Verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026 (Kamerstuk 32317-995)
Brontekst
Versie 18458b8750185a21 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 317JBZ-RaadNr. 999 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 4 maart 2026 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Justitieen Veiligheid over de volgende brieven geannoteerde agenda van deformele JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 995);antwoorden op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda vande informele JBZ-Raad van 22–23 januari 2026 (Kamerstuk 32 317-989)(Kamerstuk 32 317, nr. 991); verslag formele JBZ-Raad van 8 en9 december 2025 (Kamerstuk 32 317, nr. 987); verslag informele JBZ Raad22–23 januari 2026 (Kamerstuk 32 317, nr. 994); fiche: MededelingEuropese strategie justitiële opleiding 2025–2030 (Kamerstuk 22 112,nr. 4237); verlenging interim-derogatie van de EU-privacyregels om onlinekindermisbruik te bestrijden (Kamerstuk 32 317, nr. 993); fiche:Mededeling DigitalJustice@2030 (Kamerstuk 22 112, nr. 4236); fiche:Mededeling over het EU actieplan tegen drugshandel (Kamerstuk 22 112,nr. 4243); fiche: EU-drugsstrategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4246); fiche:Herziening precursorenwetgeving (Kamerstuk 22 112, nr. 4264).De vragen en opmerkingen zijn op 2 maart 2026 aan de Minister enStaatssecretaris van Justitie en Veiligheid voorgelegd. Bij brief van4 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,EllianAdjunct-griffier van de commissie,Paauwe kst-32317-999ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 9991 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie vande bewindspersoon2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie13Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie15Vragen en opmerkingen van de leden van de GroepMarkuszower17 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieEU-AnticorruptierichtlijnDe leden van de D66-fractie constateren dat de Raad en het EuropeesParlement een akkoord hebben bereikt over de Europese Anticorruptie-richtlijn en dat deze naar verwachting op korte termijn zal wordenaangenomen. Nederland zal daaropvolgend tot de zomer van 2028 tijdkrijgen voor het implementeren van de Richtlijn, waaronder de strafbaar-stelling van handelen in invloed. Deze leden vragen de Minister inhoeverre de regering voorbereidende maatregelen treft in aanloop naarimplementatie van de Richtlijn en welke stappen daar tot dusver in zijngezet. Daarbij vragen deze leden de Minister expliciet in te gaan op devoorbereiding van de strafbaarstelling van handelen in invloed.Antwoord:Op dit moment wordt door de juristen-linguïsten van de Raad, deEuropese Commissie (hierna: Commissie) en het EuropeesParlement gewerkt aan het finaliseren van de Engelse tekst vande Richtlijn en vervolgens de vertaling daarvan naar de overigelandstalen. Nederland is actief betrokken bij deze afrondendewerkzaamheden voor het tot stand komen van de Richtlijn.Nationaal is op ambtelijk niveau reeds gestart met de voorbe-reiding voor het implementatietraject waarbij ook zal wordenbekeken of eventuele wetswijzigingen noodzakelijk zijn. In dezevoorbereidende fase is er nog geen duidelijkheid over de wijzevan implementatie van specifieke onderdelen van de nog aan tenemen Richtlijn. Nadat de Richtlijn is aangenomen, zal voort-varend een begin worden gemaakt met de implementatie.Voorts merken de leden van de D66-fractie op dat de Anticorruptierichtlijnnaast verplichte ook diverse optionele bepalingen bevat op het terrein vanpreventieve maatregelen, zoals aanvullende transparantieverplichtingen,integriteitsbeleid en institutionele waarborgen. Deze leden vragen deMinister uiteen te zetten of hij voornemens is deze optionele bepalingente implementeren en welke afwegingen daarbij doorslaggevend zijn.Tevens vragen deze leden of de Minister bereid is in de Raad nadrukkelijkaandacht te vragen voor het belang van een zo breed mogelijketoepassing van preventieve maatregelen door de lidstaten.Antwoord:Omdat de implementatie van de Richtlijn nog moet starten, kanniet met zekerheid worden gesproken over het al dan nietimplementeren van optionele bepalingen. Voor wat betreft deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 9992 preventieve bepalingen, geldt dat de Minister van Justitie enVeiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties, van mening zijn dat voorkomen van corruptie beter isdan het genezen daarvan. Preventieve maatregelen staan dan ookcentraal als één van de vier pijlers van de nationale aanpak vancorruptie. In dat kader zullen ook de niet-verplichte preventieveonderdelen van de voorgenomen Richtlijn worden overwogen. Deoptionele bepalingen in de Richtlijn bieden de mogelijkheid omde nationale context te betrekken bij de mogelijk te nemenmaatregelen. Nederland kent bijvoorbeeld een preventiefintegriteitsbeleid dat in zekere mate is toegespitst op de contexten de risico’s van de specifieke doelgroep. Een one-size-fits-allaanpak is niet wenselijk. Nederland zal derhalve geen nadrukleggen op een zo breed mogelijke toepassing maar zet zich wel invoor een zo effectief mogelijke toepassing. Overigens staattijdens aankomende JBZ-Raad deze Richtlijn niet op de agenda.De leden van de D66-fractie zijn zich ervan bewust dat verschillendelidstaten reeds verdergaande anticorruptiemaatregelen kennen danNederland. Zo is Nederland, met het implementeren van de Richtlijn, hetlaatste EU-land dat handelen in invloed strafbaar zal stellen. Deze ledenvragen dan ook of de Minister bereid is in de Raad actief best practices opte halen bij andere EU-lidstaten met betrekking tot het tegengaan vancorruptie en handelen in invloed, zodat deze tijdig en zorgvuldig kunnenworden betrokken bij de Nederlandse implementatie.Antwoord:Nederland is altijd bereid om bij andere landen best practices opte halen met betrekking tot het tegengaan van corruptie en doetdat ook. Zo neemt Nederland bijvoorbeeld deel aan het EUNetwerk tegen corruptie, woont zij vergaderingen bij van deImplementation Review Group van het VN-verdrag tegencorruptie en is zij actief betrokken bij de Anti-omkopings-werkgroep van de OESO. In al deze gremia worden actiefervaringen en best practices gedeeld die Nederland meeneemt bijde ontwikkeling van haar eigen corruptieaanpak.Wat de huidige Nederlandse wetgeving betreft, is juist dat ergeen afzonderlijke bepaling bestaat waarin specifiek ongeoor-loofde beïnvloeding strafbaar is gesteld. Dat wil echter nietzeggen dat het onrechtmatig bevoordelen van partijen nietbestraft kan worden, gelet op de ruime omkopingsbepalingen diehet Nederlandse strafrecht kent. Zie hiervoor ook het antwoordop de Kamervragen van het lid Van Nispen van februari 2025 opdit onderwerp.1Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat de stelling datNederland het laatste EU-land is dat handel in invloed strafbaarmoet stellen, moet worden genuanceerd. Het kabinet is bekendmet de uitspraak van de Commissie dat 23 van de 25 Europeselidstaten in mei 2023 ongeoorloofde beïnvloeding (of: handel ininvloed) separaat strafbaar hebben gesteld. De Commissiemaakte hierbij echter de belangrijke kanttekening dat dedefinities van deze strafbaarstelling soms sterk afwijken van dedefinitie zoals gehanteerd in artikel 18 van het Verdrag van deVerenigde Naties tegen Corruptie en dat sommige lidstaten de1Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1472.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 9993 strafbaarstelling slechts gedeeltelijk hebben overgenomen in hunnationale wetgeving.2Tot slot hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van het feitdat er nog extra kansen liggen om het anticorruptiekader verder teversterken. Zo noemt Transparency International ruimte om de regelsbetreft bedrijfsverantwoordelijkheid aan te scherpen, minimumeisen teintroduceren met betrekking tot de transparantie over lobbyactiviteiten enpolitieke financiering en om de rol van het maatschappelijk middenveld tevergroten.3 Welke mogelijkheden ziet de Minister om op deze puntenaanvullende nationale maatregelen te treffen in aanvulling op deEuropese Richtlijn, zo vragen de leden.Antwoord:De rol van het maatschappelijk middenveld bij de adequateaanpak van corruptie ziet dit kabinet als belangrijk. In dit kaderheeft Nederland zich onder andere aangesloten bij de Transpa-rency Pledge van de UNCAC Coalition, op grond waarvan zijheeft toegezegd het maatschappelijk middenveld te betrekken bijde opvolging van de evaluatie van de implementatie van het VNverdrag tegen corruptie, en trekt zij regelmatig met hetmaatschappelijk middenveld op door afgevaardigden uit tenodigen voor VN vergaderingen maar bijvoorbeeld ook door hetorganiseren van een gezamenlijke sessie tussen TransparencyInternational Nederland, het Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties (BZK) en het Ministerie van Justitie enVeiligheid op het tweejaarlijkse JenV anti-corruptiecongres.Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2025een subsidie verstrekt aan Transparency International Nederlandom hun werk in het Caribisch deel van het Koninkrijk te onder-steunen.Ten aanzien van de politieke partij financiering gelden inNederland middels de Wet financiering politieke partijen reedsstrenge eisen voor de financiering van politieke partijen en hunkandidaten. Giften aan politieke partijen zijn bijvoorbeeldgemaximeerd op € 100.000, waarbij giften groter dan € 10.000binnen drie dagen gemeld moeten worden aan het Ministerie vanBZK en worden openbaar gemaakt. Ook is niet toegestaan omanonieme giften van meer dan € 250 aan politieke partijen gevenen wordt van politieke partijen en hun kandidaten in de aanloopnaar verkiezingen gevraagd om een overzicht aan te leveren vanalle giften van meer dan € 1.000. Met het wetsvoorstel Wet op depolitieke partijen dat nu in de Tweede Kamer ligt worden dezeregels aangescherpt. Zo verdwijnt de mogelijkheid om anoniemegiften te doen en gaat een deel van deze regels ook gelden voordecentrale politieke partijen. Voorts staat in het Coalitieakkoorddat er een lobbyregister zal worden ingevoerd dat praktisch enwerkbaar is voor zowel overheid als belangenbehartigers. DeMinister van BZK zal de Tweede Kamer binnen afzienbare tijdinformeren over de uitvoering van dit voornemen.2Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende debestrijding van corruptie, ter vervanging van Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad en van deOvereenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeen-schappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn en tot wijziging van Richtlijn(EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad (COM/2023/234 final).3Zie Transparency International, «Voor het eerst een Europese Richtlijn tegen corruptie»,17 december 2025: Voor het eerst een Europese richtlijn tegen corruptie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 9994 EU-DrugsstrategieDe leden van de D66-fractie constateren dat het EU-actieplan onder meerinzet op het dichten van juridische mazen met betrekking tot designerpre-cursoren en het verbeteren van de identificatie van drugsgerelateerdestoffen. Deze leden wijzen er in dit verband op dat de Kamer in mei 2022de motie-Sneller (Kamerstuk 35 954, nr. 7) heeft aangenomen, waarin deregering werd verzocht te onderzoeken op welke manier de mogelijkheidkan worden gecreëerd om de verkoop en het bezit van nieuwe risicovollemiddelen sneller en doelmatiger te reguleren. Deze leden vragen deMinister wat de stand van zaken is van de uitvoering van deze motie en inhoeverre de bevindingen uit dit onderzoek zijn betrokken bij de totstand-koming van de Nederlandse inzet op het EU-actieplan. Specifiekvernemen deze leden graag welke inspanningen zijn verricht om bijandere lidstaten steun te verkrijgen om werk te maken van aanpassingvan de regelgeving.De leden van de D66-fractie vragen de Minister op welke wijze devoorgestelde EU-aanpak van designerprecursoren en synthetische drugsconcreet kan bijdragen aan snellere en doelmatiger regulering van nieuwerisicovolle middelen in Nederland en of de EU-aanpak aanleiding geeft hetnationale instrumentarium, waaronder de mogelijkheid van een «lijst 0»zoals verkend naar aanleiding van de motie-Sneller, te heroverwegen of teactualiseren.Antwoord:De Kamer is per brief op 26 juni 20234 geïnformeerd over demotie Sneller met betrekking tot het sneller en doelmatigerreguleren van nieuwe risicovolle middelen. Ondanks de positievegrondhouding van het kabinet, is in die brief geschetst dat de ervrijwel geen ruimte is voor zowel bestaande als nieuwe middelenvoor andere vormen van regulering. De EU Drugs Strategie geeftgeen aanleiding om deze conclusies te herzien.Het kabinet is positief over het recente EU-voorstel voorherziening van de precursorenwetgeving,5 nu dit goed aansluit bijde Nederlandse prioriteit om synthetische drugsproductie tevoorkomen en effectief terug te dringen. Het kabinet blijftzoeken naar manieren om nieuwe risicovolle middelen zo snelmogelijk onder controle te brengen. Op nationaal niveau is metde introductie van lijst IA een belangrijke, positieve stap gezet.Lijst IA bestaat uit een drietal stofgroepen die zijn afgeleid vanmeerdere lijst I middelen. Met dit stofgroepenverbod zijn nieuwevarianten die onder de stofgroep vallen op basis van dechemische structuur automatisch verboden. Dit voorkomt dat westeeds achter de feiten aanlopen. Voorheen verscheen er na eenverbod op bijvoorbeeld 3-MMC vrij snel een nieuwe (nog legale)variant zoals 2-MMC. Door de stofgroep waar deze middelenonder vallen (cathinonen) te verbieden, voorkomen we dezepraktijk. Op dit moment wordt gewerkt aan de toevoeging vaneen vierde stofgroep, de nitazenen, waarvan inmiddels meerderesoorten zijn verboden maar ook steeds nieuwe varianten op demarkt verschijnen. Door het stofgroepenverbod en de aanstaandeuitbreiding daarvan, hebben we in Nederland een belangrijke stapgezet in het ons verweren tegen nieuwe middelen die op demarkt verschijnen. Als er nieuwe stoffen op de markt komen diebuiten de generieke wetgeving vallen, dan kunnen we deze4Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 35 954, nr. 10.5Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 22 112, nr. 4264.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 9995 wanneer er sprake is van een acuut gezondheidsgevaar metspoed onder de Opiumwet brengen.De leden van de D66-fractie vragen de Minister voorts of hij bereid is in deRaad te bepleiten dat het EU-actieplan een expliciete actie opneemtgericht op het harmoniseren van nationale early warning- en snelregule-ringsmechanismen voor nieuwe psychoactieve stoffen, zodat lidstatenniet steeds achter de feiten aanlopen wanneer nieuwe middelen op demarkt verschijnen.Antwoord:Zowel de nieuwe EU Drugs Strategie als het EU Actieplan tegendrugshandel zijn door de Commissie gepubliceerd in de vorm vanmededelingen. De Commissie is verantwoordelijk voor de inhouddaarvan. Lidstaten, waaronder Nederland, hebben in de voorbe-reiding op verschillende momenten meegedacht en inputgegeven.Het kabinet hecht groot belang aan effectieve vroegsignaleringvan nieuwe psychoactieve stoffen om onnodige gezondheids- enmaatschappelijke schade te voorkomen. Dit onderwerp komtregelmatig aan de orde in de Raad. Binnen de EU wordt hieraangewerkt via het bestaande early warning system en in samen-werking met EUDA. Nederland blijft zich actief inzetten voorversterking van informatie-uitwisseling en een snelle respons,zowel nationaal als in EU- en VN-verband.De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche6 dat het kabinet binnenhet EU-actieplan meer aandacht vraagt voor de aanpak van criminelegeldstromen. Deze leden onderschrijven dit, maar vragen de Minister ofhij ook bereid is in Europees verband te pleiten voor meer aandacht voorde vraagkant, te weten preventie en het voorkomen van gebruik vannieuwe risicovolle middelen, naast de aanbod- en handhavingskantwaarop het actieplan primair is gericht. Deze leden wijzen op de scheef-groei tussen de uitgaven aan de repressieve aanpak ten opzichte van depreventieve kant in het Nederlandse drugsbeleid. Ook op EU-niveau ziendeze leden onvoldoende aandacht voor harm reduction en een beleid dathet beschermen van de volksgezondheid vooropzet, terwijl in steeds meerlidstaten de exclusieve focus op het verbieden van drugs als meesteffectieve strategie om de problemen aan te pakken, wordt verlaten.Antwoord:Hoewel het huidige EU Actieplan zich in belangrijke mate richt opde bestrijding van drugshandel, zijn in de EU Drugs Strategiezowel de vraag- als de aanbodzijde verankerd. Bij de verdereuitwerking van de Strategie, zal het Kabinet bij het Voorzitter-schap van de Raad van de EU en de andere lidstaten benadrukkendat deze gebalanceerde benadering dient te worden behouden endat volksgezondheid, preventie en handhaving in samenhangworden bezien.Nederland draagt in internationaal verband uit dat een effectievedrugsaanpak vraagt om zowel een inzet op preventie, vraagre-ductie, behandeling, het beperken van gezondheids- en socialeschade als op opsporing en handhaving. Nederland deelt actiefkennis en ervaringen op dit terrein met andere lidstaten eninternationale partners.6Fiche Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 9996 Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieVerlenging interim-derogatie van de EU-privacyregels om onlinekindermisbruik te bestrijdenDe leden van de VVD-fractie hebben in het schriftelijk overleg vooraf-gaand aan de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van22–23 januari 2026 vragen gesteld aan het toenmalige kabinet over deverlenging van de tijdelijke regels over detectie van Child Sexual AbuseMaterial (hierna: CSAM), zodat aanbieders vrijwillig kunnen blijvenscannen en dergelijk walgelijk materiaal kunnen verwijderen. Kan deMinister aangeven wat het standpunt van Nederland hierover is enkunnen de eerder gestelde vragen van januari 2026 alsnog wordenbeantwoord? En wanneer kan de Kamer de toegezegde brief hieroverontvangen?Antwoord:Zoals toegezegd, is uw Kamer op 23 januari jl. geïnformeerdinzake de Nederlandse positie ten aanzien van de verlenging vande interim-derogatie op de ePrivacy-richtlijn ten behoeve van deaanpak van de verspreiding van beeldmateriaal van seksueelkindermisbruik: Verordening (EU) 21/1232.7In deze brief is uw Kamer medegedeeld dat het kabinet detijdelijke verlenging van de interim-derogatie steunt, die eenvoortzetting is van de huidige praktijk. Vrijwillige detectie speelteen essentiële rol in de aanpak van online seksueel kindermis-bruik in Nederland. Het voorstel dat nu voorligt, heeft tot gevolgdat de bestaande praktijk waarbij dienstverleners demogelijkheid krijgen dit materiaal te detecteren de komendetwee jaar kan worden voortgezet. Gezien de ernst, omvang engevolgen van deze vreselijke vorm van criminaliteit is dezevrijwillige detectie noodzakelijk. Daarbij hecht het kabinet aaneen periodiek weegmoment ten aanzien van de mogelijkheid vanvrijwillige detectie.Vrijwillige detectie levert in Nederland al jarenlang een effectievebijdrage kan aan het tegengaan van de online verspreidingseksueel kindermisbruik. Dat neemt niet weg dat Nederlandkritisch is op onderdelen van het voorstel. Wij hebben ons in deonderhandelingen ingezet voor het waarborgen van grondrechtenen betere en meer uniforme rapportage over vrijwillige detectie,zodat meer inzicht ontstaat in aantallen meldingen en gebruiktemethoden.Daarnaast is Nederland geen voorstander van het inzetten vantechnologie voor het detecteren van onbekend materiaal of voorhet opsporen van grooming. Het kabinet moedigt bedrijven wélaan om proportionele en effectieve maatregelen te nemen om deverspreiding van onbekend materiaal en grooming te voorkomen.Kan de Minister hierin ook meenemen wat het standpunt is van Nederlandten aanzien van de taken, bevoegdheden en locatie van het EU-CSAM-centrum waarover wordt gesproken tijdens de trilogen over deCSAM-verordening? Kan de Minister voorts de laatste stand van zakengeven van de voortgang van de trilogen?Antwoord:7Kamerstukken II, 2025–2026, 32 317, nr. 993Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 9997 Het EU Centrum kan een centrale rol spelen in een gezamenlijkeaanpak tegen de verspreiding van online seksueel kindermis-bruik. Volgens het kabinet ligt de meerwaarde van een EUCentrum zowel in de uitwisseling van best practices tussen delidstaten en aanbieders van internetdiensten op het gebied vanpreventie, slachtofferhulp en het verwijderen van materiaal vanhet internet, als in het aanjagen van innovatie en het doen vanonderzoek naar nieuwere fenomenen.Nederland vindt het van belang dat de taken en bevoegdhedenvan het centrum duidelijk zijn afgebakend. Het centrum moetaanvullend zijn aan nationale bevoegdheden en mag geenonduidelijkheid veroorzaken over verantwoordelijkheden.Daarnaast moeten vanaf de oprichting adequate waarborgen voorgegevensbescherming en andere fundamentele rechten aanwezigzijn. In eerdere onderhandelingsfases is Den Haag als beoogdelocatie genoemd, maar de definitieve besluitvorming moetverlopen via de gebruikelijke procedure bij de toekenning vanvestigingslocaties van EU-agentschappen. Om deze reden wordtgesproken van een «gedeeltelijk» onderhandelingsmandaat.Per 1 januari jl. is het Cypriotische EU-voorzitterschap gestart.Onder hun leiding hebben inmiddels meerdere Raadswerkgroepenplaatsgevonden in het kader van de triloog. Tot op heden zijn depolitiek meest gevoelige bepalingen, met name de artikeleninzake detectie, nog niet inhoudelijk besproken. De Nederlandseinzet in de triloog is conform het kabinetsstandpunt van uit deKamerbrief van 18 november 2025 en in lijn met de motieKathmann c.s.8Fiche: Mededeling over het EU-actieplan tegen drugshandelDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-ficheover het EU-actieplan tegen drugshandel. Kan de Minister aangeven watvoor Nederland de allerbelangrijkste prioriteiten zijn in het actieplan?Antwoord:Allereerst juicht het kabinet toe dat het actieplan synergienastreeft tussen alle betrokken platforms (zoals EMPACT en deEuropese havenalliantie), fora en agentschappen op JBZ terrein.Alleen door goed samen te werken kan alles uit de kast wordengehaald om transnationale georganiseerde drugscriminaliteit hethoofd te bieden. Zonder afbreuk te willen doen aan de andereprioriteiten in het actieplan, die samen een geheel vormen enallemaal nodig zijn, kan het kabinet de volgende prioriteitenuitlichten:Met actie 6 wil de Commissie een platform oprichten voor meerpubliek private samenwerking in het tegengaan van drugss-mokkel via post en pakket diensten. Nederland had de Commissiein 2024 al opgeroepen tot een soortgelijk initiatief.9 Met actie 7zal de Commissie een toolbox inrichten voor het tegengaan vanhet (online) rekruteren van jongeren. Nederland heeft altijdgepleit voor een gebalanceerde aanpak van georganiseerdecriminaliteit binnen de EU met voldoende aandacht voorpreventie. Tot slot is het kabinet verheugd over de aandacht voor8Kamerstukken II, 2025–26, 32 317, nr. 977.9Non-paper uit 2024 A comprehensive approach to tackling organised crime Kamerbrief bijgeannoteerde Agenda JBZ Raad 4 en 5 maart 2024 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 9998 voortgezet crimineel handelen in detentie en de bijbehorendeactie 11. Ook hiertoe riep het kabinet de Commissie al eerder opin een non-paper on continued criminal behaviour in detention.10Deze leden lezen dat het kabinet van mening is dat de brede, multidiscipli-naire en gebalanceerde drugsaanpak op het gebied van gezondheid,veiligheid, maatschappij en schadebeperking slechts in zeer beperktemate terugkomt in het actieplan. Deze leden lezen ook dat het kabinet steltdat in de samenwerking met derde landen de nadruk ligt op repressievemaatregelen, terwijl derde landen vragen voor aandacht voor degezondheidsaspecten van de drugsproblematiek. Deze leden vragenhierover nadere verduidelijking van het kabinet. Welke derde landenhebben dit gevraagd en waarom? Wat is de wettelijke grondslag op grondwaarvan de EU gezondheidsaspecten van drugsproblematiek zou moetenaanpakken?Antwoord:Het kabinet heeft in het BNC-fiche geconstateerd dat het huidigeEU Aactieplan tegen drugshandel zich primair richt op repressieen er geen relatie wordt gelegd met de bredere, multidisciplinaireaanpak waar zowel aandacht is voor veiligheid als gezondheid. Inhet vorige EU Drugs Actieplan werd zowel aandacht besteed aande aanbod- als aan de vraagzijde van de drugsproblematiek,inclusief preventie en verslavingszorg. In dat licht heeft hetkabinet gewezen op het belang van een gebalanceerdebenadering. Met de genoemde passage is niet beoogd te wijzenop een uitbreiding van bevoegdheden, maar op de inhoudelijkeinvulling van de bestaande dialoog over drugsbeleid binnen degeldende Europese kaders.In de samenwerking met derde landen en in multilaterale fora,zoals de VN Commissie voor Verdovende Middelen (CND), wordthet drugsbeleid traditioneel in brede zin besproken. Deelnemendelanden benadrukken daarbij dat naast repressieve maatregelenook aandacht nodig is voor preventie, behandeling en hetbeperken van gezondheids- en sociale schade, mede gelet op demaatschappelijke en gezondheidsgevolgen waarmee zij wordengeconfronteerd.Deelt de Minister de mening van deze leden dat juist in het kader vanopsporing, vervolging, berechting en bestraffing van drugscrimineleninternationaal effectiever moet worden samengewerkt? Deze ledenmissen in het actieplan concrete wetgevende initiatieven die juist datbevorderen. Deelt de Minister dat?Antwoord:Het EU actieplan drugs moet volgens het kabinet worden gezienals onderdeel van een breder pakket aan reeds bestaandeinitiatieven, beleid en wetgeving en ook nieuwe maatregelen envoorgenomen wetgeving die de Commissie in voorbereidingheeft. De aanpak van zware georganiseerde criminaliteit binnende EU dient in de ogen van het kabinet juist een samenspel vanenerzijds repressie (opsporing, vervolging, berechting enbestraffing) en van anderzijds preventie (zoals de bestuurlijkeaanpak, voorkomen rekruteren van jongeren, publiek privatesamenwerking, voorkomen van voortgezet crimineel handelen indetentie, enz.) te zijn. Waarbij de druk niet alleen bij deopsporings- en rechtshandhavingsdiensten terecht komt, maar10Continuation of criminal activity in detention | Rapport | Rijksoverheid.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 9999 juist ook elders in de keten wordt opgevangen. Het EU actieplantegen drugs laat zien dat de Commissie dit inzicht nu ook deelt.Daarnaast werken nationale diensten al intensief onderling tegengeorganiseerde criminaliteit samen via EMPACT, het EU multidis-ciplinaire platform tegen criminele dreigingen, dat haarwerkplanning baseert op het SOCTA (Serious and OrganisedCrime Threat Assessment) dat eens in de vier jaar uitkomt. Metnieuwe wetgeving op het gebied van confiscatie (De EU confisca-tierichtlijn en het EU antiwitwaspakket (AML Package) inclusiefde oprichting van de EU anti-witwasautoriteit in Frankfurt(AMLA) is ook aan de aanpak van criminele geldstromen eenimpuls gegeven. Ook op het gebied van het weerbaar maken vande logistieke knooppunten in de EU heeft de Commissie stappengezet met het oprichten van de Europese Havenalliantiewaarbinnen de samenwerking wordt gezocht met publieke enprivate partners zoals rederijen en havenbedrijven. En deCommissie heeft in haar interne veiligheidsstrategie voor de EUuit 2025, de ProtectEU: a internal security strategy, verschillendezaken aangekondigd. Zo zal de Commissie in de herfst van ditjaar een voorstel doen voor een modernisering van het huidigekaderbesluit uit 2008 voor de strafbaarstelling van deelname aaneen criminele organisatie.Tot slot maakt Nederland deel uit van de coalitie van zevenlanden tegen georganiseerde criminaliteit, bestaande uit deMinisters van zowel justitie als binnenlandse zaken van België,Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Zweden. Met deze coalitieis Nederland er de laatste jaren in geslaagd veel prioriteiten op deEU agenda te krijgen, en zal ook de komende jaren deEU-wetgevingsagenda zoveel mogelijk beïnvloeden.De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het kabinet terechtkritisch is dat de doelen in de vorige EU-drugsstrategie en hetEU-drugsactieplan weinig concreet en meetbaar zijn. Welke voorstellendoet het kabinet zelf om meer SMART11-geformuleerde concretemeetbare doelen in het EU-drugsactieplan op te nemen? Welke indica-toren stelt het kabinet voor? Worden er nulmetingen gedaan? En zo niet,waarom niet? Hoe gaat het kabinet beoordelen of de doelen uit hetactieplan straks daadwerkelijk zijn bereikt?Antwoord:De EU Drugs Strategie en het EU Actieplan tegen drugshandelzijn door de Commissie gepubliceerd in de vorm van medede-lingen. De Commissie is verantwoordelijk voor de inhouddaarvan. Het Voorzitterschap heeft ervoor gekozen om hierop tereageren middels Raadsconclusies en daarbij richting te gevenaan de verdere uitwerking. In de Raadsconclusies over de EUDrugs Strategie is onder meer een verzoek opgenomen aan deCommissie om uiterlijk eind 2032 een implementatierapport dientvoor te leggen dat is gebaseerd op deugdelijke en relevanteindicatoren. De verdere concretisering van indicatoren eneventuele aanvullende (nul)metingen vindt plaats in het kader vande uitwerking en monitoring door de Commissie. Het kabinetvolgt deze ontwikkelingen nauwgezet en zal in de Raad, ondermeer in de Horizontale Raadswerkgroep Drugs, aandacht blijvenvragen voor heldere indicatoren en transparante monitoring.Daarbij ligt het voor de hand om aan te sluiten bij bestaande11Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99910 gegevens en rapportages van onder meer het EU Drugsagent-schap (EUDA), Europol en de informatie die door lidstaten wordtaangeleverd, zodat resultaten in de tijd gevolgd en vergelekenkunnen worden. Het kabinet zal de mate waarin de doelenworden bereikt beoordelen aan de hand van de (periodieke)rapportages van de Commissie en de EU-agentschappen,waaronder het implementatierapport dat naar verwachting eind2032 aan de Raad en het Europees Parlement wordt voorgelegd.Deze leden merken op dat de wens van het kabinet om het actieplan teverbreden naar «gezondheidsaspecten van drugsbeleid» etc., ook ertoeleidt dat het lastiger wordt om SMART-geformuleerde doelen op te nemenen indicatoren op te nemen om te meten of de doelen worden bereikt. Ishet kabinet dat met deze leden eens? Graag ontvangen deze leden eenreactie hierop.Antwoord:Het kabinet is niet van oordeel dat het betrekken van gezond-heidsaspecten per definitie leidt tot minder meetbare doelstel-lingen. Inzet op vraagvermindering en het beperken vangezondheids- en sociale schade kan bovendien bijdragen aan hetverminderen van de omvang van de illegale markt en daarmeeaan de veiligheidsdoelstellingen van het drugsbeleid. Binnen hetvolksgezondheidsdomein wordt gewerkt met concrete indica-toren en systematische monitoring, zoals gegevens over midde-lengebruik, problematisch gebruik, druggerelateerde sterfte eninfectieziekten. Preventiebeleid richt zich vaak op bredepopulaties en op het voorkomen van schade die zich anders zouvoordoen. Effecten worden daarom niet altijd zichtbaar inindividuele casuïstiek, maar in trends op populatieniveau en overlangere termijn. Dat vraagt om passende indicatoren enmonitoring, maar maakt doelstellingen niet minder toetsbaar. Hetkabinet acht het van belang dat binnen het EU-drugsbeleid, zowelop het terrein van veiligheid als gezondheid, waar mogelijk wordtgewerkt met duidelijke doelstellingen en betrouwbare indica-toren.De leden van de VVD-fractie zijn het eens met het initiatief van deCommissie om samen met lidstaten en de transportsector de mogelijk-heden te onderzoeken voor het verder versterken van het bestaandeEuropese Advance Passenger Information (API)/Passenger Name Records(PNR)-raamwerk, als maatregel om grensoverschrijdende samenwerkingbij de aanpak van georganiseerde misdaad te intensiveren. Kan deMinister concreet aangeven aan welke uitbreidingen wordt gedacht?Antwoord:In 2025 heeft de Commissie twee studies uitgevoerd naar hetuitbreiden van het gebruik van passagiersgegevens voor rechts-handhavingsdoeleinden naar maritieme – en land-vervoerders (busen trein). De conclusie uit deze studies is dat het huidige modeldat gebruikt wordt voor het verzamelen van Passenger NameRecord (PNR) gegevens niet één op één toepasbaar is op dezevervoersmodaliteiten, met name vanwege de verschillen in debedrijfsvoering van de betrokken maatschappijen (te denken valtaan bijvoorbeeld cruiseschepen en veerdienstmaatschappijen) tenopzichte van de luchtvaartmaatschappijen. Op dit moment wordtop Europees niveau verder verkend wat de mogelijkheden zijnvoor vervoersmodaliteiten via zee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99911 Dit past in een bredere benadering dan alleen de aanpak vangeorganiseerde misdaad. De «ProtectEU: Agenda to prevent andcounter terrorism» van 26 februari jl.12 Benoemt ook dat deCommissie de mogelijkheden verkent om het bestaande instru-mentarium voor het gebruik van passagiersgegevens uit tebreiden naar andere vervoersmodaliteiten. Nederland volgt deEuropese ontwikkelingen nauwlettend. Op dit moment is hetkabinet niet voornemens om, vooruitlopend op de Europeseontwikkelingen, hier aanvullende nationale wetgeving voor op testellen.Toekomst van EuropolDe leden van de VVD-fractie stellen dat Europol belangrijk werk verrichtbij informatie-uitwisseling tussen lidstaten in diverse grensoverschrij-dende politieonderzoeken. Deze leden vragen of de Minister de inzet vanNederland nader kan verduidelijken bij het agendapunt over de toekomstvan Europol. Is de Minister van mening dat Europol ook een explicietererol moet krijgen bij de aanpak van hybride dreigingen? Hoe staat hijtegenover uitbreiding van het mandaat van Europol? Welke uitbreidingenhebben lidstaten recentelijk voorgesteld?Antwoord:Het kabinet steunt de dringende noodzaak tot nauwere samen-werking in de strijd tegen opkomende criminele dreigingen dieverschillende middelen combineren en een ernstige uitdagingvormen voor onze gezamenlijke Europese veiligheid. Nauweresamenwerking met betrekking tot hybride dreigingen kan ondermeer bestaan uit een gezamenlijke situationele bewustwording.Herkennen van zulke signalen van hybride conflictvoering is vanbelang voor rechtshandhavingsinstanties, zowel op straat alsonline. Van belang daarbij is wel dat de verschillende verantwoor-delijkheden van de politiediensten in de lidstaten in acht wordengenomen, en dat nationale veiligheid uitsluitend onder deverantwoordelijkheid van de lidstaten valt. Een eventuelemandaatherziening moet gestoeld zijn op een duidelijke behoefte-stelling: hoe groot is de rol van hybride dreigingen uitgevoerddoor criminele netwerken (crime as a service), welke toege-voegde waarde kan een grotere rol van Europol hierop spelen enis een mandaatherziening nodig om in die behoefte te voorzien?De scope van een voorstel op dit terrein zou zich specifiekmoeten focussen op aspecten die zich bevinden binnen hetstrafrechtelijke domein en waarbij de betrokkenheid van Europolvoortkomt uit een specifieke vraagarticulatie van nationalepolitiediensten. Europol dient zich hierbij niet in het statelijkedomein (o.a. inlichtingenverzameling en attributie) te begeven.Informatieverzameling door Europol rond hybride dreigingendient daarnaast strikt afgebakend te zijn. Het is immers vanbelang een onderscheid te maken tussen opsporingsinformatie eninlichtingen. Het Nederlandse bestel kent deze strikte, principiëlescheiding tussen opsporing en inlichtingen; een mogelijke inzetvan Europol op hybride dreigingen dient zich te verhouden totdeze scheiding. Europol ontvangt voor het uitvoeren van dezetaken opsporingsinformatie uit de rechtshandhavingsketen,terwijl Single Intelligence Analysis Capacity (SIAC) het unieke12Uw Kamer zal conform de gebruikelijke werkwijze een BNC-fiche over dit recente voorstelontvangen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99912 toegangskanaal voor inlichtingen blijft. Europol zou kunnenondersteunen met signalering van trends, het delen vandreigingsanalyses, technische analyse, en het afgeven van «earlywarnings». Het delen van «best practices», o.a. inzake hetmonitoren en bestrijden van informatie-manipulatie en buiten-landse inmenging, wordt aangemoedigd.Er zijn verschillende bijeenkomsten georganiseerd waarbijlidstaten uitleg konden vragen en input konden leveren voor detoekomstige rol van Europol. Nederland denkt constructief meeover de vormgeving van ideeën.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda en de bijbehorende stukken. Deze leden hebbenvragen en opmerkingen over de Europese CSAM-verordening en zaken ophet gebied van privacy en rechtsbescherming.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blijven onverminderd kritisch ophet voorstel voor de CSAM-verordening. Massasurveillance maaktiedereen digitaal onveiliger en is nooit een oplossing voor zaken alsgrooming en onlinemisbruik. Deze leden vragen de Minister om de standvan zaken van de CSAM-verordening. Hoe ver is de triloogfasegevorderd? Op welke manieren oefent de Minister invloed uit op dezeonderhandelingen, zodat ook de zorgpunten rondom privacy – genoemddoor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) –worden weggenomen? Hoe voert de regering de aangenomen motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk 32 317, nr. 981) uit, die vraagt om blijvendverzet tegen de CSAM-verordening én om zich in te zetten om kwalijkeverplichtingen uit het voorstel te slopen?Antwoord:Nederland zal zich tijdens de trilogen blijven inzetten binnen dekaders van het kabinetsstandpunt en de door uw Kamer aange-nomen moties, waaronder de motie Kathmann met Kamerstuk32 317, nr. 981.13 Zorgen en aandachtspunten die Nederlandheeft, zullen dan ook ingebracht worden in bijvoorbeeld deRadengroepen. Conform de gebruikelijke werkwijze zal deTweede Kamer worden geïnformeerd over de voortgang eneventuele wijzigingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben zorgen over hetverlengen van de derogatie op de e-Privacyrichtlijn. Met deze voorzieningkunnen providers van onlinediensten nog langer, als uitzondering op deEuropese privacyregels, hun netwerk scannen op verdacht gedrag. Dit iseen verstrekkende bevoegdheid die nu niet wordt beperkt door de wet.Hoe kijkt de Minister naar deze verlenging van twee jaar? Enerzijdsbenadrukken deze leden dat er betrouwbare Europese regelgeving nodigis om onlinemisbruik te voorkomen, met keiharde grenzen aan hoegegevens hiertoe verzameld en gedeeld mogen worden. Anderzijdsbegrijpen deze leden dat het aflopen van de derogatie ook extra druk zetop de onderhandelingen over de CSAM-verordening, waardoor de druktoeneemt om deze gemankeerde regelgeving onzorgvuldig aan te nemen.Hoe kijkt de Minister naar de spanning tussen de verlengde derogatie ende CSAM-verordening?13Kamerstukken II, 2025–2026, 32 317, nr. 981Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99913 Antwoord:Voor het antwoord op de positie van het kabinet ten aanzien vande verlenging van de derogatie op de e-privacyrichtlijn wordtverwezen naar de beantwoording van de vragen van de fractiesVVD en de Groep Markuszower.Het kabinet wil benadrukken dat het hier niet gaat om hetscannen op «verdacht gedrag» in algemene zin. De tijdelijkederogatie ziet uitsluitend op de mogelijkheid voor aanbieders vancommunicatiediensten om vrijwillig online seksueel kindermis-bruik te detecteren, te melden bij rechtshandhavingsinstanties oforganisaties die in het algemeen belang optreden tegen seksueelmisbruik van kinderen en het betreffende materiaal te verwij-deren. Het betreft daarmee een specifieke en zwaarwegendecategorie van strafbaar materiaal.Een nieuwe verlenging van de interim-derogatie voorkomt datdienstverleners moeten stoppen met vrijwillige detectieactivi-teiten op seksueel kindermisbruik zolang er nog geen permanentEuropees wettelijk kader is vastgesteld. Voor diensten dievrijwillige detecteren geldt dat: de gebruikte technologischetoepassingen proportioneel, gerenommeerd en betrouwbaarmoeten zijn; de verwerking moet beperkt blijven tot wat striktnoodzakelijk is; het materiaal moet onmiddellijk wordenverwijderd; zij jaarlijks rapporteren over de ingezette technolo-gieën en de wijze van verwerking.Een mogelijke verlenging van de tijdelijke derogatie biedt juistademruimte in de onderhandelingen over de CSAM-verordening,omdat er geen juridische leemte ontstaat. Dat geeft het kabinetmeer tijd om zich in te zetten om de waarborgen zo stevigmogelijk te verankeren in de definitieve wetgeving.Tot slot zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waakzaam voor dedecryptiemogelijkheden die in het kader van ProtectEU ontwikkeldworden bij Europol. Deze leden menen dat elke poging om het recht opend-to-endencryptie te omzeilen, te doorbreken, of onmogelijk te maken,afbreuk doet aan de cyberveiligheid van burgers. Dit is echter wel een vande doelen van de ProtectEU-agenda alsmede van de Commissie haar«Roadmap for effective and lawful access to data for law enforcement.»Dit zou verplichtingen stellen aan onder andere Meta WhatsApp en AppleiMessage om encryptie te verzwakken. Dit is technisch en cryptologischeen enorme uitdaging, maar gaat ook uit van medewerking doorbedrijven als Meta en Apple. Deze leden achten het onvoorstelbaar om indit tijdsgewricht te rekenen op de medewerking van Amerika, om zijnversleutelde chattoepassingen toegankelijk te maken voor de EU. Hoeschat de Minister dit in? Deelt hij de opvatting dat dit een doodlopend enonwerkbaar spoor zal blijken? Ook vragen deze leden aan de Minister watin algemene zin het standpunt van dit kabinet is over encryptie en hetontwikkelen van decryptiemogelijkheden en op welke wijze Nederlandinvloed zal uitoefenen op deze plannen.Antwoord:De ProtectEU strategie14 roept niet op om encryptie tedoorbreken. Daar waar de Commissie het in de strategie heeftover «decryptie», betreft het een oproep tot samenwerking opreeds bestaande technische voorzieningen van de lidstaten omtoegang te verkrijgen tot in beslag genomen telefoons in straf-14Commission presents ProtectEU Internal Security Strategy – Migration and Home AffairsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99914 zaken. Voor wat betreft encryptie geeft de Commissie in haarProtectEU het volgende aan:«Om gevolg te geven aan de aanbevelingen van de [High Level Group,hierna «HLG»] zal de Commissie in de eerste helft van 2025 een routekaartpresenteren met de juridische en praktische maatregelen die zij voorsteltte nemen om een rechtmatige en effectieve toegang tot gegevens tewaarborgen. In het kader van de follow-up van deze routekaart zal deCommissie prioriteit geven aan een beoordeling van het effect van deregels inzake gegevensbewaring op EU-niveau en aan de voorbereidingvan een technologieroutekaart inzake encryptie, teneinde technologischeoplossingen te vinden en te beoordelen die rechtshandhavingsinstantiesin staat zouden stellen op rechtmatige wijze toegang te krijgen totversleutelde gegevens, waarbij de cyberbeveiliging en de grondrechtenworden gewaarborgd.«Op 24 juni 2025 heeft de Commissie deze routekaart gepresen-teerd. In deze routekaart kondigde de Commissie tevens aan,conform de aanbevelingen van de HLG, dat zij een technologischeroutekaart zal uitwerken. Hiermee zal, waar nodig, demogelijkheid en haalbaarheid worden onderzocht van gerichterechtmatige toegang tot versleutelde informatie, waarbij cyberse-curity en de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijven.Met betrekking tot de routekaart van 24 juni heeft het kabineteen BNC-fiche gezonden aan de Kamer d.d. 29 augustus 2025.Hierin schreef het kabinet, indachtig de aanbevelingen van deHLG om een voorzichtige aanpak te hanteren bij het ontwerpenvan oplossingen voor rechtmatige toegang tot systemen – dat deindustrie mag niet worden gevraagd systemen te integreren diede encryptie op een algemene of systematische manier voor allegebruikers van een dienst kunnen verzwakken.Rechtmatige toegang tot gegevens moet in dit kader gerichtblijven en beperkt blijven tot specifieke communicatie, van gevaltot geval. Ook schreef het kabinet dat dergelijke regulering vormkrijgen met inachtneming van grondrechten (waaronder privacyen vertrouwelijkheid van communicatie), de jurisprudentie vanhet EU-Hof en relevante wetgeving inzake gegevensbescherming– en op proportionele en evenwichtige wijze, met betrokkenheidvan alle relevante stakeholders. Daarbij is het belangrijk omdigitale en nationale veiligheidsrisico’s te voorkomen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van degeannoteerde agenda van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op5 en 6 maart 2026 te Brussel. Deze leden maken van de gelegenheidgebruik om nog een enkele vraag te stellen aan de Minister hierover.Werklunch: voortgezet crimineel handelen in detentieDe leden van de CDA-fractie lezen dat tijdens de werklunch zal wordengesproken over voortgezet crimineel handelen vanuit detentie, mede inhet licht van het EU-actieplan tegen drugshandel (2026–2030). Deze ledenonderschrijven dat detentie daadwerkelijk moet leiden tot het doorbrekenvan criminele netwerken. Deze leden vragen de Minister welke concreteaanvullende Europese maatregelen hij wenselijk acht om te voorkomendat high-risk gedetineerden hun criminele activiteiten vanuit detentieblijven aansturen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99915 Antwoord:Ondermijnende criminaliteit stopt niet bij de landsgrenzen. Hetkabinet vindt het daarom belangrijk dat DJI ook ten aanzien vanvoortgezet crimineel handelen vanuit detentie (VCHD) over degrenzen heen kan samenwerken.Daar speelt informatie-uitwisseling een belangrijke rol in. DJIheeft door het oprichten van een internationaal operationeelnetwerk het initiatief genomen om meer gegevensdeling overgedetineerden mogelijk te maken, waarmee de internationalesamenwerking tussen gevangenissen wordt versterkt. Ook is erin november 2025 door het Ministerie van Justitie en Veiligheidsamen met het Italiaanse Ministerie van Justitie en Europris inRome een internationale conferentie georganiseerd over VCHD.Acht de Minister het huidige instrumentarium toereikend of is verdereaanscherping, bijvoorbeeld ten aanzien van communicatiebeperkingen eninformatie-uitwisseling, noodzakelijk?Antwoord:Wat betreft communicatiebeperkingen, zetten wij in Nederlandhier op nationaal niveau op in door o.a. de gewijzigde peniten-tiaire beginselenwet (PBW). Deze wet zorgt onder meer voorcommunicatiebeperkingen van hoogrisicogedetineerden op deExtra Beveiligde Inrichting en de Afdelingen Intensief Toezicht.Dit komt neer maximaal toezicht en minimaal contact. Doormiddel van de invoeringstoets van deze wet worden de eersteeffecten van deze nieuwe maatregelen bezien. Op basis daarvankan besloten worden of er meer nodig is om communicatie vanhoogrisicogedetineerden verder te beperken.Daarnaast hebben we in Nederland de Detention Intelligence Unit(DIU) geoperationaliseerd. Binnen de DIU werken DJI, hetOpenbaar Ministerie en het Gedetineerden Recherche InformatiePunt (GRIP) samen aan analyses en informatieproducten overgedetineerden. Deze worden benut bij plaatsingsbeslissingen, hettreffen van passende maatregelen gedurende detentie en bij deopsporing van strafbare feiten, zowel binnen als buiten deinrichting. Er wordt sinds de oprichting van DIU door DJI, OM enpolitie intensiever samen gewerkt aan informatieproducten metde nadruk op VCHD. Hiermee wordt eerder en effectieveropgetreden, waarbij de informatiepositie van alle partnersoptimaal wordt benut. Deze ervaringen bevestigen het belang vande DIU in de aanpak van crimineel handelen binnen en buitendetentie. Op EU-level is het belangrijk dat we blijven inzetten ophet stimuleren van internationale samenwerking om informatie-uitwisseling tussen lidstaten te vergemakkelijken.Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen datverschillen tussen detentieregimes in lidstaten leiden tot verplaatsing vancriminele aansturing naar landen met minder strenge regimes.Antwoord:Er bestaat geen EU-bevoegdheid om detentieregimes volledig teharmoniseren. Gevangenisbeleid valt grotendeels onder nationalewetgeving. Wel wordt, zoals hierboven al in de beantwoordingaangegeven, samengewerkt binnen EU-verband om crimineleaansturing vanuit detentie te stoppen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99916 Conclusies over de toepassing van het Handvest van de grondrechten vande Europese Unie 2026De leden van de CDA-fractie lezen dat in de Raadsconclusies wordtbenadrukt dat naleving van rechtsstaat en grondrechten voorwaarde isvoor ontvangst van EU-middelen. Deze leden vragen de Minister hoe dezekoppeling in de praktijk functioneert en of dit instrument volgens hemeffectief wordt ingezet wanneer lidstaten structureel tekortschieten in denaleving van rechtsstatelijke beginselen.Antwoord:De Raadsconclusies betreffen de EU-strategie ter bevordering vanhet respect voor het EU Handvest van de grondrechten en wijzenop het verband tussen enerzijds respect voor de rechtsstaat enhet Handvest en anderzijds EU-financiering, onder verwijzing naarhet Financieel Reglement.15 Artikel 6 van dat Reglement stelt datbij implementatie van de EU-begroting, lidstaten en deCommissie naleving van het Handvest moeten waarborgen en deEU-waarden van artikel 2 VEU dienen te respecteren voor zoverrelevant in de implementatie van de EU-begroting.Er bestaan verschillende instrumenten om in het bijzonder bij deuitvoering van EU-fondsen de naleving van zowel de rechtsstaat(een in artikel 2 VEU verankerde Europese waarde) als degrondrechten van het EU-Handvest te waarborgen. Dit zijn deMFK-rechtsstaatverordening, de De Herstel en VeerkrachtFaciliteit (HVF) verordening en de GemeenschappelijkeBepalingen verordening (Common Provisions Regulation).16 Delaatste verordening ziet specifiek toe op respect voor hetHandvest van de grondrechten, het onderwerp van de Raadscon-clusies. Lidstaten dienen effectieve mechanismen in te richtendie ervoor zorgen dat de EU-gefinancierde programma’s onder deverordening gedurende de hele financieringsperiode aanrelevante grondrechten van het Handvest voldoen.Het kabinet acht het van belang dat de Europese Unie snel eneffectief optreedt om rechtsstatelijke terugval en aantasting vangrondrechten te voorkomen en aan te pakken, met inzet van hetvolledige rechtsstaatinstrumentarium, inclusief het financiëleinstrumentarium. Het roept de Commissie voortdurend opfinanciële instrumenten strikt en volledig toe te passen ennaleving te toetsen, en zet zich in voor een sterke koppelingtussen EU-financiering en respect voor rechtsstaat en Handvestin het volgende MFK.Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van destukken die zijn geagendeerd voor het schriftelijk overleg over de RaadJustitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-raad). Deze leden vinden hetbelangrijk om duidelijk te maken dat zij online seksueel kindermisbruik engeorganiseerde drugscriminaliteit hard willen aanpakken. Slachtoffersmoeten worden beschermd en daders moeten worden opgespoord envervolgd. Tegelijkertijd mag de aanpak van zware criminaliteit er niet toeleiden dat onschuldige burgers hun fundamentele rechten kwijtraken.15Het Financieel Reglement van de EU bevat een uitgebreid pakket van juridische, administra-tieve en operationele waarborgen om misbruik van EU-gelden te voorkomen, op te sporen ente corrigeren.16Zie bijvoorbeeld voor een uiteenzetting Kamerstuk 21 501-02, nr. 2426.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99917 Zeker wanneer Europese voorstellen raken aan digitale communicatie endataverzameling, is voorzichtigheid nodig.De leden van de Groep Markuszower hebben met zorg kennisgenomenvan de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 23 januari 2026over de verlenging van de interim-derogatie op de ePrivacyrichtlijn. Dezeleden zien dat opnieuw wordt voorgesteld om een tijdelijke uitzonderingop privacyregels te verlengen. Die uitzondering is inmiddels al meerderekeren verlengd. Daardoor krijgt zij steeds meer een vast karakter. Datroept de vraag op hoe tijdelijk deze regeling nu eigenlijk nog is en waar deMinister de grens trekt.In de brief spreekt de Minister over vrijwillige detectie door aanbiedersvan communicatiediensten. De leden van de Groep Markuszower zettendaar vraagtekens bij. In de praktijk moeten aanbieders risico’s inschatten,maatregelen nemen en meldingen doen. Doen zij dat niet, dan kunnen zijdaarvoor aansprakelijk worden gesteld. Deze leden vragen in hoeverre erdan nog echt sprake is van vrijwilligheid. Is er voor bedrijven nog eenechte keuze of worden zij door regels en risico’s in feite gedwongen om tedetecteren?Antwoord:Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen deEU-Verordening ter bestrijding van online seksueel kindermis-bruik («CSAM-Verordening») en de verlenging van de interim-derogatie op de ePrivacy-richtlijn ten behoeve van de aanpak vande verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik:Verordening (EU) 21/1232 («de interim-derogatie»).De Kamerbrief van 23 januari 2026 gaat in op de Nederlandsepositie inzake de interim-derogatie. 17 Deze derogatie betreft eentijdelijke afwijking van sommige bepalingen uit de eprivacy-richtlijn en maakt het voor aanbieders van elektronische commu-nicatiediensten mogelijk om vrijwillig materiaal van seksueelkindermisbruik (CSAM) op hun platforms op te sporen, terapporteren en te verwijderen. Hier gaat, zoals gesuggereerd inde vraagstelling, geen vereiste risicoanalyse aan vooraf. Commu-nicatiediensten mogen, onder voorwaarden, vrijwillig detecteren.De bestaande derogatie is geldig tot en met april 2026 en vervaltdaardoor spoedig. Om deze reden is het voorstel gedaan om dezenogmaals te verlengen totdat in de CSAM-Verordening voorzienwordt in een permanent kader voor de bescherming van kinderentegen de verspreiding van CSAM.De Raad, waar Nederland als lidstaat deel van uitmaakt, heeftinmiddels een steun positie ingenomen ten aanzien van ditvoorstel. Het Europees Parlement zal op 6 maart stemmen overhun positie.De onderhandelingen van de CSAM-Verordening bevinden zichmomenteel in de triloogfase. De CSAM-Verordening bevat eenuitgebreid stelsel aan maatregelen om internetbedrijven teverplichten om risico’s op de verspreiding van kinderpornogra-fisch materiaal tegen te gaan en om dit materiaal, indienonderkend, snel te verwijderen. In november jl. is een (gedeelte-lijke) Algemene Oriëntatie (AO) van de Raad bereikt. Nederlandheeft dit AO, in uitvoering van de motie Kathmann, niet kunnensteunen. In het AO is het verplichte detectiebevelgeschrapt. In17Kamerstukken II, 2025–2026, 32 317, nr. 993Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99918 plaats daarvan wordt de huidige, tijdelijke mogelijkheid voorbedrijven om op vrijwillige basis te detecteren, permanentgemaakt. Op verzoek van Nederland is, vanwege het Nederlandsekabinetsstandpunt, aan het voorstel een extra overwegingtoegevoegd die onderstreept dat niets in deze verordening magleiden tot of mag worden opgevat als het opleggen van detectie-verplichtingen aan aanbieders. Met het vaststellen van eenRaadspositie (AO) is formeel de triloogfase met het EuropeesParlement en de Commissie aangevangen.Ook maken de leden van de Groep Markuszower zich zorgen over hetsteeds opnieuw verlengen van een maatregel die ooit nadrukkelijk tijdelijkwas bedoeld. Wat maakt deze verlenging anders dan eerdere verlen-gingen, behalve dat zij opnieuw twee jaar duurt? Kan de Ministeruitsluiten dat over twee jaar weer wordt gezegd dat verlenging nodig is,omdat de CSAM-verordening nog steeds niet is afgerond? En hoevoorkomt de Minister dat een tijdelijke uitzondering op het briefgeheimlangzaam als normaal wordt gezien?Antwoord:Een nieuwe verlenging van de interim-derogatie is noodzakelijkomdat de huidige tijdelijke derogatie binnenkort vervalt. Zonderdeze verlenging zou er een leemte ontstaan, waardoor aanbiedersniet langer op rechtmatige wijze vrijwillig online kindermisbruik-materiaal kunnen detecteren. Dat acht het kabinet onwenselijk,omdat vrijwillige detectie speelt een belangrijke rol speelt in dehuidige Nederlandse aanpak in de bestrijding van online seksueelkindermisbruik in Nederland.Op dit moment zijn de onderhandelingen over de CSAM-veror-dening in de triloogfase. De voortgang en uitkomst van dezeonderhandelingen zijn afhankelijk van overeenstemming tussende lidstaten, het Europees Parlement en de Commissie. DeNederlandse invloed daarop is daarmee per definitie beperkt.Het is niet uit te sluiten dat over twee jaar opnieuw over eenverlenging wordt gesproken, omdat een dergelijke beslissing opEU-niveau wordt genomen en Nederland daarin afhankelijk is vande positie van andere lidstaten en de voortgang van de onderhan-delingen. Wel lijkt een nieuwe verlenging op dit moment minderwaarschijnlijk, aangezien de onderhandelingen over deCSAM-verordening zich inmiddels in de triloogfase bevinden.De Minister erkent in de brief dat er zorgen blijven bestaan over privacy,grondrechten en digitale veiligheid. De leden van de Groep Markuszowerdelen die zorgen. Deze leden vragen de Minister om concreet te makenwelke risico’s het kabinet ziet bij deze verlenging en hoe zwaar die risico’shebben meegewogen in de besluitvorming. Ook vragen deze leden welkerol het oordeel van de AIVD hierbij heeft gespeeld. Daarbij vragen dezeleden hoe het steunen van deze verlenging past bij eerdere waarschu-wingen van het kabinet over massasurveillance en druk op end-to-endencryptie.Antwoord:Zoals in de eerdere beantwoording is aangegeven, acht hetkabinet een nieuwe verlenging van de interim-derogatie noodza-kelijk. Zonder verlenging ontstaat een leemte, waardooraanbieders niet langer op rechtmatige wijze vrijwillig maatre-gelen kunnen nemen tegen de verspreiding van online kindermis-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99919 bruikmateriaal. Dat acht het kabinet onwenselijk, mede gelet opde directe gevolgen voor de bescherming van minderjarigen.Tegelijkertijd erkent het kabinet, zoals ook in de brief is uiteen-gezet, dat er blijvende zorgen bestaan over privacy, grondrechtenen digitale veiligheid, waar het gaat om (vrijwillige) detectie vanCSAM. Die risico’s zijn nadrukkelijk meegewogen in de besluit-vorming. Het kabinet heeft daarom steeds benadrukt dat inzetvan technologie moet voldoen aan de eisen van noodzakelijkheiden proportionaliteit. Ook het advies van de AIVD heeft hierbij eenrol gespeeld. De AIVD wijst in algemene zin op risico’s voordigitale veiligheid. Die aandachtspunten zijn betrokken bij deNederlandse inzet in Brussel en onderstrepen het belang vanstrikte waarborgen.Per saldo is het kabinet tot de conclusie gekomen dat het latenvervallen van de huidige vrijwillige detectiemogelijkheden,zonder dat er een definitief Europees kader gereed is, op ditmoment zwaarder weegt dan de risico’s die met een tijdelijkeverlenging gepaard gaan. Daarbij blijft het kabinet zich inzettenom in de definitieve wetgeving, zoals die wordt beoogd in deCSAM-Verordening, te verankeren met onze positie.Verder merken de leden van de Groep Markuszower op dat het kabinetzelf stelt dat er geen goede en proportionele technologie bestaat omgrooming en onbekend materiaal te detecteren. Toch blijft het gebruik vandergelijke technologie onder de derogatie toegestaan. Deze leden vragenwaarom daarvoor is gekozen en hoe wordt voorkomen dat aanbiedersdeze middelen alsnog inzetten, met het risico dat grote groepenonschuldige gebruikers worden geraakt.Antwoord:Nederland heeft, conform de Kamerbrief van 23 januari jl.,18 viaeen schriftelijke verklaring bij haar steunpositie in Brussel voorde tijdelijke derogatie de zorgen geuit over de (vrijwillige) inzetvan detectie op grooming en onbekend materiaal. Daarbij heeftNederland expliciet de wens uitgesproken om deze vormen vandetectie geen onderdeel te laten uitmaken van het voorstel,omdat er wat het kabinet betreft nog geen proportionele techno-logie beschikbaar is.Het voorstel tot verlenging is nog niet definitief aangenomen; hetEuropees Parlement stemt eerst over haar positie, waarna detriloog plaats zal vinden. Nederland zal in de verdere onderhande-lingen blijven benadrukken dat steeds moet worden voldaan aande eisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit.Bovendien vragen de leden van de Groep Markuszower hoe geloof-waardig het is dat deze verlenging los zou staan van de CSAM-veror-dening. In de praktijk draagt het voortzetten van vrijwillige detectie bij aanhet steeds normaler maken van toezicht op privécommunicatie. Waaromkiest het kabinet er dan niet voor om tegen te stemmen en een duidelijksignaal af te geven dat Nederland deze richting niet acceptabel vindt?Antwoord:Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar debeantwoording op voorgaande vragen waarin het kabinets-standpunt inzake de verlenging wordt toegelicht.18Kamerstukken II, 2025–2026, 32 317, nr. 993Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99920 De leden van de Groep Markuszower vinden het daarnaast belangrijk omde discussie over CSAM te verbinden met de voorstellen over hetEU-actieplan tegen drugshandel en de EU-drugsstrategie. In hetCSAM-dossier wijst het kabinet terecht op de risico’s van grootschaligedataverzameling en toezicht. Tegelijkertijd zien deze leden dat in deaanpak van drugscriminaliteit steeds vaker wordt ingezet op het verza-melen en analyseren van grote hoeveelheden gegevens, zoals passagiers-informatie, logistieke data en onlinegegevens, vaak zonder dat sprake isvan een concrete verdenking.Deze leden vragen daarom hoe de Minister voorkomt dat onder het momvan drugsbestrijding opnieuw grootschalige dataverzameling vanonschuldige burgers plaatsvindt, vergelijkbaar met de zorgen die hetkabinet zelf uit bij de CSAM-voorstellen. Hoe wordt voorkomen dat lossemaatregelen binnen het JBZ-domein samen uitgroeien tot een systeemvan permanent toezicht, zonder dat daar ooit expliciet politiek voor isgekozen?Antwoord:Alle voorstellen binnen het JBZ-domein zijn afkomstig van deCommissie. Wetgevende voorstellen gaan een uitgebreidEU-wetgevingsproces door. Hierbij zijn het Europees Parlementen de Raad, en daarmee de lidstaten, medewetgever. Nederlandneemt na politieke besluitvorming in de Raad positie in.Uw Kamer wordt over nieuwe voorstellen en de kabinetspositiegeïnformeerd via de BNC-procedure. Het kabinet weegt bij depositiebepaling ook hoe verschillende EU-voorstellen zich totelkaar verhouden.Ook vragen de leden van de Groep Markuszower aandacht voor de rol vanEuropese agentschappen. In de stukken wordt gesproken over intensievesamenwerking en het delen van informatie, terwijl tegelijk wordt erkenddat sommige organisaties formeel geen bevoegdheid hebben op ditterrein. Hoe voorkomt de Minister dat bevoegdheden op deze manier stapvoor stap worden uitgebreid, zonder duidelijke politieke besluitvormingen zonder voldoende controle?Antwoord:Een EU-agentschap heeft enkel die bevoegdheden die het istoegekend in de oprichtingswetgeving. De EU-wetgever kanbesluiten om de bevoegdheden van een agentschap uit tebreiden, maar dit vereist een nieuw EU-wetgevingsproces metvoor regering en parlement vergelijkbare beïnvloedingsmogelijk-heden als bij de oprichting van dat agentschap.Uitbreiding van de bevoegdheden van agentschappen kan dusniet zomaar en is een proces waarbij de lidstaten nauw betrokkenbij zijn. Het kabinet bekijkt bij voorstellen tot uitbreiding van debevoegdheden van agentschappen zorgvuldig de noodzaakdaarvan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 317, nr. 99921
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.