KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

16 sep 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 4a831830c99331c6 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING InhoudsopgaveI.ALGEMEEN21.Inleiding22.Pakket Belastingplan 202623.Opzet algemeen deel54.Inkomensbeleid65.Algemene toelichting maatregelen in wetsvoorstelBelastingplan 202695.1Verduidelijking fietsregeling95.2Maatregelen lucratiefbelangregeling125.3Aanpassingen box 3215.4Uitsluiten niet-marktconform handelendegelieerde partijen van toepassing leegwaar-deratio245.5Reparatie box 3-tegenbewijsregeling voorobligaties en andere vermogensbestandde-len met kortlopende termijnen265.6Aanpassingen groen beleggen335.7Akkoord «gezond naar het pensioen»345.8Versoberen ETK-regeling375.9Fiscale normering markt voor voertuigengericht op personenvervoer415.10Voorstel ongelijke breukdelen bij eenhuwelijksgoederengemeenschap555.11Schenkingen binnen 180 dagen vooroverlijden645.12Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelas-ting van biologische kinderen665.13Verlegging ingangsdatum belastingrenteerfbelasting en aangiftetermijn erfbelasting685.14Emissievrije bijzondere personenauto’s enemissievrije motorrijwielen735.15Autonome vergroening745.16Tariefkorting motorrijtuigenbelastingemissievrije personenauto’s75 kst-36812-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 31 5.17Kwarttarieven motorrijtuigenbelasting785.18Ophoging en afschaffing heffingsplafondbelasting op leidingwater795.19Hervormingen afvalstoffenbelasting835.20Aanpassingen CO2-heffing industrie895.21Belastingvermindering energiebelasting995.22Aanpassing zuiveldefinitie1015.23Koopkrachtmaatregel BES-eilanden1085.24Verlengen verlaagde accijnstarieven voorongelode benzine, diesel en LPG1096.Budgettaire aspecten1107.Grenseffecten1198.EU-aspecten1219.Gegevensbescherming12210.Doenvermogen12411.Gevolgen voor burgers en het bedrijfsleven13112.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Douane enDienst Toeslagen14013.Advies en consultatie143II.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING146 I. ALGEMEEN 1. Inleiding Voor u ligt het wetsvoorstel Belastingplan 2026 (BP 2026). Hetwetsvoorstel bevat onder andere het inkomensbeleid voor het komendejaar en fiscale maatregelen met (budgettaire) gevolgen die samenhangenmet de begroting voor het jaar 2026. Voor de meeste maatregelen in ditwetsvoorstel is het wenselijk dat deze maatregelen per 1 januari 2026 inwerking treden.2. Pakket Belastingplan 2026 Het pakket Belastingplan 2026 bestaat uit acht wetsvoorstellen met daarineen breed palet aan (fiscale) maatregelen op verschillende terreinen.Naast de maatregelen met een budgettair effect en technische wijzi-gingen, wordt voorgesteld een aantal actuele maatschappelijke opgavenaan te pakken. In de wetsvoorstellen in dit pakket zijn onder andereambities op het terrein van arbeid en inkomen, aanpak belastingcon-structies en klimaat uitgewerkt. De plannen voor die thema’s wordenhieronder kort toegelicht. Een uitgebreidere toelichting op de afzonderlijkewetsvoorstellen vindt u in de memories van toelichting bij de betreffendewetsvoorstellen.Samenstelling pakket Belastingplan 2026Het pakket Belastingplan 2026 bestaat uit de volgende acht wetsvoor-stellen:•Wetsvoorstel Belastingplan 2026;•Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2026;•Wetsvoorstel wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media ensport;•Wetsvoorstel wet differentiatie tarief vliegbelasting;•Wetsvoorstel wet stroomlijning fiscaal inzagerecht;•Wetsvoorstel Tweede wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024;•Wetsvoorstel wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisselingminimumbelasting; enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 32 •Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met denadere operationalisering van het mechanisme voor een koolstofcor-rectie aan de grens.Het pakket Belastingplan 2026 is zo veel mogelijk beperkt tot maatregelendie met ingang van 1 januari 2026 in werking moeten treden of vanwegede uitvoerbaarheid voor die datum in het Staatsblad moeten zijnopgenomen. Fiscale maatregelen die met ingang van 1 januari 2027 oflater in werking kunnen treden, worden zo veel mogelijk als zelfstandigewetsvoorstellen ingediend of opgenomen in het wetsvoorstel Fiscaleverzamelwet 2027 dat het komende voorjaar bij de Staten-Generaal wordtingediend. Hierbij zal het doorgaans niet gaan om fiscale maatregelen metbudgettair effect.Arbeid en inkomenHet borgen van een positieve koopkrachtontwikkeling is een belangrijkonderdeel van het pakket Belastingplan 2026. Het kabinet wil investeren ineen verhoging van de arbeidskorting om werken meer te laten lonen. Demaatregelen die het kabinet neemt en de gevolgen daarvan zijn toegelichtin paragraaf 4 van dit algemeen deel van deze memorie.VereenvoudigingHet is een breed gedragen wens om tot vereenvoudiging van de stelselsvan belastingen, toeslagen en sociale zekerheid te komen. Dit kabinet zetdaartoe verschillende stappen, zowel groot als klein. Een deel van dezemaatregelen is opgenomen in dit wetsvoorstel. Met de maatregelaanpassing zuiveldefinitie wordt er voorgesteld om de zuiveluitzonderingzo aan te passen dat deze alleen komt te gelden voor de meest purezuivel- en sojadranken, zoals magere- en halfvolle melk. Ook pakt hetkabinet een constructie rondom estate planning aan. Door een arrest vande Hoge Raad (HR) van 16 februari 2024 is duidelijk geworden dat hetmogelijk is om erfbelasting te ontwijken door in huwelijkse voorwaardende gerechtigdheid tot de huwelijksgoederengemeenschap aan te passen(zie paragraaf 5.10). Deze maatregelen hebben beide een budgettaireopbrengst en dragen bij aan de invulling van de stelpost «aanpak vanfiscale regelingen en belastingconstructies». Verder pakt dit kabinetbelangrijke signalen op uit de Stand van de Uitvoering van de Belasting-dienst. Zo krijgen burgers met de verruiming van de ingangsdatum van debelastingrente en aangiftetermijn erfbelasting van acht maanden naartwintig maanden na overlijden meer tijd om juist en volledig aangifte tedoen (zie paragraaf 5.13).KlimaatHet kabinet neemt aanvullende maatregelen om het klimaatdoel van 55%emissiereductie in 2030 weer binnen bereik te krijgen. Als onderdeel vandit pakket zet het kabinet ook een extra stap in de vergroening van hetbelastingstelsel. Er wordt voorgesteld om het heffingsplafond in de BOLstapsgewijs af te schaffen en de afvalstoffenbelasting te hervormen. Metde maatregel hervormen Avalstoffenbelasting stelt het kabinet hetafschaffen van de vrijstelling voor zuiveringsslib voor en het invoeren vaneen tarief voor storten met een ontheffing. Het kabinet neemt fiscalemaatregelen om de transitie naar elektrische auto’s op korte termijn teversnellen. Met de maatregel fiscale normering markt voor voertuigengericht op personenvervoer wordt de ingroei van elektrische auto’sversneld door per 2027 de zakelijke markt voor voertuigen gericht oppersonenvervoer te normeren (zie paragraaf 5.9). De normering wordtvormgegeven via een pseudo-eindheffing in de loonbelasting. DaarnaastTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 33 wil het kabinet elektrische en benzine personenauto’s gelijker te belastenin de motorrijtuigenbelasting, en heeft daarom besloten om de tarief-korting voor elektrische personenauto’s te verhogen van 25% naar 30% inde periode 2026 tot en met 2028. Deze wijziging is opgenomen in demaatregel tariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije personen-auto’s (zie paragraaf 5.16).Brede welvaartJaarlijks bestaat het pakket Belastingplan uit een breed palet aan (fiscale)maatregelen op verschillende terreinen. Daarbij ligt doorgaans de nadrukop maatregelen met een budgettair effect en technische wijzigingen dieop 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar ingaan. Van fiscalemaatregelen kan ook een financiële prikkel uitgaan die gedrag kanbeïnvloeden, bijvoorbeeld door het stimuleren van gewenst gedrag of hetontmoedigen van ongewenst gedrag. Hiermee kan het belastingstelselgericht bijdragen aan maatschappelijke opgaven, zoals het verduurzamenvan de economie door vergroening van belastingtarieven. Recentebelastingplanpakketten bevatten bijvoorbeeld voorstellen op het terreinvan arbeid en inkomen, vereenvoudiging, klimaat, vermogen, wonen engezondheid. Daarbij is het een uitdaging om vooruitgang uit te drukken inandere vormen dan economische groei en materiële welvaart. Het kabinetonderschrijft daarom de toegevoegde informatiewaarde van bredewelvaart. In het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2023 heeft het kabineteen uitgebreid overzicht van de ontwikkeling van brede welvaartgeschetst, op basis van de Monitor Brede Welvaart van het CentraalBureau voor Statistiek (CBS).1Spreiding van wetgevingHet kabinet hecht aan spreiding van fiscale wetgeving. Een ruime, reëlevoorbereidingstijd voor nieuwe wetgeving en de gelegenheid voor beideKamers om daar zorgvuldig naar te kijken, komt de kwaliteit ten goede.Kamerleden van beide Kamers2 en diverse adviesorganen vragen hier ookal geruime tijd terecht aandacht voor. Daarom hanteert het kabinet devolgende uitgangspunten voor fiscale wetgeving:1)De beleidsmatig meest ingrijpende en voorzienbare wetsvoorstellenover de kabinetsperiode spreiden en als zelfstandig wetsvoorstel meteen eigen regulier wetgevingstraject indienen.2)Minder beleidsmatig en meer technische en kleinere fiscale wijzigin-gen opnemen in een fiscale verzamelwet, die als zelfstandigwetsvoorstel met een eigen regulier wetgevingstraject in het voorjaarwordt ingediend.3)Fiscale wetgeving opnemen in een pakket Belastingplan als een vande volgende omstandigheden speelt:–Er bestaat een budgettaire samenhang met de begroting vanvolgend jaar;–er bestaat voor de reparatie van jurisprudentie noodzaak voor deinwerkingtreding (rekening houdend met implementatietermijnenof overgangsrecht) voor het eerstvolgende kalenderjaar; of–er bestaat politieke noodzaak of een toezegging voor inwerkingtre-ding voor het eerstvolgende kalenderjaar.Het kabinet acht het noodzakelijk om tijdig te kunnen reageren opverschillende ontwikkelingen, zoals rechterlijke uitspraken enmaatschappelijke of politieke gebeurtenissen. Dit kan vragen omtijdige invoering van fiscale maatregelen die niet direct budgettairsamenhangen met de eerstvolgende begroting, maar wel urgent zijn.1Financieel Jaarverslag van het Rijk 2024; Monitor Brede Welvaart & SDG’s.2Kamerstukken II 2024/25, 36 602 nr. 127Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 34 VerzamelwetsvoorstellenHet onderhavige wetsvoorstel is een inhoudelijk verzamelwetsvoorstel envoldoet aan de criteria uit de notitie Verzamelwetgeving3 en aanwijzing6.44 uit de Aanwijzingen voor de regelgeving. In het onderhavigewetsvoorstel is sprake van budgettaire, thematische en-/ of uitvoerings-technische samenhang. Zo wordt de opbrengst van bepaalde maatregelengebruikt als dekking voor andere maatregelen. Het wetsvoorstel bestaatuit verschillende maatregelen die te klein zijn om als zelfstandigwetsvoorstel in te dienen. Het is op voorhand niet de verwachting dat eenvan de onderdelen van dit wetsvoorstel dermate politiek omstreden is dateen goede parlementaire behandeling van andere onderdelen in hetgeding komt.Artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016Artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016 schrijft voor dat beleidsvoor-stellen aan de Tweede Kamer dienen te zijn voorzien van een toelichtingop nagestreefde doelstellingen, doeltreffendheid en doelmatigheid,beleidsinstrumentarium, financiële gevolgen voor het rijk en eenevaluatieparagraaf. De afwegingskaders waarin voornoemde toelichtingop de beleidskeuzes van het kabinet, per in dit wetsvoorstel opgenomenmaatregel, worden beschreven, zijn toegevoegd als bijlage bij het pakketBelastingplan 2026.3. Opzet algemeen deel De paragrafen in het algemeen deel van deze memorie zijn op onderwerpen maatregel gerangschikt. Paragraaf 4 gaat in op het inkomensbeleid.Vanaf paragraaf 5 wordt per maatregel in het BP 2026 een toelichtinggegeven. In die paragraaf wordt ook per maatregel ingegaan op dedoelmatigheid en de doeltreffendheid.Doeltreffendheid is de mate waarin de beleidsmaatregel er naarverwachting in zal slagen om het gestelde beleidsdoel te bereiken.Uiteengezet wordt hoe en in welke mate de in te zetten instrumenten naarverwachting bijdragen aan het realiseren van het doel. De doelmatigheidis de mate waarin dat tegen zo laag mogelijke kosten gebeurt en hoe datin verhouding staat tot de gestelde doelen. Het kan gaan om budgettairegevolgen, maar ook om maatschappelijke gevolgen of uitvoeringskosten.Daarnaast wordt per maatregel in het algemeen deel van deze memorieinformatie over een al dan niet beoogde evaluatie of monitoring van deop voorhand ingeschatte doelmatigheid en doeltreffendheid gegeven.Daarbij komt ook de benodigde beleidsinformatie aan bod. Het isbelangrijk om voorafgaand aan de implementatie van nieuw beleid tebepalen hoe die informatie wordt vergaard en hoe het beleid zal wordengeëvalueerd. Dit draagt bij aan een effectieve toetsing van de effectiviteiten efficiëntie van overheidsbeleid. De Strategische Evaluatie Agenda(SEA) die wordt meegestuurd met de begroting Financiën en NationaleSchuld bevat een meerjarig overzicht van alle beleidsevaluaties op hetterrein van belastingen en toeslagen.Voor een nadere toelichting op de afzonderlijke maatregelen wordt ookverwezen naar de artikelsgewijze toelichting. Het slot van het algemeendeel van deze memorie gaat in een aantal paragrafen achtereenvolgens inop de budgettaire aspecten, de EU-aspecten, de gegevensbescherming,de grenseffecten, de gevolgen voor bedrijfsleven en burgers, de uitvoe-ringsgevolgen en het resultaat van advies en consultatie.3Kamerstukken I 2010/11, 32 500 VI, M.4Aanwijzing 6.4 Toelaatbaarheid verzamelwetten (kcbr.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 35 4. Inkomensbeleid Het kabinet wil investeren in een verhoging van de arbeidskorting omwerken meer te laten lonen. Voorgesteld wordt dit te dekken uit hetverhogen van het tarief in de eerste schijf van de loon- en inkomstenbe-lasting. Met deze maatregelen wordt de koopkrachtontwikkeling vanwerkenden ten opzichte van uitkeringsgerechtigden dichter bij elkaargebracht.De tariefwijzigingen in de loon- en inkomstenbelasting zoals opgenomenin dit wetsvoorstel bevatten naast de uitwerking van het koopkrachtpakketook een verhoging van de tarieven in de eerste en tweede schijf alsdekking voor de compensatie van de zorgpremies uit de Voorjaarsnota.TabelcorrectiefactorIn het Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Schoof5 is een stelpostopgenomen voor fiscale regelingen en constructies. Het doel van dezestelpost is de doelmatigheid van het fiscale stelsel te vergroten en hetstelsel verder te versimpelen door (negatief geëvalueerde) fiscaleregelingen af te schaffen of te versoberen en onbedoelde constructies aante pakken. Ook is in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen dat voor zoverdeze maatregel niet wordt gerealiseerd de noodremafspraak voor delasten in werking treedt. Deze noodremafspraak houdt in dat om dederving op te vangen voor het deel van de stelpost dat niet wordtgerealiseerd, voor een aantal bedragen voor de inkomstenbelasting en deloonbelasting de reguliere inflatiecorrectie via de tabelcorrectiefactorbeperkt wordt toegepast. Omdat het niet is gelukt de stelpost volledig inte vullen met het afschaffen en versoberen van fiscale regelingen en hetaanpakken van fiscale constructies, wordt voorgesteld de tabelcorrectie-factor per 1 januari 2026 beperkt toe te passen.De wettelijke inflatiecorrectie per 1 januari 2026 bedraagt 2,9%. Dit komtovereen met een tabelcorrectiefactor van 1,029. Om voor de benodigdedekking voor het invullen van de stelpost te zorgen, wordt voorgesteld dewettelijke inflatiecorrectie voor 95,8% toe te passen. De daaruit volgendeindexatiefactor is 1,027782.6De beperkte toepassing van de inflatiecorrectie heeft onder anderegevolgen voor de bedragen van de heffingskortingen en de bedragen inde eerste en tweede kolom van de tabellen voor de inkomstenbelastingdie bepalen in welke tariefschijf een belastingplichtige valt. Er zijn echtermeer bedragen die op grond van dit voorstel per 1 januari 2026 voor deinkomstenbelasting met deze afwijkende indexatiefactor wordengeïndexeerd. Naast deze bedragen wordt de tabelcorrectiefactor voor deinkomstenbelasting onder andere ook gebruikt voor de grenzen in de5Kamerstukken II 2023/24, 36 471, nr. 37, bijlage «Hoofdlijnenakkoord HOOP, LEF EN TROTS»,budgettaire bijlage.6Voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 en derhalve vallen onder de in artikel 2.10aWet IB 2001 en artikel 20b Wet LB 1964 opgenomen tarieftabellen wordt de eersteschijfgrensvan die tabellen op grond van artikel 10.1, tweede lid, Wet IB 2001 en artikel 20a, tweede lid,Wet LB 1964 geïndexeerd met de uitkomst van de formule: 1 + (75% x (tabelcorrectiefactor –1)). De gevolgen van de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor voor deze artikelenworden nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.Voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 worden in artikel 2.10a van de Wetinkomstenbelasting 2001 en artikel 20b van de Wet op de loonbelasting 1964 geldt dat deeersteschijfgrens die op grond van artikel 10.1, tweede lid, Wet IB 2001 wordt geïndexeerd metde uitkomst van de formule: 1 + (beperkte toepassing tabelcorrectiefactor (75% x (tabelcorrec-tiefactor – 1))). De uitkomst van deze formule is 1,0208365. De gevolgen van de beperktetoepassing van de tabelcorrectiefactor voor deze artikelen worden nader toegelicht in deartikelsgewijze toelichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 36 kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, de maximumbedragen voor devrijstellingen van groen beleggen en van contant geld, de aanslag- enteruggavedrempel en de hoogste grens van de eigenwoningwaarde voorhet eigenwoningforfait.Niet bij alle bedragen voor de inkomstenbelasting zorgt het niet of mindergecorrigeerd worden voor de inflatie voor een opbrengst. Denk bijvoor-beeld aan het bedrag van de verschuldigde belasting waarbij nog geenaanslag wordt opgelegd. De opbrengst van het minder indexeren vanheffingskortingen en tariefschijven is echter vele malen hoger dan dezegeringe derving. Het kabinet heeft er voor de duidelijkheid voor gekozenom de beperking van het toepassen van de inflatiecorrectie voor deinkomstenbelasting te laten gelden voor zover de bedragen geïndexeerdworden met de tabelcorrectiefactor. Ook de daarmee corresponderendebedragen in de loonbelasting worden beperkt geïndexeerd. Voorgesteldwordt dat de voor de loonbelasting geldende bedragen die aansluiten bijde voor de inkomstenbelasting geldende bedragen de facto eveneens metde hiervoor genoemde indexatiefactor van 1,0277827 wordengeïndexeerd. Dit betreft de tarieftabellen en de heffingskortingen.8 Omdatde loonbelasting een voorheffing is op de inkomstenbelasting is het vanbelang dat de bedragen voor de loonbelasting aansluiten bij de corres-ponderende voor de inkomstenbelasting geldende bedragen.In het wetsvoorstel Wet behoud verlaagde btw-tarief op cultuur, media ensport9, wordt ook een beperking van de toepassing van de inflatiecorrectievoorgesteld. Deze twee wijzigingen samen betekenen dat de toe te passeninflatiecorrectie voor 2026 voor 52,8% wordt toegepast. In dat geval wordtde te hanteren indexatiefactor vastgesteld op 1,015312. In dit wetsvoorstelwordt alleen de beperking geregeld die als dekking dient voor de stelpostfiscale regelingen en constructies uit het Hoofdlijnenakkoord. De daaruitvolgende indexatiefactor is 1,027782.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet kabinet wil werken meer laten lonen. Daarom wordt de arbeidskortingverhoogd. Het systeem van de tariefstructuur en heffingskortingen in deinkomstenbelasting realiseert per definitie de door het kabinet gewensteverdeling van besteedbare inkomens. Het voorlopige koopkrachtbeeld laatzien dat door de maatregelen de koopkrachtontwikkeling van werkendenen uitkeringsgerechtigden dichter bij elkaar komt. De wijzigingen zijndaarom doeltreffend. Door voorgestelde wijzigingen betreffen verande-ringen van de hoogte van parameters in het stelsel. Hierdoor neemt decomplexiteit van het stelsel niet verder toe. De wijzigingen zijn ookdoelmatig: het kabinet is geen andere maatregel bekend die tegen minderkosten hetzelfde doel bereikt. Er is geen evaluatie voorzien van dewijzigingen, het betreft kleine parameteraanpassingen.7Tabelcorrectiefactor als alleen rekening wordt gehouden met de benodigde dekking voor hetbehoud van het verlaagde btw-tarief.8Voor belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 en derhalve vallen onder de in artikel 2.10aWet IB 2001 en artikel 20b Wet LB 1964 opgenomen tarieftabellen wordt de eerste schijfgrensvan die tabellen op grond van artikel 10.1, tweede lid, Wet IB 2001 en artikel 20a, tweede lid,Wet LB 1964 geïndexeerd met de uitkomst van de formule: 1 + (75% x (tabelcorrectiefactor –1)). De gevolgen van de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor voor deze artikelenworden nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting.9Het bij koninklijke boodschap van 16 september 2025 ingediende voorstel van wet tot Wijzigingvan het Belastingplan 2025 in verband met het behoud van het verlaagde btw-tarief op cultuur,media en sport en een beperking van de jaarlijkse indexering van een aantal bedragen diegelden voor de inkomstenbelasting en de loonbelasting door middel van het beperkt toepassenvan de tabelcorrectiefactor (Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sport)(Kamerstukken PM).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 37 ParametertabellenDe hierna opgenomen tabellen geven een overzicht van de belangrijksteparameters binnen box 1 van de inkomstenbelasting in 2025 en 2026. Debedragen voor 2026 zijn geïndexeerd met de beperkt toegepastetabelcorrectiefactor. De tabelcorrectiefactor voor 2026 bedraagt 1,029. Detabelcorrectiefactor wordt in 2026 beperkt toegepast vanwege de dekkingvoor de stelpost fiscale regeling en constructies, zoals opgenomen in ditwetsvoorstel Wet Belastingplan 2026, en de dekking voor het behoud vanhet verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sport, zoals opgenomen inhet wetsvoorstel Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media ensport. Als beide wetsvoorstellen tot wet worden verheven, wordt deinflatiecorrectie in 2026 voor 52,8% toegepast. Dit betekent dat debedragen voor 2026 zijn geïndexeerd met een factor 1,015312.Tabel 1: Overzicht IB-parameters voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd20252026Tarief schijf 135,82%35,70%Tarief schijf 237,48%37,56%Tarief schijf 349,50%49,50%Grens schijf 1€ 38.441€ 38.883Grens schijf 2€ 76.817€ 79.137AHK: maximaal€ 3.068€ 3.115AHK: afbouwpunt1€ 28.406€ 29.736AHK: afbouwpercentage6,337%6,306%Arbeidskorting: bedrag grens 1€ 980€ 996Arbeidskorting: bedrag grens 2€ 5.220€ 5.325Arbeidskorting: bedrag grens 3€ 5.599€ 5.712Arbeidskorting: bedrag grens 4€ 0€ 0Arbeidskorting: afbouwpunt1€ 43.071€ 45.593Arbeidskorting: afbouwpercentage6,51%6,51%IACK: maximaal€ 2.986€ 3.032IACK: inkomensgrens€ 6.145€ 6.239IACK: opbouwpercentage11,45%11,45%Jonggehandicaptenkorting€ 909€ 923Zelfstandigenaftrek€ 2.470€ 1.200MKB-winstvrijstelling12,70%12,70%1 Het afbouwpunt van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting is gekoppeld aan hetwettelijk minimumloon (WML) en is pas definitief na vaststelling van het WML in november 2025. Tabel 2: Overzicht IB-parameters voor belastingplichtigen ouder dan de AOW-leeftijd20252026Tarief schijf 117,92%17,80%Tarief schijf 237,48%37,56%Tarief schijf 349,50%49,50%Grens schijf 1 (geboren vanaf 1946)€ 38.441€ 38.883Grens schijf 1 (geboren voor 1946)€ 40.502€ 41.123Grens schijf 2€ 76.817€ 79.137AHK: maximaal€ 1.536€ 1.554AHK: afbouwpunt1€ 28.406€ 29.736AHK: afbouwpercentage3,17%3,144%Ouderenkorting: maximaal€ 2.035€ 2.067Ouderenkorting: afbouwpunt€ 45.308€ 46.002Ouderenkorting: afbouwpercentage15%15%Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 38 20252026Alleenstaande ouderenkorting€ 531€ 5401 Het afbouwpunt van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting is gekoppeld aan hetwettelijk minimumloon (WML) en is pas definitief na vaststelling van het WML in november 2025. Tabel 3: tarieftabel inkomstenbelastingJaarKolomSchijfIIIIIIIV1–38.8838,05%238.88379.1373.13037,56%379.13718.24949,50% Tabel 4: tarieftabel inkomstenbelasting voor belastingplichtigen geboren vóór 1946JaarKolomSchijfIIIIIIIV1–41.1238,05%241.12379.1373.31037,56%379.13717.58849,50% 5. Algemene toelichting maatregelen in wetsvoorstel Belas-tingplan 2026 5.1 Verduidelijking fietsregeling Momenteel geldt een forfaitaire regeling voor de belastingheffing over hetvoordeel dat een werknemer geniet als zijn werkgever hem een fietsbeschikking stelt die ook voor privédoeleinden mag worden gebruikt. Diebijtelling is bij fictie in ieder geval van toepassing als de fiets ook voorwerk-werkverkeer mag worden gebruikt. Omdat deze regeling in depraktijk in sommige gevallen tot onwenselijke gevolgen en onduide-lijkheid blijkt te leiden, wordt voorgesteld om die regeling aan te passen.Die gevolgen deden zich, zoals hierna wordt toegelicht, met name voor bijzogenoemde deelfietsen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan fietsen op eenbedrijfscampus, die door een werkgever ter beschikking worden gesteldvoor het (vervolgen van) het woon-werkverkeer. Omdat de genoemdegevolgen zich echter ook kunnen voordoen bij andere fietsen, is ervoorgekozen om bij de voorgestelde wetswijziging geen onderscheid te makentussen deelfietsen en andere fietsen Het kabinet stelt voor om degenoemde bijtellingsregeling met terugwerkende kracht tot en met1 januari 2020, zijnde de datum van invoering van de regeling, aan tepassen door expliciet te regelen dat als deze fietsen niet of slechtsincidenteel (niet meer dan bijkomstig) bij het woon- of verblijfadres vande werknemer worden gestald een bijtelling van nihil geldt. Dit betekentdat over het gebruik van deze fietsen geen loon- en inkomstenbelastingverschuldigd is.Voor de aan een onder de inkomstenbelasting vallende ondernemer(IB-ondernemer) ter beschikking staande fiets wordt een soortgelijkewijziging voorgesteld. Als de fiets niet meer dan bijkomstig bij hetwoon-of verblijfadres van de IB-ondernemer wordt gestald, wordt deonttrekking gesteld op nihil. Waar in de toelichting «werknemer» staat,moet voor de inkomstenbelasting «IB-ondernemer» worden gelezen enmoet voor het «voordeel» «onttrekking» worden gelezen. EenIB-ondernemer kan immers ook een «fiets van de zaak» gebruiken, net alsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 39 een werknemer een door de werkgever ter beschikking gestelde fiets kangebruiken.HistorieMet ingang van 1 januari 2020 is geregeld dat op kalenderjaarbasis eenbijtelling van 7% van de waarde van de fiets geldt voor een fiets die dooreen werkgever ook voor privédoeleinden aan een werknemer terbeschikking is gesteld. Voor het ter beschikking stellen van een fiets is hetniet nodig dat de werkgever eigenaar is van de fiets. Het is voldoende datde werkgever de kosten hiervan voor zijn rekening neemt (dus ook bijlease). Er is geen sprake van een terbeschikkingstelling als een werkgeverde fiets vergoedt of in eigendom verstrekt. Bij fictie is bepaald dat de fietsin ieder geval geacht wordt ook voor privédoeleinden ter beschikking tezijn gesteld als de werknemer de fiets voor woon-werkverkeer kangebruiken.Deze bijtellingsregeling is geïntroduceerd met als doel om de verschul-digde belasting voor een door een werkgever aan een werknemer ookvoor privédoeleinden ter beschikking gestelde fiets eenvoudiger teberekenen. Vóór 2020 stond in de wetgeving geen specifieke bepalingover de manier waarop de waarde van het privévoordeel van een terbeschikking gestelde fiets moest worden bepaald. Deze waarde wasechter lastig vast te stellen en leidde tot hoge administratieve lasten. Methet oog op de eenvoud, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid is zoalsgezegd geregeld dat de fiets in ieder geval wordt geacht ook voorprivédoeleinden ter beschikking te staan als de fiets ook voorwoon-werkverkeer ter beschikking staat. In dat geval is de bijtelling vantoepassing. Deze fictie leidt in de praktijk tot discussie bij met namehubfietsen10, ov-fietsen en andere deelfietsen die worden gebruikt vooreen (vaak laatste) deel van het woon-werkverkeer. Als gevolg van degenoemde fictie voor woon-werkverkeer is in die situaties per definitie deforfaitaire bijtelling van toepassing. Dit acht het kabinet ongewenst.Bijtelling van nihilThans wordt voorgesteld dat voor een fiets die niet meer dan bijkomstig(dus niet meer dan 10%) bij het woon- of verblijfadres wordt gestald eenbijtelling geldt van nihil. Hierdoor is ook voor een fiets die voor (tenminste een deel van) het woon-werkverkeer wordt gebruikt geen bijtellingmeer verschuldigd, indien die fiets niet meer dan bijkomstig bij het woon-of verblijfadres wordt gestald. Dit biedt dus ook een oplossing voor dehiervoor genoemde hubfietsen.Stallen bij het woon- of verblijfadresIn de meeste situaties zal het duidelijk zijn wanneer sprake is van een fietswaarvoor een bijtelling van nihil geldt. Mocht dit niet direct duidelijk zijn,dan is een nadere beoordeling nodig om te bepalen of de fiets niet meerdan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres wordt gestald. Op grond vande voorgestelde bepaling wordt geacht van stallen bij het woon- ofverblijfadres geen sprake te zijn als de werknemer in de periode waarin defiets zich bij het woon-of verblijfadres van de werknemer bevindt niet debeschikkingsmacht over de fiets heeft. Dit is dus niet het geval als de fietsvoor het huis wordt neergezet en de werknemer de sleutel naar binnenmeeneemt. Als een fiets voor de woning kan worden «ingeleverd» via eenapp en daarna niet meer exclusief ter beschikking staat aan de10Fietsen die werkgevers ter beschikking stellen aan werknemers om vanaf een hub (bijvoor-beeld een parkeerplaats of een station) naar de plaats van werkzaamheden te fietsen en terug.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 310 werknemer, dan kwalificeert dat niet als het stallen van de fiets bij hetwoon- of verblijfadres. Als een door de werkgever ook voor privédoel-einden ter beschikking gestelde fiets regelmatig, bijvoorbeeld wekelijks(dus meer dan 10%), thuis wordt gestald, dan is de bijtelling van nihil nietvan toepassing, maar zijn de reguliere bijtellingsregels voor de fiets vantoepassing.BewijslastDe werkgever en werknemer zijn vrij om zelf te bepalen hoe zij aanne-melijk maken dat sprake is van een fiets waarvoor de bijtelling van nihilgeldt. Dat sprake is van een door de werkgever ook voor privédoeleindenter beschikking gestelde fiets die niet meer dan bijkomstig bij het woon- ofverblijfadres van de werknemer wordt gestald is over het algemeeneenvoudig vast te stellen. Dit kan bijvoorbeeld door het al dan niet bij dewerknemer thuis mogen stallen van de ter beschikking gestelde fiets teomschrijven in de arbeidsvoorwaarden. Een werkgever kan extrazekerheid inbouwen door bijvoorbeeld met diens werknemers af tespreken dat een ter beschikking gestelde fiets niet naar huis mag wordenmeegenomen. Het is ook mogelijk om een sleutelbeleid te hanteren,waarbij werknemers uiterlijk aan het eind van de werkdag de fietssleutelmoeten inleveren, maar dit hoeft dus niet. Bij een hubfiets (die gebruiktkan worden vanaf een hub vlakbij een plaats van werkzaamheden) is alsnel aannemelijk dat de fiets niet mee naar huis gaat. Voor eenIB-ondernemer geldt dat hij bijvoorbeeld kan aantonen dat de fiets gestaldstaat bij het werkadres.Doeltreffendheid en doelmatigheidDe voorgestelde aanpassing om voor door de werkgever ook voorprivédoeleinden ter beschikking gestelde fietsen die niet meer danbijkomstig thuis worden gestald een bijtelling van nihil toe te passen, pastbinnen de doelstelling om de regeling rechtvaardig, eenvoudig,uitvoerbaar en handhaafbaar te houden en maakt de regeling doeltref-fender en doelmatiger.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe Belastingdienst acht de voorgestelde maatregel uitvoerbaar. Devoorgestelde maatregel betekent een aanpassing met terugwerkendekracht ten opzichte van de huidige bijtellingsregels van de ter beschikkinggestelde fiets. Het voorstel komt de handhaafbaarheid en de uitvoer-baarheid van de bijtellingsregeling voor de fiets van de zaak ten goedeomdat een bestaande onduidelijkheid wordt weggenomen. Tegelijkertijdgeeft de Belastingdienst in zijn uitvoeringstoets aan dat de «10%-norm»lastig te administreren is. Dit kan bijvoorbeeld door te controleren op deafspraken die gemaakt zijn tussen werknemer en werkgever over hoe eenter beschikking gestelde fiets mag worden gestald. De verwachting is datdeze aanpassing met terugwerkende kracht minimale gevolgen heeft vooral ingediende loon- en inkomstenbelastingaangiften en opgelegdebelastingaanslagen over de jaren 2020 tot en met 2025. Dit komt omdathet aantal gevallen waarover in deze jaren bijtelling is opgegeven in deloonaangifte beperkt is. Als al sprake zou zijn van gevolgen voor alingediende aangiften en aanslagen dan zou dat enkel zien op toegepastebijtelling voor het omfietsen met een zakelijke fiets voor privédoeleindentijdens een zakelijke rit, zoals het omrijden langs een supermarkt na eenzakelijke afspraak.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 311 5.2 Maatregelen lucratiefbelangregeling Maatregelen lucratiefbelangregelingHet kabinet stelt met dit wetsvoorstel voor om de grondslag voor inkomenuit een zogenoemd middellijk gehouden lucratief belang te verbredendoor middel van een multiplier, als de voordelen vanwege toepassing vande zogenoemde aanmerkelijkbelangvariant (ook wel de doorstootregelinggenoemd) in box 2 zijn belast. Hierdoor wordt de belastingdruk op debetreffende voordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang viadeze grondslagverbredende multiplier in box 2 verhoogd tot maximaal36%. Hierbij wordt de facto voor de hoogte van de belastingdruk op dezevoordelen aangesloten bij het tarief in box 3. Voorts stelt het kabinet eenmaatregel voor om een onwenselijke structuur te kunnen tegengaan in delucratiefbelangregeling.Toepassing van de huidige lucratiefbelangregeling in het kortMet name binnen de private-equitypraktijk en in het kader van manage-mentparticipatieregelingen is het mogelijk dat (fonds)managers alsonderdeel van hun beloningsstructuur vermogensbestanddelenontvangen waarmee zij hoge rendementen kunnen behalen. In bepaaldesituaties staan de ontvangen rendementen niet in verhouding tot hetgeïnvesteerde kapitaal of het feitelijk op de investering gelopen risico.Deze rendementen zijn dan (deels) disproportioneel. Dergelijke voordelenzijn onder omstandigheden belast onder de lucratiefbelangregeling. Dewetgever heeft bij een dergelijk lucratief belang ervoor gekozen dat inbeginsel sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden (box 1). Hetrendement is daardoor in beginsel volledig belast als arbeidsinkomen inbox 1.AanmerkelijkbelangvariantDe belastingplichtige kan echter ook gebruikmaken van de zogenoemdeaanmerkelijkbelangvariant waarbij de box 1-heffing onder bepaaldevoorwaarden terugtreedt en een heffing in box 2 daarvoor in de plaatskomt. Daarvoor moet de belastingplichtige het lucratieve belang houdenvia een kapitaalvennootschap waarin de belastingplichtige een aanmer-kelijk belang houdt. Daarnaast moet die vennootschap de voordelen uitlucratief belang voor minimaal 95% doorstoten naar genoemde belasting-plichtige (aanmerkelijkbelangvariant).11 De verplichting om minimaal 95%van de voordelen uit lucratief belang door te stoten, zorgt ervoor dat deheffing in box 2 direct plaatsvindt en voorkomt daarmee uitstel vanbelastingheffing in box 2. De belastingplichtigen betalen dan belastingover de voordelen uit lucratief belang tegen het geldende tarief in box 2(in 2026: maximaal 31%).Motie-IdsingaTijdens het dertigledendebat op 4 april 2024 over extra belasting voorextreem rijken heeft de Tweede Kamer de motie-Idsinga c.s. aange-nomen.12 Deze motie roept het kabinet op om de huidige lucratiefbelang-regeling zo aan te passen dat lucratieve belangen worden belast naar hetprogressieve tarief in box 1. Deze motie vraagt ook in kaart te brengen ofdit heffingsrecht in box 1 onder belastingverdragen geëffectueerd kanworden en bij twijfel de belastingverdragen aan te passen.11Artikel 3.95b, vijfde lid, Wet IB 2001.12Kamerstukken II 2023/24, 25 087, nr. 335.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 312 OnderzoeksrapportNaar aanleiding van deze motie heeft een onderzoek plaatsgevonden naarde huidige lucratiefbelangregeling. Het onderzoeksrapport is op13 februari 2025 naar de Tweede Kamer verzonden.13 Uit dit onderzoekvolgt dat het onzeker is of heffing over de voordelen uit lucratief belanguitsluitend in box 1 geëffectueerd kan worden onder de belastingver-dragen. In dat kader kan worden verwezen naar de uitspraak van derechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 maart 2024.14 In deze procedureneemt de Belastingdienst het standpunt in dat Nederland een heffing overeen verkregen voordeel bij de verkoop van – en dividenduitkering op –een lucratief (aandelen)belang bij een buitenlands belastingplichtigeonder het belastingverdrag met Duitsland in box 1 kan effectueren, doorhet artikel over inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid toe te passen.Volgens de rechtbank is dit artikel niet van toepassing en mag Nederlandniet heffen, maar daartegen heeft de Belastingdienst hoger beroepaangetekend. Zolang de gerechtelijke procedure nog loopt, bestaatdaarom nog geen volledige zekerheid over het effectueren van ditheffingsrecht onder belastingverdragen in box 1. Het afschaffen van deaanmerkelijkbelangvariant (heffing in box 2) is op het oog een eenvoudigewetswijziging, maar daarbij wordt een aantal belangrijke punten miskend.Naast dat er geen volledige zekerheid is over het effectueren van hetheffingsrecht onder belastingverdragen in box 1, is bij een dergelijkefundamentele wijziging van de regeling overgangsrecht noodzakelijk.Bovendien volgt uit het onderzoek dat het afsluiten van de aanmerkelijk-belangvariant naar verwachting zal leiden tot een verstoring van degoedlopende, op samenwerking gerichte uitvoeringspraktijk, met forseuitvoeringsgevolgen. Bij het schrappen van de aanmerkelijkbelangvariantin de lucratiefbelangregeling zullen – zeker zolang het huidige forfaitairestelsel in box 3 bestaat – veel meer arbeidsintensieve en complexediscussies ontstaan. Deze discussies zullen onder andere gaan over dekwalificatie van de voordelen als arbeids- dan wel als beleggingsbe-standdeel en over de hoogte van de (loon)voordelen op het moment vantoekenning van de vermogensbestanddelen. Hierbij is van belang dat inhet huidige box 3-stelsel een heffing plaatsvindt op basis van eenforfaitair rendement, terwijl in de regel de werkelijke voordelen uitlucratieve belangen hoger zullen zijn. De huidige aanmerkelijkbelangva-riant in de lucratiefbelangregeling vormt wel een belastingheffing over hetwerkelijk gerealiseerde rendement.AlternatievenIn bovengenoemd onderzoek zijn de volgende twee alternatieven vooreen andere vormgeving van de lucratiefbelangregeling onderzocht:a.een heffing via de loonbelasting of resultaat uit overige werkzaamhe-den in box 1; enb.een heffing met een multiplier in box 2 voor lucratief belang.Alternatief a betekent dat de route naar box 2 (de huidige aanmerkelijkbe-langvariant) komt te vervallen voor de heffing over de voordelen uitlucratief belang en uitsluitend een heffing over de voordelen uit lucratiefbelang in box 1 geldt. Dit alternatief vergt een vergaande herziening vande huidige lucratiefbelangregeling die niet op korte termijn is te reali-seren. Zo vraagt dit alternatief om een vergaande wetswijziging met forsegevolgen voor de uitvoering door de Belastingdienst. Daarbij is hetvanwege de lopende beroepsprocedure onzeker hoe een heffinguitsluitend in box 1 moet worden gekwalificeerd onder de belastingver-13Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 225.14Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1503.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 313 dragen en of Nederland een zwaardere heffing dan daadwerkelijk kaneffectueren.De maatregel die op korte termijn het minst ingewikkeld is te realiseren,betreft genoemd alternatief b, een heffing met een multiplier in box 2 voormiddellijk gehouden lucratieve belangen. Dit is een maatregel waarbij debelastingplichtige met een lucratief belang meer inkomstenbelasting moetbetalen over de voordelen uit lucratief belang. De Belastingdienst kandeze maatregel technisch zonder IV-ondersteuning invoeren per 1 januari2026. De handhaving door de Belastingdienst is wel gebaat bij een goedeIV-ondersteuning. IV-ondersteuning is echter niet vóór 1 januari 2029 terealiseren, gelet op het volle IV-portfolio van de keten inkomensheffingenbij de Belastingdienst.Deze genoemde alternatieven zijn ook ter internetconsultatie voorgelegdaan de praktijk. Dit is gedaan om te weten hoe men kijkt naar de huidigelucratiefbelangregeling en tegen een eventuele verzwaring van debelastingdruk voor deze belastingplichtigen met een lucratief belang. Erzijn in totaal acht reacties ontvangen.15 Uit deze internetconsultatie volgtonder andere dat de praktijk behoefte heeft aan een praktische regeling.Ook wordt aangegeven dat het van belang is dat Nederland, in verge-lijking met de ons omringende landen, niet uit de pas zou moeten lopenvoor wat betreft de belastingheffing over lucratieve belangen. Er is daarbijgepleit voor een heffing in box 2 of box 3. In lijn met de aanbeveling uithet onderzoeksrapport is er ook voor gepleit om bij een voorgenomenwijziging eerst de invoering van het nieuwe box 3-stelsel af te wachten.Tweede motie-IdsingaOp 4 juli 2025 is in de Tweede Kamer een tweede motie-Idsinga over delucratiefbelangregeling aangenomen.16 Deze motie verzoekt de regeringom, als onderdeel van het Belastingplan 2026, een wetsvoorstel in tedienen dat voordelen, behaald door private-equitymanagers, zwaarder inbox 2 belast en daarmee recht doet aan de strekking van de eerstemotie-Idsinga c.s. Het kabinet geeft in dit wetsvoorstel uitvoering aan dezemotie.Voorstel: alternatief bGelet op het voorgaande stelt het kabinet voor om genoemd alternatief bper 1 januari 2026 in werking te laten treden. Het kabinet stelt teruitvoering van de motie concreet voor om de belastingdruk via demultiplier in box 2 voor voordelen uit een middellijk gehouden lucratiefbelang te koppelen aan maximaal het tarief in box 3 (in 2026: 36%). Dattarief is lager dan het toptarief in box 1 van 49,5% (2025). Bij een hogerebelastingdruk dan het tarief in box 3 zal sprake zijn van diverse gedragsef-fecten zoals herstructureringen en verplaatsing van investeringen naar hetbuitenland waardoor de budgettaire opbrengst naar verwachting veellager zal uitvallen. Om die reden kiest het kabinet ervoor om voor debelastingdruk op voordelen uit een middellijk gehouden lucratief belangaan te sluiten bij maximaal het belastingtarief in box 3. Hoewel voor dehoogte van de belastingdruk wordt aangesloten bij het tarief in box 3,benadrukt het kabinet dat de genoten voordelen deels het karakter vanarbeidsinkomen hebben en deels het karakter van beleggingsinkomen.Inpassing in de huidige systematiek van de regeling waarbij als hoofd-15De reacties waren onder andere van de NOB, het Register Belastingadviseurs (RB), deSamenwerkende Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten (SRA) en deNederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP).16Kamerstukken II 2024/25, 36 725, nr. 29.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 314 regel heffing plaatsvindt in box 1 (welke heffing terugtreedt als aan deaanmerkelijkbelangvariant wordt voldaan) acht het kabinet dan ook nogsteeds passend. De hoogte van de belastingdruk is ook passend invergelijking met de belastingheffing over carried interest in de onsomringende landen.17 De voorgestelde maatregel is niet beperkt totprivate-equitymanagers met een middellijk gehouden lucratief belang. Demaatregel gaat op dat onderdeel verder dan de motie vraagt. Het kabinetwenst voor de maatregel echter zoveel mogelijk aan te sluiten bij debestaande afbakening van lucratieve belangen. Op basis van de huidigeregeling verkeren alle belastingplichtigen met een lucratief belang in eenvergelijkbare positie, ondanks dat sommige managers actief zijn in deprivate-equitysector en anderen niet. Bij alle lucratiefbelanghouders moetten aanzien van het lucratieve belang sprake zijn van een zekere hefboomen moet bij de verkrijging ervan zijn voldaan aan het beloningsoogmerk.Daar komt bij dat een verdergaand onderscheid in de sector of het typebelang bij de regeling niet mogelijk is of de regeling complexer maakt.18Met de maatregel wordt bereikt dat de voordelen van een middellijkgehouden lucratief belang waarbij gebruikt wordt gemaakt van deaanmerkelijkbelangvariant via een grondslagverbredende multiplierzwaarder worden belast in box 2 en is daarmee dus geen aanvullendevoorwaarde voor toepassing van de aanmerkelijkbelangvariant. Devoordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang moeten voor deberekening van het inkomen uit aanmerkelijk belang worden vermenig-vuldigd met de breuk A/B. Het gaat om die voordelen ter zake waarvanmet toepassing van de aanmerkelijkbelangvariant over een bedrag vanten minste 95% inkomstenbelasting in box 2 wordt geheven. Daarbij staatA voor het tarief in box 3 en B voor het toptarief in box 2. Vanaf 2026 komtde regeling dan in feite neer op een verhoging van de effectieve belas-tingdruk van 24,5% naar 28,45% voor voordelen uit lucratief belang voorzover deze belast zijn in de eerste tariefschijf van box 2 en op eenverhoging van de effectieve belastingdruk van 31% naar 36% voorvoordelen uit lucratief belang voor zover deze belast zijn in de tweedetariefschijf van box 2.Afwijzing van andere alternatievenDe voorgestelde maatregel raakt uitsluitend belastingplichtigen met eenlucratief belang voor zover zij gebruikmaken van de aanmerkelijkbelang-variant. Een wettelijke aanpassing van het tariefpercentage in box 2 zoualle belastingplichtigen met een aanmerkelijk belang treffen, ook deaanmerkelijkbelanghouders zonder lucratief belang en zou tevens hetgehele inkomen uit aanmerkelijk belang omvatten. Een aanpassing vanenkel het tariefpercentage in box 2 voor voordelen uit een middellijkgehouden lucratief belang vraagt een grote wettelijke ingreep. Eendergelijke maatregel is op korte termijn niet te realiseren en kan deBelastingdienst eveneens niet op korte termijn uitvoeren, omdat voor eendergelijke maatregel ICT-ondersteuning is vereist. Om die reden wordt een17Voor het Verenigd Koninkrijk is dit 28% en gaat dit naar circa 34% is de verwachting, voorDuitsland is dit ongeveer 28,5% en in België gaat het tarief naar ongeveer 30% voor carriedinterest (bron: De Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen, d.d. 1 april 2025,blz. 6 van hun reactie op de internetconsultatie «Alternatieven voor huidige lucratiefbelangre-geling» te raadplegen via www.internetconsultatie.nl). Uit een in 2023 verschenen artikel«Carried interest taxation: the European landscape» in Taxjournal volgt dat belastingheffing opcarried interests in landen zoals het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Italië en Duitsland tussen de25% en 30% ligt.18Zie ter vergelijking ook Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 9, p. 10. Daarin is aangegeven dateen verdergaande precisering van het onderscheid tussen normaal en excessief rendementniet mogelijk is, mede omdat dit zou leiden tot ontwijkgedrag door belanghebbenden. In datgeval zou immers op betrekkelijk eenvoudige wijze de grens kunnen worden opgezocht vanhet gedefinieerde normaal rendement.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 315 maatregel voorgesteld die enkel de grondslag van het inkomen uitaanmerkelijk belang in box 2 verbreedt door de belastingdruk te verhogenvoor zover de heffing in box 1 terugtreedt. De belastingplichtige zal dezevoordelen, die tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren, in deaangifte inkomstenbelasting moeten verhogen met de genoemde breuk.De voorgestelde variant doet niets af aan de toepassing van de aanmerke-lijkbelangvariant waarbij ter zake van de daadwerkelijk gerealiseerdevoordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang over ten minste95% van die voordelen inkomstenbelasting in box 2 wordt geheven dateen weerspiegeling is van die voordelen. Verder heeft de voorgesteldemaatregel geen gevolgen voor de wijze waarop belastingheffing in box 2plaatsvindt, zoals de toepassing van de tarieven. De maatregel geldtalleen voor het deel van de gerealiseerde voordelen uit lucratief belangdat noodzakelijk is om de heffing in box 1 in te kunnen ruilen voor eenheffing in box 2 onder de aanmerkelijkbelangvariant (ten minste 95% vanhet totaal gerealiseerde voordeel). Voor het deel (5% of minder van hettotaal aan gerealiseerde voordelen uit lucratief belang) dat niet wordtuitgedeeld, geldt de multiplier niet. Vanwege het karakter van devoorgestelde maatregel als grondslagverbreding die in feite werkt als eenbeperkte verhoging van de belastingdruk voor een middellijk gehoudenlucratief belang in box 2 is geen sprake van een relevante wetswijzigingdie kwalificeert als beëindigingsgrond voor de gesloten vaststellingsover-eenkomsten.19Voorbeeld 1Belastingplichtige X bezit een middellijk gehouden lucratief belang inbv Z. Het lucratieve belang in bv Z is ondergebracht in holding bv Y.X ontvangt met toepassing van de aanmerkelijkbelangvariant€ 100.000 aan voordelen uit lucratief belang in box 2. Holding bv Yheeft 95% van deze gerealiseerde voordelen uit lucratief belang in bvZ met toepassing van de aanmerkelijkbelangvariant aan X uitge-keerd, waarmee is voldaan aan de voorwaarden van de aanmerke-lijkbelangvariant. De voordelen uit lucratief belang zijn daarmee voor95% bij X belast in box 2. Op de overige 5% die (nog) niet wordtuitgekeerd, is de voorgestelde maatregel niet van toepassing. Hetinkomen uit aanmerkelijk belang moet vervolgens als gevolg van devoorgestelde maatregel vastgesteld worden op € 116.129 [op basisvan de cijfers 2025: € 100.000 x 36/31]. In dit geval betaalt X hierover€ 31.592 aan inkomstenbelasting [op basis van de cijfers 2025:(€ 67.804 x 24,5%) + (€ 48.325 x 31%)].Voorbeeld 2Belastingplichtige X bezit een middellijk gehouden lucratief belang inbv Y. Het lucratieve belang in bv Y is ondergebracht in Holding bv X.X ontvangt met toepassing van de aanmerkelijkbelangvariant€ 100.000 aan voordelen uit lucratief belang in box 2. Holding bv Xheeft 95% van deze gerealiseerde voordelen ten aanzien van hetlucratieve belang in bv Y met toepassing van de aanmerkelijkbelang-variant aan X uitgekeerd, waarmee is voldaan aan de voorwaardenvan de aanmerkelijkbelangvariant. Op de overige 5% die (nog) nietwordt uitgekeerd, is de voorgestelde maatregel niet van toepassing.Belastingplichtige X bezit daarnaast een aanmerkelijk belang in bv Z19Zie ook paragraaf 26 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Er worden vaststellingsovereen-komsten door de Belastingdienst en belastingplichtigen gesloten ten einde duidelijkheid teverkrijgen of sprake is van een lucratief belang. Deze overeenkomsten gelden voor eenbepaalde overeengekomen periode, waarbij de vaststellingsovereenkomst kan eindigen alsbijvoorbeeld sprake is van een relevante wetswijziging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 316 die een dividend uitkeert van € 200.000 aan X. In totaal geniet X dus€ 300.000 aan voordelen uit aanmerkelijk belang, waarvan € 100.000betrekking heeft op het middellijk gehouden lucratieve belang. Hetinkomen uit aanmerkelijk belang moet vervolgens als gevolg van devoorgestelde maatregel worden vastgesteld op € 316.129 [op basisvan de cijfers 2025: € 100.000 x 36/31 + € 200.000]. In dit gevalbetaalt X hierover € 93.592 aan inkomstenbelasting [op basis van decijfers 2025: (€ 67.804 x 24,5%) + (€ 248.325 x 31%)].Het inkomen uitaanmerkelijk belang (vóór vermindering met de persoonsgebondenaftrek) betreft een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel. Ditbetekent dat ingeval X een fiscale partner heeft, dan wordt ditinkomen voor ieder de helft aan X en zijn partner toegerekend. Opgezamenlijk verzoek van X en zijn fiscale partner kunnen devoordelen uit aanmerkelijk belang echter in een andere verhoudingaan beiden worden toegerekend. Dit is in dit geval voordelig als defiscale partner van X nog niet optimaal gebruikt heeft gemaakt vande eerste schijf in box 2. Het is denkbaar dat inkomsten uit beleggingen in box 3 onder de Wetwerkelijk rendement box 3 zwaarder belast worden dan de voordelen uiteen middellijk gehouden lucratief belang waarbij de aanmerkelijkbelang-variant wordt toegepast met de voorgestelde multiplier-maatregel. Devraag komt dan op of de huidige lucratiefbelangregeling met aanmerke-lijkbelangvariant en multiplier-maatregel nog passend is. Zoals ookaangegeven in het onderzoeksrapport, kan een keuze over een verder-gaande herziening van de huidige lucratiefbelangregeling het bestgemaakt worden zodra zekerheid bestaat over het nieuwe box 3-stelsel.Nadat de Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 heeft aangenomen kan worden bezien of de lucratiefbe-langregeling en dan specifiek de aanmerkelijkbelangvariant nog passendis.Verder is het mogelijk dat de toepassing van de lucratiefbelangregelingeen samenloop kent met de bij de Voorjaarsnota aangekondigdemaatregel voor aandelenopties in startups en scale-ups. Het gaat danspecifiek om de situatie dat de belastingheffing voor medewerkers vanstartups en scale-ups wordt gewijzigd, in die zin dat de belastingdrukhiervoor wordt verlaagd.20 Aangezien de motie-Idsinga vraagt om devoordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang zwaarder tebelasten, kan ervoor worden gekozen om de maatregel voor aandelen-opties in startups en scale-ups niet door te laten werken naar participatiesdie tegelijkertijd kwalificeren als lucratief belang. Dit wordt bij deuitwerking van de in de Voorjaarsnota aangekondigde maatregel vooraandelenopties in startups en scale-ups nader bezien.Tegengaan onwenselijke structuur lucratiefbelangregelingZoals hiervoor toegelicht, kan de belastingplichtige als hij daarvoor kiest,de in een kalenderjaar genoten voordelen met betrekking tot eenmiddellijk gehouden lucratief belang, niet tot het resultaat van eenwerkzaamheid laten rekenen (in box 1), mits de voordelen via eenkapitaalvennootschap worden gehouden en in dat kalenderjaar tot eenbedrag van ten minste 95% van die voordelen inkomen uit aanmerkelijkbelang wordt genoten dat een weerspiegeling is van die voordelen(aanmerkelijkbelangvariant). In deze situatie treedt de box 1-heffing terug20Minister Beljaarts van het Ministerie van Economische Zaken heeft op 18 april 2025 in ditkader een effectief tarief van maximaal 32,17% genoemd dat voor medewerkers van startupsen scale-ups in de plaats komt van het hoge tarief van 49,5% in box 1. Dit tarief ligt onder hetvoorgestelde maximale effectieve tarief voor een middellijk gehouden lucratief belang van36%.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 317 en resteert een belastingheffing over deze voordelen in box 2. In depraktijk nemen belastingplichtigen het standpunt in dat de aanmerkelijk-belangvariant volledig kan worden toegepast zodra een aanmerkelijkbelang ontstaat. Bij het ontstaan van het aanmerkelijk belang wordt deverkrijgingsprijs vastgesteld op de waarde in het economische verkeervan het aandelenbelang in de vennootschap waarin het middellijkgehouden lucratieve belang is ondergebracht. In de toekomst kan volgensdeze belastingplichtigen onder omstandigheden bij liquidatie van dievennootschap of bij verkoop van aandelen een verlies uit aanmerkelijkbelang worden gerealiseerd. Dit verlies kan worden verrekend met degerealiseerde voordelen in box 2 via de aanmerkelijkbelangvariant en leidttot een onwenselijke uitkomst aangezien hierdoor de belastingheffing inbox 2 over voordelen uit lucratief belang per saldo weer ongedaan wordtgemaakt. Om zeker te stellen dat de belastingheffing in box 2 in dezestructuren niet ongedaan gemaakt kan worden, wordt voorgesteld de wetaan te passen. In onderstaand voorbeeld wordt het voorgaande nadertoegelicht.Voorbeeld 3In jaar 1 verkrijgt een besloten vennootschap met beperkte aanspra-kelijkheid (bv), Management bv, aandelen die voor een manager eenlucratief belang vormen in Target bv voor € 2.000. Deze managerverkrijgt 4,9% van de aandelen in Management bv voor € 98 (4,9% x€ 2.000).21 De manager heeft daarmee een middellijk gehoudenlucratief belang in Target bv met een opgeofferd bedrag van € 98.Omdat de manager 4,9% van de aandelen houdt, is geen sprake vaneen aanmerkelijk belang.22 De aandelen Management bv behoren totde rendementsgrondslag in box 3, de middellijk gehouden aandelenin Target bv behoren tot het werkzaamheidsvermogen in box 1(lucratiefbelangregeling). Enkele maanden voor de beoogde exit, inaugustus van jaar 5, is de waarde van de lucratieve aandelen dieManagement bv houdt in Target bv gestegen tot € 20.000. De exitvindt in december van jaar 5 plaats: Management bv verkoopt alhaar aandelen in Target bv aan een derde voor € 22.000. Dezeverkoopopbrengst minus het opgeofferde bedrag van € 2.000, dus€ 20.000, keert Management bv direct daarna als dividend uit aanhaar aandeelhouders. In januari van jaar 6 wordt Management bvontbonden en vereffend. De aandeelhouders, inclusief de manager,ontvangen een liquidatie-uitkering van in totaal € 2.000. Hiernawordt voor drie situaties de toepassing van de lucratiefbelangre-geling beschreven.23Situatie 1: De manager doet vooraf nietsDe manager ontvangt een dividend van € 980 (4,9% x € 20.000) uitManagement bv. De aanmerkelijkbelangvariant is niet vantoepassing, aangezien geen sprake is van inkomen uit aanmerkelijkbelang. De opbrengst van € 980, is belast in box 1 in jaar 5. Deaandelen in Management bv zijn op 1 januari van jaar 6 nog slechts€ 98 waard (gelijk aan het bedrag dat de manager nog als liquidatie-uitkering ontvangt) en zijn in box 3 belast. Per saldo heeft de21Gelet op ECLI:NL:HR:2019:1228 wordt het opgeofferd bedrag van het middellijk gehoudenlucratieve belang gesteld op het bedrag dat in dit geval Management bv heeft opgeofferd voorde verkrijging van het belang in Target bv, zijnde 4,9% van € 2.000.22Geabstraheerd van de eventuele fiscale partner, en de meesleep- en meetrekregeling.23Als het inkomen van middellijk gehouden lucratief belang belast is in box 2 moet het inkomenook verhoogd worden met de multiplier. Vanwege eenvoudsredenen is de toepassing daarvanhier verder niet uitgewerkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 318 manager € 882 (€ 980 –/– € 98) winst behaald op een investeringvan € 98; deze winst is volledig belast als voordeel uit lucratiefbelang in box 1. Daarnaast behoorden de aandelen Management bvtot de box 3-grondslag. Door het forfaitair bepalen van de grondslag,het hanteren van de peildatum per 1 januari en de waardestijginggedurende het jaar is de feitelijke box 3-heffing over de aandelenzeer gering.Situatie 2: de manager had vanaf aanvang 5% van het geplaatsteaandelenkapitaal in Management bvIn deze situatie heeft de manager € 100 (5% x € 2.000) betaald in jaar1 voor 5% van de aandelen Management bv en indirect voor delucratiefbelangaandelen in Target bv. De aandelen in Managementbv vormen voor de manager een aanmerkelijk belang. De voordelenuit lucratief belang in jaar 5 bedragen € 1.000, welk bedrag volledigis doorgestoten naar privé. Het in aanmerking te nemen inkomen uitlucratief belang in box 1 is nihil, in box 2 vindt een heffing plaatsover € 1.000. Er wordt namelijk voldaan aan de voorwaarden van deaanmerkelijkbelangvariant. In jaar 6 ontvangt de manager eenliquidatie-uitkering gelijk aan zijn verkrijgingsprijs, waardoor hetvervreemdingsvoordeel nihil is en geen (aanvullende) heffingplaatsvindt. Per saldo heeft de manager € 1.000 winst behaald opeen investering van € 100; deze winst is volledig belast in box 2.Situatie 3: De manager breidt vlak vóór de exit het belang uit met0,1% in Management bvHet is mogelijk dat de belastingplichtige in deze situatie hetstandpunt aan de hand van de feiten en omstandigheden hetstandpunt inneemt dat de regeling als volgt uitwerkt. In augustusvan jaar 5 koopt de manager 0,1% van de aandelen in Managementbv. De prijs voor het belang van 0,1% bedraagt € 20 (0,1% x€ 20.000). De manager heeft daardoor een belang van 5% inManagement bv, dat daarmee een aanmerkelijk belang vormt. Deverkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen is € 1.000 (5% x€ 20.000), de waarde in het economische verkeer24 van het gehele5%-aandelenpakket op het moment van het ontstaan van hetaanmerkelijke belang, vlak vóór de exit. Nadat Management bv deaandelen Target bv heeft verkocht en de dividenduitkering heeftplaatsgevonden, ontvangt de manager € 1.000 (5% x € 20.000). Ditvoordeel is belast in box 2 in jaar 5. Doordat de manager inkomen uitaanmerkelijk belang geniet dat een weerspiegeling is van ten minste95% van het inkomen uit lucratief belang, hoeft de manager hetinkomen niet tot het resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 terekenen. In jaar 6 ontvangt de manager nog € 100 (5% x € 2.000) inhet kader van de liquidatie van Management bv. Deze opbrengst,verminderd met de verkrijgingsprijs van € 1.000, leidt tot een verliesuit aanmerkelijk belang in jaar 6 van € 900. Dit verlies wordtverrekend met het inkomen uit aanmerkelijk belang in jaar 5, zodatde manager per saldo over € 100 (€ 1.000 –/– € 900) aanmerkelijkbe-langheffing is verschuldigd, terwijl de totale opbrengst van € 1.100(€ 1.000 + € 100) verminderd met de daadwerkelijke inleg van € 118(€ 98 + € 20) tot een winst van € 982 voor de manager heeft geleid.Per saldo heeft de manager € 982 winst behaald op een investeringvan € 118; deze winst is slechts voor € 100 belast in box 2. Vanwegehet vormen van een aanmerkelijk belang in Management bv wordt24Artikel 4.23 Wet IB 2001.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 319 vrijwel de gehele heffing over het lucratieve belang uit Target bvontweken.In deze situatie 3 werkt de voorgestelde maatregel als volgt uit:In jaar 1 verkrijgt de manager 4,9% van de aandelen in Managementbv voor € 98. De boekwaarde van het middellijk gehouden lucratievebelang op zijn werkzaamheidsbalans bedraagt € 98. De aandelen inManagement bv vallen in box 3. In augustus van jaar 5 verkrijgt demanager 0,1% van de aandelen in Management bv, waarmee eenaanmerkelijk belang ontstaat. De verkrijgingsprijs in box 2 bedraagt€ 1.000, dat tevens de waarde in het economische verkeer van hetmiddellijk gehouden lucratieve belang is (5% x € 20.000). Op grondvan het voorgestelde zesde lid kan de aanmerkelijkbelangvariant nietworden toegepast op het verschil tussen de waarde in het econo-mische verkeer en het opgeofferde bedrag in augustus van jaar 5(het moment direct voorafgaand aan de verkrijging van 0,1% deaandelen in Management bv), dus € 980 –/– € 98 = € 882.Door de verkoop van Target bv in december van jaar 5 eindigt hetlucratieve belang. De (indirecte) opbrengst voor de managerbedraagt 5% van € 22.000, dus € 1.100, te verminderen met deboekwaarde op zijn werkzaamheidsbalans van € 11825, dus € 982.Hij ontvangt zelf van Management bv een dividend van € 1.000, wateen weerspiegeling is van de voordelen in verband met de verkoopvan Target bv. Daarmee kan de manager er in beginsel voor kiezenhet voordeel niet tot het inkomen uit lucratief belang te rekenen (deaanmerkelijkbelangvariant). Op grond van het voorgestelde zesde lidkan dit echter alleen voor zover het inkomen de € 882 overstijgt, dusvoor € 118. Het gevolg is dat in jaar 5 een netto-opbrengst van € 882in box 1 wordt belast en in box 2 een dividend van € 1.000. Deontbinding in jaar 6 heeft tot gevolg dat een verlies uit aanmerkelijkbelang van € 900 in aanmerking wordt genomen, bestaande uit deliquidatie-uitkering van € 100, verminderd met de verkrijgingsprijsvan het aanmerkelijk belang van € 1.000. Dit verlies kan achterwaartsworden verrekend met het inkomen uit aanmerkelijk belang in jaar 5.Per saldo leidt dit ertoe dat in box 1 over € 882 is geheven en in box2 over € 100.De voorgestelde maatregel heeft tot gevolg dat de heffing deels zalplaatsvinden in box 1. Daarmee is in de drie genoemde situatiessprake van een passende belastingheffing. Er is naar de mening vanhet kabinet geen sprake van een verzwaring van de belastingheffingover de voordelen uit lucratief belang. Het door belastingplichtigegehouden belang van 4,9% zou er in de startsituatie immers toeleiden dat de gehele opbrengst in box 1 belast zou zijn (situatie 1 inbovengenoemd voorbeeld). Er kan dan immers niet aan devoorwaarden van de aanmerkelijkbelangvariant worden voldaan.Diezelfde heffing wordt met de voorgestelde aanpassing ook bereiktvoor de waardestijging over de periode dat geen sprake is van eenaanmerkelijk belang.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe voorgestelde maatregelen met betrekking tot de lucratiefbelangre-geling beogen voordelen uit een middellijk gehouden lucratief belangzwaarder te belasten en een ongewenste structuur tegen te gaan zoalshiervóór is toegelicht. Met de voorgestelde maatregelen worden dezedoelen bereikt. Het zwaarder belasten van de voordelen uit een middellijkgehouden lucratief belang wordt vormgegeven door de voordelen te25Na aankoop van het aanvullende 0,1%-belang in Management bv bedraagt het opgeofferdbedrag van het lucratieve belang in Target bv € 118, zijnde € 98 plus € 20 (het bedrag datbelastingplichtige voor het aanvullend belang heeft betaald).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 320 verhogen voor situaties waarin de aanmerkelijkbelangvariant wordttoegepast. Daarmee wordt deze maatregel op een doelmatige wijze– zonder grote ingrepen en met beperkte uitvoeringsgevolgen – genomen.Voor de andere maatregel geldt dat deze ook doeltreffend is en doelmatigomdat deze niet verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van hetdoel. De noodzaak en de vormgeving van de lucratiefbelangregelinginclusief de voorgestelde multipliermaatregel zullen geëvalueerd wordenin het jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 vanwege de inhoudelijke samenhang daarmee.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe voorgestelde maatregelen zijn in overleg met de uitvoering tot standgekomen en door de Belastingdienst voorzien van een uitvoeringstoets.Met betrekking tot de multipliermaatregel heeft de Belastingdienst temaken met knelpunten in de handhaving zolang er geen adequateIV-ondersteuning is. Gelet op het volle portfolio van de keten inkomens-heffingen bij de Belastingdienst, is deze IV-ondersteuning niet vóór1 januari 2029 te realiseren. Zodra het portfolio daar ruimte voor toelaat,zal deze gewenste ondersteuning worden uitgewerkt. Tot die tijd zal demaatregel naar verwachting het huidige toezicht op de regeling arbeidsin-tensiever maken en is het risico op procesverstoringen groot. Communi-catie rondom deze wijziging zal specifiek op de doelgroep zijn gericht, erzal geen massale communicatie plaatsvinden. De maatregel is complex,adequate communicatie is ook in de bestaande regeling al een uitdaging.Door de toenemende complexiteit van de regelgeving en de (de facto)tariefsverhoging verwacht de Belastingdienst dat er scherper aan de windzal worden gezeild door belastingplichtigen. De Belastingdienst heeftbeperkt toegang tot bruikbare contra-informatie. De maatregel is daarmeeniet fraudebestendig. Met deze kanttekeningen is de multipliermaatregelwel uitvoerbaar voor de Belastingdienst waarbij de risico’s in dehandhaving worden geaccepteerd.5.3 Aanpassingen box 3 Het kabinet stelt voor om de berekeningswijze van het forfait voor overigebezittingen in box 3 aan te passen door een aanpassing van de wettelijkeformule voor de berekening van het langetermijnrendement op onroe-rende zaken en om het heffingvrije vermogen te verlagen. De aanleidinghiervoor is onder andere het uitstel van de invoering van de Wet werkelijkrendement box 3 – waarvoor het wetsvoorstel nu bij uw Kamer aanhangigis26 – tot 1 januari 2028.27 Hierdoor is het huidige stelsel in box 3 op basisvan een forfaitair rendement met tegenbewijs een jaar langer vantoepassing. Met de voorgestelde maatregelen wordt de totale budgettairederving van € 2,55 miljard gedekt over een periode van twee jaar,namelijk 2026 en 2027. Door de aanpassing van de formule stijgt hetforfait voor overige bezittingen per 2026, dat zonder de voorgesteldeverhoging op 6% zou uitkomen, met 1,78%-punt tot 7,78%. Het heffing-vrije vermogen wordt met ingang van 1 januari 2026 verlaagd van€ 57.684 naar € 51.396.26Het bij koninklijke boodschap van 16 mei 2025 ingediende voorstel van wet tot wijziging vande Wet IB 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wetwerkelijk rendement box 3) (Kamerstukken 36 748).27Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 216.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 321 Aanpassing forfait voor overige bezittingenBox 3 kent momenteel afzonderlijke forfaits voor drie verschillendevermogenscategorieën: banktegoeden, schulden en overige bezittingen.Alle bezittingen die geen banktegoeden of schulden zijn vallen in decategorie overige bezittingen. Deze categorie bestaat voornamelijk uitonroerende zaken, aandelen en obligaties. Het forfaitaire rendement voordie overige bezittingen is gebaseerd op langjarige gemiddelde historischemarktrendementen. Hiermee wordt geprobeerd een goede forfaitairebenadering te krijgen van het gemiddelde werkelijke rendement datbehaald wordt met die overige bezittingen. Het rendement bestaat uittwee componenten: enerzijds de directe inkomsten uit het vermogen,zoals rente, dividend, royalty’s en huur, en anderzijds de waardeverande-ringen van het vermogen, bijvoorbeeld door koerswinsten of waardeda-lingen.Het forfait voor overige bezittingen wordt momenteel berekend op basisvan het langjarige gemiddelde rendement op onroerende zaken, aandelenen obligaties. Om het rendement op onroerende zaken te benaderen iservoor gekozen om de ontwikkeling van de huizenprijzen centraal testellen bij het berekenen van het forfait. Daarmee is impliciet (envoorzichtigheidshalve) aangenomen dat de huizenprijsontwikkelingindicatief is voor het totale rendement van onroerende zaken in box 3inclusief de inkomsten uit huur en voordelen als gevolg van eigen gebruikvan die onroerende zaken.28 Hiermee is echter sprake van een onder-schatting van de gemiddelde langjarige rendementen op onroerendezaken.Het kabinet stelt voor om bij de berekeningsmethode van het forfait beterrekening te houden met de huuropbrengsten en voordelen als gevolg vaneigen gebruik. Zowel huurinkomsten als voordelen wegens eigen gebruikbehoren tot het rendementsbegrip in box 3.29 Voorgesteld wordt om dehuurinkomsten en het voordeel van het eigen gebruik van onroerendezaken expliciet te incorporeren in de berekeningsmethode van hetlangetermijnrendement op onroerende zaken. Uit onderzoek van StichtingEconomisch Onderzoek (SEO) blijkt dat de gemiddelde (bruto) econo-mische huurwaarde van box 3-woningen in 2019–2021 gelijk was aan5,06% van de WOZ-waarde.30 De economische huurwaarde is de huurprijsdie bij verhuur onder normale omstandigheden bedongen kan worden. Bijonroerende zaken in eigen gebruik is dit dus de huur die de eigenaar zouontvangen als de woning verhuurd zou zijn. De brutohuurwaarde van het10e percentiel is 3,35%, dat wil zeggen dat 90% van de woningen eenhogere huurwaarde heeft. Voorgesteld wordt om deze brutohuurwaardevan 3,35% toe te voegen aan de formule en daarmee de berekeningsme-thode van het forfait voor overige bezittingen, zodat deze rekening houdtmet zowel de huizenprijsontwikkeling als huurinkomsten en voordelen alsgevolg van eigen gebruik. Er wordt gebruik gemaakt van een brutohuur-waarde, omdat kosten geen onderdeel uitmaken van het huidigerendementsbegrip in box 3. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van deHoge Raad.31 Het kabinet kiest ervoor om in de aanloop naar een nieuwbox 3-stelsel het rendementsbegrip bij het forfaitaire box 3-stelsel niet aante passen. Wel wordt voorgesteld de berekeningswijze van het forfait aan28Bijlage bij Kamerstukken I 2015/16, 34 302, A.29De HR heeft in ECLI:NL:HR:2024:1788, Hoge Raad, 24/00572 aangegeven dat het voordeelwegens eigen gebruik van een onroerende zaak tot het rendementsbegrip in box 3 hoort (r.o.5.5).30Bijlage bij Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 200.31HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.8 en r.o. 5.4.9 en HR 20 december 2024,ECLI:NL:HR:2024:1788, r.o. 5.5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 322 te passen zodat daarin beter het huidige rendementsbegrip in box 3 totuitdrukking komt. Als gevolg van de aangepaste berekeningsmethodevoor het langetermijnrendement op onroerende zaken stijgt het forfaitvoor overige bezittingen voor 2026 met 1,78%-punt.Op basis van arresten van de HR32 hebben belastingplichtigen met eenlager werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement de mogelijkheidom gebruik te maken van de tegenbewijsregeling. Als het werkelijkerendement over het gehele vermogen lager is dan het forfaitairerendement, dan wordt alleen het werkelijke rendement belast. Hiertoe isde Wet tegenbewijsregeling box 3 ingevoerd.De HR heeft overwogen dat bij de tegenbewijsregeling sprake kan zijn vanovercompensatie.33 Bij het forfaitaire stelsel is het immers niet mogelijkom voor jaren waarin het werkelijke rendement van een belastingplichtigehoger is dan het forfaitaire rendement, belasting te heffen over dat hogerebedrag. Het forfaitaire rendement vormt een bovengrens op de heffing injaren met hoge rendementen. Hierdoor zorgt het forfaitaire stelsel mettegenbewijsregeling voor een grote jaarlijkse budgettaire derving. Metname belastingplichtigen met overige bezittingen profiteren hiervan,omdat deze bezittingen doorgaans volatielere beleggingsresultatenopleveren dan spaargeld waardoor vaker sprake zal zijn van (zeer) hogerendementen waarbij de heffing wordt begrensd door het forfait. Met deaanpassing van de berekeningsmethode van het forfait wordt dezeovercompensatie van de tegenbewijsregeling enigszins beperkt. Doordatbelastingplichtigen met lagere rendementen gebruik kunnen maken vande tegenbewijsregeling wordt de budgettaire opbrengst als gevolg vanhet aanpassen van het forfait opgebracht door belastingplichtigen methogere rendementen, wel gemaximeerd op het (op grond van ditwetsvoorstel verhoogde) forfaitair berekende rendement.Verlaging heffingsvrij vermogenHet heffingvrije vermogen wordt verlaagd van € 57.684 in 2025 naar€ 51.396 in 2026. Deze bedragen gelden per belastingplichtige. Deverlaging van het heffingvrije vermogen zorgt ervoor dat het aantalbelastingplichtigen dat naar verwachting in box 3 belasting gaat betalenstijgt van circa 2,3 miljoen naar circa 2,6 miljoen. De maatregel levert€ 161 miljoen op in 2026 en 2027.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet doel van de voorgestelde wetswijziging is om een budgettaireopbrengst op te halen om de dekkingsopgave in te vullen die onderandere wordt gecreëerd door het uitstel van de invoering van hetwetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, waardoor het forfaitairestelsel met tegenbewijsregeling langer van toepassing is. Met devoorgestelde verhoging van het forfait voor zogenoemde overigebezittingen en verlaging van het heffingvrije vermogen wordt naarverwachting de beoogde budgettaire opbrengst gehaald. Door devoorgestelde aanpassing van box 3 wordt voorkomen dat de budgettairederving in box 3 moet worden opgevangen door bijvoorbeeld werkenden.Zoals hiervoor toegelicht wordt met de voorgestelde aanpassing van hetforfait voor overige bezittingen bovendien de overcompensatie van detegenbewijsregeling enigszins beperkt, zodat beter wordt aangesloten bijhet werkelijke rendement van belastingplichtigen. Deze aanpassing zalniet geëvalueerd worden, omdat hij slechts twee jaar van kracht zal zijn32HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.33HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 323 (tot de beoogde invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028) en er totdie tijd onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor een evaluatie.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe voorgestelde maatregelen zijn parameteraanpassingen in de systemenvan de Belastingdienst. Op basis van de aangepaste wettelijke formulevoor de berekening van het forfait voor overige bezittingen in box 3 wordthet percentage van dat forfait aangepast naar 7,78% voor 2026. Hetheffingvrije vermogen van € 57.684 in 2025 wordt verlaagd naar € 51.396in 2026. Beide parameteraanpassingen kan de Belastingdienst in desystemen voor de (eerste) voorlopige aanslag 2026 en voor de definitieveaanslag 2026 verwerken. In de Uitvoeringstoets heeft de Belastingdienstdaarom voor beide maatregelen het oordeel «uitvoerbaar» gegeven. Voorde Dienst Toeslagen en de Douane hebben de voorgestelde maatregelengeen uitvoeringsgevolgen.5.4 Uitsluiten niet-marktconform handelende gelieerde partijen vantoepassing leegwaarderatio Zowel in box 3 in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) als in deSuccessiewet 1956 (SW 1956) wordt de waarde van (andere dan eigen)woningen in beginsel vastgesteld op basis van de Wet waarderingonroerende zaken (Wet WOZ) (de WOZ-waarde). De WOZ-waarde gaat uitvan de waarde in vrij opleverbare staat. Hierbij wordt geen rekeninggehouden met het feit dat een verhuurde34 staat gevolgen kan hebbenvoor de waarde. Die hoofdregel zou daarom met name tot ongewensteuitkomsten leiden voor situaties waarin een woning met huurbe-scherming is verhuurd. Verhuurde woningen waarvoor huurbescherminggeldt, kunnen namelijk niet in vrij opleverbare staat, dat wil zeggen zonderde huurder erin, worden vervreemd. Daarom geldt voor die situatie, zowelvoor box 3 in de Wet IB 2001 als voor de SW 1956, een afwijkenderegeling (leegwaarderatio).35 Voor deze afwijkende regeling wordtuitgegaan van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellenpercentage van de WOZ-waarde van de woning dat wordt bepaald aan dehand van de huuropbrengst. De leegwaarderatio geldt onder omstandig-heden eveneens voor een pachtovereenkomst die voor ten minste twaalfjaar is aangegaan.Te hoge waarde door regeling leegwaarderatioDeze regeling kan volgens de HR36 zowel voor de Wet IB 2001 als voor deSW 1956 tot een resultaat leiden dat de wetgever niet voor ogen kanhebben gehad. Als de volgens de leegwaarderatio berekende waarde vande verhuurde woning 10% of meer hoger is dan de waarde in heteconomische verkeer van die woning, wordt volgens de HR niet voldaanaan de doelstelling van de wetgever, te weten een zo goed mogelijkebenadering van de waarde in het economische verkeer. Daarom moet indat geval worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeervan de verhuurde woning op de WOZ-waardepeildatum in plaats van uitte gaan van de volgens de leegwaarderatio berekende waarde. Overeen-komstig de genoemde arresten van de HR wordt van de belastingplichtigeverlangd dat hij stelt en in geval van gemotiveerde betwisting door deinspecteur ook aannemelijk maakt dat de volgens de leegwaarderatiovastgestelde waarde van de verhuurde woning 10% of meer hoger is dan34In deze toelichting op deze maatregel wordt met (ver)huur(d) ook (ver)pacht bedoeld.35Artikel 5.20, derde lid, Wet IB 2001 en artikel 21, achtste lid, SW 1956.36HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812 voor de Wet IB 2001 en HR 23 september 2016,ECLI:NL:HR:2016:2135 voor de SW 1956.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 324 de waarde in het economische verkeer van die woning in verhuurde staatop de WOZ-waardepeildatum.Voorbeeld 4Belastingplichtige X verhuurt een woning met een WOZ-waarde van€ 200.000 aan Y tegen een marktconforme huurprijs van 4% opjaarbasis. De leegwaarderatio voor deze woning is dan 90%. X zoudeze woning dan voor € 180.000 (= 90% x € 200.000) in zijn aangifteinkomstenbelasting moeten opgeven. Stel dat de waarde in heteconomische verkeer van deze woning € 150.000 bedraagt Dan is deop basis van de leegwaarderatio berekende waarde 10% of meerhoger dan de waarde in het economische verkeer en zou X dezewaarde in het economische verkeer mogen opgeven.Volgens het kabinet is het alsnog wenselijk om genoemde arresten tecodificeren. Er is verzuimd om eerder gevolg te geven aan de codificatievan deze arresten. Voor deze codificatie is geen wetswijziging nodig, maarkan dit via een algemene maatregel van bestuur worden geregeld. Via hetEindejaarsbesluit 2025 vindt in het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting2001 (UBIB 2001) en het Uitvoeringsbesluit successiewet 1956 (UBSW1956) codificatie plaats van deze arresten van de HR met betrekking tot diemet huurbescherming verhuurde woningen. Aan deze aanpassing wordtterugwerkende kracht verleend tot en met de data van deze arresten vande HR aangezien belastingplichtigen in voorkomende gevallen al sinds dedatum van de arresten een beroep kunnen doen op deze arresten.Gelieerde partijen die tegen een niet-marktconforme huur- of pachtprijsverhurenBij verhuur aan gelieerde partijen wordt, indien de huurprijs zoals dietussen gelieerde partijen is overeengekomen zodanig is dat deze tussenwillekeurige derden niet overeengekomen zou zijn, op dit momentuitgegaan van het hoogste percentage in de tabel van de leegwaarderatioin het UBIB 2001 en het UBSW 1956. Dat percentage bedraagt sinds1 januari 2023 100% van de WOZ-waarde. Voor deze verhuursituaties ingelieerde verhoudingen betekent dit dat de leegwaarderatio voor ditonderdeel de facto is afgeschaft. In vrijwel alle gevallen vanniet-marktconforme huur tussen gelieerde partijen is sprake van een doorde verhuurder doelbewust gekozen situatie. De verhuurder geeft er zelf devoorkeur aan om de woning tegen een niet-marktconforme huurprijs teverhuren aan bijvoorbeeld diens zoon of dochter. Volgens het kabinet is indie situatie een afslag op de WOZ-waarde niet passend. Evenalsverhuurders die niet gelieerd zijn aan hun huurders, kunnen gelieerdepartijen een beroep doen op genoemde arresten van de HR. Daardoor ishet mogelijk dat gelieerde partijen op basis van een niet-marktconforme(lees: te lage) huurprijs de waarde in het economische verkeer op eenniet-marktconforme (lees: te lage) waarde vaststellen. Er kan namelijk nietmet zekerheid worden gesteld dat een niet-marktconforme huurprijs altijdeerst wordt gecorrigeerd tot een marktconforme huurprijs voordat dewaarde van de woning wordt bepaald. Er zijn diverse factoren die vaninvloed zijn op de waarde van een verhuurde woning, zoals de ligging vanhet object en het rendement op de belegging. Een laag rendement (eenlage huurprijs) op een belegging (verhuurde woning) zal in beginsel vaninvloed kunnen zijn op de waarde van deze belegging. In deze situatiemaken gelieerde partijen volgens het kabinet onbedoeld gebruik vangenoemde arresten van de HR. Het kabinet vindt deze situatie ongewenst.Daarom wordt voorgesteld om in zowel de Wet IB 2001 als de SW 1956 tebepalen dat indien de huurprijs, onderscheidenlijk pachtprijs, die tussengelieerde partijen is overeengekomen zodanig is dat deze tussenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 325 willekeurige derden niet overeengekomen zou zijn, deze situatie al directwordt uitgesloten van de toepassing van de leegwaarderatio. Het gevolghiervan is dat deze gelieerde partijen niet meer toekomen aan detoepassing van de tabel van de leegwaarderatio. Hiermee wordt bewerk-stelligd dat gelieerde partijen die de huurprijs op een niet-marktconforme(lees: te lage) huurprijs vaststellen geen beroep meer kunnen doen opgenoemde arresten van de HR.Het voorgaande heeft tot gevolg dat als de huurprijs, onderscheidenlijkpachtprijs, die tussen gelieerde partijen is overeengekomen wel zodanig isdat deze tussen willekeurige derden overeengekomen zou zijn, op dezesituatie de leegwaarderatio wel van toepassing kan zijn. Naast nietgelieerde partijen kunnen gelieerde partijen die marktconform handelenook na 2025 een beroep blijven doen op de bovengenoemde, daninmiddels gecodificeerde arresten van de HR.Het voorgaande betekent dat de leegwaarderatio slechts van toepassingkan zijn als geen sprake is van tijdelijke verhuur en geen sprake is van eenniet-marktconforme huurprijs bij verhuur aan een gelieerde partij en dehuurder huurbescherming geniet. Zowel in de Wet IB 2001 als de SW 1956is de leegwaarderatio immers niet van toepassing wanneer sprake is vaneen voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDeze aanpassing is doelmatig, omdat het specifiek gericht is opverhuurders die een niet-marktconforme (lees: te lage) huurprijs vragen.De aanpassing zal niet geëvalueerd worden, aangezien er onvoldoendegegevens beschikbaar zijn voor een evaluatie. De situaties van een tehoge waarde door de regeling van de leegwaarderatio komen naarverwachting incidenteel voor en er zijn geen signalen dat gelieerdepartijen in de praktijk meer dan incidenteel op basis van eenniet-marktconforme (lees: te lage) huurprijs waarderen en de woning opeen niet-marktconforme (lees: te lage) waarde in het economische verkeervaststellen.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en douaneDe invoering van het uitsluiten van niet-marktconform handelendegelieerde partijen voor de leegwaarderatio is uitvoerbaar met ingang van1 januari 2026. De kosten voor de automatisering bedragen incidenteel€ 70.000.5.5 Reparatie box 3-tegenbewijsregeling voor obligaties en anderevermogensbestanddelen met kortlopende termijnen Het kabinet stelt voor om de berekening van het werkelijke rendement inde box 3-tegenbewijsregeling aan te passen.37 Aanleiding voor devoorgestelde wijziging zijn publicaties38 waarin is gewezen op eenmogelijkheid om de heffing in box 3 in een kalenderjaar geheel ofgedeeltelijk te ontwijken door de aankoop van obligaties met aange-groeide rente. Deze mogelijkheid is uiteraard niet beoogd en zou zonderreparatie kunnen leiden tot aanzienlijke gemiste belastingopbrengsten.Om dit te voorkomen zijn de voorgestelde reparatiemaatregelen aange-kondigd in een persbericht van 25 augustus 2025, 16.00 uur, en zullen de37Deze tegenbewijsregeling is opgenomen in afdeling 5.6 Wet IB 2001.38Eric van Uunen, 7 juli 2025, Wilt u geen box 3-heffing betalen? Zie de omissies in de tegenbe-wijsregeling, Taxlive, https://www.taxlive.nl/nl/documenten/opinie/columns/wilt-u-geen-box-3-heffing-betalen-zie-de-omissies-in-de-tegenbewijsregeling/ en Laurens Berentsen, 10 juli 2025,Belasting box 3 eenvoudig te omzeilen met tegenbewijsregeling, Financieel Dagblad, p. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 326 voorgestelde maatregelen met terugwerkende kracht van toepassing zijnop vermogensbestanddelen (bezittingen en schulden) die na dat tijdstiptot het box 3-vermogen zijn gaan behoren.Hieronder worden eerst de achtergrond en de gesignaleerde ontwijkings-mogelijkheid toegelicht. Daarna wordt de voorgestelde wetswijzigingtoegelicht.AchtergrondDe box 3-tegenbewijsregeling is ingevoerd naar aanleiding van arrestenvan de HR van 6 juni 202439 en 14 juni 2024.40 Op basis van die tegenbe-wijsregeling worden belastingplichtigen in box 3 belast op basis van hunwerkelijke rendement als hun werkelijke rendement lager is dan hetforfaitaire rendement. Het werkelijke rendement wordt per belastingjaarmet het forfaitaire rendement vergeleken. De HR heeft in zijn arrestenregels geformuleerd voor de vaststelling van het werkelijke rendement.Deze regels zijn gecodificeerd in de Wet tegenbewijsregeling box 3. In diewet is tevens een nadere invulling gegeven van de regels voor hetbepalen van het werkelijke rendement voor verschillende vraagstukkenwaarover de HR niet expliciet heeft geoordeeld.Bij obligaties is doorgaans sprake van jaarlijkse uitbetaling van de rente.Gedurende het jaar groeit de rente aan. Bij aankoop van een obligatiebetaalt de koper ook voor de tot dat moment aangegroeide rente.De vraag hoe het werkelijke rendement bij de aankoop van een obligatiemet aangegroeide rente moet worden bepaald volgt niet expliciet uit dearresten van de HR. De behandeling volgt uit een samenloop van denadere invulling in de Wet tegenbewijsregeling box 3 in combinatie metde (ook buiten de tegenbewijsregeling in box 3 geldende) waarderings-regels41 voor effecten en de (ook buiten de tegenbewijsregeling in box 3geldende) vrijstelling42 voor kortlopende termijnen van inkomsten enverplichtingen. Op basis van die vrijstelling zijn lopende termijnen vaninkomsten en verplichtingen vrijgesteld indien die termijnen betrekkinghebben op een tijdvak van een jaar of korter en waarvan het achterlig-gende vermogensbestanddeel in het bezit is van de belastingplichtige.Een voorbeeld van een dergelijke lopende termijn is de aangegroeiderente bij een obligatie die jaarlijks rente uitkeert. Deze vrijstelling isingevoerd om redenen van doelmatigheid. Met de vrijstelling wordtvoorkomen dat belastingplichtigen lopende termijnen zoals de aange-groeide rente bij een obligatie jaarlijks op de peildatum moetenwaarderen en opgeven, terwijl de waarde van deze termijnen doorgaansrelatief klein is. Voor effecten die zijn opgenomen in een aangewezenprijscourant (kortgezegd: beursgenoteerde effecten) geldt daarnaast dewaarderingsregel dat deze op de peildatum worden gewaardeerd op deslotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op delaatste beursdag van het voorafgaande kalenderjaar. Deze notering is bijobligaties exclusief aangegroeide rente. De bestaande waarderingsregelsvoor effecten en de vrijstelling voor kortlopende termijnen van inkomstenen verplichtingen zijn geschreven voor het forfaitaire box 3-systeem. Dedoorwerking naar het werkelijke rendement voor de tegenbewijsregelingzorgt echter voor de genoemde mogelijkheid van fiscale planning.In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet tegenbewijsregelingbox 3 is de behandeling van meegekochte rente bij een obligatietoegelicht met een cijfervoorbeeld.43 In de genoemde publicaties is opbasis van dit cijfervoorbeeld gesignaleerd dat de behandeling van39HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.40HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857.41Artikel 5.12 Wet IB 2001.42Artikel 5.12 Wet IB 2001.43Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 7, p. 25.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 327 meegekochte rente bij obligaties de mogelijkheid biedt om in het jaar vanaankoop van een obligatie een verlies in aanmerking te nemen endaarmee de heffing in box 3 te ontlopen. Dit komt omdat op het momentvan aan- of verkoop de werkelijke aan- of verkoopprijs van een obligatie –inclusief aangegroeide rente – in aanmerking wordt genomen44 terwijl aanhet einde van het kalenderjaar door de hiervoor genoemde regels dewaarde van de obligatie exclusief aangegroeide rente in aanmerkingwordt genomen. Dit wordt aan de hand van onderstaand voorbeeldgeïllustreerd.Voorbeeld 5 – werking huidige systematiekEen belastingplichtige koopt op 1 november 2025 een obligatie meteen nominale waarde van € 100.000 en een aangegroeide rente van€ 4.500 voor € 104.500. De rente is 6% en wordt jaarlijks uitgekeerdop 1 februari. Op 1 november 2027 verkoopt de belastingplichtige deobligatie. Om dit voorbeeld eenvoudig te houden, blijft de beurs-koers van de obligatie steeds stabiel op 100% van de nominalewaarde.2025Eindwaarde€ 100.000–/– Aankoopwaarde€ 104.500Vermogensaanwas€ – 4.500Uitbetaalde rente€ 0Rendement€ – 4.500 2026Eindwaarde€ 100.000–/– Beginwaarde€ 100.000Vermogensaanwas€ 0Uitbetaalde rente€ 6.000Rendement€ 6.000 2027Verkoopwaarde€ 104.500–/– Beginwaarde€ 100.000Vermogensaanwas€ 4.500Uitbetaalde rente€ 6.000Rendement€ 10.500 Het bovenstaande voorbeeld laat zien dat de aankoop van de obligatie in2025 een vermogensverlies oplevert. Daarnaast laat het voorbeeld ziendat bij het aanhouden van de obligatie in 2026 een positief rendementoptreedt door de uitkering van het jaarlijkse rendement, en dat bij verkoopvan de obligatie met aangegroeide rente in 2027 ten opzichte van hetvermogensverlies in 2025 een spiegelbeeldige vermogenswinst ontstaat.In de tegenbewijsregeling kunnen belastingplichtigen echter jaarlijkskiezen tussen het werkelijke rendement of het forfaitaire rendement. Ditkan het aantrekkelijk maken om bijvoorbeeld in 2025 het werkelijkerendement door aankoop van voldoende obligaties te verminderen ofgeheel naar nihil te brengen. Dit is met name aantrekkelijk met obligatiesdie aan het begin van het jaar rente uitkeren, waardoor bij aankoop aanhet einde van het jaar relatief veel rente is aangegroeid. In de volgendejaren treedt bij aanhouden of verkopen van de obligatie weliswaar een44Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 7, p. 25.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 328 positief rendement op, maar het forfaitaire rendement vormt in dat jaareen plafond voor de heffing in box 3.Voorgestelde wijzigingHet kabinet stelt in de eerste plaats voor om de waarderingsregel voorbeursgenoteerde effecten bij het toepassen van de tegenbewijsregeling telaten vervallen voor obligaties en voor met obligaties vergelijkbareeffecten. Obligaties en vergelijkbare effecten moeten dan wordengewaardeerd volgens de algemene hoofdregel in box 3: waardering op dewaarde in het economische verkeer. Dit is de waarde inclusief aange-groeide rente. Het gaat bij het laten vervallen van de waarderingsregel omalle effecten waarbij in de notering in de prijscourant geen rekening wordtgehouden met de waarde van lopende termijnen, en waarbij dus hethierboven beschreven gevolg kan optreden. In de tweede plaats wordtvoorgesteld om de hiervoor beschreven vrijstelling voor kortlopendetermijnen te laten vervallen bij het toepassen van de tegenbewijsregeling.De vrijstelling voor kortlopende termijnen blijft echter wel gelden voorbanktegoeden. Deze uitzondering voor banktegoeden wordt verderop indeze memorie nader toegelicht. Ook blijven de vrijstelling voor kortlo-pende termijnen en de waarderingsregel voor beursgenoteerde effectenwel van belang voor het bepalen van het forfaitaire rendement en hetvaststellen van het bedrag beschikking rendementsgrondslag.Door deze combinatie van maatregelen wordt voorkomen dat in het jaarvan verkrijging van een vermogensbestanddeel met een kortlopendetermijn van inkomsten of verplichtingen een verlies ontstaat. In plaatsdaarvan wordt het werkelijke rendement gelijkmatiger verdeeld oververschillende belastingjaren. De voorgestelde regels maken de bepalingvan het werkelijke rendement minder gevoelig voor fiscaal gestuurdgedrag om de heffing in een bepaald jaar te ontlopen. Hieronder wordtgeïllustreerd hoe het werkelijke rendement wordt bepaald in de casus uitvoorbeeld 1 na de voorgestelde wetswijziging.Voorbeeld 6 – werking voorgestelde systematiekEen belastingplichtige koopt op 1 november 2025 een obligatie meteen nominale waarde van € 100.000 en een aangegroeide rente van€ 4.500 voor € 104.500. De rente is 6% en wordt jaarlijks uitgekeerdop 1 februari. Aan het begin en het einde van het jaar is dan steeds11/12e deel van de € 6.000 rente aangegroeid, oftewel € 5.500. Op1 november 2027 verkoopt de belastingplichtige de obligatie. Om hetvoorbeeld eenvoudig te houden, blijft de beurskoers van de obligatiesteeds stabiel op 100% van de nominale waarde.2025Eindwaarde€ 105.500–/– Aankoopwaarde€ 104.500Vermogensaanwas€ 1.000Uitbetaalde rente€ 0Rendement€ 1.000 2026Eindwaarde€ 105.500–/– Beginwaarde€ 105.500Vermogensaanwas€ 0Uitbetaalde rente€ 6.000Rendement€ 6.000 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 329 2027Verkoopwaarde€ 104.500–/– Beginwaarde€ 105.500Vermogensaanwas€ – 1.000Uitbetaalde rente€ 6.000Rendement€ 5.000 Als de twee hiervoor opgenomen voorbeelden met elkaar wordenvergeleken, is te zien dat het totale rendement over de jaren 2025 tot enmet 2027 hetzelfde blijft (namelijk € 12.000). In de voorgestelde syste-matiek wordt het rendement echter op een meer evenwichtige manierover de kalenderjaren verdeeld, waardoor er geen winst is te behalen methet hiervoor geschetste afwisselen van gebruikmaking van het werkelijkerendement en gebruikmaking van het forfaitaire rendement.Bij andere vermogensbestanddelen waarbij sprake is van kortlopendetermijnen van inkomsten en verplichtingen kan eveneens – zoalsbeschreven voor obligaties – in het jaar van verkrijging of vervreemdingeen verlies optreden door de toepassing van de vrijstelling voor kortlo-pende termijnen. Dit kan bijvoorbeeld spelen bij andere vorderingen danobligaties, schulden of meer complexe financiële producten. Als devrijstelling voor kortlopende termijnen enkel voor obligaties zou komen tevervallen, zouden belastingplichtigen en fiscale adviseurs naarverwachting met andere vermogensbestanddelen toch gebruikmaken vande beschreven ontwijkingsmogelijkheid. Daarom is het voorstel om devrijstelling voor kortlopende termijnen bij het toepassen van de tegenbe-wijsregeling in principe voor alle vermogensbestanddelen te latenvervallen. Een uitzondering hierop wordt voorgesteld voor banktegoeden.Box 3-banktegoeden met kortlopende termijnen, zoals deposito’s, zijn nietvrij overdraagbaar. Een belastingplichtige zal daardoor geen bankte-goeden met lopende termijnen kunnen aankopen. De vrijstelling voorkortlopende termijnen zorgt bij banktegoeden dus niet voor eenmogelijkheid om een verlies te creëren. Bij banktegoeden is het voorsteldaarom om de vrijstelling voor kortlopende termijnen in stand te houden.Daarmee blijven de voordelen van de vrijstelling op het gebied vandoelmatigheid van toepassing voor banktegoeden.Terugwerkende krachtHet niet repareren van de hiervoor beschreven ontwijkingsmogelijkheidleidt tot grote budgettaire risico’s. Het aankopen van obligaties is eeneenvoudige handeling. Daarnaast is brede bekendheid gegeven aan deontwijkingsmogelijkheid, wat de populariteit en waarschijnlijk het gebruikvan deze mogelijkheid zal vergroten. Het is daarom aannemelijk dat hetniet dichten van dit lek grote gevolgen voor de schatkist zal hebben. Steldat bijvoorbeeld alle belastingplichtigen met een belastingconsulent ofbeleggingsadviseur in 2025 de helft van hun vermogen in effectenomzetten in obligaties met een meegekochte rente van 5% om in 2025 eenverlies te creëren. Hier staat tegenover dat het werkelijk rendement vandeze belastingplichtigen in 2026 toeneemt. Het forfaitaire rendementvormt jaarlijks echter een bovengrens op de heffing, waardoor deontwijkingsmogelijkheid per saldo tot een voordeel leidt. De voorgesteldeverhoging van het forfait voor overige bezittingen per 2026 beperkt hetnetto voordeel. Door de ontwijkingsmogelijkheid niet met terugwerkendekracht te repareren kan het bestaan van deze mogelijkheid in 2025 leidentot een gemiste opbrengst van per saldo ongeveer € 100 miljoen. Om ditte voorkomen wordt voorgesteld om de wetgeving met terugwerkende toten met 25 augustus 2025, 16.00 uur, te wijzigen. Aangezien de ontwij-kingsmogelijkheid met name voordelig is indien belastingplichtigen aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 330 het einde van het kalenderjaar obligaties kopen, is de verwachting datdeze terugwerkende kracht effectief gebruik van dit lek kan voorkomen. Devoorgestelde wijzigingen kunnen nadelig zijn voor belastingplichtigen bijhet bepalen van het werkelijke rendement in een bepaald belastingjaar,omdat die belastingplichtigen zonder deze wijzigingen na het kopen vaneen obligatie met aangegroeide rente een verlies in aanmerking kunnennemen, terwijl dat na de voorgestelde wijziging niet meer kan. Alshoofdregel wordt geen terugwerkende kracht toegekend aan maatregelendie ongunstig kunnen uitwerken voor belastingplichtigen. In dit bijzonderegeval wordt wel terugwerkende kracht voorgesteld vanwege hetvoorkomen van omvangrijk oneigenlijk gebruik van een wettelijkevoorziening. Terugwerkende kracht is alleen mogelijk tot en met hettijdstip dat de wijziging kenbaar is voor belastingplichtigen. Daarom is nabehandeling van het wetsvoorstel Belastingplan 2026 in de ministerraadop 25 augustus 2025, 16.00 uur, een persbericht uitgestuurd om dewijziging kenbaar te maken. Terugwerkende kracht is daardoor mogelijktot en met dat tijdstip. De voorgestelde wijziging geldt alleen voorbezittingen en schulden die na dat tijdstip tot het box 3-vermogen zijngaan behoren.OvergangsrechtOvergangsrecht wordt voorgesteld voor bezittingen en schulden die voor25 augustus 2025, 16.00 uur, al tot het box 3-vermogen van de belasting-plichtige behoorden. Voor die vermogensbestanddelen blijven deoorspronkelijke regels gelden tot het moment van vervreemding of tot deinwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3, beoogd per1 januari 2028. Voor de vermogensbestanddelen die na 25 augustus 2025,16.00 uur, tot het box 3-vermogen zijn gaan behoren gelden de voorge-stelde regels. Zonder dit overgangsrecht zou voor vermogensbestand-delen die op 25 augustus 2025, 16.00 uur, al tot het box 3-vermogenbehoorden een mismatch optreden tussen de waardering aan het eindevan het kalenderjaar 2025 en de waardering aan het begin van hetkalenderjaar 2026. De eindwaarde voor het kalenderjaar 2025 en debeginwaarde voor het kalenderjaar 2026 zouden in dat geval van elkaarafwijken vanwege de overgang naar de voorgestelde regeling. Dezewaardeverandering zou voor onwenselijke effecten bij het bepalen van hetwerkelijke rendement zorgen. Dit wordt in onderstaand voorbeeldgeïllustreerd.Voorbeeld 7Een belastingplichtige koopt op 1 augustus 2025 een obligatie meteen nominale waarde van € 100.000 en een aangegroeide rente van€ 3.000 voor € 103.000. De rente is 6% en wordt jaarlijks uitgekeerdop 1 februari. De belastingplichtige verkoopt de obligatie op1 januari 2026 voor € 105.500 (waarvan € 5.500 voor de aange-groeide rente). Om het voorbeeld eenvoudig te houden, blijft debeurskoers van de obligatie steeds stabiel op 100% van de nominalewaarde.In 2025 zijn de oorspronkelijke regels van toepassing, de obligatie isimmers aangekocht vóór 25 augustus 2025, 16.00 uur. In 2026zouden zonder overgangsrecht de voorgestelde regels vantoepassing zijn.2025Eindwaarde€ 100.000–/– Aankoopwaarde€ 103.000Vermogensaanwas€ – 3.000Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 331 2025Uitbetaalde rente€ 0Rendement€ – 3.000 2026Verkoopwaarde€ 105.500–/– Beginwaarde€ 105.500Vermogensaanwas€ 0Uitbetaalde rente€ 0Rendement€ 0 In dit geval zou de belastingplichtige in 2025 een verlies in aanmerkingkunnen nemen vanwege de toepassing van de bestaande systematiek,waarna deze belastingplichtige begin 2026 de obligatie weer verkoopttegen een rendement van nihil vanwege de overgang naar de nieuweregeling. Doordat de beginwaarde in 2026 € 5.500 hoger ligt dan deeindwaarde van 2025, blijft € 5.500 ten onrechte buiten de heffing. Ditonwenselijke effect biedt nieuwe mogelijkheden voor belastingontwijking.Daarom wordt voorgesteld dat voor vermogensbestanddelen die vóór25 augustus 2025, 16.00 uur, tot het box 3-vermogen behoorden de ouderegels blijven gelden tot het moment van vervreemding of tot deinwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3,beoogd per 1 januari 2028. Door inwerkingtreding van het nieuwe stelselzal de box 3-tegenbewijsregeling immers vervallen waardoor hetovergangsrecht ook kan vervallen.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet doel van de voorgestelde wetswijziging is om een onwenselijkeontwijkingsmogelijkheid te voorkomen in de box 3-tegenbewijsregeling.Met de voorgestelde wetswijziging wordt voorkomen dat deze ontwij-kingsmogelijkheid na 25 augustus 2025, 16.00 uur, kan worden toegepast.De maatregel is hierdoor doeltreffend en doelmatig.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe Belastingdienst acht de voorgestelde maatregel uitvoerbaar. Devoorgestelde maatregel betekent een aanpassing met terugwerkendekracht in de box 3-tegenbewijsregeling om een onwenselijke ontwijkings-mogelijkheid te voorkomen. Naar huidig inzicht is de verwachting datdeze maatregel geen vertraging oplevert voor de migratie Cool:Gen of deinvoering van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, mitsvoldaan wordt aan twee voorwaarden:1.Naast deze maatregel worden per 1 januari 2026 geen nieuwemaatregelen voorgesteld die IV-werkzaam-heden vereisen voor deketen Inkomensheffingen.2.In het aangifteprogramma voor het belastingjaar 2025 wordt alleende toelichting aangepast.Beide voorwaarden kunnen op instemming rekenen van het kabinet. Hetis van groot belang dat de migratie Cool:Gen en de invoering van hetwetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 geen vertraging oplopen.De voorgestelde maatregel betekent een toename van de complexiteit. Deverwachting is dat het merendeel van de doelgroep een fiscaal adviseurheeft. Zowel voor de belastingplichtige als de Belastingdienst wordt hetlastiger omdat voor de waarde van vermogensbestanddelen met lopendetermijnen van inkomsten of verplichtingen niet meer uit kan wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 332 gegaan van het gerenseigneerde gegeven. Omdat derdengegevensontbreken, vraagt de handhaving extra capaciteit.5.6 Aanpassingen groen beleggen Groen beleggen door particulieren wordt fiscaal gestimuleerd doormiddel van een box 3-vrijstelling en een heffingskorting over hetvrijgestelde deel van de groene beleggingen voor aandelen in, winstbe-wijzen van en geldleningen aan aangewezen groenfondsen die duurzameinnovatieve projecten financieren.Bij de behandeling van het Belastingplan 2025 (BP 2025) in de TweedeKamer is het amendement Van Eijk/Vermeer45 aangenomen. Met ditamendement is geregeld dat zowel de box 3-vrijstelling voor groenebeleggingen als de heffingskorting voor groene beleggingen is verlaagdper 1 januari 2025 en dat zowel die vrijstelling als die heffingskortingvervalt per 1 januari 2027. In 2025 bedraagt de vrijstelling voor groenebeleggingen € 26.312 (voor partners € 52.624) en de heffingskorting voorgroene beleggingen 0,1% van het op 1 januari van het betreffendebelastingjaar (in dit geval 2025) in box 3 vrijgestelde bedrag aan kwalifice-rende bezittingen van de belastingplichtige(n). Bij het begin van hetkalenderjaar 2026 wordt het bedrag van de vrijstelling voor groenebeleggingen zoals gebruikelijk automatisch geïndexeerd. Inmiddels isgebleken dat genoemd amendement niet uitvoerbaar is voor de Belasting-dienst ten aanzien van het afschaffen per 1 januari 2027 van zowel devrijstelling voor groene beleggingen in box 3 als de heffingskorting voorgroene beleggingen. Met de thans voorgestelde wijzigingen wordtbewerkstelligd dat de datum van inwerkingtreding van de ingevolgegenoemd amendement voor het jaar 2027 in het BP 2025 opgenomenwijzigingen wordt gewijzigd van 1 januari 2027 in 1 januari 2028. Hiermeekomt zowel de vrijstelling voor groene beleggingen in box 3 als deheffingskorting voor groene beleggingen niet per 1 januari 2027, maar per1 januari 2028 te vervallen.Het voorgaande betekent dat de bepalingen in een aantal wetten dieverwijzen naar deze faciliteiten en de bepalingen in de Uitvoeringsre-geling inkomstenbelasting 2001 die verwijzen naar deze faciliteiteneveneens moeten vervallen per 1 januari 2028 in plaats van per 1 januari2027. Het laten vervallen per 1 januari 2027 van deze verwijzingen wasnog niet opgenomen in wetgeving. Die wijzigingen zullen in latere wet- enregelgeving terechtkomen. Tegelijkertijd zullen dan ook de Regelinggroenprojecten 2022, de Regeling groenprojecten Nederlandse Antillen enAruba 2002 en de Regeling groenprojecten buitenland 2002 wordeningetrokken.Zoals hierboven is toegelicht, kan zowel de box 3-vrijstelling voor groenebeleggingen als de heffingskorting voor groene beleggingen omtechnische redenen niet worden afgeschaft per 1 januari 2027. Hierdoormoet in 2027 een box 3-vrijstelling voor groene beleggingen en eenheffingskorting voor groene beleggingen in de Wet IB 2001 blijven staan.Om recht te doen aan het doel en de strekking van genoemdamendement, stelt het kabinet een laag bedrag van de vrijstelling voorgroene beleggingen van € 200 (voor partners € 400) voor zodat deregelingen de facto wel reeds per 1 januari 2027 worden afgeschaft. Er isin de raming van de budgettaire gevolgen van de vaststelling van devrijstelling op de genoemde bedragen al rekening gehouden met deverwachte indexatie. Hierdoor kan indexatie van die bedragen per1 januari 2027 achterwege blijven. De heffingskorting voor groenebeleggingen blijft op grond van dit wetsvoorstel in 2027 0,1% van het op45Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 93.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 333 1 januari van het betreffende belastingjaar (in dit geval 2027) in box 3vrijgestelde bedrag aan kwalificerende bezittingen van de belastingplich-tige(n). Er is voor gekozen om de voorgestelde wijzigingen nu al op tenemen in dit Belastingplan zodat de toekomstige wijzigingen voorbelastingplichtigen tijdig duidelijk zijn. Deze wijzigingen hebben immersbetrekking op een reeds aangenomen amendement. In dit Belastingplanwordt daarmee al aangekondigd welke wijzigingen worden voorgesteldvoor de toekomst. De aanpalende wet- en regelgeving wordt, zoalshierboven is aangegeven, op een later moment opgenomen.Doeltreffendheid, doelmatigheid & evaluatieDe voorgestelde maatregel heeft tot doel het genoemde amendementuitvoerbaar te maken voor de Belastingdienst. Dat doel wordt met devoorgestelde aanpassingen bereikt. Daarmee is de maatregeldoeltreffend. Doordat de maatregel budgettair verwaarloosbaar is, is demaatregel ook doelmatig. Er vindt geen evaluatie plaats, omdat deregeling groenprojecten met ingang van 1 januari 2028 vervalt.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe Belastingdienst acht de voorgestelde maatregel uitvoerbaar per1 januari 2028 mits het wetsvoorstel werkelijk rendement box 3 in werkingtreedt per 1 januari 2028. Deze voorgestelde parameters zijn voor de IVtechnisch maakbaar. Het wijzigen van bedragen of percentages is eenparameterwijziging, in tegenstelling tot het afschaffen van fiscaleregelingen. Nadat het amendement was aangenomen, was al onduidelijkof het amendement voor zover het ziet op de afschaffing van de fiscalefaciliteiten voor groene beleggingen, uitvoerbaar zou zijn per 1 januari2027. Vervolgens heeft de Belastingdienst gezocht naar een oplossing omgenoemd amendement te kunnen uitvoeren per 1 januari 2027, echterzonder het gewenste resultaat zoals onlangs is gebleken. Naarverwachting ontstaan geen extra risico’s op verstoringen vanwege te lageparameters die bij een parameter van € 0 als bedrag van de vrijstellingvoor groene beleggingen er wel zouden zijn. Wel wordt verwacht dat delage parameters zullen leiden tot veel vragen. Hopelijk kan dit zo veelmogelijk worden gemitigeerd door communicatie via de regulierecommunicatiekanalen.5.7 Akkoord «gezond naar het pensioen» Met het stijgen van de levensverwachting, en de daaraan gekoppeldepensioengerechtigde leeftijd in de zin van de Algemene Ouderdomswet(AOW-leeftijd), worden loopbanen langer. In het Pensioenakkoord van2019 hebben kabinet en sociale partners, naast afspraken over dehervorming van de tweede pijler, ook afspraken gemaakt die ervoormoeten zorgen dat werkenden in Nederland gezond de eindstreep kunnenhalen. Een van de maatregelen is de tijdelijke fiscale drempelvrijstellingvoor regelingen voor vervroegde uittreding (RVU) voor de periode2021–2025. Deze biedt ruimte aan werkgevers en werknemers omafspraken te maken over eerder uittreden voor oudere werknemers diezich niet hebben kunnen voorbereiden op de verhoging van deAOW-leeftijd en niet gezond kunnen blijven werken tot de AOW-leeftijd.Vanaf 2021 kunnen werknemers drie jaar voor AOW-leeftijd stoppen metwerken met een uitkering van de werkgever gelijk aan de AOW-uitkeringzonder dat de werkgever hierover een pseudo-eindheffing verschuldigd is.Hoewel de meeste werknemers gezond kunnen doorwerken tot deAOW-leeftijd, is dit nog niet voor iedereen haalbaar. In het akkoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 334 «Gezond naar het pensioen»46 hebben het kabinet en sociale partnersdaarom afgesproken de RVU-drempelvrijstelling vanaf 2026 structureelmet ijkmomenten voort te zetten, en deze beheerst en gerichter in tezetten voor werknemers met zwaar werk die niet gezond kunnendoorwerken tot de AOW-leeftijd. Daarnaast blijven sociale partners enkabinet inzetten op gezond langer doorwerken. Aangezien deRVU-drempelvrijstelling een generieke faciliteit is, zijn werkgevers enwerknemers (aan de cao-tafel) aan zet om deze gericht in te zetten opwerknemers met zwaar werk die niet gezond werkend de AOW-leeftijdkunnen bereiken. Bij het akkoord hebben kabinet en sociale partnerscentrale afspraken gemaakt over de vormgeving en gerichtheid vanRVU-regelingen en gelijktijdige investeringen in duurzame inzetbaarheid,gecombineerd met een systematiek van gezamenlijke monitoring enijkmomenten. In de volgende paragrafen wordt dit nader uitgewerkt.Voorgestelde wettelijke aanpassingen van de RVUOm RVU’s te ontmoedigen geldt in beginsel een pseudo-eindheffing van52% voor de werkgever. Dit betekent dat als een werkgever eenwerknemer een RVU aanbiedt, de werkgever over deze RVU-uitkeringen52% pseudo-eindheffing is verschuldigd. De pseudo-eindheffing komtbovenop de reguliere belastingheffing. Met de Wet Bedrag ineens, RVU enverlofsparen is met ingang van 2021 de tijdelijke RVU-drempelvrijstellinggeïntroduceerd. Deze fiscale drempelvrijstelling is tijdelijk en geldt tot enmet 2025, met een uitloop naar 2028 voor op 31 december 2025bestaande RVU’s. Met deze RVU-drempelvrijstelling kunnen werknemersdrie jaar voor AOW-leeftijd stoppen met werken en een uitkering van dewerkgever ontvangen (gelijk aan de AOW-uitkering) zonder dat dewerkgever hierover een pseudo-eindheffing van 52% is verschuldigd.Naar aanleiding van het akkoord «Gezond naar het pensioen» wordtvoorgesteld dat deze fiscale drempelvrijstelling voor RVU’s drie jaarvoorafgaand aan de AOW-leeftijd vanaf 2026 in stand blijft, met afsprakenover betere gerichtheid en een systematiek van gezamenlijke monitoringen ijkmomenten. Voor de monitoring en ijkmomenten wordt eenevaluatiebepaling voorgesteld met de mogelijkheid om bij algemenemaatregel van bestuur met voorhangprocedure bij te sturen op detoepassing van de RVU-drempelvrijstelling. Hierna onder Doeltref-fendheid, doelmatigheid en evaluatie worden deze monitoring enijkomenten nader toegelicht.Om de RVU toegankelijker te maken voor werknemers met een laaginkomen of weinig aanvullend pensioen, wordt voorgesteld het huidigedrempelbedrag (in netto termen gelijk aan een netto AOW-uitkering) teverhogen met € 300 bruto per maand. Voorgesteld wordt het bedrag van€ 300 jaarlijks te indexeren met een indexatie gebaseerd op de ontwik-keling van minimumloon. Het basisbedrag van het drempelbedrag (hetbedrag zonder de € 300 verhoging) is gebaseerd op een nettoAOW-uitkering waarvan de verhoging ook is gebaseerd op de ontwik-keling van het minimumloon.Daarnaast wordt voorgesteld het tarief van de pseudo-eindheffing vooreen RVU boven de RVU-drempelvrijstelling stapsgewijs te verhogen:57,7% in 2026, 64% in 2027 en 65% in 2028. De percentages van 57,7% in2026 en 64% in 2027 worden zo voorgesteld aangezien deze de budget-taire derving van het in stand houden van de RVU-drempelvrijstelling voordie jaren volledig dekken. Vanaf 2028 wordt het percentage op 65%gemaximeerd. Met dit verhoogde tarief wordt een RVU boven deRVU-drempelvrijstelling extra ontmoedigd.46Kamerstukken II 2023/24, 32 043, nr. 663.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 335 Afspraken met betrekking tot het gericht inzetten van de RVUHet kabinet en sociale partners hebben in het akkoord «Gezond naar hetpensioen» afgesproken om de RVU beheerst en gericht in te zetten, zodatdie alleen terecht komt waar het nodig en verantwoord is, gelet op degevolgen voor de arbeidsmarkt en samenleving. Het is aan decentralesociale partners om de RVU gericht af te bakenen op werknemers die doorde zwaarte van het werk niet gezond werkend de AOW-leeftijd kunnenbereiken. Hiertoe hebben kabinet en sociale partners in het akkoordcentrale afspraken gemaakt over de vormgeving van (collectieve)RVU-regelingen. Kabinet en sociale partners hebben in het akkoord ookafgesproken dat het gebruiken van de extra fiscale ruimte van € 300 geenvanzelfsprekendheid is. Op veel plekken biedt immers het huidigedrempelbedrag, vaak aangevuld vanuit het arbeidsvoorwaardelijkpensioen, genoeg mogelijkheid om eerder met pensioen te gaan.Werkgevers en werknemers wegen de noodzaak van benutting van deadditionele fiscale ruimte zelf af.Om de RVU beter te richten op werknemers met zwaar werk die niet meteigen middelen eerder kunnen stoppen met werken, kunnen cao-partijenoverwegen om een inkomensgrens toe te passen in hun RVU-regeling. Bijde monitoring en ijkmomenten wordt de hoogte van gehanteerdeinkomensgrenzen in RVU-regelingen in kaart gebracht.In het akkoord zijn afspraken gemaakt over de vormgeving vanRVU-afspraken. Zo dienen RVU-afspraken altijd een onderbouwdeafbakening van de doelgroep te hebben, gericht op belastende functies enwerkzaamheden gebaseerd op objectieve criteria. Bovendien moetendecentrale sociale partners de afbakening van de werknemers die inaanmerking komen voor RVU periodiek herzien om aan te sluiten bijontwikkelingen van functies en werkzaamheden. Daarnaast schakelenwerkgevers en werknemers een door het Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid (SZW) erkende derde partij in om de juistheid van deafbakening te valideren. Cao-partijen blijven zelf verantwoordelijk voor deafbakening van de RVU-doelgroep.Bovenstaande afspraken met betrekking tot het gericht inzetten van deRVU worden, zoals eerder genoemd, gemonitord. Daarvoor is eenevaluatiebepaling opgenomen in het wetsvoorstel. In de volgendeparagraaf wordt dit nader uitgewerkt.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe maatregelen hebben ten doel dat de RVU-drempelvrijstelling vanaf2026 in stand blijft voor werknemers met zwaar werk die niet gezondkunnen doorwerken tot de AOW-leeftijd. De maatregelen zijn doeltreffendin die zin dat de RVU-drempelvrijstelling vanaf 2026 voor deze groepwerknemers in stand blijft. In hoeverre de maatregelen ook doelmatig zijnhangt af van de uitwerking en opvolging van de gemaakte afspraken metsociale partners in het akkoord «Gezond naar het pensioen». Dit wordtgemonitord en geëvalueerd. Met ingang van 2025 is het proces vangezamenlijke jaarlijkse monitoring door SZW en sociale partners gestarten driejaarlijks vinden ijkomenten plaats, gericht op alle afspraken rond«Gezond naar het pensioen» die in dit akkoord zijn gemaakt. In hetwetsvoorstel is voor deze monitoring en ijkmomenten een evaluatiebe-paling opgenomen.Er volgt een jaarlijkse monitoring op de afspraken uit het akkoord. Ditgebeurt op basis van monitoringsrapportages. Deze rapportages richtenzich op alle afspraken die zijn gemaakt in het akkoord. Hierbij wordt ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 336 gekeken naar het totale gebruik van RVU, het profiel van RVU-deelnemersen de gerichtheid van de RVU-regelingen zoals de afbakening van dedoelgroep, de hoogte van gehanteerde inkomensgrenzen en het gebruiken onderbouwing van de extra fiscale ruimte in het drempelbedrag. Bijeen signaalwaarde van 15.000 jaarlijkse nieuwe RVU-deelnemers gaankabinet en sociale partners gezamenlijk in gesprek over de oorzaken, degerichtheid en bijsturen. Ook wordt gemonitord op (de inzet van)maatregelen voor duurzame inzetbaarheid en de koppeling met dedoelgroepen van RVU-regelingen.Het eerste ijkmoment is in 2028. IJkmomenten zullen driejaarlijksplaatsvinden. Bij het ijkmoment bezien kabinet en sociale partners of deontwikkeling van RVU’s aansluit bij de doelstellingen. Kabinet en socialepartners vormen op basis van de beschikbare informatie een gezamenlijkbeeld bij de ontwikkelingen van zowel de RVU als ook de voortgang op deduurzame inzetbaarheidsagenda. Samen gaan partijen in gesprek over deoorzaken, de gerichtheid en bijsturing. Vervolgens besluit het kabinet ofde RVU-drempelvrijstelling ongewijzigd wordt voortgezet, wordtaangepast of wordt beëindigd. Een wijziging van de fiscaleRVU-drempelvrijstelling zal geschieden middels algemene maatregel vanbestuur met voorhang. Hoewel de materie inhoudelijk regeling bij wetrechtvaardigt, leent de wijziging van de drempelvrijstelling zich daar nietvoor, gezien de snelheid die daarbij geboden is. Daarom is gekozen vooreen wijziging middels algemene maatregel van bestuur met voorhang,zodat parlementaire betrokkenheid geborgd blijft en wel sneller dan viareguliere wetgeving wijzigingen doorgevoerd kunnen worden indien datnodig mocht blijken.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe voorgestelde maatregelen zijn door de Belastingdienst beoordeeld meteen uitvoeringstoets. De maatregelen zijn uitvoerbaar voor de Belasting-dienst per 1 januari 2026. De impact voor de uitvoering is gering zoals ookvolgt uit de bijgevoegde uitvoeringstoets.5.8 Versoberen ETK-regeling Voor werkgevers bestaat de mogelijkheid om werknemers de extra kostenvan tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van dedienstbetrekking onbelast te vergoeden. Voor de onbelaste vergoedingvan deze extraterritoriale kosten (ETK) zijn er twee regelingen: eenforfaitaire regeling (de expatregeling) en een regeling op basis van dewerkelijke extraterritoriale kosten (ETK-regeling). Het doel van dezeregelingen is het creëren van een fiscaal gelijk speelveld tussenwerknemers die ETK maken en werknemers die deze kosten niet maken.Naar het oordeel van het kabinet is er op dit moment geen sprake van eendergelijk gelijk speelveld. Daarom stelt het kabinet voor om deETK-regeling te versoberen. Deze versobering houdt in dat voor onder deETK-regeling vallende werknemers de extra kosten van levensonderhoud,waaronder kosten van gas, water, licht en andere nutsvoorzieningen, enextra gesprekskosten voor privédoeleinden met het land van herkomstvanaf 2026 uitgesloten worden als onbelast te vergoeden of te verstrekkenextraterritoriale kosten. De aanleiding voor deze versobering is hetvoornemen in het Hoofdlijnenakkoord dat bezien wordt of en zo ja, welkefiscale voordelen onder de ETK-regeling worden versoberd, de evaluatievan de ETK-regeling door SEO Economisch Onderzoek47 en het IBO47Kunde, Kosten en Keuzes, Evaluatie 30%-regeling, extraterritoriale kostenregeling & partiëlebuitenlandse belastingplicht 2016–2022, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam, juni 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 337 Arbeidsmigratie.48 Het kabinet acht het wenselijk dat de ETK-regelingalleen geldt voor ETK die direct gerelateerd zijn aan de dienstbetrekkingen die niet al verdisconteerd zijn in de hoogte van het loon van dewerknemer. Daarnaast sluit versobering van de ETK-regeling aan bij eengerichter arbeidsmigratiebeleid, ook al is de invloed van deze regeling oparbeidsmigratie beperkt.Evaluatie ETK-regeling en IBO ArbeidsmigratieUit de evaluatie van de ETK-regeling door SEO blijkt dat de ETK-regelingdeels doeltreffend en beperkt doelmatig is. De regeling is in zijn geheelvolgens SEO deels doeltreffend door niet-gebruik vanwege hogeadministratieve lasten in bepaalde situaties. Het niet-gebruik leidt ertoedat het fiscaal ongelijke speelveld meer van kracht is dan wordt beoogd.Daarnaast is ook gekeken naar de relatie van de ETK-regeling metarbeidsmigratie. Vergoeding of verstrekking van ETK leidt in principe tothogere loonkosten voor de betreffende inhoudingsplichtige; devergoeding vormt immers een kostenpost voor de inhoudingsplichtige.De toename van de loonkosten van de inhoudingsplichtige kan echterworden voorkomen door een verlaging van het bij de werknemerbelastbare loon met een bedrag dat gelijk is aan de ETK-vergoeding, eenzogenoemde «uitruil». Door een uitruil van ETK met een deel van het bijde werknemer belastbare loon kan het zijn dat de premiedruk van dewerkgever wordt verlaagd.49 Tegelijkertijd krijgt de werknemer weliswaareen lager nettoloon dan hij gekregen zou hebben ingeval de werkgever deETK-vergoeding naast het loon zou hebben verstrekt, maar wel een hogernettoloon dan hij zou hebben ontvangen indien de ETK niet door dewerkgever vergoed zouden zijn. Het aantal arbeidsmigranten dat primairdoor de ETK-regeling naar Nederland komt, is volgens de evaluatie zeerbeperkt. SEO stelt dat de administratieve lasten die gepaard gaan met hetaantrekken van buitenlandse werknemers (zoals extra wervingskosten inhet buitenland) niet opwegen tegen het premievoordeel voor werkgeversvanuit de ETK-regeling.In het IBO Arbeidsmigratie50 wordt aangegeven dat niet uitgesloten wordtdat een versobering van de ETK-regeling en daarmee een verlaging vanhet premievoordeel voor werkgevers (beperkt) kan bijdragen aan hetminder voordelig maken van de inzet van buitenlandse arbeidskrachten.Alhoewel buitenlandse arbeidskrachten volgens het onderzoek van SEOveeleer naar Nederland komen vanwege het (veel) hogere Nederlandse(minimum)loon en andere gunstige arbeidsvoorwaarden in vergelijkingmet hun thuisland (veelal Oost-Europa), geldt wel dat de onbelastevergoeding van de ETK-regeling een component vormt die bijdraagt aaneen hoger nettoloon. De voorgestelde versobering van de ETK-regelingzal naar verwachting de aantrekkelijkheid van het (blijven) werken inNederland indirect verkleinen.Afschaffen kostenposten ETKZoals eerder genoemd houdt de voorgestelde versobering van deETK-regeling in dat vanaf 1 januari 2026 voor ingekomen werknemers dietijdelijk in of vanuit Nederland arbeid verrichten bepaalde kostenuitgesloten worden van ETK. Het gaat hierbij om de extra kosten vanlevensonderhoud, waaronder kosten van gas, water, licht en andere48Kamerstukken II 2024/25, 29 861, nr. 164.49Een verlaging van het belastbare loon verlaagt tevens de grondslag voor af te dragen premiesvoor de werknemersverzekeringen. Dat geldt ook voor de grondslag voor werkgeversbijdrageZorgverzekeringswet.50Kamerstukken II 2024/25, 29 861, nr. 164.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 338 nutsvoorzieningen, en extra gesprekskosten voor privédoeleinden met hetland van herkomst. Hiermee wordt aangesloten bij het IBO Arbeidsmi-gratie, waarin ook is voorgesteld om deze kostenposten uit te sluiten vande ETK. Er wordt ingeschat dat het uitsluiten van deze onbelaste kosten-posten van de ETK een gemiddelde daling betekent van het nettoloon vandeze werknemers van € 85 over de gehele werkperiode van gemiddeld18 weken (€ 20 per maand).Onder de huidige wet- en regelgeving51 zijn de extra uitgaven die eenwerknemer doet doordat het prijspeil van de uitgaven voor levenson-derhoud in het werkland (Nederland) hoger is dan in het land vanherkomst aan te merken als ETK. Het onbelast kunnen vergoeden vandeze kosten door de werkgever draagt niet bij aan een gelijker fiscaalspeelveld tussen werknemers die ETK maken en werknemers die dezekosten niet maken. Een werknemer die tijdelijk in of vanuit Nederlandarbeid verricht, ontvangt namelijk een loon dat ten minste gelijk is aan inhet in Nederland voor hem geldende minimumloon, waarbij dus alrekening is gehouden met het Nederlandse prijspeil.De uitgaven die een werknemer doet voor extra gesprekskosten voorprivédoeleinden met het land van herkomst, zijn op grond van de ruimeformulering van de huidige wettekst eveneens ETK. Bij deze kostenpost ishet zakelijke karakter grotendeels ondergeschikt en daarom wordtvoorgesteld om deze kosten vanaf 2026 niet langer aan te merken als ETK.Vergoedingen voor deze kosten zijn bovendien in de huidige tijdsgeestachterhaald. Bellen met het land van herkomst kan tegenwoordig viachat-apps. Bellen via een dergelijke app kan vaak kosteloos bij het hebbenvan een internetverbinding.Het uitsluiten van deze ETK zal in dit voorstel alleen gaan gelden voorvanuit het buitenland afkomstige werknemers die niet onder de forfaitaireregeling vallen en die tijdelijk in Nederland in dienstbetrekking zijn.Uit de evaluatie die uitgevoerd is door SEO volgt dat deze groepenwerknemers hoofdzakelijk afkomstig zijn uit Midden- en Oost-Europa.Deze werknemers gaan zoals gezegd een Nederlands loon verdienen. Indit (hogere) loon is het Nederlandse prijspeil verdisconteerd. In hetalgemeen geldt echter niet dat een door een (Nederlandse) inhoudings-plichtige naar het buitenland gezonden en daar tijdelijk verblijvendewerknemer (uitgezonden werknemer) ook een loon verdient dat isaangepast aan het prijspeil in dat werkland. Gelet op dit verschil enandere mogelijke ongewenste gevolgen van een versobering van de ETKvoor uitgezonden werknemers zal nog afzonderlijk onderzocht moetenworden of het wenselijk is om de mogelijkheid van het onbelastvergoeden van de extra kosten van levensonderhoud en de gespreks-kosten voor privédoeleinden met het land van herkomst ook vooruitgezonden werknemers te versoberen. Ook in het IBO Arbeidsmigratie isaangegeven dat hiervoor nader onderzoek gedaan moet worden.Relatie met de expatregelingDe expatregeling is, zoals gezegd, een forfaitaire variant van het onbelastvergoeden van ETK. Deze regeling biedt werkgevers de mogelijkheid omonder voorwaarden een forfaitair bedrag van maximaal 30% (vanaf 2027:51Onder andere in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 11 februari 2004 overhet beleid van de loonbelasting met betrekking tot extraterritoriale kosten (Infobulletin 2004,1).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 339 27%) van kort gezegd het belastbare loon52 onbelast te vergoeden aanbepaalde werknemers die tijdelijk buiten het land van herkomst werken.Daarom kan een versobering van de ETK gevolgen hebben voor deonderbouwing van de expatregeling. Gelet op de jurisprudentie op ditterrein zijn de kostensoorten dubbele huisvesting en reiskosten van ennaar het land van herkomst van groot belang bij de onderbouwing van deforfaitaire onbelaste vergoeding op basis van de expatregeling.53 Medegezien die achtergrond stelt het kabinet voor om het afschaffen vanETK-kostenposten te beperken tot de twee hiervoor genoemde kosten-posten. Met de overgebleven kostenposten wordt het maximumper-centage van de expatregeling voldoende onderbouwd.In 2024 heeft SEO de expatregeling beoordeeld als doeltreffend tenaanzien van de verschillende doelstellingen van de regeling. SEOconstateert dat de expatregeling een belangrijk instrument is voorNederlandse inhoudingsplichtigen in de zoektocht maar internationaletalenten. Nederland neemt op dit moment een middenpositie in als wekijken naar de belastingdruk na toepassing van de expatregelingvergeleken met andere landen met een soortgelijke regeling. SEObenadrukt ook het belang van de expatregeling voor het Nederlandsevestigingsklimaat. Uit berekeningen van SEO blijkt bovendien dat deexpatregeling meer belastingopbrengsten oplevert dan dat de regelingkost. Het kabinet is uitgebreider op deze punten ingegaan in de kabinets-reactie op het rapport van SEO.54 In de Eerste Kamer is de motie-Geerdink/Moonen55 aangenomen die het kabinet opriep om een eerdereversobering van de expatregeling terug te draaien en te komen metvoorstellen die minder schadelijk uitwerken voor de Nederlandseeconomie. Dit alles afwegende worden in het voorliggende wetsvoorstelgeen verdere versoberingen van de expatregeling voorgesteld dan het nuvoorliggende wijzigingsvoorstel en de al eerder aangekondigde verlagingvan het percentage van 30% naar 27% per 1 januari 2027, ook vanuit hetoogpunt om aan de door het Nederlandse bedrijfsleven meermaalsuitgesproken wens om stabiliteit in de expatregeling zoveel mogelijktegemoet te komen.Onderzocht beleidsalternatiefMede naar aanleiding van een toezegging aan het Tweede Kamerlid Cedervan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens hetCommissiedebat Arbeidsmigratie op 24 mei 2023 is ook een beleidsalter-natief voor de huidige ETK-regeling onderzocht. Dit alternatief houdt indat de ETK-regeling niet meer tussen de werkgever en de Belastingdienst,maar tussen de werknemer en de Belastingdienst wordt geregeld. Op ditmoment hoeft de werknemer nauwelijks handelingen te verrichten omgebruik te maken van de ETK-regeling. De ETK-regeling loopt namelijkvoornamelijk via de werkgever. Als dit via de inkomstenbelasting geregeldzou worden, betekent dit een aanzienlijke administratieve lastenver-zwaring voor de werknemer. Ten slotte zijn structuurwijzigingen die deinkomensheffing raken vanuit het oogpunt van IV-capaciteit voor de52Onder het belastbare loon wordt in dit verband verstaan de som van: a. het loon uit tegen-woordige dienstbetrekking ter zake van het verblijf buiten het land van herkomst dat isgenoten tijdens de looptijd van de bewijsregel en waarover met toepassing van de artikelen20a, 20b, 26 en 26b Wet LB 1964 belasting wordt geheven, voor zover de ingekomen ofuitgezonden werknemer ter zake geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting; en b.de vergoeding voor extraterritoriale kosten, bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel e,Wet LB 1964.53HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:360.54Kamerstukken II 2024–2025, 32 140, nr. 26755Kamerstukken I 2023–2024, 36 418, ZTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 340 Belastingdienst in principe niet eerder uitvoerbaar dan 2029. Gelet opdeze punten zal het kabinet dit beleidsalternatief niet verder uitwerken.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet eerste doel van deze maatregel is een meer gelijk fiscaal speelveldtussen uit andere landen afkomstige werknemers die tijdelijk in of vanuitNederland arbeid verrichten en andere werknemers die in of vanuitNederland arbeid verrichten. Met de voorgestelde maatregelen wordt deETK-regeling volgens het kabinet doeltreffender gemaakt. Door hetafschaffen van de onbelaste vergoedingen voor de twee genoemdekostenposten wordt het fiscale speelveld tussen uit een ander landafkomstige werknemers die tijdelijk in of vanuit Nederland arbeidverrichten en andere werknemers die in of vanuit Nederland arbeidverrichten namelijk meer gelijkgetrokken. Tegelijkertijd blijven deproblemen omtrent de hoge administratieve lasten en het daarmeesamenhangend niet-gebruik bestaan, waardoor het fiscaal ongelijkespeelveld minder aanwezig is dan zonder niet-gebruik. Het kabinet acht devoorgestelde maatregel op dit punt doeltreffend en beperkt doelmatig. In2029 is een evaluatie van de ETK-regeling en de expatregeling voorzienwaarin er specifiek aandacht zal zijn voor de voorgestelde en andererecente aanpassingen. Een tweede doel is het (blijven) werken inNederland minder aantrekkelijk te maken voor werknemers uit anderelanden en daarmee arbeidsmigratie minder aantrekkelijk te maken. Hetwordt met de voorgestelde maatregel minder voordelig voor werkgeversom werknemers uit een ander land aan te nemen en voor werknemers uiteen ander land wordt Nederland een minder aantrekkelijk werkland,vanwege een lager nettoloon. Uit het SEO-rapport volgt aan de anderekant dat arbeidsmigranten veelal naar Nederland komen vanwege het(veel) hogere Nederlandse (minimum)loon en andere gunstige arbeids-voorwaarden in vergelijking met hun thuisland. De maatregel is daaromnaar verwachting beperkt doeltreffend en doelmatig.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe voorgestelde maatregel is uitvoerbaar per 1 januari 2026. Hetwetsvoorstel heeft geen impact op de IV-systemen van de Belastingdiensten slechts een beperkte impact op de handhaving. De Belastingdienstverwacht extra werkzaamheden ten aanzien van de ETK-regeling. Ditbetreft onder meer toezicht op de juiste toepassing van de versobering enmogelijk toename van het aantal bezwaar- en beroepzaken, bijvoorbeeldomdat de versobering alleen geldt voor ingekomen werknemers en nietvoor uitgezonden werknemers.Tijdens de voorbereiding en uitwerking van deze maatregel is nauwsamengewerkt met de Belastingdienst over zowel de vormgeving als deuitvoeringsaspecten om eventuele uitvoeringslasten te beperken en dehandhaafbaarheid te vergroten.5.9 Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenvervoer In de nationale Klimaatwet is als doel vastgelegd dat de Nederlandsebroeikasgasemissies in 2030 met 55% zijn gereduceerd ten opzichte vanhet niveau in 1990. Uit de Klimaat en Energieverkenning 2024 van hetPlanbureau voor de leefomgeving (PBL)56 blijkt echter dat aanvullendbeleid nodig is om de klimaatdoelen te halen. Specifiek in de mobiliteits-sector worden de broeikasgasemissies geraamd op 23,2 Mton in 2030,56https://www.pbl.nl/system/files/document/2025-01/pbl-2024-klimaat-en-energieverkenning-2024-5490.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 341 waar indicatieve restemissies van 21,3 Mton zijn afgesproken.57 Eenbelangrijk deel van het extra emissiereductiepotentieel is te vinden bijpersonenauto’s: ongeveer de helft van de broeikasgasemissies in demobiliteitssector wordt veroorzaakt door personenauto’s. Bij het verduur-zamen van het personenwagenpark wordt onder andere gestuurd op denieuwverkopen. Het aandeel van elektrische personenauto’s in denieuwverkoop blijft met 58% tot 89% nog achter bij de ambitie van 100%emissievrije nieuwverkoop in 2030.58 Dit verwachte aandeel ligt ook lagerdan in de markt voor bestelauto’s, waar naar verwachting 85% tot 95%van de nieuwverkoop 100% elektrisch is in 2030.59De doelstelling van het kabinet is om uiteindelijk het gehele zakelijkewagenpark te verduurzamen. Het doel van de pseudo-eindheffing is om inde gevallen waarin een werkgever60 met het oog op zijn bedrijfsvoeringniet genoodzaakt is om personenauto’s ter beschikking te stellen aanwerknemers, maar toch de keuze maakt om dit te doen, de werkgever testimuleren om te kiezen voor het ter beschikking stellen van een emissie-vrije auto. Voor fossiele personenauto’s die uitsluitend in het kader van debedrijfsvoering ter beschikking worden gesteld, geldt de pseudo-eindheffing niet. In het kader van de pseudo-eindheffing wordt daaromonderscheid gemaakt tussen enerzijds personenauto’s die door dewerkgever uitsluitend voor zakelijk gebruik beschikbaar worden gesteld61en anderzijds personenauto’s die door de werkgever ook voor privége-bruik, waaronder woon-werkverkeer, ter beschikking worden gesteld. Metdeze afbakening wordt een substantieel deel van het zakelijke wagenparkgeraakt. Het kabinet beoogt hiermee tevens een vliegwieleffect metbetrekking tot het gehele wagenpark te bewerkstelligen. Het streven is datpersonenauto’s die ook voor privédoeleinden aan een werknemer terbeschikking worden gesteld volledig emissievrij zijn, afgezien vanpersonenauto’s die onder het hierna toegelichte overgangsrecht vallen.Gelet op het voorgaande heeft het kabinet besloten een pseudo-eindheffing voor te stellen, met een belastingtarief van 12% over dewaarde van de door de werkgever aan diens werknemer ter beschikkinggestelde fossiele personenauto. Als in deze memorie wordt gesprokenover een fossiele personenauto, wordt een personenauto bedoeld die nietvolledig emissievrij is en als in het algemeen deel van deze memoriewordt gesproken over voor privédoeleinden wordt daaronder medeverstaan voor woon-werkverkeer, dat bij de voorgestelde regelingdaarmee wordt gelijkgesteld.De voorgestelde regeling heeft als doel werkgevers die de keuze makenaan hun werknemers een personenauto ter beschikking te stellen die ookmag worden gebruikt voor privédoeleinden te stimuleren om in diegevallen te kiezen voor een emissievrije auto. Zakelijke kilometers (althansauto’s die uitsluitend voor zakelijke kilometers worden gebruikt) die in hetkader van de bedrijfsvoering niet kunnen worden vermeden, wordenuitsluitend ontzien ingeval de ter beschikking gestelde personenauto57Toelichting op besluitvorming en overzicht klimaat- en energiemaatregelen | Rapport |rijksoverheid.nl58https://www.pbl.nl/system/files/document/2024-10/pbl-2024-revnext-achtergrondrapport-spark-modelanalyses-wagenpark-personenautos-kev-2024_5656.pdf.59pbl-2024-revnext-achtergrondrapport-wagenparkanalyses-bestel-en-vrachtautos_5655.pdf.60In het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt met de term «werkgever» gedoeldop inhoudingsplichtigen in de zin van de Wet LB 1964.61Ten behoeve van werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van werkzaamhedendie de werkgever aan de werknemer opdraagt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 342 uitsluitend voor zakelijke kilometers ter beschikking is gesteld en dushelemaal niet kan en mag worden gebruikt voor privédoeleinden.62Doelgroep: fossiele personenauto’sDe voorgestelde pseudo-eindheffing is verschuldigd voor fossielepersonenauto’s die een werkgever aan een werknemer ook voor privé-doeleinden ter beschikking stelt. Onder personenauto’s wordenvoertuigen met voertuigclassificatie M1 van het civiele kentekenregisterverstaan en auto’s die onder de Europese verordening63 zouden classifi-ceren als een M1 voertuig. Dit is een motorvoertuig op 4 of meer wielen,ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, met maximaal9 zitplaatsen inclusief bestuurdersstoel. Hier vallen ook bijzonderepersonenauto’s onder, zoals kampeerauto’s, personenbusjes voorzorgvervoer (ingericht met maximaal 9 zitplaatsen) en lijkwagens. Depseudo-eindheffing geldt in beginsel ook als bijzondere fossiele personen-auto’s van overheidsinstanties ook voor privédoeleinden ter beschikkingworden gesteld, mits de personenauto in het civiele kentekenregister isgeclassificeerd met M1 dan wel onder de Europese verordening zouclassificeren als een M1 voertuig. Voertuigen die zijn ontworpen engebouwd of aangepast voor exclusief gebruik door de strijdkrachtenvallen niet onder de pseudo-eindheffing.64 Tevens vallen bijzonderevoertuigen zoals brandweerauto’s en dierenambulances, mits geenclassificatie M1 in het kentekenregister, doorgaans buiten de scope van depseudo-eindheffing.Definitie en afbakeningDe pseudo-eindheffing is verschuldigd als een werkgever een perso-nenauto met een uitstoot hoger dan 0 gram CO2/kilometer ook voorprivédoeleinden ter beschikking stelt aan een werknemer. Er is sprake vanterbeschikkingstelling als de werkgever een personenauto aan dewerknemer, al dan niet via een externe aanbieder, aanbiedt en dewerknemer voor kortere of langere tijd de feitelijke macht over depersonenauto uitoefent. Hierbij speelt een rol of de werknemer in staat isom in meer of mindere mate te bepalen hoe en voor welke doeleinden depersonenauto wordt gebruikt. Hiermee wordt beoogd aan te sluiten bij de«reguliere» definitie van terbeschikkingstelling, zoals ook elders gebruiktin de Wet LB 1964.65De pseudo-eindheffing geldt als een fossiele personenauto ter beschikkingis gesteld voor privédoeleinden, zoals gezegd bij deze regeling inclusiefwoon-werkverkeer. Voor de uitleg van het begrip woon-werkverkeer wordtnauw aangesloten bij de definitie die wordt gehanteerd voor de omzetbe-62Als in geval van overmacht of bijzondere omstandigheden een dergelijke auto toch voor eenenkele privékilometer wordt gebruikt, dan zou directe toepassing van de pseudo-eindheffingonevenredig uitpakken. Dat is niet de bedoeling van het kabinet. In dergelijke omstandighedenheeft deze enkele privékilometer niet direct tot gevolg dat de pseudo-eindheffing direct moetworden toegepast. Als van dergelijke kilometers sprake is, dan is het aan de werkgever omaannemelijk te maken dat sprake was van overmacht of bijzondere omstandigheden.63Verordening (EU) 2018/ 858 van het Europees Parlement en de Raad – van 30 mei 2018 –betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagensdaarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijnbestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/ 2007 en (EG) nr. 595/ 2009 en totintrekking van Richtlijn 2007/ 46/ EG (Pb EU L 151/1).64Artikel 2, tweede lid, Verordening (EU) 2018/ 858 van het Europees Parlement en de Raad – van30 mei 2018 – betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen enaanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voordergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/ 2007 en (EG)nr. 595/ 2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/ 46/ EG (Pb EU L 151/1).65Artikel 13bis Wet LB 1964.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 343 lasting: het (heen en/of terug) reizen van de woon- of verblijfplaats naarde in het kader van een overeenkomst tot het verrichten van arbeidovereengekomen vaste werkplaats(en) waar men (één of meerdere dagen)zijn werkzaamheden verricht, met dien verstande dat een plek waar deinhoudingsplichtige is gevestigd ook kwalificeert als vaste werkplaats.In veel gevallen zal zonder meer duidelijk zijn dat sprake is van reizen naareen vaste plaats van werkzaamheden.66 Denk daarbij bijvoorbeeld aan eenkantoormedewerker, bankmedewerker of IT’er die een of meerdere dagenper week dezelfde vaste werkplek heeft. Als dergelijke ritten met de terbeschikking gestelde auto van de zaak worden gereden, is de pseudo-eindheffing van toepassing. Echter, een thuiszorgmedewerker die iederedag met de fiets naar kantoor gaat (en terug) en gedurende de dag meteen ter beschikking gestelde personenauto een (al dan niet) vastgelegderoute rijdt, gebruikt deze personenauto niet voor woon-werkverkeer. Alsdeze thuiszorgmedewerker de personenauto ook niet voor privédoel-einden mag gebruiken en hiervoor een sluitende rittenregistratie bijhoudt– of wordt bijgehouden – die de werkgever controleert en hierophandhaaft, dan is de pseudo-eindheffing niet van toepassing. Voorfossiele personenauto’s die uitsluitend in het kader van de bedrijfsvoering(zakelijke ritten, niet zijnde woon-werkverkeer) ter beschikking wordengesteld geldt de pseudo-eindheffing niet. Hieruit volgt dat ritten metfossiele personenauto’s waarin gereden móet worden vanwege debedrijfsvoering (bijvoorbeeld surveilleren door politieagenten of metspoed repareren van liften) voor de toepassing van de pseudo-eindheffinggeacht worden niet plaats te vinden vanwege privédoeleinden. Ook alseenzelfde rit in andere omstandigheden – dus niet voor, tijdens of na eendergelijke dienst – wel als een rit voor privédoeleinden zou wordenaangemerkt. Dit betreft bijvoorbeeld een werknemer met piketdiensten ofwachtdiensten die voorafgaand of na afloop van een dergelijke dienst defossiele personenauto gebruikt om mee naar huis te rijden, of tijdens dedienst gebruikt om vanuit een privéaangelegenheid tijdig op een oproepte kunnen reageren. Denk daarbij aan slotenmakers, liftmonteurs enverloskundigen. Een ander voorbeeld is een politieagent die tijdens eendienst – waarbij de agent op elk moment kan worden opgeroepen door demeldkamer – een broodje haalt met de fossiele personenauto. Ook(omrij)kilometers om naar de broodjeszaak te gaan worden voor depseudo-eindheffing geacht niet voor privédoeleinden plaats te vinden. Hetkabinet verwacht dat met deze toelichting duidelijk is in welke specifiekesituatie geen pseudo-eindheffing afgedragen hoeft te worden. Hierbijdient in ogenschouw te worden gehouden dat als bijvoorbeeld deverloskundige de fossiele personenauto naast de wachtdiensten ook voorreguliere privédoeleinden gebruikt, de werkgever de pseudo-eindheffingvoor deze fossiele personenauto moet voldoen.Indien de personenauto door de werknemer mag worden ingezet voorprivégebruik, is er sowieso sprake van terbeschikkingstelling voorprivédoeleinden. De werknemer mag dan immers voor kortere of langeretijd de feitelijke macht over de personenauto voor privédoeleindenuitoefenen. Met andere woorden: de werknemer is dan in staat om inmeer of mindere mate te bepalen hoe en voor welke doeleinden depersonenauto wordt gebruikt. In het geval waarin de personenauto magworden gebruikt voor zakelijke ritten verschilt het per individueel geval ofer eveneens sprake is van een terbeschikkingstelling voor privédoel-einden. Voor het bepalen of de werknemer de feitelijke macht over depersonenauto voor privédoeleinden mag uitoefenen, is van belang inhoeverre en op welke wijze er sprake is van uitsluitend gerichte zakelijke66Dit begrip is ook van belang voor de thuiswerkkostenvergoeding, bedoeld in artikel 31a,tweede lid, onderdeel k, en zevende lid, Wet LB 1964.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 344 opdrachten en in hoeverre de werkgever de aard van het gebruik van depersonenauto controleert. Als sprake is van een gecontroleerd engehandhaafd verbod op privégebruik en de werknemer houdt (al dan nietter voorkoming van de bijtelling) een sluitende rittenregistratie bij, waaruitblijkt dat geen kilometers voor privédoeleinden zijn gereden, dan kan dewerkgever erop vertrouwen dat de fossiele personenauto voor dezeregeling niet ter beschikking is gesteld voor privédoeleinden.Voor de vraag of sprake is van een voor privédoeleinden ter beschikkinggestelde personenauto is niet doorslaggevend wie de eigenaar van depersonenauto is. Van een ter beschikking gestelde personenauto kan ooksprake zijn als de werkgever een personenauto huurt of leaset voor zijnwerknemer of een abonnement heeft op een deelauto67. Ook kan sprakezijn van een ter beschikking gestelde personenauto als een werkgever éénpersonenauto aan meerdere werknemers aanbiedt of als een externeaanbieder een personenauto aanbiedt op kosten van de werkgever.Daarnaast kan de situatie waarin een werkgever met de werknemerafspreekt dat hij alle kosten van de eigen personenauto van de werknemerof alle kosten van een door de werknemer geleasede personenautovergoedt, worden gelijkgesteld met een door de werkgever terbeschikking gestelde personenauto.68Vormgeving als pseudo-eindheffingEen pseudo-eindheffing komt niet, zoals bij een gewone eindheffing hetgeval is, in de plaats van de reguliere loonheffing bij de werknemer. In ditgeval speelt dit echter niet, omdat de waarde van de personenauto alszodanig niet bij de werknemer in de heffing wordt betrokken. De bijtellingvoor een auto van de zaak is geen heffing over de waarde van de auto,maar het bij de werknemer belasten van het (slechts mede op basis vande waarde van de auto vastgestelde) privévoordeel van privégebruik vande auto van de zaak.69 De belastingplicht voor de pseudo-eindheffing ligtbij de werkgever.De pseudo-eindheffing is verschuldigd door de werkgever als dezewerkgever kwalificeert als inhoudingsplichtige voor de loonheffing. Naarhaar aard is een pseudo-eindheffing niet verhaalbaar op de werknemer.Dat een pseudo-eindheffing niet kan worden verhaald op de werknemer isbevestigd in de jurisprudentie70 over de zogenoemde crisisheffing. In hetgeval van de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s betekentdit dat het de werkgever ook niet is toegestaan om voor een fossielepersonenauto een bijdrage van de werknemer te vragen met als doel omde lasten van de pseudo-eindheffing (geheel of gedeeltelijk) af te wentelenop de werknemer.Tarief en grondslagDe pseudo-eindheffing beoogt een normerende werking te hebben. Detariefhoogte is daarom zo vastgesteld dat redelijkerwijs kan wordenverondersteld dat verreweg het grootste deel van de werkgevers handeltnaar de gezette norm en bij een personenauto die ook voor privédoel-einden mag worden gebruikt enkel nog een elektrische personenauto terbeschikking stelt. Het voorgestelde tarief van de pseudo-eindheffing67Een personenauto.68Zie HR 19 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AW8780.69Voor de pseudo-eindheffing wordt dus ook geen rekening gehouden met een eigen bijdragevoor privégebruik van de werknemer. Een dergelijke bijdrage is niet relevant voor dezepseudo-eindheffing.70Zie HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:121.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 345 bedraagt 12% over de waarde van de fossiele personenauto. De huidigeinschatting is dat met dit tarief het in alle gevallen (fors) duurder zal zijnom voor privédoeleinden een fossiele personenauto ter beschikking testellen dan een elektrische personenauto (zie ook de toelichting op dedoeltreffendheid en doelmatigheid van het voorstel). Voor de waarde vaneen personenauto wordt uitgegaan van de catalogusprijs, tenzij depersonenauto ouder is dan 25 jaar. In dat laatste geval wordt uitgegaanvan de waarde in het economische verkeer, omdat voor dermate oudeauto’s niet altijd de catalogusprijs beschikbaar is.71 Door aan te sluiten bijde catalogusprijs wordt voor de hoogte van de pseudo-eindheffingrekening gehouden met de oorspronkelijke waarde van de personenautodie ter beschikking wordt gesteld. Dit is belangrijk vanuit het oogpunt vande normerende werking die met de pseudo-eindheffing wordt beoogd.Indien gekozen zou zijn voor een vast bedrag, dan zou dit bedrag bijkleine, goedkope personenauto’s een relatief grote financiële impactbetekenen ten aanzien van de totale kosten van het ter beschikking stellenvan de personenauto en bij grote, dure, over het algemeen vervuilenderepersonenauto’s juist een relatief beperkte financiële impact. Vanwege debeoogde normerende werking wordt ook niet aangesloten bij de waardein het economisch verkeer, zoals gezegd met uitzondering van personen-auto’s die ouder zijn dan 25 jaar, omdat voor auto’s die ouder zijn dan25 jaar de catalogusprijs niet altijd beschikbaar is.Inwerkingtreding en overgangstermijnDe pseudo-eindheffing heeft zoals gezegd een normerende werking, maarde werkgever behoudt wel zijn keuzevrijheid om een fossiele perso-nenauto dan wel een volledig emissievrije personenauto ter beschikkingte stellen aan een werknemer. Als een werkgever ervoor kiest om eenfossiel voertuig ter beschikking te stellen dan heeft dat vanaf 1 januari2027 financiële consequenties, tenzij het overgangsrecht van toepassingis. De pseudo-eindheffing is vanaf 1 januari 2027 verschuldigd voorfossiele personenauto’s die vanaf en na die datum voor het eerst terbeschikking worden gesteld door de werkgever. Als een werkgever vóór2027 een personenauto ter beschikking heeft gesteld aan een van dienswerknemers, geldt een overgangsrechttermijn tot 17 september 2030. Naafloop van de overgangsrechttermijn geldt voor alle ter beschikkinggestelde fossiele personenauto’s dat de pseudo-eindheffing moet wordenbetaald. Met de overgangsrechttermijn tot 5 jaar na Prinsjesdag wordt eenperiode van 5 jaar gegeven aan belastingplichtigen om in geval vanbestaande terbeschikkingstellingen de overstap te maken naar eenelektrische aandrijving in plaats van een aandrijving gebaseerd op fossielebrandstoffen. Vanaf dit moment hebben belastingplichtigen demogelijkheid om geen nieuwe verplichtingen aan te gaan met betrekkingtot het ter beschikking stellen van fossiele personenauto’s. In combinatiemet het gegeven dat zakelijke leasecontracten vaak voor een periode van4 of 5 jaar worden afgesloten, vindt het kabinet een overgangsrecht-termijn van 5 jaar gepast. Dit biedt alle lopende contracten een uitlooptijdvan minstens 5 jaar.72 Tegelijkertijd is het met deze overgangsrechttermijnniet volledig uitgesloten dat werkgevers voor bestaande terbeschikking-stellingen vanaf 17 september 2030 pseudo-eindheffing moeten betalen.71Voor de vaststelling van de waarde van de auto voor het bepalen van de bijtelling conformartikel 13bis, vijfde lid, onderdeel b, Wet LB 1964 geldt deze 25 jaar niet. Artikel 13bis Wet LB1964 beoogt het privévoordeel voor de werknemer van het gebruik van de auto van de zaakvast te stellen. Voor de pseudo-eindheffing is deze keuze gemaakt om – voor zover mogelijk –aan te sluiten bij de waarde van de auto die op deze manier zo eenvoudig mogelijk kanworden achterhaald.72Als een fossiele personenauto op 1 september 2025 ter beschikking wordt gesteld, geldt eenovergangsrechttermijn van 5 jaar. Echter, als eenzelfde auto op 1 oktober 2023 ter beschikkingis gesteld, geldt een overgangsrechttermijn van bijna 7 jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 346 Een langere overgangsrechttermijn acht de wetgever vanuit het oogpuntvan de klimaatdoelen echter niet wenselijk. Voor het halen van deklimaatdoelen is het namelijk van belang dat zo snel mogelijk wordtovergestapt op emissievrije personenauto’s.Zoals gezegd is deze maatregel in het voorjaar van 2025 aangekondigd.73Vanaf het moment van aankondiging hebben werkgevers de gelegenheidgekregen om bijvoorbeeld bij de vormgeving van leasecontracten ofaankopen van personenauto’s rekening te houden met deze maatregel. Despecifieke details van deze maatregel zijn zo snel mogelijk daarna, met hetonderhavige wetvoorstel en deze memorie, bekendgemaakt. Over hetalgemeen zijn de levertijden van (fossiele) personenauto’s maximaal eenhalf jaar, maar dit kan in voorkomende (individuele) gevallen oplopen.Met de inwerkingtreding per 1 januari 2027 verwacht het kabinet dat allereeds bestelde fossiele personenauto’s ruimschoots gebruik kunnenmaken van het overgangsrecht. De inwerkingtreding per 1 januari 2027biedt de niet onder het overgangsrecht vallende werkgevers bovendienvoldoende ruimte om hun autobeleid aan te passen zodat zij per 2027alleen nog volledig emissievrije-personenauto’s ter beschikking stellen.Ter illustratie geldt dus het volgende in de onderstaande situaties:•Als een personenauto op 13 april 2024 voor een periode van acht jaarter beschikking wordt gesteld mede voor privédoeleinden (eenwerkgever heeft een leasecontract afgesloten tot en met 12 april 2032)geldt de pseudo-eindheffing tot en met uiterlijk 17 september 2030niet. Daarna geldt voor deze terbeschikkingstelling de pseudo-eindheffing.•Als een personenauto op 1 april 2025 voor een periode van vijf jaar terbeschikking wordt gesteld mede voor privédoeleinden door middelvan een leasecontract, dan valt de personenauto gedurende de heleleaseperiode binnen de overgangsrechttermijn. De personenauto isnamelijk vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking gesteld enmag dus gebruikmaken van het overgangsrecht. Het leasecontractloopt af per 1 april 2030, terwijl de overgangsrechttermijn pas per17 september 2030 afloopt.De pseudo-eindheffing is zoals gezegd verschuldigd over de waarde vandoor de werkgever ter beschikking gestelde personenauto. Als debetreffende personenauto binnen de overgangsrechttermijn valt, blijftdeze termijn ook gelden als de werkgever de personenauto aan een vandiens andere werknemers ter beschikking stelt. Stel dat werkgever S op25 april 2025 een fossiele personenauto ter beschikking stelt aanwerknemer A. De werkgever is dan tot uiterlijk 17 september 2030 geenpseudo-eindheffing verschuldigd over de waarde van deze personenauto,ook niet als dezelfde werkgever deze personenauto in 2027 ter beschikkingstelt aan werknemer B. In het geval van deel- of huurpersonenauto’swordt ook gekeken naar het betreffende voertuig. Bijvoorbeeld: werkgeverS heeft een abonnement bij een aanbieder van deelauto’s. De deelautomet kenteken X is in 2025 voor het eerst ter beschikking gesteld aanwerknemer A. Voor deze deelauto geldt daarom voor deze werkgever eenovergangsrechttermijn tot 17 september 2030, waarin geen pseudo-eindheffing hoeft te worden betaald. Deelauto met kenteken Y is in 2027nieuw en wordt dan voor het eerst ter beschikking gesteld aan werknemerA. Voor deze deelauto moet werkgever S direct pseudo-eindheffingbetalen indien de CO2-uitstoot van deze auto hoger dan 0 gram perkilometer is. Als de deelauto met kenteken X pas in 2027 voor het eerstdoor een andere werkgever, werkgever T, ter beschikking wordt gesteldaan een van zijn werknemers, dan geldt de pseudo-eindheffing wel voordeze deelauto voor werkgever T, indien de CO2-uitstoot hoger dan 0 gramper kilometer is.73Kamerstukken II 2024/25, 33 043, nr. 114, bijlage 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 347 Hoewel de pseudo-eindheffing ingaat per 1 januari 2027, is ervoorgekozen om het voorstel op te nemen in het onderhavige wetsvoorstel. Debelangrijkste reden hiervoor is dat op deze wijze belastingplichtigen reedsper 1 januari 2026 weten dat deze regeling in werking zal treden per1 januari 2027 en zich daardoor ook zullen voorbereiden op de pseudo-eindheffing.Beperken administratieve last en voorkomen ontgaansmogelijkheidHet kabinet beseft dat de voorgestelde maatregel een extra administra-tieve last met zich meebrengt voor werkgevers en wil deze administra-tieve last zoveel mogelijk beperken. Gelet daarop wordt voorgesteld datde pseudo-eindheffing ook na afloop van het kalenderjaar kan wordenbetaald. Daarnaast wil het kabinet de maatregel eenvoudig en uitvoerbaarhouden. Daarom stelt het kabinet voor om de pseudo-eindheffing teberekenen per kalendermaand.Voor de Belastingdienst is de maatregel uitvoerbaar. De pseudo-eindheffing over 2027 is uiterlijk verschuldigd over het tweede loonaangif-tetijdvak in 2028. Voor de pseudo-eindheffing voor fossiele personen-auto’s geldt dus dat deze uiterlijk bij de aangifte over het tweedeloonaangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar wordt betaald. Hiermeehebben werkgevers na afloop van het kalenderjaar voldoende tijd om tebeoordelen of en zo ja welk bedrag aan pseudo-eindheffing verschuldigdis. Werkgevers kunnen aan het eind van het jaar het totale wagenparkbeoordelen en op dat moment de omvang van de pseudo-eindheffingbepalen. Een werkgever kan de pseudo-eindheffing ook gedurende hetkalenderjaar betalen. Dit maakt het ook mogelijk gedurende het kalen-derjaar op basis van een inschatting de pseudo-eindheffing te betalen enna afloop van het kalenderjaar een definitieve berekening te maken.De pseudo-eindheffing is niet over het volledige kalenderjaarverschuldigd, als de fossiele personenauto slechts een deel van hetkalenderjaar ter beschikking wordt gesteld. Als de personenauto in eendeel van een kalendermaand ter beschikking is gesteld voor privédoel-einden, wordt deze geacht de gehele kalendermaand ter beschikking tezijn gesteld. Bijvoorbeeld, als een personenauto 6 dagen in een kalender-maand voor privédoeleinden ter beschikking staat aan werknemer A en 8dagen in diezelfde kalendermaand voor privédoeleinden ter beschikkingstaat aan werknemer B, dan bedraagt de pseudo-eindheffing 12% van dewaarde van de personenauto, vermenigvuldigd met 1/12e. Bij eencataloguswaarde van € 40.000 bedraagt de pseudo-eindheffing € 400 perkalendermaand.74 Deze vormgeving borgt ook dat het niet mogelijk is omhet verschuldigde bedrag aan pseudo-eindheffing te verlagen als eenpersonenauto bijvoorbeeld alleen in het weekend ter beschikking wordtgesteld. Hiermee wordt een balans gevonden tussen enerzijds het borgenvan de beoogde normerende werking van de pseudo-eindheffing enanderzijds het beperken van de (administratieve) complexiteit van demaatregel.Afbakening: overwogen alternatievenHet kabinet heeft een wettelijk verbod op de verkoop van nieuwe fossielepersonenauto’s aan de zakelijke markt overwogen, maar wil ondernemersniet dwingen om te kiezen voor emissievrije auto’s. Mogelijk komtspecifiek voor de zakelijke markt aparte Europese regelgeving om deingroei van emissievrije personenauto’s te versnellen. Deze regelgeving isechter nog onzeker en onduidelijk, terwijl voor het halen van het nationale2030-klimaatdoel zo snel mogelijk moet worden gestart met het versnellen74€ 40.000 * 12% * 1/12e.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 348 van de ingroei van elektrische auto’s: het beoogde CO2-effect neemt voorieder jaar dat richting 2030 wordt gewacht met een kwart af. Dat acht hetkabinet onwenselijk, gezien de opgave om te voldoen aan het wettelijkklimaatdoel van 2030. Binnen het bestaande stelsel van autobelastingenkan de aanschaf van nieuwe fossiele personenauto’s ook duurder wordengemaakt, door de op CO2-uitstoot gebaseerde bpm-tarieven te verhogen.Dit zou echter ook de privémarkt raken, terwijl in het zakelijke wagenparkgemiddeld genomen meer handelingsperspectief is om over te stappenop een elektrische personenauto.Het kabinet vindt het ongewenst om de pseudo-eindheffing op ditmoment toe te passen op motorrijwielen, omdat het aanbod en hetgebruik van elektrische motorrijwielen op dit moment nog onvoldoendeontwikkeld is in vergelijking met niet-fossiele personenauto’s. Bijmotorrijwielen zet het kabinet daarom vooral stimulerend beleid in, zoalseen verlaagd tarief voor emissievrije motorrijwielen in de Wet op debelasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet BPM 1992). Drie jaarna de inwerkingtreding van de pseudo-eindheffing wordt de maatregelgeëvalueerd en kan op basis van de dan geldende marktomstandighedenopnieuw worden gewogen of motorrijwielen onder de pseudo-eindheffingmoeten vallen.Het kabinet vindt het ook ongewenst om de pseudo-eindheffing toe tepassen op bestelauto’s, omdat er al verschillende andere maatregelenworden genomen om het gebruik van fossiele bestelauto’s te ontmoe-digen. Ten eerste wordt het gebruik van fossiele bestelauto’s alontmoedigd door zero-emissiezones. Vanaf 2025 mogen gemeentennamelijk stadsgebieden aanwijzen waar alleen nog uitstootvrije bestel-auto’s en vrachtwagens mogen rijden (er geldt overgangsrecht voorbestaande gevallen). Tussen 2025 en 2030 komen er in 29 stedenzero-emissiezones. Ten tweede is de BPM-vrijstelling voor fossielebestelauto’s met een datum eerste toelating vanaf 1 januari 2025vervallen. Door deze maatregelen neemt het aandeel van elektrischebestelauto’s in de nieuwverkoop naar verwachting sterk toe. Zoalshierboven aangegeven, verwacht het kabinet mede hierdoor dat hetaandeel in 2030 hoger ligt dan bij personenauto’s. Gelet daarop stelt hetkabinet vooralsnog niet voor dat de pseudo-eindheffing ook verschuldigdis als een werkgever een bestelauto ter beschikking stelt.Ook voor vrachtauto’s vindt het kabinet het invoeren van een pseudo-eindheffing ongewenst. Net als voor bestelauto’s geldt ook voor vracht-auto’s dat er in veel steden zero-emissiezones zullen komen tussen 2025en 2030. Bovendien geldt voor vrachtverkeer dat vooral buiten stedenactief is dat er sprake in van internationale concurrentie, waardoor hettoepassen van pseudo-eindheffing minder wenselijk is. Voor tractors geldtdat er op dit moment nog geen vergelijkbaar aanbod is aan elektrischetractors. Daarom kiest het kabinet ervoor om ook geen pseudo-eindheffing voor te stellen voor tractors.Om de ingroei van elektrische personenauto’s te versnellen heeft dewetgever gekozen voor een normering via de loonbelasting in de vormvan een pseudo-eindheffing. Hierdoor worden de financiële gevolgen vaneen eventuele keuze voor een fossiele personenauto neergelegd bij departij die de meeste invloed kan uitoefenen op deze keuze; de werkgever.Het kabinet kiest bewust voor een maatregel met betrekking tot hetzakelijke wagenpark. Dit wagenpark ziet voornamelijk op het terbeschikking stellen van personenauto’s door de werkgever aan eenwerknemer als een secundaire arbeidsvoorwaarde. De keuze voor eenpseudo-eindheffing in de loonbelasting sluit hierbij aan. De gevolgen vandeze keuze is dat de pseudo-eindheffing alleen van toepassing kan zijn bijeen (fictieve) werkgever-werknemer relatie. Dit betekent dat deze heffingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 349 niet van toepassing kan zijn op de IB-ondernemer ten aanzien van de autodie onderdeel is van het ondernemingsvermogen en hem persoonlijk terbeschikking staat. Hoewel een vergelijking kan worden gemaakt met eenondernemer die zijn onderneming uitoefent via een rechtspersoon en invoornoemde situatie wel te maken kan krijgen met de pseudo-eindheffing,zijn dit feitelijk en rechtens verschillende gevallen. Verschillende gevallenkunnen verschillend worden behandeld. De pseudo-eindheffing geldtuiteraard wel voor IB-ondernemers voor zover zij werkgever zijn en zij aanhun werknemer een fossiele personenauto ter beschikking stellen voorprivédoeleinden. Voor een vergelijkbare maatregel in de inkomensheffingvoor de fossiele auto van de IB-ondernemer zelf zou andere wetgevingnodig zijn. De keuze van het kabinet om nu niet een nieuwe heffing voorde personenauto’s van de zaak van IB-ondernemers voor te stellen zal ookworden meegenomen in de evaluatie van deze regeling.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieZoals hierboven toegelicht, gaat de pseudo-eindheffing gelden voorpersonenauto’s met M1 classificatie, die door de werkgever voorprivédoeleinden ter beschikking wordt gesteld aan de werknemer. Medeop basis van data van de Belastingdienst en data van de RDC is ingeschatdat het in 2027 gaat om circa 925.000 personenauto’s die binnen dezescope75 van de pseudo-eindheffing vallen, omdat ze ter beschikkingworden gesteld voor privédoeleinden. De totale doelgroep waarop depseudo-eindheffing van toepassing zou kunnen zijn, is ongeveer 10% vanhet hele personenautowagenpark en een groot deel van het zakelijkewagenpark aan personenauto’s. Van de doelgroep van de pseudo-eindheffing (925.000 personenauto’s) gaat de pseudo-eindheffing alleengelden als de personenauto rijdt op fossiele brandstof. Binnen dedoelgroep gaat het in 2027 naar schatting om circa 525.000 voertuigen. Ditis exclusief het gedragseffect van de pseudo-eindheffing.Tabel 5: aantallen grondslag pseudo-eindheffing in 2027Aantallen grondslag pseudo-eindheffing in 2027Basispad (vóór invoeren maatregel)FossielElektrischTotaal*Doelgroep pseudo-eindheffing personen-auto’s525.000400.000925.000Zakelijk wagenpark personenauto’s650.000500.0001.150.000Totaal wagenpark personenauto’s8.400.0001.100.0009.500.000 De pseudo-eindheffing moet door de werkgever worden betaald. Met dezemaatregel wordt dan ook beoogd om het gedrag van de werkgever tenormeren. In de huidige situatie is het voor een werkgever ongeveer evenduur om een fossiele of een elektrische personenauto aan te bieden aande werknemer, zie onderstaande figuur. De pseudo-eindheffing maakt hetaanbieden van een fossiele personenauto fors duurder. Onderstaandrekenvoorbeeld illustreert dit voor een leaseauto. In dit geval stijgen dekosten (leaseprijs en brandstofkosten, exclusief btw) van een fossieleC-segment personenauto (bijvoorbeeld een Volkswagen Golf) van € 845per maand naar € 1.218 per maand. Dit is een lastenstijging van € 373 permaand en € 4.476 per jaar, indien een werkgever besluit om toch eenfossiele personenauto voor privédoeleinden ter beschikking te stellen.Waar de kosten in de huidige situatie voor een fossiele personenauto in75Door de overgangsregeling geldt de pseudo-eindheffing niet voor auto’s die vóór 1 januari2027 voor het eerst ter beschikking zijn gesteld voor privédoeleinden (inclusiefwoon-werkverkeer). Het aantal personenauto’s dat in 2027 werkelijk (zonder gedragseffect)onder de pseudo-eindheffing valt is daardoor een stuk kleiner dan deze scope.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 350 de lagere segmenten dicht tegen die van een elektrische personenautoaanliggen, wordt het aanbieden van een fossiele personenauto met depseudo-eindheffing dus aanmerkelijk duurder.De introductie van de pseudo-eindheffing zorgt er hiermee naarverwachting voor dat een groot deel van de werkgevers enkel of voorna-melijk nog een elektrische personenauto aanbiedt. Tegelijkertijd moet inoverweging worden genomen dat werknemers voor hunwoon-werkverkeer en privékilometers niet verplicht zijn om gebruik temaken van de personenauto die de werkgever ter beschikking stelt. Er isdaarom nader onderzoek gedaan naar de mogelijkheid dat eenwerknemer besluit om de zakelijke elektrische personenauto af te wijzenen over te stappen op een privé fossiele personenauto. In de bijlagen bijdit wetsvoorstel zijn drie onderzoeken opgenomen: 1) vragenlijst onderwerkgevers (uitgevoerd door Ipsos), 2) vragenlijst onder werknemers(uitgevoerd door MuConsult) en 3) kwantitatieve analyse van mogelijkeuitwijkopties (uitgevoerd door Revnext).Indien een werknemer privé een personenauto aanschaft, dan kan dewerkgever een vergoeding geven via de gerichte vrijstelling voorreiskosten (maximaal € 0,23 per zakelijke kilometer), via hoger loon (aldan niet gelabeld als mobiliteitsbudget) of met een aanvullende – voor dewerknemer onbelaste – vergoeding via de vrije ruimte (werkkostenre-geling). We verwachten dat een aanvulling vanuit de vrije ruimte niet vaakvoorkomt. Deze mogelijkheid is daarom hierna niet verder uitgewerkt.In de hierna opgenomen figuur is de situatie uitgewerkt waarin dewerknemer 25.000 kilometer per jaar rijdt, waarbij 60% van de kilometersin aanmerking komen voor een reiskostenvergoeding van maximaal€ 0,23 per zakelijke kilometer. Dit betekent een onbelaste vergoeding vanafgerond € 288 per maand. In de hierna opgenomen figuur wordtvervolgens getoond wat na verrekening van de reiskostenvergoeding, denettokosten voor de werknemer zijn in het geval van 1) een privateleaseauto (blauwe lijn), 2) een 5 jaar oude personenauto in privé (oranjelijn) en 3) een 10 jaar oude personenauto in privé (grijze lijn). In allegevallen is de werknemer fors duurder uit dan in de situatie waarin dewerknemer gebruik zou maken van de zakelijke leaseauto en, vanwegeprivégebruik, belasting over de bijtelling verschuldigd is (gele lijn).Figuur 1: kosten voor werkgever om een zakelijke leaseauto aan te bieden aanwerknemer, uitgesplitst per segment. Links: zonder pseudo-eindheffing. Rechts: metpseudo-eindheffing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 351 Het voorbeeld in voorgaande figuur laat zien dat de werkgever een hogerevergoeding aan de werknemer moet geven, om werknemer privé tegendezelfde kosten in een nieuwe personenauto te laten rijden. De werkgeveris in dit voorbeeld echter duurder uit, omdat over het extra loon (al danniet gelabeld als mobiliteitsbudget) deels loonheffingen verschuldigd is(in het rekenvoorbeeld 49,5%), waardoor het bedrag deels moet wordengebruteerd om dezelfde kosten te kunnen betalen. Dit wordt geïllustreerdin onderstaande figuur. In het rekenvoorbeeld is de werknemer in dehuidige situatie € 252 per maand kwijt aan kosten voor de zakelijkeleaseauto (via de belastingheffing over de bijtelling). In plaats van eenzakelijke leaseauto besluit de werknemer in het voorbeeld om privé eensoortgelijke B-segment auto te leasen (private lease). Vervolgens isuitgerekend welke kosten de werkgever moet maken om een voldoendehoge vergoeding aan de werknemer te kunnen verstrekken, zodat dewerknemer nog maar € 252 per maand kwijt is aan de private leaseauto(inclusief brandstofkosten). En dus even duur uit is als met een zakelijkeleaseauto.Het aanbieden van een zakelijke fossiele personenauto in het B-segmentkost in de huidige situatie € 682 voor de werkgever en met pseudo-eindheffing € 960 per maand. Het kost de werkgever € 853 per maand omvia extra loon (deels via een onbelaste reiskostenvergoeding), dewerknemer tegen gelijke kosten een fossiele private leaseauto te latenrijden (in plaats van een zakelijke leaseauto). In beide gevallen (zakelijkeleaseauto of vergoeding voor private lease) is het voor de werkgeverduizenden euro’s per jaar duurder om een fossiele personenauto aan tebieden aan de werknemer.Figuur 2: netto kosten werknemer per maand van een benzine personenauto met25.000 kilometer per jaar en onbelaste reiskostenvergoedingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 352 Bovenstaande rekenvoorbeelden illustreren dat de werknemer (fors) meerkosten moet maken om privé een vergelijkbare personenauto als eennieuwe zakelijke leaseauto te rijden, wanneer de werkgever niet meerkosten wil maken dan voor de huidige zakelijke leaseauto’s. Voor ouderetweedehands personenauto’s is die mogelijkheid er wel, maar dan levertde werknemer veel in op het vlak van o.a. luxe, veiligheid en comfort. Opbasis van financiële argumenten is het uitwijken naar een fossiele privépersonenauto dan ook niet aannemelijk. Bij de keuze voor elektrisch rijdenspelen echter niet alleen financiële prikkels een rol. MuConsult en Ipsoshebben enquêtes uitgevoerd onder werknemers en werkgevers. Daaruitblijkt dat niet alle werknemers bereid zijn over te stappen naar elektrischrijden bij het invoeren van de pseudo-eindheffing. Deze groep blijft fossielzakelijke rijden of wijkt uit naar onder andere de privémarkt of anderevervoersmiddelen.Op basis van deze onderzoeken heeft de pseudo-eindheffing naarverwachting een fors positief effect op de ingroei van elektrischepersonenauto’s. In de raming van de beleidseffecten is daardooraangenomen dat 80% van de huidige zakelijke rijders die onder depseudo-eindheffing vallen overstapt naar een emissievrije personenautovan de zaak. Van de overige 20% zal een deel uitwijken naar bijvoorbeeldde privémarkt of het openbaar vervoer (OV), een ander deel zal er alsnogvoor kiezen om fossiel te blijven rijden. In de prognoses van de WLO enKEV24 is het aandeel elektrische personenauto’s in de totale nieuw-verkoop 60% tot 88%. Door de maatregel stijgt dit aandeel in 2030 naarverwachting naar 76% tot 91%. Ongeveer de helft van alle personenauto’sdie in Nederland jaarlijks nieuw worden verkocht zijn zakelijk. Onder degroep zakelijke personenauto’s waarbij de bijtelling van toepassing is, isde verwachting dat het aandeel elektrisch in de nieuwverkoop toeneemtvan gemiddeld 83% naar 90% tot 98%. Voor het totale wagenpark zorgt demaatregel voor 110.000 tot 235.000 extra volledig elektrische personen-auto’s in 2030. Dit zorgt in 2030 naar verwachting voor een additioneleemissiereductie van ongeveer 0,3 tot 0,6 (middenwaarde: 0,4) Mton CO2.Deze maatregel levert hiermee een belangrijke bijdrage aan het halen vanhet afgesproken klimaatdoel voor de mobiliteitssector (21 Mton reste-missies in 2030).Figuur 3: Kosten werkgever/werknemer van een fossiele zakelijke personenauto meten zonder pseudo-eindheffing en mobiliteitsbudget voor kostenneutraliteitwerknemer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 353 Tabel 6: Aandeel EV nieuwverkoopaandeel EV nieuwverkoopOnderkantbandbreedteBovenkantbandbreedtemiddenbandbreedtebasis 203060%88%75%na maatregel 203076%91%83%verschil16%3%7%aandeel EV nieuwverkoop zakelijkbasis 203066%92%83%na maatregel 203090%98%95%verschil24%6%12%Aantallen EV Wagenparkbasis 20301.450.0002.540.0001.854.000na maatregel 20301.685.0002.648.0002.007.000verschil235.000107.000153.000 Het doel van de pseudo-eindheffing is om de ingroei van elektrischepersonenauto’s in de zakelijke markt te versnellen. De pseudo-eindheffingis een doelmatig instrument om dit te bereiken: er wordt gebruik gemaaktvan een bestaande uitvoeringsstructuur en de structurele uitvoerings-kosten zijn laag. Dit geldt ook voor de belastingplichtigen: de pseudo-eindheffing moet worden meegenomen in de loonaangifte, waar debelastingplichtigen al bekend mee zijn.Deze maatregel zal in drie jaar na de inwerkingtreding worden geëva-lueerd. Het belangrijkste doel van de normering is om de keuze vanwerkgevers tussen een fossiele en een niet-fossiele personenauto tebeïnvloeden in het voordeel van een niet-fossiele personenauto. Daaromis het doel van de evaluatie onder meer om te bezien hoe werkgeversgereageerd hebben en in welke mate door de maatregel minder fossielepersonenauto’s zijn aangeschaft in de zakelijke markt en in hoeverre ereen uitwijkeffect richting de privémarkt heeft opgetreden (werknemers dieervoor kiezen om geen zakelijke elektrische personenauto te rijden, maarprivé in een fossiele personenauto gaan rijden). Daarbij is het belangrijkom het effect van de heffing zo goed mogelijk te scheiden van deautonome ontwikkeling. Ook de ontwikkeling van het aantal fossiele enniet-fossiele bestelauto’s en motorrijwielen en de positie van deIB-ondernemer zal in de evaluatie meegenomen worden.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Toeslagen en DouaneDe Belastingdienst heeft de voorgestelde maatregel getoetst op uitvoer-baarheid. De voorgestelde maatregel is uitvoerbaar per 1 januari 2027.Voor de uitvoering van deze maatregel is vereist dat er een nieuwe rubriekin het collectieve deel van de aangifte loonheffingen komt voor dezepseudo-eindheffing. Hiervoor moet de gegevensspecificatie van deaangifte loonheffingen worden aangepast, en ook de systemen van deBelastingdienst om de aangifte loonheffingen met deze nieuwe rubriek tekunnen ontvangen en verwerken. Hiervoor zijn extra werkzaamhedennodig. Het wetsvoorstel veroorzaakt een vertraging in de moderniseringvan de systemen (Cool:Gen) in de LH-keten van de Belastingdienst. Hetkabinet heeft ervoor gekozen deze maatregel voorrang te geven tenopzichte van de modernisering van de systemen van de Belastingdienst.De Belastingdienst verwacht gemiddeld veel bezwaren en beroepen tegendeze pseudo-eindheffing. De Belastingdienst verwacht ook dat hetaanmerken van woon-werkverkeer als ritten die voor privédoeleindenplaatsvinden, aanleiding kan geven tot bezwaar- en beroepsprocedures.Mede gezien de omvang van de doelgroep leidt dit tot extra benodigdecapaciteit bij de Belastingdienst. De pseudo-eindheffing dient doorwerkgevers te worden aangegeven in de aangifte loonheffingen en als ditTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 354 niet plaatsvindt is dit, net als voor de overige loonheffingen, niet zichtbaarvoor de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft via de gegevens die viade aangifte loonheffingen binnenkomen, geen directe informatie over hetaantal fossiele voertuigen dat een werkgever ook voor privédoeleinden terbeschikking stelt. De waarde in het economisch verkeer wordt nietgecontroleerd binnen het massale proces loonheffingen. Het is deverwachting dat werkgevers over het algemeen relatief jonge auto’s terbeschikking zullen stellen aan hun werknemers, waardoor niet de waardein het economische verkeer maar de cataloguswaarde als uitgangspuntdient. Mede gelet hierop is alleen voor de pseudo-eindheffing voorgesteldom de cataloguswaarde te hanteren voor auto’s die niet ouder zijn dan25 jaar. De cataloguswaarde kan wel eenvoudig wordt vastgesteld.De Belastingdienst acht de maatregel niet fraudebestendig, in die zin datde Belastingdienst niet beschikt over gegevens waaruit blijkt welke auto’sdoor een werkgever voor privédoeleinden ter beschikking zijn gesteld.Voor een groot deel van de gegevens die via de loonaangifte wordengedeeld, is de Belastingdienst afhankelijk van een juiste informatievoor-ziening door de inhoudingsplichtige. Deze informatie wordt echter welsteekproefsgewijs gecontroleerd via onder andere bedrijfsgesprekken enboekenonderzoeken. De Belastingdienst beschikt niet over geschiktecontra informatie om de pseudo-eindheffing geautomatiseerd tecontroleren. Controle op de juistheid van de afgedragen pseudo-eindheffing loopt mee in het reguliere toezicht op de loonheffingen. Indientijdens een boekenonderzoek blijkt dat een werkgever ten onrechte eenvoor privédoeleinden ter beschikking gestelde fossiele personenauto nietheeft opgegeven voor de pseudo-eindheffing, dan kan en zal de Belasting-dienst hierop handhaven.5.10 Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeen-schap76 Trouwen is een belangrijke gebeurtenis in het leven van mensen en heeftverstrekkende juridische en financiële gevolgen. Naast het persoonlijkeaspect van deze verbintenis ontstaan er rechten en verplichtingen naarelkaar en bestaat vanaf het ogenblik van de voltrekking van het huwelijkvan rechtswege een gemeenschap van goederen (huwelijksgoederenge-meenschap)77, als daar niet bij huwelijkse voorwaarden van wordtafgeweken. Beide echtgenoten worden volledig gerechtigd tot dehuwelijksgoederengemeenschap, onder respectering van de rechten vande andere echtgenoot. Bij het einde van het huwelijk – door echtscheidingof overlijden – is ieder van de echtgenoten als hoofdregel gerechtigd toteen gelijk aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap. De echtgenotenkunnen echter door het aangaan of wijzigen van huwelijkse voorwaardeneen ander aandeel dan een gelijk aandeel in de huwelijksgoederenge-meenschap afspreken, bijvoorbeeld 90% en 10%. Dit is aan de orde in eenarrest van de HR van 16 februari 2024.78 Met dit arrest is duidelijkgeworden dat een dergelijke verdeling onder de huidige wetgeving niettot de heffing van schenkbelasting leidt en dat slechts in zeer uitzonder-lijke gevallen sprake kan zijn van belastbaarheid met erfbelasting.Het kabinet acht het passend dat aan echtgenoten bij het einde van hethuwelijk 50% van de huwelijksgoederengemeenschap toekomt zonderheffing van erf- of schenkbelasting. Dit sluit aan bij het uitgangspunt in76Waar in deze memorie de situatie van gehuwden wordt beschreven, geldt die tekst overeen-komstig voor geregistreerd partnerschap.77Dit ziet zowel op een algehele huwelijksgemeenschap onder het stelsel van voor 2018 als eenbeperkte huwelijksgemeenschap onder het sinds 2018 van toepassing zijnde stelsel.78HR 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:239.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 355 het Burgerlijk Wetboek (BW), op basis waarvan echtgenoten een gelijkaandeel hebben in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.79Indien echtgenoten ongelijke breukdelen overeenkomen, zou dit moetenleiden tot heffing van erf- of schenkbelasting. Daarom wordt eenmaatregel voorgesteld om tegen te gaan dat door middel van eenongelijke breukdelengemeenschap onbelast vermogen over kan gaan. Ditwordt onderstaand toegelicht.Voor huwelijken die zijn aangegaan vóór 1 januari 2018 geldt vanrechtswege een algehele gemeenschap van goederen. Dit betekent dat inbeginsel alle bezittingen en schulden van elk van de echtgenoten die bijaanvang van het huwelijk aanwezig zijn en alle bezittingen en schuldendie zij tijdens het huwelijk verkrijgen of aangaan, in de huwelijksgoederen-gemeenschap vallen. Voor huwelijken die zijn aangegaan sinds 1 januari2018 geldt van rechtswege een beperkte gemeenschap van goederen. Eendergelijke gemeenschap omvat alle vanaf de aanvang van het huwelijkdoor (een van) de echtgenoten verkregen bezittingen en aangeganeschulden, met uitzondering van onder andere erfenissen en schenkingen.Voorhuwelijkse bezittingen en schulden van elk van de echtgenoten80behoren niet tot de gemeenschap, maar blijven behoren tot het privéver-mogen van de betreffende echtgenoot.Echtgenoten kunnen er echter ook voor kiezen om voorafgaand aan oftijdens het huwelijk te bepalen dat tussen hen geen gemeenschap vangoederen zal bestaan of een andere dan de wettelijke gemeenschap vangoederen. Dit kan door het opstellen van huwelijkse voorwaarden, waarinbijvoorbeeld een algehele gemeenschap van goederen met uitzonderingvan de eigen onderneming wordt overeengekomen. In huwelijksevoorwaarden kan ook een finaal of periodiek verrekenbeding wordenopgenomen. Op grond van een finaal verrekenbeding vindt bijvoorbeeldbij de beëindiging van het huwelijk door echtscheiding of overlijdenverrekening plaats alsof sprake was van een algehele gemeenschap vangoederen. Op grond van een periodiek verrekenbeding kunnen echtge-noten afspreken periodiek inkomen of vermogen te verrekenen. Bijverrekenbedingen geldt dat beide echtgenoten het vermogen of inkomenin principe bij helfte verrekenen, dat wil zeggen alsof zij allebei een gelijkaandeel hebben in het te verrekenen vermogen of inkomen.81Het aangaan van een huwelijk wordt niet aangemerkt als een schenking.82Als een van de echtgenoten voorafgaand aan het huwelijk een grotervermogen heeft en er is sprake van een algehele gemeenschap vangoederen, gaat dit vermogen tot de huwelijksgoederengemeenschapbehoren. Bij ontbinding van een huwelijksgoederengemeenschap metgelijke breukdelen, verkrijgen beide echtgenoten de helft van de gemeen-schap. Door deze opvolgende rechtsmomenten kan het dus zijn dat 50%van het voorhuwelijkse vermogen van de ene echtgenoot, onbelast bij deandere echtgenoot terechtkomt.Tijdens het bestaan van de gemeenschap zijn geen aandelen te onder-scheiden. Bij ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap,bijvoorbeeld door echtscheiding of overlijden, hebben beide echtgenotenop grond van het Burgerlijk Wetboek (BW) in beginsel een gelijk aandeelin de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De wettelijke hoofd-79Artikel 1:100 BW.80Onder echtgenoot wordt in deze memorie van toelichting mede verstaan: de geregistreerdepartner.81Artikel 1:135, eerste lid, BW.82HR 28 januari 1959, ECLI:NL:HR:1959:AY1786, HR 17 maart 1971, ECLI:NL:HR:1971:AX5018, enHR 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:708.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 356 regel is dus een aandeel van 50% voor de ene echtgenoot en een aandeelvan 50% voor de andere echtgenoot.Het is op grond van het civiele recht ook mogelijk om af te wijken van ditwettelijke uitgangspunt. Door tijdens het huwelijk het aandeel in hetvermogen van de huwelijksgoederengemeenschap of het te verrekenenvermogen aan te passen, verschuift bij de ontbinding van het huwelijkvermogen naar de andere echtgenoot. Deze vermogensverschuiving isonder de huidige wetgeving in beginsel onbelast, tenzij sprake is vanfraus legis (misbruik van recht).Het kabinet acht het onwenselijk dat echtgenoten door middel van eenongelijke breukdelengemeenschap of een verrekenbeding met ongelijkebreukdelen vermogen onbelast over kunnen laten gaan. Het is ook niet debedoeling van de Successiewet 1956 dat schenkingen en erfenissentussen echtgenoten in algemene zin zijn vrijgesteld van belasting. Wel iser een (relatief hoge) partnervrijstelling.83 Ook in de schenkbelastingbestaat geen onbeperkte vrijstelling tussen echtgenoten.84 Om dezeonbelaste vermogensovergangen tegen te gaan wordt voorgesteld dathetgeen aan een echtgenoot bij ontbinding van de huwelijksgoederenge-meenschap meer toekomt dan de helft van die gemeenschap, belastwordt met erf- of schenkbelasting. Het maakt daarbij volgens het kabinetniet uit of de echtgenoten voor het overeenkomen van ongelijke breuk-delen voornamelijk civielrechtelijke of fiscale beweegredenen hebben.Ongeacht de beweegredenen acht het kabinet het ongewenst dat het(bijkomend) effect van het toedelen op grond van ongelijke breukdelen isdat echtgenoten erf- of schenkbelasting besparen.Zoals hiervoor genoemd wordt het huwelijksvermogensrecht in voorko-mende situaties ook ingezet als instrument om lagere erf- of schenkbe-lasting te bewerkstelligen. In de budgettaire bijlage van het Hoofdlijnenak-koord is een stelpost voor het aanpakken van onbedoelde constructiesopgenomen, waar deze constructie ook onder valt. Sinds het genoemdearrest van de HR van 16 februari 2024 is duidelijk dat het op relatiefeenvoudige wijze mogelijk is om erf- of schenkbelasting te ontwijken endat het bestrijden van dergelijke constructies met fraus legis zeer lastig is.Dit arrest van de HR gaat over de situatie dat gehuwden door wijzigingvan de gerechtigdheid tot de huwelijksgoederengemeenschap in het zichtvan overlijden belasting kunnen besparen. Ten eerste heeft de HRgeoordeeld dat het aangaan van dergelijke huwelijkse voorwaarden geenschenking is en onder de huidige wetgeving dus niet leidt tot de heffingvan schenkbelasting. Ook heeft de HR geoordeeld dat, gelet op dewetsgeschiedenis, onder de huidige wetgeving geen erfbelasting isverschuldigd over hetgeen de langstlevende echtgenoot meer toekomtdan de helft van het vermogen van de huwelijksgoederengemeenschap.Volgens de HR kan ten slotte bij dergelijke huwelijkse voorwaarden alleenin uitzonderlijke gevallen sprake zijn van fraus legis. De maatstaf die deHR aanlegt voor het in deze situatie toepassen van fraus legis is dusdanigstrikt dat het in de praktijk nagenoeg onmogelijk zal zijn voor de Belasting-dienst om dergelijke constructies ter besparing van erfbelasting tebestrijden. De zaak bij de HR ging alleen in op de ontwijking van erfbe-lasting, maar naar verwachting geldt hetzelfde voor de situaties van hetontgaan van schenkbelasting (bijvoorbeeld bij een echtscheiding, waarbijer een ongelijk aandeel is bij de verdeling van de huwelijksgoederenge-meenschap).832025: € 804.696.84In de gevallen dat er geen huwelijksgoederengemeenschap is. De vrijstelling is in dat geval€ 2.690.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 357 Tot op heden heeft de Belastingdienst enkele gevallen gesignaleerdwaarin sprake is van een ongelijke breukdelengemeenschap. Het aantalgevallen is tot nog toe dus beperkt. Een voor de hand liggende verklaringhiervoor is dat nog geen duidelijkheid bestond over het antwoord op devraag in hoeverre de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschapmet ongelijke breukdelen leidt tot heffing van erf- of schenkbelasting,waardoor met het gebruik van deze rechtsfiguur waarschijnlijk terug-houdend werd omgegaan. Ook is het tijdsverloop sinds het arrest van deHR beperkt. Nu er duidelijkheid bestaat over de gevolgen voor de erf- ofschenkbelasting bij een huwelijksgoederengemeenschap met ongelijkbreukdelen is de verwachting dat zonder deze maatregel het aantalgevallen zal toenemen.In de onderstaande voorbeelden wordt geïllustreerd hoe onder de huidigewetgeving door middel van het huwelijksvermogensrecht onbelastvermogen over kan gaan.Voorbeeld 8 – huwelijksgoederengemeenschap met ongelijkebreukdelenA en B zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen enhebben geen ander vermogen. A en B hebben geen kinderen. Dehuwelijksgoederengemeenschap bedraagt € 10 miljoen. Wettelijkuitgangspunt op grond van het BW is dat A en B een gelijk aandeelin de gemeenschap hebben, dus bij overlijden van een van hen is denalatenschap € 5 miljoen. A en B laten vanwege de verwachtekortere levensverwachting van B huwelijkse voorwaarden opstellendoor de notaris en bepalen daarin dat B bij beëindiging van hethuwelijk nog maar voor 5% tot de huwelijksgoederengemeenschapis gerechtigd en A voor 95%. Als B overlijdt, bedraagt de nalaten-schap 5% van € 10 miljoen (€ 500.000) in plaats van 50%(€ 5.000.000). Dit levert een besparing van erfbelasting op voor Avan circa € 900.000. Door de wijziging van de breukdelen in dehuwelijksgoederengemeenschap is A bij het overlijden van B immersop grond van het huwelijksvermogensrecht gerechtigd tot 95% vanhet gemeenschappelijke vermogen in plaats van tot 50%. Deverkrijging krachtens huwelijksvermogensrecht is onder de huidigewetgeving niet belast met erf- of schenkbelasting.Voorbeeld 9 – finaal verrekenbeding met ongelijke breuk-delenA en B zijn gehuwd, hebben geen kinderen en hebben elke gemeen-schap van goederen uitgesloten. Zij zijn vanwege de verwachtekortere levensverwachting van A in hun huwelijkse voorwaarden eenfinaal verrekenbeding overeengekomen. Hierin staat dat zij in gevalvan overlijden van een van beiden en in geval van echtscheidingbeiden verplicht zijn hun vermogens te verrekenen alsof er sprake isvan een algehele gemeenschap van goederen waarin A voor 10%gerechtigd is en B voor 90%. A overlijdt. Het vermogen van Abedraagt € 4 miljoen en van B € 1 miljoen. B is uit hoofde van hetverrekenbeding gerechtigd tot 90% van € 5 miljoen. B krijgt eenverrekenvordering van 90% van € 5 miljoen (€ 4,5 miljoen), minushet vermogen dat B zelf al had (€ 1 miljoen), in totaal € 3,5 miljoen.De verkrijging van € 3,5 miljoen betreft een verkrijging krachtenshuwelijksvermogensrecht, waarover onder de huidige wetgevinggeen erfbelasting is verschuldigd. De verkrijging van € 3,5 miljoengeschiedt onder de huidige wetgeving dus onbelast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 358 Voorstel ongelijke breukdelengemeenschap en finaal of periodiekverrekenbeding met ongelijke breukdelenEr wordt voorgesteld dat bij een huwelijksgoederengemeenschap metongelijke breukdelen hetgeen aan een echtgenoot bij ontbinding van dehuwelijksgoederengemeenschap meer toekomt dan de helft van diegemeenschap, belast wordt met erf- of schenkbelasting. Hierbij wordtaangesloten bij het eerder genoemde uitgangspunt in het BW datechtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden huwelijksgoeder-engemeenschap. Ook in het geval van een finaal of periodiek verreken-beding waarbij vermogen of inkomen wordt verrekend op grond van eenongelijke gerechtigdheid tot dat vermogen of inkomen, wordt voorgestelddat hetgeen aan een echtgenoot85 meer toekomt dan de helft van de teverrekenen som belast wordt met erf- of schenkbelasting. Hierbij wordtopgemerkt dat echtgenoten nog steeds bij het einde van het huwelijk 50%van de huwelijksgoederengemeenschap toekomt zonder dat dit leidt totheffing van erf- of schenkbelasting. Ook voor een verrekenbeding geldtnog steeds dat echtgenoten 50% van de te verrekenen som toekomtzonder heffing van schenk- of erfbelasting. Door deze vormgeving geldtde maatregel in alle gevallen waarin een ongelijke breukdelengemeen-schap of verrekening anders dan bij helfte overeen is gekomen. Er vindtdus ook heffing plaats in gevallen waarin geen sprake is van overwegendfiscale beweegredenen. Dit is, zoals hiervoor benoemd, een bewustekeuze. Het blijft voor echtgenoten mogelijk dat zij om hen moverenderedenen de huwelijksgoederengemeenschap of het te verrekenenvermogen op een andere wijze verdelen dan ieder de helft. Dit leidt alleenwel tot heffing van erf- of schenkbelasting. Die heffing vindt niet plaats bijhet aangaan van de huwelijkse voorwaarden, maar bij ontbinding van dehuwelijksgoederengemeenschap of verrekening van het vermogen.Echtgenoten die voor of tijdens het huwelijk ongelijke vermogens hebben,blijven als alternatief houden om in huwelijkse voorwaarden (privé)ver-mogen buiten een gemeenschap of verrekenbeding te houden. Zo kunnenzij een bepaalde door hen gewenste verhouding in vermogens behouden,zonder dat zij hiervoor met betrekking tot de huwelijksgoederengemeen-schap of het verrekenbeding ongelijke breukdelen of ongelijke verre-kening hoeven overeen te komen. Het ligt meer voor de hand om bepaaldvermogen buiten de gemeenschap te houden en voor het overige eenhuwelijksgoederengemeenschap aan te gaan waarin beide echtgenotenbij ontbinding een gelijk aandeel hebben. Hieronder volgt een voorbeeld:Voorbeeld 10 – Algehele huwelijksgoederengemeenschapmet ongelijke breukdelenA en B zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. A hadvoor het aangaan van het huwelijk een vermogen van € 2 miljoen enB een vermogen van € 500.000. In de huwelijkse voorwaardenkomen zij een breukdelengemeenschap overeen van 80% voor A en20% voor B, naar rato van hun inbreng in de huwelijksgoederenge-meenschap. Tijdens het huwelijk verdient B het meeste inkomen,terwijl A slechts beperkte rente-inkomsten heeft. Tijdens het huwelijkdaalt het door A aangebrachte vermogen met € 200.000. Na deontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap wordt hetovergebleven vermogen verdeeld op grond van de verdeelsleutel80%/20%. Tijdens het bestaan van de huwelijksgoederengemeen-schap is een verhoudingsgewijs groter gedeelte van het daartoe85Als er sprake is van een verrekening op grond van een beding dat is overeengekomen tussentwee personen die partners op grond van artikel 1a SW 1956 zijn of zijn geweest (ongehuwdesamenwonenden), valt deze verrekening ook onder de werking van deze maatregel. Zie ook deartikelsgewijze toelichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 359 behorende vermogen aangebracht door B. De verdeelsleutel80%/20% weerspiegelt niet de daadwerkelijke verhouding van deherkomst van het vermogen in de huwelijksgoederengemeenschap,waardoor A relatief een groter deel van de huwelijksgoederenge-meenschap verkrijgt en B relatief een kleiner deel. Een alternatievevormgeving zou bijvoorbeeld uitsluiting van gemeenschap vangoederen zijn of een beperkte gemeenschap van goederen, waarbijde voorhuwelijkse vermogens gescheiden blijven.Het kabinet ziet geen risico op strijdigheid met artikel 1 EP EVRM. Hetkabinet acht het, gelet op de doelstelling, gerechtvaardigd om te heffen inhet geval van ongelijke breukdelen in een huwelijksgoederengemeen-schap of een verrekenbeding. Hiermee wordt tegengegaan dat toedelingop grond van ongelijke breukdelen leidt tot een onbelaste vermogens-overgang. Verder wordt er geheven over een daadwerkelijke verkrijgingbij ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap of ingeval vanverrekening.Onderzochte beleidsalternatievenZoals hiervoor staat beschreven geldt de voorgestelde maatregelonverkort. Het maakt dus geen verschil of een huwelijksgoederengemeen-schap met ongelijke breukdelen of een verrekenbeding met een ongelijkeverdeling van het te verrekenen vermogen wordt overeengekomen omfiscale of andere redenen. De voorgestelde maatregel past daarmee bijhet doel van deze maatregel, namelijk het tegengaan dat door middel vaneen ongelijke breukdelengemeenschap onbelast vermogen over kan gaan.Ook is deze maatregel hiermee het meest effectief tegen toekomstigeconstructies. Wel wordt er overgangsrecht geïntroduceerd (zie hierna).Er zijn beleidsalternatieven overwogen, namelijk een tegenbewijsregelingof een termijn tussen het aangaan van de huwelijkse voorwaarden en hetmoment waarop de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschapof de verrekening plaatsvindt. Een tegenbewijsregeling, waarbij er geenheffing is wanneer het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden niethoofdzakelijk is ingegeven vanuit fiscale beweegredenen, zou echterleiden tot lastige, zo niet onmogelijke discussies over het motief van hetwijzigen van de huwelijkse voorwaarden. Aangezien de toekomst ongewisis, zijn de vermogensrechtelijke en daarmee fiscale consequenties op hetmoment van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden niet metzekerheid vast te stellen en daarmee het motief van de handelingevenmin. Een termijn tussen de datum van het wijzigen van de huwelijksevoorwaarden en de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschapzou ertoe leiden dat de maatregel minder effectief is. Met een dergelijketermijn is het namelijk nog steeds mogelijk om vermogen onbelast over telaten gaan, zolang de periode tussen het wijzigen van de huwelijksevoorwaarden en de ontbinding van de gemeenschap lang genoeg is.Voorstel Overige fiscale maatregelen 2018In verband met het uitgangspunt van het onderhavige voorstel dat nietmeer dan 50% van het vermogen via een huwelijksgoederengemeenschapof verrekenbeding kan overgaan zonder uiteindelijke heffing van erf- ofschenkbelasting, kan nog worden gewezen op het voorstel in Overigefiscale maatregelen 2018 (OFM 2018).86 Dat voorstel had een wezenlijkandere insteek dan het onderhavige voorstel. Het voorstel in OFM 2018hield kort gezegd in dat het aangaan of wijzigen van huwelijksevoorwaarden tijdens het huwelijk zou leiden tot heffing van schenkbe-lasting voor zover het aandeel van de minstvermogende in het totale86Kamerstukken II 2017/18, 34786.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 360 vermogen hoger zou worden dan 50% of het aandeel van de meestvermo-gende in het totale vermogen zou toenemen. Het totale vermogenbestond uit het privévermogen van beide echtgenoten en het gezamen-lijke vermogen. Er zijn twee belangrijke verschillen met het huidigevoorstel. Ten eerste werd in dat voorstel voor de heffing aangesloten bijhet tijdstip van het aangaan van het huwelijk of van het wijzigen vanhuwelijkse voorwaarden. Het huidige voorstel sluit aan bij het tijdstip vanontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap of van de verre-kening. Ten tweede was niet het huwelijksvermogen (het vermogen vande huwelijksgoederengemeenschap dan wel de op grond van eenverrekenbeding te verrekenen vermogens) de grondslag, maar het totalevermogen van de echtgenoten. De Tweede Kamer heeft dit voorsteluiteindelijk uit het wetsvoorstel gehaald door het aannemen van eenamendement van het toenmalige lid Omtzigt.87 In de toelichting van datamendement werd ook verzocht of het kabinet kon bezien of de maatregelop rechtvaardigere wijze kon worden vormgegeven door wel het misbruikaan te pakken, maar niet goedwillende burgers te raken.88 Naar hetoordeel van het kabinet wordt met de thans voorgestelde maatregelgehoor gegeven aan dit verzoek. De vormgeving van de nu voorgesteldemaatregel zorgt ervoor dat wordt tegengegaan dat door middel van eenongelijke breukdelengemeenschap onbelast vermogen over kan gaan,terwijl voor burgers de mogelijkheid blijft bestaan dat privévermogenbuiten de huwelijksgoederengemeenschap blijft. De privévermogens vanbeide echtgenoten blijven buiten de voorgestelde maatregel, in tegen-stelling tot de maatregel in OFM 2018. Alleen het vermogen van dehuwelijksgoederengemeenschap en de op grond van een verrekenbedingte verrekenen vermogens vallen onder de voorgestelde maatregel. Ookwordt in de voorgestelde maatregel aangesloten bij het tijdstip van dedaadwerkelijke vermogensverschuiving, namelijk die op het tijdstip vande ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap of de verrekening.Dit past ook beter in de systematiek van de SW 1956, waarbij het aangaanvan een huwelijk met vermogensvermenging geen schenking met zichbrengt. Ten slotte wordt een ruime overgangsbepaling voorgesteld,waarbij de bestaande gevallen gerespecteerd worden (zie ook hierna).Onderstaand wordt toegelicht hoe de voorgestelde maatregel uitpakt voorde twee eerder genoemde voorbeelden.Voorbeeld 11 – huwelijksgoederengemeenschap metongelijke breukdelenA en B zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen enhebben geen ander vermogen. A en B hebben geen kinderen. Dehuwelijksgoederengemeenschap bedraagt € 10 miljoen. A en B latenhuwelijkse voorwaarden opstellen door de notaris en bepalen daarindat B bij beëindiging van het huwelijk nog maar voor 5% tot dehuwelijksgoederengemeenschap is gerechtigd en A voor 95%. Als Boverlijdt, komt A op grond van het huwelijksvermogensrecht 95%van € 10 miljoen toe (€ 9.500.000). De nalatenschap van B bedraagt5% van € 10 miljoen (€ 500.000). Als A enig erfgenaam is van B,verkrijgt A € 500.000 krachtens erfrecht. Door de voorgesteldemaatregel wordt ook hetgeen A meer toekomt dan de helft van dehuwelijksgoederengemeenschap, aangemerkt als een verkrijgingkrachtens erfrecht door het overlijden van B. A komt op grond vanhet huwelijksvermogensrecht 95% van € 10 miljoen toe(€ 9.500.000). Dit is 45%-punt meer dan 50%. Dit betekent dat ookdeze 45%, dus € 4,5 miljoen, wordt aangemerkt als een fictieveverkrijging krachtens erfrecht.87Kamerstukken II 2017/18, 34 786, nr. 18.88Kamerstukken II 2017/18, 34 786, nr. 18.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 361 Voorbeeld 12 – finaal verrekenbeding met ongelijke breuk-delenA en B zijn gehuwd, hebben geen kinderen en hebben elke gemeen-schap van goederen uitgesloten. Zij zijn in hun huwelijksevoorwaarden een finaal verrekenbeding overeengekomen. Hierinstaat dat zij in geval van overlijden van een van beiden en in gevalvan echtscheiding beiden verplicht zijn hun vermogens te verre-kenen alsof er sprake is van een algehele gemeenschap vangoederen waarin A voor 10% gerechtigd is en B voor 90%. Aoverlijdt. Het vermogen van A bedraagt € 4 miljoen en van B € 1miljoen. B is uit hoofde van het verrekenbeding gerechtigd tot € 90%van € 5 miljoen (€ 4,5 miljoen). De nalatenschap van A bedraagt10% van € 5 miljoen (€ 500.000). B krijgt een verrekenvordering van90% van € 5 miljoen (€ 4,5 miljoen), minus het vermogen dat B zelfal had (€ 1 miljoen), in totaal € 3,5 miljoen. Door de voorgesteldemaatregel wordt ook hetgeen B meer toekomt dan de helft van het teverrekenen vermogen aangemerkt als een verkrijging krachtenserfrecht. B komt na het overlijden van A 40%-punt meer toe dan 50%van het te verrekenen vermogen. Dit betekent dat € 2 miljoen wordtaangemerkt als een fictieve verkrijging door B krachtens erfrechtdoor het overlijden van A.Overgangsrecht en inwerkingtredingMet de voorgestelde maatregel worden toekomstige huwelijksgoederen-gemeenschappen of verrekenbedingen met een ongelijk aandeel ofongelijke verrekening in de heffing betrokken. Het kabinet acht het echteronwenselijk dat echtgenoten die eerder om niet-fiscale redenen eendergelijke vormgeving zijn overeengekomen, onder de voorgesteldemaatregel vallen.89Zonder overgangsrecht zouden deze echtgenoten omheffing in de toekomst te voorkomen van de voorgestelde maatregel opde hoogte moeten komen en zullen ze na een beoordeling van hunsituatie actie moeten ondernemen. Het kabinet acht dit mede gelet op hetdoenvermogen van burgers ongewenst. Daarom wordt overgangsrechtvoorgesteld dat inhoudt dat de maatregel niet van toepassing is in gevalvan huwelijkse voorwaarden waarin reeds een ongelijke breukdelenge-meenschap of een verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeen-gekomen voor 16 september 2025, 16:00 uur. Het genoemde tijdstip is hettijdstip van publicatie van deze maatregel op Prinsjesdag op 16 september2025 en beoogt aankondigingseffecten ten aanzien van het overgangs-recht te beperken. Dit overgangsrecht is ruim opgezet, omdat een keuzevoor meer specifieke voorwaarden, bijvoorbeeld de voorwaarde dataannemelijk wordt gemaakt dat een breukdeel anders dan in twee gelijkedelen niet is ingegeven vanuit fiscale beweegredenen, de uitvoerbaarheidvan de voorgestelde maatregel niet ten goede komt. Als na dit tijdstip deechtgenoot met de kleinste gerechtigdheid tot de huwelijksgoederenge-meenschap of het te verrekenen vermogen overlijdt, blijft heffing overhetgeen de andere echtgenoot meer toekomt dan de helft van dehuwelijksgoederengemeenschap of het vermogen, achterwege.Als de betreffende echtgenoten na 16 september 2025, 16:00 uur, hunhuwelijkse voorwaarden wijzigen in die zin dat het aandeel in dehuwelijksgoederengemeenschap of het te verrekenen vermogenverandert, dan verliezen zij hun aanspraak op het overgangsrecht en gaatmet ingang van 1 januari 2026 de nieuwe regelgeving gelden. Als dezeechtgenoten echter andere wijzigingen aanbrengen in de voorwaarden89Zie ook onderdeel 3.3 van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 maart 2018,over de wijziging van het besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M, Stcrt. 2010, nr. 10783(Stcrt. 2018, 18050).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 362 dan in het aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap of het teverrekenen vermogen, blijft het overgangsrecht voor hen gelden. Hiermeewordt tegemoet gekomen aan echtgenoten die wijzigingen willenaanbrengen in de huwelijkse voorwaarden zonder de eerbiedigendewerking van het overgangsrecht te verliezen, zolang deze wijzigingen nietzien op het aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap of het teverrekenen vermogen.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de voorgestelde maatregel inwerking treedt op 1 januari 2026. Dit betekent dat er erf- of schenkbe-lasting geheven kan worden als vanaf 1 januari 2026 een huwelijksgoede-rengemeenschap met ongelijke breukdelen ontbonden wordt of erverrekend wordt op grond van een verrekenbeding met ongelijkebreukdelen en deze gevallen niet onder het overgangsrecht vallen.Inwerkingtreding van deze maatregel met terugwerkende kracht,bijvoorbeeld tot bekendmaking van de maatregel op Prinsjesdag 2025,acht het kabinet in dit geval niet opportuun. Aankondigingseffecten nadeze datum zijn niet waarschijnlijk vanwege het voorgestelde ruimeovergangsrecht.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe maatregel heeft als doel om onbelaste vermogensovergangen tussenechtgenoten vanwege ongelijke breukdelen tegen te gaan door erf- ofschenkbelasting te heffen bij de ontbinding van een huwelijksgoederenge-meenschap met ongelijke breukdelen of de verrekening van een bedingmet ongelijke breukdelen. Een belastingplichtige en diens partner kunnende verdeling van het vermogen van de huwelijksgoederengemeenschapof de gerechtigdheid tot het vermogen op grond van een verrekenbedingnamelijk zo vaststellen of wijzigen dat geen of weinig erf- of schenkbe-lasting verschuldigd is. Met de voorgestelde maatregel wordt er erf- ofschenkbelasting geheven bij een ongelijke breukdelengemeenschap ofeen verrekenbeding met ongelijke breukdelen en is een onbelastevermogensovergang op deze manier niet meer mogelijk. De maatregel isdaarmee doeltreffend. Er treden naar verwachting geen tot weinigneveneffecten op, omdat de maatregel vanwege het overgangsrechtalleen voor toekomstige situaties geldt. Daarnaast zijn er alternatieven omeen ongelijke inbreng van vermogen in een huwelijksgoederengemeen-schap of bij een verrekenbeding civielrechtelijk vorm te geven. Demaatregel is daarmee doelmatig. Er wordt geen evaluatie van dezemaatregel voorzien.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe voorgestelde maatregel is uitvoerbaar per 1 januari 2026. De maatregelvergroot de handhaafbaarheid voor de Belastingdienst. De maatregelgeeft verduidelijking in geval van aanpassingen van de verdeling in dehuwelijksgoederengemeenschap of het te verrekenen vermogen bij heteinde van het huwelijk. De maatregel beperkt ook de ruimte om doormiddel van aanpassingen van de «gelijke breukdelen», schenk- oferfbelasting te ontgaan.De voorgestelde maatregel vermindert ook de complexiteit en draagt bijaan rechtszekerheid. Verduidelijkt wordt dat het uitgangspunt is een50/50-verdeling bij het einde van het huwelijk. Ook is er een verwachteafname van het aantal belastingplichtigen dat «ongelijke breukdelen»toepast. Ten slotte wordt er een afname van interactie met burgersvoorzien.Tijdens de voorbereiding en uitwerking van deze maatregel is nauwcontact geweest met de Belastingdienst over zowel de vormgeving als deuitvoeringsaspecten om eventuele uitvoeringslasten te beperken en dehandhaafbaarheid te vergroten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 363 5.11 Schenkingen binnen 180 dagen voor overlijden Op grond van de SW 1956 worden schenkingen in beginsel belast metschenkbelasting en erfenissen met erfbelasting. Dit geldt indien deschenking wordt verkregen van iemand die op het tijdstip van deschenking in Nederland woonde en voor erfenissen van een erflater dieop het tijdstip van overlijden in Nederland woonde. Erfbelasting kanworden bespaard door verspreid over een langere periode schenkingen tedoen. Met betrekking tot schenkingen die kort voor het overlijden wordengedaan geldt een specifieke regeling. Door een gedeelte van hetvermogen in het zicht van overlijden te schenken aan de aanstaandeerfgenamen zouden de verkrijgers zonder nadere regeling namelijktweemaal het verlaagde tarief en een extra vrijstelling kunnen benutten.90Om dat te voorkomen heeft de wetgever bepaald dat schenkingen die deerflater heeft gedaan binnen 180 dagen voorafgaand aan diens overlijdenbij fictie in de SW 1956 geacht worden krachtens erfrecht door hetoverlijden van die erflater te zijn verkregen. Als gevolg van deze fictiebe-paling (180 dagenfictie) worden deze schenkingen niet alleen in deschenkbelasting, maar ook in de erfbelasting betrokken waarbij eventueelbetaalde schenkbelasting op de verschuldigde erfbelasting in minderingwordt gebracht. De bedoeling van deze fictiebepaling is duidelijk, maardeze fictie zorgt voor problemen in de toepassing daarvan door het eerstmoeten betalen van schenkbelasting. Zo is de verkrijger van de schenking(vaak tevens erfgenaam) zich er vaak niet van bewust dat er eerst aangifteschenkbelasting van de schenking moet worden gedaan. Die verkrijgervan de schenking verwacht ten onrechte dat het voldoende is om dezeschenking op te nemen in de aangifte erfbelasting. Het vergt veel contactvan de Belastingdienst met belastingplichtigen om dit uit te leggen.Daarnaast leidt het moeten indienen van een aangifte schenkbelasting enhet moeten vaststellen van de aanslag schenkbelasting tot vertraging vande afhandeling van de aangifte erfbelasting. Pas nadat de Belastingdienstde schenkbelasting heeft vastgesteld, kan de schenkbelasting wordenverrekend bij de vaststelling van de aanslag erfbelasting. Ook dezeverrekening vergt extra toelichting aan belastingplichtigen. Het komtbovendien voor dat niet alle betaalde schenkbelasting verrekenbaar is,bijvoorbeeld indien de verschuldigde erfbelasting door toepassing van dehogere kindvrijstelling bij overlijden lager is dan de verschuldigdeschenkbelasting (met een lagere kindvrijstelling) (zie het in de artikelsge-wijze toelichting opgenomen rekenvoorbeeld). Schenkingen binnen 180dagen voor het overlijden komen geregeld voor.Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld om de fictiebepaling zodanigaan te passen dat schenkingen die zijn gedaan binnen 180 dagen voor hetoverlijden van de erflater geacht worden niet alleen meer voor detoepassing van de erfbelasting, maar ook voor de toepassing van deschenkbelasting krachtens erfrecht door het overlijden van die erflater tezijn verkregen. Daarmee is geen sprake meer van een schenking voor deSW 1956. Als gevolg van deze aanpassing is het indienen van een aangifteschenkbelasting door de verkrijger, het vaststellen van een aanslagschenkbelasting door de inspecteur en verrekening van betaaldeschenkbelasting met de erfbelasting niet meer nodig. In de aangifteerfbelasting moet (net als nu) wel melding worden gemaakt van deschenkingen die zijn gedaan binnen 180 dagen voor het overlijden van deerflater en deze worden vervolgens (net als nu) in de erfbelastingbetrokken. Deze aanpassingen gelden voor het eerst voor schenkingen diemaximaal 180 dagen voor 1 januari 2026 zijn gedaan aangezien wordtvoorgesteld deze maatregel per 1 januari 2026 in werking te laten treden.90Vrijstelling schenkbelasting van € 6.713 voor een kind en van € 2.690 voor een derde (2025).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 364 Deze materieel terugwerkende kracht is in het voordeel van belasting-plichtigen.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieVoor een effectieve werking van de 180 dagenfictie is het niet nodig datover een schenking binnen 180 dagen voor het overlijden van de erflaternaast aangifte erfbelasting ook aangifte schenkbelasting wordt gedaan.Ook zonder aangifte en aanslag schenkbelasting wordt voorkomen datverkrijgers tweemaal het verlaagde tarief en een extra vrijstelling kunnenbenutten door een gedeelte van het vermogen binnen 180 dagen voor hetoverlijden te schenken. Het schrappen van de aangifteplicht schenkbe-lasting – en daarmee het achterwege blijven van de aanslag schenkbe-lasting en verrekening van de schenkbelasting met de erfbelasting – zorgtervoor dat de onduidelijkheid bij belastingplichtigen effectief wordtweggenomen. Tevens zorgt dit voor een snellere afhandeling van deaangifte erfbelasting, met een hooguit verwaarloosbare budgettairederving tot gevolg. Het doel van de 180 dagenfictie wordt door demaatregel dus tegen lagere kosten bereikt en daarmee wordt de doelma-tigheid van de fictie vergroot. Aangezien de uitwerking van de maatregelduidelijk is, is geen evaluatie voorzien.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneSchenkingen binnen 180 dagen voor het overlijden komen geregeld vooren leiden – zoals hiervoor aangegeven – tot veel werk voor de Belasting-dienst. In 2021 was er bij circa 9.800 aangiften erfbelasting sprake van eenschenking binnen 180 dagen voor het overlijden (9% van het totaal aanaangiften erfbelasting in 2021).91Deze voorgestelde maatregel is op verzoek van en in nauwe samen-werking met de Belastingdienst verder uitgewerkt.Tijdens de voorbereiding en uitwerking van deze maatregel is nauwcontact geweest met de Belastingdienst over zowel de vormgeving als deuitvoeringsaspecten om eventuele uitvoeringslasten te beperken, dehandhaafbaarheid te vergroten en de eenvoud te bevorderen. Devoorgestelde aanpassing van de fictiebepaling in de SW 1956 leidt tot eenbesparing van de uitvoeringslasten van de Belastingdienst van structureel€ 2 miljoen.Het zal blijven voorkomen dat er reeds aangiften schenkbelasting zijngedaan voor schenkingen die vallen binnen 180 dagen voor het overlijdenvan de schenker. De aangiftetermijn is in beginsel vastgesteld op tweemaanden na afloop van het kalenderjaar waarin de schenkingen zijngedaan. Aangiften kunnen wegens het opgegeven Burgerservicenummervan de schenker na overlijden van de schenker voorafgaand aan hetopleggen van de aanslag schenkbelasting automatisch worden uitge-worpen waarmee kan worden voorkomen dat een aanslag schenkbe-lasting wordt opgelegd. In de paar gevallen waarin al wel een aanslagschenkbelasting is opgelegd, gaat de Belastingdienst over tot ambtshalvevermindering en informeert hij de belastingplichtige hierover.91Het totaal aan aanslagen erfbelasting waarbij in 2021 sprake was van een schenking binnen180 dagen voor het overlijden bedroeg circa 18.700. Vaak wordt er voor meerdere erfgenamenbinnen dezelfde nalatenschap een aangifte erfbelasting gedaan (door een executeur bijvoor-beeld). Het contact van de Belastingdienst vindt plaats met de belastingplichtige die aangiftedoet, niet met alle belastingplichtigen aan wie een aanslag erfbelasting is opgelegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 365 5.12 Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting van biologischekinderen Schenk- en erfbelasting, geregeld in de SW 1956, worden geheven bij deverkrijger over de waarde van de schenking, onderscheidenlijk erfenis. Dehoogte van de te betalen belasting is, naast de relatie tussen de schenker,onderscheidenlijk erflater, en de verkrijger, ook afhankelijk van de omvangvan de verkrijging en de hoogte van de eventuele vrijstellingen. Een kindheeft bij een verkrijging van een ouder een vrijstelling van € 6.713 voor deschenkbelasting en van € 25.490 voor de erfbelasting alsmede het lageretarief van 10% over een verkrijging tot ten hoogste € 154.197 en 20% overhet meerdere (bedragen 2025).Een belangrijke rechtvaardiging voor het heffen van schenk- en erfbe-lasting is dat het ontvangen van een schenking of erfenis tot een hogeredraagkracht leidt. Daarnaast speelt het buitenkansbeginsel ofwel hetbeginsel van de bevoorrechte verkrijging een belangrijke rol. Hetverkrijgen van een erfenis of schenking kan namelijk worden beschouwdals een buitenkans waarvoor geen inspanningen zijn verricht. Ook deverzorgingsgedachte is van belang voor de heffing van schenk- enerfbelasting.92 Het buitenkansbeginsel en de verzorgingsgedachterechtvaardigen dat er hogere vrijstellingen (met name in de erfbelasting)en lagere tarieven gelden voor de partner en (klein)kinderen.93 Hierbijwordt voor het bepalen of iemand als kind van een schenker of erflaterkwalificeert aangesloten bij het familierecht in het BW.De HR heeft in zijn arrest van 6 september 2024 geoordeeld dat debelanghebbende, die niet is erkend door zijn biologische vader en ook nietop andere wijze in familierechtelijke betrekking tot hem is komen te staan,voor toepassing van de SW 1956 niet is aan te merken als een kind van debiologische vader.94 Dit betekent dat de belanghebbende geen recht heeftop toepassing van de kindvrijstelling en het verlaagde tarief. Hierdoorwordt echter een onderscheid gemaakt tussen kinderen die tijdens hethuwelijk zijn geboren en kinderen die buiten een huwelijk wordengeboren. Volgens de HR moeten buitenhuwelijkse kinderen die niet in eenfamilierechtelijke betrekking tot de biologische ouder staan, maarwaarmee de biologische ouder family life als bedoeld in het EuropeesVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentelevrijheden (EVRM)95had, met het oog op de heffing van erfbelasting alsgelijke gevallen worden aangemerkt als kinderen van wie de erflater doorzijn huwelijk de vader is. Volgens de HR is dit verschil in behandeling voorde erfbelasting van kinderen die geboren zijn tijdens een huwelijk tenopzichte van kinderen die zijn geboren buiten het huwelijk maar welfamily life hebben met de biologische ouder in strijd met het discrimina-tieverbod van het EVRM96. Volgens de HR ligt het vooralsnog op de wegvan de wetgever om in dit rechtstekort te voorzien, omdat dit de rechts-vormende taak van de rechter te buiten gaat.97Doordat de fiscale wet voor het begrip «kind» aansluit bij het civiele recht,kan deze strijdigheid met het EVRM worden weggenomen via het civielerecht of door aanpassing van de SW 1956. Aanpassing van het civiele92Hiermee wordt het goed achterlaten van de partner en (klein)kinderen bedoeld.93De tarieven voor kleinkinderen bedragen 18% en – bij grotere verkrijgingen – (deels) 36% ende tarieven voor overige verkrijgers bedragen 30% en – bij grotere verkrijgingen – (deels) 40%.Naast gehuwden en geregistreerde partners worden onder bepaalde voorwaarden ooksamenwonenden als partners aangemerkt (artikel 1a SW 1956).94HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1130.95Artikel 8 EVRM.96Artikel 14 EVRM.97HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1130, r.o. 4.7.2, 4.8 en 4.10.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 366 recht raakt – zoals ook in het arrest wordt benoemd – echter aan diverseontwikkelingen op familierechtelijk vlak waarin zorgvuldige rechtspolitiekekeuzes noodzakelijk zijn. Op 10 maart 2025 heeft de StaatssecretarisRechtsbescherming in dat kader een brief met onderzoeksresultaten in hetkader van meerouderschap naar de Tweede Kamer gestuurd en daarinaangegeven dat er nu geen regeling hiervoor wordt voorbereid.98 Voorhet wegnemen van het door de HR gesignaleerde verboden onderscheidis daarom gekozen voor het aanpassen van de SW 1956.Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld om de SW 1956 zodanig aante passen dat kinderen die niet in familierechtelijke betrekking tot hunbiologische ouder staan voor de toepassing van de schenk- en erfbe-lasting worden gelijkgesteld met kinderen die wel in familierechtelijkebetrekking tot hun ouder staan. Er wordt daarbij uit praktische overwe-gingen niet de in het arrest genoemde aanvullende eis gesteld van hetbestaan van een nauwe persoonlijke betrekking – family life als bedoeld inhet EVRM99 – met die biologische ouder. In de praktijk zal de invulling vanfamily life namelijk zeer verschillend zijn en daardoor belastend voor deuitvoering. Daarom wordt gekozen voor een ruimere regeling. Aange-nomen mag worden dat er een nauwe persoonlijke betrekking met hetkind heeft bestaan wanneer de biologische ouder het kind in hettestament heeft opgenomen. Ook bij een schenking van de biologischeouder aan het kind kan worden verondersteld dat een nauwe persoonlijkebetrekking bestaat.Het kind moet wel het biologische ouderschap doen blijken. Het zounamelijk vrijwel onmogelijk zijn als de Belastingdienst op basis van feitenen omstandigheden zou moeten beoordelen of het aannemelijk is dat hetom een biologisch kind gaat. Dit past ook niet binnen de taken enexpertise van de Belastingdienst en zou tot discussies kunnen leiden. Dezekinderen moeten daarom de uitslag van een genetische test waaruit hetbiologische ouderschap volgt (oftewel een DNA-test)100 kunnenoverleggen. Als de uitslag van de DNA-test inhoudt dat X de biologischezoon/dochter van ouder Y is, is dat voldoende. Vooralsnog worden geenformele eisen gesteld aan het soort DNA-test. Er is een grote verschei-denheid aan aanbieders en mogelijk zal in het verleden al een test zijngedaan om de biologische band tussen ouder en kind vast te stellen. Omte voorkomen dat die groep opnieuw een test moet doen en omdat er opdit moment geen aanleiding is om misbruik van de regeling te veronder-stellen is ervoor gekozen om geen nadere eisen te stellen. Indien ersignalen vanuit de praktijk komen dat het niet stellen van naderevoorwaarden aan het soort DNA-test problemen geeft bij de controle ofhandhaving van de voorgestelde maatregel101 of dit anderszins wenselijkwordt geacht, dan kunnen in een algemene maatregel van bestuur regelsworden gesteld over de op de belastingplichtige rustende bewijslast omhet biologische ouderschap te doen blijken, zoals voorwaarden waaraaneen DNA-test moet voldoen om als bewijs te kunnen dienen. Dezebewijslast in de vorm van een DNA-test brengt wel aspecten vangegevensverwerking met zich mee die worden toegelicht in paragraaf 9.Door het biologische kind voor de heffing van de schenk- en erfbelastinggelijk te stellen met een kind dat wel in een familierechtelijke betrekkingstaat tot de schenker of erflater valt een biologisch kind voor toepassingvan de SW 1956 ook onder het begrip «kind». Dit geldt zowel voor de98Kamerstukken II 2024/25, 33 836, nr. 104.99Artikel 8 EVRM.100De term genetische test en DNA-test worden in dit voorstel als synoniemen gebruikt. Er wordthiermee geen onderscheid of verschil beoogd.101Hierbij kan gedacht worden aan oneigenlijk gebruik van de gelijkstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 367 tarieven en vrijstellingen als voor eventuele antimisbruikbepalingenwaarin het begrip «kind» wordt gebruikt.102Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet doel van de voorgestelde maatregel is om het door de HR gesigna-leerde verboden onderscheid weg te nemen. Dit doel wordt met devoorgestelde aanpassingen behaald, waarmee de maatregel doeltreffendis. Het kunnen overleggen van een uitslag van een genetische test waaruithet biologische ouderschap blijkt brengt kosten met zich mee voor debelastingplichtige. Daarnaast zal de Belastingdienst moeten controleren ofuit de genetische test blijkt dat sprake is van biologisch ouderschap. Hetkunnen overleggen van een genetische test is echter de enige manier ombiologische verwantschap te doen blijken. Daarmee is de voorgesteldemaatregel ook doelmatig. Er wordt geen evaluatie van de maatregelvoorzien, omdat de maatregel met hoge mate van zekerheid doeltreffenden doelmatig is.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneTijdens de voorbereiding en uitwerking van deze maatregel is nauwcontact geweest met de Belastingdienst over zowel de vormgeving als deuitvoeringsaspecten om eventuele uitvoeringslasten te beperken en dehandhaafbaarheid te vergroten. Deze maatregel brengt met zich dat eenuitslag van een genetische test zal moeten worden verwerkt (zie hiervoorparagraaf 9.) De voorgestelde maatregel heeft verder weinig tot geengevolgen voor de systemen en handhaafbaarheid en kent geen wezenlijkecomplexiteitsgevolgen of personele gevolgen. Het voorstel is daarmeeuitvoerbaar.5.13 Verlegging ingangsdatum belastingrente erfbelasting en aangifte-termijn erfbelasting Het algemene uitgangspunt is dat belastingrente kan worden voorkomendoor het indienen van een tijdige, juiste en volledige aangifte en ook kanworden voorkomen door het tijdig verzoeken om het opleggen van eenvoorlopige aanslag.103 Zoals hierna wordt toegelicht, blijkt het in eengroot deel van de gevallen niet mogelijk om tijdig – binnen acht maandenna het overlijden – aangifte erfbelasting te doen of te verzoeken om hetopleggen van een voorlopige aanslag met als gevolg dat belastingrentemoet worden betaald. In de brief van 11 december 2024 over de strategieen prioriteiten van de Belastingdienst voor de komende jaren104 heeft deStaatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane erop gewezendat er nog altijd knelpunten in de uitvoering zijn, die bij burgers enondernemers leiden tot onzekerheid en stress. Over de knelpunten in deuitvoering communiceert de Belastingdienst in de bij die brief gevoegdeStand van de uitvoering 2024, die vier casussen bevat waarin de impactop burgers en ondernemers én op medewerkers van de Belastingdienstduidelijk wordt. Eén van deze vier casussen betreft de complexiteit voornabestaanden en erfgenamen bij het doen van een goede aangifteerfbelasting.105De aangifte erfbelasting is onder andere afhankelijk van de laatsteaangifte inkomstenbelasting van de overleden persoon. Hoeveelinkomstenbelasting (IB) definitief verschuldigd is, wordt niet eerder dan102Een voorbeeld hiervan is artikel 10 SW 1956.103Kamerstukken II 2013/14, 33 755, nr. 3, p. 2.104Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1446.105Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1446, bijlage 3, Stand van de uitvoering p. 8 en 9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 368 8 tot 21 maanden na overlijden bekend. Als iemand bijvoorbeeld in mei2024 overlijdt, kan er pas vanaf 1 maart 2025 aangifte IB worden gedaanen dan duurt het nog even voordat de aanslag IB is opgelegd. Echter, voorde erfbelasting geldt in beginsel een aangiftetermijn van acht maanden nahet overlijden. Deze termijn is voor de belastingplichtige vaak te kort omjuist en volledig aangifte erfbelasting te kunnen doen. Daarom dienenbelastingplichtigen conceptaangiften in die op een later moment wordenaangevuld, wat leidt tot veel contact via brieven, bijbehorende e-mails entelefoonverkeer. De huidige termijn heeft ook verzoeken tot uitstel voorhet indienen van de aangifte erfbelasting voor elke erfgenaam(gezamenlijk of afzonderlijk) tot gevolg en bezwaarschriften tegen de (opbasis van de imperfecte aangifte) opgelegde aanslagen erfbelasting oftegen de beschikking waarbij belastingrente is vastgesteld. Als na deaangiftetermijn van acht maanden aangifte erfbelasting wordt gedaan, isbelastingrente (6,5% vanaf 1 januari 2025) verschuldigd, ook als hetgevraagde uitstel is verleend.106 Met ingang van 1 januari 2019 wordtgeen belastingrente in rekening gebracht als binnen de termijn van achtmaanden na overlijden aangifte erfbelasting wordt gedaan of wordtverzocht om een voorlopige aanslag, indien de (voorlopige of definitieve)aanslag erfbelasting wordt vastgesteld overeenkomstig die aangifte of datverzoek. In de praktijk is dit vaak geen oplossing om belastingrente tevoorkomen, onder andere omdat nog teveel gegevens ontbreken om eenenigszins juiste aangifte te doen of voorlopige aanslag te kunnenaanvragen. Daarnaast zijn meestal meerdere erfgenamen betrokken bijéén nalatenschap en is de hoogte van de individuele aanslagen van elkaarafhankelijk.Het voorgaande geeft veel onbegrip bij belastingplichtigen en dat leidt totbezwaren tegen de belastingrentebeschikking, ook bij zeer kleinefinanciële belangen. Niet alleen de hoogte van de rente, maar ook het feitdat de belastingplichtige belastingrente betaalt terwijl deze niet over degegevens beschikt om een juiste en volledige aangifte te kunnen doen,leidt tot veel onbegrip en ongenoegen bij de belastingplichtige. Voor deBelastingdienst betekent dit veel uitvoeringslasten (zie paragraafuitvoeringsgevolgen). Kortom, er is sprake van een reëel knelpunt bij debelastingrente bij de erfbelasting. Naast de hiervoor genoemde aspectenmoet worden bedacht dat de erfbelasting een incidentele heffing is waarbelastingplichtigen weinig ervaring mee hebben, terwijl sprake is van eenemotionele periode (lager doenvermogen). In die zin is de erfbelastingniet te vergelijken met een heffing als de inkomsten- of vennootschapsbe-lasting.Er zijn verschillende opties bezien om dit knelpunt aan te pakken. In deStand van de uitvoering 2024 van de Belastingdienst wordt voorgesteldhet startmoment van het berekenen van de belastingrente voor deerfbelasting te verleggen van acht naar twintig maanden. Vanuit desystematiek van de belastingrente bezien is het echter logisch om voorhet startmoment aan te sluiten bij de wettelijke aangiftetermijn, diemomenteel acht maanden is. Het verleggen van het startmoment lostverder op zichzelf genomen het probleem van het niet tijdig kunnen doenvan een juiste en volledige aangifte of verzoek om een voorlopige aanslagniet op. De wettelijke termijn van acht maanden na overlijden voor hetindienen van aangifte erfbelasting is een minimumtermijn die deBelastingdienst kan verlengen door het verlenen van uitstel voor het106Voor de volledigheid: voor aanslagen erfbelasting ter zake van overlijdens vanaf 1 januari2017 tot 1 januari 2021 gold goedkeurend beleid waarin was geregeld dat het rekenen vanbelastingrente buiten beschouwing bleef in verband met de vertraging die is opgetreden inhet uitvoeringsproces.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 369 indienen van de aangifte erfbelasting.107 Er wordt momenteel uitstelverleend voor circa 30% van de aangiften erfbelasting. Het verschilt vangeval tot geval binnen welke termijn een belastingplichtige juist envolledig aangifte kan doen. Bij eenvoudiger vermogens (denk bijvoor-beeld aan overledenen zonder partner, zonder onderneming en met eenvoorlopige aanslag IB) en afhankelijk van of iemand vroeg of laat in eenkalenderjaar overlijdt zal dit doorgaans (veel) eerder dan twintig maandenna het overlijden zijn.Alleen een verlenging van de aangiftetermijn erfbelasting lost zoals eerdergezegd het probleem van de belastingrente bij de erfbelasting ook niet op.Daarom wordt een combinatie van maatregelen voorgesteld. Het is vanuitde systematiek van de belastingrente bezien logisch om voor hetstartmoment voor het berekenen van de belastingrente aan te sluiten bijde wettelijke aangiftetermijn na het overlijden. Verlenging van dewettelijke aangiftetermijn van acht naar twintig maanden na overlijdenlijkt toereikend om de genoemde knelpunten op te lossen.Daarom wordt voorgesteld om zowel de aangiftetermijn erfbelasting teverlengen van acht naar twintig maanden na het overlijden als hetstartmoment van het berekenen van de belastingrente bij de erfbelastingaan te passen van acht naar twintig maanden na overlijden. Bijkomstigvoordeel is dat er bij een termijn van twintig maanden meer tijd is ommiddelen vrij te maken om de aanslag erfbelasting te betalen, bijvoor-beeld door de verkoop van een woning die tot de nalatenschap behoort.De voorgestelde termijn van twintig maanden na overlijden vindt voorzowel de aangiftetermijn als de berekening van de belastingrente voor heteerst toepassing met betrekking tot belastingaanslagen erfbelasting terzake van overlijdens die op of na 1 januari 2026 plaatsvinden.Er wordt op dit moment ook in bredere zin gekeken naar de hoogte van debelastingrente bij verschillende belastingmiddelen in relatie tot deoorspronkelijke beleidsdoelen, waarbij de budgettaire impact niet teveronachtzamen is. Daarnaast valt te wijzen op de massaalbezwaarpro-cedure tegen het hogere belastingrentepercentage voor de vennoot-schapsbelasting en enige overige middelen.108Vanwege de eerder benoemde specifieke aspecten die spelen bij deaangifte erfbelasting (geen gegevens, incidentele heffing in een emoti-onele periode) wordt vooruitlopend op de uitkomsten daarvan dezeaanpassing specifiek voor de erfbelasting voorgesteld.Het is op zich denkbaar om voor een langere aangiftetermijn dan twintigmaanden te kiezen maar naar verwachting is een verlenging van deaangiftetermijn van acht naar twintig maanden – dus met twaalfmaanden – adequaat om tijdig de aangifte te kunnen indienen. Bij eenstandaard wettelijke termijn voor het indienen van de aangifte van twintigmaanden na overlijden kan de Belastingdienst nog voldoen aan deaanslagtermijn van drie jaar na het overlijden109 en de navorderings-termijn van vijf jaar na het overlijden voor de erfbelasting. Dit zoumoeilijker worden bij een langere aangiftetermijn, zeker bij complexenalatenschappen zoals wanneer de bedrijfsopvolgingsregeling speelt enbij verschillende verkrijgers met soms verschillende verjaringstermijnen.107De inspecteur stelt de termijn voor het doen van aangifte voor de erfbelasting zodanig vastdat deze niet eerder verstrijkt dan acht maanden na het overlijden (artikel 45, eerste lid, SW1956, zie het tweede en derde lid voor bijzondere situaties).108Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 7 februari 2025, Vennootschapsbelasting,aanwijzing bezwaarschriften tegen het in rekening gebrachte percentage belastingrentevennootschapsbelasting en enige overige middelen vanaf 1 oktober 2020 als massaalbezwaar (Stcrt. 2025, 5793), gelet op de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland,7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361.109De termijn waarbinnen een aanslag moet worden vastgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 370 Gelet op deze ruime verlenging van de aangiftetermijn naar twintigmaanden na het overlijden is de Belastingdienst slechts voornemens – opverzoek – nog eenmaal uitstel te verlenen. Indien uitstel wordt verleend,worden zowel de aanslagtermijn als de navorderingstermijn verlengd metde duur van het verleende uitstel110 maar langer uitstel dan vier maandenin combinatie met verlenging van de aangiftetermijn naar twintigmaanden heeft niet de voorkeur met name omdat het opleggen vanaanslagen erfbelasting liefst plaatsvindt voor alle erfrechtelijke verkrijgerstegelijkertijd, zodat de Belastingdienst zicht houdt op het volledig belastenvan de nalatenschap (nalevingstekort111). Dit betekent in de praktijk dat deBelastingdienst als een deel van de verkrijgers uit een nalatenschap geenuitstel aanvraagt, aan alle verkrijgers uit de betreffende nalatenschapbinnen de aanslagtermijn van drie jaar een aanslag oplegt, ook aan deverkrijgers die om uitstel hebben verzocht en waarvoor de aanslagtermijnwordt verlengd. Deze maximale termijn van vierentwintig maanden komtovereen met het huidige uitvoeringsbeleid van de Belastingdienst.Mocht het desondanks niet lukken om een juiste, tijdige en volledigeaangifte te doen, dan kan de belastingplichtige een zo goed mogelijkeschatting doen in zijn aangifte en bij eventuele afwijkingen later inbezwaar gaan tegen de (voorlopige) aanslag.112 Dus met deze mogelijk-heden is het vanuit het oogpunt van de belastingplichtige niet noodza-kelijk om langer uitstel voor het indienen van de aangifte te krijgen.Het is uiteraard ook denkbaar te kiezen voor een kortere aangiftetermijndan twintig maanden, bijvoorbeeld vijftien maanden. Bezwaar daarvan isdat er dan naar verwachting nog steeds regelmatig uitstelverzoeken zullenworden gedaan omdat binnen vijftien maanden niet altijd alle gegevensom juist en volledig aangifte te kunnen doen beschikbaar zijn. Naarverwachting kunnen na twintig maanden in beginsel alle benodigdegegevens bekend zijn en zo niet, dan zijn er de hierboven geschetstemogelijkheden voor de belastingplichtige.Een verdergaande optie zou zijn afschaffing van de belastingrente bij deerfbelasting. Om twee redenen wordt daarvoor niet gekozen. Ten eerstevervalt hiermee (deels) de prikkel om tijdig aangifte te doen. Ten tweedeleidt die optie tot een budgettaire derving van € 32 miljoen.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet is voor de belastingplichtige in bepaalde gevallen niet mogelijk ombinnen acht maanden een juiste en volledige (voorlopige) aangifteerfbelasting te doen. Dit leidt tot het doen van uitstelverzoeken en totverschuldigdheid van belastingrente. Met de voorgestelde maatregelenwordt de aangiftetermijn en het moment van aanvang van het berekenenvan belastingrente verlengd tot twintig maanden na overlijden, waardoorhet voor meer belastingplichtigen mogelijk wordt om tijdig een juiste envolledige aangifte erfbelasting te doen. Hierdoor is in veel mindergevallen belastingrente verschuldigd. Met de voorgestelde maatregelenworden de genoemde knelpunten in het aangifteproces in het overgrotedeel van de gevallen weggenomen, waardoor deze maatregelendoeltreffend zijn en te verkiezen zijn boven de andere bovenstaandeopties. De voorgestelde maatregelen leiden tot een eenvoudigere110Artikel 66 SW 1956 in combinatie met artikel 11, derde lid, AWR voor aanslagen en artikel 16,derde en vierde lid, AWR voor navorderingsaanslagen.111Het bedrag dat de doelgroep ten onrechte niet heeft afgedragen als percentage van het totalebedrag van de aangiften.112Daarbij kan voor die aanslag uitstel van betaling worden gevraagd (waarbij geldt datmomenteel de invorderingsrente lager is dan de belastingrente). Mocht de einduitkomst nadefinitieve afwikkeling van dergelijke uitzonderlijke erfdossiers afwijken van de (voorlopige)aanslagen, dan geven – naast bezwaar – de artikelen 52 en 53 SW 1956 de mogelijkheid totverzoeken om vermindering of navordering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 371 toepassing van de wetgeving voor de belastingplichtigen, verminderenhet beroep op het doenvermogen van belastingplichtigen in een vaakstressvolle, emotionele periode en verminderen de uitvoeringslasten metruim € 0,5 miljoen per jaar bij de Belastingdienst door een efficiënteraangifteproces. Tegelijkertijd leiden de maatregelen tot lagereopbrengsten belastingrente. De lagere opbrengsten staan in verhoudingtot het te realiseren doel, gelet op het specifieke karakter van hetaangifteproces erfbelasting zoals hierboven beschreven. Daarom zijn dezemaatregelen als doelmatig te beoordelen. De uitwerking van de maatre-gelen zal door de Belastingdienst worden gemonitord via regulier contactmet de stakeholders en signalen die vanuit de Belastingdienst omhoogkomen. Met het opstellen van een Invoeringstoets kan een goedeuitvoering worden gegeven aan het monitoren van een maatregel. Vanuitde uitvoering zouden op zijn vroegst vanaf 2028 signalen en mogelijkeknelpunten kunnen worden opgehaald / een vergelijking worden gemaaktmet de verwachtingen uit de uitvoeringstoets (uitgaande van invoering op1/1/2026). De Belastingdienst kan worden gevraagd om deze maatregelente selecteren voor het uitvoeren van een Invoeringstoets. De uitkomst vandit selectieproces moet worden afgewacht. Er wordt geen evaluatievoorzien.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDeze maatregel is op verzoek vanen in nauwe samenwerking met deBelastingdienst uitgewerkt. Tijdens de voorbereiding en uitwerking vandeze maatregel is nauw contact geweest met de Belastingdienst overzowel de vormgeving als de uitvoeringsaspecten om eventuele uitvoe-ringslasten te beperken en de handhaafbaarheid te vergroten.De voorgestelde maatregel is uitvoerbaar per 1 januari 2026. Het voorstelis een vereenvoudiging voor belastingplichtigen en de uitvoering door deBelastingdienst. Door de verlenging van de aangiftetermijn voor deerfbelasting zullen kwalitatief betere aangiften worden ingediend.Belastingplichtigen hebben dam immers meer tijd gehad om allerelevante gegevens te achterhalen. Dat maakt dat er minder noodzaak zalzijn om de eigen aangifte op een later moment aan te passen of ombezwaar te maken tegen een (voorlopige) aanslag die is opgelegd (mede)op basis van de eigen aangifte.Minder contact zit in:–uitstelverzoeken in beginsel afhandelen voor elke erfgenaam afzonder-lijk;–uitleg geven over de verjaringstermijn die per erfrechtelijke verkrijgerkan verschillen als gevolg van de uitstelregeling;–minder bezwaarschriften tegen de beschikking waarbij de belasting-rente is vastgesteld of tegen (op basis van imperfecte aangiften)opgelegde aanslagen als gevolg van de krappe aangiftetermijn (eenaanslag wordt in veel gevallen na vier maanden opgelegd, terwijl deaangifte als concept was bedoeld);–minder conceptaangiften die op een later moment worden aangevuldmet brieven, e-mails of telefoonverkeer.De voorgestelde maatregel leidt tot een besparing op de uitvoeringslastenvan de Belastingdienst. Er zullen nauwelijks nog uitstelverzoeken gedaanworden, er is sprake van kwalitatief betere aangiften en er zal eenvermindering zijn van bezwaren tegen de beschikking waarbij debelastingrente wordt vastgesteld. De incidentele handhavingsbesparingbedraagt € 210.000. De incidentele automatiseringskosten bedragen€ 310.000. De structurele handhavingsbesparing bedraagt € 540.000.Daarnaast bespaart de voorgestelde maatregel incidenteel 1,5 fte enstructureel 4 fte aan werklast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 372 5.14 Emissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrije motorrij-wielen Met het aflopen van de bpm-vrijstelling voor emissievrije motorrijtuigenper 1 januari 2025 is een ongewenst verschil in behandeling ontstaantussen enerzijds reguliere emissievrije personenauto’s en anderzijdsemissievrije bijzondere personenauto’s, zoals kampeerauto’s envoertuigen voor rolstoelvervoer, en emissievrije motorrijwielen. Terwijlreguliere emissievrije personenauto’s in de bpm enkel worden belast meteen vaste voet van € 667 en voor emissievrije bestelauto’s een nihiltariefgeldt, worden voornoemde emissievrije bijzondere personenauto’s vanaf2025 belast volgens dezelfde tarieven als hun fossiele tegenhangers.Concreet betekent dit dat emissievrije bijzondere personenauto’s sinds2025 37,7% van de catalogusprijs aan bpm verschuldigd zijn, en emissie-vrije motorrijwielen 19,4%. Daarmee wordt geen recht gedaan aan hetkarakter van deze motorrijtuigen, die bovendien vaak nog relatief duurderzijn in aanschaf dan hun fossiele tegenhangers. De onbedoelde lastenver-zwaring die hierdoor ontstaat, is voor het jaar 2025 ondervangen viagoedkeurend beleid.113Voordat het besluit tot het voeren van goedkeurend beleid is genomen isvastgesteld of dit besluit verenigbaar is met het kader voor beleidsbe-sluiten vooruitlopend op wetgeving op de terreinen van Belastingen,Toeslagen en Douane zoals dat op 12 december 2024 is vastgesteld.114Geconcludeerd is dat dit het geval was. Hierbij is in het bijzonderstilgestaan bij de vraag of de onderbouwing om het goedkeurend besluitte treffen in verhouding staat tot het belang dat ermee is gediend. In ditkader is vastgesteld dat de bpm tot 1 januari 2025 voor emissievrijebijzondere motorrijtuigen en emissievrije motorrijwielen nihil was. Vanafjanuari 2025 kon de bpm echter oplopen tot meer dan € 25.000. Dit zorgtin 2025 voor een groot verschil in belastingdruk, zeker als het voorstelwordt aangenomen om de bpm voor deze voertuigen vanaf 1 januari 2026gelijk te stellen aan die van emissievrije personenauto’s (€ 667). Ditverschil is moeilijk te rechtvaardigen. Het wachten op wetgeving zoubovendien ook problemen opleveren voor partijen die de bijzonderepersonenauto’s al hadden besteld en in gebruik willen nemen. Vastgesteldis dat onverkorte wetstoepassing niet past bij een overheid die recht wildoen aan de menselijke maat en algemene rechtsbeginselen. Ditbeleidsbesluit voorkomt zo een maatschappelijke onaanvaardbare situatiedoor hardheden van (het ontbreken van) wetgeving voor alleen deperiode januari tot en met december 2025, wat daarnaast een rem zoukunnen zetten op beleidsmatig wenselijke investeringen in emissievrijemotorrijtuigen. Dit besluit werkt uitsluitend in het voordeel van debeoogde groep belastingplichtigen. Ten einde zo transparant mogelijk tezijn is de publicatie van het beleidsbesluit op 23 juni 2025 expliciet onderde aandacht gebracht.115Om de belastingdruk voor emissievrije bijzondere personenauto’s tecorrigeren, wordt voorgesteld de Wet op de belasting van personenauto’sen motorrijwielen 1992 (Wet BPM 1992) op dit punt te wijzigen. Voorge-steld wordt voor emissievrije bijzondere personenauto’s tot en met 2030hetzelfde tarief te hanteren als reguliere emissievrije personenauto’s. Dattarief is op dit moment een vaste voet van € 667. Voor emissievrijemotorrijwielen wordt voorgesteld om tot en met 2030 een separate vastevoet van € 200 in te voeren. Op deze wijze wordt de stimulans voor113Stcrt. 2025, 21007.114Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. AM.115Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 260.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 373 emissievrije mobiliteit ook voor deze categorieën motorrijtuigen herstelden behouden.Voor met fossiele brandstoffen aangedreven bijzondere personenauto’s enmotorrijwielen blijft overigens de catalogusprijs de grondslag voor debpm. Het is op dit moment niet mogelijk om de bpm voor deze motorrij-tuigen vast te stellen aan de hand van de CO2-uitstoot en daarmee gelijkte stellen met andere personenauto’s. Hiervoor is informatie nodig overde CO2-uitstoot van deze motorrijtuigen en die is in het kentekenregisterafwezig of onvoldoende betrouwbaar om voor de bpm te kunnengebruiken.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe voorgestelde maatregel is doeltreffend, omdat zij de onbedoeldefiscale verschillen binnen de bpm tussen emissievrije reguliere personen-auto’s en andere emissievrije voertuigcategorieën – zoals bijzonderepersonenauto’s en motorrijwielen – op een gerichte en proportionele wijzewegneemt. Door ook voor deze motorrijtuigen een vaste voet in de bpmte introduceren, wordt voorkomen dat de overstap naar emissievrijemobiliteit wordt ontmoedigd. Hiermee wordt de stimulans voor emissie-vrije alternatieven in stand gehouden en sluit het bpm-stelsel beter aan bijde beleidsdoelstellingen op het gebied van klimaat en duurzaamheid.De maatregel is doelmatig, omdat zij tegen zo laag mogelijke kosten meteen beperkte en eenvoudig uitvoerbare aanpassing in debpm-systematiek een onevenredige belastingdruk voor specifiekecategorieën emissievrije motorrijtuigen wegneemt. Door het hanteren vanvaste voetbedragen – € 667 voor emissievrije bijzondere personenauto’sen € 200 voor emissievrije motorrijwielen – wordt aangesloten bijbestaande uitvoeringspraktijken, wat de uitvoeringslasten voor zowel deBelastingdienst als belastingplichtigen beperkt houdt. Tegelijkertijd wordtmet minimale middelen effectief bijgedragen aan het bevorderen vanemissievrije mobiliteit binnen alle voertuigcategorieën, zonder dat eencomplex of omvangrijk instrumentarium hoeft te worden ingezet.Er wordt geen specifieke evaluatie voorzien van de maatregel vooremissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrije motorrijwielen. Demaatregel kent wel een horizonbepaling tot en met 2030. Op dat momentmoet opnieuw worden gewogen, met oog voor uitkomsten van deevaluatie van stimulering van emissievrije bestelauto’s in de bpm uiterlijkin 2029 en op basis van actuele inzichten over de stimulering vanemissievrije personenauto’s, hoe wordt omgegaan met de fiscalebehandeling van emissievrije motorrijwielen en bijzondere personen-auto’s.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en douaneDe maatregel heeft naar oordeel van de Belastingdienst weinig of geenimpact. De maatregel heft een ongewenst verschil in behandeling optussen reguliere motorrijwielen en emissievrije motorrijwielen door dewijziging van de vaste voet in de bpm. De noodzakelijke systeemaanpas-singen kunnen tijdig door de Belastingdienst worden gerealiseerd.5.15 Autonome vergroening Vanwege de jaarlijkse afname van de CO2-uitstoot van nieuwe conventi-onele personenauto’s (autonome vergroening) worden in de bpm tenbehoeve van een stabiele opbrengst jaarlijks de CO2-schijfgrenzen en-tarieven aangepast. Deze aanpassing is zodanig vormgegeven dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 374 gemiddelde bpm-inkomsten per conventionele personenauto, ceterisparibus, gelijk blijven. Hiermee wordt beoogd de voorziene afname van debelastinggrondslag door autonome vergroening te mitigeren. Voor dejaren 2026 tot en met 2028 wordt een autonome vergroening vanrespectievelijk 1,55% (2026), 1,46% (2027) en 1,38% (2028) voorzien.Voorgesteld wordt om dit percentage jaarlijks te verwerken in detarieftabel zoals die voor de bpm wordt gehanteerd. Hiervoor worden inrespectievelijk 2026, 2027 en 2028 de schijfgrenzen, inclusief de grensvoor de dieseltoeslag, verlaagd met respectievelijk 1,55%, 1,46% en1,38%, en worden de tarieven, inclusief het tarief voor de dieseltoeslag,verhoogd met respectievelijk 1,57%, 1,48% en 1,40%.Er is voor gekozen om de autonome vergroening voor drie jaar vast teleggen om de sector zo veel mogelijk duidelijkheid en voorspelbaarheid tebieden over de ontwikkeling van de bpm. Dit draagt bij aan stabiliteit in deautobelastingen en voorkomt jaarlijkse herziening. Onderzocht is of ookbij de tariefstelling voor bestelauto’s rekening gehouden moet wordenmet autonome vergroening. Vastgesteld is dat hier geen aanleiding vooris.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe maatregel is doeltreffend doordat zij de verwachte daling inCO2-uitstoot van conventionele personen- en bestelauto’s vertaalt in eenevenredige aanscherping van de bpm-tarieven. Hierdoor blijft degemiddelde belastingdruk per motorrijtuig behouden, wat past binnen hetuitgangspunt van een stabiele en houdbare heffing op personenauto’s.Tevens blijft de prikkel in stand om te kiezen voor voertuigen met eenlagere CO2-uitstoot.Door de autonome vergroening jaarlijks te verdisconteren in de tarieftabelwordt met een beperkte aanpassing van wet- en regelgeving tegen zo laagmogelijke kosten op een effectieve manier voorkomen dat de belasting-rondslag erodeert. Daarmee wordt de stabiliteit van de bpm-opbrengstgeborgd zonder dat aanvullende uitvoeringslasten of handhavingsinspan-ningen nodig zijn. De maatregel is hiermee doelmatig.Voor deze maatregel is geen afzonderlijke evaluatie voorzien. Wel zal, inlijn met bestaande praktijk, ook na 2028 periodiek bezien worden ofaanpassing van de tarieftabel noodzakelijk is op basis van de meestrecente gegevens over de autonome vergroening van het wagenpark. Opdie wijze blijft de maatregel afgestemd op de feitelijke ontwikkeling van deCO2-uitstoot van nieuwe motorrijtuigen.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en douaneHet aanpassen van de tarieftabel ten behoeve van de autonomevergroening betreft een parameterwijziging. Aanpassing van de tarievenin de bpm voor de jaren 2026 tot en met 2028 is voor de Belastingdienstuitvoerbaar per 2026. Deze maatregel heeft weinig tot geen impact op deuitvoering.5.16 Tariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije personenauto’s Emissievrije personenauto’s zijn door het gewicht van de accu zwaarderdan vergelijkbare fossiele auto’s. Omdat de grondslag van de motorrijtui-genbelasting (mrb) grotendeels is gebaseerd op het gewicht van hetmotorrijtuig moet voor een emissievrije personenauto zonder tariefkortingmeer mrb worden betaald dan voor een vergelijkbare benzineauto. Omstagnatie van ingroei van emissievrije personenauto’s in het wagenpark tevoorkomen, mede vanwege het belang om de klimaatdoelstellingen tebehalen, en indachtig de aangenomen Eerste Kamermotie HolterhuesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 375 c.s.116 voorziet het BP 2025 in een tariefkorting van 25% voor emissievrijepersonenauto’s in de periode 2026 – 2029.Bij de totstandkoming van het BP 2025 is toegezegd dat het kabinet in hetvoorjaar van 2025 opnieuw zou beoordelen of de maatvoering van detariefkorting voor emissievrije personenauto’s voldoende hoog is. Omemissievrije personenauto’s en vergelijkbare benzineauto’s gelijker tebelasten in de mrb is door het kabinet op 25 april 2025 aangekondigd detariefkorting te willen verhogen van 25% naar 30% in de periode 2026 –2028.117In 2029 blijft de tariefkorting 25%. Door deze aanpassing worden groterefossiele en emissievrije personenauto’s (voertuigcategorie D en E)komende jaren gelijk belast. Voor kleinere en middelgrote personenauto’s(voertuigcategorie A tot en met C) worden de verschillen verkleind. Geletop bestaande variëteit binnen het wagenpark (grote, kleine, duurdere engoedkopere auto’s) is uniforme compensatie op korte termijn binnen demrb niet realiseerbaar, wel pakt deze maatregel gemiddeld positief uit. Eris gekozen voor de periode 2026–2028 om in die jaren te kunnen bezien ofeen structurele regeling mogelijk is voor het omgaan met het verschil infeitelijke belastingdruk tussen elektrische en conventionele personen-auto’s. Tegelijkertijd wordt de budgettaire derving op korte termijnhiermee beperkt.De budgettaire derving die het gevolg is van deze maatregel wordt voorde periode 2026 – 2028 gedekt uit het klimaatfonds.De verhoging van de tariefkorting voor emissievrije personenauto’s in dejaren 2026 – 2028 zal ook gaan gelden voor de provinciale opcenten.Daarmee is de samenhang tussen het rijksdeel en de provinciale heffing inde mrb gewaarborgd. Van belang is tevens dat de provinciale opcentenworden geheven als een percentage over het rijksdeel van de mrb. In desystemen van de Belastingdienst werkt een wijziging in het rijksdeeldaardoor automatisch door in de opcenten. De systemen staan het niettoe om het opcentendeel afzonderlijk te behandelen. De derving diehiervan het resultaat is voor de provincies zal, net zoals de derving die hetresultaat was van de tariefkorting zoals die was opgenomen in het BP2025, volledig worden gecompenseerd. Dit gebeurt omdat provinciesgeen invloed hebben op de rijksmaatregel en, bij ongewijzigd provinciaalbeleid, financieel nadeel zouden ondervinden van een besluit dat buitenhun beleidsruimte ligt. Vanuit de Aanvullende Post zijn middelenovergeboekt naar het Provinciefonds ter compensatie van de derving.Tabel 7: daling inkomsten opcenten voor provincies (in mln. euro en prijspeil 2025)2025202620272028202920302031StrucCum 26–31Derving opcenten bijtariefkorting 30%0– 18– 22– 27––––– 67 De maatregel geldt ook voor emissievrije kampeerauto’s. Evenals vooreen reguliere emissievrije personenauto geldt ook voor een emissievrijekampeerauto dat deze als gevolg van het accugewicht zwaarder is daneen vergelijkbare met fossiele brandstoffen aangedreven kampeerauto.De tariefkorting voor een emissievrije kampeerauto wordt berekend overhet halftarief zoals dat met ingang van 1 januari 2026 als gevolg van hetBelastingplan 2024 voor kampeerauto’s van toepassing wordt.116Kamerstukken I, 2024/25, 36 410 XII, G. De motie Holterhues c.s. verzoekt de regering om in2024 te onderzoeken of er een oplossing gevonden kan worden dat eigenaren van elektrischeauto’s maximaal hetzelfde betalen in de motorrijtuigenbelasting als eigenaren vanbenzineauto’s.117Kamerstukken II, 2024/25, 32 140, nr. 251.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 376 De tariefkorting gaat niet gelden voor emissievrije bestelauto’s. Hethuidige kwarttarief vervalt per 1 januari 2026. Hoewel emissievrijebestelauto’s ook zwaarder zijn door het accugewicht en daardoor meermrb verschuldigd zijn is van een aanvullende tariefkorting afgezien.Bestelauto’s zijn primair bedoeld voor het vervoer van goederen daarwaar personenauto’s bedoeld zijn voor het vervoer van personen.Bestelauto’s en personenauto’s zijn hierdoor niet gelijk. De tariefkortingvoor emissievrije personenauto’s is gericht op het voorkomen van destagnatie van ingroei van emissievrije personenauto’s in het wagenpark.De focus op personenauto’s is van belang, omdat personenauto’s volgensde KEV 2024 verantwoordelijk zijn voor ongeveer de helft van deCO2-emissies in de mobiliteitssector. Het aandeel van bestelauto’s isaanmerkelijk kleiner.118 Daarnaast is volgens de KEV2024 de verwachtingdat in 2030 naar verwachting al ongeveer 85% tot 95% van alle nieuwebestelauto’s emissievrij zal zijn.119 Voor personenauto’s ligt dit aandeelmet 58% tot 89% aanmerkelijk lager.120 Dat rechtvaardigt dus een focus ophet voorkomen van de stagnatie van emissievrije personenauto’s in hetwagenpark. Verder is een relevante overweging dat het accugewicht bijelektrische bestelauto’s tot relatief minder grote tariefverschillen leidt metconventionele bestelauto’s dan bij personenauto’s.121 Verder is van belangdat de meeste bestelauto’s worden gehouden door ondernemers die nu alprofiteren van een verlaagd tarief in de mrb. Daarbij geldt tot slot dat in debpm bestelauto’s ook anders worden behandeld dan personenauto’s.Waar voor emissievrije personenauto’s bij registratie in het kentekenre-gister in 2025 een vaste voet geldt van € 667, is het tarief voor eenemissievrije bestelauto nihil en dus juist lager dan voor personenauto’s. Inhet regeerprogramma heeft het kabinet aangekondigd te komen met eenhervorming van de autobelastingen. In de Kamerbrief van 11 juli 2025122schetst het demissionaire kabinet denkrichtingen voor een mogelijkestructurele oplossing voor de gewichtscorrectie in de mrb van elektrischeauto’s voor de middellange en lange termijn.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieMet de verhoging van de tariefkorting wordt beoogd beter te corrigerenvoor het technisch meergewicht van emissievrije personenauto’s alsgevolg van het accupakket. Zonder deze aanvullende verhoging zou voordeze auto’s vaker meer mrb moeten worden betaald dan voor verge-lijkbare benzineauto’s. Met de aanvullende tariefkorting wordt dit verschilweggenomen voor de grotere emissievrije personenauto’s (voertuigcate-gorie D en E) en verkleind voor de kleinere en middelgrote personenauto’s(voertuigcategorie A tot en met C).De verhoging van de tariefkorting is een parameterwijziging. Dit houdt indat de maatregel relatief makkelijk uitgevoerd kan worden door deBelastingdienst en lage uitvoeringskosten met zich meebrengt. Hierdoor isde maatregel doelmatig in het bereiken van het doel om het verschil inmrb tussen vergelijkbare conventionele en emissievrije personenauto’s118In de Keuzewijzer autobelastingen is benoemd dat bestelauto’s circa 12% van de emissies inde mobiliteitssector veroorzaken – Kamerstuk II 2020/21, 32 800, nr. 74, p. 31.119Revnext & PBL, Achtergrondrapport bestel- en vrachtauto’s. Beschrijving van uitgangs-punten, model-invoer en ramingen wagenparken bestel- en vrachtauto’s ten behoeve van deKEV 2024, Rotterdam: Revnext & Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. p.23.120Revnext & PBL, Achtergrondrapport SPARK-modelanalyses wagenpark personenauto’s KEV2024. Beschrijving van uitgangspunten, modelinputs, modelbewerking en ramingenwagenpark personenauto’s ten behoeve van de KEV 2024, Rotterdam: Revnext & Den Haag:Planbureau voor de Leefomgeving.121Ter illustratie geldt dat een middelgrote emissievrije bestelauto van 2.100 kg circa 300 kgzwaarder is dan een vergelijkbaar met fossiele brandstoffen aangedreven model. In 2026 zoueen tariefkorting van 18% nodig zijn om het verschil in belastindruk weg te nemen.122Kamerstukken II, 2024/2025, 32 800, nr. 89.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 377 binnen de mrb te verkleinen en de ingroei van emissievrije personen-auto’s in het wagenpark te faciliteren.In het BP 2025 is aangekondigd dat het kabinet in 2028 de tariefkortingvoor emissievrije personenauto’s in de mrb zal evalueren.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe maatregel is door de Belastingdienst beoordeeld met een uitvoerings-toets. De impact voor de uitvoering is gering en de Belastingdienst achtde maatregelen tijdig uitvoerbaar. Voor een nadere toelichting wordtkortheidshalve verwezen naar de uitvoeringstoets in de bijlage.5.17 Kwarttarieven motorrijtuigenbelasting De mrb kent met ingang van 1 januari 2026 nog twee kwarttarieven voorbijzondere categorieën motorrijtuigen. Het gaat om motorrijtuigen die zijningericht als werktuig of als werkplaats en motorrijtuigen die wordengehouden door kermis- of circusexploitanten en worden gebruikt voor hetvervoer van kermis- of circusbenodigdheden. Met ingang van 1 januari2027 worden deze kwarttarieven als gevolg van het BP 2025 beperkt totbestelauto’s en vrachtauto’s. Bij inwerkingtreding van de vrachtwagen-heffing, gepland vanaf 1 juli 2026, zal voor vrachtauto’s van meer dan12 ton het Europese minimumtarief aan mrb gaan gelden.123 Voorvrachtauto’s van minder dan 12 ton zal het tarief bij inwerkingtreding vande vrachtwagenheffing nihil zijn. Bij inwerkingtreding van de vrachtwa-genheffing is hierdoor een additionele tariefkorting voor vrachtauto’s vanmeer dan 12 ton onmogelijk en voor vrachtauto’s van minder dan 12 tonoverbodig. De kwarttarieven voor mobiele werkplaatsen alsmede kermis-en circusexploitanten zijn na de inwerkingtreding van de vrachtwagen-heffing enkel nog van belang voor bestelauto’s. Deze fiscale regelingenworden daarmee dermate beperkt en selectief dat wordt voorgesteld ze bijinwerkingtreding van de vrachtwagenheffing te beperken tot bestelauto’sen met ingang van 1 januari 2028 volledig te beëindigen. Daarbij is tevensvan belang dat de resterende kwarttarieven zijn gegund ter compensatievoor het beperkt gebruik dat deze motorrijtuigen zouden maken van deweg. Het compenseren voor beperkt gebruik is echter inherent tegen-strijdig met de grondslag van de mrb, dat immers een houderschapsbe-lasting is. Er wordt niet gecontroleerd of een motorrijtuig dat aanspraakmaakt op een kwarttarief daadwerkelijk beperkt wordt gebruikt. Daarbijbestaat de mogelijkheid om een motorrijtuig te schorsen in het kenteken-register, waardoor ook de mrb-plicht en verzekeringsplicht wordtopgeschort.Door de genoemde kwarttarieven met ingang van 1 januari 2028 volledigte beëindigen krijgen houders van bestelauto’s die gebruikmaken van hetkwarttarief gelegenheid om te kunnen anticiperen op het reguliere tarief.Het gebruik van de kwarttarieven is beperkt. In onderstaande overzicht ishet gebruik van de kwarttarieven weergeven op 5 juni 2025. Het overzichtlaat zien dat vooral voor vrachtauto’s gebruik wordt gemaakt van hetverlaagde tarief.123Artikel 6 van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999betreffende het in rekening brengen van het gebruik van wegeninfrastructuur aan voertuigen(PbEG 1999, L 187).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 378 Tabel 8: kwarttarievenKwarttariefvoor kermis-en circus-voertuigenKwarttariefvoor motor-rijtuig ingerichtals werktuig ofwerkplaatsPersonenauto’s09Bestelauto’s4685Vrachtauto’s882233Totaal928327 De maatregel is doeltreffend, omdat hij een einde maakt aan uitzonde-ringen die, met de inwerkingtreding van de vrachtwagenheffing, zeerbeperkt en selectief worden. Daarbij stroken deze niet met de grondslagvan de mrb als houderschapsbelasting. De afschaffing van de resterendekwarttarieven voorkomt een hoge mate van selectiviteit in beleid,waarvoor tevens geldt dat hiervoor zonder objectieve toetsing langdurigeen lager belastingtarief wordt toegepast op motorrijtuigen waarvan hetgebruik niet aantoonbaar beperkt is.124 Daarmee wordt het stelsel van demrb rechtvaardiger, eenduidiger, en vereenvoudigd.De maatregel is doelmatig omdat hij de uitvoering en handhaving van demrb vereenvoudigt. Het vervallen van deze specifieke tariefcategorieënleidt tot een vermindering van administratieve lasten voor zowel deBelastingdienst als belastingplichtigen. Tegelijkertijd wordt het risico oponbedoeld gebruik van het lage tarief beperkt. Het budgettaire effect isbeperkt, maar positief, doordat houders van de betreffende motorrijtuigenvoortaan het reguliere tarief gaan betalen. Deze specifieke maatregelwordt niet voorzien van een evaluatie.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe maatregel is door de Belastingdienst beoordeeld met een uitvoerings-toets. De impact voor de uitvoering is gering en de Belastingdienst achtde maatregelen tijdig uitvoerbaar. Voor een nadere toelichting wordtkortheidshalve verwezen naar de uitvoeringstoets in de bijlage.5.18 Ophoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leidingwater Met de belasting op leidingwater wordt er belasting geheven over delevering van leidingwater, al dan niet van drinkwaterkwaliteit. De belastingkent op dit moment een heffingsplafond van 300 kubieke meter. Ditplafond zorgt ervoor dat gebruikers van leidingwater alleen belastingbetalen over de eerste 300 kubieke meter geleverd leidingwater per jaarper aansluiting. Op deze manier werd bij invoering van de belastingbewerkstelligd dat de belasting vooral zou neerslaan bij huishoudens.Met dit wetsvoorstel wordt primair 1) het heffingsplafond geschrapt, 2) debelastinggrondslag versmald naar water van drinkwaterkwaliteit en 3) dezogenoemde 1.000 klantenregeling (zie hieronder) afgeschaft. Hetschrappen van het heffingsplafond zorgt ervoor dat belasting wordtgeheven over het volledige waterverbruik. Dit levert structureel € 105miljoen per jaar op. Ook geeft het gebruikers die nu profiteren van hetheffingsplafond een aanvullende prikkel om waterverspilling tegen tegaan. Dat levert naar verwachting een hoeveelheid waterbesparing op van124Zie ook SEO Economisch Onderzoek, Evaluatie Bijzondere regelingen MRB en BPM, 2022.Kamerstukken II 2021/22, 32 800, nr. 76, blz. 31–33.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 379 0 tot 25 miljoen kubieke meter water per jaar.125 Verder draagt hetbeprijzen van enkel hoogwaardig gezuiverd water, hier gericht op watervan drinkwaterkwaliteit, bij aan de inzet voor het kabinetsuitgangspunt«het juiste water voor het juiste gebruik». Tot slot leidt de afschaffing vanhet heffingsplafond in combinatie met het versmallen van de grondslagtot een vereenvoudiging van de belasting op leidingwater. Momenteelbestaat er een teruggaafregeling voor verbruikers van leidingwater dieleidingwater geleverd hebben gekregen van verschillende leveranciers endie daarbij, als gevolg van het heffingsplafond, meer belasting opleidingwater in rekening gebracht hebben gekregen dan wanneer zij vanéén leverancier geleverd hadden gekregen. Deze teruggaafregeling wordtmet de voorgestelde wetswijzigingen overbodig, en wordt als onderdeelvan het wetsvoorstel afgeschaft.Daarnaast treedt er vereenvoudiging opals gevolg van het overbodig worden van maatregelen op het gebied vanhet heffingsplafond rondom clustering126. De heffing wordt doorafschaffing van het plafond een vlakke heffing met één tarief wat deeenvoud sterk ten goede komt.Tegengaan van verspilling van zoetwater is de goedkoopste enduurzaamste manier om bij te dragen aan de beschikbaarheid hiervan,ook in de toekomst. Schoon drinkwater (van hoogwaardige zuivering) isvan levensbelang voor mensen, dus dan moet het ook beschikbaar enbetaalbaar blijven. Het kabinet heeft als uitgangspunt: «het juiste watervoor het juiste gebruik»127. Dit betekent dat het doel bepaalt welk watergebruikt wordt. Drinkwater, met de hoogste kwaliteit, wordt dan gebruiktom te drinken. Een bedrijf koelen doe je met oppervlaktewater. Op ditmoment is de prijs van water zeer laag en in sommige gevallen zelfs nihil.Dat zorgt voor weinig bewustzijn hoe met water wordt omgegaan, en hetgeeft geen prikkel om verspilling van schaars water te voorkomen.Beprijzen kan dienen als instrument om waterbewustzijn te vergroten,waarmee indirect ook verspilling wordt tegengegaan. Om het juiste watervoor het juiste gebruik te stimuleren, is het wenselijk dat water met eenhogere kwaliteit ook een hogere prijs heeft. Voor drinkwater geldt dehoogste prijs. Grond- en oppervlaktewateronttrekkingen zijn nu zeergoedkoop of zelfs gratis.Het kabinet stelt primair vanwege de budgettaire effecten voor hetheffingsplafond af te schaffen. Door stapsgewijs het heffingsplafond aante scherpen door een verhoging in 2026 voorafgaand aan afschaffing in2027 stelt het kabinet grote waterverbruikers in staat om, waar mogelijk,tijdig te investeren in waterbesparende maatregelen en zo een lastenver-125Witteveen+Bos, Verkenning beprijzen waterverbruik, 2024. Dat de waterbesparing naarverwachting bescheiden is, komt door de lage prijselasticiteit van water. Dat wil zeggen datverbruikers over het algemeen beperkt reageren op prijsveranderingen van water.126Clustering kent momenteel twee varianten: 1) Het kan een voordeel zijn voor waterver-bruikers die geleverd krijgen op meerdere leverpunten op één WOZ-object. Hierdoor wordthet voor de toepassing van de belasting op leidingwater één aansluiting waarbij het totalewaterverbruik opgeteld moet worden. Hiermee wordt voorkomen dat per leveringspunt vanwater afzonderlijk belasting op leidingwater wordt geheven tot aan het geldende heffings-plafond. Clustering kan er zo toe leiden dat de waterverbruiker minder belasting aan zijnwaterleverancier hoeft te betalen. Een verzoek tot clustering kan worden gedaan bij hetleverende waterbedrijf en zal worden toegekend als de bijbehorende WOZ-objecten wordenbeoordeeld als bij elkaar horend. 2) Waterlevering aan particuliere installaties voor centralewatervoorziening. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij vakantieparken waarbij alle huisjesvan verschillende eigenaren zijn, maar het park wel één aansluiting heeft van waaruit dehuisjes van water worden voorzien. Hierbij moet het waterbedrijf, aan de hand van eenverklaring van de exploitant van de particuliere installatie voor centrale watervoorziening hetheffingsplafond toepassen per WOZ-object.127Kamerstukken II, 2023–2024, 27 625 nr. 671Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 380 hoging te beperken. Dit betekent: ophoging van het heffingsplafond tot50.000 kubieke meter per 2026 en afschaffing van het heffingsplafond per2027.Afschaffing 1.000 klantenregeling en grondslagversmalling tot water vandrinkwaterkwaliteitHet kabinet acht het noodzakelijk de afschaffing van het heffingsplafondgepaard te laten gaan met i) afschaffing van de zogenoemde 1.000klantenregeling en ii) versmalling van de belastinggrondslag van debelasting op leidingwater.Op dit moment betreft de belastinggrondslag van de belasting opleidingwater al het water dat via een leiding wordt geleverd. Het gaat danom water van drinkwaterkwaliteit, maar bijvoorbeeld ook om water vanmindere kwaliteit dat wel via leidingen wordt geleverd: zoals via eenleiding geleverd rivierwater, water dat al eens gebruikt is en gezuiverdrioolwater. In de praktijk wordt het meeste van dit water van minderekwaliteit dan drinkwater echter niet belast. Dat komt enerzijds door hetbestaande heffingsplafond, en anderzijds door artikel 14, tweede lid,Wbm. Dit artikellid zorgt er voor dat leveranciers die leveren aan minderdan 1.000 aansluitingen via een gesloten distributienet niet belasting-plichtig zijn voor de belasting op leidingwater (hierna: 1.000 klantenre-geling). De 1.000 klantenregeling beperkt het aantal belastingplichtigenvoor de belasting op leidingwater op dit moment tot de tien Nederlandsedrinkwaterbedrijven en dat vergemakkelijkt de uitvoerbaarheid.Met de in dit wetsvoorstel voorgestelde afschaffing van het heffings-plafond wordt de 1.000 klantenregeling onhoudbaar. Door afschaffing vanhet heffingsplafond kunnen grote fiscale verschillen ontstaan tussenpartijen die water geleverd krijgen van een «reguliere» leverancier vanwater (zijnde een leverancier met minstens 1.000 klanten), ten opzichtevan een leverancier met minder dan 1.000 klanten. De «reguliere»leveranciers gaan met afschaffing van het heffingsplafond over het gehelebelaste watergebruik belastinggrondslag belasting betalen, terwijlleveranciers met minder dan 1.000 klanten bij een gelijk watergebruik alsbij «reguliere» leveranciers, geen belasting betalen. Dit raakt aan hetfiscale gelijkheidsbeginsel waarbij gelijke gevallen gelijk behandeldmoeten worden, en leidt ook tot een staatssteunrisico. Het kabinet kiest erdaarom voor de 1.000 klantenregeling af te schaffen.Het afschaffen van de 1.000 klantenregeling gaat gepaard met een vijftalnadelen die een oplossing vereisen. Ten eerste leidt afschaffing tot eenforse stijging van het aantal belastingplichtigen: van 10 drinkwaterbe-drijven tot, volgens een voorzichtige eerste schatting, gevarieerde, lastigte identificeren groep van 250–300 belastingplichtigen. Dat leidt tot eenverminderde handhaafbaarheid van de belasting op leidingwater. Tentweede zet afschaffing van deze regeling een rem op hergebruik vanwater. Leveringen van door partij A reeds gebruikt water naar partij B diehet water nog eens nuttig kan gebruiken, zijn door de 1.000 klantenre-geling nu onbelast. Afschaffing van de regeling leidt ertoe dat dezewenselijke leveringen, die plaats vinden via kleine netwerken van minderdan 1.000 aansluitingen, wel zullen worden belast. Dit verkleint de prikkeltot het toepassen van dit soort hergebruik. Ten derde kan afschaffing vande 1.000 klantenregeling samen met afschaffing van het heffingsplafondproblematisch zijn voor de concurrentiepositie van een beperkte groepgrootverbruikers van met name water van lage kwaliteit. Dit waterverbruikis op dit moment onbelast door de 1.000 klantenregeling. Daarbij gaat hetvaak om grote hoeveelheden water, zoals de grootschalige inzet vankoelwater. Het gaat dan om grote hoeveelheden water die belast gaanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 381 worden, die daarna zonder reinigingsprocedé weer terug in de riviergeloosd mogen worden. Er is met de huidige regelgeving rondom de inzetvan koelwater geen fiscale prikkel nodig om dit waterverbruik te ontmoe-digen. Ten vierde leidt afschaffing van de 1.000 klantenregeling er in depraktijk toe dat hoog- en laagwaardig gezuiverd water gelijk wordt belast.Dit staat op gespannen voet met het kabinetsuitgangspunt «het juistewater voor het juiste verbruik». Zoals hiervoor uiteengezet leidt de 1.000klantenregeling er in de praktijk toe dat water van lagere kwaliteit nietbelast wordt. Afschaffing van de regeling zou ertoe leiden dat water datgeleverd wordt via leidingnetwerken met minder dan 1.000 klanten welbelast gaat worden, en op hetzelfde niveau als drinkwater. De wens is juistom via een prijsprikkel te bewerkstelligen dat, daar waar mogelijk, watervan lagere kwaliteit wordt gebruikt in plaats van drinkwater.Ten vijfde komen ongeveer 200 locaties die zelfstandig voorzien in hundrinkwatervoorziening onder de grondslag van de belasting op leiding-water te vallen.Het gaat hier veelal om kleine locaties, zoals bepaalde campings enbungalowparken. Dikwijls is er geen distributienet van een drinkwaterbe-drijf in hun buurt. Maatschappelijk gezien is het erg kostbaar hen aan tesluiten op een drinkwaternet en daarom is de keuze gemaakt een eigenwinning toe te laten passen. Deze noodgedwongen eigen winning is nu alprijzig ten opzichte van het afnemen van water van het distributienet. Ditvanwege de kosten die bij eigen winning gemaakt moeten worden voorde verplichte uitvoering van een periodiek meetprogramma naar dewaterkwaliteit en de eventueel benodigde behandeling van het water. Hetkabinet acht het onwenselijk de prijs voor watervoorziening voor dezegroep met de belasting op leidingwater verder te laten stijgen.Oplossing voor de eerste vier genoemde nadelen is het verkleinen van debelastinggrondslag tot water van drinkwaterkwaliteit. Alleen de tienNederlandse drinkwaterbedrijven leveren aan meer dan 1.000 klanten.Andere bedrijven die water van niet-drinkwaterkwaliteit leveren, leverenaltijd aan minder dan 1.000 klanten. Dit maakt de 1.000 klantenregelingnamelijk overbodig. Het risico op mogelijke verplaatsing van bedrijven,die tevens grootverbruiker zijn van water, naar het buitenland wordthiermee beperkt. Naar verwachting zal het afschaffen van de 1.000klantenregeling in combinatie met het versmallen van de belasting-grondslag geen budgettaire effecten hebben.Oplossing voor het vijfde nadeel is om (zeer) kleine collectieve watervoor-zieningen, zoals bungalowparken die vanwege hun locatie geen gebruikkunnen maken van het openbare leidingnet en een eigen bron hebben,niet in de belastinggrondslag te betrekken. Deze groep is goed af tebakenen, omdat deze reeds valt onder een monitoringsregeling uit deEU-Drinkwaterrichtlijn.Aanpassing van de grondslag en afschaffing van de 1.000 klantenregelingworden, met het oog op uitvoerbaarheid, doorgevoerd per 1 januari 2027.In 2026 blijft de grondslag ongewijzigd.Bij de raming voor het afschaffen van het heffingsplafond is rekeninggehouden met een zeer lage prijselasticiteit van – 0,15 op basis van hetrapport «Verkenning beprijzen watergebruik» van Witteveen en Bos128.Het verbruik van leidingwater door huishoudens valt momenteel alvolledig onder het heffingsplafond waardoor bij het verhogen van hetheffingsplafond alleen rekening wordt gehouden met de prijselasticiteitvoor bedrijven. Daarnaast is uitgegaan van een kostprijs van water zonder128Kamerstukken II, 2024/2025, 27 625 nr. 691, bijlage: Witteveen en Bos, «Verkenning beprijzenwatergebruik».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 382 de belasting op leidingwater van € 1,56 op basis van voornoemdrapport129. Hierdoor zal de prijs van water dat na de verhoging van hetheffingsplafond ook wordt belast stijgen met 27%. Dit resulteert in eenafname in de grondslag van 4% op basis van de prijselasticiteit.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe voorgestelde maatregel heeft primair een budgettair doel. Deverwachting is dat de maatregel de beoogde opbrengst zal behalenwaarmee de maatregel doeltreffend is. Het onderzoek van Witteveen enBos130 concludeert dat het afschaffen van het heffingsplafond voor demeeste bedrijven een beperkte impact heeft. Hierdoor is de negatieveimpact van de voorgestelde maatregel op bedrijven beperkt waardoor diteen doelmatige maatregel is om de beoogde budgettaire opbrengst tebehalen. De impact voor een kleine groep grootverbruikers wordtdaarnaast verkleind door het versmallen van de heffingsgrondslag.Daarnaast geeft het stapsgewijs afschaffen van het heffingsplafondbedrijven de tijd om te investeren in waterbesparende maatregelen,zonder grote lastenstijgingen op korte termijn. Dit verkleind de negatieveimpact van de voorgestelde maatregel op bedrijven waarmee hetbijdraagt aan de doelmatigheid van de maatregel. Tot slot leidt demaatregel tot een vereenvoudiging van de belasting op leidingwater. Datvergroot de doelmatigheid van de uitvoering. De prikkel om water tebesparen die uitgaat van de maatregel is beperkt. In 2031 wordt debelasting op leidingwater geëvalueerd. Hierin zal ook de doelmatigheid endoeltreffendheid van het afschaffen van het heffingsplafond, het wijzigenvan de heffingsgrondslag en het afschaffen van de 1.000 klantenregelingworden geëvalueerd.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneOphoging van het heffingsplafond is uitvoerbaar per 1 januari 2026.Verkleining van de heffingsgrondslag en afschaffing van de 1.000klantenregeling zijn uitvoerbaar per 1 januari 2027. De afschaffing van hetheffingsplafond in combinatie met een versmalling van de belasting-grondslag leidt tot een vereenvoudiging van de belasting op leidingwater:een vlakke heffing met één tarief.5.19 Hervormingen afvalstoffenbelasting In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken om per 2028 een circulairepolymerenheffing in te voeren. Onderzoeksbureau Trinomics heeft inopdracht van het kabinet de beleidseffecten hiervan nader in kaartgebracht.131 Vanwege de verwachte weglekeffecten is gebleken dat debudgettaire doelstelling niet kan worden gerealiseerd en er een beperkteimpuls aan de circulaire economie wordt gegeven. Het kabinet heeftbesloten om een polymerenheffing niet in te voeren. Hiermee komt hetkabinet tegemoet aan de zorgen uit de sector over de gevolgen van eenpolymerenheffing op de concurrentiepositie van de Nederlandse industrieen het polymeerverwerkende midden- en kleinbedrijf.Het niet invoeren van een polymerenheffing leidt tot een budgettairederving van € 567 miljoen. vanaf 2028 (prijspeil 2025). Het kabinet steltdaarom de volgende alternatieve maatregelen voor binnen de CO2-heffing129Kamerstukken II, 2024/2025, 27 625 nr. 691, bijlage: Witteveen en Bos, «Verkenning beprijzenwatergebruik».130Kamerstukken II, 2024/2025, 27 625 nr. 691, bijlage: Witteveen en Bos, «Verkenning beprijzenwatergebruik».131Kamerstukken II 2024–25, 32 140 nr. AF.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 383 industrie en de afvalstoffenbelasting om deze resulterende derving tedekken:A)Hervormingen binnen de afvalstoffenbelasting. Hierbij wordt devrijstelling voor zuiveringsslib afgeschaft (per 2027) en een apart tariefvoor storten-met-ontheffing geïntroduceerd (per 2029). De hervormin-gen staan als eerste beschreven bij het onderdeel «hervormingenafvalstoffenbelasting»;B)Inzetten budgettaire terugsluis opbrengst CO2-heffing voor afvalver-brandingsinstallaties (AVI);C)Een technische invulling bestaande uit een generieke verhoging van deafvalstoffenbelasting (de toelichting staat beschreven bij onderdeel«generieke tariefsverhoging afvalstoffenbelasting»); en de aanscher-ping van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties (tarief naar295 euro/ton CO2 in 2030, afbouw van de AVI-correctiefactor vanaf2030 naar 0 in 2033, handel in dispensatierechten wordt beperkt totafvalverbrandingsinstallaties onderling). Dit staat beschreven bij hetonderdeel «CO2-heffing industrie» (paragraaf 5.20).Het kabinet heeft aangegeven nadrukkelijk open te staan voor alternatievedekking binnen het circulaire domein. In de beschrijving van de maatre-gelen in het algemeen deel van de toelichting van de CO2-heffingindustrie en afvalstoffenbelasting is gemarkeerd welke maatregelen een«technische invulling» betreffen. Vanuit de afvalsector zijn zorgen geuitover de gevolgen van de in dit voorstel opgenomen maatregelen. Naaraanleiding hiervan is een Werkgroep afvalsector ingericht, die onder meerde opdracht krijgt om te komen tot een lijst van opties voor uitwerkingvan (alternatieven voor) de lastenverzwarende maatregelen binnen hetdomein van afvalverwerking. Deze alternatieve voorstellen zullen door hetkabinet in het voorjaar 2026 worden gewogen en het kabinet zal bezien ofhet in dit wetsvoorstel opgenomen pakket aan maatregelen voor deafvalsector moet worden aangepast.Hervormingen afvalstoffenbelastingDe afvalstoffenbelasting zal hervormd worden door middel van hetafschaffen van de vrijstelling voor zuiveringsslib en de introductie van eenapart tarief voor storten-met-ontheffing. Voor de hervorming van deafvalstoffenbelasting zijn diverse andere maatregelen bekeken. Zo isbinnen de afvalstoffenbelasting gekeken naar de mogelijkheid om ruwebodemas, in combinatie met een vrijstelling voor reinigingsresidu, op tenemen in de heffingsgrondslag. Het kabinet is tot de conclusie gekomendat deze maatregel ondoeltreffend en ondoelmatig is en heeft dezederhalve niet doorgevoerd. Ook is gekeken om een vrijstelling voorrecyclingresidu te introduceren, maar bleek dit, onder meer omdatrecyclingresidu niet als een afzonderlijke afvalstroom wordt geregistreerd,nu niet uitvoeringstechnisch haalbaar. Daarnaast is gekeken naar demogelijkheid of in een AVI afgevangen CO2 onderdeel gemaakt kanworden van de heffingsgrondslag. Hoewel het mogelijk is en zou leidentot een hogere effectiviteit op de doelstelling van de afvalstoffenbelastingom verbranding te ontmoedigen, heeft het kabinet besloten dezemaatregel niet door te voeren met het oog op de voor de klimaatdoelenbenodigde investeringen in CO2-afvanginstallaties. Daarnaast heeft hetkabinet naar alternatieven buiten de afvalstoffenbelasting gezocht. Naastde eerdergenoemde polymerenheffing heeft het kabinet door Ecorys132onderzoek laten doen naar een plasticbelasting op productniveau.Vanwege door de Belastingdienst geuite zorgen over de handhaaf-baarheid en daarmee uitvoerbaarheid van een dergelijke belasting, heefthet kabinet besloten deze op dit moment niet in te voeren.132Kamerstukken II 2024–25, 32 140 nr. AF.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 384 Additioneel tarief voor storten-met-ontheffingIn de afvalstoffenbelasting wordt een apart tarief geïntroduceerd voor hetstorten van afval met ontheffing. Dit moet oneigenlijk gebruik vanstorten-met-ontheffing tegengaan en daarmee een milieueffect sorteren.Momenteel bestaat binnen de afvalstoffenbelasting één tarief voor hetstorten van afval, gelijk aan het tarief voor verbranden van afval. In ditwetsvoorstel wordt voorgesteld om vanaf 2029 een verhoogd tarief toe tepassen voor storten-met-ontheffing. In Nederland geldt een stortverbodvoor een groot aantal afvalstoffen. Dit is vastgelegd in de Wet milieu-beheer en het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, waarinexpliciet is opgenomen voor welke afvalstoffen dit verbod geldt. Opverzoek van degene die een stortplaats exploiteert, kunnen gedeputeerdestaten ontheffing van het stortverbod verlenen als er geen andereverwerkingsmogelijkheden zijn. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij eengebrek aan verbrandingscapaciteit bij AVI’s. Dit leidde in 2022 tot323 kiloton met ontheffing gestort afval, ten opzichte van ongeveer1.400 kiloton gestort afval waarvoor geen ontheffing nodig is. Een doorgedeputeerde staten afgegeven ontheffing moet een opschortendevoorwaarde bevatten. Deze opschortende voorwaarde maakt deontheffing ongeldig als er alsnog capaciteit beschikbaar is bij één ofmeerdere installaties die dit afval anders kunnen verwerken dan storten.Er is landelijk gezien voldoende verbrandingscapaciteit om al hetbrandbare afval dat in Nederland ontstaat te verwerken bij een Neder-landse AVI. In de Beleidsvisie afvalverbranding in 2030 en richting 2050 isaangetoond dat deze overcapaciteit structureel is. Met inachtneming vanimport en export van in een AVI te verbranden gemengd stedelijk afval,zonder rekening te houden met een buffer voor het opvangen vancalamiteiten, komt de overcapaciteit uit op ongeveer 800 kiloton. Dit isruim voldoende om stort van brandbare afvalstoffen te voorkomen.In een recente evaluatie van de afvalstoffenbelasting133 is gesuggereerddat partijen in de afvalketen oneigenlijk gebruik zouden kunnen makenvan de regels om afval waarvoor een stortverbod geldt, via een ontheffingtoch te laten storten. Dit kan zich voordoen wanneer storten goedkoper isdan verbranden. Dat zal richting 2030 met grote waarschijnlijkheid hetgeval zijn: de CO2-heffing industrie, die van toepassing is op hetverbranden van fossiel afval zal dan, uitgaande van lopend- en voorge-nomen beleid, gestegen zijn tot € 295 per ton.Een extra prijsprikkel voor de ontdoener van afvalstoffen kan ervoorzorgen dat deze de zoektocht naar beschikbare verbrandingscapaciteitintensiveert en het onnodig storten van brandbaar afval wordtvoorkomen. In voorkomende gevallen is op dit moment storten metontheffing goedkoper dan alternatieve, minder milieubelastende,afvalverwerking. Dit vindt het kabinet onwenselijk.Het kabinet stelt daarom voor een apart belastingtarief voor storten-met-ontheffing te introduceren, dat € 10 per 1.000 kilogram hoger ligt dan heteffectieve tarief voor verbranden. Dit moet oneigenlijk gebruik vanstorten-met-ontheffing tegengaan en daarmee een milieueffect sorteren.Ook levert het een budgettaire opbrengst op.Voor deze maatregel geldt dat die niet behoort tot de technische invulling.Het kabinet is dus niet voornemens deze maatregel bij Voorjaarbesluit-vorming 2026 te wijzigen.133Kamerstukken II, 2024–25, 32 813 nr. 1414.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 385 Afschaffing vrijstelling zuiveringsslibIn het wetsvoorstel wordt voorgesteld om de vrijstelling voor zuive-ringsslib in de afvalstoffenbelasting per 2027 te laten vervallen. Dezevrijstelling heeft een negatief oordeel gekregen in de recente evaluatievan de afvalstoffenbelasting uit 2024, omdat het niet bijdraagt aan degestelde milieudoelstelling en de vrijstelling geen helder doel kent.Zuiveringsslib is een bijproduct van waterzuiveringsprocessen. Zuive-ringsslib wordt in de meeste gevallen thermisch of biologisch gedroogden vervolgens in speciale slibverbrandingsinstallaties verbrand. Overzuiveringsslib dat wordt aangeboden bij speciale slibverbrandingsinstal-laties is geen afvalstoffenbelasting verschuldigd. Bij deze specialeslibverbrandingsinstallaties worden technieken toegepast om grond-stoffen, zoals fosfaat en stikstof, terug te winnen. Door de Unie vanWaterschappen is erop gewezen dat deze technieken nog niet voldoendezijn ontwikkeld om op grote schaal toe te passen. Er is op korte termijndan ook weinig milieuwinst te verwachten van de maatregel. Mogelijkkunnen de technieken om grondstoffen uit slib terug te winnen in detoekomst verder worden ontwikkeld. Door het laten vervallen van devrijstelling wordt de ontwikkeling van nieuwe technologieën nietbelemmerd vanuit fiscale wetgeving.Een kleine fractie van het zuiveringsslib wordt aangeboden bij AVI’s omdaar te worden verbrand. Door het vervallen van de vrijstelling voorzuiveringsslib, zullen AVI’s over het verwerken van dit slib afvalstoffenbe-lasting moeten afgedragen. Bij AVI’s worden geen grondstoffen, zoalsfosfaat en stikstof, gewonnen uit zuiveringsslib.Daarnaast wordt vanuit Nederland zuiveringsslib overgebracht om buitenNederland te worden verbrand. Voor zover het zuiveringsslib wordtverwerkt in een buitenlandse inrichting, waarin ook huishoudelijk afval,gemengd bedrijfsafval en gemengd sorteerresidu mag worden verbrand,zal afvalstoffenbelasting verschuldigd zijn als gevolg van dit voorstel.Echter, ook in het buitenland wordt het grootste gedeelte zuiveringsslibverwerkt in speciale slibverbrandingsinstallaties of in industriële ovens enhierover blijft geen afvalstoffenbelasting verschuldigd.De verwachting is dan ook dat slechts een klein gedeelte van hetzuiveringsslib onder de heffing komt te vallen als gevolg van de voorge-stelde maatregel. Dit komt doordat het nu al de voorkeur geniet omzuiveringsslib bij een speciale slibverbrandingsinstallatie aan te bieden, inplaats van een AVI. Ook bij overbrenging van zuiveringsslib naar hetbuitenland is de verwachting dat dit slib grotendeels verbrand zal wordenbij buitenlandse speciale slibverbrandingsinstallaties of andere inrich-tingen waarbij geen afvalstoffenbelasting verschuldigd is.Ook voor deze maatregel geldt dat die niet behoort tot de technischeinvulling. Het kabinet is dus niet voornemens deze maatregel bij Voorjaar-besluitvorming 2026 te wijzigen.Generieke tariefverhogingMet dit wetsvoorstel wordt het tarief van de afvalstoffenbelastingverhoogd van € 39,70 per ton afval naar € 90,21 per ton afval in 2028 totstructureel € 113,81 per ton afval vanaf 2035 (prijspeil 2025) In deVoorjaarsbesluitvorming 2025 is door het kabinet afgesproken dat debeoogde opbrengsten voor de introductie van een polymerenheffing opandere wijze wordt ingevuld. Deze maatregelen bestaan deels uit dehierboven beschreven maatregelen in de afvalstoffenbelasting alsmedede maatregel om de terugsluis naar het Klimaatfonds van de opbrengstenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 386 van de CO2-heffing industrie af te schaffen voorzover deze van AVI’safkomstig zijn. De terugsluis naar het Klimaatfonds van de opbrengstenvan de CO2-heffing industrie geldt eveneens niet als technische dekking.Ter dekking van het restant van de begrote opbrengsten van € 567miljoen stelt het kabinet voor om het tarief van de afvalstoffenbelasting teverhogen en het tarief van de CO2-heffing industrie voor AVI’s op tehogen. Dit betreft vooralsnog een technische dekking. In paragraaf 5.20wordt de verhoging van het tarief van de CO2-industrie voor AVI’sbeschreven.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet doel van de voorgestelde aanpassingen in de afvalstoffenbelasting istweeledig: 1) het genereren van een budgettaire opbrengst; en 2) hetbeperken van milieuvervuiling.In algemene zin is in de evaluatie van de afvalstoffenbelasting134geconcludeerd dat de afvalstoffenbelasting zelf zeer doeltreffend is in hetgenereren van inkomsten voor het Rijk, en een financieel doelmatiginstrument is. Bij de raming is rekening gehouden met de gedragseffectendie door deze maatregel worden veroorzaakt. De verwachting is dat doorde maatregelen minder afval in Nederland wordt verbrand en gestort,waardoor de grondslag voor de afvalstoffenbelasting daalt. Tegelijkertijdstijgt het tarief, dat deze gedragsverandering veroorzaakt, waardoor deopbrengsten stijgen. Het effect op de opbrengst van deze tariefstijging isnaar onze inschatting groter dan de daling van de grondslag. De beoogdeopbrengsten worden gerealiseerd met slechts een beperkte aanpassingvan wet- en regelgeving en een beperkte impact op de uitvoering.Daarmee is deze maatregel vanuit budgettair perspectief doeltreffend endoelmatig.Met het laten vervallen van de vrijstelling voor zuiveringsslib wordtopvolging gegeven aan de aanbeveling uit de evaluatie van de afvalstof-fenbelasting, waarin deze regeling als ondoelmatig en ondoeltreffend isbeoordeeld.Door het introduceren van een verhoogd tarief voor storten-met-ontheffing, beoogt het kabinet om een positieve prijsprikkel te geven ombrandbare afvalstoffen zoveel mogelijk te verbranden in plaats van testorten. De maatregel is daarvoor doeltreffend. Daarnaast geldt datstortplaatsen al een verplichting hebben om de afvalstoffen, die metontheffing worden gestort, te registreren. Voor het vaststellen van deheffingsgrondslag voor het verhoogde tarief voor storten-met-ontheffingkan hierop worden aangesloten. De introductie van een verhoogd tariefvoor storten-met-ontheffing is hiermee zowel op haar budgettaire als ophaar milieudoelstelling doeltreffend en doelmatig.De maatregelen, die zien op tariefsverhoging van de afvalstoffenbelasting,leiden tot hogere kosten voor afvalverwerking en zullen op termijnhoogstwaarschijnlijk resulteren in hogere poorttarieven. Dit geeftafvalontdoeners een prikkel het aanbod van te verbranden of te stortenafval te verminderen. Dit is een wenselijk effect dat bijdraagt aan eencirculaire economie. Daarnaast is de kans aannemelijk dat de verhoogdepoorttarieven ervoor zorgen dat de import van afval naar Nederlandaanzienlijk zal verminderen. Dit beschouwt het kabinet als een wenselijkeontwikkeling, in lijn met de Beleidsvisie Afvalverbranding in 2030 enrichting 2050. Het maatregelenpakket zorgt naar verwachting voor eenafvalreductie van 1,2 Mton verbrand afval, 0,2 Mton gestort afval en een134Kamerstukken I 2024/25, 36 418, AV, blq-11779977.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 387 emissiereductie van 1,2 Mton CO2-uitstoot waarvan 0,4 Mton fossiel.Daarnaast zorgt dit maatregelenpakket voor een afname in de grondslagvoor storten-met-ontheffing van 0,08 Mton (24%) door zowel een afnamevan het aanbod als een verschuiving van de grondslag naar verbranden.De afvalreductie is gebaseerd op de prijselasticiteiten uit de evaluatieafvalstoffenbelasting en het onderzoek van Trinomics naar de impact vandit maatregelenpakket. De maatschappelijke milieuschade van lokaleuitstoot van alle Nederlandse AVI’s is in de Beleidsvisie afvalverbrandingin 2030 en richting 2050 becijferd op € 24 tot € 62 miljoen per jaar,exclusief het effect van kooldioxide, stikstof en PFAS. De stoffen met demeeste lokale milieuschade zijn fijnstof, methaan, zwaveloxiden en kwik-en loodverbindingen. Veel schadelijke uitstoot wordt reeds beperkt metrookgasreiniging en waterzuivering, en AVI’s voldoen over het algemeenaan hun milieuvergunning. Desalniettemin zal een volumeafname demilieuschade beperken.Vanuit de afvalsector zijn zorgen geuit over lastenverzwaringen en hetrisico op export hierdoor, dit staat verder beschreven onder het kopje«Grenseffecten» (paragraaf 7). Vanuit de recyclingsector zijn zorgen geuitdat de maatregelen zullen leiden tot een kostprijsverhoging van hunactiviteiten. Residu dat ontstaat in het recyclingproces wordt uiteindelijkook ter verwijdering aangeboden aan een AVI en hiervoor wordenrecyclebedrijven geconfronteerd met de verhoogde poorttarieven.Tegelijkertijd ontstaat een hogere betaalbereidheid voor recycling alsverbranden van afval relatief duurder wordt. Het daadwerkelijke gebruikvan recycling in Nederland is hierdoor echter niet gegarandeerd omdat dekeuze voor recycling ook van andere factoren afhangt, met name debeschikbaarheid van technologie en de vraag naar de gerecycleerdematerialen. De verwachting uit de impactanalyse van Trinomics is datdeze hogere betaalbereidheid niet opweegt tegen de kostprijsverhogingen de verminderde import van recyclebaar materiaal bij de business casevoor recycling in Nederland. Daarmee verwacht het kabinet dat dezemaatregel een negatief effect heeft op de recyclingindustrie en daarmeede doelmatigheid en doeltreffendheid van deze maatregel in het stimu-leren van de circulaire economie beperkt.Het kabinet beoordeelt de tariefverhoging in de afvalstoffenbelasting alsdoeltreffend en doelmatig in haar budgettaire doelstelling en als beperktdoeltreffend en beperkt doelmatig in haar bijdrage aan de circulaireeconomie.Door het kabinet is onderzoek laten doen naar alternatieven om debeoogde opbrengsten binnen het circulaire domein op te halen, zoals eenpolymerenheffing en een plasticbelasting op producten. Uit dezeonderzoeken zijn geen geschikte alternatieven naar voren gekomen diezowel uitvoerbaar zijn als de budgettaire en milieudoelstelling behalen.Het kabinet staat open voor alternatieven voor de technische dekking enheeft hiervoor onder meer de Werkgroep afvalsector ingericht.De afvalstoffenbelasting is recent geëvalueerd. Conform het reguliereevaluatieritme van fiscale instrumenten wordt de afvalstoffenbelastingperiodiek geëvalueerd.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe verhoging van de tarieven in de afvalstoffenbelasting is voor deBelastingdienst een parameterwijziging. De introductie van een aparttarief voor storten-met-ontheffing vergt aanpassing van het aangiftebiljet.Deze aanpassing kan voor de invoeringsdatum van 2029 wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 388 gerealiseerd. Het vervallen van de vrijstelling voor het verbranden vanzuiveringsslib leidt tot een beperkte complexiteitsreductie.5.20 Aanpassingen CO2-heffing industrie De verduurzaming van de industrie kent op korte termijn grote uitda-gingen. In 2050 moet de hele Nederlandse economie klimaatneutraal zijn.Dit vergt omvangrijke investeringen in verduurzaming. Veel bedrijvenhebben hier plannen voor ontwikkeld, en voeren die deels al uit. Tochblijven cruciale grote projecten achter.135 Sinds de aanscherping van deemissiereductieopgave in 2023 blijkt de industrie tegen praktischebelemmeringen aan te lopen. Door netcongestie kan bij nieuweaanvragen de doorlooptijd van elektrificatieprojecten bijvoorbeeldoplopen tot begin jaren ’30. Ook stikstofproblematiek werkt somsbelemmerend voor vergunningverlening. Voor CCS-projecten is deoplevering van het opslagproject Aramis bepalend. Het kabinet consta-teert dat de randvoorwaarden voor verduurzaming op dit moment nietaltijd op orde zijn. Daardoor kunnen veel bedrijven niet tijdig verduur-zamen, terwijl zij wel de CO2-heffing moeten betalen. Het niet volledigbeschikbaar zijn van de benodigde infrastructuur, onzekerheid rondomvergunningen en trage vergunningsprocessen, en hoge energieprijzenstaan grote investeringsbeslissingen in de weg. Hier komt bovenop dathet speelveld wordt beïnvloed doordat veel van deze bedrijven in eensterk internationaal georiënteerde markt opereren.Het kabinet erkent de moeilijke positie voor ETS1- en lachgasinstallatiesen de internationale markt waar deze bedrijven zich in begeven. In ditvoorstel wordt het tarief van de CO2-heffing voor ETS1- en lachgasinstal-laties daarom verlaagd naar € 78,67 per ton CO2. Daarnaast wordt dehoeveelheid vrijgestelde rechten verruimd, door de reductiefactor in 2026te verhogen en na 2026 constant te houden. Deze aanpassingen geldenalleen voor de ETS1- en lachgasinstallaties. Voor afvalverbrandingsinstal-laties wordt de CO2-heffing als onderdeel van een breder pakket maatre-gelen aangescherpt, om extra CO2 te reduceren en de budgettaire dervingvan het niet invoeren van een circulaire plastic heffing te dekken. Dezeaanscherping moet worden gezien als een technische invulling van dedekking.Deze maatregelen worden in het vervolg van de memorie nader toege-licht. Er wordt gestart met een korte beschrijving van de huidige instru-mentenmix en de huidige vormgeving van de CO2-heffing. Daarna wordttoegelicht welke aanpassingen aan de CO2-heffing worden voorgesteldten aanzien van ETS1- en lachgasinstallaties. Tot slot wordt deaanscherping van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallatiestoegelicht.Huidige instrumentenmixNederland heeft als doel om in 2030 de broeikasgasemissies met 55% tereduceren ten opzichte van 1990. Dit vergt van alle sectoren een groteinspanning. Ook van de Nederlandse industrie wordt een extra inspanninggevraagd. Het Europese emissiehandelssysteem (ETS1) alleen borgt nietvoldoende emissiereductie om het sectordoel van de Nederlandseindustrie in 2030 te halen. Het Nederlandse klimaatbeleid bestaat voor deindustrie op dit moment daarom uit een combinatie van wortel en stok. Inhet Klimaatakkoord is in 2019 afgesproken een CO2-heffing industrie teintroduceren. Industriële bedrijven betalen alleen deze heffing, als ze niet135Kamerstukken 29 826, nr. 214 en bijlage «Inventarisatie CO2-reductieplannen en knelpuntendaarvoor bij de Nederlandse industrie»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 389 tijdig hun broeikasgasemissies reduceren. De CO2-heffing industrie maakthet duurder om CO2 uit te stoten, waardoor kosten hoog op kunnen lopenvoor bedrijven die niet tijdig verduurzamen. De opbrengsten van deCO2-heffing industrie worden ingezet om de verduurzaming van deindustrie te bevorderen via subsidies. Op deze manier betalen debedrijven die niet verduurzamen mee aan de verduurzamingsopgave vande industrie als geheel. Tegenover de CO2-heffing industrie staat dat er inNederland – vergeleken met andere landen – bovengemiddeld veelsubsidies beschikbaar zijn voor industriële bedrijven om te helpen bij hetverduurzamen.Vormgeving bestaande CO2-heffing industrieDe CO2-heffing industrie geldt voor ETS1-broeikasgasinstallaties,lachgasinstallaties en afvalverbrandingsinstallaties. De afbakening van deCO2-heffing industrie komt echter niet geheel overeen met de afbakeningvan de klimaatsector industrie. Ten eerste vallen sommige emissies nietonder de CO2-heffing, maar wel onder de klimaatsector industrie. Behalvede lachgasinstallaties en afvalverbrandingsinstallaties valt de overigenon-ETS industrie namelijk niet onder de CO2-heffing. Het gaat hierhoofdzakelijk om de groep bedrijven die vanaf 2027 onder het tweedeemissiehandelssysteem (ETS2) komt te vallen. Daarnaast vallen emissiesgerelateerd aan elektriciteitsopwekking bij ETS bedrijven niet onder deCO2-heffing. Het gaat hier bijvoorbeeld om warmtekrachtkoppelingcen-trales. Ten tweede vallen sommige emissies wel onder de CO2-heffing,maar juist niet onder de klimaatsector industrie. Het grootste deel betreftemissies die zijn gerelateerd aan het gebruik van restgassen uit deindustrie in de elektriciteitssector (o.a. restgassen van Tata Steel die in eenelektriciteitscentrale van Vattenfall worden ingezet).De CO2-heffing industrie is vormgegeven als een CO2-minimumprijs, watbetekent dat de nationale heffing het verschil is tussen de ETS-prijs en hetheffingstarief. Er hoeft alleen heffing te worden betaald, als de ETS-prijslager ligt dan het heffingstarief. Deze vormgeving heeft als voordeel datduidelijkheid wordt gegeven over het CO2-prijspad, waar dit binnen hetETS onzeker is. Dit geldt alleen voor de broeikasgasinstallaties die onderhet ETS vallen. Lachgasinstallaties en afvalverbrandingsinstallatiesbetalen daarom het volledige heffingstarief. De impact van de CO2-heffingindustrie op de concurrentiepositie van de industrie is afhankelijk van deontwikkeling van de EU ETS-prijs.De CO2-heffing moet worden betaald over de emissies die boven hetafgesproken restemissiedoel liggen. Voor 2030 geldt een heffingsdoelbinnen de CO2-heffing industrie van 28,7 Mton136, waarvan 0,6 Mton voorafvalverbrandingsinstallaties. Het afgesproken restemissiedoel voor deindustrie als geheel bedraagt 29,1 Mton in 2030, wat niet helemaalovereenkomt met het heffingsdoel van de CO2-heffing. Dit komt ten eerstedoordat de afbakening in welke emissies onder de CO2-heffing versus deklimaatsector industrie vallen, op een aantal punten verschillen (ziehierboven). Ten tweede komt dit doordat in aanvulling op de reductiedoel-stelling van de CO2-heffing industrie, een aanvullende reductie voormaatwerkafspraken is vastgelegd. Deze aanvullende reductie is meegeteldin het restemissiedoel van de industrie, maar niet in het heffingsdoel vande CO2-heffing.136Het heffingsdoel is 29,7 Mton, exclusief de aanscherping die in het Belastingplan 2025 isopgenomen voor afvalverbrandingsinstallaties (1 Mton minder DPR).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 390 Het heffingsdoel van de CO2-heffing wordt middels dispensatierechtenvertaald naar een hoeveelheid vrijgestelde emissies op installatieniveau.De jaarlijkse hoeveelheid dispensatierechten wordt per installatieverschillend berekend137:Als de nationale reductiefactor 1 is, dan hoeft een installatie in Nederlandalleen CO2-heffing te betalen als de installatie minder efficiënt produceertdan de ETS benchmark. Op basis van de huidige ETS benchmarksbedraagt de nationale reductiefactor 0,667 in 2030. Dat betekent datbedrijven in 2030 ~33% efficiënter moeten produceren dan de ETSbenchmark.Voor lachgasinstallaties bestaat geen ETS benchmark. De hoeveelheiddispensatierechten wordt daardoor bepaald door het activiteitsniveau inton CO2 eerst te vermenigvuldigen met een procesemissiefactor (conformde systematiek voor toewijzing bij procesemissies onder het EU ETS), endaarna met de nationale reductiefactor (die voor alle installaties onder deCO2-heffing hetzelfde is).Ten opzichte van de berekening voor lachgasinstallaties, geldt voorafvalverbrandingsinstallaties ook een specifieke AVI-correctiefactor (zieook het Belastingplan 2025). Hiermee geldt voor afvalverbrandingsinstal-laties een ander afbouwpad van de vrijgestelde uitstoot, dan voor deandere belastingplichtigen onder de CO2-heffing industrie.De nationale reductiefactor wordt herijkt op het moment dat er nieuweEuropese benchmarks bekend zijn. Op deze manier blijft de nationaleCO2-heffing op hetzelfde heffingsdoel sturen. Bij het herijken van denationale reductiefactor wordt rekening gehouden met veranderendeproductievolumes in de industrie. Krimp in de industrie zou betekenen datde CO2-efficiëntie van de overige industriële installaties minder hoeft toete nemen om heffingsdoel in 2030 te realiseren. Een deel van debenodigde reductie om het heffingsdoel te halen, wordt dan namelijk algerealiseerd via krimp. De nationale reductiefactor hoeft in dat geval137Dit volgt de toewijzingsregels van EU ETS, waarbij emissies worden onderverdeeld overzogenaamde subinstallaties per benchmark, zodat per subinstallatie de toewijzing vandispensatierechten wordt bepaald.Hoeveelheid dispensatierechten ETS1-installatie:Hoeveelheid dispensatierechten lachgasinstallatie:Hoeveel dispensatierechten afvalverbrandingsinstallatie:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 391 minder snel omlaag. Voor groei van de industrie geldt hetzelfde, maar danandersom.Bedrijven die verregaand verduurzamen krijgen meer dispensatierechtendan dat ze nodig hebben. Dit overschot aan dispensatierechten kunnenbedrijven gebruiken om betaalde heffing in het verleden terug tevorderen. Op deze manier wordt binnen de vormgeving van deCO2-heffing rekening gehouden met de investeringscyclus van bedrijven.Aanpassing tarief en nationale reductiefactor voor ETS1-installaties enlachgasinstallatiesHet kabinet erkent de moeilijke positie voor ETS1- en lachgasinstallatiesen de internationale markt waar deze bedrijven zich in begeven. Voor dezeinstallaties wordt het tarief van de CO2-heffing daarom per 1 januari 2026verlaagd naar € 78,67 per ton CO2. De hoeveelheid dispensatierechtenwordt daarnaast in 2026 verruimd naar 1,023 en na 2026 constantgehouden, in plaats van verder afgebouwd. Een nationale reductiefactorvan net boven de 1 betekent dat de bedrijven die op of net slechter dan deETS benchmark presteren voor hun gehele uitstoot dispensatierechtenontvangen. In onderstaande figuur wordt de verandering in het aantaldispensatierechten geïllustreerd voor alle installaties onder de heffing. Hetaantal dispensatierechten voor afvalverbrandingsinstallaties neemt na2026 af, vandaar het totaal aantal dispensatierechten iets daalt tussen2026 – 2030. Voor ETS1- en lachgasinstallaties blijft het aantal dispensatie-rechten na 2026 nagenoeg constant (uitgaande van vrijwel gelijk blijvendeproductievolumes).Met deze aanpassingen aan de CO2-heffing industrie wordt maximaleverlichting geboden aan de industrie, voor wat binnen de grenzen van hetHerstel- en Veerkrachtplan (HVP) mogelijk is. Nederland heeft in het HVPtwee mijlpalen opgenomen betreffende de CO2-heffing. Hierin isvastgelegd dat Nederland een CO2-heffing introduceert en dat hetminimum tarief in 2026 € 82,80 per ton CO2 zal bedragen. Een afwijkingvan dit tarief tot maximaal 5% is toegestaan, waardoor het tarief minimaal€ 78,67 moet zijn. Daarnaast is vastgelegd dat de nationale reductiefactorzo moet worden aangepast, dat het aantal dispensatierechten in 20262,4 Mton lager ligt dan dat het met de oorspronkelijke reductiefactor(opgenomen in het pakket Belastingplan 2020, in het Belastingplan 2023herijkt op basis van aanpassing ETS benchmarks) zou zijn geweest. Hetterugdraaien van mijlpalen is gedurende de looptijd van het HVP niettoegestaan.Hoewel de CO2-heffing niet wordt afgeschaft, leiden de aanpassingen ernaar verwachting toe dat de financiële impact van de heffing vanaf 2026zeer gering is. In 2026 ligt het heffingstarief naar verwachting hoger dande ETS-prijs en zullen niet alle bedrijven de CO2-heffing volledig kunnenvermijden. Er wordt daarom verwacht dat bedrijven in 2026 voorongeveer 13 mln. aan CO2-heffing zullen betalen, zie onderstaandetabel138. Doordat de vrijgestelde uitstoot na 2026 echter constant blijft enin de Klimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor deLeefomgeving wordt verwacht dat bedrijven wel verder verduurzamen,ontstaat vanaf 2027/2028 een overschot aan dispensatierechten. Ditoverschot kunnen bedrijven verrekenen met de betaalde heffing in 2025en 2026 via de carry-back. Dit is in onderstaande tabel weergegeven met138De geraamde ontvangsten zijn op basis van de laatste informatie van PBL en de NEa herijkten wijken daardoor licht af van wat in de begroting van KGG wordt gerapporteerd. Bij deeerstvolgende bijstelling van de begroting van KGG zal de verantwoording van deontvangsten op de KGG-begroting worden gecorrigeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 392 een min in de jaren vanaf 2028. Hierdoor is de verwachting dat opmacroniveau de industrie (ETS1- en lachgasinstallaties) geen netto-kostenervaart van de CO2-heffing in de periode tot 2030. In hoeverre een bedrijfook in de praktijk de mogelijkheid heeft om betaalde CO2-heffing in laterejaren te verrekenen, hangt af van de specifieke omstandigheden. Zoals despecifieke mogelijkheden voor het bedrijf om richting 2030 te verduur-zamen of om dispensatierechten van andere bedrijven te kopen. Voor2027 en verder worden de inkomsten van de CO2-heffing sowiesogeraamd op nul miljoen euro, omdat dan de ETS-prijs naar verwachtinghoger ligt dan het heffingstarief.Tabel 9: verwachte inkomsten CO2-heffing ETS1 en lachgasinstallatiesVerwachte inkomsten CO2-heffing ETS1 en lachgasinstallaties202520262027202820292030Kasinkomsten na maatregel in mln. euro48 mln.13 mln.– 15 mln.– 42 mln.– 4 mln.0 mln.Tekort/overschot aan dispensatierechtenna maatregel in Mton2,2 Mton3,0 Mton– 0,7 Mton– 2,9 Mton– 7,1 Mton– 9,8 Mton Figuur 4: tariefpad CO2-heffing voor ETS1- en lachgasinstallaties in basispad en naverlaging, inclusief vergelijking met verwachte ETS-prijs.Figuur 5: aantal dispensatierechten CO2-heffing industrie (inclusief afvalverbrandings-installaties)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 393 Aannames berekening nationale reductiefactorHet kabinet heeft de Nederlandse Emissieautoriteit verzocht om dehoogte te berekenen van de nationale reductiefactor voor de periode2026 tot 2035 en 2035 en daarna. Hiervoor zijn de volgendeuitgangspunten meegegeven:–De berekening van sectorale productie (activiteitsniveaus) moetgebaseerd zijn op de meest recente sectorale groeicijfers van hetPBL;–De resulterende nieuwe nationale reductiefactor in 2026 moetwaarborgen dat er in 2026 2,4 Mton minder dispensatierechtenvrijkomen in vergelijking met het aantal dispensatierechten in2026 in de originele maatvoering van het Klimaatakkoord (metherijking op basis van de herziene ETS benchmarks in 2022). Dezerestrictie geldt om te voldoen aan de mijlpalen van het Herstel-en Veerkrachtplan. Voor de overige jaren geldt geen dergelijkerestrictie;–In het voorstel blijft de reductiefactor vervolgens constant na2026.Ter referentie is ook berekend wat de nationale reductiefactor zouzijn geweest, als het heffingsdoel zou zijn verplaatst naar 2032.Hiervoor zijn de volgende aannames gehanteerd:–Na 2026 loopt de nationale reductiefactor lineair af richting 2035waarbij de waarde in 2032 overeenkomt met het heffingsdoel;–Het restemissiedoel van 29,7 Mton in 2032 vormt de basis van deberekening; de nationale reductiefactor wordt zo aangepast, dathet aantal dispensatierechten overeenkomt met het restemissie-doel.–Na 2035 loopt de nationale reductiefactor lineair af richting 2039waarbij deze 0 bedraagt in 2039;–Hanteer dezelfde sectorindeling als bij de voorgaande berekenin-gen van de nationale reductiefactor.De verzachting van de CO2-heffing voor ETS1- en lachgasinstallaties leidter tegelijkertijd toe, dat dit onderdeel uit de beleidsmix voor verduur-zaming van de industrie wordt gehaald. Zonder alternatief beleid heeftdeze aanpassing een negatief effect op verduurzaming. Het wordtnamelijk goedkoper om CO2 uit te stoten, wat de business case vanCO2-reductie projecten verslechtert en het aantrekkelijker maakt voorbedrijven om investeringen uit te stellen. Het is hierbij natuurlijk wel vanbelang dat er ook daadwerkelijk handelingsperspectief is voor bedrijvenom te investeren in verduurzaming.Het kabinet vindt het belangrijk dat de CO2-doelen voor 2030 wordengehaald. Ook de industrie moet hier een bijdrage aan leveren. Het kabinetheeft daarom een onafhankelijk voorzitter gevraagd om met de Overleg-tafel CO2-heffing industrie – met vertegenwoordigers van onder anderehet Rijk, groene NGO’s en industriële bedrijven – met alternatieven ofideeën voor aanpassingen aan het bestaand borgend instrumentarium tekomen.Aanpassing tarief en correctiefactor voor afvalverbrandingsinstallatiesDe verzachting van de CO2-heffing gaat niet gelden voor afvalverbran-dingsinstallaties. Voor afvalverbrandingsinstallaties wordt het instrumentaangescherpt om een extra prikkel te geven aan afvalverbrandingsinstal-laties om CO2 af te vangen en om budgettaire opbrengst te genereren, diewordt ingezet als dekking van het niet doorgaan van de circulaireTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 394 plasticheffing (derving 567 mln., prijspeil 2025). Van belang is dat dezewijzigingen van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties wordeningezet als technische dekking, die nu in de wet wordt gezet. Het kabinetbiedt de mogelijkheid aan een werkgroep met de afvalsector om – binnende budgettaire en CO2-reductie randvoorwaarden – te komen met een lijstvan alternatieven binnen het afvaldomein voor de generieke tariefsver-hoging in de afvalstoffenbelasting en de verhoging van de CO2-heffingvoor afvalverbrandingsinstallaties. Deze alternatieve voorstellen zullendoor het kabinet in het voorjaar 2026 worden gewogen en het kabinet zalbezien of het in dit wetsvoorstel opgenomen pakket aan maatregelen voorde afvalsector moet worden aangepast.Het kabinet acht de differentiatie in de CO2-heffing tussen ETS1- enlachgasinstallaties enerzijds en afvalverbrandingsinstallaties anderzijdsverdedigbaar. Afvalverbrandingsinstallaties concurreren niet met deETS1- en lachgasinstallaties en opereren met het verbranden van afval ineen aparte productmarkt.139 Het kabinet wil toewerken naar een circulaireeconomie met minder afvalverbranding, waarbij de afvalverbranding dienog plaatsvindt op een CO2-neutrale manier gebeurt. Op dit momentwordt veel afval nog verbrand en bestaat de afvalverbranding deels uitgeïmporteerd afval. In dat licht weegt het kabinet eventuele weglekrisico’s– als gevolg van hogere beprijzing – anders dan bij ETS1- en lachgasin-stallaties. Daarbij verwacht het kabinet dat afvalverbrandingsinstallatiesmakkelijker dan de overige industriële installaties hun kosten kunnenafwentelen via de poorttarieven. Voor afvalverbrandingsinstallatiesbestaat er geen verduurzamingsprikkel vanuit het ETS1. Tot slot isongeveer tweederde van de broeikasgasemissies van afvalverbrandings-installaties van biogene oorsprong, waarvoor de CO2-heffing niet geldt.Bij een gelijk tarief is de prikkel voor afvalverbrandingsinstallaties ombijvoorbeeld CO2 af te vangen, hierdoor slechts een derde van deprijsprikkel die ETS1- en lachgasinstallaties zouden hebben.Voor afvalverbrandingsinstallaties wordt de CO2-heffing op een aantalpunten aangepast. Ten eerste wordt, als technische maatregel, het tariefstapsgewijs wordt verhoogd naar € 295 per ton CO2 in 2030 (basispad:€ 152), zie ook onderstaande figuur. Dit ter gedeeltelijke dekking van hetniet doorgaan van de circulaire plasticheffing die in het hoofdlijnenak-koord was aangekondigd. Ratio is dat er bij afvalverbrandingsinstallatiesveel opschaalbaar potentieel ligt voor emissiereductie en koolstofverwij-dering, in de vorm van CCS. Effectieve borging van het CCS-potentieelheeft een hoger tarief nodig, omdat de CCS-prikkel wordt gedempt doorbiogene CO2-emissies in de rookgassen, zoals hierboven toegelicht. Methet basispad 2030-tarief van € 152 per ton CO2 wordt daardoor maar circa€ 55 heffing vermeden per ton CCS, terwijl de onrendabele top van CCSmeer dan € 200 per ton bedraagt. De maatregel leidt tot een lastenstijgingvoor afvalverbrandingsinstallaties, die niet tijdig kunnen overstappen opCCS.Ten tweede wordt, als technische maatregel, de vrijgestelde uitstoot voorafvalverbrandingsinstallaties aangepast. Tot en met 2030 blijft hetheffingsdoel gelijk aan het basispad, namelijk 0,6 Mton (fossiele)CO2-emissies in 2030. Na 2030 daalt de vrijgestelde uitstoot in gelijkestappen naar nul in 2033. Dit maakt de prijsprikkel effectiever en vergrootde budgettaire opbrengst na 2030. Aanpassing van de vrijgestelde uitstootvoor afvalverbrandingsinstallaties wordt geïnstrumenteerd via aanpassingvan de AVI-correctiefactor. Deze factor wordt ook in de jaren voor 2030139Zie bijvoorbeeld de volgende concentratiebesluiten van de Europese Commissie:COMP/M.5901 – MONTAGU/ GIP/ GREENSTAR en M.10047 – SCHWARZ GROUP / SUEZWASTE MANAGEMENT COMPANIESTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 395 aangepast, om te voorkomen dat de aanpassing aan de nationalereductiefactor er onbedoeld toe leidt dat het heffingsdoel voor afvalver-brandingsinstallaties t/m 2030 ook wordt aangepast.Ten derde wordt handel in dispensatierechten tussen afvalverbrandingsin-stallaties en andere industriële installaties uitgesloten. Dit voorkomt datafvalverbrandingsinstallaties dispensatierechten kunnen kopen vanandere industriële installaties, waardoor de beoogde prikkel vooremissiereductie en de beoogde budgettaire opbrengst onder druk zoudenkomen te staan. Het tarief voor afvalverbrandingsinstallaties ligt immershoger, en wordt tevens niet gecorrigeerd voor de ETS-prijs. Handel tussenexploitanten van afvalverbrandingsinstallaties en exploitanten vanbroeikasgasinstallaties of lachgasinstallaties zou de doeltreffendheid vanhet voorgestelde hogere tarief voor afvalverbrandingsinstallatiesbelemmeren. Met de voorgestelde maatvoering zullen broeikasgasinstal-laties immers een ruim overschot aan dispensatierechten tot hunbeschikking hebben richting 2030. Tevens beoogt het kabinet specifiekvoor afvalverbrandingsinstallaties een budgettaire opbrengst.Bovenstaande aanpassingen aan de CO2-heffing voor afvalverbrandings-installaties verstevigen de noodzakelijke prijsprikkel om CCS toe tepassen, met als doel om extra CO2 te reduceren. Om deze reden heeft hetkabinet ervoor gekozen om – als invulling van de dekking van het nietdoor laten gaan van de circulaire plastic heffing – niet alleen de afvalstof-fenbelasting te verhogen, maar ook de CO2-heffing voor afvalverbran-dingsinstallaties. Daar staat als nadeel tegenover dat het risico op exportvan afval naar het buitenland onder de CO2-heffing groter is dan bij deafvalstoffenbelasting: indien een afvalverbrandingsinstallatie niet tijdigCCS toepast of kan toepassen en CO2-heffing betaald moet worden, danwordt afvalverbranding duurder, terwijl de CO2-heffing niet geldt voorafval dat wordt geëxporteerd. Onder de afvalstoffenbelasting wordtexport wel belast, maar wordt geen extra prikkel gegeven om CCS toe tepassen. Daarnaast wordt in de uitgevoerde impactanalyse gesignaleerddat de aanpassingen in de afvalstoffenbelasting leiden tot minderafvalverbranding, wat de business case voor AVI’s verslechtert enmogelijk tot extra investeringsonzekerheid voor AVI’s leidt ten aanzien vanCCS.Het kabinet heeft duidelijk de oproep van de sector gehoord om te werkenaan investeringszekerheid voor afvalverbrandingsinstallaties. Een onlangsingestelde Werkgroep Afvalsector is daarom verzocht om te komen toteen afsprakenpakket dat investeringszekerheid biedt voor verduurzamingvan afvalverbranding. Daarnaast biedt het kabinet de mogelijkheid aandeze werkgroep om – binnen de budgettaire en CO2-reductie randvoor-waarden – te komen met een lijst van alternatieven binnen het afval-domein voor de generieke tariefsverhoging in de afvalstoffenbelasting ende verhoging van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties. Dezealternatieve voorstellen zullen door het kabinet in het voorjaar 2026worden gewogen en het kabinet zal bezien of het in dit wetsvoorstelopgenomen pakket aan maatregelen voor de afvalsector moet wordenaangepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 396 Aanpassing verrekenmogelijkheid («carry back»)De huidige CO2-heffing kent reeds een verrekenmogelijkheid («carryback»), waarmee betaalde CO2-heffing in een eerder jaar wordt terugge-geven, als een installatie in een later jaar een overschot aan dispensatie-rechten heeft. Dit wordt geïllustreerd in onderstaande figuur. In ditvoorbeeld heeft de installatie een tekort aan dispensatierechten in 2026 en2027 en moet voor deze jaren heffing worden betaald. In 2028 en 2029heeft de installatie juist een overschot aan dispensatierechten, datterugwaarts mag worden verrekend met het tekort in 2026 en 2027. Totdusver is deze verrekening alleen mogelijk tot en met het jaar 2029teneinde negatieve gevolgen voor 2030-doelbereik te voorkomen. Deverrekening kan daarnaast tot maximaal vijf belastingjaren terug, tebeginnen met het oudste belastingjaar. In onderstaand voorbeeld duseerst verrekenen met 2026 en daarna pas met 2027.Om alle installaties onder de CO2-heffing industrie (ETS1, lachgas,- enafvalverbrandingsinstallaties) meer flexibiliteit te bieden, worden deregels voor de verrekening aangepast. Ten eerste wordt het voortaanmogelijk om ook na 2029 te verrekenen. Een tekort aan dispensatierechtenin 2030 (en verder) kan hierdoor voortaan worden verrekend met eenFiguur 6: tarief CO2-heffing basispad en tarief voor afvalverbrandingsinstallaties naaanscherping (prijspeil 2025)Figuur 7: Hoeveelheid vrijgestelde uitstoot in Mton CO2-equivalenten (aantal dispensa-tierechten) voor afvalverbrandingsinstallaties in basispad en na aanscherping(inclusief herijking productievolumes) in BP2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 397 overschot aan dispensatierechten in latere jaren. Het uitbreiden van deverrekening mogelijkheid biedt bedrijven meer gelegenheid om, in hetgeval van vertraging in verduurzaming, betaalde belastingen terug tekrijgen. Ten tweede wordt verrekening financieel aantrekkelijker gemaaktdoor te verrekenen in een voor bedrijven voordelige volgorde, waarbij hetjaar met het hoogste netto tarief (gecorrigeerd voor de EU ETS prijs) alseerst wordt verrekend (in plaats van beginnen met het oudste belas-tingjaar).Net als in de bestaande situatie blijft gelden dat verrekening alleenachteraf kan en tot maximaal 5 jaar terug. Indien een industrieel bedrijfbijvoorbeeld in 2031 een belangrijk deel van de installaties verduurzaamten hierdoor in dit jaar dispensatierechten over heeft, dan kan hetoverschot aan dispensatierechten tot en met 2026 worden verrekend, alsin die jaren sprake was van betaalde CO2-heffing.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieIn onderstaande tabel wordt per maatregel de doeltreffendheidbesproken. De aanpassingen aan de CO2-heffing industrie zijn doelmatig.De CO2-heffing sluit zoveel mogelijk aan bij het Europese emissiehandels-systeem zodat de extra uitvoeringslast voor de Nederlandse Emissieauto-riteit (NEa) en de belastingplichtigen beperkt blijft. De aanpassingen in hetBelastingplan 2026 zijn uitvoerbaar en lossen gericht knelpunten binnende CO2-heffing industrie op.Tabel 10: Doeltreffendheid per maatregelMaatregelToelichting doeltreffendheid1. Matiging nationale reductiefactorHet doel van de generieke tariefverlaging voor ETS1- enlachgasinstallaties is om lastenverlichting te bieden aandeze bedrijven, met het oog op de internationaleconcurrentiepositie. Vanuit dit oogpunt is de aanpassingdoeltreffend en doelmatig: door de aanpassingenondervinden deze installaties geen kosten van deCO2-heffing tot 2030 (ermee rekening houdend datbetaalde heffing in 2025 en 2026 kan worden verrekendmet een overschot in latere jaren). Deze aanpassingheeft een negatief effect op de verduurzamingsprikkelen het halen van de klimaatdoelen. Aan de OverlegtafelCO2-heffing industrie is daarom gevraagd om metvoorstellen voor alternatief borgend instrumentarium tekomen. Dit kunnen ook aanpassingen aan de bestaandeCO2-heffing zijn. Hierover vindt nadere besluitvormingin 2026 plaats.2. Generieke tariefverlagingFiguur 8: illustratie verrekening systematiek CO2-heffing industrie (Bron: Trinomics.2024. «onderzoek flexibiliteitsopties CO2-heffing industrie».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 398 MaatregelToelichting doeltreffendheid3. Aanpassingen verrekening (carryback)De aanpassing aan de verrekenmogelijkheid, biedtbedrijven meer flexibiliteit onder de CO2-heffing. Dewaarde van overschot wordt zekerder ten opzichte vanverkoop van dispensatierechten aan andere emittenten.Dit kan worden meegenomen in de business case vaneen project wat doelbereik ten goede komt. Door deverlaging van de heffing voor ETS1- en lachgasinstalla-ties zal het effect van de aanpassing aan de verreken-systematiek beperkt zijn.5. Eigen en hoger tarief AVI’sHet doel van de aanscherping van de CO2-heffing voorafvalverbrandingsinstallaties (AVI’s), is om een grotereprijsprikkel te bieden voor het toepassen van CCS. Inhet voorstel wordt het tarief verhoogd naar 295euro/ton CO2 in 2030 (prijspeil 2025; basispad: 152 euro)en gaat de vrijgestelde uitstoot naar nul in 2033. Deprijsprikkel om CCS toe te passen verdubbelt hierdoorruimschoots, waardoor de verwachting is dat meerAVI’s zullen investeren in CCS. Kanttekening hierbij isdat de business case voor AVI’s verslechtert, doordathet volume verbrand afval afneemt door de maatrege-len in de afvalstoffenbelasting. In de uitgevoerdeimpactanalyse is aangegeven dat dit leidt tot investe-ringsonzekerheid, wat AVI’s er mogelijk van weerhoudtom daadwerkelijk een investeringsbeslissing in CCS tenemen. Het komend jaar gaat daarom een gezamenlijkewerkgroep met afvalverwerkingsbedrijven van start omte inventariseren met welke flankerende maatregelen deinvesteringszekerheid kan worden vergroot.6. Daling AVI-correctiefactor7. Uitsluiten handel tussen AVIs enoverige installatiesDe maatregel borgt de doeltreffendheid en budgettaireopbrengst van de CO2-heffing industrie. Zonder demaatregel zouden AVIs de hogere heffing kunnenvermijden door aankoop van goedkope dispensatie-rechten van andere emittenten binnen het instrument. Uitvoeringsgevolgen NEaDe NEa acht de voorgestelde wetswijziging uitvoerbaar en handhaafbaar.Wel merkt de NEa op dat de CO2-heffing de afgelopen jaren herhaaldelijkis aangepast, hetgeen afbreuk doet aan de voorspelbaarheid en stabiliteitvan de CO2-prijs. Juist deze voorspelbaarheid is van belang om bedrijvenin staat te stellen langjarige investeringsbeslissingen te nemen. Hetkabinet onderkent dit punt en benadrukt dat de inrichting van eenoverlegtafel moet bijdragen aan het ontwikkelen van een stabiel enborgend instrumentarium voor de lange termijn.De NEa adviseert daarnaast om de administratieve lasten voor bedrijvenzoveel mogelijk te beperken. Voor komend jaar acht het kabinetmonitoring van de emissies echter noodzakelijk. Indien zou blijken dat hetmargetarief (het verschil tussen heffingstarief en de EU ETS-prijs)daadwerkelijk nihil wordt, zal het kabinet overwegen om maatregelen tetreffen die de administratieve lasten verminderen. Voor het jaar 2026 is ditin elk geval niet aan de orde, zodat de bestaande rapportage- en aangifte-plichten vooralsnog van kracht moeten blijven.5.21 Belastingvermindering energiebelasting De afgelopen jaren is de energierekening toegenomen. Huishoudens enbedrijven worden de komende jaren geconfronteerd met een verderstijgende energierekening mede door oplopende nettarieven voorelektriciteit.140 In dit licht neemt het kabinet verschillende maatregelen.Het kabinet zet onder meer in op gerichte maatregelen zoals een subsidieaan het tijdelijke noodfonds energie in 2025 en de komende jaren wordt140Schakelen naar de toekomst, IBO Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur, maart 2025, p. 8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 399 met middelen uit het Social Climate Fund ingezet op een volledig publiekenergiefonds.141 Daarnaast hecht het kabinet eraan om alle huishoudensop een eenvoudige wijze met een vast bedrag op de energierekening tecompenseren.De energiebelasting kent een belastingvermindering. Dit is een vastbedrag per jaar dat ongeacht de verbruikte hoeveelheid elektriciteit enaardgas in mindering wordt gebracht op de energierekening. In 2025 ishet bedrag € 524,95 (excl. btw). In de praktijk wordt de belastingvermin-dering ook wel aangeduid als heffingskorting. Voorgesteld wordt om metingang van 1 januari 2026 de belastingvermindering structureel teverhogen ten opzichte van het basispad voor een budgettaire omvang van€ 100 miljoen.De belastingvermindering wordt toegepast op elektriciteitsaansluitingenvan objecten met een zogenoemde verblijfsfunctie. Dit zijn ongeveernegen miljoen aansluitingen. Het gaat om onroerende zaken die kunnendienen tot woning of ten behoeve van een bedrijf of beroep of anderszinseen verblijfsfunctie hebben. Het object moet geschikt zijn voor mensenom er langdurig te verblijven. Daarvoor dienen voorzieningen aanwezig tezijn die langdurig menselijk verblijf mogelijk maken, zoals sanitaire ofkeukenvoorzieningen. Het gaat om woningen en om het overgrote deelvan de bedrijven en instellingen. Er is geen sprake van een verblijfsfunctiebij bijvoorbeeld een bedrijfspand dat slechts het doel heeft om goederenop te slaan of om kort te verblijven. Het gaat dan bijvoorbeeld omgarages, garageboxen, schuren, loodsen, werkplaatsen en algemeneruimten van een flat, waaronder liften en hallen.Van het voordeel van de verhoging komt circa 91% terecht bijhuishoudens en 9% bij bedrijven, instellingen en andere objecten met eenelektriciteitsaansluiting. Dat betekent dat van de verhoging circa € 91miljoen terechtkomt bij huishoudens en circa € 9 miljoen bij bedrijven,instellingen en andere objecten.In tabel 11 wordt de hoogte van de belastingvermindering in de periode2025–2030 weergegeven, zowel in het basispad dat is gebaseerd opeerdere wetswijzigingen als in de reeks zoals die is na de in onderhavigwetsvoorstel voorgestelde verhoging. De verhoging in 2026 is met eenbudgettaire omvang van € 100 miljoen per kwalificerende aansluiting€ 9,30. Vanwege eerder in wetgeving opgenomen wijzigingen dieresulteren in een verlaging is het verschil ten opzichte van 2025 per saldo– € 5,15 in plaats van de verlaging van € 14,45 die in het basispad zat.Tabel 11: Belastingvermindering in € (excl. btw)202520262027202820292030Basispad524,95510,50510,28510,85516,34521,17Na verhoging uit BP 2026524,95519,80519,58520,15525,64530,47 Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe verhoging van de belastingvermindering in de energiebelasting tenopzichte van het basispad is een doeltreffende manier om de energiere-kening van alle huishoudens te verlagen, omdat het voordeel bij allehuishoudens terechtkomt, onafhankelijk van het verbruik. Daarmee is demaatregel tegelijkertijd ongericht als het gaat om steun voor specifiekegroepen huishoudens. De maatregel is redelijk doelmatig doordat eengroot aandeel bij huishoudens terechtkomt (91%) en een kleiner deel bij141Kamerstukken II 2024/25, 24 515, nr. 813.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3100 bedrijven, instellingen en andere objecten met een elektriciteitsaansluiting(9%). Als het gaat om de vergelijking van mogelijke beleidsmaatregelenbínnen de energiebelasting merkt het kabinet het volgende op. Van demiddelen die worden aangewend voor een verhoging van de belasting-vermindering komt naar verhouding een groter deel terecht bijhuishoudens met een lager inkomen die relatief minder verbruiken dan bijhuishoudens met een hoger inkomen en bedrijven die relatief meerverbruiken, in vergelijking met een verlaging van energiebelastingta-rieven. Het gaat bij de belastingvermindering namelijk om een vastbedrag dat losstaat van het verbruik. Bij een tariefverlaging hangt hetvoordeel af van de hoogte van het verbruik en hebben huishoudens meteen hoger inkomen en bedrijven die relatief meer verbruiken naarverhouding meer profijt dan huishoudens met een lager inkomen dierelatief minder verbruiken. Ten opzichte van maatregelen búiten deenergiebelasting om huishoudens met een vast bedrag op hun energiere-kening te compenseren is een verhoging van de belastingverminderingeen eenvoudig uitvoerbare maatregel.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe verhoging van de belastingvermindering in de energiebelasting tenopzichte van het basispad is voor de Belastingdienst een parameterwij-ziging.5.22 Aanpassing zuiveldefinitie Nederland kent sinds 1993 een verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken.Voorafgaand aan deze verbruiksbelasting gold op alcoholvrije drankeneen accijns.142 Van oudsher zijn deze belastingen niet van toepassing opmelk en karnemelk, omdat dit geen zogenoemde «gezoete en aroma-tische» dranken zijn.143 Daarnaast zijn van oudsher ook andere uit melk ofmelkproducten bereide dranken van deze belastingen uitgezonderd,omdat zij «in overwegende mate het karakter van een zuivelproducthebben».144 De uitzondering van laatstgenoemde producten is geregeldvia de zogenoemde zuiveluitzondering in de wet.145 Ook sojadranken diewat betreft vet- en eiwitgehalte overeenkomen met melkproducten vallenonder deze zuiveluitzondering. In de huidige Wet op de verbruiksbelastingvan alcoholvrije dranken (WVAD) is de zuiveluitzondering gebaseerd ophet melkvetgehalte van de alcoholvrije drank.146 Door het lage percentagemelkvet dat in de wettelijke definitie is opgenomen, namelijk minimaal0,02%mas melkvet, is de uitzondering in de praktijk ook van toepassing opalcoholvrije dranken waaraan een minimale hoeveelheid melkvet istoegevoegd. Dit is te zien in de supermarkten, waar de laatste jaren steedsmeer vruchten- en groentesappen en frisdranken worden aangebodenmet een vleugje zuivel. Deze dranken hebben echter geenszins «in142De voorganger van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken was de accijns vanalcoholvrije dranken die gold met ingang van 1 januari 1972 (zie Stb. 731). Met het tot standkomen van de interne markt per 1 januari 1993 is de accijns van alcoholvrije dranken komente vervallen en is deze overgegaan in een nationale verbruiksbelasting. Zie Kamerstukken II1992/93, 22 843, nr. 3.143Zie artikel 9, eerste lid, WVAD, waarin is bepaald dat onder limonade worden verstaan «metwater aangelengd vruchten- of groentesap alsmede gezoete en aromatische dranken endranken waaraan geurstoffen of smaakstoffen zijn toegevoegd die kennelijk zijn bestemd omonverwarmd te worden gedronken. Zie ook Kamerstukken II 1992/93, 22843, nr, 3, p. 20–21.144Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 6, p. 17.145Zie artikel 9, derde lid, WVAD.146Zie artikel 9, aanhef en derde lid, WVAD: Als limonade wordt niet aangemerkt: (...) a) de uitmelk of melkproducten bereide drank met een gehalte aan melkvetten van 0,02%mas of meerwaarin zich melkeiwit en melksuiker bevinden, niet zijnde een uit wei of weiproductenvervaardigde drank; b) de uit soja bereide drank met een vetgehalte en een eiwitgehalte dievergelijkbaar zijn met het vetgehalte en het eiwitgehalte van melk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3101 overwegende mate het karakter van een zuivelproduct».147 Devormgeving van de huidige zuiveluitzondering laat hiermee ruimte voorde omzeiling van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.Daarnaast vallen ook zuiveldranken met toegevoegde ingrediënten, zoalssuiker, onder de huidige zuiveluitzondering. Dit betreft bijvoorbeeldchocolade- en frambozenmelk. Ook over dit soort alcoholvrije dranken isop dit moment dus geen verbruiksbelasting verschuldigd. Dit vindt hetkabinet niet opportuun. Het kabinet stelt daarom voor de vormgeving vande zuiveluitzondering aan te passen.Naast de aanpassing van de zuiveluitzondering stelt het kabinet ook voorhet begrip limonade in de WVAD te wijzigen in «overige alcoholvrijedrank». Het gebruik van het begrip limonade leidt in de praktijk namelijktot onduidelijkheid. Dit omdat het begrip limonade in het huidigetaalgebruik een beperktere reikwijdte heeft dan de dranken die ingevolgede WVAD onder het begrip limonade vallen.Aanpassing vormgeving zuiveluitzonderingHet kabinet vindt het wenselijk de huidige omzeilingsmogelijkheid in deverbruiksbelasting van alcoholvrije dranken te dichten. Het is nietwenselijk dat alcoholvrije dranken met een vleugje zuivel onder dezuiveluitzondering vallen en zo zijn uitgezonderd van de verbruiksbe-lasting van alcoholvrije dranken. Dergelijke dranken worden op dezemanier fiscaal bevoordeeld boven vergelijke dranken die geen vleugjezuivel bevatten, wat oneerlijke concurrentie oplevert. Daarbij past hetconsumeren van dit soort dranken niet bij een gezond voedingspersoon,waardoor er ook vanuit gezondheidsperspectief geen reden is voor eenfiscaal voordeel voor deze dranken.148Om de omzeilingsmogelijkheid via het toevoegen van een vleugje zuivelte dichten, stelt het kabinet voor om de vormgeving van de zuiveluitzon-dering aan te passen. Het kabinet stelt voor alleen nog zuiveldranken vande verbruiksbelasting uit te zonderen die niet gezoet en aromatisch zijn enwaaraan geen geur- of smaakstoffen zijn toegevoegd. Dit betreft in iedergeval magere, halfvolle en volle melk (hierna melk) en karnemelk.Hiermee sluit het kabinet aan bij de Richtlijnen goede voeding van deGezondheidsraad (hierna: Richtlijnen goede voeding).149 In deze richt-lijnen wordt onder zuivel verstaan melk, yoghurt en kaas. Ten aanzien vandeze producten adviseert de Gezondheidsraad enkele porties per dag tenemen (zie verder de paragraaf Magere, halfvolle en volle melk enkarnemelk).De voorgestelde wijziging betekent dat een aantal zuiveldranken dat nu isuitgezonderd van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, na dewetswijziging wel met verbruiksbelasting wordt belast.Voor sojadranken die wat betreft vet- en eiwitgehalte overeenkomen metmelk geldt, zoals eerder aangegeven, dat deze van oudsher van deverbruiksbelasting zijn uitgezonderd.150 Dit geldt ook voor sojadranken diewat betreft vet- en eiwitgehalte weliswaar overeenkomen met melk, maarbijvoorbeeld veel suiker bevatten. Nu de vormgeving van de zuiveluitzon-147Zie Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 6, p. 17.148Gezondheidsraad (2015), Richtlijnen goede voeding 2015 (4 november 2015). De Gezond-heidsraad is voornemens eind 2025 nieuwe richtlijnen vast te stellen. Deze nieuwe richtlijnenzijn op dit moment nog niet beschikbaar. Mochten de nieuwe richtlijnen tot andere adviezenleiden met betrekking tot zuivel- en sojadranken, dan is het mogelijk dat de vormgeving vande zuiveluitzondering in de WVAD wordt heroverwogen.149Gezondheidsraad (2015), Richtlijnen goede voeding 2015 (4 november 2015).150Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p.37 en Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 3, p. 20 en21.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3102 dering wordt aangepast, herdefinieert het kabinet ook de uitzonderings-grond voor sojadranken. Met de voorgestelde wijziging sluiten devoedingswaarden van de uitgezonderde sojadranken zo dicht mogelijkaan bij de voedingswaarden van de uitgezonderde zuiveldranken. Ditbetekent dat sojadranken met een suikergehalte van niet meer dan5,0 gewichtspercenten en een verzadigd vetgehalte van niet meer dan1,1 gewichtspercenten van de verbruiksbelasting blijven uitgezonderd.Vanaf het moment dat een sojadrank een suikergehalte van meer dan5 gewichtspercenten bevat of een verzadigd vetgehalte van meer dan1,1 gewichtspercenten, of allebei, is over deze drank verbruiksbelastingverschuldigd (zie verder in de paragraaf Sojadranken en andere plant-aardige alternatieven).De voorgestelde wijziging betekent dat het tarief van de verbruiksbe-lasting van alcoholvrije dranken, zijnde € 26,13 per hectoliter (tarief sinds1 januari 2024), van toepassing wordt op alcoholvrije dranken dieingevolge de voorgestelde aanpassingen niet langer van de verbruiksbe-lasting van alcoholvrije dranken zijn uitgezonderd.151Beleidsdoelen van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken:budgettair en gezondheidUit de parlementaire geschiedenis van de verbruiksbelasting vanalcoholvrije dranken blijkt dat het budgettaire aspect van deze belastingaltijd leidend is geweest152, maar dat gezondheidseffecten niettemin vaninvloed waren op de inrichting van de belasting. Zo stelde het kabinet in1981: «een accijns op melk en leidingwater [..], lijkt ons om verschillenderedenen niet aanvaardbaar. Daarbij speelt ook de overweging dat dieproducten eerste levensbehoeften zijn een rol».153 In het Belastingplan2022 (BP 2022) werd onder het kopje «gezondheid» aangekondigd dat hettarief van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken werd verhoogd.Hierbij werd aangegeven dat het kabinet werk maakt van de doelen uit hetNationaal Preventieakkoord en daartoe – onder andere – de verbruiksbe-lasting van alcoholvrije dranken zoals frisdrank verhoogt.154 Aangegevenwerd: «Door een hoger tarief op frisdrank en lichte bieren worden dezedranken relatief duurder (ervan uitgaande dat de tariefsaanpassingen inde verkoopprijzen worden doorberekend). Met het uitzonderen vanmineraalwater van de verbruiksbelasting wordt dit gezonde alternatiefvoor frisdrank relatief goedkoper. De verwachting is dat het drinkgedragzal worden aangepast doordat men voor gezondere alternatieven gaatkiezen».155 Naast deze gezondheidsoverwegingen geldt dat de in 2022aangekondigde verhoging ook een budgettair doel had, namelijk hetrealiseren van een extra budgettaire opbrengst van € 300 miljoen.156Het doel van de voorgestelde wijziging is het voorkomen van de omzeilingvan de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Hiertoe past hetkabinet de vormgeving van de zuiveluitzondering aan. Onder de aange-paste zuiveluitzondering worden ook zuivel- en sojadranken zoalschocolade- en frambozenmelk voortaan belast met verbruiksbelasting. Devoorgestelde aanpassing levert structureel € 41 miljoen op per 1 januari2027.151Artikel 10, eerste lid, WVAD.152Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 5.153Kamerstukken II 1981/82, 17 187, nr. 9.154Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 3, p. 4.155Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 3, p. 60.156Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 3, p. 60.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3103 Magere, halfvolle en volle melk en karnemelkUit de genoemde Richtlijnen goede voeding volgt dat melk en karnemelkin een gezond voedingspatroon passen. Deze producten bevattenessentiële voedingsstoffen zoals eiwit, vitamine B2, vitamine B12 encalcium. Ook hangt het consumeren van zuivel samen met een lager risicoop darmkanker.157 Op melk en karnemelk die geen gezoete en aroma-tische dranken zijn en waaraan geen geur- of smaakstoffen zijn toege-voegd, is de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken niet vantoepassing omdat deze dranken niet onder de noemer «limonade»vallen.158 Deze systematiek blijft ongewijzigd, wat betekent dat dezedranken van de verbruiksbelasting blijven uitgezonderd. Om tevoorkomen dat de verbruiksbelasting in de toekomst nog kan wordenomzeild door aan dranken een vleugje zuivel toe te voegen, wordt in hetvoorliggende wetsvoorstel de uitzonderingspositie voor de uit melk ofmelkproducten bereide drank met een gehalte aan melkvetten van0,02%mas of meer geschrapt.159 Hierdoor worden andere zuiveldrankendan melk en karnemelk – indien zij gezoet en aromatisch zijn of toege-voegde geur- en smaakstoffen bevatten – voortaan met verbruiksbelastingbelast. Het kabinet acht het, mede gelet op de Richtlijnen goede voeding,niet passend deze dranken fiscaal te bevoordelen ten opzichte van anderealcoholvrije dranken.Sojadranken en andere plantaardige alternatievenZoals eerder aangegeven, zijn sojadranken die wat betreft vet- eneiwitgehalte overeenkomen met melk van oudsher van de verbruiksbe-lasting uitgezonderd.160 Andere bestanddelen van de sojadrank, zoalsbijvoorbeeld het suikergehalte, zijn hierbij niet relevant. Met de voorge-stelde wijziging worden alleen nog sojadranken uitgezonderd waarvan devoedingswaarden (zo dicht mogelijk) aansluiten bij die van de uitgezon-derde zuiveldranken. Dit betekent dat sojadranken met een suikergehaltevan niet meer dan 5,0 gewichtspercenten en een verzadigd vetgehalte vanniet meer dan 1,1 gewichtspercenten van de verbruiksbelasting blijvenuitgezonderd. Over sojadranken die bijvoorbeeld meer suiker bevatten, zalna inwerkingtreding van de voorgestelde wijziging verbruiksbelastingverschuldigd zijn. Zoals genoemd leveren melk en karnemelk goedevoedingsstoffen als eiwit, vitamines B2 en B12 en calcium. Hoewel hetnog onduidelijk is of plantaardige alternatieven op lange termijn dezelfdegezondheidsvoordelen bieden als zuiveldranken (zoals het verlagen vanhet risico op darmkanker), is in de praktijk een sojadrank verrijkt metcalcium, vitamine B2 en vitamine B12 een van de meest volwaardigevervangers voor zuivel omdat hierin voldoende eiwit zit.161 Dit maakt dathet kabinet sojadranken van de verbruiksbelasting wil blijven uitzonderen,maar alleen voor zover zij voldoen aan het hiervoor genoemde maximumsuiker- en vetgehalte. Er is namelijk geen reden dit soort sojadrankenvoortaan wél te belasten.Voorliggende wijziging voorziet er niet in om naast zuivel- en sojadrankennieuwe categorieën alcoholvrije dranken van de verbruiksbelasting vanalcoholvrije dranken uit te zonderen. Zoals toegelicht is het doel van157Gezondheidsraad (2015), Richtlijnen goede voeding 2015 (4 november 2015).158Zie artikel 9, eerste lid, WVAD, waarin is bepaald dat onder limonade worden verstaan «metwater aangelengd vruchten- of groentesap alsmede gezoete en aromatische dranken endranken waaraan geurstoffen of smaakstoffen zijn toegevoegd die kennelijk zijn bestemd omonverwarmd te worden gedronken. Zie ook Kamerstukken II 1992/93, 22843, nr, 3, p. 20–21.159Zie, voor de volledigheid, artikel 9, derde lid, onderdeel a, WVAD.160Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p.37 en Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 3, p. 20 en21.161Voedingscentrum.nl: Is sojadrink gezond en duurzaam?, Voedingscentrum.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3104 voorliggende wijziging het tegengaan van omzeiling van de verbruiksbe-lasting door de toevoeging van een vleugje zuivel aan alcoholvrijedranken. Om dit doel te bereiken, wordt de vormgeving van de zuiveluit-zondering aangepast. Deze aanpassing richt zich dus alleen op zuivel- ensojadranken. Bij de vormgeving van de aangepaste zuiveluitzonderingworden de Richtlijnen goede voeding in acht genomen.Volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voormedisch gebruikHet is onwenselijk dat de aanpassing van de vormgeving van de zuiveluit-zondering ertoe leidt dat volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelin-genvoeding en voeding voor medisch gebruik, voor zover die aan dedefinitie van overige alcoholvrije drank voldoen, na de voorliggendewijziging niet langer van de verbruiksbelasting zouden zijn uitgezonderd.Ten aanzien van deze producten ligt het niet in de rede dat ze metverbruiksbelasting worden belast, vanwege hun aard en gebruik. Tenaanzien van een groot deel van de voedingsmiddelen die onder dedefinitie van volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding ofvoeding voor medisch gebruik valt, geldt al dat geen verbruiksbelasting isverschuldigd. Dit omdat het bijvoorbeeld niet om (alcoholvrije) drankengaat of, indien dat wel het geval is, omdat die dranken niet kennelijk zijnbestemd om onverwarmd te worden gedronken (zie verder hierover deparagraaf Invulling begrip «kennelijk bestemd om onverwarmd te wordengedronken»). Om te voorkomen dat bepaalde soorten volledige zuigelin-genvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruikdie door hun samenstelling of manier van drinken wél onder de definitievan limonade vallen na de voorgestelde aanpassing van de zuiveluitzon-dering met verbruiksbelasting worden belast, worden deze categorieëndranken met de voorgestelde wijziging expliciet van de verbruiksbelastinguitgezonderd.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet doel van de voorgestelde wijziging van de zuiveluitzondering is hetvoorkomen van de omzeiling van de verbruiksbelasting van alcoholvrijedranken. Hiertoe past het kabinet de vormgeving van de zuiveluitzon-dering aan. Door de zuiveluitzondering niet langer te baseren op eenminimumpercentage melkvet worden vruchten- en groentesappen meteen vleugje zuivel en frisdranken met een vleugje zuivel voortaan belastmet verbruiksbelasting. Het doel van de voorgestelde wijziging wordthiermee bereikt. Daarnaast worden ook zuivel- en sojadranken zoalschocolade- en frambozenmelk en sojadranken met – kortgezegd – meerdan vijf gram suiker voortaan belast met verbruiksbelasting. Het kabinetacht het niet passend dit soort dranken fiscaal te bevoordelen bovenandere alcoholvrije dranken. Wat betreft doelmatigheid geldt dat het doelvan de wijziging, het tegengaan van omzeiling, wordt behaald tegen delaagste kosten. De impact van de wijziging op het bedrijfsleven is beperkten wordt tevens gemitigeerd door tijdige informatievoorziening door deDouane. Een evaluatie van de voorgestelde wijziging is niet voorzien.Aanpassing begrip limonadeNaast de aanpassing van de zuiveluitzondering stelt het kabinet voor hetbegrip limonade in de WVAD aan te passen. Dit omdat het begriplimonade in het huidige taalgebruik een beperktere reikwijdte heeft dan dedranken die ingevolge de WVAD onder het begrip limonade vallen. Ditleidt in de praktijk tot onduidelijkheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3105 Het kabinet stelt daarom voor het begrip limonade te wijzigen in hetbegrip «overige alcoholvrije drank». Deze wijziging heeft geen inhoude-lijke gevolgen voor de alcoholvrije dranken die onder dit begrip vallen.Ingevolge de huidige wettekst wordt onder limonade verstaan: met wateraangelengd vruchten- of groentesap alsmede gezoete en aromatischedranken en dranken waaraan geurstoffen of smaakstoffen zijn toegevoegddie kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken.162 Inhet huidige taalgebruik wordt onder limonade echter veelal verstaan:«verkoelende drank van water, suiker en vruchtensap» (aldus de VanDale)163 of frisdranken. In de praktijk zijn er daarom typen alcoholvrijedranken die niet bekendstaan als limonade, maar ingevolge de wettekstwel zo worden aangeduid. Dit geldt bijvoorbeeld voor plantaardigezuivelvervangers als havermelk en amandelmelk, alcoholvrij bier,spierversterkende poeders en, door de voorgestelde aanpassing van dehuidige zuiveluitzondering, straks ook voor bijvoorbeeld chocolade- enframbozenmelk. Met de voorgestelde wijziging blijft de opsomming vanalcoholvrije dranken die onder het begrip limonade vallen intact, maarwordt het begrip limonade zelf gewijzigd in het begrip «overige alcohol-vrije drank». Het gaat hierbij dus om een verduidelijkende, tekstueleaanpassing zonder inhoudelijke gevolgen.Voor vruchten- en groentesappen geldt al dat zij in de WVAD niet wordenaangemerkt als limonade: zij zijn apart aangeduid als vruchten- engroentesap.164 Dit blijft onveranderd.Invulling begrip «kennelijk bestemd om onverwarmd te wordengedronken»Zoals hierboven aangegeven, wordt op dit moment onder limonadeverstaan: met water aangelengd vruchten- of groentesap alsmede gezoeteen aromatische dranken en dranken waaraan geurstoffen of smaakstoffenzijn toegevoegd die kennelijk zijn bestemd om onverwarmd te wordengedronken. Aan het criterium «kennelijk bestemd om onverwarmd teworden gedronken» is invulling gegeven via de wetsgeschiedenis enjurisprudentie. Dit criterium blijft intact als het begrip limonade wordtvervangen door het begrip overige alcoholvrije drank. Vanuit deuitvoering (Douane) en de sector bestaat de behoefte om de kaders aande hand waarvan dit criterium kan worden toegepast, opnieuw in eenopsomming uiteen te zetten. Dit omdat deze kaders op dit momentgefragmenteerd zijn.Aan het begrip kennelijk bestemd om onverwarmd te worden gedronkenis allereerst invulling gegeven via de wetsgeschiedenis bij de totstand-koming van de WVAD in 1993. Hieruit blijkt dat moet worden gekeken naarde bestemming van het product, en dat die bestemming is af te leiden uitde aard van het product, de manier waarop het product wordt aange-boden en hetgeen over het gebruik van het product op de verpakking isvermeld.Voorbeelden van dranken die juist zijn bestemd om warm te wordengedronken en dus niet onder het begrip limonade vallen zijn koffie, theeen soep.165 Ook is aangegeven dat onder het begrip limonade niet valt«het vloeibare produkt bestaande uit water, suiker en aromatische stoffen,dat in kleine zakjes is verpakt en kennelijk is bestemd om daarvan thuiszogenoemde ijslollies te maken. Dit produkt is niet bestemd om te worden162Artikel 9, eerste lid, WVAD.163https://www.vandale.nl/gratis-woordenboek/nederlands/betekenis/limonade.164Artikel 7, eerste en tweede lid, WVAD.165Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 3 p. 20.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3106 gedronken».166 Uit deze uitleg blijkt dat de bestemming van productenallereerst blijkt uit de manier waarop producten normaliter wordengeconsumeerd. Tot op zekere hoogte volgt dit uit de algemene aard vanhet product (reguliere koffie drink je warm). Een andere belangrijkeindicatie voor het bestemde gebruik is de verpakking van het product. Bijijslolly’s die thuis moeten worden ingevroren, blijkt uit de verpakking vanhet product doorgaans duidelijk dat het om ijsjes gaat en niet om zakjeslimonade die bestemd zijn om te worden gedronken. Veelal worden dezeproducten bijvoorbeeld verkocht als vrieslolly’s of ice lollipops. Naast denaam van het product en de eerste aanduiding op de verpakking wordtook gekeken naar de bereidingswijze van het product, zoals beschrevenop de verpakking. Bij bepaalde vrieslolly’s staat bijvoorbeeld bij debeschrijving: «lolly’s om zelf in te vriezen». Bij koffie, thee en zuigelingen-voeding is doorgaans juist uitgelegd dat deze warm worden gedronken.Behalve bij ijsthee en ijskoffie: niet alleen heten deze producten vaak «ijs-»koffie of thee, maar ook staat op de verpakking dat deze productengekoeld (of in ieder geval niet verwarmd) moeten worden genuttigd. Alsdat het geval is, leidt het geen twijfel dat de producten bestemd zijn omonverwarmd te worden gedronken en daardoor als limonade wordenaangemerkt.Naast de wetsgeschiedenis is ook in jurisprudentie invulling gegeven aanhet begrip kennelijk bestemd om onverwarmd te worden gedronken. Zooordeelde de HR dat een drank die is bestemd om zowel warm als koud teworden gedronken, wél onder het begrip limonade valt. Op de verpakkingvan het betreffende product (een granulaat in korrelvorm dat moestworden aangelengd) was aangegeven dat het geschikt was voor devervaardiging van een warme of koude drank.167Dranken voor medisch gebruikOver medicijnen is in de wetsgeschiedenis het volgende aangegeven:«Ook medicinale dranken zoals hoestdranken en dergelijke vallen nietonder het begrip limonade. Deze dranken hebben anders dan delimonades niet het oogmerk de dorst te lessen maar hebben duidelijk hetkarakter van een medicijn dat in de vorm van een drank wordt toege-diend».168 Van belang is dat «dorst lessen» niet een opzichzelfstaandcriterium is. In de WVAD is dit niet als zelfstandig criterium opgenomen endit blijkt evenmin uit de wetsgeschiedenis. De term dorst lessen is enkelvan belang om een afbakening te kunnen maken tussen limonade enmedicinale dranken als hoestdranken en dergelijke.169 RechtbankNoord-Holland oordeelde dat voedingssupplementen gelet op desamenstelling en aard van het product niet kunnen worden gekwalificeerdals een medicinale drank. Het product in kwestie bestond voornamelijk uitwater en vruchtensapconcentraten en bevatte geen medicinale bestand-delen. Verder oordeelde de rechtbank dat de enkele stelling dat hetproduct goed is voor het lichaam na fysieke inspanning onvoldoende isom te onderbouwen dat van het product een medicinale werking uitgaat.Dat het product volgens de productinformatie op de verpakking vanwegede hoge voedingswaarde in afgemeten doseringen dient te wordengeconsumeerd, maakt evenmin dat sprake is van een medicinale drank.170166Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 3, p. 20.167HR 13 juni 2003, nr. 37 223, BNB 2003/317. Alsdus de HR: Niet valt in te zien dat, anders dan inhet middel wordt betoogd, de wetgever niet alle dranken als bedoeld in artikel 9, eerste lid,(WVAD), die koud gedronken kunnen worden en kennelijk bestemd zijn om ook koudgedronken te worden, in de heffing van verbruiksbelasting heeft willen betrekken.168Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 3, p.169Zie ook Rechtbank Noord-Holland 5 december 2017, nr. AWB-15 _ 5250; ECLI:NL-:RBNHO:2017:10088.170Zie verder Rechtbank Noord-Holland 28 januari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:1599.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3107 Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe maatregelen zijn door de Douane beoordeeld met een uitvoerings-toets. De Douane heeft geoordeeld dat zowel de aanpassing van dezuiveluitzondering als de aanpassing van het begrip limonade uitvoerbaarzijn per de voorgestelde datum van inwerkingtreding.Voor de aanpassing van de zuiveluitzondering geldt dat bedrijven dievruchten- en groentesappen met een vleugje zuivel, frisdranken met eenvleugje zuivel, zuiveldranken die zijn gezoet of gearomatiseerd of waaraansmaak- of geurstoffen zijn toegevoegd en sojadranken met een suiker- ofverzadigd vetgehalte boven de voorgestelde hoeveelheid produceren ennog niet bekend zijn met de verbruiksbelasting, belastingplichtig wordenen aangifte moeten doen voor de verbruiksbelasting van alcoholvrijedranken. Dit leidt naar verwachting tot een beperkte toename van hetaantal belastingplichtigen, vergunningen en aangiften. In de uitvoerings-toets geeft de Douane aan dat het zwaartepunt van de handhaafbaarheidzit in de voorlichting en de dienstverlening richting deze bedrijven.Vanwege het feit dat verbruiksbelasting een nationale belasting is enderhalve niet geharmoniseerd is in de EU, kunnen producenten, impor-teurs en handelaren in verbruiksbelastinggoederen de betaalde belastingterugvragen als de goederen worden overgebracht naar een anderelidstaat of worden geëxporteerd. Van deze regeling wordt soms misbruikgemaakt. Dit kan in de toekomst ook gelden voor producten die door devoorgestelde maatregel niet langer uitgezonderd zijn van de verbruiksbe-lasting van alcoholvrije dranken.De wijziging van het begrip limonade betekent een wijziging van deaangifteformulieren van de verbruiksbelasting voor alcoholvrije dranken.De noodzakelijke aanpassingen in de systemen van de Douane kunnennaar verwachting binnen 12 maanden nadat het wetsvoorstel door beideKamers is aangenomen worden gerealiseerd. Het voornoemde leidt ertoedat de maatregel per 1 januari 2027 in werking kan treden.5.23 Koopkrachtmaatregel BES-eilanden De afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet om bestaanszekerheidop Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden) te verbeteren. Omdeze inzet voort te zetten, heeft het kabinet eind 2024, zoals in deVoorjaarsnota 2025 reeds is opgemerkt, € 9 miljoen per jaar gereserveerdom de koopkracht van inwoners op de BES-eilanden extra te onder-steunen.171 In het kader van deze koopkrachtmaatregelen wordt voorge-steld om verdere nivellering aan te brengen van de inkomens. Hetvoorstel is om het tarief van de eerste schijf van de inkomstenbelastingnaar beneden bij te stellen onder gelijktijdige aanpassing (verhoging) vanhet tarief van de tweede schijf van de inkomstenbelasting om de verlagingvan het tarief van de eerste schijf budgetneutraal vorm te geven. Op dezewijze treft het kabinet per 1 januari 2026 ook een fiscale maatregel om debestaanszekerheid op de BES-eilanden verder te versterken door debelastingdruk voor lagere inkomens en middeninkomens te verlagen enop deze wijze het besteedbare inkomen van die groepen inwoners teverbeteren.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet doel van deze maatregel is om inkomensverschillen op deBES-eilanden te verkleinen door de percentages van de tarieven in deinkomsten- en loonbelasting aan te passen, en daarmee de koopkrachtvan de lagere en middeninkomens te verbeteren. In dat kader is deze171Kamerstukken II, 36 725, nr. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3108 maatregel onderdeel van een breder pakket aan maatregelen die devoorgaande twee jaren is ingevoerd om dat doel te bereiken.Doordat het tarief van de eerste schijf wordt verlaagd en het tarief van detweede schijf wordt verhoogd, vindt een verschuiving van belastingdrukplaats van de lagere en middeninkomens die veelal alleen onder de eersteschijf vallen, naar de hogere inkomens die deels onder de tweede schijfvallen. De maatregel is daarmee doelmatig. Aangezien de tarieven in deinkomsten- en loonbelasting direct van invloed zijn op de koopkracht vande belastingplichtigen op de BES-eilanden is de maatregel ookdoeltreffend. Tariefmaatregelen hebben immers een directe impact op dekoopkracht en kunnen relatief eenvoudig worden doorgevoerd tegen lagekosten. De maatregel zal in beginsel niet worden geëvalueerd omdat heteen parameteraanpassing betreft.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe maatregel is door de Belastingdienst beoordeeld met een uitvoerings-toets. Voor de maatregel geldt dat de Belastingdienst deze uitvoerbaaracht per de voorgestelde datum van inwerkingtreding.5.24 Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel enLPG De accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG zijn vanaf 1 april2022 verlaagd. Per 1 juli 2023 is de verlaging gedeeltelijk teruggedraaid.Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2024 heeft de TweedeKamer bij amendement de tarieven per 1 januari 2024 een jaar gelijkgehouden aan de tarieven per 1 juli 2023. Tijdens de behandeling van hetBelastingplan 2025 is opnieuw besloten de tarieven ook voor 2025 gelijk tehouden. Het kabinet stelt met deze wijziging voor om de accijnstarievenper 1 januari 2026 niet te verhogen en nog een jaar gelijk te houden (aanhet niveau van 1 juli 2023) voor ongelode benzine, diesel en LPG tot1 januari 2027. Door wederom niet te indexeren wordt de accijnskortingvoor 2026 de facto ruimer dan de accijnskorting in voorgaande jaren. Methet begrip «verlenging van de accijnskorting» wordt hierna bedoeld: hetbehouden van de tarieven uit 2025 (waarbij de tarieven dus niet wordengeïndexeerd).De maatregel is gericht om de kosten van autorijden te reduceren. Hetverlengen van de accijnskorting leidt tot een tijdelijke daling van debelastinginkomsten. Het kabinet meent dat de voordelen voor eenbetaalbare mobiliteit op dit moment zwaarder wegen dan de derving vande inkomsten voor 2026.Uit de Richtlijn energiebelastingen volgt dat EU-lidstaten belasting(accijns) moeten heffen over energieproducten die worden gebruikt alsmotorbrandstof. Deze accijns mag niet liggen onder de in de richtlijnvoorgeschreven minimumbelastingniveaus. De door het kabinet voorge-stelde accijnstarieven blijven boven de minimumbelastingniveaus,waardoor aan de eisen van de richtlijn wordt voldaan.172Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieHet verlengen van de accijnskorting op ongelode benzine, diesel en LPGheeft als doel om de kosten van autorijden te reduceren. De verlengingvan de accijnskorting is voor fossiele autorijders doeltreffend indien deprijs aan de pomp lager is dan wanneer de accijnstarieven niet tijdelijk172Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communau-taire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU, L 283)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3109 zouden zijn verlaagd.173 Of en in hoeverre dit doel wordt bereikt, hangt afvan de mate waarin verkopers van brandstoffen de verlaging in hunverkoopprijzen blijven doorberekenen. De overheid kan deze doorbere-kening niet verplichten. Op verzoek van de Tweede Kamer zijn degrenseffecten van de huidige accijnskorting gemonitord. Hierover zijn – enworden – op verschillende momenten grenseffectenrapportages met deTweede Kamer gedeeld.174 Uit deze onderzoeken naar grenseffecten blijktdat verschillende indicatoren wijzen dat het voordeel van de accijns-korting grotendeels wordt doorgegeven aan de consument. In die zin is demaatregel dus doeltreffend. Kosten voor gebruikers van elektrischevoertuigen worden met deze maatregel echter niet verlaagd. Dat maakt demaatregel minder doeltreffend.Een accijnskorting is een doelmatige manier om fossiele autorijders tebereiken. Het voordeel van de maatregel neemt toe naarmate er meerwordt getankt. Huishoudens zonder auto of huishoudens die weinigkilometers met de auto afleggen ondervinden daardoor in absolute zingeen of minder direct financieel voordeel van deze generieke maatregeldan huishoudens die veel kilometers rijden. Na het aflopen van detariefsverlaging zal in 2027 onderzoek worden gedaan naar de grensef-fecten daarvan.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en douaneDe voorgestelde maatregel heeft geen uitvoeringsgevolgen voor deDouane. Ook zijn er geen uitvoeringskosten verbonden aan de voorge-stelde maatregel.6. Budgettaire aspecten Het pakket Belastingplan 2026 bestaat uit acht wetsvoorstellen. Eenvolledig overzicht van het lastenbeeld is opgenomen in de Miljoenennota2026. In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de budgettaireeffecten van het pakket Belastingplan 2026 en een uitsplitsing van demaatregelen in het wetsvoorstel Belastingplan 2026. De budgettaireeffecten per maatregel van de andere 7 wetsvoorstellen uit het pakketBelastingplan 2026 worden toegelicht in de betreffende memories vantoelichting. Het betreft hier enkel de budgettaire gevolgen op transactie-basis voor de ontvangstenkant van de Rijksbegroting. In paragraaf 12wordt ingegaan op de uitvoeringskosten die aan de uitgavenkant van deRijksbegroting vallen.De ramingen per maatregel worden nader toegelicht in de bijlageRamingstoelichtingen bij dit wetsvoorstel. Het Centraal Planbureau (CPB)beziet de ramingen van de budgettaire effecten van de fiscale maatre-gelen uit het pakket Belastingplan 2026. Met deze certificering wordt dekwaliteit en objectiviteit van de ramingen van fiscale maatregelen zo veelmogelijk geborgd, in navolging van het advies van de studiegroepBegrotingsruimte.175 Het CPB heeft het voorlopige resultaat van decertificering op zijn website geplaatst. De publicatie van de ramingstoe-lichtingen en de certificering draagt bij aan het vergroten van de transpa-rantie en validiteit.173Of een absolute daling van de prijzen plaatsvindt, is afhankelijk van de verdere ontwikkelingvan brandstofprijzen zelf, waaronder de prijs van een vat ruwe olie.174Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 128.175Kamerstukken II 2015/16, 34 300, nr. 74.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3110 Bij het doorlopen van het certificeringsproces zijn enkele ramingen herijktwaardoor er een verschil kan ontstaan tussen het lastenbeeld in deMiljoenennota en het Belastingplan. De budgettaire gevolgen van dezeherijking worden integraal meegenomen in de voorjaarsbesluitvorming.In tabel 12 worden de budgettaire effecten van het pakket Belastingplan2026 weergegeven.Tabel 12: Budgettaire effecten van het pakket Belastingplan 2026, in € mln.Wetsvoorstellen20252026202720282029StructureelBelastingplan 2026– 26541400453814942Overige Fiscale Maatregelen 2026000000Wet implementatie EU-richtlijn gegevens-uitwisseling bijheffing-informatieaangifte(DAC9)000000Differentiatie vliegbelasting00257257257257Tweede wet aanpassingen Wet mini-mumbelasting 2024000000Wetsvoorstel uitvoering Carbon BorderAdjustment Mechanism (CBAM)0211237000Wetsvoorstel Wet stroomlijning fiscaalinzagerecht000000Wet terugdraaien afschaffing verlaagdbtw-tarief op cultuur, media en sport099999 Tabel 13: Budgettaire effecten van het wetsvoorstel Belastingplan 2026, in € mln.Maatregel20252026202720282029StructureelInkomensbeleid0130130129129117Verhogen tarief 1e en 2e schijf in de IB(compensatie zorgpremies)0240240240240240Verduidelijking fietsregeling000000Maatregelen lucratiefbelangregeling04545454545Aanpassingen box 301.2671.267000Uitsluiten niet-marktconform handelendegelieerde partijen van toepassingleegwaarderatio000000Reparatie tegenbewijsregeling box 3 voorobligaties en andere vermogensbestand-delen met kortlopende termijnen000000Aanpassingen groen beleggen00– 1000Akkoord «gezond naar pensioen»000– 22– 34– 34Versobering ETK regeling02121212121Fiscale normering markt voor voertuigengericht op personenvervoer10208– 313– 276– 178– 43Voorstel ongelijke breukdelen bij eenhuwelijksgoederengemeenschap034444Schenkingen binnen 180 dagen vooroverlijden000000Gelijkstelling voor de schenk- enerfbelasting van biologische kinderen– 9– 7– 7– 7– 7– 7Verlegging ingangsdatum berekenenbelastingrente erfbelasting en verlengingaangiftetermijn erfbelasting0– 1– 10– 13– 15– 15Emissievrije bijzondere personenauto’s enemissievrije motorrijwielen0– 9– 5– 5– 50Autonome vergroening000000Tariefkorting motorrijtuigenbelastingemissievrije personenauto’s10– 30– 36– 4411Kwarttarieven motorrijtuigenbelasting000000Ophoging en afschaffing heffingsplafondbelasting op leidingwater064105105105105Hervormingen afvalstoffenbelasting200107460567567Aanpassingen CO2-heffing industrie– 17– 61– 88– 12500Belastingvermindering energiebelasting0– 100– 100– 100– 100– 100Aanpassing zuiveldefinitie0041414141Koopkrachtmaatregel BES-eilanden000000Verlengen verlaagde accijnstarieven voorongelode benzine, diesel en LPG0– 1.7160000Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3111 Maatregel20252026202720282029StructureelTotaal-26541.4004538149421 De budgettaire effecten van deze maatregelen hebben een sterke samenhang. Zie voor een uitgebreide toelichting de pakket ramingstoelich-tingen.2 Onder deze post vallen ook de maatregelen rond de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) InkomensbeleidDit beleid bestaat uit drie onderdelen. De eerste is een aanpassing van detoepassing van de tabelcorrectiefactor (tcf). De tcf is een parameter dievolgt uit de inflatiecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek,waarmee onder andere de inkomstenbelasting (IB) standaard wordtgecorrigeerd voor inflatie. Er wordt voorgesteld om de tcf voor 2026 maarvoor 95,8% toe te passen. Hierdoor worden onder andere de belasting-schijven en heffingskortingen binnen de IB slechts gedeeltelijk gecompen-seerd voor inflatie. In het wetsvoorstel behoud verlaagde btw-tariefcultuur, media en sport wordt ook voorgesteld om de tcf voor 2026beperkt toe te passen. Het totaal van beide voorstellen resulteert in een tcftoepassing van 52,8%. De beperkte toepassing van de tcf tot 95,8% in ditwetsvoorstel levert structureel € 126 miljoen op vanaf 2026.De tweede aanpassing betreft het tarief van de eerste schijf (TES) in de IB.Het kabinet stelt voor om de TES met 0,05%-punt te verhogen alsonderdeel van het koopkrachtpakket. Dit leidt tot een opbrengst van€ 189 miljoen in 2026, aflopend naar € 176 miljoen structureel. De dervingloopt af vanwege de Houdbaarheidsbijdrage. Hierdoor wordt het eindpuntvan de 1e schijf jaarlijks beperkt geïndexeerd en gaat daardoor mindersnel omhoog dan het eindpunt van de 2e schijf. Hierdoor valt elk jaar eenrelatief kleiner deel van het inkomen in de 1e schijf en neemt deopbrengst van een tariefsverhoging in de 1e schijf jaarlijks iets af.De derde aanpassing betreft de arbeidskorting. Het kabinet stelt voor omde arbeidskorting te verhogen. Specifiek wordt het tweede knikpunt met€ 25 verhoogd en het derde knikpunt met € 27. Dit leidt tot een structurelederving van € 185 miljoen vanaf 2026.Verhogen tarief 1e en 2e schijf in de IB (compensatie zorgpremies)Met deze maatregel worden de tarieven in de 1e en 2e schijf verhoogd met0,05%-punt ter dekking van de compensatie zorgpremies.Verduidelijking fietsregeling loonbelastingAls een werkgever een fiets ter beschikking stelt aan een werknemer voorwerk én privédoeleinden, dan geldt er op jaarbasis een bijtelling van 7%van de waarde van de fiets. Dit geldt in ieder geval als een werknemer defiets kan gebruiken voor woon- werkverkeer. In de praktijk blijkt echter datdeze regeling tot onduidelijkheid leidt. Bijvoorbeeld bij hub-, dienst-, OV-en andere soorten deelfietsen die worden gebruikt voor woon-werkverkeer en overige zakelijke ritten.Het kabinet stelt voor om deze regeling op enkele punten te verduidelijkenen lichtelijk uit te breiden door voortaan geen bijtelling meer toe te passenop het incidenteel privégebruik van een deelfiets. Dit heeft verwaar-loosbare budgettaire gevolgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3112 Maatregelen lucratiefbelangregelingIn box 2 wordt belasting geheven over inkomen uit een «aanmerkelijkbelang». Er is sprake van een aanmerkelijk belang als een belasting-plichtige (al dan niet samen met een fiscaal partner) minimaal 5% van deaandelen of andere rechten in een vennootschap bezit. Binnen box 2gelden er specifieke regels voor een «middellijk gehouden lucratiefbelang». Dit is een specifiek soort belang waar sprake van is als eenbelastingplichtige bepaalde vermogensrechten (bijvoorbeeld aandelen)bezit, deze rechten mede zijn verkregen als beloning voor werkzaam-heden, deze beloning excessief is én de belastingplichtige deze rechtenheeft ondergebracht in een vennootschap waarin hij/zij een aanmerkelijkbelang heeft.Het kabinet stelt voor om in bepaalde situaties de grondslag voor eenzogenoemd lucratief belang te verbreden door middel van een multiplierin box 2 voor voordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang.Voorts stelt het kabinet in bepaalde situaties een verduidelijking voor vande fiscale behandeling van voordelen die belast worden als inkomen uitaanmerkelijk belang. Tot slot stelt het kabinet een maatregel voor om eenonwenselijke structuur te kunnen tegengaan in de lucratiefbelangregeling.Dit alles leidt tot een structurele opbrengst van € 45 miljoen vanaf 2026.Aanpassingen box 3Er worden twee aanpassingen voorgesteld voor box 3 in de IB. Allereerstwordt er voorgesteld om het forfait voor overige bezittingen (bijvoorbeeldaandelen) met 1,78% te verhogen naar 7,78%. Daarnaast wordt ervoorgesteld om het heffingvrije vermogen te verlagen naar € 51.396.Gezamenlijk leiden deze maatregelen tot een opbrengst van € 1.276miljoen in 2026 en 2027. Omdat vanaf 2028 naar verwachting het nieuwebox 3 stelsel op basis van werkelijk rendement wordt ingevoerd, leiden demaatregelen niet tot een structurele opbrengst.De verwachting is dat een deel van de belastingplichtigen die structureelmeer box 3-belasting gaat betalen het gedrag zal aanpassen doorbijvoorbeeld meer consumptie, schenkingen of giften, het verschuivenvan hoogrenderende naar laagrenderende beleggingen of het verplaatsenvan vermogen naar de vennootschap. In de raming is rekening gehoudenmet een beperkt gedragseffect van 20%. Dit is in lijn met het gedragseffec-tenmemo van het CPB.Uitsluiten niet-marktconform handelende gelieerde partijen vantoepassing leegwaarderatioDe waarde van woningen wordt binnen de IB en de schenk- en erfbe-lasting in beginsel vastgesteld op basis van de waardering onroerendezaken (WOZ) waarde. Voor woningen die worden verhuurd of verpachtgeldt echter een afwijkende regeling: de «leegwaarderatio». Met dezeregeling wordt de waarde van de woning vastgesteld op basis van eenpercentage van de WOZ-waarde. Het doel hiervan is om rekening tehouden met de effecten van huur of pacht op de waarde van de woning.Het kabinet stelt voor om gelieerde (verwante) partijen die eenniet-marktconforme (te lage) huurprijs gebruiken, uit te sluiten van deleegwaarderatio. Omdat dit een codificatie is van een eerdere uitspraakvan de Hoge Raad (HR) heeft dit geen budgettaire gevolgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3113 Reparatie box 3-tegenbewijsregeling voor obligaties en andere vermo-gensbestanddelen met kortlopende termijnenHet kabinet stelt voor om de berekening van het werkelijke rendement inde box 3-tegenbewijsregeling aan te passen. Aanleiding voor de voorge-stelde wijziging zijn publicaties waarin is gewezen op een mogelijkheidom de heffing in box 3 in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk teontwijken door de aankoop van obligaties met aangegroeide rente. Devoorgestelde maatregel zorgt ervoor dat een gemiste opbrengst wordtvoorkomen.Er is niet met zekerheid te zeggen hoeveel mensen gebruik zouden gaanmaken van dit lek. Het is echter aannemelijk dat door deze ontwijkingsmo-gelijkheid in 2025 de gemiste opbrengst een omvang van circa€ 100 miljoen zal hebben. Ook in de jaren daarna tot invoering van hetstelsel waarbij wordt geheven over het werkelijke rendement zou eengemiste opbrengst te verwachten zijn als gevolg van dit lek. Bij dezeinschatting is meegenomen dat belastingplichtigen die gebruik hebbengemaakt van de ontwijkingsmogelijkheid, het jaar daarop een extra hoogwerkelijk rendement hebben. Het is dus waarschijnlijk dat een deel van debelastingplichtigen die op de beschreven wijze in 2025 hun werkelijkerendement omlaag hebben gebracht, in 2026 niet opnieuw gebruikkunnen maken van de tegenbewijsregeling.Het materiële risico voor het EMU-saldo van het ongemoeid laten van ditheffingslek is significant. De budgettaire consequenties van de maatregelvoor specifiek het inkomstenkader worden echter op nul vastgesteld. DeWet tegenbewijsregeling box 3 inclusief geraamde derving is namelijkreeds vastgesteld. Ten tijde van het vaststellen van het budgettaire effectvan die wet was dit lek nog niet in beeld. Het kabinet wijst erop dat dituiteraard geen reden kan zijn om, nu het lek wel in beeld is, niet alsnogadequaat te handelen.Aanpassingen groen beleggenBij de behandeling van het Belastingplan 2025 is het amendement vanEijk-Nagel en Vermeer aangenomen. Met dit amendement wordt dewerkkostenregeling uitgebreid en dit wordt gedekt door de box 3vrijstelling en heffingskorting voor groen beleggen af te schaffen per2027. Er wordt voorgesteld om de inwerkingtreding van deze maatregelenuit te stellen met 1 jaar. Hierdoor wordt in 2027 de vrijstelling voor groenebeleggingen verlaagd naar € 200 (voor partners € 400) en de heffings-korting naar 0,1%. Dit leidt tot een incidentele derving van € 1 miljoen in2027.Akkoord «gezond naar pensioen»Het kabinet stelt voor om de huidige Regeling Vervroegde Uittreding(RVU) drempelvrijstelling te continueren. Deze vrijstelling houdt in dat alseen werknemer maximaal 3 jaar voor de AOW-leeftijd stopt, de werkgevertot een bedrag gelijk aan de AOW-uitkering geen pseudo-eindheffinghoeft te betalen over de uitkering die wordt betaald aan deze werknemer.Ook wordt voorgesteld om het drempelbedrag te verhogen met € 300bruto per maand. Om dit deels te dekken wordt het tarief verhoogd. Ditalles leidt tot een derving van € 22 miljoen in 2028, oplopend naar€ 34 miljoen structureel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3114 Versobering ETK regelingEr worden twee aanpassingen voorgesteld van de Extra TerritorialeKosten (ETK) regeling. Voor inkomende werknemers worden zowel deextra kosten van levensonderhoud én de vergoeding van extra gesprek-kosten met het herkomstland uit de regeling gehaald. Hierdoor kunnendeze kosten niet meer belastingvrij worden verstrekt door werkgevers aanwerknemers. Dit leidt tot een structurele opbrengst van € 21 miljoen vanaf2026.Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenvervoerVoor fossiele personenauto’s die vanaf 2027 voor eerst ter beschikkingworden gesteld aan werknemers voor privégebruik of woon-werk gaateen pseudo-eindheffing gelden in de loonbelasting. Bestaande gevallenworden gedurende de overgangstermijn niet geraakt. Deze overgangs-termijn geldt tot 17 september 2030: vanaf dat moment gaan alle fossielepersonenauto’s die voor privégebruik en woon-werk ter beschikkingworden gesteld, onder de pseudo-eindheffing vallen. Het belastingtariefbedraagt 12% over de cataloguswaarde voor personenauto’s tot 25 jaar of12% over de waarde economisch verkeer voor personenauto’s vanaf25 jaar.De pseudo-eindheffing leidt tot versnelling van de ingroei van volledigelektrische auto’s. Hierdoor zijn er minder inkomsten uit accijnzen en bpmvan fossiele auto’s, zogenaamde «grondslagerosie». Deze derving wordtvoor een deel gecompenseerd door de opbrengsten van de pseudo-eindheffing. Dit alles leidt tot een opbrengst van € 208 miljoen in 2026,aflopend naar een derving van € 43 miljoen structureel. De opbrengst in2026 komt door een anticipatie-effect van extra leasecontracten voorfossiele auto’s als gevolg van de samenhang van de verhoging vanmotorrijtuigenbelasting (mrb) tariefkorting voor emissievrije personen-auto’s en normering van de zakelijke leasemarkt.Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeenschap inde erf- en schenkbelastingGehuwden kunnen in het zicht van overlijden hun huwelijksgoederenge-meenschap zo aanpassen dat erfbelasting voor een groot deel wordtvermeden. Om dit te voorkomen stelt het kabinet een aanpassing voor,voor gemeenschappen met «ongelijke breukdelen». Dat zijn gemeen-schappen waarbij de verdeling tussen de partners anders is dan ieder dehelft (50–50). Hetzelfde wordt voorgesteld voor verrekenbedingen waarbijde partners een ongelijke aanspraak hebben op de te verrekenen som(anders dan 50–50).Er wordt voorgesteld dat er voortaan bij de ontbinding van een gemeen-schap met ongelijke breukdelen, belasting wordt geheven voor zover eenpartner meer dan 50% krijgt (idem voor ongelijke verrekenbedingen). Ditleidt tot een opbrengst van € 3 miljoen in 2026, oplopend naar€ 4 miljoen structureel.Schenkingen binnen 180 dagen voor overlijdenIn de erfbelasting geldt een fictiebepaling voor schenkingen die binnen180 dagen voor overlijden worden gedaan. Door deze bepaling wordendeze schenkingen in de erfbelasting betrokken. Daarnaast moet over dezeschenkingen schenkbelasting worden betaald die wordt verrekend met deerfbelasting. Deze bepaling is ingevoerd om te voorkomen dat bijschenkingen in het zicht van overlijden aan aanstaande erfgenamen, deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3115 verkrijgers dubbel gebruik kunnen maken van het verlaagde tarief en eenextra vrijstelling binnen de schenk- en erfbelasting.In de praktijk blijkt echter dat deze bepaling tot uitvoeringsproblemen leidtvoor burgers en de Belastingdienst. Om dit op te lossen stelt het kabinetvoor om de fictiebepaling dusdanig te wijzigen dat er geen aangifteschenkbelasting door de verkrijger, geen aanslag schenkbelasting door deinspecteur en geen verrekening van betaalde schenkbelasting met deerfbelasting meer nodig zijn. Dit heeft verwaarloosbare budgettairegevolgen.Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting van biologische kinderenmet kinderen die in familierechtelijke betrekking tot schenker of erflaterstaanHet kabinet stelt voor om uitsluitend biologische kinderen voor de schenk-en erfbelasting gelijk te stellen aan kinderen die in familierechtelijkebetrekking (juridische kinderen) tot een erflater of schenker staan. Metdeze voorgestelde wijziging kunnen biologische kinderen o.a. een beroepdoen op de kindvrijstellingen en lagere tarieven in de schenk- enerfbelasting. Hiermee wordt opvolging gegeven aan het arrest van6 september 2024, waarin de HR heeft geoordeeld dat het uitsluiten vanbiologische kinderen die «family life» hebben met hun biologische ouderin strijd is met het discriminatieverbod van het Europese Verdrag voor deRechten van de Mens (EVRM). De maatregel leidt tot een derving van€ 9 miljoen in 2026, aflopend naar € 7 miljoen structureel.Verlegging ingangsdatum berekenen belastingrente en verlengingaangiftetermijn erfbelastingDe aangiftetermijn van acht maanden na overlijden voor een aangifteerfbelasting blijkt in de praktijk vaak te kort. Belastingplichtigen kunnenverzoeken om uitstel voor het doen van aangifte tot maximaal twintigmaanden. Als uitstel wordt verleend, worden belastingplichtigengeconfronteerd met belastingrente. Het startmoment van de belasting-rente is namelijk gekoppeld aan de aangiftetermijn. Daarom stelt hetkabinet voor om de aangiftetermijn erfbelasting te verlengen naar twintigmaanden. Hieraan verbonden wordt voorgesteld om het startmoment vande belastingrente bij de erfbelasting te verleggen naar twintig maanden.Dit leidt tot een derving van € 1 miljoen in 2026, oplopend naar€ 15 miljoen structureel.Emissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrije motorrijwielenHet kabinet stelt voor om de belasting van personenauto’s en motorrij-wielen (bpm) voor emissievrije bijzondere personenauto’s en motorrij-wielen tijdelijk te verlagen. Hierdoor zullen de emissievrije bijzonderepersonenauto’s tot en met 2030 alleen een vaste voet van € 667verschuldigd zijn. Emissievrije motorrijwielen zijn alleen een vaste voetvan € 200 verschuldigd. Dit leidt tot een derving van € 9 miljoen in 2026,aflopend naar € 5 miljoen in 2027 t/m 2030 en structureel nul.Autonome vergroeningVanwege de jaarlijkse afname van de CO2-uitstoot van nieuwe conventi-onele personenauto’s (autonome vergroening) stelt het kabinet voor omde CO2 schijfgrenzen en tarieven van de bpm aan te passen. Doordat dezeaanpassingen zo worden vormgegeven dat de inkomsten per auto gelijkblijven, heeft dit geen budgettaire gevolgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3116 Tariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije personenauto’sHet kabinet stelt voor om de bestaande tijdelijke tariefkorting vooremissievrije personenauto’s in de mrb te verhogen. Hierdoor wordt dekorting 30% voor de periode 2026 t/m 2028 en 25% in 2029. Dit leidt toteen derving van € 30 miljoen in 2026, oplopend naar een opbrengst van€ 1 miljoen structureel.Kwarttarieven motorrijtuigenbelastingBinnen de mrb zijn er nog twee kwarttarieven voor bijzondere categorieënmotorrijtuigen. Het gaat om motorrijtuigen die zijn ingericht als werktuigof als werkplaats en motorrijtuigen die worden gehouden door kermis- ofcircusexploitanten en worden gebruikt voor het vervoer van kermis- ofcircusbenodigdheden. Het kabinet stelt voor om deze kwarttarieven af teschaffen. Dit heeft verwaarloosbare budgettaire gevolgen.Ophoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leidingwaterDe belasting op leidingwater heeft op dit moment een heffingsplafondvan 300 m3. Dit zorgt ervoor dat gebruikers van leidingwater alleenbelasting betalen over de eerste 300 m3 water. Dit leidt ertoe dat debelasting met name wordt betaald door huishoudens. Het kabinet steltvoor om dit heffingsplafond stapsgewijs af te schaffen. Dit leidt tot eenopbrengst van € 64 miljoen in 2026, oplopend naar € 105 miljoenstructureel.Hervormingen afvalstoffenbelastingHet kabinet stelt voor om meerdere hervormingen door te voeren in deafvalstoffenbelasting (ASB) van 2027. Als eerste wordt voorgesteld omeen apart tarief in de ASB in te voeren voor storten met een ontheffing,wat hoger komt te liggen dan het bestaande tarief voor verbranding. Ookwordt voorgesteld om de vrijstelling voor zuiveringsslib af te schaffen. Alslaatste wordt voorgesteld om het algemene tarief te verhogen. Daarnaastworden 3 maatregelen voorgesteld binnen de CO2-heffing voor AVI’s. Erwordt voorgesteld om het tarief te verhogen naar € 295 per ton in 2030,de dispensatierechten af te bouwen naar 0 in 2033 en de terugsluis van deCO2-heffing af te schaffen. Deze maatregelen leiden tot een opbrengst van€ 107 miljoen in 2027, oplopend naar € 567 miljoen structureel.Bij de raming van dit pakket is rekening gehouden met verschillendegedragseffecten. Op basis van de prijselasticiteiten uit de evaluatieafvalstoffenbelasting is berekend hoeveel de grondslag van verbrand engestort afval afneemt ten gevolge van de maatregelen in de afvalstoffen-belasting. Een stijging van de CO2-heffing zorgt voor een toename van heteffectieve tarief voor verbranden. Daarom is via de prijselasticiteiten uit deevaluatie afvalstoffenbelasting ook de impact van maatregelen in deCO2-heffing op de grondslag van de afvalstoffenbelasting en de impactvan de maatregelen rond het verbranden van afval op de grondslag vande CO2-heffing meegenomen. Op basis van het Trinomics rapport is deverwachting dat de volledige importstroom van afval wegvalt nadoorvoering van dit maatregelenpakket. De verwachting is dat de helftvan de importstroom wegvalt in het basispad door de reeds voorge-nomen stijging van de CO2-heffing en de rest van de importstroom valtnaar verwachting weg na doorvoering van dit maatregelenpakket. Voorstorten- met-ontheffing is rekening gehouden met een verplaatsing van degrondslag van storten-met-ontheffing naar verbranden, omdatverbranden relatief goedkoper wordt. Daarnaast is voor storten-met-ontheffing op basis van de prijselasticiteiten uit de evaluatie afvalstoffen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3117 belasting berekend hoeveel de grondslag afneemt ten gevolge van degestegen kostprijs voor het verwerken van afval. Tot slot is voor zuive-ringsslib rekening gehouden met een verplaatsing van een deel van hetaanbod van zuiveringsslib in binnenlandse AVI’s naar buitenlandsemonoverbranders.Aanpassingen CO2-heffing industrieVoor de CO2-heffing industrie wordt voorgesteld om het tarief generiek teverlagen. Dit leidt tot een derving van € 17 miljoen in 2025, oplopend naar€ 125 miljoen in 2028. Structureel hebben de maatregelen geen budget-taire gevolgen.Belastingvermindering energiebelastingDe energiebelasting kent een belastingvermindering. Dit is een vastbedrag wat per jaar in mindering wordt gebracht op de energierekeningongeacht hoeveel elektriciteit of aardgas er is gebruikt door de gebruiker.Het kabinet stelt voor om deze belastingvermindering taakstellend teverhogen. Dit leidt tot een structurele derving van € 100 miljoen vanaf2026.Aanpassing zuiveldefinitieOp alcoholvrije dranken zoals frisdrank en vruchtensappen wordtverbruiksbelasting geheven. Zuivel- en sojadranken zijn echter vrijgesteld.Door een klein beetje zuivel toe te voegen aan een drank is het mogelijkom deze onder de vrijstelling te brengen en zo de belasting te omzeilen.Het kabinet stelt voor om de zuiveluitzondering aan te passen om dit aante pakken. Daarnaast worden ook zuivel- en sojadranken zoals chocolade-en frambozenmelk voortaan belast met verbruiksbelasting. Dit leidt toteen structurele opbrengst van € 41 miljoen vanaf 2027. De voorgesteldewijziging van de term limonade heeft geen inhoudelijke of budgettairegevolgen.Koopkrachtmaatregel BES-eilandenHet kabinet stelt voor om de tarieven van de IB op Bonaire, Sint Eustatiusen Saba (de BES-eilanden) te wijzigen. Specifiek wordt er voorgesteld omhet tarief van de eerste schijf te verlagen en het tarief voor de tweedeschijf te verhogen. Dit wordt zo vormgegeven dat de derving die ontstaatdoor de verlaging van het eerste schijf tarief wordt gedekt door deverhoging van het tweede schijf tarief. Hierdoor is het voorstel budgettairneutraal.Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPGIn 2022 is er vanwege de energiecrisis besloten om de accijnstarievenvoor benzine, diesel en liquefied petroleum gas (LPG) tijdelijk te verlagen.Het doel van deze tijdelijke steunmaatregel was om de gevolgen van dehoge energieprijzen te dempen. Vanaf 1 juli 2023 is deze verlaginggedeeltelijk afgelopen. Het kabinet stelt voor om de huidige, verlaagdeaccijnstarieven met een jaar te verlegen. Hierdoor geldt de verlaging tot1 januari 2027. Dit leidt tot een incidentele derving van € 1.716 miljoen in2026.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3118 7. Grenseffecten Wanneer er sprake is van grenseffecten van een maatregel, wordt dathieronder toegelicht. Wordt een maatregel niet toegelicht in dezeparagraaf, dan zijn er geen noemenswaardige grenseffecten.Hervormingen afvalstoffenbelastingExport van afval, waarbij de afvalstoffen in het buitenland verbrand ofgestort worden, wordt belast onder de afvalstoffenbelasting (artikel 23,eerste lid 1, onderdeel c Wet belastingen op milieugrondslag), daarnaastis grensoverschrijdend transport onderhevig aan de regels van deEuropese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA). Export vanafval naar cementovens in het buitenland wordt niet belast binnen deafvalstoffenbelasting en kan mogelijk toenemen door een poorttariefver-hoging. Volgens de impactanalyse van Trinomics176 is de belangrijkstebarrière voor het opschalen van export naar cementovens het feit datafval moet worden verwerkt om te voldoen aan specifieke kwaliteits-normen, zowel in termen van calorische waarde als verontreinigingsni-veaus, voordat het kan worden gebruikt als brandstof bij cementpro-ductie. Deze voorbehandeling vereist extra infrastructuur en economischekosten, die niet altijd beschikbaar is, vooral niet bij het omgaan metgemengde of sterk verontreinigde afvalstromen. Bovendien willencementovens over het algemeen niet te sterk vertrouwen op brandstoffenuit afval, vanwege bezorgdheid over de leveringszekerheid en consistentiein vergelijking met conventionele brandstoffen. Deze factoren beperkensamen de schaal waarop afval momenteel wordt omgeleid naar cement-ovens, ondanks hun theoretisch potentieel en beschikbare capaciteit.Daarnaast is er een mogelijkheid tot illegale export van afval naar hetbuitenland, dit is ook afhankelijk van handhaving hierop. Door de sector iserop gewezen dat bij export afval in het buitenland mogelijk mindermilieuvriendelijk wordt verwerkt, waardoor er op mondiaal niveau eenverslechtering zou kunnen optreden.Daarnaast zorgt de verhoging van de poorttarieven, als gevolg van deaanpassingen in de afvalstoffenbelasting, ervoor dat de prikkel om terecyclen in het buitenland zal toenemen ten opzichte van de verwerkingvan afval in Nederland. Bij export van afval dat in het buitenlandgerecycled wordt is in beginsel geen afvalstoffenbelasting verschuldigd.Wel wordt afvalstoffenbelasting buitenland geheven over hetrecyclingresidu dat uiteindelijk wordt verbrand in installaties waar ookhuishoudelijke afvalstoffen of gemengd bedrijfsafval en gemengdsorteerresidu mogen worden verbrand. Nederlandse recyclers krijgen alsgevolg van de tariefverhoging in de afvalstoffenbelasting te maken methogere verbrandingskosten van hun recyclingsresidu, terwijl buitenlandserecyclers meer mogelijkheden hebben om deze kostenstijging tevermijden. Tot slot zal de import van buitenlandse afvalstoffen, zoalsomschreven in paragraaf 5.19 fors afnemen als gevolg van deze maatre-gelen.Omdat het belastingtarief voor storten-met-ontheffing hoger komt teliggen dan het tarief voor het overbrengen van afval naar het buitenland,ontstaat een prikkel voor ontdoeners met een ontheffingsvergunning omhet afval te exporteren.Aanpassingen CO2-heffing industrieDe CO2-heffing wordt voor ETS1- en lachgasinstallaties per 2026 verlaagden komt – vanwege de systematiek van de carry back – per saldo op nihil176Zie bijlage bij pakket Belastingplan 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3119 uit. Hierdoor nemen de lasten voor deze bedrijven af, wat het risico opweglek verkleint.Export van afval wordt onder de CO2-heffing niet belast, in tegenstellingtot bij de afvalstoffenbelasting. In hoeverre de aanscherping van deCO2-heffing leidt tot extra export, hangt van verschillende factoren af.AVI’s met een hoog gebruik van CCS kunnen de CO2-heffing (grotendeels)vermijden, waardoor de impact op het poorttarief beperkt is en depoorttarieven vergelijkbaar zijn met wat het zou kosten om het afval inbuitenlandse AVI’s te belasten. In dat geval is een toename van export nietwaarschijnlijk. Bij AVI’s met een beperkt CCS-potentieel, kan deaanscherping van de CO2-heffing wel leiden tot hogere poorttarieven,waardoor het afval mogelijk voor een deel wordt geëxporteerd naar hetbuitenland dan wel de huidige import van buitenlands afval afneemt. Eengedeeltelijke verschuiving van de afvalstromen naar Duitsland, en inbeperkte mate Zweden, is denkbaar, omdat deze landen over vrijecapaciteit beschikken. Er zijn tegelijkertijd enkele factoren die de gevolgenvoor de uitvoer van afvalstoffen kunnen verminderen: langetermijncon-tracten kunnen de poorttarieven tijdelijk lager houden, bepaaldecontracten met gemeenten beperken de export van afvalstoffen naar hetbuitenland, AVI’s die verder van de landsgrenzen verwijderd zijn mindergeneigd te exporteren vanwege de vervoerskosten en sommige landenverbieden de import van specifieke afvalstromen (zoals Polen).Aanpassing zuiveldefinitieHet aanpassen van de zuiveluitzondering in de verbruiksbelasting vanalcoholvrije dranken leidt ertoe dat alcoholvrije dranken die ten gevolgevan de voorgestelde wijziging niet langer onder de zuiveluitzonderingvallen, worden belast met verbruiksbelasting. Het gaat hierbij omalcoholvrije dranken als vruchten- en groentesappen met een vleugjezuivel, frisdrank met een vleugje zuivel, zuiveldranken die zijn gezoet ofgearomatiseerd of waaraan smaak- of geurstoffen zijn toegevoegd ensojadranken met een suiker- of verzadigd vetgehalte boven de voorge-stelde hoeveelheid. De verbruiksbelasting voor deze dranken gaat € 26,13per hectoliter bedragen (dus € 0,26 per liter), net als voor de alcoholvrijedranken die op dit moment al onder de verbruiksbelasting vallen.Producenten kunnen ervoor kiezen deze belastingverhoging geheel ofgedeeltelijk door te berekenen in de prijs, wat een prijsstijging voor dezedranken kan betekenen. Prijsstijgingen in Nederland kunnen leiden totprijsverschillen met onze buurlanden. Naar verwachting kent hetaanpassen van de zuiveluitzondering geen of slechts in geringe mategrenseffecten aangezien het om een beperkte hoeveelheid alcoholvrijedranken gaat die mogelijk beperkt in prijs worden verhoogd.Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPGTen opzichte van het basispad (de situatie waarin de accijnstarieven per1 januari niet langer zouden worden verlaagd) zorgt de maatregel voorgrenseffecten. Door de lagere accijnstarieven zullen meer consumenten inNederland tanken of minder Nederlandse consumenten over de grenstanken. Ten opzichte van 2025 is het daarentegen juist de verwachting datde maatregel geen groot effect heeft op het grensoverschrijdendetankverkeer, aangezien de tarieven hetzelfde blijven. Overigens kunnenook andere factoren dan deze maatregel het grensverkeer beïnvloeden,zoals maatregelen die in buurlanden worden genomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3120 8. EU-aspecten Wanneer er sprake is van Europeesrechtelijke aspecten van eenmaatregel, wordt dat hieronder toegelicht. Wordt een maatregel niettoegelicht in deze paragraaf, dan zijn er geen noemenswaardigeEuropeesrechtelijke aspecten. Het lid Vlottes heeft op 12 november 2024via een motie de regering verzocht om bij aanpassingen van het belas-tingstelsel rechtsvergelijkend onderzoek te doen per maatregel en deKamer hierover te informeren177. Daarbij geeft de indiener aan dat hetvoor fiscale regelingen van belang is te weten hoe die zich verhouden ininternationaal en Europees verband. Het doen van een rechtsvergelijkendonderzoek per maatregel acht het (demissionaire) kabinet voor veelmaatregelen niet nodig en doet bovendien een groot beroep op wetge-vingscapaciteit. Voor zover er noemenswaardige Europeesrechtelijke ofinternationale aspecten zijn worden die vanzelfsprekend meegenomen inhet wetgevingstraject en in deze paragraaf benoemd. Aanvullend daaropkan eventueel alsnog gekozen worden voor een rechtsvergelijkendonderzoek. Voor fiscale regelingen in het bijzonder geldt bovendien datinternationale en Europese aspecten, indien relevant, meegenomenworden bij evaluaties.Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenvervoerNaar verwachting komt de Europese Commissie eind 2025 of begin 2026met een voorstel om het zakelijke wagenpark te verduurzamen, «GreeningCorporate Fleets». De precieze maatregelen en de afbakening hiervan zijnnog niet duidelijk. Zodra de Europese Commissie met een voorstel komt,zal ook bekeken worden wat dit betekent voor de pseudo-eindheffing inhaar voorgestelde vorm. Op dit moment wordt er niet voor gekozen omdit voorstel af te wachten. Dit komt omdat het doel van het voorliggendewetsvoorstel is om per 2027 een sterke gedragsverandering te veroor-zaken, met het oog op het wettelijk klimaatdoel van 55% emissiereductiein 2030 (ten opzichte van het niveau in 1990). Indien gewacht wordt tot hetvoorstel van de Europese Commissie gaat waardevolle tijd verloren. Hoeeerder wordt gestart met deze maatregel, hoe groter het effect op deemissiereductie is.Aanpassing zuiveldefinitieDe verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is een nationale belasting.De EU-kaders laten nationale lidstaten de ruimte om, onder voorwaarden,dergelijke belastingen in te richten.178 Voorliggende wijzigingen zien opde inrichting van de al bestaande belasting. De vormgeving van dezuiveluitzondering wordt zodanig aanpast dat minder alcoholvrije drankenvan de verbruiksbelasting worden uitgezonderd en er vindt een tekstueleaanpassing plaats door de vervanging van het begrip limonade door het177Kamerstukken II 2024/25, 36 602 nr. 100.178Zie Richtlijn (EU) 2020/262 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemeneregeling inzake accijns (PbEU 2020, L 58), ofwel de horizontale accijnsrichtlijn. Deze richtlijnbiedt lidstaten de mogelijkheid om zelf verbruiksbelastingen in te voeren op andereproducten dan accijnsgoederen, waarbij twee voorwaarden gelden: 1) de belasting mag niethet karakter hebben van een omzetbelasting (btw), waaronder wordt verstaan een belastingover de verkoopwaarde van goederen en diensten (omzet), en 2) de belasting mag in hethandelsverkeer tussen lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met hetoversteken van een grens. Daarnaast geldt het algemeen kader van het Verdrag betreffendede werking van de Europese Unie (VWEU) dat stelt dat geen sprake mag zijn van fiscalediscriminatie. Dit betekent dat producten afkomstig van buiten Nederland niet meer mogenworden belast dan producten die geproduceerd zijn in Nederland. Ook kan fiscale discrimi-natie aan de orde zijn als producten niet op basis van objectieve kenmerken worden belast,met als gevolg dat er feitelijk alsnog geografisch wordt gediscrimineerd. Ook geldt hetstaatssteunkader, zoals bij alle nationale belastingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3121 begrip overige alcoholvrije dranken. Door de aanscherping van dezuiveluitzondering geldt dat over alcoholvrije dranken die na de inwer-kingtreding van de wijziging niet langer van de verbruiksbelasting zijnuitgezonderd, voortaan verbruiksbelasting is verschuldigd. Dat geldtzowel voor alcoholvrije dranken die in Nederland zijn geproduceerd alsvoor dranken die vanuit andere landen naar Nederland worden overge-bracht of geïmporteerd.9. Gegevensbescherming Wanneer er sprake is privacy aspecten van een maatregel, wordt dathieronder toegelicht. Wordt een maatregel niet toegelicht in dezeparagraaf, dan zijn er geen noemenswaardige privacy aspecten.Over het volledige pakket Belastingplan 2026 is advies gevraagd aan deAutoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP heeft aangegeven geenopmerkingen te hebben bij de teksten van het BP 2026. Het volledigeadvies is opgenomen als bijlage bij dit wetsvoorstel.Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting van biologische kinderenmet kinderen die in familierechtelijke betrekking staanEr is één voorgestelde maatregel waarbij wel aspecten van privacy engegevensbescherming aan de orde zijn. Dit betreft de uit de jurisprudentievan de HR179 voortvloeiende maatregel tot gelijkstelling voor de schenk-en erfbelasting van biologische kinderen die niet in familierechtelijkebetrekking tot de ouder staan met kinderen die wel in familierechtelijkebetrekking tot die ouder staan in het voorgestelde artikel 19, eerste lid,onderdeel f, juncto derde lid, SW 1956. De Belastingdienst beschikt nietover de expertise om te beoordelen of sprake is van biologisch ouder-schap. Juist omdat in deze situaties geen sprake is van juridisch ouder-schap zijn er geen andere bronnen voorhanden waarmee de Belasting-dienst zou kunnen controleren of sprake is van biologisch ouderschap.Daarom wordt verlangd dat het kind dat biologische ouderschap met deuitslag van een genetische test (DNA-test) kan aantonen. Deze uitslag vaneen DNA-test, waaruit blijkt dat sprake is van een biologische ouder-kindrelatie, is een persoonsgegeven dat de Belastingdienst verwerkt bij debeoordeling of een belastingplichtige terecht een beroep doet op degelijkstelling. Het voorschrift dat het biologische ouderschap uit de uitslagvan een genetische test blijkt, is nodig omdat een dergelijke test de enigemanier om biologisch ouderschap te kunnen vaststellen. Het aanleverenvan de uitslag van de DNA-test voor het doen blijken van ouderschap isproportioneel nu de belastingplichtige aanspraak kan maken op eenruimere vrijstelling en lagere tarieven en er geen minder verstrekkendemanier is om de verwantschap te doen blijken. Deze inbreuk op de privacywordt gerechtvaardigd door de ruimere vrijstelling en het lagere tarief dattoegepast wordt in combinatie met het ontbreken van alternatieven dieeen kleinere inbreuk zijn. Gelet op het door de Algemene VerordeningGegevensbescherming (AVG) voorgeschreven vereiste van dataminimali-satie zal de Belastingdienst niet meer persoonsgegevens opvragen danstrikt noodzakelijk om het beroep van de belastingplichtige op degelijkstelling te kunnen toetsen. Daarom hoeft aan de Belastingdienst nietde integrale genetische test te worden overlegd, het gaat om de uitslagvan deze test met betrekking tot het biologische ouderschap.AVGVoorgenomen wet- en regelgeving inzake de verwerking van persoonsge-gevens dient te worden getoetst aan de beginselen in en eisen van de179HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1130.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3122 AVG. Persoonsgegevens moeten volgens de AVG allereerst wordenverwerkt op een wijze die ten aanzien van een betrokkene rechtmatig,behoorlijk en transparant is. Voor een rechtmatige verwerking van allepersoonsgegevens is een grondslag vereist op grond van artikel 6, eerstelid, onder e, AVG. Deze grondslag berust op het voorgestelde artikel 19,eerste lid, onderdeel f, in combinatie met het derde lid, SW 1956. Deverwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeenbelang, te weten de juiste uitvoering van de SW 1956. Omdat erbijzondere persoonsgegevens (de genetische gegevens) worden verwerkt,dient rekening gehouden te worden met het verbod voor de verwerkingvan bijzondere persoonsgegevens, zoals opgenomen in artikel 9, eerstelid, AVG.De grondslag voor de verwerking van de genetische gegevens vloeit voortuit de combinatie van het voorgestelde artikel 19, eerste lid, onderdeel f,en derde lid, SW 1956 en de uitzonderingsgrond in artikel 9, tweede lid,onder g, AVG (lidstatelijk recht) en artikel 28, eerste lid, UitvoeringswetAlgemene verordening gegevensverwerking (UAVG). In dit artikel isbepaald dat het verbod om genetische gegevens te verwerken niet vantoepassing is, indien deze verwerking plaatsvindt met betrekking tot debetrokkene bij wie de desbetreffende gegevens zijn verkregen. Bij dezemaatregel is het de belastingplichtige die deze gegevens heeft verstrektom een beroep te kunnen doen op de gelijkstelling voor de schenk- en/oferfbelasting. De beoogde verwerkingen door de Belastingdienst vindenenkel plaats voor zover dit noodzakelijk is voor het beoordelen van hetberoep op de gelijkstelling. Omdat er geen andere manier is om biolo-gische verwantschap te doen blijken, en sprake moet zijn van eenbiologische ouder/kindrelatie om voor de schenk- en erfbelastinghetzelfde behandeld te worden als een kind dat in familierechtelijke zinkind is van een schenker of erflater, is de uitslag van een genetische testbenodigd voor een juiste belastingheffing.De bepaling is verder voldoende duidelijk en nauwkeurig, zodat detoepassing ervan voldoende voorspelbaar is en in de nodige waarborgenwordt voorzien. De toepassing is gekoppeld aan het beoordelen van hetberoep op de gelijkstelling door de belastingplichtige. Persoonsgegevensmogen volgens de AVG slechts worden verwerkt voor welbepaalde,uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden en mogenvervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijzeworden verwerkt (doelbinding). Uit de bepaling volgt dat deze gegevens,in dit kader de uitslag van de DNA-test, slechts worden verwerkt tenbehoeve van het uitvoeren van de genoemde maatregel.De Belastingdienst zal bij de verwerking van de gegevens tevens voorzienin de borging van de benodigde gegevensbeschermingsbeginselen uit deAVG, zoals opslagbeperking, integriteit en vertrouwelijkheid. Zo houdt deBelastingdienst zich aan de voorschriften uit de Archiefwet 1995 en deBaseline Informatiebeveiliging Overheid.WaarborgenIn de praktijk zal een belastingplichtige die niet in familierechtelijkebetrekking tot zijn ouder staat en in de aangifte schenk- of erfbelasting eenberoep doet op de toepassing van de kindvrijstelling en lagere tarievenworden gevraagd om de uitslag van de genetische test te overleggen. Hetopvragen van de uitslag van een genetische test zal alleen plaatsvindendoor medewerkers die werkzaam zijn bij de Belastingdienst eenheidParticulieren unit schenk- en erfbelasting en inzage is voorbehouden aandeze medewerkers. Het aanleveren van de uitslag van de genetische testdoor de belastingplichtige zal plaatsvinden op de gebruikelijke wijze,waarbij de belastingplichtige kan kiezen voor een beveiligde methode.Hier wordt de belastingplichtige ook op gewezen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3123 10. Doenvermogen Per maatregel is een inschatting gemaakt van de «doenlijkheid». Het gaater dan om in hoeverre een maatregel (direct) kan leiden tot (problema-tische) belasting van het doenvermogen van de betreffende burgers ofondernemers. Deze inschatting is gemaakt door de dossierhouder inoverleg met de gedragsexperts. Er is hierbij geen aanvullend empirischonderzoek gedaan en/of contact geweest met burgers over de inschat-tingen van de doenlijkheid.Bij het doenvermogen wordt gekeken naar een aantal factoren zoals:•op welke groep burgers of ondernemers is het wetsvoorstel vantoepassing,•welke extra acties worden er van deze doelgroep gevraagd tenopzichte van de huidige situatie, en•in hoeverre kunnen deze acties samenvallen met omstandigheden diehet doenvermogen kunnen inperken, zoals financiële stress en lifeevents.•in hoeverre de maatregel bij specifieke groepen kan leiden tot (eenverergering) van financiële stress en onzekerheid.Bij maatregelen die enkel betrekking hebben op grote of middelgroteondernemingen die gebruik maken van professionele fiscale adviseurs enbij maatregelen die geen extra acties vergen (zoals een technischewijziging of parameterwijziging) wordt door middel van de doenvermo-genscan de inschatting gegeven dat doenvermogen hierbij geenaandachtspunt zal zijn. Bij overige maatregelen zijn er drie oordelenmogelijk:•de maatregel doet een kleiner beroep op het doenvermogen,•de maatregel doet een groter beroep op het doenvermogen maar dit isgeen aandachtspunt want de doelgroep zal naar verwachting dezebenodigde acties goed kunnen uitvoeren,•de maatregel doet een groter beroep op het doenvermogen en dit iswel een aandachtspunt.Elke maatregel krijgt derhalve één van de volgende vier oordelen:–Oordeel 1: doenlijkheid niet relevant of onveranderd; wanneer demaatregel ten opzichte van de huidige situatie geen extra acties vergtvan mensen, enkel grote ondernemingen raakt, of een technischewijziging betreft–Oordeel 2: kleiner beroep op het doenvermogen van belastingplichti-gen; wanneer de maatregel ten opzichte van de huidige situatie (i)minder acties vergt, (ii) minder problematische samenloop heeft metstressvolle omstandigheden en/of andere wet- en regelgeving, (iii)zorgt voor minder financiële stress en onzekerheid,–Oordeel 3: groter beroep op het doenvermogen van belastingplichti-gen, geen aandachtspunt; Wanneer de maatregel ertoe leidt dat (eendeel van) de doelgroep meer acties moet nemen, maar zij dit naarverwachting goed zullen kunnen. Dit kan o.a. het geval zijn wanneer degevergde acties beperkt zijn in aantal en complexiteit, en/of wanneerdeze acties niet samenvallen met stressvolle omstandigheden enlevensgebeurtenissen.–Oordeel 4: groter beroep op het doenvermogen van belastingplichti-gen, wel aandachtspunt; wanneer de maatregel ertoe leidt dat(een deelvan) de doelgroep meer acties moet nemen, en zij dit naar verwachtingniet (altijd) goed kunnen/zullen uitvoeren. Dit kan o.a. het geval zijnwanneer de gevergde acties talrijk en/of complex zijn, en/of wanneerdeze acties samenvallen met stressvolle omstandigheden en levensge-beurtenissen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3124 Tabel 14: doenvermogenMaatregelOordeelInkomensbeleidOordeel 1Verduidelijking fietsregelingOordeel 2Maatregelen lucratiefbelangregelingOordeel 3Aanpassingen box 3Oordeel 3Uitsluiten niet-marktconform handelende gelieerde partijen vantoepassing leegwaarderatioOordeel 3Reparatie tegenbewijsregeling box 3 voor obligaties en anderevermogensbestanddelen met kortlopende termijnenOordeel 1Aanpassingen groen beleggenOordeel 1Akkoord «gezond naar pensioen»Oordeel 1Versobering ETK regelingOordeel 3Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenver-voerOordeel 3Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeen-schapOordeel 1Schenkingen binnen 180 dagen voor overlijdenOordeel 2Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting van biologischekinderenOordeel 3Verlegging ingangsdatum berekenen belastingrente en verlengingaangiftetermijn erfbelastingOordeel 2Emissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrije motorrij-wielenOordeel 1Autonome vergroeningOordeel 1Tariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije personenauto’sOordeel 1Kwarttarieven motorrijtuigenbelastingOordeel 1Ophoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leidingwaterOordeel 1Hervormingen afvalstoffenbelastingOordeel 1Aanpassingen CO2-heffing industrieOordeel 1Belastingvermindering energiebelastingOordeel 1Aanpassing zuiveldefinitieOordeel 1Koopkrachtmaatregel BES-eilandenOordeel 1Verlengen accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPGOordeel 1 InkomensbeleidDe maatregelen waarbij het aangrijpingspunt van het toptarief wordtaangepast, het tarief in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbe-lasting wijzigt en de tabelcorrectiefactor beperkt wordt toegepast, wordenautomatisch toegepast en vergen geen handelingen van belastingplich-tigen. Hierdoor is doenvermogen geen aandachtspunt bij deze wijzi-gingen.Verduidelijking fietsregeling loonbelastingDeze maatregel heeft een positief effect op de doenlijkheid. Werkgeverszullen hierdoor minder vaak loonheffingen verschuldigd zijn als zij eenfiets ter beschikking stellen aan hun werknemer die niet meer danbijkomstig bij het woon- of verblijfadres van die werknemer wordtgestald. Verder doet de nieuwe wetgeving een kleiner beroep op hetdoenvermogen van werkgevers en werknemers in termen van hetbijhouden van type gebruik van de fiets.Maatregelen lucratiefbelangregelingDe voorgestelde maatregelen hebben beperkte gevolgen voor hetdoenvermogen. Het zwaarder belasten van voordelen uit een middellijkgehouden lucratief belang vereist een juiste verwerking door de belasting-plichtige in de aangifte inkomstenbelasting. Het gaat hier echterdoorgaans om belastingplichtigen die worden bijgestaan door eenadviseur. De maatregel waarmee een ongewenste structuur wordttegengegaan is meer technisch van aard, heeft geen invloed op hetdoenvermogen en raakt een zeer beperkte doelgroep.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3125 Aanpassingen box 3Door de voorgestelde verlaging van het heffingvrije vermogen is eengrotere groep burgers belasting verschuldigd over box 3-inkomen. Dezeburgers zijn echter nu al aangifteplichtig in verband met de beschikkingrendementsgrondslag voor de vermogenstoets voor inkomensafhanke-lijke regelingen. De beschikking rendementsgrondslag wordt vastgesteldbij een box 3-vermogen van € 37.395 (bedrag 2025) of hoger. De verlagingvan het heffingvrije vermogen tot € 51.396 zorgt daarom niet vooraanvullende verplichtingen voor burgers, aangezien de betreffendeburgers nu al hun box 3-vermogen moeten opgeven voor het vaststellenvan de beschikking rendementsgrondslag. Wel zal de maatregel ertoeleiden dat meer belastingplichtigen onderaan de streep een betalingzullen moeten doen aan de Belastingdienst, wat enig doenvermogenvergt. De verwachting is dat de meeste mensen in deze populatie hiertoegoed in staat zullen zijn.Uitsluiten niet-marktconform handelende gelieerde partijen vantoepassing leegwaarderatioDe maatregel betreft de codificatie van arresten van de HR. Hierbij wordengeen extra acties gevergd van de belastingplichtige en er zijn dus geenimplicaties qua doenlijkheid.Reparatie box 3-tegenbewijsregeling voor obligaties en andere vermo-gensbestanddelen met kortlopende termijnenEen belastingplichtige die gebruik wil maken van de box3-tegenbewijsregeling is verantwoordelijk voor het opgeven van hetwerkelijke rendement. De belastingplichtige zal zelf gegevens die relevantzijn voor het werkelijke rendement moeten verzamelen en opgeven. Doorde wijzigingen in dit wetsvoorstel wordt een extra beroep op hetdoenvermogen gedaan, omdat de regels voor het bepalen van hetwerkelijke rendement ingewikkelder worden. Dit komt door de terugwer-kende kracht en het overgangsrecht, waardoor de belastingplichtige zalmoeten bepalen welk regime van toepassing is. Bovendien gaat eenandere waarderingsregel gelden voor het bepalen van het werkelijkerendement in de tegenbewijsregeling dan geldt voor het bepalen van hetforfaitaire rendement. Dit zorgt voor complexiteit voor belastingplichtigen.Op de gehele box 3-tegenbewijsregeling betreft het echter een kleinewijziging. Belastingplichtigen moeten ook nu al kennis nemen van deregels voor het bepalen van het werkelijke rendement, waardoor geensprake is van extra gevraagde acties. Bij het uitvragen van het werkelijkerendement zal de belastingplichtige zo goed mogelijk worden geholpendoor middel van toelichtende hulpteksten.Aanpassingen groen beleggenDe voorgestelde maatregel heeft geen invloed op het doenvermogen vanbelastingplichtigen. Het gaat hier namelijk slechts om een aanpassing vanhet bedrag van de vrijstelling en het percentage van de heffingskorting.Ook wordt de datum van afschaffing met een jaar opgeschoven. Belas-tingplichtigen hoeven geen actie te ondernemen naar aanleiding van ditvoorstel.Akkoord «Gezond naar het pensioen»Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat de bestaande tijdelijkeRVU-drempelvrijstelling vanaf 2026 in stand blijft. Naar verwachting is hetberoep op het doenvermogen hiervan beperkt. De bestaande systematiekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3126 wordt – behoudens een technische aanpassing in de berekeningssyste-matiek van de RVU-drempelvrijstelling – ongewijzigd voortgezet. Welhebben sociale partners zich gecommitteerd in het akkoord «Gezond naarhet pensioen» om de RVU-drempelvrijstelling gerichter in te zetten voorwerknemers met zwaar werk die niet gezond kunnen doorwerken tot deAOW-leeftijd. In de arbeidsvoorwaardelijke overleggen over deRVU-drempelvrijstelling vraagt dat om een extra inspanning om de inzetvan de RVU-drempelvrijstelling gerichter te maken met een onderbouwdeafbakening van de doelgroep, gericht op belastende functies enwerkzaamheden gebaseerd op objectieve criteria.Versoberen ETK regelingDeze maatregel kan een beroep doen op het doenvermogen vanwerkgevers. Zij dienen vast te stellen of zij kostenvergoedingen betalendie vallen onder de versobering van de ETK-regeling. Vervolgens zullen zijook moeten beslissen of ze doorgaan met deze kostenvergoedingen ofloonbelasting over deze vergoedingen gaan betalen. Voor werknemers zalde maatregel weinig vergen van het doenvermogen, omdat de loonbe-lasting al ingehouden wordt. Verder is de verwachting dat de onderne-mingen die geraakt worden door deze maatregel veelal automatischeloonadministratiesystemen of fiscale adviseurs hebben. Er kan echter nietworden uitgesloten dat de maatregel voor kleinere ondernemingen tocheen bepaald beroep doet op het doenvermogen.Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenvervoerDeze maatregel doet een beroep op het doenvermogen van werkgevers.Zij dienen vast te stellen of en hoeveel pseudo-eindheffing erverschuldigd is, en deze vervolgens via de loonaangifte aan te geven en tebetalen. Voor de vaststelling of zij pseudo-eindheffing verschuldigd zijn,moeten zij beoordelen of sprake is van terbeschikkingstelling voorprivédoeleinden. In veel gevallen zal dit, naar verwachting, niet lastig zijn.Echter, in specifieke gevallen kan dit wel een beroep doen op hetdoenvermogen van werkgevers. De verwachting is dat de ondernemingendie geraakt worden door deze maatregel veelal fiscale adviseurs hebben,echter er kan niet worden uitgesloten dat de maatregel voor kleinereondernemingen toch een significant beroep doet op het doenvermogen.Voor werknemers zal de maatregel weinig vergen van het doenvermogen.De maatregel krijgt oordeel 3.Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeenschap inde schenk- en erfbelastingDeze maatregel vergt na inwerkingtreding van deze maatregel geennieuwe acties van belastingplichtigen. Voor het aanpassen van hetaandeel in de huwelijksgoederengemeenschap of het verrekenbeding iseen notaris vereist, die aan echtgenoten de fiscale gevolgen van dergelijkekeuzes inzichtelijk kan maken. Ook wordt met het overgangsrechtvoorkomen dat echtgenoten die eerder om niet-fiscale redenen eenhuwelijksgoederengemeenschap of een verrekenbeding met ongelijkebreukdelenzijn overeengekomen zijn, onder de voorgestelde maatregelvallen. Zodoende geeft deze maatregel geen aandachtspunten quadoenlijkheid.Schenkingen binnen 180 dagen voor overlijden van erflaterDe voorgestelde aanpassing van de fictiebepaling voor schenkingenbinnen 180 dagen voor het overlijden van de schenker werkt positief ophet doenvermogen. De burger hoeft niet langer aangifte schenkbelastingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3127 voor deze schenkingen te doen. De berekening van schenkbelasting en delatere verrekening van schenkbelasting met de erfbelasting kunnen doorde voorgestelde aanpassing van de fictiebepaling achterwege blijven. Ditvergemakkelijkt ook het doen van de aangifte erfbelasting en verbetert debegrijpelijkheid van de aangifte en aanslag erfbelasting. In de praktijk zalhet nauwelijks meer voorkomen dat een aanslag schenkbelasting isopgelegd. In die paar gevallen gaat de Belastingdienst over tot ambts-halve vermindering en informeert de burger hierover.Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting van biologische kinderenmet kinderen die in familierechtelijke betrekking tot de schenker of erflaterstaanDe maatregel houdt in dat kinderen die een schenking of erfenisontvangen van hun biologische ouder waartoe zij niet in familierechtelijkebetrekking staan, voor de schenk- en erfbelasting worden gelijkgesteldmet kinderen die wel in familierechtelijke betrekking tot die ouder staan.Het kind moet dat biologische ouderschap met de uitslag van eengenetische test doen blijken. Het zou namelijk onwenselijk zijn als deBelastingdienst op basis van feiten en omstandigheden zou moetenbeoordelen of het aannemelijk is dat het om een biologisch kind gaat. Ditpast ook niet binnen de taken en expertise van de Belastingdienst en zoutot discussies kunnen leiden. Deze kinderen moeten daarom de uitslagvan een DNA-test overleggen waaruit het biologische ouderschap volgt.Dit doet wel een beroep op het doenvermogen. Er zal namelijk eenDNA-test moeten worden besteld en vervolgens DNA moeten wordenafgenomen. Hier kan echter wel van tevoren al op geanticipeerd worden(voor het doen van de schenking of bij het opnemen van het biologischekind in het testament van de biologische ouder). De notaris kan ook wijzenop het moeten overleggen van de uitslag van een DNA-test. Door geenaanvullende eisen te stellen aan de DNA-test, zoals een accreditatie vanhet laboratorium waar het onderzoek wordt verricht, wordt de belastingvan het doenvermogen beperkt. Mogelijk hebben belastingplichtigen inhet verleden al een DNA-test gedaan om de verwantschap voor henzelfduidelijk te krijgen. De aangifteverplichting voor de schenk- en erfbe-lasting blijft hetzelfde.Verlegging ingangsdatum berekenen belastingrente en verlengingaangiftetermijn erfbelastingEen langere aangifteperiode erfbelasting verkleint het beroep op hetdoenvermogen van de burger in een vaak stressvolle, emotionele periode,doordat in het gros van de gevallen de standaardaangiftetermijn vantwintig maanden adequaat zal zijn er dus veelal niet meer hoeft te wordenverzocht om uitstel en geen belastingrente meer speelt.Emissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrije motorrijwielenDe voorgestelde maatregel heeft geen gevolgen voor het doenvermogenvan burgers en bedrijven. Integendeel, door de lastenverlichting tenopzichte van de huidige situatie wordt juist tegemoetgekomen aan debehoefte aan betaalbare emissievrije mobiliteit in specifieke doelgroepen,zoals rolstoelgebruikers en bezitters van kampeerauto’s of motorrijwielen.De dowijziging leidt niet tot extra administratieve handelingen voorburgers of bedrijven; door aanspraak te maken op de vaste voet kan bijinschrijving van een emissievrije bijzondere personenauto en eenemissievrij motorrijwiel op relatief eenvoudige wijze bpm-aangifteworden gedaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3128 Autonome vergroeningDe jaarlijkse aanpassing van het bpm-tarief vanwege autonomevergroening doet geen beroep op het doenvermogen van burgers enbedrijven. De maatregel leidt niet tot een verhoging van de gemiddeldebpm per conventionele auto, maar is er juist op gericht om debpm-opbrengst per motorrijtuig gelijk te houden ondanks de dalendeCO2-uitstoot. Voor consumenten en bedrijven verandert er daardoor nietsaan het aangifteproces of de informatievoorziening. De Belastingdienstverwerkt de jaarlijkse aanpassing van de tarieftabel in haar systemen,waardoor de uitvoering zonder extra administratieve lasten plaatsvindt.Hiermee wordt de uitvoerbaarheid geborgd en blijft de impact voorbelastingplichtigen beperkt.Tariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije personenauto’sDe verhoging van de tariefkorting voor emissievrije personenauto’s doetgeen beroep op het doenvermogen van burgers en bedrijven. Demaatregel verlaagt de belastingdruk voor houders van emissievrijepersonenauto’s, waardoor hun financiële positie juist iets verbetert tenopzichte van de situatie bij een lagere korting. Voor burgers en bedrijvenverandert er niets aan de administratieve verplichtingen of het aangifte-proces. De Belastingdienst verwerkt de aangepaste korting geautomati-seerd in haar systemen, houders van emissievrije personenauto’s hoevenzelf geen actie te ondernemen. De uitvoerbaarheid van de maatregel isdaarmee geborgd en de impact op de belastingplichtige is beperkt tot eenpositieve financiële wijziging.Kwarttarieven motorrijtuigenbelastingHet beperken van de kwarttarieven tot bestelauto’s bij inwerkingtredingvan de vrachtwagenheffing en het beëindigen van deze kwarttarieven per1 januari 2028 heeft geen onevenredige impact op het doenvermogen vanburgers en bedrijven. De maatregel betreft een beperkt aantal motorrij-tuigen – circa 1.250 in totaal – en richt zich op uitzonderingsregelingen dieniet langer goed verdedigbaar zijn binnen het stelsel van de motorrijtui-genbelasting. Om houders van bestelauto’s die gebruikmaken van hetkwarttarief voldoende voorbereidingstijd te bieden, is gekozen voor eenovergangstermijn van twee jaar. Hiermee wordt geborgd dat zij tijdig hunbedrijfsvoering kunnen aanpassen of alternatieven kunnen overwegen. DeBelastingdienst zal de tariefaanpassing in haar systemen verwerken,waardoor het aangifteproces voor betrokken houders ongewijzigd blijft ende maatregel geen extra administratieve lasten met zich meebrengt.Ophoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leidingwaterDe levering van hoeveelheden water van drinkwaterkwaliteit die uitkomenboven het huidige heffingsplafond van 300 kubieke meter, geschiedtvooral aan ondernemingen met een waterverbruik boven 300 kubiekemeter. Vooral zij zullen dus te maken krijgen met deze wetswijziging. Hetraakt het doenvermogen van deze bedrijven niet: net als nu rekenen hunwaterleveranciers de belasting op leidingwater aan hen door via dewaterrekening.Hervormingen afvalstoffenbelastingDe aanpassingen in de afvalstoffenbelasting zijn grotendeels parameter-wijzigingen. Deze doen geen beroep op het doenvermogen. De maatre-gelen die wel een beroep daarop doen betreffen aanpassingen in deuitvoering bij een beperkt aantal AVI’s. Dit zijn grote bedrijven die allenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3129 professionele ervaring hebben met de afvalstoffenbelasting en overvoldoende doenvermogen beschikken voor de benodigde acties.Tijdens de overleggen met stakeholders zijn over de uitvoerbaarheid vande maatregelen geen zorgen geuit. Door de maatregelen wordt debelastingdruk verhoogd bij belastingplichtigen, die deze via hun poortta-rieven (deels) zullen doorberekenen aan afvalontdoeners. Doordat detariefverhoging per 2028 worden doorgevoerd wordt zowel aan afvalver-werkers als afvalontdoeners voldoende tijd gegeven om hun bedrijfspro-cessen hierop aan te passen.Aanpassingen CO2-heffing industrieDe voorgestelde maatregelen richten zich uitsluitend op grote industriëlebedrijven en afvalverbrandingsinstallaties. Voor deze doelgroep zijn deadministratieve verplichtingen beperkt en grotendeels vergelijkbaar metde bestaande praktijk. Bedrijven zijn al gewend te rapporteren aan deNederlandse Emissieautoriteit (NEa) in het kader van het Europeseemissiehandelssysteem. De maatregelen leiden daarom niet tot wezen-lijke nieuwe verplichtingen voor burgers of kleinere ondernemingen.Voor ETS1- en lachgasinstallaties verandert het doenvermogen inbeperkte mate. De verlaging van het tarief en het constant houden van dereductiefactor betekenen dat de lasten van de heffing voor deze bedrijvenverminderen en de administratieve verplichtingen gelijk blijven.Monitoring en rapportage blijven nodig zolang een positief heffingstariefgeldt of de carry-backregeling kan worden toegepast. Indien in detoekomst blijkt dat het margetarief (verschil tussen tarief en EU ETS-prijs)structureel nihil is, zal het kabinet bezien of administratieve lasten verderkunnen worden beperkt.Voor afvalverbrandingsinstallaties neemt de prikkel vanuit de CO2-heffingjuist toe door het hogere tarief en het afbouwpad van de vrijgesteldeemissies. De administratieve lasten voor deze bedrijven blijven in de kerngelijk, aangezien de rapportageverplichtingen aansluiten bij bestaandeverplichtingen onder de CO2-heffing. De maatregelen zijn daarmeeuitvoerbaar binnen de bestaande systemen en processen van de bedrijvenen de NEa. Alles afwegend is het oordeel dat het doenvermogen niet inhet geding is: de maatregelen vergen geen nieuwe of complexe acties vanburgers, raken enkel grote ondernemingen, en sluiten aan bij bestaandeadministratieve routines.Belastingvermindering energiebelastingDe verhoging van de belastingvermindering in de energiebelasting tenopzichte van het basispad wordt toegepast door energieleveranciers opde energierekening. Huishoudens, bedrijven en instellingen hoeven geenactie te ondernemen om de belastingvermindering en verhoging daarvante ontvangen.Aanpassing zuiveldefinitieDoor de aanpassing van de zuiveluitzondering wordt over bepaaldealcoholvrije dranken verbruiksbelasting verschuldigd waar dat nu niet hetgeval is. Het gaat hierbij om vruchten- en groentesappen met een vleugjezuivel, frisdranken met een vleugje zuivel, zuiveldranken die zijn gezoet ofgearomatiseerd of waaraan smaak- of geurstoffen zijn toegevoegd ensojadranken met een suiker- of verzadigd vetgehalte boven de voorge-stelde hoeveelheid. De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken isverschuldigd op het tijdstip van de zogenoemde uitslag van de alcohol-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3130 vrije drank en moet op aangifte worden voldaan.180 Voor producenten diegevestigd zijn in Nederland zal het moment van uitslag over het algemeenzijn het moment waarop de alcoholvrije drank de zogenoemde inrichtingfysiek verlaat. Voor het produceren van alcoholvrije dranken is eenvergunning voor een inrichting nodig. Producenten van vruchten- engroentesappen en frisdranken waaraan een vleugje zuivel is toegevoegd,zullen reeds over deze vergunning beschikken en zijn ook al bekend methet aangifteproces. Zij zullen immers doorgaans ook vruchten- engroentesappen en frisdranken zonder vleugje zuivel produceren endaarover reeds verbruiksbelasting betalen. Alleen producenten van enkelalcoholvrije dranken die niet langer onder de zuiveluitzondering vallen endie nog geen vergunning hebben, zullen een vergunning moetenaanvragen om een inrichting te kunnen voeren en procedures moeteninrichten om aangifte te kunnen doen. De bedrijven die het betreft zijnover het algemeen (grote) ondernemingen waarbij de doenlijkheid mindereen zorgpunt is omdat zij gewend zijn met dergelijke processen om tegaan.Ondernemers die alcoholvrije dranken die niet langer onder de zuiveluit-zondering vallen uit een ander land (EU-lidstaat of derdeland) halen envervolgens in Nederland voorhanden hebben, zullen hiervan aangiftemoeten doen. Ondernemers die al alcoholvrije dranken waaroververbruiksbelasting is verschuldigd naar Nederland overbrengen uit andereEU-lidstaten of importeren uit derde landen zijn reeds bekend met hetaangifteproces. Alleen ondernemers die uitsluitend alcoholvrije drankenwaarop de zuiveluitzondering niet langer van toepassing is naarNederland overbrengen of importeren, zullen procedures moeteninrichten om aangifte te kunnen doen. Het aantal nieuwe belastingplich-tigen onder dergelijke ondernemers wordt beperkt geacht.Ondernemers die het betreft worden hierover door de Douane geïnfor-meerd. Daarbij hebben nieuwe belastingplichtigen een jaar de tijd om hunprocessen aan te passen, omdat de voorgestelde aanpassing van dezuiveldefinitie van kracht wordt op 1 januari 2027.De voorgestelde wijziging heeft geen gevolgen voor het doenvermogenvan burgers. Zij merken mogelijk alleen dat alcoholvrije dranken die nietlanger onder de zuiveluitzondering vallen, duurder worden.Koopkrachtmaatregel BES-eilandenDe maatregel betreft een parameterwijziging, zodoende zijn er hierbijgeen aandachtspunten qua doenlijkheid.Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPGVoor de doenlijkheid voor burgers heeft deze maatregel geen gevolgenomdat de maatregel van hen geen extra handeling vraagt. De accijns is inde consumentenprijs verwerkt. Voor de oliemaatschappijen betreft demaatregel een continuering van het geldende accijnstarief. Zodoende isdoenlijkheid geen aandachtspunt.11. Gevolgen voor burgers en het bedrijfsleven Dit voorstel betreft enkel maatregelen waarvan geen inschatting van deregeldrukkosten zijn gemaakt. Dit komt omdat vooraf de inschatting isgemaakt dat het gaat om een gering aantal belastingplichtigen of zeerweinig vergt van belastingplichtigen. Deze maatregelen staan beschrevenin Tabel 15. Alle maatregelen uit dit wetsvoorstel zijn voorgelegd aan het180Artikel 18 WVAD.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3131 Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het college van het ATR geeft permaatregel een advies af. Wanneer het college van het ATR geen op- ofaanmerkingen heeft bij de regeldrukinschatting of het voorstel beperktegevolgen heeft voor de regeldruk kunnen maatregelen ook niet vooradvies worden geselecteerd.De maatregelen in dit Belastingplan zijn in meerdere delen voorgelegdaan het ATR. Voor alle maatregelen met uitzondering van de maatregelhervorming afvalstoffenbelasting luidt het advies: het ATR heeft hetdossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naarverwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft. Eenadviesaanvraag ging over de maatregel «hervormingen afvalstoffenbe-lasting». Over deze adviesaanvraag heeft het ATR het volgende oordeelgegeven: Dictum 3: Niet indienen, tenzij. Ook is een aanvullende ziens-wijze aangevraagd bij deze maatregel. De volledige adviezen zijn alsbijlage bij het pakket Belastingplan gevoegd.Tabel 15: gevolgen regeldrukMaatregelDictum ATRMaatregelen zonder gekwantificeerde regeldrukInkomensbeleidNiet geselecteerd vooradviesVerduidelijking fietsregelingNiet geselecteerd vooradviesMaatregelen lucratiefbelangregelingNiet geselecteerd vooradviesAanpassingen box 3Niet geselecteerd vooradviesUitsluiten niet-marktconform handelende gelieerde partijen vantoepassing leegwaarderatioNiet geselecteerd vooradviesReparatie tegenbewijsregeling box 3 voor obligaties en anderevermogensbestanddelen met kortlopende termijnenNiet geselecteerd vooradviesAanpassingen groen beleggenNiet geselecteerd vooradviesAkkoord «gezond naar pensioen»Niet geselecteerd vooradviesVersoberen ETK regelingNiet geselecteerd vooradviesFiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenver-voerNiet geselecteerd vooradviesVoorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeen-schapNiet geselecteerd vooradviesSchenkingen binnen 180 dagen voor overlijdenNiet geselecteerd vooradviesGelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting van biologischekinderenNiet geselecteerd vooradviesVerlegging ingangsdatum berekenen belastingrente en verlengingaangiftetermijn erfbelastingNiet geselecteerd vooradviesEmissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrije motorrij-wielenNiet geselecteerd vooradviesAutonome vergroeningNiet geselecteerd vooradviesTariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije personenauto’sNiet geselecteerd vooradviesKwarttarieven motorrijtuigenbelastingNiet geselecteerd vooradviesOphoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leidingwaterNiet geselecteerd vooradviesHervormingen afvalstoffenbelastingNiet indienen, tenzijAanpassingen CO2-heffing industrieNiet geselecteerd vooradviesBelastingvermindering energiebelastingNiet geselecteerd vooradviesAanpassing zuiveldefinitieNiet geselecteerd vooradviesVerlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, dieselen LPGNiet geselecteerd vooradviesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3132 MaatregelDictum ATRKoopkrachtmaatregelen BES-eilandenNiet geselecteerd vooradvies Hieronder wordt per maatregel achtergrondinformatie over regeldrukgegeven. Verder is benoemd welke adviespunten het ATR heeft meege-geven en hoe daarmee rekening is gehouden.InkomensbeleidDe maatregelen waarbij het tarief in de eerste en tweede schijf van deinkomstenbelasting wijzigt en de tabelcorrectiefactor beperkt wordttoegepast hebben geen gevolgen voor de administratieve lasten. Dehoogte van diverse parameters in de inkomstenbelasting wijzigt jaarlijksdoor inflatiecorrectie en nieuw beleid. Het beperkt toepassen van detabelcorrectiefactor leidt enkel tot een andere hoogte dan zonder demaatregel het geval zou zijn geweest. Dit wordt verwerkt in de systemenvan softwareleveranciers en de Belastingdienst waarna automatisch dehoogte van de verschuldigde loon- en inkomstenbelasting wordtberekend.Verduidelijking fietsregeling loonbelastingDeze maatregel heeft een positief effect op de regeldruk. Werkgeverszullen hierdoor minder vaak loonheffingen verschuldigd zijn als zij eenfiets ter beschikking stellen aan hun werknemer die niet meer danbijkomstig bij het woon- of verblijfadres van die werknemer wordtgestald. Ook doet de regeling een kleiner beroep op het doenvermogenvan werkgevers en werknemers in termen van het bijhouden van typegebruik van de fiets.Maatregelen lucratiefbelangregelingHet zwaarder belasten van voordelen uit een middellijk gehouden lucratiefbelang vereist een juiste verwerking door de belastingplichtige in deaangifte inkomstenbelasting. Het gaat hier echter doorgaans ombelastingplichtigen die worden bijgestaan door een adviseur. Demaatregel waarmee een ongewenste structuur wordt tegengegaan ismeer technisch van aard en raakt een zeer beperkte doelgroep. Dezemaatregelen hebben geen of zeer beperkt effect op de administratievelastendruk.Aanpassingen box 3De voorgestelde aanpassing van het forfait voor overige bezittingen enhet heffingvrije vermogen zijn parameterwijzigingen die niet tot aanvul-lende regeldruk leiden.Uitsluiten niet-marktconform handelende gelieerde partijen vantoepassing leegwaarderatioEr zijn geen of verwaarloosbare gevolgen voor burgers en bedrijfslevenmet betrekking tot het uitsluiten van gelieerde partijen van de leegwaarde-ratio.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3133 Reparatie tegenbewijsregeling box 3 voor obligaties en andere vermo-gensbestanddelen met kortlopende termijnenBij deze maatregel zijn er geen noemenswaardige veranderingen inadministratieve lasten. De terugwerkende kracht en het overgangsrecht,zorgen voor extra complexiteit, omdat de belastingplichtige zal moetenbepalen welk regime van toepassing is. Op de gehele box3-tegenbewijsregeling betreft het echter een kleine wijziging. Belasting-plichtigen moeten ook nu al kennis nemen van de regels voor het bepalenvan het werkelijke rendement, waardoor geen sprake is van extragevraagde acties.Aanpassingen groen beleggenDe voorgestelde aanpassing groen beleggen zal niet leiden tot aanvul-lende regeldruk.Akkoord «Gezond naar het pensioen»Met dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat de bestaande tijdelijkRVU-drempelvrijstelling vanaf 2026 in stand blijft. Naar verwachting leidtdit niet direct tot een verandering in de administratieve lastendruk. Welhebben sociale partners zich gecommitteerd in het akkoord «Gezond naarhet pensioen» om de RVU-drempelvrijstelling gerichter in te zetten voorwerknemers met zwaar werk die niet gezond kunnen doorwerken tot deAOW-leeftijd. In de arbeidsvoorwaardelijke overleggen over deRVU-drempelvrijstelling vraagt dat om een extra inspanning om de inzetvan de RVU-drempelvrijstelling gerichter te maken met een onderbouwdeafbakening van de doelgroep, gericht op belastende functies enwerkzaamheden gebaseerd op objectieve criteria.Versoberen ETK regelingUit het rapport «Kunde, Kosten en Keuzes» van SEO181 volgt datwerkgevers de administratieve lasten van de ETK-regeling als beperktervaren. Dit komt doordat de ETK-regeling in de loonadministratiesys-temen in grote mate geautomatiseerd uitgevoerd kan worden. Verdergeven ook de softwareontwikkelaars aan geen significante administratievelasten te ondervinden bij het verwerken van de regeling. Hierdoor wordtingeschat dat er geen relevante extra administratieve lasten zijn.Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenvervoerWerkgevers zijn in de meeste situaties een pseudo-eindheffingverschuldigd als zij een fossiele personenauto ook voor privédoeleindenaan hun werknemer ter beschikking stellen. Om de administratieve last zobeperkt mogelijk te houden, heeft het kabinet ervoor gekozen om depseudo-eindheffing vast te stellen op 12% van de cataloguswaarde vaneen fossiele personenauto, dan wel de waarde in het economischeverkeer van een fossiele personenauto die ouder is dan 25 jaar.Vervolgens kan de pseudo-eindheffing worden voldaan via een afzonder-lijke rubriek in de loonaangifte. Om dat te bewerkstelligen wordt eennieuwe rubriek toegevoegd aan de loonaangifte via een aanpassing vande (ministeriële) Regeling gegevensuitvraag loonaangifte. Het gaat omeen rubriek in het collectieve deel van de loonaangifte.181Kunde, Kosten en Keuzes, Evaluatie 30%-regeling, extraterritoriale kostenregeling & partiëlebuitenlandse belastingplicht 2016–2022, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam, juni 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3134 Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeenschapNaar verwachting leidt de maatregel niet tot een verandering in deadministratieve lastendruk. Weliswaar zorgt de maatregel ervoor dat inmeer situaties schenk- en erfbelasting verschuldigd is (en dus berekendmoet worden), maar naar verwachting worden de bovengenoemdeonbelaste vermogensovergangen in paragraaf 5.10 effectief tegengegaanwaardoor in de praktijk deze extra situaties niet optreden. Mede om tevoorkomen dat partners die in het verleden om andere dan fiscaleredenen voor ongelijke breukdelen hebben gekozen naar de notarismoeten om hun huwelijkse voorwaarden te wijzigen om niet door demaatregel geraakt te worden, is overgangsrecht voorgesteld.Schenkingen binnen 180 dagen voor overlijden van erflaterDe belastingplichtige burger weet niet altijd dat na overlijden van deschenker binnen 180 dagen na schenking eerst aangifte schenkbelastingmoet worden gedaan voordat een aanslag erfbelasting kan wordenopgelegd. De belastingplichtige verwacht ten onrechte dat het voldoendeis die schenkingen mee te nemen in de aangifte erfbelasting. In 2021 waser bij circa 9.800 aangiften erfbelasting sprake van een schenking binnen180 dagen voor het overlijden (9% van het totaal aan aangiften erfbe-lasting in 2021). Met de aanpassing van de fictie in de SW 1956 wordtbereikt dat er geen aangifte schenkbelasting en vervolgens ook geenverrekening van de schenkbelasting met de erfbelasting meer nodig is.Gevolg is dat minder communicatie met de belastingplichtige over dezeaspecten noodzakelijk is. De aanpassing heeft geen gevolgen voor hetbedrijfsleven.Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting van biologische kinderenmet kinderen die in familierechtelijke betrekking tot de erflater of schenkerstaan.Deze maatregel maakt de toepassing van de schenk- en erfbelasting nietcomplexer en niet eenvoudiger. In een aantal gevallen zal door degelijkstelling van een biologisch kind met een kind in familierechtelijkebetrekking tot die ouder de aangifteverplichting vervallen, omdat deschenking, onderscheidenlijk erfenis, lager is dan de vrijstelling voorkinderen. Daarnaast kan een biologisch kind door de gelijkstelling gebruikmaken van de vrijstellingen en tarieven die gelden voor kinderen die ineen familierechtelijke betrekking tot de ouder staan. Daarentegen werkt degelijkstelling ook door naar antimisbruikbepalingen en fictiebepalingen182,wat minder voordelig kan uitpakken.Verlegging ingangsdatum berekenen belastingrente en verlengingaangiftetermijn erfbelastingDe aangiftetermijn van acht maanden na het overlijden van de erflatervoor het indienen van de aangifte erfbelasting is vaak te kort om juist envolledig aangifte erfbelasting te kunnen doen omdat de benodigdegegevens nog niet voorhanden zijn. Als na die acht maanden aangifteerfbelasting wordt gedaan, is belastingrente verschuldigd, ook als uitstelvoor het indienen van de aangifte erfbelasting is verleend. Dit geeft veelonbegrip bij burgers en dat leidt tot bezwaren tegen de belastingrentebe-schikking, ook bij zeer kleine financiële belangen. De voorgesteldeverlegging van het startmoment van het berekenen van de belastingrentevan acht maanden na overlijden naar twintig maanden na overlijdensamen met verlenging van de aangiftetermijn erfbelasting van acht naartwintig maanden na het overlijden neemt gericht dit knelpunt weg. De182Een voorbeeld hiervan is artikel 10 SW 1956.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3135 belastingplichtige burger zal in veel minder gevallen belastingrenteverschuldigd zijn. Daarnaast geven deze aanpassingen de belasting-plichtige de mogelijkheid om voor de overledene en diens partnergezamenlijk aangifte inkomstenbelasting te doen, wat pas mogelijk is naafloop van het kalenderjaar van overlijden (digitaal vanaf 1 maart van hetdaaropvolgende kalenderjaar) en om voor de waardering van woningengebruik te maken van de WOZ-beschikking van het kalenderjaar naoverlijden en de daarbij behorende rechtsmiddelen te benutten, zonderdat dit direct belastingrente tot gevolg heeft. De voorgestelde aanpas-singen leiden tot vereenvoudiging voor belastingplichtigen.De mogelijkheid om digitaal aangifte erfbelasting te doen, is beschikbaarvanaf 1 maart van het lopende kalenderjaar. Net als nu het geval is, zal demeerderheid van de burgers een aanslag ontvangen binnen vier maandenna binnenkomst van de aangifte. De burger die kort na overlijden in staatis aangifte erfbelasting te doen, krijgt op deze wijze snel rechtszekerheidvan de Belastingdienst.Emissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrije motorrijwielen(bpm)De maatregel leidt tot een vermindering in de administratieve lasten voorburgers en bedrijven bij de aanschaf van emissievrije bijzonderevoertuigen. De bpm-aangifte kan als gevolg van het voorstel eenvoudigerworden gedaan via de vaste voet. De vermindering van de administratievelast is echter dermate betrekkelijk dat het niet nader is gekwantificeerd.Autonome vergroening (bpm)De jaarlijkse aanpassing van het bpm-tarief heeft geen negatievegevolgen voor burgers en bedrijven. Het gaat in feite om een continueringvan de bestaande praktijk. De maatregel brengt geen wijziging in hetaangifteproces met zich mee en leidt niet tot extra administratieve lasten.Voor belastingplichtigen blijft de impact daarmee beperkt.Tariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije personenauto’sDe verhoging van de tariefkorting voor emissievrije personenauto’s heeftgeen negatieve gevolgen voor burgers en bedrijven. Integendeel, demaatregel leidt tot een lagere belastingdruk zonder dat dit gepaard gaatmet extra administratieve verplichtingen.Kwarttarieven motorrijtuigenbelasting (kermis en werkplaatsen)Het beëindigen van de resterende kwarttarieven voor bestelauto’s per1 januari 2028 heeft geen onevenredige gevolgen voor burgers enbedrijven. De maatregel gaat gepaard met een overgangstermijn van tweejaar, waardoor betrokkenen voldoende tijd hebben om zich aan te passen.Er treden geen extra administratieve lasten op, aangezien het aangifte-proces ongewijzigd blijft.Verhoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leidingwaterHet overgrote deel van de huishoudens heeft een waterverbruik dat zichruim onder het huidige heffingsplafond van 300 kubieke meter bevindt.183Voor hen zal dit voorstel als het tot wet verheven wordt, niet leiden tot eenlastenverzwaring.183Het jaarlijks waterverbruik van een gemiddeld huishouden bevond zich in 2021 op 100kubieke meter per jaar. Bron: CBS, Watergebruik Thuis (WGT) 2021, 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3136 Voor bedrijven die meer dan 300 kubieke meter leidingwater verbruiken,zal dit voorstel, als het tot wet verheven wordt, wel leiden tot eenlastenverzwaring. Het betreft € 0,425 per kubieke meter per jaar waterver-bruik boven de 300 kubieke meter waterverbruik. In de tabel hieronder isvoor enkele van de grootste water verbruikende sectoren een schatting184gemaakt van de lastenstijging bij afschaffing van het heffingsplafond185.Hierbij is gekeken naar de 25e, 50e, 75e en 95e percentielen van drinkwater-verbruikers binnen de betreffende sectoren.Tabel 16: grootste water verbruikende sectorenSectorLasten-stijging 25epercentieldrinkwater-verbruikersbinnen sector(in euro/jaar)Lasten-stijging 50epercentieldrinkwater-verbruikersbinnen sector(in euro)Lasten-stijging 75epercentieldrinkwater-verbruikersbinnen sector(in euro)Lastenstijging95e percentieldrinkwater-verbruikersbinnen sector(in euro)Gezondheidszorg2.6005.0009.90039.800Chemie3.0007.20020.20096.100Voedingsmid-delenindustrie2.5005.10014.400115.500Farmacie2.5004.90015.300150.700 Specifieke sectoren zullen in meer of mindere mate in staat zijn kostprijs-verhogingen door te rekenen aan hun klanten. In het voortraject bij detotstandkoming van de maatregel is geconcludeerd dat de kostprijsverho-gingen per klant in algemene zin lijken mee te vallen.De drinkwaterbedrijven innen de belasting op leidingwater, en dit zal zoblijven als dit wetsvoorstel tot wet verheven wordt. Naar verwachting leidtde maatregel niet tot een verandering in de administratieve lastendrukvoor burgers en bedrijven. Op eenmalige wijzigingen van hun administra-tiesystemen na, blijven de uitvoeringsgevolgen voor hen beperkt en wordthet innen van de belasting, per 2027 als vlakke heffing zonder vrijstel-lingen, eenvoudiger.Hervormingen afvalstoffenbelastingDeze maatregelen in de ASB en de CO2-heffing industrie voor AVI’sverhogen de lasten voor burgers en bedrijven, mede afhankelijk van hoede lastenverhoging door afvalverwerkers wordt doorbelast aan afvalont-doeners in de poorttarieven. Voor bijna186 alle maatregelen in dit pakket,dat deels geldt als technische invulling, geldt dat zij in bepaalde mate eenprikkel geven aan afvalontdoeners dan wel afvalverwerkers om hetgewenste gedrag voor het milieu te vertonen. Die kan de lastenverhogingbeperken. Er zal echter een lastenverzwaring resteren, die in eersteinstantie neer bij de afvalverwerkers, die deze (deels) zal doorrekenen aanafvalontdoeners. Dat kunnen bedrijven of gemeenten zijn. Voor zoverrehet gemeenten betreft, kunnen zij de belasting, via de gemeentelijkeafvalstoffenheffing deels doorrekenen aan burgers. In hoeverre afvalver-werkers lasten kunnen doorbelasten in hun poorttarieven is afhankelijkvan de mate van concurrentie met afvalverwerkers in het buitenland. Alspoorttarieven stijgen tot het niveau waardoor afvalverwerking in het184Berekeningen zijn gemaakt op basis van tabel IV.1 uit Witteveen+Bos, Verkenning beprijzenwaterverbruik, 2024. Daarbij is uitgegaan van een vlakke verdeling van het waterverbruik vanbedrijven binnen de weergegeven grootteklassen.185Inclusief grondslagversmalling naar water van drinkwaterkwaliteit.186Alleen voor het in de grondslag brengen van afgevangen gassen geldt dat zij de prikkelverminderen: namelijk uitstoot van broeikasgassen terugbrengen. Voor deze maatregel geldtalleen dat de CO2-heffing industrie die prikkel al op effectievere wijze geeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3137 buitenland goedkoper wordt en meer afval verwerkt zal worden in hetbuitenland, is dit nadelig voor de winstgevendheid voor afvalverwerkersin Nederland. De mogelijke grenseffecten van de maatregelen staanbeschreven in de paragrafen over de grenseffecten van de aanpassingenin de afvalstoffenbelasting en de CO2-heffing industrie voor AVI’s(paragraaf 7). Voor de aanscherping van de CO2-heffing industrie geldtspecifiek dat AVI’s met een hoog gebruik van CCS de CO2-heffing(grotendeels) kunnen vermijden, waardoor de impact op het poorttariefbeperkt is. Voor AVI’s met een beperkt CCS-potentieel kan deaanscherping van de CO2-heffing leiden tot hogere poorttarieven en duseen slechtere concurrentiepositie in binnen- en buitenland. Tot slot zal hetwegvallen van import van afval door de maatregelen voor afvalver-werkers leiden tot een lastenstijging voor afvalverwerkers.Lastenstijging voor huishoudens door hervormingen afvalstoffenbelastingen aanscherping CO2-heffing industrie voor AVI’sHet pakket aan maatregelen in de ASB en CO2-heffing industrie leidt toteen lastenstijging van enkele tientallen euro’s per huishouden per jaar, zietabel 1. De budgettaire opbrengst zal, indien AVI’s deze volledig doorbere-kenen in de poorttarieven, naar verwachting voor 40% door bedrijvenbetaald worden en voor circa 60% via afvalverwerkers terecht komen bijgemeenten. Van de totale lastenstijging van € 567 miljoen in 2035 volgteen groot deel uit de reeds voorgenomen stijging van de CO2-heffing voorAVI’s. Wanneer gemeenten de totale lastenstijging volledig verwerken inde afvalstoffenheffing resulteert dit in een lastenverzwaring voorhuishoudens van structureel € 340 miljoen.Het tweede deel van Tabel 1 laat de gemiddelde lastenstijging voorhuishoudens per jaar zien. Hierbij is de totale lastenstijging voorhuishoudens gedeeld door het aantal inwoners in Nederland187 envermenigvuldigd met de gemiddelde omvang van een huishouden.188 Opbasis van het reeds voorgenomen beleid in de CO2-heffing zouden dekosten voor afvalverwerking per huishouden gemiddeld toenemen met€ 7 in 2027 oplopend naar € 21 in 2035 per jaar. Met dit maatregelen-pakket nemen de kosten voor afvalwerking per huishouden gemiddeldverder toe met € 1 in 2027 oplopend naar structureel € 18 per jaar vanaf2035. Bij een volledige doorberekening van de lastenstijging aanhuishoudens zouden de kosten voor afvalverwerking per huishoudengemiddeld toenemen met € 8 in 2027 oplopend naar € 40 per jaar vanaf2035.Tabel 17: Macrobenadering lastenstijging huishoudens.Lastenstijging totaal20272028202920302035/Struc.Lastenstijging AVI’s (in mln. €)107460567567567Waarvan Lastenstijging huishoudens (In mln. €)64276340340340Gemiddelde lastenstijging huishoudens reeds voorgeno-men beleid (In € per jaar)710141821Gemiddelde lastenstijging huishoudens nieuw beleid (In€ per jaar)122262218Gemiddelde totale lastenstijging huishoudens (In € perjaar)832404040 Bovenstaande benadering geeft een gemiddelde lastenstijging voor allehuishoudens in Nederland. De werkelijke lastenstijging voor huishoudenskan erg verschillen tussen gemeenten. Tabel 18 laat een overzicht zien van187https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-bevolking/bevolkingsteller.188https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/dashboard-bevolking/woonsituatie/huishoudens-nu.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3138 de impact van de lastenstijging voor huishoudens in 5 hypothetischegemeenten.Tabel 19: Microbenadering lastenstijging huishoudens.gemeenteInwonersKG afvalperinwonerAandeelverbrandafval vantotaalLasten-stijging2026–2030basispadLasten-stijging2030AVI-pakketTotalelasten-stijgingafvalver-werking2026–203016.89541933111930215.19548237142438332.95546741152641470.267453501831495219.825411551730486613.37039576234063* In de Microbenadering is de interactie van het AVI-pakket met de lastenstijging in het basispadmeegenomen waardoor de lastenstijging in het basispad in de microbenadering lageruitvalt. In gemeente 1 stijgen de kosten voor afvalverwerking tussen 2026 en 2030met € 30 per jaar terwijl voor gemeente 6 de kosten voor afvalverwerkingper huishouden stijgen met € 63 per jaar. Dit is de lastenstijging voorhuishoudens onder de aanname dat de lastenstijging volledig wordtdoorberekend aan huishoudens. Daarnaast is hierbij uitgegaan van dehuidige hoeveelheden afval. De verwachting is dat door het maatregelen-pakket het aanbod van afval af zal nemen waardoor de werkelijkelastenstijging lager uit zal vallen, afhankelijk van het type gemeente.Belangrijkste oorzaak van de verschillen tussen gemeenten zijn dehoeveelheid afval per inwoner en het percentage van al het afval datwordt verbrand. Als de hoeveelheid afval per inwoner daalt of afvalanders wordt verwerkt (recyclen) waardoor er minder wordt verbrand danvalt de uiteindelijke lastenstijging in een gemeente lager uit.Advies Adviescollege Toetsing RegeldrukHet Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft op een eerdereconceptversie van dit wetsvoorstel een advies uitgebracht. Dat adviesluidde om het voorstel niet in te dienen, tenzij met de adviespuntenrekening wordt gehouden (dictum 3). Van belang is dat in de getoetsteversie maatregelen waren opgenomen, die uiteindelijk niet in hetdefinitieve wetsvoorstel terecht zijn gekomen. Het betreft de maatregelenom voortaan ook bodemassen, in combinatie met een vrijstelling voorreinigingsresidu, en afgevangen CO2 onder de heffingsgrondslag tebetrekken. De ATR adviseert om in de toelichting bij de verschillendemaatregelen alternatieve beleidsopties binnen het circulaire domein inbeeld te brengen met daarbij indicatie van de mate van doelbereik, deomvang van de regeldruk en een onderbouwde afweging waarom dezezijn verworpen. Voor wat betreft de bekeken maatregelen om bodemas, incombinatie met een vrijstelling voor reinigingsresidu, en CO2-afvang op tenemen in de heffingsgrondslag is dit gebeurd. Ook is onderbouwdwaarom is gekozen voor de hervormingsmaatregelen afschaffing van devrijstelling op zuiveringsslib en invoering hoger tarief voor stort-met-ontheffing. Voor wat betreft de technische invulling, is dat in beperkteremate gebeurd. Voor deze categorie maatregelen is een proces voorzien isom met de werkgroep Afvalsector te komen tot een lijst alternatieven voorde technische invulling. Daarmee wordt ook deels tegemoet gekomen aande zorg die de ATR heeft uitgesproken over de weglek die het pakketteweeg kan brengen. Voorzien is dat het kabinet bij voorjaarsbesluit-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3139 vorming 2026 een besluit neemt. De ATR merkte verder op dat uit detoenmalige memorie van toelichting niet op te maken was of stakeholdersbetrokken zijn bij de totstandkoming van het voorstel. Die stakeholdercon-sultaties zijn er geweest en dat is in deze versie ook beschreven in deparagraaf «Advies en consultatie». Tot slot merkt de ATR op dat demilieuwinst van het pakket beperkt lijkt. Dat laatste deelt het kabinet niet:met dit pakket wordt een rem gezet op het importeren, verbranden enstorten van afval in Nederland. Dat leidt naar verwachting in ieder gevaltot een daling van negatieve lokale milieueffecten, zoals uitstoot vanfijnstof.Aanpassingen CO2-heffing industrieDe aanpassing zorgt ervoor dat ETS1- en lachgasinstallaties per 2026aanzienlijk lagere lasten onder de CO2-heffing krijgen. Alleen in 2026worden nog inkomsten uit de CO2-heffing verwacht. Daarnaast is deverwachting dat ETS1- en lachgasinstallaties de betaalde CO2-heffing in2025 en 2026 kunnen verrekenen met een overschot aan dispensatie-rechten vanaf 2028.Belastingvermindering energiebelastingDe verhoging van de belastingvermindering in de energiebelasting tenopzichte van het basispad is voor energieleveranciers de aanpassing vaneen bestaand bedrag op de energierekening. De regeldrukkosten zijndaarom nihil.Aanpassing zuiveldefinitieBurgers die alcoholvrije dranken consumeren die door de voorgesteldewijziging van de vormgeving van de zuiveluitzondering niet langer van deverbruiksbelasting van alcoholvrije dranken zijn uitgezonderd, zullen voordeze dranken meer moeten betalen: dat wil zeggen, als de producenten deverbruiksbelasting doorberekenen in de prijs.Voor het bedrijfsleven geldt dat voortaan aangifte dient te worden gedaanvan alcoholvrije dranken die niet langer onder de zuiveluitzonderingvallen. Dit betreft een kleine toename in de administratieve lasten bij dezebedrijven. Bedrijven worden hierover door de Douane geïnformeerd.De wijziging van het begrip limonade naar het begrip overige alcoholvrijedrank heeft voor burgers geen gevolgen. Voor bedrijven betekent dezewijziging dat zij op hun aangifteformulieren een andere term zien staan.Koopkrachtmaatregel BES-eilandenDe maatregel betreft een parameterwijziging, en zal daardoor niet leidentot aanvullende regeldruk.Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPGDe maatregel betreft een parameterwijziging, en zal daardoor niet leidentot aanvullende regeldruk.12. Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Douane en DienstToeslagen Uitvoeringsgevolgen en toetsenHet kabinet hecht grote waarde aan het samenspel tussen beleid enuitvoering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3140 Het is belangrijk om samen met de uitvoering tot een effectief beleid tekomen waarmee een bijdrage kan worden geleverd aan het oplossen vanmaatschappelijke opgaven. Het is daarbij niet alleen belangrijk datmaatregelen op individueel niveau uitvoerbaar zijn, maar dat ook eenwetsvoorstel in zijn geheel uitvoerbaar is. Hiermee wordt eventueleverdringing in het portfolio zichtbaar. Er wordt daarom vroegtijdig eenbeeld gedeeld van alle beleidsopdrachten die mogelijk door de Belasting-dienst, Douane en Dienst Toeslagen moeten worden uitgevoerd.Dit is onderdeel van een meerjarig proces waarin beleid en uitvoeringsamenwerken om het inzicht in de uitvoerbaarheid verder te vergroten.Door beleidsvoornemens in een vroeg stadium inzichtelijk te maken kanrekening gehouden worden met bijvoorbeeld de mogelijkheden enonmogelijkheden in het ICT-landschap van de Belastingdienst, Douane enDienst Toeslagen. Zo is een andere of eenvoudigere opzet van eenbeleidsvoornemen soms voldoende om de implementatie sneller tekunnen realiseren en substantieel minder impact op de uitvoering tehebben.Het is wenselijk om beleidsambities te bezien in samenhang met ambitiesvoor de uitvoering. Niet alles kan tegelijkertijd. Het is namelijk van grootbelang om de dienstverlening van de Belastingdienst aan burgers enbedrijven te blijven verbeteren. Daarnaast moet er bij het maken vannieuw beleid ook prioriteit worden gegeven aan het op orde brengen vande basis en het implementeren van noodzakelijke moderniseringen bij deBelastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen, zoals binnen de ICT. Datbetekent ook dat er soms moet worden geaccepteerd dat beleidsvoor-nemens later worden ingevoerd om zo de modernisering van de ICT niette vertragen. Tegelijkertijd blijven maatschappelijke opgaven vragen ombeleidsmatige oplossingen. Wanneer zich nieuwe beleidswensenvoordoen geldt dat de inpasbaarheid steeds op de volgende wijze wordtbekeken:1.inpassen van maatregelen waar dit mogelijk is zonder herprioritering2.de vormgeving van maatregelen aanpassen om deze inpasbaar temaken (bijv. als parameter)3.waar dit niet kan ontstaat een (her)planningsvraagstuk.De maatregelen van dit wetsvoorstel zijn door de Belastingdienst ofDouane beoordeeld met de Uitvoeringstoets. Voor alle maatregelen geldtdat de Belastingdienst of Douane die uitvoerbaar acht per de voorgesteldedata van inwerkingtreding. Voor toetsen met gele en rode vlaggen geldtdat de Belastingdienst heeft aangegeven dat het voorstel op de weerge-geven aspecten risico’s met zich meebrengt of er negatieve gevolgen zijnvoor de handhaafbaarheid of fraudebestendigheid. Een gele of rode vlagbetekent niet per se dat een maatregel onuitvoerbaar is. Een maatregelkan nog steeds uitvoerbaar zijn, waarbij dan wel geaccepteerd moetworden dat op bijvoorbeeld handhaafbaarheid wordt ingeboet. Waar dithet geval is wordt dit beschreven in de uitvoeringstoets. Als gevolgdaarvan moet een aantal fiscale maatregelen dit jaar vastgelegd envolgend jaar uitgevoerd worden. Om de inpasbaarheid in het portofolio tewaarborgen en stapeling te voorkomen, zullen andere meer technischemaatregelen opgenomen worden in de Fiscale verzamelwet 2027.Hiermee wordt de druk op de uitvoering geprobeerd te verminderen.De gevolgen voor de uitvoering op individueel niveau zijn beschreven inde uitvoeringstoetsen die als bijlage bij het BP 2026 zijn bijgevoegd.Daarnaast wordt in de algemene toelichting op de individuele maatre-gelen in het onderhavige verzamelwetsvoorstel ingegaan op de uitvoe-ringsgevolgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3141 UitvoeringskostenDe maatregelen uit dit wetsvoorstel die leiden tot uitvoeringskosten bij deBelastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen zijn opgenomen in deonderstaande tabel. De uitvoeringskosten worden gedekt op begrotinghoofdstuk IX (Financiën). Uitgangspunt is dat de uitvoeringskostenworden gedekt vanuit de begroting IXB Financiën, artikel 1 of 10189, envervolgens overgeheveld naar de uitvoeringsorganisaties.Tabel 20: uitvoeringskosten wetsvoorstel Belastingplan 2026 (bedragen x € 1.000)Wetsvoorstellen202520262027202820292030Wetsvoorstel Belastingplan 2026Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen2026000000Wetsvoorstel wet behoud verlaagdbtw-tarief op cultuur, media en sport– 150190250390490490Wetsvoorstel wet differentiatie tariefvliegbelasting000000Wetsvoorstel Wet stroomlijning fiscaalinzagerecht00PMPMPMPMWetsvoorstel Tweede wet aanpassing Wetminimumbelasting 20240160160160160160Wetsvoorstel wet implementatieEU-richtlijn gegevensuitwisselingbijheffing informatieaangifte021060606060Wetsvoorstel tot wijziging van de Wetmilieubeheer in verband met de nadereoperationalisering van het mechanismevoor een koolstofcorrectie aan de grens02.7002.5003.0003.0003.000 Tabel 21: uitvoeringskosten wetsvoorstel Belastingplan 2026, per maatregel (bedragen x € 1.000)Wetsvoorstel Belastingplan 2026202520262027202820292030Inkomensbeleid 2026000000Verduidelijking fietsregeling000000Maatregelen lucratiefbelangregeling09109409408501.030Aanpassingen box 30700000Uitsluiten niet-marktconform handelendegelieerde partijen van toepassingleegwaarderatio000000Reparatie tegenbewijsregeling box 3 voorobligaties en andere vermogensbestand-delen met kortlopende termijnen01.4801.2401.2401.2401.240Aanpassingen groen beleggen000000Akkoord «gezond naar het pensioen»000000Evaluatie ETK-regeling en IBO arbeidsmi-gratieFiscale normering markt voor voertuigengericht op personenvervoerVoorstel ongelijke breukdelen bij eenhuwelijksgoederengemeenschap in deerf- en schenkbelasting000000Schenkingen binnen 180 dagen vooroverlijden7000– 1.970– 1.970– 1.970Gelijkstelling voor de schenk- enerfbelasting van uitsluitend biologischekinderen000000Verlegging ingangsdatum berekenenbelastingrente erfbelasting en verlengingaangiftetermijn erfbelasting310– 760– 540– 540– 540– 540Emissievrije bijzondere personenauto’s enemissievrije motorrijwielen000000Autonome vergroening000000Tariefkorting motorrijtuigenbelastingemissievrije personenauto’s000000Kwarttarieven motorrijtuigenbelasting04070000Ophoging en afschaffing heffingsplafondbelasting op leidingwater000000189Kamerstukken II 2022/23, 36 200 IX, nr. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3142 Wetsvoorstel Belastingplan 2026202520262027202820292030Hervormingen afvalstoffenbelasting07007000Aanpassingen CO2-heffing industrie000000Belastingvermindering energiebelasting000000Aanpassing zuiveldefinitie05700000Koopkrachtmaatregel BES-eilanden34000000Verlengen verlaagde accijnstarieven voorongelode benzine, diesel en LPG000000 13. Advies en consultatie Gezien de spoedbehandeling van het Belastingplan is het wetsvoorstel inzijn geheel niet ter internetconsultatie aangeboden. Er zijn wetswijzi-gingen in het wetsvoorstel welke individueel wel voor internetconsultatiezijn uitgezet. Wanneer dit is gebeurd, wordt dat hieronder toegelicht.Over het volledige pakket Belastingplan 2026 is advies gevraagd aan deRaad voor de Rechtspraak. In haar advies wijst de Raad voor de Recht-spraak – op basis van de ter beschikking gestelde stukken – op mogelijkewerklastgevolgen die enkele voorgestelde wijzigingen met zich kunnenmeebrengen. Met name de aanpassingen van de lucratiefbelangregelingen de verhoging van het forfait voor overige bezittingen in box 3 zijn doorde Raad benoemd als regelingen die potentieel kunnen leiden tot eencomplexere behandeling van zaken of tot een toename van het aantalgerechtelijke procedures. De Raad heeft hierbij opgemerkt mogelijk nogeen aanvullende inschatting van de werklast te geven.Verduidelijking fietsregeling loonbelastingVerschillende stakeholders, waaronder NS en ANWB, hebben aangegevenin de praktijk problemen te zien met de huidige bijtellingsregels voor defiets. Zij kunnen zich vinden in de voorgestelde aanpassing.Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personenvervoerHet kabinet heeft er in het voorjaar voor gekozen om deze maatregel per2027 in werking te willen laten treden. Inwerkingtreding per die datum isnodig om de wettelijke klimaatdoelen te kunnen halen. Hoewel demaatregel wel al is aangekondigd in april van dit jaar, is ook deverwachting dat werkgevers hun gedrag pas gaan veranderen als ditwetsvoorstel is aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer. Het(nadelige) gevolg hiervan is dat het gelet op de beperkte tijd niet meermogelijk was om het voorstel ter internetconsultatie voor te leggen. Er zijnwel meerdere gesprekken geweest met relevante vertegenwoordigendepartijen/stakeholders. Deze gesprekken hebben geleid tot aanpassingen,aanvullende toelichtingen en verduidelijkingen.Wat betreft de juridische houdbaarheid van de afbakening van dereikwijdte van de pseudo-eindheffing is advies ingewonnen bij deLandsadvocaat. Het kabinet heeft de Landsadvocaat ingeschakeld om tebeoordelen of de pseudo-eindheffing over fossiele auto’s houdbaar is inhet licht van het gelijkheidsbeginsel als wordt gekozen voor een pseudo-eindheffing die geldt als een werkgever mede voor privédoeleinden eenfossiele personenauto ter beschikking stelt aan een werknemer. In hetbijzonder was het daarbij de vraag of – in het licht van het gelijkheidsbe-ginsel – deze heffing niet ook moet gelden voor personenauto’s die alleenzakelijk (niet zijnde woon-werkverkeer) worden gebruikt. De Landsad-vocaat concludeert dat goed verdedigbaar is dat een pseudo-eindheffingdie zou worden opgelegd aan werkgevers die een fossiele brandstofauto(mede) voor privégebruik of woon-werkverkeer ter beschikking stellen aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3143 hun werknemers niet in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel ingeval dieheffing niet geldt voor werkgevers die hun werknemers een fossielebrandstofauto ter beschikking stellen voor uitsluitend zakelijk gebruik.Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeenschap inde erf- en schenkbelastingEr heeft een internetconsultatie plaatsgevonden van het conceptvoorstelmet concepttoelichting. De internetconsultatie «Aanpak constructieongelijke breukdelengemeenschap» liep van 23 april tot en met 14 mei2025. Op de internetconsultatie zijn reacties ontvangen van de organi-saties Netwerk Notarissen, KNB, NOB, RB, EPN, enkele notaris- enadvieskantoren en enkele (anonieme) particuliere reacties. Hoewel erbegrip is voor het doel van het wetsvoorstel (het tegengaan van belasting-ontwijking bij een ongelijke breukdelengemeenschap), wordt er ook kritiekgeuit. Hieronder wordt ingegaan op de gemeenschappelijke punten vande kritiek.Reikwijdte en ProportionaliteitMeerdere organisaties hebben erop gewezen dat de voorgestelde regelingin hun ogen te ruim is. Er wordt aangegeven dat de ongelijke breukdelen-gemeenschap190 gebruikt wordt om reële niet-fiscale redenen. Hetwetsvoorstel belast ongelijke breukdelen in alle gevallen, ook wanneer ergeen sprake is van fiscale constructies, zoals bij compensatie van ongelijkingebracht vermogen, bescherming van familievermogen of het ontgaanvan de legitieme portie. Er wordt daarom door verschillende organisatiesgepleit voor een tegenbewijsregeling of een termijn van 180 dagen tussenhet aanpassen van de breukdelen in de huwelijksgoederengemeenschapen de ontbinding van deze gemeenschap. Ook wordt aangegeven dat devoorgestelde fictie leidt tot heffing over het eigen ingebrachte vermogenals de huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld naar rato van deinbreng. Naar aanleiding van deze kritiek en het advies van de Raad vanState is de toelichting aangepast. Er wordt nu duidelijker aangegeven datheffing bij de ontbinding van een ongelijke breukdelengemeenschap eneen verrekenbeding met ongelijke breukdelen een principiële keuze is enniet alleen bedoeld is om fiscale constructies aan te pakken. Het blijftmogelijk om de ongelijke breukdelengemeenschap te gebruiken omandere dan fiscale redenen, maar dat leidt dan wel tot heffing van erf- ofschenkbelasting bij ontbinding van deze gemeenschap. Bij deze princi-piële keuze past een tegenbewijsregeling of een termijn niet. Verder is detoelichting aangevuld met een voorbeeld, waarmee inzichtelijk wordtgemaakt dat er bij ongelijk ingebracht vermogen logischere alternatievenzijn dan een ongelijke breukdelengemeenschap om het verschil in inbrengte handhaven.OvergangsrechtVerschillende organisaties en de Raad van State hebben aangegeven dathet overgangsrecht te beperkt is. Een kleine wijziging in de huwelijksevoorwaarden leidt al tot het vervallen van het overgangsrecht. Er wordtdaarom geadviseerd om het overgangsrecht alleen te laten vervallen alsde verhouding in de huwelijksgoederengemeenschap of het verreken-beding wordt gewijzigd. Daarnaast wordt ook gepleit de datum van deeerbiedigende werking van het overgangsrecht te verleggen naar eenlatere datum dan 18 april 2025. Naar aanleiding van dit commentaar is er190Omwille van de leesbaarheid wordt in deze paragraaf alleen gesproken over de ongelijkebreukdelengemeenschap.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3144 aanleiding gezien het overgangsrecht te verruimen. Zie hiervoor ook detoelichting van de maatregel.Overige aspectenIn reactie op de consultatie wordt ook opgemerkt dat onvoldoenderekening is gehouden met de internationale aspecten of dat een uitzon-dering gemaakt zou moeten worden op het overgangsrecht als eenbuitenlandse notaris de huwelijkse voorwaarden wijzigt. Dit heeft geenaanleiding gegeven om de toelichting aan te passen. Het huwelijksvermo-gensrecht in internationale situaties is zeer complex en per casus en landverschillend. Het is daarom niet mogelijk om in de toelichting algemenehandvaten te bieden. Naar aanleiding van de consultatie is daarnaast detoelichting aangevuld dat een periodiek verrekenbeding ook onder devoorgestelde maatregel valt. Ten slotte is het voorgestelde artikel 11,vijfde lid, SW 1956 aangepast, zodat ook voormalige partners onder ditartikel vallen. Het was anders mogelijk om onder de werking van dit lid uitte komen door een van de partners op een ander adres in de Basisregis-tratie Personen (BRP) in te schrijven.Verhoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leidingwaterIn het voortraject is gesproken met VEWIN (de brancheorganisatie vanwaterbedrijven), VNO-NCW en branchevertegenwoordigers om gevolgenvoor bedrijven in beeld te krijgen evenals aandachtspunten voor deuitvoerbaarheid. Bij de uitwerking van het wetsvoorstel is met VEWINgesproken over de uitvoerbaarheid voor de drinkwaterbedrijven vanvoorgestelde versmalling van de belastinggrondslag. Hieruit kwamengeen nadere aandachtspunten t.a.v. de uitvoerbaarheid naar voren. Wel ishet voor de waterbedrijven van belang tijdig kennis te kunnen nemen van(voorgenomen) besluitvorming, om hun administratiesystemen hier tijdigop aan te kunnen passen. Om hieraan tegemoet te komen is gedurendehet wetgevingstraject diverse keren met VEWIN gesproken over de op datmoment geldende stand van zaken.Hervormingen afvalstoffenbelastingIn aanloop naar dit wetsvoorstel is diverse keren gesproken met deVereniging Afvalbedrijven, de branchevereniging voor afvalverwerkendebedrijven, en individuele bedrijven. Hierbij is onder andere gesprokenover de wenselijkheid van specifieke hervormingen en de tariefsverhogingen is er gereflecteerd op de zorgen over de economische gevolgen vanhet pakket maatregelen. Daarnaast is er gesproken over het maatregelen-pakket met de afval- en plasticsector aan de Plastictafel191. Hierbij is erook gesproken is over mogelijke alternatieven om de budgettairetaakstelling mee in te vullen. Ook is meermaals gesproken met de NVRD(Nederlandse Vereniging voor Reinigingsdiensten), in deze gesprekken isgefocust op de vraag hoe de lasteneffecten op burgers in kaart gebrachtkon worden. Tot slot is er ook gesproken met de grootstedelijkegemeenten, waarbij er is gereflecteerd op hun zorgen ten aanzien van deeconomische gevolgen van het maatregelenpakket. Met betrekking tot hetschrappen van de vrijstelling voor zuiveringsslib zijn diverse overleggengevoerd met de Unie van Waterschappen.191https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/08/20/bijlage-2-eindrapportage-plastictafel-1-juli-2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3145 Aanpassingen CO2-heffing industrieHet kabinet geeft met de voorgestelde verlaging van de CO2-heffing voorETS1- en lachgasinstallaties, binnen de budgettaire kaders maximaaluitvoering aan motie van Dijk c.s.192, die opriep tot het zo snel mogelijkafschaffen van de CO2-heffing. In dit kader zijn gesprekken gevoerd metbelangenorganisaties in de industrie en groene NGO’s. Daarnaast zijngesprekken gevoerd met de Europese Commissie, vanwege raakvlakkenmet het herstel- en veerkrachtplan.Het kabinet heeft daarnaast een voorzitter gevraagd om met eenOverlegtafel CO2-heffing industrie – met vertegenwoordigers van onderandere het Rijk, groene NGO’s en industriële bedrijven – met alternatievenof ideeën voor aanpassingen aan het bestaand borgend instrumentariumte komen. De Overlegtafel levert omstreeks 1 november haar advies op,dat kan worden betrokken in de verdere besluitvorming over het borgendinstrumentarium in de industrie.II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel IArtikel I, onderdeel A, artikel III, onderdeel B, artikel XXXVII, artikelXXXVIII, onderdeel A, en artikel L (artikelen 2.10a en 2.10b van de Wetinkomstenbelasting 2001, artikelen 20a en 20b van de Wet op de loonbe-lasting 1964, artikelen III en IX van het Belastingplan 2024 en artikelen II enIX van het Belastingplan 2025)Met de in artikel I, onderdeel A, en artikel III, onderdeel B, opgenomenwijzigingen wordt voorgesteld de tarieftabellen in de artikelen 2.10, eerstelid, en 2.10a, eerste lid, Wet IB 2001 en de artikelen 20a, eerste lid, en 20b,eerste lid, Wet LB 1964 als onderdeel van het in het algemeen deel vandeze memorie beschreven koopkrachtpakket voor het jaar 2026 aan tepassen.In artikel I, onderdeel A, en artikel III, onderdeel B, wordt onder meervoorgesteld dat de tarieven van de eerste en tweede schijf wordenaangepast. De aanpassingen in artikel I, onderdeel A, onder 2, en artikelIII, onderdeel B, onder 2, zijn de gecombineerde tariefswijzigingen voor deeerste en tweede schijf in de loon- en inkomstenbelasting die volgen uitde verschillende tariefswijzigingen die zijn opgenomen in het Belas-tingplan 2024 (BP 2024), het Belastingplan 2025 (BP 2025) en dekoopkrachtbesluitvorming voor het jaar 2026. Daarnaast wordt met de inartikel I, onderdeel A, onder 1, en artikel III, onderdeel B, onder 1,opgenomen wijzigingen voorgesteld om het aangrijpingspunt van hettoptarief te verhogen.De verlaging van het tarief in de eerste schijf met 0,12%-punt is als volgtopgebouwd. In het BP 2024 wordt het tarief met 0,01%-punt verlaagd. HetBP 2025 regelt een verlaging van het tarief met 0,21%-punt. De wijzigingvan het tarief in het onderhavige wetsvoorstel bestaat uit twee onder-delen. Als eerste de compensatie zorgpremies die voortvloeit uit devoorjaarsnota 2025. Deze compensatie levert een verhoging van het tariefmet 0,05%-punt op. De koopkrachtbesluitvorming voor het jaar 2026 levertdaarnaast ook een verhoging van 0,05%-punt op. In totaal leidt dit tot eenverlaging van het tarief in de eerste schijf van 0,12%-punt.De verhoging van het tarief in de tweede schijf met 0,08%-punt is als volgtopgebouwd. In het BP 2024 wordt het tarief met 0,01%-punt verlaagd. HetBP 2025 regelt een verhoging van het tarief met 0,04%-punt. De wijzigingvan het tarief in het onderhavige wetsvoorstel bestaat uit de compensatie192Kamerstukken 36 725, nr. 11Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3146 zorgpremies die voortvloeit uit de voorjaarsnota 2025. Deze compensatielevert een verhoging van het tarief met 0,05%-punt op. Deze verhogingenen verlaging leveren in totaliteit een verhoging van de tweede schijf van0,08%-punt op.De verhoging van het aangrijpingspunt van het toptarief vloeit voort uithet BP 2025, waarbij de indexatie niet aanvullend geregeld is. In artikel I,onderdeel A, onder 1, en artikel III, onderdeel B, onder 1, in combinatiemet artikel L, wordt geregeld dat de genoemde verhoging pas plaatsvindtals de indexatie voor het jaar 2026 heeft plaatsgevonden op het huidigebedrag. Genoemd bedrag van de verhoging van het aangrijpingspunt vanhet toptarief is namelijk reeds inclusief indexatie. In het voorgesteldeartikel L, eerste lid, onderdeel a, wordt geregeld dat het bedrag waarmeeingevolge de voorgestelde artikelen I, onderdeel A, onder 1, en III,onderdeel B, onder 1, het aangrijpingspunt van het toptarief in de loon- ende inkomstenbelasting wordt verhoogd, niet wordt geïndexeerd.In het voorgestelde artikel XXXVII wordt in het kader van de hiervoorbeschreven wijzigingen van de tarieftabellen geregeld dat de artikelen IIIen IX BP 2024 komen te vervallen. In het voorgestelde artikel XXXVIII,onderdeel A, wordt geregeld dat de artikelen II en IX, onderdeel A, BP2025 komen te vervallen. De aanpassingen van de tarieftabellen die zijnopgenomen in het BP 2024 en het BP 2025 zijn zoals hiervoor is toegelichtsamen met de voor het jaar 2026 nieuw voorgestelde aanpassingenverwerkt in artikel I, onderdeel A, en artikel III, onderdeel B.Het voorgestelde artikel XLI, waarin de beperkte toepassing van detabelcorrectiefactor wordt geregeld, heeft geen doorwerking naarindexatievoorschriften in verscheidene wetten die de artikelen 10.1 of 10.2Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing verklaren, tenzij eenafwijking op deze regel is geregeld (zie het voorgestelde artikel XLII).193Artikel I, onderdeel B (artikel 3.20a van de Wet inkomstenbelasting 2001)Voorgesteld wordt aan artikel 3.20a Wet IB 2001 een lid toe te voegen omte bewerkstelligen dat de onttrekking van een door de IB-ondernemer ookvoor privédoeleinden ter beschikking staande fiets, in afwijking van artikel3.20a, eerste lid, Wet IB 2001, op nihil wordt gesteld indien die fiets nietmeer dan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres van de IB-ondernemerwordt gestald. Op grond van het voorgestelde artikel 3.20a, vijfde lid,tweede zin, Wet IB 2001 wordt geacht van stallen geen sprake te zijnindien de belastingplichtige in de periode waarin de fiets zich bij hetwoon-of verblijfadres van de IB-ondernemer bevindt niet de beschikkings-macht over de fiets heeft. Deze met betrekking tot artikel 3.20a Wet IB2001 voorgestelde wijziging heeft hetzelfde doel en dezelfde strekking alsde voorgestelde wijziging van artikel 13ter Wet LB 1964. Zie daarom vooreen nadere toelichting op de eerstgenoemde wijziging de toelichting bijde voorgestelde wijziging van artikel 13ter Wet LB 1964.Artikel I, onderdeel C (artikel 3.95b van de Wet inkomstenbelasting 2001)In artikel 3.95b, vijfde lid, Wet IB 2001 is geregeld dat als de belasting-plichtige daarvoor kiest, de in een kalenderjaar genoten voordelen metbetrekking tot middellijk gehouden vermogensbestanddelen die tot eenwerkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92b Wet IB 2001 behoren, niet tothet resultaat van een werkzaamheid worden gerekend, mits in datkalenderjaar tot een bedrag van ten minste 95% van die voordeleninkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten dat een weerspiegeling isvan die voordelen (aanmerkelijkbelangvariant). De keuze dient te wordengemaakt door de voordelen in de aangifte inkomstenbelasting aan tegeven als voordeel uit aanmerkelijk belang. In die situatie geldt derhalve193HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1623.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3147 geen box 1-heffing als een box 2-heffing plaatsvindt over (ten minste 95%van) deze voordelen.Introductie multiplier voor voordelen uit lucratief belangTer uitvoering van de motie-Idsinga c.s.194 wordt voorgesteld om in artikel3.95b, vijfde lid, tweede zin, Wet IB 2001 een multiplier te introducerenvoor belastingplichtigen met een middellijk gehouden lucratief belang.Deze bepaling regelt op welke wijze de ingevolge artikel 3.95b, vijfde lid,eerste zin, Wet IB 2001 in aanmerking te nemen voordelen worden belast.De maatregel is dus pas van toepassing zodra bij de belastingplichtige devoordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang, mits wordtvoldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden, tot het inkomen uitaanmerkelijk belang moeten worden gerekend. De maatregel heeft totgevolg dat de voordelen die ingevolge artikel 3.95b, vijfde lid, eerste zin,Wet IB 2001 belastbaar zijn in box 2 als gevolg van de aanmerkelijkbelang-variant vervolgens worden verhoogd met de voorgestelde vermenigvuldi-gingsfactor. Op grond van het voorgestelde artikel 3.95b, vijfde lid, tweedezin, Wet IB 2001 geldt deze multiplier dus bij een lucratief belang dat isondergebracht in een kapitaalvennootschap waarin de belastingplichtigeeen aanmerkelijk belang houdt. Met de introductie van de multiplier vindteen grondslagverbreding plaats die in feite werkt als een beperkteverhoging van de belastingdruk voor de voordelen (reguliere envervreemdingsvoordelen) uit dit middellijk gehouden lucratieve belang.Een middellijk gehouden lucratief belang kan de vorm van aandelen,vorderingen of andere vermogensrechten hebben. Met de introductie vaneen multiplier wordt bereikt dat voordelen uit dit middellijk gehoudenlucratieve belang effectief zwaarder worden belast door het bedrag vandeze voordelen te vermenigvuldigen met A/B gedeelte. Daarbij staat Avoor het in artikel 2.13 Wet IB 2001 opgenomen percentage (box 3-tarief)en B voor het in de vierde kolom van de in artikel 2.12 Wet IB 2001opgenomen tabel als tweede vermelde percentage (hoogste box 2-tarief),beide geldend voor het jaar waarin de voordelen zijn genoten. Voor 2026is A vastgesteld op 36% en is B vastgesteld op 31%. De regeling komt danin feite neer op een verhoging van de effectieve belastingdruk van 24,5%naar 28,45%195 voor voordelen uit lucratief belang voor zover deze belastzijn in de eerste tariefschijf van artikel 2.12 Wet IB 2001 voor box 2 en opeen verhoging van de effectieve belastingdruk van 31% naar 36%196 voorvoordelen uit lucratief belang voor zover deze belast zijn in de tweedetariefschijf van artikel 2.12 Wet IB 2001 voor box 2.Tegengaan structuur lucratiefbelangregelingAls een belastingplichtige een lucratief belang middellijk houdt via eenvennootschap waarin hij geen aanmerkelijk belang heeft, kan de aanmer-kelijkbelangvariant van genoemd vijfde lid niet worden toegepast. In dezesituatie behoort het belang in de vennootschap door middel waarvan hetlucratieve belang wordt gehouden tot de rendementsgrondslag in box 3.Zodra echter een aanmerkelijk belang ontstaat, kan de aanmerkelijkbe-langvariant in de huidige regeling direct worden toegepast op alleinkomsten uit het lucratieve belang, mits ten minste 95% daarvan alsinkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten. Bij sfeerovergang naar194Kamerstukken II 2023/24, 25 087, nr. 335.195Het inkomen uit aanmerkelijk belang in de eerste tariefschijf van box 2 is belast met 24,5%inkomstenbelasting in 2026. Als gevolg van de multiplier wordt de belastingdruk in dezeeerste tariefschijf verhoogd tot 28,45% (24,5% x 36%/31%).196Het inkomen uit aanmerkelijk belang in de tweede tariefschijf van box 2 is belast met 31%inkomstenbelasting in 2026. Als gevolg van de multiplier wordt de belastingdruk in dezetweede tariefschijf verhoogd tot 36% (31% x 36%/31%).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3148 box 2 wordt de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang gesteld opde waarde in het economische verkeer. De verkrijgingsprijs omvat ook hetverschil tussen de waarde in het economische verkeer van het lucratievebelang en het opgeofferde bedrag van het lucratieve belang. De waarde-aangroei tussen de waarde in het economische verkeer van het lucratievebelang en het oorspronkelijk opgeofferde bedrag blijft naar het oordeelvan belastingplichtigen hierdoor effectief buiten de belastingheffing inbox 2. Om zeker te stellen dat dit onbedoelde effect wordt gerepareerd,wordt voorgesteld aan artikel 3.95b Wet IB 2001 een nieuw lid (een zesdelid) toe te voegen. Dat lid zorgt ervoor dat het voordeel dat ontstaat bij desfeerovergang van box 3 naar box 2 alsnog wordt belast in box 1 alsinkomen uit lucratief belang waarop de aanmerkelijkbelangvariant nietvan toepassing is. Het effect is vergelijkbaar met het effect van de regelingin artikel 3.95b, derde lid, Wet IB 2001 bij de overgang van een onmid-dellijk gehouden lucratief belang naar een middellijk gehouden lucratiefbelang. Daarbij wordt aangetekend dat bij genoemd derde lid meteensprake is van een heffing, terwijl het voorgestelde zesde lid aansluit bij hetmoment van realisatie van de voordelen uit lucratief belang.Artikel I, onderdeel D, en artikel XLIV (artikel 5.5 van de Wet inkomstenbe-lasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van artikel 5.5 Wet IB 2001 wordt metingang van 1 januari 2026 het heffingvrije vermogen in box 3 verlaagd vanhet in 2025 geldende bedrag van € 57.684 naar € 51.396. Dit bedrag wordtin beginsel jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de tabelcorrectiefactor,bedoeld in artikel 10.1 Wet IB 2001. Door in artikel XLIV te regelen datartikel 10.1 Wet IB 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2026 niet wordttoegepast wordt bewerkstelligd dat de indexatie van het voorgesteldebedrag van € 51.396 voor het eerst per 1 januari 2027 plaatsvindt. Deindexatie per 1 januari 2026 is namelijk al verwerkt in laatstgenoemdbedrag. De achtergrond van deze verlaging van het heffingvrije vermogenwordt toegelicht in paragraaf 5.3 van het algemeen deel van dezememorie.Artikel I, onderdeel E, en artikel X, onderdeel D (artikel 5.20 van de Wetinkomstenbelasting 2001 en artikel 21 van de Successiewet 1956)Artikel 5.20, derde lid, eerste zin, Wet IB 2001 regelt voor de box 3-heffingdat de waarde van een geheel of gedeeltelijk verhuurde of verpachtewoning wordt vastgesteld met inachtneming van het bij algemenemaatregel van bestuur vastgestelde percentage (leegwaarderatio) van devolgens hoofdstuk IV Wet WOZ voor die woning vastgesteldeWOZ-waarde. Voor de verhuurde woning is vereist dat op deze verhuurafdeling 5 van titel 4 van Boek 7 BW197 van toepassing is. Voor deverpachte woning is vereist dat de pachtovereenkomst is aangegaan voortwaalf jaar en op deze verpachting titel 5 van Boek 7 BW198 vantoepassing is. Ingevolge artikel 5.20, derde lid, tweede zin, Wet IB 2001geldt deze regeling niet indien sprake is van een voor bepaalde tijdaangegane huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:271 BW.199 Hetbovenstaande is voor de schenk- en erfbelasting overeenkomstig geregeldin artikel 21, achtste lid, SW 1956. Voorgesteld wordt – in samenhang met197Het betreft hier regels in het BW voor de verhuur van woonruimte waarbij de huurder rechtheeft op huurbescherming.198Het betreft hier regels in het BW voor pacht, de overeenkomst waarbij de ene partij, deverpachter, zich verbindt aan de andere partij, de pachter, een onroerende zaak of eengedeelte daarvan in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw en de pachterzich verbindt tot een tegenprestatie.199Het betreft hier regels in het BW voor het beëindigen van de huur van woonruimte die voorbepaalde tijd is aangegaan. Op deze situaties is de leegwaarderatio niet van toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3149 de hierna toegelichte uitbreiding – om het hiervoor genoemde artikel 5.20,derde lid, tweede zin, Wet IB 2001 te verplaatsen naar de aanhef enonderdeel a van een hiertoe toe te voegen vijfde lid. Daarnaast wordtvoorgesteld om in de aanhef en onderdeel b van dat vijfde lid detoepassing van de leegwaarderatio eveneens uit te sluiten voor situatieswaarbij sprake is van gelieerde partijen die een zodanige huurprijs ofpachtprijs zijn overeengekomen dat deze tussen willekeurige derden nietzou zijn overeengekomen. In dat kader komt artikel 17a, derde lid, tweedezin, UBIB 2001 te vervallen. Hetzelfde wordt voor de erf- en schenkbe-lasting overeenkomstig voorgesteld met een aan artikel 21 SW 1956 toe tevoegen zestiende lid en komt artikel 10a, derde lid, tweede zin, UBSW1956 te vervallen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naarparagraaf 5.4 van het algemeen deel van deze memorie.Artikel I, onderdeel F (artikel 5.26 van de Wet inkomstenbelasting 2001)In het voorgestelde artikel 5.26, vierde lid, Wet IB 2001 wordt geregeld datartikel 5.12 Wet IB 2001 als hoofdregel niet van toepassing is bij het in hetkader van de box 3-tegenbewijsregeling bepalen van het werkelijkerendement van bezittingen en schulden. Voorgesteld wordt het artikelalleen voor banktegoeden in voorkomend geval nog van toepassing telaten zijn. Artikel 5.12 Wet IB 2001 bevat een vrijstelling voor lopendetermijnen van inkomsten en verplichtingen die betrekking hebben op eentijdvak van een jaar of korter en waarvan het achterliggende vermogens-bestanddeel eveneens in het bezit is van de belastingplichtige. Eenvoorbeeld van zo’n lopende termijn is de lopende rente over een obligatiedie bij de aanschaf van een obligatie wordt meegekocht (de zogenoemdemeegekochte rente). Door artikel 5.12 Wet IB 2001, afgezien van dehiervoor genoemde uitzondering voor banktegoeden, buiten beschouwingte laten bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen enschulden wordt de box 3-tegenbewijsregeling minder gevoelig voorbelastingontwijking.De wijziging wordt voorgesteld naar aanleiding van verschillendeberichten in de media200 over een belastingontwijkingsmogelijkheidwaarbij belastingplichtigen een verlies kunnen creëren door aan het eindevan het kalenderjaar obligaties te kopen die in het begin van het volgendekalenderjaar rente uitkeren. In paragraaf 5.5 van het algemeen deel vandeze memorie wordt deze belastingontwijkingsmogelijkheid nadertoegelicht. De mogelijkheid om een verlies te creëren bestaat doordat aanhet einde van een kalenderjaar geen rekening wordt gehouden met dewaarde van de meegekochte rente van een obligatie. Die meegekochterente is immers op grond van artikel 5.12 Wet IB 2001 vrijgesteld.Daardoor wordt de obligatie aan het einde van een kalenderjaar voor eenlager bedrag in aanmerking genomen dan de obligatie in zijn geheel(inclusief de lopende rentetermijn) in het economische verkeer waard is.Dit heeft als gevolg dat er een belastingontwijkingsmogelijkheid ontstaat.Artikel 5.12 Wet IB 2001 is niet alleen relevant voor obligaties, maar ookvoor andere vermogensbestanddelen in box 3 waar lopende termijnenvan inkomsten of verplichtingen op van toepassing kunnen zijn (denkbijvoorbeeld aan andere vorderingen dan obligaties of aan schulden). Ombelastingontwijkingsmogelijkheden te voorkomen die vergelijkbaar zijnmet de genoemde belastingontwijkingsmogelijkheid met obligaties geldtde voorgestelde wijziging van artikel 5.26 Wet IB 2001 niet alleen voorobligaties, maar ook voor andere bezittingen en voor schulden. Omdat bij200E.A. van Uunen, 7 juli 2025, Wilt u geen box 3-heffing betalen? Zie de omissies in detegenbewijsregeling, Taxlive, https://www.taxlive.nl/nl/documenten/opinie/columns/wilt-u-geen-box-3-heffing-betalen-zie-de-omissies-in-de-tegenbewijsregeling/, L. Berentsen, 10 juli2025, Belasting box 3 eenvoudig te omzeilen met tegenbewijsregeling, Financieel Dagblad,p. 1 en E. A. van Uunen, «Rente of (nog) geen rente», Weekblad fiscaal recht 2025/182.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3150 banktegoeden geen vergelijkbare belastingontwijkingsmogelijkheidbestaat, wordt met het oog op eenvoud echter voorgesteld dat artikel 5.12Wet IB 2001 wel van toepassing blijft op banktegoeden. Hierdoor hoefteen belastingplichtige bij het berekenen van zijn werkelijke rendementover banktegoeden in euro’s alleen rekening te houden met de rente die isontvangen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat in artikel 5.34 WetIB 2001 een aantal situaties is opgenomen waarin eveneens sprake is vanhet genieten van voordelen.Door artikel 5.12 Wet IB 2001 in principe niet meer toe te passen bij hetbepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, insamenhang met de voorgestelde aanpassingen van artikel 5.31 Wet IB2001, is de hiervoor genoemde belastingontwijkingsmogelijkheid nietmeer mogelijk. De voorgestelde aanpassingen van deze bepalingenzorgen ervoor dat obligaties, inclusief de lopende rentetermijn, op grondvan de hoofdregel die is opgenomen in artikel 5.19, eerste lid, Wet IB 2001aan het begin en aan het einde van een kalenderjaar worden gewaardeerdop de waarde in het economische verkeer. Dit voorkomt de genoemdeontgaansmogelijkheden, maar sluit ook beter aan bij de werkelijkheid.Om op dit punt belastingontwijking in 2025 nog zoveel mogelijk tevoorkomen, wordt voorgesteld om terugwerkende kracht te geven aan dehiervoor beschreven maatregel. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf5.5 van het algemeen deel van deze memorie. De voorgestelde terugwer-kende kracht geldt tot en met 25 augustus 2025, 16.00 uur. Dit is hettijdstip van het persbericht dat na akkoord van de ministerraad met ditwetsvoorstel is uitgegaan. Deze terugwerkende kracht geldt op grond vande voorgestelde artikelen XL en L alleen voor vermogensbestanddelen(bezittingen en schulden) die vanaf dat tijdstip tot het box 3-vermogen vande belastingplichtige zijn gaan behoren.Artikel I, onderdeel G (artikel 5.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Op grond van artikel 5.21 Wet IB 2001 worden effecten in box 3 op depeildatum gewaardeerd op de slotnotering in de bij ministeriële regelingaangewezen prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag vanhet voorafgaande kalenderjaar.201 De beurskoers van obligaties isexclusief de waarde van de lopende rentetermijn. Bij de aankoop van eenobligatie is het daarom gebruikelijk om boven op de waarde die debeurskoers aangeeft een bedrag te betalen voor meegekochte rente. Ditgeldt ook voor sommige andere effecten met een vast uitbetalings-moment. Zoals in de artikelsgewijze toelichting bij de voorgesteldewijziging van artikel 5.26 Wet IB 2001 is toegelicht, is het vanwege het opdit punt voorkomen van belastingontwijking wenselijk om in de box3-tegenbewijsregeling rekening te houden met de waarde van lopendetermijnen van inkomsten of verplichtingen. Door de voorgesteldewijziging van artikel 5.31 Wet IB 2001 wordt de waardering op basis vande beurskoers die voortvloeit uit artikel 5.21 Wet IB 2001 in de box3-tegenbewijsregeling niet meer toegepast, indien er sprake is van eenlopende termijn van inkomsten of verplichtingen waarvan de waarde niet(of niet volledig) is verdisconteerd in de beurskoers. Indien artikel 5.21Wet IB 2001 buiten toepassing blijft, worden effecten op grond van dehoofdregel die is opgenomen in artikel 5.19, eerste lid, Wet IB 2001gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer.De hiervoor beschreven aanpassing is opgenomen in het voorgesteldeartikel 5.31, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. Het voorgestelde artikel5.31, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 is inhoudelijk gelijkaan het huidige artikel 5.31, eerste lid, Wet IB 2001.201In artikel 33b URIB 2001 is de Officiële Prijscourant uitgegeven door Euronext AmsterdamN.V. aangewezen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3151 De voorgestelde wijziging van artikel 5.26 Wet IB 2001 heeft op grond vande voorgestelde inwerkingtredingsbepaling terugwerkende kracht tot enmet 25 augustus 2025, 16.00 uur om belastingontwijking in 2025 nogzoveel mogelijk te voorkomen (zie voor een nadere toelichting paragraaf5.5 van het algemeen deel van deze memorie). Het voorkomen van debelastingontwijking in 2025 is alleen mogelijk als ook de wijziging vanartikel 5.31 Wet IB 2001 terugwerkende kracht heeft, omdat zonder deaanpassing van artikel 5.31 Wet IB 2001 sommige effecten nog steedszouden worden gewaardeerd exclusief de waarde van de lopendetermijnen. Daarom wordt voorgesteld om de maatregel die is opgenomenin het voorgestelde artikel 5.31, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001dezelfde terugwerkende kracht te geven als de aanpassing van artikel 5.26Wet IB 2001. De terugwerkende kracht geldt zoals gezegd tot en met25 augustus 2025, 16.00 uur. Dit is het tijdstip van het persbericht dat naakkoord van de ministerraad met dit wetsvoorstel is uitgegaan. Dezeterugwerkende kracht geldt op grond van de voorgestelde artikelen XL enL alleen voor vermogensbestanddelen en verplichtingen die vanaf dattijdstip tot het box 3-vermogen van de belastingplichtige zijn gaanbehoren.De voorgestelde wijziging van artikel 5.31, vierde lid, Wet IB 2001 betrefteen aanpassing van enkele verwijzingen naar artikelleden van artikel 5.20Wet IB 2001. Deze aanpassing is nodig vanwege de in dit wetsvoorstelvoorgestelde wijziging van artikel 5.20 Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel H, artikel III, onderdeel C, en artikel XLIII (artikel 8.11van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 22a van de Wet op deloonbelasting 1964)De voorgestelde wijzigingen van artikel 8.11 Wet IB 2001 en artikel 22aWet LB 1964 beogen te bewerkstelligen, zoals is toegelicht in hoofdstuk 4van het algemeen deel van deze memorie, dat het maximale bedrag vande arbeidskorting, na toepassing van de inflatiecorrectie van artikel 10.1Wet IB 2001 per 1 januari 2026, met ingang van 1 januari 2026 bij hettweede knikpunt wordt verhoogd met € 25 en bij het derde knikpuntwordt verhoogd met € 27. Om dat te realiseren is in het voorgesteldeartikel XLIII de wijze van de indexatie aanvullend geregeld.Artikel I, onderdeel I, en artikel II (artikel 10.6ter van de Wet inkomstenbe-lasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van artikel 10.6ter Wet IB 2001 wordt deberekeningsmethode van het forfait voor overige bezittingen in box 3aangepast, zoals toegelicht in paragraaf 5.3 van het algemeen deel vandeze memorie. Het forfait voor overige bezittingen wordt op grond vanartikel 10.6ter, derde lid, Wet IB 2001 jaarlijks vastgesteld. Het percentagewordt berekend op basis van het langetermijnrendement op onroerendezaken, aandelen en obligaties. Het langetermijnrendement op onroerendezaken wordt gesteld op het percentage dat volgt uit de formule die isopgenomen in artikel 10.6ter, vijfde lid, Wet IB 2001. Deze formule wordtmet de voorgestelde wijziging van artikel 10.6ter, vijfde lid, Wet IB 2001gewijzigd zodat daarin met ingang van 1 januari 2026 een componentvoor de brutohuurwaarde wordt opgenomen. Deze component wordtzoals toegelicht in paragraaf 5.3 van het algemeen deel van deze memoriegesteld op 3,35%. Dit vaste percentage wordt aan het einde van deformule opgeteld bij het percentage dat op basis van de huidige tekst vanartikel 10.6ter, vijfde lid, Wet IB 2001 wordt berekend. Met het voorge-stelde artikel II, onderdeel B wordt artikel 10.6ter Wet IB 2001 op overeen-komstige wijze gewijzigd met ingang van 1 januari 2027.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3152 Artikel IIArtikel II, onderdeel A, en artikel XXXVIII, onderdelen A en B (artikel 5.13van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen III, onderdelen D enE, en IV van het Belastingplan 2025)Voor groene beleggingen geldt tot een bepaald bedrag een vrijstelling vande vermogensrendementsheffing (box 3) op grond van de artikelen 5.13en 5.14 Wet IB 2001 alsmede een heffingskorting op grond van artikel 8.19Wet IB 2001. Zoals in paragraaf 5.6 van het algemeen deel van dezememorie al in algemene bewoordingen is toegelicht, komt op grond vanartikel III, onderdelen D en E, BP 2025 zowel de genoemde box3-vrijstelling als de genoemde heffingskorting met ingang van 1 januari2027 te vervallen. Thans wordt voorgesteld dit een jaar op te schuiven,dus naar 1 januari 2028. Daarnaast wordt voorgesteld voor het jaar 2027het bedrag van de box 3-vrijstelling voor groene beleggingen vast testellen op € 200 (voor partners € 400). Daarbij is al rekening gehoudenmet de inflatiecorrectie, in verband waarmee tevens wordt voorgestelddie bedragen niet meer op grond van artikel 10.1 Wet IB 2001 te indexerenaan het begin van het kalenderjaar 2027. De heffingskorting voor groenebeleggingen wordt op grond van dit wetsvoorstel vastgesteld op 0,1% in2027.Artikel IIIArtikel III, onderdeel A (artikel 13ter van de Wet op de loonbelasting 1964)Voorgesteld wordt aan artikel 13ter Wet LB 1964 een lid toe te voegen omte bewerkstelligen dat het voordeel van een door de werkgever ook voorprivédoeleinden aan een werknemer ter beschikking gestelde fiets, inafwijking van artikel 13ter, eerste lid, Wet LB 1964, op nihil wordt gesteldindien die fiets niet meer dan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres vande werknemer wordt gestald. In dergelijke situaties wordt toepassing vanhet in artikel 13ter, eerste lid, eerste zin, Wet LB 1964 opgenomen forfaitnamelijk als onredelijk beschouwd. Dat forfait geldt op grond van artikel13ter, eerste lid, tweede zin, Wet LB 1964 in ieder geval indien de fiets ookvoor woon-werkverkeer ter beschikking is gesteld, wat in veel gevallenaan de orde is bij een ook voor privédoeleinden aan de werknemer terbeschikking gestelde fiets. Soms kan dit leiden tot ongewensteuitkomsten. Dat is bijvoorbeeld het geval als de werknemer de fietsuitsluitend voor het laatste deel van het woon-werkverkeer naar en vanhet werk gebruikt, bijvoorbeeld met een ov-fiets. Met het voorgesteldeartikel 13ter, vijfde lid, Wet LB 1964 wordt bewerkstelligd dat het voordeelin dergelijke situaties wordt gesteld op nihil. Die bepaling leidt er feitelijktoe dat over het gebruik van een door de werkgever ook voor privédoel-einden aan de werknemer ter beschikking gestelde fiets geen belasting isverschuldigd, tenzij de fiets meer dan bijkomstig bij het woon- ofverblijfadres van de werknemer wordt gestald. Volledigheidshalve wordtopgemerkt dat op grond van artikel 13ter, eerste lid, Wet LB 1964eveneens geen bijtelling geldt indien de fiets uitsluitend voor zakelijkedoeleinden, exclusief woon-werkverkeer, ter beschikking is gesteld.Op grond van het voorgestelde artikel 13ter, vijfde lid, tweede zin, Wet LB1964 wordt geacht geen sprake te zijn van stallen in de zin van hetvoorgestelde artikel 13ter, vijfde lid, eerste zin, Wet LB 1964 indien dewerknemer in de periode waarin de fiets zich bij het woon- of verblijfadresvan de werknemer bevindt niet de feitelijke beschikkingsmacht over defiets heeft. Dat betekent dat van stallen bij het woon- of verblijfadres vande werknemer alleen sprake is als de werknemer in de periode van stallenof in een deel van die periode de beschikkingsmacht over de fiets heeft.Een werknemer heeft deze beschikkingsmacht als deze fiets in (dat deelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3153 van) die periode voor de werknemer voor privégebruik beschikbaar is. Datis het geval als hij de sleutel van de fiets exclusief tot zijn beschikkingheeft. Als een derde de fiets (niet alleen theoretisch) in gebruik kan nemenvia bijvoorbeeld een deelfietsapp, dan is geen sprake van het hebben vande beschikkingsmacht over de fiets.Voorgesteld wordt de bijtelling van nihil voor een ter beschikking gesteldefiets met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 in werking telaten treden, zijnde de datum waarop artikel 13ter Wet LB 1964 in werkingis getreden. Voor ter beschikking gestelde fiets die niet meer danbijkomstig bij het woon- of verblijfadres van de werknemer wordt gestald,geldt dan met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020 eenbijtelling van nihil.Zoals is opgemerkt in de artikelsgewijze toelichting bij de voorgesteldewijziging van artikel 3.20a Wet IB 2001 is het bovenstaande van overeen-komstige toepassing met betrekking tot die wijziging.Artikel III, onderdeel D (artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964)In artikel 31a, tweede lid, Wet LB 1964 zijn vergoedingen en verstrek-kingen aangewezen die een werkgever onbelast aan een werknemer magvergoeden zonder dat deze ten laste van de vrije ruimte van de werkkos-tenregeling hoeven te worden gebracht (gerichte vrijstellingen). Hethuidige artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, Wet LB 1964 bevat in dit kaderde gerichte vrijstelling van forfaitaire en werkelijke ETK. De voorgesteldetekst van de toevoeging aan dit onderdeel bevat voor bepaaldewerknemers een beperking van die gerichte vrijstelling ten aanzien van devolgende kosten:1.uitgaven die een werknemer doet doordat het prijspeil van deuitgaven voor levensonderhoud in het werkland hoger is dan in hetland van herkomst (extra uitgaven van levensonderhoud);2.uitgaven die een werknemer doet voor niet-zakelijke gesprekskosten.Onder de extra uitgaven van levensonderhoud vallen ook de extrauitgaven voor gas, water, licht en andere nutsvoorzieningen.Omdat het op grond van de wet al moet gaan om extra kosten van tijdelijkverblijf is het niet nodig de uitsluiting van gesprekskosten te beperken totde gesprekskosten met het land van herkomst. Andere gesprekskostenvallen per definitie niet onder de ETK.De voorgestelde beperking van de gerichte vrijstelling geldt voor zover devergoeding of verstrekking voor de bovengenoemde kosten ziet op deperiode waarin een ingekomen werknemer in Nederland arbeid verricht ofin Nederland verblijft en in een ander land arbeid verricht. Onder dedefinitie van een werknemer die in Nederland arbeid verricht of verblijft inNederland en in een ander land arbeid verricht, vallen de volgendegroepen werknemers:–werknemers die vanuit een ander land naar Nederland zijn uitgezon-den in het kader van hun dienstbetrekking en arbeid in Nederlandverrichten of verblijven in Nederland en in een ander land arbeidverrichten; en–werknemers die vanuit een ander land anderszins naar Nederland zijngekomen om alhier arbeid te verrichten of in Nederland te verblijvenen in een ander land arbeid te verrichten. Indien voornoemdewerknemer een andere inhoudingsplichtige krijgt, blijft de gerichtevrijstelling voor ETK, inclusief de nu voorgestelde toevoeging, vantoepassing, mits er sprake blijft zijn van een tijdelijk verblijf.Zoals in het algemeen deel van deze memorie is toegelicht blijft voorwerknemers die door de inhoudingsplichtige naar het buitenland wordengezonden (uitgezonden werknemers) wel de mogelijkheid bestaan om deextra uitgaven voor levensonderhoud en gesprekskosten voor privédoel-einden onbelast vergoed te krijgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3154 Artikel III, onderdeel E, artikel IV, onderdeel A, artikel V, artikel VII, artikelVIII en artikel L (artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 enartikel V, onderdelen E en G, van de Wet bedrag ineens, RVU en verlof-sparen)Naar aanleiding van het in oktober 2024 gesloten akkoord «Gezond naarhet pensioen» wordt voorgesteld de einddatum van de tijdelijkeRVU-drempelvrijstelling (zie hierna) van artikel 32ba, zevende lid, Wet LB1964 te laten vervallen en het bedrag van de RVU-drempelvrijstellingoptioneel te verhogen.202 Daarnaast wordt voorgesteld het tarief van devoor RVU’s geldende pseudo-eindheffing stapsgewijs te verhogen. Dezemaatregelen worden in samenhang met elkaar voorgesteld. Ook wordtvoorgesteld de berekeningswijze van de RVU-drempelvrijstelling aan tepassen. Hierna worden deze maatregelen afzonderlijk toegelicht.Verhogen tarief pseudo-eindheffingOp grond van artikel 32ba, eerste lid, Wet LB 1964 wordt – kort gezegd –een uitkering die is gedaan door een werkgever aan een werknemeringevolge een RVU in beginsel aangemerkt als loon dat met een pseudo-eindheffing bij de werkgever wordt belast. Naast de op het loon van dewerknemer in te houden loonbelasting is de werkgever 52% pseudo-eindheffing verschuldigd over – kort gezegd – de RVU-uitkeringen. Metdeze pseudo-eindheffing wordt het aanbieden van een RVU ontmoedigden wordt doorwerken tot de AOW-gerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW), bevorderd.Voorgesteld wordt het tarief van deze pseudo-eindheffing stapsgewijs teverhogen. Het verhogen van het tarief van de pseudo-eindheffing leidt toteen extra prikkel om RVU-uitkeringen die uitkomen boven deRVU-drempelvrijstelling te ontmoedigen. Zoals in het algemeen deel vandeze memorie wordt toegelicht, wordt voorgesteld om het tarief per1 januari 2026 te verhogen naar 57,7%, per 1 januari 2027 naar 64% en per1 januari 2028 naar 65%.Vervallen einddatum tijdelijke RVU-drempelvrijstelling, evaluatie op basisvan monitoring en ijkingMet de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen is een tijdelijkeRVU-drempelvrijstelling geïntroduceerd in artikel 32ba, zevende lid, WetLB 1964. Deze drempelvrijstelling bewerkstelligt dat een regeling niet alseen onder de pseudo-eindheffing vallende RVU wordt aangemerkt indiende uitkeringen ingevolge die regeling onder een bepaalde hoogte blijvenen binnen een maximale looptijd blijven. Op grond van artikel V,onderdeel E, van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen vervalt deRVU-drempelvrijstelling met ingang van 1 januari 2026 en op grond vanonderdeel G van dat artikel geldt er overgangsrecht tot en met31 december 2027.Voorgesteld wordt artikel V, onderdelen E en G, van de Wet bedrag ineens,RVU en verlofsparen te laten vervallen. De RVU-drempelvrijstelling krijgtdaarmee een structureel karakter. Het gebruik van deRVU-drempelvrijstelling zal wel worden gemonitord. Hiertoe wordt eenevaluatiebepaling voorgesteld in artikel VIII van onderhavig wetsvoorstelzoals deze in paragraaf 5.7 van het algemeen deel van deze memorie istoegelicht. In artikel VIII, vierde en vijfde lid, van onderhavig wetsvoorstelwordt voorgesteld om de Minister van SZW de bevoegdheid te geven bijof krachtens algemene maatregel van bestuur maatregelen te nemen omde RVU-drempelvrijstelling gerichter te maken dan wel deze af te bouwendoor middel van aanvullende voorwaarden, waarbij een ontwerp voor een202Kamerstukken II 2023/24, 32 043, nr. 663.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3155 dergelijke algemene maatregel van bestuur zal worden voorgelegd aan debeide Kamers der Staten-Generaal (voorhang). Er is gekozen voor hetinstrument van gecontroleerde delegatie (algemene maatregel vanbestuur met voorhang, waarbij de voordracht voor een vast te stellenalgemene maatregel van bestuur niet eerder mag worden gedaan dan vierweken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal isovergelegd) zodat parlementaire betrokkenheid geborgd blijft en welsneller dan via reguliere wetgeving wijzigingen doorgevoerd kunnenworden indien dat nodig mocht blijken. Met het oog op het belang vaneen zo breed mogelijke inzet van de beroepsbevolking acht het kabinet hetonwenselijk als de RVU-drempelvrijstelling te algemeen wordt ingezet endaarmee door een te grote groep werknemers wordt gebruikt. Daarom iser belang bij snelle bijsturing indien nodig. Indien het nodig wordt geachtde regeling te beëindigen, zal dat niet bij algemene maatregel van bestuurworden geregeld, maar zal daartoe een wetsvoorstel worden ingediend.Verhoging bedrag RVU-drempelvrijstellingIn het voorgestelde artikel 32ba, achtste lid, Wet LB 1964 wordt eengenerieke verhoging van het in artikel 32ba, zevende lid, Wet LB 1964genoemde bedrag voorgesteld. Deze verhoging van € 300 (bedrag 2026)is bedoeld om RVU’s toegankelijker te maken voor werknemers met eenlaag inkomen of weinig aanvullend pensioen zoals toegelicht in paragraaf5.7 van het algemeen deel van deze memorie. In het voorgestelde artikel32ba, negende lid, Wet LB 1964 wordt een indexatiebepaling voor hethiervoor genoemde bedrag (zijnde het in het voorgestelde artikel 32ba,achtste lid, tweede zin, Wet LB 1964 laatstgenoemde bedrag) voorgesteld.Dat bedrag wordt op grond van het voorgestelde artikel 32ba, negende lid(nieuw), Wet LB 1964 jaarlijks verhoogd op basis van de contractloonont-wikkelingsfactor, bedoeld in artikel 10.2b, tweede lid, Wet IB 2001. Er isgekozen voor indexatie op basis van de contractloonontwikkelingsfactoraangezien de contractloonontwikkelingsfactor is gekoppeld aan hetminimumloon. Deze indexatie sluit het beste aan bij de bestaandeindexatie van het bedrag van de RVU-drempelvrijstelling zoals deze volgtuit artikel 32ba, achtste lid, Wet LB 1964 en die ook is gebaseerd op deontwikkeling van het minimumloon zoals ook toegelicht in paragraaf 5.7in het algemeen deel van deze memorie.Aanpassen berekening hoogte RVU-drempelvrijstellingIn artikel 32ba, zevende lid, Wet LB 1964 is zoals gezegd deRVU-drempelvrijstelling opgenomen. De totale hoogte van deRVU-drempelvrijstelling (over de hele looptijd) wordt berekend door hetbedrag, genoemd in artikel 32ba, zevende lid, Wet LB 1964, te vermenig-vuldigen met het op hele maanden naar boven afgeronde aantal maandentussen de eerste uitkering en de AOW-gerechtigde leeftijd, bedoeld inartikel 7a, eerste lid, AOW. Dit leidt ertoe dat een aanpassing van deRVU-drempelvrijstelling ook doorwerkt naar reeds verstreken maandenwaarin een RVU-uitkering is ontvangen in kalenderjaren waarin deRVU-drempelvrijstelling lager was, waardoor de nog te benutten ruimtegroter wordt. Dat is een onbedoeld effect waarvan wordt voorgesteld ditte repareren. Het is de bedoeling dat een aanpassing van het bedrag vande RVU-drempelvrijstelling alleen naar de toekomst toe werkt en geenmaterieel terugwerkende kracht kent. Voorgesteld wordt daarom om aanartikel 32ba, achtste lid, Wet LB 1964 een zin toe te voegen die regelt dateen wijziging van het bedrag van de RVU-drempelvrijstelling nietdoorwerkt naar maanden uit op dat moment reeds verstreken kalender-jaren waarin een RVU-uitkering is genoten. Dit betekent dat, indienaanpassing van het bedrag, genoemd in artikel 32ba, zevende lid, Wet LB1964, plaatsvindt, dit aangepaste bedrag alleen kan worden toegepastTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3156 voor de berekening van de hoogte van de RVU-drempelvrijstelling over demaanden van op dat moment nog niet verstreken kalenderjaren. Terillustratie wordt een voorbeeld gegeven van de werking van deRVU-drempelvrijstelling na deze voorgestelde aanpassing.Voorbeeld 12Voor dit voorbeeld gaan we uit van de volgende (fictieve) bedragenvoor de RVU-drempelvrijstelling per maand: 2026: € 2.273, 2027:€ 2.330, 2028: € 2.380 en 2029: € 2.430. Daarnaast gaan we voor ditvoorbeeld uit van de volgende optionele verhoging van het bedragvan de RVU-drempelvrijstelling: 2026 € 300, 2027: € 310, 2028: € 320en 2029: € 330.Een werknemer bereikt op 16 maart 2029 de AOW-leeftijd. Dewerknemer ontvangt vanaf 1 november 2026 een maandelijkseRVU-uitkering, de werkgever en de werknemer opteren samen vooreen uitkering van € 2.900 per maand, waarbij de laatste uitkeringplaatsvindt op 1 maart 2029. De periode tussen het ontvangen vande eerste RVU-uitkering en het bereiken van de AOW-leeftijdbedraagt 28 maanden en 15 dagen. Deze periode wordt op grondvan artikel 32ba, zevende lid, eerste zin, Wet LB 1964 op helemaanden naar boven afgerond, zodat 29 maanden in aanmerkingworden genomen voor de RVU-drempelvrijstelling.Voor de uitkeringen in het jaar 2026 bedraagt deRVU-drempelvrijstelling maximaal € 74.617 (29 maanden maal€ 2.573 (€ 2.273 + € 300) per maand). In dat jaar worden tweemaandelijkse uitkeringen van € 2.900 gedaan. Bij iedere betaling vande RVU-uitkering wordt (cumulatief over het verstreken deel van de36 maanden periode) getoetst of de RVU-drempelvrijstelling wordtoverschreden. In het jaar 2026 bedragen de uitkeringen in totaal€ 5.800. In het jaar 2026 is de RVU-drempelvrijstelling dus nietoverschreden.Voor de uitkeringen in het jaar 2027 wordt deRVU-drempelvrijstelling als volgt berekend: het resterende aantalmaanden, in dit geval (29 maanden –/– 2 maanden =) 27 maandenmaal € 2.640 (€ 2.330 + € 310) per maand (€ 71.280) plus 2 maandenmaal € 2.573 (€ 2.273 + € 300) per maand (€ – 5.146). DeRVU-drempelvrijstelling bedraagt in het jaar 2027 dus € 76.426(€ 71.280 + € 5.146). De uitkeringen van 2026 en 2027 bedragen intotaal € 40.600 (14 maanden € 2.900). De RVU-drempelvrijstellingwordt in 2027 dus niet overschreden.Voor de uitkeringen in het jaar 2028 bedraagt deRVU-drempelvrijstelling € 77.326 (2 maanden maal € 2.573 +12 maanden maal € 2.640 + 15 maanden maal € 2.700). De uitke-ringen van 2026, 2027 en 2028 bedragen in totaal € 75.400 (26maanden € 2.900). De RVU-drempelvrijstelling wordt in 2028 dusniet overschreden.Voor de uitkeringen in het jaar 2029 bedraagt deRVU-drempelvrijstelling € 77.506 (2 maanden maal € 2.573 +12 maanden maal € 2.640 + 12 maanden maal € 2.700 + 3 maandenmaal € 2.760). De uitkeringen van 2026, 2027, 2028 en 2029bedragen in totaal € 84.100 (29 maanden € 2.900). Bij de uitkeringvan 1 januari 2029 wordt het bedrag van de RVU-drempelvrijstellingdirect overschreden met € 794 (27 maanden maal € 2.900 –/–€ 77.506). De werkgever is over het bedrag van € 794 in januaripseudo-eindheffing verschuldigd. Over de RVU-uitkeringen vanfebruari en maart 2029 is de werkgever over het volledige bedragvan de uitkering pseudo- eindheffing verschuldigd, omdat hetbedrag van de RVU-drempelvrijstelling al in januari 2029 werdbereikt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3157 Artikel IVArtikel IV, onderdeel B (artikel 32bc van de Wet op de loonbelasting 1964)Voorgesteld wordt in artikel 32bc, eerste lid, Wet LB 1964 een pseudo-eindheffing van 12% op te nemen over de waarde van elke fossielepersonenauto die een inhoudingsplichtige ook voor privédoeleinden terbeschikking stelt aan een werknemer. Met het voorgestelde artikel 32bc,tweede lid, Wet LB 1964 wordt geregeld dat woon-werkverkeer voor detoepassing van deze pseudo-eindheffing wordt beschouwd als voorprivédoeleinden gereden kilometers. Voor de uitleg van het begripwoon-werkverkeer wordt verwezen naar het algemeen deel van dezememorie. In deze artikelsgewijze toelichting wordt woon-werkverkeer nietmeer afzonderlijk genoemd als onderdeel van gebruik voor privédoel-einden.Een pseudo-eindheffing vindt plaats naast de reguliere loonheffing.Anders dan bij een reguliere eindheffing komt een pseudo-eindheffingdus niet in de plaats van de reguliere loonheffing. In dit geval speelt diereguliere loonheffing overigens niet, omdat de waarde van de perso-nenauto als zodanig niet eveneens bij de werknemer in de heffing wordtbetrokken. Daarom is geen aanpassing van artikel 10, vijfde lid, Wet LB1964 nodig.In het voorgestelde artikel 32bc, derde lid, Wet LB 1964 zijn enkeledefinities opgenomen, die in het algemeen deel van deze memorie waarnodig nader worden toegelicht. In het voorgestelde artikel 32bc, derde lid,onderdeel a, Wet LB 1964 wordt geregeld wanneer sprake is van eenfossiele personenauto. Op grond van het voorgestelde artikel 32bc, derdelid, onderdeel b, Wet LB 1964 wordt onder de waarde van een fossielepersonenauto verstaan de catalogusprijs in de zin van artikel 9 Wet BPM1992 vermeerderd met de belasting van personenauto’s en motorrijwieleningevolge de artikelen 9 tot en met 9c van die wet, met dien verstande datde waarde van een auto die meer dan 25 jaar geleden voor het eerst ingebruik is genomen, zoals is toegelicht in het algemeen deel van dezememorie, wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer. Opgrond van het voorgestelde artikel 32bc, derde lid, onderdeel c, Wet LB1964 wordt, zoals is toegelicht in het algemeen deel van deze memorie,onder ter beschikking stellen verstaan ter beschikking stellen als bedoeldin artikel 13bis, eerste lid, Wet LB 1964. Dat houdt kort gezegd in dat dewerknemer voor kortere of langere tijd de feitelijke macht over debetreffende personenauto uitoefent.Als de personenauto slechts een deel van de betreffende kalendermaandvoor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, wordt deze op grond vanhet voorgestelde artikel 32bc, vierde lid, Wet LB 1964 geacht de helekalendermaand voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. Ditbetekent dat personenauto’s die bijvoorbeeld in een kalendermaandalleen in het weekend ook voor privédoeleinden ter beschikking zijngesteld (en dus niet op werkdagen), niet pro rata maar volledig in deheffing worden betrokken.Het voorgestelde artikel 32bc, vijfde lid, Wet LB 1964 regelt, zoalstoegelicht in het algemeen deel van deze memorie, dat de inhoudings-plichtige de over een kalenderjaar verschuldigde pseudo-eindheffinguiterlijk dient aan te geven en te voldoen tegelijk met de belasting die overhet tweede loontijdvak van het daaropvolgende kalenderjaar wordtaangegeven en afgedragen. De inhoudingsplichtige kan gedurende hetkalenderjaar elk loontijdvak de verschuldigde pseudo-eindheffingaangeven en voldoen. De pseudo-eindheffing dient, zoals gezegd,berekend te worden per kalendermaand, maar voor de voldoening wordtaangesloten bij het loontijdvak dat de inhoudingsplichtige hanteert.Hiermee wordt ook geborgd dat de omvang van de pseudo-eindheffingniet afhankelijk is van het loontijdvak dat een inhoudingsplichtigeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3158 hanteert. Als de inhoudingsplicht in de loop van het kalenderjaar eindigt,wordt de pseudo-eindheffing uiterlijk aangegeven en voldaan in hetloontijdvak waarin de inhoudingsplicht is geëindigd. In het algemeen deelvan deze memorie wordt dit nader toegelicht.Artikel IV, onderdeel C (artikel 39j Wet op de loonbelasting 1964)In het voorgestelde artikel 39j Wet LB 1964 is overgangsrecht opgenomenmet betrekking tot de voorstelde pseudo-eindheffing voor fossielepersonenauto’s. In dat artikel wordt geregeld dat het voorgestelde artikel32bc is tot 17 september 2030 niet van toepassing met betrekking totpersonenauto’s die door de inhoudingsplichtige vóór 1 januari 2027 voorhet eerst aan een of meer werknemers ter beschikking zijn gesteld. In hetalgemeen deel van deze memorie wordt toegelicht waarom voor dezedata is gekozen en wordt deze overgangsrechttermijn aan de hand vanvoorbeelden geïllustreerd.Het overgangsrecht geldt zolang de inhoudingsplichtige de betreffendepersonenauto aan een of meer van zijn werknemers ter beschikking stelt(maar uiterlijk tot 17 september 2030). Het maakt daarbij niet uit aan welkewerknemer de inhoudingsplichtige de personenauto ter beschikking stelt.De gebruiker van de personenauto kan binnen de overgangsperiode dusworden gewisseld, zolang de terbeschikkingstelling van de betreffendepersonenauto plaatsvindt door dezelfde inhoudingsplichtige. Voorpersonenauto’s die voor het eerst na 31 december 2026 ook voorprivédoeleinden ter beschikking zijn gesteld door de inhoudingsplichtigegeldt de voorgestelde pseudo-eindheffing reeds vanaf 1 januari 2027. Hetis daarbij niet van belang of de betreffende personenauto ook nieuw is.Artikel VIArtikel VI (artikel 39j van de Wet op de loonbelasting 1964)Artikel VI stelt, zoals is toegelicht in het algemeen deel van deze memorie,voor per 1 januari 2031 artikel 39j Wet LB 1964 inzake het overgangsrechtvoor de pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s, bedoeld in hetvoorgestelde artikel 32bc Wet LB 1964, te laten vervallen, omdat hetovergangsrecht bij de voorgestelde vormgeving per die datum al enigetijd is uitgewerkt. Vanaf 17 september 2030, zijn inhoudingsplichtigen degenoemde pseudo-eindheffing verschuldigd over alle door de betreffendeinhoudingsplichtige aan werknemers ook voor privédoeleinden terbeschikking gestelde fossiele personenauto’s.Artikel IXArtikel IX (evaluatiebepaling)Het kabinet stelt, zoals is toegelicht in paragraaf 5.9 van het algemeendeel van deze memorie, voor om de pseudo-eindheffing, bedoeld in hetvoorgestelde artikel 32bc Wet LB 1964, drie jaar na de inwerkingtredingvan deze maatregel te evalueren.Artikel XArtikel X, onderdeel A (artikel 11 van de Successiewet 1956)Zoals in paragraaf 5.10 van het algemeen deel van deze memorie istoegelicht, wordt voorgesteld om onbelaste vermogensgangen doormiddel van een huwelijksgoederengemeenschap met ongelijke breuk-delen tegen te gaan. Met ongelijke breukdelen wordt in dit verbandbedoeld een ander breukdeel dan beiden de helft (1/2). In het voorgesteldeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3159 artikel 11, vierde lid, SW 1956 wordt in dit kader geregeld dat in geval vaneen huwelijksgoederengemeenschap met ongelijke breukdelen, bijontbinding van die gemeenschap erf- of schenkbelasting is verschuldigd.Het voorgaande geldt zowel voor een gemeenschap van goederen tussenechtgenoten als op grond van artikel 2, zesde lid, AWR – overeenkomstig –voor een gemeenschap van goederen tussen geregistreerde partners.Voor een rekenvoorbeeld wordt verwezen naar paragraaf 5.10 van hetalgemeen deel van deze memorie.De voorgestelde maatregel is van toepassing als een huwelijksgoederen-gemeenschap wordt ontbonden. Een huwelijksgoederengemeenschapwordt op grond van artikel 1:99 BW onder andere ontbonden door hetoverlijden van een van de partners of door echtscheiding, maar ook dooropheffing bij latere huwelijkse voorwaarden.Hetgeen een belastingplichtige in geval van ontbinding van de huwelijks-goederengemeenschap door het overlijden van diens echtgenoot meertoekomt dan de helft van de huwelijksgoederengemeenschap, wordt opgrond van het voorgestelde artikel 11, vierde lid, aanhef en onderdeel a,SW 1956 aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht. Voor eenvoorbeeld wordt verwezen naar paragraaf 5.10 van het algemeen deel vandeze memorie.In het voorgestelde artikel 11, vierde lid, aanhef en onderdeel a, SW 1956wordt tevens geregeld dat erfbelasting is verschuldigd over hetgeen bijhet overlijden van diens echtgenoot aan een belastingplichtige meertoekomt dan de helft van de te verrekenen som bij een verrekenbeding.Het gaat hierbij om verrekenbedingen als bedoeld in titel 8, afdeling 2, vanBoek 1 BW. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat een verreken-beding als bedoeld in deze afdeling is opgenomen in huwelijksevoorwaarden. Voor een voorbeeld wordt verwezen naar paragraaf 5.10van het algemeen deel van deze memorie.Bij ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap bij leven of het bijleven verrekenen op grond van een verrekenbeding dat is overeenge-komen tussen echtgenoten, is het bovenstaande op grond van hetvoorgestelde artikel 11, vierde lid, aanhef en onderdeel b, SW 1956 vanovereenkomstige toepassing met betrekking tot de schenkbelasting.In het voorgestelde artikel 11, vijfde lid, SW 1956 wordt geregeld dat hetvoorgestelde artikel 11, vierde lid, SW 1956 van overeenkomstigetoepassing is bij verrekening op grond van een verrekenbeding dat isovereengekomen tussen personen die op het moment van verrekeningpartners als bedoeld in artikel 1a SW 1956 zijn of zijn geweest. Dat zijnkort gezegd personen die niet getrouwd zijn, maar wel voldoen aanbepaalde voorwaarden. Het hebben van een notarieel samenlevingscon-tract met daarin een wederzijdse zorgverplichting en het ingeschrevenstaan op hetzelfde adres in de BRP zijn bijvoorbeeld twee voorwaarden.Voormalige partners als bedoeld in artikel 1a SW 1956 worden op grondvan het voorgestelde artikel 11, vierde lid, SW 1956 betrokken in hetvoorgestelde artikel 11, vijfde lid, SW 1956 omdat het eenvoudig is omniet meer als partner te zijn aangemerkt op grond van artikel 1a SW 1956door een van beiden op een ander adres te laten inschrijven in de BRP.Heffing op grond van artikel 11, vierde lid, SW 1956 zou daarmeeeenvoudig ontweken kunnen worden. Als bij overlijden of tijdens leven opgrond van een verrekenbeding dat is overeengekomen tussen dergelijkepartners een van beiden meer dan de helft van de te verrekenen somtoekomt, wordt dat meerdere aangemerkt als een verkrijging krachtenserfrecht, onderscheidenlijk schenking. Voor de werking van genoemdvijfde lid is niet vereist dat dit verrekenbeding is opgenomen in eennotarieel samenlevingscontract. Die voorwaarde geldt echter wel bij hetvoorgestelde overgangsrecht (zie artikel XXXIX).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3160 Artikel X, onderdeel B (artikel 12 van de Successiewet 1956)Zoals is toegelicht in paragraaf 5.11 van het algemeen deel van dezememorie, wordt met de 180 dagenfictie beoogd te voorkomen dat heffingvan erfbelasting kan worden ontlopen of verminderd door kort voor hetoverlijden schenkingen te doen. Een vergelijkbare bepaling kwam sinds1917 voor in artikel 70 van de Successiewet 1859 (SW 1859). Zoals uit dewetsgeschiedenis van de SW 1956 blijkt, is een verschil met artikel 12,eerste lid, eerste zin, SW 1956 dat op grond van het toenmalige artikel 70SW 1859 geen schenkingsrecht was verschuldigd.203 Omdat aan delaatstgenoemde regeling zoals hierna toegelicht praktische voordelen zijnverbonden, wordt voorgesteld om artikel 12 SW 1956 in die lijn aan tepassen.Artikel 12, eerste lid, eerste zin, SW 1956 bevat een fictiebepaling voorschenkingen die de schenker binnen 180 dagen voor diens overlijdenheeft gedaan. Op grond van deze 180 dagenfictie worden schenkingen dieeen schenker die op het tijdstip van diens overlijden in Nederland woondeheeft gedaan binnen 180 dagen voorafgaand aan het overlijden van dieschenker behandeld alsof ze van die schenker zijn verkregen als gevolgvan diens overlijden. Dat betekent dat deze schenkingen naar de waardein het economische verkeer ten tijde van het overlijden van de schenker inde erfbelasting worden betrokken. Dat laat onverlet dat voor dezeschenkingen wel eerst aangifte schenkbelasting moet worden gedaan enin de regel ook schenkbelasting is verschuldigd. Op grond van artikel 12,eerste lid, tweede zin, SW 1956 worden schenkingen die ná het overlijdenvan de schenker die op het tijdstip van diens overlijden in Nederlandwoonde tot stand komen sinds 1 januari 2010 eveneens geacht krachtenserfrecht van die schenker door diens overlijden te zijn verkregen. Daarbijis echter geregeld dat deze schenkingen voor de toepassing van de SW1956, dus ook voor de schenkbelasting, krachtens erfrecht door hetoverlijden te zijn verkregen. Voorgesteld wordt om eenzelfde formuleringin artikel 12, eerste lid, eerste zin, SW 1956 te verwerken.Daarmee wordt de 180 dagenfictie tevens in lijn gebracht met artikel 70SW 1859 op grond waarvan in deze situatie eveneens geen schenkings-recht was verschuldigd. Deze aanpassing heeft tevens tot gevolg dat voordie schenkingen geen aangifte schenkbelasting hoeft te worden gedaanEen vermindering van de erfbelasting met schenkbelasting op grond vanartikel 7, tweede lid, SW 1956 is dan ook niet meer aan de orde. Wel kanop grond van artikel 12, tweede lid, SW 1956 sprake zijn van een vermin-dering van de erfbelasting met overdrachtsbelasting op grond van artikel7, tweede lid, SW 1956. In de huidige praktijk – dus op basis van dehuidige wettekst – komt het voor dat niet alle betaalde schenkbelasting inmindering kan worden gebracht op de erfbelasting, bijvoorbeeld indien deverschuldigde erfbelasting door toepassing van de hogere kindvrijstellingbij overlijden lager is dan de verschuldigde schenkbelasting (met eenlagere kindvrijstelling). Het volgende voorbeeld van een schenking aaneen kind binnen 180 dagen voor overlijden van de schenker (cijfers in€ 2.025) kan de werking van de huidige 180 dagenfictie illustreren.Voorbeeld 13Schenking van ouder aan kind van10.000Vrijstelling6.713Belastbare schenking3.287Verschuldigde schenkbelasting (10%)329Erfrechtelijke verkrijging (zonder schenking)16.000203Zie HR 13 oktober1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5479, conclusie AG onder 2.1.2, en HR 10 april-2009, ECLI:NL:PHR:2009:BF3840, conclusie AG onder 4.3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3161 Fictieve erfrechtelijke verkrijging artikel 12 SW 195610.000Vrijstelling25.490Belastbare verkrijging510 (16.000 + 10.000– 25.490)Berekende erfbelasting (10%)51 Het deel van de schenkbelasting dat in mindering kan wordengebracht op de erfbelasting is het deel van de totale erfbelasting datbetrekking heeft op de fictieve erfrechtelijke verkrijging. In ditvoorbeeld is dat 10.000/26.000 * 51 = 20. De schenkbelasting kanmaximaal tot dat bedrag in mindering worden gebracht.Het eindresultaat wordt dan:Schenkbelasting329Erfbelasting31 (51 – 20)Totaal336 Door de schenking binnen 180 dagen voor overlijden, is er onder dehuidige regeling in totaal € 329 aan schenkbelasting verschuldigd enwordt het in eerste instantie aan erfbelasting verschuldigde bedragvan € 51 verminderd met € 20 ter zake waarvan verrekening vanschenkbelasting heeft plaatsgevonden, zodat in totaal € 360 aan erf-en schenkbelasting is verschuldigd. Op grond van het voorgesteldeartikel 12, eerste lid, eerste zin, SW 1956 is geen schenkbelastingverschuldigd en dus alleen € 51 aan erfbelasting.Ten slotte wordt voorgesteld om in artikel 12, derde lid, SW 1956 eenredactionele verbetering aan te brengen. De voorgestelde wijzigingen vanartikel 12 SW 1956 per 1 januari 2026 vinden op grond van de bij eenzogenoemde materiewet geldende hoofdregel voor het eerst toepassingmet betrekking tot belastingaanslagen schenkbelasting of erfbelasting terzake van overlijdens die op of na 1 januari 2026 plaatsvinden. Daarmee issprake van materieel terugwerkende kracht voor schenkingen diemaximaal 180 dagen voor 1 januari 2026 zijn gedaan, maar dit is in hetvoordeel van belastingplichtigen.Artikel X, onderdeel C (artikel 19 van de Successiewet 1956)Voor de hoogte van de verschuldigde schenk- en erfbelasting, die isgeregeld in de SW 1956, is mede de verwantschap tussen de schenker oferflater en de verkrijger van belang. De voorgestelde aanpassing vanartikel 19 SW 1956 komt voort uit het arrest van de HR van 6 september2024204, zoals in paragraaf 5.12 van het algemeen deel van deze memorieis toegelicht. De voorgestelde aanpassing leidt er kort gezegd toe dat eenkind dat niet in familierechtelijke betrekking staat tot zijn biologischeouder gelijkgesteld wordt aan een kind dat wel in familierechtelijkebetrekking staat tot zijn biologische ouder.Het begrip «kind» is in artikel 2, derde lid, onderdeel i, AWR gedefinieerdals eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de neergaande lijn. Bijde uitleg van deze begrippen moet worden aangesloten bij het civielerecht. Uit de parlementaire geschiedenis van Boek 1 BW blijkt dat een kind– behalve waar uit een specifieke wettelijke bepaling anders volgt –slechts als bloedverwant van zijn biologische vader wordt aangemerkt alszij, bijvoorbeeld door erkenning, in familierechtelijke betrekking tot elkaarstaan.205 Artikel 1:3, eerste lid, BW bepaalt dat de graad van bloedver-204HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1130.205HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1130, r.o. 4.1 en 4.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3162 wantschap wordt bepaald door het getal der geboorten, die de bloedver-wantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, een gerechte-lijke vaststelling van het vaderschap of een adoptie als een geboorte. Eenkind dat geboren is uit een vrouw is daarmee een eerstegraads bloed-verwant van die vrouw. Is het kind geboren staande huwelijk, dan is hetkind ook een eerstegraads bloedverwant van de man die met de moederis getrouwd.206 Ook een erkend of geadopteerd kind is door het bepaaldein artikel 1:3 BW een eerstegraads bloedverwant in de rechte lijn endaarmee een kind als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel i, AWR.Artikel 19 SW 1956 bevat een aantal gelijkstellingen van personen diecivielrechtelijk niet in de daarin genoemde relaties tot elkaar staan, maardie voor de heffing van de schenk- en erfbelasting worden behandeldalsof ze dat wel staan. Op grond van dat artikel worden bijvoorbeeldpleegkinderen en kinderen over wie het ouderlijk gezag mede door eenander dan een ouder (stiefouder) wordt uitgeoefend, gelijkgesteld aankinderen die in familierechtelijke betrekking tot die stiefouder staan. Dezegelijkstellingen gelden zowel voor verkrijgingen die het gelijkgestelde kindverkrijgt als voor verkrijgingen die van hem als erflater of schenkerafkomstig zijn. Ook de fictiebepalingen zoals artikel 10 SW 1956 kunnenop gelijkgestelde kinderen van toepassing zijn.Voorgesteld wordt in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, SW 1956 biolo-gische kinderen die niet in een familierechtelijke betrekking staan tot hunbiologische ouder – onder de voorwaarde dat de biologische verwant-schap is gebleken – gelijk te stellen aan kinderen die wel in een familie-rechtelijke betrekking staan tot hun biologische ouder. Het is niet relevantof het kind een nauwe persoonlijke betrekking – family life als bedoeld inartikel 8 EVRM – met zijn biologische ouder heeft. Voldoende is dat sprakeis van biologisch ouderschap. Degene die een beroep doet op degelijkstelling heeft de bewijslast om dat laatste te doen blijken. Situatiesdie zich hebben voorgedaan tot aan de inwerkingtredingsdatum van devoorgestelde maatregel kunnen een beroep doen op de hardheids-clausule.207In het voorgestelde artikel 19, derde lid, SW 1956 is een delegatiebepalingopgenomen. Hiermee kunnen in een algemene maatregel van bestuurregels worden gesteld met betrekking tot de genetische test waarmee debelastingplichtige het biologische ouderschap moet doen blijken waaraanmoet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor de genoemdegelijkstelling.Artikel X, onderdeel D (artikel 21 van de Successiewet 1956)Voor de toelichting op deze aanpassing van artikel 21 SW 1956 inzake deleegwaarderatio wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dein artikel I, onderdeel E, opgenomen wijziging van artikel 5.20 Wet IB 2001.Artikel X, onderdelen E, F, G en H (artikelen 35a, 45, 53 en 66 van deSuccessiewet 1956)Op grond van artikel 45, eerste lid, SW 1956 bedraagt de wettelijke termijnvoor het indienen van een aangifte erfbelasting minimaal acht maandenna het overlijden. Zoals in paragraaf 5.13 van het algemeen deel van dezememorie is toegelicht, is het in de praktijk niet altijd mogelijk om aangiftete doen binnen acht maanden na het overlijden. Daarom wordt voorge-steld de aangiftetermijn in artikel 45 SW 1956 te verlengen van achtmaanden tot twintig maanden na het overlijden. Met de verlenging naartwintig maanden kan artikel 45, tweede lid, SW 1956, waarin een206Artikel 1:199 BW.207Mededeling van 20 juni 2025, nr. 2025–126048, over het toepassen van de hardheidsclausule(artikel 63 Algemene wet inzake rijksbelastingen).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3163 uitzondering op de achtmaandentermijn is opgenomen voor de situatiewaarin sprake is van zwangerschap, vervallen, onder vernummering vanhet derde lid van dat artikel tot tweede lid. Artikel 53 SW 1956 voorziet invermindering van een aanslag of conserverende aanslag erfbelasting insituaties waarin na het opleggen van een aanslag of conserverendeaanslag blijkt dat de persoon van de verkrijger of de omvang van deverkrijging anders is dan waarvan bij het opleggen van de aanslag ofconserverende aanslag is uitgegaan. De vermindering wordt op grond vanartikel 53, vijfde lid, SW 1956 verleend op een verzoek dat plaatsvindt doorhet doen van een aangifte. Artikel 53, zesde lid, SW 1956 ziet op gevallenwaarin de oorzaak tot vermindering anderzijds aanleiding geeft tot heffingvan erfbelasting. In die gevallen kan de aangifte worden opgenomen in deaangifte die op grond van artikel 45, tweede lid (nieuw), SW 1956 moetworden ingediend. In andere gevallen moet de aangifte worden ingediendbinnen acht maanden. Deze termijn blijft gehandhaafd aangezien dit losstaat van de reguliere aangiftetermijn nadat de oorzaak van de vermin-dering is ontstaan. In verband met het voorstel om het huidige artikel 45,tweede lid, SW 1956 te laten vervallen wordt voorgesteld enkele daarmeesamenhangende wijzigingen van redactionele aard aan te brengen in deartikelen 35a, tweede lid, 53, zesde lid, eerste zin, en 66, eerste lid, SW1956.De wijzigingen van de hiervoor genoemde artikelen van de SW 1956 per1 januari 2026 vinden op grond van de bij een zogenoemde materiewetgeldende hoofdregel voor het eerst toepassing met betrekking totbelastingaanslagen erfbelasting ter zake van overlijdens die op of na1 januari 2026 plaatsvinden.Voor de duidelijkheid wordt opgemerkt dat de verlenging van deaangiftetermijn in artikel 45, eerste lid, SW 1956 op grond van artikel 1,derde en vierde lid, SW 1956 ook van betekenis is voor het opstellen vaneen renteovereenkomst of eenzijdige rentevaststelling ten aanzien vanvorderingen en schulden die zijn ontstaan krachtens erfrecht. Zowel eenverkrijging ten gevolge van een rentevergoeding op basis van een uiterstewilsbeschikking als een rentevergoeding op basis van artikel 4:13, vierdelid, BW wordt geacht te zijn verkregen krachtens erfrecht indien de rente isbepaald binnen de termijn voor het doen van aangifte. Deze termijnverstrijkt op grond van de huidige wettekst acht maanden na hetoverlijden. Na de voorgestelde aanpassing van artikel 45, eerste lid, SW1956 wordt dat twintig maanden na het overlijden.Artikel XIArtikel XI, onderdeel A (artikel 9 van de Wet op de belasting van personen-auto’s en motorrijwielen 1992)Nieuwe personenauto’s worden jaarlijks zuiniger als gevolg van innovatieen strengere uitstootnormen (autonome vergroening). Ten eindegrondslagerosie te beperken en de prikkel om te kiezen voor efficiëntemotorrijtuigen op peil te houden is in de tariefstelling van de bpm sinds2010 consequent rekening gehouden met autonome vergroening. In hetBP 2022 is voor de laatste keer de autonome vergroening bepaald enverwerkt in de tariefstelling voor de jaren 2022 tot en met 2025. Voor dekomende jaren wordt ook autonome vergroening voorzien. Dit is de redenom de tarieftabel voor personenauto’s te verhogen met 1,55% voor hetjaar 2026. Dit resultaat wordt bereikt door enerzijds een aanscherping vande schijfgrenzen met 1,55% en anderzijds een verhoging van de tarievenmet 1,57%.208 De voorgestelde tarieftabel houdt voorts reeds rekening208Bij het verlagen van de schijfgrenzen met 1,55% in 2026, moeten de bpm-tarieven, op devaste voet na, en het tarief voor de dieseltoeslag verhoogd worden met 1/(1–0,0155) – 1 =1,57% om de bpm (ceteris paribus) op fossiele personenauto’s gelijk te houden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3164 met de tabelcorrectiefactor van 2,9%, reden om artikel 16b Wet BPM 1992niet toe te passen op de bedragen, genoemd in artikel 9, eerste lid, WetBPM 1992, bij de aanvang van het kalenderjaar 2026. Dit wordt geregeldbij artikel XII.Artikel XI, onderdeel B (artikel 9a van de Wet op de belasting vanpersonenauto’s en motorrijwielen 1992)Met ingang van 1 januari 2025 is de algemene bpm-vrijstelling vooremissievrije motorrijtuigen vervallen. Voor emissievrije bijzonderepersonenauto’s resulteerde dit in een aanzienlijke verhoging van de bpm.Het gaat daarbij specifiek om emissievrije kampeerauto’s, voor rolstoelentoegankelijke voertuigen en gepantserde voertuigen. Ambulances enlijkwagens worden ook tot de bijzondere personenauto’s gerekend, maarvoor deze motorrijtuigen wordt uit hoofde van artikel 15 Wet BPM 1992voorzien in een teruggaaf. De forse stijging van de bpm voor bijzonderepersonenauto’s is het gevolg van de gehanteerde grondslag voor de bpmvoor deze motorrijtuigen. Voor bijzondere personenauto’s wordt de bpmnamelijk berekend op basis van de catalogusprijs. Omdat emissievrijebijzondere personenauto’s veelal (aanmerkelijk) duurder zijn in aanschafdan vergelijkbare door fossiele brandstoffen aangedreven alternatieven isde bpm ook navenant hoger. Dit is onwenselijk. Voorgesteld wordt debpm voor bijzondere emissievrije personenauto’s tot 1 januari 2031 gelijkte stellen met de vaste voet zoals die ook wordt toegepast op andereemissievrije personenauto’s. Dat is op dit moment € 667. Voor emissie-vrije bijzondere personenauto’s geldt daarom niet het bpm tarief op basisvan de catalogusprijs. Er wordt voor het tarief voor een bijzonderepersonenauto bewust verwezen naar het tarief voor een personenautomet een uitstoot van 0 gram per kilometer als bedoeld in artikel 9, eerstelid, Wet BPM 1992. Met ingang van 1 januari 2027 worden als gevolg vanhet BP 2025 de voertuigclassificaties geharmoniseerd en zal de termbijzondere personenauto komen te vervallen. Met de gekozen formuleringwordt voorkomen dat hierdoor vanaf 1 januari 2027 misverstandenkunnen ontstaan.Ook voor emissievrije motorrijwielen heeft het vervallen van de algemenebpm-vrijstelling voor emissievrije motorrijtuigen tot onwenselijke effectengeleid. Voor motorrijwielen vormt de catalogusprijs eveneens degrondslag voor de bpm. Voorgesteld wordt de bpm voor emissievrijemotorrijwielen om te zetten naar een tarief dat in verhouding staat tot hettarief dat geldt voor een emissievrije personenauto. Het wetsvoorstelvoorziet hiertoe in een tarief van € 200 voor emissievrije motorrijwielen.Dit bedrag is proportioneel ten opzichte van het vaste tarief van € 667voor emissievrije personenauto’s, gezien de doorgaans lagere waarde,gewicht en omvang van motorrijwielen.Via goedkeurend beleid wordt voorkomen dat bij aanvaarding van hetwetsvoorstel alleen in 2025 aanzienlijk meer bpm moet wordenafgedragen voor emissievrije bijzondere personenauto’s en emissievrijemotorrijwielen.209 Niet acceptabel is dat voor emissievrije bijzonderepersonenauto’s in 2024 een nihiltarief gold, in 2025 een tarief vantienduizenden euro’s, waarna bij aanvaarding van het voorstel, gelijk aanandere emissievrije personenauto’s, een tarief van € 667 zou gaan gelden.Vastgesteld is dat onverkorte wetstoepassing niet past bij een overheiddie recht wil doen aan de menselijke maat en algemene rechtsbeginselen.Dat geldt evengoed voor emissievrije motorrijwielen die op dit momentnog aanmerkelijk kostbaarder zijn dan conventioneel aangedrevenmotorrijwielen. Voor alle emissievrije bijzondere personenauto’s enemissievrije motorrijwielen zal het aangepaste tarief worden toegepast.Om dit te faciliteren is het voorstel voorzien van terugwerkende kracht. De209Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 251.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3165 Belastingdienst zal ambtshalve teruggaaf verlenen aan degene die voorde bewuste motorrijtuigen de bpm in 2025 heeft afgedragen. Deverwachting is dat de terugwerkende kracht betrekking zal hebben op eenzeer beperkt aantal motorrijtuigen. In 2024 zijn circa 40 emissievrijekampeerauto’s ingeschreven, circa 100 emissievrije voor rolstoelentoegankelijke personenauto’s en circa 400 emissievrije motorrijwielen.Artikel XI, onderdeel C (artikel 16b van de Wet op de belasting vanpersonenauto’s en motorrijwielen 1992)Voorgesteld wordt om te voorzien in een specifiek tarief voor emissievrijemotorrijwielen (zie hiervoor artikel XI, onderdeel B). Aanpassing vanartikel 16b Wet BPM 1992 wordt voorgesteld om dit tarief, gelijk aan deoverige tarieven binnen de bpm, jaarlijks te kunnen aanpassen aan dehand van de reguliere tabelcorrectiefactor.Artikel XIIArtikel XII (artikel 16b van de Wet op de belasting van personenauto’s enmotorrijwielen 1992)Bij artikel XI, onderdeel A, wordt voorgesteld om met ingang van 1 januari2026 de tarieftabel van de bpm voor personenauto’s en de dieseltoeslag tecorrigeren voor de autonome vergroening. De tarieven, genoemd inartikel XI, onderdeel A, bevatten tevens reeds de inflatiecorrectie van2,9%, zoals die aan het begin van het kalenderjaar 2026 op grond vanartikel 16b van de Wet BPM 1992 zou volgen. Toepassing van artikel 16bvan de Wet BPM 1992 dient bij het begin van kalenderjaar 2026 derhalveachterwege te blijven.Artikel XIIIArtikelen XIII, XIV, XV en XVI (artikel 9 van de Wet op de belasting vanpersonenauto’s en motorrijwielen 1992)Nieuwe personenauto’s worden jaarlijks zuiniger als gevolg van innovatieen strengere uitstootnormen (autonome vergroening). Ten eindegrondslagerosie te beperken en de prikkel om te kiezen voor efficiëntemotorrijtuigen op peil te houden is in de tariefstelling van de bpm sinds2010 consequent rekening gehouden met autonome vergroening. In hetBP 2022 is voor de laatste keer de autonome vergroening bepaald enverwerkt in de tariefstelling voor de jaren 2022 tot en met 2025. Voor dekomende jaren wordt ook autonome vergroening voorzien. Dit is de redenom de tarieftabel voor personenauto’s te corrigeren met 1,46% voor hetjaar 2027. Dit resultaat wordt bereikt door enerzijds een aanscherping vande schijfgrenzen met 1,46% en anderzijds een verhoging van de tarievenvan 1,48%.210 Voor het jaar 2028 is de autonome vergroening vastgesteldop 1,38%. Deze autonome vergroening wordt ondervangen door eenaanscherping van de schijfgrens met 1,38% in combinatie met eenverhoging van het tarief met 1,40%.De verhoging van de tarieven laat de reguliere jaarlijkse indexering opgrond van artikel 16b van de Wet BPM 1992 onverlet. Bij aanvang van dekalenderjaren 2027 en 2028 zal de indexatie op grond van artikel 16b vande Wet BPM 1992 worden toegepast op het tarief zoals dat geldt na210Bij het verlagen van de schijfgrenzen met 1,46% in 2027, moeten de bpm-tarieven, op devaste voet na, en het tarief voor de dieseltoeslag verhoogd worden met 1/(1–0,0146) – 1 =1,48% om de bpm (ceteris paribus) op fossiele personenauto’s gelijk te houden. Voor het jaar2028 is dezelfde berekening gemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3166 toepassing van de verhoging die voortvloeit uit artikel XIV en artikel XVIvan dit wetsvoorstel.Artikel XVIIArtikel XVII, onderdeel A (artikel 23b van de Wet op de motorrijtuigenbe-lasting 1994)Voorgesteld wordt met ingang van 1 januari 2026 binnen de motorrijtui-genbelasting een tariefkorting toe te passen van 30% op emissievrijepersonenauto’s en emissievrije kampeerauto’s. In 2029 wordt de tarief-korting weer verlaagd naar 25% en is in dat jaar dus gelijk aan detariefkorting die ook op basis van de huidige wetgeving is vastgelegd. Methet oog op de transparantie over hoe het tarief voor emissievrijepersonenauto’s en emissievrije kampeerauto’s de komende jaren zal gaangelden, wordt voorgesteld de tarieven voor de verschillende jarenexpliciet te benoemen in artikel 23b, eerste lid, Wet MRB 1992. Hiermeekunnen eventuele toekomstige bijstellingen ook eenvoudiger wordendoorgevoerd. Met ingang van 1 januari 2030 komt de tariefkorting vooremissievrije personenauto’s en emissievrije kampeerauto’s te vervallen.Dit volgt reeds uit artikel XXVI van het BP 2025.De tariefkorting geldt voor een motorrijtuig met een aandrijvinguitsluitend op elektriciteit of waterstof. De tekst is ingekort ten opzichtevan de oorspronkelijk bepaling waarbij de tariefkorting is voorbehoudenaan motorrijtuigen waarbij de elektrische energie uitsluitend door eenbatterij of door een brandstofcel wordt geleverd, of door een verbran-dingsmotor die kan worden gevoed met waterstof. Inhoudelijk gaat hetevenwel om dezelfde groep motorrijtuigen. De nieuwe tekst dient enkelom de leesbaarheid van het artikel in de Wet MRB 1994 te vergroten.Artikel XXVIIIA van de Wet uitwerking Autobrief II voorziet met ingang van1 januari 2026 ook in een aanpassing van artikel 23b van de Wet MRB1992. Artikel XXVIIIA van de Wet uitwerking Autobrief II treedt evenweleerder in werking en wordt bij aanvaarding van het BP 2026 effectiefoverschreven door het onderhavige voorstel.Artikel XVII, onderdeel B (artikel 30 van de Wet op de motorrijtuigenbe-lasting 1994)Ingevolge artikel XX, onderdeel E, van het Belastingplan 2024 (BP 2024)geldt vanaf 1 januari 2026 alleen voor motorrijtuigen gehouden door eenkermis- of circusexploitant of een motorrijtuig dat is ingericht als werktuigof als werkplaats geldt voor de motorrijtuigenbelasting nog een kwart-tarief. Voorgesteld wordt deze kwarttarieven gelijktijdig met de inwerking-treding van de Wet vrachtwagenheffing te beperken tot bestelauto’s. Bijinwerkingtreding van de vrachtwagenheffing zal voor vrachtauto’s vanmeer dan 12 ton het Europese minimumtarief aan motorrijtuigenbelastinggaan gelden waardoor voor deze motorrijtuigen geen ruimte meer is vooreen aanvullende tariefkorting.211 Voor vrachtauto’s van minder dan 12 tonzal het tarief bij inwerkingtreding van de vrachtwagenheffing nihil zijn. Bijinwerkingtreding van de vrachtwagenheffing is hierdoor een additioneletariefkorting voor vrachtauto’s van meer dan 12 ton onmogelijk en voorvrachtauto’s van minder dan 12 ton overbodig. De tariefkorting voorpersonenauto’s zou als gevolg van artikel XXV, onderdeel F, van het BP2025 al met ingang van 1 januari 2027 komen te vervallen. Voorgesteldwordt de kwarttarieven gelijktijdig bij inwerkingtreding van de vrachtwa-genheffing aan te passen. Deze aanpassing staat los van het voorstel om211Artikel 6 van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999betreffende het in rekening brengen van het gebruik van wegeninfrastructuur aan voertuigen(PbEG 1999, L 187).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3167 de vanaf 1 januari 2026 resterende kwarttarieven met ingang van 1 januari2028 volledig te beëindigen, zie daarvoor artikel XVIII. Tevens komt bijartikel XXXVIII genoemd artikel XXV, onderdeel F, van het BP 2025 tevervallen.Artikel XVIIIArtikel XVIII (artikel 30 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)Voorgesteld wordt de kwarttarieven voor bestelauto’s gehouden door eenkermis- of circusexploitant of bestelauto’s die zijn ingericht als werktuig ofals werkplaats met ingang van 1 januari 2028 te laten vervallen. Hetkwarttarief voor een motorrijtuig dat is ingericht voor het vervoer vanpaarden ten behoeve van de paardensport en uitsluitendniet-beroepsmatig wordt gebruikt vervalt ingevolge artikel XX, onderdeelE, van het BP 2024 met ingang van 1 januari 2026. Bij aanvaarding van hetonderhavige voorstel kan artikel 30 Wet MRB 1994 met ingang van1 januari 2028 dus volledig komen te vervallen.Artikel XIXArtikel XIX, onderdeel A (artikel 14 van de Wet belastingen op milieu-grondslag)Het huidige heffingsplafond zorgt ervoor dat gebruikers van leidingwateralleen belasting verschuldigd zijn over de eerste 300 kubieke meterleidingwater die zij per jaar per aansluiting verbruiken. In artikel XIX,onderdeel A, wordt voorgesteld het heffingsplafond (alleen) voor het jaar2026 te verhogen naar 50.000 kubieke meter water per jaar peraansluiting, zoals is toegelicht in paragraaf 5.18 van het algemeen deelvan deze memorie. Hetzelfde wordt geregeld voor de particuliereinstallaties voor centrale watervoorzieningen, bedoeld in artikel 14, derdelid, Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm). Hiermee wordt geregelddat per onroerende zaak die wordt voorzien van water door de installatie,bedoeld in dat artikel, ten hoogste wordt geheven over de hoeveelheidvan 50.000 kubieke meter water.Artikel XIX, onderdeel B (artikel 63 van de Wet belastingen op milieu-grondslag)De belastingvermindering in de energiebelasting is geregeld in artikel 63Wbm. De hoogte van de vermindering is opgenomen in het eerste lid vandat artikel. De structurele verhoging van de vermindering met eenbudgettaire omvang van € 100 miljoen met ingang van 1 januari 2026wordt geregeld in artikel XIX, onderdeel B. Voor komende jaren waren alaanpassingen van het bedrag opgenomen in de Wet fiscale maatregelenKlimaatakkoord, het Belastingplan 2023 (BP 2023) en het BP 2025. Voor dejaren 2026, 2027 en 2028 zijn die aanpassingen opgenomen in tabel 3.Tabel 20: Wijzigingen in bedrag belastingvermindering in € in de periode 2026–2028202620272028Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord– 9,581BP 2023– 4,902– 0,303+ 0,464Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3168 202620272028BP 2025+ 0,035+ 0,086+ 0,1171 Artikel XXVII, onderdeel C.2 Artikel XXX, onderdeel C.3 Artikel XXXI, onderdeel C.4 Artikel XXXII, onderdeel C.5 Artikel XXXI, onderdeel F.6 Artikel XXXII, onderdeel E.7 Artikel XXXIII, onderdeel B. In artikel XIX, onderdeel B, wordt het bedrag in 2026 verhoogd met € 9,30.Artikel XIX, onderdeel C (artikel 71p van de Wet belastingen op milieu-grondslag)Voorgesteld wordt om het in artikel 71p, eerste lid, Wbm opgenomentarief voor broeikasgasinstallaties en lachgasinstallaties te verlagen naar€ 78,67 per ton kooldioxide-equivalent. Daarbij wordt voorgesteld om dein het huidige artikel 71p, tweede lid, Wbm voor de jaren tot en met 2030opgenomen jaarlijkse tariefstijging voor broeikasgasinstallaties enlachgasinstallaties te laten vervallen. Het tarief blijft daardoor € 78,67, metuitzondering van de inflatiecorrectie die jaarlijks wordt toegepast op dittarief. Het tarief van € 78,67 geldt voor het jaar 2026. In artikel XX van ditBelastingplan is daarom geregeld dat de inflatiecorrectie voor het jaar2026 niet wordt toegepast. Dat betekent dat bij aanvang van het kalen-derjaar 2027 het tarief van € 78,67 bij ministeriële regeling voor het eerstwordt geïndexeerd op grond van artikel 90 van de Wbm.Verder is van belang dat, op grond van artikel 71p, derde lid, Wbm voorbroeikasgasinstallaties het tarief wordt verminderd met de termijnkoersvan de European Union Emissions Trading System (EUETS)-broeikasgasemissierechten. De verwachting is dat deze termijnkoersvanaf 2027 hoger zal worden dan het wettelijke tarief, waardoor de heffingvoor broeikasgasinstallaties effectief nihil zal worden.Daarnaast wordt voorgesteld om een afzonderlijk tarief te introducerenvoor afvalverbrandingsinstallaties, namelijk een tarief van € 100,74 perton kooldioxide-equivalent. Dit tarief wordt, op grond van artikel 90 Wbm,bij aanvang van het jaar 2026 geïndexeerd. De inflatiecorrectie voor hetjaar 2026 bedraagt 2,9%. Het nieuwe tarief voor 2026 wordt daardoor€ 103,66. Tot en met het kalenderjaar 2030 wordt dit tarief – naast dejaarlijkse inflatiecorrectie – verhoogd. Dit is in 2027 met € 48,26, in 2028met € 49,00, in 2029 met € 49,00 en in 2030 met € 48,00. Deze tariefsver-hogingen worden op grond van artikel 90 Wbm bij aanvang van iederkalenderjaar geïndexeerd. Dit gebeurt zolang de verhoging nog niet in hetwettelijke tarief is opgenomen. Zodra een tariefverhoging aan hetwettelijke tarief is toegevoegd, stopt de afzonderlijke indexering van dietariefverhoging. Vanaf dat moment loopt de indexering mee via het in heteerste lid opgenomen wettelijke tarief.Artikel XIX, onderdeel D (artikel 71q van de Wet belastingen op milieu-grondslag)Ingevolge artikel 71q, tweede lid, Wbm is herberekening van eenbelastingtijdvak alleen mogelijk als het belastingtijdvak ligt in de periode2021 tot en met 2029. Voorgesteld wordt om deze beperking te latenvervallen. Ook wordt voorgesteld om de volgorde van herberekening vanbelastingtijdvakken aan te passen. Daarbij wordt voorgesteld dat debelastingtijdvakken die worden herberekend worden gerangschikt opbasis van de hoogte van het toepasselijke tarief. Vervolgens wordt eerstTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3169 herberekend over het belastingtijdvak met het hoogste tarief, envervolgens het een-na-hoogste tarief, enzovoort. Onder tarief moet hierbijvanzelfsprekend worden verstaan: het nettotarief zoals dat volgt uit artikel71p Wbm. Bijvoorbeeld het tarief voor broeikasgasinstallaties is daarbijverminderd met de termijnkoers van broeikasgasemissierechten.Artikel XXArtikel XX (artikel XIX van het Belastingplan 2026)Zoals is beschreven in het algemeen deel van deze memorie wordt voorde CO2-heffing industrie een nieuw tarief voorgesteld voor broeikasgasin-stallaties en lachgasinstallaties. Het nieuwe tarief bedraagt € 78,67 per tonkooldioxide-equivalent. De bedoeling is dat het tarief geldt voor het jaar2026 en daarna jaarlijks wordt geïndexeerd. Derhalve vindt de indexatievoor het jaar 2026 niet plaats. Daartoe regelt dit artikel dat artikel 90 Wbmvoor het jaar 2026 niet van toepassing is op het tarief voor een broeikas-gasinstallatie of lachgasinstallatie, genoemd in artikel 71p, eerste lid,onderdeel a, Wbm.Artikel XXIArtikel XXI, onderdeel A (artikel 12 van de Wet belastingen op milieu-grondslag)Op dit moment wordt in de belasting op leidingwater al het water dat viaeen leiding wordt geleverd aan derden door drinkwaterbedrijven enafzonderlijke watervoorzieningen in beginsel belast, zonder onderscheidtussen water van hoge of lage kwaliteit. Het huidige artikel 14, tweede lid,van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) regelt dat alleenbelastingplicht ontstaat voor partijen die aan minstens 1.000 aansluitingenleveren. Dat zorgt ervoor dat op dit moment in de praktijk alleen drink-water wordt belast. Zoals is toegelicht in het algemeen deel van dezememorie is het nodig dit artikel te laten vervallen bij het afschaffen vanhet heffingsplafond. Tevens is daar uiteengezet dat dit laten vervallen eenaantal nadelen heeft. Een oplossing daarvoor is het verkleinen van deheffingsgrondslag. De grondslagverkleining wordt gerealiseerd door hetwijzigen van de definitie van «leidingwater». Met deze wijziging wordtgeregeld dat de levering wordt belast van water van hoge kwaliteit: watervan drinkwaterkwaliteit. Er is niet voor gekozen de grondslag teversmallen naar enkel de definitie van «drinkwater» in de Drinkwaterwet.Drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet iswater bestemd of mede bestemd om te drinken, te koken of voedsel tebereiden dan wel voor andere huishoudelijke doeleinden, met uitzon-dering van warm tapwater, dat door middel van leidingen ter beschikkingwordt gesteld aan consumenten of andere afnemers. Aan drinkwaterworden kwaliteitseisen gesteld in de op artikel 21, derde lid, aanhef enonderdeel a, van de Drinkwaterwet berustende algemene maatregel vanbestuur, zijnde het Drinkwaterbesluit. Water van dezelfde kwaliteit datdoor bedrijven gebruikt wordt als grondstof of als proceswater heeft nietde bestemming huishoudelijk gebruik en valt daarom niet onder diedefinitie van drinkwater. Om al het water van drinkwaterkwaliteit,ongeacht het gebruiksdoel van het geleverde water, onder de heffings-grondslag te brengen, wordt daarom voor de belasting op leidingwaterook dit water onder de definitie van «leidingwater» gebracht. Ook wordtwarm tapwater dat in de Drinkwaterwet wordt uitgezonderd van hetbegrip «drinkwater», maar aan dezelfde kwaliteitseisen moet voldoen alsdrinkwater, onder de definitie van «leidingwater» en dus de heffings-grondslag van de belasting op leidingwater gebracht. Door dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3170 afbakening van de grondslag wordt zoveel mogelijk invulling gegeven aanhet uitgangspunt «het juiste water voor het juiste gebruik».Met de voorgestelde wijziging van artikel 14, tweede lid en derde lid,Wbm (zie de toelichting bij artikel XXI, onderdeel B) is voorts geendefinitie meer nodig voor een particuliere installatie voor centralewatervoorziening. Het onderhavige onderdeel regelt daarom ook dat dezedefinitie komt te vervallen en regelt de in verband daarmee noodzakelijkeverletteringen in artikel 12, eerste lid, Wbm. Tevens wordt in verbandhiermee de in artikel 12, tweede lid, Wbm opgenomen verwijzingaangepast.Artikel XXI, onderdeel B (artikel 14 van de Wet belastingen op milieu-grondslag)Artikel XXI, onderdeel B, stelt voor het heffingsplafond van de belastingop leidingwater af te schaffen.Verder stelt dit onderdeel voor niet langer leveringen van leveranciers metminder dan 1.000 aansluitingen buiten de heffing te laten. Dat leidt ertoedat ook leveranciers met een beperkt aantal aansluitingen onder deheffing gaan vallen. In plaats daarvan wordt geregeld dat de levering aanverbruikers via een kleine of zeer kleine collectieve watervoorziening alsbedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet niet als levering in dezin van artikel 14, eerste lid, Wbm wordt aangemerkt. Daardoor wordendeze leveringen niet belast. Een kleine collectieve watervoorziening is eencollectieve watervoorziening die per dag gemiddeld tussen 10 kubiekemeter en 100 kubieke meter drinkwater levert of die tussen 50 en 500personen per dag bedient. Een zeer kleine collectieve watervoorziening iseen collectieve watervoorziening die gemiddeld minder dan 10 kubiekemeter per dag drinkwater levert of minder dan 50 personen per dagbedient. Deze kleine tot zeer kleine collectieve watervoorzieningen hebbeneen eigen bron en zijn niet aangesloten op het landelijke distributienetvoor drinkwater. Beheerders van kleine en zeer kleine collectievewatervoorzieningen weten dat zij tot deze categorieën behoren, omdat zijdaartoe periodiek een door de Inspectie Leefomgeving en Transportgoedgekeurd meetprogramma moeten uitvoeren.Met het vervallen van het heffingsplafond stelt het kabinet voor tevensartikel 14, derde lid, Wbm te laten vervallen. Met dat lid wordt momenteelvoor particuliere installaties voor centrale watervoorziening voorzien in demogelijkheid om het waterverbruik per onroerende zaak als bedoeld in datartikel te belasten tot maximaal de hoogte van het heffingsplafond. Diebepaling heeft geen betekenis meer omdat met het vervallen van hetheffingsplafond al het onder de grondslag vallende water wordt belast.Artikel XXI, onderdelen C en D (artikelen 17 en 18a van de Wet belastingenop milieugrondslag)Artikel XXI, onderdeel C, onder 1 en 2, en onderdeel D, regelt hetvervallen van enkele technische aspecten die relateren aan het huidigeartikel 14, tweede lid, Wbm. Deze aspecten hebben geen betekenis meerin verband met de voorgestelde wijziging van artikel 14, tweede lid, Wbm.Voorts wordt in dit kader met artikel XXI, onderdeel C, onder 3, de inartikel 17, derde lid (nieuw), Wbm opgenomen verwijzing aangepast aande voorgestelde verlettering in artikel 12, eerste lid, Wbm.Artikel XXI, onderdelen E en F (artikelen 22 en 29a van de Wet belastingenop milieugrondslag)Voorgesteld wordt met ingang van 1 januari 2027 de vrijstelling voor hetverbranden van zuiveringsslib in de afvalstoffenbelasting af te schaffen.Dat leidt tot het per die datum vervallen van de vrijstelling van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3171 afvalstoffenbelasting ter zake van de afgifte van zuiveringsslib aan eenafvalverbrandingsinstallatie ter verbranding. Daarmee wordt de definitievan «zuiveringsslib» in artikel 22, eerste lid, onderdeel o, Wbm overbodig.Gelet op het voorgaande wordt voorgesteld om de artikelen 22, eerste lid,onderdeel o, en 29a Wbm te laten vervallen.Artikel XXI, onderdeel G (hoofdstuk III, afdeling 6, van de Wet belastingenop milieugrondslag)Hoofdstuk III, afdeling 6, regelt een teruggaafregeling voor de belasting opleidingwater. Artikel XXI, onderdeel G, stelt voor deze te laten vervallenomdat met het vervallen van het heffingsplafond geen sprake meer is vanrecht op teruggaaf.Voor wat betreft de heffing over de jaren vóór 2027 is van belang dat uithet Besluit Fiscaal Bestuursrecht212 volgt dat een recht op teruggaaf tenaanzien van het heffingsplafond nog vijf jaar blijft bestaan. Een belang-hebbende kan voor die jaren dus nog tot vijf jaar terug een verzoek totteruggaaf indienen.Artikel XXIIArtikelen XXII, XXIV, XXV, XXVI, XXVII, XXVIII en XXIX (artikel 28 van deWet belastingen op milieugrondslag)Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie is in deVoorjaarsbesluitvorming 2025 door het kabinet besloten dat de beoogdeopbrengsten voor de introductie van een polymerenheffing op anderewijze wordt ingevuld. Als een technische invulling van deze budgettairetaakstelling wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld om de belastingtarievenvoor het storten, het verbranden en de overbrenging van afvalstoffen inde afvalstoffenbelasting met ingang van 1 januari 2028 te verhogen met€ 53,25. Daarnaast worden in dit wetsvoorstel wijzigingen van dezebelastingtarieven voorgesteld voor de periode 2029 tot en met 2035,waarbij de hoogte van de tarieven telkens is vastgesteld om aan te sluitenop de budgettaire taakstelling van € 567 miljoen per jaar.Artikel XXIIIArtikelen XXIII, XXIV, XXV, XXVI, XXVII, XXVIII en XXIX (artikel 28 van deWet belastingen op milieugrondslag)De eerste voorgestelde wijziging in artikel XXIII, introduceert met ingangvan 1 januari 2029 in de afvalstoffenbelasting een nieuw tarief voor hetstorten van afvalstoffen waarvoor een ontheffing van het in artikel 1 vanhet Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen opgenomenstortverbod is gekregen. Het gaat hierbij om de ontheffing die kan wordenverleend op grond van artikel 6 van dat besluit, op verzoek van degene dieeen stortplaats exploiteert.Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie is het voorge-stelde nieuwe tarief hoger dan het reguliere verbrandingstarief dat isopgenomen in artikel 28, eerste lid, onderdeel c (nieuw), Wbm om deongewenste prikkel te verkleinen voor ontdoeners om hun afval te latenstorten in plaats van te laten verbranden. De opbrengsten van hetvoorgestelde verhoogde tarief voor het storten van afvalstoffen metontheffing worden ingezet voor de budgettaire taakstelling, die is ontstaandoor het niet invoeren van een polymerenheffing. De hoogte van het tariefvoor het storten van afvalstoffen met ontheffing is voor de periode 2030tot en met 2035 telkens dusdanig vastgesteld om, samen met de andere212Paragraaf 23, artikel 9, onderdeel b.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3172 gewijzigde tarieven in de afvalstoffenbelasting, aan te sluiten op debudgettaire taakstelling van € 567 miljoen.Artikel XXXArtikel XXX, onderdeel A (artikel 16b.17 van de Wet milieubeheer)Dit onderdeel wijzigt artikel 16b.17 van de Wet milieubeheer. Voorgesteldwordt om de emissiereductieopgave van de CO2-heffing industrie tematigen voor broeikasgasinstallaties en lachgasinstallaties. Alsaanvullend doel geldt dat de nationale reductiefactor voor 2026 wordtgemaximaliseerd binnen het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan.Met het oog hierop is de Nederlandse Emissieautoriteit gevraagd om eenberekening te maken van de nationale reductiefactor. Conform dezeberekening wordt voorgesteld om een reductiefactor te hanteren van1,023. Verder wordt voorgesteld om de reductiefactor niet meer jaarlijksaan te scherpen. Hiervoor wordt verwezen naar het algemeen deel vandeze memorie.Voorgesteld wordt om in artikel 16b.17, vierde lid, van de Wet milieu-beheer de correctiefactor voor broeikasgasinstallaties voor deverbranding van stedelijk afval (AVI’s) aan te passen. Daarbij is van belangdat de reductiefactor in 2026 is gemaximaliseerd onder het Herstel- enVeerkrachtplan, namelijk op 1,023. Uitgangspunt bij de berekening is datde verwachte hoeveelheid dispensatierechten voor AVI’s in 2030 hetzelfdeblijft als bij de introductie van de correctiefactor voor AVI’s, namelijkafgerond 0,6 Mton. Conform deze berekening wordt voorgesteld decorrectiefactor voor AVI’s voor 2026 vast te stellen op 0,85. Het voorstel isdat de jaarlijkse afname van de correctiefactor voor AVI’s vanaf het jaar2027 tot en met het jaar 2030 wordt bepaald op 0,15. In 2031 wordt decorrectiefactor voor AVI’s 0,17. In 2032 wordt deze 0,09. Vanaf 2033 wordtde correctiefactor voor broeikasgasinstallaties voor de verbranding vanstedelijk verlaagd naar nihil, waardoor vanaf dat jaar de gehele fossieleuitstoot wordt belast.Artikel XXX, onderdeel B (artikel 16b.27 van de Wet milieubeheer)Voorgesteld wordt dat exploitanten van afvalverbrandingsinstallatiesalleen dispensatierechten kunnen verhandelen met andere exploitantenvan afvalverbrandingsinstallaties. Dit wordt nader toegelicht in hetalgemeen deel van deze memorie.Artikel XXXIArtikel XXXI (artikel 222 van de Provinciewet)Met artikel XXXI wordt artikel 222, derde lid, onderdeel d, van deProvinciewet aangepast. Hiermee wordt geborgd dat de tariefkorting van30% in de Wet MRB 1994 zoals dat met ingang van 1 januari 2026 wordtvoorgesteld voor emissievrije personenauto’s en emissievrije kampeer-auto’s ook van toepassing is op de opcenten die de provincies heffen. Ookvoor de jaren 2027, 2028 en 2029 volgt de tariefstructuur met de gekozenformulering automatisch het tarief zoals dat voor emissievrije personen-auto’s en emissievrije kampeerauto’s wordt vastgesteld. De tariefkortingvervalt met ingang van 1 januari 2030. Dat volgt reeds uit artikel XLVIII vanhet BP 2025.213 Artikel XXX van de Wet uitwerking Autobrief II voorzietmet ingang van 1 januari 2026 ook in een aanpassing van artikel 222,213Bij aanvaarding van de Fiscale verzamelwet 2026 borgt artikel XV van dat wetsvoorstel dat deverwijzing in het BP 2025 wordt aangepast, zodat de tariefkorting onverminderd op 1 januari2030 vervalt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3173 derde lid, onderdeel d, van de Provinciewet. Artikel XXX van de Wetuitwerking Autobrief II treedt evenwel eerder in werking en wordt bijaanvaarding van het BP 2026 effectief overschreven door het onderhavigevoorstel.Artikel XXXIIArtikel XXXII (artikel 222 van de Provinciewet)Alleen voor motorrijtuigen gehouden door een kermis- of circusexploitantof een motorrijtuig dat is ingericht als werktuig of als werkplaats geldtvanaf 1 januari 2026 voor de motorrijtuigenbelasting nog een kwarttarief.Voorgesteld wordt bij artikel XVII, onderdeel B, deze kwarttarieven bijinwerkingtreding van de Wet vrachtwagenheffing te beperken totbestelauto’s en met ingang van 1 januari 2028 bij artikel XVIII volledig telaten vervallen. De motorrijtuigenbelasting is nauw verweven met deprovinciale opcenten. Dat is ook noodzakelijk voor de Belastingdienst omde motorrijtuigenbelasting in samenhang met de provinciale opcenten tekunnen uitvoeren. Bij de formulering is rekening gehouden met dewijziging van artikel 222 van de Provinciewet zoals die naar verwachtingop 1 juli 2026 bij inwerkingtreding van artikel XIX van de Overige fiscalemaatregelen 2018 zal komen te luiden.214Vanaf het moment dat de Wet vrachtwagenheffing in werking treedt wordthet kwarttarief in de motorrijtuigenbelasting als gevolg van ditwetsvoorstel begrensd tot bestelauto’s (zie artikel XVII, onderdeel B) enkomt aan artikel 222, derde lid, onderdeel a, onder 3°, van de Provinciewetzoals dat naar verwachting op 1 juli 2026 zal komen te luiden niet langerbetekenis toe. Bestelauto’s zijn niet belast met provinciale opcenten,waardoor een verwijzing naar artikel 30 van de Wet MRB 1994 niet langerrelevant is. Gegeven de samenloop met de al tamelijk complexe wijzi-gingsbepalingen die reeds zijn opgenomen in de Fiscale verzamelwet2026, de samenloop met de inwerkingtreding van de Wet vrachtwagen-heffing en onderhavig wetsvoorstel, is ervoor gekozen om de referentieaan de kwarttarieven met ingang van 1 januari 2028 te schrappen uit deprovinciale opcenten. Dat is hetzelfde moment waarop bij aanvaardingvan dit wetsvoorstel ook artikel 30 Wet MRB 1994 komt te vervallen (zieook artikel XVIII).Artikel XXXIIIArtikel XXXIII (artikel 30g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)Op grond van artikel 30g, eerste lid, AWR wordt in beginsel belastingrentein rekening gebracht bij belastingaanslagen erfbelasting. Artikel 30g,tweede lid, AWR regelt over welk tijdvak in voorkomende gevallen rentewordt gerekend. Indien het een belastingaanslag erfbelasting betreft terzake van een overlijden of ter zake van een verkrijging ten gevolge van devervulling van een voorwaarde, vangt het tijdvak aan acht maanden nahet overlijden (dit is gelijk aan het einde van de aangiftetermijn),onderscheidenlijk acht maanden na de dag van de vervulling van devoorwaarde, en eindigt het tijdvak op de dag voorafgaand aan de dagwaarop de belastingaanslag invorderbaar is. Dit volgt uit artikel 30g,tweede lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, AWR. Artikel 30g,vierde lid, AWR regelt dat geen belastingrente in rekening wordt gebrachtingeval de belastingaanslag is vastgesteld overeenkomstig een verzoekom een (voorlopige) aanslag of overeenkomstig een ingediende aangifte,214Artikel XIX van de Overige fiscale maatregelen 2018 treedt bij aanvaarding van de FiscaleVerzamelwet 2026 naar verwachting op 1 juli 2026 bij koninklijk besluit in werking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3174 indien dat verzoek, onderscheidenlijk die aangifte, tijdig (dat wil zeggen:binnen acht maanden na het overlijden) is ingediend.Zoals in paragraaf 5.13 van het algemeen deel van deze memorie istoegelicht, wordt in samenhang met de voorgestelde verlenging van de inartikel 45, eerste lid, SW 1956 opgenomen termijn voor het indienen vaneen aangifte erfbelasting tot twintig maanden na het overlijden (artikel X,onderdeel F) voorgesteld het tijdvak waarover belastingrente wordtgerekend, te laten aanvangen twintig maanden na het overlijden. Devoorgestelde aanpassing van artikel 30g, tweede lid, AWR strekt daartoe.Tevens wordt voorgesteld artikel 30g, vierde lid, AWR overeenkomstig aante passen door te bepalen dat een verzoek om een (voorlopige) aanslag ofeen ingediende aangifte voor de eerste dag van de eenentwintigstemaand na het overlijden moet zijn ontvangen. Alsdan is sprake van eentijdig ingediend verzoek, onderscheidenlijk tijdig ingediende aangifte. Devoorgestelde wijziging van artikel 30g, zevende lid, AWR is redactioneelvan aard en vloeit voort uit het voorstel om artikel 45, derde lid, SW 1956te laten vervallen. Deze voorgestelde wijzigingen van artikel 30g AWR per1 januari 2026 vinden ingevolge artikel L (inwerkingtredingsbepaling) voorhet eerst toepassing met betrekking tot belastingaanslagen erfbelastingter zake van overlijdens die op of na 1 januari 2026 plaatsvinden.Artikel XXXIVArtikel XXXIV, onderdeel A (artikel 2 van de Wet op de verbruiksbelastingvan alcoholvrije dranken)In artikel 2 WVAD zijn de definities opgenomen die van toepassing zijnvoor de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Voorgesteld wordt indit artikel twee wijzigingen aan te brengen. Allereerst wordt de verwijzingin artikel 2, onderdeel j, WVAD geactualiseerd. In artikel 2, onderdeel j,WVAD wordt verwezen naar Verordening (EEG) nr. 2658/87215 zoals dezeluidde op 1 januari 2022. Inmiddels is de verordening vernieuwd, en kanworden verwezen naar de verordening zoals deze luidde op 1 januari2025. Voor de systematiek van een zogenoemde statische verwijzing (eenverwijzing naar de verordening zoals deze op een bepaald moment luidt)is gekozen om te voorkomen dat bij wijziging van de goederencodes in deGecombineerde Nomenclatuur (GN-codes) in de Verordening (EEG) nr.2658/87 automatisch (en onbedoeld) wijziging zou kunnen optreden in dedefinities zoals opgenomen in de WVAD.216 Voor wat betreft de GN-codevan mineraalwater (waarop de verwijzing aanvankelijk zag) behelst ditgeen inhoudelijke wijziging: de definitie waarnaar werd verwezen, luidt inde meest recente versie van Verordening (EEG) nr. 2658/87 niet andersdan op 1 januari 2022.Ten tweede wordt aan artikel 2 WVAD een onderdeel toegevoegd met dedefinitie voor Verordening (EU) nr. 609/2013.217 Deze definitie wordtopgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van artikel 9 WVAD waarindeze verordening wordt genoemd in relatie tot de alcoholvrije dranken dieonder de nieuw vormgegeven zuiveluitzondering vallen.215Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- enstatistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PbEG 1987, L 256).216Zie ook Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 3.217Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruiken de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en totintrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EGen 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en deRaad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PbEU2013, L 181).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3175 Artikel XXXIV, onderdeel B (artikel 6 van de Wet verbruiksbelasting vanalcoholvrije dranken)Artikel 6 WVAD bepaalt wat wordt verstaan onder alcoholvrije dranken,namelijk vruchten- en groentesap, limonade en water, mineraalwater enspuitwater voor zover niet vallend onder GN code 2201, ook indien zijalcohol bevatten, voor zover zij niet worden aangemerkt als bier, wijn,tussenproducten of overige alcoholhoudende producten in de zin van deWet op de accijns. De term limonade stamt uit de Wet op de accijns vanalcoholvrije dranken uit 1972. In recente jaren is gebleken dat de termlimonade niet meer passend is. Bepaalde dranken, zoals bijvoorbeeldhavermelk en alcoholvrij bier, vallen niet onder wat in de volksmondwordt aangemerkt als limonade. Dit leidt tot onbegrip en discussies overde belastbaarheid van bepaalde producten. Artikel 6 wordt hieropaangepast door de term limonade steeds te vervangen door de term«overige alcoholvrije drank». Deze wijziging is van redactionele aard enheeft derhalve geen inhoudelijke implicaties.Artikel XXXIV, onderdeel C (artikel 9 van de Wet op de verbruiksbelastingvan alcoholvrije dranken)Ook in artikel 9 WVAD komt het begrip limonade terug. Zoals hiervoor inde toelichting bij artikel XXXIV, onderdeel B, is genoemd, is het gebruikvan dit begrip niet langer wenselijk. Zodoende wordt het begrip limonadeook in artikel 9 WVAD steeds vervangen door de term «overige alcohol-vrije drank».In artikel XXXIV, onderdeel C, wordt het begrip ook inhoudelijk gewijzigd.In de toelichting op deze inhoudelijke wijziging wordt steeds de termoverige alcoholvrije drank gebruikt in plaats van het (huidige) begriplimonade, ondanks dat de huidige wettekst thans laatstgenoemd begriphanteert. Hiervoor is evenwel gekozen in verband met het voorstel omlaatstgenoemd begrip («limonade») te vervangen door eerstgenoemdbegrip («overige alcoholvrije drank»).Artikel 9 WVAD bepaalt welke producten als overige alcoholvrije drankworden aangemerkt. Overige alcoholvrije drank is in artikel 9, eerste lid,WVAD, gedefinieerd als: met water aangelengde vruchten- of groentesapalsmede gezoete en aromatische dranken en dranken waaraangeurstoffen of smaakstoffen zijn toegevoegd. Magere, halfvolle en vollemelk (hierna: melk) en karnemelk vallen niet onder de definitie vanoverige alcoholvrije drank, omdat dit geen gezoete en aromatischedranken zijn.218 Hierover is dan ook ingevolge artikel 9, eerste lid, WVADgeen verbruiksbelasting verschuldigd.Artikel 9, derde lid, WVADArtikel 9, derde lid, WVAD, bepaalt welke producten die wel onder dedefinitie van overige alcoholvrije drank vallen als bedoeld in artikel 9,eerste lid, WVAD, desalniettemin niet als overige alcoholvrije drankworden aangemerkt. Op grond van artikel 9, derde lid, WVAD wordt op ditmoment niet als overige alcoholvrije drank aangemerkt de uit melk ofmelkproducten bereide drank met een gehalte aan melkvetten van0,02%mas of meer waarin zich melkeiwit en melksuiker bevinden, nietzijnde een uit wei of weiproducten vervaardigde drank219 en de uit sojabereide drank met een melkvetgehalte en een eiwitgehalte die verge-lijkbaar zijn met het melkvetgehalte en het eiwitgehalte van melk220(kortweg de zuiveluitzondering). Zoals in het algemeen deel van deze218Zie ook Kamerstukken II 1992/93, 22843, nr., 3, p. 20–21.219Artikel 9, derde lid, onderdeel a, WVAD.220Artikel 9, derde lid, onderdeel b, WVAD.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3176 toelichting uiteengezet, heeft de huidige vormgeving van de zuiveluitzon-dering een aantal ongewenste effecten. Artikel 9, derde lid, wordt daaromaangepast door de zuiveluitzondering te herformuleren. Ingevolge hetvoorgestelde artikel 9, derde lid, WVAD wordt verduidelijkt en bepaald dat– kort gezegd – niet als overige alcoholvrije drank worden aangemerkt:sojadranken die vallen onder de definitie van overige alcoholvrije drank(en dus zouden zijn belast met verbruiksbelasting) met een suikergehaltevan niet meer dan 5,0 gewichtspercenten en een verzadigd vetgehalte vanniet meer dan 1,1 gewichtspercenten en volledige zuigelingenvoeding,opvolgzuigelingenvoeding en voeding voor medisch gebruik. Hieronderwordt iedere categorie toegelicht. Volledigheidshalve: zoals opgemerkt isover melk en karnemelk al geen verbruiksbelasting verschuldigd omdatdit geen gezoete en aromatische dranken zijn.221 Deze systematiek blijftongewijzigd.(i) Sojadranken (artikel 9, derde lid, onderdeel a, WVAD, ofwel productenvan GN-code 2202 99 11, met een suikergehalte van niet meer dan5,0 gewichtspercenten en een verzadigd vetgehalte van niet meer dan1,1 gewichtspercenten)Om omzeiling te voorkomen en de vormgeving van de zuiveluitzonderingten aanzien van sojadranken beter te laten aansluiten bij de voedings-waarden van de uitgezonderde zuiveldranken (melk en karnemelk) wordtde definitie van de huidige uitzondering voor sojadranken specifiekergemaakt. Hiertoe wordt aangesloten bij de GN-code voor «dranken opbasis van soja, met een proteïnegehalte van 2,8 of meer gewichtsper-centen», zijnde 2202 99 11. Verdere aansluiting bij de voedingswaardenvan de uitgezonderde zuiveldranken wordt bewerkstelligd door deuitsluiting van sojadranken met een suikergehalte van meer dan5 gewichtspercenten of een verzadigd vetgehalte van meer dan1,1 gewichtspercenten. Hiermee sluiten de voedingswaarden van deuitgezonderde sojadranken zo dicht mogelijk aan bij de voedingswaardenvan melk.Volledigheidshalve: zodra de sojadrank een suikergehalte van meer dan5,0 gewichtspercenten óf een verzadigd vetgehalte van meer dan1,1 gewichtspercenten bevat, is deze drank niet langer uitgezonderd vande verbruiksbelasting. Dat geldt uiteraard ook als allebei de criteria vantoepassing zijn (dus én een suikergehalte van meer dan 5,0 gewichtsper-centen én een verzadigd vetgehalte van meer dan 1,1 gewichtspercenten).(ii) Volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voedingvoor medisch gebruik als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen c, d,onderscheidenlijk g, van Verordening (EU) 609/2013 (artikel 9, derde lid,onderdeel c, WVAD)Over volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voedingvoor medisch gebruik die vanwege hun wijze van consumeren ensamenstelling onder de noemer «overige alcoholvrije drank» vallen wordtop dit moment geen verbruiksbelasting geheven als zij 0,02%mas melkvetbevatten. Daarmee vallen zij namelijk onder de huidige zuiveluitzondering.Omdat het criterium van 0,02%mas melkvet uit de wet verdwijnt, is hetnodig om volledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding envoeding voor medische gebruik die onder de noemer van overigealcoholvrije drank vallen, via een specifieke verwijzing uit te zonderen. Devoorliggende wijziging strekt hiertoe. Voorgesteld wordt om aan artikel 9,derde lid, WVAD een onderdeel toe te voegen met een uitzondering voorvolledige zuigelingenvoeding, opvolgzuigelingenvoeding en voeding voormedisch gebruik. Voor de definitie van dergelijke voeding wordt aange-221Artikel 9, eerste lid, WVAD en Kamerstukken II 1992/93, 22843, nr., 3, p. 20–21.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3177 sloten bij bestaande EU-regelgeving, namelijk Verordening (EU) nr.609/2013.222 Artikel 2, onderdelen c, d, onderscheidenlijk g, van Veror-dening (EU) nr. 609/2013 hanteert de volgende definities:(a) Volledige zuigelingenvoedingLevensmiddelen die bestemd zijn om in de eerste levensmaanden doorzuigelingen te worden genuttigd en die zolang nog geen passendeaanvullende voeding wordt gegeven, volledig aan de voedingsbehoeftenvan deze zuigelingen voldoen.(b) OpvolgzuigelingenvoedingLevensmiddelen die bestemd zijn om door zuigelingen te wordengenuttigd wanneer passende aanvullende voeding wordt gegeven en diehet belangrijkste vloeibare bestanddeel vormen van de steeds gevari-eerder wordende voeding van deze zuigelingen.(c) Voeding voor medisch gebruikSpeciaal bewerkte of samengestelde levensmiddelen die door patiënten,met inbegrip van zuigelingen, als dieetvoeding onder medisch toezichtmoeten worden gebruikt; zij zijn bestemd voor de volledige of gedeelte-lijke voeding van patiënten die een beperkt, aangetast of verstoordvermogen hebben om gewone levensmiddelen, bepaalde nutriëntendaarin of metabolieten in te nemen, te verteren, te absorberen, temetaboliseren of uit te scheiden, of die andere medisch bepaaldebehoeften aan nutriënten hebben, voor de behandeling waarvan nietlouter met wijziging van het normale voedingspatroon kan wordenvolstaan.Artikel 9, vierde lid, WVADAan artikel 9 WVAD wordt een lid toegevoegd. Het voorgestelde artikel 9,vierde lid, WVAD bepaalt dat de dranken zoals beschreven in artikel 9,derde lid, van die wet in vaste vorm of concentraat evenmin als overigealcoholvrije drank worden aangemerkt. De zuiveluitzondering ziet dus,kort gezegd, bijvoorbeeld ook op alcoholvrije dranken van GN-code 220299 11 in vaste vorm. Ook voor deze producten («in vaste vorm ofconcentraat») is van belang dat zij een suikergehalte van niet meer dan5,0 gewichtspercenten en een verzadigd vetgehalte van niet meer dan1,1 gewichtspercenten bevatten. Voor de beoordeling hiervan moetworden gekeken naar de samenstelling van het concentraat op hetmoment van het belastbare feit. Dit is het moment van de uitslag ofinvoer: het moment dat het product nog in vaste vorm of concentraatverkeert. Het product is, met andere woorden, op het moment vanbelasting nog niet aangelengd tot een voor drinken gerede drank. Voor debeoordeling of het product voldoet aan het vereiste van een suikergehaltevan niet meer dan 5,0 gewichtspercenten en een verzadigd vetgehalte vanniet meer dan 1,1 gewichtspercenten, geldt het volgende. Omdat voor deherleiding van het volume van een concentraat naar het volume van voorgebruik gerede «overige alcoholvrije drank» rekening gehouden moet222Verordening (EU) nr. 609/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013inzake voor zuigelingen en peuters bedoelde levensmiddelen, voeding voor medisch gebruiken de dagelijkse voeding volledig vervangende producten voor gewichtsbeheersing, en totintrekking van Richtlijn 92/52/EEG van de Raad, Richtlijnen 96/8/EG, 1999/21/EG, 2006/125/EGen 2006/141/EG van de Commissie, Richtlijn 2009/39/EG van het Europees Parlement en deRaad en de Verordeningen (EG) nr. 41/2009 en (EG) nr. 953/2009 van de Commissie (PbEU2013, L 181).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3178 worden met de factor 4, zoals opgenomen in artikel 10, tweede lid, WVAD,zal het maximale gehalte aan suiker of verzadigd vet voor een concen-traat, eveneens vermenigvuldigd moeten worden met de factor 4. Datbetekent dat als er in een concentraat vóór aanlenging met een vloeistofeen suikergehalte van meer dan 20,0 (5,0 maal 4) gewichtspercenten ofeen verzadigd vetgehalte van meer dan 4,4 (1,1 maal 4) gewichtsper-centen aanwezig is, de zuiveluitzondering op het concentraat niet vantoepassing is.Artikel XXXIV, onderdeel D (artikel 10 van de Wet verbruiksbelasting vanalcoholvrije dranken)Artikel 10 WVAD bepaalt het tarief per hectoliter alcoholvrije drank.Overeenkomstig de voornoemde aanpassingen wordt ook artikel 10,tweede lid, WVAD, aangepast door steeds de term limonade te vervangendoor de term «overige alcoholvrije drank».Alle in artikel XXXIV voorgestelde wijzigingen treden in werking metingang van 1 januari 2027.Artikel XXXVArtikel XXXV (artikel 24a van de Wet inkomstenbelasting BES)In het kader van de koopkrachtmaatregelen wordt voorgesteld het voor deinkomstenbelasting geldende tarief van de eerste schijf van de in artikel24a Wet inkomstenbelasting BES (Wet IB BES) opgenomen tarieftabel teverlagen van 30,4% naar 29,4%. Daarnaast wordt in dat kader voorgesteldhet tarief van de tweede schijf van die tabel te verhogen van 35,4% naar38,4%.Artikel XXXVIArtikel XXXVI (artikel XLA van het Belastingplan 2023)Artikel XXXVI regelt dat artikel XLA, dat is opgenomen in het BP 2023,wordt aangepast. Artikel XLA van het BP 2023 regelt dat mineraalwatervoor zover vallend onder GN-code 2022 wederom wordt onderworpenaan verbruiksbelasting. Het is de bedoeling dat dit artikel alleen in werkingtreedt als de uitzondering van mineraalwater voor zover vallend onderGN-code 2201 in 2026 niet positief wordt geëvalueerd. In dat geval wordthet terugdraaien van de uitzonderingspositie van mineraalwater (zoalsopgenomen in het BP 2023) bij koninklijk besluit doorgevoerd. Indien ditaan de orde is, voorziet voorliggende wijziging erin dat de in het BP 2023opgenomen bepalingen overeenkomen met de tekstuele aanpassingendie met het voorliggende wetsvoorstel worden doorgevoerd. Ditwijzigingsartikel voorziet daarom in een tweetal tekstuele aanpassingenten behoeve van de consistentie.Allereerst geldt dat ingevolge het voorgestelde wetsvoorstel het nietlanger wenselijk is dat via artikel XLA, onderdeel A, van het BP 2023artikel 2, onderdeel j, WVAD komt te vervallen. Dit wordt gerealiseerd methet voorgestelde artikel XXXVI, onder 1. Met het voorgestelde artikelXXXVI, onder 2, wordt artikel XLA, onderdeel B, van het BP 2023 zodanigaangepast dat de in dat onderdeel opgenomen wijziging van artikel 6WVAD tekstueel aansluit bij de voorgestelde formulering van dat artikelmet ingang van 1 januari 2027.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3179 Artikel XXXVIIIArtikel XXXVIII, onderdeel C (artikel XXV van het Belastingplan 2025)De verwachting is dat de vrachtwagenheffing met ingang van 1 juli 2026in werking treedt. Met het voorstel om bij inwerkingtreding van artikel 2,eerste lid, van de Wet vrachtwagenheffing de kwarttarieven in demotorrijtuigenbelasting voor kermis- of circusexploitanten en voor eenmotorrijtuig dat is ingericht als werktuig of werkplaats te beperken totbestelauto’s (zie ook artikel XVII), bestaat niet langer de behoefte aan dewijziging zoals verwoord in artikel XXV, onderdeel F, van het BP 2025.Artikel XXXVIII, onderdeel D (artikel XLIII van het Belastingplan 2025)Het onderhavige artikel regelt dat de tarieven voor ongelode lichte olie,gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas (LPG) die op dit moment zijnopgenomen in artikel 27, eerste lid, onderdelen a, b en d, van de Wet opde accijns (WA) worden gehandhaafd tot 1 januari 2027.Artikel XXXVIII, onderdeel E (artikel LVIII van het Belastingplan 2025)In artikel LVIII, onderdeel a, BP 2025 is abusievelijk verwezen naar een nietbestaand onderdeel. Met de voorgestelde wijziging wordt deze verwijzinggerepareerd.Artikel XXXIXArtikel XXXIX (overgangsrecht)Het voorgestelde artikel XXXIX regelt het overgangsrecht bij artikel X,onderdeel A. Hierin wordt geregeld dat er vanaf 1 januari 2026 eerbiedi-gende werking is ten aanzien van bestaande huwelijkse voorwaarden ofnotariële samenlevingscontracten die zijn aangegaan voor 16 september,16:00 uur, tenzij er bepaalde wijzigingen hebben plaatsgevonden (ziehierna). Bij de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap wordtde gerechtigdheid tot de huwelijksgoederengemeenschap op basis van dehuwelijkse voorwaarden dus gerespecteerd, dat wil zeggen dat er geenerf- of schenkbelasting op grond van artikel XI, onderdeel A, wordtgeheven. Dit geldt ook voor een verrekenbeding dat is overeengekomentussen echtgenoten of door ongehuwde partners in een notarieelsamenlevingscontract. Vanwege de bewijskracht van een notarieelsamenlevingscontract wordt bij de werking van het overgangsrecht tenaanzien van personen als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, SW 1956 wel deeis gesteld dat het verrekenbeding is opgenomen in een dergelijkcontract. Indien op of na 16 september, 16:00 uur, de huwelijksevoorwaarden met betrekking tot het aandeel in de huwelijksgoederenge-meenschap of de te verrekenen som wordt veranderd met betrekking tothet aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap of de te verrekenensom, vervalt dit overgangsrecht voor verkrijgingen die na 31 december2025 plaatsvinden. Het voorgaande geldt ook als op of na 16 september,16:00 uur, het notariële samenlevingscontract met betrekking tot hetaandeel in de te verrekenen som wordt veranderd. Na een dergelijkewijziging zijn de voorgestelde wijzigingen van artikel 11 SW 1956 metingang van 1 januari 2026 wel van toepassing en kan vanaf die datum erf-of schenkbelasting verschuldigd zijn conform dat artikel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3180 Artikel XLArtikel XL (overgangsrecht)In de voorgestelde artikelen 5.26, vierde lid, en 5.31, eerste lid, onderdeelb, Wet IB 2001 worden wijzigingen voorgesteld ten aanzien van lopendetermijnen van inkomsten of verplichtingen. De overgang naar de nieuwesystematiek voor deze lopende termijnen zou zonder overgangsrechtonwenselijke gevolgen hebben, die aan de hand van een voorbeeldworden toegelicht in paragraaf 5.5 van het algemeen deel van dezememorie. Het voorgestelde artikel XL zorgt ervoor dat de voorgesteldeartikelen 5.26, vierde lid, en 5.31, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001buiten toepassing blijven op bezittingen en schulden die direct vooraf-gaand aan het tijdstip waarop de voorgestelde nieuwe systematiek (metterugwerkende kracht) ingaat al tot het box 3-vermogen van de belasting-plichtige behoren. Op die manier worden onwenselijke gevolgen van deovergang naar de nieuwe systematiek voorkomen.Artikel XLIArtikel XLI (tabelcorrectiefactor)Met het voorgestelde artikel XLI, eerste lid, wordt bewerkstelligd dat de opgrond van de artikelen 10.1, eerste lid, 10.3, tweede lid, en 10bis.12 Wet IB2001 en de artikelen 20a, tweede lid, en 22d Wet LB 1964 per 1 januari2026 met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 Wet IB 2001, teindexeren bedragen beperkt worden geïndexeerd door de wettelijkeinflatiecorrectie van 2,9% voor 95,8% toe te passen. De in dat geval tehanteren indexatiefactor wordt berekend met de formule: 1 + (95,8% x(tabelcorrectiefactor – 1)). Dit leidt tot een te hanteren indexatiefactor van1,027782.Het voorgestelde artikel XLI, tweede lid, regelt dat een andere beperktetoepassing van de inflatiecorrectie geldt voor de indexatie van het bedragdat is vermeld in de eerste regel van de tweede kolom en de tweede regelvan de eerste kolom van de voor belastingplichtigen die vóór 1 januari1946 zijn geboren geldende tabel die is opgenomen in artikel 2.10a, eerstelid, Wet IB 2001 en artikel 20b, eerste lid, Wet LB 1964. Dat bedrag betreftde eersteschijfgrens die op grond van artikel 10.1, tweede lid, Wet IB 2001,artikel 20b, tweede lid, Wet LB 1964 en het voorgestelde artikel XLI wordtgeïndexeerd met de uitkomst van de formule: 1 + (95,8% x (75% x(tabelcorrectiefactor – 1))). Toepassing van die formule geeft de uitkomstvan 1,0208365.Het voorgestelde artikel XLI, derde lid, regelt dat het bedrag van devermogensgrens om wel of geen aanslag vast te stellen, dat isopgenomen in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001, en hetbedrag van de beschikking rendementsgrondslag, dat is opgenomen inartikel 9.4a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001, met de volledigetabelcorrectiefactor wordt vermenigvuldigd. Deze vermogensgrenzen zijngelijk aan de vermogensgrens van de huurtoeslag, die is opgenomen inartikel 7, derde en vierde lid, Awir. De vermogensgrens van dehuurtoeslag wordt met de tabelcorrectiefactor geïndexeerd. Het wordtonwenselijk geacht om de hiervoor genoemde vermogensgrenzen voorde inkomstenbelasting en de huurtoeslag op verschillende bedragen vastte stellen, omdat de beschikking rendementsgrondslag ook van belang isvoor de toekenning van het recht op huurtoeslag.Zowel in het onderhavige wetsvoorstel als in artikel II van hetwetsvoorstel Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sportwordt voorgesteld de tabelcorrectiefactor voor minder dan 100% toe tepassen. Ingevolge de in artikel XLIX van het onderhavige wetsvoorstelopgenomen samenloopbepaling worden, voor zover beide wetsvoor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3181 stellen in 2025 tot wet worden verheven en die wetten beide in werkingtreden per 1 januari 2026, de beperkingen van de tabelcorrectiefactorsamengenomen om zo tot één toe te passen indexatiefactor te komen.Artikel XLIIArtikel XLII (artikel XXXV van het Belastingplan 2024)In het BP 2024 is de afbouw van de inkomensafhankelijke combinatie-korting (IACK) geregeld. In lijn met de in het BP 2024 voor het jaar 2024opgenomen beperkte inflatiecorrectie is in het voorgestelde artikel XLIIopgenomen dat bij de overeenkomstige toepassing van artikel 10.1 Wet IB2001 de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor voor het jaar 2026ook geldt voor de afbouw van de IACK die is opgenomen in artikel XXXV,onderdeel c, BP 2024. Voor de volledigheid wordt nogmaals opgemerktdat artikel XLI voor het overige geen doorwerking heeft naar indexatie-voorschriften in verscheidene wetten die de artikelen 10.1 of 10.2 Wet IB2001 van overeenkomstige toepassing verklaren.Artikel XLVIArtikel XLVI (vervangen tarieftabellen loon- en inkomstenbelasting)In het voorgestelde artikel XLVI wordt de facto geregeld dat de uiteinde-lijke bedragen en percentages die moeten worden opgenomen in detarieftabellen in de artikelen 2.10, eerste lid, en 2.10a, eerste lid, Wet IB2001 en de tarieftabellen in de artikelen 20a, eerste lid, en 20b, eerste lid,Wet LB 1964 die gelden voor het jaar 2026 bij ministeriële regeling wordenvastgesteld. Dit gebeurt door middel van de Bijstellingsregeling directebelastingen 2025. Om tot de juiste tabellen te komen, worden eerst de inartikel I, onderdeel A, onder 2, en artikel III, onderdeel B, onder 2,opgenomen tariefwijzigingen verwerkt. Vervolgens worden de bedragenin de tarieftabellen zoals deze in 2025 luidden, door de toepassing vanartikel XLI van het onderhavige wetsvoorstel en artikel II van hetwetsvoorstel Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media ensport223 geïndexeerd door middel van een beperkte toepassing van detabelcorrectiefactor. Ingevolge het voorgestelde artikel L, eerste lid,onderdeel a, worden pas daarna de bedragen aangepast zoals voorge-steld in artikel I, onderdeel A, onder 1, en artikel III, onderdeel B, onder 1,van het onderhavige wetsvoorstel. Tot slot worden de bedragen dievoortvloeien uit de voorgaande wijzigingen in kolom III van de tariefta-bellen aangepast. De daaruit voortvloeiende tarieftabellen zijn alvast terinformatie opgenomen in het algemeen deel van deze memorie.Artikel XLVIIArtikel XLVII (artikel 27a van de Wet op de accijns)De accijnstarieven op minerale oliën worden op grond van artikel 27a WAjaarlijks geïndexeerd bij het begin van het kalenderjaar. Toepassing vandat artikel zou leiden tot hogere accijnstarieven. Om te voorkomen dat deaccijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG hoger zijn dan in2025, wordt voorgesteld de wettelijke indexaties op grond van artikel 27a223Het bij koninklijke boodschap van 16 september 2025 ingediende voorstel van wet totwijziging van het Belastingplan 2025 in verband met het behoud van het verlaagde btw-tariefop cultuur, media en sport en een beperking van de jaarlijkse indexering van een aantalbedragen die gelden voor de inkomstenbelasting, de loonbelasting of de toeslagen doormiddel van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor (Wet behoud verlaagdbtw-tarief op cultuur, media en sport) (Kamerstukken PM).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3182 WA per 1 januari 2026 niet toe te passen op de accijnstarieven voorongelode benzine, diesel en LPG zoals die per 1 januari 2026 luiden. Degemiste indexaties (dus voor de jaren 2023, 2024, 2025 en 2026) wordeningehaald op 1 januari 2027. Hiermee is rekening gehouden bij debedragen die in onderhavige wijziging van artikel 27 WA wordengenoemd. De wettelijke indexatie vindt weer plaats bij begin van hetkalenderjaar 2027.Artikel XLVIIIArtikel XLVIII (samenloopbepaling Fiscale Verzamelwet 2026)De Fiscale verzamelwet 2026 bevat een voorstel waarmee de redactie vanartikel 222 van de Provinciewet wordt gewijzigd. Als de Fiscale verza-melwet 2026 in voorgestelde vorm wordt vastgesteld, is de verwachtingdat de wijziging van artikel 222 van de Provinciewet uit hoofde vanOverige fiscale maatregelen 2018 bij koninklijk besluit met ingang van1 juli 2026 in werking zal treden. De uit hoofde van de Overige fiscalemaatregelen 2018 beoogde aanpassing van artikel 222 van de Provin-ciewet dient echter te worden aangepast als het BP 2026 in voorgesteldevorm wordt aanvaard. In dat geval dient te worden geëxpliciteerd dat hettarief voor emissievrije personenauto’s en emissievrije kampeerauto’svolgt uit artikel 23b, eerste lid, Wet MRB 1994. Via deze samenloopbe-paling wordt geborgd dat deze aanpassing in de Fiscale verzamelwet 2026wordt doorgevoerd indien het BP 2026 wordt vastgesteld en in werkingtreedt.Artikel XLIXArtikel XLIX (algemene samenloopbepaling)Zoals gebruikelijk is in dit wetsvoorstel ook een algemene samenloopbe-paling opgenomen. Deze bepaling maakt het mogelijk om, ingeval desamenloop van wetten die in 2025 in het Staatsblad zijn of wordengepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in een of meer belastingwetten,niet of niet juist is geregeld, of indien als gevolg van die samenlooponjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen, artikelonderdelen,verwijzingen en dergelijke in de betreffende wetten, die wetten op dit puntbij ministeriële regeling te wijzigen. De werking van het artikel is derhalvebeperkt tot twee specifieke situaties:1.Er is sprake van een foutieve of ontbrekende samenloopbepaling metbetrekking tot twee of meer wijzigingswetten. Dit kan zich bijvoor-beeld voordoen als twee verschillende wijzigingswetten hetzelfdeartikel van een belastingwet wijzigen, maar een van de betreffendewijzigingsopdrachten als gevolg van de samenloop van de wijzigings-wetten niet kan worden uitgevoerd.2.Door de samenloop ontstaat een foutieve aanduiding of verwijzingnaar artikelen, artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in een ofmeer belastingwetten die met de betreffende wijzigingsopdrachtenworden gewijzigd of ingevoegd. Dit ziet bijvoorbeeld op de situatiedat ingevolge een of meer wijzigingswetten een artikel met hetzelfdenummer in de betreffende belastingwet wordt ingevoegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3183 Artikel LArtikel L (inwerkingtreding)Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Voor een aantal wijzigingen isvoorzien in een inwerkingtreding met terugwerkende kracht of met eenlatere ingangsdatum, overgangsrecht of een afwijkende volgorde. Waardat het geval is, is dat waar nodig toegelicht bij de toelichting op debetreffende onderdelen.De Minister van Financiën,E. HeinenDe Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. HeijnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 3184

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · bca2a3be0fbd672e

14 okt 2026 · bfa07ce5a7a00bc4

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.