Verslag van een notaoverleg, gehouden op 16 juni 2025, over de Initiatiefnota van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen
Brontekst
Versie cc9827509b9179e0 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 624Initiatiefnota van het lid De Korte over eenkritische reflectie op euthanasie bij psychischlijden van jonge mensenNr. 16 VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEGVastgesteld 3 juli 2025 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op16 juni 2025 overleg gevoerd met de heer Karremans, StaatssecretarisJeugd, Preventie en Sport, over:–de initiatiefnota van het lid De Korte over een kritischereflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen(Kamerstuk 36 624);–de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d.10 februari 2025 inzake kabinetsreactie op de initiatiefnotavan het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasiebij psychisch lijden van jonge mensen (Kamerstuk 36 624, nr.2) (Kamerstuk 36 624, nr. 4).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,MohandisDe griffier van de commissie,Esmeijer kst-36624-16ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 161 Voorzitter: ThiadensGriffier: MeijerinkAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bevers, Bikker, Boomsma,Diederik van Dijk, Dobbe, De Korte, Paulusma, Thiadens en Westerveld,en de heer Karremans, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.Aanvang 13.01 uur.De voorzitter:Goedemiddag. Welkom allemaal. Het is 13.00 uur, dus we gaan van startmet het notaoverleg over de initiatiefnota van het lid De Korte van NSCover een kritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jongemensen. Allereerst een compliment aan mevrouw De Korte voor hetopstellen en verdedigen van deze initiatiefnota. Het is altijd bijzonder alseen collega van ons het initiatief neemt om eigen ideeën, doelstellingenen ambities te verwoorden. U wordt daarbij vandaag bijgestaan doormevrouw Wennekes en later, begrijp ik, door de heer Klaassen.Ook van harte welkom, natuurlijk, aan de Staatssecretaris Volksge-zondheid, Welzijn en Sport, die bij zo’n gelegenheid in de bijzondere rolvan adviseur optreedt. Welkom aan de ambtenaren die hem onder-steunen. Dat is er één, in dit geval. Welkom aan de Kamerleden aan mijnlinkerkant. Van links naar rechts zijn dat de heer Boomsma, NSC,mevrouw Bikker, ChristenUnie, mevrouw Paulusma, D66, de heer Diederikvan Dijk, SGP, de heer Bevers, VVD, mevrouw Westerveld,GroenLinks-PvdA en mevrouw Dobbe, SP. Natuurlijk ook van hartewelkom aan de mensen op de publieke tribune en de mensen die hetdebat volgen via de stream.Er is best veel spreektijd voor iedereen. We hebben vanmiddag tot 17.00uur de tijd. Ik zal voor dit moment nog even geen beperkingen opleggenaan het aantal interrupties, maar mocht de tijd daartoe aanleiding geven,dan zal ik ingrijpen. Ik zie een hand omhooggaan van de heer Bevers.De heer Bevers (VVD):Ik heb een punt van orde, als u mij dat toestaat. Het is bij initiatiefnota’sgoed gebruik dat we uitgebreid debatteren, met name over de beslis-punten. Daar heeft het kabinet ook op gereageerd. Ik heb dit weekend uitdiverse media en sociale media begrepen dat NSC – mede namensmevrouw De Korte, maar het zou een politiek novum zijn dat de indienerook gelijk een motie indient – overweegt om een motie in te dienen vooreen moratorium van minimaal drie jaar op euthanasie bij psychisch lijdenbij mensen tot 30 jaar. Ik zou graag horen of dat inderdaad zo is. Als dat zois, dan zou ik de NSC-fractie willen verzoeken om de tekst van die motieaan ons ter beschikking te stellen voor de eerste termijn, zodat wij daareventueel in de eerste termijn vragen over kunnen stellen. De strekkingvan die motie is zo vergaand en ligt zo ver buiten wat er in de notabesproken wordt, dat ik die echt graag in mijn overweging in de eerstetermijn zou willen meenemen. Via u, voorzitter, de vraag aan NSC: is datzo en bent u bereid de tekst aan ons op te leveren zodat wij daar kennisvan kunnen nemen?De voorzitter:Dank u wel. Ik zie al knikkende bewegingen aan mijn linkerkant. Ik geef hetwoord aan de heer Boomsma.De heer Boomsma (NSC):De VVD geeft aan dat dit in de media is geweest. We hebben het er ookgewoon over gehad. Dit voorstel staat inderdaad nog niet in de initia-tiefnota zelf, maar naar aanleiding van de gesprekken die we daarnaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 162 hebben gevoerd met velen in het land, het rondetafelgesprek hier en onzeeigen gesprekken zijn we tot het inzicht gekomen dat dit wenselijk is.Uiteraard kunnen we het erover hebben. Het lijkt me heel verstandig datwe dan ... Ik kan de tekst zo delen. Ik weet niet wat daarvoor de geëigendeweg is. Dan kunnen we ook in gesprek over hoe we dat eventueelformuleren en of daarin nog aanpassingen van de zijde van de VVDwenselijk zijn, of wat dan ook.De voorzitter:Dank u wel. Dan zie ik een hand van mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik vind dit toch een enigszins bijzondere gang van zaken. Er ligt een notavoor van het lid De Korte namens NSC. Volgens mij voeren we daar hetdebat over, maar staat het iedere fractie en ieder lid afzonderlijk vrij omdaar moties op in te dienen. Misschien heb ik nog wel verstrekkendermoties of andere moties dan de heer Boomsma. Die ga ik toch ook nietvan tevoren delen? We moeten toch gewoon kijken hoe het debat gaat?Stel dat er een hele heftige motie komt die om nadere bedenkingenvraagt, dan zijn wij met elkaar toch volwassen genoeg om dat tebespreken? Wat mij betreft gaan we gewoon het debat voeren. Ik vind hetwat bijzonder om aan elkaar te vragen om vooraf moties met elkaar tedelen, zeg ik ook even voor de toekomst. Wat mij betreft is dit niet de kantdie we op moeten gaan met elkaar.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Bikker. Dan als laatste het woord aan de heerBevers, en dan stel ik voor dat we gaan starten met het debat.De heer Bevers (VVD):Ik leg me uiteindelijk natuurlijk neer bij het besluit dat deze vergaderingneemt, maar dit is even ter verduidelijking aan mevrouw Bikker. MevrouwDe Korte heeft zelf aangegeven dat het mede namens haar is, alsindienster van de notitie. Als dat toegevoegd wordt aan wat we hiermoeten gaan besluiten, lijkt het mij goed dat we daar uitgebreid overdiscussiëren. Dat is de reden van mijn verzoek. Normaal gaan wenatuurlijk heel prudent om met moties en hoe we die indienen; ik kan medaar alles bij voorstellen. Het was gewoon een vraag naar aanleiding vanwat NSC zelf in de media heeft aangegeven. Daar laat ik het verder bij.Mijn verzoek is helder, en als we het niet doen, kan ik er ook mee leven.De voorzitter:Prima. Dan stel ik voor dat ik mijn introductie, waar ik mee bezig was,verder afmaak, tenzij er heel brandende kwesties zijn op dit moment. Diezijn er niet.Hoe ziet de behandeling van een initiatiefnota eruit? Daar was ik. Webeginnen met de zijde van de Kamer, die als eerste het woord zal voeren;daar waren we eigenlijk al half mee begonnen. Daarna schorsen we, zodatzowel de initiatiefnemer als de Staatssecretaris zich kan voorbereiden opde beantwoording van de vragen van de Kamer. Daarna gaan we doormet de eerste termijn beantwoording van de zijde van de initiatiefnemeren van de Staatssecretaris in de rol van adviseur. Die wordt gevolgd doorde tweede termijn van de Kamer en van de initiatiefnemer en de Staatsse-cretaris. Overigens staat het leden vrij om in de tweede termijn eventueelmoties in te dienen; daar ging het al even over. We gaan nu starten. Ikgeef als eerste het woord aan de heer Boomsma, NSC.De heer Boomsma (NSC):Dank u wel, voorzitter. Euthanasie is een beladen onderwerp, zeker bijpsychisch lijden en zeker bij psychisch lijden van jonge mensen. Vorig jaarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 163 ontstond een heftige maatschappelijke discussie met hartverscheurendeverhalen over jonge mensen die euthanasie hebben aangevraagd engekregen. In de media, ook op televisie, verschenen psychiaters dievonden dat de mogelijkheid voor euthanasie moest worden uitgebreid,maar andere psychiaters uitten juist grote zorgen hierover en vroegenzelfs aan het Openbaar Ministerie om in te grijpen. Feit is dat, ook met alleaandacht, het aantal euthanasieaanvragen en -verrichtingen de afgelopenjaren onder jonge mensen sterk is toegenomen, met name onder jongevrouwen.Tijdens het rondetafelgesprek hebben we ouders en een ervaringsdes-kundige gehoord, ouders van kinderen die radeloos waren en tot eenuiterste stap overgingen. We hebben in deze verhalen vaak gehoord datmensen een stem hoorden of ervaarden dat hun leven niets waard is, datze anderen alleen tot last zijn en dat ze niet in deze wereld passen. Dat iseen onvoorstelbaar groot verdriet en daar kunnen we alleen met zeergrote zorgvuldigheid en met respect over spreken. Toch heeft NSC dit aande orde gesteld, niet om de hele euthanasiewet ter discussie te stellen,absoluut niet, maar om toch aandacht te vragen voor deze nieuwesituatie. Dank dus aan voormalig Kamerlid mevrouw Hertzberger, die dezenota, die nu door mevrouw De Korte namens Nieuw Sociaal Contractwordt behandeld, op zeer zorgvuldige en genuanceerde wijze heeftopgesteld.In die nota wordt met name gewezen op de onduidelijkheden rondom dewettelijke zorgvuldigheidscriteria, dus de uitzichtloosheid en het criteriumdat er geen redelijke andere oplossingen zijn. De Staatssecretaris zegtechter dat er al veel onderzoek wordt gedaan. Mijn vraag aan mevrouwDe Korte is: is zij het met de Staatssecretaris eens dat er nu voldoendeonderzoek loopt? Welk onderzoek zou er anders nog meer gedaan moetenworden en zijn de beslispunten in de nota daarmee vervallen?Daarnaast hebben we de beslispunten over de zogenaamde commissievan wijzen. Tijdens het rondetafelgesprek bleek nog enige onduidelijkheidover de bedoeling hiervan. Sommigen dachten dat het idee was dat je bijelke euthanasieaanvraag een onafhankelijke commissie van wijzen zoumoeten vragen om zich uit te spreken, of dat er een soort landelijkecommissie zou moeten komen zoals de commissie-Schnabel, maar danover de zorgvuldigheidscriteria, namelijk de uitzichtloosheid en deprognoses. Kan mevrouw De Korte dat misschien nog nader toelichten enhelderheid geven over wat er wordt bedoeld met de commissie vanwijzen en waarom die belangrijk is?Voorzitter. De heer Bevers had het er ook al even over: wij denken dat opdit moment de onzekerheid over de toepassing van euthanasie bijpsychisch lijden van dien aard is dat we nu een pas op de plaats zoudenmoeten maken, zeker bij jonge mensen voor wie niet goed te voorspellenis of er niet toch nog andere oplossingen en andere perspectieven kunnenontstaan, zeker ook gezien de onomkeerbaarheid van euthanasie. Daaromoverwegen wij nu inderdaad om een motie in te dienen die oproept toteen moratorium. We willen er ook op wijzen dat bijvoorbeeld in hetliberale Canada nu tijdelijk een stop is gezet. Een commissie stelde daardat uitstel moet blijven gelden totdat de overheid – ik citeer – «ervanovertuigd is dat het op een veilige en verantwoorde manier kan wordenaangeboden». Andere redenen zijn gebrek aan consensus onder psychi-aters, die juist voor deze kwetsbare groepen zorgen, en onvoldoendevoorbereiding in ons zorgsysteem. Ik wil aan mevrouw De Korte en deStaatssecretaris vragen wat zij vinden van het moratorium in Canada bijeuthanasie voor psychisch lijden en of een dergelijk moratorium inNederland ook zou moeten gelden, vanwege alle onduidelijkheid.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik kan me dat zeer goed voorstellen, gezien de ontzettend zorgelijkeontwikkeling in Nederland. Ik heb het dan niet alleen over de enormeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 164 toename van euthanasie, maar ook over jonge mensen die ernstigpsychisch lijden en de verschillen van inzicht die er onder psychiaters zijn,die we ook breeduit in de media zien. Ik ben er dus voor. Dat is één. Maarik zie een praktisch probleem, waar ik de heer Boomsma graag een vraagover wil stellen. Mijn vraag is: hoe ziet hij dat voor zich? Onze huidige wetkent namelijk zwaktes. Daar heb ik ook een vraag over aan de Staatssecre-taris. Want als je ernstige ontwikkelingen ziet, hoe kan je daar dan opreageren? Onze huidige wet voorziet namelijk niet in een aan- of uitknopof in een moratoriumknop. Hoe ziet collega Boomsma dat dan voor zich?De heer Boomsma (NSC):Dank voor deze vraag. Ik denk dat het belangrijk is om eerst de discussiete voeren over de vraag of dit wenselijk is. Het is belangrijk om hetdaarover eens te worden. Daarna moeten we natuurlijk ook kijken hoe wedat zouden kunnen realiseren. Want het is inderdaad zo dat je niet eenaan- of uitknop hebt. Uiteindelijk ligt er een zeer zware verantwoorde-lijkheid bij de beroepsgroep zelf. Tegelijkertijd zien we dat psychiaters hethierover vaak niet eens zijn. Ook kan je volgens mij constateren dat ditniet alleen maar een medisch vraagstuk is, omdat euthanasie, zeker bijjonge mensen, aan bredere morele en existentiële vragen raakt. Soms zijnde oplossingen ook niet alleen van medische aard. Het gaat erom ofmensen erin slagen zichzelf opnieuw uit te vinden, om nieuw perspectiefte vinden in het leven. Wij denken dat die kans juist bij jonge mensen noggroot is. Wetenschappelijk gezien is het in ieder geval heel moeilijk tevoorspellen of dat niet toch kan veranderen en of ze niet toch meerperspectief gaan ervaren in hun leven.Daarom is het dus niet alleen aan de beroepsgroep, maar is het ook eenbreder vraagstuk dat we maatschappelijk moeten bespreken, vandaar ookdie commissie van wijzen. Daarom denken we dat we nu in ieder geval ditvoorstel moeten doen. Hoe we dat dan implementeren, is inderdaad devolgende vraag. Die zou ik eigenlijk ook bij mevrouw De Korte willenneerleggen. Ik denk dat er misschien verschillende mogelijkheden zijn. Debeste manier zou kunnen zijn dat als die wenselijkheid hier inderdaadwordt uitgesproken door de Tweede Kamer, dat dan ook wordt overge-nomen door de beroepsgroep en dat daarover een soort collectieveafspraak wordt gemaakt.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Als ik collega Boomsma goed begrijp, zegt hij: eigenlijk zal je nu allereersttoch met de beroepsgroep tot overeenstemming of tot een afspraakmoeten komen over de invulling. Maar deelt hij met mij dat we ook naaronze huidige wetgeving hebben te kijken bij onverwachte ontwikkelingenzoals deze? Deelt hij met mij dat de wetgeving daar eigenlijk nog geenpassend antwoord op heeft en dat het moratorium in die zin ook eenzoektocht is, waarbij we al eerder hadden kunnen leren van bijvoorbeeldCanada, om in de wetgeving nog zorgvuldiger te worden, juist bij dieonverwachte wendingen en gezien de zwaarte die het heeft? Dit zijnonomkeerbare beslissingen.De heer Boomsma (NSC):Daar ben ik het mee eens. Ik gaf net al aan dat het een medisch vraagstukis, dat aan de beroepsgroep van psychiaters is, maar dat het ook verderreikt en verstrekkende gevolgen en aspecten heeft. Er spelen morele enexistentiële overwegingen die ook de bevolking als geheel aangaan en diedus ook in de Tweede Kamer thuishoren. Daarover moeten we dus ookmet elkaar van gedachten kunnen wisselen en dergelijke besluiten kunnennemen. Dat is nu nog een zoektocht, maar wel een die we inderdaadmoeten inzetten.De heer Diederik van Dijk (SGP):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 165 Ik haak hier graag op aan. Ik ben blij met het toelichtende antwoord dat deheer Boomsma geeft. Ik zeg dit omdat de heer Boomsma redelijk stelligbegon. Hij zei: «De huidige wet staat niet ter discussie. Het zit «m in depraktijk. Daarbij is meer terughoudendheid vereist.» Maar ik leid uit zijnbeantwoording af dat NSC bepaald niet uitsluit dat er wel degelijk eenaanscherping van de wet zou kunnen komen, mocht de beroepsgroep nietbewegen et cetera.De heer Boomsma (NSC):Ik denk dat we nooit iets moeten uitsluiten. Kijk, als de Tweede Kamer inmeerderheid bepaalt dat een bepaalde wijziging wenselijk is ... Maar ikheb wel willen aangeven dat het ons er op dit moment niet om gaat dehele euthanasiewetgeving ter discussie te stellen, want die is in Nederlandinderdaad op een zorgvuldige manier tot stand gebracht. Alleen, erkunnen inderdaad in de uitvoering daarvan natuurlijk bepaalde risico’s ofveranderingen optreden, zoals we nu hebben gezien bij deze doelgroep,die nieuwe vragen opwerpen en waar we het dan toch met elkaar overmoeten hebben. Uiteindelijk is het inderdaad aan de Tweede Kamer om tebepalen wat er nog meer voor nodig is.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dat laatste is natuurlijk waar, maar nogmaals, juist omdat de heerBoomsma daar ook mee begon: de wet staat niet ter discussie; het gaatover de euthanasiepraktijk. De wet biedt gewoon ruimte, ook voor demanier van euthanasie uitvoeren die nu plaatsvindt. Waarop stoelen wedan de verwachting dat de beroepsgroep zelf een stap terug gaat doen,terwijl de wet ruimte biedt? Is dat denkbaar?De heer Boomsma (NSC):Ik denk dat dat zeker denkbaar is. De wet schrijft natuurlijk bepaaldevereisten voor. Die worden nader ingevuld door de beroepsgroep incriteria en handelsrichtlijnen. Hier ontstaan dus vragen over met name datcriterium van uitzichtloosheid. We worden geconfronteerd met hetfenomeen dat dat wetenschappelijk gezien heel moeilijk objectief is vast testellen, met name bij jonge mensen. We hebben eerder psychiatersgehoord die aangaven: het is heel moeilijk te voorspellen; er zit een groteonzekerheid in dit criterium. In maar 20% van de gevallen heeft het eenvoorspellende waarde, zei psychiater Van Os. Dus in heel veel gevallenweten we het niet. Ik denk dat zeker een groot deel van de beroepsgroep –dat blijkt ook wel uit onderzoeken naar hoe de beroepsgroep daaroverdenkt – daarmee bezig is en dat een verdere discussie over deze maniervan uitvoeren van de wet echt noodzakelijk is.De voorzitter:Er is een vraag van mevrouw Paulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Ik raak een beetje in de war van wat de heer Boomsma zegt. Misschien ismijn vraag ook wel een beetje de vraag die de heer Van Dijk stelt. De heerBoomsma begint zijn betoog met «wij tornen niet aan de euthanasiewet»,maar hij doet dat wel. Door een moratorium voor te stellen hak je immersecht het fundament onder deze wet weg. Tijdens de rondetafel hebbenalle experts aangegeven dat de politiek zich juist niet moet mengen in deruimte die deze zorgvuldige wetgeving laat aan het professionele oordeel.De heer Boomsma heeft de uitspraak gedaan «die afweging hoort thuis inde Tweede Kamer», maar die hoort hier beslist niet thuis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 166 Ik kijk ook even naar de aantallen, want ik hoor iedereen weer ontzettend«enorm» roepen. De RTE heeft verslag gedaan aan de Tweede Kamer: «Inhet jaar 2024 waren er 30 patiënten onder de 30 jaar, onder wie 0minderjarigen. De uitvoering vond plaats door 26 verschillende artsen engeen enkel geval is beoordeeld als onzorgvuldig.» Op die bijeenkomst gafde RTE ook aan dat er juist voor de aanvragen van jonge mensen eigenlijkal een soort commissie van wijzen is, want dan wordt het verzoek aan eenheel brede groep voorgelegd. Dat gebeurt dus in dit hele traject. Wat ikingewikkeld vind, is dat wordt begonnen met «we tornen niet aan eenzorgvuldige euthanasiewetgeving», terwijl dat exact is wat de heerBoomsma in het hele betoog aan het doen is. Het is of het een of hetander.De heer Boomsma (NSC):Even voor alle duidelijkheid: ik zeg niet dat de Tweede Kamer moetoordelen over individuele gevallen. Natuurlijk niet. Wat ik wilde aangeven,is dat de vraagstukken over euthanasie bij psychisch lijden onderjongeren en de ontwikkelingen die zich daarbij in brede zin voordoen, welonderdeel moeten zijn van een breder maatschappelijk gesprek, en dat datgesprek ook thuishoort in de Tweede Kamer.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Paulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Daar ben ik het pertinent mee oneens, want wij zijn geen psychiaters. Wijzijn geen professionals. Wij zijn gekozen door burgers. We zijn leken-bestuurders. Na vier jaar denk ik eindelijk een beetje te begrijpen hoeVWS werkt, maar we zijn geen experts. Wij zijn niet de professionals. Ikhoorde de heer Boomsma ook zeggen dat er heel veel onduidelijkheid isen heel veel gedoe, maar de KNMG en de beroepsgroep van psychiaterswaren in de afgelopen week heel duidelijk: er is geen gedoe. Zij gaan overde richtlijnen. Daar moeten wij op vertrouwen. Wij moeten zorgen dat erzorgvuldige wetgeving is, waarin het medisch oordeel niet aan NSC is,maar aan professionals die hier jaren voor gestudeerd hebben. Die zijnhier heel druk doende mee en zijn hierover in gesprek. De richtlijnenhoren daar. De wetgeving hoort hier. Wat NSC nu doet, is wél aan dewetgeving tornen. En dat is een hele kwalijke ontwikkeling.De heer Boomsma (NSC):Daar ben ik het niet mee eens. Uiteindelijk gaan wij er natuurlijk sowiesoover, omdat wij in de Tweede Kamer wetgeving vaststellen. Dat hebbenwe eerder ook gedaan. Dat is in alle landen het geval. Daar wordtwetgeving gemaakt over euthanasie of niet en over de voorwaarden en decriteria daarbij. Dat is onderdeel van wetgeving. Wat ik heb willenaangeven, is dat wij nu niet de volledige euthanasiewet ter discussiewillen stellen. Wij willen alleen dat er aandacht komt voor dit specifiekegeval, voor de ontwikkeling die zich nu voordoet. Het klopt, wij zijn geenpsychiaters. Wat ik heb aangegeven, is dat de vragen die het verrichtenvan euthanasie in bredere zin, maar met name bij deze gevallen, onderdeze doelgroep, oproept, niet alleen van medische aard zijn. Dat heb ik inde afgelopen maanden in de rondetafelgesprekken en in de persoonlijkegesprekken die wij hebben gevoerd, ook veel gehoord. Het is niet alleeneen medische vraag, want het gaat juist ook om existentiële en morelevragen. Ik denk bijvoorbeeld aan mensen die het gevoel hebben ofstemmen horen dat hun leven er niet toe doet, dat hun leven niks waardis, dat ze alleen maar anderen tot last zijn. Hoe je je eigen leven als zinvolkunt ervaren en hoe zich dat verhoudt tot anderen en jouw positie in desamenleving, raakt dus aan bredere maatschappelijke vragen. Dat raaktook aan bredere maatschappelijke discussies. Dat is dus niet alleen eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 167 biologische of medische kwestie. Daarom is het belangrijk om diediscussie te voeren.Wij constateren toch dat wetenschappelijk niet goed objectief is vast testellen of er bij psychisch lijden sprake is van uitzichtloosheid. Dat is metname gericht op de prognose en de vraag of er nog andere behande-lingen nodig zijn. Die discussie wordt natuurlijk ook beïnvloed door hetmaatschappelijke debat. Je wil voorkomen dat het idee van «mijn leven iszo zinloos en zo weinig waard, dus de beste en enige oplossing is dat ereinde komt aan dat leven» zich te snel gaat vastzuigen in de gedachtenvan iemand. Ik denk dat dat een risico is dat je ook moet overwegen.Daarom denken wij dat het dus goed is om toch een pas op de plaats temaken.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Paulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Ik denk dat het heel goed zou zijn als NSC een pas op de plaats zoumaken. Als we namelijk kijken naar de uitgevoerde euthanasie in hetafgelopen jaar, dan zien we dat er nul, echt nul, uitvoering als onzorg-vuldig is bestempeld. In de RTE zitten bijvoorbeeld ook ethici. Dus ja, dit iseen breed vraagstuk. Maar dit gaat niet over één nacht ijs. Er is namelijkgeen arts die dit makkelijk vindt om te doen. Er is ook geen arts die overéén nacht ijs gaat en zegt: dit gaan we doen. Het gebeurt echt heelzorgvuldig. Ik hoor de heer Boomsma nu een aantal keren zeggen: dangaat het in je hoofd zitten en dan is dat de enige oplossing. Dat ishelemaal niet wat er gebeurt. In al deze gevallen is er een ontzettend langtraject geweest, waarin juist álle mogelijkheden besproken zijn. Alleuitvoeringen zijn als «zorgvuldig» bestempeld. Men gaat in dit zorgveldniet over één nacht ijs. Ouders gaan niet over één nacht ijs. Helemaalniemand gaat over één nacht ijs. De wet is zorgvuldig. U gaat op de stoelvan professionals zitten en dat is uitermate onzorgvuldig. Dat is niet mijnpersoonlijke mening, maar dat is wat professionals uit het hele veldallemaal aangeven. Ik zou u dus echt met klem willen verzoeken en op hethart willen drukken om hier niet iets te gaan doen wat mensen gaatbeschadigen.De heer Boomsma (NSC):Er zijn ook echt professionals en psychiaters die juist deze zorg delen endus ook onze oproep steunen. Ik neem dus aan dat u dat ook heeft gezien.Voor alle duidelijkheid: ik beweer helemaal niet dat er allerlei onzorg-vuldige besluiten worden genomen. Dat zeg ik niet. Ik zeg dus niet dat erin individuele gevallen onzorgvuldig wordt gehandeld. Dat zou ik zekerniet beweren en ook zeker niet dat mensen daarbij over één nacht ijsgaan. Dat werp ik verre van mij. Dat beweren wij niet en dat is niet dediscussie die wij hier willen voeren. Maar er kan een bepaalde dynamiekontstaan. We zien dus nu die stijging, met name onder specifieke groepenjonge mensen. Dat zijn groepen als jonge meisjes, waarvan sommige meteetstoornissen en meervoudige problematiek. Daaraan gekoppeld zit hetfeit dat een euthanasieverrichting natuurlijk onomkeerbaar is, maar ookdat er wetenschappelijk gezien dus toch echt best veel onzekerheid is overdat criterium van uitzichtloosheid. Dat vinden wij van dien mate dat wemoeten denken: laten we nu even pas op de plaats maken, kijken welkedynamieken hier spelen en kijken wat er gaande is in de ggz. We hebbenin de rondetafelgesprekken ook iemand gehoord die zei: niet zozeer hetlijden is uitzichtloos, maar de positie van de ggz is uitzichtloos. Dat zijnook discussies die we met elkaar moeten voeren. Daarom denken wij:maak voor nu die pas op de plaats.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 168 Er is eerst een vraag van mevrouw Dobbe en daarna van mevrouwWesterveld.Mevrouw Dobbe (SP):Allereerst dank aan NSC voor het ter tafel brengen. Ik denk dat het heelgoed is om het hierover te hebben. Ik vroeg mij echter het volgende af.Als ik de uitgangspunten wat beter begrijp, ook van het voorstel voor eenmoratorium, dan weet ik beter wat NSC als het uiteindelijke doel ziet. Deeerste vraag die ik heb als ik NSC hoor over een moratorium, is of hetvolgens NSC mogelijk is, hoe ingewikkeld het ook is – het is goed om tekijken of dat zorgvuldig gebeurt of niet – om een criterium van uitzicht-loosheid vast te stellen bij jongeren, of in ieder geval bij jonge mensen.Het gaat niet alleen om jongeren, maar ook om jonge mensen. Of zegtNSC: dat kan sowieso niet; dat moratorium is eigenlijk een opmaat totverandering van de wet? Is het mogelijk volgens NSC?De heer Boomsma (NSC):Ik vind dat een hele moeilijke vraag om te beantwoorden. Maar dat isprecies de reden dat we daarvoor een commissie van wijzen willeninrichten en ook de reden dat nader onderzoek mogelijk moet wordengemaakt. Dat is precies om dit soort vragen te beantwoorden. We wetennamelijk wel dat de hersenen van jonge mensen nog in ontwikkeling zijnen dat zij soms nog nieuwe perspectieven kunnen krijgen. We hebben ookgesproken met mensen die een zeer overtuigde wens hadden om nietmeer te leven en euthanasie te verkrijgen, maar daar toch weer van af zijngekomen. Dan zijn we verplicht om dat verder te onderzoeken. Totdat wedaar meer duidelijkheid over hebben – we hebben nu die termijn gekozen– kunnen we de komende jaren even alles goed op een rij zetten, kijkenwat de huidige stand van de wetenschap is en wat er nog nader kanworden onderzocht en vervolgens kijken hoe we hiermee omgaan.Mevrouw Dobbe (SP):Dat het ingewikkeld is en dat er mensen zijn die van gedachten veran-deren – het is natuurlijk fantastisch als dat gebeurt, omdat die wens danweg is en er weer perspectief ontstaat – is natuurlijk ook bekend. Dat isook een reden waarom ontzettend veel van de aanvragen ofwel nietworden gehonoreerd ofwel worden ingetrokken. Dat gebeurt met hetovergrote deel. Maar er kan altijd nog een groep zijn waarvoor het echtuitzichtloos en echt ondraaglijk is. Als je daar nu een moratorium overuitspreekt, laat je die mensen drie jaar lang zitten met ondraaglijk enuitzichtloos lijden. Dus mijn vraag aan NSC is: wat doet u met die groep?Of bestaat die groep volgens NSC niet, omdat er altijd weer perspectiefgevonden kan worden?De heer Boomsma (NSC):Ik vind dat een hele terechte vraag, eentje waar wij ook mee worstelen. Ikdenk dat die groep bestaat. Het is zeker mogelijk dat er mensen zijn vanwie het lijden daadwerkelijk zo uitzichtloos is. Alleen, aan de andere kantdenk ik dus dat er ook mensen zijn voor wie er mogelijk toch nog eenandere oplossing is. Dan moet je dus gaan wegen. Ik denk dus dat eenmoratorium ertoe zou kunnen leiden dat bepaalde mensen langer lijden,omdat ze geen euthanasieverzoek ingewilligd kunnen krijgen tijdens hetmoratorium. Daar staat tegenover dat euthanasieverrichtingenonomkeerbaar zijn. Het risico van het uitblijven van een dergelijk besluit istoch dat er euthanasie verricht wordt bij mensen voor wie er andereoplossingen waren. Als je die risico’s dus moet wegen – dat is buiten-gewoon zwaar, maar daar moeten we niet voor weglopen – dan kiezen wijdus voor dat laatste, voor dat moratorium.Mevrouw Dobbe (SP):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 169 Oké. Dan is het mij in ieder geval duidelijk, maar dan zou het dus welkunnen dat er straks, als dit aangenomen zou worden, een groep jongemensen terechtkomt in een situatie van ondraaglijk en uitzichtloos lijden,die dan ook moeten blijven lijden. Ook kan er nog een extra risico zijn enik ben ook wel benieuwd wat NSC daarvan vindt. Er zijn professionals diezeggen dat juist het gesprek over euthanasie, omdat de optie er is, ertoekan leiden dat mensen het besluit nemen toch in behandeling te gaan, dathet hen juist heel erg helpt en ook helpt met bijvoorbeeld het intrekkenvan een euthanasieaanvraag of het duidelijk krijgen van wat er aan dehand is met mensen. Op het moment dat je die optie niet hebt, zou datjuist schadelijk kunnen zijn voor het kunnen behandelen van iemand diedood wil. Ik vraag mij af: hoe kijkt NSC dan naar de professionals die datzeggen, omdat een moratorium hun daadwerkelijk in de weg zou zitten?De heer Boomsma (NSC):Ten aanzien van het eerste: inderdaad, ik denk dat je niet kunt uitsluitendat er een risico is dat mensen die uitzichtloos lijden, dan langer lijden,maar dat moet je dus afwegen tegen het risico dat we nu lopen, namelijkdat mensen voor wie er mogelijk wel andere oplossingen zouden zijn,alsnog euthanasie krijgen. Maar dat heb ik dan hopelijk verduidelijkt. Hetis dus de vraag hoe we die twee dingen wegen.Wat betreft het andere aspect zeg ik het volgende. Ik heb inderdaad in degesprekken gehoord dat er mensen zijn die een euthanasietraject zijnbegonnen en het vervolgens ervaren hebben als: nu kan mijn gedachteover een doodswens een plek krijgen. Dat kan helpen. Ik denk dat het zaakis – dat hebben we ook met psychiaters besproken – dat deze gedachten,waar deze mensen mee rondlopen, in een eerder traject op een anderemanier ook ter sprake moeten kunnen worden gebracht, in plaats vanalleen direct bij een euthanasieverzoek. Dan is het wel zaak dat je daar inde praktijk ruimte voor biedt. Mensen moeten wel de ruimte voelen omzulke gesprekken te voeren. Ik denk dat dat mogelijk is; dat hebben wij ookzo begrepen van meerdere psychiaters.De voorzitter:Dan een vraag van mevrouw Westerveld en daarna van de heer Bevers.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Het gesprek over euthanasie is een heel langlopend, zorgvuldig trajectdoor de beroepsgroep. Ik denk dat we heel erg moeten uitkijken dat wedat zorgvuldige traject niet doorkruisen met een middag debatteren doormensen die hier niet dagelijks mee bezig zijn, sterker nog, die het grootstedeel van de tijd met andere zaken bezig zijn. Want natuurlijk gaan wij overde randvoorwaarden, maar de precieze invulling, die zorgvuldigheid, zouik graag bij de beroepsgroep en bij ervaringsdeskundigen leggen. Mijnvraag aan NSC is: wat is nou precies het voorstel? Ik lees in de initia-tiefnota een aantal zaken en ik hoor hier ook een aantal zaken waaroverwe ook nog wel een discussie kunnen voeren. Zo wordt de situatie inCanada ter onderbouwing aangedragen, maar volgens mij is die heelanders. Ik lees in de nota ook: er is een lage bereidheid om het uit tevoeren. Dat betekent natuurlijk niet dat er weinig draagvlak is. Datbetekent dat mensen zelf soms een grote drempel over moeten om tebedenken of ze zoiets zelf willen uitvoeren. Laten we nou uitkijken met hetaandragen van dat soort argumenten. Mijn vraag aan de heer Boomsmais: wat is nou precies het voorstel? Is dat om de richtlijnen te herzien of isdat om nu een moratorium in te stellen?De heer Boomsma (NSC):We hebben een aantal voorstellen. Een aantal is natuurlijk vervat in debeslispunten. Daar gaat mevrouw De Korte zo meteen op in. Een aantalhebben wij in een motie gezet. Dat gaat om wetenschappelijk onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1610 en om de commissie van wijzen. Daarnaast willen wij voorstellen om eenpas op de plaats te maken door middel van een moratorium, totdat wemeer weten.De voorzitter:Er is een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Maar dan zou ik de heer Boomsma willen vragen welke gevolgen dat gaathebben, niet alleen voor de mensen die nu misschien met een trajectbezig zijn, maar ook voor de mensen, de jongeren, die het heel waardevolvinden om het gesprek te kunnen voeren over het levenseinde. Dat gavenze ook aan, hier maar ook in andere gesprekken. Zij geven ook aan datzo’n gesprek soms kan helpen. We hebben ook de cijfers gezien, waaruitblijkt dat het overgrote merendeel van de mensen zelfs stopt, omdat zeaangeven dat er toch weer een andere weg is. Een aantal van hen – datvind ik nog schrijnender – stopt zelf met het leven, op een andere manier,door middel van suïcide. Wat zijn dan de gevolgen als we dat besluitzouden nemen? Is daar goed genoeg over nagedacht?De heer Boomsma (NSC):Dat is een hele terechte vraag. Daar denk je natuurlijk heel intensief overna, voordat je zo’n voorstel doet. Het is ook goed om dat gesprek tevoeren. Maar ik heb net tegen mevrouw Dobbe al het een en andergezegd over hoe wij die risico’s wegen. Wij zien het risico dat de mensendie uitzichtloos lijden, nu dan niet een euthanasietraject in zouden kunnenals ze jong zijn. Maar daar staat het risico tegenover dat er menseneuthanasie verricht krijgen voor wie toch een andere oplossing zoukunnen bestaan. Ik ben het er ook mee eens dat het belangrijk is datmensen dat gesprek kunnen voeren, maar ook daar is het een afweging.Voor sommige mensen kan het een opluchting zijn om dat gesprek tekunnen voeren over hun eigen wens, hun doodswens of euthanasiewens.Maar ik denk dat het belangrijk is om dat gesprek in een eerder stadium tevoeren, zodat mensen toch die ruimte voelen om deze gedachteswaarmee ze spelen te kunnen bespreken met hun behandelend artsen ofmet andere mensen. En dat dat niet per se noodzakelijk is: ik denk niet dateen euthanasieverzoek de enige optie is om dat gesprek te kunnenvoeren. Het is zeker een aandachtspunt, maar zo denken wij erover. Ikdenk dat het zorgvuldig is om nu pas op de plaats te maken, en dat derisico’s dan kleiner worden.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik denk dan ook dat de argumentatie heel zorgvuldig moet zijn. Als ik danhoor dat het goed kan zijn om het gesprek te voeren, maar ook zonder dathet een optie is, lijkt me dat, zeker met deze doelgroep, juist een heelgroot risico. Volgens mij zijn dat wel zaken waar we veel beter overzouden moeten praten dan in het kader van een onderwerp dat nu evenop tafel wordt gelegd.Ik zou nog één vraag willen stellen. De heer Boomsma heeft het in zijntekst een paar keer over de «andere oplossingen» en de «redelijkeoplossingen». Een aantal keer verwijst hij ook naar de ggz. Maar er staanongelofelijk veel mensen op de wachtlijsten voor de ggz. Sterker nog, diewachtlijsten groeien. Ik zou de heer Boomsma dan willen vragen waaromer in deze nota vooral wordt aangedrongen op meer onderzoek in plaatsvan op meer oplossingen. Waarom wordt in het regeerprogramma,waaronder ook de fractie van NSC de handtekening heeft gezet, geenenkele keer het woord «ggz» genoemd? Dat zeg ik niet om hier flauw teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1611 zijn en een flauwe politieke discussie aan te zwengelen. Wel heb ik ook indeze Kamer de afgelopen paar jaar dat noodzakelijke debat gemist over dehoogspecialistische ggz en de urgentie die er is voor mensen om eenuitzicht te hebben, namelijk op een einde aan de wachtlijst. Waarom isdaar niet meer op ingezet, als dat volgens de NSC-fractie wel een van dezaken is die zouden moeten verbeteren?De heer Boomsma (NSC):Eerst even: het is natuurlijk niet zo dat wij nu even iets op tafel leggen. Ditinitiatief is echt zorgvuldig voorbereid. We zijn hier al maanden mee bezig.Ook de gedachtevorming is al heel lang gaande. Het is dus niet dat wijeven een middagje dit gesprek voeren. Wat betreft de discussie over deggz: ik vind dat een heel terechte vraag. Ik zeg dat ook maar gewooneerlijk. Dat is een aspect dat wij ook moeten betrekken. We hebben hetnatuurlijk wel aangehaald. We vinden ook dat dit nader moet wordenonderzocht. We hebben ook gehoord van mensen die daar zelf op wijzenen die zeiden: mijn dochter had zó veel verschillende behandelaars, diestond ook op wachtlijsten, die moest zo vaak verhuizen omdat gemeentesverschillende voorzieningen hadden; dat heeft niet bijgedragen, dat heefthet zo veel moeilijker gemaakt. Terwijl: wat sommige mensen nodighebben, is hulp van iemand die langdurig bij ze is. We moeten dus eensysteem hebben dat ervoor zorgt dat dat mogelijk is, zodat mensen tegendeze patiënten kunnen zeggen: ik ben er voor je, ook als het langer duurt;ik ga niet over drie maanden weg omdat er dan een andere behandelaaraankomt of wat dan ook; ik ga ervoor zorgen dat je hier lange tijd kuntblijven, zodat je echt voelt dat ik er voor je ben. Dat is een heel wezenlijkevraag en ik denk dat we het aan onszelf verplicht zijn om het gesprekdaarover ook te voeren.De voorzitter:Dan een vraag van de heer Bevers en daarna van mevrouw Paulusma.De heer Bevers (VVD):Mijn collega’s hebben al heel veel gezegd. Er zijn ook heel veelantwoorden gegeven door collega Boomsma, maar ik ga toch nog even inop zijn opmerking dat het eerder in het traject mogelijk zou moeten zijnom over de doodswens van mensen te praten. Daarmee impliceert hij watmij betreft toch dat psychiaters in situaties die er in het verleden zijngeweest en die nu misschien lopen, hun werk niet goed hebben gedaan.Denkt u niet, net als ik, dat als het mogelijk zou zijn ... We hebben het nietover iets wat zomaar opkomt. We hebben het hier over mensen die al heellang therapie hebben gevolgd en psychofarmaca hebben gebruikt, maarbij wie niets meer helpt. Uiteindelijk leggen zij, in uiterste nood, dezewens op tafel – anders plegen zij wellicht op een hele nare manier suïcide– en proberen zij hier humaan mee om te gaan.Ik ben op zoek naar het volgende. U heeft het steeds over eventueleandere mogelijkheden. We kennen die discussie ook bij de somatiek:waarom is het leven op enig moment uitzichtloos? Waar u volgens mijaan voorbijgaat – dat vraag ik u – is dat uitzichtloosheid en hoe je dieervaart, altijd een persoonlijk karakter hebben: hoe kijk je daartegen aan?Ik heb nog even gekeken: 94% van de mensen in Nederland die sterven,en dat zijn er heel veel op jaarbasis, kiest niet voor euthanasie. Niet. Zehebben de keuze. Die keuze bieden we ook aan mensen, een beperktegroep jonge mensen, die geen uitzicht meer hebben, die voelen dat hunsituatie uitzichtloos is. Aan dat aspect gaat u volgens mij helemaal voorbijin uw redenering. Het heeft namelijk ook iets met jezelf te maken. Dieuitzichtloosheid is nooit 100% wetenschappelijk vast te stellen; je hebtnamelijk ook je eigen gevoel. Er zijn heel veel mensen die terminaal ziekzijn, maar niet kiezen voor euthanasie. Er zijn er ook een hoop die dat weldoen, maar dat is een keuze; dat hangt af van hoe je je eigen uitzicht-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1612 loosheid ervaart. Ik vraag me af hoe u dat in dit hele verhaal onder wiltbrengen, want ik hoor daar op geen enkele manier ruimte voor.De heer Boomsma (NSC):Dank voor de vraag. Ik denk dat de discussie niet zo plat te slaan is alszeggen dat een psychiater blijkbaar zijn werk niet goed heeft gedaan alsmensen ervaren dat ze eerder het gesprek over die doodswens nietkonden voeren. Ik denk dat het allemaal veel complexer is. Ik heb gehoordvan mensen die zich daardoor geremd hebben gevoeld. Dat is ook eenlastige afweging, want een behandelaar wil mensen natuurlijk graagperspectief bieden. Die wil dus niet snel meegaan in de doodswens vaneen patiënt, en toch moet er ruimte zijn om dit gesprek te voeren. Dat iseen complexe afweging en het is aan psychiaters om die te maken, maarje kunt niet direct constateren dat een psychiater zijn werk niet goed heeftgedaan omdat mensen niet altijd de ruimte voelen om dat ter discussie testellen. Wij denken wel dat er ruimte is en moet zijn om dit gesprek tevoeren op een andere manier dan alleen binnen de kaders van eeneuthanasieverzoek.Dan de vraag of het een individuele keuze is. Ja, voor een deel wel, maarer is wel een heel groot verschil met somatische klachten, waar de heerBevers over begon. Er is echt een enorm verschil tussen het bepalen vanuitzichtloosheid bij psychische aandoeningen en prognoses bijsomatische klachten, zoals bij kanker, hartklachten of andere somatischeaandoeningen. In onze ogen is er echt een enorm verschil, in de morele,existentiële en ethische vraag, tussen levensbeëindiging bij iemand meteen levensverwachting van twee weken, wat je wetenschappelijk vrijobjectief kunt vaststellen, en levensbeëindiging bij iemand met eenlevensverwachting van misschien wel 50 jaar. Dat zijn gewoon tweeverschillende dingen.Daarom is het echt belangrijk om dat verschil te maken in de discussie diewe nu voeren. Uiteindelijk hebben mensen natuurlijk ook een eigen keuze.Alleen leven mensen in een sociale omgeving en worden hun individuelerationele afwegingen en keuzes enorm beïnvloed door discussies, doorhun eigen verwachtingen, door de maatschappelijke omstandigheden endoor allerlei andere gedachtes; die zijn altijd onderdeel van een collectief.Dat hoor je ook vaak in de gesprekken met mensen die hiermee hebbengeworsteld. Dat is misschien iets wat vanuit een liberaal standpunt nietaltijd even goed kan worden begrepen, omdat men heel erg de indivi-duele rationale capaciteit benadrukt. Als mensen inderdaad het gevoelhebben dat ze anderen tot last zijn en als dat gaat rondzingen, geeft dat alaan hoezeer dat verbonden is met een hele maatschappelijke discussie.Het is dus een individuele keuze, maar het is niet een louter individuelekeuze die alleen maar in een soort afzonderlijkheid wordt gemaakt dooreen atomair individu. Het is veel complexer en ook veel socialer enmaatschappelijker dan dat.De voorzitter:Er is een vervolgvraag van de heer Bevers.De heer Bevers (VVD):De heer Boomsma gaat nu een afslag nemen waarvan ik niet weet of ikdie zou willen nemen, maar goed. Ja, de mens is onderdeel van zijnomgeving. Dat is heel helder; dat ziet een liberaal net zo goed als eenchristendemocraat dat ziet en daar is, denk ik, geen verschil tussen. Eenmens is onderdeel van zijn omgeving. U stelt het volgende voor en daarzit het «m voor mij in. Ik ben er ook naar op zoek waar die onderliggendebehoefte vandaan komt om anderen de keuze te ontzeggen om voorzichzelf een besluit te nemen. Niemand in Nederland is verplicht omgebruik te maken van het recht op euthanasie. We willen de anderen eenkeuze bieden, een keuze om daar waar het leven uitzichtloos geworden isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1613 en waar het leven lijden is geworden er op een humane wijze een eindaan te maken – het klinkt heel bot zoals ik het zeg; zo bedoel ik hetnatuurlijk niet – dus om dat leven op de manier te beëindigen zoals hij ofzij dat wil. Ik blijf zoeken waar nu de dringende behoefte vandaan komtom de ander, mij, de ander, die keuzevrijheid te ontzeggen, want datbegrijp ik niet. Ik snap dat heel veel mensen er niet voor kiezen, maarwaarom zou ik de ander de ruimte moeten ontzeggen om die keuze wel temaken?De heer Boomsma (NSC):Maar deze discussie gaat dan verder dan de huidige euthanasiewet-geving, want die kent natuurlijk een aantal criteria. In de huidige wet moetaan die criteria worden voldaan. Ik weet dat er mensen zijn die een soortvoltooid leven bepleiten, dus dat iedereen die de wens heeft dat er eeneinde wordt gemaakt aan zijn of haar leven, of boven een bepaaldeleeftijd, dat recht moet krijgen. Alleen is dat niet hoe de huidige euthana-siewetgeving werkt. Het is dus niet zo dat wij allerlei mensen hiermee eenkeuze willen opdringen. Integendeel, we willen juist aandacht vragen voorhet feit dat sommige mensen zich soms gedwongen voelen om bepaaldestappen te zetten als er misschien nog andere oplossingen zijn. Daaromhebben we het nu met name over jongeren, waarvan is vastgesteld dathun hersenen vaak nog onvolgroeid zijn. Zeker bij mensen die psychischlijden kan het zijn dat de ontwikkeling van hun hersenen nog wat isuitgesteld door de verschillende behandelingen, of door andere ontwikke-lingen zoals trauma’s, dus dat die nog wat langer de tijd nodig hebben omtot dit soort besluiten te komen. Daar gaat het om: zorgvuldigheid enextra zorgvuldigheid.Mevrouw Paulusma (D66):Als het gaat om extra zorgvuldigheid, zou ik collega Boomsma wel willenverzoeken om de woorden «mensen voelen zich gedwongen om vooreuthanasie te kiezen» niet te gebruiken. Dat is niet wat er aan de hand is indit land. Dat is niet hoe het beoordeeld wordt en dat is niet hoe hetgetoetst wordt. In dit land wordt niemand gedwongen tot euthanasie.Maar ik kom even terug op dat moratorium. Kijk, wij gaan het niet eensworden; dat is, denk ik, wel een beetje de uitkomst van deze middag. Maarvan dat moratorium heb ik echt enorme buikpijn. Ik zal dat toelichten. Iklees even een stukje voor, want dan hebben we het echt heel zorgvuldig inbeeld. Het Expertisecentrum Euthanasie heeft aangegeven: «10% van depatiënten die zich bij het EE melden op basis van psychisch lijden krijgtuiteindelijk euthanasie. Bij patiënten onder de 30 jaar is dat 4%.»Nu komt het belangrijkste. 96% van de jonge hulpvragers voor psychischlijden stopt het euthanasietraject voortijdig. 47% trekt zijn verzoek in nagesprekken met medewerkers. 45% gaat of is nog in behandeling ofvoldoet niet aan de zorgvuldigheidseisen. 4% – dat klinkt als een kleinaantal, maar dit is enorm – overlijdt door suïcide gedurende hetonderzoek bij het euthanasieverzoek. Dan zegt EE: door in alle openheid ingesprek te gaan met mensen over euthanasie, krijgen mensen vaak luchtom de wens daadwerkelijk te doorvoelen, waardoor nood vaak wegebt.Als NSC doorzet dat er een moratorium moet komen, gaan deze cijfersvan tafel, want dan ís er geen gesprek meer. Dan kiezen mensen niet vooreen andere optie. Dan ebt de urgentie en de nood niet weg. Ik vind dat umet dat moratorium, los van de moeilijk te accepteren woorden «danmoet het lijden van sommige mensen maar wat langer duren», mensengoede zorg ontneemt. Dat is misschien nog wel het allerergste.De heer Boomsma (NSC):Dat denk ik niet. Het is niet zo dat er dan geen gesprek meer mogelijk is,zoals mevrouw Paulusma zegt. Integendeel. Dat gesprek moet natuurlijkjuist worden voortgezet. Een moratorium zou zeker niet betekenen dat erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1614 geen gesprek meer mogelijk is. Zij zegt dat er veel mensen zijn dievoortijdig het traject stoppen. Gelukkig wel.Mevrouw Paulusma (D66):Wederom, die twee dingen kunnen niet naast elkaar bestaan. Het is alsofik tegen mijn kinderen zeg «jullie mogen kiezen waar we naartoe gaan opvakantie, maar het wordt niet Frankrijk», terwijl mijn kinderen dat wel heelgraag zouden willen. Waar hebben we het dan over? Welke roze olifant inde kamer gaan we dan wel bespreken en welke mogen we nietbenoemen? Als de keuze voor euthanasie er niet kan zijn voor dezedoelgroep, dan is het voeren van een gesprek daarover een farce. Je kuntniet tegen mensen zeggen: deel je diepste angsten en gevoelens met mij,maar deze optie sluiten we uit. Dat is mensen naar huis sturen en de deurdichtdoen.De heer Boomsma (NSC):Een reis naar Frankrijk kun je afblazen, of je kunt naar Frankrijk gaan enterugkeren. Ja, u kunt heel hard zuchten, mevrouw Paulusma, maar hetrelevante bij euthanasie is dat het onomkeerbaar is. Daarom is veelgrotere zorgvuldigheid vereist en denken wij dat er een grotere nadrukmoet zijn op het vermijden ervan, juist vanwege die onomkeerbaarheid.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Hierop aansluitend: juist vanwege die zorgvuldigheid proberen mevrouwPaulusma, meneer Bevers, mevrouw Dobbe en ik al een paar keer vragente stellen over wat dit in de praktijk gaat betekenen. Wat gaat dit nou in depraktijk betekenen voor die jongeren die nu een traject zijn gestart, die nueen gesprek hebben met een hulpverlener over het einde van het leven,die aangeven dat dat ook helpt, die soms daardoor ook weer kansen zienen weer hoop vinden? Wat gaat dit dan betekenen voor die jongeren? Ikvind het te makkelijk om dat de hele tijd weg te wuiven. We hebben hethier niet alleen over richtlijnen op papier, maar vooral ook over wat dit inde praktijk gaat doen. We hebben het over een heel klein groepje mensen,waarvan ook deskundigen aangeven dat hun lijden zodanig ondragelijk isdat ze euthanasie kunnen krijgen. Dat is een kleine groep. Maar wat wordtdie groep nu ontnomen? En wat wordt die bredere groep ontnomen, diejuist door de waarde van die gesprekken wel weer een andere weg ziet?De heer Boomsma (NSC):Wij wuiven dat zeker niet weg. Dat moeten we ook absoluut niet doen. Ikheb alleen willen aangeven dat er in die ingewikkelde afweging, naast hetrisico dat je mensen hebt die lijden en die daarvoor niet de oplossing vaneuthanasie zouden kunnen krijgen, dus heel veel andere risico’s zijn. Jeziet nu die stijging, ook vanwege dat Werther-effect en de discussie endergelijke, en dat andere jongeren eerder het idee krijgen dat dit eenoplossing is en dat die dan ook toestemming krijgen voor euthanasie,terwijl er toch nog andere opties zijn. We hebben nou eenmaal te makenmet het fenomeen dat er heel veel onzekerheid is over het criterium«uitzichtloosheid» en dat jonge mensen nog kunnen veranderen. Erkunnen dus vaak nog andere perspectieven ontwikkelen. Dan vinden wijdat we daar nu de nadruk op moeten leggen.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dan ga ik het toch specificeren. Heeft de fractie van NSC bijvoorbeeldgesprekken gevoerd met 113 om te vragen wat dit voorstel gaatbetekenen voor de suïcidecijfers? Want dat zijn wel de vragen waarop weTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1615 volgens mij antwoord moeten hebben voordat we als Kamer instemmenmet zo’n voorstel.De heer Boomsma (NSC):Nee, daar is naar gekeken en er is ook een gesprek gevoerd met psychi-aters. Overigens is daar niet een-op-een een verband tussen aangetoond.Ook hier is de afweging heel ingewikkeld. Je kunt veronderstellen dat ereen risico is dat mensen die met een doodswens rondlopen en op ditmoment geen euthanasie kunnen krijgen, suïcide plegen. Maar dat risicomoet je weer afwegen tegen het risico dat mensen een onomkeerbaarbesluit krijgen.De voorzitter:Ik zie dat mevrouw Dobbe nog een vraag heeft.Mevrouw Dobbe (SP):Ik vind het toch ingewikkeld. Ik probeer de gedachtelijn goed en serieus tevolgen. We weten dat er een groep mensen is die zo ondraaglijk enuitzichtloos lijdt dat men kiest voor suïcide, ook al staat men op dewachtlijst voor een euthanasieaanvraag. Dat zijn feiten, daar zijn ookcijfers over: 4,3%, zeventien jonge mensen overleden door zelfdoding,terwijl ze op de wachtlijst stonden. We hebben signalen van psychiaters.Ik weet dat ze het niet allemaal eens zijn, maar we hebben signalen vanpsychiaters die zeggen: we gebruiken dat gesprek en de ruimte diedaardoor ontstaat om ervoor te zorgen dat er weer behandeling mogelijkis. Die ruimte was er voorheen niet. NSC heeft het over het afwegen vande risico’s. Vanwege het moratorium – want daar hebben we het over –loopt die groep aantoonbaar risico, maar NSC weegt dat af tegen eenander risico, dat NSC liever niet loopt. Maar wat is dat risico dan? Het lijktalsof NSC signalen heeft dat er nu heel onzorgvuldig euthanasie wordtverleend aan mensen die psychisch lijden. Die aanwijzing hebben wij niet.Onderzoek heeft ook aangetoond dat daarvan geen sprake is. Als je nueen moratorium instelt, zijn er aantoonbaar risico’s. Het risico wat NSC nubeschrijft, is echter niet aangetoond. Hoe zit dit nu? Hoe moet ik dit nuduiden?De heer Boomsma (NSC):Ik denk dat het anders is. Enerzijds worden we geconfronteerd met eensnelle stijging. Anderzijds blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat hetcriterium «uitzichtloosheid» niet wetenschappelijk objectief te bepalen is.Dat roept heel veel vragen op, zeker in combinatie met wat we wel wetenover jonge mensen, over sommige gevallen die in de media zijn geweesten over mensen die we hebben gesproken en die later er weer vanhebben afgezien. Dat betekent gewoon dat je het risico hebt dat mensenvaker zullen kiezen voor een euthanasieverzoek, dat dan ook wordtingewilligd, terwijl er ook andere oplossingen waren. Daar zijn wij vanovertuigd en daarom denken wij dat je pas op de plaats moet maken.De voorzitter:Dan gaan we verder, en wel met de tweede spreker van de zijde van deKamer, mevrouw Bikker, ChristenUnie.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel. Ik zet nog wel even snel mijn klokje aan.Voorzitter. Complimenten en dank aan mevrouw De Korte en haarvoorganger, mevrouw Hertzberger. Zij schreven een moedige nota. Wemoeten niet bang zijn, ook als Kamer, om ingewikkelde en gevoeligeonderwerpen nader te bestuderen, ons breed te laten informeren en grotezorgen die we hebben aan het papier toe te vertrouwen en te kijken welkeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1616 wegen we kunnen vinden om te zorgen voor een beter zorgstelsel en ookte zorgen voor deze jongeren. Complimenten dus.De ontwikkelingen van de afgelopen jaren zijn zeer zorgwekkend. Voor deChristenUnie is helder dat wij altijd willen werken aan een samenlevingwaarin je merkt dat het leven kostbaar is. Want het leven is een geschenkvan God en mensen zijn gemaakt om tot bloei te komen. Juist bijpsychisch lijden op jonge leeftijd is dat contrast groot. Daarom voel ik ookde opdracht om altijd weer te werken aan een gezonde en weerbaresamenleving, altijd weer te werken aan goede en zorgvuldige zorg, aankorte wachtlijsten, aan een plek waar jongeren alles kunnen zeggen wat zedenken, altijd, maar wel gericht op zorg.Het psychisch lijden van jongeren gaat ons enorm aan het hart. Ik wil dater naar hen geluisterd wordt en dat hun lijden serieus genomen wordt.Misschien is dit ook wel een moment om eerst stil te worden, want ook nuzullen er jongeren kijken en luisteren voor wie dat geldt. Ik vind het deopdracht van deze Kamer om te werken aan betere zorg. Als we kijkennaar de wachtlijsten in de ggz, dan zien we dat dat de afgelopen jarenonvoldoende is gelukt.Ik wil me er niet bij neerleggen dat euthanasie steeds meer een gangbaarantwoord wordt. Daarom nogmaals dank voor deze nota en steun voor debeslispunten die de initiatiefnemer heeft neergelegd, ook omdat deChristenUnie beter inzicht wil krijgen in dit onderwerp. Ik ben dan ookkritisch op de reactie van het kabinet, dat eerlijk gezegd weinig nieuws-gierig is of weinig interesse heeft in dat wat nodig is in deze ontwikkelingin deze tijd.Mijn zorgen richten zich op drie punten: allereerst de staat van de zorg,dan de toetsing in een euthanasietraject en ten slotte hoe er overeuthanasie en psychisch lijden wordt gesproken in de media en degevolgen daarvan. Mijn eerste vraag aan de Staatssecretaris is: hoe wordter in ons omringende landen omgegaan met psychisch lijden eneuthanasie? Hoe kijken deze landen naar Nederland? Heeft de Staatssecre-taris ook gezien dat er in Canada op dit punt als het gaat om jongeren eenandere afslag is gekozen?De staat van de zorg. Laten we helder zijn: de ggz, de zorg en de onder-steuning voor jongeren met psychisch lijden zijn bepaald niet op orde.Lange wachtlijsten, korte trajecten, vaak wisselen van behandelaar ensuïcidaliteit als contra-indicatie voor beschermd wonen maken datjongeren niet de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Daarom hebik de volgende vragen aan de Staatssecretaris. Welke ruimte kunnenpsychiaters krijgen in financiering, los van declaratiecodes, om op telopen met deze jongeren? Vindt hij ook niet dat dit voor deze zeercomplexe groep nodig is? Jongeren met dit psychisch lijden zijn niet altijdgebaat bij ggz. Een psychiater is opgeleid om te denken in diagnoses,maar soms gaat het om iets anders. Op welke manier kun je daarnaarkijken? We horen vaak dat er geen ruimte is bij de psychiater om te pratenover een doodswens, maar ook dat sommige psychiaters op eigeninitiatief aankomen met euthanasie als optie. Hoe kan het praten oversuïcidaliteit een plek krijgen in de spreekkamer zonder dat euthanasiegelijk een optie is? In geen enkele richtlijn staat namelijk, zo herhaal ik, dateuthanasie een behandeloptie is. Deelt de Staatssecretaris dat?Voorzitter. Dan de toetsing. De wet legt in het euthanasietraject een groteverantwoordelijkheid bij de behandelend arts en psychiater. Daarmee isde lens altijd een medische. Ik vraag de initiatiefnemer het volgende. Hetoordeel van artsen kan soms gekleurd zijn en zou wellicht verbreedmoeten worden met oordelen vanuit andere disciplines, zoals desysteemtherapie. Ziet de initiatiefnemer mogelijkheden om dat teverbreden?Voorzitter. Ik rond af. Ik wil de regering vragen welke doelstellingen zeheeft met ThaNet. De inzet lijkt om euthanasie bij psychisch lijden tenormaliseren. Kan de Staatssecretaris met kracht zeggen dat dit niet hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1617 geval is? Hoe gaat de regering om met het feit dat de beroepsgroep vanpsychiaters hierover zo verdeeld is?Dank u wel.De voorzitter:Dan geef ik het woord aan mevrouw Paulusma van D66.Mevrouw Paulusma (D66):Dank u wel, voorzitter. Bij psychisch lijden van jonge mensen ligt er watD66 betreft op geen enkele vorm van zorg een taboe, dus ook niet opeuthanasie. Het raakt aan het diepste menselijk lijden, maar ook aan mijnovertuiging over autonomie, waardigheid en zorgvuldigheid. D66 staatvoor vrijheden, voor iedereen, en voor niet wegkijken bij het voeren vanhet moeilijke gesprek. Maar D66 staat bovenal voor vertrouwen inmensen. D66 zal zich daarom ook fundamenteel blijven verzetten tegen dekoers die deze initiatiefnota inzet, en in het bijzonder tegen eenmoratorium. Het tornt aan het fundament van onze verworven autonomie.Voorzitter. Wat deze initiatiefnota in essentie doet, is de mogelijkheid toteuthanasie bij psychisch lijden voor jongeren onder de 30 vollediguitsluiten. Niet toetsen, niet onderzoeken, niet luisteren, maar simpelweguitsluiten. Door deze mogelijkheid bij voorbaat al te verbieden, ontneemje mensen het gesprek en daarmee ook de erkenning van hun lijden. Designalen uit het veld zijn duidelijk. Vele professionals, wetenschappers,ethici en ervaringsdeskundigen zeggen: blijf met je handen van dit rechtaf. Jongeren die psychisch lijden, voelen zich regelmatig niet gehoord,niet geholpen en niet gezien. Het idee dat hun lijden, volgens NSC, nogniet uitzichtloos genoeg zou kunnen zijn, doet geen recht aan hun realiteit.D66 vindt dat de huidige euthanasiewet met zijn strenge zorgvuldig-heidseisen, het oordeel van meerdere mensen en toetsing achteraf, juistbedoeld is om recht te doen aan deze complexe situaties. Het is geenglijdende schaal, zoals soms gesuggereerd wordt.Voorzitter. Dat artsen soms worstelen met het verzoek om euthanasie vanjonge mensen met uitzichtloos psychisch lijden is volkomen begrijpelijk.Wat D66 betreft ligt de oplossing juist in het behouden van dit zorgvuldigingebedde instrument én in het versterken van de begeleiding, deexpertise en het multidisciplinaire overleg daaromheen.Voorzitter. Ik heb een aantal vragen aan de indiener. Allereerst zou ik deinitiatiefnemer willen vragen of zij zich bewust is van de signalen die eropwijzen dat uitsluiting van deze groep ervoor zorgt dat hun het gesprekwordt ontnomen en dat velen zich niet meer serieus genomen voelen inhet ondraaglijk lijden dat zij ervaren. Ook zou ik de initiatiefnemer willenvragen welke gesprekken zijn gevoerd met ervaringsdeskundigen,psychiaters, wetenschappers en toetsingsartsen bij het opstellen van dezenota. Hoe reflecteert de initiatiefnemer op het feit dat velen uit deze groepzich fel tegen dit voorstel keren en dat onder andere de KNMG en deNVvP vragen om dit alsjeblieft niet te doen?Daarnaast stelt de initiatiefnemer dat jongeren nog perspectief hebben.Zou de initiatiefnemer aan kunnen geven waarom het oordeel van depatiënt samen met dat van de behandelende artsen hierbij volgens haaronvoldoende zijn? Daarnaast vragen wij de initiatiefnemer of zij vindt dateen juridisch verbod, een moratorium, een goede vervanger is voor dezorgvuldigheid, de begeleiding en het zorgvuldige ethische gesprektussen patiënten, hun naasten en hun artsen.Voorzitter. D66 maakt zich daarnaast grote zorgen over het stoppen van definanciering voor ThaNet. Wij vinden dat een ontzettend belangrijknetwerk waarin professionals met elkaar data uitwisselen, aan intervisiedoen en elkaar ondersteunen bij de vraagstukken die voorliggen. Alleswat deze belangrijke organisatie heeft opgebouwd, dreigt met het stoppenvan de financiering compleet weg te vallen. Wij vragen de StaatssecretarisTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1618 dan ook om de financiering voor ThaNet te verlengen. Ik zal hier in detweede termijn een motie voor indienen.Voorzitter, ik sluit af. D66 gelooft dat wij het gesprek over ondraaglijk enuitzichtloos lijden, hoe moeilijk ook, nooit uit de weg moeten gaan. Juistniet bij jonge mensen die psychisch lijden. Sterker nog, wij moeten hetgesprek met deze mensen voeren, met zorg, met openheid en metvertrouwen in mensen en in artsen, aan de hand van onze uiterstzorgvuldige euthanasiewetgeving. D66 zal nooit accepteren dat dezevrijheden afgenomen worden, want wij geloven in de kracht vanprofessionals en in het recht op zelfbeschikking, in het recht om, juist ookin de donkerste momenten, met zorgvuldige begeleiding zelf richting tegeven aan het leven, ook als dat leidt tot een keuze voor euthanasie.Voorzitter. Ik wil van dit moment gebruikmaken om nog een andere zorguit te spreken. Deze initiatiefnota en vooral de online reuring eromheenhebben veel beschadigd. Een partij als NSC, die staat voor goed bestuur,stelt mij daarmee diep teleur. Ik wil via deze weg – echt tot slot, voorzitter– aan alle mensen die geprobeerd hebben om genuanceerd en in allekwetsbaarheid hun verhalen en expertise te delen, en die vol, echt vol, inde wind zijn komen te staan, een grote steun in de rug geven. U wordtgezien en gehoord.Dank u wel.De heer Diederik van Dijk (SGP):Mevrouw Paulusma geeft aan: vertrouw nou de beroepsgroep, laat ditcomplexe vraagstuk aan de beroepsgroep. Dat gaf zij in eerdere inter-rupties ook al aan. Maakt mevrouw Paulusma het zich daarmee niet tegemakkelijk? Het is toch bij uitstek ook een taak van de overheid om testaan voor het leven, zeker voor het leven van kwetsbare mensen?Daartoe is zij ook verdragsrechtelijk verplicht. Ik noem alleen al artikel 2van het EVRM. Dan is er toch per definitie ook een taak voor de overheiden de politiek: geeft de huidige euthanasiewet met die open normenvoldoende bescherming aan kwetsbare mensen die psychisch lijden? Hetvraagstuk ligt toch ook volledig op ons bordje? We kunnen dat nietzomaar wegschuiven naar de beroepsgroep.Mevrouw Paulusma (D66):Ik ben helemaal niets aan het weggeven. Ik ben wel heel zorgvuldig deafweging aan het maken: wie gaat op welke stoel zitten? En ja, het is aanons om zorgvuldige wetgeving te maken. Die wetgeving wordt ookherhaaldelijk geëvalueerd. In de afgelopen jaren zijn er geen aanleidingengeweest om die te wijzigen. Ook gelet op alle beoordelingen van de RTE:bij de grootste meerderheid, en zeker bij jonge mensen, is er nul keersprake geweest van onzorgvuldigheid. Ik vind echt oprecht dat de opennormen die de beroepsgroep de ruimte geven, ook op basis van nieuweinzichten – daar ben ik echt niet blind voor – niet de stoel zijn van depolitiek. Dit gaat om het gesprek in de spreekkamer; dat vindt uiterstzorgvuldig plaats en vaak gaat daar een heel lange tijd overheen. Wijmoeten niet op de stoel van professionals gaan zitten.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank voor deze reactie, maar we zien een verschuiving in de praktijk. Weconstateren – dat is niet nieuw – de zeer open normen in de euthana-siewet en de verschuivingen die de laatste jaren te zien zijn. Dan is hettoch in ieder geval een hele legitieme discussie als we hier gewoon devraag stellen: wordt met de huidige euthanasiewet met deze zeer opennormen voldaan aan de taak van de overheid om juist ook te staan voorde levens van psychisch kwetsbare jonge mensen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1619 Mevrouw Paulusma (D66):Ik ga niet herhalen wat ik net oplas. De heer Van Dijk is het dus met mijeens dat een moratorium een heel slecht idee zou zijn. Als je als overheidook wilt staan voor het leven dat doorgaat, dan moet je dus tegen eenmoratorium zijn, want alle data die ik net oplas zijn van mensen dieafzagen van hun verzoek. De open norm heeft dus ook in zich dat je in allevrijheid en ruimte hier een gesprek over kunt voeren. Ik ben dus heel blijdat ik de SGP aan mijn zijde vindt bij het stemmen tegen een moratorium.De heer Diederik van Dijk (SGP):Ik zal mijn eigen termijn gebruiken om hierop te antwoorden. Ik zal vastverklappen dat ik op dit punt niet naast D66 sta.De voorzitter:Dan nog een vraag van mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik zit toch nog wat te kauwen op de woorden van mevrouw Paulusma,omdat ze heel vaak het woord «zorgvuldig» gebruikt, maar we juist ziendat de beroepsgroep ook zelf voluit de discussie voert over wat dedefinitie van uitzichtloosheid in deze situaties zou moeten zijn. De wethanteert het woord «uitzichtloosheid». De wet kwam tot stand met hetallermeest mensen met somatische klachten in gedachten, bijvoorbeeldmensen met kanker of andere ziektes. Daarbij hoort een totaal anderelevensverwachting dan in het geval van psychisch lijden. Erkent decollega van D66 dat er op dat punt wel een discussie gaande is en dat datvanzelfsprekend dan ook de hoeders van de wetgeving, ergo deze Kamer,raakt?Mevrouw Paulusma (D66):Ik ken mevrouw Bikker als iemand met een uiterst sterk geheugen en eenheel goede juridische uitgangspositie, maar in de euthanasiewet – daarinheeft mevrouw Bikker zich misschien een beetje vergist – was direct al inde oorsprong ook ruimte voor psychisch lijden. Die twee dingen hebbenaltijd naast elkaar bestaan. En nu volgt misschien een wedervraag en datmag waarschijnlijk niet van de voorzitter. Ja, het is goed dat de beroeps-groep zich ontwikkelt. Het zou wat zijn als de beroepsgroep zich niet zouontwikkelen. Ik zou het trouwens bij alle professionals in de zorg niet goedvinden als een beroepsgroep zich niet ontwikkelt en geen onderzoek doet,vandaar ook mijn pleidooi voor ThaNet. Ik hoop ook dat ik mevrouwBikker daarin aan mijn zijde vindt. Laat de beroepsgroep zich vooralontwikkelen. Maar het is een beetje een gekke aanname om te zeggen: deberoepsgroep is in ontwikkeling en daarmee staat de zorgvuldigheid vande uitvoering ter discussie. Dat laatste blijkt namelijk nergens uit, niet uitde toetsingscommissie en niet uit de evaluatie. Die twee dingen kunnennaast elkaar bestaan. Je kan én zorgvuldigheid én ontwikkeling in deberoepsgroep hebben.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Maar als de beroepsgroep zich ontwikkelt, heb je ook te luisteren naar degrote zorgen die daar geuit worden. Voor mij waren de interviews metpsychiater Jim van Os en Esther van Fenema ook wel weer momentenwaarop ik dacht: hebben wij dit doordacht bij het beoordelen van dewetgeving, bij het tot stand komen van de euthanasiewet? Volgens mij isdat niet het geval. Maar het tweede, misschien wel net zo belangrijke puntis dat we zien dat van de groep mensen tussen de 15 en de 30 die overlijdtinmiddels 1 op de 30 sterft door euthanasie. Ik vind dat een enorm aantal.Dat zou ons wat moeten zeggen over hoe het er verder voor staat in ditland. Die zorg en dat verdriet mis ik bij D66. Voor hen is euthanasie eenverworvenheid, terwijl het toch ergens een laatste optie is, waar jeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1620 eigenlijk helemaal nooit wil komen. Ergens is dat toch iets waarop weelkaar zouden moeten vinden. We zouden elkaar moeten vinden in hetstreven naar zo min mogelijk euthanasie in plaats van het strijden voornog meer autonomie, omdat dat dat zo’n fijn ... Nou, dat zegt u niet. Maarik mis de pijn. Ik zou zo graag zien dat we samen in ieder geval staan voorzo min mogelijk euthanasie onder jongeren, in plaats van dit pleidooi dathet eigenlijk een hele normale ontwikkeling is dat het toeneemt.Mevrouw Paulusma (D66):Ik ben niet gewend van mevrouw Bikker dat ze mij zo veel dingen in demond legt, die ook niet kloppen. De cijfers kloppen ook niet, want hetafgelopen jaar hebben nul minderjarigen euthanasie gekregen. Laten wedus niet doen alsof dit een glijdende schaal is en alsof ik doe alsofiedereen zonder een traject ... Ik hoor mevrouw Bikker buiten demicrofoon zeggen: 15 tot 30. Ik geef even de cijfers van de RTE: nul hetafgelopen jaar.Ik sta voor het vertrouwen in de professionals, in de zorgvuldige afwegingen in de ruimte om hierover te praten en hier ook voor te kunnen kiezen.Als mevrouw Bikker dan vraagt of wij dit goed doordacht hebben, zeg ik:de beroepsgroep moet dit onderling goed doordenken. De wet stelt eenaantal criteria. Aan de hand daarvan wordt steeds beoordeeld of hetzorgvuldig gedaan is. Dus de criteria werken en worden op de juistemanier getoetst. Dan is het aan de beroepsgroep. U noemde net tweepsychiaters. Tegen hen zou ik zeggen: meld u bij uw eigen vertegenwoor-diging, ga met elkaar in gesprek, doe mee aan richtlijnontwikkeling. Maarlaten wij nou niet op de stoel van de professional gaan zitten, maargewoon op onze eigen stoel: die van de politiek.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ja, en wat is dan de stoel van de politiek? Als er wetgeving is metbehoorlijke consequenties – we zijn het, denk ik, met elkaar eens dat dathet geval is als het om euthanasie gaat – en de beroepsgroep hetonderling niet eens is, maar er wel een zorgelijke ontwikkeling is, namelijkdat de mentale gezondheid van jongeren er niet op vooruitgaat in delaatste jaren, moeten we met elkaar die consequenties, ook in dat opzicht,doornemen. Ik heb het over de leeftijdsgroep van 15 tot 30 jaar. Dat isgewoon het cohort waarin wordt geadministreerd. Ik baseer me dus opdie cijfers. Ik wil prima voor mevrouw Paulusma zeggen dat 1 op de 30euthanasieën in de categorie 18- tot 30-jarigen euthanasie bij psychischlijden was, maar volgens mij moeten we elkaar niet op dat niveaubevragen, want mijn cijfers kloppen wel. Het gaat om de grote zorg die ikheb over wat dit betekent voor jongeren in deze situatie, terwijl deberoepsgroep het onderling niet eens is. Als de beroepsgroep hetonderling niet eens is, dan heeft de politiek toch een taak om zich af tevragen: is onze wetgeving op dat punt helemaal in orde of is het in hetkader van zorgvuldigheid – het is namelijk onomkeerbaar; het is geenbehandeloptie waar je nog eens op terug kan komen – nodig dat we eenpas op de plaats maken? Die ruimdenkendheid had ik eigenlijk van D66wel verwacht, omdat er bij die partij altijd zo’n wetenschappelijkenieuwsgierigheid is, maar op dit punt mis ik die.Mevrouw Paulusma (D66):Ik hoorde meer een constatering dan een vraag. Maar ik vind juist dat hetvaststellen van een moratorium – ik weet nog niet eens of dit juridischüberhaupt wel kan; dat is ook nog een interessante vraag – niet zoruimdenkend is. Ik ga niet weer die cijfers herhalen, maar het kunnenpraten over euthanasie levert een heleboel op. Het is een gotspe om tezeggen: als het niet meer mag, kun je er nog wel heel fijn over praten. Datrealiseert mevrouw Bikker zich ook, denk ik. Die twee dingen zijn nietverenigbaar. Het zou heel, heel onruimdenkend zijn om mensen deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1621 toegang hiertoe en het gesprek hierover te ontnemen. Dat staat los vanberoepsgroepontwikkeling en nieuwe wetenschappelijke inzichten. Dietwee dingen kunnen prima naast elkaar bestaan, maar daarvoor hoef jeniet de wet aan te passen.De voorzitter:Dan gaan we nu luisteren naar de heer Diederik van Dijk van de fractie vande SGP.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank u wel, voorzitter. Ik wil beginnen met een citaat. Dat luidt als volgt:«Als artsen de neiging hebben meer terughoudend te worden ten aanzienvan de toepassing van euthanasie, is dat in de geest van de wetgever. Deuiteindelijke honorering van een verzoek moet immers altijd een ultimumremedium blijven.» Tot zover het citaat. Het komt van de toenmaligeMinister van VWS, mevrouw Els Borst, uit november 2001. Terughou-dendheid: dat was destijds het vertrekpunt. Waar zijn we nu beland?Voorzitter. De toename van euthanasieverzoeken van jonge mensen meternstig psychisch lijden is hartverscheurend en moet ons aan het denkenzetten. De SGP wil de initiatiefneemsters, mevrouw De Korte en,oorspronkelijk, mevrouw Hertzberger, dan ook bedanken dat zij ditgeagendeerd hebben. De SGP deelt de kritische vragen van de initiatief-neemster. Psychisch lijden kan ondraaglijk zwaar zijn. Het is een gitzwarteduisternis, waarin je geen hand voor ogen ziet, ook geen helpende hand;het is hartverscheurend. Met het bewust beëindigen van een mensen-leven gaan we echter een principiële grens over die de SGP niet over wilen kan gaan. Maar zelfs als je in principe niet tegen euthanasie bent, kunje grote vraagtekens zetten bij levensbeëindiging bij psychisch lijden. Datblijkt wel uit het debat dat onder psychiaters woedt. Het blijkt ook uit dezenota.Voorzitter. In het rondetafelgesprek is gesproken over mogelijke verkla-ringen voor de toename van euthanasiemeldingen bij psychisch lijden. Deheer Aben, kinder- en jeugdpsychiater, wees op de problemen in dejeugdhulp en de geestelijke gezondheidszorg. Ik citeer hem: «Eentoename van euthanasieverzoeken als gevolg van falende zorg ismaatschappelijk en moreel onaanvaardbaar.» Dat stelde hij in zijnpositionpaper. Deelt de initiatiefneemster die opvatting? Hoe kijkt deStaatssecretaris hiernaar? Zien zij inderdaad een verband tussentekortschietende zorg en een toename van de vraag naar euthanasie? Watzou hier volgens hen aan gedaan moeten worden?De euthanasiewet bood vanaf het begin ruimte voor euthanasie bijpsychisch lijden. Er zijn geen wettelijke beperkingen wat betreft medischediagnoses. Termen als «ondraaglijk» of «uitzichtloos» zijn niet gedefi-nieerd. Tot 2010 was euthanasie bij psychisch lijden echter zeer zeldzaam.Daarna is de praktijk op dit punt verruimd. Met name de laatste jaren zienwe een sterke groei. Hoe verklaart de initiatiefneemster dit? De opennormen in de wet vragen volgens de initiatiefneemster groot vertrouwenin en breed draagvlak voor de werkwijze en de beoordeling van artsen.Kan ik concluderen, zo vraag ik de initiatiefneemster, dat zij dit vertrouwenop dit moment niet heeft?Voorzitter. De initiatiefneemster stelt dat de huidige euthanasiewet voldoeten dat de problemen dus vooral gaan over de euthanasiepraktijk. Acht zijhet echter werkelijk voorstelbaar dat psychiaters zich meer terughoudendgaan opstellen zolang de wet hun gewoon die ruimte biedt? Ontkom je ertoch niet aan, als je dit een halt wilt toeroepen, om de euthanasiewet aante scherpen? Kunnen de initiatiefneemster en de Staatssecretaris hieropreflecteren vanuit het perspectief van artikel 2 EVRM, dat de overheidverplicht om het recht op leven te beschermen? Biedt de euthanasiewetvoldoende bescherming voor mensen met een psychiatrische diagnose,voor wie een doodswens onderdeel van de ziekte kan zijn?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1622 Tot zover. Dank u, voorzitter.De voorzitter:Dan gaan we nu luisteren naar de heer Bevers van de fractie van de VVD.De heer Bevers (VVD):Dank u wel, voorzitter. Natuurlijk dank aan de initiatiefneemster, collegaDe Korte, en haar voorgangster van NSC voor het vele werk aan de notadie we vandaag bespreken. Ik klink wat nasaal. Dat zijn wat resten van degriep. Dan weet u dat.Voorzitter. Ik denk dat we, zoals we hier met elkaar zitten, het onszelfnauwelijks kunnen voorstellen dat het leven zo lijden is geworden dat hetvoelt alsof de dood de enige uitweg is, dat de pijn, het verdriet en deradeloosheid zo groot zijn geworden dat niets meer helpt en dat dewanhoop onbeheersbaar wordt. Toch moeten we reëel zijn: voor eenaantal mensen is dit wél de realiteit. Dat vraagt van ons, de samenleving,begrip, medeleven en mededogen. Barmhartigheid is een belangrijkegrondslag voor hoe we in Nederland tegen euthanasie aankijken: metcompassie voor degene die uitzichtloos lijdt, of dat nu fysiek of mentaal is,en in de wetenschap dat sterven in eenzaamheid en zonder goed afscheiddat allemaal nog veel moeilijker maakt.Voorzitter. De nota is geschreven voordat de cijfers van 2024 van deRegionale Toetsingscommissie Euthanasie beschikbaar waren. Die zijn ernu wel. Ik heb er behoefte aan om me in dit debat vooral te laten leidendoor een aantal feiten en cijfers. Feit is dat iedereen in Nederland vanaf 12jaar een beroep kan doen op euthanasie op grond van de Wet toetsinglevensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, de Wtl. In alle anderegevallen gelden ministeriële regelingen. Voor jongeren tussen de 12 en 18jaar gelden aanvullende eisen op de zes criteria in de wet. Dat geldt ookvoor euthanasie bij psychisch lijden. De recente cijfers van de RTEschetsen een duidelijk beeld. Van de 9.958 meldingen van euthanasie in2024 waren er 219 met psychische aandoeningen als oorzaak. 30 van henwaren onder de 30 jaar. Ik heb de cijfers ook al eerder gehoord. Geenenkele van die mensen was minderjarig. In totaal hebben 26 verschillendeartsen de euthanasie toegepast.Ik wil die feiten en cijfers nadrukkelijk vooropstellen. De notitie van collegaDe Korte suggereert of impliceert namelijk een probleem, terwijl de cijfersanders uitwijzen. Natuurlijk ziet ook de VVD-fractie een stijging van hetaantal meldingen van euthanasie en ook van die met een psychischeoorzaak. Maar er is geen sprake van wildgroei of van een beperkte groepartsen die makkelijk euthanasie faciliteert. Mijn vraag aan collega De Korteis dan ook: ziet zij zelf ook het verschil tussen feiten en cijfers en deondertoon die in ieder geval de VVD-fractie in haar nota leest?Voorzitter. In Nederland kennen we een uitermate zorgvuldige euthanasie-praktijk. Voor euthanasie bij psychisch lijden gelden aanvullende criteria,opgesteld door de RTE en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. Zodient standaard een onafhankelijk psychiater te worden geconsulteerdvoor een second opinion. Bovendien wordt geadviseerd, zo schrijft deNVvP voor, dat overige hulpverleners geconsulteerd moeten worden endat multidisciplinair overleg moet plaatsvinden. Dat neemt niet weg dateuthanasie in al deze situaties vanzelfsprekend de allerlaatste stap is. Datis nadrukkelijk ook de intentie en de insteek van psychiaters en artsen.Maar het gesprek uit de weg gaan – we hebben het er al eerder overgehad – is geen oplossing.Juist bij het Expertisecentrum Euthanasie blijkt dat een heel groot deelvan de mensen die zich melden met deze vraag, alleen al door er serieusover te kunnen praten uiteindelijk hun verzoek intrekken. De andere kant iswel dat het Expertisecentrum Euthanasie ook aangeeft dat een deel vande aanvragen niet tot euthanasie komt omdat de desbetreffende patiëntinmiddels via suïcide uit het leven is gestapt. Dat is niet zelden zeerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1623 schokkend voor de nabestaanden en een eenzame dood voor degene diehet betreft. Ik denk dat we er vooral alles aan moeten doen om dat tevoorkomen.De discussie over richtlijnen en zorgstandaarden hoort binnen deberoepsgroep plaats te vinden. KNMG en de NVvP zijn daar in hun reactieglashelder over. Om heel eerlijk te zijn: bij somatische klachten vragen wehet ook niet aan een commissie van wijzen, maar laten we de zorgstan-daard ook aan de medische beroepsgroep. Ik ben in die zin wel benieuwdnaar de mening van de initiatiefneemster waarom zij denkt dat ditverschil, dus de commissie van wijzen, bij psychisch lijden wel gemaaktzou moeten worden.Voorzitter. De VVD heeft vertrouwen in de grote zorgvuldigheid waarmeeartsen en psychiaters met vragen omtrent euthanasie omgaan. Elkemelding wordt onderzocht en beoordeeld door de RTE. Als er onzorgvul-digheid wordt vastgesteld en er dus niet wordt voldaan aan de zeswettelijke criteria, volgt een beoordeling door het Openbaar Ministerie. Deberoepsgroep is zich zeer bewust van de complexiteit van deze proble-matiek en de afwegingen die daarbij komen kijken. De VVD is tevredenmet de mediarichtlijn van het Expertisecentrum Euthanasie en ziet verdergeen aanleiding om de andere beslispunten in de nota te steunen. Dereactie van het kabinet is in lijn met hoe wij tegen deze notitie aankijken.Die reactie is bovendien zeer uitgebreid gemotiveerd op de inhoud en debeslispunten.Ik rond af, voorzitter. De VVD ziet geen reden om het beleid op dit puntaan te passen of uitspraken te doen via moties. In Nederland hebben wede wetgeving en de uitvoeringspraktijk uitermate goed geregeld. Het isenorm belangrijk om de vrijheid te hebben om op zorgvuldige wijze tekiezen voor euthanasie. De VVD zal geen enkele stap terug gaan doen omdeze keuzevrijheid in te perken; laat ik daar heel helder over zijn. Het staatiedereen vrij om wel of niet van die keuze gebruik te maken, maar hetbeperken van het zelfbeschikkingsrecht zoals sommige partijen aan desamenleving proberen op te leggen, is en blijft voor ons onbespreekbaar.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een vraag van mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Een VVD-geluid zoals ik het ken, namelijk zeer overtuigd van deautonomie van mensen en ook de gevolgen die dat moet hebben in dewetgeving rondom het einde van het leven in het geval dat mensen zeerernstig ziek zijn en ondragelijk en uitzichtloos lijden. Daarover verschillenwij; daar hebben wij al veel over gesproken. Dat vind ik juist iets wat goedis in dit land. Maar wat ik mis bij collega Bevers en wat ik eerder wel bij deVVD en ook bij collega Bevers zag, was altijd ook een oog voor wat er nufeitelijk gebeurt in ons land. We zien dat er veel discussie en gesprek isrondom psychisch lijden en de invulling van het begrip «uitzichtloosheid».Mijn vraag aan de VVD is dan of er een moment kan komen waarop deVVD het volgende zegt. «Hier is toch een grens aan die autonomie, omdatwij zien dat het mogelijk maken van euthanasie of het verder gangbaarmaken van de praktijk van euthanasie, ook ertoe kan leiden dat debehandelopties voor patiënten minder aantrekkelijk worden omdat zijdeze uitweg zien.» Ik doel er dus op dat de autonomie ergensoverschaduwd raakt door het psychische lijden of de psychischeaandoening van dat moment. Ziet de VVD dat er zo’n moment zou kunnenkomen?De heer Bevers (VVD):Nee, ik zie dat niet, omdat ik denk dat ... Het is niet zo dat je – hoe zal ik datgoed formuleren? – met enig gemak zou kiezen voor deze route als eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1624 soort behandeloptie. Uiteindelijk is de vraag de volgende. Als je ernstigziek bent, als je onbehandelbaar ziek bent, of dat nu psychisch ofsomatisch is, wat is dan je perspectief in het leven, het perspectief dat jezelf ziet? Hoe kijk je zelf tegen je uitzichtloosheid aan? Wat is er nogmogelijk? Wat voor opties doen zich nog voor? Laat ik volstrekt helderzijn. Een discussie over twijfel, over vragen rondom deze materie, moetwel degelijk gevoerd worden, maar die dient gevoerd te worden binnende beroepsgroep. Dit dient niet besproken te worden in de media, zoalsvorig jaar is gebeurd. Even in alle eerlijkheid: het ging over één incident,over een psychiater en een situatie waarin euthanasie is verleend enwaarbij een groep andere psychiaters uiteindelijk zelfs via een brief hetOpenbaar Ministerie heeft gevraagd om een oordeel. Dat hoort niet. Dathoort zich niet in het openbaar voor te doen. Ik vind juist dat de beroeps-groep over het algemeen op een uitstekende wijze deze discussie aangaat;dat geldt voor artsen maar ook voor psychiaters. Dat dienen zij inderdaadbinnen de beroepsgroep te doen, omdat zij uiteindelijk de praktijk, deuitvoering en alle ervaring die daarbij komt kijken, kunnen wegen. Datkunnen wij niet. Wij stellen de kaders van de wet. Wij bieden keuzevrijheidaan de mensen in dit land om wel of niet voor euthanasie te kiezen. Datzijn de kaders en dat wil ik ook echt zo houden.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Maar stel dat de beroepsgroep op enig moment tot de conclusie komt dathet bij een depressie of bepaalde psychische aandoeningen ingewikkelderwordt door het aanbieden van deze keuzevrijheid. Of stel dat de beroeps-groep naar Canada wijst en zegt: daar is een andere keuze gemaakt; wijzouden die goed vinden. Zou dat dan wel een moment zijn voor de VVDom te zeggen: hier komt de begrenzing van de autonomie in zicht en wijzien voor ons dat de wet daar anders moet worden ingevuld? Of houdt deVVD dan ook nog steeds vast aan de uitspraken die collega Bevers zojuistdeed? Ik ben ernaar op zoek of de VVD ook de bedenkingen meeweegt diegeuit worden over hoe de wet nu wordt ingevuld en uitgevoerd. Als wedat alleen maar naar de beroepsgroep duwen, dan is mijn grote zorg datwe ook een richting op kunnen gaan waarbij we onvoldoende hebbenbezien of onze wet wel zorgvuldig genoeg gewerkt heeft, terwijl we alhadden kunnen leren van bijvoorbeeld Canada.De heer Bevers (VVD):Canada is wel zo’n beetje het slechtste voorbeeld dat je kunt geven, vindik. Canada heeft namelijk helemaal geen ervaring met euthanasie bijpsychisch lijden, want dat is daar niet toegestaan. Er is dus geen enkeleervaring met hoe de praktijk er daar uitziet, maar dat terzijde. Om terug tekomen op uw vraag: u blijft zeggen dat euthanasie een behandeloptie is.Euthanasie is natuurlijk geen behandeloptie; euthanasie is een allerlaatstestap op het moment dat is vastgesteld dat niets meer helpt en datbehandelen niet meer kan. Dat heeft in het geval van psychisch lijden temaken met gesprekken met psychiaters en therapeuten en met psycho-farmaca die geprobeerd zijn, dus medicatie, wat uiteindelijk leidt tot deconclusie dat niets meer helpt. Euthanasie is geen behandeloptie;euthanasie is een laatste stap. Net als bij de behandeling van somatischeziekten is euthanasie geen behandeloptie, maar een besluit over hoe jeeen eind aan een leven wil maken. Ik vind dat dat besluit, in alle vrijheid,bij het individu hoort te liggen.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Toch nog één keer: hoort dat áltijd bij het individu te liggen of kan de heerBevers zich voorstellen dat de psychische aandoening bij een individu ookzo kan zijn dat diegene wel een persisterende doodswens heeft, maar eruiteindelijk nog wel iets mogelijk is, ook al weet diegene dat nu nog nietprecies? De levensverwachting van iemand in zo’n geval is toch heelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1625 anders dan bij iemand met een somatische klacht? Ik mis die afweging bijde VVD, denk ik. Ik ben aan het zoeken hoe we het gesprek met elkaarkunnen voeren, in plaats van alleen maar tegenover elkaar te staan; datlukt ons allebei goed, denk ik. Daar zit mijn grote zorg, zeker bij jongevrouwen. We zien allemaal dat de mentale gezondheid van jonge vrouwener niet op vooruitgaat. Ik ben bang dat, als de ggz niet op orde is enmensen in ieder geval alles wat op dat moment voorhanden is, hebbenuitgeprobeerd, we in de verte een deur neerzetten waar mensen danalleen maar naar gaan kijken. Voelt de VVD die zorg?De heer Bevers (VVD):Ik voel die zorg wel, maar ik deel hem niet. Uiteindelijk hebben we het hierover mensen die in een traject van psychische hulpverlening elke staphebben gezet. We moeten natuurlijk niet doen alsof je met enig gemakeen besluit neemt om een einde aan je leven te maken. Daar wil ik echt bijwegblijven. Het gaat om een groep van mensen die echt alle stappengezet hebben en waarvan iedereen zegt: ja, hier past geen behandelingbij. Dat zegt niet één arts; dat hebben we heel zorgvuldig vormgegeven.Maar uiteindelijk kan dat besluit worden genomen. Het gaat ook niet omeen hele grote groep mensen, maar om een relatief kleine groep mensen.Ieder mens is er één te veel; dat vinden we denk ik allemaal. Dat geldtbijvoorbeeld ook voor al die mensen die geen uitweg zien en door suïcideuit het leven stappen. We moeten er alles aan doen om dat te voorkomen,maar we moeten ook kunnen concluderen en aan onszelf toe kunnengeven dat we soms geen oplossing hebben. Dat appelleert aan uw en aanmijn machteloosheid, omdat we altijd vinden dat we er voor mensenmoeten zijn en een oplossing moeten vinden, maar soms is die er niet.Dat is dan wat mij betreft het punt waarop mensen de keuze moetenhebben om daar zelf een besluit over te nemen.De voorzitter:Dan gaan we luisteren naar mevrouw Westerveld van de fractie vanGroenLinks-PvdA.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Dit is een heel moeilijk gesprek, omdat de wens omhet leven te beëindigen nooit lichtvaardig is. Ik denk ook even aan alleouders, hulpverleners en jongeren die hier zelf mee te maken hebben, dieermee worstelen of die misschien iemand hebben verloren. Ik weet ookvan mensen dat ze dit debat helemaal niet durven te kijken, omdat hetzo’n moeilijke worsteling is.Voorzitter. Ook voor een aantal van ons komt dit best dichtbij. Een aantaljaren geleden bezocht ik Iris. Iris was een jongvolwassene die kampte meteen eetstoornis en met autisme. Iris werd niet begrepen in behandelcentravoor autisme. Dan ging het mis met haar eetstoornis. En als ze werdbehandeld voor haar eetstoornis, werd ze niet begrepen omdat haarautisme opspeelde. Daardoor werd ze voortdurend van het kastje naar demuur gestuurd. Ze vertelde mij dat ze graag een aantal boodschappenwilde meegeven, niet voor haarzelf maar voor anderen. Toen vroeg ik:waarom is het dan te laat voor je? Toen vertelde ze dat ze twee wekenerna euthanasie zou krijgen en dat ze er eigenlijk ook heel erg naaruitkeek, omdat het een einde zou maken aan haar worsteling.Ik denk ook aan Romy. In 2020 kreeg ik een bericht van Romy. Ook Romywas met haar moeder al jaren aan het strijden om een passende behan-delplek te krijgen. Dat lukte maar niet. In 2021 kreeg ik een bericht vanhaar moeder, die zei: we worden voortdurend van het kastje naar de muurgestuurd. In de jaren daarop bleef ze mij op de hoogte houden. Elke keerwas er toch weer een beetje hoop. Dan werd ze weer aangemeld voor eenbehandeling. Dan leek er weer even een lichtpuntje te zijn, totdat ervervolgens weer een diepe teleurstelling kwam, en soms een nog dieperTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1626 dal, omdat het toch niet doorging, omdat er toch weer iets was waardoorze weer verder werden gestuurd, totdat alle hoop bij hen ook weg was.Als alle hoop weg is, als er nergens plek is, als er helemaal geenperspectief meer is, wordt het leven uitzichtloos. Dat maakt het lijdenondraaglijk. Ook Romy heeft uiteindelijk euthanasie gekregen. Romyappte mij in een van haar laatste berichten: ik ben moegestreden en gavliegen. Ze was ook dankbaar dat ze haar afscheid zelf kon organiseren,maar er zat ook wel een heel zwarte rand aan. Want waarom zijn erwachtlijsten die jaren duren, is dat uitzichtloos, maar kan euthanasieuiteindelijk wel geregeld worden?Voorzitter. Er zijn zo veel meer voorbeelden van jongeren die ook uitkijkennaar het einde, maar ook het verdriet zien bij de mensen om hen heen. Ikken ook voorbeelden van jongeren voor wie het leven ondraaglijk was endie op een andere manier een einde maakten aan hun leven. Ik zie ook detwijfel bij families, want als een euthanasieaanvraag eenmaal wordtgoedgekeurd, lijkt er soms geen weg meer terug te zijn. Ook dat kan weerdrukken.Voorzitter. Het laat zien hoe bij dit gesprek over euthanasie elke situatieverschillend is en dat we altijd uiterst zorgvuldig moeten zijn, in richtlijnenen ook in de praktijk. Daarom begrijp ik de zorgen, maar vind ik het ookschrijnend dat er in al die tijd dat ik in de Kamer zit zo weinig urgentie endaadkracht is om de enorme wachtlijsten in de ggz aan te pakken. Dieurgentie mis ik ook in de nota. We hebben het er soms wel over in deKamer, maar het blijft vooral bij praten. Als er dan iets in gang wordtgezet, duurt het vaak jarenlang voordat we de eerste resultaten zien. Ikheb daar straks nog een aantal vragen over.Voorzitter. Wie de nota leest, kan de indruk krijgen dat er sprake is van eensysteem dat uit de bocht vliegt. Ik ga niet alle cijfers herhalen die de heerBevers net al noemde, maar ik wil het hebben over de 4% die overlijdt aansuïcide, terwijl ze op de wachtlijst staan. Dat zijn ook schokkende cijfers. Ikheb daarover een vraag aan de indiener. Ik wil aan de indiener vragen ofze het met me eens is dat de beroepsgroep primair zelf aan zet is omvoortdurend het ethische gesprek te voeren over de richtlijnen, deuitvoering en de praktijk, en dat we moeten uitkijken met te snellepolitieke conclusies. Daarmee zeg ik niet dat de initiatiefnota snel isgeschreven, maar wel dat wij toch politici zijn die voortdurend met andereonderwerpen bezig zijn, terwijl de beroepsgroep bestaat uit de echtedeskundigen.Voorzitter. De initiatiefnota stelt dat er meer definities en vaste kadersmoeten komen voor euthanasieverzoeken. De ondraaglijkheid vanpsychisch lijden is echter soms moeilijk vast te stellen, omdat lijden perdefinitie persoonsgebonden is. Daarom lijken mij die vaste kaders lastig.Ik heb ook daarover een vraag: wat voegt een commissie van wijzenprecies toe aan de discussie die nu volop plaatsvindt? En wie zouden er indeze commissie moeten zitten, en met welk mandaat?Voorzitter. Een aantal vragen uit de nota worden op dit moment alonderzocht. Zo is de NVvP bezig met het herzien van de richtlijn inzakelevensbeëindiging op verzoek bij patiënten met psychisch lijden.Daarnaast is er SUNSET, waar een aantal collega’s het al over gehadhebben. Er is een lerend netwerk van hulpverleners en ervaringsdeskun-digen, die ook wetenschappelijk onderzoek doen naar de praktijk. Wehebben 113 Zelfmoordpreventie en het Expertisecentrum Euthanasie. DeNVVE en de NVvP roepen op tot een structurele voortzetting. De Staatsse-cretaris geeft zelf eigenlijk ook aan dat er dan wel aanvullende finan-ciering nodig is. Mijn vraag aan hem is dus: gaat hij dat dan ook regelen?Gaat hij ervoor zorgen dat de driejarige subsidie van ThaNet, die juistbedoeld is om zorg te verbeteren voor mensen die psychisch lijden en omkennis te delen, ook wordt voortgezet? Hoe staat hij ten aanzien van deoproep van de Nederlandse ggz om het onderzoek in de TOPGGzstructureel te financieren? Ook dit draagt bij aan het verminderen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1627 wachtlijsten en het beter begrijpen van mensen die psychisch zo enorm inde knoop zitten.Ik wil aan de indiener van de nota vragen waarom er niet gekozen is voorde versterking van wat er al werkt en wat er al, soms met korte subsidies,in gang is gezet. Waarom stelt ze wel voor een aantal nieuwe onderzoekente gaan doen?Voorzitter. Als we euthanasie willen beperken, is goede en beschikbarezorg noodzakelijk. Ik gaf net in mijn inleiding al een paar recente praktijk-voorbeelden van situaties waarin ook sprake was van wachtlijsten,onvoldoende passende behandelopties en het voortdurend maar weerdoorgestuurd worden. Wat zegt dat over de ggz, vraag ik de indiener ende Staatssecretaris. Tijdens het rondetafelgesprek werd ook benadrukthoe waardevol het is als jongeren met een doodswens hun gedachtenkunnen bespreken en dat juist die gesprekken met deskundigen hetverschil kunnen maken, maar dat dat gesprek ook moeilijk is, omdatggz-behandelaars soms onvoldoende ruimte, tijd of steun ervaren. Ik wilaan de indiener en aan de Staatssecretaris het volgende vragen. U steltvoor om extra onderzoek te doen naar de problemen in de ggz. Volgensmij is al best bekend wat die problemen in de ggz zijn en is het tijd om dieaan te gaan pakken en prioriteit te geven. Zou de nadruk dan niet moetenliggen op bijvoorbeeld investeren in de bijscholing van hulpverleners enin meer gespecialiseerde ggz? En hoe rijmt de wens om de ggz teverbeteren – dat lees ik in de nota – met het gebrek aan prioriteit dat ditkabinet stelt?Dan een vraag aan de Staatssecretaris. Bij het vorige ggz-debat verwees unaar het AZWA, het zorgakkoord, dat snel getekend zou worden. Daarinstaan ook veel goede plannen voor de ggz. Nu is het kabinet gevallen enhet AZWA nog niet getekend. Wat betekent dat voor die plannen? Gaat udie doorzetten? En ziet u een link tussen de staat van de ggz en hetstijgend aantal euthanasieverzoeken voor psychisch lijden? Bent u het ookmet ons eens dat het onverteerbaar is dat het criterium «het ontbrekenvan een andere oplossing» van toepassing kan zijn, omdat er doorwachtlijsten en een gebrek aan capaciteit in de gespecialiseerde ggzgewoon geen andere oplossing is?Dan heb ik ook een vraag aan beiden: hoe rijmt het pleidooi vooronderzoek met de forse bezuinigingen op wetenschappelijk onderzoek?Onder die bezuinigingen staat ook de handtekening van de NSC-fractie.Voortdurend worden in voorbeelden de Engelstalige psychologieoplei-dingen genoemd. Volgens mij zijn dat juist de opleidingen die nietopleiden voor een plek in de praktijk, maar juist voor onderzoek, soms ininternationaal verband. Hoe kijkt de NSC-fractie daarnaar?Ik heb nog een vraag aan de Staatssecretaris. Tijdens het rondetafelge-sprek hoorden we dat jongeren die ook autisme hebben, relatief vaak eenverzoek indienen voor euthanasie. Neemt hij dat ook mee in de plannenom de jeugdzorg en de ggz te verbeteren?Mijn laatste vraag gaat over de leeftijdsgrens van 30 jaar. Daar is ook veeldiscussie over. Ik wil vragen waar die leeftijd van 30 jaar nou precies opgebaseerd is.Voorzitter. Ik kan me voorstellen dat dit debat heel veel mensen raakt. Hetraakt mij ook. Ik kijk uit naar de antwoorden en ik hoop dat we een goedevoortzetting van het gesprek hebben.De voorzitter:Een vraag van de heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Ik heb met belangstelling geluisterd naar mevrouw Westerveld. Er zijnverschillende woordvoerders, die van de VVD en D66 misschien het meestpregnant, die deze discussie zeer sterk – laat ik het zo zeggen – in hetverband zetten van het zelfbeschikkingsrecht en van keuzevrijheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1628 Daardoor kom je als het ware – maar dit is mijn invulling, hoor – bijna uitbij een recht op euthanasie. Dat is iets wat de huidige euthanasiewetabsoluut niet kent. Mijn vraag is: kan mevrouw Westerveld daaropreflecteren? Hoe ziet zij de taak van de overheid zoals verwoord in deeuthanasiewet, namelijk om ook te staan voor de bescherming van hetleven, juist van kwetsbare mensen, ook kwetsbare jongeren?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dit is geen debat over jeugdzorg of ggz, maar ik heb in die debatten weleen paar keer gezegd dat men keihard faalt in het in bescherming nemenvan jongere mensen. Dat geldt voor zowel de jeugdzorg als de ggz.Tegelijkertijd zie ik ook – daarom noemde ik ook een paar voorbeelden –dat er jongeren zijn die uitzichtloos lijden, die echt alles wat nuvoorhanden is hebben geprobeerd, die soms een jarenlange zoektochthebben en telkens worden afgewezen. We weten allemaal dat eenwachtlijst, het telkens worden afgewezen of het voortdurend weer op zoekmoeten naar een nieuwe behandeling ook zorgt voor ondraaglijk lijden.Soms is er inderdaad geen uitweg meer. Ik vind dat ongelofelijk pijnlijk.Dat vraagt van ons om te reflecteren op de manier waarop wij omgaanmet jeugdzorg en ggz. Maar ik vind dat iemand die ondraaglijk lijdt, welhet recht heeft om daar een open gesprek over te kunnen voeren.Uiteindelijk wil ik ook niet tornen aan de manier waarop wij onzeeuthanasiewetgeving hebben ingericht.De heer Diederik van Dijk (SGP):De laatste zin is wel heel kort door de bocht. Ik had gedacht dat ermisschien iets meer ruimte zat, dat er een opening is of dat het in iedergeval legitiem is om met elkaar de vraag eerlijk onder ogen te zien: biedtde huidige euthanasiewet met die open normen voldoende bescherming,juist ook voor jonge mensen die zeer erg lijden met hun psyche? Maar ikbegrijp dat mevrouw Westerveld eigenlijk zegt: nee. Of heb ik mij vergist?Dat hoop ik.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Volgens mij laat ik juist zien hoe ik worstel met dit dilemma, omdat ik aande ene kant zie dat de overheid keihard faalt in het geven van de juistehulp. Dat is niet iets van de afgelopen jaren; dat is al heel lang aan degang. Niet voor niets nemen de wachtlijsten in de ggz al jaren toe. We zienook dat de mentale problematiek onder jongeren toeneemt. Hier gaat hetnatuurlijk niet zomaar over mentale problematiek, maar over mensen dieenorm vastlopen. Dat heeft ook niet altijd te maken met het gebrek aanpassende plekken in de ggz. Dat kan ook te maken hebben met bijvoor-beeld – ik noem maar iets – hevig misbruik in de vroege jeugd. Daar kangeen hulpverlener iets aan doen. Laten we die discussie dus alsjeblieftmet nuance blijven voeren.Maar we moeten wel uitkijken om op de stoel van de hulpverleners tegaan zitten. De wet heeft inderdaad een aantal open normen, maar er iswel dat principe van zorgvuldigheid. De criteria worden voortdurendbevraagd door de beroepsgroep zelf. Die zijn voortdurend punt vandiscussie. Wij hebben het erover, maar mensen uit de beroepsgroep enwat mij betreft ook ervaringsdeskundigen zijn hierover de hele tijd metelkaar in gesprek. Ik zou dat vooral zo willen laten. Laten we alsjeblieftuitkijken om als politici te makkelijk conclusies te trekken over eenonderwerp dat zo individueel is en dat voortdurend dat gesprek vraagt enjuist geen fel politiek debat, want daar vind ik deze discussie niet geschiktvoor.De voorzitter:Dan gaan we als laatste luisteren naar mevrouw Dobbe van de fractie vande Socialistische Partij.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1629 Mevrouw Dobbe (SP):Dank u wel, voorzitter. Vandaag bespreken we een belangrijk, maar ookmoeilijk en complex onderwerp. Dank aan NSC om het gesprek hieroverte organiseren. Dank ook voor het vele werk om zo’n initiatiefnota teschrijven. Maar we bespreken dit onderwerp ook in de context van eensysteem van ggz en jeugdzorg dat faalt. Het gaat niet goed. We zienwachtlijsten in de ggz en we zien dat kinderen die in de jeugdzorgterechtkomen soms slechter af zijn dan daarvoor.Deze context maakt het debat van vandaag ingewikkeld. Duidelijk is dateerdere misstanden en wachtlijsten in jeugdzorg en ggz een rol kunnenspelen in het ontstaan van psychisch lijden. Neem trauma dat ontstaat enfalende jeugdzorg. Als je een jaar moet wachten op traumatherapie, kandat ook tot euthanasiegedachten leiden. De toestand van wachtendengaat achteruit. We hebben het net gehad over lange wachtlijstenwaardoor sommige mensen de behandeling niet eens halen omdat ze alzijn overgegaan tot suïcide. Waarom heeft de indiener er niet voorgekozen om deze problemen ook op te nemen in de initiatiefnota, dus deproblemen in de ggz en de jeugdzorg en de context? Is de indiener nietvan plan om daar ook voorstellen voor te doen? Aan de demissionaireStaatssecretaris dezelfde vraag.Tegelijkertijd doe je het probleem geen recht als je het te vaak falendezorgsysteem hiermee volledig verknoopt. Er kan immers niet wordenuitgesloten dat er ondraaglijk en uitzichtloos lijden is dat ook los van dezecontext bestaat. De vraag is nu dan ook: wordt daar zorgvuldig meeomgegaan? De indieners van de initiatiefnota beschrijven een stijging vanhet aantal keren dat euthanasie is toegekend bij psychisch lijden. Debetekenis van deze stijging kan volgens ons alleen maar volledig wordenbeoordeeld als er aanwijzingen zijn dat bij het toekennen van euthanasiegeen sprake zou zijn geweest van ondragelijk en uitzichtloos lijden of alsdit niet zorgvuldig zou zijn gebeurd. De vraag die wij dus hebben aan deindieners en aan de Staatssecretaris, is de volgende. Welke aanwijzingenzijn er dat dit proces momenteel niet in zorgvuldigheid zou wordendoorlopen en dat er onvoldoende waarborgen zouden zijn om dat welzorgvuldig te doen? Die aanwijzingen van onzorgvuldigheid hebben wijniet.Tijdens het rondetafelgesprek hierover hoorden we ook dat bij 3% van deaanvragen daadwerkelijk wordt overgegaan tot euthanasie. In 47% van deaanvragen werd de aanvraag ingetrokken. Daarnaast werd 45%afgewezen. Hoewel cijfers op zichzelf niet laten zien hoe afwegingen overpersonen worden gemaakt – dan doe je de cijfers tekort – laten ze wel ziendat er momenteel al een zwaar afwegingskader is, waardoor verreweg demeeste aanvragen niet worden toegekend omdat er bijvoorbeeldperspectief is om te behandelen, of omdat het lijden niet als ondragelijkwordt beoordeeld. Hoe kijken de indieners daar dan naar? Is het kader nuniet al stevig genoeg?Ook geven professionals aan dat het gesprek over de mogelijkheid vaneuthanasie een aanknopingspunt kan zijn om juist weer verder te gaanmet de behandeling. Het wordt als negatief gezien om de optie helemaalvan tafel te halen, zoals vandaag, niet in de initiatiefnota, maar wel doorde fractie, is voorgesteld. Je ziet, zeker aan het grote aantal aanvragen datweer wordt ingetrokken, dat het relevant is om dit gesprek te kunnenvoeren. Hoe kijken de indieners daarnaar?NSC vraagt in de initiatiefnota om meer onderzoek naar de prognose bijpsychische aandoeningen en naar de invloed van de staat van de ggz opeuthanasieverzoeken. Mijn collega’s hebben er ook al aan gerefereerd: erlopen ook al een aantal onderzoeken, bijvoorbeeld van ZonMw, waarvande resultaten in juni 2026 komen. Zij gaan ook kijken naar de oorzaken vande stijging van het aantal euthanasiemeldingen, ook bij mensen metpsychiatrische aandoeningen. Ook doen 113 en ExpertisecentrumEuthanasie samen onderzoek onder mensen die verzoeken om euthanasieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1630 op grond van psychisch lijden. Dit onderzoek loopt tot 2027. Er loopt dusal een heleboel. Wat is dan de afweging van de indieners om te vragenom extra onderzoek, in plaats van deze onderzoeken af te wachten en dante kijken welke informatie nog mist?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan kijk ik even naar mijn rechterzijde hoeveel tijd we nodighebben. We schorsen tot 15.30 uur, en dan gaan we verder met debeantwoording van de vragen.De vergadering wordt van 14.51 uur tot 15.31 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de eerste termijn van de zijdevan de initiatiefnemer en de Staatssecretaris voor de beantwoording vande vragen. Inmiddels is ook de heer Klaassen aangeschoven ter onder-steuning van de initiatiefnemer. Dan geef ik als eerste het woord aanmevrouw De Korte.Mevrouw De Korte (NSC):Dank u wel, voorzitter. Vandaag hebben we het over euthanasie bij jongemensen met een psychische aandoening. Ik wil allereerst de woord-voerders van de partijen die hier aanwezig zijn, bedanken voor huninbreng. Ik bedank Staatssecretaris Karremans voor zijn aanwezigheid enbetrokkenheid. Verder dank ik de griffier, de voorzitter en allen die hieraanwezig zijn. Daarnaast alvast dank aan de medewerkers van NSC, diemij tot grote steun zijn: Manuela, Tim, Rachel en Kenan.Euthanasie bij jonge mensen met een psychische aandoening is eenbeladen onderwerp, waar veel discussie over is en is geweest. Naaraanleiding van de stijging van het aantal euthanasiegevallen onder jongemensen die psychisch lijden en de openlijke onenigheid tussen psychi-aters over euthanasie bij jonge mensen die psychisch lijden, heeft mijnvoormalige collega, mevrouw Hertzberger, een nota geschreven namensNieuw Sociaal Contract. Ik wil haar bedanken voor haar inzet voor dezenota. Toen zij deze nota schreef en uitbracht, werkte ik voor NSC op deachtergrond als beleidsmedewerker. Ik sta volledig achter deze nota envind ook dat de politiek zich moet uitspreken als het gaat om de rafel-randjes van de wet. Het is een eer om deze nota nu te mogen verdedigen.Zoals ik zei, gaat het om de rafelrandjes van de wet, die bespreekbaargemaakt moeten worden. Maar dat wil niet zeggen dat Nieuw SociaalContract tegen de hele euthanasiewet is, integendeel. Deze wet, voluitgenoemd Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bijzelfdoding, volstaat al jaren. We bespreken vandaag een rafelrand dienaar onze mening vooraf niet was te voorzien.Ook wil ik het volgende zeggen voordat we de politieke discussieaangaan. Het gaat in de discussie om zeer kwetsbare mensen, hun familie,hun vrienden en hun sociale omgeving. Zij hebben heel veel meegemaakt.Daar wil ik niets aan afdoen. Ik heb veel respect voor de grote inzet voorjonge patiënten die uiteindelijk de keuze hebben gemaakt voor eutha-nasie. Ik heb een aantal nabestaanden gesproken en hun brieven gelezen.Iedereen had de weg liever anders gezien. Nabestaanden hebben de wegvan lijden meegelopen tot het einde toe. Zij dragen een groot verdriet metzich mee.Maar dan is de vraag: moet de politiek zich met individuele mensenbemoeien? Dan zeg ik nee. De politiek behoort zich niet te bemoeien metindividuele mensen. Het gaat om groepen mensen. Het gaat om beleid.Het gaat om verandering van het gebruik van deze wet door groepen. Hetgaat om wetgeving en zorgvuldigheids- en toetsingscriteria waar we hetmet elkaar over willen hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1631 Voorzitter. Steeds vaker beëindigen psychiaters het leven van mensen diepsychisch lijden, ook van mensen die nog erg jong zijn. Euthanasie bijpsychisch lijden was voorheen een zeldzaamheid, maar de omvang groeitnu naar meer dan 240 gevallen in 2024, waarvan er 30 jonger waren dan30 jaar. Het waren bijna allemaal meisjes. Euthanasie bij psychisch lijdenhoort daarmee in de top tien van de doodsoorzaken van deze leeftijds-groep. In 2023 kregen vier minderjarige psychiatrische patiënteneuthanasie. Dat is absoluut ongekend in de rest van de wereld.Euthanasie kan een humane uitweg zijn voor ernstig en uitzichtloos lijden.De Nederlandse euthanasiepraktijk is vooruitstrevend en zorgvuldig. Wezijn een gidsland in de wereld. Artsen gaan zeer behoedzaam en consciën-tieus om met de wettelijke mogelijkheden. Maar met de uitbreiding die wenu zien in de psychiatrie treden we op een terrein waar grote onzeker-heden over bestaan en waar grote risico’s worden genomen. We wetenveel over de vooruitzichten van patiënten met diagnoses zoals ALS ofalvleesklierkanker en we weten vrijwel niets over de vooruitzichten vanpatiënten met een depressie, eetstoornissen of suïcidale gedachten, ookniet als zij zeer ernstig lijden. Zij doen soms aan ernstige automutilatie ofzij doen serieuze suïcidepogingen. Maar ook dan is er kans op hoop, opeen verbetering van de situatie. Er is uiteraard een verhoogd risico opsuïcide bij deze groep en dat is een grote nachtmerrie. Elke zelfdoding iser een te veel. Toch gaan de meeste mensen die een euthanasieverzoekdoen hier niet toe over. We weten dus niet hoe het deze mensen zouvergaan. Hun prognose is hoogst onzeker.Door het leven van jonge mensen te beëindigen, ontnemen we hun ookde kans om beter te worden. In de richtlijn wordt uitzichtloosheid vooralingevuld met welke behandelopties er zijn, dus met wat er allemaalgedaan kan worden. Maar uitzichtloosheid is meer dan wat je nog kandoen. Het is een zorgvuldigheidscriterium dat losstaat van redelijkebehandelopties. Sterker nog, soms worden mensen beter, niet dankzij,maar ondanks behandeling. Afgelopen donderdag spraken we meerdereervaringsdeskundigen die ernstig ziek zijn geweest, maar pas hersteldenen met hun lijden leerden leven nadat ze het protocol hadden uitgelopen.Ze waren uitbehandeld, maar ze gingen toch over tot herstel. Daarom ishet noodzakelijk om ook bij psychisch lijden de twee zorgvuldigheidscri-teria echt onafhankelijk van elkaar te beoordelen. De ene vraag is: wat isde verwachting van het ziektebeloop? De andere vraag is: wat zijn deredelijke behandelopties? Dat zijn twee afzonderlijke zaken.In de nota stellen we voor om deze cruciale vragen niet alleen door deberoepsgroep te laten beantwoorden, maar een bredere commissie vanwijzen in te stellen, zoals eerder over de kwestie voltooid leven. Ditvraagstuk gaat namelijk niet alleen over de psychiatrie, maar over de heleggz, inclusief psychologen en ervaringsdeskundigen, en het gaat ook overethiek. Met grote onzekerheid bij de beoordeling van uitzichtloosheid inde psychiatrie riskeren we een ondermijning van de zorgvuldigheidscri-teria waaronder euthanasie in Nederland wordt uitgevoerd. Dit is tebelangrijk om alleen aan de beroepsgroep over te laten, zoals deStaatssecretaris voorstelt. Als artsen in Nederland overgaan tot hetbeëindigen van levens van jonge mensen, hebben we zekerheid nodig.Een subjectieve inschatting van artsen is een wankele basis. Eenbelangrijke vraag is welke objectieve medische maatstaven noodzakelijkzijn bij het nemen van deze ultieme beslissing, die onomkeerbaar is. Omdie reden vraagt de nota ook om wetenschappelijk onderzoek.De neveneffecten van de mogelijkheid tot euthanasie in de ggz zijn deafgelopen jaren veel besproken. Er zijn ervaringsdeskundigen die zich pasgezien voelden toen ze eindelijk over hun doodswens mochten spreken bijde behandeling van hun euthanasieverzoek. Voor hen was de besprekingvan hun euthanasieverzoek een reddingsboei. Die wens mocht eruiteindelijk zijn. Er is nog vaak sprake van een taboe op de doodswens inde ggz. Dat dat pas bij een traject van het Expertisecentrum EuthanasieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1632 gebeurt, is veel te laat. Ook buiten een euthanasietraject zou datbesproken moeten worden.Tegelijkertijd heeft de euthanasiemogelijkheid negatieve gevolgen. Er ismet de definitie een deur opengezet. Dat wordt gevoeld in de spreek-kamers. Behandelaren die uit alle kracht proberen hun patiënten teverleiden om te leven, krijgen te maken met patiënten die weten dat erbinnen het systeem ook euthanasie mogelijk is en daar naarstig naar opzoek gaan. Ook wordt beschreven dat het invloed heeft op de motivatievan patiënten om nieuwe behandelingen te proberen. Er wordt gesprokenover een cv. We lezen dat in het boek van Oosterhoff en Vanmechelen.Ook in Medialogica, de documentaire, komt het aan bod. Gelukkig zien wede afgelopen jaren al minder eenzijdige media-aandacht en heeft deStaatssecretaris de mediarichtlijn omarmd.Maar er zijn meer zorgen over euthanasie in de psychiatrie. Het valt op dateuthanasie vaker dan niet wordt uitgevoerd door een arts zonder enigebehandelrelatie tot de patiënt, van buiten. Bij patiënten die binnen depsychiatrie vragen om euthanasie wordt het dus vaker toegepast door hetExpertisecentrum Euthanasie. Dit is precies de specialisatie waar deKNMG ooit voor waarschuwde, toen het Expertisecentrum Euthanasiewerd opgericht. Ook hier willen we advies over. Is het wenselijk dat er bijeuthanasie een behandelrelatie is? Op welke wijze worden eerderebeoordelingen van euthanasieverzoeken meegenomen, dus eerdereweigeringen van behandelend artsen in de beoordeling en de toetsing?Tot slot. Deze toename van euthanasie bij psychiatrie vindt plaats in tijdenvan een sterk verschraalde ggz, waarin wachttijden voor een behandelingof beschermd wonen in sommige gevallen langer zijn dan de wachttijdvoor euthanasie. In enkele uitzonderlijke gevallen kregen patiënten,hoorden we, binnen tien weken euthanasie, maar gelukkig duurt hetmeestal maanden voordat die hulp wordt gegeven. De oproep van artsen,organisaties en de vorige Minister van VWS om terughoudend te zijn enhandelingsverlegenheid van psychiaters bij euthanasie te verminderenmoet bezien worden in die verdrietige context. We hebben momenteel teweinig behandelopties te bieden. Wij denken dat er contemplatie nodig is.Ik ga straks heel veel vragen beantwoorden, maar ik wil, om demediacode voor euthanasie na te volgen, graag eerst nog iets zeggentegen mensen die nu wellicht kijken. Denk je aan zelfdoding? Neem dangratis en anoniem contact op met 0800–0113 of chat met 113.nl.De beantwoording heb ik in zes blokjes verdeeld. Dat zijn er misschienveel, maar sommige zijn echt klein. Eén: euthanasie bij jonge mensen diepsychisch lijden in het algemeen. Twee: de ggz. Drie: onderzoek. Vier: decommissie van wijzen. Vijf: het moratorium. Zes: nog wat overige vragen.Het zijn er best veel, maar ik ga daar graag gauw toe over.Euthanasiewet algemeen. De heer Van Dijk vraagt het volgende. «Er zijngeen wettelijke beperkingen opgenomen wat betreft de medischediagnoses. Termen als «ondraaglijk» of «uitzichtloos» zijn niet gedefi-nieerd. Tot 2010 was euthanasie bij psychisch lijden zeer zeldzaam.Daarna is de praktijk op dat punt verruimd. Met name in de laatste jarenzien we een sterke groei. Hoe verklaart de initiatiefneemster dit?» Dit wasinderdaad de reden voor het schrijven van de nota. De wet gaf inderdaadruimte om euthanasie te verrichten bij jonge mensen met psychischlijden. Daar was in 2002 al ruimte voor gegeven. Maar in 2010 werd intwee gevallen euthanasie bij psychisch lijden toegepast. Het kwam duspas veel later aan de orde dan 2002. In 2020 waren het vijf gevallen bijjonge mensen onder de 30. In 2024 waren het er 30. Naar de verklaringkunnen we alleen maar gissen.Als de mogelijkheid van euthanasie bij psychisch lijden op tv komt, komtde vraag naar euthanasie ook direct bij de artsen aan, hoor ik vanpsychiaters. Het verschil tussen de vraag en de daadwerkelijke toepassingis gelukkig groot. Toch is het aantal toepassingen van euthanasie ookgestegen. Gelukkig is er nu een mediacode om terughoudend te zijn. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1633 Expertisecentrum Euthanasie zegt hierover: «Focus op het allerlaatstestukje, de euthanasie, geeft een verkeerd beeld van euthanasiezorg inNederland. Bijvoorbeeld: tegenover iedere patiënt met psychisch lijdendie euthanasie krijgt, staan minstens tien patiënten die door gesprekkenmet artsen en verpleegkundigen hun weg weer vinden. Hun verhalenkunnen anderen inspireren.» Dit kunnen we tweeledig opvatten. Enerzijdskunnen verhalen van jonge mensen die euthanasie krijgen, inspireren.Anderzijds kunnen verhalen van jonge mensen die juist niet kiezen vooreuthanasie, inspireren. Maar als antwoord op de vraag: wij zouden ookgraag de huidige stijging van euthanasie bij jonge mensen verklaardwillen zien. Ook de stijging valt onder de onderzoeksvraag die we graagbeantwoord zouden willen zien.Ik kom bij de tweede vraag die de heer Van Dijk stelde. «De open normenvan de wet vragen volgens de initiatiefneemster groot vertrouwen in eenbreed draagvlak voor de werkwijze en de beoordeling van artsen. Kan ikconcluderen», zo vraagt hij aan mij, «dat zij dit vertrouwen op dit momentniet heeft?» Ik moet inderdaad zeggen: we zien niet in de volle breedtedraagvlak onder artsen om euthanasie toe te passen. We zien namelijkook dat er discussie tussen artsen is. De Nederlandse Vereniging voorPsychiatrie heeft begin dit jaar een enquête onder psychiaters uitgezet,maar we weten daar niet de uitkomst van. Wat is nu het draagvlak? Ikbegreep wel dat de respons pas 20% was. Dat is natuurlijk heel zorgelijk.Wel zien we dat 50% van de jonge mensen met een euthanasiewens naarhet expertisecentrum voor euthanasie gaat, in plaats van naar de eigenbehandelaar, die dan dit traject met een jongere doorloopt. Dit integenstelling tot de 40% van alle mensen die om euthanasie vragen; iknoemde het net al. Dit kan betekenen dat veel artsen met een behandelre-latie met de patiënt geen euthanasie willen toepassen.Het feit dat voor- en tegenstanders van euthanasie bij jonge mensen diepsychisch lijden zich sterk roeren in allerlei media, geeft aan dat ze hetniet eens zijn met elkaar. Het gaat dan vaak over het zorgvuldigheidscri-terium «uitzichtloosheid». Net als in de nota werd ook in het rondetafelge-sprek bevestigd dat uitzichtloosheid heel moeilijk is vast te stellen. Datplaatst artsen voor een enorm dilemma. Welke onzekerheid is acceptabelom euthanasie toe te passen? Ook daarnaar willen wij graag onderzoekzien en wij willen een commissie van wijzen die daarover uitspraak doet.Nog een vraag van de heer Van Dijk van de SGP: kan de initiatiefnemerreageren op het perspectief op het recht van leven volgens artikel 2 vanhet EVRM? Biedt deze wetgeving voldoende bescherming voor mensenmet een psychiatrische diagnose? Hoe voorstelbaar is het dat psychiaterszich terughoudender zullen opstellen als de wet hun gewoon de ruimtegeeft? Ontkomen we er niet aan om, als we dit een halt willen toeroepen,de euthanasiewet aan te scherpen? Op grond van het EVRM is deoverheid verplicht om het leven van haar burgers actief te beschermen.Het klopt dat de doodswens van mensen met een ernstige psychiatrischeaandoening onderdeel kan zijn van de ziekte zelf, bijvoorbeeld bijdepressie of een borderline persoonlijkheidsstoornis. Jonge mensen diedeze aandoening hebben, verdienen onze bescherming. Pas sinds enkelejaren wordt euthanasie bij jonge mensen als optie gezien. De wet voldeed,maar we zien nu zoals gezegd een rafelrand in de wet waarvan wij menendat die niet was voorzien in 2002.Minister Borst heeft in 2002 de wet van kracht laten gaan, maar in 1998heeft zij heel veel geld vrijgemaakt om de palliatieve zorg verder teontwikkelen. Zij vond dat de palliatieve zorg eerst in orde moest zijnvoordat de wet van kracht zou worden. Ik was zelf als ambtelijk secretarisbetrokken bij een landelijke commissie die het geld mocht uitzetten vooronderzoek en expertiseopbouw. Daarnaast kwam er heel veel geldbeschikbaar voor de hospices. Eerst de palliatieve zorg op orde en pasdan de wet: zo zag mevrouw Borst het. Ik zie nu een omgekeerde wereld.De ggz is niet op orde, maar toch wordt er euthanasie toegepast. VoorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1634 Nieuw Sociaal Contract is het nu tijd om pas op de plaats te maken, goedte reflecteren en te onderzoeken voordat we verdergaan met de huidigepraktijk, die bestaat uit veel onzekerheden.Dan een vraag van de heer Bevers, die een aantal cijfers noemde.De voorzitter:Allereerst een interruptie van de heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Allereerst dank voor de uitvoerige beantwoording. Met alle sympathie dieik heb voor deze nota: ik zie toch een spanningsveld. Mevrouw De Kortebegon met best wat positieve woorden over onze euthanasiewet, over«gidsland» et cetera. De problemen zouden «slechts» de praktijk betreffen.Maar dit is een praktijk die volledig gedekt wordt, hoe je er ook overdenkt, door de huidige wet. Ik krijg dat moeilijk bij elkaar. Waarop stoeltmevrouw De Korte de gedachte dat we de wet intact kunnen laten in dehoop dat de beroepsgroep uit zichzelf meegaat met een stap terug, naarmeer terughoudendheid? Kunt u daar nog nader op ingaan?Mevrouw De Korte (NSC):Dank voor de vraag van de heer Van Dijk. Allereerst vinden wij dat deberoepsgroep hierop zelf moet reflecteren, het liefst ook in de breedte.Daarom willen wij ook een commissie van wijzen. Die moet aan de slaggaan. Wij gaan ervan uit dat zij ook de reflectie hebben dat het moeilijk isom uitzichtloosheid en het hebben van andere behandelopties goed tebeoordelen. We weten nu al dat het in de ggz heel lastig is om diagnoseste stellen. Uit onderzoek blijkt dat 20% van de ggz-diagnoses juist is. Dathebben we gehoord van onderzoekers. We hebben inderdaad veel vragen.We willen ook graag een pas op de plaats maken. Wetgeving is natuurlijkeen veel langer traject. Als wetgeving nodig is, moet dat misschiengedaan worden, maar wij vinden dat de beroepsgroep zelf allereerst aanzet moet zijn.De voorzitter:De heer Van Dijk heeft een vervolgvraag.De heer Diederik van Dijk (SGP):Ik ben een hoopvol mens, maar tegelijkertijd is het niet uitgesloten dat eraltijd een groep behandelaars zal zijn die zegt: de wet biedt de ruimte; ikheb daartegen geen enkel moreel bezwaar, dus we gaan door. Wanneerbegint in de ogen van de initiatiefneemster dan de verantwoordelijkheidvan de overheid? Wanneer moet de overheid dan zeggen dat zij vanuithaar plicht om voor kwetsbare mensen op te komen en die tebeschermen, aan zet is, en eventueel met wetgeving komen?Mevrouw De Korte (NSC):Deze discussie is nu een tijdje gaande. We weten een aantal uitkomstennog niet. We zouden inderdaad graag van de beroepsgroep willen wetenhoe zij dat nou zien. Hoelang moeten we daarover discussiëren? Daar kanik geen uitspraak over doen. Maar als we de stijging blijven zien, makenwij ons wel ontzettend veel zorgen.Mevrouw Paulusma (D66):De heer Van Dijk en ik herhalen nu wat we bij de heer Boomsma deden,want ik ben nu ook wat in de war. Mevrouw De Korte zegt: we laten ditaan de beroepsgroep. Nou, die zijn hier heel helder over. Die zegtnamelijk, zo zeg ik via de voorzitter tegen NSC en mevrouw De Korte: doedit niet. Dit is aan professionals. Richtlijnbepaling is aan professionals. Hetdoen van onderzoek ... Mevrouw De Korte kan voorstellen om deSUNSET-studie te verlengen, kan extra budget vrijmaken voor de ggz enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1635 kan een heleboel andere dingen doen waar professionals ook om vragen,maar als mevrouw De Korte nu in antwoord op mijn collega zegt «dit isaan de professionals», dan snap ik niet meer wat we hier met elkaar aanhet bespreken zijn.Mevrouw De Korte (NSC):We hebben inderdaad de brieven van de beroepsgroepen gezien. Tochmaken we ons daar zorgen over. Want waar is de plek van de psychiatersdie zich nu roeren en zeggen dat we dit niet moeten doen? Waar is de plekvan de ervaringsdeskundigen die zeggen «we zijn er goed doorheengekomen; we hebben heel diepe dalen gekend, maar we zijn erdoorheengekomen»? Dat moet de beroepsgroep toch ook zien? Als dat niet zo is,dan denken we inderdaad dat er op een andere manier naar gekeken moetworden. We willen met name echt een expertisegroep, een groep vanwijzen die vanuit de verschillende deskundigheden naar deze situatie kijkt.En die moet dan echt heel snel ingesteld worden.De voorzitter:Mevrouw Paulusma heeft een vervolgvraag.Mevrouw Paulusma (D66):Dan snap ik het nog niet helemaal, want mevrouw De Korte zegt opnieuw:dit ligt bij de beroepsgroep. Zij hebben zich in allerlei gremia verenigd.Iemand stuurt niet individueel een brief. Dat gebeurt namens de beroeps-groep. Dan hebben we het over een initiatiefnota en, nog erger, over eenmoratorium. Daarmee passeert NSC de beroepsgroep. Wij zijn het in dithuis ook niet altijd met elkaar eens. Dat is in de beroepsgroep ook zo,maar om daarvoor dan een initiatiefnota in te dienen en op de stoel vande professionals te gaan zitten ... Ja, dat snap ik niet.Mevrouw De Korte (NSC):Het is breder dan de beroepsgroep. Het is ook een ethisch vraagstuk. Hetis ook een vraagstuk, zoals ik zei, van ervaringsdeskundigen dieerdoorheen zijn gekomen. Wij vinden dat het breder bekeken moetworden dan alleen door de beroepsgroep.Mevrouw Paulusma (D66):Dit geeft aanleiding tot nog meer vragen, want dat is exact wat er gebeurt.Ook in de toetsingscommissie en de organisatie van de RTE zitten nietalleen medici, maar meerdere professionals. Ook ervaringsdeskundigenworden bij allerlei gremia betrokken om hun verhaal te doen: mensen dieervan afgezien hebben, nabestaanden. Dit is wat al georganiseerd wordt.Ik ben dus wel op zoek: wat is nu het probleem dat NSC met dezeinitiatiefnota wil oplossen zonder zelf op de stoel van de professional tegaan zitten?Mevrouw De Korte (NSC):Nogmaals, wij vinden dat dit probleem echt breder is en niet alleen deberoepsgroep aangaat. Het gaat ook om een maatschappelijke discussie.Het gaat ook om de ervaringsdeskundigen en ook om de ethici. Het is eenethisch probleem waarbij echt belangen afgewogen worden. Wij zienook... Misschien ziet mevrouw Paulusma niet de artsen die hier bezwarentegen hebben, maar ook zij moeten gehoord worden.De voorzitter:Mevrouw Paulusma, voor een afsluitende vraag.Mevrouw Paulusma (D66):Ja. Ik vind het steeds verwarrender worden, voorzitter, dus daarom ga ikhier toch nog een vraag over stellen. Wat mevrouw De Korte wil, gebeurt,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1636 op allerlei plekken, in allerlei gremia, met voor- en tegenstanders. Dat isjuist heel veel fijn in een beroepsgroep. Daarin zijn mensen het heel vaakniet met elkaar eens, maar dat is de plek waar dit besproken moetworden. Dus nogmaals, welk probleem gaat mevrouw De Korte nuoplossen met deze initiatiefnota?Mevrouw De Korte (NSC):Het probleem is veel groter dan het aantal mensen dat euthanasie krijgt.Het probleem is op dit moment dat jonge mensen de optie van euthanasiekrijgen. Dat heeft te maken met die 10.000 jonge mensen die nu eendoodswens hebben en in behandeling zijn. Het gaat dus niet alleen overdie paar mensen die euthanasie krijgen; het gaat ook om het effect dat ditheeft op de behandelingen. Wij horen ook van artsen dat het eenachterstand geeft als je steeds maar weer denkt: o, euthanasie is ook eenmogelijkheid.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Voor mij wordt het ook niet per se duidelijker wat NSC wil. In de inleidinghoorden we namelijk minimaal drie keer dat er een rafelrand aan de wetzit, maar kennelijk zit het probleem «m niet in de wet, maar moetenervaringsdeskundigen er meer bij betrokken worden. Daar ben ikhartstikke voor, ook in bredere zin, maar ook dat is het antwoord niet,want mevrouw De Korte geeft aan dat het deels bij de beroepsgroep ligt,maar deels ook een maatschappelijke discussie is. Dan is toch de vraag:welk probleem wordt hier nou precies neergelegd? Is dat nou eenprobleem in de wet of in de uitvoeringspraktijk?Mevrouw De Korte (NSC):Wij zien in de wet een paar open normen. Een van die open normen isuitzichtloosheid. Uitzichtloosheid is heel moeilijk vast te stellen bij jongemensen die psychisch lijden. Ze hebben in principe nog een heel levenvoor zich. We gunnen iedereen de hoop op leven. Die gunnen weiedereen, en met name jonge mensen. Dat zien we. We zien ook datervaringsdeskundigen, ook als zij door een heel diep dal zijn gegaan,erdoorheen zijn gekomen. We hebben ervaringsdeskundigen gesprokendie zeiden: als het een optie was geweest toen ik in dat diepe dal zat – datwas vijftien jaar geleden; toen was het nog geen optie – dan had ikmisschien euthanasie toegepast. We willen dus meer de optie van hoopop leven dan de optie van euthanasie geven. Dat is, denk ik, het verschil.De voorzitter:Mevrouw Dobbe. Nee, mevrouw Westerveld heeft nog een vervolgvraag.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik wil de discussie niet onnodig op scherp zetten, maar ik gun iederejongere hoop op leven. Niet voor niks zet ik me in de Kamer al acht jaar invoor vooral de jeugdzorg en de ggz; daar zijn namelijk grote problemen.Dat doe ik precies om deze reden. Maar ik heb ook heel veel mensengesproken voor wie het lijden echt ondraaglijk is geworden. Voor een deelzit dat «m inderdaad in de grote problematiek die er in de jeugdzorg en deggz is; voor een deel is het, ook met de beste hulp van de wereld, niet opte lossen, denk ik, omdat de schade in het leven van soms jonge kinderenzo enorm groot is, dat er, welke hulp je ook biedt, toch geen uitzicht meeris. Dat geldt ook voor andere behandelingen. Kanker is een paar keer alsvoorbeeld genoemd. Ook daar gun ik iedereen de hoop op leven en ookdaar is nog een wereld te winnen, maar ook daar weten we dat met demogelijkheden, de middelen en de capaciteit die er nu zijn, niet iedereengeholpen kan worden. Volgens mij speelt hier iets soortgelijks, dus ik zoumevrouw De Korte willen vragen of het niet net zo is als bij welk probleemdan ook: mensen moeten de mogelijkheid van een gesprek hebben. DatTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1637 geldt zeker voor de mogelijkheid om een gesprek over het einde van hetleven op humane wijze te voeren. Neemt zij niet juist dat gesprek op dezemanier weg, door bijvoorbeeld het voorstel dat hier werd neergelegd voorhet opschorten?Mevrouw De Korte (NSC):Wij zien een groot verschil met mensen die lichamelijk ziek zijn, bijvoor-beeld door kanker of ALS, zoals ik net zei. Bij hen zie je dat de ziektedoorgaat. Daar is beeldmateriaal van; daar zijn parameters in het bloedvan. Je ziet dat het gewoon achteruitgaat en dat het onomkeerbaar is dathet einde van het leven daar is. Op die manier kun je niet kijken naarmensen die psychiatrisch ziek zijn. Er zijn geen metingen waaruit blijkt dathet levenseinde dichtbij is. Dat is echt onduidelijk. Die onduidelijkheid bijmensen met psychiatrische aandoeningen, jonge mensen, maakt het voorons heel moeilijk om met deze algemene zorgvuldigheidscriteria, die naarons idee vooral waren bedoeld voor mensen met somatische aandoe-ningen, dit vast te stellen bij psychisch lijden. Daar heeft echt een flinkaantal psychiaters over gesproken. Er wordt verschillend over gedacht,maar de psychiaters die wij volgen, zeggen: maar dit is niet duidelijk. Ookin het rondetafelgesprek werd gezegd: uitzichtloosheid is eigenlijk nietvast te stellen. Hoe moeten we dan beoordelen dat mensen euthanasiemoeten krijgen?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat ik in mijn inbreng heb aangegeven – dat hebben we allemaalgedaan – dat dit een moeilijk gesprek is en dat dit vooral ook vraagt omeen goed gesprek met elkaar en goed luisteren naar deskundigen, naarervaringsdeskundigen ook. Het is ook goed dat voortdurend wordtgekeken of de richtlijnen en de uitvoeringspraktijk moeten wordenherzien. Volgens mij gebeurt dat. Dat gaven een aantal collega’s ook aan.Mevrouw De Korte stelt voor om daar een aantal aanvullende voorstellenvoor te doen. De vraag die dan voortdurend door mij en anderen wordtgesteld, is wat dat oplost. Mijn laatste vraag hierover aan mevrouw DeKorte is of zij nu niet te veel op de stoel van de professional gaat zittendoor hier best wel een aantal stellingen neer te leggen, geluisterdhebbende naar een deel van de beroepsgroep, die dat zeker vindt. Doordat zo als politiek feit neer te leggen, wordt het gesprek hierover welbemoeilijkt. We moeten er naar mijn idee ook voor uitkijken dat depolitieke discussie het hele traject dwarsboomt waarin mensen dit in alleeerlijkheid en zorgvuldigheid en ook in alle rust proberen te doen.Mevrouw De Korte (NSC):Wij vinden dus wel dat dit gesprek in de politiek moet plaatsvinden.Natuurlijk zijn we ook blij dat de richtlijnen worden aangepast. Het zoumooi zijn als alle artsen daarmee tot consensus komen, maar dat neemtniet weg dat het ook een brede maatschappelijke discussie is. Ik heb datnet al genoemd. Ons dilemma is het volgende. De heer Boomsma heeftdat ook al gezegd. Enerzijds zijn er inderdaad mensen die euthanasiewillen en daar ook de stap toe zetten, maar anderzijds weet je dus nooit ...Ze kunnen nooit achteraf zeggen «was het goed geweest?», omdat hetonomkeerbaar is. Die zorg hebben we.De voorzitter:Mevrouw Dobbe met een vraag.Mevrouw Dobbe (SP):Ik ben naar aanleiding van deze beantwoording toch zoekende naar hetprecieze doel van deze initiatiefnota, om heel eerlijk te zijn. Welk probleemwil de initiatiefnemer hiermee oplossen? Dat lijkt mij een heel legitiemevraag. Mevrouw Paulusma vroeg dit ook al. Volgens mij heeft ze daarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1638 eigenlijk geen antwoord op gehad. Het antwoord dat mevrouw De Kortegeeft, is best wel verwarrend, om heel eerlijk te zijn. Zij stelt eigenlijkbehoorlijk stellig: het probleem is dat jonge mensen de optie krijgen vooreuthanasie. Ze stelt: uitzichtloosheid is eigenlijk niet vast te stellen. Maaris dit dan een soort opmaat om het te verbieden, omdat NSC eigenlijkdenkt dat het sowieso niet vast te stellen kan zijn bij psychisch lijden bijmensen onder de 30 en dat dit moratorium volgens de indiener eigenlijkeen permanente oplossing zou moeten zijn, of niet? Wat zitten wij hieranders te doen met het financieren van onderzoeken, die volgens mijoverigens inderdaad nu al worden gedaan? Moeten we daar extra tijd enenergie in stoppen, terwijl de indiener het er eigenlijk over wil hebben dathet gewoon niet kan bij deze groep? Dus hoe zit het nou? Denkt NSC nudat het wel vast te stellen is, of zijn ze er al van overtuigd dat het niet kanbij psychisch lijden? Dan denk ik dat we het gesprek daarover moetenhebben.Mevrouw De Korte (NSC):Daarvoor willen we juist een commissie van wijzen instellen, want juisthierover zou een commissie van wijzen, met een heel diverse vertegen-woordiging, iets moeten zeggen. Daarom zou de politiek hier niet directiets over moeten zeggen, maar zou het echt in discussie zijn, ook alsmaatschappelijke discussie. We weten niet eens wat het draagvlak is vande psychiaters. We weten niet wat het maatschappelijk draagvlak is. Er isnog zo veel onduidelijk. Daar willen we antwoorden op, met de commissievan wijzen en met onderzoek.De voorzitter:Er is nog een vraag van mevrouw Paulusma. Excuus, er is een vervolg-vraag van mevrouw Dobbe.Mevrouw Dobbe (SP):Dat is dan weer ingewikkeld te rijmen met wat mevrouw De Korte net zeiover de beroepsgroep. Dan snap ik gewoon even niet meer wat mevrouwDe Korte wil met deze initiatiefnota. Wie moet hier nu aan zet zijn om ditte verbeteren volgens mevrouw De Korte, en wat is nu precies hetprobleem? Ik snap dat het heel zorgvuldig moet; dat willen wij ook. Als jedit doet, moet het héél zorgvuldig gebeuren. Het moet niet afhankelijk zijnvan een systeem dat niet functioneert et cetera. Maar wat is nu precies hetprobleem dat mevrouw De Korte wil oplossen met deze initiatiefnota,behalve dat ik de indruk krijg dat ze eigenlijk niet wil dat dit gebeurt? Daarlijkt elk antwoord namelijk op te zijn gestoeld.Mevrouw De Korte (NSC):Allereerst de initiatiefnota. Nogmaals, het is en-en. Dit is zo’n bredediscussie. We vinden niet dat dit alleen bij de psychiaters neergelegd kanworden. We vinden dat er een brede discussie moet plaatsvinden. Wevinden dat de commissie van wijzen er iets over moet zeggen. We willendat er duidelijke uitkomsten komen. Laten we daar niet op vooruitlopen.Dat is het punt.Mevrouw Paulusma (D66):Ik begin het steeds ingewikkelder te vinden, want ik begin steeds minderte begrijpen wat nou het doel is van deze initiatiefnota. Mevrouw De Korteblijft zeggen dat «uitzichtloosheid» beter gedefinieerd moet worden. Dat isdus heel ingewikkeld, want dat is per individu heel anders. Daaromhebben we daar ook ruimte voor gelaten; dat kan voor mijn buurman ietsheel anders zijn dan voor mij. Daarmee gaat mevrouw De Korte toch opde stoel van de professional zitten, wat ik lastig vind.Nog even over die commissie van wijzen. Mevrouw De Korte maakte eenaantal keer een vergelijking met fysiek lijden, maar er zijn jammer genoegTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1639 – ik kom uit de zorg – een heleboel aandoeningen waarvan we het beloopniet weten. Daarvan weten we ook nog niet of mensen genezen kunnenworden en welke behandeling adequaat is. Toch kan het lijden bij eenzeldzame vorm van kanker zó uitzichtloos zijn dat mensen toch kiezenvoor zelfbeschikking en euthanasie. Ik vind het wat ingewikkeld wordendat dat ogenschijnlijk oké lijkt te zijn, terwijl daar dezelfde discussie onderzou kunnen liggen als bij psychisch lijden. Ik vraag me af waarommevrouw De Korte dat onderscheid zo maakt.Mevrouw De Korte (NSC):We blijven onderscheid maken tussen mensen die somatisch lijden enmensen die psychisch lijden, en ook tussen jonge en oudere mensen. Of,«oudere» ... 30-plus is eigenlijk nog niet eens zo oud. Zeer jonge mensenzijn echt nog in ontwikkeling. We horen van psychiaters dat zij veel meerkans hebben om uit hun lijden te komen. Vandaar dat we echt kiezen voor30 jaar. Nou ja, dat is het antwoord. Ik ben het even kwijt.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Paulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Maar dat is verre van een antwoord op mijn vraag. Waarom is het danvolgens NSC wel acceptabel dat mensen met een zeldzame vorm kankerwaarvan we ook nog niet weten wat het beloop is, of er een behandelingis en welk perspectief er is, wél mogen kiezen voor euthanasie omdat ersprake is van uitzichtloos lijden? Waarom zou dat niet gelden als het gaatom mensen die psychisch lijden, waarbij de professional samen met depatiënt tot dit besluit komt?Mevrouw De Korte (NSC):Het is duidelijk dat veel soorten kanker uiteindelijk toch tot de dood leiden.Dat zien we aan de foto’s en dat zien we in het bloed. Het is veel duide-lijker hoe je daar iets over kan zeggen. Maar uitzichtloosheid bij mensendie psychisch lijden ... Nogmaals, de diagnose is al heel lastig vast testellen, laat staan uitzichtloosheid.Mevrouw Paulusma (D66):Tot slot. Ik begin het echt ingewikkeld te vinden. Ik hoor mevrouw DeKorte een aantal keren zeggen dat zij niet op de stoel van de professionalzit, maar alles wat er nu gezegd wordt, is hetzelfde als op de stoel van deprofessional gaan zitten. Dat is niet aan ons, aan deze kant van de tafel.Dat is niet aan de Kamerleden, maar ook niet aan de indiener. Ik vind hetmet elk antwoord verwarrender worden wat nou eigenlijk de intentie isvan deze initiatiefnota.Mevrouw De Korte (NSC):Mijn antwoord is steeds hetzelfde: het is niet alleen het medisch modeldat hierin bepalend is, maar het gaat ook om de sociale omgeving. Wehoorden in het rondetafelgesprek dat heel veel aspecten meespelen bijhet psychisch lijden van jonge mensen. Het heeft zo veel aspecten. Diebreedte bij jonge mensen die psychisch lijden is anders dan die bijmensen met kanker. Die is namelijk veel meer somatisch te bepalen. Wijzien dus de breedte van de commissie van wijzen als noodzakelijk om hiermeer over te zeggen.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Zoals ik de initiatiefnota heb begrepen, is een van de aspecten waar deinitiatiefnemer de vinger bij legt dat jongeren tot 30 jaar een breinontwik-keling hebben die ook van invloed kan zijn op de psychische en psychia-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1640 trische ontwikkeling. Die invloed is natuurlijk wisselend. Maar dit kan ookhoop geven op verbetering van de situatie. Heb ik dat goed begrepen?Mevrouw De Korte (NSC):Daar heeft het zeker mee te maken. Dat is wat de heer Boomsma ook alzei. Jonge mensen maken een ontwikkeling door. Wij hebben ervarings-deskundigen gesproken die zeiden: opeens had ik een ander perspectief.Jonge mensen kunnen verliefd worden. Iemand werd bijvoorbeeld tante.Kortom, jonge mensen kunnen een ander sociaal perspectief krijgen, dathelemaal niet met de ziekte te maken heeft, maar dat er toch voor kanzorgen dat ze willen leven en hoop krijgen. Dat is met name bij jongemensen aan de hand. Inderdaad, het brein ontwikkelt zich. Doormedicijnen blijft het brein soms juist achter. Jonge mensen maken nog zoveel ontwikkelingen mee, die bepalen wat ze willen. Eerlijk gezegd gun ikjonge mensen ook echt een perspectief op leven.De voorzitter:Ik ga u vragen om korter en puntiger te antwoorden. Hetzelfde geldt voorde zijde van de Kamer. Ik vraag de leden om de vragen zo kort en puntigmogelijk te houden. Dat vraag ik omwille van de tijd. We willen namelijkgraag allemaal aan bod komen. Mevrouw Bikker heeft nog eenvervolgvraag.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Volgens mij ben ik redelijk rustig en terughoudend met het aantalinterrupties, zeg ik zonder collega’s tekort te willen doen. Mijn vervolg-vraag aan collega De Korte zou zijn of dat juist niet het grote verschil ismet andere somatische aandoeningen, die soms ook een onbekendvervolg hebben. Juist dit aspect is minder gewogen bij de totstandkomingvan de euthanasiewetgeving. NSC legt hiermee op tafel dat we juist ophet onzekere deel ergens een ethiek van zorgvuldigheid moeten hebben.Mag ik haar nota zo lezen dat dit een aansporing is tot een ethiek vanzorgvuldigheid? Dat zou mijn fractie namelijk enorm helpen.Mevrouw De Korte (NSC):Dank u wel, mevrouw Bikker. Ja, het gaat inderdaad om de zorgvuldig-heidseisen. Die zijn heel lastig te interpreteren bij jonge mensen diepsychisch lijden. Juist de zorgvuldigheid staat hier ter discussie. Het iseen wettelijke zorgvuldigheid om te kijken naar uitzichtloosheid. Het is eenwettelijke zorgvuldigheid om te kijken naar andere behandelperspec-tieven. Die stellen we hier ter discussie.Voorzitter. Ik heb nog een hele stapel vragen die ik moet beantwoorden.Die kan ik eigenlijk niet meer doornemen. Ik denk namelijk dat ik heelveel... Maar mag ik doorgaan met de beantwoording?De voorzitter:Heel graag, mevrouw De Korte.Mevrouw De Korte (NSC):Ik denk dat ik ze niet allemaal meer kan beantwoorden, want de tijdschrijdt voort. Ik denk echt dat ik veel vragen al behandeld heb.De heer Bevers had het erover dat de stijging maar beperkt is, omdat demeeste mensen geen euthanasie krijgen wanneer zij een euthanasieaan-vraag doen. Ik heb net echter al gezegd: het gaat om de 10.000 anderejonge mensen die in behandeling zijn vanwege een doodswens eneuthanasie als mogelijkheid gaan zien. Dat baart ons zorgen. Het baartpsychiaters ook zorgen dat ze het steeds weer moeten hebben over deuitweg ten aanzien van euthanasie. Wij zien héél graag dat het gesprekover de doodswens veel eerder plaatsvindt, dus voordat men eeneuthanasietraject ingaat. Daar kijken wij naar uit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1641 De stijging is al een keer genoemd. Ik hoop dat ik nu snel door alleantwoorden heen kan gaan. Het perspectief op leven heb ik ook algenoemd.Ik ga gewoon naar de commissie van wijzen. Wat wordt er nu met decommissie van wijzen bedoeld? Daar heb ik volgens mij ook al heel veelover gezegd. Bij het rondetafelgesprek was er wat verwarring: is dat nuhet multidisciplinair overleg bij het euthanasieverzoek? Dat is het niet. Wijzien een breed samengestelde commissie van wijzen voor ons met eenpsychiater, een ethicus, een psycholoog, misschien wel een systeemthe-rapeut, zoals mevrouw Bikker noemde, en onderzoekers, die met elkaarkijken naar deze complexe materie. We kijken ook naar het voorbeeld vande commissie-Schnabel, die in het verleden een heel mooi advies heeftgegeven over voltooid leven. Op die manier kijken we er dus naar.De voorzitter:Mevrouw Westerveld heeft een vraag.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ja, over de uitvoering. Ik vraag me af hoe mevrouw De Korte dit voor zichziet. Wie gaat dan de commissie van wijzen benoemen? Als ik zie hoeveeldiscussie de vraag wie er wel en niet aan tafel komen elke keer weeroplevert, zoals we ook zagen bij het rondetafelgesprek, dan vraag ik me afof het niet nog meer ... Volgens mij is mijn punt duidelijk. Maar wie gaaner in die commissie zitten? Wie gaat die samenstellen? En aan wie legt zijverantwoording af?Mevrouw De Korte (NSC):Een dergelijke commissie zou door de Staatssecretaris aangesteld moetenworden, zoals bij de meeste commissies gebeurt. Voltooid leven is eenmooi voorbeeld daarvan. Dat is echt een discussie met verschillendeperspectieven. Toch is er vanuit die verschillende perspectieven een heelmooi rapport over geschreven, onder anderen met een voorzitter van D66,onderzoekers en ethici. Zo zien we dat dus voor ons.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat die vergelijking niet helemaal opgaat. We hebben hier eengesprek over het feit dat het vaak een individueel besluit is en dat ookzaken als uitzichtloosheid niet zomaar in regels kunnen wordenvastgelegd. Mijn vraag is dan wat mevrouw De Korte van zo’n commissieverwacht.Mevrouw De Korte (NSC):Wij verwachten juist met deze open vragen ... Er is dus een bepaalde matevan onzekerheid bij uitzichtloosheid. Welke mate van uitzichtloosheid isacceptabel? Het is niet 100% objectief vast te stellen, maar daar zou decommissie van wijzen dan iets over kunnen zeggen.Mevrouw Paulusma (D66):In vervolg op de vraag van collega Westerveld. De vergelijking met decommissie-Schnabel is overigens heel erg krom. Ik ben op zoek naar hoedit er praktisch uit moet zien. Gaat deze commissie individuele aanvragenbeoordelen? Gaat deze commissie de beroepsgroep overrulen? Gaat dezecommissie het mandaat krijgen om richtlijnen aan te passen? Ik ben eenbeetje op zoek naar wat deze mensen gaan doen in hun vrije tijd.Mevrouw De Korte (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1642 Ik heb net al aangegeven dat het dus niet gaat om de beoordeling vanindividuele gevallen. Daar willen we ver van blijven. Het gaat erom dat wekijken naar de problematiek in het algemeen. Hoe moeten de zorgvuldig-heidscriteria bij jonge mensen worden beoordeeld? Hoe gaan we om metdeze onzekerheden? Hoe gaan we om met de verschillende rollen van deverschillende artsen? Dat staat ook in de beslispunten van de nota.Moeten er misschien meer mensen betrokken worden? Dat soort zakenzouden volgens ons door een brede commissie vastgesteld moetenworden.Mevrouw Paulusma (D66):Excuus voor de vele vragen, maar het is een belangrijk onderwerp. Ik wildus echt exact weten wat NSC graag wil. Ik snap dat dit een breedmaatschappelijk gesprek is. Velen van de collega’s hebben ook hun eigenworsteling met dit onderwerp aangegeven. Dat geldt, denk ik, vooriedereen hier. Maar ik ben nu wel op zoek naar het volgende. We hebbende beroepsvereniging, ThaNet, de NVvE. Er zijn allerlei gremia waarin ... Uzou ook nog kunnen zeggen: we gaan de SUNSET-studie continueren. Datlijkt me ook een hele waardevolle aanvulling. Dit gebeurt dus allemaal endan gaan we daarnaast dus nog een commissie van wijzen organiseren. Ikben benieuwd of de Staatssecretaris überhaupt deze mensen gaatbenoemen. Ik deel wat mevrouw Westerveld zegt: dat wordt nog wel eenstevige klus. Maar welk mandaat krijgt deze commissie dan?Mevrouw De Korte (NSC):Die krijgt het mandaat om een aantal uitspraken met elkaar te doen.Nogmaals, we kijken naar het advies van de commissie-Schnabel. Dieheeft een aantal punten goed bekeken. Die heeft bekeken waarom hetconcept «voltooid leven» wel of niet toegepast zou moeten worden enwaarom euthanasie bij jonge mensen die psychisch lijden, toegepast zoumoeten worden. Die heeft bekeken wat de mate van onzekerheid is als hetgaat om uitzichtloosheid. Wij vinden dat er een onafhankelijke, bredecommissie moet zijn buiten de beroepsgroep om, omdat de beroepsgroepalleen kijkt naar het medische aspect en het breed bekeken moet worden.Ik denk dat ik dat al vaker heb aangegeven.De voorzitter:Tot slot, mevrouw Paulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Ja, voorzitter, dank u wel voor deze coulance. De vergelijking met decommissie-Schnabel is echt een beetje opmerkelijk. Die is ingesteld en omeen advies gevraagd naar aanleiding van een nieuw initiatief. Watmevrouw De Korte met deze commissie van wijzen voorstelt, is om buitenons, de Kamer, om – dat is ook nog heel opmerkelijk – iets te zeggen overhuidige wetgeving. Nogmaals: welk mandaat krijgt deze commissie omdeze Kamerleden te overrulen en dus iets te zeggen over bestaandewetgeving, terwijl zij niet democratisch gekozen is? En dan nogmaals: hoeis dat een extra aanvulling op alles wat er al is?Mevrouw De Korte (NSC):Wij zien het wel als een extra aanvulling op wat er is, juist omdat dit in debreedte bekeken moet worden. Er zijn echt heel veel commissies die ietszeggen, adviezen geven. Wij waarderen dergelijke adviezen. Nogmaals,het gaat met name om de zorgvuldigheidseisen en hoe die geïnterpre-teerd moeten worden. Die werden in 2002 naar onze mening andersgeïnterpreteerd dan hoe die nu ingevuld worden. Daar laat ik het bij.De heer Bevers (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1643 Ik zal proberen het kort te houden, maar ik sla echt enorm aan op debewering van mevrouw De Korte dat psychiaters of artsen bij eeneuthanasieverzoek alleen maar naar het medische domein kijken. Ik heb inmijn bijdrage ook aangegeven dat er aanvullende eisen zijn. Die wordenook door de NVvP ondersteund. Dat betekent dat er breed, multidisci-plinair overleg is en dat er wordt gekeken naar de sociale omgeving. Ikvind dat u de huidige praktijk, de artsen, die hier zeer zorgvuldig meeomgaan, echt tekortdoet door dit zo stellig te beweren. Daaropvolgend isook vanuit mij de vraag of u nu wilt dat een commissie van wijzengewoon aanwijzingen gaat geven voor het vaststellen van de zorgstan-daard, zoals we dat nu bij de beroepsgroep hebben neergelegd, of dat heteen vrijblijvend advies is en we na drie jaar kunnen zeggen: het was eenmooi advies, maar we gaan door zoals we het altijd al gedaan hebben.Dus heel concreet: is het de bedoeling dat de commissie van wijzen dezorgstandaard zoals we die nu binnen de beroepsgroep hebben vastge-steld, gaat overrulen of niet?Mevrouw De Korte (NSC):De heer Bevers haalt ook twee dingen door elkaar. De commissie vanwijzen gaat niet de individuele beoordelingen van individuele mensenbekijken, zeker niet. Het gaat juist om het overkoepelende maatschappe-lijke aspect dat nu aan de orde is. Het gaat dus niet alleen om demedische maatstaven, maar ook om hoe de zorgvuldigheidscriteria in hetalgemeen beoordeeld moeten worden in deze situaties. Ook zouden zijmoeten kijken naar de beschikbaarheid van redelijke behandelopties, debehandelrelatie en de rol van eerdere beoordelingen van euthanasiever-zoeken. Wij hebben ook in de beslispunten aangegeven wat eencommissie van wijzen zou moeten doen.De voorzitter:Tot slot, meneer Bevers.De heer Bevers (VVD):Ik haal helemaal geen dingen door elkaar. Even voor alle helderheid: deTweede Kamer stelt de wet vast en uiteindelijk wordt in de praktijk door deberoepsgroep – de KNMG en de NVvP zijn daar duidelijk over geweest –een aantal zorgstandaarden gedefinieerd op basis waarvan het handelenvan artsen getoetst kan worden. Ik heb het helemaal niet over individuelegevallen. Mijn vraag aan u was: vindt u dat de commissie van wijzen dezorgstandaarden zoals die door de beroepsgroep worden vastgesteld, kangaan overrulen? Dat is een vrij rechttoe rechtaan vraag, want dat geeftaan hoever u wilt gaan met die commissie van wijzen. Ik vraag het dusnogmaals: gaan zij bindend advies geven aan de beroepsgroep om dezorgstandaard aan te passen of is en blijft het een vrijblijvend advies datdeze commissie gaat geven?Mevrouw De Korte (NSC):Maar het gaat breder dan dat. Ze gaan niet alleen kijken naar de zorgstan-daard. Ze kijken ook naar de ethische aspecten. Ze kijken naar de matevan onzekerheid die acceptabel is. Ze kijken naar meer dan dat. Wat onsbetreft gaat het dus inderdaad over de breedte en zal het niet alleen aanartsen zijn om hier iets over te moeten zeggen. Het is een advies; eencommissie maakt nooit een soort wet of dat soort dingen. Een commissievan wijzen geeft een advies.De voorzitter:Oké. U vervolgt de beantwoording van de vragen.Mevrouw De Korte (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1644 Dan heb ik het mapje over de commissie van wijzen ook gehad. De staatvan de ggz is ook nog genoemd.De vraag van de heer Van Dijk was of de toename van euthanasiever-zoeken het gevolg is van de falende zorg en of dit maatschappelijk enmoreel onaanvaardbaar is. Ja, wij maken ons ook heel erg zorgen over destaat van de ggz. Die zijn ook echt genoemd in de nota. Ook tijdens hetrondetafelgesprek is dit veelvuldig genoemd. Mevrouw Westerveldnoemde het ook. Wij willen kijken op welke manier dit invloed heeft op deeuthanasieverzoeken. Er werd net al gezegd: dat weten we eigenlijkallang. Ja, maar we willen echt precies weten wat dan de invloed is op deeuthanasieverzoeken zelf. Dat is een belangrijk aspect van de ggz. OokNSC maakt zich dus zorgen over de ggz en zeker over de complexere zorg.Daar hebben we in het verleden ook een motie over ingediend. We vindendat de Staatssecretaris er te weinig mee aan de slag is geweest. Die gingover de financiën ten aanzien van de complexe zorg. Maar we vinden datdaar echt stappen in gezet moeten worden. We horen echt van hulpver-leners dat er versnipperde zorg is en dat hulpverleners niet langdurigkunnen meelopen. Er zijn ook wel echt initiatieven die goed zijn. Wehebben er ook een motie over ingediend dat er samenwerkingsverbandenkomen, zodat mensen eerder op de goede plek terechtkomen. Daarinhebben we dus ook als NSC aandacht besteed aan de ggz, maar dat kannog meer zijn.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Met alle respect voor de aandacht die er hier van iedereen is: het woord«ggz» staat niet eens in het regeerprogramma. Behalve aandacht is vooralnodig dat er wat gebeurt, dat er wat gebeurt aan de wachtlijsten. Daarhebben wij allemaal wel moties over ingediend, maar we zien ookallemaal dat de wachtlijsten oplopen. Ik denk dus dat we overduidelijkkunnen stellen dat er veel te weinig gebeurt. Mijn vraag aan NSC is dan:zouden er niet, in plaats van nog meer onderzoek te doen naar wat ermoet gebeuren, hele concrete stappen gezet moeten worden om echt diewachtlijsten te verminderen, echt te werken aan meer gespecialiseerdehulp en te voorkomen dat jongvolwassenen en volwassenen, iedereen diementale problemen heeft, voortdurend van plek a naar plek b naar plek cenzovoort worden gestuurd? Daardoor verergeren voor heel veel mensende problemen die ze hebben enorm, wat zelfs leidt tot mensen die – ik wilniet zeggen «door de ggz» – vanwege het ontbreken van passende hulpeen doodswens hebben.Mevrouw De Korte (NSC):We zijn het er volledig over eens dat de ggz vastloopt; dat gaf ik net ookaan. Er zijn goede initiatieven, maar die zijn echt te weinig. Maar ook daarmoet er inderdaad veel gebeuren. We moeten dus niet alleen onderzoekdoen. Dit gaat over euthanasie en het is inderdaad treurig als mensenkiezen voor euthanasie terwijl de ggz niet op orde is. De ggz moet op ordekomen. Daarom heb ik een vergelijking gemaakt met de palliatieve zorg,die niet op orde was voordat de wet inging. In de palliatieve zorg werdecht vier jaar voordat de wet inging veel geld gepompt. Het zou mooi zijnals de Staatssecretaris dat ook doet. Daar moeten we zeker stappen inzetten.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We bespreken natuurlijk wel een initiatiefnota van NSC, dus dan is mijnvolgende vraag: waarom worden er ook niet daarvoor voorstellengedaan? Ik heb nergens gezegd dat het alleen ligt aan gebrekkige hulp, enal helemaal niet aan hulpverleners. Maar ik vraag me wel af waarom in denota wel een paar voorstellen worden gedaan voor meer onderzoek, maarer geen overduidelijk voorstel met dekking ligt om ervoor te zorgen dat ermeer mensen worden aangetrokken voor de gespecialiseerde ggz, dat erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1645 meer locaties komen, dat er meer behandelopties komen, dat eronderzoek naar betere behandelmogelijkheden in de ggz komt. Daaroverhad ook een paragraaf in de nota kunnen staan. Als dit zo’n belangrijkaspect is, waarom ontbreekt die paragraaf dan?Mevrouw De Korte (NSC):Dat is best wel heel complex, een paragraaf over hoe de ggz eruit zoumoeten zien. Dat zou een nieuw notaoverleg zijn. We hebben de focusecht gelegd op dit onderdeel. Maar een nota over hoe het eruit zoumoeten zien? Wat ons betreft wordt er vooral gekeken naar hoe hulpver-leners het zien. Zij worden veel te weinig gehoord. Ook zij zeggen watlangere trajecten te willen en niet van die versnipperde trajecten. Dewachtlijsten zijn een ernstig probleem. Ja, maar we hebben dit nietmeegenomen in de nota.De voorzitter:Mevrouw Dobbe met een vraag.Mevrouw Dobbe (SP):Ik wil daar even op doorgaan. Dit is een vraag die ik ook sterk heb. Ikhoorde mevrouw De Korte erkennen dat er een relatie is. Zij erkent dat deggz niet op orde is en dat dit probleem moet worden opgelost. Maar danis mijn vraag waarom mevrouw De Korte dan nog een onderzoek wil. Water ook uit het onderzoek komt, we kunnen nu al de conclusie trekken datwe moeten investeren in de ggz en in de jeugdzorg. Of gaat de uitkomstvan het onderzoek bepalen of mevrouw De Korte al dan niet zou willeninvesteren in de ggz of de jeugdzorg? Ik vraag me af of dit afhangt van hetonderzoek. Als dat niet afhangt van dat onderzoek, is mijn vraag waaromhet er niet in staat. Er hoeven niet hele stelselwijzigingen te wordenvoorgesteld in een initiatiefnota, maar het lijkt mij toch wel eenbeslispunt, als mevrouw De Korte ervan overtuigd is dat dit heelbelangrijk is.Mevrouw De Korte (NSC):We vinden het ontzettend belangrijk dat de relatie tussen de ggz en deeuthanasievraag wordt onderzocht. We weten immers niet welkespecifieke aspecten invloed hebben op de euthanasievraag. We kijken nuwat in de breedte, naar de wachtlijsten, de behandelmogelijkheden. Debehandelopties behoren tot de zorgvuldigheidscriteria. Als ze er niet zijn,wat is er dan nodig? Er zijn dus best wat specifieke vragen die mogelijkgerelateerd zijn aan de euthanasievraag. Ik zeg «mogelijk», want daarwillen we juist onderzoek naar laten doen. Daar moet preciezer naargekeken worden.De voorzitter:Mevrouw Dobbe met een vervolgvraag.Mevrouw Dobbe (SP):Als voor mevrouw De Korte niet ter discussie staat dat, wat er ook uit hetonderzoek komt, er sowieso geïnvesteerd moet worden om de problemenin de ggz en de jeugdzorg op te lossen, is mijn vraag, nogmaals, waaromhet hier dan niet in staat. Of gaat u de uitkomsten van dat onderzoekafwachten, alvorens te willen investeren in de ggz en de jeugdzorg? Ik hebgeen stomende beweging voorwaarts gezien bij NSC om de problemen inde ggz en de jeugdzorg op te lossen.Mevrouw De Korte (NSC):Volgens mij is dat dezelfde vraag die ik daarnet beantwoord heb. Het isveel breder dan dat. Wij willen specifiek kijken wat nou beïnvloedendefactoren zijn. Met onderzoek kun je daar veel preciezer naar kijken. WijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1646 kunnen alleen in de breedte kijken en vaststellen dat een en ander nietklopt. Maar wat is nou precies van invloed op die euthanasievraag?De voorzitter:U vervolgt de beantwoording. Heeft u nog veel antwoorden liggen?Mevrouw De Korte (NSC):Ik zit mijn stapeltje na te kijken. Ik kan heel veel overslaan, hoop ik. Ik hoopniet dat ik vervolgens weer te veel oversla. Het onderzoek is denk ikvoldoende besproken. Ik denk dat ik dat verder kan laten liggen. Hetmoratorium hebben we ook al uitgebreid besproken. Ik denk dat ik hetgewoon ga afronden, tenzij er nog een specifieke vraag is op een van deonderdelen.De voorzitter:En die is er, en wel van mevrouw Paulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Ik had een aantal vragen, maar de laatste is de belangrijkste. Ik hebmevrouw De Korte gevraagd of ze het moratorium een goede vervangervindt van de zorgvuldige begeleiding en ook van het zorgvuldige ethischegesprek tussen patiënten, hun naasten en hun artsen, maar ik heb in mijnbijdrage ook gevraagd of het juridisch überhaupt wel mogelijk is om eenmoratorium in te stellen voor bestaande wetgeving. Ik was wel benieuwdnaar het antwoord op die vraag.Mevrouw De Korte (NSC):Juridisch is het inderdaad noodzakelijk dat er dan toch een veranderingvan de wet plaatsvindt, maar liever zien we de andere weg, namelijk dateerst de beroepsgroep aan de slag gaat, nadenkt en ook kijkt naar Canada.Dat land zegt: er zijn zo veel onzekerheden; we doen het tijdelijk even niettotdat die onzekerheden zijn opgelost. Daar kijken wij ook naar.De voorzitter:Tot slot, mevrouw Paulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Maar nu is het wel even kiezen, zeg ik via de voorzitter. Ik hoordemevrouw De Korte namelijk een aantal keren zeggen: we komen niet aande wetgeving. Nu zegt ze: voor dat moratorium zou de wetgevingaangepast moeten worden. Welke van de twee gaat het nu worden?Mevrouw De Korte (NSC):We willen allereerst dat de beroepsgroep zelf collectief een moratoriumgaat instellen. Dat is de eerste weg. We denken dat dat de snelste weg is.Wetgeving is een uitgebreide weg, dus we zien het moratorium van decollectieve beroepsgroep als een snellere weg.De voorzitter:Dank u wel. Daarmee bent u... O, er is nog een vraag van mevrouwWesterveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Deze vraag lijkt van het debat af te leiden, maar dat is niet zo. Er komt veelnadruk te liggen op onderzoek, maar tegelijkertijd zijn er ook gewoonstevige bezuinigingen op het wetenschappelijk onderzoek. Ik noem datomdat de NSC-fractie voortdurend de Engelstalige psychologieopleidingnoemt. Die is juist vaak gericht op onderzoek, dus hoe rijmt dat metelkaar?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1647 Mevrouw De Korte (NSC):Er zijn inderdaad bezuinigingen op Engelstalige psychologieopleidingen,maar mensen moeten opgeleid worden voor de Nederlandse situatie. Datis belangrijk. Het zijn mensen die in Nederland aan het werk gaan. Daarbijhebben we een enorme aantrekkingskracht op studenten uit hetbuitenland, waardoor studenten eigenlijk geen kamers kunnen krijgen,maar dat is weer een ander onderwerp. Maar wij zien daarin echtmogelijkheden: juist de Nederlandse taal is belangrijk om Nederlandsehulp te verlenen.De voorzitter:Tot slot, mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik zal er dan geen vraag van maken. Mijn punt was heel specifiek dat juistde Engelstalige variant vaak gericht is op onderzoek. Waarom is dieEngels? Omdat het vaak gaat om internationaal onderzoek, omdat op ditpunt veel van elkaar te leren is. Dat vind ik dus niet rijmen met de puntenin de initiatiefnota. Maar ik zal er geen vraag van maken, want ik begrijpook wel dat dit afleidt van het andere debat dat we hier vandaag hebben.De voorzitter:Dat was inderdaad geen vraag. Mevrouw De Korte was klaar met debeantwoording van de vragen. Dan geef ik nu het woord aan deStaatssecretaris.Staatssecretaris Karremans:Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik ook mijn dank uitspreken voor deinitiatiefnota van mevrouw De Korte en haar voorganger, mevrouwHertzberger, op dit toch zeer belangrijke, maar ook zeer complexeonderwerp. In de initiatiefnota worden zorgen geuit over de groei van hetaantal toepassingen van euthanasie bij jonge mensen met psychischlijden, met name bij vrouwen met een leeftijd onder de 30 jaar. Ik vind hetgoed dat er zowel binnen als buiten de Kamer aandacht wordt gevraagdvoor dit onderwerp. Zorgen die er leven, moeten immers bespreekbaarzijn en serieus worden genomen.Voorzitter. Allereerst wil ik benadrukken dat de Nederlandse euthanasie-praktijk heel zorgvuldig is – dat is belangrijk om vast te stellen – en dat deoordelen van de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie, de RTE, latenzien dat door artsen zorgvuldig wordt gehandeld. Geen enkele euthanasie-melding van een patiënt jonger dan 30 jaar is ooit als onzorgvuldigbeoordeeld. De recente jaarcijfers van de RTE, over 2024, laten zien dat bijde 30 euthanasiemeldingen die betrekking hadden op patiënten jongerdan 30 jaar, 26 verschillende artsen betrokken waren. Hieruit blijkt dat hetbeeld dat slechts een select groepje artsen zich zou bezighouden meteuthanasieverzoeken van jongeren met psychische aandoeningen, nietrijmt met de cijfers en de feiten.Ook blijkt uit de RTE-jaarcijfers dat euthanasie bij psychisch lijden, zekerwaar het jonge mensen betreft, zeer zeldzaam is. Vier wetsevaluaties op rijlaten zien dat de euthanasiewet goed functioneert. De wet kent opennormen – dat is ook logisch – die nadere invulling behoeven. Gezien hetfeit dat euthanasie medisch handelen betreft, spelen medisch-professionele richtlijnen bij die nadere invulling, binnen de kaders van dewet, een belangrijke rol. Daarom is het aan de beroepsgroep om tebepalen wat de professionele standaard is, en niet aan een zogenaamdecommissie van wijzen.De professionele standaard voor euthanasie bij psychisch lijden isneergelegd in de richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten meteen psychische stoornis, van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie.Naast de extra behoedzaamheid die in acht genomen moet worden bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1648 een euthanasieverzoek van een patiënt met een psychische stoornis, moeter volgens dezelfde richtlijn grotere terughoudendheid worden betrachtnaarmate de patiënt jonger is. De jongere leeftijd moet in beschouwingworden genomen bij de beoordeling van de vrijwilligheid en weloverwo-genheid van het verzoek en de vraag of er geen redelijke andere oplossingis. Dit is dus al onderdeel van de richtlijn. Ik onderschrijf natuurlijk decomplexiteit waarmee artsen geconfronteerd worden bij de beoordelingvan de wilsbekwaamheid en uitzichtloosheid van het lijden en van devraag of er nog redelijke alternatieven zijn, zeker waar het jonge mensenbetreft, die nog een heel leven voor zich hebben.Voor mensen die psychisch lijden en een doodswens of euthanasie-verzoek hebben, is het essentieel dat ze gehoord worden en serieusgenomen worden en in alle openheid het gesprek daarover kunnenvoeren met hun behandelaar, want juist door over de doodswens tepraten, kan ruimte voor het leven ontstaan. Dat bleek ook uit het onlangsuitgevoerde onderzoek van EE en 113 Zelfmoordpreventie: bijna de helftvan het aantal euthanasieverzoeken bij EE wordt door de patiëntingetrokken na gesprekken over de doodswens. Dat zijn gesprekken dievaak ontstaan vanuit en beginnen met een euthanasieverzoek van eenpatiënt.Het kan echter ook zo zijn dat iemand geen andere uitweg meer ziet voorzijn of haar lijden en daarom volhardt in een euthanasiewens of -verzoek,en dat er ook daadwerkelijk geen redelijke alternatieven meer zijn om hetlijden te verlichten. Bij patiënten met een psychische stoornis is diebeoordeling sterk persoonsgebonden en individueel bepaald. Bijuitzichtloosheid gaat het om een beoordeling door de arts van deindividuele en persoonlijke situatie van deze unieke patiënt, niet om eenalgemeen oordeel over uitzichtloosheid, gegeven de psychiatrischediagnose. Kortom, het is maatwerk.Gezien de huidige discussie over euthanasie bij psychisch lijden van jongemensen is het goed dat bij de herziening van NVvP-richtlijn specifiekaandacht wordt besteed aan het feit dat elke patiënt uniek is. Ook wordtgekeken naar de procedure voor het aanvragen van een second opiniondoor een onafhankelijke, deskundige psychiater en het raadplegen vaneen onafhankelijke consulent, bij voorkeur een SCEN-arts, die hiervoorspeciaal is opgeleid. De werkgroep – je zou het ook een «commissie vanwijzen» kunnen noemen, met enige creativiteit – die zich bezighoudt metde richtlijnherziening is multidisciplinair samengesteld. Het zijn dus nietalleen medici, maar er zitten ook mensen met ethische kennis enjuridische expertise in. Ook nabestaanden maken er deel van uit. Wat datbetreft lijkt het een beetje op de commissie van wijzen die de notaverzoekt in te stellen, maar dan ingesteld door de beroepsgroep en nietdoor mij.Ook is het goed dat de NVvP een enquête heeft uitgezet onder haar ledenen dialoogsessies organiseert om euthanasie bij psychisch lijden bij deberoepsgroep onder de aandacht te brengen. De NVvP beoogt daarmeeeen constructieve dialoog te bevorderen en meer inzicht te krijgen in hoehet thema euthanasie speelt onder haar leden. Deze visievorming neemtde NVvP mee in het proces rondom de herziening van de richtlijn. Ik ziedat de beroepsgroep de herziening van de richtlijn gedegen oppakt. Ik hebdaarover ook meerdere malen contact met hen gehad. Ik heb ook allevertrouwen in het proces en wacht de uitkomst van de herziening metbelangstelling af.Ondertussen loopt er heel veel onderzoek waarvan de resultaten ondermeer inzicht zullen opleveren in de oorzaak van de stijging van het aantaleuthanasieverzoeken en -meldingen. Ook ben ik in gesprek met het veldover hoe de zorg voor mensen met psychisch lijden en een aanhoudendedoodswens of euthanasiewens kan worden verbeterd.Ik zal nu ingaan op de vragen van de Kamer. Die heb ik opgedeeld in drieblokjes. Ik begin met het moratorium, daarna komen alle vragen gerela-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1649 teerd aan de ggz en daarna komt het blokje overig. Zoals aangegeven doeik eerst het blokje moratorium.De heer Boomsma vroeg: zou een moratorium ook in Nederland moetengelden? Allereerst is voor een moratorium een wetswijziging nodig. In dewet zit, zoals mevrouw Bikker terecht zei, geen aan- en uitknop, dus datkan ook helemaal niet. We kunnen nu niet zeggen en je kunt niet per motiebepalen dat er een moratorium moet worden ingesteld. In het regeerpro-gramma, waaraan ik als Staatssecretaris uiteraard gebonden ben, is ookafgesproken dat de wettelijke kaders ten aanzien van euthanasieongewijzigd blijven. Dat stond overigens ook in het hoofdlijnenakkoord.Daarnaast is een moratorium zeer onwenselijk en ook niet nodig. Het isonwenselijk omdat een moratorium een open gesprek over de doodswensvan mensen tot 30 jaar in de weg staat, terwijl uit onderzoek van ondermeer het Expertisecentrum Euthanasie – ik zei het net al – en 113Zelfmoordpreventie blijkt dat er juist door een open gesprek over dedoodswens weer perspectief op leven kan ontstaan. Dan kan je zeggen datje dat gesprek ook kan voeren zonder dat die mogelijkheid er is, maar datis nou juist niet het geval. Heel veel van die gesprekken komen tot standomdat mensen weten dat er een mogelijkheid is. Overigens wordt diemogelijkheid zelden ingevuld; dat weten we ook. Daardoor weten mensenzich ook te wenden tot een professional en daardoor ontstaan ergesprekken over de doodswens en ontstaat er mogelijk ook weer eenwens om te leven. Dat weten we dus ook uit onderzoek. Als je die optieweghaalt, blokkeer je dus ook dat gesprek op die manier.Een moratorium is ook niet nodig, omdat we in Nederland duidelijkezorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk. Hetis goed om dat nogmaals te benadrukken. Zo is extra behoedzaamheidvereist bij euthanasieverzoeken op basis van psychisch lijden en is ergrotere terughoudendheid naarmate de patiënt jonger is. Nogmaals, datstaat al in de richtlijnen. Voor de arts is de individuele en persoonlijkesituatie van elke patiënt altijd leidend bij de beoordeling of aan allezorgvuldigheidscriteria wordt voldaan. Ook de oordelen van de RTE latenzien dat er door artsen zorgvuldig wordt gehandeld.Laat ik tot slot zeggen, misschien als persoonlijke noot: als deze motiewordt ingediend en het haalt, zal ik haar niet uitvoeren en ik vermoed datmijn opvolger dat ook niet doet.Voorzitter. Wat vindt de Staatssecretaris van het moratorium in Canada?Omdat het daar vaak over is gegaan, is het wel goed om daar enigehelderheid over te scheppen. Er is in dit debat een beeld geschetst dat erin Canada al een staande euthanasiepraktijk is voor patiënten metpsychisch lijden, dat er iets is geconstateerd in die praktijk en dat ze ervervolgens mee gestopt zijn. Dat is niet het geval. Het geval is dateuthanasie sinds 2021 in Canada ook mogelijk is voor patiënten met eenlangere levensverwachting. Door een zogenaamde sunset-clausule zou dewet voor patiënten bij wie de doodswens uitsluitend uit een psychia-trische aandoening voortkwam, in 2023 van toepassing worden. Dit is dusnooit in de praktijk gebracht; het zou toen van toepassing worden. Maar in2023 is dat met een jaar verlengd en vervolgens is het opnieuw verlengdtot 2027. Er is dus geen sprake, zoals is beweerd in dit debat, van eenstaande euthanasiepraktijk waarbij men tot inkeer is gekomen op basisvan wat men in de praktijk zag gebeuren. Dat is dus niet het geval.Bovendien moet gezegd worden dat er in Canada, anders dan inNederland, geen decennialange euthanasiepraktijk is. Dat is slechtsmogelijk sinds 2016. In Nederland is dat al decennialang het geval. Je kanhet dus ook niet met elkaar vergelijken op die manier, want in Nederlandkennen wij een zeer zorgvuldige euthanasiepraktijk die met alle mogelijkewaarborgen vooraf en achteraf is vormgegeven.Voorzitter. Dan de vraag van mevrouw Westerveld waar de leeftijdsgrensvan 30 jaar vandaan komt. Volgens mij is die ook aan mij gesteld. Er isgeen leeftijdsgrens van 30 jaar in de euthanasiewet. Je kan «m erbijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1650 pakken, maar hij staat er niet in. Wel wordt de categorie tot 30 jaar apartvermeld in de jaarverslagen van de RTE. Dit biedt mogelijke verklaringenvoor de vraag waarom deze leeftijdsgrens vaak wordt gebruikt, maar hijstaat niet in de wet. Dat ten aanzien van het kopje moratorium.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Dank aan de Staatssecretaris, al vind ik het wel wonderlijk hoe stevig erbinnen de coalitie wordt gereageerd. Maar goed, dat is niet aan mij. Ikconstateer alleen de verwondering. Mijn vraag ziet op die leeftijd van 30jaar. Mijn beeld is namelijk dat dit ook te maken heeft met de breinontwik-keling en de impact daarvan op de psyche. Ziet de Staatssecretaris daareen verband tussen?Staatssecretaris Karremans:Dat kan natuurlijk een rol spelen, zeker hoe jonger de patiënt is. Maarnogmaals, die grens van 30 staat niet opgenomen in de wet, ook niet omdie reden.De voorzitter:Mevrouw Bikker heeft een vervolgvraag.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Maar zou de Staatssecretaris niet nieuwsgierig zijn naar welk verband eris met die breinontwikkeling? Dat zien we eigenlijk ook op heel veelandere terreinen, waar we de wet- en regelgeving aan het aanpassen zijnomdat we weten dat het impact heeft op de toekomst van jongeren. Ik zoude Staatssecretaris in alle rust en terughoudendheid, zonder daar nudirect van alles aan te willen verbinden, willen vragen om daar ietsbedachtzamer of reflectiever op te reageren. Kan hij iets van die bewegingmeemaken?Staatssecretaris Karremans:Ik denk dat ik het niet eens mee hoef te maken, want zo staat het algeformuleerd in de richtlijn. Er moet ook grotere behoedzaamheidplaatsvinden als het gaat om jongere patiënten, en dat heeft onder anderehiermee te maken. Wat dat betreft vergt dat geen verdere nieuwsgie-righeid van mijn kant; dat is nou eenmaal onderdeel van de staandepraktijk. Ik zei ook: als de patiënt jonger is, wordt er grotere behoed-zaamheid betracht door psychiaters.De voorzitter:Mevrouw Bikker, tot slot.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Maar dan toch: vorig jaar was er een verdubbeling van het aantaleuthanasiegevallen onder de 30 en afgelopen jaar was er opnieuw eentoename. Dat is substantieel, juist bij deze leeftijdsgroep. Dan vind ik hetverwonderlijk dat de Staatssecretaris eigenlijk alleen maar zegt: zoals hetgaat, gaat het goed. Dat moet toch ook een zorg zijn als we weten dat hetbrein ontwikkelt, als we zien dat dit toeneemt, dat we op dat punt ... Somsmaakt een wet iets mogelijk wat je niet eerder voor ogen had. Dan kan dattoch een moment van rustige reflectie zijn?Staatssecretaris Karremans:«Zoals het gaat, gaat het goed.» Daar wil ik wel even op aanhaken. Ik denkdat mevrouw Bikker en ik wat dat betreft echt anders in de wedstrijdzitten. Als ik het goed begrijp, denk ik dat mevrouw Bikker zegt dat wenaar nul euthanasieverzoeken toe moeten werken. Ik kan dat als Staatsse-cretaris, en ook als liberaal, niet zo voor mezelf zeggen. Waarom niet?Omdat elk individueel geval anders is. Het zou zomaar kunnen dat al dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1651 30 gevallen – dat aantal zou kunnen groeien naar 60 – allemaal gerecht-vaardigd zijn en dat er bij allemaal sprake is van uitzichtloos lijden. Danzijn al die patiënten die dat verzoek doen vrijwillig en zorgvuldig getoetstdoor professionals. Dan wordt aan de wetgeving voldaan.Ik snap dat mevrouw Bikker, ook vanuit haar partij en haar ideologischeachtergrond, misschien denkt: «We moeten omlaag; dat zou beter zijn.Een stijging is dus per definitie slecht.» Daar ga ik niet in mee. Als hetzorgvuldig gebeurt en individuele gevallen zorgvuldig worden gewogenvolgens de wetgeving die we hebben en volgens de richtlijnen die er zijn,dan kunnen we spreken van een zorgvuldige euthanasiepraktijk inNederland – niet als er sprake is van een daling. Daar zeg ik wel bij datZonMw nu onderzoek uitvoert naar de factoren die onder andere aan dezestijging bijdragen. Die nieuwsgierigheid heb ik natuurlijk ook. Ik denk datik die nieuwsgierigheid deel met mevrouw Bikker. Dat wil ik natuurlijkgraag weten. Ik ga dat ook niet uit de weg. Er wordt onderzoek naargedaan; de resultaten verwachten we volgend jaar. Dat is een complexonderzoek, omdat het een complexe realiteit is. Dat onderzoek wil ikafwachten. Ik wil niet op voorhand naar conclusies gaan dat het aan deggz ligt, aan de jeugdzorg ligt of aan iets anders ligt. Ik wil dat onderzoekafwachten. Dat onderzoek wordt nu gedaan, in opdracht van het Minis-terie van VWS.De voorzitter:Een klein bezwaar van mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ja, voorzitter, een klein bezwaar. Eén. Ik zit hier niet in een wedstrijd. Ikben hier echt bezig om te zoeken hoe we elkaar kunnen verstaan bij dezehele hevige thematiek. Ik denk dat dat een belangrijke opmerking is bijeen debat dat over zoiets diep indrukwekkends gaat wat impact heeft oplevens. Twee. Los van hoe ik hier ideologisch in zit, worden al mijn vragennu een soort van in die koker geduwd. De Staatssecretaris herhaalt iederekeer «mevrouw Bikker wil naar die nul toe» en «dat is haar ideologischeovertuiging». Dat mag allemaal waar zijn en ik vind het prachtig dat hij datvoor ogen heeft, maar ik stel een vraag over de significante toename en ofde wet zich daartoe verhoudt. Dan vind ik het eerlijk gezegd geen rechtdoen aan mijn inbreng, die ik zorgvuldig doe en voorbereid heb, om diedan een soort van ideologisch in de hoek te parkeren. Zo ervaar ik dat, dusvandaar die korte opmerking.Staatssecretaris Karremans:Voor de duidelijkheid: ik zeg niet dat dit een onrechtvaardige mening isvan mevrouw Bikker. Ik denk dat zij heel duidelijk heeft gezegd dat zij zichzorgen maakt over de stijging. Dat heb ik mevrouw Bikker daadwerkelijkhoren zeggen. Je zou daarmee logischerwijs de conclusie kunnen trekkendat je zegt dat je dat geen goede ontwikkeling vindt. Ik zeg dat ik zoverniet ga. Ik zeg dat elk individueel geval anders is en dat ik die niet allemaalop één hoop kan gooien en kan zeggen dat het daardoor opeens eenslechte ontwikkeling is. Het gaat om, vaak complexe, individuele gevallen,die allemaal zorgvuldig getoetst worden. Als dat het geval is, dan zal jemij niet horen zeggen dat het een slechte zaak is dat er uiteindelijk zo veelmeer euthanasiegevallen zijn, omdat het elke keer weer individuelegevallen zijn. Ten aanzien van de factoren die een rol kunnen spelen indeze stijging heb ik gezegd dat we daar onderzoek naar doen. Daar doenwe ook onderzoek naar. Maar ik heb geen waardeoordeel ten aanzien vande vraag of dat een slechte ontwikkeling zou zijn.De heer Diederik van Dijk (SGP):Zou het het inhoudelijke gesprek dat we voeren niet helpen als deStaatssecretaris ten minste erkent dat de praktijk waarin we nu zijn belandTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1652 en waarin we het dus hebben over euthanasie bij soms hele jongemensen met psychisch lijden, door onze wetgever destijds niet zo isvoorzien? Is het daarom niet heel goed dat we daar inderdaad toch overspreken en vragen welke mogelijkheden de wet biedt en of die normenniet te open zijn, als we ook voldoende ruimte willen bieden aan debescherming van kwetsbare mensen?Staatssecretaris Karremans:Als de wetgever dat had voorzien, dan vermoed ik dat de wetgever eenleeftijdsgrens had ingesteld. Ik ben geen wetgever. De wetgever zit aan deoverzijde, maar ik vermoed zomaar dat als de wetgever dit niet had gewildvoor Nederlanders onder de 30 jaar, de wetgever daar een leeftijdsgrensvoor had ingesteld in de wet. Maar in de beantwoording op de vraag diemevrouw Westerveld mij stelde, heb ik net gezegd dat die leeftijdsgrensniet in de wet staat.De heer Diederik van Dijk (SGP):Is het eerlijke antwoord niet veel meer dat de wetgever dit niet voorzienheeft en dat we toen niet konden voorzien dat we in een discussie zoudenbelanden over het actief beëindigen van het leven van personen diemenselijkerwijs nog decennia zouden kunnen leven? Dan kom ik bij mijnvervolgvraag. De Staatssecretaris reageert net zo allergisch op eenmogelijke commissie van wijzen als een liberaal aan deze kant. Datverbaast mij. Ik heb nog even gekeken naar de instellingsopdracht van decommissie-Schnabel. Die ging juist over de ruimte die er binnen deeuthanasiewet wel of niet is met betrekking tot voltooid leven. Je zou tochheel goed zo’n exercitie kunnen uitvoeren naar de vraag: welke ruimtebiedt de huidige wet nu met betrekking tot euthanasie rond psychischlijden? Daar is niks betuttelends of wat dan ook aan. Dat is niet illiberaal.Het is, ook conform die commissie van destijds, gewoon het onderzoekenwat de wetgever toen voor ogen stond en of die wetgeving op dit puntnog genoeg is toegesneden op de huidige praktijk.Staatssecretaris Karremans:De euthanasiewetgeving wordt continu geëvalueerd. Die is al vier keergeëvalueerd. Daar valt natuurlijk ook euthanasie voor patiënten metpsychisch lijden onder. Elke keer kwam uit de evaluatie dat dat zorgvuldiggebeurt, ook bij mensen onder de 30 jaar. Dat ten eerste.Ten aanzien van de commissie van wijzen heb ik gezegd: dat ligt bij deberoepsgroep. Die zijn daar ook mee bezig. Er is een werkgroep metpsychiaters, ethici, juristen en nabestaanden. NSC beschrijft in de nota desamenstelling die ze zouden willen hebben van een zogenaamdecommissie van wijzen. Dat wordt nu in feite gedaan door middel van eenwerkgroep die door de NVvP is ingesteld. Daarbij worden alle perspec-tieven meegenomen, met aan de ene kant de perspectieven van depsychiaters, hoewel er flanken zijn. Mijn beeld is dat de algemene meningvan de beroepsgroep veel genuanceerder is dan in de media naar vorenwordt gebracht. Dat zijn flanken. Er werd door de heer Boomsmabijvoorbeeld een brief aangehaald die naar het OM is gestuurd door eenaantal psychiaters die de gevallen niet kenden, die de patiënten niethebben gezien. Dit zeg ik om dat even allemaal in perspectief te plaatsen.Het is belangrijk om de nuance daarbij te geven, zeker bij zo’n onderwerp.Maar dat wordt dus door de beroepsgroep op die manier opgepakt. Datzal vanzelfsprekend leiden tot debat en discussie binnen de beroepsgroep.Daar zal mogelijk een herziening van de richtlijn uit voortvloeien, of niet.Maar naar mijn mening vindt dat plaats op de juiste plek, binnen deberoepsgroep. Daar wordt niet alleen door psychiaters naar gekeken,maar dat gebeurt ook in de bredere context.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1653 De heer Van Dijk met een vervolgvraag.De heer Diederik van Dijk (SGP):De laatste keer op dit punt. Ik mis het besef van de notie dat je ook heelzorgvuldig een verkeerde route kunt inslaan. Ik mis echt ontzettend deeigen verantwoordelijkheid van de wetgever, die deze Staatssecretaris weldegelijk is. Die verantwoordelijkheid zit niet alleen aan deze kant. Ook uheeft als wetgever de taak, ook op grond van artikel 2 van het EVRM, datik al noemde, om te staan voor de bescherming van de levens vankwetsbare mensen. Ik hoop dat de Staatssecretaris daar nog nader op wilingaan. Bij wie ziet hij die verantwoordelijkheid liggen? We kunnen dit nietallemaal neerleggen bij de beroepsgroep.Staatssecretaris Karremans:Dat wordt natuurlijk geborgd door de zorgvuldigheid van zo’n traject. Datbesluit wordt niet over één nacht ijs genomen. Het is een beetje dat beelddat in Amerika weleens leeft van de euthanasiepraktijk in Nederland: als jemaar je vinger opsteekt, zou je al in aanmerking komen voor euthanasie.Dat is niet het geval. Het aantal toekenningen van euthanasie voor dezedoelgroep, dus de jongeren, is heel laag, echt ontzettend laag. Er werdook terecht aangehaald dat heel veel jongeren in de meest tragischegevallen dan juist kiezen voor suïcide. Die maken op die manier op eenvreselijke wijze een einde aan hun leven. Dat willen we volgens mij ookniet als samenleving. Ik denk dus dat het heel erg geborgd is door dezorgvuldige wetgeving en door het feit dat er, naarmate er sprake is vaneen jongere patiënt, meer behoedzaamheid moet worden betracht. Datstaat in die richtlijn. Die richtlijn wordt nu herzien door de beroepsgroepzelf, door de mensen die er verstand van hebben, omdat het voor eengroot deel ook een medische kwestie is. Ik denk dat het verstandig is omdat af te wachten.De heer Boomsma (NSC):Maar meent de Staatssecretaris nou dat je op individueel niveau, bijindividuele patiënten, kunt vaststellen of een situatie uitzichtloos is?Staatssecretaris Karremans:Dat is wat psychiaters doen. Dat is wat ze doen. Dat is ook hun werk. Erwerd ook in de beantwoording wel gezegd: bij mensen die geensomatische aandoening hebben, dus mensen die een geestesziektehebben, kan je het eigenlijk niet vaststellen. Als we het niet kunnenvaststellen, vraag ik me af waarom we per jaar 9 miljard aan de ggzuitgeven. Er worden wel degelijk op basis van wetenschap diagnosesgesteld. Dat is wat psychiaters doen. Dat is een wetenschap. Dat is eenmedische wetenschap waar mensen voor opgeleid worden. Die werken inde praktijk. En ja, hoe ingewikkeld het ook is bij niet-somatische aandoe-ningen, het wordt wel degelijk in de praktijk gebracht en gepraktiseerd.Dat gebeurt door psychiaters.De voorzitter:Tot slot, meneer Boomsma.De heer Boomsma (NSC):Maar het punt is natuurlijk juist dat uit allerlei wetenschappelijkeonderzoeken blijkt dat dat zelfs op groepsniveau niet goed is vast testellen en dat daar een enorme onzekerheid in zit, laat staan op indivi-dueel niveau. Dan kan de Staatssecretaris wel zeggen «dat wordt gewoonvastgesteld en dat gebeurt zorgvuldig», maar dan miskent hij de huidigewetenschappelijke kennis, die ervan uitgaat dat er een enormeonzekerheid bij zit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1654 Staatssecretaris Karremans:Als je dat vindt, dan moet je zeggen: dan vinden we dat euthanasie bijpsychisch lijden überhaupt niet meer is toegestaan, of het nou patiëntenzijn van 30 jaar, van 25 jaar, van 65 jaar of van 70 jaar. Dan heb je daar metelkaar een principiële discussie over en die reikt volgens mij veel verderdan deze initiatiefnota. Dat is wel wat de heer Boomsma zegt. Maar ik benblij dat we juist wetgeving hebben, omdat er wel degelijk sprake kan zijnvan uitzichtloos psychisch lijden. Daar kijken psychiaters naar. Diebehandelen daar natuurlijk ook in eerste instantie voor, maar uiteindelijkkan het zo zijn dat iemand in de situatie komt dat er geen uitweg meermogelijk is en dat er dan een optie is van euthanasie. Die wordt zeker bijjonge patiënten zéér zeldzaam toegekend. We moeten niet doen alsof hetzomaar staande praktijk is dat als je dat maar wilt, je het ook zo toegekendkrijgt. Maar het is goed dat die optie er is. Die wetgeving hebben weervoor gemaakt met elkaar.De voorzitter:Dank u wel. Ik heb eerst even een huishoudelijke mededeling. Dit debatstond gepland tot 17.00 uur. Daar zijn we voorbij. Wij kunnen dus – dat isaan de commissie – dit debat op een ander moment voortzetten, maar datzal dan wel na het zomerreces worden. Dat is het dilemma. De anderemogelijkheid is natuurlijk dat we doorgaan en dat we het debat vandaagafmaken. Volgens mij, als ik zo naar links kijk, wordt dat «m. We gaan dusdoor met het debat.Er was nog een vraag van de heer Boomsma. Laat dan maar, zegt hij. Datis mooi. Staatssecretaris, was u klaar met blokje één?Staatssecretaris Karremans:Ja, dat had ik net afgerond. Dan ga ik naar blokje twee. Dat gaat over deggz. Daar is veel over gezegd. Ik wil daar ook een opmerking over maken.Er zijn veel vragen gesteld en ik snap die vragen ook. Er zijn groteproblemen in de ggz. Daar werken we hard aan met z’n allen. Ik hebonlangs een uitgebreide agenda gestuurd waarin staat hoe we de ggzwillen verbeteren; daar staan vier punten in. Die heeft mevrouw De Kortevast gelezen. Ik zie mevrouw De Korte knikken, dus zij weet hoe voort-varend wij daarmee aan de slag zijn. Maar dat is niet makkelijk, dus wemoeten ook niet doen alsof het morgen opgelost is. Dat vind ik een beetjeflauw. Dat is het namelijk gewoon echt niet. Het is heel complex en er isveel aan de hand. Daar zijn flinke keuzes in nodig, waar ook – laat ik het zozeggen – de Kamer bij nodig is; het is niet alleen een zaak van het kabinet.Dat gesteld hebbende is het belangrijk om te beseffen dat er bij elketoekenning van euthanasie altijd intensieve behandeltrajecten aanvoorafgaan. Het is niet zo, om dat beeld even weg te nemen, dat iemandop een wachtlijst staat voor de ggz, het te lang vindt duren, denkt «nou,dan doe ik maar een euthanasieverzoek» en dat het dan wordt toegekend.Dat is niet het geval. Zo gaat het niet in Nederland. Dit zeg ik dus om datbeeld gelijk uit de wereld te helpen.Ik wil beginnen met de vraag van mevrouw Westerveld, namelijk hoe ikkijk naar de uitspraak van kinder- en jeugdpsychiater Aben dat detoename van euthanasieverzoeken als gevolg van falende zorgmaatschappelijk en moreel onaanvaardbaar is en of ik een verband zietussen tekortschietende zorg en een toename van de vraag naar eutha-nasie. Wat zou hier volgens mij aan gedaan moeten worden? Ik heb daarnatuurlijk in mijn inleiding iets over gezegd. Ik weet dat mevrouwWesterveld er ook zo over denkt. Ik verwijs ook naar het onderzoek. Ik gadaarin niks uit de weg. Daarom is het belangrijk dat we inzicht krijgen inde oorzaken van de stijging van het aantal euthanasieverzoeken en-meldingen. Daarom is er in februari 2025 – dat is een paar maandengeleden – via ZonMw door VWS een opdracht verstrekt voor onafhankelijkwetenschappelijk onderzoek hiernaar. We zullen vanzelf zien wat eruitTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1655 komt. Ik wil niet van tevoren voorsorteren op uitkomsten. Je moet deruimte geven om dat onderzoek goed te doen. Dat onderzoek zullen wijvermoedelijk medio 2026 opgeleverd krijgen.Mevrouw Bikker vroeg: welke ruimte zouden psychiaters of anderezorgverleners moeten krijgen om net zo lang met iemand mee te lopen alsnodig is? Ik vind het allereerst belangrijk dat we altijd naast patiëntenblijven staan, ook als er geen behandeling meer plaatsvindt. Het isbelangrijk dat mensen met mentale problemen ondersteuning of zorgontvangen die past bij hun hulpvraag. Die zijn er niet altijd binnen decuratieve ggz. Als er geen behandeldoelen meer zijn, kan hulp vanuit hetsociaal domein of ondersteuning via informele zorg voor iemand beter ofpassender zijn.Dan het praten over de doodswens in de spreekkamer. Hoe kan het pratenover de doodswens toch een plek krijgen zonder met de optie vaneuthanasie te komen? Ik heb daar, denk ik, al wel op geantwoord. Vaakontstaat zo’n gesprek doordat patiënten weten dat die mogelijkheid er is –niet dat die wordt toegekend, maar wel dat die er is. Daardoor ontstaateen opening. Vaak wordt er een verzoek gedaan en kan een behandelaargaan doorvragen en zo’n vraag afpellen: wat is er nou aan de hand? Naaraanleiding van een euthanasieverzoek waar mensen mee binnenkomenkun je het hebben over de doodswens en de achterliggende oorzaken. Zokan de behandelaar verder gaan afpellen. Daarbij is het heel belangrijk dater geen taboe is en dat die doodswens of dat euthanasieverzoek van eenpatiënt serieus wordt genomen. Dat is ontzettend belangrijk.Dan de vraag van mevrouw Bikker, die zegt dat jongeren niet altijd gebaatzijn bij de ggz. Op welke manier kun je daarnaar kijken? Jongeren diepsychisch lijden moeten de zorg en de ondersteuning krijgen die past bijhun hulpvraag. Dat kan in de jeugdhulp zijn, maar dat kan ook in de ggzzijn. In andere gevallen is ondersteuning in het sociaal domein of contactmet lotgenoten passender voor iemand naast of in plaats van zorg.Behandeling is daarnaast altijd gericht op de persoon en zijn of haaromgeving, dus school, werk, sociale kring of misschien zelfs wel sport.Voor jeugdigen geldt sowieso dat ouders veelal betrokken zijn bij debehandelingen.Dan de vraag van mevrouw Westerveld over het AZWA. Die vraag begrijpik heel goed. Daarin zitten immers stevige keuzes ten aanzien van de ggz.Ik ben vanochtend nog bij een overleg in Utrecht geweest met alleAZWA-partijen. Zoals mevrouw Westerveld weet, is het vooruitzicht dat ikniet meer heel lang Staatssecretaris ben op deze post. Maar ik werk tot inde laatste minuut door aan het verbeteren van de zorg en de ggz. Ik bendaar dus nog steeds mee bezig. Ik heb ook goede hoop dat we stappenkunnen zetten. Ik zie veel draagvlak bij patiëntorganisaties, professionalsen aanbieders in de ggz om stevige stappen te zetten. Op het moment dater een akkoord wordt gesloten, zal ik zelf waarschijnlijk geen Staatssecre-taris meer zijn. Maar ik hoop wel dat het wordt gesloten.Ben ik het ermee eens dat het onverteerbaar is dat het criterium van hetontbreken van een andere oplossing van toepassing kan zijn, gezien desituatie in de ggz? Het is belangrijk om te zeggen dat er een verschil istussen uitzichtloosheid en het bijbehorende uitbehandeld zijn en hetontbreken van andere redelijke oplossingen. Het zorgvuldigheidscriteriumvan het ontbreken van andere redelijke oplossingen slaat op het zoekennaar opties om het lijden te verzachten wanneer dit als onbehandelbaar isbeoordeeld. Dat ligt natuurlijk niet altijd binnen de specialistische ggz. Datwil dus niet zeggen dat als er geen behandelopties meer zijn, automatischaan dat criterium wordt voldaan. Dat is niet het geval, dat zijn wel echttwee verschillende dingen.Dan de financiering van TOPGGz. Hoe sta ik tegenover de oproep om deTOPGGz meer structureel te financieren? TOPGGz-instellingen zijnafdelingen die naast het leveren van hoogspecialistische ggz ook«topreferente» taken uitvoeren; ik moest het zelf ook even opzoeken, wantTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1656 die term had ik nog niet eerder gehoord. Hierbij geldt een onderscheidtussen kosten voor zorg en kosten van zorg. De taken deskundigheidsbe-vordering, kennisdeling, consultatie en advies zijn kosten voor de zorg.Deze kosten worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. De takenonderzoek, ontwikkeling en innovatie zijn kosten van de zorg. Voor dezekosten kunnen TOPGGz-instellingen zich bijvoorbeeld wenden tot ZonMwen financiering van onderzoeksprogramma’s die beschikbaar zijn. Ik benop de hoogte van de wens van de TOPGGz-instellingen, maar ik ga ervanuit dat deze kosten gedekt zullen worden uit de reeds bestaandemiddelen.Dan over jongeren met autisme, die relatief vaak een euthanasieverzoekdoen. Neem ik dat mee in de plannen om de jeugdzorg en de ggz teverbeteren? In de Hervormingsagenda Jeugd zetten we in op lokaleteams, zoals mevrouw Westerveld weet. Jongeren met autisme moetensnel en laagdrempelig passende hulp en ondersteuning krijgen. Zo wil ikook waar mogelijk voorkomen dat deze jongeren vastlopen in hun levenen psychische klachten ontwikkelen. Overigens, een onderdeel van hetAZWA zijn de exclusiecriteria, waar deze groep juist zo veel last van heeft.Daar moeten we in grotere stappen vanaf. Ik weet dat mevrouwWesterveld daar vaak voor gepleit heeft. Dat hebben we op die manier nuook opgepakt. Ik hoop dat dit in de toekomst kan helpen. Dat ten aanzienvan de ggz.Tot slot heb ik nog het kopje overig. Dat zijn traditiegetrouw nog best watvragen. Allereerst: wat is de doelstelling van de regering met ThaNet? Deinzet lijkt om euthanasie bij psychisch lijden te normaliseren. Kan ik metkracht zeggen dat dit niet het geval is, is de vraag. ThaNet is opgericht omde zorg voor mensen met een persisterende doodswens of euthanasie-verzoek te verbeteren, niet om euthanasie bij psychisch lijden te normali-seren. Het doel van ThaNet is het delen en vergroten van kennis enexpertise onder psychiaters en andere zorgprofessionals binnen degeestelijke gezondheidszorg, zodat zij beter in staat worden gesteld ommet hun patiënten het gesprek over hun doodswens te kunnen voeren eneventueel een euthanasieverzoek te kunnen beoordelen. Dit doel sluit aanbij het beleidsdoel dat mensen met een doodswens of euthanasieverzoekzo veel mogelijk bij hun eigen behandelaar terechtkunnen, want dat isbelangrijk.Dan de vraag hoe de regering omgaat met het feit dat de beroepsgroepvan psychiaters zo verdeeld is. Ik heb zelf met die beroepsgroep daarovergesproken. Mijn beeld is niet dat het een totaal verdeeld veld is. Er is eenheel grote, brede middengroep die daar heel genuanceerd over denkt.Natuurlijk is er sprake van handelingsverlegenheid bij groepen psychi-aters. Dat is ook niet gek, denk ik. Daarvoor is ThaNet er natuurlijk ook.Maar bij deze meningen gaat het vooral om flanken. Mijn beeld is echt dater op dit moment intern een constructieve dialoog wordt gevoerd, en bijde NVvP willen ze ook echt meer inzicht krijgen in hoe het themaeuthanasie verder speelt onder hun leden. Deze visievorming neemt deNVvP ook mee in het proces rondom de herziening van de richtlijn. Ik gaervan uit dat de verschillende perspectieven ook bij de richtlijnherzieningworden meegenomen.Hoe wordt er in omringende landen omgegaan met euthanasie bijpsychisch lijden? In drie andere Europese landen is euthanasie of hulp bijzelfdoding op basis van psychisch lijden toegestaan, namelijk in de restvan de Benelux, België en Luxemburg dus, en ook in Spanje. Voor al dezelanden geldt een leeftijdsgrens van 18 jaar.Hoe wordt er naar Nederland gekeken als het gaat om euthanasie bijpsychisch lijden? Andere landen kijken doorgaans kritisch naar deNederlandse euthanasiepraktijk. U hebt wellicht eerder de filmpjes vanAmerikaanse politici gezien, die over de euthanasiepraktijk in Nederlandpraten. Dan kunt u dat een beetje invullen. Maar dat heeft natuurlijk ook teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1657 maken – mevrouw Bikker zei het ook al – met de voortrekkersrol die wijhierin innemen.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Dat zei ik niet. Nee. Daar ben ik ook niet trots op.Staatssecretaris Karremans:Voor de notulen: dat zei mevrouw De Korte.Dan de vraag of ik het voorstelbaar acht dat psychiaters zich terug-houdend opstellen zolang de wet hierin ruimte biedt. Momenteel stellenpsychiaters zich terughoudend op. Dat is nu eenmaal het geval. Deprofessionele standaard voor euthanasie bij psychisch lijden isneergelegd in de richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten meteen psychische stoornis van de Vereniging voor Psychiatrie. In die richtlijnis aangegeven dat er extra behoedzaamheid in acht moet wordengenomen wanneer de grondslag van een verzoek primair gelegen is ineen psychische stoornis. Tevens stellen de RTE- en NVvP-richtlijnen dat ergrotere, maar niet per definitie absolute terughoudendheid moet wordenbetracht naarmate de patiënt jonger is. Er is dus sprake van groteterughoudendheid op dat gebied en dat zien we natuurlijk ook in decijfers.Over het voldoende beschermen van kwetsbare mensen heb ik het algehad.Zijn er aanwijzingen dat er momenteel onzorgvuldig wordt omgegaan metde beoordeling van uitzichtloosheid en ondragelijk lijden of dat eronvoldoende waarborging is? Nee, die signalen zijn er niet. De uitzicht-loosheid is sterk persoonsgebonden en individueel bepaald en debeoordeling daarvan is ook maatwerk. In de NVvP-richtlijn wordtbeschreven hoe uitzichtloosheid en ondragelijk lijden bij een psychischestoornis moeten worden beoordeeld en welke specifieke aandachtspuntenbij jongeren in acht moeten worden genomen, maar deze richtlijn wordtop dit moment, zoals gezegd, herzien.Dat waren mijn vragen, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording van zijn vragen. Ikzie een vraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We hadden nog specifiek gevraagd naar het SUNSET-onderzoek omdatdat een projectfinanciering van drie jaar is. Mevrouw Paulusma had daarook een aantal vragen over. Dit is een projectfinanciering van drie jaar. Inde brief van de Staatssecretaris lezen we dat hij aangeeft: het is heelwaardevol maar er is wel financiering nodig. Mijn vraag is: als we metelkaar constateren dat het heel waardevol is, en dat doen we volgens mij,hoe gaan we er dan voor zorgen dat dit soort onderzoeken blijft bestaan?Staatssecretaris Karremans:Ik denk dat het handig is als ik daar in tweede termijn op terugkom.De voorzitter:Dan is er nog een vraag van de heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Nu u zo vragend kijkt, dacht ik: ik pak nog even de gelegenheid. DeStaatssecretaris gebruikt soms best stevige woorden, bijvoorbeeld als hijzegt: uit alle wetsevaluaties blijkt dat de wet goed functioneert. Ik dacht: ikzoek die vierde wetsevaluatie nog even op. Geen woord over de stijgingvan euthanasieverzoeken door jongeren. Dat is ook vrij logisch, want desnelle stijging was er vooral in 2023 en 2024 en lijkt nu door te gaan. DanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1658 kun je dus niet zomaar zeggen: het loopt allemaal goed en lekker en er isgeen enkele reden voor ingrijpen. Wil de Staatssecretaris misschienbevestigen dat de conclusie «uit alle wetsevaluaties blijkt dat het goedfunctioneert» gewoon uit de lucht is gegrepen?Staatssecretaris Karremans:Ik zie mevrouw Bikker erg glimlachen, maar dat heb ik niet gezegd.Mevrouw Bikker had het net over «woorden in de mond leggen» en ditheb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat er een zorgvuldige euthanasie-praktijk is; dat is wat ik gezegd heb en zo is die ook geëvalueerd. Deeuthanasiewetgeving wordt net zoals de abortuswetgeving ook altijd eensin de zo veel tijd geëvalueerd. De richtlijn wordt nu ook geëvalueerd doorde beroepsgroep. Dat is wat ik heb gezegd. Ik heb niet gezegd «het gaatwel lekker» of «het gaat wel goed». Ik vind ook dat dat geen recht doetaan de serieusheid van dit onderwerp, maar ik denk dat de heer Van Dijkdat met mij eens is.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Voorzitter, een punt van orde. Met mijn «glimlach» wordt mij nu weer ietsin de mond gelegd door de Staatssecretaris. Ik glimlach omdat ik hetermee eens ben dat collega Diederik van Dijk aanhaalt dat in die wetseva-luatie niet iets staat over de problemen die we hier aan de orde hebben.Daar glimlach ik om. Daar moet de Staatssecretaris verder niet van alles inleggen.De voorzitter:Dan is dat daarmee rechtgezet. Ik stel voor dat we vijf minuten schorsenom de handjes te wassen, voordat we beginnen aan de tweede termijnvan de Kamer.De vergadering wordt van 17.19 uur tot 17.26 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijdevan de Kamer. Daarvoor geef ik als eerste het woord aan de heerBoomsma.De heer Boomsma (NSC):Dank, voorzitter. Dank voor de beantwoording van mijn ambtsgenoot envan de Staatssecretaris, al stelde die laatste beantwoording ons welteleur. Kijk, feit is gewoon dat er ervaringsdeskundigen zijn die uitbe-handeld waren verklaard en inmiddels toch weer een goed leven hebben.Er zijn ook mensen die hebben gezegd: «Als ik, toen het zo slecht met mijging, de keuze had gehad voor euthanasie, dan had ik het gedaan. Maargelukkig is dat niet gebeurd.» Het is ook een feit dat bijna nergens in dewereld, zelfs niet in de EU, euthanasie bij psychisch lijden zo wordttoegepast. De Staatssecretaris zegt dat het zorgvuldig gebeurt en dat eraltijd terughoudendheid is, maar hij kan ook niet verklaren waarom er nueen toename is. Wij denken toch dat een pas op de plaats en goedereflectie op hun plek zijn. Daarom heb ik deze motie, en nog een aantalandere.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1659 constaterende dat het aantal euthanasiegevallen van jonge mensen tot 30jaar met ernstig psychisch lijden is gestegen van 5 in 2020 naar 30 in 2024;constaterende dat er volgens onderzoekers weinig bekend is overuitzichtloosheid bij patiënten die psychisch lijden en het onbekend is hoehet verschraalde ggz-aanbod voor patiënten met ernstige en complexeproblematiek hun euthanasiewens beïnvloedt;overwegende dat specifiek bij levensbeëindiging van tieners en twintigerser extra behoedzaam moet worden opgetreden;verzoekt de regering om met de beroepsgroep tot een moratorium tekomen van drie jaar op euthanasie bij jonge mensen tot 30 jaar diepsychisch lijden, totdat meer duidelijkheid is over de zorgvuldigheidscri-teria voor euthanasie bij deze groep,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Diederik van Dijk enBikker.Zij krijgt nr. 5 (36 624).De heer Boomsma (NSC):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het aantal euthanasiegevallen van jonge mensen meternstig psychisch lijden is gestegen van 5 in 2020 naar 30 in 2024;constaterende dat de zorgvuldigheidscriteria voor euthanasie vereisen datde arts overtuigd is van uitzichtloos lijden, maar dat dit moeilijk is vast testellen bij psychisch lijden bij jonge mensen;overwegende dat de huidige verschuivingen door euthanasie in de ggzbredere gevolgen hebben voor de Nederlandse euthanasiepraktijk en eenbredere blik nodig hebben dan alleen die van de betrokken beroepsgroep;verzoekt de regering een landelijke commissie van wijzen aan te stellendie advies geeft over euthanasie bij jonge mensen tot 30 jaar die ernstigpsychisch lijden met aandacht voor:–benodigde objectieve medische maatstaven bij het beoordelen vanuitzichtloosheid;–welke onzekerheid acceptabel is binnen de zorgvuldigheidscriteria vande Wet toetsing levensbeëindiging;–hoe uitzichtloosheid kan worden beoordeeld, los van de beschikbaar-heid van redelijke behandelopties;–het belang van de behandelrelatie en de rol van eerdere beoordelingenvan euthanasieverzoeken;–de rollen van de verschillende artsen rondom euthanasie;en dit uit het bestaande budget van de Gezondheidsraad te financieren,en gaat over tot de orde van de dag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1660 De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Diederik van Dijk enBikker.Zij krijgt nr. 6 (36 624).De heer Boomsma (NSC):Dan de volgende motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het aantal euthanasiegevallen van jonge mensen meternstig psychisch lijden is gestegen van 5 in 2020 naar 30 in 2024;constaterende dat een zorgvuldigheidscriterium voor het toepassen vaneuthanasie is dat er geen redelijke andere oplossing is;constaterende dat de jeugdzorg en ggz onder druk staan en de toeganke-lijkheid en de beschikbaarheid van behandelingen met name voorpatiënten met meerdere ernstige aandoeningen sterk verslechterd zijn;overwegende dat het onduidelijk is in welke mate dit invloed heeft opeuthanasie bij jonge mensen met psychisch lijden in de leeftijd tot 30 jaar;verzoekt de regering om binnen het lopende wetenschappelijke onderzoekspecifiek te kijken naar de invloed van de staat van de ggz, waaronder debeschikbaarheid en toegankelijkheid van behandelingen, op euthanasie-verzoeken en -meldingen van jonge patiënten tot 30 jaar met psychischeaandoeningen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Diederik van Dijk enBikker.Zij krijgt nr. 7 (36 624).De heer Boomsma (NSC):Tot slot, voorzitter, een motie over onderzoek naar uitzichtloosheid en deprognose.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat uitzichtloosheid een zorgvuldigheidscriterium is voorhet verrichten van euthanasie dat losstaat van de beschikbaarheid vanbehandelalternatieven;overwegende dat er grote onzekerheid is over het ziektebeloop en deprognose bij psychisch lijden;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1661 overwegende dat de lopende onderzoeken te kort en te weinig specifiekzijn om duidelijkheid te geven hierover;verzoekt de regering om meer wetenschappelijk onderzoek te doen naareuthanasieverzoeken van jonge mensen tot 30 jaar die ernstig psychischlijden, gericht op:–hoe uitzichtloosheid als zorgvuldigheidscriterium bij euthanasiebeoordeeld moet worden, los van de afwezigheid van een redelijkbehandelalternatief;–de mate van zekerheid over prognoses bij psychisch lijden;–hoe de zekerheid van uitzichtloosheid van psychische aandoeningenzich verhoudt tot die van somatische aandoeningen die aanleiding zijnvoor euthanasie;en waar mogelijk gebruik te maken van lopende onderzoeken,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Diederik van Dijk enBikker.Zij krijgt nr. 8 (36 624).Dank u wel. Mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Voorzitter. Gezien de tijd ga ik bijna meteen naar de twee moties die ikheb. Maar allereerst wil ik natuurlijk collega De Korte hartelijk danken voorhaar uitgebreide beantwoording. Ook toen zij een liberaal spervuur om deoren kreeg, heb ik met interesse zitten luisteren.Voorzitter. Een tweetal moties.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat het aantal euthanasieverzoeken van mensen onder de30 jaar al meerdere jaren significant stijgt;overwegende dat juist bij deze groep wetenschappelijk is aangetoond dathet brein nog niet is uitontwikkeld;overwegende dat de beroepsgroep een verschil van opvatting kent overwat goede zorg is voor deze groep patiënten, maar dat euthanasie geenbehandeloptie is;overwegende dat de ggz al jarenlang kampt met wachtlijsten, die totverergering van de problematiek kunnen leiden;voorts overwegende dat de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek enhulp bij zelfdoding geen noodrem heeft bij onvoorziene ontwikkelingenwaarvan de oorzaken en gevolgen nog onvoldoende bekend zijn;verzoekt de regering te onderzoeken of en hoe een noodventiel in de Wettoetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding behulpzaamkan zijn, zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaatsmogelijk is,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1662 en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker en Diederik van Dijk.Zij krijgt nr. 9 (36 624).Mevrouw Bikker (ChristenUnie):De tweede motie is wat korter, hoor.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat publieke aandacht voor suïcide kan leiden tot meersuïcides, het zogenaamde «Werther-effect»;overwegende dat dit effect ook kan optreden bij de publieke aandachtvoor euthanasie;overwegende dat er een mediarichtlijn voor euthanasie is, aangereikt doorExpertisecentrum Euthanasie;verzoekt de regering om te onderzoeken of deze mediarichtlijn afdoendeis om het Werther-effect te voorkomen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Boomsma en Diederik vanDijk.Zij krijgt nr. 10 (36 624).Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Dank u wel.De voorzitter:Mevrouw Paulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Dank u wel, voorzitter. Ik wil de indiener bedanken voor de beant-woording. Ik wil vooral de Staatssecretaris bedanken, met name voor zijnduidelijke reactie toen het ging over het moratorium. Ik denk dat dit veelduidelijkheid schept.Voorzitter. Waar vandaag geen duidelijkheid over is geschapen, is welkprobleem NSC wil oplossen. Er was veel discussie over de beroepsgroep,over het moratorium, over wie wel en wie niet iets moet doen. MevrouwDe Korte ging zo snel heen en weer dat ik het bijna niet meer konbijhouden. Mijn conclusie is dat juist de hulp aan jonge mensen vandaagniet verbeterd is, wat ik bijzonder jammer vind. Een waardevolle bijdragedaaraan zou kunnen zijn waar mijn motie over gaat.Motie De Kamer,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1663 gehoord de beraadslaging,constaterende dat het landelijk netwerk ThaNet sinds 2023 een belangrijkerol speelt in de ondersteuning van zorgprofessionals door middel vanscholing, kennisdeling en intervisie bij euthanasieverzoeken bij mensenmet psychisch lijden;overwegende dat de opgebouwde expertise van grote meerwaarde isvoor patiënten en behandelaars;constaterende dat de financiering van ThaNet eind 2025 afloopt, terwijlhet belang van deze voorziening onverminderd groot is;verzoekt de regering om de financiering van ThaNet met één jaar teverlengen en ThaNet te adviseren over financiering na 2026,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Paulusma en Westerveld.Zij krijgt nr. 11 (36 624).De heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank u wel, voorzitter. Dank aan de initiatiefneemster. Dank aan deStaatssecretaris voor de gegeven antwoorden. We hebben in ieder gevaleen wezenlijke discussie gevoerd over wezenlijke thema’s. Tegelijkertijd ishet toch jammer dat je bij in het bijzonder de liberale woordvoerders,maar ook wel bij de Staatssecretaris, de nodige kramp ziet. Dat is jammer.De euthanasiewetgeving in ons land kan rekenen op zeer breed politiekdraagvlak. Helaas, zeg ik er als SGP’er bij, maar dat is een gegeven. Ik zouzeggen dat nu dat helemaal niet ter discussie staat en niet bedreigd wordt,dit de voorstanders van euthanasie de ruimte zou moeten geven omserieus te kijken naar legitieme zorgen over het hele specifieke punt vaneuthanasie bij jonge mensen met psychisch lijden. Ik hoop dat we dediscussie op dat punt nog iets volwassener kunnen krijgen, zeg ik verderin alle vriendelijkheid tegen mijn collega’s.Ik heb één motie, die als volgt gaat.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat op grond van de Wet toetsing levensbeëindiging opverzoek en hulp bij zelfdoding euthanasie wordt verleend aan (jonge)mensen met psychisch lijden;constaterende dat het aantal euthanasiemeldingen van (jonge) mensenmet psychisch lijden de laatste jaren is toegenomen, maar dat over dezepraktijk geen consensus bestaat binnen de beroepsgroep;constaterende dat de Staat op grond van artikel 2 EVRM het leven vankwetsbare mensen dient te beschermen;verzoekt de regering om onafhankelijk en gezaghebbend juridisch adviesin winnen over de vraag in hoeverre de huidige euthanasiewetgeving enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1664 -praktijk ten aanzien van (jonge) mensen met psychisch lijden voldoet aanartikel 2 EVRM, en de Kamer hierover voor het einde van het jaar teinformeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en Bikker.Zij krijgt nr. 12 (36 624).De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank u, voorzitter.De voorzitter:De heer Bevers.De heer Bevers (VVD):Voorzitter. Ik heb geen moties, dus ik zal deze termijn toch gebruiken vooreen paar opmerkingen. De VVD-fractie dankt de indiener voor de nota. Wehebben deze initiatiefnota steeds gezien als een manier om opzorgvuldige wijze dit onderwerp en de twijfels die sommigen hebben tekunnen bespreken. We hebben daarvoor een indrukwekkend rondetafelge-sprek gehad, alsmede extra informatie naar aanleiding van het jaarverslagvan de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie. We hebben eenzorgvuldig gesprek willen voeren, in de wetenschap dat we het misschienniet eens zijn.De VVD-fractie is overtuigd van de enorme zorgvuldigheid waarmeeartsen elke vraag om euthanasie behandelen. Ook, of liever juist, bijpsychisch lijden is dat belangrijk. Wij vinden de beslispunten uit de notaonnodig en betreuren het aanvullende voorstel van NSC voor eenmoratorium. Wij nemen daar ook nadrukkelijk afstand van. De VVD staatpal voor het zelfbeschikkingsrecht. Ik herhaal uit mijn eerste termijn dat deVVD geen enkele stap terug zal doen om die keuzevrijheid in te perken.Ten slotte sloeg ik even aan op de collega naast mij over de liberale gangvan zaken. Ik heb van mijn ouders een liefdevolle, maar ook heel goedegereformeerde opvoeding gehad. Dat zal u deugd doen. Ze hebben mijjuist geleerd dat het niet de kunst is om begrip te hebben voor degene dietoch al denkt zoals jijzelf. Compassie, mededogen en vergevingsge-zindheid worden pas echt een kunst als het om iemand anders gaat dieanders denkt dan jijzelf, die misschien andere keuzes maakt, die misschienverder van je af staat. Het is misschien niet zuiver in de leer, maar hetgeeft wel heel veel ruimte voor de ander. Ik heb geen last van kramp. Ikblijf gewoon ieder individu bekijken zoals die voor me staat.De voorzitter:Mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Ik heb twee moties.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat er 100.000 wachtplekken zijn in de ggz;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1665 constaterende dat er enorme wachtlijsten zijn voor gespecialiseerde hulpen er onvoldoende behandelcapaciteit is voor mensen met multiproble-matiek, met uitzichtloosheid en ondraaglijk lijden tot gevolg;constaterende dat topreferente zorg, inclusief onderzoek en consultatie,een essentiële rol kan spelen in het verminderen van wachttijden in deggz;constaterende dat alleen het behandeldeel van de topreferente ggz wordtgefinancierd, maar niet het onderzoeksdeel, de organisatie en het delenvan kennis;verzoekt de regering om, net zoals bij topreferente kankerzorg, ook eenafzonderlijke financieringsregeling te maken voor het onderzoeksdeel, deorganisatie en kennisdeling binnen de topreferente ggz, en de Kamer voorde begroting van 2026 te informeren over de plannen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Dobbe en Bikker.Zij krijgt nr. 13 (36 624).Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dan mijn tweede motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de wens om het leven te beëindigen ook een enormeimpact heeft op familie en naasten, maar specifieke hulp en nazorgnauwelijks voorhanden zijn;overwegende dat het daarnaast ook voor collega’s, klasgenoten,teamgenoten en vrienden een enorme impact heeft, terwijl werkgevers,scholen en verenigingen vaak niet goed weten hoe deze onderwerpenbespreekbaar te maken op een passende manier;verzoekt de regering om samen met Aurora, 113 Zelfmoordpreventie,professionals en ervaringsdeskundigen in kaart te brengen wat er nodig isom betere hulp en nazorg te realiseren voor betrokkenen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld, Dobbe, Paulusma,Bikker en Bevers.Zij krijgt nr. 14 (36 624).Dank u wel. Ik kijk even naar rechts om te zien of er behoefte is aan eenkorte schorsing of dat we meteen kunnen doorgaan. We schorsen vijfminuten. We gaan om 17.45 uur verder.De vergadering wordt van 17.39 uur tot 17.45 uur geschorst.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1666 Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de Staatssecretaris voorde appreciatie van de moties.Staatssecretaris Karremans:Voorzitter. Allereerst is er nog een vraag van mevrouw Westerveld die ikin de tweede termijn zou beantwoorden. Die vraag ging over hetSUNSET-onderzoek. Dat wordt nu niet gefinancierd door VWS. Datonderzoek loopt nu. Ik kan nu niet direct middelen toezeggen, maar ik benwel bereid om samen met de onderzoekers te bekijken welke wegen zijkunnen bewandelen voor aanvullende financiering om het lopendeSUNSET-onderzoek voort te zetten. Dat zou ik dus wel willen toezeggen.Voorzitter. Dan de moties. De motie op stuk nr. 5 van het lid Boomsmaover het moratorium ga ik ontraden. Ik verwijs naar het debat.Dat geldt ook voor het instellen van een commissie van wijzen; dat puntheb ik ook uitgebreid behandeld in mijn termijn. Ook de motie op stuk nr.6 ontraad ik dus.Dat geldt ook voor een onderzoek om specifiek te kijken naar de invloedvan de staat van de ggz. Er loopt een onderzoek naar alle mogelijkefactoren. Daar loopt de ggz uiteraard ook in mee. In die zin ontraad ik dusook de motie op stuk nr. 7.Hetzelfde geldt voor meer wetenschappelijk onderzoek doen naareuthanasie op verzoek van jonge mensen tot 30 jaar die ernstig psychischlijden; dat is de motie op stuk nr. 8. Om dezelfde reden ontraad ik ook diemotie.De voorzitter:Een vraag van de heer Boomsma.De heer Boomsma (NSC):We hebben gesproken met verschillende onderzoekers, die ons hebbenaangegeven dat zaken op dit moment niet of onvoldoende wordenonderzocht. Er wordt onderzoek gedaan naar mensen met een psychia-trische aandoening, maar niet specifiek naar jongere mensen. Datbetekent dat het heel lastig wordt om daar conclusies aan te verbinden.Als de Staatssecretaris echt wil weten wat hier gaande is, zou ik hem dusecht op het hart willen drukken om de motie te ondersteunen, want dan isaanvullend onderzoek nodig. Dat zeggen onderzoekers zelf.Staatssecretaris Karremans:Laten we dan eerst dat onderzoek afwachten, want dat onderzoek kijktgewoon breed naar alle factoren die invloed hebben op de stijging. Dat iswat we doen. We gaan niet zeggen: we verwachten dat het daardoorkomt; onderzoek dat. ZonMw is bezig met een brede uitvraag. Datonderzoek wordt nu uitgevoerd.De voorzitter:Tot slot de heer Boomsma.De heer Boomsma (NSC):Nee, dat werkt zo niet, want als je dat onderzoek goed wil kunnen doen,moet je van tevoren goed aangeven naar welke onderzoeksparameters jekijkt. Dat geven onderzoekers zelf ook aan: het is niet voldoende om nu tewachten op alles wat er al loopt. Ja, dat moet worden voortgezet, maar inaanvulling daarop moet je nu al aangeven dat je die vraag wil beant-woorden, want dan kan je je specifiek daarop gaan richten.Staatssecretaris Karremans:Dat gaat over de hele brede vraag. Die onderzoekers kunnen ook diestijging daar dus gewoon in meenemen. Die zal daar dus ook in meege-nomen worden. Het is van tevoren ook helemaal niet te zeggen dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1667 redenen voor mensen onder de 30 andere redenen zijn dan voor mensenboven de 30. Wat de heer Boomsma beweert, kan je van tevoren ook nietzeggen. Nogmaals, ik wil de wetenschap daarbij niet voor de voetenlopen. Het is aan de wetenschap om dit te beoordelen en dit verder uit tezoeken. Ik denk dus dat het goed is dat we dat onderzoek doen. Dat vindtnu dus plaats en dat zal in 2026 worden opgeleverd.De voorzitter:U vervolgt.Staatssecretaris Karremans:Voorzitter. De motie op stuk nr. 9, over het inbouwen van een noodventiel,ontraad ik ook. De wetsevaluatie vindt eens in de vijf jaar plaats. Ik zei,even tekstvast, dat er sprake is van een zorgvuldige euthanasiewetgeving.Ik heb niet gezegd dat het lekker, goed en alles crescendo gaat. Dat heb ikniet gezegd. Er is sprake van zorgvuldige wetgeving. De laatste evaluatieheeft gekeken tot en met 2021. We hebben de stijging gezien van 2023 en2024, zeg ik tegen mevrouw Bikker. Het is ook belangrijk om dat niet doorelkaar te halen. De laatste evaluatie heeft dus geen betrekking op detijdsperiode waarin de stijging is ontstaan.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik heb het in de motie ook niet over die eerdere evaluaties, maar ikconstateer dat je tussentijds een snelle ontwikkeling kan hebben die ertoekan leiden dat je gaat kijken of de wet ruimte biedt om op een of anderemanier in te grijpen. Daarom vraag ik om te onderzoeken óf en, zo ja, hoeeen noodventiel bruikbaar kan zijn. Dus ik bied de Staatssecretaris, ook alverschillen we van mening en leggen we dingen soms verschillend uit ...Op dit punt denk ik dat ik vrij feitelijk ben gebleven: onderzoek nou of enhoe, omdat we zien dat die vijfjaarstermijn soms ook heftige ontwikke-lingen kan missen. Dat toch even ter toelichting. Mogelijk geeft dat eennog mildere houding bij de Staatssecretaris.Staatssecretaris Karremans:Mijn houding is per definitie heel mild. Juist hierbij is het belangrijk omniet over één nacht ijs te gaan. Als je in één jaar een stijging ziet, zoals nuhet geval is, gaat het erom dat je niet ineens op de noodrem trapt, maarzorgvuldig gaat kijken wat er aan de hand is. Dat doen we dus ook in dewetsevaluatie, die één keer in de vijf jaar plaatsvindt. Dat is, denk ik,belangrijk om te doen. Dat is het moment waarop we het evalueren. Ikdenk dat dat verstandig is. Dan is het verder aan de politiek om te zeggenwat ermee moet gebeuren. Dat is ten aanzien van de wet zelf, natuurlijk. Ikdenk dat dat een verstandige manier van handelen is. Ik weet datmevrouw Bikker het niet over de wetsevaluatie heeft, maar ik heb het welover de wetsevaluatie in antwoord op de motie. Daarom is mijn appre-ciatie: ontraden.Dan de motie op stuk nr. 10, van mevrouw Bikker, over het Werther-effecten over onderzoeken of de mediarichtlijn afdoende is om het Werther-effect te voorkomen. Ik snap de zorg die daarachter zit, maar het is nietmijn richtlijn. Het is natuurlijk de richtlijn van het ExpertisecentrumEuthanasie. Maar om aan de zorg van mevrouw Bikker tegemoet tekomen wil ik wel toezeggen dat ik dit met hen opneem en dit met henbespreek. Ik denk ook dat het verstandig is om die mediarichtlijn teevalueren. Dat is aan henzelf. Ik kan hen niet verplichten om dat te doen,maar ik zal met hen bespreken of dat een verstandig idee is en of ditmeegenomen kan worden. Met die toelichting zou ik de motie dan oordeelKamer willen geven.Dan heb ik de motie op stuk nr. 11, van mevrouw Paulusma en mevrouwWesterveld. Deze motie verzoekt de regering om de financiering vanThaNet met één jaar te verlengen en ThaNet te adviseren over finan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1668 ciering na 2026. Ik ben bereid om te bezien of de tijdelijke projectsubsidiemet één jaar kan worden verlengd, zodat de resultaten van ThaNet betergeborgd kunnen worden door de beroepsgroep. Ik hou één slag om dearm, want we moeten natuurlijk wel aan de subsidievoorwaardenvoldoen. Er mag dus geen sprake zijn van staatssteun. Dat wil ik wel evennoemen als slag om de arm. Maar onder die voorwaarde en met diekanttekening wil «m oordeel Kamer geven.De motie op stuk nr. 12, van de heer Van Dijk en mevrouw Bikker, verzoektde regering advies in te winnen over de vraag in hoeverre de huidigeeuthanasiewetgeving en -praktijk ten aanzien van jonge mensen metpsychisch lijden voldoet aan artikel 2 EVRM, en de Kamer hierover voorhet einde van het jaar te informeren. Nu is het zo dat in oktober 2022 hetEuropees Hof voor de Rechten van de Mens geconcludeerd heeft dat deBelgische euthanasiewet een adequate en zorgvuldige wettelijke regelingis. Aangenomen mag worden dat het hof dan ook zo over de Nederlandseeuthanasiewet zal oordelen. Het hof heeft in verschillende zakenuitspraken gedaan. Er is jurisprudentie. Verdragsstaten hebben op grondvan artikel 2 EVRM de plicht om kwetsbare burgers te beschermen, maarmogen er ook voor kiezen om het zelfgekozen levenseinde van wilsbe-kwame burgers wettelijk mogelijk te maken. Dat is al een uitspraakgeweest van het hof. Met die argumentatie ontraad ik «m.Dan de negende motie, die op stuk nr. 13, van de leden Westerveld, Dobbeen Bikker. Die verzoekt de regering om net zoals bij topreferentekankerzorg ook een afzonderlijke financieringsregeling te maken voor hetonderzoeksdeel, de organisatie en kennisdeling binnen de topreferenteggz, en de Kamer voor de begroting van 2026 te informeren over deplannen. Ik ben inderdaad op de hoogte van de wens van de TOPGGz-instellingen, maar ik ga ervan uit dat deze kosten gedekt zullen worden uitde reeds bestaande middelen, zoals ik ook al heb gezegd in het antwoordop de vraag die daarover gesteld is. TOPGGz-instellingen zijn instellingendie... Nou goed, dan ga ik dat herhalen, dus daar blijft het bij.De voorzitter:Wat is de appreciatie?Staatssecretaris Karremans:Ontraden, voor deze motie op stuk nr. 13.Dan kom ik bij motie op stuk nr. 14. Daarin staat: «verzoekt de regering omsamen met Aurora, 113 Zelfmoordpreventie, professionals en ervarings-deskundigen in kaart te brengen wat er nodig is om betere hulp en nazorgte realiseren voor betrokkenen». Die wil ik graag oordeel Kamer geven,met de volgende toelichting, namelijk dat ik «m interpreteer als het verderonderzoeken van wat nodig is in de hulp en nazorg bij een suïcidepoging.Ik zal dan nagaan hoe dit kan worden meegenomen in de volgendeLandelijke Agenda Suïcidepreventie en de Landelijke nota gezondheids-beleid.Dat waren ze, voorzitter.De voorzitter:Een vraag van de heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Nog even een informatieve vraag naar aanleiding van de appreciatie vande Staatssecretaris van mijn motie rondom artikel 2 EVRM. Hij verwijstnaar een uitspraak van het Hof. Tja, die heb ik niet direct compleet. Maarzegt de Staatssecretaris, dus kan ik daarop vertrouwen, dat die uitspraakook echt ging over de thematiek waar we het nu over hebben, deeuthanasiewetgeving en -praktijk ten aanzien van jonge mensen metpsychisch lijden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1669 Staatssecretaris Karremans:Het ging niet specifiek over jonge mensen, maar over wilsbekwameburgers. Ook in België is het mogelijk vanaf 18 jaar.De heer Diederik van Dijk (SGP):Hier is het inderdaad mogelijk vanaf 16 jaar, maar ik constateer dat hetonderzoek waarom hier wordt gevraagd dus echt niet zomaar wordtafgedekt door de uitspraak van het Hof. In die zin laat ik mijn motie ookgraag staan en breng ik die in stemming, ja.De voorzitter:Dan geef ik als laatste het woord aan mevrouw De Korte.Mevrouw De Korte (NSC):Dank, voorzitter. Dank dat ik het slotwoord hier mag uitspreken. En dankvoor iedereen die dit debat hier met elkaar heeft gevoerd. Een dank u welook aan de mensen die hebben geluisterd.Ja, er zijn gewoon twee richtingen. We hebben als Nieuw Sociaal Contractonze zorgen geuit over de huidige situatie die is ontstaan. In 2002 is dewet ingevoerd. Die was zorgvuldig samengesteld. We hebben het gehadover de rafelrand die wij nu zien. Er worden stappen gezet. Dat is heelgoed. Er worden stappen gezet met een mediarichtlijn. Het is fijn dat dieer is. De beroepsrichtlijn wordt aangepast. Wij zien graag nog een aantalstappen. Maar goed, we vinden het goed dat deze discussie loopt en opheel veel plekken blijft lopen als maatschappelijke discussie. Dank u wel,in ieder geval voor dat we dit hier konden doen.De voorzitter:Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van deinitiatiefnota. Ik wil de leden hartelijk danken voor hun inbreng, het lid DeKorte uiteraard en haar medewerkers voor de verdediging, de uitleg en dereactie op alle inbrengen van de collega’s. Ik dank ook de Staatssecretarisvoor de beantwoording van de vragen. De mensen op de publieke tribuneen de mensen die het hebben gevolgd via de stream: dank voor hetmeekijken.Dan wijs ik iedereen erop dat er over de moties wordt gestemd op 24 juniaanstaande. Ik wens iedereen wel thuis en een fijne avond.Sluiting 17.57 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 1670
Gerelateerde bronnen
- Initiatiefnota van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen (TK 36624)
Verslag van een notaoverleg, gehouden op 16 juni 2025, over de Initiatiefnota van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.