KamerkringInloggen
Kamerbrief

Ontwikkelingen op personeelsgebied voorjaar 2025

5 jun 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 2a244ab8d8de3478 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 XVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Defensie (X) voor het jaar 2025Nr. 82 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 5 juni 2025Defensie staat voor de opgave om te komen tot een gevulde organisatiemet beroepsmilitairen, burgermedewerkers en reservisten die elke dagklaar staan om te beschermen wat ons dierbaar is. Defensie kiest bij hetbouwen aan een inzetbare en schaalbare krijgsmacht voor een aanpak diegrootschaliger en ingrijpender is dan tot dusverre en die in een hogertempo wordt gerealiseerd. De ambitie is om in 2027 onze krijgsmacht tehebben ingericht in een zogenoemde vredesorganisatie en een oorlogsor-ganisatie. Deze schaalbare krijgsmacht moet uiterlijk in 2030 en waarmogelijk sneller zijn gevuld met 100.000 mensen bestaande uit beroeps-militairen, reservisten en burgerpersoneel. Over deze ambitie en(aanvullende) maatregelen heb ik u onlangs met de brief «Onze mensen,onze toekomst; meer, beter en sneller» geïnformeerd (Kamerstuk 33 763X, nr. 161 van 24 maart 2025).Ook heeft u onlangs de Stand van Defensie (Kamerstuk 36 600 X, nr. 78van 21 mei 2025) ontvangen. Ik verwijs u naar het hoofdstuk overpersonele gereedheid voor de actuele informatie met betrekking tot deomvang en groei van het personeelsbestand.Met deze brief geef ik u, voorafgaand aan het Commissiedebat Personeelvan 19 juni a.s., de reactie van de Minister en mijzelf op een aantal motiesen toezeggingen. Desgewenst ga ik daarover met uw Kamer in gesprektijdens het debat.DecoratiebeleidModerniseren decoratiestelstelselDe motie-Boswijk c.s. (Kamerstuk 29 521, nr. 485) verzoekt de regering omhet decoratiestelsel op passende wijze te moderniseren. In mijn brief aanuw Kamer getiteld «Ontwikkelingen op personeelsgebied – Toekomst van kst-36600-X-82ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 X, nr. 821 de krijgsmacht» (Kamerstuk 33 763, nr. 157) van 15 oktober 2024 bent u algeïnformeerd over de adviesrol van de Commissie Decoraties Defensie.Deze speciale commissie adviseert de Minister bijvoorbeeld over hetinstellen van een medaille voor «inzet op afstand» of over de wijze vanerkenning van het defensiepersoneel dat heeft bijgedragen aan deondersteuning van Oekraïense militairen.De afgelopen tijd is er gewerkt aan verdere modernisering van hetdecoratiestelstel. Defensie gaat het met name om het creëren van meereenduidigheid bij het uitreiken van decoraties en het meebewegen met denieuwe vormen van inzet. Daarbij zijn ten eerste de conceptbesluiten vande medailles per krijgsmachtdeel aangepast. Dat betekent dat er nu meereenheid is tussen de verschillende defensieonderdelen in de wijze waaropde medailles worden toegekend. Ten tweede heeft Defensie een voorstelvoor een nieuwe onderscheiding voor inzet uitgewerkt: de Herinne-ringsmedaille «Inzet op afstand». Ten derde treft Defensie voorberei-dingen voor het instellen van een nieuwe nationale dapperheidsmedaille.Dit najaar worden de voorstellen afgerond en vindt besluitvorming plaats.Tot slot ontwierp Defensie een herinneringsembleem voor personeel datbijdroeg aan het geven van steun aan Oekraïense militairen. De eerste tienexemplaren zijn reeds op 24 februari 2025 uitgereikt door de Minister. Hetresterende deel volgt binnen afzienbare tijd. De Minister beschouwt demotie derhalve als opgevolgd.Medailles voor reservistenMet de motie Kuzu c.s. (Kamerstuk 36 200-X, nr. 45 van 22 november2022) is verzocht om meer welwillendheid te tonen bij het uitreiken vanmedailles aan reservisten bij de operationele commando’s. Uiteraardwaarderen de Minister en ik de inzet van reservisten ten zeerste en zijn wijons bewust van het belang van passende erkenning. Daarbij is eengelijkwaardige behandeling van reservisten en beroepspersoneel hetuitgangspunt en dat geldt ook voor het decoratiebeleid. In lijn met demotie is het medaillebeleid voor reservisten geëvalueerd en zijn stappengezet richting een meer gelijkwaardige toekenning van medailles aanreservisten bij de operationele commando’s. Zo komen nu ook reservistendie voldoen aan de daarvoor gestelde criteria in aanmerking voor dekrijgsmachtdeelmedailles. Ook spreekt Defensie met de reservistenbu-reaus over het medaillebeleid en hoe in de toekomst de gelijkwaardigheidte blijven borgen. De uitkomsten van deze gesprekken worden betrokkenbij de verdere vormgeving ervan. De Minister beschouwt de motiedaarom als afgedaan.Penning ter waardering Afghaanse oud-medewerkersTijdens het Kamerdebat over de stand van zaken rondom de evacuatie inAfghanistan gehouden op 31 maart 2022 is toegezegd dat Defensie zalonderzoeken hoe Afghanen die de defensiemedewerkers hebbenondersteund, een blijk van waardering kunnen krijgen (uit: plenair verslag67e vergadering, 31 maart 2022). In lijn met deze toezegging zijn erinmiddels twee uitreikingsceremonies geweest waarin een blijk vanwaardering is overhandigd aan circa 200 betrokkenen in het bijzijn vanhun naasten. Een derde en laatste uitreiking vindt in de tweede helft van2025 plaats. Dit onderstreept het belang dat Defensie hecht aan hunbijdrage en betrokkenheid. Hiermee beschouwt de Minister de toezeggingals ingelost.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 X, nr. 822 DienmodelPositie beroepsmilitairen versus dienjaar militairenIn het Wetgevingsoverleg Personeel en Materieel van 29 januari 2024(Kamerstuk 36 410-X, nr. 78) heeft mijn ambtsvoorganger het lid VanOostenbruggen (NSC) toegezegd om uw Kamer te informeren over deverschillen tussen beroepsmilitairen en dienjaarmilitairen. Dienjaarmili-tairen worden nu aangesteld als reservist. Daarmee verschilt hunrechtspositie per definitie met die van beroepsmilitairen. De aanstellingvan een dienjaarmilitair als reservist is echter minder passend gezien despecifieke positie van de dienjaarmilitair. Daarom heeft Defensie inoverleg met de vakcentrales voor dienjaarmilitairen een andere aanstel-lingsgrond ingericht. Met deze nieuwe aanstellingsgrond, artikel 11aAMAR, is de dienjaarmilitair aangesteld als beroepsmilitair en bestaat ergeen verschil meer in rechtspositie. Het wetgevingstraject hiertoe loopt.De verwachting is dat deze aanstellingsgrond eind 2025 geborgd zal zijn inde rechtspositie. Tot die tijd is de dienjaarmilitair aangesteld als reservist.Met deze toelichting acht ik de toezegging als nagekomen.«Uniform naar werk»-dagMet de motie-Boswijk c.s. is verzocht om te onderzoeken of Defensiesamen met werkgeversorganisaties afspraken kan maken over hetinvoeren van een jaarlijkse «Uniform naar werk»-dag (Kamerstuk 36 600X, nr. 12 van 24 oktober 2024). Voor dit onderzoek is Defensie in contactgetreden met de werkgeversorganisatie VNO-NCW, de AlgemeneWerkgeversvereniging Nederland (AWVN) en de Stichting van de Arbeid.Daarnaast is met Franse partners gesproken over hun ervaringen met«Les journees nationales des reservistes» waarbij op verschillendemanieren het zijn van reservist wordt gepromoot en het dragen van eenuniform door reservisten tot de mogelijkheden behoort. De eerste reactiesvan zowel de VNO-NCW, AWVN en de Stichting van de Arbeid zijnpositief. De komende maanden zal ik dit initiatief samen met werkgevers-organisaties nader onderzoeken. Ik zal uw Kamer informeren over hetresultaat.Chroom-6Chroom-6 is een onderwerp dat mij ten zeerste raakt. Het is verschrikkelijkdat (oud-)medewerkers ziek kunnen worden en zelfs kunnen overlijdendoor blootstelling aan chroom-6. Ik ben daarom bij enkele slachtofferslangs geweest en die heb ik hierover gesproken. Mijn ambtsvoorgangerheeft tijdens het Commissiedebat Veiligheid en Integriteit van 24 april2024 toegezegd (TZ202404-206) een nadere toelichting te verschaffen,inclusief de juridische componenten, op de barrières die we voorzien bijhet uitvoeren van de motie Dobbe (Kamerstuk 36 410 X, nr. 58 van7 februari 2024). De motie Dobbe vraagt de Regeling uitkering chroom-6Defensie (hierna: de Uitkeringsregeling) ook van toepassing te laten zijnop nabestaanden, met als overweging dat nabestaanden van chroom-6slachtoffers geen rechten kunnen ontlenen zonder voorafgaande meldingdoor de overledene. Daarbij wordt door de indiener van de motie alsargument aangevoerd dat het gevoel van onrechtvaardigheid van dezesituatie zwaarder zou moeten wegen dan juridische complicaties.Voor de inhoudelijke en juridische uiteenzetting verwijs ik u naar debeleidsreactie van 31 maart 2023 (Kamerstuk 36 200 X, nr. 71) en de briefvan 10 april 2024 (Kamerstuk 36 410 X, nr. 82) met de uitleg van hetkabinet waarom er geen uitvoering wordt gegeven aan de motie. In dezebrieven zijn de barrières die we voorzien bij het uitvoeren van de motieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 X, nr. 823 nader uitgelegd. De beginselen van het Nederlands schadevergoedings-recht zijn hierin leidend.Bij immateriële schade spreekt men in relatie tot een slachtoffer oversmartengeld en in relatie tot een naaste over affectieschade. Dat roept devraag op wat er voor een nabestaande geldt. Het uitgangspunt is dat eennabestaande niet zelfstandig recht heeft op een immateriële schadever-goeding. De nabestaande heeft alleen recht op het smartengeld van hetslachtoffer als het slachtoffer hierop vóór diens overlijden, een beroepheeft gedaan.Voor het opstellen van de Uitkeringsregeling zijn door de vakbonden enDefensie expertsessies georganiseerd. Deze hebben geleid tot hetuitgangspunt dat de regeling in lijn moet zijn met het Nederlandsschadevergoedingsrecht en daarmee met het Burgerlijk Wetboek.Daarmee is aansluiting gezocht bij de bestaande regelingen voorasbestslachtoffers. Ook bij die regeling kunnen nabestaanden wél inaanmerking komen voor vergoeding van materiële schade, maar niet voorde immateriële schade van het slachtoffer als deze daar bij leven niet omheeft gevraagd. Ter volledigheid geef ik u mee dat affectieschade sinds1 januari 2019 voor vergoeding in aanmerking komt (Stb. 2018, 132).Naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaandenhebben sindsdien een eigen aanspraak op schadevergoeding voor huneigen verdriet. Aan de wetswijziging is echter geen terugwerkende krachttoegekend.Zoals u weet, zijn rechtszekerheid en rechtsgelijkheid belangrijke pijlers inons rechtsstelsel. Het uitvoeren van de motie zou voor rechtsongelijkheidzorgen. De ene groep nabestaanden zou dan plots een vergoedingontvangen waar andere nabestaanden die niet ontvangen. Hoezeer ikdaarom ook de wens begrijp om verder tegemoet te komen aan denabestaanden van chroom-6 slachtoffers; dit gaat niet zonder rechtsonge-lijkheid te creëren tussen nabestaanden. Het is voor mij een belangrijkpunt om de rechtsgelijkheid tussen slachtoffers van beroepsziekten enhun nabestaanden te waarborgen en dus willekeur te voorkomen. Metdeze nadere toelichting beschouw ik de toezegging als ingelost.OpleidenVerbeteren taalvaardigheid onder militairenHet kabinet-Rutte IV heeft toegezegd de mogelijkheden te onderzoekenom de taalvaardigheid onder militairen te vergroten in de kabinetsreactieop het IOB-rapport (directie Internationaal onderzoek en beleidsevaluatievan het Ministerie van Buitenlandse Zaken) uit 2022 naar de VN-missie UNMultidimensional Integrated Stabilisation Mission (MINUSMA) in Mali(Kamerstuk 29 251, nr. 451). In de reactie erkent het kabinet dat«taalkennis en culturele sensitiviteit voor bepaalde functionarissen in eenmissie zoals MINUSMA cruciaal zijn om doeltreffend te functioneren».Mede daarom werkt het Talencentrum Defensie (TCD) aan het op ordebrengen van de taalkwalificaties. Waar nodig koppelt Defensie taaleisenaan functies. In het kader van de ontwikkeling van een schaalbarekrijgsmacht kunnen we ook missie-specifieke taaleisen formuleren.Hiermee geeft Defensie gericht, per functie, invulling aan de gevraagdeversterking van de taalvaardigheid van militairen.Naast de inspanningen om de taalvaardigheid van individuele militairente versterken, werken we ook aan het professionaliseren van de inzet vantolken binnen Defensie. Het TCD gaat reservisten gedurende de opleidingopleiden tot (militair) taalondersteuner en cultureel adviseur. Daarbijzullen we opleidingen die civiel kunnen plaatsvinden uitbesteden enopleidingen die militair moeten zijn zelf verzorgen. Het TCD wordt zo(mede)verantwoordelijk voor het werven, het opleiden en beheer vantolken. Op deze manier kan Defensie steeds beschikken over passendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 X, nr. 824 taalkundige ondersteuning voor alle vormen van internationale inzet inmissies en bij oefeningen en werkbezoeken. De taalgebieden herzien weperiodiek en stemmen we af op de operationele behoeften van dedefensieonderdelen. Op basis hiervan beschouw ik de toezegging alsingelost.Tot slotOver bovenstaande en andere onderwerpen gerelateerd aan defensieper-soneel wissel ik desgewenst met uw Kamer van gedachten tijdens hetCommissiedebat Personeel op 19 juni.Mede namens de Minister van Defensie,De Staatssecretaris van Defensie,G.P. TuinmanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 X, nr. 825

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 09f5c9bdfbe7b94c

14 okt 2026 · a0eefc5f32d5cc22

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.