Verslag van een commissiedebat, gehouden op 22 oktober 2024, over voortgang en Evaluatie missies
Brontekst
Versie 7229ceed98467283 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 521Nederlandse deelname aan vredesmissiesNr. 492 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 25 november 2024 De vaste commissie voor Defensie en de vaste commissie voor Buiten-landse Zaken hebben op 22 oktober 2024 overleg gevoerd met de heerBrekelmans, Minister van Defensie, en de heer Veldkamp, Minister vanBuitenlandse Zaken, over:–de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 15 mei2024 inzake voortgangsrapportage over de bredere veilig-heidsinzet in Irak (Kamerstuk 27 925, nr. 967);–de brief van de Minister van Defensie d.d. 15 mei 2024 inzakevoortgangsrapportage Nederlandse inzet NAVO-oostflank2023 (Kamerstuk 28 676, nr. 455);–de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 15 mei2024 inzake voortgangsrapportage over de Nederlandsebijdrage aan EUFOR Althea in Bosnië en Herzegovina (Kamer-stuk 29 521, nr. 484);–de brief van de Minister van Defensie d.d. 15 mei 2024 inzakejaarlijkse voortgangsrapportage overige missiebijdragen 2023(Kamerstuk 29 521, nr. 483);–de brief van de Minister van Defensie d.d. 7 juni 2024 inzakevoorval Zr.Ms. Tromp in Oost-Chinese Zee (Kamerstuk 29 521,nr. 488);–de brief van de Minister van Defensie d.d. 9 september 2024inzake beleidsdoorlichting De Nederlandse deelname aan deFleet Operational Standards and Training (FOST) (Kamerstuk31 516, nr. 43);–de brief van de Minister van Defensie d.d. 18 oktober 2024inzake toezegging over vermoedens burgerslachtoffersAfghanistan (Kamerstuk 27 925, nr. 971). kst-29521-492ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4921 Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de vaste commissie voor Defensie,KahramanDe voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,KlaverDe griffier van de vaste commissie voor Defensie,De LangeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4922 Voorzitter: KahramanGriffier: MantenAanwezig zijn vijf leden der Kamer, te weten: Olger van Dijk, Hirsch,Kahraman, Pool en Van der Wal,en de heer Brekelmans, Minister van Defensie, en de heer Veldkamp,Minister van Buitenlandse Zaken.Aanvang 17.00 uur.De voorzitter:Ik open de vergadering van de vaste commissie voor Defensie, met alsvervolgcommissie de commissie voor Buitenlandse Zaken. Vandaag staatop de agenda: de voortgang en evaluatie van missies. Ik heet de tweebewindspersonen en hun ondersteuning van harte welkom in onzevergadering, net als de leden, natuurlijk. Vandaag heeft u vier minutenspreektijd in de eerste termijn. Ik laat drie vragen toe tijdens de eersteronde van de Kamer. Straks tijdens de eerste ronde van de bewindsper-sonen laat ik ook drie vragen toe. In totaal heeft u dus zes vragen in deeerste ronde: drie onderling en drie richting de bewindspersonen. Ik geefals eerste het woord aan de heer Pool van de PVV.De heer Pool (PVV):Ik dank u hartelijk, voorzitter. De PVV wil dit debat graag beginnen met hetuitspreken van een hartelijk woord van dank aan al onze militairen die opdit moment, waar dan ook ter wereld, op missie zijn. Onze partij heeftgroot respect voor jullie inzet en de persoonlijke offers die jullie daarvoormoeten brengen.Maar dat betekent niet dat wij als PVV enthousiast zijn over alle missiesdie momenteel gevoerd worden of de wijze waarop er invulling wordtgegeven aan zo’n missie. Daarom nog enkele vragen aan de Minister vanDefensie over de situatie in de Levant, waar Nederland in Libanondeelneemt aan de VN-vredesmissie UNIFIL. Als de afgelopen periode ende voorgaande jaren ons iets duidelijk hebben gemaakt, is het wel datdeze VN-missie totaal niet is geslaagd in een van haar hoofddoelen,namelijk ervoor zorgen dat er in de zone tussen de zuid-Libanese rivier deLitani en de noordgrens van Israël geen gewapende Hezbollahactivistenactief zijn. Hezbollah heeft vanuit dit gebied al tienduizenden raketten opIsraël afgevuurd. Per 8 oktober van vorig jaar gebeurde dat vrijweldagelijks, waardoor tienduizenden Israëlische burgers moesten wordengeëvacueerd.Voorzitter. Sinds Israël zeer terecht heeft besloten om hier adequaat tegenop te treden, is gebleken dat er op slechts zo’n 100 meter van eenVN-wachttoren gewoon een Hezbollahtunnelingang ligt. Hezbollah voerthaar terreuroorlog tegen Israël dus letterlijk onder de neus van dezeVN-missie. Wat doet Nederland in deze strijd tegen terreur? Nou, wijleveren een genderadviseur. Dat is een vrouwelijke militair die ervoorzorgt dat het genderperspectief in de VN-missie is opgenomen. Dezegenderadviseur geeft bijvoorbeeld gender awareness workshops, helptmet het organiseren van sporttoernooien voor vrouwen en meisjes, en telthoeveel vrouwen zij tegenkomt op patrouille. Dat verzin ik niet; dat haal ikgewoon van de website van Defensie zelf. Terwijl Hezbollah een nietsont-ziende vernietigingsoorlog voert tegen de staat Israël, is dit dus deprioriteit van Nederland binnen deze VN-missie. Een duidelijker voorbeeldvan hoe ver het ideologische gendergeneuzel af staat van de bittererealiteit van de oorlog is er niet. Geen wonder dat Israël nu het heft ineigen hand neemt. Graag vraag ik de Minister van Defensie waar weeigenlijk mee bezig zijn. Dit heeft toch niks meer te maken met hettegengaan van de terroristische activiteiten van Hezbollah? Kunnen weTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4923 alsjeblieft ophouden met het inzetten van onze militairen als sociaalpeda-gogische wereldverbeteraars en ons richten op de bittere realiteit van dewereld om ons heen?Ik dank u hartelijk.De voorzitter:Dank aan de heer Pool voor zijn inbreng. Dan gaan we over naar mevrouwVan der Wal namens de VVD.Mevrouw Van der Wal (VVD):Voorzitter. Ook ik wil dit debat beginnen met het bedanken van allemannen en vrouwen die zich iedere dag weer in Nederland en in hetbuitenland inzetten voor onder andere onze veiligheid. Zij zorgen ervoordat we hier met elkaar in vrijheid kunnen leven en dit debat in alleveiligheid met elkaar kunnen voeren. Dank daarvoor.Voorzitter. Er woedt nog steeds een oorlog in Europa. Sinds Rusland ruimtweeënhalf jaar geleden Oekraïne binnenviel, is ook onze veiligheid nietlanger vanzelfsprekend. We zijn dan ook blij dat de NAVO breed blijftinzetten op de veiligheid van onze oostgrens met de Enhanced ForwardPresence. Toch zet mijn fractie er vraagtekens bij of deze missie welvoldoende is om daadwerkelijk een afschrikkende werking te bereiken.Daarom wil ik de Minister vragen: hoeveel troepen bevat de EFP nu? Watis de effectiviteit van deze missie tot dusver? Welke stappen zet hetkabinet als dit niet toereikend blijkt te zijn?Tot nu toe lijkt Rusland in ieder geval niet afgeschrikt. Ook afgelopen weekkonden we bijvoorbeeld lezen dat Rusland nog altijd voorbereidingen treftom het conflict met NAVO aan te gaan. Wat de VVD betreft moeten wedaarom opnieuw kijken of we meer moeten doen met onze bondgenotenom Rusland echt af te schrikken. Ziet de Minister deze noodzaak ook? Watgaat hij doen om ervoor te zorgen dat we Poetin echt afschrikken, om eenmogelijk conflict te voorkomen? Hoe ziet de Minister de samenhangtussen de missies waar onze krijgsmacht aan deelneemt en de anderevormen waarop Defensie de krijgsmacht inzet, mede in relatie tot dezedreigende escalatie in het oosten? Wat is überhaupt de visie van dezeMinisters als het gaat om missies? Ik hoor het graag.Voorzitter. Eerder dit jaar zagen we dat ruim 90.000 militairen en al onzeNAVO-bondgenoten deelnamen aan Steadfast Defender, een oefening inde Oostzee en de Baltische staten. Het was de grootste NAVO-oefeningooit. De VVD vindt het van groot belang dat Nederland zich blijft inzettenom onze krijgsmacht en die van onze bondgenoten klaar te hebben staanvoor een mogelijk conflict. We vonden het dan ook erg goed om te ziendat we dit jaar juist in dit deel van Europa met elkaar oefenden. MaarOost-Europa is niet het enige deel van Europa waar gevaar dreigt. Ook deNoordzee is een risicogebied, zo heeft ook Defensie aangegeven, omdatjuist daar een groot deel van de Nederlandse, Britse en Noorse infra-structuur ligt. We zouden de Minister via deze weg dan ook graag willenvoorstellen om samen met Noorse en Finse collega’s te bekijken of eenvolgende grote NAVO-oefening juist daar plaats kan vinden, om ervoor tezorgen dat we ook op dat deel van het NAVO-grondgebied klaarstaan omons te verdedigen. Ik hoor graag hoe de Minister hiernaar kijkt en of hijbereid is om hiermee aan de slag te gaan. Ik overweeg ook een motie opdit punt.Tot slot, voorzitter, wil ik aandacht vragen voor de veiligheid van alleNederlandse militairen die op missie zijn in het buitenland, ook in hetgeval dat er wel oorlog komt in Europa. Hoe zorgt Defensie er dan voordat we juist deze groep veilig houden? Is het wenselijk om deze mensendan weer terug te brengen naar Nederland, zodat ook zij kunnen helpenom ons land veilig te houden? Mocht dat niet zo zijn, welk effect heeft datdan op onze veiligheid hier in Nederland? Ook daar hoor ik graag eenreactie op.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4924 Dank.De voorzitter:Dank aan mevrouw Van der Wal voor haar inbreng. Dan gaan we overnaar de heer Olger van Dijk namens Nieuw Sociaal Contract.De heer Olger van Dijk (NSC):Dank u wel, voorzitter. Met een grootvader die zijn carrière begon bij deKoninklijke Marechaussee en een vader die in zijn diensttijd commandantwas op een Centuriontank – de grootste in de Nederlandse geschiedenis,heb ik me laten vertellen – is het een voorrecht voor mij om hier alswoordvoerder Defensie deze debatten te doen. Ik ben dan ook bijzondertrots op de mannen en vrouwen van onze krijgsmacht, die zich inzettenvoor vrede en veiligheid in deze wereld en van ons land.Voorzitter. Met de huidige dreiging in de wereld is het noodzaak dat we zoveel en zo snel mogelijk investeren in de veiligheid van ons eigengrondgebied en dat van de NAVO-partnerlanden, onze eerste hoofdtaak.De nadruk van de defensie-inzet ligt daarmee niet meer op hoofdtaaktwee, zoals de vredesmissies van de laatste decennia. De missies die wevandaag bespreken vallen overigens in beide categorieën. Kan de Ministervan Defensie aangeven wat de verhouding wordt tussen hoofdtaak één enhoofdtaak twee bij de inzet van personeel? Hoe beoordelen we in detoekomst aan welke vredesmissies we nog deelnemen? Dat sluit denk ikaan bij de vraag van mevrouw Van der Wal over de visie op missies. Isdaar een afwegingskader voor te ontwikkelen waarbij ook Nederlandsebelangen een rol spelen? Denk bijvoorbeeld aan handelsverkeer enstabiliteit aan de randen van de EU.Voorzitter. Daar speelt de beschikbare personeelscapaciteit ook eenbelangrijke rol in. Met de personeelstekorten waarmee Defensie op ditmoment kampt, is het de vraag of onze krijgsmacht wel in staat is om allelopende en geplande missies te bemensen. Graag hoor ik een reflectievan Minister Brekelmans op dit punt. In hoeverre beperkt personeels-krapte onze inzet bij het aantal missies dat tegelijkertijd kan wordenuitgevoerd? Hoeveel ruimte is er überhaupt nog voor vredesmissies –hoofdtaak twee – in relatie tot de steeds belangrijker wordende landsver-dediging en afschrikkingstaak?Voorzitter. Dan heb ik nog een aantal vragen bij de diverse missies. DeNederlandse bijdrage aan de missie EUFOR Althea dient een belangrijkdoel: aan de poort van de EU de politieke en sociale stabiliteit in Bosnië enHerzegovina en de Balkanregio bevorderen. Hoe duidt de Minister vanBuitenlandse Zaken de politieke ontwikkelingen in Bosnië en de risico’svoor de veiligheidssituatie ter plaatse? Van beide bewindspersonen wil ikgraag weten hoe zij de verlenging van de missie zien ten opzichte van depolitieke ontwikkelingen en risico’s. En hoe zien zij de capaciteitsinzet diedit zal vergen?Voorzitter. Eerder dit jaar hebben we middels de artikel 100-briefprocedureonze goedkeuring gegeven aan een maritieme bijdrage van de KarelDoorman aan de Europees geleide missie ASPIDES, want het is belangrijkom het commerciële scheepsverkeer op deze cruciale route beschermen.Naast de inzet van het marineschip zijn twee stafofficieren voor ASPIDESwerkzaam. Inmiddels zijn we een halfjaar verder. De Karel Doorman ligtweer in onze haven, maar het gevaar in het Rode Zeegebied is alleenmaar geïntensiveerd door de geweldsescalatie in het Midden-Oosten. Kande Minister aangeven hoelang en in welke vorm Nederland gaat bijdragenaan ASPIDES? Is het kabinet van plan met de toename van dreigingenvanuit de Houthi’s de inzet vanuit Nederland uit te breiden?Voorzitter. De oorlog op de oostflank raakt onze buitengrenzen, waardoorhet samenwerken met de Baltische staten essentieel is voor onzeveiligheid. In de beslisnota van de voortgangsrapportage oostflankworden lessons learned genoemd. Een daarvan is de beperkte beschik-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4925 baarheid van het oefenterrein in Rukla, waardoor de Nederlandseeenheden gehinderd worden in de mogelijkheden voor training. Kan deMinister van Defensie deze inschattingsfout duiden? Welke les wordthieruit getrokken voor andere missies? Moet de aanwezigheid vanvoldoende trainingsmogelijkheden bijvoorbeeld structureler in devoorbereiding van missies worden bekeken?Voorzitter. Tot slot de voorgenomen inzet in Estland voor onder andere airpolicing. Vanaf december 2024 zal Nederland bijdragen met een flexibeleinzet van drie tot tien F-35 toestellen. Dat is belangrijk, maar het vraagteen mogelijk fors aantal van onze inzetbare F-35’s. Hoe wordt die rangetussen drie en tien bepaald? Wat betekent dit voor de mogelijke inzet vanonze F-35’s elders, om te beginnen die met een surveillancetaak boven hetNederlandse grondgebied?Dank u wel.De voorzitter:Dank voor uw inbreng, meneer Van Dijk. Dan gaan we over naar mevrouwHirsch namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.Mevrouw Hirsch (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Natuurlijk ook van ons: veel dank aan alle mannenen vrouwen die zich inzetten voor onze veiligheid en de veiligheid vanheel veel andere mensen in deze wereld.Voorzitter. De spanningen in de wereld lopen steeds verder op. Door deRussische agressieoorlog is de focus van de krijgsmacht begrijpelijkerwijsmeer komen te liggen op hoofdtaak één: het beschermen van ons eigengrondgebied en dat van bondgenoten. Toch mag deze focus nietbetekenen dat we hoofdtaak twee – het bevorderen van de internationalerechtsorde en stabiliteit-- uit het oog verliezen. De hoofdtaken dragennamelijk juist sámen bij aan het scheppen van vrede en veiligheid. Het isdaarom belangrijk dat Nederland blijft bijdragen aan internationalevredesmissies.Nederland heeft een rijke geschiedenis van bijdragen aan missies endaarmee dus een schat aan ervaring om van te leren. Lange tijd kregenevalueren en leren relatief weinig aandacht. Mijn fractie is blij met deconstatering van de IOB dat die aandacht er nu wel is. Omdat we dezelfdeaandachtspunten zien blijven terugkomen in evaluaties, vragen we onswel af hoe de toegenomen aandacht zich vertaalt in concrete veranderingof verbetering. Kan de Minister van Defensie nader ingaan op hoe degeleerde lessen zijn omgezet in concrete veranderingen? Als er nog geenconcrete opvolging aan de evaluaties is gegeven, kan de Minister danaangeven waarom niet?Een van de aandachtspunten uit de evaluaties is de coherentie van beleid.Kan de Minister aangeven of er veranderingen zijn doorgevoerd omcoherentie te verbeteren? Zo ja, welke? Als er nog geen concreteopvolging aan evaluaties is gegeven, kan de Minister dan toelichtenwaarom dat nog niet is gebeurd?Voorzitter. Helaas heeft Nederlandse wapeninzet ook in het verledengeleid tot burgerslachtoffers. Het is essentieel om deze wapeninzetgrondig te evalueren, om zo in de toekomst immens leed te voorkomenen waar nodig te compenseren. Momenteel lopen er drie onderzoeken.Kan de Minister van Defensie per lopend onderzoek ingaan op de huidigestand van zaken en aangeven wanneer we de resultaten kunnenverwachten? Zal de Minister dan ook inzage geven in de gebruikteonderzoeksmethodes?Het meldpunt voor burgerslachtoffers, dat volgens de planning dit jaarnog opgezet zal worden, is een belangrijke stap. Kan de Ministeraangeven hoe het meldpunt proactief onder de aandacht wordt gebracht?Hoe toegankelijk zal het zijn voor slachtoffers en nabestaanden, gezienmogelijke culturele en taalkundige barrières? Welke criteria zal DefensieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4926 hanteren om te bepalen welke informatie als geloofwaardig zal wordenbeschouwd om over te gaan tot onderzoek? Is de Minister bereid omjaarlijks aan de Kamer te rapporteren hoeveel meldingen er binnen zijngekomen en hoeveel daarvan hebben geleid tot nader onderzoek?Het meldpunt is in onze ogen succesvol als het door de melders alsbetekenisvol wordt ervaren. Kan de Minister aangeven welk kader voorresponse er aan het meldpunt wordt verbonden? Ik noem bijvoorbeelderkenning of vrijwillige compensatie.Defensie heeft aangegeven zich in te zullen zetten voor het oprichten vancoalitiemeldpunten als het op nieuwe coalitie-inzet neerkomt. Kan deMinister deze inzet nader duiden? Wat betekent het als een toekomstigecoalitie niet meebeweegt?Tot slot, voorzitter. De geweldsspiraal in het Midden-Oosten blijftescaleren. Zelfs militairen onder het mandaat van de VN wordenaangevallen door Israël. Dit is een ernstige schending van het internati-onaal recht. Beide bewindspersonen hebben deze aanvallen terechtveroordeeld. Het is voor mijn fractie echter onduidelijk welke conse-quenties deze veroordeling met zich mee zal brengen. De motie van deleden Paternotte en Klaver over het treffen van maatregelen werd doorhet kabinet ontraden omdat ze «vaag» zou zijn. Intussen gaan deaanvallen op UNIFIL gewoon door. Kunnen de Ministers aangeven welkeconcrete maatregelen Nederland tot zijn beschikking heeft? Watweerhoudt de Ministers ervan die in te zetten om hun veroordeling krachtbij te zetten? Kunnen de bewindspersonen ook ingaan op de veiligheidssi-tuatie van uitgezonden Nederlanders in het gebied, zowel binnen UNIFILals binnen de UNTSO? Hoe zetten de Ministers zich in voor hun veiligheiden die van hun collega’s?Dank u wel.De voorzitter:Dank aan mevrouw Hirsch voor haar inbreng. Ik kijk rechts van mij, naarde bewindspersonen. Hoeveel tijd hebben zij nodig voor de voorbereidingvan de beantwoording? Ik schors de vergadering tot 17.45 uur. Danhebben ze een halfuur de tijd om de antwoorden voor te bereiden.De vergadering wordt van 17.17 uur tot 17.48 uur geschorst.De voorzitter:Ik stel voor dat we in deze ronde in plaats van drie vier interruptiestoelaten, omdat u zich keurig gedragen heeft in de eigen ronde. Dan kuntu de bewindspersonen wat meer interrumperen. Dan geef ik het woordaan de Minister van Buitenlandse Zaken voor de beantwoording van devragen van de Kamerleden.Minister Veldkamp:Dank u, voorzitter. Ik zal de huidige mondiale veiligheidsomgeving tocheven schetsen. Het is instabiel en gefragmenteerd, dat weten we allemaal.Sinds 24 februari 2022 is het ondenkbare realiteit geworden: eengrootschalige oorlog op het Europese continent. Het beschermen van onseigen grondgebied en dat van onze bondgenoten is dus belangrijker danooit.Maar ook in de verdere ring rond Europa verslechtert de veiligheidssi-tuatie. Ik noem de oorlog in Gaza, het hele conflict tussen Israël enHezbollah, mede gevoed door Iran. De Houthi’s bedreigen de vrijedoorvaart in de Rode Zee. We kijken naar de Sahel. We zien de situatie opde Westelijke Balkan, de Kaukasus. Allerlei «theaters» raken als gevolgvan die geostrategische frictiecompetitie ook in toenemende mate metelkaar verknoopt. Dat is deels ook een antwoord op de vragen vanmevrouw Hirsch over hoofdtaak één en hoofdtaak twee. Je ziet theatersmet elkaar verknoopt raken, om die term maar te gebruiken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4927 Nederlandse belangen staan op het spel, zoals contra-terrorisme enmaritieme veiligheid. Onze veiligheid en welvaart zijn verbonden aan deinternationale rechtsorde en stabiliteit. Instabiliteit elders voelen we ookduidelijk hier. Missies en operaties dragen bij aan de doelstelling van onsbuitenlandbeleid, waaronder het waarborgen van onze veiligheid enwelvaart en het bestrijden van terrorisme. Dat gaat in goede samen-werking met onze partners, zoals de VS, de NAVO, Europese partners ende VN. Daarin willen we ook onze afspraken nakomen. Daarbij wordt intoenemende mate gevraagd – dan denk ik aan de VS – aan Europeselanden en bondgenoten om verantwoordelijkheid te nemen voor de eigenveiligheid, niet alleen in het NAVO-verdragsgebied maar ook in deomgeving daarvan: burden sharing. Aan die oproep willen we ook gehoorgeven.De heer Olger van Dijk en mevrouw Hirsch – als ik het me goed herinner –spraken over de verschuiving van hoofdtaak één en hoofdtaak twee. Doordie Russische dreiging richting bondgenoten en de mogelijkheid van eengrootschalig conflict binnen het NAVO-verdragsgebied die ik niet moetuitsluiten, zullen missies en operaties zich primair richten op hoofdtaakéén: het beschermen van het eigen en bondgenootschappelijk grond-gebied. Dat betekent inderdaad meer inzet aan de oostflank van hetNAVO-verdragsgebied. In het samenspel tussen hoofdtaak één enhoofdtaak twee, waaraan mevrouw Hirsch refereerde, zie je dat aanhou-dende betrokkenheid bij instabiele gebieden rondom Europa tevensnoodzakelijk blijft. Want die instabiliteit elders heeft ook invloed opNederland en op Nederlandse belangen. Het bijdragen aan missies is indie zin ook een vorm van vooruitgeschoven verdediging.Daarnaast biedt het engagement elders in de wereld Nederland inzicht,een plek aan tafel, invloed en bij alles in de wereld een voet tussen dedeur, waarmee we ook invulling kunnen geven aan diverse Nederlandsebeleidsprioriteiten. We kijken daarbij ook naar risico’s. Ik zie dat daarbelangen liggen en dat het niet alleen om de collectieve verdediging gaat.Het gaat ook om bijdragen elders aan stabiliteit, om bijdragen aanbeïnvloeding. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het belang dat juist handel-sland Nederland heeft – ook gezien Rotterdam en dergelijke – bij vrijedoorvaart onder andere door de Rode Zee, maar ook elders in de wereld.Een schip als het fregat Tromp heeft de afgelopen maanden rondgevarenin de Zuid-Chinese zee en in de Straat van Taiwan. Het belang en ook hetprincipe van het recht van de zee, sinds Hugo de Groot, koesteren we. Enook koesteren we de tenuitvoerlegging van de VN Convention on the Lawof the Sea van 1982, UNCLOS. Het is niet door alle landen geratificeerd,maar geldt inmiddels wel als gewoonterecht. Nederland zal dat blijvendoen.We moeten heel realistisch kijken naar de geleerde lessen als gevolg vande nieuwe geopolitieke context, die zo gekenmerkt wordt door competitieen confrontatie tussen grootmachten en middenmachten. Hoe kunnen webijdragen? Waar dragen we bij? Laten we ook realistisch zijn over de matewaarin je de realiteit elders in de wereld kunt bijbuigen, want het is eenweerbarstige context en veel gebeurtenissen liggen buiten onze macht.Om doeltreffend te zijn, ook in fragiele contexten, is het goed om te kijkenhoe we ons in samenhang kunnen inzetten. Dat geldt voor BuitenlandseZaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, Justitie en Veiligheiden Defensie. Geïntegreerde veiligheid is daar een voorbeeld van. Diewordt in allerlei missies geïmplementeerd. Ik denk aan Irak. Ik denk ookaan de missie in Bosnië, die al is genoemd. Nogmaals, het is een moeilijkecontext. De vraag naar capaciteit is uiteraard groot, maar de capaciteit isschaars. Daar kan de Minister van Defensie duidelijk verder op ingaan. Wekijken dus wel degelijk naar een bredere samenstelling. Dat gesprekvoeren we als betrokken bewindslieden en ook breder in het kabinet.Naar de geleerde lessen, die mevrouw Hirsch noemde, kijken wij dus ook.Wij kijken daar met eerlijkheid naar. De evaluaties van bijvoorbeeldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4928 MINUSMA en Afghanistan zijn verwerkt in een actieplan. Er wordtstandaard aan conflictanalyse gedaan in het geval van militaire inzet. Wehebben ook de eigenstandige monitoring verbeterd. De doorlopendemonitoring is verder beter geborgd. Zo voeren we bij artikel 100-bijdragentussentijdse monitorbezoeken uit. In het geval van bijvoorbeeld EUFORAlthea heeft de monitoring het belang aangekaart van verbeterdestrategische communicatie richting de bevolking van Bosnië over hetwaarom van die missie, de reden waarom die daar plaatsvindt. Overdergelijke monitoring informeren we de Kamer via de geijkte rapportage-momenten. Ik denk hierbij aan de voortgangsbrieven en Verantwoor-dingsdag. Achteraf vinden er ook evaluaties plaats om lessen te leren. Datdoen we via de bekende procedures, zoals de vaste evaluatie door eenexterne partij. Veelal is dat de IOB.Mevrouw Van der Wal vroeg hoe we omgaan met militairen op missiebuiten Europa als er hier in Europa een oorlog uitbreekt. Halen we die daneerder naar huis? Ik denk dat de Minister van Defensie daar nader op inkan gaan.De heer Olger van Dijk vroeg naar de missie in Bosnië en Herzegovina,naar EUFOR. De politieke ontwikkelingen in Bosnië zijn zorgelijk.Vooralsnog hebben ze nog niet doorgewerkt op de veiligheidssituatie. Debestuurlijke situatie in Bosnië is sterk gebaseerd op de Daytonakkoordenvan 1995. Zoals de onderhandelaar van toen, Holbrooke, zei, waren diebedoeld «to end a war». Zo luidde ook de enigszins aanmatigende titelvan zijn boek daarover. Die akkoorden zijn nooit echt ontworpen om eenbestuurlijk goed functionerende staat te doen ontstaan en daar lopen wede laatste jaren en decennia tegen aan. De verbrokkeldheid van destructuur en daarbinnen het optreden van de leider van de RepublikaSrpska, de heer Dodik, zijn wat dat betreft typerend.In juli vorig jaar nam het parlement van de Republika Srpska bijvoorbeeldeen aantal wetten aan om de besluiten van de zogeheten Hoge Vertegen-woordiger die met Bonn Powers rechtstreeks in de structuur van de staatkan ingrijpen, niet meer in de staatscourant te publiceren, waardoor deopvolging niet wettelijk wordt vastgelegd. Gelijktijdig werd wetgevingaangenomen waarin de Republika Srpska aangaf de besluiten van hetconstitutioneel hof van Bosnië en Herzegovina niet meer te implemen-teren. De Hoge Vertegenwoordiger heeft op grond van de Bonn Powersbeide wetten teruggedraaid. Je ziet echter dat het een continue struggleis, waarin de Republika Srpska ten minste tracht te markeren dat zij zicheigenlijk het liefst aan de federale structuur van het land zou willenontworstelen. Het is een lastige periode. Het is ook een lastige situatie. Diegaan we hier niet in een keer verbeteren. Dit betekent wel dat typisch zo’ngebied als de Westelijke Balkan, dat toch als een soort achtertuin vanEuropa en dus ook deel van Europa kan worden aangemerkt, niet af is.Een ander deel is Kosovo, dat wat betreft de as Belgrado Prisˇtina niet af isen waar nog heel veel werk te doen. Zo zie je dat dus ook in Bosnië enmet Bosnië. Ik ben heel blij dat Nederland aan EUFOR heeft kunnenbijdragen om juist de stabiliteit van dat land te helpen waarborgen. Diebijdrage wordt inmiddels volgens planning afgebouwd, maar enkelestafofficieren, een nationaal ondersteuningselement en een humanintelligence team blijven wel degelijk betrokken. De inschatting is dat datEUFOR Althea de komende jaren nodig zal blijven en een belangrijkebijdrage blijft leveren aan het ondersteunen van de Bosnische autoriteiten het behoud van een safe and secure environment.Een aantal van u vroeg naar UNIFIL.De voorzitter:Minister, voordat u verdergaat: er is een interruptie van de heer Olger vanDijk.De heer Olger van Dijk (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4929 Dank voor de uitgebreide toelichting van de Minister van BuitenlandseZaken op de situatie in Bosnië en de toelichting daarvoor op de missies.Het is natuurlijk wel een voorbeeld van een missie die stabiliteit tot doelheeft en die tegelijkertijd ook raakt aan Nederlandse belangen en aan deEuropese Unie. Ik hoor de Minister verder zeggen dat er nog betrok-kenheid is, maar die is minder dan die was. Ook gezien de bredere contextvan alle missies waarin we ons vooral op hoofdtaak één moeten richten:in hoeverre is dit nou een missie waarvan verlenging toch welwillend zouworden beoordeeld, ook als dat weer meer inzet gaat vergen dan we nuhebben? Ik realiseer me dat het een vraag aan beide bewindspersonen is,maar dit leek me een goed moment om die vraag te stellen aan deMinister van Buitenlandse Zaken.Minister Veldkamp:Dat is een hele goede vraag. Ik denk dat het zaak is dat EUFOR Altheahelpt die stabiliteit te bewaken en die kan dus niet helpen om de bestuur-lijke structuur van het land te verbeteren. Die helpt de stabiliteit tebewaken. Ik denk dat het ook zaak is dat men vanuit Europa en deEuropese Unie daar actief bij betrokken blijft. Nederland heeft nu z’n taakgedaan. Die wordt verder voortgezet door Roemenië. Ik kom straks eventerug op de vraag of het in de toekomst weer een rol gaat spelen voorNederland en Nederlandse militairen. Ik laat dat ook deels aan de Ministervan Defensie.Het is zaak dat we juist op de Westelijke-Balkan, ook in geopolitiekecontext, als Europa en als Europese landen tonen dat we betrokken zijn enblijven op allerlei manieren, temeer omdat ook Rusland, China en op eenandere manier bijvoorbeeld ook Turkije als niet-EU-lidstaat zich weldegelijk in dit gebied roeren en daar hun belangen laten zien. Europa is erheel actief. De EU is er heel actief. Dat is zij ook op het gebied vaninvesteringen via het Western Balkans Investment Framework bijvoor-beeld. Dat is niet altijd voldoende zichtbaar en wordt niet altijd voldoendezichtbaar gemaakt, maar de EU is wel degelijk heel actief en zal datmoeten blijven, juist omdat het weer zo’n stuk van Europa is waar eenaantal dingen politiek echt niet af zijn. Het vergt naast een inzet vanuitEuropese landen op het gebied van stabilisatie en defensiebetrokkenheid– dat zie je bijvoorbeeld ook in Kosovo – ook heel veel politieke aandachten dat zal het blijven doen.Er was ook een aantal vragen over UNIFIL. We hebben ons uitgesprokenover UNIFIL, de aanvallen, de fricties en incidenten, over Israël en UNIFIL.We hebben het ook duidelijk veroordeeld. We hebben ons vrij snelaangesloten bij een verklaring die in VN-verband is uitgebracht doortroepen leverende landen. We hebben ook, niet afgelopen weekend maarhet weekend daarvoor, bijgedragen aan een EU-statement dat is uitge-geven. Nederland kon daar heel snel mee akkoord gaan. Ik heb ookbilateraal contact opgenomen met de Israëlische Minister van Buiten-landse Zaken en ook duidelijk gezegd dat we dit veroordelen en dat we ertoch wel erg aan hechten dat die incidenten worden onderzocht. Men zegttoe dat ook zelf te zullen doen, zelf verder geen conflict met UNIFIL tewillen en ook onderzoeksresultaten te delen. Ik begrijp dat de Ministersvan Defensie ook een verklaring hebben uitgegeven naar aanleiding vanonderling videocontact. Hoe dat zich verder vervolgt, zien we later dezeweek. In Parijs vindt donderdag een conferentie plaats. Die zal ik ookbijwonen. Het is een internationale conferentie over Libanon in de vollebreedte der dingen.Mevrouw Hirsch vroeg welke gevolgen ik eraan verbind. Ik denk dat hetwel zaak is om Israël te blijven aanspreken en duidelijk te maken dat in detoekomst, een hopelijk nabije toekomst, ook het zuiden van Libanongestabiliseerd zal moeten worden en dat Israël daar zelf toch zeernegatieve ervaringen mee heeft. Denk even aan de Israëlische militairepresentie die Israel er direct en indirect heeft gehad tot het jaar 2000. DaarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49210 heeft men zelf ook geen goede herinneringen aan. Wel zeg ik naaraanleiding van de woorden van de heer Pool dat het UNIFIL-mandaat tochvooral gericht is op het monitoren en bijstaan van de Lebanese ArmedForces, de Libanese strijdkrachten, bij het ontwapenen van gewapendegroepen en het rapporten daarover aan de secretaris-generaal van de VN.Dus je kunt UNIFIL niet geheel het falen aanrekenen van de uitvoering vanVN-Veiligheidsraadresolutie 1701, die inmiddels achttien jaar oud is; ik pakook resolutie 1559 erbij.De voorzitter:U heeft twee interrupties. De eerste is van mevrouw Hirsch.Mevrouw Hirsch (GroenLinks-PvdA):Dank u wel voor de antwoorden. Ik wil toch even doorvragen. Ik heb eenaantal zeer welkome verklaringen gehoord. Dit is natuurlijk niet de eerstekeer in het afgelopen jaar dat we in woorden aandringen op matiging. Ikvraag me alleen af of u ook naar de conferentie over Libanon gaat metideeën over andere concretere acties, die wat u betreft ook namensNederland gesteund zouden kunnen worden. Dus welke instrumentenheeft u, buiten de gesprekken en de verklaringen om, nog meer tot uwbeschikking die u overweegt in te gaan zetten?Minister Veldkamp:Ik ga Parijs ook gebruiken om daar in de conferentie, of en margedaarvan, nader overleg over te plegen met andere landen. Er zijn landendie een veel grotere troepenleverancier zijn aan UNIFIL, zoals Italië, datook zijn mening daarover aan het formuleren is. U hebt misschiengehoord dat de Italiaanse premier Meloni afgelopen vrijdag naar Libanonis afgereisd. De Italiaanse Minister van Buitenlandse Zaken, Tajani, is netnaar Israël en de Palestijnse gebieden geweest. Ik wil ook heel graagbijvoorbeeld van Minister Tajani horen hoe hij dat ervaren heeft en wat hijals handelingsopties beschouwt, mochten er zich opnieuw incidentenvoordoen. Wel moeten we aan Israël het volgende duidelijk maken: als ermeer van dit soort incidenten zijn, dan snijdt u zichzelf in de vingers, wantdan zal de bereidheid om mogelijk troepen te leveren, mocht er in detoekomst – ik kan daar nu nog niet op vooruitlopen – een UNIFIL-missie ofeen nieuwe vorm van UNIFIL mogelijk zijn, na het beëindigen van de strijddie nu plaats vindt niet groot zijn, als men weet dat men vanuit Israël kanworden aangevallen en ook zelf in confrontatie met de Israëlischestrijdkrachten kan geraken.De voorzitter:Uw tweede interruptie, mevrouw Hirsch.Mevrouw Hirsch (GroenLinks-PvdA):Ik vraag toch nog even door. Wat denkt Nederland zelf in het gesprek metbijvoorbeeld Italië te kunnen doen? Ik neem aan dat er ook anderemaatregelen zijn dan maatregelen die te maken hebben met eentoekomstige inzet via de VN. We hebben natuurlijk ook economischerelaties met Israël. We hebben allerlei relaties. Er zijn in deze Kamer almeerdere keren mogelijkheden voorbijgekomen om op een anderemanier druk op Israël uit te oefenen. Ik was dus even benieuwd naar watNederland zelf meeneemt naar zo’n gesprek.Minister Veldkamp:Ik hoor wat mevrouw Hirsch zegt. Ik kan daar nu nog niet helemaal opvooruitlopen, ook omdat ik op dit moment, gelet op de proportionaliteitvan de Nederlandse bijdrage aan UNIFIL, nog niet zie dat wij echt vooropmoeten lopen in het uiten van dreigementen met betrekking tot concretestappen. Italië heeft, geloof ik, 1.400 mensen in UNIFIL. Daarom wil ik juistTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49211 ook met een land als Italië kijken wat zij doen en hoe Frankrijk dit ziet etcetera. Maar ik sluit zeker niet uit dat wij zouden willen bijdragen aaneventuele stappen, mochten er zich nieuwe incidenten voordoen, temeeromdat wij ook vrij vlot de diverse verklaringen die er zijn uitgegeven endie veroordelend waren, hebben kunnen en willen ondertekenen.De voorzitter:Dan de interruptie van de heer Pool.De heer Pool (PVV):De Minister sprak over het mandaat van deze missie. In de eigenvoortgangsrapportage staat heel duidelijk dat UNIFIL zich richt op hetvoorkomen van vijandigheden in het grensgebied. Ik zou dan aan deMinister willen vragen of hij ook niet vindt dat UNIFIL daar al jarenjammerlijk in heeft gefaald.Minister Veldkamp:Ik hoor wat de heer Pool zegt, maar ik denk dat de internationalegemeenschap jammerlijk heeft gefaald. De internationale gemeenschapheeft jammerlijk gefaald – en doet dat al achttien jaar – in het uitvoerenvan resolutie 1701 en in het voldoende effectief bijstaan van Libanon. Erzijn pogingen ondernomen, maar we hebben daar met z’n allen wel ingefaald. We hebben er ook in gefaald om de twee jaar oudere resolutie1559 uit te voeren. Dat is denk ik een probleem dat groter is dan UNIFIL.Nogmaals, de monitoringrol van UNIFIL is er; die rapportages zijn er ook.Maar ik denk dat UNIFIL niet echt gemandateerd is om zelf te ontwa-penen. Dat kan dus ook niet worden verwacht. Maar de internationalegemeenschap heeft wel gefaald in hoe ze daar opereert.Vanaf de Noord-Israëlische kant kun je het zuiden van Libanon inkijken. Ikheb dat zelf ook vele malen gedaan. Je kijkt dan iets dieper, naar beneden,en je kunt daar vrij ver kijken. Als je de afgelopen jaren aan de Noord-Israëlische kant stond, in bijvoorbeeld Kiryat Shmona of Metula, zag jedaar heel weinig Libanese vlaggen en heel veel van die gele Hezbollah-vlaggen, terwijl je daartussen wel de witte pantserwagentjes en jeepjesvan UNIFIL zag rijden. Dat is mij altijd opgevallen. Wij wisten als interna-tionale gemeenschap al langer, ook via de rapportages van UNIFIL endergelijke, dat er in het zuiden van Libanon in diverse gebouwen, huizenet cetera raketinstallaties en andere installaties van Hezbollah warenvoorbereid. Daarin heeft de internationale gemeenschap dus inderdaadgefaald.Israël treedt nu zelf op om de situatie te veranderen, mede omdat al meerdan een jaar meer dan 60.000 mensen uit het noorden van Israëlontheemd zijn. Wij vinden wel dat Israël dat moet doen binnen de kadersvan het internationaal humanitair recht. Wij steunen nog steeds de oproeptot een staakt-het-vuren, dat ook de VS en Frankrijk teweeg trachten tebrengen. Want uiteindelijk zal niemand erbij gebaat zijn, ook Nederlandniet, dat er zo ongelofelijk veel vernietiging plaatsvindt, dat er zo veelonschuldige burgerdoden vallen en dat talloze mensen – ik geloof dikmeer dan een miljoen – zich verplaatst hebben en vertrokken zijn uit hetzuiden van Libanon. Wij zijn er ook niet bij gebaat dat er nieuwe vluchte-lingenstromen op gang komen. We willen daaraan blijven trekken enwerken. Dat zal een van de thema’s zijn van de Libanonconferentie, diedonderdag in Parijs plaatsvindt. Ik zal me erin gaan verdiepen hoe wedaar het beste aan kunnen bijdragen.Uiteindelijk hoop je dat deze verschrikkelijke oorlog ertoe leidt dat hetfragiele land Libanon zich kan ontworstelen aan de greep van Hezbollah,waardoor het de afgelopen decennia gegijzeld is gebleven. Ik sprak deLibanese Minister van Buitenlandse Zaken in New York. Die is al meer dantwee jaar demissionair en dat heeft met een heel ander soort situatie temaken dan die waarmee demissionaire kabinetten in Nederland of BelgiëTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49212 weleens te maken hebben. Er is al een hele lange tijd geen president. Datwordt telkens geblokkeerd door Hezbollah, die het land in zijn greephoudt. Je zou hopen dat we met z’n allen die situatie kunnen deblokkeren,maar dat is niet makkelijk, want uiteindelijk ligt het eigenaarschap bijLibanon zelf. We zagen in de zomer van 2020 die grote ontploffing in dehaven van Beiroet, waarna de Franse president Macron heeft getracht omde situatie daar weer vlot te trekken. Hem is het niet gelukt, maar hijopereerde misschien te veel alleen in plaats van in een collectief, wat wijzullen moeten trachten te doen.De voorzitter:Ik zie dat er geen interrupties van de commissie meer zijn. Dan verzoek iku uw beantwoording voort te zetten.Minister Veldkamp:Voorzitter. Ik denk niet dat ik nog heel veel heb toe te voegen. Op deEnhanced Forward Presence zal de Minister van Defensie ingaan, denk ik.Datzelfde geldt voor de Noordzee. Ten aanzien van ASPIDES heb ikgehoord wat de heer Olger van Dijk heeft gezegd over het belang van deinzet in de Rode Zee en de Houthi’s.Wat ik nog wel expliciet graag wil doen, is het volgende. Er is een aantalmalen gevraagd wat de visie van het kabinet op missies en operaties is.Daar willen we graag in samenhang naar kijken met de betrokkenMinisters in het kabinet. We willen dan ook graag een brief opstellen, metde originele titel Samenhangbrief, waarin we ingaan op een aantalpunten. Waar zouden we een bijdrage willen leveren? Welke missies ofoperaties zijn dat? Hoe zit dat in elkaar? Hoe kun je de schaarse middelenhet beste inzetten en tegelijkertijd je gereedheid, ook binnen hetNAVO-kader en dergelijke, op peil houden? We komen hierop dus bij uterug. We denken begin komend jaar een zogeheten Samenhangbrief opdit gebied naar de Kamer te sturen.De voorzitter:Dank voor die toezegging. Die gaan we ook noteren. Dan geef ik nu hetwoord aan de Minister van Defensie.Minister Brekelmans:Dank u wel, voorzitter. Laat ik even beginnen met het delen van devolgorde van de onderwerpen, zodat de Kamerleden hun interruptiesstrategisch kunnen inzetten. Ik begin met een korte inleiding, dan ga iknaar de oostflank, dan naar de overige vragen met betrekking tot deNAVO, dan kort naar UNIFIL, dan naar het onderwerp burgerslachtoffers –daar zijn met name door mevrouw Hirsch vragen over gesteld – en tot slotnaar de geleerde lessen en overige vragen.Ik vond het mooi om te horen dat eigenlijk alle leden hun bijdragebegonnen met het bedanken van onze militairen. Dat is zeer terecht, wantop welke missie, training of oefening onze militairen ook zijn, die gaanvaak gepaard met gevaar, soms ook met heel serieus gevaar. In iedergeval zijn mensen enige tijd weg van huis en van hun familie. In mijneerste drie maanden als Minister vond ik zelf de meest indrukwekkendemomenten wanneer ik, digitaal weliswaar, sprak met onze mensen die inLibanon, Israël, Palestijnse gebieden en Syrië zijn voor verschillendemissies en zij vertelden over wat zij dagelijks meemaken. Zij zijn natuurlijkniet actief betrokken bij de oorlogen en gevechten die daar plaatsvinden,maar ze hebben daar wel dagelijks mee te maken.Ze vertelden over raketinslagen die dicht bij hen plaatsvinden. Ze moetensoms urenlang schuilen omdat het luchtalarm afgaat terwijl er op datmoment niks gebeurt, en als het luchtalarm dan voorbij is, vindt er juisteen aanslag plaats. Daardoor weet je eigenlijk nooit zeker, ook als jebuiten loopt, of je veilig bent of dat er ieder moment iets kan gebeuren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49213 Dat gaat gepaard met stress en slaaptekort. Het zijn indrukwekkendeomstandigheden, waar mensen soms hele lange tijd in zitten. Ik noemdenet het punt dat mensen ver van huis zijn. Eén militair vertelde mij dat hijnet vader was geworden en dat hij er bewust voor had gekozen om deeerste twee jaar van zijn kind niet mee te maken, omdat hij aan eenVN-missie in Syrië deelneemt. Dat zijn grote persoonlijke opofferingen dieiemand brengt. Dat is volgens mij iets waar wij met z’n allen heel veelrespect voor moeten hebben. Ik vond het mooi om te horen dat de ledendat respect ook duidelijk uitspraken aan het begin van hun bijdragen.Dan ga ik naar de verdere inhoud. Ik sluit mij natuurlijk aan bij wat deMinister van Buitenlandse Zaken zei over de keuzes die wij maken als hetgaat om onze inzet. De aandacht en de focus liggen inderdaad meer ophoofdtaak één. We zetten vanuit ons totale militaire bestand steeds meermaterieel en personeel in op hoofdtaak één en alle voorbereidingen diedaarbij komen kijken. Tegelijkertijd is het inderdaad ook belangrijk dat wecapaciteit vrijhouden voor hoofdtaak twee en dat we ook kunnenbijdragen aan internationale missies. Ik vind zelf eigenlijk dat we in deDefensienota vrij duidelijk hebben aangegeven hoe we daarnaar kijken.Aan de ene kant ligt de focus natuurlijk primair op het beschermen vanNederland en het verdedigen van het NAVO-grondgebied. Daarnaast zijner ook regio’s rondom Europa die voor Nederland van strategisch belangzijn. Daar willen we bijdragen aan stabiliteit. Ook zijn er regio’s in dewereld, zoals de Indo-Pacific, waar we ook politieke doelstellingenhebben. Het kan bijvoorbeeld gaan om de-escalatie of om beïnvloeding.Dat is ook de manier waarop we daarnaar kijken. Primair moeten weonszelf kunnen verdedigen, maar daarnaast richten wij ons ook rondomEuropa op stabiliseren, en in de rest van de wereld op het gerichtbijdragen aan beïnvloeding in het Nederlandse belang.Vanuit de krijgsmacht beredeneerd kan ik daar nog aan toevoegenwaarom dat van belang is. Dat is om twee redenen. Een is dat het goed isvoor de getraindheid en de gereedheid van onze mensen dat ze niet alleenin het NAVO-verdragsgebied of -grondgebied oefenen en trainen. Het isgoed voor de ervaring en de gereedheid van onze krijgsmacht dat er ookdeel wordt genomen aan missies in de rest van de wereld, in andereomstandigheden met andere veiligheidsdreigingen. Dat zorg er ook voordat onze totale gereedheid op peil blijft. Het tweede is dat het goed is voorde motivatie van onze mensen. Want als mensen concreet aangeven datze al meerdere keren in Litouwen zijn geweest, vinden ze het ookinteressant en zijn ze graag bereid om een missie te doen in bijvoorbeeldIrak, Bosnië of op andere plekken. Dus ook voor de variëteit van het werken de vaardigheden die mensen opdoen, is het goed als we op verschil-lende plekken in de wereld actief zijn. Maar dat is puur vanuit de bril vande krijgsmacht bekeken. Daarvoor geldt het volgende. Ook wat betreft devraag die de heer Van Dijk stelde, sluit ik me aan bij wat de Minister vanBuitenlandse Zaken zei: we gaan uit van één verdediging van onsgrondgebied en we moeten selectief kijken naar verdere missies, gegevende beperkte capaciteit die we hebben. We moeten altijd bekijken wat hetNederlandse belang is en waar we het verschil kunnen maken. Maar ikdenk dat het goed is dat wij als nieuw kabinet neerzetten hoe we daar inzijn totaliteit naar kijken. Dat doen we inderdaad in de samenhangbrief.Dan meteen in antwoord op mevrouw Van der Wal. Die vroeg: kun je mettroepen schuiven op het moment dat de risico’s, of het gevaar, toenemen?Ja, dat is natuurlijk het geval. De NAVO vraagt dat ook. Kijkt naar hetNATO Force Model. Dat maakt ook onderscheid wat betreft wanneertroepen paraat moeten staan: dat begint met een maand, variërend tot180 dagen. Als er een bepaalde missie ergens in de wereld gaande is, kunje in een uiterst noodgeval natuurlijk nog steeds het besluit nemen dat jedie mensen binnen 90 of 180 dagen terughaalt en naar Europa brengt.Natuurlijk doe je dat liever niet en kom je je verplichtingen liever na, maarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49214 mocht het echt uit de hand lopen en mocht de dreiging aan de oostflankecht toenemen, dan kun je dat soort keuzes op dat moment natuurlijkmaken.Dat brengt mij meteen op het eerste onderwerp: de oostflank. MevrouwVan der Wal vroeg of de huidige Enhanced Forward Presence voldoendeis als het gaat om afschrikking. Op de langere termijn is het antwoord nee,in de zin dat we meer zullen moeten doen. Ik heb het ook in het vorigedebat gezegd: de NAVO definieert dat in termen van risico’s en doet datniet door zwart-wit de vraag te stellen of het wel of niet genoeg is. Maarwe zien dat de Russische dreiging toeneemt en ook op de langere termijnzal toenemen. Op het moment dat de intensiteit van de oorlog in Oekraïneaf zou nemen en Rusland in staat zou zijn om qua capaciteit meer neer tezetten aan de oostgrens van de NAVO, neemt de dreiging toe. Daarmeenemen dan ook de risico’s voor onze veiligheid toe. Als we die omlaagwillen brengen, zullen we ervoor moeten zorgen dat we meer troepenparaat hebben staan, beter in staat zijn om op korte termijn op te schalenen beter in staat zijn om vervolgens dat eventuele gevecht langer vol tehouden.Dan had NSC nog een specifieke vraag over de oostflank. Die vraag gingover het oefenterrein. In de praktijk zie je het volgende. Ook in Litouwenzijn we bezig om onze aanwezigheid uit te breiden. Wij zitten alsNederland nu op ongeveer 270 militairen. Met name Duitsland is bezig omeen meer permanente presentie in Litouwen te krijgen en het aantaltroepen uit te breiden. Heel concreet: Litouwen is een klein land. Demogelijkheden om daar te oefenen en te trainen zijn daarmee automatischbeperkt. Je zit ook al vrij snel aan de grens met Belarus, waar je natuurlijkniet te dichtbij wil komen. Wat dat betreft zijn er in Litouwen gewoongeografische beperkingen, net zoals we die in Nederland hebben. We zienwel dat Litouwen hard aan het werk is om eventuele beperkingen die erzijn rondom infrastructuur en die oefenterreinen op te lossen, zodat weonze presentie verder kunnen uitbreiden. Maar als we grootschaligerwillen oefenen en trainen, zullen we ook naar andere gebieden in Europamoeten kijken. Dan lenen landen als Duitsland en Polen zich daar quaomvang gewoon beter voor. Dat kan ook. Niet alle oefeningen die je doethoeven per se echt aan de oostflank plaats te vinden. Je kunt ze ook opandere plekken uitvoeren.Dan had NSC ook nog een vraag over air policing en de missie die wevanuit Estland gaan doen. Het is inderdaad een range: tussen de drie ende tien F-35’s. Daarvoor geldt dat de basisaanwezigheid drie stuks is, omhet zo maar uit te drukken, om de air policing uit te voeren. Er vinden daaruiteraard oefeningen plaats. Afhankelijk van de oefeningen die plaats-vinden, gaat dat aantal omhoog. Dan gaan er F-35’s naartoe om bij tedragen aan gezamenlijke oefeningen en trainingen. Het maximumaantalF-35’s dat daar op dat moment actief is, is tien.De voorzitter:Ik zie dat de heer Van Dijk nog een interruptie heeft op dit onderwerp.De heer Olger van Dijk (NSC):Misschien komt de Minister hier nog aan toe, maar mijn vervolgvraag wasals volgt. We hebben beperkte capaciteit wat betreft de inzetbaarheid vande F-35’s. Wat doet dit dan voor andere plekken in de wereld? Maar om tebeginnen: wat doet dit boven het Nederlandse grondgebied? Die dragendaar natuurlijk ook bij aan surveillance.Minister Brekelmans:Dit kunnen wij doen, anders hadden wij de toezegging richting Estlandniet gedaan. Dit is ook iets wat we in samenwerking en in afstemming metde NAVO doen. Ook de NAVO kijkt natuurlijk breder naar de landen dieF-35’s hebben als het gaat om waar we die inzetten. Hier hebben we het inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49215 het vorige debat ook over gehad: we zien dat de dreigingen in onsluchtruim toenemen, ook wat betreft Russische drones. F-35’s kunnen diedrones waarnemen. Die kunnen daar dus voor worden ingezet. Dat vindtin afstemming plaats. Wij kunnen deze drie F-35’s inzetten en hiervoorgebruiken. De oefeningen worden uiteraard gepland en zorgen ervoor datde andere taken met onze F-35’s binnen dat brede kader past. Dat watbetreft de oostflank.Ik ga naar de overige vragen rondom de NAVO. Allereerst een goedevraag van mevrouw Van der Wal over oefeningen op de Noordzee. Ervinden al oefeningen plaats door de Standing NATO Maritime Group 1, dezogenaamde SNMG 1, en de UK Carrier Strike Group in de Schotsewateren en ten dele in de Noordzee. Namens Nederland nemen wijdaaraan op dit moment deel met Zr.Ms. Van Amstel. Er vinden dus algezamenlijke oefeningen plaats. Mevrouw Van der Wal zei in haar betoogdat de dreigingen niet alleen toenemen in de Oostzee, maar ook in deNoordzee. Daar ligt onze vitale infrastructuur, dus het is goed om daaroefeningen te laten plaatsvinden. Wij zullen ervoor pleiten dat dieplaatsvinden, als daar keuzes in worden gemaakt. Dat hoeft overigens nietalleen in NAVO-verband. Het kan ook via de JEF, een door het VK geleidinitiatief waarbij oefeningen plaatsvinden. Het kan ook in bilateraal ofkleiner groepsverband met de betrokken landen. Maar goed, het vindt alplaats. Wij zullen ervoor pleiten dat er regelmatig oefeningenplaatsvinden.De voorzitter:Ik zie dat mevrouw Van der Wal een interruptie heeft.Mevrouw Van der Wal (VVD):Jazeker. De aanleiding is inderdaad onze zorg over de vitale infrastructuurin de Noordzee, en niet alleen het Nederlandse deel daarvan. We hebbenheel veel aandacht voor land, maar de kritieke infrastructuur in deNoordzee is, denk ik, net zo relevant. Hoor ik de Minister nou zeggen datdit een toezegging is? Dat scheelt straks namelijk het aanvragen van eentweeminutendebat voor een motie. Vandaar dat ik op zoek ben naar ietsmeer concreetheid. Voor mijn fractie is dit echt een belangrijk punt. Hetzou echt heel mooi zijn als zo’n grote NAVO-oefening – ik hoor de Ministerzeggen: het hoeft niet per se zo – plaats kan vinden op onze Noordzee.De voorzitter:Minister, kunt u een toezegging doen aan mevrouw Van der Wal?Minister Brekelmans:De toezegging is een inspanningsverplichting. We zijn daarover in overlegmet Noorwegen en Finland, om te bekijken wat we kunnen doen. Dielanden doen iedere drie jaar een oefening. We kunnen bekijken of datvaker in Noordzee kan plaatsvinden. Dat soort oefeningen zijn quaplanning en logistiek nogal grote operaties; dat begrijpt mevrouw Van derWal ook. Het is niet zo dat je belt en vraagt: kunnen we dit jaar nog eenoefeningetje doen? Daar gaat vaak een jarenlange planning aan vooraf.Dat is ook vanwege de planning met betrekking tot het inzetten van onzeschepen. Dan moet de puzzel precies in elkaar vallen. Ik kan niet nu aanmevrouw Van der Wal toezeggen dat we het in 2024 of 2025 gaan doen,want dat staat nog niet concreet gepland. Maar mevrouw Van der Walmag de inspanningsverplichting dat wij ervoor zullen pleiten dat we metregelmaat oefenen en dat het serieuze oefeningen moeten zijn, alstoezegging opschrijven.De voorzitter:Ik heb de inspanningsverplichting van de Minister gehoord. De griffierfluistert mij in dat het geen toezegging is, maar een inspanningsver-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49216 plichting. Die noteren we niet als toezegging. We hebben het allemaalgehoord als een inspanningsverplichting van de Minister.Mevrouw Van der Wal (VVD):Ik vind dit zo belangrijk dat ik bereid ben om er nog eens een interruptieaan te wagen. Ik heb volgens mij wel de toezegging dat de Minister eeninspanningsverplichting doet op dit punt. Dat is wat anders dan toegezegdkan worden dat het daadwerkelijk op een bepaalde datum gaat gebeuren.Daar ben ik het van harte mee eens. Dat vraag ik ook niet. Ik begrijp alsgeen ander dat het niet een kwestie is van een telefoontje in de trant van:hé, hoi, zullen we even oefenen? Ik begrijp dat het een enorme operatie ismet enorm veel voorbereidingstijd, waarbij je ook nog afhankelijk bentvan omliggende landen. Dat begrijp ik als geen ander. Maar de toezeggingom toch te bekijken of we dit kunnen organiseren, is voor mij voldoende.Ik vraag mij af hoe de Minister ernaar kijkt. Dat vraag ik om deze inter-ruptie niet helemaal voor niets in te zetten. Ik ben van mening dat ditbijdraagt aan afschrikking. Dat is voor mij eigenlijk de belangrijkste redenom hiernaar te vragen. Het is niet het oefenen om het oefenen, maar juistom de buitenwereld te laten zien, als afschrikkende werking, dat wij deNoordzee met onze kritieke infrastructuur zeer serieus nemen.Minister Brekelmans:Bij een toezegging hoort ook een deadline. Laat ik het dus wat concreterproberen te maken. In het voorjaar – ik denk in februari – vindt er weereen NAVO-ministeriële plaats. Laat ik toezeggen dat ik in de geannoteerdeagenda van die NAVO-ministeriële iets meer in detail beschrijf welkeoefeningen gepland staan en hoe ik van plan ben me daarvoor in tezetten. Dan kan ik daar iets meer woorden aan wijden. Dat dwingt ons danook om concreter te zijn en aan te geven wat wel en niet kan, en wat iktijdens die NAVO-ministeriële tegen andere landen erover zal zeggen.De voorzitter:Dit is een mooi een-tweetje tussen de Kamer en de Minister, waarbij weecht een smart doelstelling hebben neergelegd. Er is ook toegezegd datdie toezegging wordt waargemaakt in een brief of in de geannoteerdeagenda. De Minister.Minister Brekelmans:Dan ben ik op het punt om naar UNIFIL te gaan, als er geen vragen meerzijn over de NAVO of over onze collectieve verdediging. De Minister vanBuitenlandse Zaken heeft daar natuurlijk al duidelijke antwoorden opgegeven, ook breder over resolutie 1701 en de rol van de UNIFIL, dus datzal ik niet herhalen.Ik heb alleen nog de vraag van de heer Pool over onze genderadviseur.Nederland heeft in het verleden met grote aantallen deelgenomen aanUNIFIL. Nu doen we dat beperkt. Daarmee geven we wel concreetinvulling aan onze politieke steun. Je ziet dat UNIFIL is samengesteld uiteen diverse groep aan landen. In een aantal van die landen zijn deeffectiviteit en de positie van vrouwen in de krijgsmacht geen vanzelfspre-kendheid, zoals dat in Nederland wel het geval is. Als UNIFIL voor zijnmonitoring actief wil zijn, is het nogal handig om daarover contact tehebben met de hele bevolking, niet alleen met de mannelijke helft maarook met de vrouwelijke helft.Mevrouw Hirsch vroeg welke lessen we meenemen. Nou, dit is zo’n heelconcrete uit Afghanistan, namelijk dat juist het vrouwelijke deel van debevolking over heel waardevolle informatie beschikt, ook over deactiviteiten en positie van Hezbollah, bijvoorbeeld, en over anderegroeperingen die daar actief zijn. Dus effectieve vrouwen hebben in dekrijgsmacht en ervoor zorgen dat zij ook effectief opereren, is nogalbelangrijk. Dat wij daar iemand hebben die de lessen van eerdere missiesTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49217 van Nederland daar kan delen en ook kan toepassen binnen de verschil-lende krijgsmachten en verschillende culturen die daar aanwezig zijn, isdenk ik een zinvolle bijdrage. Volgens mij is dat concreet. De heer Poolsprak daar wat kritisch over. Volgens mij is dat een zinvolle bijdrage. Wezien dat daar de meest verschrikkelijke dingen plaatsvinden, dat erterroristen van Hezbollah actief zijn. Natuurlijk zal één genderadviseur nietin staat zijn om dat te veranderen, maar geen enkel individu is daartoe instaat. Ik denk dat deze individuele persoon een waardevolle bijdragelevert.De heer Pool (PVV):Een van de dingen die die genderadviseur doet, is zich bezighouden mettellen hoeveel vrouwen er zijn als er patrouille wordt gelopen. Daarmoeten ze dan een rapport over maken, dat richting de VN gaat. Zou hetniet heel nuttig zijn om daarmee te stoppen en om tunnels te gaan tellen?Hoeveel Hezbollahtunnels zijn er? Dat zijn de echte gevaren in dat gebied.Hoeveel vrouwen er zijn, dat is allemaal leuk en aardig, maar we zittendaar in een oorlogssituatie. Israël vecht voor zijn bestaansrecht tegenHezbollah. Als je dan aankomt met dit soort flauwekul, helpen we tochecht niet bij de bestrijding van Hezbollah?Minister Brekelmans:Ik weet niet of de heer Pool het interview heeft gezien met onze genderad-viseur daar, dat bij de NOS op tv was. Als je haar hebt gezien en ook ziethoe krachtig zij is en overkomt, dan weet je, denk ik, dat je het werk dat zijdoet in dat gebied sowieso niet moet afdoen als flauwekul, gewoon ookuit respect voor de omstandigheden waar zij in zit en voor het werk dat zijdaar doet. We kunnen het een beetje ridiculiseren, maar het gaat niet omlijstjes maken of vrouwen tellen. Je wilt contact maken met de vrouwelijkebevolking daar, omdat zij misschien ook informatie hebben over waar deterroristen van Hezbollah zich bevinden. De heer Pool sprak bijvoorbeeldook over tunnels. Als je daar meer informatie over wilt krijgen door ook incontact te treden met de lokale bevolking – ik herhaal mezelf – is het nogalhandig als je daar ook effectief omgaat met vrouwen. Als je dat wilt doen,kan het ook nuttig zijn om te weten wanneer vrouwen buiten komen. Waarbevinden zij zich? Wat zijn dan de mogelijkheden om op een niet al tebedreigende manier in contact te treden? Die gedachte zit erachter.Het gaat niet om vrouwen tellen of lijstjes maken of dat soort dingen.Laten we dat niet ridiculiseren. Binnen het totaal van 12.000 militairen diedaar zitten, heeft dit individu een specifieke taak. Ik denk dat we het doeldelen, namelijk ervoor zorgen dat terrorisme wordt bestreden en geenvoet aan de grond krijgt. We moeten heel specifiek kijken welke bijdrageUNIFIL daaraan levert. Het is niet terrorismebestrijding, maar hetmonitoren van de situatie daar. De informatie die vrouwen hebben, speeltdaar een rol in. Vrouwen maken, zeker in een land als Libanon, vaakeffectiever contact met vrouwen dan mannen. Daar speelt deze persooneen rol in, om daarin te adviseren. Volgens mij is dat een waardevollebijdrage.De voorzitter:De derde interruptie van de heer Pool.De heer Pool (PVV):Dan verschillen we daarover van mening, maar dat is niet erg. Losdaarvan hebben wij alle lof voor de persoonlijke inzet van de genderad-viseur, die daar gewoon haar werk doet. We zetten alleen vraagtekens bijhet nut van die werkzaamheden. Dat is ook waarom we hier vandaag ditdebat voeren. Mijn concrete vervolgvraag aan de Minister is als volgt. DeMinister benadrukt het belang hiervan, maar moet hij niet ook constaterendat dit eigenlijk geen effect heeft gehad? Die missie is een hopelozeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49218 mislukking geworden. Israël heeft zelf terecht ingegrepen, maar alleenomdat Hezbollah daar vrij spel heeft gehad doordat wij bezig zijn geweestmet hele andere prioriteiten dan het voorkomen van terroristischeaanvallen op Israël. Is hij het daarmee eens?Minister Brekelmans:Laat ik beginnen met de heer Pool te bedanken voor de nuancerendewoorden die hij aan het begin uitsprak. We voeren hier inderdaad eendebat over de vraag met welke politieke opdracht, met welk mandaat enmet welke focus we onze mensen op pad sturen. Daar hebben we nu eendebat over en dat is natuurlijk helemaal prima. Daarover mag de heerPool met mij van mening verschillen; dat is geen enkel probleem.Ik sluit me aan bij de woorden van de Minister van Buitenlandse Zakenhierover. Je kunt volgens mij niet zeggen dat UNIFIL heeft gefaald, wantUNIFIL heeft niet als mandaat of taak om terrorisme te bestrijden, zoalssommige militaire missies in het verleden wel hadden. Het is niet zo datmilitairen die onder de vlag van UNIFIL functioneren, gewapenderhandhet mandaat hebben om Hezbollah-terroristen uit te schakelen. Volgensmij kun je dit dus niet aan UNIFIL toerekenen. Er is wel een VN-resolutiedie eraan had moeten bijdragen dat terroristen, zoals Hezbollah, daar nietaan de macht hadden kunnen komen om zo een bedreiging te vormenvoor Israël. De internationale gemeenschap en de betrokken partijen zijndaar in de eerste plaats niet in geslaagd. Dat kunnen we inderdaad metelkaar constateren.De voorzitter:Meneer Pool, dit is uw vierde en laatste interruptie.De heer Pool (PVV):Mijn laatste vraag aan de Minister van Defensie is hoe hij de toekomstvoor zich ziet van deze VN-missie, waar wij met één genderadviseur aandeelnemen. We moeten nu constateren dat de missie daar is mislukt.Israël moet hard optreden om Hezbollah aan te pakken. Loopt die missiehun niet gewoon in de weg? Wat is de toekomst van deze missie?Minister Brekelmans:Dat is een hele goede vraag, maar in alle eerlijkheid denk ik dat het op ditmoment nog iets te vroeg is om die te kunnen beantwoorden. Wij zettenons ervoor in dat er zo snel mogelijk een staakt-het-vuren komt. Wij willendat er een situatie komt waarin er in dat gebied geen terroristischedreiging meer is vanuit Hezbollah richting Israël, zodat de 80.000 mensendie uit hun huizen moesten vertrekken, weer veilig kunnen terugkeren. Ikkan me voorstellen dat daar een internationale presentie voor nodig is.Dat zou onder VN-vlag kunnen, met een bepaalde missie die misschieneen andere opdracht en een ander mandaat heeft. Maar dat is allemaalspeculeren. U hoort drie keer «als-dan» in mijn zin. Volgens mij is het daarop dit moment nog te vroeg voor, zowel gegeven de situatie op de grondals gegeven het feit dat er diplomatiek gezien nu geen eenduidigeopvatting is over hoe UNIFIL eruit zou moeten zien of wat voor interna-tionale aanwezigheid gewenst is. Ik probeer eigenlijk kort te zeggen: als ikdaar nu een antwoord op geef, dan speculeer ik en daar is het op ditmoment nog iets te vroeg voor.De voorzitter:Kan de Minister zijn beantwoording voortzetten?Minister Brekelmans:Ja. Daarmee rond ik het onderwerp UNIFIL af.Dan ga ik richting het onderwerp burgerslachtoffers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49219 De voorzitter:Ik zie dat er toch nog een interruptie is over het vorige onderwerp: UNIFIL.Mevrouw Hirsch (GroenLinks-PvdA):Ja, ik heb er nog twee. Ten eerste dank voor uw woorden over devrouwen die dienen in deze missies. Zij is ook de vertrouwenspersoonvoor andere vrouwen in missies en dat is minstens zo relevant, wantvrouwen hebben in deze situaties natuurlijk hele andere uitdagingen danmannen. Ik denk dat we daar volledig voor moeten staan.Maar mijn vraag is als volgt. We hebben het net gehad over die eneNederlander die in de UNIFIL-missie zit, maar er zitten nog meer Neder-landers in andere missies, onder andere in de Westelijke Jordaanoever.Daar nemen de spanningen natuurlijk ook toe. Mijn vraag is: wat doen wein het algemeen voor de Nederlanders die deelnemen aan missies in ditgebied, niet alleen om hun veiligheid te waarborgen maar ook die van deandere mensen in deze missies?Minister Brekelmans:Bij aanwezigheid onder VN-vlag is het in eerste instantie aan de VN-missieom ervoor te zorgen dat de randvoorwaarden er zijn, ook wat betreftveiligheid. Concreet staan wij natuurlijk in nauw contact met onze mensendaar en spreken we ook met hen over hoe de situatie daar is. Op hetmoment dat wij daar zorgen over hebben, oefenen wij diplomatieke drukuit op de betrokken partijen om ervoor te zorgen dat zij de regels die wemet elkaar hebben afgesproken niet schenden en er geen onverantwoordeveiligheidsrisico’s worden genomen.Natuurlijk maak je steeds de afweging of het verstandig is om daar teblijven. Zowel bij onze mensen daar als op internationaal diplomatiekniveau is het op dit moment heel duidelijk de conclusie dat het belangrijkis om daar te blijven, dat we met onze aanwezigheid laten zien dat wij onswillen inzetten voor een normalisatie en een staakt-het-vuren, en dat hetde situatie waarschijnlijk nog onveiliger zou maken als we daar wegzouden gaan. Dat zou juist het pad de verkeerde kant op zijn. Toen ik zelfsprak met onze mensen daar, gaven zij aan dat zij het zelf ook belangrijkvinden om daar te zijn en dat zij dat diplomatieke slash politieke besluitheel goed begrijpen.Dan ga ik naar het onderwerp burgerslachtoffers. Mevrouw Hirsch vroegwat de status is van de onderzoeken die lopen. Er zijn op dit moment tweeonderzoeken die gaan over Mosul in Irak. Daar vindt op dit moment nogintern onderzoek plaats. Dat onderzoek bevindt zich in de afrondende fase.We verwachten dat we daar dit jaar meer over kunnen communiceren.Daar wordt natuurlijk ook in vermeld hoe we dat onderzoek hebbenuitgevoerd. Het is alleen wel zo dat daarover ook afstemming moetplaatsvinden met onze partners, want het betreft niet alleen de Neder-landse inzet. Dat kan ervoor zorgen dat het langer duurt voordat datonderzoek definitief is. Ik verwacht en hoop dat we dat onderzoek dit jaarkunnen delen. Maar goed, als het wat langer duurt vanuit een van onzepartners, zou het iets langer kunnen duren.Daarnaast is er nog het externe onderzoek naar Hawija van de commissie-Sorgdrager. Dat is misschien het derde waar mevrouw Hirsch op doelt. Decommissie-Sorgdrager is een onafhankelijke commissie, zoals mevrouwHirsch weet. Het is echt aan die commissie om te bepalen wanneer zijvindt dat zij klaar is om haar rapport te publiceren. Daar oefen ik alsMinister geen invloed op uit. Dat is maar goed ook, denk ik.Dan de vraag over de gebruikte onderzoeksmethode. Op het moment dathet onderzoek gepubliceerd wordt, wordt daarin uiteraard ook toegelichtwelke onderzoeksmethode daarvoor is gebruikt.Dan de vraag over het instellen van het meldpunt. Dat wordt dit jaaropengesteld. Dat maken we digitaal, online, bekent. Daarnaast wordenrelevante ngo’s die een belangrijke rol spelen, daarvoor direct benaderd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49220 Dat meldpunt moet uiteraard makkelijk toegankelijk zijn, op een gebruiks-vriendelijke manier. Het is in eerste instantie in het Engels en komt daarnaook in het Nederlands beschikbaar. Als Nederland optreedt in coalitie-verband, proberen we inderdaad, zoals mevrouw Hirsch zei, om datmeldpunt in coalitieverband op te stellen. Dat is natuurlijk makkelijker danwanneer er drie, vier of meer meldpunten zijn. Mocht een coalitie daarniet toe besluiten, dan zorgen wij als Nederland dat er een manier is omtoch een melding te doen.Welke criteria hanteert Defensie om te bepalen of een meldingbetrouwbaar is? Ik kan niet zeggen: er zijn een x-aantal criteria, die lopenwe af en daaruit volgt of iets betrouwbaar of onbetrouwbaar is. Op hetmoment dat iemand zich meldt met een serieuze melding, dan proberenwe persoonlijk met diegene in contact te treden om te bepalen of het eenbetrouwbare melding is. Als er bronnen worden aangedragen, kijken wenatuurlijk hoe betrouwbaar die bronnen zijn. Het liefst krijgen we dat oppapier of digitaal, zodat we dat kunnen verifiëren en kunnen controlerenhoe betrouwbaar dat is. Daar wordt echt op een individuele basis naargekeken. Ik kan dus niet zeggen: aan deze zes of zeven criteria moet datvoldoen.Tot slot werd gevraagd of ik bereid ben om jaarlijks te rapporteren overhet meldpunt. Het antwoord daarop is: ja.Dit was het onderwerp burgerslachtoffers.De voorzitter:Mevrouw Hirsch, dit is uw laatste interruptie.Mevrouw Hirsch (GroenLinks-PvdA):Ik heb een hele praktische vraag. U gaf aan dat de informatie over hetmeldpunt wordt gedeeld in het Engels en in het Nederlands. Is er eenreden waarom dat niet ook in de lokale talen gebeurt?Minister Brekelmans:We beginnen in het Engels en daarna stellen we het ook in het Nederlandsbeschikbaar. Op termijn stellen we de informatie ook in andere talenbeschikbaar, afhankelijk van de missie waar het om gaat. Veel van dengo’s die melding doen, zijn natuurlijk Engelstalig, dus dan is het handigom Engelstalig te beginnen. Maar we zullen ervoor zorgen dat het ook zosnel mogelijk in het Nederlands en, indien relevant, in andere talenbeschikbaar komt.Dan ga ik naar de categorie geleerde lessen en overig. Hoe wordengeleerde lessen omgezet in beleidsveranderingen? Dat is nogal eenmetavraag. Volgens mij zijn er twee niveaus. Op operationeel niveau lerenwe van hoe dingen praktisch zijn gegaan bij bepaalde missies. Dieoperationele lessen worden natuurlijk vastgesteld en meegenomen voortoekomstige missies. Daarnaast zijn er ook lessen op meer politiek-strategisch niveau. Daarom vinden er ook evaluaties plaats, bijvoorbeelddoor de IOB van Buitenlandse Zaken. Die lessen worden aan de hand vande evaluaties opgesteld en die proberen we dan zo goed mogelijk mee tenemen voor toekomstige missies.Als Kamerlid heb ik bijvoorbeeld in alle artikel 100-debatten die wehebben gevoerd heel erg gemerkt dat een van de lessen die we uit hetverleden meenemen, is: wees nou realistisch over wat je met de missiekunt bereiken, zodat je niet te hoge verwachtingen schept, waardoor jeeigenlijk al je eigen teleurstelling creëert. Dat stelt ons als kabinet als weeen voorstel doen voor een artikel 100-missie, maar ook de Kamer als datbesluit uiteindelijk genomen wordt, in staat om een realistische afwegingte maken: vinden we de potentiële voordelen en opbrengst opwegentegen de risico’s die er worden gelopen? Volgens mij is dat zo’n meta-lesdie we de afgelopen jaren hebben geleerd en die we ook consistentproberen toe te passen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49221 Dan nog een aantal overige vragen. Er was nog een vraag van de heerVan Dijk. Daar heb ik eigenlijk in het begin al iets over gezegd. Hij vroeg:wat als het niet lukt om 9.000 militairen te werven in 2030? Als het nietlukt om aan onze wervingsdoelstellingen te voldoen – niet alleen dewerving is belangrijk, maar natuurlijk ook het behoud – dan beperkt datonze capaciteit en onze capaciteit om missies te doen. Vandaar dat wij ergroot belang aan hechten om wel aan alle ambities te voldoen als het gaatom het werven en behouden van voldoende personeel. Daar heeft ugisteren urenlang met mijn collega, de Staatssecretaris, over gesproken.Ik heb hier nog een vraag over Bosnië, maar volgens mij heeft de Ministervan Buitenlandse Zaken die uitvoerig beantwoord.Ik heb geen overige vragen meer.De voorzitter:Dan dank ik de Minister voor de beantwoording van de vragen vanuit decommissie. Dan gaan we naar de tweede termijn van de commissie. Uheeft allemaal anderhalve minuut spreektijd. Ik geef als eerste het woordaan de heer Pool.De heer Pool (PVV):Dank u wel, voorzitter. Hartelijk dank aan de bewindspersonen voor hetgevoerde debat. Dat was hartstikke verhelderend. In deze laatste termijnzou ik nog willen zeggen dat we onze militairen op missie succes wensenen dat we hun een behouden thuisreis wensen wanneer het zover is.Ik dank u hartelijk, voorzitter.De voorzitter:Dank. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van der Wal.Mevrouw Van der Wal (VVD):Voorzitter. Daar sluit ik me natuurlijk bij aan. Dank voor de zorgvuldige enuitvoerige beantwoording. Ik kijk uit naar de geannoteerde agenda voorde NAVO-ministeriële in februari. Daar ben ik blij mee. Ik ben ook blij metde brief die, als ik het goed heb begrepen, gaat komen ten aanzien van desamenhang in alle missies.Dank.De voorzitter:Dank. Dan geef ik het woord aan de heer Olger van Dijk.De heer Olger van Dijk (NSC):Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij en mijn fractie dank voor deuitgebreide beantwoording. Er is veel beantwoord. Naar mijn idee is erook een enkel ding blijven liggen.Ik ben in ieder geval heel blij met de visie op de samenhang van missies,waar ik in de eerste termijn zelf om had gevraagd. Ik heb de indruk – dat isnog een vervolgvraag – dat daarin ook wordt ingegaan op hoe deafweging van de verschillende belangen tot stand zou kunnen komen. Ikhoorde de Minister in ieder geval zeggen dat het in eerste instantie om delandsverdediging gaan. We hebben een EU-belang, maar we hebben ookbelangen in het buitenland. Dat roept bij mij de vraag op hoe, mocht datooit aan de orde komen, je bijvoorbeeld een stabiliserende missie inZuid-Sudan of Darfur weegt; ik noem maar een voorbeeld. Misschien kandaar nog iets over worden gezegd. Misschien is dat ook iets voor in debrief. Er werd wel gesproken over andere veiligheidsdreigingen.Ik had nog een vraag over ASPIDES. Kan de Minister aangeven in welkevorm Nederland kan blijven bijdragen? Hier is juist een duidelijk Neder-lands belang aan de orde als zeevarende natie die we zijn. Vanuit NSCzien we ook het belang om daaraan te blijven bijdragen. Ook vraag ik of erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49222 onderzoek kan worden gedaan om die inzet eventueel uit te breiden. Daarzou ik graag nog een reactie op willen hebben.Ten slotte ben ik ook blij met de reactie van Minister Brekelmans op devraag hoe we omgaan met de lessons learned op de twee niveaus die erzijn.Misschien toch nog even concreet naar aanleiding van het voorbeeld inLitouwen...De voorzitter:Wilt u proberen af te ronden? U bent echt door uw anderhalve minuut.De heer Olger van Dijk (NSC):Mijn laatste vraag is in hoeverre we in het vervolg bij missies structurelernaar juist dit element van trainingsmogelijkheden kijken.Dank u wel.De voorzitter:Dank. Dan gaan we over naar mevrouw Hirsch.Mevrouw Hirsch (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Ten eerste dank voor de warme woorden van deheer Brekelmans en de persoonlijke verhalen van Nederlanders die in ditsoort gebieden werken. Ik herken die heel erg, ook vanuit alle hulporgani-saties die ik regelmatig spreek. Ik ben daarom blij dat die samenhangbriefer komt. Het gaat natuurlijk over meerdere ministeries en een aantal vandie ministeries kampen met grote bezuinigingsopgaven. Ik ben benieuwdhoe daarmee wordt omgegaan en welke lessen uit het verleden we gaanterugzien, want die hingen samen met coherentie in de visie.Als laatste toch een observatie over de opmerkingen van MinisterVeldkamp over UNIFIL. Ik vind het enigszins verbazend dat Nederland zijndiplomatieke inzet afmeet aan zijn eigen bijdrage aan UNIFIL. Wat mijnfractie betreft is dit echt een principiële zaak. Er wordt hier een VN-missieonder druk gezet en het internationaal recht wordt geschonden. Wij hopenecht dat Nederland niet minder inzet zal tonen omdat onze bijdragemisschien in uw ogen kleiner is dan die van bijvoorbeeld Italië. Het gaathier om een hele principiële zaak. Ik hoop echt dat het tot een concretereinzet komt naast de verklaring en de gesprekken.Dank u wel.De voorzitter:Dank aan mevrouw Hirsch voor haar inbreng. Dan kijk ik rechts van mijnaar de bewindspersonen. Ik geef de heer Veldkamp, de Minister vanBuitenlandse Zaken, het woord.Minister Veldkamp:Hartelijk dank, voorzitter. Naar aanleiding van de opmerking van mevrouwHirsch over UNIFIL. Het is natuurlijk een principiële zaak. Daarom hebbenwe, ongeacht wat precies onze bijdrage is, heel snel steun kunnen gevenaan zo’n verklaring binnen VN-kader van de troepen leverende landen,een verklaring van de EU, een verklaring die de Ministers van Defensiehebben laten uitgaan, en ook bilateraal contact opgenomen. We zettenons in en we maken dat ook duidelijk, maar ik wil wel graag op deconferentie in Parijs samen met andere, grote troepenleveranciers kijkenwelke concrete ideeën zij het meest slagvaardig achten wat dit betreft.Ik hoor de belangstelling van de heer Olger van Dijk voor EU ASPIDES eneerder ook voor EUFOR. In de voortgangsrapportage aan de TweedeKamer geïnformeerd hebben we u dat we een nieuwe bijdrage onder-zoeken. Wij komen in de samenhangbrief later terug op de methodiek diewe willen afwegen. Hoe wegen we af hoe we willen bijdragen aanstabiliteit, ook elders buiten het NAVO-verdragsgebied? U noemt Afrika.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49223 Mochten er tussentijds specifieke bijdragen her en der aan de orde zijn,dan komen we daar natuurlijk afzonderlijk langs de gebaande paden opterug bij de Kamer.Tot slot wat mij betreft. Ik vind het heel fijn dat ieder Kamerlid demilitairen en degenen die op missie zijn bedankt. Ook wat mij betreft dankaan de militairen. Ik betrek ook het civiel missiepersoneel, diplomaten,politiepersoneel en civiele experts, daarbij. Die zijn misschien iets minderin getal, maar ik heb zelf uit eigen ervaring gemerkt dat al deze catego-rieën ongelofelijk gemotiveerde mensen zijn. Ze zijn intrinsiek gemoti-veerd om vaak onder niet makkelijke omstandigheden – laat ik heteufemistisch zeggen – hun inzet te plegen en hun werk te doen, hoeveelwe daar met z’n allen ook uit ophalen wat die inzet is.Dank u, voorzitter.De voorzitter:Dank aan de Minister. Ik zie dat de heer Olger van Dijk nog een vraag heeftrichting de Minister.De heer Olger van Dijk (NSC):Bij het laatste kan ik me natuurlijk alleen maar van harte aansluitennamens mijn fractie. Ik had toch nog een verduidelijkende vraag. Ik had inde brief inderdaad gelezen dat al wordt gekeken naar eventueleverlenging van EUFOR, maar mijn vraag was echt op ASPIDES gericht. DeHouthi’s houden niet op, zal ik maar zeggen, met die geweldsescalatie.Mijn vraag is om ook daarvoor specifiek te bekijken of de inzet weer kanworden uitgebreid. Graag nog een reactie op dat punt.Minister Veldkamp:Ik laat dat even aan de Minister van Defensie. U weet dat we in Larissabijdragen aan ASPIDES, OPG, OPA, de hele afkortingensoep van missiesin de Rode Zee. Daar dragen we ook aan bij, maar voor de rest laat ik hetgraag even aan de Minister van Defensie.De voorzitter:De Minister van Defensie.Minister Brekelmans:Dank, voorzitter. In de brief komen we uitgebreider terug op de belangen-afweging. Maar meer in algemene zin kijk je volgens mij altijd wat deNederlandse belangen zijn. Het kan bijvoorbeeld gaan om veiligheid zoalswe eerder ook missies hebben gedaan om terrorisme tegen te gaan. Hetkan gaan om het voorkomen van migratie. Het kan gaan om handels-stromen, maar het kan ook gaan om de internationale rechtsorde. Hetbegint met de vraag aan welk belang we willen bijdragen. Vervolgens kijkje natuurlijk ook waar je als Nederland het verschil kunt maken of eeneffectieve bijdrage aan die doelstellingen kunt leveren. Je kijkt ook naarwat het voor de krijgsmacht betekent als je daar actief bent. Kunnen wedat dragen, gegeven alle bredere verplichtingen die we hebben? Wijvinden natuurlijk ook een relevante overweging wat het betekent als hetgaat om je internationale samenwerking en verplichtingen die je bentaangegaan. Als Nederland zitten we bijvoorbeeld al een behoorlijke tijd inIrak met verschillende vormen van aanwezigheid, ook in de NAVO-missiewaar we aan deelnemen. Als wij nu als Nederland ineens zouden zeggendat we daarmee stoppen, dan kan dat natuurlijk tot vragen leiden vanonze partners, van de Amerikanen en van anderen. Dat wil niet zeggen datje dat tot in de oneindigheid moet doen, maar je moet wel meewegen wathet betekent voor je internationale samenwerking.Tot slot. Kies je bijvoorbeeld voor drie missies waar je een grote bijdrageaan levert of tien met een kleine bijdrage? Dat is volgens mij eenafweging. Als je met wat meer mensen actief bent, dan kun je meer effectTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49224 bereiken. Maar als je op verschillende plekken zit, dan doe je daar ookinformatie op en kun je daar ook bijdragen aan beïnvloeding. Als je kijktnaar de verschillende plekken – de Minister van Buitenlandse Zakennoemde dat «theaters» – die van geopolitiek belang zijn voor Nederland,dan loopt dat uiteen van West-Afrika tot het Midden-Oosten, en dan heb ikhet alleen maar over de ring rondom Europa. Misschien kies je voor eenkleine presentie op verschillende plekken vanwege de informatie die weopdoen en de invloed die we daar kunnen uitoefenen. Dat is ook eenafweging. We proberen al dit soort zaken in samenhang bij elkaar tebrengen. Wellicht vergeet ik er nog een of twee, maar volgens mij zijn ditrelevante overwegingen om daarin mee te nemen.Laten we daar dan ook specifiek in meenemen hoe we kijken naarASPIDES. Volgens mij kun je in algemene zin zeggen dat stabiliteit in dieregio, de Rode Zee, van belang is voor Nederland. We hebben eerder eenbijdrage geleverd aan ASPIDES, maar ook aan Operation ProsperityGuardian. Het hangt er wat mij betreft ook van af wat voor type schipbeschikbaar is. Een luchtverdedigings- en commandofregat, wat wijeerder hebben ingezet, past meer bij Operation Prosperity Guardian,terwijl je voor ASPIDES wat makkelijker andere typen schepen kaninzetten als het gaat om het begeleiden van schepen of de Karel Doormanals het gaat om de tank- en bevoorradingscapaciteit. Volgens mij moetenwe inderdaad kijken: welke doelstelling willen we daar bereiken, welk typeschepen, welke fregatten hebben we beschikbaar en hoe past dat in hettotale plaatje waar we ons voor willen inzetten? Laten we daar in desamenhangbrief verder op terug komen.Tot slot een vraag over de trainingsmogelijkheden. Nogmaals, je ziet datwe zijn begonnen met een presentie in Litouwen en dat die steeds verdertoeneemt, omdat we tot de conclusie komen dat de dreiging toeneemt.Daarom willen we daar samen met Duitsland meer militairen aanwezighebben en willen we in groter verband trainen. Dat leidt ertoe dat we nutegen de beperkingen aanlopen van de geografische capaciteit enfaciliteiten die er in Litouwen zijn. Ik zou niet de woorden van de heer VanDijk willen gebruiken dat er sprake is van een inschattingsfout. We zijndaar begonnen. We zijn nu aan het uitbreiden en we lopen ertegen aandat de jas nu te krap wordt. We gaan nu dus kijken hoe we in Litouwen defaciliteiten kunnen verbeteren – dat is primair aan Litouwen – en hoe weervoor kunnen zorgen dat we geschikte trainingslocaties hebben om ookin groter verband te kunnen oefenen en te trainen. Daar kijken wedoorlopend naar. Dat vraagstuk van waar we trainen in groter verband zalgegeven de uitbreidingen die we moeten doen voor onze collectieveverdediging, alleen maar relevanter worden.De voorzitter:Dank. Dan zijn er twee toezeggingen gedaan aan de commissie. Die ga ikeven voorlezen, om ook bevestigd te krijgen dat dit inderdaad is wat wemet elkaar hebben afgesproken.–De Minister van Buitenlandse Zaken zegt toe aan de commissie omeen zogeheten samenhangbrief op te stellen over de visie van hetkabinet op de samenhang van missies, te ontvangen in het eerstekwartaal van 2025.Ik zie geknik bij de Minister.De heer Olger van Dijk (NSC):Ik ben blij met de toezegging. ASPIDES wordt daar dus ook in meege-nomen, begrijp ik? Het is goed om dat even te memoreren. Dank.De voorzitter:Ja, de samenhang van alle missies wordt daarin meegenomen.–De tweede toezegging: de Minister van Defensie zegt toe aan mevrouwVan der Wal om in de geannoteerde agenda van de NAVO-ministeriëleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49225 in februari 2025 in te gaan op de inzet van Nederland voor eenmogelijke NAVO-oefening op de Noordzee.Ik zie de Minister knikken. Dit zijn de twee toezeggingen, die bevestigdworden door de Ministers.Dan dank ik hierbij de bewindspersonen, samen met hun begeleiding. Ookdank aan de Kamerleden voor hun inbreng. Dank aan de bode en degriffie voor hun inzet.Sluiting 19.01 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49226
Gerelateerde bronnen
- Voortgang en Evaluatie missies
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 22 oktober 2024, over voortgang en Evaluatie missies
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.