat verder, om te kijkenhoe we het nog verder kunnen verbeteren. Met de HervormingsagendaJeugd en het toekomstscenario zetten we er ook op in om dat samen tepakken en het effect te vergroten met de kennis die we hebben opgedaan.D66 had een vraag over het klachtrecht. De Staatssecretaris van JenV enik hebben onderzoek laten doen naar de klachtbehandeling. Daarover ishalf december een rapport naar de Kamer gestuurd. Daar zit een aantalaanknopingspunten in voor het verbeteren van het klachtrecht. We kijkenhoe we dat later dit kwartaal samen met VNG en de brancheorganisatiesin gang kunnen zetten. Uiteraard gaan we ook in gesprek met jongeren,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18476 als onderdeel van de Kinderrechtentoets. Voor de zomer krijgt u daarovereen brief.Mevrouw Wendel (VVD):Ik wil de Staatssecretaris graag vragen of het onderzoek naar of er nogeffectievere programma’s tegen kindermishandeling kunnen komen, ookmeegenomen kan worden in de brief die we aan het einde van hetvoorjaar of voor de zomer kunnen verwachten.Staatssecretaris Tielen:Ik weet niet of het in die brief moet. Ik doe het graag, hoor. Ik wil het graagook als extra aandachtspunt meegeven aan de nationaal coördinator. Dangaat het om het brede geweldsvraagstuk rondom afhankelijkheidsrelaties.Als mevrouw Wendel dat ook oké vindt, kan ze het tegen die tijd onder datkopje terugvinden.Dan de vader. O, sorry.Mevrouw Synhaeve (D66):Nog even terug naar de klachten in de jeugdzorg. Ik hoor de Staatssecre-taris namelijk zeggen: we gaan later dit kwartaal in gesprek met VNG enjongeren. Dat lijkt me uitstekend, maar ik zie in dat rapport echt heleconcrete voorstellen voor wetswijzigingen, dus mijn vraag aan deStaatssecretaris is de volgende. Volgens mij kunnen we die alvast in ganggaan zetten. Natuurlijk moeten we dat zeker in overleg doen metjongeren, maar laten we niet steeds wachten tot we al die verkennendegesprekken gevoerd hebben.Staatssecretaris Tielen:Maar laat er ook geen misverstand over bestaan: dit soort dingen doen weook wel parallel. Er zijn wat mij betreft twee dingen heel belangrijk. Hierzijn meerdere instanties bij betrokken. Ik vind het belangrijk dat weallemaal op dezelfde koers zitten. Tegelijkertijd kan ik niet als Staatssecre-taris bepalen hoe het allemaal gaat. Daar heb ik echt de anderen bij nodig.Daarom is het ook wel onderdeel van de gesprekken. Maar ondertussenzijn we natuurlijk al aan de slag met aanbevelingen, om te kijken hoe dater dan uit zou moeten zien. Ik denk dat mevrouw Synhaeve en ik elkaargoed begrijpen.De vader; ik zei het al. De heer Ceder deed een heldere oproep totvaderbetrokkenheid, met een mooie persoonlijke toon in dat verhaal. Datwaardeer ik heel erg. Ik denk dat dat heel krachtig is. Hij had een aantalvragen aan mij, onder andere over Kansrijke Start, dat gericht is op deeerste 1.000 dagen. Hij vroeg: hoe kunnen we zorgen dat ook vaders daarnadrukkelijk in worden gezien als sleutelpersoon? Dat doen we onderandere door zowel de gemeentes als de medische en sociale professi-onals goed toe te rusten om ouders te informeren over het belang van deeerste 1.000 dagen. Daarbij is er ook echt nadrukkelijk en explicietaandacht voor vaders en vaderschap. Op het kennisplatform van KansrijkeStart kunt u daar wat meer over teruglezen.Het vraagt iets in de opleiding, zei de heer Ceder al. Voor een deel hebbenwij geen invloed op de inhoud van de programma’s die op hogescholenen universiteiten worden gedraaid, maar, nogmaals, vanuit Kansrijke Starthebben we daar wel expliciet aandacht voor en daar is ook aandacht voorin de e-learningprogramma’s die rondom Kansrijke Start als na- ofbijscholing voor professionals worden gegeven.De heer Ceder refereerde aan ervaringen en onderzoeken. We weteninderdaad uit onderzoek dat de vaderrol heel belangrijk kan zijn. Ik weetniet of er extra onderzoek nodig is, omdat er al heel veel wetenschappelijkonderzoek beschikbaar is. Volgens mij is het met name belangrijk om aldie inzichten te verwerken in onder andere Kansrijke Start, maar ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18477 breder in de jeugdzorg en het stevige lokale team, om het maar zo tezeggen.Ik zie meneer ...De voorzitter:Heeft u nog meer vragen van de heer Ceder?Staatssecretaris Tielen:Van de heer Ceder? Niet over de vaders.De voorzitter:Als u het goedvindt, wacht ik nog even af of de andere vragen van de heerCeder worden meegenomen.Staatssecretaris Tielen:Ik heb wel vragen over relaties en scheidingen. Daar gingen vragen vande heer Ceder en de heer Stoffer over. Het ging over de Agenda voor hetHart en partnerrelaties. We weten uit onderzoek dat een scheidingingrijpende gevolgen kan hebben voor kinderen en de stabiliteit in eengezin. We weten wat de gevolgen daarvan kunnen zijn. Uiteraard is hetprimair aan ouders om daar verantwoordelijkheid in te nemen. Soms isondersteuning nodig. Steeds meer gemeentes bieden die ondersteuningmet een lokale aanpak scheidingen. Het is meer aan gemeentes om tekijken hoe dat binnen hun gemeente het beste aansluit bij onder anderede lokale teams. Wij proberen goede voorbeelden te delen, zodatgemeentes daar inspiratie uit kunnen putten. Afgelopen najaar hebben deStaatssecretaris en ik een landelijk congres over scheidingen georgani-seerd. Vanaf dit voorjaar ontstaan er ... «Ontstaan er», zeg ik alsof het eennatuurwet is. Vanaf dit voorjaar worden er regiobijeenkomsten georgani-seerd over scheidingen.«Is er zicht op de kosten en baten van complexe scheidingen?» In 2020heeft Significant een onderzoek gedaan. Je ziet dat er aanzienlijke kostenbij komen kijken. In dat rapport is ook gesteld dat het best lastig is om tebepalen welke kosten door de scheiding komen en welke door andere,aanpalende problemen. Een totale kostenberekening is dan ook indicatiefen een optelsom van verschillende bronnen. Dat het wat kost, is zeker, endan vooral in de persoonlijke sfeer, uiteraard.De Staatssecretaris van JenV, de heer Rutte, en ik hebben veelvoorbeelden voor het programma als het gaat over de landelijke aandachtvoor scheidingen. Ook in lokale teams is daar al brede aandacht voor.Uiteraard moet het toegankelijk zijn. Daar heb ik net al wat over gezegd.Het is onderdeel van het jeugdbeleid.Meneer Stoffer sprak ook over de «relatiefitnesstest» of zoiets; ik weet hetniet precies. Uiteraard is het aan de mensen zelf om te bepalen met wie,hoelang en op welke manier zij een relatie willen hebben. Daar moeten wijons als overheid niet tegenaan bemoeien, tenzij mensen hulp nodighebben, zeker voor hun gezin en kinderen, en hulp voor de duurzaamheidvan de relatie toepasselijk vinden. Dat is aan ouders. Zoals ik al zei,hebben sommige gemeentes daar een aanbod voor.De laatste vraag, denk ik.De voorzitter:Ik had de heer Ceder nog een interruptie beloofd.De heer Ceder (ChristenUnie):Ja, voorzitter. Het gaat over het onderzoek naar de positieve elementenvan het vaderschap of juist naar de afwezigheid van vaderschap en dekenmerken daarvan. Het klopt dat hier internationaal best veel onderzoeknaar wordt gedaan, maar toen ik dit uitzocht, viel mij ook op dat hier juistheel weinig Nederlands onderzoek naar wordt gedaan. Dat is welTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18478 belangrijk, want de Nederlandse context is een andere dan bijvoorbeeldde Amerikaanse. Ik wil mij best beroepen op Amerikaanse onderzoeken,maar volgens mij willen wij een effectief preventiebeleid. Het zou daaromhandig en goed zijn om daar ook vanuit de Nederlandse contextonderzoek naar te doen. Daar komt mijn vraag dus uit voort. Ik denk datwe dan een beter en gerichter preventiebeleid kunnen voeren, wantmeten is weten. Ik hoop dat de Staatssecretaris door deze context denoodzaak daartoe nog urgenter voelt en zelfs een onderzoek wiltoezeggen.Staatssecretaris Tielen:Onderzoek moet je doen als je al een idee hebt wat je met de uitkomstenzou willen doen, ervan uitgaande dat die uitkomsten iets anders laten ziendan we nu weten. Meneer Ceder verwijst al naar mogelijke interventies,maar het belangrijkste rondom gezinnen en stevige lokale teams isvolgens mij dat wij ervoor zorgen dat gezinnen zelf in staat zijn om warmeen veilige opgroeimogelijkheden te bieden. In welke vorm dat precies welof niet zou moeten, is aan de gezinnen zelf in overleg met de professi-onals uit het lokale team. Ik heb nu nog niet zo heel erg goed in beeld watextra onderzoek zou moeten opleveren aan andere of extra interventies,andere dan die wij nu al doen.Mevrouw Coenradie (JA21):Voorzitter, even een punt van orde, gelet op de tijd. Dit gaan we natuurlijknever ever redden. Er worden immers nog moties ingediend en er wordtnog geschorst. Er is ook nog een Staatssecretaris die moet reageren, en erzullen ongetwijfeld ook vragen komen. Hoe gaan we hiermee om? Ik heber behoefte aan dat te weten. 17.00 uur is 17.00 uur, maar dat gaan we dusniet redden.De voorzitter:We kunnen een halfuurtje langer doorgaan. Ik kan niet in uw agenda’skijken, maar dat zou het makkelijkst zijn. Anders moet u allemaalterugkomen. Gemiddeld genomen zijn bij WGO’s iets minder Kamerledenaanwezig. Nu zijn het er iets meer. Dat is hartstikke goed, maar er zijn ookheel veel vragen gesteld over heel veel verschillende onderwerpen. Er isbest rap door de antwoorden gegaan. We krijgen ook nog twintig minutenof een kwartier Staatssecretaris. Dan kunnen we naar de tweede termijn.Het is aan u, hè? Dat probleem lossen we altijd samen op. Als weschorsen, komt u terug en dan zitten we hier over twee weken weer. Alshet al lukt. We weten niet wie er dan zit, om het maar even zo te zeggen.Dat is het risico. Daar hebben we geen invloed op. Laten we in ieder gevalvoorlopig doorgaan. De heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik vind het goed om door te gaan. Laten we kijken waar we om 17.00 uurstaan. De tweede termijn redden we denk ik wel. De appreciaties zoudeneventueel ook schriftelijk gegeven kunnen worden. Als er aanleiding isvoor vragen, kunnen we het overleg wellicht nog heropenen, maarmisschien hebben we daar ook genoeg duiding aan.De voorzitter:U doelt op een schriftelijke appreciatie van de moties, toch? Ja, dat zoukunnen. Zeker. Ik stel toch voor om nog even ... Mevrouw Coenradie heefteen terecht punt, maar met zo veel Kamerleden is het is een ambitieustijdpad. De Staatssecretaris voor het laatste punt.Staatssecretaris Tielen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18479 Ik vind het trouwens ook heel mooi dat hier zo veel fracties bij zijnbetrokken. Dat had ik aan het begin moeten zeggen, natuurlijk. Het is echtbelangrijk genoeg.De voorzitter:Zeker.Staatssecretaris Tielen:Mijn laatste antwoord is op de laatste vraag van de heer Ceder, overinterventies met betrekking tot vaderschap. Die hoort eigenlijk bij devaders, natuurlijk, in de databank Effectieve jeugdinterventies. Het kostgewoon tijd om goed te toetsen op effectiviteit. Dat gebeurt nu en ze doenhun uiterste best. Binnen Kansrijke Start zijn er ook wat effectieveinterventies, gericht op beide ouders. Ik zou dus iets positiever willen zijnover het aantal richtingen, meneer Ceder, ook in de ondersteuning voorzijn pleidooi.De voorzitter:Ik dank de Staatssecretaris van VWS. We gaan snel door naar deStaatssecretaris van JenV. Er is al heel veel gezegd. Er is ook een mooieoverlap tussen deze twee portefeuilles, interdepartementaal. Aan u hetwoord, meneer Rutte.Staatssecretaris Rutte:Dank u wel, voorzitter. Ik zal proberen niet in herhaling te vallen. Als datgebeurt, grijpt u dan vooral in. Mijn collega Tielen van VWS heeftuitgebreid stilgestaan bij het vrijwillige kader. Daarmee kun je vaak veeloplossen. Soms, heel soms, lukt dat niet en is ingrijpen door de overheidnoodzakelijk om de veiligheid van het kind te borgen, omdat ouders somsecht niet in staat zijn om voor een veilige opgroeisituatie te zorgen. Ookinternationale verdragen zijn daar duidelijk over. Daarbij spreken weinderdaad over het gedwongen kader, met een duidelijke uitspraak vaneen rechter die een machtiging afgeeft voor gedwongen hulp. Die hulp isdan verplicht; ouders kunnen die niet weigeren. En als er wordtingegrepen door de overheid, dan is het belangrijk dat ouders en kinderenzich gehoord voelen, dat het traject met alle rechtswaarborgen isomgeven en dat passende hulp en bescherming beschikbaar zijn. Velenhebben daar wat over gezegd. Maar om de problematiek in de jeugdbe-scherming echt op te lossen, moet het fundamenteel anders. Bij hetToekomstscenario kind- en gezinsbescherming werken we samen met desector aan structurele verbeteringen van de jeugd- en gezinsbescherming.In een groot interdepartementaal programma is de afgelopen periodehard gewerkt aan een echt andere manier van werken: gezinsgericht,eenvoudig, transparant, rechtsbeschermend, en vooral ook lerend. Inproeftuinen door heel Nederland zijn nieuwe gezinsgerichte eneenvoudige werkwijzen ontwikkeld en uitgeprobeerd. In de proeftuinenleidt de gezinsgerichte integrale benadering aantoonbaar tot een betereondersteuning van gezinnen.Ik moet ook zeggen dat ik bij mijn aantreden stevige verschillen vaninzicht met onze partners aantrof over de gekozen richting. In deafgelopen periode hebben we de ruimte genomen om intensievegesprekken te voeren met alle betrokken partners. Dat heeft geresulteerdin een veranderstrategie met concrete veranderstappen voor de korte enlange termijn en de manieren waarop we daarbij willen samenwerken. Datbetreft een veranderstrategie binnen de huidige financiële kaders. Bij diestrategie maken we niet alleen verbinding met de HervormingsagendaJeugd, maar ook met de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijkgeweld en kindermishandeling en het samenwerkingsverband tussenVeilig Thuis, politie en justitieorganisaties. Ik verwacht dat de strategienog dit voorjaar naar uw Kamer wordt gestuurd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18480 Voorzitter, dat was mijn korte inleiding. Dit brengt me bij een aantalblokjes. Dat klinkt heftiger dan het is, want ik houd ze allemaal kort. Wegaan het eerst hebben over de rechtsbescherming bij uithuisplaatsingen.Dan apart over JB Noord. Ik wil het hebben over huiselijk geweld enkindermishandeling. Dan over het toekomstscenario. En tot slot – uvermoedde het al – over overige zaken.Laat ik beginnen met de rechtsbescherming. Mevrouw Westerveld vroeg:hoe zit het nou met die beloofde verbetering van de rechtspositie vanjongeren en ouders? Daarvoor is een wetsvoorstel in de maak. We hopendat begin dit jaar ter advisering te kunnen voorleggen aan de Raad vanState. Daarin zijn we dus vergevorderd. Dat is ongeveer nu, ja. MevrouwWesterveld weet dat je dan weleens door wat hoepeltjes moet springenen zo, maar dan... In ieder geval geen vertraging op die lijn.Mevrouw Synhaeve verwijst naar het rapport Van inzicht naar uitvoering,van het Verwey-Jonker Instituut. Zij wil ook weten welke stappen wijzetten om uithuisplaatsingen te verminderen en hoe ik reflecteer op deaanbevelingen in het rapport. De aanbevelingen van het Verwey-JonkerInstituut zijn herkenbaar: systeemdrukte; eerder en gezinsgerichthandelen; kinderen en ouders beter horen. Eigenlijk is dat ondersteuningvan het beleid; het ligt precies op de koers die wij met elkaar willen gaanvaren. Ook het voorkomen van uithuisplaatsing is een belangrijk strevenin de jeugdzorg. Dat sluit aan bij wat we doen rondom het Toekomstsce-nario kind- en gezinsbescherming. Daar zit die hele strategie achter vanhet versterken van de lokale wijkteams. Vervolgens wordt daarmee zo veelmogelijk afgevangen. Er wordt alleen opgeschaald als het nodig is. Ookdat gebeurt doelgericht en efficiënt.We hebben dus in beeld wat er moet gebeuren. Het is nu echt tijd vooractie. Daarom werken we nu met partners uit wat we op korte termijnkunnen doen en bekijken we wat pas op lange termijn kan. Dit komt in deveranderstrategie die dit voorjaar naar de Kamer komt. Dat is het verhaaldat ik net vertelde. We gaan echt proberen om op korte termijn vooruit tekomen en datgene te doen wat op korte termijn kan. We stappen eenbeetje af van het maken van grootse toekomstgezichtspunten. Hetwetsvoorstel Rechtsbescherming is zeer ver onderweg, zoals ik net alaangaf.De heer Van Houwelingen geeft aan dat uithuisplaatsingen het laatsteredmiddel zouden moeten zijn. Hoe kijk ik daartegen aan? In hetwetsvoorstel Versterking rechtsbescherming in de jeugdbeschermingwordt de rechtsgrond voor uithuisplaatsingen aangescherpt, met als doelte borgen dat deze maatregel uitsluitend wordt ingezet wanneer ditnoodzakelijk is. Daarmee bevestigt het kabinet dat een uithuisplaatsingeen ultimum remedium blijft. Daar heb ik nog iets meer over te zeggen.Misschien kan ik dat erbij pakken?De voorzitter:Dan laat ik u nog even dit blokje afmaken. We doen interrupties na hetblokje. Dan gaat u nog even door.Staatssecretaris Rutte:Ik heb namelijk een paar vragen van de heer Van Houwelingen achterelkaar. Hij vroeg ook naar de financiële prikkels. De jeugdzorg wordtbetaald voor uithuisplaatsingen. Hetzelfde geldt voor gezinshuizen enpleeggezinnen. Is dat niet ongezond, vroeg hij. Ik ben het echt eens metde heer Van Houwelingen dat we uithuisplaatsingen zo veel mogelijkmoeten voorkomen. Het goede nieuws is dat er echt sprake is van eendalende trend. Tussen 2022 en 2024 is het aantal uithuisplaatsingen met10% gedaald. Sinds 2009 is het aantal ondertoezichtstellingen al gehal-veerd. Dus we moeten niet doen alsof het een steeds groter wordendprobleem is. Het is vervelend, maar het neemt echt af. In ons stelsel ligtde verantwoordelijkheid voor de uitvoering van ondertoezichtstellingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18481 en uithuisplaatsingen bij de GI’s. De GI’s krijgen per cliënt betaald. Of eralleen een ots is, of een ots met een uithuisplaatsing, is dus niet relevant.Dat leidt niet tot extra uitbetaling. Voor de rest wordt de uithuisplaatsingonafhankelijk getoetst door de rechter. Daar wil ik het even bij laten.In datzelfde kader kom ik op de vraag of er altijd sprake zou moeten vancontra-expertise. Toegang tot onafhankelijke deskundigheid in kinderbe-schermingsprocedures is wettelijk geborgd. Betrokkenen kunnen dekinderrechter verzoeken om een onafhankelijk deskundigenonderzoek. Datkan, maar de uitvoeringspraktijk kampt wel met beperkte capaciteit voordat deskundigenonderzoek. Dus daar knelt wel de schoen. Daarom werkenwe aan een businesscase voor een landelijke voorziening voor beslisdiag-nostiek in de jeugdbescherming, om de kwaliteit, de beschikbaarheid ende doorlooptijd te verbeteren. Tot zover het blokje de heer Van Houwe-lingen, als ik het zo zou kunnen stellen.De heer Van Houwelingen (FVD):Heel veel dank voor de beantwoording over de contra-expertise. Wehebben heel vaak gehoord dat het voor ouders ontzettend belangrijk isom zo’n contra-expertise te hebben wanneer er sprake is van eentunnelredenering. Wat mij betreft is het net zo noodzakelijk als het hebbenvan een advocaat, als u mij kunt volgen. Dan mijn vraag aan de Staatsse-cretaris: is het niet zo dat er vanwege de zorgvuldigheid echt contra-expertise moet zijn? Vanuit het principe van rechtszekerheid zouden we ertoch geen genoegen mee kunnen nemen dat het er niet is?Staatssecretaris Rutte:Daarover verschillen wij een beetje van mening. Belanghebbendenkúnnen erom vragen. Dan wordt dat deskundigenonderzoek ook gedaan.Maar om het standaard te doen gaat me net wat te ver.De voorzitter:Tot slot.De heer Van Houwelingen (FVD):Tot slot. Voor ons is dat teleurstellend. De Staatssecretaris zei zojuist datmensen alleen – maar dat is natuurlijk de vraag – uit huis wordengeplaatst als het noodzakelijk is. Daar is iedereen het hier natuurlijk overeens. Maar ik gaf net een voorbeeld. Ik las een brief voor van iemand diedus tegen haar zin uit huis is geplaatst. De ouders wilden het ook niet. Jehoort het vaak: de moeder of de vader is mentaal ziek, maar er kan noggoede zorg geleverd worden met wat hulp. Kan dat straks onder denieuwe wet gebeuren? Is dat dan voldoende rechtsgrond of niet?Staatssecretaris Rutte:De casuïstiek is buitengewoon ingewikkeld om hier te bespreken. In deperiode dat ik Staatssecretaris ben, heb ik menig werkbezoek afgelegd inhet speelveld van de jeugdbescherming. Wat daarbij opvalt, is dat hetnegen van de tien keer bepaald niet zwart-wit is. Er zijn ook gevallenwaarbij gemeenten en andere hulpverleners denken «dit moet echt eenuithuisplaatsing worden», terwijl de Raad voor de Kinderbescherminguiteindelijk een andere weging maakt en de zaak terugverwijst, op basisvan het feit dat er meer mogelijk is. Andersom zal het ongetwijfeld ookweleens gebeuren dat iedereen eerst denkt dat het toch opgelost moetkunnen worden, maar de weging uiteindelijk de andere kant uit valt. Ik wildie weging graag bij professionals houden, in de wetenschap dat hetaantal uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen wel degelijk afneemt.De voorzitter:Staatssecretaris, gaat u verder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18482 Staatssecretaris Rutte:Mevrouw Westerveld vroeg waarom het hoorrecht niet overal goedgeborgd wordt. Vanaf 1 juli 2025 wordt iedereen vanaf 8 jaar door derechtspraak uitgenodigd voor een gesprek met de rechter. Deze verlagingvan 12 jaar naar 8 jaar wordt ook in het wetsvoorstel Versterkingrechtsbescherming in de jeugdbescherming geborgd, maar de praktijkloopt daar nu al op vooruit. Ik denk dat dat ook goed is. Maar we gaan hetook wettelijk borgen.Mevrouw Van Meetelen wil dat onderzocht wordt op welke wijze ernstigfalen kan worden gekwalificeerd en bestraft. Zij wil ook weten welkeaanpassingen in wet- en regelgeving daarvoor nodig zijn. De aanpak vanernstig falen loopt via de IGJ en de IJV. Die kunnen besluiten om toezichtin te stellen naar aanleiding van een melding of op eigen initiatief,bijvoorbeeld na een inspectiebezoek of eigenstandig onderzoek. Dat kanvervolgens resulteren in het opleggen van een aanwijzing, een cliën-tenstop of een boete. Als een SKJ- of BIG-geregistreerde zorgverlenererbij is betrokken, is een tuchtzaak ook mogelijk. Als de inspectie in hettoezicht strafbare feiten vaststelt, deelt zij dit met het Openbaar Ministerievoor mogelijke strafrechtelijke vervolging.Ik ga door naar de vragen van de heer Ceder over de staatscommissiejeugdzorg: is deze al ingevuld, gaat dat nog gebeuren of ligt dit op deplank voor een volgende bewindspersoon? Officieel ligt dat op de plankvoor een volgende bewindspersoon, maar die hoeft het er alleen maar afte halen en af te stoffen. Afstoffen hoeft niet eens, want er zit geen stof op.Het staat klaar om in beweging te gaan. Mijn opvolger zal het door deministerraad begeleiden. Het streven is dat de commissie op 1 april kanbeginnen. Alle voorbereidingen daarvoor zijn getroffen.De voorzitter:Mevrouw Van Meetelen, kort.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Ik hoor net de beantwoording, maar ik heb toch nog een ander soortvraag. De voortgangsbrief erkent het strafrechtelijke ingrijpen. Bescher-mingsmaatregelen en kernsamenwerkingen zouden cruciaal zijn. In deVWS-begroting ontbreekt eigenlijk een expliciete, gezamenlijke sturing enfinancieringslogica samen met JenV. De vraag is nu: hoe kunt u, deStaatssecretaris op JenV, verantwoordelijkheid nemen voor de veiligheidvan die kinderen, als die verantwoordelijkheid niet herkenbaar, en dus ookniet toetsbaar, is in die begrotingscyclus? Wij willen echt terugzien in debegroting wat we eraan gaan doen als het misgaat.Staatssecretaris Rutte:Het toezicht en het optreden op het moment dat dingen misgaan liggenecht bij de twee inspecties, de IGJ en de IJV. Zij doen dat ook. Ze gevenook niet aan er te weinig middelen voor te hebben. Ik herken dus niethelemaal de zorg van mevrouw Van Meetelen. In zijn algemeenheidtreden we goed op als er dingen misgaan. De inspecties zeilen behoorlijkscherp aan de wind. Ik denk dat het daarmee voldoende geborgd is.De voorzitter:Gaat u door.Staatssecretaris Rutte:Dan kom ik niet bij de rechtsbescherming, want dat mapje is leeg, maarbij JB Noord. Dat gaat mij aan het hart, want ik ben zelf inwoner vanGroningen. Dit is dus een jeugdbeschermingspartij in mijn eigenprovincie. Er is van alles over gezegd, geschreven en te lezen. Ik gagewoon snel door de antwoorden heen, niet omdat ik het wil afraffelen,maar omdat we krap in de tijd zitten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18483 Mevrouw Westerveld vraagt of er met mensen van het meldpunt en metouders is gesproken. JB Noord heeft zeker gesproken met mensen van hetmeldpunt en met ouders. Ze voeren ook gesprekken met de mensen diezich hebben gemeld, om te bekijken wat er in hun geval is gebeurd en water beter kan. Daarnaast worden ouders betrokken bij de uitvoering van demaatregelen uit het verbeterplan van JB Noord naar aanleiding van hetinspectierapport. Dat vind ik ook heel belangrijk. Er is veel gebeurd. Viadie contacten moeten dingen ook echt beter gaan. Als stelselverantwoor-delijke volgen we de situatie nauwgezet en hebben we regelmatig contactmet gemeenten en JB Noord.Mevrouw Synhaeve gaat uitgebreid in op de problemen bij JB Noord, envooral op de zorg over de vraag wat er gebeurt als JB Noord hetcertificaat verliest. Het is duidelijk dat er in de afgelopen periode bij JBNoord veel zaken niet goed zijn gegaan. Niet voor niks heeft het Keurmer-kinstituut eind 2024 het certificaat ingetrokken en staat JeugdbeschermingNoord nog steeds onder verscherpt toezicht van de IGJ. Inmiddels heeftJB Noord het certificaat weer terug en is de weg omhoog op zich welgevonden. Hoe goed dat is, moet uiteindelijk ook uit het inspectierapportblijken, dat we deze maand verwachten. JB Noord werkt hard aan eenherstel- en verbetertraject, dat ertoe moet leiden dat jeugdigen engezinnen in alle gevallen de ondersteuning krijgen waar ze recht ophebben. De betrokken gemeenten steunen JB Noord hier op dit momentin en zitten er ook bovenop. Ook financieren de gemeenten aanvullendeuitvoeringscapaciteiten. Indien JB Noord het certificaat zou verliezen –gelukkig is dat niet gebeurd – dan voltrekt zich een wel heel beroerdscenario, want dan moeten alle kinderen naar een andere GI, wat telkensvia de rechter moet. Dat is eigenlijk een rampscenario, want ook deandere GI’s zitten overvol. Alles moet via de rechter. Alles is er dus opgericht om dat te voorkomen. Er liggen ook scenario’s klaar om tevoorkomen dat we hierin vervallen. Daar is dus wel allemaal naargekeken. Ik wil daarover niet te veel in detail treden. Het mag duidelijk zijndat we alles op alles moeten zetten om dat te voorkomen. Tot zoverJeugdbescherming Noord.De voorzitter:Mevrouw Wendel nog. Nee, mevrouw Westerveld en dan mevrouwWendel. U was eerder.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik heb een interruptie over dit punt. De Staatssecretaris geeft aan dat JBNoord wél met de mensen van het meldpunt heeft gesproken. Ik krijg inieder geval signalen dat zij zich niet voldoende betrokken voelen of datouders onvoldoende betrokken worden. Mijn concrete vraag aan deStaatssecretaris is of hij ervoor kan zorgen dat ook nog eens expliciet demensen van het meldpunt aangehaakt blijven. Misschien kunnen mensenop zijn ministerie dat doen. Die mensen hebben ontzettend veel verhalenverzameld; ze zijn ongelofelijk betrokken. Ze willen ook graag meedenkenom ervoor te zorgen dat het straks beter wordt. Kan de Staatssecretariservoor zorgen dat die connectie ergens wordt gelegd? Ik denk dat dieverhalen te waardevol zijn om niet mee te nemen.Staatssecretaris Rutte:Dat ben ik volstrekt met mevrouw Westerveld eens. Dat gaan we doen.Mevrouw Wendel (VVD):Net als de Staatssecretaris woon ik in Groningen. Dat betekent ook datveel mensen hierover bij mij op de lijn komen. Ik zie dat gemeenteradenen wethouders echt massaal worstelen met wat er nu plaatsvindt bij JBNoord, met de centrale vraag: «Wanneer is het genoeg? Wanneer moetenwij als gemeenteraden en wethouders wellicht de verantwoordelijkheidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18484 nemen en de stekker eruit trekken omdat we het niet langer accepterendat hier veel incidenten plaatsvinden?» Ik wil uitdrukkelijk niet hiervoorpleiten vandaag, maar ik wil de Staatssecretaris wel vragen om dit nietalleen op de voet te volgen maar ook proactief op de lijn te gaan zitten bijzowel JB Noord als de betrokken wethouders om te kijken hoe jullie hiersamen uit kunnen komen, want ik voorzie wel heel veel problemen als destekker hier echt uit getrokken wordt.Staatssecretaris Rutte:Mevrouw Wendel en ik delen dat volgens mij. Ik heb net gezegd dat weeen bijna niet te overzien probleem hebben als je hier de stekker uit trekt.Ik heb wel veel begrip voor de grote zorgen die er spelen in de regio waarJB Noord werkzaam is en voor de gemeenten en de gemeenteraadsledendie dat ook zien. Je moet je voorstellen dat als problemen langdurig heelgroot zijn geweest, je ook een hele lange nasleep hebt van diezelfdeproblematiek. Ook dat zien we hier. Het is dus helaas niet zomaaropgelost. Je keurmerk terugkrijgen betekent niet dat de problemen zijnopgelost. Er is niet voor niks verscherpt toezicht. We gaan deze maandhoren of het beter gaat. Ik zie wel dat er bestuurlijk al forse interventieszijn geweest. Er staan andere mensen aan het roer, die dingen andersdoen. Dat schept wel wat vertrouwen, maar we moeten de vinger aan depols blijven houden. Dat gebeurt vanuit mijn ministerie bijna op dagelijksebasis. Richting de wethouders is dat iets meer op afstand, maar als debehoefte bestaat, dan zijn we absoluut bereid om dat te doen.De voorzitter:Mevrouw Wendel, tot slot.Mevrouw Wendel (VVD):Dank in ieder geval voor de inzet die de Staatssecretaris hierop wil plegen.Ik zit hier zo hard in omdat ik in verschillende gemeenteraden al motiesingediend zie worden om de stekker uit JB Noord te trekken. Die conse-quenties zijn niet te overzien. Daarom zou ik graag die toezegging van deStaatssecretaris willen.De voorzitter:Een toezegging?Staatssecretaris Rutte:Volgens mij heb ik die gedaan. Wij blijven dit contact houden. Ik kan mevoorstellen dat we ook nog wat extra contact met gemeenten gaan leggenom te kijken hoe we de boel dicht tegen elkaar aan kunnen trekken.De voorzitter:Krijgen we daar dan per brief een uitkomst van, Staatssecretaris?Staatssecretaris Rutte:Dat is een ongewisse uitkomst. Ik kan toezeggen dat wij die contacten nogintenser maken dan ze nu al zijn. Als iemand de uitkomsten daarvanhelemaal concreet kan maken, vind ik dat prima. Maar dat is ...De voorzitter:Oké. Als u het in een soort van rapportage mee kunt nemen in deterugkoppeling ...Staatssecretaris Rutte:Dat doen we dan in een volgende brief.De voorzitter:Ja, oké.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18485 Staatssecretaris Rutte:Ik ga ervan uit dat de status van JB Noord daar überhaupt een plek in zalkrijgen.De voorzitter:Gaat u door.Staatssecretaris Rutte:Dan kom ik bij huiselijk geweld en kindermishandeling. We gaan van deene gezelligheid naar de volgende. Het is niet anders. Dit onderwerp isvorige week ook al uitgebreid aan de orde geweest bij de begrotingJustitie en Veiligheid. Vandaag komt het opnieuw aan bod. Dat kan ik megoed voorstellen, want het is nogal wat als je niet veilig bent in je eigenhuis en daar geconfronteerd wordt met mishandeling of nog ergeredingen.Mevrouw Coenradie vroeg daar uitgebreid naar. Daar heb ik alle begripvoor. Zij vraagt hoe het kabinet aankijkt tegen het werken met ééngemeenschappelijk systeem of het eventueel zelfs schrappen vanonnodige privacybescherming, zodat informatie sneller en effectiever kanworden gedeeld. Onder de regie van het Ministerie van Justitie enVeiligheid werken de betrokken organisaties, waaronder Veilig Thuis, depolitie en de justitieorganisatie, sinds 2023 stap voor stap aan verbeteringvan de onderlinge informatie-uitwisseling onder de noemer «Samenonder Handbereik». Daarmee gaan we niet alle informatie in één systeemstoppen, maar wordt wel gezorgd dat de noodzakelijke informatieonderling ter inzage toegankelijk is. De eerste resultaten zijn inmiddelsbehaald. Vanaf 2026 kan elke Veilig Thuisorganisatie digitaal checken ofeen of meerdere netwerkpartners bekend zijn met iemand over wie VeiligThuis een melding heeft ontvangen.Dan de vraag of we dwingender interventies moeten toepassen bij eenhoog risico op huiselijke geweld en kindermishandeling, en hoe we datdan concreet doen. Momenteel loopt het traject ter verbetering van deinzet van het tijdelijke huisverbod. Deze maand zijn de pilots gestart inDen Haag, Rotterdam, Groningen en Utrecht. Het uitgangspunt is dat hettijdelijke huisverbod niet alleen in acute crisissituaties wordt opgelegd,maar ook bij onderbouwde signalen met betrekking tot de structureleveiligheid. Ook zijn we aan het kijken hoe aanvullende bestuursrechtelijkebeschermingsmaatregelen kunnen worden ingezet om slachtoffers beterte beschermen. Daar worden bijeenkomsten over georganiseerd. Er wordtvooral ontzettend veel kennis uitgewisseld. Mevrouw Coenradie weetvolgens mij wel dat het echt lastig is om het strafrecht goed met hetbestuursrecht te verknopen, maar daar zijn goede voorbeelden van. Wewillen kijken of en hoe we dit goed kunnen borgen en opschalen.In hetzelfde kader was de vraag of het kabinet de analyse deelt dat hetsysteem nu te vaak de last bij het slachtoffer legt in plaats van bij dedader; bij een uithuisplaatsing van de dader laat je het de dader bijvoor-beeld wel voelen. Het eerlijke antwoord is dat dat niet altijd kan wordenvoorkomen, omdat bij hoge veiligheidsrisico’s niet altijd voldoendeveiligheidsgaranties kunnen worden geboden. Er moeten soms ookveiligheidsmaatregelen worden ingezet voor het slachtoffer, maar ik werkhard aan de interventies richting plegers, zoals de elektronischemonitoring in combinatie met een contact- of locatieverbod en eenslachtofferdevice, en dus uitbreiding van het tijdelijke huisverbod.Mevrouw Coenradie kwam met een voor mij wat nieuwe term: hetafkoelhuis. Ik vermoed dat dat niet een soort grote diepvries is, maarvooral een plek waarheen de dader kan worden uitgeplaatst. Welkeoplossingen zijn denkbaar en wat zijn de juridische en financiëleknelpunten, werd gevraagd. Eerlijk gezegd is dat nog niet in kaartgebracht. Ik kan die vragen dus nog niet tot in detail beantwoorden. Injanuari starten pilots. Die moeten daar echt inzicht in gaan geven. EenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18486 mogelijk knelpunt zal zijn dat het wettelijk kader moet worden uitgebreidom gedwongen opvang mogelijk te maken. Dan zullen we daar ookfinanciële middelen voor moeten vinden, maar we staan nog een beetjeaan het begin van het onderzoek en het denken. Mevrouw Coenradievraagt ook naar landelijke pilots met die afkoelhuizen; dat is welonderdeel van deze pilots.Tot zover dit blokje. Er zijn geen extra vragen. Dan ga ik door met hettoekomstscenario.Mevrouw Westerveld had daarover meerdere vragen. De financiering vanhet toekomstscenario vervalt per 2027. Zij zei: dat maakt de uitvoeringonzeker; wat gaan we dan doen met die proeftuinen? In 2026 worden dieproeftuinen in ieder geval nog wel gefinancierd. Die zijn ook enorm nuttig.Van nieuwe werkwijzen leren we ontzettend veel. Ik hoorde dat mensenbijvoorbeeld heel enthousiast zijn over de werkwijze in Flevoland. Dat isook een van de proeftuinen. Welke belemmeringen er zijn en hoe we diemet elkaar kunnen oplossen, is precies wat we in die proeftuinen ophalen.Of en hoe de proeftuinen doorgaan en hoe we proeftuinen in de regio’skunnen ondersteunen in 2027 en verder, komt in de veranderstrategie testaan die mijn opvolger naar de Kamer zal sturen. Dat gaat niet heel langduren. Ik verwacht dat in de eerste helft van dit jaar. Ook is duidelijk dat deveranderstrategie vooralsnog binnen het huidige financiële kaderuitgevoerd zal moeten worden. Het is dus wel een spannende strategie,maar je kunt ook niet eeuwig doorgaan met proeftuinen. Op een bepaaldmoment moet je durven zeggen wat de beste werkwijze is. Het is ook nietzo dat iedere verandering altijd moet leiden tot extra geld. Je kunt je ookvoorstellen dat veranderen soms bij een normale bedrijfsvoering hoort. Ofdat nou helemaal lukt of niet, zal in de veranderstrategie naar vorenmoeten komen.Dan kom ik bij Flevoland, waar de heer Ceder aan refereerde. Dat isinderdaad een van die proeftuinen. In Flevoland worden uithuisplaat-singen voorkomen door het hele gezin hulp te geven. Wat vind ikdaarvan? Is het mijn ambitie? Ik kan zeggen dat het een veelbelovendeaanpak is. Ik word er inderdaad echt heel enthousiast van als het op diemanier kan. Het hele idee daarvan past ook helemaal bij hoe we bij hettoekomstscenario denken: integrale hulp aan het gezin en daarmee zoveel mogelijk voorkomen dat je diep in dat gedwongen kader en bijuithuisplaatsingen terecht gaat komen. Ik zie dat dus echt als een van devoorbeelden die je ook over andere regio’s zou willen verspreiden en dieje als norm zou willen stellen. Je zou belemmeringen weg willen nemendie daarmee te maken hebben.Dan ga ik in dit razende tempo door naar het blokje overig. De heer VanHouwelingen zou graag in de VWS-begroting een overzicht willen hebbenvan het aantal ondertoezichtstellingen en het aantal uithuisplaatsingen etcetera. Ze staan misschien niet in de begroting, maar ze zijn weleenvoudig te vinden. Het CBS houdt ze bij. U kunt daar dus gewoon naarzoeken en er worden keurige overzichtjes van gemaakt. De rapportagesworden vervolgens ook door de Ministeries van VWS en JenV aange-boden aan de Tweede Kamer. Ze worden dus op zich, al staan ze niet in debegroting, wel gedeeld en zijn eenvoudig vindbaar.Mevrouw Wendel vraagt of het niet allemaal wat sneller en concreter kan;ik heb het meer mensen horen zeggen. Dat vind ik wel een goedehartenkreet; daar voel ik wel in mee. In ieder geval komt in het voorjaar deveranderstrategie naar de Kamer, met daarin de prioriteiten waar we onsop korte termijn – dan hebben we het over de komende drie jaar – en opde lange termijn op gaan richten. We werken met alle organisaties toenaar concrete acties die ook zien op het verminderen van de druk op dejeugdbescherming. In de kern gaat het erom dat als de problemen vankinderen en gezinnen tijdig en effectief worden aangepakt, kinderbescher-mingsmaatregelen minder vaak nodig zijn en daardoor de druk op dejeugdbescherming afneemt. We zitten nu veel meer in een werkwijzeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18487 waarin we ons iedere keer, werkenderwijs, afvragen wat de kern is. Dekern is dat wij een goed team rondom een gezin willen hebben en dat wedaarmee proberen zo veel mogelijk van de problemen op te lossen. Lopenwe dan vervolgens ergens tegen aan en moeten we daardoor echtverandering in gang zetten, dan doen we de eerstvolgende veranderingop dat moment.Dat is een klein tipje van de sluier van die veranderstrategie. Het zal dussteeds vaker een kwestie van kleine stappen vooruit zijn, maar we gaandan wel iedere keer vooruit in plaats van te werken met hele groteskeplannen, visies en meer van dat al. Los daarvan, in de categorie «kortetermijn en hopelijk toch al wat resultaat», gaan we in ieder geval desubsidieregeling voor zijinstromers in de jeugdbescherming verlengen,zodat de GI’s aan goede jeugdbeschermers kunnen blijven komen. Voorde rest wordt het echt een andere manier van werken: minder grootseplannen en meer een kwestie van moedig voorwaarts, stap voor stap,maar elke keer wel een stukkie beter.Mevrouw Van Meetelen vraagt of het juridisch kader om nalatigheid vanbestuurders te sanctioneren niet te beperkt is. Waarom is dat niethersteld? Bij onregelmatigheden of incidenten staat de aansprakelijkheidvan de betrokken organisatie voorop. Mijn collega gaf net al aan: diebetrokken organisatie is dan de jeugdzorgorganisatie waaraan iemand istoevertrouwd. In het geval van ernstige en bewuste nalatigheid biedt hethuidige juridische kader al mogelijkheden om bestuurders aansprakelijk tehouden. Bestuurdersaansprakelijkheid is toch wel een stevig middel. Hetoordeel over de vraag of het gaat om ernstige en bewuste nalatigheid, isuiteraard aan de rechter.Dan kom ik bij een vraag van mevrouw Westerveld: er is weinig tijdgenomen voor de verklarende analyse; kan ik daar een reactie op geven?De verklarende analyse is een methodiek om samen met de gezinnen ende sociale omgeving beter in beeld te krijgen welke problemen er in hetgezin spelen. Die methodiek is in opkomst en organisaties en professi-onals zijn daar nog lerend in. Het kan wel een belangrijke bijdrage leverenaan het organiseren van de juiste hulp en het voorkomen van bescher-mingsmaatregelen. Dus wat dat betreft past het wel heel erg in de visiedie we voor ogen hebben. Het doen van een verklarende analyse vraagteen zorgvuldig proces van samenwerking, afstemming en de juistedeskundigheid. Daar zetten we op in in het kader van de leeragenda’s, vande hervormingsagenda en het toekomstscenario. Ik kan me dus heel goedvoorstellen dat die daarin een heel nadrukkelijke plek krijgt. Ik zie af en toebij werkbezoeken wel regio’s waar men zegt: dit is de manier waarop wijwerken. Ik geloof daar wel heel erg in. We blijven daar dus vooral omvragen en op drukken.Dan een heel ander onderwerp. Dat is het onder toezicht stellen van eenongeboren kind. De heer Stoffer vroeg daarnaar. Hij gaf aan dat wij dat inNederland misschien wel erg veel doen, vergeleken met andere landen.Zouden we in dit kader wellicht ook niet wat meer aandacht moetenhebben voor eventuele vrijwillige maatregelen? Zou dat niet beter zijn? Ikzie in ieder geval geen noodzaak voor een nadere wettelijke regeling voorondertoezichtstelling bij ongeboren kinderen. De huidige wetgeving biedtde rechter voldoende ruimte om maatwerk te leveren met inachtnemingvan de belangen van zowel moeder als kind. Tegelijkertijd hecht ik grootbelang aan vroegtijdige vrijwillige en preventieve ondersteuning; dat deelik wel met de heer Stoffer. Dat sluit aan bij het toekomstscenario waarinwordt ingezet op eerder signaleren, beter samenwerken en het versterkenvan lokale wijkteams, zodat gedwongen maatregelen zo veel mogelijkkunnen worden voorkomen.Dan eindig ik met misschien wel een van de belangrijkste onderwerpen:de mensen die dit werk moeten doen. Binnen mijn portefeuille zijn dat dejeugdbeschermers. Kan ik nog een rol vervullen voor een aantrekkelijkecao? Dat is altijd reuzelastig, want ik onderhandel inderdaad niet overTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18488 cao’s; ik ga dat ook niet doen. Ik blijf me wel inzetten voor het verlagenvan de werkdruk, net als in de afgelopen jaren. Dat hebben we ook echtgericht gedaan. We hebben de werklast verlaagd en er waren landelijkecampagnes ter verbetering van het imago van jeugdbeschermers.Tot slot wil ik mijn grote dank uitspreken aan iedereen die dit ontzettendingewikkelde, maar ook mooie werk doet. Uiteindelijk zijn de jeugdbe-schermers degenen die in een hele ingewikkelde situatie, waarin je somsmaatregelen moet nemen die eigenlijk niemand wil, toch in het belangvan het kind optreden, handelen en dingen doen. Daar ben ik ze uitermatedankbaar voor.Tot zover.De voorzitter:Ik dank u zeer. Mevrouw Westerveld heeft nog een vraag, en de heerStoffer ook.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Die gaat over het toekomstscenario en de proeftuinen. Op geen enkelemanier zou ik willen dat we voortdurend tijdelijk nieuwe projectenopzetten. Volgens mij is het doel juist om datgene wat werkt in te zetten.De inspectie schreef in het najaar dat ze zich grote zorgen maakt over hettoekomstscenario, omdat het budget is weggevallen. De vraag aan deStaatssecretaris is dus: waarom denkt hij wel dat je die verbeteringenallemaal kan inzetten, terwijl de budgetten weg zijn? Volgens mij is er hierweer hetzelfde doel. Alleen, ik snap gewoon niet hoe hij daar zo makkelijkoverheen kan stappen en over wat de inspectie en de gemeentes zeggen,wat de GI’s aangeven, enzovoort.Staatssecretaris Rutte:Laat ik duidelijk zijn: het is een ingewikkelde puzzel. De middelen zijn erniet, maar dat is niet een reden om te stoppen met stappen vooruitzetten.Ik kan me best voorstellen dat als je meer middelen zou hebben, je datsneller en gerichter kunt doen. Daar zit het ’m een beetje in. Het is niet zodat we niet kunnen veranderen en niet vooruit kunnen. Ik denk ook echtdat het nu tijd is om misschien nog één keer het netje op te halen in deproeftuinen, maar dan op een bepaald moment ook de moedige keuze temaken: dit is een betere werkwijze; deze is doelmatig, beter voor het kinden het gezin en misschien in sommige gevallen ook wel voordeliger.De voorzitter:Ja, duidelijk.Staatssecretaris Rutte:Dat is waar we doorheen moeten, maar mevrouw Westerveld heeftnatuurlijk gelijk: met meer middelen kun je daar meer projectmatigekracht achter zetten.De heer Stoffer (SGP):Dank aan de Staatssecretaris dat hij zulke waarderende woordenuitspreekt over de jeugdbeschermers. Ik snap natuurlijk dat hij zelf geencao-onderhandelingen gaat doen. Dat gaf de collega-staatssecretarisnaast hem zonet ook al aan in een andere casus, ten aanzien van anderevragen. Mijn vraag was eigenlijk of hij denkt dat zo’n exclusieve, aantrek-kelijke positie van de jeugdbeschermer in de cao wellicht een belangrijkerol zou kunnen spelen. Dat zou toch een mooie uitspraak zijn als een vanzijn laatste daden als Staatssecretaris in dit kabinet? Als een Staatssecre-taris dat zegt, dan doet dat heel wat. Hij hoeft het dus niet te doen, maar ikdenk dat het al zou kunnen helpen als hij zou uitspreken dat dat zo zouzijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18489 De voorzitter:Wilt u het uitspreken, Staatssecretaris?Staatssecretaris Rutte:Nee, ik hou het bij de warme woorden die ik eerder gesproken heb. Daarmeen ik ook alles van, maar ik blijf even weg van alles wat aan de caoraakt.De voorzitter:Duidelijk.Mevrouw Wendel (VVD):Ik had de Staatssecretaris gevraagd wat hij op korte termijn al gaat doennaast het toekomstscenario en de vergezichten die er zijn. Het antwoordwas eigenlijk: binnen drie jaar ga ik dit en dat doen. In alle eerlijkheidverslikte ik me in mijn koffie, omdat ik dacht: «Dit meen je toch niet! Dit isprecies mijn punt: het moet sneller.» Als het in het antwoord over de kortetermijn gaat over «binnen drie jaar», dan denk ik: is dát de korte termijn?Ik zou de Staatssecretaris toch nog willen vragen hoe we kunnen zorgendat we niet alleen drie jaar lang vergaderen en plannen maken, maarstukje bij beetje ook al stappen zetten.Staatssecretaris Rutte:Als dat het beeld is dat beklijft, dan heb ik me niet goed uitgedrukt. Hetpapier is geduldig. We zullen zowel de dingen die binnen drie jaar moetenworden gerealiseerd als die voor de langere termijn absoluut allemaalkeurig aan het papier toevertrouwen. Ik gaf mevrouw Wendel net aan – ikhoop dat ze het ook gelooft als ik dat zeg – dat we toegaan naar eenandere manier van werken, waarin werkelijk waar iedere maand, iederedag wordt gekeken wat er anders en beter kan. Hebben we een verbe-tering gevonden, dan gaat die gewoon in zonder dat we daar een nieuwplan of een nieuw besluit voor nodig hebben. Die incrementele werkwijzezal de veranderstrategie zijn. Die is al begonnen en heeft al partijen aantafel gekregen die vorig jaar waren weggelopen. Dat werkt nu dus al. Dathouden we vol. Alle begrip: we mogen niet nog langer praten en nogmeer papier produceren. Er schijnt ook iets over in het regeerakkoord testaan.De voorzitter:Duidelijk.Staatssecretaris Rutte:Aan de slag!De voorzitter:Met het oog op de klok: we zijn aan het einde gekomen van de eerstetermijn van de zijde van het kabinet. We gaan snel door naar de tweedetermijn. Ik zeg erbij: er zijn al veel vragen gesteld. Richt u echt op demoties of op het afconcluderen. Ellenlange betogen mogen, maar dangaan we het helemaal niet redden. Ik stel dus voor om het echt tebeperken tot de moties. Ik hou ook de mogelijkheid open dat het kabinetschriftelijk antwoordt op de moties en de amendementen, of deze in iedergeval schriftelijk apprecieert. Ik wijs de Kamerleden er ook op dat er nogeen begrotingsbehandeling VWS is, waar indien gewenst nog vragenkunnen worden gesteld.Ik ga gelijk door, en ik zeg nu alvast: een uitloop tot 17.30 uur is waar ik nunaar streef. Dat gebeurt heel vaak bij een opkomst als deze. We hebben indit huis niet de spelregel dat u moet aangeven of u aanwezig bent bij eenWGO of niet. Het is altijd afwachten wie er komt en wie niet. Dat zeg ik erook maar even bij. Mevrouw Synhaeve.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18490 Mevrouw Synhaeve (D66):Dank u wel, voorzitter. We gaan de komende jaren laten zien dat we dezorg voor de meest kwetsbare kinderen wél goed kunnen regelen. Datdoen we door te focussen op de kinderen die de zorg het meest nodighebben, door problemen in de jeugdzorg vooral buiten de jeugdzorg op telossen en door het perspectief van kinderen en gezinnen weer leidend temaken. Dat betekent inzetten op preventie om te komen tot de gezondstegeneratie ooit. Dat doen we door te investeren in onderwijs, sport,bewegen en het vergroten van kansengelijkheid. Dat betekent ook dat wij– het is al vaker gezegd vandaag – niet allemaal nieuwe plannen gaanmaken, maar gaan doen. Daarbij zetten we in op die maatregelen waarvanwe weten dat ze een grote impact hebben in het leven van jonge mensen.In dat kader ben ik blij met de toezeggingen van het kabinet rondnachtelijke kamerinsluiting; zij gaan pas stappen zetten in hetwetsvoorstel als we ook de uitkomsten van de onderzoeken en degesprekken mee kunnen nemen.Ten aanzien van het wetsvoorstel Reikwijdte is het heel fijn dat we parallelaan het wetsvoorstel ook gaan kijken wat we in de AMvB willen gaanregelen en of we dat nu al kunnen voorbereiden met elkaar.Ik ben blij met de toezegging dat gemeenten gewezen worden op hetbelang van een informeel steunnetwerk voor pleegouders, bijvoorbeeld inde vorm van Mockingbird. Ik ben ook blij met de toezegging die hetkabinet eerder deed tijdens de mondelinge vragen over suïcidepreventiebij jongeren, namelijk dat er een apart onderzoek komt gericht op hetstijgende aantal suïcides bij jongeren, met name jonge vrouwen.Daarnaast zullen we samen met de VVD en hopelijk ook met anderepartijen bij de begroting een amendement indienen om mensen metnepdiploma’s op te sporen. Eerder stelden we namens D66 vragen overde evc-certificaten in de jeugdzorg; dat hebben ook een aantal anderepartijen gedaan. Naar schatting werken daardoor zo’n 800 mensen meteen nepdiploma met kwetsbare jongeren. Dat is onacceptabel. Daaromdienen we een amendement in om deze mensen op te sporen, diploma’sin te trekken, de database op te schonen en jongeren te beschermen tegenmisbruik en criminaliteit.Voorzitter, ik rond af. Achter deze cijfers en misstanden gaat het overjongeren die ons nodig hebben. We maken deze keuzes juist voor hen. Ikhoop en ik ben ervan overtuigd dat we dat de komende jaren vanuit dezeKamer breed kunnen doen.De voorzitter:Ik dank u wel. Ik wijs erop dat het amendement-Synhaeve/Wendel reeds isingediend en dus onderdeel is van de beraadslaging. Het woord is aan deheer Hamstra.De heer Hamstra (CDA):Voorzitter, dank. Wat wel weer duidelijk is geworden, is dat ...De voorzitter:Excuus. We gaan wel de begrotingsvolgorde hanteren.De heer Hamstra (CDA):Ja, helemaal prima.De voorzitter:Anders wordt het helemaal onduidelijk. Excuus, ik ging te snel. Het woordis aan mevrouw Wendel van de VVD.Mevrouw Wendel (VVD):Dank, voorzitter. Ik zat er al helemaal klaar voor. Ik zal het kort houden. DeStaatssecretaris vertelde in haar eerste termijn dat de reikwijdtewet in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18491 afrondende fase is en hopelijk aan het eind van de maand in consultatiezal gaan. Nu is er natuurlijk een nieuw kabinet in wording. Het zou zokunnen zijn dat dat voor het eind van deze maand op het bordes staat. Dereikwijdtewet is al jaren vertraagd, zoals vandaag ook uitgebreid isbesproken. Ik wil voorkomen dat door een kabinetswissel, met mogelijkeen nieuwe bewindspersoon die zich weer moet inlezen, de wet nog weereen aantal maanden vertraging oploopt. Daarom dien ik ook vandaag,samen met collega’s Hamstra en Stoffer, de volgende motie in.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de wachtlijsten in de jeugdzorg enorm zijn;constaterende dat kinderen te vaak niet op tijd de hulp krijgen die ze zohard nodig hebben;constaterende dat een op de zeven kinderen gebruikmaakt van jeugdzorg;overwegende dat een op de zeven kinderen in de jeugdzorg veel te veel is,waardoor jeugdzorg niet beschikbaar is voor de kinderen die dit hethardste nodig hebben;overwegende dat de reikwijdtewet bepaalt wat wel en geen jeugdzorg isen ervoor zorgt dat jeugdzorg beschikbaar is voor kinderen die dit hethardst nodig hebben;overwegende dat deze wet al in 2024 ingevoerd zou worden en de situatieal te lang zorgwekkend is en er geen tijd te verliezen is;verzoekt de regering vaart te maken met de reikwijdtewet en uiterlijk voorhet aftreden van het huidige kabinet in consultatie te laten gaan,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Wendel, Hamstra en Stoffer.Zij krijgt nr. 35 (36 800-XVI).Mevrouw Wendel (VVD):Uiteraard sta ik open voor nog meer mede-indieners.De voorzitter:Dus mede ingediend door?Mevrouw Wendel (VVD):De heer Hamstra en de heer Stoffer.De voorzitter:Check. Dan is hij compleet. Dank u wel. We gaan naar de volgendespreker. Dat is mevrouw Westerveld, namens GroenLinks-Partij van deArbeid.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18492 Voorzitter. Ik kan heel veel zeggen, maar laten we dat maar niet doengezien de tijd. Ik heb nog drie korte vragen. De eerste gaat over de eigenbijdrage. Er ligt een aangenomen motie; waarom is er nou doorgegaanmet het wetsvoorstel? Twee. Ik vroeg de Staatssecretaris van VWS naarhet PPRC-onderzoek. Als antwoord gaf ze dat de plaatsingscoördinatiewordt geëvalueerd, maar onze vraag ging eigenlijk over beschikbaarheids-financiering. Zou ze dus nog kunnen ingaan op de vraag waarom daarniets op gedaan wordt? De derde vraag: wanneer krijgen we als Kamerecht inzicht in die wachttijden? Want dit is een vraag die nu wordt gesteld,maar die we ook de afgelopen acht jaar al hadden.Voorzitter. Ik heb twee moties, waar ik ook rap doorheen ga. De eerstegaat over de onafhankelijke deskundigencommissie. Ik lees ’m eerst vooren daarna licht ik ’m kort toe.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat per 1 januari 2026 de externe en onafhankelijkedeskundigencommissie voor de Hervormingsagenda Jeugd 2023–2028opnieuw is geïnstalleerd en het tweede advies van deze commissie begin2027 wordt verwacht;constaterende dat ondanks brede steun voor deze deskundigencommissiede aanbevelingen uit het eerste advies onvoldoende zijn opgevolgd;verzoekt de regering te voorkomen dat er budgettaire belemmeringen zijnom de aanbevelingen van het tweede advies van de deskundigencom-missie adequaat uit te voeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.Zij krijgt nr. 36 (36 800-XVI).Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Hier komen wellicht nog meer ondertekenaars onder. De reden is dat ikniet wil dat geld de belemmerende factor is. Anders heeft het geen zin omadvies te vragen. Dan een tweede motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de Kamer is toegezegd de aanbeveling uit het rapportEenzaam gesloten van Jason Bhugwandass over te nemen om onafhan-kelijk onderzoek te doen naar de ZIKOS-afdelingen;constaterende dat deze belofte niet waargemaakt kan worden omdatinstellingen geen toegang tot inzage in dossiers willen geven aanonderzoekers;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18493 overwegende dat het gaat om jongeren die veel hebben meegemaakt,hun rechten zijn ingeperkt en lang niet serieus zijn genomen, en zij in alleopzichten erkenning verdienen;verzoekt de regering te onderzoeken welke juridische instrumenten er zijnom de benodigde informatie boven water te krijgen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.Zij krijgt nr. 37 (36 800-XVI).Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We hebben drie amendementen ingediend. Ik hoop dat iedereen daareven heel goed naar kijkt, want het zijn hele goede amendementen.De voorzitter:Die zijn ook onderdeel van dit debat. Dank u wel. Dan kom ik bij devolgende spreker: mevrouw Van Meetelen van de PVV-fractie.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dank u; go, go, go! Ik dank beide staatssecretarissen voor de beant-woording. Wat de PVV betreft ontbreekt er nog steeds iets in dit debat,namelijk de verantwoordelijkheid en consequenties. Daar denken wegewoon verschillend over. Er is gesproken over samenwerking enverbeteringen, maar nog steeds is iedereen een beetje verantwoordelijk,waardoor uiteindelijk niemand echt verantwoordelijk is. Ook zijn er nogsteeds nauwelijks gevolgen voor falende instellingen en bestuurders.Daarom dien ik de volgende twee moties in.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat bij ernstige onveiligheid van kinderen signalen bekendkunnen zijn, maar dat bij falen van jeugdzorginstellingen en hunbestuurders zelden juridische verantwoording volgt;overwegende dat effectieve kinderbescherming vereist dat ernstig nalatenniet zonder consequenties blijft;verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze ernstig falen vanjeugdzorginstellingen en hun bestuurders juridisch kan worden gekwalifi-ceerd en bestraft, en welke aanpassingen in wet- en regelgeving daarvoornodig zijn, en de Kamer hierover te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.Zij krijgt nr. 38 (36 800-XVI).Mevrouw Van Meetelen (PVV):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18494 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat kinderen ondanks bekende signalen van onveiligheidonbeschermd kunnen blijven doordat verantwoordelijkheden tussenbetrokken instanties niet helder zijn vastgelegd;overwegende dat effectieve bescherming vereist dat eenduidig vaststaatwie eindverantwoordelijk is wanneer het systeem faalt;verzoekt de regering om ondubbelzinnig vast te leggen wie eindverant-woordelijk is wanneer een kind ondanks bekende signalen onveilig blijft,en deze verantwoordelijkheid zichtbaar en toetsbaar te verankeren inbeleid, begroting en – indien nodig – wetgeving, en de Kamer hierover zospoedig mogelijk te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.Zij krijgt nr. 39 (36 800-XVI).Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dank.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Van Meetelen. We komen bij de volgende spreker.Dat is de heer Hamstra. Aan u het woord.De heer Hamstra (CDA):Voorzitter, dank. Nu ben ik er helemaal klaar voor. Uit de eerste termijnkunnen we concluderen dat jeugdzorg geen exacte wetenschap is. Geenjeugdige is hetzelfde, geen gemeente is hetzelfde en dat geldt ook voor depedagogische civil society. Een en ander is afhankelijk van heel veelverschillende factoren: demografisch, sociaaleconomisch, de mate vansociale cohesie, de financiële positie van de gemeente. Ik ben blij dat deStaatssecretaris heeft toegezegd dat er een schrijven onze kant op komt inhet late voorjaar en dat dit ook op hoofdlijnen is, precies om de redenendie ik net heb aangegeven.Ten tweede ben ik blij dat er tijdens dit WGO, ook door de Staatssecre-taris, zo veel warme woorden zijn gesproken over pleegzorg, pleegoudersen pleeggezinnen. Dat doet mij goed.Dat brengt mij meteen bij de motie die ik wil indienen.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de uitstroom van pleegouders sinds 2021 groter is dande instroom van nieuwe pleegouders;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18495 constaterende dat problemen met het pleegzorgsysteem en te weinigondersteuning redenen zijn voor pleegouders om te stoppen alspleegouders;constaterende dat er sinds eind 2024 meer dan 900 kinderen op eenwachtlijst staan voor pleegzorg;constaterende dat de wervingscampagne voor pleegouders eind 2026afloopt;overwegende dat het behoud van pleegouders even belangrijk is als hetwerven van nieuwe pleegouders;verzoekt de regering voor 2027 met een plan te komen voor de wervingvan nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders, ende Tweede Kamer hierover te informeren voor het wetgevingsoverleg van2026,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Hamstra en Wendel.Zij krijgt nr. 40 (36 800-XVI).De heer Hamstra (CDA):Voorzitter, dank u wel.De voorzitter:Ik dank u zeer. Dan kom ik bij de volgende spreker van de zijde van deTweede Kamer: mevrouw Coenradie, JA21.Mevrouw Coenradie (JA21):Voorzitter. Ik heb vijf moties.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat Filomena een belangrijke rol speelt bij ernstige enherhaaldelijke vormen van huiselijk geweld, stalking en dreigendefemicide;overwegende dat effectieve bescherming vraagt om tijdige, volledige enwederkerige informatie-uitwisseling tussen zorg, veiligheid en justitie;verzoekt de regering te verkennen of een eigenstandige grondslag voorgegevensdeling van Filomena of soortgelijke organisaties met OpenbaarMinisterie en rechtspraak mogelijk en/of nodig is,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.Zij krijgt nr. 41 (36 800-XVI).Mevrouw Coenradie (JA21):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18496 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat in de huidige praktijk slachtoffers regelmatig moetenverhuizen of onderduiken terwijl daders in de woonomgeving blijven;overwegende dat de veiligheid en stabiliteit van slachtoffers en kinderenleidend moeten zijn, en dat dadergerichte maatregelen de dreigingkunnen verminderen;verzoekt de regering te onderzoeken wat nodig is om juridisch, financieelen praktisch werk te maken van afkoelhuizen voor daders, gekoppeld aanverplichte behandeling en passend toezicht,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.Zij krijgt nr. 42 (36 800-XVI).Mevrouw Coenradie (JA21):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat in onze samenleving groepen minderjarigen onhan-delbaar zijn en zich herhaaldelijk onttrekken aan gezag, met ernstigegevolgen voor henzelf en hun omgeving;overwegende dat bestaande, vrijwillige vormen van hulpverlening in dezegevallen onvoldoende effectief blijken;overwegende dat het in het belang van de jongere én de samenleving kanzijn om zwaardere en meer dwingende vormen van heropvoeding teverkennen;verzoekt de regering te onderzoeken welke zwaardere, dwingende vormenvan heropvoeding juridisch en praktisch mogelijk zijn, waaronderintensieve heropvoedingsprogramma’s zoals gesloten jeugdzorg entuchtscholen, en de Kamer hierover te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.Zij krijgt nr. 43 (36 800-XVI).Mevrouw Coenradie (JA21):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18497 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat bij ernstige gevallen van huiselijk geweld en kindermis-handeling cruciale informatie vaak versnipperd is over meerdereinstanties;overwegende dat onduidelijkheid en terughoudendheid rond privacy-regels effectieve en tijdige bescherming in de weg kunnen staan;overwegende dat de veiligheid van slachtoffers en kinderen altijdzwaarder moet wegen dan procedurele belemmeringen;verzoekt de regering om concreet in kaart te brengen welke privacyregelsen -interpretaties effectieve informatie-uitwisseling belemmeren, enuiterlijk binnen zes maanden met voorstellen te komen om deze belem-meringen weg te nemen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.Zij krijgt nr. 44 (36 800-XVI).Mevrouw Coenradie (JA21):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de jeugdzorg onder extreme druk staat, mede doorhoge caseloads en administratieve lasten, met uitstroom van professi-onals tot gevolg;overwegende dat professionaliteit en continuïteit essentieel zijn vooreffectieve zorg en bescherming;verzoekt de regering concrete maatregelen te nemen om administratievelasten substantieel te verminderen en professionele ruimte te vergroten,en hierover binnen zes maanden aan de Kamer te rapporteren hoe mendit gaat aanpakken,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.Zij krijgt nr. 45 (36 800-XVI).Dank u wel, mevrouw Coenradie, ook voor het tempo. Heel goed. Ik danku zeer. Ik ga naar de volgende spreker. Dat is de heer Van Houwelingen,Forum voor Democratie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18498 De heer Van Houwelingen (FVD):Dank u, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik heb drie moties. Ikbegin maar.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat bij een gedwongen uithuisplaatsing niet altijd sprake isvan een contra-expertise;verzoekt de regering in de Wet versterking rechtsbescherming in dejeugdbescherming er zorg voor te dragen dat bij de behandeling door dekinderrechter van een gedwongen uithuisplaatsing er altijd sprake moetzijn van een contra-expertise,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.Zij krijgt nr. 46 (36 800-XVI).De heer Van Houwelingen (FVD):Wat ons betreft is er geen sprake van een zorgvuldig proces als dat er nietis. De tweede motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat seksueel misbruik in pleeggezinnen en gezinshuizeneen risico is;overwegende dat alles gedaan moet worden om dit risico te minimali-seren;verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat kinderen, tenzij er sprakeis van een natuurlijke broer-zusrelatie, in een pleeggezin of gezinshuishetzelfde geslacht hebben,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.Zij krijgt nr. 47 (36 800-XVI).De heer Van Houwelingen (FVD):Tot slot, voorzitter.Motie Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18499 De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat gecertificeerde instellingen vaak onvoldoende«betekenisvol contact» kunnen onderhouden met pleeggezinnen engezinshuizen waar ze verantwoordelijk voor zijn;constaterende dat gecertificeerde instellingen er zelf belang bij hebbendat de pleeggezinnen en gezinshuizen waarvoor ze verantwoordelijk zijndoor de inspectie goed beoordeeld worden;constaterende dat de IGJ slechts toezicht houdt op de gecertificeerdeinstellingen en niet rechtstreeks op pleeggezinnen en gezinshuizen;constaterende dat er de afgelopen jaren ernstige misstanden zijn geweestbij diverse pleeggezinnen en gezinshuizen;overwegende dat de Staat een speciale verantwoording heeft omkinderen te beschermen die door de Staat (gedwongen) aan het natuur-lijke gezin zijn onttrokken;verzoekt de regering de IGJ te verzoeken rechtstreeks toezicht te gaanhouden op pleeggezinnen en gezinshuizen, bijvoorbeeld door pleegge-zinnen en gezinshuizen steekproefsgewijs te bezoeken, en de IGJdaarvoor de benodigde ondersteuning te geven,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Van Houwelingen en Stoffer.Zij krijgt nr. 48 (36 800-XVI).De heer Van Houwelingen (FVD):Dank.De voorzitter:Dank u zeer, meneer Van Houwelingen. Ik kom bij de volgende spreker: deheer Stoffer namens de SGP.De heer Stoffer (SGP):Dank, voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste luidt als volgt.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de regering inzet op het versterken van de sociaalpeda-gogische basis;overwegende dat in verschillende gemeenten, waaronder de gemeenteKampen, goede ervaringen zijn met het laagdrempelig beschikbaar stellenvan gezinswerkers en schoolmaatschappelijk werk;overwegende dat hiervoor een sluitende businesscase kan wordenopgesteld, maar dat gemeenten deze investeringen vanuit eigen middelenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184100 moeten financieren en financiering hiervan vanuit het Rijk vaakincidenteel is;verzoekt de regering in overleg te treden met gemeenten om te bezienhoe structurele financiering van een sterke sociaalpedagogische basisgewaarborgd kan worden,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Moinat en Ceder.Zij krijgt nr. 49 (36 800-XVI).De heer Stoffer (SGP):De tweede motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat artikel 2.3, lid 4 van de Jeugdwet bepaalt datgemeenten bij het bepalen van de aangewezen vorm van jeugdhulpredelijkerwijs rekening houden met de godsdienstige gezindheid en delevensovertuiging van de jeugdige en zijn ouders;constaterende dat deze verplichting veelal ook is verankerd in de lokalejeugdverordeningen;overwegende dat gemeenten in de praktijk onvoldoende kunnen biedenten aanzien van de wijze waarop dit wettelijke recht daadwerkelijk wordtbetrokken bij de indicatiestelling voor jeugdhulp;overwegende dat het ontbreken van duidelijke handvatten kan leiden totongelijke toepassing en onvoldoende rechtszekerheid voor gezinnen;verzoekt de regering om samen de VNG te bezien wat in de uitvoeringnodig is voor gemeenten om bij de toeleiding naar jeugdhulp daadwer-kelijk en zorgvuldig rekening te houden met de godsdienstige gezindheiden levensovertuiging van jeugdigen en hun ouders, en de Kamer hieroverte informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Ceder.Zij krijgt nr. 50 (36 800-XVI).De heer Stoffer (SGP):Dank u wel.De voorzitter:Ik dank u zeer, meneer Stoffer. Dan komen we bij de volgende spreker vande zijde van de Kamer. Dat is de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik heb drie moties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184101 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat zelfstandige gezinshuisaanbieders door de gemeentenworden gecontracteerd;overwegende dat een SKJ- of BIG-registratie voldoende is om eengezinshuis te starten en gecontracteerd te worden en dat een beoordelingop locatie van de kwaliteitscriteria slechts plaatsvindt als een gezinshuis inbedrijf is;verzoekt de regering samen met stakeholders in de gezinshuiszorg engemeenten dan wel VNG in gesprek te gaan over de aanvullendekwaliteitseisen die gemeenten kunnen stellen bij contractering (waaronderonder andere fysiek bezoek op locatie van het gezinshuis), en de Kamerhierover voor de zomer van 2026 te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.Zij krijgt nr. 51 (36 800-XVI).De heer Ceder (ChristenUnie):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat ouders in veel gevallen zelf in staat zijn om hunkinderen goed op te voeden, maar dat in kwetsbare situaties onder-steuning van anderen gepast is;overwegende dat de regering volgens de aangenomen motie-Ceder/Bruyning (31 839, nr. 1085) bewezen effectieve interventies om gezinnente ondersteunen bij het opgroeien en opvoeden betrekt en verwerkt in decontinuering van de hervormingsagenda;overwegende dat het rapport van Agenda voor het Hart aanbevelingendoet voor maatschappelijke partners, zorg en overheid om relaties engezinnen te versterken;verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de opstellers van hetrapport van Agenda voor het Hart om te bespreken welke aanbevelingenpassend zijn bij de rol en inzet vanuit het Rijk, en de Kamer hierover na dezomer van 2026 te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Stoffer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184102 Zij krijgt nr. 52 (36 800-XVI).De heer Ceder (ChristenUnie):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat vaders volwaardige opvoeders zijn, net als moeders,maar dat dit in de zorg en ondersteuning in de eerste 1.000 dagen van eenkind nog niet altijd een plek heeft;overwegende dat betrokkenheid van vaders in de eerste levensfase dehechting, het welzijn van de moeder en de stabiliteit van het gezinvergroot;verzoekt de regering om samen met partijen uit het veld, onder andere viade ouderschapscoalitie, waar ook het Expertisecentrum Vaders onderdeelvan uitmaakt, te werken aan actieve vaderbetrokkenheid in het leven vaneen kind,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Stoffer.Zij krijgt nr. 53 (36 800-XVI).De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u zeer, meneer Ceder. Dan komen we bij de volgende spreker. Dat ismevrouw Dobbe van de SP-fractie.Mevrouw Dobbe (SP):Dank u wel, voorzitter. Ik heb een tweetal moties.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de personeelstekorten in de jeugdzorg verder dreigenop te lopen naar 5.900 in 2034;overwegende dat jeugdzorgverleners vanaf deze week actievoeren vooreen cao met een fatsoenlijke loonstijging, betere en veiligere arbeidsom-standigheden en minder werkdruk;overwegende dat een goede cao voor jeugdzorgverleners essentieel is omte voorkomen dat er 80.000 jongeren zonder hulp komen te zitten;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184103 verzoekt de regering om met werkgevers en werknemers in de jeugdzorgin gesprek te gaan om te kijken wat er nodig is om te komen tot eengoede cao waarmee enorme personeelstekorten kunnen wordenafgewend en wat de overheid daar zelf aan kan bijdragen;verzoekt de regering om een bemiddelaar aan te stellen om de onderhan-delingen over de cao jeugdzorg vooruit te helpen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.Zij krijgt nr. 54 (36 800-XVI).Mevrouw Dobbe (SP):Voordat de staatssecretarissen gaan zeggen dat dit tegen het mandaat vande cao-tafel ingaat: dit is vorig jaar, in 2025, ook gedaan bij de cao voorapotheekmedewerkers. Toen heeft Martin van Rijn dit heel succesvolgedaan. Hij was ook aangesteld door het kabinet. Daar was iedereen heelerg blij mee. Doe dat nu toch weer. Het kan gewoon.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat er steeds meer kritiek komt vanuit de samenleving opde marktwerking in de jeugdzorg;overwegende dat de invoering van marktwerking vooral heeft geleid totstijgende kosten en winsten, zonder gezinnen de zorg te geven die zenodig hebben;verzoekt de regering om een commissie aan te stellen die moet onder-zoeken hoe de gehele jeugdzorg kan worden vormgegeven zondermarktwerking, aanbestedingen en openhouseprocedures en wat vooraanpassingen aan het stelsel daarvoor nodig zijn,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.Zij krijgt nr. 55 (36 800-XVI).Mevrouw Dobbe (SP):Voorzitter. Ik wil hier ook nog gezegd hebben dat ik volgens mij wel achtkeer aan niet alleen de Staatssecretaris, maar ook de partijen die hetregeerakkoord gisteren hebben gepresenteerd, heb gevraagd wat zijdenken dat de gevolgen voor de kinderen, de gezinnen en de mensen diede zorg verlenen, zullen zijn op het moment dat die bezuinigingen van eenhalf miljard, die dit jaar al ingaan, zullen ingaan. Daar krijg ik gewoongeen antwoord op. Hetzelfde geldt voor de bezuinigingen van 10 miljardeuro extra op de zorg. Dat is onacceptabel. Wat de SP betreft moeten dievan tafel.Dank u wel.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184104 Dank u wel. Dan komen we bij mevrouw Moinat namens GroepMarkuszower.Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):Dank u wel, voorzitter. Ik wil beide staatssecretarissen bedanken voor hunbeantwoording. Ik heb wel wat open vraagjes, maar die zal ik netjesschriftelijk aan u doen toekomen. Ik heb één motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat kinderen voor jeugdhulp in het buitenland wordengeplaatst, terwijl de IGJ geen toezicht kan uitoefenen in het buitenland;overwegende dat recente ernstige misstanden bij buitenlandse jeugdhulp-aanbieders aantonen dat toezicht tekort kan schieten;overwegende dat jeugdhulp in beginsel dient plaats te vinden ondervolledige Nederlandse jurisdictie en toezicht;verzoekt de regering in beginsel jeugdigen in Nederland te plaatsen, tenzijplaatsing in het buitenland in het belang is van het kind, er geen passendalternatief in Nederland beschikbaar is en de plaatsingsprocedureverloopt via de regels van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaan-gelegenheden en het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod Jeugd,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat, Stoffer, Coenradie enVan Houwelingen.Zij krijgt nr. 56 (36 800-XVI).Dank u wel. Ik dank u allen, ook voor uw medewerking. Ik schors nu voorvijf minuten. Daarna gaan we luisteren naar het kabinet voor de appreci-aties. Ik doe ze niet schriftelijk; ik denk dat het gewoon prima kan. Ik hebook gevraagd om het gewoon bondig te doen. Dan kunt u allemaal gaanstemmen op 10 februari. Vijf minuten schorsing.De vergadering wordt van 16.53 uur tot 17.00 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering. Mevrouw Tielen begint, toch? O, stop. Ik hoornet van onze onmisbare bode dat nog niet alle moties binnen zijn en zijnrondgedeeld. Ik wilde sneller beginnen dan de printer wilde meedoen. Ikheb zelf inmiddels wel een stapel moties, maar nog niet alle Kamerleden.Ik schors nog voor enkele ogenblikken.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter:O, wacht. Ik stel toch dit voor. Er waren nog wat vragen. Ik stel voor omeven met de openliggende vragen te beginnen. Staatssecretarissen, webeginnen alvast en komen zo bij de moties. Dank voor het meedenken.Staatssecretaris Tielen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184105 Dank u wel, voorzitter. Zoals ik al in de eerste termijn zei: de combinatievan principes en pragmatiek, daar houd ik ook van. Het principe is dat weaangekomen zijn bij de tweede termijn van de zijde van het kabinet, depragmatiek is dat we gewoon gaan beginnen.Ik had nog een paar openstaande vragen, onder andere van GroenLinks-PvdA, over de financieringsbeschikbaarheid, ook in relatie tot dat rapportvan het PPRC. Ik zie mevrouw Westerveld knikken, dus we hebben hetover hetzelfde. Die aanbevelingen lopen mee in het programma van destandaardisatie. Daarbij betrekken we ook een aantal van die evaluatie-punten, dus dat hoort echt bij elkaar. In de volgende voortgangsbriefzullen we daar een update van beschrijven.Dan was er nog een vraag over inzicht in de wachttijden. Daar hebben wehet al zo lang over; dat herken ik. Wat we nodig hebben om een goedbeeld te krijgen, is standaardisatie; ik probeerde dat al een beetje in mijnantwoorden mee te geven. Het programma Standaardisatie gaat daar dushulp bij bieden. Hiermee kun je vergelijkingen maken tussen verschillendevormen en verschillende wachtlijsten. We hebben lokaal en regionaal bestwel in beeld, maar die kunnen we nog niet zomaar bij elkaar op een stapelleggen. Daar zal de standaardisatie bij helpen. In de volgende briefkunnen we daar concreter antwoord op geven, volgens mij. De wens isdezelfde, maar we moeten het ook voor elkaar krijgen. Daar doen we dushard ons best voor.Mevrouw Westerveld had ook nog een vraag over de eigen bijdrage.Waarom is de Staatssecretaris doorgegaan met voorbereidingen als ereen motie ligt om ermee te stoppen? Kijk, überhaupt stoppen met deeigen bijdrage betekent een beslag van 260 miljoen euro per jaar. In demotie stond daar geen oplossing voor. «Geen dekking», noemen we datdan in Kamertermen. Dat betekent dat ik dat deel van de motie niet kandoen. Maar u heeft ondertussen nog geen voorstellen gezien. Wat webedacht hebben, is om wel door te gaan met bekijken welke verschillendevormen er zijn, juist ook omdat er ook andere oproepen uit de Kamer zijn,namelijk om oog te houden voor kwetsbare gezinnen, of in ieder gevalvoor gezinnen in kwetsbare situaties. Daarmee zijn we aan het zoekengegaan. Dat is het antwoord op die vraag.De voorzitter:Gaat u door.Staatssecretaris Tielen:Dan stond er nog een vraag open van mevrouw Synhaeve over deevc-fraude: wat hebben we gedaan om deze aan te pakken? We richtenons erop ervoor te zorgen dat er überhaupt geen professionals met eenfrauduleus evc-certificaat meer werkzaam zijn in de jeugdhulp. De huidigestandaard voor de evc is ingetrokken, dus er kunnen geen nieuweevc-trajecten gestart worden. Zowel aanbieders als werkgevers zijnopgeroepen om geen nieuwe werknemers meer aan te nemen puur opbasis van evc’s. De brancheorganisatie Jeugdzorg Nederland heeft samenmet andere betrokkenen een taskforce opgericht. Hierin werken ze samenom een betrouwbaar alternatief te ontwikkelen om mensen met ervaringtoch veilig in te kunnen laten stromen. We hebben er in ieder geval opingezet dat SKJ-professionals met een vastgesteld frauduleusevc-certificaat worden uitgeschreven. Er zijn nu 55 registraties uitge-schreven. Iedereen kan dat ook terugvinden in het register. We zijn bezigmet het vervolg van het onderzoek. Dat doen we dus samen metgemeenten en Jeugdzorg Nederland.Wellicht kan ik hierbij alvast het amendement van mevrouw Synhaeveappreciëren. Ik begrijp heel goed waartoe zij oproept. Ik zie ook dat zijhierin opneemt dat dit niet puur aan het Rijk is, maar gebeurt in samen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184106 werking met gemeenten en jeugdzorgaanbieders. Volgens mij is dedekking ook oké. Dat betekent dat ik het amendement oordeel Kamer kangeven.De voorzitter:Oké, het amendement-Synhaeve/Wendel op stuk nr. 34 krijgt oordeelKamer.Staatssecretaris Tielen:Dan de moties, voorzitter?De voorzitter:Er liggen nog drie amendementen. Doen we die eerst, en daarna demoties.Staatssecretaris Tielen:Het amendement op stuk nr. 19 is van de Socialistische Partij. Ik kijk evennaar mevrouw Dobbe of zij dat nummer herkent. Dat moet ik ontraden. Devoorgestelde dekking past niet binnen de begrotingsregels zoals we diehebben afgestemd, want de uitgaven worden gedekt met inkomen. Wehebben uitgebreid gedebatteerd over wat geld wel en niet kan doen, maarik denk dat mevrouw Dobbe en ik daar gewoon een andere visie ophebben. Dus ontraden.Het amendement op stuk nr. 29 van mevrouw Westerveld vanGroenLinks-PvdA gaat over Jeugdstem en over het bezoeken vangezinshuizen. Ik zal heel eerlijk zeggen dat in het debat dat daarovergevoerd werd misschien niet het hele plaatje is neergezet. In totaal krijgtJeugdstem ruim 12,5 miljoen euro subsidie per jaar. Wat ons betreft is diesubsidie best wel ruim om op een passende manier invulling te geven aanhet belangrijke vertrouwenswerk dat zij bij verschillende typen aanbiedersdoen. Tegelijkertijd zijn we bezig met digitalisering van de dienstverlening,die vanuit VWS wordt gefinancierd, zodat ook de wachttijd voor oudersteruggedrongen kan worden. Dat helpt bij het doelgerichter en efficiëntermaken van het werk van Jeugdstem. We denken dus dat het niet nodig is.Ik ontraad het daarom ook. De financiële dekking is er namelijk ook niet.Het amendement op stuk nr. 30 van GroenLinks-PvdA gaat over € 250.000voor personeel voor Jeugdstem. Wat dit amendement betreft sluit ik aanbij de vorige appreciatie. Dit amendement ontraad ik ook.Het amendement op stuk nr. 33 gaat over het vrijmaken van geld voorinspraak en zeggenschap van jongeren. Mevrouw Westerveld legde inhaar inbreng al uit dat dat bij OCW ook al op een soortgelijke manierwordt ingeregeld en vroeg waarom dat dan bij VWS niet zo is. Het is deelswel zo bij VWS. Er is structureel overleg met jongeren en ervaringsdes-kundigen, zoals we dat in artikel 1a.4 van de Jeugdwet hebbenafgesproken. De jongerenparticipatie wordt gefinancierd via de NationaleJeugdraad. Dit jaar staan zij op de rol voor ruim 2,6 miljoen. Ervaringsdes-kundigen betrekken bij de om- en afbouw van gesloten jeugdhulp is ookgefinancierd. Het amendement vraagt nu om een structurele financiëledekking, maar de dekking die mevrouw Westerveld voorstelt, is geenstructurele dekking. Dat is ingewikkeld. Dan kan ik het dus ook nietbeoordelen, hoewel ik de richting heel goed snap.De voorzitter:Heel kort, mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik heb sowieso een vraag over de dekking. Ons amendement overJeugdstem wordt ook ontraden omdat de dekking niet zou kloppen, terwijlde dekking van het amendement van D66 en de VVD hetzelfde is. Datargument klopt volgens mij dus niet. Zoals ik in mijn bijdrage aangaf,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184107 weet ik wat er gebeurt, ook richting de NJR. Maar dat zijn niet dejongeren, de ervaringsdeskundigen, in de jeugdzorg. Het gaat er mijspecifiek om ook die groep een stem te geven.De voorzitter:Helder. De Staatssecretaris, kort.Staatssecretaris Tielen:Volgens mij is het verschil tussen beide amendementen waarnaarmevrouw Westerveld verwijst dat het ene incidenteel is, ook met eenincidentele dekking, en het andere structureel is met een... Nee, struc-tureel met een incidentele... Nou ja, zoiets. Over het amendement op stuknr. 33: we hebben € 60.000 per jaar om ervaringsdeskundigen tebetrekken bij de om- en afbouw van jeugdzorg. Dat is deels structureel, inieder geval voor een aantal jaar. Mevrouw Westerveld wil het op delangere termijn. Daar zit de mismatch met de dekking.De voorzitter:Oké, het blijft ontraden.Staatssecretaris Tielen:Ja, het blijft ontraden. Tegelijkertijd snap ik de richting heel goed. Wellichtkunnen we er nog over nadenken hoe we dat van een dekking...De voorzitter:Ik weet niet of u er nu helemaal uit komt. Mevrouw Westerveld, heel korttot slot, want we moeten echt tempo maken.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ja, ik begrijp het, maar dit gaat over amendementen op de begroting.Volgens mij is dat het relevantste onderdeel. De twee amendementenover Jeugdstem zijn incidenteel, net als het amendement van D66 en VVD.Als het gaat over de jongeren – dat is mijn tweede opmerking – vragen wehet inderdaad structureel, want we willen dat er een organisatie wordtopgebouwd.De voorzitter:Oké, helder. Tot slot nog heel kort.Staatssecretaris Tielen:En Jeugdstem krijgt 12 miljoen structureel. Daarom ontraad ik het dus.Misschien moeten we het amendement op stuk nr. 33 gewoon nog even...De voorzitter:Ja, er is nog tijd.Staatssecretaris Tielen:Ja, want de amendementen worden in maart in stemming gebracht.De voorzitter:Oké. De moties.Staatssecretaris Tielen:Ik begin met de motie op stuk nr. 35 van mevrouw Wendel, meneerHamstra en meneer Stoffer. Ik kan de overwegingen, de constateringen enook het verzoek heel goed begrijpen. Het oordeel zou «overbodig»moeten zijn, maar als mevrouw Wendel het wil, wil ik ook wel «oordeelKamer» geven.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184108 Oordeel Kamer, niet overbodig?Staatssecretaris Tielen:Nee, nee, niet overbodig. Soms moet ik niet zeggen wat er in mijn hoofdzit.De motie op stuk nr. 36 is van mevrouw Westerveld. Het rapport is nogniet gereed. Ik zou het te voorbarig vinden om daar nu op vooruit telopen, dus wat dat betreft ontraad ik deze motie.De motie op stuk nr. 37 van mevrouw Westerveld gaat over de juridische... Ja, graag, zou ik zeggen. Oordeel Kamer. Daar zijn we natuurlijk deels almee bezig, maar het kan nooit kwaad om daar nog wat stevigereaansporing op te krijgen.De motie op stuk nr. 39 van mevrouw Van Meetelen.De voorzitter:Ik neem aan dat u de motie op stuk nr. 38 overslaat omdat de andereStaatssecretaris daarop ingaat.Staatssecretaris Tielen:Ja, sorry. De moties op de stukken nrs. 38, 42, 44 en 46 worden doorStaatssecretaris Rutte geapprecieerd.De voorzitter:Helder, dank u wel.Staatssecretaris Tielen:De motie op stuk nr. 39 van mevrouw Van Meetelen gaat over deeindverantwoordelijkheid. Die motie ontraad ik. Alle risico bij éénorganisatie leggen gaat alle checks-and-balances te buiten die we volgensmij juist heel goed geïnstitutionaliseerd en geregeld hebben. Dit is teeenvoudig. Ontraden.De motie op stuk nr. 40 van meneer Hamstra gaat over pleegzorg. Ik vindhet heel mooi dat meneer Hamstra zowel werving als behoud benoemt. Ikben ook wel bereid om daar nader op door te gaan. Oordeel Kamer.Over de motie op stuk nr. 41 van mevrouw Coenradie heb ik uiteraardeven overlegd met de andere Staatssecretaris van VWS, want zij is vooralmet deze problematiek bezig. Zij erkent het belang hiervan. Dat gaf ikeigenlijk in mijn inbreng al aan. Samen zeggen wij: oordeel Kamer.De motie op stuk nr. 43 over dwingende vormen van heropvoeding ga ikecht ontraden. Ik begrijp het probleem dat mevrouw Coenradie hiermeewil benoemen, maar de genoemde oplossing is volgens mij niet deoplossing, nog even los van welke kant we dan helemaal heen gaan.Volgens mij moeten we ervoor zorgen dat stevige lokale teams dicht bijgezinnen al in een vroeg stadium opvoedondersteuning kunnen bieden endaarmee hopelijk een hoop ellende voorkomen, bijvoorbeeld op straat.De motie op stuk nr. 45 van mevrouw Coenradie gaat over de administra-tieve lasten. We vinden allemaal dat we daarmee aan de slag moeten.Vanuit die drive zijn we daar ook hard mee bezig. Maar soms is hetgewoon fijn om vanuit de Kamer ook een aansporing te krijgen; dat helpt.Dus hier ook oordeel Kamer.De motie op stuk nr. 47 van de heer Van Houwelingen gaat over kinderenmet hetzelfde geslacht in een pleeggezin of gezinshuis. Met verwijzingnaar het debat ontraad ik die motie.De motie op stuk nr. 48 van meneer Van Houwelingen gaat over hoe hetinspectietoezicht ingevuld zou moeten worden. Nog even los van het feitdat wij gelukkig een onafhankelijk inspectiestelsel hebben, ontraad ik dezemotie met verwijzing naar het debat.De motie op stuk nr. 49 van meneer Stoffer gaat over de sterke pedago-gische basis. Dat is onderdeel van de Hervormingsagenda Jeugd. Daarstaat ook heel veel over in de brief en in de afspraken daarover. Dat is alTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184109 geïncorporeerd in alle afspraken die we daarin hebben gemaakt, ook definanciële. Dus ontraden.De motie op stuk nr. 50 van meneer Stoffer gaat over de gezindheid.Daarover hebben we dus ook al afspraken. Dat erkent meneer Stoffer ook,maar hij vraagt met deze motie eigenlijk om daar nog eens extra aandachtaan te besteden in de overleggen. Daar ben ik uiteraard toe bereid, al vindik het altijd jammer dat we moties nodig hebben voor dingen die ook weltoegezegd kunnen worden, maar dat terzijde. Oordeel Kamer.Dan de motie op stuk nr. 51, van de ChristenUnie, over gezinshuizen en deextra kwaliteitscriteria. Ik refereerde er in mijn inbreng al even aan dat webezig zijn met het updaten van die kwaliteitscriteria, dus ik snap heel goedwat de heer Ceder daarin mee wil laten lopen. Dat kunnen we ook gewoondoen, dus oordeel Kamer.Dan de motie op stuk nr. 52, van de ChristenUnie, over de Agenda voorhet Hart. Ook daarvoor geldt dat een beetje. Ik wil best toezeggen om ingesprek te gaan. Het is jammer als er een motie voor nodig is, maar somskan het helpen. Oordeel Kamer voor de motie op stuk nr. 52.Dan de motie op stuk nr. 53, over vaders. Ook wat dat betreft heb ik algezegd waar we mee bezig zijn. Werken aan actieve vaderbetrokkenheiddoen we binnen de mogelijkheden die er zijn heel graag, dus laten we dieoordeel Kamer geven en kijken wat uw Kamer daarvan vindt.Dan de motie op stuk nr. 54, over de cao. Die ga ik ontraden.Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 55 van mevrouw Dobbe, over eennieuwe commissie. Dat lijkt me ook niet nodig. Ontraden.De laatste motie bij mijn appreciaties is de motie op stuk nr. 56, vanmevrouw Moinat, over jeugdzorg in het buitenland. Daar hebben wenatuurlijk al enige dingen over gezegd in het debat. Het is primair aan degemeenten om daar afspraken over te maken, maar we hebben daarallerlei kaders voor. Maar net als uw Kamer ben ik echt wel geschrokkenvan wat er ligt, dus het lijkt me prima om dit als leidraad te pakken. Ik zoudeze motie dus graag oordeel Kamer willen geven.De voorzitter:Dank u zeer. Dan vraag ik de Staatssecretaris van JenV om de anderemoties langs te lopen.Staatssecretaris Rutte:Voorzitter, ik zal er met het oog op de tijd snel doorheen gaan.Ten eerste de motie op stuk nr. 38, van mevrouw Van Meetelen, om teonderzoeken op welke wijze ernstig falen van jeugdzorginstellingen enhun bestuurders juridisch kan worden gekwalificeerd en bestraft. Die wilik ontraden. Ik heb daar net in het debat ook aandacht aan gegeven. Hetkan al op vele manieren, dus ik zie daarin geen toegevoegde waarde.Dan de motie op stuk nr. 42, van mevrouw Coenradie, om te onderzoekenwat nodig is om juridisch, financieel en praktisch werk te maken van dezogeheten afkoelhuizen. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven als ik diezo mag opvatten dat we dit als verkenning meenemen in het traject terverbetering van de inzet van het tijdelijke huisverbod in het kader van debestuursrechtelijke aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling.Volgens mij is dat in lijn met wat we in het debat hebben gedeeld metelkaar.Dan de motie op stuk nr. 44, van mevrouw Coenradie, over in kaartbrengen welke privacyregels effectieve informatie-uitwisseling belem-meren. Die geef ik graag oordeel Kamer.Dan tot slot de motie op stuk nr. 46, van de heer Van Houwelingen, waarinstaat dat er bij gedwongen uithuisplaatsing altijd sprake moet zijn van eencontra-expertise. Die wil ik ontraden met verwijzing naar het debat.Daarmee heb ik alle moties gehad.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184110 Ik dank u zeer. Ik dank u beiden voor de beantwoording. Daarmee zijn weaan het einde gekomen van de tweede termijn.Er zijn toezeggingen genoteerd, maar die ga ik nu niet voorlezen. Er is eentoezeggingenregistratieapplicatie. Daarin gaan we het allemaal netjeslaten landen. Dan kunt u dat ook terugzoeken.Ik dank alle Kamerleden en alle aanwezigen voor hun geduld en interesse.Ook heel veel dank aan iedereen die dit debat heeft gevolgd. Dit is heteinde van het begrotingsonderdeel Jeugd. Ik sluit de vergadering. Dank uwel.Sluiting 17.19 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 184111

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · cce952ae4f8cb6a2

14 okt 2026 · e4e0fa808b31b51e

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingBegrotingsonderdeel Jeugd
    Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 2 februari 2026, over begrotingsonderdeel Jeugd

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.