Ruimtelijke Ordening
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 11 juni 2026, over Ruimtelijke Ordening
document · 4 sep 2026 · Tweede Kamer
29383 Regelgeving Ruimtelijke Ordening en Milieu 33118 Omgevingsrecht Nr. 451 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT Vastgesteld 4 september 2026 De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 11 juni 2026 overleg gevoerd met mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, over: - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 29 mei 2026 inzake reactie op verzoek commissie over uitvoering moties ingediend tijdens het notaoverleg Ontwerp-Nota Ruimte en reactie op het verzoek van het lid Zalinyan, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 17 maart 2026, over de toekomst van het dorp Moerdijk (Kamerstuk 29435, nr. 320); - de brief van de minister van Infrastructuur en Waterstaat d.d. 4 mei 2026 inzake PBL-rapport over klimaatrisico's in Nederland (Kamerstuk 32813, nr. 1559); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 10 maart 2026 inzake tweede reflectierapport Evaluatiecommissie Omgevingswet (Kamerstuk 33118, nr. 319); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 2 maart 2026 inzake voortgang uitvoering Omgevingswet vierde kwartaal 2025 (Kamerstuk 33118, nr. 318); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 13 januari 2026 inzake uitkomsten BO's MIRT januari 2026 voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Kamerstuk 36800-A, nr. 10); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 15 december 2025 inzake voortgang Kustpact (Kamerstuk 29383, nr. 443); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 31 oktober 2025 inzake voortgangsbrief uitvoering Omgevingswet derde kwartaal 2025 (Kamerstuk 33118, nr. 307); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 3 oktober 2025 inzake voortzetting Actieagenda Ruimtelijk Ontwerp (Kamerstuk 31535, nr. 14); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 20 augustus 2025 inzake voortgang uitvoering Omgevingswet tweede kwartaal 2025 (Kamerstuk 33118, nr. 301); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 20 augustus 2025 inzake afschrift van het antwoord op vragen van de Eerste Kamer over de uitvoering van de Omgevingswet over het eerste kwartaal van 2025 (2025Z15252); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 14 juli 2025 inzake eerste rapportage vanuit de Monitor Werking Omgevingswet (Kamerstuk 33118, nr. 300); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 12 juni 2025 inzake uitkomsten Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving 2025 (Kamerstuk 34682, nr. 228); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 22 mei 2025 inzake voortgang toezeggingen met betrekking tot moties woningbouw, architectuurbeleid en ruimtelijke kwaliteit (Kamerstuk 32847, nr. 1347); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 16 april 2025 inzake afschrift van de beantwoording van vragen van de Eerste Kamer over de ontwikkelingen van de Omgevingswet (2025Z07597); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 16 april 2025 inzake stand van zaken uitvoering Omgevingswet eerste kwartaal 2025 (Kamerstuk 33118, nr. 292); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 24 maart 2025 inzake evaluatie Wet basisregistratie ondergrond (Kamerstuk 33839, nr. 8); - de brief van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 24 maart 2025 inzake evaluatie Wet basisregistratie grootschalige topografie (Kamerstuk 33527, nr. 8). Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit. De voorzitter van de commissie, Bromet De griffier van de commissie, Meedendorp Voorzitter: Clemminck Griffier: Beekmans Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van Asten, Clemminck, Grinwis, Peter de Groot, Mooiman, Russcher, Steen, Wiersma en Zalinyan, en mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Aanvang 14.16 uur. De voorzitter: Goedemiddag. Ik open de vergadering van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Aan de orde is het commissiedebat over ruimtelijke ordening. Ik heet van harte welkom de bezoekers op de publieke tribune. Ik begrijp dat er veel mensen uit Moerdijk zijn, en uit Emmen. Zeer welkom. Iedereen die ik niet genoemd heb, maar die ergens anders vandaan komt, ook welkom natuurlijk. Ik heet ook de minister welkom en de leden van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Ik stel voor dat wij vier interrupties gaan doen. We hebben zes minuten spreektijd. We starten met de inbreng van de kant van de commissie, te beginnen met mevrouw Zalinyan van PRO. Aan u het woord. Mevrouw Zalinyan (PRO): Dank, voorzitter. Ruimtelijke ordening gaat over kiezen: over wie ruimte krijgt, over wie we beschermen en over de toekomst van Nederland. Daarom maak ik mij zorgen over de koers van dit kabinet. Ook uit Moerdijk klinkt de praktijk stevig door in het debat over ruimtelijke ordening. Daar worden veel gevolgen van de ruimtelijke keuzes ook echt gevoeld. Dagelijks ervaren de mensen het zelf. De inbreng uit Moerdijk maakt zichtbaar hoe scherp de afwegingen tussen economie, wonen, energie, veiligheid en leefbaarheid zijn en hoe de ruimtelijke ordening uiteindelijk neerkomt op die keuzes, die mensen rechtstreeks voelen. Over Moerdijk gaan we nog in het plenaire debat spreken, maar wees van harte welkom hier. Ik wil het graag hebben over klimaatadaptatie. Het PBL, de Wetenschappelijke Klimaatraad, Deltares, de Onderzoeksraad voor Veiligheid en zelfs de ministeries zelf waarschuwen dat klimaatrisico's toenemen en dat technische oplossingen alleen niet voldoende zijn. Ook de deltacommissaris zegt dat technische aanpassingen beginnen te knellen. Het kabinet erkent die risico's, maar lijkt niet echt te kiezen. Hoe vindt de minister dat deze adviezen concreet uitwerking krijgen in bijvoorbeeld de Nota Ruimte? We bouwen woningen, energie-infrastructuur, Defensielocaties en ook digitale infrastructuur. De keuzes die we nu maken, blijven zichtbaar voor de mensen die nu niet hier in deze zaal zitten. De grote vraag van de Nota Ruimte is daarom niet hoeveel vierkante meters we vandaag verdelen, maar of we durven te plannen voor de volgende generatie. Klimaatadaptatie gaat uiteindelijk over bestaanszekerheid. Onlangs bezocht ik de wijk Pathmos in Enschede. Mensen zijn daar hun woning kwijtgeraakt door extreme regenval. Op de dag van mijn bezoek werd opnieuw zware regenval voorspeld, en bewoners maakten zich ook daar weer zichtbaar zorgen om. Stel je voor dat je bij iedere bui bang bent voor het kwijtraken van je thuis. Helaas staat Pathmos niet op zichzelf. Ik maak mij zorgen dat klimaatverandering steeds meer een kwestie van ongelijkheid wordt. Wie geld heeft, kan de schade herstellen of verhuizen; wie dat niet heeft, blijft achter met de rekening en de schade. Het PBL laat zien dat klimaatrisico's zich juist opstapelen in kwetsbare wijken, en dat maakt klimaatadaptatie niet alleen een ruimtelijke opgave. Voorzitter. Bijna 10 miljoen Nederlanders wonen in een woning met een hoog risico op oververhitting. Tegelijkertijd zien we meer funderingsschade, wateroverlast en overstromingsrisico's. Banken waarschuwen voor een klimaattweedeling op de woningmarkt. Verzekeraars wijzen op oplopende risico's en hogere kosten. Wat gebeurt er met onze woningmarkt als woningen moeilijker verzekerbaar worden? Wat betekent dit voor starters, woningwaardes en bestaanszekerheid? Graag een reflectie van de minister hierop. Heel concreet: hoe worden verzekerbaarheid, funderingsschade en klimaatrisico's betrokken bij de ruimtelijke keuzes die worden gemaakt? De minister schrijft dat water en bodem sturend zijn, maar het PBL zegt dat we niet overal kunnen blijven doen wat we altijd deden. De Wetenschappelijke Klimaatraad zegt dat we nu moeten bepalen waar we beschermen, waar we aanpassen en waar we transformeren. Als ik de Nota Ruimte lees, zie ik echter vooral dat moeilijke keuzes worden doorgeschoven, alsof de toekomst niet aan tafel heeft gezeten. Mijn vraag aan de minister is daarom eenvoudig. Wanneer is zij bereid om deze keuzes uit de Nota Ruimte concreet te maken? Iedere keuze die we vandaag niet maken, wordt morgen namelijk een rekening voor de bewoners en voor toekomstige generaties. In een huis dat letterlijk en figuurlijk onder water staat, kun je namelijk niet wonen. Voorzitter. Dan over onze Veluwe. Rondom de Veluwe ligt een van de grootste woningbouwopgaven van Nederland. Meer woningen betekent meer inwoners, meer recreanten en dus meer druk op de natuur en de leefomgeving. De natuur op de Veluwe staat nu al onder druk. Juist daarom verbaast het mij dat die samenhang nauwelijks terugkomt in de Nota Ruimte. Waarom niet? Dat is mijn vraag aan de minister. Als we honderdduizenden woningen moeten bouwen, moeten we ook nadenken over waar mensen straks wandelen, sporten, spelen en recreëren. Groene recreatieruimte is geen luxe, maar een voorwaarde voor een gezonde en leefbare wijk. Tegelijkertijd kunnen we niet doen alsof de Veluwe onbeperkt de extra recreatiedruk, die er nu al is, aankan. Ook dat vraagt keuzes. Kan de minister aangeven hoe zij de toenemende recreatiedruk rond de Veluwe betrekt bij de verdere uitwerking en hoe daarbij geborgd kan worden dat de natuurwaarden niet onder druk komen te staan? Mijn laatste punt betreft datacenters. Nederland heeft datacenters nodig. Ze zijn onderdeel van onze digitale infrastructuur. Maar de vraag is niet of we datacenters nodig hebben; de vraag is waar, onder welke voorwaarden en in wiens belang. Hoe zorgen we ervoor dat er goede participatie plaatsvindt? Datacenters vragen ruimte, energie, kabelverbindingen en leggen beslag op schaarse ruimte en schaarse capaciteit rondom energie. Ik ben daarom blij dat de minister uitvoering geeft aan de motie van mij en de heer Grinwis, voor een nationale aanpak van datacenters en datakabels, maar een nationale aanpak is pas het begin. Digitale soevereiniteit is namelijk ook een ruimtelijk vraagstuk. De vraag wie onze data-infrastructuur beheert, waar deze wordt gevestigd en welke publieke belangen daarbij worden afgewogen, kunnen we niet overlaten aan een toevallige marktuitkomst. Kan de minister aangeven welke publieke belangen straks leidend zijn bij de nationale aanpak en hoe juist maatschappelijke meerwaarde daarin wordt meegewogen? Voorzitter, tot slot. Toekomstige generaties zitten niet aan tafel bij gebiedsontwikkelingen, maar de keuzes die wij vandaag maken, bepalen wel de wereld waarin zij komen te leven. De ongemakkelijke waarheid is dat techniek niet alles meer zal oplossen. De vraag is niet of klimaatverandering onze ruimtelijke keuzes gaat beïnvloeden; de vraag is of wij die keuze zelf maken of wachten tot een overstroming, een hittegolf of een verzekeraar die voor ons maakt. Hoe wil de minister hierin regie nemen? Dank, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Wiersma (BBB): Ik ben het wat betreft de vraag of klimaatverandering iets gaat doen van harte eens met mevrouw Zalinyan. We weten van de afgelopen miljoenen jaren dat het klimaat altijd verandert. Ik ben wel benieuwd hoe mevrouw Zalinyan hiernaar kijkt, specifiek omdat zij dat in haar bijdrage aanhaalt in relatie tot wateroverlast die mensen kunnen ervaren in hun woningen. Voor klimaat worden er bijvoorbeeld mitigerende maatregelen genomen, onder andere in het veenweidegebied. Daar willen ze -- dat staat ook opgenomen in de Nota Ruimte -- toe bewegen naar een hoger grondwaterpeil. Mind you: min 40 richting min 20. Dat heeft per definitie direct impact. Kijk naar het gebied rondom Amsterdam. Het Groene Hart bestaat voor een heel groot deel uit veenweidegebieden. Als je het waterpeil zodanig omhoog brengt, dan heb je bij clusterbuien per definitie veel minder waterbufferend vermogen. Hoe kijkt mevrouw Zalinyan daarnaar als het gaat om de afweging van belangen? Dit is namelijk een mitigerende maatregel, terwijl BBB veel meer zou pleiten voor adaptieve maatregelen. Het klimaat verandert namelijk en dat zal ook zo blijven. De voorzitter: De interrupties mogen iets korter. Mevrouw Zalinyan (PRO): Dank u voor dit passievolle betoog voor de landbouw. Ik denk dat we wat betreft klimaatadaptatie en vooral de mitigerende maatregelen alles in samenhang met elkaar moeten bekijken. Dat is misschien geen superconcreet antwoord op uw vraag, maar het is niet zo simpel dat het geen effect zou kunnen hebben op een andere locatie als je ergens een keuze maakt. Natuurlijk moet je dat in samenhang bekijken. Daarom vraag ik de minister ook hoe zij dat wil borgen en die keuzes wil maken, zodat wij duidelijkheid kunnen geven aan zowel de landbouw als aan alle inwoners over wat die keuze is en wat de gevolgen daarvan zijn. Ik zou dus vooral pleiten voor transparantie en duidelijkheid over die keuzes in de Nota Ruimte. De voorzitter: Dan gaan we naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Steen namens het CDA. Mevrouw Steen (CDA): Voorzitter, dank u wel. Ruimtelijke ordening is een veelomvattend onderwerp en dat red ik natuurlijk nooit in 6 minuten, dus zonder welk onderwerp dan ook tekort te willen doen, richt ik mij op drie onderwerpen die voor het CDA vandaag centraal staan: bezwaar en beroep onder de Omgevingswet, water en bodem sturend en de leefbaarheid van dorpen en kernen. Voorzitter. Bij het opstellen van het coalitieakkoord hebben we veel gewicht gegeven aan het aanpakken van de woningnood. Het versnellen van procedures heeft prioriteit. Het recht op een huis moet zwaarder wegen dan het recht op uitzicht. Een van de eerste afspraken was dat het terugdringen van vertraging door bezwaar- en beroepsprocedures heel erg snel aangepakt moest worden. Voorzitter. Ik wil niet vervallen in een herhaling van eerdere debatten. Ik weet dat de minister werkt aan een integrale aanpak die in september naar de Kamer komt met een taskforcebrief, en ik steun die integrale aanpak. Maar tegelijkertijd weiger ik mij neer te leggen bij het idee dat er tussen 31 januari, toen het regeerakkoord werd gesloten, en september geen zichtbare voortgang wordt geboekt. Als we de woningbouwcrisis serieus nemen, moet er op z'n minst op onderdelen beweging zichtbaar zijn. Daarom vraag ik de minister om per maatregel concreet aan te geven wat de stand van zaken is. Ik som ze op. Wat is de status van het realiseren van één beroepsgang, zodat stapeling van procedures wordt voorkomen? Kan dit binnen de huidige Omgevingswet of zijn er aanvullende wetswijzigingen nodig? Wanneer kunnen we vaste uitspraaktermijnen verwachten? Welke mogelijkheden ziet de minister om het stilleggen van woningbouwprojecten tijdens procedures door een schorsende werking van onder andere bezwaar en beroep te voorkomen? Hoe staat het met de afspraak om gemeenten beter in staat te stellen vergunningen te verlenen en parallel te plannen? Kan de minister bevestigen dat de taskforcebrief concrete maatregelen en financiering bevat, zodat de gemeenten hiermee snel aan de slag kunnen? Is de minister al aan de slag met het structureel vooraf regelen van nadeelcompensatie en planschade? Ik heb daar concrete ideeën bij, zoals een verplichte knip tussen schade en een besluit of een forfaitaire vergoeding. Het voert nu te ver om daarop door te gaan -- zo veel tijd heb ik niet -- maar dit is belangrijk voor het CDA. Daarom overwegen wij een initiatiefnota hierover. Voorzitter. In ons verkiezingsprogramma hebben wij daarnaast voorstellen gedaan die goed aansluiten bij deze agenda. Er zijn ook mensen die bezwaar maken terwijl ze eigenlijk heel weinig hinder ondervinden van bouwprojecten, bijvoorbeeld mensen die best ver van het project af wonen. We weten dat dit type bezwaar nergens toe zal leiden, behalve tot vertraging van het project. Ziet de minister kans om het belanghebbendecriterium in de wet aan te scherpen? Het CDA denkt dat dit mogelijk moet zijn. Op deze manier wordt het recht op een huis daadwerkelijk belangrijker dan het recht op uitzicht. Mevrouw Zalinyan (PRO): Ik snap het betoog van mevrouw Steen. Ik ben benieuwd hoe zij aankijkt tegen de balans tussen rechtsbescherming en de inperking van bezwaar, los van het feit dat ik het natuurlijk heel goed begrijp. Mevrouw Steen (CDA): U vraagt dit aan een jurist die heel veel rechtsbeschermingsprocedures zelf heeft gevoerd. Ik kan u zeggen dat veel procedures die aangespannen worden tegen vergunningen, maar ook tegen bestemmingsplanningen en omgevingsplannen, vaak toch spaak lopen bij de rechter, omdat er gewoon geen grond voor is. Dan is er wel heel veel tijd verloren, omdat het gewoon niet duidelijk is en mensen niet worden geholpen om inzicht te krijgen in hun rechten en positie, terwijl de woningbouwprojecten hierdoor wel vertraging oplopen. Ik zou willen voorkomen … Ook dat is rechtsbescherming, dus rechtszekerheid bieden, zodat mensen weten waar ze recht op hebben. Ik ben ervan overtuigd dat duidelijkheid bieden over de vraag of je een belanghebbende bent of niet bijdraagt aan de rechtszekerheid van zowel degene die bezwaar maakt als degene die een woning zoekt. De voorzitter: U kunt uw betoog vervolgen. Excuus, er is nog een interruptie van de heer De Groot. De heer Peter de Groot (VVD): Ik ben echt heel blij dat collega Steen in dit debat begint over al deze punten, die we in het coalitieakkoord hebben opgeschreven. Dat scheelt mij een stukje inbreng, want dit is een heel belangrijk onderdeel dat door het kabinet uitgewerkt moet worden. Ik herken de punten ook. Ik ben benieuwd naar het volgende. Binnen welke termijn vindt mevrouw Steen van het CDA dat er geleverd moet worden? Ik denk dat het belangrijk is dat we daar dan ook een soort sticker op plakken om te markeren: we vinden met elkaar dat de uitwerking op die en die datum klaar moet zijn. De mensen thuis kunnen namelijk niet wachten totdat we dat fixen. Mevrouw Steen (CDA): Zo is het maar net! Daarom zei ik ook: we wachten dan op de taskforcebrief, die in september komt. Die brief hebben we in vorige debatten ook langs horen komen. Daar verwacht ik veel van. Ik hoop daarin te lezen op welke korte termijn we dat gaan zien. Zoals ik zei, zal het CDA daar op alle mogelijke manieren aan meehelpen, zodat we dat heel snel kunnen doen met elkaar. Daarom zei ik ook dat ik overweeg hierover een initiatiefnota voor te bereiden. U bent van harte welkom om daarover mee te denken als u dat graag wilt. De voorzitter: U kunt uw betoog vervolgen. Mevrouw Steen (CDA): Hartstikke goed. Voorzitter. In ons verkiezingsprogramma hebben wij daarnaast voorstellen gedaan die goed aansluiten bij deze agenda. O, dat punt heb ik al gehad. Ik wil de minister graag vragen of zij wil reflecteren op de mogelijkheden om bezwaar- en beroepsprocedures die uitsluitend zijn gebaseerd op beperkt individueel nadeel, zoals verlies van uitzicht, minder vertragend te laten zijn. Voorzitter. Ik hoor graag op elk van deze punten afzonderlijk een reactie. Als er op onderdelen nog geen voortgang is geboekt, vraag ik de minister om toe te zeggen dat dat in de taskforcebrief van september wel zichtbaar zal zijn. De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Steen (CDA): O, ik ben nog niet klaar. De voorzitter: Excuus, u keek mij aan en ik dacht: u bent aan het einde. Mevrouw Steen (CDA): Nee, ik dacht dat er een interruptie was. Ik ben nog maar op de helft! De voorzitter: U heeft eigenlijk nog maar tien seconden. Mevrouw Steen (CDA): Ik had zes minuten spreektijd, dacht ik, dus volgens mij mag ik nog even. Daar ga ik gebruik van maken. In het debat over de Nota Ruimte heeft de Kamer op initiatief van het CDA gevraagd om een heldere definitie van het principe "water en bodem sturend". Dat is cruciaal. We moeten de juiste dingen op de juiste plek doen. Wie de ondergrond negeert, schuift de problemen door naar toekomstige generaties. In het rapport De staat van ons water wordt gewerkt met acht gebieden waarin dit principe als sturend uitgangspunt wordt toegepast. Wanneer verwacht de minister de resultaten daarvan? Kan zij toezeggen dat deze inzichten beschikbaar zijn vóór het debat over de Nota Ruimte later dit jaar? Hoe staat het met de ontwikkeling van de eenduidige definitie van water en bodem sturend, zodat dit begrip niet voor meerdere uitleg vatbaar blijft? Voorzitter. Tot slot de dorpen, de kleine kernen en de leefbaarheid. Ruimtelijke ordening is meer dan het verdelen van schaarse ruimte vanuit Den Haag. Het gaat uiteindelijk over mensen, gemeenschappen en de plekken waar zij wonen. Gebieden worden soms geconfronteerd met meerdere ruimtelijke claims tegelijk: woningbouw, energie, infrastructuur, natuur of industrie. Wat hier op papier wordt besloten, heeft directe gevolgen voor leefgemeenschappen. Vandaag zitten er ook inwoners uit Moerdijk op de publieke tribune. Hun aanwezigheid hier onderstreept dat ruimtelijke keuzes maken mensen raakt. We geven Moerdijk de aandacht die het verdient in een apart debat op de 25ste, zodat we dat hier niet in een paar minuten hoeven te doen. Ik ben blij dat we dat kunnen doen, over anderhalve week à twee weken. Voorzitter. Voor het CDA staat voorop dat dorpen en steden leefbaar moeten blijven en dat de regio wordt versterkt vanuit wat zij zelf heeft bij te dragen aan die grote opgave. Nieuwe woningen zijn hard nodig, maar een leefbare wijk of een vitaal dorp bestaat uit meer dan alleen maar huizen; het gaat ook om voorzieningen, bereikbaarheid en sociale samenhang. Daarom vraag ik de minister of zij bereid is om bij grote woningbouwontwikkelingen expliciet mee te wegen of maatschappelijke voorzieningen voldoende meegroeien. Het CDA vindt het namelijk belangrijk dat er zoiets als een leefbaarheids-apk wordt ontwikkeld voor grote ruimtelijke besluiten. Zo bouwen we niet alleen aan nieuwe skylines, maar ook aan gemeenschappen, waarbij niet alleen wordt gekeken naar aantallen woningen of hectares, maar ook naar de bereikbaarheid van voorzieningen, sociale cohesie en de vitaliteit van dorpen en wijken. Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Zalinyan (PRO): Ik juich dit voorstel heel erg toe, omdat het gaat over de leefbaarheid, maar ook hierin zoek ik weer naar de balans. Hoe kijkt het CDA daarnaar? Het CDA, D66 en de VVD pleiten voor minder regels en procedures. Hier stelt u wel weer een nieuwe regel voor. Hoe kijkt u daarnaar? Mevrouw Steen (CDA): Ik heb nooit gezegd dat ik minder regels wil; ik wil slimmere regels. Dit kan zomaar een voorstel zijn van een hele slimme manier van afwegen als je plannen maakt. Overigens, de manier waarop gemeenten, provincies en het Rijk de ruimtelijke indeling plannen, is niet alleen een kwestie van wat in regels is vastgelegd, maar ook van hoe wij kijken naar onze omgeving. Dat omvat veel meer dan alleen een wettelijk kader. Ik hoef ook niet per se een wettelijk kader voor leefbaarheid, maar ik wil wel dat het bij ons tussen de oren komt dat we er niet zijn met het bouwen van een skyline. Vandaar ook mijn eerdere motie om maatschappelijke baten mee te kunnen nemen in projecten. Die motie is breed door de Kamer aangenomen. Dit zou daar een hele mooie aanvulling op of invulling van kunnen zijn. We gaan zien hoe dat gaat, maar ik vind het belangrijk om hierop te blijven hameren, omdat we in het verleden keuzes hebben gemaakt waar we nu heel veel last van hebben. Het doel is dus niet minder regels, maar slimme regels. De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan we naar de derde spreker, de heer Van Asten van D66. De heer Van Asten (D66): Voorzitter. Het duurt in Nederland veel te lang om een woning te bouwen. Van het eerste plan tot de oplevering ben je al snel tien jaar verder. Dat knelpunt zit niet in de bouw zelf, maar in de procedures en de ruimtelijke afwegingen, die we telkens opnieuw maken. Daar valt tempo te winnen. Daar wil ik het vandaag in dit debat dan ook over hebben. Onze inzet is helder: veel meer woningen en sneller. De vraag die vandaag voorligt, is concreet: hoe halen we met de Omgevingswet in de hand die 100.000 woningen per jaar? Daar werken we aan. Het goede nieuws is dat we het kabinet wel aan de slag zien gaan. Met de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw wordt op alle fronten tegelijkertijd gewerkt aan meer tempo. Lokale regels worden gestandaardiseerd, om zo industriële bouw mogelijk te maken. Met de aanpak Beter Benutten komen er jaarlijks tot wel 15.000 extra woningen vrij door splitsen, optoppen en transformeren. Er worden goede afspraken gemaakt in Almere over gezonde groei, met voorzieningen erbij, zeg ik daarbij, wat leidt tot 60.000 nieuwe woningen in de Flevopolder. Deze zomer worden de eerste nieuwe grootschalige woningbouwlocaties ook aangewezen. Waar de bouw dreigt vast te lopen, wordt actie ondernomen, zoals bij de provincie Zuid-Holland. Die wordt aangesproken om te voorkomen dat provinciale regels de woningbouw vertragen of stilleggen. We zijn blij dat de minister daar met deze energie bovenop zit. Kan de minister ons meenemen in wat haar ingreep in Zuid-Holland heeft opgeleverd? Zijn daar elders ook mogelijkheden voor? Mevrouw Zalinyan (PRO): Afgelopen dinsdag is er een stemming geweest over een voorstel waardoor je gemeenten kunt opdragen om minder betaalbaar te bouwen dan de 30% sociaal, bijvoorbeeld. Daar heeft D66 voor gestemd. Nu hoor ik opnieuw de casus van Zuid-Holland. Is het volgens D66 wel akkoord om meer betaalbaar te bouwen als daardoor geen vertraging optreedt? De heer Van Asten (D66): Ik denk dat het goed is dat er overal dezelfde regels zijn rond betaalbare bouw. Het is wel uitermate belangrijk dat we voor voldoende sociale woningen en middenhuurwoningen zorgen. Ik weet wel dat het, zeker bij hoogstedelijke bebouwing, op projectniveau rondgerekend moet worden, want anders zijn er nul woningen, in plaats van de gewenste aantallen. Daar staan de wens en de realiteit soms dus wat verder uit elkaar, maar als we stevig vasthouden aan een vast percentage voor een heel gebied denk ik dat we de beste kans maken om snel woningen toe te voegen. Mevrouw Zalinyan (PRO): Toch blijf ik bij die vraag over de betaalbaarheid. Er zijn heel veel projecten in heel Nederland. Ik had mijn vraag ook niet toegespitst op hoogstedelijke bouw. Er zijn heel veel projecten waarbij je meer betaalbare woningen kunt bouwen dan in de wet staat. Kunnen die projecten op steun van D66 rekenen, of moeten we, alleen maar omdat het in een regel in de wet staat, minder betaalbaar bouwen dan mogelijk is? De heer Van Asten (D66): Er zijn inderdaad gemeentes die een groot tekort aan sociale woningen hebben, omdat ze bijvoorbeeld zelf nog niet aan de 30% zitten. Dan zie je soms dat zij zelf zo'n maatregel nemen, omdat ze daar jarenlang niet in hebben geïnvesteerd. Van mij hoeft het niet per se tot een verbod daarop te komen -- dat zou natuurlijk ook wel ridicuul zijn -- maar over het algemeen moet je ook weer niet te harde maximumeisen of minimumeisen gaan stellen. Het moet er allemaal toe bijdragen dat projecten doorgang vinden, want anders worden er geen huizen gebouwd en dan is iedereen de verliezer. De voorzitter: U vervolgt. De heer Van Asten (D66): Voorzitter. Ik wil vandaag vooral stilstaan bij de Omgevingswet. De evaluatiecommissie is niet mals in haar kritiek. De vergunningverlening vertraagt juist, de participatie komt niet uit de verf en de digitalisering rammelt nog aan alle kanten. Ik las vandaag dat aan de staatsraad wordt gevraagd om de vormvrije participatie op de een of andere manier toch van vorm te voorzien. Daar gaat dus nog wat gebeuren. Dat dit anders moet, lees ik ook terug in de reactie op het rapport van de minister. Daarover heb ik toch een aantal vragen. Mijn eerste vraag gaat over het Omgevingsloket, de plek waar nu een vergunning moet worden aangevraagd. Dit wordt door gemeentes en gebruikers nog steeds als zeer onduidelijk en onoverzichtelijk ervaren. Door de vele foutieve aanvragen raakt de wachtrij voor vergunningverlening bij gemeentes volledig verstopt, wat ervoor kan zorgen dat je eindeloos moet wachten voordat je je eigen dakkapel kunt bouwen. Welke concrete stappen gaat de minister zetten om dit systeem gebruiksvriendelijk te maken? En belangrijker, hoe test zij of meer informatie toevoegen ook echt leidt tot gebruiksgemak bij de aanvrager? Dan de omgevingsplannen. De commissie vraagt zich hardop af of de deadline voor gemeenten om deze aangepast te hebben voor 1 januari 2032 wel gehaald wordt. Nu worden de BOPA's in toenemende mate gebruikt om woningbouw te faciliteren, wat vaak een snellere manier is dan een wijziging van het omgevingsplan, maar de bedoeling van de Omgevingswet is juist om duidelijkheid vooraf te verschaffen en het aantal uitzonderingen te beperken. Kan de taskforce wellicht worden ingezet om gemeentes met nieuwbouwplannen te stimuleren het omgevingsplan voor wat betreft woningbouw versneld aan te passen? Kan de taskforce een versnelling in het opstellen van gebiedsprogramma's bewerkstelligen om zo een omgevingsplan beperkt aan te passen? Mevrouw Steen (CDA): We hebben kunnen lezen -- dat wisten we al eerder van het kabinet -- dat het principe van parallel plannen, waarover wij ook afspraken hebben gemaakt, zou moeten helpen om omgevingsplannen en vergunningverlening te versnellen. In hoeverre is de heer Van Asten bereid om extra gas te geven op dat parallel plannen? Uiteindelijk dat ik dat dat een hele grote sleutel kan zijn om het capaciteitsgebrek bij gemeenten op te lossen, maar daar is wel wat voor nodig, namelijk dat wij daar in Den Haag een slinger aan geven. Hoe kijkt de heer Van Asten daarnaar? De heer Van Asten (D66): Parallel plannen zie je vooral in de fase dat er ergens een bouwplan komt. Je ziet nu in gemeenteland -- we zijn toevallig alle drie wethouder geweest -- dat daar veel vertraging in kan zitten doordat elke afdeling binnen een stadhuis nog zijn plasje eroverheen wil doen, allemaal vanuit de eigen vaktechniek. Dat moet sneller. Daar zit dat parallel plannen in. Als we daar landelijk nog een extra slinger aan zouden kunnen geven, zoals u het zei, vindt u D66 daarbij volledig aan uw zijde. Mevrouw Steen (CDA): Als ambtenaren zich niet in drievoud druk hoeven te maken over vergunningverlening, kunnen we hen inzetten voor het maken van omgevingsprogramma's en omgevingsvisies. Dat is nou precies het idee voor het vrijspelen van die ambtelijke capaciteit. Het een heeft dus wel degelijk te maken met het ander. Ik denk dat het belangrijk is dat we op die manier blijven kijken naar hoe we de ambtelijke capaciteit goed kunnen inzetten. De heer Van Asten (D66): Ik weet niet of dezelfde ambtenaren die bezig zijn met het van de grond krijgen van bouwprojecten ook degenen zijn die het omgevingsplan en de gebiedsprogramma's daarbij maken. Mocht dat het geval zijn, dan scheelt dat zeker tijd, maar ik denk dat we nu vooral moeten beginnen met zorgen dat er een goed omgevingsplan ligt en dat er een goed gebiedsprogramma aan ten grondslag ligt, want dan kun je pas vergunningsvrij gaan bouwen. Dan heb je dat hele proces eigenlijk al aan de voorkant gehad. Dus, linksom of rechtsom, daar zit de versnelling. De voorzitter: U kunt uw betoog vervolgen. De heer Van Asten (D66): Dank. Ik was gebleven bij het punt van bezwaar. Zelfs als een afweging keurig aan de voorkant is gemaakt, kan één bezwaarmisbruiker een heel project jarenlang ophouden. In plaats van een snelle start van zo'n 548 broodnodige woningen ligt een project jarenlang stil vanwege een handvol parkeerplaatsen. Het debat over wat we bouwen hoort wat D66 betreft thuis in de raadszaal, niet eindeloos in de rechtszaal. D66 wil daarom dat er wordt toegewerkt naar een aanpak die leidt tot het versnellen van de afhandeling van bezwaarprocedures. Die gedachte leg ik graag aan de minister voor. Hoe kijkt de minister ertegen aan om de bezwaarprocedure bij woningbouw verder te verkorten? Wat kan zij, naast het uitvoeren van de Wet versterking regie volkshuisvesting, daar nog meer aan doen? Om bezwaren te verminderen is participatie vooraf uiterst belangrijk. De Omgevingswet maakt deze vormvrij. Ik noemde net al de staatsraad die vandaag aan het werk is gezet. De kwaliteit van de participatie is vaak bepalend voor een vlot proces daarna. Er zijn gemeentes die hiertoe participatierichtlijnen meegeven aan de initiatiefnemers. Kan de minister deze goede voorbeelden van de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw meenemen en bij andere gemeentes onder de aandacht brengen? Mevrouw Wiersma (BBB): Ik ben het hartgrondig eens met de heer Van Asten over de bezwaarprocedures. Daar moeten we pragmatisch mee omgaan; die moeten we zien te beperken in de toekomst. Neem het concrete voorbeeld van Weesp. Daar ligt nu een hele woningbouwlocatie stil omdat er bezwaar wordt ingediend vanwege ecologische doelen. Dat gaat in dit geval om de rugstreeppad. Vindt de heer Van Asten ook dat we ook met dat soort doelen pragmatischer moeten omgaan? Ik zie namelijk dat heel veel van deze projecten stilliggen op basis van ecologische doelen die we hebben vastgesteld. De heer Van Asten (D66): Daarvoor is zo'n omgevingsplan dus ongelofelijk belangrijk. Daarin wordt namelijk de afweging gemaakt waar, in welk gebied, iets prioriteit krijgt. Dan kan je daarover in de gemeente steggelen en de belangen afwegen, waarbij je natuurlijk rekening moet houden met wat er wettelijk of Europees geregeld is, met wat je wel of niet moet beschermen. Ik weet niet of dit diertje in het bijzonder beschermd moet worden. Daar heb je je dan ook aan te houden. Dat moet vooraf duidelijk zijn, zodat je niet pas in de bouwfase, wanneer de eerste hijskranen erbij komen, erachter komt, want dan krijg je een vertraging, soms van meer dan een jaar, om dat beestje een nieuwe habitat te geven. De heer Peter de Groot (VVD): Ik ben het helemaal eens met collega Van Asten dat we die procedures echt moeten aanpakken. Ik had daar net ook al een interruptiedebatje over met collega Steen. Die ambitie delen we volledig, maar ik denk dat het goed is als de heer Van Asten ook in de spiegel kijkt en breder blijft kijken. Ik hoorde hem zeggen: "het besluit over wat er gebouwd wordt, ligt in de raadszaal" of "bouwen is geen probleem". Maar laat ik het nog eens even opnoemen. Omgevingsvisie, omgevingsplannen, twee derde betaalbaar: ik kan het hele lijstje opnoemen van wat wij hier allemaal vanuit de Tweede Kamer opleggen. Wat er moet gebeuren en hoe er gebouwd moet worden, heeft wel degelijk effect op hoeveel en hoe snel we kunnen bouwen. Is de heer Van Asten het ermee eens dat we altijd, continu, kritisch naar onszelf moeten kijken ten aanzien van de bouwregels die wij over het land heen strooien? De heer Van Asten (D66): Ja, ik ben het daarmee eens. Komma, zeg ik er dan maar gelijk even bij. De heer De Groot begon er namelijk over dat de regel rondom omgevingsvisies ook zo'n regel zou zijn die daarbij wellicht in de weg staat. Ik geloof hartstochtelijk dat juist het maken van een goed omgevingsplan met een omgevingsvisie ertoe bijdraagt dat je vrij snel vergunningvrij kan bouwen. Dat kost even tijd en inzet, absoluut. Daar ben je echt wel veel manuren aan kwijt. Maar ik ben wel voor een grote versnelling. Want als dat er eenmaal ligt in de gemeente, kunnen vanaf dat moment de betonmolens en de houtmolens gaan draaien om met hout te bouwen; laten we dat ook maar promoten. Dan kan er tempo worden gemaakt. Over het algemeen: wij moeten hier, net als in de Provinciale Staten en gemeenteraden, voorzichtig zijn met de eisen die we nog meer opleggen aan de bouw. Want dat versnelt meestal niet. De voorzitter: U kunt uw betoog vervolgen. De heer Van Asten (D66): Ik ben langzaam bij het slot aan het komen. Nog steeds over bezwaar: D66 vindt dat de gemeenteraad de plek moet zijn waar, samen met omwonenden en woningzoekenden, een gedegen afweging moet worden gemaakt om een bouwproject toe te staan. Bezwaar maken zonder dat je je bij de gemeenteraad gemeld hebt, miskent de belangrijke rol van het hoogste gezag in een gemeente. Ziet de minister deze rol van de gemeenteraad ook? Zouden bezwaren die niet eerder zijn gemeld, wel ontvankelijk verklaard moeten worden bij volgende gremia? Tot slot. Dit kabinet draait aan alle knoppen tegelijkertijd om de woningnood het hoofd te bieden. Dat verdient waardering. Laten we nu alle ruimte benutten om nog meer tempo te maken, met betere regels aan de voorkant, kortere procedures en lef om vooruit te kijken. Want het kan. We doen het niet voor de procedure, niet voor het papier, maar voor iedereen die op zoek is naar een thuis en perspectief nodig heeft. Aan het werk. De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Grinwis van de ChristenUnie. De heer Grinwis (ChristenUnie): Voorzitter, dank u wel. Nederland is groot geworden door ruimte te maken, door land te winnen, door slim te ordenen. Maar vandaag is er een ongemakkelijke waarheid. De ruimte is schaars geworden. Dat zien we overal. De woningbouw stokt, het energienet piept en kraakt, en dorpen zitten in het gedrang. We lopen aan tegen een muur, maar het kabinet doet alsof die niet bestaat, alsof alles kan. Johan Remkes zei het al: niet alles kan overal. Juist dan vraagt politiek om moed en om keuzes. Laten we eerlijk zijn: zolang wij in Den Haag om de hete brij heen blijven draaien, draaien we ons land alleen maar steeds vaster en dieper het moeras in. Wie geen keuzes maakt, kiest voor stilstand. En stilstand is achteruitgang; u weet het. Voorzitter. Nergens in Nederland wordt het ruimtetekort zo tastbaar als in Moerdijk. Welkom aan onze gasten uit Moerdijk. Dat is een dorp dat klem zit tussen de A16 en de A17, industrie en een megagrote distributiedoos. De vaste constante voor de inwoners van Moerdijk is onzekerheid, al 40 jaar lang. Hun oproep is helder: geef ons duidelijkheid. Maar dat is niet waar het kabinet voor kiest, zo blijkt uit de brief van de staatssecretaris van KGG. Want misschien heeft hij toch niet alle ruimte nodig voor dit project. Hij gaat nog wat scenario's verkennen. Is dit geen kamelenneus? Komt er niet later een gigantische kameel achter weg? Valt niet over een paar jaar de volgende opgave op het bordje van Moerdijk, en een paar jaar daarna weer een volgende? Dit kabinet houdt nu een scenario voor waardoor de 1.100 bewoners van Moerdijk aanvankelijk even opgelucht kunnen ademhalen. Maar wanneer doemt het volgende probleem op en komen al deze problemen niet alleen terecht bij het dorp Moerdijk, maar bij de bewoners van de 17 omliggende dorpen? Mijn vraag aan deze coördinerende minister is: is dat nou leiderschap? Bij het ministerie van VRO wordt nu verwezen naar de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, maar in zijn brief wordt het ook voortdurend een ruimtelijkeordeningsvraagstuk genoemd. De opgaven die er liggen, moeten worden ingepast in de gemeente Moerdijk, niet alleen de opgaven van vandaag, maar ook die van morgen en overmorgen. Of gaat de minister van VRO dat ergens anders doen? Op het gebied van die vraag naar ruimte, naar ordening, moet de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verantwoordelijkheid nemen en naar voren treden, in het belang van alle inwoners van de gehele gemeente Moerdijk. Daarom een paar vragen. Erkent zij dat dit allereerst een ruimtelijkeordeningsvraagstuk is? Welke regie pakt zij als coördinerend minister op dit proces? Hoe ziet zij de verhouding met de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei in dezen? Wat gaat zij doen om inwoners zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de toekomst van Moerdijk? Hoe borgt de minister dat hierover één integrale ruimtelijke afweging plaatsvindt? Dan heb ik het dus niet alleen over vandaag en morgen, maar ook over de langere termijn, in plaats van dat er een optelsom gaat komen van losse besluiten. Welk ordeningsprincipe is voor haar leidend? Hoe neemt zij de leefbaarheid van alle inwoners van de gemeente Moerdijk mee in dit proces? Hoe reageert zij op de oproep van nagenoeg alle fracties in de gemeenteraad van Moerdijk, namelijk: laat Moerdijk geen tweede Groningen worden? Erkent zij dat geruststellende woorden geen waarde hebben zonder geld, borging en randvoorwaarden? Ik ben heel benieuwd naar de reactie van de minister op deze toch wel prangende vragen. Voorzitter. In een land waarin de ruimteclaims zo groot zijn, moeten we ook met creativiteit en ambitie naar de toekomst durven kijken. Vandaar dat ik met collega's van D66 en de VVD, de heer Van Asten en de heer De Groot, moties heb ingediend voor onafhankelijke onderzoeken naar landaanwinning: opspuiten en/of drijvend wonen. Ik ben blij dat die onderzoeken er komen, maar in de bewoordingen van de minister proef ik af en toe net iets te veel terughoudendheid, misschien wel angst. Waar is de "het kan wel"-mentaliteit? Ontwikkelingen in het IJmeer of voor de Marker Wadden zijn niet vastomlijnd, niet iets wat wel of niet kan. Het is een innovatieve zoektocht die je een kans moet willen geven. Staan de minister en haar ambtenaren daar ook echt voor open? Vraagt zij in dit onderzoek ook echt om een overzicht van het spectrum aan mogelijkheden? Mevrouw Zalinyan (PRO): De heer Grinwis begon zijn bijdrage met: we moeten keuzes maken en we moeten eerlijk zijn over die keuzes, ook als politiek. Ik ben heel benieuwd of de keuze om extra land aan te winnen de keuze is die de ChristenUnie maakt op het moment dat het PBL, de Rli en de deltacommissaris, eigenlijk alle instanties, zeggen dat landaanwinning geen goed idee is als het gaat over onze drinkwatervoorziening en als het gaat over mitigerende maatregelen rondom klimaatadaptatie. De heer Grinwis (ChristenUnie): Ja. Op het gebied van drijvend wonen en zandopspuiting zijn er bijvoorbeeld veel mogelijkheden. Het gaat dus niet alleen om landaanwinning, maar ook bijvoorbeeld om drijvend wonen. Ik ga even een stukje uit mijn bijdrage verder voordragen en dan kom ik er nog even op terug. Ik heb het juist ook over het combineren van functies. Over het verlies van waterbergingsruimte, waar collega Zalinyan het over heeft, is mijn oproep: kom eens met getallen; maak de kwantitatieve analyse. Klopt het dat, als we de afvoerverdeling van de IJssel ten opzichte van de Waal met 0,1% aanpassen, 0,1%, het hele verlies aan bergingsruimte al door IJstad wordt gecompenseerd? Het is veel te veel vanuit het bestaande geredeneerd, alsof we een foto hebben gemaakt van de ordening die we in het verleden tot stand hebben gebracht in Nederland en we dat ook nog eens hebben verankerd in richtlijnen, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn en allerlei weet ik wat voor richtlijnen. Het is alsof je nu alleen nog maar het verleden kan koesteren en niets nieuws meer kan ontwikkelen. Ik zou tegen mevrouw Zalinyan willen zeggen: kijk eens over die dijk; kom uit uw schuttersputje. Mevrouw Zalinyan (PRO): Waarom dan landaanwinning? Waarom niet juist kijken ... Voor welke opgave ziet de ChristenUnie landaanwinning als oplossing? Is het bijvoorbeeld voor extra woningbouw? Maar er zijn al zoveel locaties in heel Nederland gepland die vertraging oplopen omdat er geen geld is en omdat er procedures lopen. Dus waarom niet ook afmaken waar we aan begonnen zijn voordat we kijken naar nieuw land? De heer Grinwis (ChristenUnie): Ik heb ook never nooit gesuggereerd dat een ontwikkeling als IJstad een oplossing is voor het woonvraagstuk van vandaag of morgen. Maar het kan wel bijdragen aan de oplossing van overmorgen. Als je nu stopt met denken over overmorgen, dan sluit je jezelf op. Dan zet je oogkleppen op. Dan kijk je niet verder dan de horizon. Wij zijn toch groot geworden door over de horizon heen te willen kijken, ook al lukt dat misschien in de praktijk vaak niet? Bovendien, het gaat niet alleen om wonen. Het gaat ook om zo'n prachtig project als Delta21 nu niet een soort van onmogelijk maken in een nieuwe Nota Ruimte 2050. We hebben het niet over 2030 of 2040. De Nota Ruimte is gekoppeld aan 2050. De derde Maasvlakte. We weten dat we, juist door klimaatverandering en zeespiegelstijging, mogelijk de haven steeds meer buitengaats moeten zien te krijgen en dat je vroeg of laat misschien wel de discussie moet gaan hebben of de Maaslandkering misschien wel door een ander soort afsluiting moet worden vervangen. Dan ben je juist zielsblij dat er een derde Maasvlakte komt. Er is ook nu al enorme vraag naar woningen, juist in de grootstedelijke regio Amsterdam. Wat is dan logischer dan, op een innovatieve manier, dus niet alleen met het opspuiten van land, maar ook met drijvend wonen, Amsterdam en Almere te verbinden? Ik denk dat als mijn collega, mevrouw Zalinyan, zich openstelt voor meer ontwikkelingsgericht denken, er een wereld opengaat. De voorzitter: Ik stel voor dat u uw betoog vervolgt. De heer Grinwis (ChristenUnie): Mijn vraag is dus ook: staat de minister er ook echt voor open? Vraagt zij in dit onderzoek ook echt om een overzicht van het spectrum aan mogelijkheden? Ik heb het net eigenlijk al verteld. Het is goed dat er ook onderzoeken komen naar Delta21 en naar zandwinning. Ik ben erg benieuwd: is de minister bereid om Delta21 in de definitieve Nota Ruimte op te nemen als zoekgebied? De minister noemt ook dat dit alles moet voldoen aan de natuurwetgeving. Ja, maar meer dan 95% van het Nederlandse hoogwatersysteem is al Natura 2000. Betekent dat nou echt dat ontwikkeling en ontwikkelingsgericht denken daarmee onmogelijk zijn gemaakt? Nederland heeft zich door de eeuwen heen immers altijd ontwikkeld. Ik verwijs even terug naar het antwoord. De minister is nog niet ingegaan op het kopje over strand en duinnatuur in de motie. Ik vraag aandacht voor het project waterkerend kustlandschap, De Banjaard, voor de Zeeuwse kust, kustbescherming, het tegengaan van de huidige erosie van het intergetijdengebied en natuurherstel, waarin we de lessen van de Zandmotor kunnen toepassen. Echt een heel mooi project. Voorzitter. Dan over de motie met de heer Van Asten over de ruimteclaims in de Nota Ruimte. De interpretatie van de minister was dat zij beter inzicht zou geven in de ruimtelijke consequenties van de gecombineerde opgave in de Nota Ruimte, maar in de uitvoering blijft daar weinig van over. Want opeens is dat in haar brief gereduceerd tot "per integraal thema laten zien hoe de drie leidende principes bijdragen aan een efficiënt gebruik van schaarse ruimte en expliciteren hoe we daarmee ruimte besparen". Dit citeerde ik. Dat is geen inzicht in de ruimtelijke consequenties. We kunnen de nota vol grote woorden zetten, maar wat zijn die waard als ze niet op grond terecht kunnen komen? Voorzitter, ik moet, denk ik, ga afronden, hè? Ik zie de voorzitter wijzen en wenken. Ik zal naar u luisteren, voorzitter. Wat betreft de datacentervragen sluit ik me aan bij collega Zalinyan. Ik laat de rest even zitten. Voor wat betreft de beroepsgang sluit ik me aan bij collega Steen. Tot zover. Dank voor uw geduld, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. We gaan naar de heer Russcher namens Forum voor Democratie. Aan u het woord. De heer Russcher (FVD): Dank, voorzitter. Vandaag ligt er een rapport op tafel van het Planbureau voor de Leefomgeving. De titel luidt "Voorbij de risico's: keuzes voor een klimaatbestendige leefomgeving". Die titel is veelzeggend, want we zijn inderdaad voorbij de risico's. Sterker nog, ze zijn voorbij de nuance, voorbij de wetenschap en voorbij de democratie. Graag licht ik dit nader toe. Het PBL is geen onafhankelijk wetenschappelijk instituut. Het is een beleidsadviescollege dat zijn rapporten schrijft in opdracht van een kabinet met een vaststaande agenda. Het wordt volledig gefinancierd door en opereert onder verantwoordelijkheid van het Rijk. In het bedrijfsleven zou een reviser die volledig betaald wordt door het bedrijf dat hij controleert, nooit als onafhankelijk gelden. In de politiek heet dat kennelijk wetenschap. De voorzitter: Meneer Russcher, ik moet u even onderbreken: een punt van orde van mevrouw Zalinyan. Mevrouw Zalinyan (PRO): Ik zou wel een punt willen maken van het feit dat het PBL neergezet wordt als een niet-onafhankelijke organisatie. De adviezen die zij geven, geven zij namens hun organisatie. De opdrachten worden inderdaad verstrekt door de Rijksoverheid, maar de onderzoeksresultaten worden niet vanuit het ministerie opgegeven. De voorzitter: Tot zover het punt van orde. Dat is geen vraag aan u, meneer Russcher. U gaat over uw eigen woorden. U vervolgt uw betoog. De heer Russcher (FVD): Een hele korte reactie. Ik lichtte het net al toe: als je volledig wordt gefinancierd door iemand, dan vraag ik me af hoe onafhankelijk je bent. Ik ga verder met mijn betoog. Zo moet klimaatadaptatie meegenomen worden bij het realiseren van de woningopgave. Het gaat om 900.000 woningen waarbij de bouw dus trager en duurder is. Waarom? Omdat een aantal modellen al 100 jaar voorspellingen doen die nooit uitkomen. De aanbeveling is helder: meer regels, meer plannen en meer overheidsingrijpen in de ruimtelijke ordening. Mijn vraag aan de minister is dan ook: waarom behandelen wij beleidsadviezen alsof ze in steen geslagen staan? Terwijl het PBL klimaatscenario's schetst voor over 50 jaar, heeft dit kabinet een probleem dat vandaag bestaat, een probleem dat de maatschappij nu treft. Dat probleem heet de Omgevingswet. De belofte klinkt simpel: tientallen wetten samenvoegen tot één stelsel voor minder bureaucratie, snellere vergunningen en betere participatie. Tweeënhalf jaar na inwerkingtreding is de werkelijkheid een andere: gemeenten werken massaal met een bruidsschat, de tijdelijke noodoplossing die ze bij inwerkingtreding cadeau kregen van het Rijk, alsof het een permanent systeem is. Het was nadrukkelijk bedoeld als overgangsoplossing voor maximaal een paar jaar. Dan de kosten. De totale invoeringskosten van de Omgevingswet lopen overheidsbreed op tot mogelijk 3 miljard euro. 3 miljard voor een systeem dat voor gewone burgers onnavigeerbaar is en waardoor je een adviseur moet inschakelen om te begrijpen wat je op je eigen perceel mag doen. Daarnaast is de BOPA, de afwijkingsprocedure die als uitzondering was bedoeld voor gevallen waarin een volledige planwijziging disproportioneel zou zijn, de standaard geworden. Dit alles wijst erop dat het gewoon niet werkt. Wat is er nog nodig voordat het kabinet erkent dat het fundament van deze wet rot is, vraag ik aan de minister. Voorzitter. Volgende week, op 23 juni, stemt deze Kamer over de Wet versterking regie volkshuisvesting, een nieuwe wet als aanvulling op de Omgevingswet, bedoeld om de woningbouw te versnellen. Het is een wet boven op een wet om een wet te laten werken die niet werkt. Wat zijn de maatregelen in deze nieuwe wet? Beroep in twee instanties wordt teruggebracht naar één, rechtszittingen worden ingekort en wie bezwaar maakt tegen de woningbouw, betaalt voortaan €500 als particulier en €1.000 als rechtspersoon. Dat is de logica van dit kabinet volledig blootgelegd. De Omgevingswet werkt niet snel genoeg, maar in plaats van de vraag te stellen of die wet misschien te complex is, is het antwoord: we beperken de rechtsbescherming van burgers. Dat is een structurele, fundamentele denkfout. Als regulering niet werkt, is het antwoord meer regulering. Als bureaucratie vastloopt, volgt er een nieuwe laag. De overheid probeert haar eigen falen op te lossen met nog meer overheid. Maar wat nu als de werkelijke oplossing te vinden is in minder overheid? De heer Van Asten (D66): Ik zit even te luisteren en ben benieuwd waar dit naartoe gaat. Is dit nou een pleidooi om de hele Omgevingswet uiteindelijk af te schaffen? Ik heb het vooral over het onderdeel bezwaar. Al voordat de Omgevingswet in werking was getreden, waren er natuurlijk al hele lange procedures waarin mensen eindeloos konden traineren voordat een bouwproject door kon gaan. Dat kon zelfs vanuit andere steden gebeuren, simpelweg in de hoop om te worden afgekocht. Met dit soort wetgeving maken we daar eindelijk een einde aan. Kamerbreed lijkt de wens er te zijn om dat nog strakker te maken, zodat alleen de mensen die daadwerkelijk de gevolgen van een bouwproject gaan merken, gehoord worden en voor die mensen een rechtsgang mogelijk is, maar niet voor alle anderen en niet zo lang, zodat we iets aan die woningnood kunnen doen. Ik hoor de heer Russcher daar nu eigenlijk een pleidooi tegenover zetten. Dan is de simpele vraag: wil de heer Russcher nou daadwerkelijk wel of niet de woningbouw versnellen? De heer Russcher (FVD): Allereerst, wij willen wel de woningbouw versnellen. Wij willen geen 1 miljoen woningen bouwen, want, zoals D66 zegt, de helft daarvan, 500.000 woningen, zijn voor migranten. Dat ten eerste. Dan ten tweede. De heer Van Asten (D66): Dit is een persoonlijk feit, voorzitter, want er worden mij woorden in de mond gelegd ... De voorzitter: U wacht even tot ik u het woord heb gegeven. Ik dacht dat u ging interrumperen. Dan was het netjes geweest om de heer Russcher eerst even antwoord te laten geven op uw interruptie. Maar hij heeft een persoonlijk feit. U heeft het woord, meneer Van Asten. De heer Van Asten (D66): Het eerste wat de heer Russcher net doet, is mij woorden in de mond leggen. Hij noemt iets wat D66 gezegd zou hebben, maar ik heb het hier helemaal niet gehad over het aantal woningen of iets dergelijks. Het lijkt me dus wel zuiver om gewoon een discussie te voeren over wat we hier met elkaar wisselen. De voorzitter: Helder. We gaan terug naar de heer Russcher voor de beantwoording van de interruptie. De heer Russcher (FVD): Dat is overigens gewoon officieel kabinetsbeleid. De minister heeft ook vaak aangegeven dat de helft van de woningen gebouwd wordt voor migranten. Punt. Dan uw andere vraag. Bouwvergunningen moeten sneller worden afgegeven. De reden dat dat over het algemeen niet gebeurt, is stikstofbeleid en klimaatbeleid. U had het er ook over dat er geprocedeerd wordt vanuit andere gemeenten en u had het over dat eindeloze rekken. Nee, daar zijn wij ook geen voorstander van. Maar we willen wel voorzichtig zijn met het inperken van de rechten van burgers die zich zorgen maken om een gigantisch woningbouwproject bij hen in de buurt of die met andere zorgen zitten in hun leefomgeving. Ik heb het over het niet aantasten van hun rechten om bezwaar aan te tekenen. Dat is wat ik net ook zei toen ik het had over de €500 die zij gaan betalen als particulier en €1.000 als rechtspersoon. De heer Grinwis (ChristenUnie): Het is natuurlijk volstrekt legitiem dat de heer Russcher dat vindt, maar het is wel inconsistent. Enerzijds waarschuwt hij ons voor de val als er steeds maar weer sprake is van overregulering. Dat snap ik heel goed. Maar anderzijds heeft hij er moeite mee we dat de doorgeslagen bezwaar- en beroepsmogelijkheden wat gaan inperken. Maar is het niet zo, meneer Russcher, dat als je woningen wil bouwen, op dit moment het recht meer de sterken dient dan de zwakken? Ik bedoel dat degene die al een dak boven zijn of haar hoofd heeft, eigenlijk veel beter wordt beschermd dan degene die woningzoekend is. Even los van wie de woningzoekende is: dan is het toch goed dat je, in een land waar de woningnood, ook onder onze jongeren, zo groot is, die woningzoekende iets meer kans geeft en dat je nog eens heel goed kijkt of degene die al dak boven zijn hoofd heeft niet te veel mogelijkheden heeft om bezwaar te maken en in beroep te gaan? De heer Russcher (FVD): Dank voor de vraag. Ik denk dat daar inderdaad een goede balans in moet zijn. Wat betreft te veel regels en te veel regulering: klopt, ik denk dat mensen het ermee eens zijn dat er te veel regels zijn. Volgens mij heb ik dat hier meer gehoord. Wat betreft de bezwaarprocedures: ik vind wel dat als jij ergens al een tijd woont, nog vrij zicht hebt op een weiland, in alle rust en ruimte woont en er mogelijk een enorm flatgebouw tegenover jouw woning wordt gebouwd, waardoor dat alles tenietgaat, je het recht moet hebben om bezwaar aan te tekenen. Ik begrijp ook wat de heer Van Asten net zei, namelijk dat dat niet eindeloos moet gebeuren en dat mensen die daar niet in de buurt wonen, dat niet ook moeten kunnen doen. Ik maak me wel zorgen om de beroepsprocedure die van twee naar één gaat. Vandaar mijn vraag aan de minister. De voorzitter: U heeft nog twee interrupties. Ik zie de heer Van Asten en mevrouw Steen. Eerst de heer Van Asten. De heer Van Asten (D66): Allereerst. Het draaide vrij snel van die 500.000 woningen waar D66 het over gehad zou hebben, naar wat het kabinet zou zeggen. Ook dat is niet waar. Ook het kabinet draagt dat helemaal niet uit. Ik denk dus dat dat toch iets te veel in het hoofd zit van de heer Russcher zelf. Fijn als hij dat dadelijk nog wel even kan bevestigen. Ik wil nog iets anders vragen. Steunt Forum voor Democratie, om ervoor te zorgen dat omwonenden daadwerkelijk wel die stem krijgen, een voorstel om ervoor te zorgen dat mensen zich bij de gemeenteraad moeten melden om die zorgen af te laten wegen in plaats van eindeloze bezwaargangen te maken? De heer Russcher (FVD): Dat lijkt mij een stap in goede richting, zeker. Mevrouw Steen (CDA): Ik deel heel erg het pleidooi dat, op het moment dat jij een flatgebouw in je voor- of achtertuin krijgt, je daar gewoon een rechtsgang voor moet kunnen hebben. Maar het is gewoon zo dat heel vaak inwoners, burgers, bezwaar maken, beroep aantekenen, niet goed begrijpend wat hun recht eigenlijk is. We zien best wel veel van dit soort procedures spaak lopen bij de rechter, omdat mensen niet belanghebbend zijn of hun belang eigenlijk er niet toe doet, terwijl het uiteindelijk wel die procedures verlengt. Is het niet zo, vraag ik aan de heer Russcher, dat weten waar je aan toe bent, ook een vorm van rechtsbescherming is waar je burgers eigenlijk mee wil helpen? We weten namelijk ook: op het moment dat je bezwaar of beroep aantekent, kun je dat doen zonder advocaat, zonder juridische bijstand. Mensen doen dat vaak omdat ze echt uit de grond van hun hart zich ergens zorgen over maken. Moeten we dat niet veel beter regelen aan de voorkant, zodanig dat ze weten waar ze aan toe zijn en niet onnodig voor kosten komen te staan om bezwaar te maken of om beroep aan te tekenen en heel lang in onzekerheid zitten over wat hun recht eigenlijk is? We weten aan de voorkant namelijk eigenlijk heel goed wat hun recht is, alleen, zijzelf niet. Moeten we hen niet veel beter beschermen tegen een onnodige beroeps- en bezwaargang door deze procedure veel helderder en korter te maken? De voorzitter: Kortere procedures, maar ook kortere interrupties, alstublieft. De heer Russcher (FVD): Ik denk dat ik me kan vinden in de vraag -- het was meer een betoog, eigenlijk -- van mevrouw Steen. Ik denk ook dat het voor mensen veel helderder moet zijn. Het liefst heb je dan natuurlijk ook dat er geen twee procedures nodig zijn. Daar ligt, denk ik, ook een taak voor de overheid, wellicht voor de gemeenteraad en het lokaal bestuur. Daar ben ik het dus mee eens. De voorzitter: U was nog met uw betoog bezig, geloof ik. U vervolgt. De heer Russcher (FVD): Afrondend, voorzitter. Partijen hier geloven dat de overheid het beter weet, dat de overheid bepaalt wat er gebouwd mag worden, waar mensen mogen wonen en hoe grond gebruikt mag worden op basis van modellen die gesubsidieerde adviesbureaus opstellen. Forum voor Democratie gelooft dat de beste beslissingen over de inrichting van de leefomgeving worden genomen door mensen die daar zelf in leven, niet door planologen, klimaatbureaus en wetten boven op wetten. Wij geloven dat eigendomsrecht en lokale gemeentelijke autonomie geen gunst zijn van de overheid, maar een fundamenteel goed, en dat het de taak is van de overheid om dat te beschermen. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan we naar mevrouw Wiersma namens de BBB. Mevrouw Wiersma (BBB): Dank, voorzitter. Nederland is geen tekentafel; het is een leefomgeving. Juist daarom wringt het zo dat op papier de plannen vaak kloppen, maar dat ze in de praktijk vastlopen. Mensen merken dat elke dag. Ze zien plannen, visies en kaarten, maar ze wonen ondertussen in onzekerheid over wat er in hun omgeving gebeurt en wanneer en hoe er daadwerkelijk iets verandert. Door het lid Grinwis is Moerdijk al benoemd. We hebben daar binnenkort een debat over, maar mensen zijn hier ook, waarvoor dank. Ik wil daar toch wat over zeggen. Het is een regio die al jarenlang in onzekerheid verkeert. Een definitief besluit zou eigenlijk vorig jaar november genomen worden. Dat werd uitgesteld naar later deze maand. De laatste berichten wijzen uit dat ook dit besluit toch weer wordt uitgesteld. Voorzitter. De regio is echt toe aan duidelijkheid. Maar laten we eerlijk zijn: ze zijn niet alleen toe aan duidelijkheid, maar vooral aan perspectief. "Waar zijn we nu aan toe? Hoe ziet onze toekomst eruit?" Ik noem ook het behoud van hun leefomgeving. Als je namelijk iemand op de rand van de afgrond zet en je zegt "ik ga je erin gooien", dan ben je heel duidelijk. Maar dat wil niet zeggen dat die persoon dat fijn vindt. Die heeft namelijk veel meer behoefte aan dat niet mee te hoeven maken, dan aan de duidelijkheid over waar hij terechtkomt. Daarom is BBB voorzichtig positief dat het kabinet nu ook opties overweegt waarbij Moerdijk behouden blijft. Tegelijkertijd moet het kabinet de daad bij het woord voegen en de inwoners van de regio niet opnieuw een worst voorhouden. Dat betekent dus ook juridische zekerheid geven over waar ze aan toe zijn, want met luchtkastelen is niemand geholpen. We snappen dat het hoofdzakelijk de portefeuille is van de staatssecretaris van KGG, maar we hebben toch een aantal vragen over de verantwoordelijkheid van deze minister. Hoe gaat deze minister er namelijk als coördinerend minister voor zorgen dat er geen valse verwachtingen worden gewekt in de regio als we door blijven gaan met een route om Moerdijk te behouden? Hoe borgt de minister dat er ondertussen geen landjepik gaat ontstaan in de ruimtevragen van die regio? BBB is bang voor een soort verdeel-en-heersscenario waarbij het Rijk minder regie pakt om het dorp te behouden en waardoor de leefbaarheid van de regio in het geding komt. Dat mag niet gebeuren. Graag een reactie van de minister. De heer Grinwis (ChristenUnie): Ik kan me best goed vinden in de bijdrage van mevrouw Wiersma. Ik zet een dikke streep onder haar oproep dat perspectief het allerbelangrijkste is. Maar zit er ook niet een soort van spanning? Mevrouw Wiersma was namelijk tot niet zo heel lang geleden zelf bewindspersoon en had ook te maken met deze casus, niet als bewindspersoon zelf, maar wel als collega van. Kan het worden waargemaakt door eerst een stapje te zetten met een paar kabels en een paar dingetjes op het terrein van KGG en de rest niet mee te nemen in de besluitvorming? Als je het dan holistisch, in zijn geheel, bekijkt, en niet alleen naar een of twee jaar kijkt, maar naar twintig jaar, komen dan zowel de Moerdijkers als de mensen in de andere dorpen van de gemeente Moerdijk niet enorm op de koffie, doordat deze brief nu op deze manier naar buiten wordt gefietst? Waarom is BBB dan positief, want ze ziet toch ook wel de schaduwzijde hiervan? Mevrouw Wiersma (BBB): Ja, zeker. Dat is ook het hele spanningsveld waar je in zit. Mijn partij heeft er nooit een geheim van gemaakt dat wij tegen het opheffen van een heel dorp en een hele leefgemeenschap zijn. Tegelijkertijd heeft het kabinet forse ambities wat betreft de energietransitie en dergelijke. Dat zal ergens moeten landen. Daarom ga ik in mijn bijdrage ook in op het behoud van de kwaliteit van de leefomgeving. Als er toch weer een ander scenario op tafel komt, zoals recent gebeurde, dan moet dat niet die worst zijn die wordt voorgehouden, zoals ik het net noemde, maar moeten er ook bepaalde juridische waarborgen bij komen. Er moet dus boter bij de vis over wat het betekent voor die mensen, zodat inderdaad niet achteraf, over twintig jaar, alsnog blijkt dat ze met een ander scenario beter uit geweest waren. Maar vooropgesteld, wij zijn tegen het opheffen van Moerdijk als dorp. De voorzitter: Nog een korte interruptie van de heer Grinwis. De heer Grinwis (ChristenUnie): Is deze brief, waar mijn collega in eerste instantie wel begrip voor heeft, dan niet gewoon heel fout geweest? Hij biedt namelijk totaal geen zekerheid, geen garantie en geen waarborg dat er achter dit kamelenneusje toch nog een hele kameel zit. Uiteindelijk help je de bewoners van Moerdijk dus niet, maar leg je de rekening potentieel voor een heel groot deel in de gemeente Moerdijk neer en raakt het 17.000 andere bewoners en nog heel veel landbouwgrond en boeren, waar ik nog niks over gezegd heb. Is dat wel eerlijke besluitvorming en een eerlijke brief? Is dit nou leiderschap? Mevrouw Wiersma (BBB): Volgens mij gaat de kern van mijn bijdrage ook over de vraag of er een worst wordt voorgehouden. Ik ga ervan uit dat er bij het versturen van zo'n brief aan de achterkant heel goed nagedacht wordt over wat de mogelijkheden zijn. Ik hoor ook graag van het kabinet hoe het dat ziet, of het boter bij de vis gaat doen en wat daar de onderbouwing van is. Het moet namelijk niet zo zijn dat je achteraf gezien, vanwege de stapeling van opgaves die daar alsnog gaan landen, nu beter een bepaalde knoop door had kunnen hakken. Dat staat los van het feit dat wij tegen het opheffen van een dorp als Moerdijk in zijn geheel zijn. Voorzitter. Volgens mij mag ik vervolgen. Ik heb nog een casus die ik hier eigenlijk wil aanhalen. Ik weet dat we over landelijk beleid gaan en niet over casussen, maar ik denk dat een situatie heel duidelijk maakt hoe dingen in de praktijk uitwerken. Dit gaat over het Kustpact. De ruimtelijke ordening gaat natuurlijk niet alleen over bouwen, maar ook over beschermen wat Nederland zo bijzonder maakt. Onze kust is daar een duidelijk voorbeeld van. Het Kustpact laat ook zien dat er een balans mogelijk is: ruimte voor ontwikkeling, maar met duidelijke grenzen en met oog voor landschap en natuur. Dat is mooi. Tegelijkertijd krijgen we ook signalen dat ontwikkelingen in de kustzone vastlopen in procedures en regelgeving, ook als die ontwikkelingen aantoonbaar bijdragen aan de doelen van het Kustpact en het beschermen van de duinen en de waterkering. Nu kom ik op het concrete voorbeeld van Bernie's Beach in Zandvoort. Er zijn daar grote ambities van ontwikkelaars en investeerders om te gaan ontwikkelen, maar door het nieuwe beleid van de overheid wordt dit eigenlijk praktisch onmogelijk gemaakt. Waar vroeger op grond van het Rijk erfpachtovereenkomsten van vele jaren mogelijk waren, is nu een huurcontract van maximaal tien jaar het hoogst haalbare. Het argument is dat het gebruik van grond in de kustzone flexibel moet blijven voor eventuele veranderingen, terwijl deze ontwikkelingen juist bijdragen aan de doelen van het Kustpact en het versterken van de waterkering. Het probleem van dat soort tijdelijke huurovereenkomsten is dat er over tien jaar geen grote investeringen terug te verdienen zijn en dat daardoor deze investeringen, die juist extra bijdragen, niet rendabel zijn. Daarover heb ik een tweetal vragen aan de minister. Is zij bereid met deze ontwikkelaars in gesprek te gaan, om kennis te nemen van de knelpunten waar zij tegen aanlopen bij dit soort, volgens mij, gewenste ontwikkelingen? Ik wil de minister ook vragen of zij bereid is om te kijken hoe er anders omgegaan kan worden met de ontwikkelingen in de kustzone, zeker als ze aantoonbaar bijdragen aan de doelen van het Kustpact. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door weer erfpachtovereenkomsten voor twintig jaar of langer uit te geven. Ik weet dat dit niet per se over ruimtelijke ordening gaat, maar we hebben het er nu toch over. Voorzitter, tot slot. We kunnen lang blijven praten over visies, systemen en modellen, maar Nederland wacht natuurlijk op de uitvoering. Daarom is onze oproep aan de minister: minder systeem en meer resultaat. Dank u. De voorzitter: Dank u wel. Dan is het woord aan de heer De Groot namens de VVD. De heer Peter de Groot (VVD): Dank u wel, voorzitter. Nederland is een land vol met ambities. Het heeft ons gebracht naar waar we nu staan. Ook op het ruimtelijk domein durven we groots te denken over de grote opgaven die er zijn; kijk alleen al naar het inpolderen van de Flevopolder of de bescherming van Zeeland. We willen woningen bouwen, onze economie laten groeien, onze energievoorziening versterken, investeren in bereikbaarheid, ruimte maken voor defensie en tegelijkertijd zorgvuldig omgaan met natuur, water en het landschap. Ga er maar aan staan, zou ik willen zeggen. Dat is precies wat deze minister moet doen, ook nog met het motto "het kan wél" of "aan de slag". Tot zover de slogans. Voor de VVD is het volgende belangrijk. Eigenlijk is één vraag leidend. Hoe zorgen we ervoor dat Nederland ook in de toekomst een veilig, welvarend en internationaal concurrerend land blijft? Kijk bijvoorbeeld eens naar de havens in Rotterdam, Amsterdam of Zeeland, of naar onze luchthaven Schiphol. We moeten daar zuinig op zijn en we moeten die koesteren, omdat die ons heel veel welvaart hebben gebracht. Ruimtelijke sturing moet volgens mijn fractie niet alleen gaan over een kaart van Nederland in de Nota Ruimte, maar we moeten het ook hebben over hoe we die naar de praktijk vertalen, vanuit de visie die we hebben voor de toekomst van Nederland. Voorzitter. De eerste prioriteit is economische kracht, want Nederland verdient zijn geld met sterke economische clusters als onze zeehavens, industriegebieden, logistieke knooppunten, energiehubs en digitale infrastructuur. Juist deze gebieden staan steeds meer onder druk van andere ruimteclaims. Ook woningbouw en Defensie vragen ruimte. Maar als we economische ruimte steeds verder wegdrukken, ondergraven we uiteindelijk de basis van onze welvaart. Daarom vraag ik aan de minister hoe het staat met de waarborgen in de Nota Ruimte om de ontwikkelruimte voor economische clusters op de lange termijn te behouden. Hoe staat het met niet alleen het behouden, maar ook het verder vergroten ervan door kansen zoals in de initieerregio Emmen in het ruimtelijke plan op te nemen? Ik wil toch even bij het volgende stilstaan. Als je dit doet, leidt dat onherroepelijk tot verdringing. Dat zien we bij Moerdijk. Een heel aantal collega's hebben daar al aandacht voor gevraagd. Er zitten hier mensen op de publieke tribune. Ik ga niet al die vragen overdoen, maar ik zou wel de minister willen oproepen om met de gemeente en de provincie in gesprek te gaan om dit proces samen te doen. Zet er ook tijd achter. Mensen wachten namelijk al lang en willen gewoon helderheid. Dat is waar het over gaat. Voor de rest hebben andere collega's daar al goede vragen over gesteld. Het is altijd jammer als je met de heer Grinwis in een debat zit, want ik ga nu een betoog houden over landaanwinning, maar dat hele stuk is eigenlijk al voor mijn voeten weggemaaid. Maar ik ga toch nog een stukje proza geven hier. Nederland heeft namelijk een rijke geschiedenis van landaanwinning, innovatie en vooruitdenken. Dat moeten we ook doen. We moeten die ambitie niet loslaten. De VVD wil daarom het gesprek voeren over de uitbreidingsmogelijkheden op zee, voor de derde Maasvlakte, of aan randen van de bestaande gebieden. Denk dan bijvoorbeeld aan uitbreidingen rondom de Flevopolder; de heer Grinwis had het er ook al over. Denk aan Delta21, Maasvlakte 3 en ga zo maar door. Wij denken dat die nieuwe mogelijkheden ook ruimte bieden die nodig is voor Defensie. Is de minister daarom ook echt bereid om dergelijke toekomstscenario's expliciet mee te nemen in de definitieve Nota Ruimte? Welke economische clusters kunnen daar dan bijvoorbeeld op gehuisvest worden, bijvoorbeeld energieclusters die nodig zijn? De VVD zou het dus graag gekoppeld willen zien aan de uitdagingen die we hebben, zodat we weten waar we het voor gebruiken en hoe we het economisch kunnen terugverdienen als we het doen. Voorzitter, dan Defensie. De VVD staat volledig achter de noodzakelijke uitbreiding van onze krijgsmacht. De wereld is veranderd en Nederland moet zijn veiligheid echt serieus nemen. Dat vraagt om oefenterreinen, kazernes en militaire infrastructuur. Tegelijkertijd staan we voor een enorme woningbouwopgave. Daarom de volgende vraag aan de minister. Hoe voorkomt zij dat woningbouw en Defensie onnodig tegenover elkaar komen te staan? Ik weet dat de minister een historie heeft in zowel de nota Ruimte voor Defensie als de huidige Nota Ruimte. Ik zou dat dus graag op elkaar willen zien. Ik zou ook wel graag willen zien waar zij mogelijkheden ziet om woningbouw juist dichtbij Defensielocaties te realiseren. Dan nog wat over woningbouw. Ik sla mijn hele stuk over procedures over, want daar hebben de collega's in het debat al heel veel vragen over gesteld. Dan blijft er nog een ander onderwerp over woningbouw over, namelijk woningbouwlocaties. De VVD vindt dat we nadrukkelijker moeten kijken naar grootschalige buitenstedelijke woningbouwlocaties. Daar is het in andere debatten ook over gegaan. Er zijn zinnen over opgenomen in het coalitieakkoord. Het is dat binnenstedelijk bouwen belangrijk blijft, maar alleen als we daarmee doorgaan én extra grootschalige woningbouwlocaties toevoegen, lossen we de woningnood op. De vraag aan de minister is welke locaties zij kansrijk acht voor uitbreiding. Ik heb namens de VVD al eerder locaties ingebracht: Amersfoort-Noord, Nijkerk-Zuid, Zwolle, Velperpoort, Amsterdam-Noordnoord en ga zo maar door. Waar kijkt de minister nu naar? Mevrouw Wiersma (BBB): Ik ben heel benieuwd hoe de VVD hiernaar kijkt. Mijn partij is natuurlijk van oudsher een agrarische partij. Landaanwinning werd in het verleden vaak gedaan voor landbouw, dus wij zijn voorstander van landaanwinning. Maar als het bijvoorbeeld gaat over die derde Maasvlakte waarover de heer De Groot het heeft, dan zien wij ideeën van het kabinet naar buiten sijpelen met de intentie om de hele noordkust als Natura 2000-gebied te gaan aanwijzen. We weten op voorhand dat dit ontwikkelingen daar heel ingewikkeld gaat maken. Ik ben wel even heel benieuwd of de VVD dat dan ook niet zo'n verstandig idee vindt. De heer Peter de Groot (VVD): Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat niet helemaal goed kan beoordelen. Ik denk wel dat in onze rijke traditie van het uitbreiden van de Maasvlakte het Delta21-plan dat er nu ligt, realiseerbaar moet zijn met de eventueel benodigde compensatie. Maar ik denk niet dat het goed is als heel Nederland … Kijk, als je kijkt naar stikstof, zit heel Nederland op slot. Daar moeten we vanaf. Ik houd in de debatten juist een pleidooi om naar de toekomst te kijken. De heer Grinwis had het er ook al over. We moeten wel durven. We moeten niet alleen in het heden blijven zitten, maar ook echt verder kijken naar de toekomst, naar welke ontwikkelingen we mogelijk kunnen maken. En ja, daar horen keuzes bij; dat ben ik helemaal met u eens. De voorzitter: U vervolgt. De heer Peter de Groot (VVD): Voorzitter. Ik ga als laatste nog even iets zeggen over vakantieparken. Ik zet me al een jaar of vier in voor de transformatie van recreatieparken die aan de juiste voorwaarden voldoen. Ze kunnen een bijdrage leveren aan de woningvoorraad. Heel eerlijk: er is nog steeds niet echt voortgang op dit dossier, ondanks diverse aangenomen moties. Daarom vraag ik aan de minister hoe het staat met de voortgang van de transformatie van kansrijke recreatieparken. Gaat zij gemeenten bestuurlijk dwingen om deze kansen daadwerkelijk te benutten? Vooral op dat laatste punt zou ik graag expliciet antwoord van de minister willen krijgen. Voorzitter, ik ga afronden. Ruimtelijke ordening vraagt om keuzes, maar het vraagt ook om ambitie. De VVD kiest voor een Nederland dat bouwt, onderneemt, investeert in veiligheid en ruimte houdt voor economische groei. Ik zie uit naar de beantwoording van de minister. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Mooiman namens de PVV. De heer Mooiman (PVV): Dank u wel, voorzitter. We hebben het vandaag over de ruimtelijke ordening, een belangrijk onderdeel van de puzzel om te komen tot oplossingen voor de grote uitdagingen waar we voor staan. Wat de PVV betreft dient ons ruimtelijkeordeningsbeleid ons allereerst in staat te stellen tot het halen van de doelstelling van 100.000 woningen per jaar. Woningbouw binnen de stad, buiten de stad, klein- en grootschalig: we zullen het allemaal nodig hebben om de woningcrisis effectief tegen te gaan. Daarom is het goed dat de minister het belang van de woningbouwopgave verder verankerd in de volgende fase van de Nota Ruimte. De Kamer heeft daar de afgelopen maanden op meerdere manieren toe opgeroepen. We zijn positief over de wijze waarop de minister aangeeft invulling te willen geven aan een aantal van onze moties die zijn aangenomen. De urgentie die we, denk ik, met z'n allen voelen op dit dossier moet worden omgezet naar in de praktijk bruikbaar beleid waarvan de uitvoering vervolgens ook bewaakt wordt door deze minister. In dat kader wil ik nog even terugkomen op de discussie die we recent hebben gehad over de provincie Zuid-Holland. We waarderen de brief van de minister aan Provinciale Staten die aan de provincie is verzonden. We zien dat dit tot actie heeft geleid. Daarmee is wat ons betreft invulling gegeven aan de motie die we hieromtrent hebben ingediend. Het uiteindelijke resultaat telt. Desondanks blijft het van groot belang dat de minister scherp monitort in hoeverre en op welke wijze invulling wordt gegeven aan de nationale ambities die we hier met elkaar vaststellen, en of de ruimte die we creëren voor gemeenten om aan de slag te gaan niet wordt belemmerd of beperkt door tussenlagen zoals provincies. De discussie roept ook de vraag op in hoeverre afspraken die het Rijk maakt met andere overheden serieus worden genomen. Want als de provincie Zuid-Holland afspreekt om 248.000 woningen te realiseren tot 2030 en er vervolgens 68.000 worden gebouwd, maar er ook beleid wordt gevoerd dat woningbouw op allerlei manieren beperkt, frustreert en belemmert, dan kun je je sterk afvragen of de wil er wel is om die afspraken na te komen. Hoe gaat de minister dit in het vervolg beter monitoren en op welke momenten zegt zij: dit kan niet? Is de minister het met ons eens dat het zicht hierop beter zou kunnen? We zien de aangenomen motie omtrent de uitvoeringsstrategie in de Nota Ruimte overigens als onderdeel hiervan. Voorzitter. Recent is door de Kamer ook een motie aangenomen ten aanzien van het borgen van de continuïteit van de grondstoffenwinning voor woningbouw. Het is belangrijk dat hierop wordt ingezet om problemen in de toekomst te voorkomen. Tegelijkertijd heeft ook dit onderwerp natuurlijk een relatie met de Nota Ruimte. Is de minister van plan om, eventueel in samenspraak met haar collega-bewindspersonen van IenW, ruimte voor bouwgrondstoffenwinning concreet te gaan borgen binnen de Nota Ruimte? Dan wil ik het ook graag hebben over Moerdijk. Laat duidelijk zijn dat wat de PVV betreft Moerdijk behouden dient te worden en niet hoeft te wijken voor ambities omtrent de energietransitie. Maar de verschillende overheden die zich met deze situatie bezighouden, zijn allesbehalve duidelijk. Wat gaat het nu worden, waarom en hoe? Ook deze minister heeft natuurlijk een verantwoordelijkheid vanuit haar coördinerende functie op het gebied van ruimtelijke ordening. We zouden graag meer toelichting van de minister willen ten aanzien van deze casus dan dat zij in haar brief van eind mei heeft gegeven. Voorzitter. Dan nog een aantal andere onderwerpen ten aanzien van het gebruik van de ruimte. De Kamer heeft met enige regelmaat aandacht gevraagd voor de vestiging van grote energievragers zoals datacenters; het is zojuist ook even langsgekomen. Deze zijn weliswaar belangrijk voor de digitalisering, maar vragen ook heel veel ruimte en heel veel elektriciteit. Is de minister het met ons eens dat locaties voor datacenters moeten passen bij de beschikbare en toekomstige netcapaciteit en dat dit ontwikkelingen zoals woningbouw en bedrijvigheid niet moet belemmeren? Tot slot wil ik het nog hebben over de Omgevingswet zelf. De VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen waarschuwen voor problemen binnen het stelsel, bijvoorbeeld waar het gaat om het DSO. Meer dan twee jaar na de inwerkingtreding voldoet het DSO nog niet aan de afspraken van het basisniveau en ook niet aan de verwachtingen van gebruikers en de daaruit volgende dienstverlening, die wel nodig wordt geacht. Hoe kijkt de minister naar deze problematiek? Hoe wil zij aansturen op het kunnen voldoen aan het basisniveau en de verdere verbetering van het DSO? Tot zover, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Dan wil ik mevrouw Zalinyan vragen om het voorzitterschap even over te nemen van mij, zodat ik mijn eigen inbreng kan doen. Voorzitter: Zalinyan De voorzitter: Dat is natuurlijk goed. Ik geef het woord aan de heer Clemminck voor zijn eerste termijn. De heer Clemminck (JA21): Dank u wel, voorzitter. Het voordeel als je als laatste bent, is dat je kunt putten uit de goede vragen die al zijn gesteld. Ik kan dus een aantal stukken uit mijn tekst overslaan. Ik had namelijk wat willen zeggen over Emmen, maar ik denk dat de heer De Groot dat met de juiste vragen al bij de minister heeft gelegd. Ik had ook een stukje over de tekorten van de procedure, maar ik kan mij eigenlijk wel aansluiten bij de opmerkingen van de heer Van Asten. Voorzitter. Dan wil ik het nog wel hebben over de Omgevingswet, want met de Omgevingswet komt er ook een zorgplicht voor de fysieke leefomgeving te liggen bij de initiatiefnemer. Als de initiatiefnemer redelijkerwijs kan vermoeden dat een activiteit negatieve gevolgen heeft voor de leefomgeving, is hij verplicht om maatregelen te nemen om schade te voorkomen of te beperken, of zelfs de activiteit te staken. Het gaat vaak om zaken die direct kunnen leiden tot overlast voor omwonenden; denk aan een verkeerssituatie, geluidsoverlast, stof- en afvalophoping en trillingen. Hoe werkt dat toezicht en die handhaving door gemeenten en provincies van deze zorgplicht eigenlijk? Kan de minister aangeven of zij een beeld heeft van de invulling van en het toezicht op deze algemene zorgplicht, bijvoorbeeld van de aantallen maatregels, dwangsommen en lasten onder bestuur? Voorzitter. Dan Moerdijk. De doldwaze energietransitie zorgt voor een lege portemonnee voor Nederlanders en bedrijven die hun productie en daarmee ook hun werkgelegenheid verplaatsen. Nu zijn ook zo ongeveer 1.150 inwoners van de gemeenschap Moerdijk mogelijk de klos, slachtoffer van een energietransitie. Mogelijk veegt dit kabinet een heel dorp van de kaart. Maar nu al zijn de Moerdijkers slachtoffers van een proces. Wel verdwijnen, toch niet. Nu een besluit, toch weer even niet. Een wethouder zegt zus, een gedeputeerde zegt dit en een kabinet doet dat. De ongelofelijke puinhoop die het kabinet maakt van dit dossier zorgt voor stress bij inwoners: uitgestelde beslissingen over de toekomst, waardedaling van de woningen en vertrekkers en achterblijvers die in onzekerheid blijven. Tot twee keer toe hebben de inwoners deze minister uitgenodigd voor een bezoek aan Moerdijk, een gesprek, een blik in de ogen. Tevergeefs. Ik roep de minister dan ook op om toch naar Moerdijk te gaan, het liefst nog voor het plenaire debat dat nog gepland gaat worden. Kan de minister dat toezeggen? De toekomst van Moerdijk kan niet alleen worden overgelaten aan de staatssecretaris van KGG; een aantal collega's hebben dat ook al aangegeven. Ook deze minister heeft coördinerend een verantwoordelijkheid als het gaat om het dossier van Moerdijk. Deze oproep doen ook alle partijen in de gemeenteraad van Moerdijk. De minister schrijft in haar meest recente brief dat ze waarde hecht aan een zorgvuldig besluit ten aanzien van Moerdijk, een "zorgvuldig besluit". Acht de minister het huidige proces "zorgvuldig"? Ik kan me dat eigenlijk haast niet voorstellen. Het huidige proces is een klucht geworden, eigenlijk een rechte schande. "Het kan wél" is een slogan die vaak wordt aangehaald rondom dit kabinet, maar mijn conclusie is dat het kabinet eigenlijk zegt: het kan gewoon niet, een goed zorgvuldig proces. Graag een reactie van de minister. In maart werd een motie van JA21 aangenomen. Daarin is vastgelegd dat de ruimte-efficiëntie bij keuzes ten aanzien van de energietransitie en de energiemix sturend moet zijn in de Nota Ruimte, om de ruimtelijke impact van de energietransitie in te perken. De motie spreekt heel bewust van "sturend", zoals dat ook voor water en bodem wordt gebruikt in de Nota Ruimte. De minister geeft in haar recente brief uitgebreid aan hoe zij water en bodem sturend als richtinggevend principe wil opnemen. Kan de minister aangeven hoe zij opvolging wil geven aan deze motie van JA21? Gaat zij dat op dezelfde manier doen als zij dat heeft gedaan in de Nota Ruimte met water en bodem sturend? Wat betekenen deze motie en de gedachte achter deze motie, energie-efficiënt ruimtelijk plannen, eigenlijk voor de toekomst van Moerdijk? Voorzitter, ik rond af met brede welvaart. De toekomst van Moerdijk zet je ook aan het denken over het concept "brede welvaart". Je kunt bijna geen beleidsnotitie of adviesrapport meer vinden waarin je niet de woorden "brede welvaart" als begrip, als leidend principe tegenkomt. In de Nota Ruimte is dat zevenmaal. "Brede welvaart" is een vaag begrip, met een zweem van objectiviteit. Dat is het natuurlijk niet. Het wordt veelal gebruikt om linkse ideeën te rechtvaardigen. Zo organiseerde de Universiteit van Tilburg, of zoals ze daar liever zeggen "Tilburg University", een college met als titel Brede welvaart: grenzen aan het kapitalisme. Het Centraal Planbureau organiseerde een symposium over leven binnen planetaire grenzen en de gevolgen voor brede welvaart. Het woord "migratie" kwam je in dat programma dan weer niet tegen, wel "klimaat", "natuur" en "duurzaamheid". Kan de minister aangeven wat ze zelf verstaat onder "brede welvaart", aangezien ze het zeven keer gebruikt in de Ontwerp-Nota Ruimte? Onderkent ze dat het concept niet politiek neutraal is? Is de minister bereid om de term gewoon weer te schrappen en ook niet meer te gebruiken bij haar verdere beleidsontwikkeling? Voorzitter, tot zover. Dank u wel. De voorzitter: Ik dank de heer Clemminck. Ik geef u bij dezen het voorzitterschap weer terug. Voorzitter: Clemminck De voorzitter: Dank u wel. Dan kijk ik naar de minister. Hoeveel tijd heeft u nodig? Minister Boekholt-O'Sullivan: 30 minuten, alsjeblieft. De voorzitter: Dank u wel. Dan schors ik de vergadering voor 30 minuten. Wij starten weer om 16.10 uur. De vergadering is geschorst. De vergadering wordt van 15.38 uur tot 16.12 uur geschorst. De voorzitter: Ik heropen de vergadering van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Wij zijn toe aan de eerste termijn van de kant van de minister. Ik verzoek de leden weer plaats te nemen. Ik stel voor dat wij zes interrupties toestaan, maar wel kort zoals altijd. Mijn voorstel zou zijn om dat ook gewoon te doen op het moment dat u dat nodig vindt, dus niet te wachten tot na een blokje, maar gewoon op het moment dat u dat nodig acht. Akkoord? Dan gaan we dat zo doen. Dan geef ik het woord graag aan de minister. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dank u wel, voorzitter. Ik ben inmiddels bijna vier maanden minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. In die periode heb ik al heel wat plekken in ons land bezocht, soms op verzoek van u en soms ook omdat ik zelf iets had gelezen waarvan ik dacht "ik wil het graag met mijn eigen ogen zien", van binnenstedelijke bouwlocaties tot regio's waar er juist ruimte lijkt te zijn. Het valt mij telkens op dat de ruimtelijke ordening misschien een abstract begrip lijkt, maar dat mensen de gevolgen ervan iedere dag ervaren: in hun woning, onderweg naar hun werk of in de kwaliteit van hun buurt. De keuzes die wij op de kaart maken, worden kortom zichtbaar in het dagelijks leven van mensen. Het is belangrijk om daarvan doordrongen te zijn en te blijven, zeker in het licht van alle besluiten die we met elkaar te nemen hebben. Nederland is klein: 41.864 vierkante kilometer. Zonder files rijd je in nog geen twee uur van west naar oost en in nog geen drie uur van noord naar zuid. Op dat kleine stukje aarde moeten we heel veel opgaven een plek geven: woningen, energie, industrie, natuur, water, mobiliteit. Dat gaat niet vanzelf. Dat vraagt om regie. Het vraagt om keuzes: waar kan wat? Het vraagt ook om samenwerking tussen het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen. Als we dat goed doen, ontstaan er mooie kansen. Dan kunnen we functies slim combineren en halen we meer uit een gebied. Maar als we het niet goed doen, creëren wij problemen. Dan benutten we de ruimte niet optimaal of maken we keuzes die later moeilijk terug te draaien zijn. Voorzitter. Laat ik een voorbeeld noemen. We willen 1,6 miljoen woningen realiseren. Daar moeten we ruimte voor vinden, maar die woningen moeten ook kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet, er moet voldoende drinkwater beschikbaar zijn en ze moeten bereikbaar zijn. Ook moeten we voorkomen dat we bouwen op plekken waar bodemdaling, wateroverlast of vervuiling voor problemen zorgen. Met andere woorden: we kunnen niet overal zomaar bouwen. Je wilt niet dat de keuzen die je nu maakt over 20 of 30 jaar de problemen van een volgende generatie worden. Juist daarom hebben wij de verplichting om vooruit te kijken. Een ander voorbeeld is onze industrie. Die hebben we hard nodig voor onze economie, voor onze strategische autonomie en voor de verduurzaming van Nederland. Maar ook die vraagt ruimte, en misschien wel extra, zodat zij in de toekomst eventueel kan uitbreiden. Tegelijkertijd willen we een gezonde leefomgeving behouden. Dat vraagt om keuzes over waar industrie zich kan ontwikkelen en waar niet, om duidelijke keuzes over waar industrie kan clusteren, zodat we in andere delen van het land een gezonde leefomgeving behouden. Ook hier geldt: de ruimte is schaars. Je moet dus kiezen, koppelen en concentreren om de kwaliteit te behouden. Tijdens mijn werkbezoeken heb ik gelukkig ook gezien dat dit in de praktijk gebeurt, dat we keuzes op de juiste manier maken en zo koppelkansen en potentieel ten volle benutten. Zo bezocht ik onlangs Eindhoven. Wat mij daar opviel, was het vertrouwen waarmee partijen samen aan de stad werken. Ik zag onder meer Knoop XL, een grootschalige herontwikkeling rond het station Eindhoven, waar woningbouw, infrastructuur en stedelijke ontwikkeling samenkomen. Dat bezoek liet zien wat er mogelijk is als je opgaven integraal benadert en als overheden en private partijen samen optrekken. Zo bezocht ik ook Emmen, mede naar aanleiding van een motie van uw Kamer. Ik ben onder de indruk van de energie die ik daar aantrof van bestuurders, ondernemers, onderwijsinstellingen en inwoners, die niet afwachten maar kansen zien en die willen verzilveren. U kent mijn zorgen over het wijzigen van de v van versterken naar de i van initiëren. Die zorgen zijn niet volledig verdwenen, maar ik heb gezien welke kansen daar ontstaan. De Nedersaksenlijn vormt bijvoorbeeld een belangrijke impuls voor nieuwe ontwikkeling, waaronder de samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen voor een nieuwe campus. Daarnaast biedt de strategische ligging van Emmen als schakel in het goederenvervoer tussen Rotterdam, Noord-Duitsland en Scandinavië kansen voor logistiek, bedrijvigheid en ook werkgelegenheid. Het maakt mij duidelijk dat wonen, werken en bereikbaarheid elkaar kunnen versterken als je de juiste keuzes maakt. Voorbeelden als Eindhoven en Emmen inspireren mij, vooral de mensen, omdat ze laten zien wat er mogelijk is als mensen, bedrijven en overheden samen aan een gebied bouwen. Dan gaat ruimtelijke ordening niet over kaarten, niet over contouren en niet over beleidsstukken. Dan gaat het over de vraag waar mensen straks kunnen wonen, werken en ondernemen en hun kinderen kunnen en willen laten opgroeien. Daarom vind ik het zo belangrijk om de Nota Ruimte af te gaan ronden. Die is namelijk het antwoord op de vraag: hoe willen we dat gaan organiseren als land? In de Nota Ruimte geven we als Rijk richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Waar nodig nemen we zelf regie, bijvoorbeeld bij de hoofdinfrastructuur voor energie, locaties voor grootschalige woningbouw, ruimte voor energie-intensieve industrie en gebieden waar landbouw en natuur toekomstbestendig kunnen ontwikkelen. De voorzitter: Minister, ik zie een interruptie van de heer De Groot. Ik vermoed dat u ook nog gaat aangeven welke blokjes u gaat behandelen. Wellicht plaatst dat de interruptie van de heer De Groot op een ander moment. Wellicht kunt u even aangeven wat de blokjes zijn die u gaat behandelen. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ja. Ik zat in mijn inleidende spreektekst. Ik ga daarna Moerdijk, de Nota Ruimte, de Omgevingswet en de woningbouw apart behandelen. De voorzitter: Dan ga ik kijken of er behoefte is aan interrupties op dit moment. Dat is het geval bij de heer De Groot en mevrouw Steen. De heer Peter de Groot (VVD): Met de kans dat er straks nog een antwoord komt, ga ik toch gewoon alvast een vraag stellen aan de minister over Emmen. Ik heb die vraag ook in mijn bijdrage gesteld. Ik ben overigens heel erg blij dat de minister de motie omarmd heeft en daarheen is gegaan. De motie riep op om van een v naar een i, een initieerregio, te gaan in Emmen en om daar te gaan kijken en het zelf te zien. Mijn vraag aan de minister is of de minister dan ook niet meer achteruit kijkt, maar vooral vooruitkijkt, de kansen die daar liggen met beide handen aangrijpt en zorgt dat het een succes wordt. Ik denk dat dat ook een instelling is: als je dat doet met elkaar en de regio zich daaraan committeert, dan zullen de laatste twijfels van de minister, die zij net noemde, ook echt verdwijnen. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik ben nog niet zo lang minister, dus wij kennen elkaar nog niet zo goed, maar als ik achteruit zou kijken, zou ik echt een heel zwaar leven hebben, dus ik kijk elke ochtend vooruit. Daar ben ik het beste in en zo zit mijn hoofd ook het lekkerste. Ik ben in Emmen geweest. Ik heb uw motie gelezen. Ik ben daar zelf geweest. Ik ben in gesprek geweest. We hebben samen afgesproken -- zolang ze blijven knikken op de tribune, komt het goed -- dat we dit voortvarend gaan oppakken. Ze krijgen de i, maar ik blijf mijn zorg uiten: ik wil wel graag zien dat we niet bouwen voor de leegstand. Dat moet niemand willen, Emmen ook niet. We gaan dus stap voor stap kijken op welke manier we dat kunnen doen, zodat ik gerustgesteld blijf en zij kunnen groeien, waarbij we allebei vooruitkijken. Mevrouw Steen (CDA): Ik hoorde de minister iets zeggen dat mij triggerde over het goederenvervoer en het transport. Er wordt natuurlijk al een hele tijd gestudeerd op allerlei goederenvervoerstromen. We weten ook dat er een hele hoop goederen in de haven van Rotterdam opgeladen worden om vervolgens door het land gesleept te worden en daarna naar de Baltische staten en Scandinavië te gaan. Je ziet toch dat de baten in het westen liggen en dat de mensen in het oosten en zuiden van het land er vooral de lasten van hebben. We zijn al een tijd met het kabinet in gesprek over de vraag: hoe doe je dat nu? Hoe zorg je nou dat het hele land de baten van dit soort ontwikkelingen kan krijgen? Hoe is de minister betrokken bij de afwegingen voor de keuzes rondom goederenvervoer en alles wat die betekenen voor de lusten en lasten in het hele land? Minister Boekholt-O'Sullivan: De vraag is heel terecht. Ik denk dat die niet alleen geldt voor goederenstromen. Ik denk dat het voor nog een aantal onderwerpen ook waar is dat je dan aan de ene kant van het land iets ziet ontstaan waarvan het businessmodel heel sluitend is, dat dat businessmodel zich vervolgens door het land heen verplaatst en dat dat steeds minder waar is. Precies dat is waar we met de Nota Ruimte naar moeten kijken. We moeten ervoor zorgen dat we heel goed blijven kijken naar de regio's waar het niet binnenkomt, in dit geval wat betreft goederen. Wat kunnen we daar bijvoorbeeld doen met de economie en de woningbouw? Als we zeggen dat elke regio telt, dan moet dat ook gelden voor hoe we hiernaar kijken. De voorzitter: Dan heeft u een interruptie van mevrouw Zalinyan. Of heeft u een vervolginterruptie, mevrouw Steen? Mevrouw Steen (CDA): Laat ik het toch even scherp maken, want betekent dat dan? Wat gaan we dan concreet terugzien van dit soort vragen rondom bijvoorbeeld goederenvervoer en de afweging tussen lusten en lasten in het westen en in de rest van het land? Hoe gaan we dat straks concreet terugzien in de Nota Ruimte? Hoe ziet dat eruit? Minister Boekholt-O'Sullivan: Dat ziet er in ieder geval zo uit dat we niet specifiek goederen en al die andere voorbeelden waarvoor dit geldt, allemaal een aparte plek in de Nota ruimte geven, maar dat we hier wel overkoepelend iets over zeggen. Op basis daarvan vindt daarna de ruimtelijke inpassing plaats. Dat hoort echt bij Elke regio telt!, waarbij je niet door een rietje naar een regio kijkt, maar naar het geheel. Op die manier kijk je hoe je het land het beste kan inrichten om ervoor te zorgen dat elke regio mee kan blijven doen. De voorzitter: Ik begrijp dat mevrouw Zalinyan nu afziet van haar interrupties. Minister, u kunt uw betoog vervolgen. Minister Boekholt-O'Sullivan: De keuzes waar ik het over had, maak ik uiteraard niet alleen. Dat doe ik samen met mijn collega-bewindspersonen, de medeoverheden en de maatschappelijke partners. Als minister van VRO zie ik het als mijn taak om daarbij de samenhang te bewaken, want keuzes zijn nodig. Die moeten we zorgvuldig maken en die moeten we tegen elkaar afwegen. Dat doen we onder meer via NOVEX. Met alle twaalf provincies maken we afspraken over de uitvoering van ruimtelijke opgaven en de afstemming van nationaal en provinciaal beleid. Daarnaast werken we samen in de zestien NOVEX-gebieden, waar verschillende complexe opgaven samenkomen en waar Rijk en regio gezamenlijke regie voeren. Daarnaast is er een stevige instrumentenkoffer, met hoogwaardige ruimtelijke informatie, digitale voorzieningen, juridische instrumenten, waaronder de Omgevingswet, en maatregelen om het grondbeleid te verbeteren. Ook heb ik een verkenning naar de meerwaarde van een landelijke integrale grondbank uitgevoerd. Deze heb ik reeds aan uw Kamer gestuurd. De opgaven zijn groot. Het land is klein. Scherpe ruimtelijke keuzes zijn daarom nodig als we Nederland ook voor de volgende generaties sterk, leefbaar en toekomstbestendig willen houden. Dat vraagt om regie. Dat vraagt om samenwerking. Dat vraagt de inzet van alle instrumenten die we ter beschikking hebben. Gelukkig zie ik overal waar ik kom de bereidheid om mee te denken en samen oplossingen te vinden. Dat stemt mij optimistisch. Voordat ik overga naar het blokje Moerdijk, zou ik graag nog het volgende bij Kamer in de week leggen. Er zijn de vorige keer erg veel moties ingediend over de Nota Ruimte, en misschien gebeurt dat naar aanleiding van vandaag ook nog wel. Ik kan me voorstellen dat u zelf wil zien waar die dan in de concept-definitieve Nota Ruimte een plek hebben gekregen. Ik zou dus willen voorstellen dat we het ruimtelijkeordeningsdebat van november daarvoor gebruiken. Ik zorg dat u voor die tijd de concept-definitieve Nota Ruimte van mij ontvangt. Dan kan u zien wat ik met al uw moties en nog in te dienen moties, als die met een meerderheid van stemmen worden aangenomen, heb gedaan en welke plek die dan hebben gekregen. Op die manier kunt u ook controleren of ik daadwerkelijk doe wat ik toezeg. Mevrouw Zalinyan (PRO): Een korte vraag: zitten daar dan ook de zienswijzebeantwoordingen al bij of komen die later in het traject? Minister Boekholt-O'Sullivan: Die zitten er dan bij. Dan ga ik naar het eerste mapje: Moerdijk. Laat ik beginnen met het volgende. Ik denk dat iedereen die over dit onderwerp spreekt, ook vanuit het kabinet, vindt dat er iets moet gebeuren en dat de inwoners van Moerdijk recht hebben op duidelijkheid. Niemand binnen het kabinet denkt daar anders over, dus daarbij trekken we aan dezelfde kant van het touw. Ik ben me er niet bewust van dat ik uitnodigingen zou hebben gemist. Ik ben ook niet iemand die uitnodigingen naast zich neerlegt. Wellicht is daar dus iets misgegaan. Aan het einde van de maand ben ik echter in Moerdijk, dus laat ik dan vooruitkijken en zeggen: voor het einde van de maand is er een afspraak waarbij ik samen met de staatssecretaris van KGG naar Moerdijk ga. Er moet duidelijkheid komen over mijn verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening. Die zie ik en die zag ik. Het feit dat de staatssecretaris van KGG de woordvoerder is namens het kabinet, wil niet zeggen dat ik niet betrokken ben of dat ik geen onderdeel ben van de gesprekken die daar gevoerd worden, de informatie die dan weer terugkomt en de brief die uiteindelijk naar uw Kamer is gestuurd. Daarin is er inderdaad een derde optie toegevoegd, namelijk om te kijken of met een kleinere ambitie en daardoor een kleinere inpassing ook zou kunnen worden volstaan. Ik kijk hier -- dat is eigenlijk wat u mij vraagt -- via een aantal verschillende perspectieven naar. Eén is het dorp en de mensen die daar wonen. Ik zie het als dat wij het leven van deze mensen op pauze hebben gezet. Ga je je huis verduurzamen of niet? Ga je je huis verbouwen of niet? Ga je het verkopen of niet? Ga je nog investeren in de middenstand of niet? Al die keuzes zetten wij op pauze. Daar moeten we ons verantwoordelijk voor voelen en dat doe ik ook. Tegelijkertijd hebben we binnen het kabinet wel afgesproken dat we ervoor gaan zorgen dat we dit zorgvuldig doen, dat we dit transparant doen en dat we dit in gesprek doen. We gaan er ook voor zorgen dat er één iemand is die de hoofdspreekbuis is op dit onderwerp. Dat is de staatssecretaris van KGG. Dat wil, nogmaals, niet zeggen dat ik niet met hem elke week minstens één keer hierover spreek om te horen wat de ontwikkelingen zijn, hoe we erbij zitten, welke informatie er terugkomt, met welke informatie wij daarheen gaan en wat de mogelijkheden zijn. Die gesprekken worden dus gevoerd. Ik ben betrokken. Ik ben erbij. Tegelijkertijd hebben we afgesproken dat de hoofdspreker, de spokesperson, op dit dossier de staatssecretaris van KGG is. Wat gaan we dus doen? Aan het einde van de maand zijn we daar op bezoek. Bij het plenaire debat dat deze maand nog plaatsvindt, sluit ik natuurlijk aan vanuit mijn verantwoordelijkheid, namelijk de coördinatie van de ruimtelijke ordening en ook wel iets vanuit volkshuisvesting als het over het dorp gaat. We gaan daar in ieder geval samen zitten om de vragen te beantwoorden die uw Kamer hierover heeft. Maar ik wil echt bestrijden dat we hier lichtzinnig mee omgaan, alhoewel ik me heel goed kan voorstellen … Ik vroeg net aan een meneer op de publieke tribune hoelang dit al speelt. Hij zei: volgens mij sinds 1967. Hij kon tot dat jaar teruggaan om uit te leggen wat er is gebeurd. Dat is nog voordat ik geboren was, en waarschijnlijk velen van u met mij. Dat is echt heel erg lang. Het dorp heeft recht op duidelijkheid. Die moeten we geven. Dat moeten we zorgvuldig doen en dat moeten we transparant doen. We moeten ook met één stem spreken. Soms spreek je het beste met één stem als je goed afspreekt wie die stem dan is. De heer Mooiman (PVV): Dank voor de heldere antwoorden hieromtrent. De minister geeft aan dat de transparantie in het proces van groot belang is. Daar ben ik het natuurlijk mee eens. Tegelijkertijd denk ik dat juist de transparantie hetgeen is waarmee het hier misgaat. Er is heel veel onduidelijkheid, ook over de achterliggende redeneringen van de keuzes en wat eraan gaat komen. Is de minister bereid om samen met haar collega-bewindspersoon, de staatssecretaris van KGG, nadrukkelijk te bespreken hoe die transparantie vooruit, richting wat er wel of niet komen gaat, kan worden verbeterd? Mensen, en ook de politiek, moeten niet alsmaar voor een verrassing komen te staan. De transparantie moet tijdens het proces daadwerkelijk worden gewaarborgd. Minister Boekholt-O'Sullivan: De heer Mooiman vraagt terecht om transparantie. Ik vind dat ook, dus die gesprekken lopen al. Als u mij aanmoedigt om daar vooral mee door te gaan, zal ik dat uiteraard ook blijven doen. Vanuit de ruimtelijke ordening -- maar ik vermoed dat we dit nog verder zullen bespreken in het plenaire debat -- begint het voor mij wel met de vraag: wat moet er worden ingepast? In de Nota Ruimte schrijven we: we gaan in beginsel niet afwentelen en als we dat wel doen, moeten we daar echt een goede redenatie bij hebben. Ik kijk dus ook door de ruimtelijke-ordeningsbril mee naar dit vraagstuk, maar ik moet dan wel eerst weten wat de opgave is die daar moet worden ingepast. Op basis van die uitkomst kan ik kijken wat dat dan betekent voor de afspraken die vooruitlopend op een definitieve Nota Ruimte … Wat betekent dat dan voor de inpasbaarheid en wat betekent het voor het dorp? Ik hoor uw woorden dus als aanmoediging om transparant te blijven. Als we dat onvoldoende zijn, hoor ik dat aan het einde van de maand vast uit Moerdijk zelf. Dan zal ik er mijn uiterste best voor doen om daaraan bij te dragen. De voorzitter: U heeft nog een interruptie van mevrouw Zalinyan en daarna van de heer Grinwis. Mevrouw Zalinyan (PRO): Dank aan de minister voor de beantwoording en dank dat zij zich hiervoor wil inzetten. Ik snap dat zij nog maar drie maanden minister is en dat zij de geschiedenis van het dossier niet helemaal mee heeft gekregen. Maar er lag een ruimtelijke opgave, er is geredeneerd vanuit de ruimte, maar die opgave wordt nu weer helemaal teruggedraaid. Wat gebeurt er? Was die opgave er dan niet? Waarom is dat dan wel zo gecommuniceerd? Ik vraag me echt af wat de ruimtelijke opgave is waar de minister nu naar gaat kijken. Er lag immers al een opgave. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik ben niet op de hoogte van alle details, maar uiteraard ben ik er wel van op de hoogte dat er eerst een grotere opgave lag. Ik kijk met belangstelling en met enige spoed vanuit het perspectief van wat dit doet met de bewoners van Moerdijk. Als de opgave kleiner wordt omdat de vraag kleiner zou worden, als dat het geval is, dan heeft dat implicaties voor de inpasbaarheid. Met die kennis moet ik het nu doen. Ik zal uw vraag in ieder geval meenemen naar het plenaire debat om te zien of ik er een nog wat uitgebreider antwoord op kan geven. De heer Grinwis (ChristenUnie): Het woord "zorgvuldigheid" en "transparantie" uit de mond van de minister: ik wil het graag geloven, maar ik ben toch een beetje verbijsterd. De brief die we van de staatssecretaris kregen, kwam echt uit de lucht vallen. Er wordt ineens gerept over andere scenario's en dat het kleinschaliger kan, terwijl er geen enkele garantie is, en komt, dat er een integraal besluit wordt genomen waardoor dit alleen een kamelenneusje blijkt te zijn en er later geen gigantische kameel achter weg komt, en niet alleen Moerdijk wordt geraakt, het dorp, maar ook Zevenbergschen Hoek, Langeweg, Klundert en noem maar op, of Zevenbergen zelf. Ik kan er gewoon niet goed bij; hoe rijmt de minister zorgvuldigheid en transparantie met wat er is gebeurd? Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik ken de dorpen die de heer Grinwis noemt heel goed, want het is mijn standaard fietsrondje. Ik kom daar dus heel regelmatig. Ik combineer even een aantal vragen. De ene vraag is: wilt u vooruitkijken in plaats van achteruit? Ik heb gezegd: mijn woorden over transparantie gaan over vooruitkijken. De heer Grinwis stelt mij nu de vraag of ik vind dat wat er tot op heden is gebeurd transparant is geweest. Daar heb geen oordeel over. Waar ik wel een oordeel over heb, is dit. Binnen het kabinet bespreken wij het onderwerp Moerdijk met elkaar, met meerdere bewindspersonen, ook kabinetsbreed. We zijn ons er namelijk van bewust dat er een antwoord moet komen op de vraag. Daaraan is een derde scenario met een afgeschaalde ambitie toegevoegd. Dat kan, als je bepaalde consequenties niet wil accepteren of te zwaarwegend vindt. Dat is gewoon hoe het in het leven gaat, we maken heel vaak keuzes en accepteren dat ambities worden bijgesteld of bepaalde risico's worden genomen. Hier is gezegd: we voegen één scenario toe, namelijk een afgeschaalde ambitie. Daar kijkt het kabinet ook naar, als een derde scenario. De staatssecretaris van KGG is daarover in gesprek met Moerdijk en de provincie. Ik sluit daar aan het eind van de maand bij aan. We hebben daar ook nog een plenair debat over. Ik denk dat het belangrijk is om op te merken dat dit niet alleen een ruimtelijk inpassingsvraagstuk is. Je moet eerst een ambitie hebben die ingepast moet worden. Ik ben het met u eens als u zegt dat de ambitie vele malen groter was. Dat zie ik natuurlijk ook, maar als die ambitie wordt aangepast, dan is mijn coördinerende rol om te bekijken wat dat betekent. Dat wentel ik niet af, dat toets ik op de vraag: wat betekent dit voor de leefomgeving? Dan kijken we naar de elementen uit de Nota Ruimte. De voorzitter: Eerst een vervolginterruptie van de heer Grinwis en daarna heeft u nog een interruptie van de heer Clemminck. Eerst de heer Grinwis. De heer Grinwis (ChristenUnie): Ik roep de minister van VRO als coördinerend bewindspersoon ook op om zich ervan te vergewissen dat het totale besluit op tafel komt. Als er een afgeschaald scenario is of een scenario met minder impact, dan moet daaraan de garantie gekoppeld zijn dat er later niet nog iets overheen komt. Dat zou, om een andere beeldspraak te gebruiken, een beetje de tactiek van de verschroeide aarde zijn: je neemt eerst een hectare en een paar jaar later de volgende hectare. Ik vind echt dat de minister niet alleen moet kijken naar wat er voorligt en of er niks wordt afgewenteld, maar hiernaar moet kijken met het oog op de toekomst. Nu blijven bewoners die ik heel hoog acht maar met een dode mus zitten. Heel veel bewoners worden vervolgens in de kou gezet en dat kunnen we gewoon niet hebben. Ik hoop dat de minister onze zorg daarover en ook mijn zorg daarover voelt. Dat is ook een zorg die ik hoor van mensen die daar volksvertegenwoordiger en wethouder zijn. Zij staan in de wind, terwijl ze enorm hun verantwoordelijkheid hebben genomen in een hele moeilijke situatie. Daarom vind ik dat het kabinet en de minister hierin leiderschap moeten blijven tonen. Dat de gemeenteraad van Moerdijk het een en ander vindt en dat de provincie het een en ander vindt, heeft er namelijk mee te maken dat het Rijk daar allerlei opgaves heeft neergelegd. Ik roep dus op tot eerlijk leiderschap waarin integraal het hele verhaal wordt verteld en besluiten niet worden genomen op basis van oneigenlijke argumenten zoals bijvoorbeeld dat er geen geld zou zijn om mensen tegemoet te komen. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik kan in het gepassioneerde verhaal van de heer Grinwis meegaan, want wij hebben hetzelfde voor ogen. Mensen zijn geen metaforen, zeg ik regelmatig. Het gaat over mensen van vlees en bloed die hier op de publieke tribune zitten en in Moerdijk wonen. Zoals ik zei: ik ben daar regelmatig om privéredenen, maar dit gaat over mensen, dus u heeft gelijk en ik neem mee wat u zegt in de gesprekken hierover binnen het kabinet. De voorzitter: Dan draag ik het voorzitterschap even over aan mevrouw Zalinyan. Voorzitter: Zalinyan De voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Clemminck voor een interruptie. De heer Clemminck (JA21): Ik ben toch wel verbaasd dat de minister geen oordeel wil geven over hoe dit proces tot nu toe loopt. De minister schrijft "het moet zorgvuldig zijn". Dat is volgens mij het woord wat de minister gebruikt in haar eigen brief. Maar het kan toch niet dat deze minister vindt dat dit een zorgvuldig proces is geweest? Kan de minister nou niet gewoon eerlijk antwoord geven op deze vraag? Dit is toch geen zorgvuldig proces? Dat viel mij op aan de beantwoording, maar waar ik echt ook nog moeite mee heb -- als het even mag, voorzitter -- is dat de minister zegt "ik wacht tot de ruimteclaim van de staatssecretaris van KGG komt en dan ga ik kijken wat er met de gemeenschap en de gemeente Moerdijk moet gebeuren". Dat is toch de wereld op zijn kop? Ze zou toch moeten zeggen "ik wil dat de leefbaarheid en de leefomgeving van de gemeenschap Moerdijk op één staat en vanuit die situatie ga ik kijken wat er kan", en niet andersom? Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik vind het jammer als mij woorden in de mond gelegd worden die ik helemaal niet heb gezegd. Dit gaat voor mij over zorgvuldigheid, dit gaat over transparantie en dit gaat ook over hier integraal naar kijken. Ik zeg dat het voor mij belangrijk is dat ik van de staatssecretaris KGG hoor wat de opgave is, omdat dat een element is van mijn werk dat ik wel moet kennen. Ik moet weten wat iemand ergens ruimtelijk ingepast wil hebben. Ik doe dat niet met mijn handen in mijn zakken, blind voor de bewoners van Moerdijk, want er is ook gewoon nog een opgave die gaat over de mensen. Daar kijken wij kabinetsbreed ook naar; dat doe ik niet in mijn eentje. Het gaat over een dorp. Het gaat over het wel of niet ... Het is iets heel groots, het duurt al heel lang en er is heel veel onzekerheid. Dat heb ik ook gezegd. Dat dat niet goed is, onderschrijf ik ook. En tegelijkertijd moet ik het wel doen met een opgave die ingepast moet worden. Dat geldt voor alles, dus ook voor dit. De voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Clemminck voor nog een interruptie. De heer Clemminck (JA21): De minister heeft er blijkbaar ontzettend moeite mee om gewoon eens eerlijk toe te geven, terugkijkend op hoe dit proces tot nu toe gaat ... Ik ga hier niet terugkijken op 40 of 50 jaar geleden, maar gewoon op het proces dat sinds vorig jaar is ontstaan. De minister kan daar niet eens een waardeoordeel over geven, terwijl het volgens mij voor iedereen duidelijk is dat dit gewoon een waardeloos proces is geweest tot nu toe. U hoeft dat woord niet te gebruiken, maar ik verwacht toch eigenlijk wel dat de minister op z'n minst kan vertellen hoe zij terugkijkt op dit proces. Is dit nou zorgvuldig, zoals de minister dat had gewild, ja of nee? Minister Boekholt-O'Sullivan: Wat ik de heer Clemminck kan vertellen, is dat ik oordeel over mijn eigen functioneren. Volgens mij kwam dit dossier in mijn eerste week op tafel. Toen is onmiddellijk vanuit dit kabinet naar een brede aanpak gekeken en ook gezegd: er moet duidelijkheid komen, dat moet ook duurzaam zijn en dus niet iets wat in stapjes vooruitgaat. Dat past ook prima bij de richtlijnen in de Nota Ruimte. Ondanks dat die nog niet definitief is, kijk ik wel heel erg naar die principes, die gaan over niet-afwentelen, niet een jaar later komen met het volgende perceel dat erbij moet komen met een volgende opgave. Dit is iets wat heel nadrukkelijk meegenomen wordt in dit kabinet en ik ben van mening dat, als ik naar de afgelopen 108 dagen kijk, dat dit iets is wat zorgvuldig is gegaan en waar we binnenkort ook een plenair debat over zullen voeren. De voorzitter: De heer Clemminck voor een interruptie. De heer Clemminck (JA21): Als ik het goed heb begrepen, zegt de minister in haar laatste zin dat ze het proces tot nu toe zorgvuldig vond. Dat check ik graag nog heel even. Het is ook niet waar dat de minister niet verder mag terugkijken dan drie maanden. Deze minister is nu inderdaad een aantal maanden minister, maar het werkt staatsrechtelijk natuurlijk helemaal niet zo dat zij geen oordeel kan geven over wat er in de periode daarvoor door haar ambtsvoorgangers is gedaan. Ik vind dat dus wel een raar figuur. Dan kom ik nog even terug op mijn opmerking dat ik niet begrijp, en het eigenlijk ook niet acceptabel vind, dat de minister zegt: de ruimteclaim van KGG is leidend en daarna ga ik kijken wat dat betekent voor de leefomgeving en leefgemeenschap van Moerdijk. Het zou precies andersom moeten zijn in Nederland: de leefomgeving- en gemeenschap komt op één, en daarna gaan we kijken wat daarbij past. Ik snap niet dat deze volgorde door de minister en dit kabinet niet wordt gevolgd. De voorzitter: Ik geef eerst het woord aan de heer Van Asten voor een punt van orde. De heer Van Asten (D66): We hebben het vandaag ook over Moerdijk. Dat is logisch, want het gaat deels ook over de Nota Ruimte en hoe we omgaan met die moties. Ik zit hier wel een beetje met een ongemakkelijk gevoel. We hebben namelijk een groot plenair debat staan, waar deze minister ook bij aanwezig is. Volgens mij is daar ook de staatssecretaris zélf bij aanwezig -- en anders moet die nog worden uitgenodigd. Dan hebben we het kabinet en iedereen die daarover gaat bijeen om er een goed debat over te kunnen voeren. De voorzitter: Wat is uw punt van orde? De heer Van Asten (D66): We gaan nu dusdanig de diepte in over iets wat nauwelijks op deze agenda staat, dat ik denk: daarvoor hebben we een vervolgdebat. De voorzitter: Meneer Van Asten, dank voor uw punt van orde, maar het is natuurlijk aan individuele leden om in te brengen wat zij belangrijk achten. Daarom laat ik deze interruptie ook toe. Moerdijk staat ook op de agenda; er staat ook een brief over Moerdijk op de agenda. We hebben natuurlijk ook bezoekers, dus vandaar dat ik iets coulanter ben met dit onderwerp. Maar ik denk dat we er nog verder over te spreken komen in het plenair debat. Ik geef de minister weer het woord voor de beantwoording. Minister Boekholt-O'Sullivan: Voorzitter, dank u wel. Volgens mij zijn het allerbelangrijkste: de bewoners van dit dorp en dat zij duidelijkheid krijgen. Daar hebben ze recht op. Daar vragen ze ook al heel lang naar. Volgens mij verschillen wij daarover niet van mening. We kunnen van mening verschillen over of je eerst naar het een en dan naar het ander kijkt. Dat kan; dat mag er ook gewoon zijn. Maar bovenaan moet staan dat er duidelijkheid moet komen voor de bewoners, zodat hun leven in die zin van de pauzestand af kan en zij weten waar ze aan toe zijn. Die gesprekken worden door de staatssecretaris KGG gevoerd, namens het kabinet. Dus ik weet wat de insteek is van die gesprekken, ik weet wat ze onderzoeken en ik weet ook wat er uit de gesprekken terugkomt. Eind deze maand ben ik daar ook om met hen hierover door te spreken. Ik neem de oproep van de heer Grinwis mee dat het meer moet zijn dan "alleen maar". Tegelijkertijd geldt dat als u mij de vraag stelt "wat is er eerst en wat is er daarna?", ik ook naar het volgende kijk. Als een van mijn collega-bewindspersonen aan mij vraagt "ik heb een ruimtelijke opgave, dus ik wil graag zien waar die inpasbaar is", dan is het op dat moment mijn verantwoordelijkheid om te kijken: past dit hier dan? Als een bewindspersoon terugkomt en zegt "misschien kan het ook anders", dan is he wederom mijn verantwoordelijkheid om daar vanuit de ruimtelijke ordening naar te kijken. Dat wil niet zeggen dat ik niet betrokken ben bij wat de consequenties zijn en wat dat doet met mensen. Dat ben ik wél. Dat ben ik voortdurend, maar tegelijkertijd gaat dit ook over het volgende: iemand heeft een verzoek, dat heeft een ruimtelijke inpassing en ik heb een coördinerende rol om te kijken of wat je vraagt past en wat de consequenties zijn van je vraag. De voorzitter: Ik draag het voorzitterschap bij dezen weer over aan de heer Clemminck. Voorzitter: Clemminck De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk naar de minister. Klopt het dat u het blokje Moerdijk heeft afgerond? Minister Boekholt-O'Sullivan: Ja, dan ga ik naar het mapje Nota Ruimte. Met de Nota Ruimte bouwen we, zoals uw Kamer net ook al aangaf, eigenlijk onze toekomst. Misschien is die niet eens meer van ons maar van onze kinderen. Ik ben heel blij dat wij met de jongeren hierover ook in gesprek zijn, alhoewel het misschien ook nog wel de kinderen zijn van onze jongeren waar we nu mee praten, gelet op hoever deze nota zou moeten reiken. Op 24 juni is er voor mij in ieder geval een extra debat; dat is een soort simulatiedebat met jongeren over de Nota Ruimte. Ik begin met de vraag van mevrouw Zalinyan van PRO over de risico's door klimaatverandering en hoe die concreet in de Nota Ruimte landen. Mevrouw Zalinyan heeft meerdere vragen gesteld over klimaatadaptatie en ruimtelijke keuzes. Laat ik vooropstellen dat het belangrijk is dat we nu geen keuzes maken waar we later spijt van krijgen. Daar hebben we nu al instrumenten voor, zoals het afwegingskader klimaatadaptieve inrichting en de maatlat. Specifiek voor funderingsproblematiek hebben we de Nationale Aanpak Funderingsproblematiek. Deze aanpak moet eraan bijdragen dat woningeigenaren veilig en toekomstbestendig kunnen wonen. In het coalitieakkoord is afgesproken dat water en bodem sturend een richtinggevend principe is in de Nota Ruimte. Op 29 mei heeft uw Kamer een brief gekregen waarin ik toelicht hoe we water en bodem sturend invullen in de Nota Ruimte. Tegelijkertijd is het ontwerp van de Nationale klimaatadaptatiestrategie, de NAS, met uw Kamer gedeeld. Het kabinet duidt daarin dat ruimtelijke functies in een duurzame relatie moeten komen te staan met het water- en het bodemsysteem. Met verstandige keuzes in de ruimtelijke ordening en inrichting voorkomen we dat volgende generaties worden opgezadeld met hoge kosten en schade. Ook staat in de ontwerp-NAS dat het kabinet inzet op hittebestendige steden en dorpen. Hierbij heeft het kabinet de ambitie uitgesproken dat steden en dorpen gezond en aantrekkelijk moeten blijven bij hitte, en dat de effecten van hittestress moeten worden verminderd, bijvoorbeeld door extra vergroening. Op deze manier zorg ik ervoor dat water en bodem volwaardig onderdeel zijn van de integrale ruimtelijke afweging voor woningbouw, maar ook alle andere ruimtelijke opgaves. De voorzitter: Dat was 'm. Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Zalinyan. Mevrouw Zalinyan (PRO): Ik waardeer het enorm dat de minister in gesprek gaat met jongeren, ook over onze ruimtelijke inrichting, omdat dat ontzettend belangrijk is. Maar waar ik het over heb, is Toekomst aan Tafel. Ik heb het niet over participatie van jongeren, wat natuurlijk zou kunnen helpen daarbij; ik heb het over de risico's die wij zien voor de komende jaren, en hoe je vervolgens handelt als je terugredeneert vanuit de situatie die wij nu voor ons zien. Ik heb het dus veel meer over bijvoorbeeld wat het PBL zegt, want de minister geeft aan dat we wel rekening houden, dat we de maatlat hebben, dat we de NAS hebben ... Die is overigens nog niet gedeeld en wacht nog op zienswijzen, maar ik heb 'm gezien. Wij hebben heel veel documenten, maar nog steeds komt er elke keer een nieuw rapport, ook van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, dat constateert dat wij niet klaar zijn voor extreme weersomstandigheden. De banken en verzekeraars geven aan dat huizen niet meer verzekerbaar zijn. Hoe rijmt de minister dit nieuws met dat we de maatlat hebben? Daarmee komen we er toch niet? Minister Boekholt-O'Sullivan: Mevrouw Zalinyan heeft helemaal gelijk met haar vraag of dat voldoende is om daadwerkelijk antwoord te geven op alle vragen. Ik denk dat geen enkel dusdanig complex onderwerp kan volstaan met een eenvoudig antwoord. Was het maar zo, dan hadden we best makkelijk werk. Dat is het niet, want het is gestapelde complexe problematiek. Ik kan niet in m'n eentje het klimaat veranderen, maar ik kan wel m'n best doen om ervoor te zorgen dat we met richtlijnen, met programma's er alles aan doen om daar waar het de bewoners raakt, of het nou gaat over te veel water of dat het te warm wordt, een omgeving creëren, dat we daaraan bijdragen, dat we daarop inzetten, om ervoor te zorgen dat het beter wordt. Dat doen we op alle mogelijke manieren en dit is daar één onderdeel van. Mevrouw Zalinyan (PRO): Aanvullend hierop had de minister het in haar algemene deel over drinkwater. Vanochtend hebben we een technische briefing gehad van de Rli over drinkwater, maar vooral over drinkwater en de borging daarvan in de Nota Ruimte. Daarin werd wederom bevestigd dat drinkwaterbronnen als nutsvoorzieningen gewoon niet opgenomen zijn in de Nota Ruimte, althans niet zo specifiek als bijvoorbeeld energiehubs. Hoe kijkt de minister hiernaar? Is zij bereid om hier ook naar te kijken? Minister Boekholt-O'Sullivan: Binnen de Nota Ruimte wordt water generiek geborgd, dus het is niet zo specifiek op water als bijvoorbeeld wel op elektriciteit. De voorzitter: U vervolgt. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dank u wel. Dan ga ik naar de vraag van mevrouw Steen over water en bodem sturend, met de acht gebieden. Mevrouw Steen vraagt naar de staat van ons water. Ze vraagt specifiek naar inzichten uit de gebiedsuitwerking die in het rapport wordt genoemd van water en bodem sturend als richtinggevend principe. In de staat van ons water rapporteert het ministerie van IenW over de ontwikkelingen in het Nederlandse waterbeleid. Daarin staat dat het College van Rijksadviseurs, het CRa, voor acht gebieden door middel van ontwerpend onderzoek een gebiedsuitwerking heeft gerealiseerd vanuit water en bodem sturend als richtinggevend principe. De resultaten hiervan zullen eind dit jaar beschikbaar zijn. Ik heb gevraagd of dit kan vóór ons volgende debat en dat kan: u heeft dus voor 25 november die uitkomsten. Als u dat wilt, kunnen wij die onderdeel maken van ons volgende debat over ruimtelijke ordening. De tweede vraag van mevrouw Steen was of ik bereid ben om expliciet mee te wegen of voorzieningen meegroeien bij grote woningbouwontwikkelingen. Mijn antwoord zou waarschijnlijk te snel zijn als ik zou zeggen "het kan niet anders", maar ik ben het volledig met mevrouw Steen eens dat grootschalige woningbouwlocaties moeten gaan over wonen, werken, bereikbaarheid, groen en andere voorzieningen die nodig zijn om ergens een samenleving van te maken. Ik werk daarnaartoe met uitvoeringsconvenanten binnen de grootschalige woningbouwlocaties, zodat dat onderdeel is van de afspraken die we maken. We moeten straks immers niet alleen gestapelde stenen hebben, zoals ik weleens hoor zeggen, want het moet onderdeel worden van een samenleving die je op die manier met elkaar bouwt. We maken daar wederkerige afspraken over met de gemeentes en met de gebiedspartners om ervoor te zorgen dat we elkaar daar ook op kunnen aanspreken. Dan een vraag van mevrouw Steen over de leefbaarheidstoets bij de grote woningbouwlocaties. Voor de grote ruimtelijke besluiten in de Nota Ruimte wordt een milieueffectrapportage uitgevoerd. Zo is dat ook georganiseerd binnen de Omgevingswet. De effecten op de leefomgeving zijn onderdeel van deze rapportage en daarnaast werkt het kabinet aan een totaalaanpak voor de grootschalige woningbouw, want we willen niet alleen huizen, maar fijne wijken. Op die manier heb ik aandacht voor de leefbaarheid. Ik zou dus liever niet naar een extra toets toe werken, omdat dat weer extra bureaucratie is. Ik laat het liever gewoon onderdeel zijn van de milieueffectrapportage binnen de Omgevingswet. Mevrouw Steen (CDA): Even ter verduidelijking, want de MER is natuurlijk een heel vast stramien, waarin allerlei eisen worden bekeken, met name milieueisen. Maar leefbaarheid gaat ook over sociale cohesie. Ik hoor hier aan tafel niet per se voorstanders van zaken als welvaart, brede welvaart, maar daar gaat het ook over. Hoeveel kansen heb je? Welke voorzieningen zijn er in de buurt? Ik heb ervaren dat je vaak wel iets moet toevoegen aan de MER als je de leefbaarheid ook in die brede zin, want zo bedoelde ik het eigenlijk, goed in de gaten wilt kunnen houden. Dus ja, voor grootschalige woningbouwlocaties doen we het op de goede manier, maar het betekent ook iets voor dorpen en kleine kernen. Hoe wil de minister dat dan doen op het moment dat je alleen inzet op een MER? Minister Boekholt-O'Sullivan: Een terechte vraag van mevrouw Steen, want het moet niet alleen gaan over de grootschalige woningbouwlocaties; we hebben de kleinere namelijk ook heel hard nodig om bij elkaar opgeteld dezelfde aantallen te halen als op grootschalige locaties. In de bredere afwegingen die we daarover afspreken met de regio's, zal dit heel nadrukkelijk geagendeerd moeten worden. Wat ik in ieder geval kan doen, is uw oproep meenemen om te kijken of we dit nog iets beter kunnen borgen. Ik neem de vraag ook even mee naar de tweede termijn, om te kijken wat we daarover nauwkeuriger kunnen toezeggen, wat dan ook uitvoerbaar is en niet leidt tot meer werklast bij de mensen die al enorm onder druk staan op dit front. Dan de vraag van mevrouw Steen wat de Nota Ruimte kan betekenen voor de leefbaarheid in kleine kernen. Ik ben het met u eens dat dit aandacht verdient. We zien dat een aantal regio's in de VISTA-strategie als versterker zijn aangemerkt. Daar is de leefbaarheid van het landelijk gebied en de versterking van de kleine kernen een hoofdopgave. Dan hebben we het over de Noordoostpolder, Rivierenland en de Achterhoek. De ontwikkelstrategieën -- dat is wat ik net probeerde te duiden -- kunnen bijvoorbeeld gericht zijn op het toevoegen van passende woningen, met een straatje erbij of een wijkje erbij, en het stimuleren van lokaal ondernemerschap om het op orde te houden. Maar goed, ik zei u net toe dat ik deze zal combineren en zal kijken of we dat iets concreter kunnen maken. Dan de vraag van mevrouw Zalinyan over de recreatieruimte en de spreiding. Dat willen we allemaal, ik ook: kwaliteit van leven en aantrekkelijkheid van steden en regio's. Dat onderkennen we allemaal en dat onderschrijven we ook in de Nota Ruimte. Een sterk groen- en recreatienetwerk maakt deel uit van een sterke regio, waarbij ook hier type en vorm van groen en recreatie onderscheidend kunnen zijn tussen verschillende regio's. Wel is het zo dat ruimte voor recreatie, campings en recreatieparken vooral gebiedsgericht maatwerk betreft. De spreiding van recreatiedruk is als onderwerp lastig beet te pakken in het kader van de Nota Ruimte. Wel zijn verschillende departementen betrokken bij gebieden zoals de Veluwe, onder meer via de Regio Deal Veluwe en de aanpak Vitale Vakantieparken, waar ik straks nog op terugkom in het kader van de vraag van de heer De Groot van de VVD. Dan de vraag van de heer Grinwis of ik inzicht kan geven in de ruimteclaims. Dat geeft mij een beetje een déjà vu naar mijn allereerste debat. Als ik nu 100 dagen zit, dan voelt dat als 100 dagen geleden. Daarin vroeg u mij ook: breng het in beeld; kun je het kwantificeren? Wat ik toen heb gezegd, was blijkbaar best goed, want dat herhaal ik dan nu nog een keer. Ik kan er niet voor zorgen dat ik het helemaal tot op hectareniveau in beeld kan brengen. Wel kan ik ervoor zorgen dat we een som van de ruimtelijke claims grafisch verbeelden, bijvoorbeeld aan de hand van een bandbreedte. Kunt u daarmee uit de voeten? We nemen dan als kenmerken mee het zo veel mogelijk voorkómen van afwentelen, meervoudig ruimtegebruik en "gebiedskenmerken centraal". U kunt een grafische weergave van ons krijgen. Als u daarmee kunt instemmen, zou dat gewoon ook heel fijn zijn. De heer Grinwis (ChristenUnie): Dit klinkt alweer beter dan in de afdoeningsbrief die we pas kregen, want toen klonk het wel erg afgezwakt. Dank dus, prima zo. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dank u wel. Fijn. Dan de heer De Groot over Emmen. Ik praat sinds kort graag over Emmen. Eigenlijk vroeg ik in mijn introductietekst al of het een i gaat worden, en dat wordt het. We gaan dat samen doen en we gaan kijken hoe we mijn misschien wel onnodige zorg naar het verleden kunnen brengen. Ik zei u al dat ik niet zo graag naar het verleden kijk, en zeker niet al te lang. Dan hoef ik dat ook niet meer te doen. Dan ga ik naar de vraag van de heer De Groot en de heer Grinwis over landaanwinning op de derde Maasvlakte. De voorzitter: De stemmingsbel gaat. Dat maakt dat de heer Grinwis nu moet vertrekken, maar hij gaat het zeker nog eens terugkijken voor de antwoorden. Maar eerst moet hij stemmen. Minister, u vervolgt uw betoog. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ja, over de landaanwinning op de derde Maasvlakte. Ik heb in de motiebrief in ieder geval toegelicht hoe ik daarnaar kijk. Het borgen op de lange termijn van de waterveiligheid in de kustzone met behulp van kustsuppletie is van cruciaal belang. Daar is veel zand voor nodig. Voor de uitvoering van de motie sluit ik samen met IenW aan op een drietal trajecten. Eén: een verkenning naar ruimtegebruik in de Rotterdamse haven. Twee: een verkenning naar de voor- en nadelen van het valmeersysteem van Delta21. Drie: een klimaatrobuustheidstoets, waarin de groei van de zandvraag op de Noordzee in beeld wordt gebracht. Ik kijk natuurlijk naar koppelkansen. Op basis van de uitkomsten komt er inzicht in de vragen of, waar en onder welke voorwaarden ruimte kan worden gegeven aan specifieke ontwikkelingen. Die resultaten komen wel te laat om helemaal mee te nemen in de Nota Ruimte als het gaat over concrete kustuitbreidingen zoals voor Delta21. Ik zal dus een lijn opnemen in de brief. De lijn die ik in de brief beschrijf, wordt ook opgenomen in de Nota Ruimte. We zullen ruimte laten voor voorwaarden en een zorgvuldige afweging, zodat, mocht er uit dat onderzoek komen dat er toch iets haalbaar is, dit dan ook inpasbaar is in de Nota Ruimte. Daar spreken we nog over op 25 november, volgens mij. Dan kunt u toetsen of u vindt dat die zin voldoende ruimte geeft voor een positieve uitkomst van die onderzoeken. Dan verwijst u ook naar de landaanwinning in het … De voorzitter: U heeft nog een interruptie van de heer De Groot. O, hij wacht even. Dan ga ik u weer het woord geven, minister. Gaat u verder. Minister Boekholt-O'Sullivan: U dacht vast dat ik dit was vergeten, maar dat is niet zo. Ik ben samen met mijn collega van IenW voortvarend aan de slag gegaan met dat onafhankelijke onderzoek naar de mogelijkheden en de consequenties van ruimtelijke ontwikkeling in het Markermeer en het IJmeer. Er werd gevraagd of ik en het departement hier terughoudend in zijn, omdat ik de motie in eerste aanleg heb ontraden. U mag ervan uitgaan dat als er vervolgens een motie wordt aangenomen met een brede meerderheid, ik achter mij laat wat achter mij ligt en vol overgave ga kijken naar wat er wél kan. Inmiddels wordt de commissie samengesteld en is er iemand gevraagd om daar voorzitter van te worden. Het is een onafhankelijk onderzoek. We gaan daar ook vaart mee maken, zodat dat deel onderdeel kan zijn van de Nota Ruimte. De heer Peter de Groot (VVD): Ik vind de antwoorden van de minister goed. Het is fijn om te horen dat de minister er actief mee bezig is. Mijn enige zorg is -- ik weet zeker dat de heer Grinwis die vraag ook zou stellen -- dat het in allerlei processen wordt geplaatst. Dat zijn onderzoeksprocessen waarbij wordt gezegd: we gaan ernaar kijken en we gaan erop terugkomen. Ik denk dat dat sowieso nodig is, maar ik mis eigenlijk dat de minister met wat warme woorden praat over dat we dit in Nederland ook echt nodig hebben. We moeten ambitie tonen, kijken of die derde Maasvlakte er kan komen en kijken of we de kansen kunnen benutten voor landaanwinning in de binnenwateren. Het hoeft niet per se alleen rondom de Flevopolder te zijn, maar waar het kan. Dat is eigenlijk wel een beetje mijn oproep. Ik zou te ver gaan als ik zou vragen of de minister er warme gevoelens bij heeft om dit in de Nota Ruimte helemaal uit te lopen, maar ik zou daar graag nog wel een klein beetje reflectie op willen horen. Minister Boekholt-O'Sullivan: Reflectie op de vraag van de heer De Groot kan natuurlijk altijd. Ik sta altijd open voor reflectie. Ik denk dat hier twee dingen spelen. Eén is dat u tegen mij zegt: u kijkt ernaar en u doet onderzoek. Maar ik heb óók gezegd dat dat onderzoek dus snel genoeg klaar is -- dat gaat in de zomer gewoon door -- zodat we een uitkomst hebben voordat ik met het concept voor de definitieve Nota Ruimte kom. Ik zou het dus jammer vinden als mijn woorden zo gelezen worden dat ik er ergens volgend jaar wel op terugkom. Wat wij doen, is zo snel mogelijk zorgen dat er uitkomsten liggen, zodat we ook iets hebben voor het concept voor de definitieve Nota Ruimte. Dan mijn warme woorden en hoe ik ernaar kijk. Sinds dat debat heb ik het internet afgestruind en gezocht naar wat er allemaal zou kunnen. Ik heb eerdere debatten hierover teruggekeken. Ik heb nog een keer naar de inzet van het vorige debat geluisterd. Ik heb me laten bijpraten door verschillende mensen over hoe je daar ook drijvend zou kunnen bouwen. Ik werd daar eigenlijk ook best enthousiast van. Als u dus geen enthousiasme op mijn gezicht leest, dan is dit gewoon mijn gezicht als het enthousiast is. Er ligt een breed aangenomen motie. Ik zeg u toe dat ik mij daartoe verhoud, zoals het hoort. Daarnaast ben ik gewoon nieuwsgierig, maar ik wil mijzelf ook de gelegenheid geven om dat onderzoek zorgvuldig af te wachten. De voorzitter: U kunt vervolgen. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Wiersma had een vraag over het vastlopen in procedures en regelgeving, zoals op Zandvoort. Met het Kustpact kunnen het Rijk, decentrale overheden en maatschappelijke organisaties knelpunten bespreken en afspraken maken. Strand en duinen worden dynamisch beheerd om de duinen mee te laten groeien met de zeespiegelstijging. Daarom is de lengte van contracten en vergunningen op het strand beperkt. Daar wordt naar gekeken. Ik heb me laten vertellen dat voor sommige elementen de exploitatieovereenkomsten inderdaad verouderd zijn. We voeren daar nu gesprekken over om te zien hoe we die wat actueler kunnen maken, zodat eenieder weet waar hij of zij aan toe is. Ik hoorde het verzoek van mevrouw Wiersma om op een individuele casus in te gaan. Ik weet te weinig over deze individuele casus om dat te kunnen doen, maar de onderliggende rode draad hierbij is volgens mij dat er verouderde overeenkomsten liggen. Daar gaan wij naar kijken. Dat doet het RVB. Die gesprekken worden al gevoerd. Ik hoop dat we op basis daarvan tot iets kunnen komen waar ook deze individuele casus dan mee geholpen is. De voorzitter: Dat levert nog een interruptie op van mevrouw Wiersma. Mevrouw Wiersma (BBB): Dat in gesprek gaan is goed, maar het gaat hier specifiek om de tijdsduur dat zij aanspraak kunnen maken op die kavels. Stel dat dit tien jaar is. Iedereen die een beetje kan ondernemen in de horeca of in de toeristische sector, weet dat je er geen grote investeringen voor kunt doen als je maar de zekerheid hebt om tien jaar een kavel te kunnen huren. Mijn expliciete vraag aan de minister was daarom om te kijken of die termijnen verlengd kunnen worden. Ik heb daarbij de voorkeur voor twintig jaar of langer uitgesproken. In het verleden was dat ook het geval. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dat is een heldere aanvulling op de vraag. Wat ik via de voorzitter tegen mevrouw Wiersma hierover kan zeggen, is: ik heb u goed gehoord over die twintig jaar of meer. Ik denk dat hierbij twee criteria een rol spelen. Het eerste gaat erover om de duinen mee te laten groeien met de zeespiegelstijging, zodat Nederland beschermd blijft tegen water. Dat wilt u vast ook, dus daar vinden wij elkaar ongetwijfeld. We willen dat het veilig is. Over de manier waarop dat moet gebeuren, verschillen we misschien van inzicht, maar niet over dat we willen dat het land veilig blijft. Mij gaat het erom dat ik wil kijken naar verouderde exploitatieovereenkomsten. Die gesprekken worden al gevoerd. Ik weet niet of daar twintig jaar uit kan komen. Maar de gesprekken worden gevoerd en ik kan u wel zeggen dat ik mee zal kijken en dat ik het RVB zal vragen om mij daarover op de hoogte te houden. Aan het RVB zal ik aanvullende vragen stellen op het moment dat dit veel minder is dan twintig jaar. Mevrouw Wiersma (BBB): De minister en ik bevinden ons inderdaad aan dezelfde kant van het touw waar het gaat om bescherming via de duinen, maar in dit expliciete voorbeeld -- dat heb ik ook in mijn bijdrage genoemd -- geeft het juist ook een versterking van wat we allemaal met elkaar willen. Is de minister het er wel mee eens dat er maatwerk moet komen? Tien jaar is gewoon een korte tijd, zeker als je forse investeringen wil doen. Als je daar de ruimte wil bieden -- het Kustpact gaat daar ook echt over: wat kun je nog wel toestaan? -- moeten de regels rondom het verstrekken van die kavels er wel op aansluiten en moet die mogelijkheid ook echt geboden worden. Wil de minister dan niet alleen vragen stellen over het waarom, maar ook inzet plegen om ervoor te zorgen dat die termijnen ruim genoeg worden? Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik zit niet alleen aan tafel bij het Kustpact, want daar zijn Rijk, decentrale overheden en de maatschappelijke organisaties bij betrokken. Ik kan toezeggen dat ik me hier verder in zal verdiepen, dat ik zal kijken welke termijnen hieruit komen en of het, wanneer je iemand vraagt een hele grote investering te doen om iets op te bouwen, dan inderdaad realistisch is dat het nog echt rendeert. Ik denk dat dit is wat onderliggend is aan deze vraag. Ik zal daarnaar kijken. U gaat misschien zeggen dat "kijken" niet genoeg is, maar ik zal ernaar kijken én het gesprek erover voeren. Dan ga ik door met de vraag van de heer De Groot over woningen dicht bij Defensielocaties. U zei het al in uw inbreng. U weet dat ik daar het een en ander van weet, niet van woningbouw dicht bij Defensielocaties, maar wel andersom. Tijdens het werken aan het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie hebben we heel nadrukkelijk gekeken waar de locaties van Defensie komen en hoe we ervoor zorgen dat de mensen die op die kazernes, die vliegbasis of waar dan ook werken, daar in de buurt gaan wonen. U weet ongetwijfeld dat binnen Defensie de plaatsingsduur er soms voor zorgt dat mensen meerdere bewegingen gaan maken. Maar toen ik 108 dagen geleden daar nog werkte, was het ook het idee om daarnaar te kijken om ervoor te zorgen dat die gemeenschappen zich daar dan ook vormen. We zijn dus vooral op zoek naar koppelkansen. Dus als er een regio is ergens in Nederland waar Defensie iets gaat doen en we kunnen dat koppelen met bijvoorbeeld woningbouw, dan ga ik daar natuurlijk naar kijken. Tegelijkertijd, als ik het weer iets breder maak naar koppelkansen, zie ik vooral veel hoop voor Defensie en de natuur, omdat het prachtige natuurgebieden zijn waar weinig toerisme is, waardoor de natuur ongestoord ruimte geeft aan allerlei mooie dieren. De heer Peter de Groot (VVD): Met dat laatste ben ik het eens. Mijn vraag gaat over het eerste antwoord van de minister. Ik ben al best wel een tijdje bezig om op de kaart te krijgen hoe die woningen er dan komen. Neem bijvoorbeeld Zeewolde. Daar komt een heel grote kazerne en daar gaan mensen vast werken. Die mensen moeten daar wellicht wonen. Hoe krijgen die mensen daar dan een woning als ze er vast gaan werken? Dan krijg je de hele discussie over eventueel voorrang of de toewijzing van woningen, terwijl dat hele vraagstuk maar niet van de grond komt. Daar komt mijn vraag vandaan. Als de minister zegt dit te herkennen uit haar vorige rol, zegt dat het belangrijk is en zij als minister nu op de stoel zit om dit te kunnen regelen, dan zou ik eigenlijk een toezegging vragen aan de minister om in een brief op een later moment terug te komen op hoe we dit met elkaar gaan regelen. Anders ga ik er weer een motie over indienen om te vragen: ga dat nou regelen, want we moeten zorgen dat daar én extra woningen gebouwd worden, én die militairen, al dan niet beroeps, maar die mensen rondom kazernes daar ook een plek krijgen om die kazerne te kunnen laten draaien. Minister Boekholt-O'Sullivan: Het zal toeval zijn of niet, maar ik ben van de week in Almere en in Zeewolde Oosterwold geweest om te kijken hoe het daar staat met het bouwen van woningen, want vanuit mijn huidige portefeuille ga ik natuurlijk niet over hoe Defensie haar personeelsbeleid doet en wie daar gaat werken. Het lijkt me aan Defensie om daar antwoord op te geven. Als uw vraag aan mij is hoe ik ervoor ga zorgen dat daar woningen gebouwd worden, dan lijkt me dat wel een vraag aan mijn adres. Ik ben er dus van de week geweest en we hebben een eerste intentieafspraak getekend. Die ging meer over Almere, maar dat is ook nog wel te bereizen. Ik zie wat er bij Zeewolde Oosterwold voor mogelijkheden en kansen zijn en we hebben daar ook afspraken mee gemaakt dat we voor het einde van het jaar, nog in december dit jaar, echt dat startpakket klaar hebben staan om uit de startblokken te komen. Ik heb ook met hen afgesproken dat ik, als we dat niet halen, vooraf een belletje krijg en niet achteraf pas zie dat iets niet is gehaald. Ik stuur dus op de locatie daar waar ik kan, maar ik kan dat niet alleen. Als daar een mooie woonwijk ontstaat, dan willen daar vanzelf mensen gaan wonen op het moment dat die kazerne er komt. Ik hoop alleen dat de woningen daar heel snel staan. De heer Peter de Groot (VVD): Fijn om te horen. Ik ben ook defensiewoordvoerder, dus dat andere stukje over personeelsbeleid doe ik dan wel met de heer Boswijk, of met staatssecretaris Boswijk, moet ik zeggen. Dat komt dus helemaal goed. Natuurlijk is het fijn als die woningen er komen, alleen is dan de vraag hoe de mensen die van buitenaf naar die gemeente moeten verhuizen, daar aan een woning komen. Er is enorme druk op de woningmarkt. Er moet ook een mechanisme komen om ervoor te zorgen dat daar ook mensen met een smallere beurs echt aan een woning kunnen komen. In principe was het vroeger anders. Ik wil niet zeggen dat vroeger alles beter was en we moeten inderdaad vooruitkijken, maar toen werd dat gewoon netjes geregeld. Bij plaatsing was er ook veel meer kans op een woning. Ik daag de minister dan ook uit, via u, voorzitter, om dat te bespreken met collega Boswijk in het kabinet, om dit samen op te pakken en om er echt voor te zorgen dat die militairen daar een plekje kunnen krijgen, zonder jarenlang op een wachtlijst te moeten staan, voordat ze uiteindelijk kunnen gaan wonen waar ze werken. Minister Boekholt-O'Sullivan: Natuurlijk word ik heel blij van dit pleidooi vanuit waar ik 32 jaar heb gewerkt. Maar als ik bij de politie had gewerkt of binnen het onderwijs, dan zou ik aan mij ook de oproep doen om hetzelfde te regelen voor docenten, voor verplegend personeel en voor al die andere mensen die we ook graag met enige prioriteit een dak boven hun hoofd geven. Ik denk dat ik daarbij weg moet blijven. Het belangrijkste wat ik daarin wel te doen heb, is ervoor zorgen dat er in de samenstelling van de woningen die daar worden gebouwd, ook voldoende ruimte is voor betaalbaar wonen. Of dat dan betaalbare koop of betaalbare huur is: er moet ruimte voor allebei zijn, zodat in dit geval de militairen van de kazerne of de burgermedewerkers van de kazerne die daar willen wonen, ook de gelegenheid hebben op een dak boven hun hoofd dat past bij het inkomen dat ze verdienen. Dan ga ik door met de vraag van de heer Grinwis, mevrouw Zalinyan de heer Mooiman over de datacenters. Welke publieke belangen zijn leidend bij de nationale aanpak en hoe verhouden die zich tot de netcongestie? Zoals ik heb aangegeven in de brief over de moties over de Nota Ruimte, is de staatssecretaris van EZ in afstemming met mij en de minister van KGG begonnen met de eerste stappen richting een nationale strategie voor datacentra. Dat heeft uiteraard een ruimtelijke component. Daarmee neemt het Rijk meer een regierol. Zo zetten we in op strategische zeekabelverbindingen en verkennen we locaties en oplossingen die bijdragen aan de digitale soevereiniteit met een verantwoorde inpassing van datacentra. Er wordt hierbij vooraf rekening gehouden met netcongestie. Natuurlijk betrekken we hierbij ook de motie-Grinwis, die oproept tot het aanscherpen van de criteria voor de hyperscale datacentra, en de motie van het lid Rooderkerk over een visie en een strategie voor het omgaan met de verwachte groei en het verbruik van de datacenters. U ontvangt namens de staatssecretaris van EZ na de zomer een brief over deze volledige aanpak. Natuurlijk gaan wij dit ook opnemen in de Nota Ruimte op het gebied van digitale infrastructuur. Dan de vraag van de heer Mooiman of ik van plan ben om samen met de bewindspersonen van IenW ruimte voor bouwgrondstoffen te borgen binnen de Nota Ruimte. Wij gaan de Nota Ruimte aanvullen op het punt van de winning van grondstoffen op land in Nederland. Dan gaat het over zand, grind en klei. Dan heb ik een vraag van de heer De Groot over het zijn van een veilig, welvarend en concurrerend land. Hoe zit het met het waarborgen van ontwikkelruimte voor economische clusters? Veiligheid, concurrentiekracht en strategische autonomie worden stevig als publieke belangen meegenomen in de Nota Ruimte. Concreet krijgt dit vooral uitwerking in het hoofdstuk over economie en energie. De heer De Groot vraagt specifiek naar het borgen van ontwikkelruimte voor economische clusters en industrieclusters. Juist om deze reden zijn de energie-intensieve haven- en energieclusters in de Ontwerp-Nota Ruimte benoemd tot clusters van nationaal belang. We weten dat er in nagenoeg alle industrieclusters een aanzienlijk ruimtetekort speelt, zowel wat betreft fysieke ruimte als wat betreft milieuruimte. We willen dus per gebied komen tot een strategisch profiel, en per gebied voldoende ontwikkelruimte borgen via in- en uitbreidingen. Dan de vraag van de heer Clemminck hoe het staat met de uitvoering van de motie. In de Kamerbrief van 29 mei heb ik aangegeven dat ik het eens ben met de strekking van de motie dat de energietransitie een forse ruimtelijke impact met zich meebrengt en dat de Nota Ruimte moet inzetten op ruimte-efficiëntie, bijvoorbeeld door slimme functiecombinaties. Deze benadering zit in de Ontwerp-Nota Ruimte en in het Programma Energiehoofdstructuur, maar naar aanleiding van de motie ga ik samen met de staatssecretaris van KGG kijken hoe we dit nog beter kunnen aanscherpen. En omdat ik ervoor ga zorgen dat u op tijd de concept-definitieve Nota Ruimte heeft, kunt u in november kijken of u vindt dat dit voldoende heeft plaatsgevonden. Tot slot van dit mapje nog een vraag van de heer Clemminck. Hij vraagt wat ik versta onder brede welvaart. Brede welvaart gaat over een goede balans tussen sociale, economische en ecologische aspecten. Ik geloof in de noodzaak om ruimte te maken voor groei. Brede welvaart als concept helpt ons om goede afwegingen te maken. Het is wat mij betreft geen ideologisch concept maar iets wat we gewoon te doen hebben. Dan ga ik door met het mapje over de Omgevingswet. Daarin zitten bezwaar en beroep, het stapelen van procedures en parallel plannen. De voorzitter: Een klein moment, minister. Mevrouw Zalinyan. Mevrouw Zalinyan (PRO): Komt de minister nog terug op mijn vraag over verzekerbaarheid bij woningbouw? Of komt dat bij de Nota Ruimte? Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik kom nog op die vraag terug. De voorzitter: Dan vervolgt u uw betoog. Minister Boekholt-O'Sullivan: Yes. Ik ben bij de vraag van mevrouw Steen en de heer De Groot over het realiseren van één beroepsgang. Voor het creëren van één beroepsgang voor woningbouwprojecten is een wijziging van de Omgevingswet nodig. Ik regel die grondslag in de Wet regie. Op 23 juni ga ik in gesprek met de Eerste Kamer. Hopelijk zal dit dan in werking treden op 1 juli. In het Besluit versterking regie wordt geregeld dat de versnellingen uit de wet op besluiten over woningbouwprojecten van toepassing zijn. Dit zal dan ook op 1 januari 2027 ingaan, tenzij ik natuurlijk niet succesvol ben bij de Eerste Kamer. Dan de vraag van mevrouw Steen over vaste uitspraaktermijnen. Hier geldt eigenlijk hetzelfde antwoord: eerst het debat in de Eerste Kamer, dan zou 1 juli de Wet regie in moeten gaan. Daar zit de grondslag in en dan hebben we de versnelde uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak, namelijk binnen zes maanden, en deze termijn geldt nu ook al voor projectbesluiten. Dan vroeg mevrouw Steen welke mogelijkheden ik zie om het stilleggen van woningbouwprojecten te voorkomen. Bezwaar en beroep hebben in principe geen schorsende werking. Dit betekent dat direct met de activiteit begonnen kan worden, tenzij de rechter dat heeft verboden door een zogenaamde voorlopige voorziening. Ik zet op dit moment juist in op het direct gebruiken van de verleende vergunning, zodat het beroep niet hoeft te worden afgewacht, bijvoorbeeld door een verzekering af te sluiten om het risico af te dekken van alvast bouwen tijdens bezwaar en beroep. Daarnaast werken we als kabinet aan het vereenvoudigen van wet- en regelgeving en wordt ook bekeken wat de mogelijkheden zijn om de procedures toch nog korter en sneller te maken. Dan de vraag van mevrouw Steen over parallel plannen. We hebben het programma Uitvoeringskracht Woningbouw en daarin stellen we geld beschikbaar om regionale capaciteitstools in te richten. Daarmee kunnen gemeenten extra mensen inzetten voor het verlenen van vergunningen of het toepassen van parallel plannen. Onderdeel van de taskforce is dat er een expertisecentrum wordt opgericht om gemeenten op te leiden en te helpen bij het parallel plannen. Ik heb al heel mooie voorbeelden in het land gezien van hoe dat eruitziet, ook helemaal gedigitaliseerd met AI. Het ziet er echt fantastisch uit hoe ze daarmee bezig zijn, maar we moeten mensen wel leren om daar vervolgens mee te werken, want het is niet vanzelfsprekend hoe dat werkt. In die expertpools zullen 30 onafhankelijke procesbegeleiders zitten om de gemeentes daarbij te helpen. Daarnaast heeft de VNG vier ton subsidie ontvangen om projecten te ondersteunen die specifiek zijn gericht op parallel plannen. Dan de vraag van mevrouw Steen over de nadeelcompensatie en de planschade. Er is landelijk een algemene wettelijke regeling voor nadeelcompensatie. In het coalitieakkoord is aangegeven dat er een landelijke regeling voor het structureel vooraf regelen van nadeelcompensatie en planschade komt. Ik ben aan het onderzoeken hoe die eruit zou kunnen zien en of er iets nieuws nodig is of dat het volstaat om de bestaande regeling aan te passen. Ik neem uw ideeën hierover natuurlijk heel graag mee. Ik streef ernaar mijn onderzoek in het vierde kwartaal af te ronden. Als ik voor die tijd uw ideeën zou mogen ontvangen, dan kunnen we ervoor zorgen dat die worden meegenomen. Dan de vraag van mevrouw Steen of het mogelijk is om het begrip "belanghebbenden" aan te passen. Ik zie op dit moment geen mogelijkheden om dat begrip aan te passen in het omgevingsrecht, want dit vloeit voort uit internationale verplichtingen. Belanghebbenden moeten mogelijkheden krijgen voor inspraak en beroep tegen besluiten met aanzienlijke milieueffecten. Dit volgt ook uit het zogenaamde Varkens in Nood-arrest over de uitwerking van het Verdrag van Aarhus in de Nederlandse regelgeving. Ik werk op andere manieren aan het verkorten en versnellen van procedures, bijvoorbeeld in de aangekondigde vereenvoudigingswet. Dan de vraag van mevrouw Steen of ik wil reflecteren op bezwaar- en beroepsprocedures die baseren op beperkt individueel nadeel. Bij bezwaar en beroep speelt zelden alleen heel beperkt individueel nadeel. Ik wil ook dat eenieder voor zijn terechte belangen kan opkomen. Als er sprake is van evident kansloos bezwaar, bijvoorbeeld tegen een omgevingsvergunning, dan kan de rechter al oordelen dat er sprake is van misbruik van recht. Dan de vraag van de heer Van Asten wat ik aan het doen ben om het DSO gebruiksvriendelijker te maken. Nu we met de overheden alles bij elkaar hebben gebracht in het Digitaal Stelsel Omgevingswet, zien we eigenlijk pas hoe groot de opgave is. We zien nu ook hoe omvangrijk de hoeveelheid en de complexiteit aan regels is, die nu op één plek zichtbaar zijn. De gebruiksvriendelijkheid is dus echt van groot belang. Daarnaast is het voor de bevoegde gezagen nodig dat zij goed met het DSO kunnen werken. Er blijft altijd ruimte voor verbetering en daarom werken daar met de medeoverheden elke dag aan. De grootste verbeteringen zitten in de hoek van de inhoudelijke informatie, die alle overheden gezamenlijk via het DSO ontsluiten, bijvoorbeeld het gebruik van vragenbomen om de juridische taal naar eenvoudig Nederlands te hertalen. Dat proberen we samen te doen om ervoor te zorgen dat én de regeldruk naar beneden gaat, want dat was de hele bedoeling, dat het toegankelijker wordt en dat de taal ook te begrijpen is voor het individu dat daarmee werkt. Dan de vraag van mevrouw Steen. De voorzitter: Een klein moment, minister. Dit levert toch een interruptie op van de heer Van Asten. De heer Van Asten (D66): Ik snap dat dat de inzet is, maar tegelijkertijd zien we nu twee keer de rapporten van de evaluatiecommissie die hier echt een grote rode vlag bij plaats. Ik merk ook dat bij gemeentes, doordat er verkeerde vergunningen worden aangevraagd of op een verkeerde manier of zelfs zonder dat daar een reden voor is, de hele vergunningsprocedure vol zit, dat honderden vergunningen maar liggen te wachten. Bij het eerstvolgende evaluatierapport zou je natuurlijk een beter rapportcijfer willen krijgen. Ik snap dat de minister daarmee aan de slag gaat, maar op wat voor manieren zorgen we er nou ook voor dat uiteindelijk die gebruiker, eigenlijk u en ik, die graag een uitbouw wil hebben of een dakkapel wil plaatsen daar echt makkelijk doorheen komt? Wordt dat op die manier getest of kunnen we dat erbij doen? Minister Boekholt-O'Sullivan: Op de evaluatie waar de heer Van Asten naar verwijst, moet een kabinetsreactie komen. Die volgt volgende week. Daar zit de reactie in en ook wat we voornemens zijn om daaraan te verbeteren, want je wil inderdaad dat rode vlaggen ten minste oranje worden voordat ze groen worden. Het betekent ook goede voorbeelden uitdragen en de gemeenten echt helpen om hiermee om te gaan en vervolgens daar zelf ook van leren hoe wij die taal kunnen aanpassen naar taal die daadwerkelijk wordt begrepen. Dan de vraag van mevrouw Steen wanneer ik de resultaten van de taskforce verwacht over bezwaar en beroep. Ik verwacht in september de resultaten van de taskforce met uw Kamer te delen en dan zal ik u uiteraard ook informeren over de voortgang. Dat is dus ruim voor het debat van 25 november. Dan de vraag van de heer Van Asten over de bezwaarprocedures. Ik sta naast u als het gaat over het belang van dat het allemaal sneller moet en tegelijkertijd ook zorgvuldig. Dat kan door vereenvoudiging van de regels, maar we moeten ook bestaande regelgeving beter benutten. We moeten niet alleen gebouwen beter benutten, maar ook de bestaande regels beter benutten. Kijk maar naar het voorbeeld in Vught, dat u ongetwijfeld kent. De gemeente Vught heeft aangegeven dat zij ruimte biedt voor vergunningsvrij bouwen omdat zij dat in haar proces op een andere manier heeft ingericht. Met een plan op hoofdlijnen en daarna de uitvoering kunnen zij daar snelheid in maken. Het gaat dus ook over het accepteren van eventuele risico's, zowel juridisch als financieel. Daarvoor wil ik vooral kennis en capaciteit gaan versterken en ervoor zorgen dat we deze regionaal verspreiden. Dus uw voorbeeld van Vught ken ik ook en ik hoop echt dat dat als een soort inspiratie kan werken voor een heleboel andere gemeentes om precies dat te kopiëren. Dan de vraag van de heer Mooiman over spoedig de voltooiing van het basisniveau behalen. Er wordt op dit moment gewerkt aan de laatste onderdelen van dat basisniveau. Tegelijkertijd, maar ook na het bereiken van het basisniveau werk ik stap voor stap met partijen verder aan de uitbouwagenda. In dat kader ben ik samen met de partijen bezig om de huidige interbestuurlijke visie op het DSO te actualiseren. Dat moeten we testen. We moeten gebruikmaken van praktijkervaringen. Op deze manier blijf ik toewerken naar een digitaal inclusief omgevingsloket. Ik zal u daarover blijven informeren. Dan de vraag van de heer Mooiman over het monitoren op het behalen van resultaten. Het CBS publiceert maandelijks hoeveel nieuwe woningen gerealiseerd zijn, voor hoeveel woningen een bouwvergunning is afgegeven en van hoeveel woningen de bouw is gestart. Daarnaast vraag ik twee keer per jaar cijfers aan de gemeenten over hoe het staat met de voortgang van hun woningbouwplannen. Er is dus zicht. Ik wil graag nog beter zicht en dat wil ik bereiken door bestaande databronnen te koppelen aan de data die ik bij de gemeenten uitvraag, zodat ik een overall beeld krijg en veel gerichter een telefoontje kan plegen als ik ergens zie dat iets onvoldoende van de grond komt en kan vragen wat er nodig is om ervoor te zorgen dat iets wat niet lijkt te lukken wel lukt. Tot slot in dit mapje de vraag van de heer Clemminck over toezicht en handhaving door de gemeenten en of ik kan aangeven of ik een beeld heb van de zorgplicht, de handhaving en de dwangsommen. De algemene zorgplicht uit de Omgevingswet is bedoeld als vangnetbepaling als niks anders geregeld is. De achtergrond is het voorkomen van nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Toezicht en handhaving is alleen aan de orde bij overduidelijke overtredingen van de algemene zorgplicht. Ik beschik niet over cijfers over de aantallen dwangsommen. Dan ga ik door naar het laatste mapje, woningbouw. Ik begin met de vraag van de heer Van Asten, die erover ging dat als je bezwaren wilt verminderen, participatie vooraf belangrijk is. Dat ben ik helemaal met u eens; participatie vooraf is heel belangrijk. Ik zie ook echt goede voorbeelden waarbij dat ook plaatsvindt. Dat gebeurt via het IPLO of via de uitvoeringsondersteuning, en ik kijk via de taskforce ook nog naar andere mogelijkheden voor versnelling. Ik zal deze goede voorbeelden ook onder de aandacht brengen in mijn overleggen in het kader van de actualisatie van de woondeals dit najaar, zodat we vooral sturen op waar het goed gaat en dat kunnen vermenigvuldigen. Dan kom ik bij de vraag van de heer Van Asten over wat de ingreep in Zuid-Holland heeft gedaan. Ik heb begrepen dat diverse amendementen en moties zijn aangenomen om meer ruimte te bieden voor nieuwe buitenstedelijke locaties, maar ik denk dat we er nog niet zijn. Ik blijf dus in gesprek. De heer De Groot vroeg naar de nieuwe grootschalige woningbouwlocaties. Zoals in het coalitieakkoord stond en zoals u hartstikke goed weet, komen er minstens negen nieuwe nationale grootschalige locaties. Ik wil graag locaties aanwijzen waarbij ik vooraf weet dat er een kans van slagen is. Ik loop momenteel dus met de Bosatlaskaart van Nederland rond langs al mijn collega-bewindspersonen, en dan vraag ik: "Waar op deze kaart ziet u problemen met mobiliteit en waar niet? Waar ziet u problemen met netcongestie en waar niet?" Op die manier krijg ik een soort overlay boven op de Bosatlaskaart, om te zien of er locaties zijn waar ik dan op uit zou kunnen komen. Heel eerlijk -- ik zeg het maar vast tijdens dit debat, want anders komt het ongetwijfeld een keer ter sprake in een ander debat -- kijk ik daarbij niet of ze nieuw en vernieuwend zijn. Ik kijk gewoon of het kan, of we er kunnen bouwen en of het passend is: of er werkgelegenheid is, of er beschikbaarheid is op de weg of op het spoor. Ik probeer te zoeken naar locaties waar het kan. Ik heb daarover nu nog geen teleurstellend beeld, want daar komen daadwerkelijk locaties uit waar dit zou kunnen. Dat gaat mijn inzet worden, en ik heb u toegezegd dat ik in de zomer met de helft van deze locaties naar buiten zal komen, en u daarover zal informeren. Ik kijk daarbij natuurlijk naar de Nota Ruimte en naar de VISTA, maar ik kijk ook heel nadrukkelijk naar waar het kan. Daardoor wijzen we geen locaties aan waarbij we vervolgens met elkaar zitten te kijken wanneer de eerste heipaal de grond in kan, alhoewel ik net heb gelezen dat er steeds minder heipalen de grond in gaan, omdat er alternatieve methoden zijn gevonden. Die metafoor moeten we dus misschien maar niet meer gebruiken. Dan de vraag van de heer De Groot ... Uw vraag komt echt, mevrouw Zalinyan, maar ik zie dat die gewoon als allerlaatste voor me ligt. Ik ben nu bij de vraag van de heer De Groot over de transformatie van de vakantieparken. Ik ben op bezoek geweest in Putten, omdat ik dacht: ik moet dit toch beter begrijpen dan alleen uit de woorden van een coalitieakkoord of een programma. Ik wilde zien wat er nou aan de hand was en ook een beetje duidelijk te krijgen of dit heel veel gaat opleveren, en ik er dus heel veel tijd in moet steken omdat het heel veel gaat opleveren, of dat ik er gewoon voldoende tijd in moet steken omdat het voldoende oplevert. U hoort mij niet zeggen: ik steek er geen tijd in omdat het niks oplevert. Dat is niet aan de orde, maar ik ga de grote aantallen waar we het over hebben, de 100.000 woningen per jaar, helaas niet via de vakantieparken kunnen oplossen. Het kan lokaal wel heel veel impact hebben. Dan kom ik terug bij het begin van dit debat, toen het over Moerdijk ging: dit gaat over mensen. Dit gaat erom dat er duidelijkheid voor mensen moet komen over permanente bewoning. Ik zal nu eerst nog iets inhoudelijks zeggen en dan een voorstel doen. Er is een Expertteam Transformatie Vakantieparken, dat bezig is. Dat is inmiddels teruggekomen met een eerste analyse. Ik ga RVO de opdracht geven om proactief het gesprek te voeren met een aantal gemeenten waar de eigenaren van recreatiewoningen en de vve's van vakantieparken een sterke wens hebben om te transformeren. Ik wil het volgende doen. U kreeg al een brief van mij over permanente bewoning op vakantieparken. Die zou u al voor de zomer van mij krijgen. Ik wil u toezeggen dat ik het antwoord op deze vraag toevoeg aan de brief die u toch al voor de zomer zou krijgen. Daarin beschrijf ik welke opdracht de RVO krijgt voor de uitvoering hiervan. De heer Peter de Groot (VVD): Ik ben zelf eigenlijk al mijn hele leven -- ik ben heel kort weggeweest -- woonachtig in Harderwijk. U bent op bezoek geweest in de achtertuin, de mooie Veluwe. Ik weet hoe de situatie in Putten is. Ik heb zelf het transformatieproces in Harderwijk van dichtbij meegemaakt. Dat levert hele mooie resultaten op als de gemeente zelf ook wil. Daar ging mijn vraag over. In Putten is er onder andere het park Maheki, een heel klein park. Dat is één weggetje. Aan de ene kant daarvan staan zeven woningen en aan de andere kant acht. Dat is geen recreatie, maar de gemeente Putten zegt: dat blijft recreatie. Daar gaat mijn punt precies over. De inventarisatie is al een keer gedaan. Het expertteam werkt. Dat weet ik ook. Ik heb mij zeer verdiept in alle parken in Nederland en ik ben het zeer met de minister eens dat we er geen 100.000 woningen mee gaan realiseren. Het gaat echter wel over een heel fors aantal woningen en ook over de zekerheid voor mensen dat ze er mogen blijven wonen. Mijn vraag aan de minister is wat zij doet als een gemeente er niet aan meewerkt, omdat de bevoegdheid nu bij de gemeente ligt. Minister Boekholt-O'Sullivan: De heer De Groot zegt dat de bevoegdheid bij de gemeentes ligt. Dat klopt, maar we hebben de Wet versterking regie volkshuisvesting en die zegt dat gemeenten in hun beleid aandacht moeten besteden aan Beter Benutten. Daarmee moeten ze ook actief kijken naar de transformatie via deze weg. Dit zit dus in de Wet versterking regie volkshuisvesting, maar die is er nog niet door. Vooruitlopend op 1 juli kan ik hier dus niets mee doen, maar op het moment dat we die wet hebben, gelden de afspraken met de provincies en de gemeentes voor hun volkshuisvestingprogramma's. Een onderdeel daarvan is om dan ook in kaart te brengen wat zij beter kunnen benutten. Daar hoort dit onderwerp nadrukkelijk bij. En dan tot slot ... De voorzitter: De heer De Groot heeft nog een vraag. De heer Peter de Groot (VVD): Dat is heel fijn. Ik heb in eerdere moties, aanpakken en ontelbare debatten gevraagd om criteria, zoals we die kennen van de aanpak Vitale Vakantieparken, te maken over wanneer een park zou kunnen transformeren. Als we dat met elkaar doen en een park daaraan voldoet, dan is er eigenlijk geen weg terug, zou ik zeggen. Ik wil de goede recreatieparken vooral als recreatiepark behouden. Als er echter geen kampwinkel en geen zwembad is en er eigenlijk geen sprake is van recreatie, maar er wel nog een recreatiebestemming is, dan zou je eigenlijk de parken die de transformatie kunnen maken met goede afspraken over verevening, aan zet willen laten om die transformatie te maken. Het is een bestuurlijk ding: nu wordt dit vaak tegengehouden. Ik zou de minister willen vragen om daar nog een keer goed naar te kijken om te bezien of we daar geen stappen kunnen maken. Het maakt mij niet zo veel uit of dat is via de Wet regie volkshuisvesting, maar ik zou de minister willen vragen om daar expliciet naar te kijken. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik neem dat mee in de brief. Dit element voeg ik toen aan een andere brief die u toch al van mij kreeg en die hier ook over gaat. Tot slot, in ieder geval wat mij betreft voor deze eerste termijn, kom ik op de verzekerbaarheid van de huizen. Dat was een vraag van mevrouw Zalinyan. Voor de aanvraag van een hypotheek is een opstalverzekering vrijwel altijd verplicht, maar die biedt geen dekking bij een overstroming. Indien er een overstroming is, zal de eigenaar met de kredietverstrekker een oplossing zoeken voor eventueel herstel van schade. Dat gebeurt meestal op basis van maatwerk. De AFM houdt toezicht op het feit dat het klantbelang hierin wordt meegenomen. Het enige wat ik kan doen, is met de AFM in gesprek gaan. Verder dan dat reiken mijn mogelijkheden hierin niet. De voorzitter: Dank u. Ik denk dat u door uw beantwoording heen bent. O, sorry, ik zie dat er een interruptie is van mevrouw Zalinyan. Mevrouw Zalinyan (PRO): Ik heb met smart gewacht, maar niet op dit antwoord. Dat heeft ermee te maken dat ik heel erg benieuwd ben of de minister al in gesprek is geweest met het Verbond van Verzekeraars en met banken. Dit is echt een groot probleem dat op ons afkomt. Een begin daarvan zien we al bij het funderingslabel. Nu is het zo dat het funderingslabel pas op het moment dat je een huis hebt gekocht en het bod aanvaard is, in het taxatierapport naar voren komt en niet vooraf. Dat betekent dus dat kopers echt voor problemen kunnen komen te staan omdat ze gewoon die informatie niet hebben. Daarnaast is verzekerbaarheid ook voor de toekomst groot probleem. Ik zou graag van de minister toch iets meer urgentie willen zien wat betreft dit onderwerp. Minister Boekholt-O'Sullivan: Met deze aanvullende vraag gaat het ook over de labels. Ik ben het met u eens dat daar iets moet gebeuren. Ik ben het ook met u eens dat we die gesprekken moeten voeren. U vraagt: bent u met de banken en de verzekeringsmaatschappijen in gesprek? Dat zijn we in het kader van het Deltaprogramma. De complexiteit is aanzienlijk. We moeten dus ook kijken hoe iedereen zijn eigen rol daarin kan spelen. Het is ook nog maar even de vraag welke rol ik als minister van VRO hierin kan spelen en wat georganiseerd moet worden. De funderingsproblematiek, hitte en overstromingen zijn allemaal elementen waarover we met elkaar in gesprek zijn. Op dit moment blijft het bij het antwoord dat ik u zojuist heb gegeven. Het toezicht wordt door de AFM gehouden, maar de bredere vraag die u hieronder stelt, is of ik de urgentie voel om op al deze onderwerpen in gesprek te zijn en te blijven en om te kijken hoe ik hier regie op kan voeren. Ik voer die gesprekken. Ik ben me ervan bewust. Ik maak me ook zorgen. Ik zei het eerder al: mijn bezorgde gezicht en mijn enthousiaste gezicht zien er misschien altijd een beetje hetzelfde uit, maar dat is niet precies hetzelfde als waar ik vanbinnen door gedreven ben. Ik maak me zorgen over het funderingsprobleem. Ik maak me zorgen over de overstromingen. Ik lees dezelfde artikelen die u daarover leest. Tegelijkertijd is er een tafel waar we hierover spreken. Dat zit binnen dat Deltaprogramma. Daar zal ik dit opnieuw adresseren, met de urgentie waar u mij toe aanmoedigt. Mevrouw Zalinyan (PRO): Dank voor dit antwoord. Toch ben ik op zoek naar iets meer concrete actie, want het bespreken aan een tafel is op dit moment niet voldoende, denk ik. Ik zou dus toch willen vragen hoe de minister dit meeneemt, bijvoorbeeld toch in de Nota Ruimte, maar ook in de bredere afweging als het gaat over woningbouw, bijvoorbeeld als het gaat over woningbouwlocaties, en dat ze die verzekerbaarheid daar echt onderdeel van laat zijn. Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik zit even te kijken wat ik wel kan doen. Wat we sowieso doen in de Nota Ruimte, is "water en bodem sturend". Daar is dit onderdeel van. Tegelijkertijd is dit ook iets wat ik met Financiën moet bespreken, want het gaat over verzekeringsmaatschappijen. Ik kan u dus toezeggen dat ik het met de minister of de staatssecretaris van Financiën zal bespreken en dat ik het op die manier meeneem. De voorzitter: Ik sta nog één interruptie toe aan mevrouw Zalinyan. Mevrouw Zalinyan (PRO): Nog één laatste vraag. Die gaat ook over hetzelfde onderwerp, over klimaatadaptatie. De minister heeft het heel vaak over minder regels. Zij stuurt ook verschillende brieven naar gemeenten om die op te roepen zo min mogelijk regels in te stellen, om woningbouw te versnellen. Daar ben ik het natuurlijk mee eens -- ook wij zijn voor woningbouwversnelling -- maar heeft zij het dan ook over de regels over klimaatadaptatie of meer over de bouwregels, bijvoorbeeld hoe hoog de deurpost is? Minister Boekholt-O'Sullivan: Dat laatste. Om te bevestigen dat we hetzelfde bedoelen, zal ik het als laatste zeggen, voorzitter. Dit gaat over zorgen dat er sneller gebouwd kan worden, dus het gaat om bouwregels en niet de klimaatregels. De voorzitter: Dank. Dan bent u door uw antwoorden heen, denk ik? Dank u wel, minister. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de minister. Ik stel voor dat we meteen doorgaan naar de tweede termijn van de kant van de commissie. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Zalinyan. Ik wijs de commissie erop dat we twee minuten spreektijd hebben en dat ik de interrupties op elkaar ook ga beperken tot twee. Mevrouw Zalinyan. Mevrouw Zalinyan (PRO): Dank, voorzitter. Ik wil allereerst een tweeminutendebat aanvragen. Dank aan de minister voor de beantwoording in de eerste termijn. Ik blijf wel met een aantal kernpunten zitten, met name over het interruptiedebatje dat we net hadden. Op klimaatadaptie hoor ik nog onvoldoende scherpte, ook als het gaat over de keuzes in de Nota Ruimte over wat we gaan beschermen, wat we gaan aanpassen en wat we juist gaan transformeren. Die urgentie vraagt wel echt om keuzes. Ik vraag daarin dus iets meer concreetheid over welke keuzes wel worden gemaakt. Dan de woningmarkt en de klimaatrisico's. Ik mis nog een duidelijke lijn van dit kabinet voor hoe hiermee om te gaan, maar ik hoor inderdaad dat de minister hiermee aan de slag gaat. Ik hoop dus dat wij die terugkoppeling krijgen van hoe het kabinet hiernaar kijkt, en dan niet een soort risico-inschatting, maar echt een beschrijving van welke keuzes er gemaakt worden op basis van die risico-inschatting als het gaat over de verzekerbaarheid. Het gaat namelijk ook over de economie van Nederland en over de clustering van de economie op bepaalde plekken, die ontzettend risicovol is voor ons financiële stelsel op het moment dat we wel extreme weersomstandigheden hebben. Op mijn vraag over de Veluwe is nog geen antwoord gekomen, omdat die gaat over de optelsom van de recreatie. Hoe zal die spreiding geborgd worden in de Nota Ruimte? Dan de datacenters. Ik wil toch iets meer informatie over het afwegingskader met betrekking tot de datacenters, over de maatschappelijke waarde ervan en over de publieke belangen die daarmee gediend zijn. En dan toch nog een keer het drinkwater, omdat de minister zonet geen antwoord gaf op mijn vraag over de drinkwaterbronnen. Die zijn op dit moment niet opgenomen in de Nota Ruimte. Het advies vanuit de drinkwatersector is om dat wel degelijk te doen, omdat onze drinkwaterbronnen heel erg moeten concurreren met verschillende belangen. Dat vraagt dus om keuzes van dit kabinet. De Nota Ruimte is daar de perfecte plek voor, dus ik zou de minister toch willen oproepen tot veel meer concreetheid, en ik krijg graag de toezegging dat ze dit gaat doen. Dank, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Ik ga naar mevrouw Steen. Mevrouw Steen (CDA): Dank aan de minister voor de uitgebreide toelichting en voor de toezeggingen. Die stel ik zeer op prijs. Ik zou de minister willen aanmoedigen om toch eens dieper te kijken naar het belanghebbendenbegrip, of in ieder geval de toegang tot de beroepsprocedures. Natuurlijk is het Verdrag van Aarhus een ondergrens, maar er zijn volgens mij best wel mogelijkheden om beroepsgronden te beperken. Ik denk dat het echt verstandig is om daar eens naar te kijken. Wellicht kan ze dat in dat onderzoek betrekken, en anders denk ik ook graag met haar mee. Ik kijk ook uit naar de definitie van "water en bodem sturend". Ik hoop echt dat we daarover in november strak met elkaar in gesprek kunnen. Daar kijk ik naar uit. Dan brede welvaart en kleine kernen. Ik ben nog niet helemaal tevreden over het antwoord en de plaatsing, vooral als het gaat over de MER en over hoe we het dan gaan doen. Ik ben, net als de minister, heel erg tegen extra administratieve lasten, maar ik ben wel voor verstandige en brede afwegingen en voor het zichtbaar maken daarvan. Ik denk dat dat heel belangrijk is, dus volgens mij kunnen we daar best iets voor bedenken. Ook daar wil ik graag over meedenken met de minister. Ik daag haar dus uit om, nog los van procedurele MER-zaken, eens te kijken of we een soort apk voor leefbaarheid kunnen bedenken als het gaat over brede afwegingen voor met name leefbaarheid en kleine kernen. De heer Van Asten (D66): Ondanks het late tijdstip misschien toch even een kort debatje hierover. Ik zie dat een heleboel gemeentes daarvoor hun eigen systeem hebben. Utrecht heeft bijvoorbeeld de streepjescode, een mooie term. Hier in Den Haag hadden we ook een systeem voor voorzieningen. Wil mevrouw Steen dat we een nieuwe methode over het land verspreiden, zodat al die lokale streepjescodes eraf gaan? Of moeten we het toch op gemeentelijk niveau laten? Mevrouw Steen (CDA): Ik denk dat we vooral moeten kijken hoe we gemeenten kunnen helpen. Niet alle gemeenten hebben namelijk een enorm ambtelijk apparaat. Met name de rurale gemeenten, zonder duizenden ambtenaren die streepjescodes kunnen ontwikkelen, hebben problemen met die afwegingen. Dan is het fijn als er een Rijk is dat de regie neemt en dat helpt om eens te kijken hoe je die brede afweging maakt. Bovendien vind ik het belangrijk dat we dat niet uit het oog verliezen als wij ruimte gaan alloceren in de Nota Ruimte en dus regie gaan nemen op het verdelen van die schaarse ruimte. Dan vind ik het supertof dat er een streepjescode is in Utrecht, maar dan vind ik het minder tof als er kleinere gemeenten zijn, met iets minder slagkracht, die misschien niet zo vocaal zijn. Ik wil dus heel graag dat we in brede zin dit soort bredewelvaartsafwegingen kunnen maken en daar ook voor kunnen staan als Rijk. De voorzitter: Dank u wel. Was u ook al door uw bijdrage in de tweede termijn heen? Ja, dat was u. Dan is het woord aan meneer Van Asten. De heer Van Asten (D66): Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Voor D66 zijn er twee punten belangrijk bij dit debat. Het eerste is dat de versnelling echt aan de voorkant zit. Moedig gemeentes aan en ondersteun ze om woningbouw rechtstreeks in hun omgevingsplan mogelijk te maken, wellicht zoals Vught dat heeft gedaan. Dan is de uitzondering niet langer de standaardroute. Ten tweede: één bezwaarmisbruiker mag een heel project niet jarenlang ophouden. Zorg voor kortere procedures, zodat de schop eerder de grond in kan voor de mensen die nú wachten op een woning. Mijn hoofdboodschap blijft overeind. Het kan wel. Bouwen moet de regel worden, en de procedure de uitzondering. Dat moet niet voor het papier, maar voor iedereen die op zoek is naar een huis. Dank u wel. De voorzitter: Dan gaan we luisteren naar mevrouw Wiersma. Mevrouw Wiersma (BBB): Voorzitter, dank. Ik wil de minister bedanken voor de antwoorden. Daar waar het gaat om de ontwikkelruimte en de kavels die verpacht worden, ben ik nog niet helemaal tevreden. Ik hoop dat de minister daar op korte termijn wat actie op kan ondernemen. Als je investeringen vraagt die ook daadwerkelijk bijdragen aan de doelen die je daar gerealiseerd wilt zien, zit daar namelijk een enorm kostenplaatje aan verbonden. Ik ben ook wel benieuwd of de minister in de komende tijd een terugkoppeling kan geven over wat haar inzet daarop is geweest. Mijn bijdrage ging voor de rest natuurlijk met name over Moerdijk. We hebben het daar uitvoerig over gehad en we zullen het er binnenkort nog uitvoeriger over hebben, dus tot dan laat ik het even rusten. De voorzitter: Dank u wel. De heer De Groot. De heer Peter de Groot (VVD): Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie punten. Ik had graag verder met de minister gesproken over de problematiek op vakantieparken, maar het voert echt te ver om dat hier nu tot achter de komma te doen. Wat betreft woningbouwlocaties ben ik heel blij dat de minister gewoon met een Bosatlas met de kaart van Nederland rondloopt. Dat pragmatisme is namelijk echt keihard nodig. Ik heb dat zelf gezien, omdat ik de afgelopen jaren -- ik zal niet zeggen "ontelbare moties" -- moties heb ingediend, bijvoorbeeld over Almere Pampus, waar de minister een deal heeft gemaakt, maar bijvoorbeeld ook over Rijnenburg. Dat waren gewoon hele goede locaties, maar daar zat het politiek-bestuurlijk lokaal heel moeilijk. Wij zetten daar nu wel stappen met elkaar. Dat was eigenlijk de reden waarom ik ook al die andere locaties noemde, namelijk omdat dat in mijn ogen pragmatische locaties zijn waar aan veel van deze voorwaarden wordt voldaan, maar waar ook nog wel politiek-bestuurlijke belemmeringen liggen. Ik wil dus maar zeggen dat ik me kan voorstellen dat de minister soms nog die politiek-bestuurlijke belemmeringen zou moeten slechten om die locaties te kunnen aanwijzen. Maar ik wacht rustig af met welke locaties de minister deze zomer komt. Dan het laatste: Defensie en wonen. Ik heb bij het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie namelijk een motie ingediend met het verzoek aan de regering om met een aanpak te komen om deze woonruimte te realiseren en te kunnen toewijzen aan Defensiepersoneel. De staatssecretaris heeft mij gevraagd om die motie aan te houden, maar heeft wel toegezegd om de behoefte te inventariseren en te gaan verkennen welke ruimte er is voor toewijzing, omdat bepaalde gemeenten in Nederland het al doen. Ik zie hier misschien wel een hele mooie samenwerking ontstaan tussen de staatssecretaris en de minister. Ik wacht hier gewoon rustig op en ik zal er, via u, voorzitter, bij de minister of bij de staatssecretaris op blijven aandringen, omdat ik denk dat het een belangrijk punt is. De voorzitter: Dank u wel. Ik weet dat de heer Clemminck afziet van een tweede termijn. Ik kijk naar de minister. Hoeveel tijd heeft u nodig voor de beantwoording dadelijk? Minister Boekholt-O'Sullivan: Ik denk dat ik met een minuut of zeven een eind moet komen. De voorzitter: Dan stel ik voor dat wij hier iets voor zessen weer terug zijn. Ik schors de vergadering. De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. De voorzitter: Ik heropen de vergadering van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. We zijn toe aan de tweede termijn aan de kant van de minister. Ik geef graag het woord aan de minister. Minister Boekholt-O'Sullivan: Dank u wel, voorzitter. Ik ga eerst in op de vragen. Ik begin met de vraag van mevrouw Zalinyan of er voldoende spreiding is van recreatie over het land. Ik neem dit niet op in de Nota Ruimte, omdat die gaat over de grote landelijke opgaves, terwijl de ruimte voor recreatie, campings en recreatieparken vooral gebiedsgericht maatwerk is. We hebben wel een Regio Deal Veluwe en een aanpak Vitale Vakantieparken. Op die manier proberen we echt wel eraan bij te dragen om ervoor te zorgen dat de toekomstbestendige recreatiesector, met name op de Veluwe, stand kan houden. We kijken er niet van weg. Ik zeg alleen dat ik niet denk dat het in de Nota Ruimte thuishoort. Maar ik vind wel dat we bij die aanpakken nadrukkelijk mee moeten kijken hoe we dat gaan doen. Ik verwacht ook dat er aandacht zal zijn voor de recreatiedruk op de Veluwe in relatie tot het halen van de natuurdoelen aldaar, via het interbestuurlijke programma Aanpak Veluwe. Dan de tweede vraag van mevrouw Zalinyan, over het drinkwater. Waterwingebieden zijn een provinciale verantwoordelijkheid. IenW werkt hieraan via twee sporen: de beschikbaarheid van bronnen en de besparing. Ik ga de Nota Ruimte hierop aanvullen, zodat we in ieder geval uw zorgen een plek geven in de nota Ruimte. Maar dit betekent niet -- volgens mij vraagt u mij dat ook niet -- dat we bronnen gaan intekenen, maar we geven wel het punt een plek op basis van waar de minister van IenW mee komt. Dan de vraag van mevrouw Zalinyan over de concreetheid van klimaatadaptaties. We moeten scherpere keuzes maken naar aanleiding van actuele ontwikkelingen. Dat doen we met het uitbrengen van de NAS, dat doen we met Woontopafspraken en we zullen de teksten in de Nota Ruimte hierop aanscherpen. Dan de vraag van mevrouw Zalinyan over het afwegingskader datacentra. Zoals ik net heb gezegd, zijn we begonnen met de eerste stappen richting een nationale strategie voor datacentra. Dat heeft een ruimtelijke component. Het Rijk moet ook hier meer een regierol in gaan nemen. Na de zomer wordt u door de staatssecretaris van EZ per brief geïnformeerd over deze aanpak. Daar kan ik nu nog niet op vooruitlopen. Wel kan ik zeggen dat als dit leidt tot aanpassingen en aanscherpingen in de Nota Ruimte, we dat meenemen. Dan de vraag van mevrouw Steen over de leefbaarheidstoets. Die blijf ik ingewikkeld vinden, dus misschien moeten we daar een keer separaat over doorpraten. We hebben wel via de collega-bewindspersoon van BZK een Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid. We hebben het Nationaal Programma Vitale Regio's. We hebben de Regio Deals. Dat is niet wat u zoekt -- dat weet ik -- maar ik kan u nu niet bieden wat u zoekt. Wat ik zou willen voorstellen is dat we hier een keer separaat over doorpraten om te kijken of ik een oplossing kan vinden voor wat u zoekt. Is dat akkoord? Dan de belanghebbenden. Het is goed om naar de belanghebbenden te kijken. Dat moeten we ook doen. Dat doen we ook met JenV en met IenW. Ik wil dit borgen in de vereenvoudigingswet en daarbij kijken hoe we daar betere invulling aan kunnen geven, want ik begrijp uiteraard de oproep. Dan het verzoek van mevrouw Wiersma. Ik ga zorgen dat u een terugkoppeling krijgt op basis van een of twee gesprekken die daar gevoerd moeten worden, zodat u weet wat ik daadwerkelijk met uw zorg heb gedaan. Dan heb ik volgens mij alle vragen uit de tweede termijn beantwoord. De voorzitter: Dan dank ik u, minister. Ik zie nog één interruptie van mevrouw Zalinyan. Mevrouw Zalinyan (PRO): Twee kleine dingen. Eentje gaat over de datacenters. Moet ik dan denken aan bijvoorbeeld aanwijzing op locatieniveau of moet ik aan iets anders denken als we het over datacenters en keuzes hebben? Het tweede is dat ik de minister zou willen aanmoedigen om ook op bezoek te gaan in de wijk Pathmos, omdat daar echt heel erg zichtbaar is hoe het niet maken van keuzes rond klimaatadaptatie mensen raakt. Ik denk dat dit een heel mooie plek is om inspiratie op te halen. Minister Boekholt-O'Sullivan: We gaan geen specifieke locaties in de Nota Ruimte opnemen, dus je moet het meer zien als: welke plek krijgt het binnen Nederland en hoe kijken we daarnaar. Dan over uw verzoek om op bezoek te gaan. Ik ben daar al een keer geweest, overigens niet als minister, dus ik heb gezien hoe ernstig dat is. Voor mij is dat het toonbeeld van hoe we met elkaar moeten voorkomen dat zoiets nog een keer kan gebeuren. De voorzitter: Dan dank ik de minister voor haar tweede termijn. Dan ga ik met u nog langs de lijst met toezeggingen en de administratie, en dan kijk ik naar de minister en de leden voor confirmatie daarvan. - Allereerst. Voorafgaand aan het geplande commissiedebat Ruimtelijke ordening op 25 november aanstaande deelt de minister de concept-definitieve versie van de Nota Ruimte met de Kamer, zodat de leden inzicht kunnen krijgen in de uitwerking van de aangenomen moties. - Twee. De minister gaat voor het einde van de maand met de staatssecretaris van KGG op bezoek bij de gemeente Moerdijk om in gesprek te gaan over de toekomst van het dorp Moerdijk. Krijgt de Kamer wellicht ook een terugkoppeling van het bezoek? Minister Boekholt-O'Sullivan: Dat doe ik dan graag via de staatssecretaris. De voorzitter: Dan noteren we: via de staatssecretaris. - Dan ben ik bij de toezegging aan mevrouw Steen van het CDA. De minister deelt voor het geplande commissiedebat Ruimtelijke ordening van 25 november aanstaande de uitkomst van het onderzoek naar water en bodem sturend met de Kamer. - De staatssecretaris van EZK deelt na de zomer de nationale strategie voor datacentra met de Kamer. - De minister deelt volgende week een kabinetsreactie over de evaluatie van het DSO met de Kamer. - De minister komt in de eerder toegezegde brief over de recreatieparken tevens met de uitkomst van de eerste analyse van het Expertteam Transformatie Vakantieparken. - Een terugkoppeling aan mevrouw Wiersma van de BBB. De minister komt met een brief met daarin een terugkoppeling over de gesprekken die de minister gaat voeren op het gebied van kavels. Ten slotte heb ik genoteerd dat mevrouw Zalinyan namens PRO een tweeminutendebat heeft aangevraagd. Dat zullen we inplannen, samen met, geloof ik, nog 59 andere tweeminutendebatten voor de zomer. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit commissiedebat. Ik dank iedereen voor de belangstelling. Uiteraard dank aan de minister voor de beantwoording en aan de leden voor hun inbreng. Daarmee sluit ik deze vergadering. Sluiting 18.03 uur.
Versie a80e1244bae8a37b1e54bf8bebb56a29d5b9cf610f267f0faf37b7edeb866e4d · Officiële bron.
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 11 juni 2026, over Ruimtelijke Ordening
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.