Side-by-Side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)
Brontekst
Versie fecea9db23c84aeb · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202625 087Internationaal fiscaal (verdrags)beleidNr. 359 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 5 januari 2026Het afgelopen jaar is in het Inclusive Framework (IF) van de Organisatievoor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) onderhandeldover de manier waarop een belastingstelsel kan worden gekwalificeerd alsequivalent aan de wereldwijde minimumbelasting voor multinationaleondernemingen (Pijler 2). Dit mede naar aanleiding van de verklaring vande Ministers van Financiën van de G7-landen over «wereldwijdeminimumbelastingen» van 28 juni 2025. Deze verklaring is opgesteld insamenspraak met de Verenigde Staten, in verband met hun zorgen overde samenloop van hun eigen minimumbelasting met Pijler 2.1 Ik heb uwKamer op verschillende momenten geïnformeerd over de status van deonderhandelingen.2 Op 5 januari 2026 is een akkoord bereikt binnen hetInclusive Framework in de vorm van een zogenoemd «Side-by-Side-pakket».3 Met deze brief informeer ik u over dit akkoord, in lijn met detoezegging aan uw Kamer.4Het Side-by-Side-pakket bevat maatregelen waarmee bepaalde belasting-stelsels onder voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd als equivalentaan Pijler 2. Daarnaast bevat het pakket afspraken over een gunstigerebehandeling onder Pijler 2 van bepaalde fiscale regelingen voor bedrijvenmet reële economische activiteit. Ten slotte bevat het akkoord ookvereenvoudigingsmaatregelen. In deze brief zal ik eerst ingaan op decontext van de onderhandelingen en de Nederlandse inzet (paragraaf 1).1Zie https://www.canada.ca/en/department-finance/news/2025/06/g7-statement-on-global-minimum-taxes.html. De G7 bestaat uit Canada, de VS, het VK, Duitsland, Frankrijk, Italië enJapan.2Zie onder andere Kamerstukken II 2025/26, 36 817, nr. 6; Kamerstukken II 2025/26, 21 501-07,nr. 2140; Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 34.3OESO (2026), Tax Challenges Arising from the Digitalisation of the Economy – Global Anti-BaseErosion Model Rules (Pillar Two), Side-by-Side Package. https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/topics/policy-sub-issues/global-minimum-tax/side-by-side-package.pdf4Het betreft de toezegging in het Commissiedebat Internationale fiscaliteit van 3 juli 2025 om uwKamer te informeren als er duidelijkheid is over de Side-by-Side-oplossing met de VS overPijler 2 (Kamerstuk 25 087, nr. 350). kst-25087-359ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3591 Vervolgens zal ik de verschillende aspecten van het Side-by-Side-pakketuitlichten en appreciëren (paragraaf 2). In paragraaf 3 beschrijf ik deNederlandse appreciatie van het totaalpakket, inclusief budgettaireimplicaties. Ik rond af met een beschrijving van het vervolgproces inparagraaf 4.1. Context onderhandelingen en Nederlandse inzet 1.1. Context Pijler 2 Pijler 2 zorgt ervoor dat multinationale groepen met een omzet van tenminste € 750 miljoen euro altijd ten minste effectief 15% aan belastingover hun winst betalen. Pijler 2 voorziet in een bijheffing als in eenjurisdictie te weinig winstbelasting is betaald. Het doel van Pijler 2 istweeledig. Ten eerste beoogt Pijler 2 de prikkel voor bedrijven te vermin-deren om winst te verschuiven naar laagbelastende jurisdicties. Tentweede beoogt Pijler 2 een ondergrens te stellen aan belastingconcur-rentie tussen jurisdicties. Hiermee wordt een race naar de bodem in dewinstbelasting voorkomen en een gelijker speelveld gecreëerd voorinternationaal opererende bedrijven. Pijler 2 zorgt daarmee voor eenwereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationalegroepen. De Pijler 2-maatregelen zijn opgenomen in de Wet minimumbe-lasting 2024 die op 31 december 2023 in werking is getreden. Met dezewet is de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing5 geïmplemen-teerd. Deze richtlijn is gebaseerd op de modelregels van de OESO zoalsaangenomen door het Inclusive Framework op 14 december 2021 en komtdaarmee in hoofdzaak overeen.De Pijler 2-maatregelen bestaan uit drie manieren van bijheffing, namelijkde binnenlandse bijheffingsmaatregel (Domestic Minimum Top-up Tax(DMTT)), de inkomen-inclusiemaatregel (Income Inclusion Rule (IIR)) en deonderbelastewinstmaatregel (Undertaxed Profits Rule (UTPR)). Kortgezegd mag elke jurisdictie waar winst wordt gemaakt door een entiteitvan een multinationale groep eerst zelf tot een effectief tarief van 15%heffen door middel van een binnenlandse bijheffing. Als dat niet gebeurt,bijvoorbeeld omdat die jurisdictie de Pijler 2-regels niet toepast, mogenandere Pijler 2-jurisdicties waar entiteiten van die groep zijn gevestigdbijheffen. Dit betreft eerst de jurisdictie waar de uiteindelijkemoederen-titeit is gevestigd (via de inkomen-inclusiemaatregel) en vervolgensandere jurisdicties waar de multinationale groep actief is (via de onderbe-lastewinstmaatregel). Als gevolg hiervan hebben jurisdicties een belangom de Pijler 2-regels in te voeren of het effectieve tarief in de winstbe-lasting te verhogen naar minimaal 15%, omdat anders andere jurisdictieskunnen bijheffen.Op dit moment hebben volgens de OESO meer dan 65 jurisdicties dewereldwijde minimumbelasting ingevoerd of daartoe concrete stappenondernomen.6 Naast de EU gaat het om grote economieën zoals het VK,Japan, Canada, Australië en Zuid-Korea en om laagbelastende jurisdictieszoals Guernsey, Jersey, Isle of Man en Barbados. Een aantal belangrijkehandelslanden heeft Pijler 2 niet geïmplementeerd. Dat heeft voor dezejurisdicties gevolgen vanwege de systematiek van Pijler 2. Die systematiekleidt er immers toe dat in het geval dat – naar Pijler 2-maatstaven –onvoldoende belasting is betaald in die jurisdicties, er wordt bijgeheven5Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaalminimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen enomvangrijke binnenlandse groepen in de Unie, PbEU 2022, L 328/1.6OECD (2025), OECD Secretary-General Tax Report to G20 Leaders (G20 South Africa, November2025), OECD Publishing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3592 door een andere jurisdictie die Pijler 2 wel heeft geïmplementeerd.7 Eendergelijke bijheffing kan ook plaatsvinden in het geval dat eenniet-implementerende jurisdictie zelf over een robuust belastingstelselbeschikt dat een met Pijler 2 vergelijkbare minimumbelasting waarborgt.Om die reden is in het Inclusive Framework onderhandeld met als doelom bepaalde belastingstelsels onder voorwaarden te erkennen alsequivalent voor de toepassing van de Pijler 2-regels. In paragraaf 2.1 zal ikdaar nader op ingaan.1.2. Nederlandse inzet Het uitgangspunt van Nederland in de onderhandelingen was hetwaarborgen van de effectiviteit en stabiliteit van het internationalebelastingstelsel, waar de internationale afspraken over de wereldwijdeminimumbelasting onderdeel van zijn. Daarbij achtte Nederland het vanbelang om de oorspronkelijk doelstellingen van Pijler 2 te waarborgen.Die doelstellingen zijn, zoals eerder genoemd, het stellen van eenondergrens aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties en de prikkelverminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen naarjurisdicties die weinig belasting heffen. Daarbij heeft Nederland, in lijnmet de motie Van Eijk c.s.8, ingezet op het behoud van een gelijk speelvelden het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfs-leven, onder meer door in te zetten op:•Robuuste criteria om te kwalificeren als een belastingstelsel equivalentaan Pijler 2;•Een robuust evaluatiemechanisme;•Vereenvoudiging van de Pijler 2-regels;•Een verruiming van de gunstige behandeling van fiscale regelingenvoor bedrijven met reële economische activiteit, in ogenschouwnemend de doelstellingen en de robuustheid van de Pijler 2-regels.2. Side-by-Side-pakket In deze paragraaf beschrijf en apprecieer ik achtereenvolgens deverschillende onderdelen van het Side-by-Side-pakket:1.Maatregelen waarmee bepaalde belastingstelsels onder voorwaardenkunnen worden gekwalificeerd als equivalent aan Pijler 2 (hetzogenoemde «Side-by-Side-systeem»);2.Vereenvoudigingsmaatregelen;3.Afspraken over een gunstige behandeling van bepaalde fiscaleregelingen voor bedrijven met reële economische activiteit.2.1. Side-by-Side-systeem Het Inclusive Framework ziet de gemeenschappelijke aanpak van Pijler 2nog steeds als het belangrijkste systeem voor het verzekeren van eenminimumniveau van belasting. Tegelijkertijd erkent het InclusiveFramework dat jurisdicties een eigen systeem kunnen hebben dat eenminimumniveau van belasting waarborgt voor binnenlandse of buiten-landse winsten van hun multinationale groepen. Het Inclusive Frameworkheeft daarom afspraken gemaakt over hoe in dit soort situaties dereguliere systematiek van bijheffing onder Pijler 2 (deels) buiten werkingwordt gesteld. Het betreft twee nieuwe zogenoemde veiligehavenregels:7Op dit moment geldt nog een tijdelijke veiligehavenregel («Transitional UTPR Safe Harbour»)op basis waarvan niet wordt bijgeheven onder de onderbelastewinstmaatregel als eenjurisdictie een nominaal vennootschapsbelastingtarief van tenminste 20 procent heeft. Dezeveiligehavenregel loopt eind 2025 af.8Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 79.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3593 de Side-by-Side Safe Harbour en de Ultimate Parent Entity (UPE) SafeHarbour.Side-by-Side Safe HarbourDe Side-by-Side Safe Harbour is een vrijstelling van bijheffing onder deinkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel over allebinnenlandse en buitenlandse winsten van multinationale groepenwaarvan de uiteindelijke moederentiteit zich in een kwalificerendejurisdictie bevindt. Deze veiligehavenregel heeft als doel om tevoorkomen dat een multinationale groep zowel aan Pijler 2 als aan eenkwalificerende equivalente minimumbelasting wordt onderworpen.Om te kwalificeren voor de Side-by-Side Safe Harbour moet een juris-dictie een kwalificerend belastingstelsel hebben. Een kwalificerendbelastingstelsel dient een minimumniveau van belasting te waarborgenover zowel binnenlandse als buitenlandse winsten van een multinationalegroep. Om te beoordelen of een belastingstelsel voldoende robuust is, zijnverschillende criteria afgesproken.Een kwalificerend binnenlands belastingstelsel dient te voldoen aan devolgende criteria:1.Een statutair vennootschapsbelastingtarief van tenminste 20%;2.Een binnenlandse bijheffing of een alternatieve binnenlandseminimumbelasting gebaseerd op commerciële jaarcijfers met eentarief van ten minste 15% die van toepassing is op een substantieeldeel van de binnenlandse winsten van multinationale groepen dieonder Pijler 2 zouden vallen; en3.Geen materieel risico dat de binnenlandse winsten van multinatio-nale groepen die onder Pijler 2 zouden vallen en hun hoofdkantoor inde jurisdictie hebben, onderworpen zijn aan een effectief tarief vanminder dan 15%.Een kwalificerend buitenlands belastingstelsel dient te voldoen aan devolgende criteria:1.Een belastingstelsel dat van toepassing is op zowel actief als passiefbuitenlands inkomen van dochtermaatschappijen van vennootschap-pen gevestigd in de jurisdictie, met slechts beperkte uitzonderingen;2.Voldoende mechanismen om risico’s ten aanzien van grondslaguit-holling en winstverschuiving (BEPS) te adresseren; en3.Geen materieel risico dat de buitenlandse winsten van multinationalegroepen die onder Pijler 2 zouden vallen en hun hoofdkantoor in dejurisdictie hebben, onderworpen zijn aan een effectief tarief vanminder dan 15%.In aanvulling hierop is afgesproken dat de Side-by-Side Safe Harbourgeen impact heeft op de gekwalificeerde binnenlandse bijheffing diedochterbedrijven van deze multinationale groepen verschuldigd zijn in hetbuitenland. Een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie moet voor dezebijheffing namelijk verrekening verlenen, zodat de binnenlandse bijheffingvan Pijler 2 altijd voorgaat. Ook is afgesproken dat een belastingstelselvan een kwalificerende jurisdictie in principe van kracht moet zijn voor1 januari 2026. Als een kwalificerende jurisdictie later materiële wijzi-gingen aanbrengt in zijn belastingstelsel moet dit bij het InclusiveFramework gemeld worden, omdat dit impact kan hebben op debeoordeling door het Inclusive Framework van de betreffende jurisdictieals kwalificerend Side-by-Side-regime.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3594 Door het Inclusive Framework is geconcludeerd dat het Amerikaansebelastingstelsel aan bovenstaande voorwaarden voldoet en de statuskrijgt van een kwalificerend Side-by-Side-regime. Concreet betekent ditdat Amerikaanse multinationale groepen voor hun binnenlandse enbuitenlandse winsten worden vrijgesteld van Pijler 2-bijheffing op grondvan de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel,omdat deze winsten geacht worden equivalent te worden belast via hetAmerikaanse belastingstelsel. Wel moeten Amerikaanse multinationalegroepen binnenlandse bijheffing blijven betalen voor zover die wordtgeheven in andere jurisdicties waar zij opereren en moet de VS voor diebijheffing verrekening verlenen.Als een andere IF-jurisdictie een verzoek indient om aangemerkt teworden als kwalificerende jurisdictie voor de toepassing van deSide-by-Side Safe Harbour, zal het Inclusive Framework in de eerste helftvan 2026 beoordelen of het betreffende belastingstelsel aan de criteriavoldoet. Daarna kunnen IF-jurisdicties alleen in 2027 of 2028 nog eenverzoek indienen ter beoordeling door het Inclusive Framework of ze aande criteria voldoen. In dat beoordelingsproces zal rekening wordengehouden met de doelstelling van het Inclusive Framework dat dewereldwijde minimumbelasting het primaire systeem moet zijn voor hetwaarborgen van een minimumniveau van belasting, met name door deimplementatie van gekwalificeerde binnenlandse bijheffingen. Ook zalrekening gehouden worden met de uitkomsten van de toekomstigeevaluatie van het Side-by-Side-pakket.UPE Safe HarbourIn aanvulling op de Side-by-Side Safe Harbour is in het pakket de UltimateParent Entity (UPE) Safe Harbour opgenomen. Deze veiligehavenregel zietop de binnenlandse activiteiten van multinationale groepen waarvan deuiteindelijkemoederentiteit is gevestigd in een jurisdictie die beschikt overeen kwalificerend binnenlands belastingstelsel. De UPE Safe Harbour leidtertoe dat de onderbelastewinstmaatregel niet van toepassing is tenaanzien van de jurisdictie van de uiteindelijkemoederentiteit. Om tekwalificeren moet aan dezelfde criteria worden voldaan voor een robuustbinnenlands belastingstelsel die gelden voor de toepassing van deSide-by-Side Safe Harbour, zoals hierboven beschreven. Ook is vereist dathet betreffende belastingstelsel voor 1 januari 2026 van kracht is. Indieneen IF-jurisdictie daartoe een verzoek indient, zal het Inclusive Frameworkin de eerste helft van 2026 beoordelen of het respectievelijke binnen-landse belastingstelsel aan de criteria voldoet. De UPE Safe Harbour komtde facto in de plaats van de tijdelijke veiligehavenregel voor de onderbe-lastewinstmaatregel die eind 2025 afloopt, maar wel met strengerevoorwaarden.Toekomstige evaluatie («stocktake»)Als onderdeel van het akkoord is afgesproken dat eventuele substantiëlerisico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling enwinstverschuiving zullen worden geadresseerd, om de gemeenschappe-lijke beleidsdoelstellingen van de wereldwijde minimumbelasting en hetSide-by-Side-systeem te waarborgen. Daartoe zal het Inclusive Frameworkeen evaluatie («stocktake») doen die in 2029 moet worden afgerond, opbasis van een objectief en data-gedreven proces. Daarbij zal bijvoorbeeldworden gekeken in hoeverre jurisdicties binnenlandse bijheffingenbehouden of invoeren en naar eventuele onbedoelde effecten zoalsmateriële concurrentieverstoringen tussen multinationale groepen ennegatieve gedragseffecten, zoals een toename van winsten in laagbelas-tende jurisdicties zonder een binnenlandse bijheffing. Het InclusiveTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3595 Framework verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen teoverwegen wanneer zich geconcentreerde risico’s met betrekking tot hetgelijke speelveld voordoen.AppreciatieHet kabinet waardeert de nadruk die in het IF-akkoord wordt gelegd op hetbelang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van eenminimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem ismet reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de minimumbelasting op eengecoördineerde manier wordt berekend op basis van een gemeenschap-pelijke belastinggrondslag. In dat opzicht was de Nederlandse inzet eropgericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot eenminimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelendebelang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelas-tingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als datbetekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die eeneigen robuust belastingstelsel hebben dat een minimumniveau vanbelastingheffing waarborgt. Daarbij is het van belang datniet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positio-neren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Daaromis het positief dat, in lijn met de Nederlandse inzet, robuuste en striktecriteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side- en UPE Safe Harbour.Daarbij blijft het van belang dat er een adequaat proces doorlopen zalworden in het Inclusive Framework om te beoordelen welke jurisdictiesaan de criteria voldoen. Ook hecht het kabinet aan de onveranderdewerking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijkespeelveld en voor het borgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2,aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan eenbinnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdictieswaar zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Daarbij ishet wel van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijftbestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden danwel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstigeevaluatie om te monitoren hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijkuitpakt en als nodig actie te ondernemen om risico’s met betrekking tothet gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving teadresseren. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oogte houden dat Nederlandse bedrijven onder gelijke voorwaarden kunnenconcurreren met lokale bedrijven in Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdicties.2.2. Vereenvoudigingsmaatregelen Als onderdeel van het Side-by-Side-pakket zijn enkele vereenvoudigingenvan de Pijler 2-regels overeengekomen. Deze maatregelen vormen hetstartpunt voor verdere vereenvoudiging. Er zijn drie vereenvoudigings-maatregelen afgesproken: verlenging van de tijdelijke Country-by-CountryReporting-veilige havenregel (hierna: de tijdelijke CbCR-veiligehaven-regel), een nieuwe en permanente Simplified Effective Tax Rate (ETR) SafeHarbour en een programma voor verdere vereenvoudiging.De tijdelijke CbCR-veiligehavenregel wordt verlengd met een jaar. Deveiligehavenregel kan daardoor worden toegepast voor verslagjaren diestarten op of voor 31 december 2027. De tijdelijke CbCR-veilige haven-regel staat multinationale groepen toe het effectieve belastingtarief teberekenen op basis van het landenrapport en financiële verslaglegging.Als volgens deze berekening het effectieve belastingtarief ten minste 16%(2025) of 17% (2026 en 2027) is, hoeft de groep de uitgebreide berekeningTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3596 van het effectieve belastingtarief niet te maken en vindt geen Pijler2-bijheffing plaats.Daarnaast komt er een nieuwe en permanente Simplified Effective TaxRate (ETR) Safe Harbour vanaf 2027. Jurisdicties hebben de optie deveiligehavenregel onder bepaalde omstandigheden in te voeren vanaf2026. De kern van deze veiligehavenregel is dat het effectieve belasting-tarief wordt berekend op basis van de financiële jaarverslaggeving van degroep, met een beperkt aantal correcties. Als volgens de vereenvoudigdeberekening het effectieve belastingtarief ten minste 15% is, hoeft de groepde uitgebreide berekening van het effectieve belastingtarief niet te makenen vindt geen Pijler 2-bijheffing plaats.Ten slotte is een programma voor verdere vereenvoudiging overeenge-komen, waaronder: (i) het afronden van het lopende traject met betrekkingtot de routine profits test en de de minimis test, (ii) verdere vereenvou-diging van de Pijler 2-regels, waarbij ook gekeken zal worden naarvermindering van de administratieve lasten voor multinationale groepenmet activiteiten in jurisdicties die een binnenlandse bijheffing hebbeningevoerd, (iii) verdere administratieve richtsnoeren met betrekking tottechnische punten in de Pijler 2-regels en (iv) het onderzoeken van deintegratie van de vereenvoudigde berekeningen van de Simplified ETRSafe Harbour in de Pijler 2-regels.AppreciatieHet kabinet juicht toe dat in het Side-by-Side-pakket fundamentelevereenvoudigingen zijn opgenomen. Tijdens de onderhandelingen heeftNederland, in lijn met motie Van Eijk c.s.9, ingezet op betekenisvollevereenvoudiging van de Pijler 2-regels ter vermindering van de adminis-tratieve lasten voor het bedrijfsleven. De verlenging van de tijdelijkeCbCR-veiligehavenregel in combinatie met de invoering van de perma-nente Simplified ETR Safe Harbour vormt een goed startpunt voor verderevereenvoudiging.Het kabinet steunt de verlenging van de tijdelijke CbCR-veiligehavenregelmet een jaar om de transitie naar de permanente Simplified ETR SafeHarbour voor bedrijven te vereenvoudigen. Tijdens de overgangsperiodekunnen bedrijven kiezen tussen toepassing van de tijdelijkeCbCR-veiligehavenregel of toepassing van de Simplified ETR SafeHarbour.De permanente Simplified ETR Safe Harbour zorgt voor een vereenvou-diging in de berekening van het effectieve belastingtarief. De berekeningsluit aan bij de financiële verslaggeving, waarop slechts een beperktaantal correcties zijn vereist. Hierdoor kunnen multinationale groepen deberekening opstellen op basis van reeds beschikbare informatie, hetgeenten goede komt aan de uitvoerbaarheid voor zowel het bedrijfsleven alsde Belastingdienst en rechtszekerheid bevordert. Het feit dat slechts eenbeperkt aantal correcties is vereist ten opzichte van de financiëlejaarverslaggevingstandaard, zorgt voor een aanzienlijke vermindering vande complexiteit en de administratieve lasten. Naar mening van het kabinetis de berekening door de vereiste aanpassingen voldoende robuust om tebeoordelen of in een jurisdictie aan het minimumbelastingniveau wordtvoldaan. Daarom ondersteunt het kabinet de keuze voor een percentagevan 15%, zonder een bufferpercentage zoals in de tijdelijke CbCR-veilige-havenregel.9Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 79.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3597 Het kabinet vindt het belangrijk dat de permanente Simplified ETR SafeHarbour het startpunt is van verdere vereenvoudiging en dat daarnaastverdere stappen worden genomen. Daarbij is het van belang dat ook bijvereenvoudigingsmaatregelen oog wordt gehouden voor het behoud vande prikkel voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behoudendan wel in te voeren. Daarom is het belangrijk dat er voornamelijk wordtgekeken naar vermindering van de administratieve lasten voor multinati-onale groepen met activiteiten in jurisdicties die een binnenlandsebijheffing hebben ingevoerd.2.3. Behandeling van fiscale regelingen Onderdeel van het Side-by-Side-pakket is de gunstige behandeling vanbepaalde fiscale regelingen onder Pijler 2 voor bedrijven met reëleeconomische activiteit, zogenaamde Substance-based Tax Incentives.De manier waarop fiscale regelingen behandeld worden, is relevant voorhet berekenen van de effectieve belastingdruk en de mate waarinbijheffing plaatsvindt onder Pijler 2. Bijheffing van de minimumbelastingis aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een jurisdictie lageris dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van heteffectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemdegecorrigeerde betrokken belastingen (teller van de breuk) te delen doorhet netto kwalificerende inkomen (noemer van de breuk).De Pijler 2-regels maken onderscheid tussen verschillende soortenbelastingtegoeden.10 De huidige Pijler 2 regels bevatten enkel eengunstige behandeling van kwalificerende restitueerbare belastingte-goeden (Qualified Refundable Tax Credits; QTRCs) en kwalificerendeverhandelbare belastingtegoeden (Qualified Marketable Transferable TaxCredits; QMTTCs). Dergelijke kwalificerende belastingtegoeden tellen, netals subsidies, mee in het kwalificerend inkomen (de noemer) maarverlagen het bedrag aan gecorrigeerde betrokken belastingen (de teller)voor toepassing van Pijler 2 niet. Dit betekent dat kwalificerende belas-tingtegoeden een kleiner neerwaarts effect hebben op het effectievebelastingtarief en daarom minder snel leiden tot een bijheffing danniet-kwalificerend belastingtegoeden. In de brieven van mijn ambtsvoor-gangers van 25 oktober 202411 en van 30 juni 202512 is hier uitgebreid opingegaan.Substance-based Tax Incentive Safe HarbourHet Side-by-Side-pakket bevat de Substance-based Tax Incentive SafeHarbour. Op basis van deze veiligehavenmaatregel wordt de hierbovenbeschreven behandeling van kwalificerende belastingtegoeden aangevuldmet een regeling voor een gunstige behandeling van bepaalde fiscaleregelingen voor bedrijven met reële economische activiteit. Het gaat omde volgende kwalificerende fiscale regelingen (Qualified Tax Incentives;QTIs): (i) fiscale regelingen berekend aan de hand van de uitgaven in debetreffende jurisdictie (zogenoemde expenditure-based tax incentives), en(ii) fiscale regelingen berekend aan de hand van de hoeveelheid geprodu-ceerde goederen in de jurisdictie (zogenoemde production-based taxincentives). De veiligehavenmaatregel is niet van toepassing op fiscale10Het gaat om kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, kwalificerende verhandelbarebelastingtegoeden, niet-kwalificerende restitueerbare belastingtegoeden, niet-kwalificerendeverhandelbare belastingtegoeden en overige belastingtegoeden.11Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 214.12Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 262.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3598 regelingen berekend aan de hand van het inkomen (zogenoemdeincome-based tax incentives).Het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan deze QTIs verhoogt hetbedrag aan betrokken belastingen (teller), voor zover de som onder hetafgesproken maximum blijft (zie hieronder). Het kwalificerend inkomen(noemer) blijft ongewijzigd, in tegenstelling tot bij de behandeling vanQRTCs en QMTTCs die het kwalificerend inkomen verhogen. Ook QRTCsen QMTTCs kunnen echter, tot aan het maximum, voor behandeling alsQTI in aanmerking komen, voor zover deze belastingtegoeden ook aan devoorwaarden van een QTI voldoen.Om te waarborgen dat de gunstige behandeling van QTIs alleen geldtvoor bedrijven met reële economische activiteit in een jurisdictie, is eenmaximum afgesproken. Hierbij kunnen multinationale groepen perjurisdictie kiezen voor één van twee onderstaande opties:1.Een maximum gelijk aan 5,5% van het hoogste van de loonkosten ineen jurisdictie of afschrijvingen op de materiële vaste activa in eenjurisdictie; of2.Een maximum gelijk aan 1% van de boekwaarde («carrying value»)van de materiële vaste activa in een jurisdictie.Als een multinationale groep voor optie 2 kiest, staat dat voor vijf jaarvast. Als de groep deze keuze later intrekt, dan mogen de afschrijvingenop activa die in het verleden meetelden voor berekening van maximumvolgens optie 2 niet langer worden meegerekend voor de berekening vanhet maximum in optie 1.AppreciatieTijdens de onderhandelingen heeft Nederland, in lijn met de motie VanEijk c.s.13, ingezet op een verruiming van de gunstige behandeling vanfiscale regelingen voor bedrijven met reële economische activiteit. Hetkabinet vindt het onderhandelingsresultaat met betrekking tot deSubstance-based Tax Incentive Safe Harbour positief. De QTIs zorgen vooreen gelijkere behandeling met QRTCs en QMTTCs. Daarnaast zijn QTIseen erkenning binnen Pijler 2 dat fiscale prikkels een legitiem instrumentblijven van nationaal economisch beleid. Het kabinet vindt het belangrijkdat er ruimte is voor beleid ter ondersteuning van innovatie en bepaalde(duurzaamheids)investeringen binnen de afspraken. De gunstigerebehandeling van fiscale regelingen is bovendien positief voor deconcurrentiekracht van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Demanier waarop fiscale regelingen behandeld worden, is immers relevantvoor het berekenen van de effectieve belastingdruk en de mate waarinbijheffing plaatsvindt onder Pijler 2. Dit maakt de gunstige behandelingvan QTIs ook relevant voor het gelijke speelveld ten opzichte vanbedrijven in een Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdictie.Tegelijkertijd wil het kabinet voorkomen dat Pijler 2-bijheffing via deachterdeur kan worden teruggegeven via fiscale regelingen, wat een forseuitholling van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2 zou betekenen.Daarom is het belangrijk dat een maximum is afgesproken. De verschil-lende opties voor het berekenen van het maximum zorgen voor extracomplexiteit. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ingezet op eeneenvoudigere berekening, maar kan zich vinden in het onderhandelingsre-sultaat. Door de vormgeving van het maximum is namelijk wel geborgddat de gunstige behandeling van QTIs alleen is toegestaan voor zover ditgepaard gaat met reële economische activiteit en investeringen in de13Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 79.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 3599 jurisdictie zelf. Dat betekent dat traditionele belastingparadijzen metweinig reële economische activiteit nauwelijks van deze versoepelinggebruik kunnen maken.3. Appreciatie totaalpakket Het kabinet vindt het belangrijk dat er een akkoord is bereikt waarmee dePijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk vanminimumbelastingen overeind kan worden gehouden in een zo grootmogelijk internationaal verband. Een minimumbelasting in een zo grootmogelijk internationaal verband is immers het meest doeltreffend om eenondergrens te stellen aan belastingconcurrentie, waardoor ook hetvoordeel van kunstmatige winstverschuiving sterk wordt verkleind. Eenondergrens onder belastingconcurrentie blijft relevant om een nieuwerace naar de bodem te voorkomen en belastinginkomsten zeker te stellen,juist ook in een context van budgettaire langetermijnuitdagingen.Aangezien verschillende jurisdicties op dit moment Pijler 2 nog niethebben geïmplementeerd, acht het kabinet een akkoord over hetSide-by-Side-pakket ook een manier om deze jurisdicties al dan niet in detoekomst te committeren aan een vorm van een minimumbelasting. Hetakkoord is van belang om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in hetinternationale belastingsysteem, ook voor Nederlandse bedrijven. Daarbijhecht het kabinet aan de waarborgen die zijn opgenomen voor (hetmonitoren van) een gelijk speelveld, zoals robuuste en strikte criteria omte kwalificeren voor de Side-by-Side- en UPE Safe Harbour, de onveran-derde werking van de binnenlandse bijheffing, de toekomstige evaluatieen de verruiming van de gunstige behandeling van fiscale regelingenonder Pijler 2. Ook hecht het kabinet aan de vereenvoudigingsmaatre-gelen in het pakket, waarbij verdere vereenvoudiging in de toekomst vangroot belang blijft voor het EU-concurrentievermogen.Budgettaire gevolgenBij invoering is geraamd dat Pijler 2 voor een opbrengst van € 466 miljoenvoor Nederland zou zorgen. De geraamde opbrengst kwam met namevoort uit de inschatting dat bedrijven activiteiten en winsten uit laagbelas-tende jurisdicties naar Nederland zouden gaan verplaatsen. Het belasting-voordeel voor bedrijven van het gebruik van deze laagbelastendejurisdicties zou namelijk aanzienlijk dalen wanneer ook in die jurisdictiesten minste 15% winstbelasting wordt geheven.De afgesproken aanpassingen aan Pijler 2 betreffen met name versoepe-lingen van de regels, waaronder het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel in relatie totbepaalde jurisdicties en de verruiming van de gunstige behandeling vanfiscale regelingen onder Pijler 2. Omdat Pijler 2 voor een geraamdeopbrengst zorgde, brengen deze versoepelingen logischerwijs eenbudgettaire derving met zich mee. Deze derving is voorlopig geraamd opcirca € 120 miljoen per jaar. Deze geraamde derving zal in het voorjaarvan 2026 onderdeel zijn van de inkomstenbesluitvorming over hetlastenkader.Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft degeraamde opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. Deverwachting blijft dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af isdoordat fiscaal gedreven investeringen en fiscaal gedreven winstver-schuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst van Pijler 2onzeker zijn, waarbij ook deze Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan.Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddeldevennootschapsbelastingtarief sinds de afspraken over Pijler 2 nu drieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 35910 jaren op rij licht is gestegen, na tientallen jaren van daling.14 In eenscenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnenontstaan, met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennoot-schapsbelasting te verlagen. Gegeven de huidige opbrengsten uit devennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard per jaar, zou een dergelijkscenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist hebben.4. Vervolgproces Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaatwetsvoorstel uit te werken. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting vóór dezomer van 2026 worden ingediend bij uw Kamer. Gelet op de omvang enhet complexe karakter van de maatregelen zal in het voorjaar van 2026een bijeenkomst worden georganiseerd waar belangstellenden kunnenreflecteren op het Side-by-Side-pakket, zodat dit kan worden meege-wogen in de technische uitwerking van het wetsvoorstel. Na weging vande inbreng van belangstellenden en afronding van de uitvoeringstoetsdoor de Belastingdienst – waarbij rekening zal worden gehouden met deterugwerkende kracht van het pakket – wordt het wetsvoorstel teradvisering voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State.Bij de indiening van het wetsvoorstel zal een herijking plaatsvinden vande budgettaire raming. De raming bij indiening van het wetsvoorstel zal,zoals gebruikelijk, worden gecertificeerd door het Centraal Planbureau.De Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. Heijnen14Zie Corporate Tax Statistics 2025, OECD, 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 087, nr. 35911
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.