KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda Milieuraad d.d. 17 december 2024 te Brussel (Kamerstuk 21501-08-969)

12 dec 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 4d87b71d5d601a81 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202521 501-08MilieuraadNr. 970 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 12 december 2024 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infra-structuur en Waterstaat en de Minister van Klimaat en Groene Groei overde geannoteerde agenda van de Milieuraad op 17 december 2024 teBrussel (Kamerstuk 21 501-08, nr. 969) en het verslag van de Milieuraadvan 14 oktober 2024 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 966).De vragen en opmerkingen zijn op 4 december 2024 aan de Staatssecre-taris van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Klimaat enGroene Groei voorgelegd. Bij brief van 12 december 2024 zijn de vragenbeantwoord.De voorzitter van de commissie,Peter de GrootAdjunct-griffier van de commissie,Wiendels kst-21501-08-970ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 9701 I. WIJZIGING AGENDA MILIEURAAD Ten opzichte van de geannoteerde agenda zijn er twee AOB-punten aan deagenda van de Milieuraad toegevoegd. Zweden zal informatie delen metbetrekking tot de herziening van REACH. En de Europese Commissie zaleen update geven over het gebruik van het Horizon programma voorklimaatactie. Beide punten zullen in de verslaglegging meegenomenworden.II. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersonen Haalbaarheid, realisme, betaalbaarheid1.De leden van de PVV-fractie nemen kennis van de agenda, maar vragentegelijkertijd ook of de Staatssecretaris rekening houdt met de principesrealisme, haalbaar en betaalbaar.AntwoordJa. Dat zijn aspecten die worden meegewogen.Nationale koppen2.De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de Staatssecretaris ook goedin acht neemt dat er geen nieuwe nationale koppen op Europees beleidkomen en kijkt naar welke andere bestaande nationale koppen kunnenworden geschrapt in lijn met het Hoofdlijnenakkoord.AntwoordDat er geen nieuwe nationale koppen op Europees beleid komen, isgewaarborgd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.1 Aanwijzing 9.4bepaalt dat bij implementatie van Europees beleid geen nationaal beleid(en dus ook geen nationale koppen) mogen worden meegenomen. Watwél kan, is nationaal beleid (inclusief nationale kop) opnemen in een apartwetgevingstraject, los van implementatie. Er kunnen allerlei redenen zijnom nationaal regels te stellen, bijvoorbeeld ter uitvoering van hetHoofdlijnenakkoord. Daar zal uw kamer transparant over wordengeïnformeerd. In 2006, 2007, 2012 en 2023 zijn onderzoeken gedaan naarnationale koppen. Uit die onderzoeken is gebleken dat in Nederland nietveel nationale koppen zijn. De nationale koppen die uit de onderzoekenkwamen, bleken over het algemeen weloverwogen politieke besluiten. DeMinister van Economische Zaken doet in 2025 opnieuw onderzoek en hetkabinet zal hier te zijner tijd naar kijken.Circulaire voertuigen3.De leden van de PVV-fractie vragen hoe de sterke ambitie van deStaatssecretaris ten aanzien van circulariteit rijmt met het huidige tijdperkwaarbij het toepassen van gerecycled plastic onder druk staat.AntwoordDe recyclaatmarkt functioneert slecht, met name omdat deze te afhankelijkis van de olieprijs. Bij een lage olieprijs kiezen meer producenten vanplastic producten voor virgin fossiel plastic, bij een hoge olieprijs is het1Zie «Aanwijzingen voor de regelgeving», te vinden op: https://wetten.overheid.nl/BWBR0005730/2024-07-01Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 9702 andersom. Het is daarom belangrijk om in Europese productregelgevinghet toepassen van recyclaat verplicht te stellen, zoals in de nu voorlig-gende Europese verordening voor circulaire voertuigen. Zo ontstaat ereen stabielere recyclaatmarkt, waarin recyclers hun recyclaat kwijtkunnen.De Nederlandse plasticsector roept zelf ook op tot dergelijke Europeseeisen. Nederland zal nationaal niet op deze Europese producteisen voorvoertuigen vooruitlopen.4.De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de uitvoeringvoor zich ziet met betrekking tot de verbreding van het UPV-systeem(uitgebreide producentenverantwoordelijkheid), met name gericht opaanhangwagens (omdat veel wagens van deze categorie niet zijn voorzienvan een kenteken).AntwoordDe betaling van de afvalbeheerbijdrage voor het UPV-systeem loopt inNederland via de kentekenregistratie. Dit betekent dat elk voertuig dat eenkenteken heeft, makkelijk is toe te voegen aan het UPV-systeem voorauto’s. Voor andere voertuigen is dat lastiger, maar niet onmogelijk.Aanhangwagens tot 750kg hebben inderdaad geen kenteken, maar weleen typegoedkeuringsbewijs. Dit zou een manier kunnen zijn om dezeaanhangwagens onder de UPV te voegen Aanhangwagens boven de750kg hebben wel een kenteken.5.De leden van de PVV-fractie vragen tevens wat het mechanisme voorkosten van het afvalbeheer van nieuwe categorieën in de praktijk wordtuitgevoerd. Mede gezien het feit dat dit omschreven staat als «eenuitdaging in de uitvoering». Wellicht ten overvloede: rekening houdendmet de principes realisme, haalbaar en betaalbaar.AntwoordMet «een uitdaging in de uitvoering» werd gedoeld op het mechanismevoor de kosten van het afvalbeheer wanneer een voertuig in een anderelidstaat afval wordt dan waar het voertuig op de markt is geplaatst. In hetUPV-systeem zal een afvalbeheerbijdrage worden betaald in de lidstaatwaar het voertuig op de markt is geplaatst. Hierdoor wordt het afval-beheer (droogleggen voertuig, ontmantelen van onderdelen en recycling,et cetera) door de producenten georganiseerd en gefinancierd. Ditmechanisme maakt het mogelijk dat producenten de kosten voorafvalbeheer van voertuigen die niet in hetzelfde land afval worden alswaar ze op de markt worden geplaatst met elkaar kunnen vereffenen. Omdit in de praktijk goed uit te voeren zijn goede informatiestromenessentieel. Nederland is samen met een groep andere lidstatenvoorstander van dit mechanisme. Realisme, haalbaarheid en betaal-baarheid zijn voor Nederland belangrijke uitgangspunten in de onderhan-delingen6.De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris om meerinformatie betreffende de maatregelen om te voorkomen dat voertuigen(illegaal) geëxporteerd worden als die niet rijwaardig zijn en als afval(voertuigwrak) bestempeld zijn, waarbij negatieve milieueffecten wordenafgewenteld op derde landen. Dit in relatie tot het feit dat de Staatssecre-taris daarbij oog voor de handelspolitieke aspecten van het voorstel en deimpact hiervan op derde landen houdt. Hoe ziet hij de uitvoering hiervan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 9703 AntwoordOm te voorkomen dat niet rijwaardige voertuigen of autowrakken wordengeëxporteerd, is het belangrijk om een heldere definitie te formulerenvoor «autowrak». Het voorstel voorziet hierin. Verder legt het voorstel eenbepaling op waarbij de overbrenging van eigenaarschap van voertuigenniet is toegestaan als een voertuig bestempeld is als autowrak óf als hetvoertuig geen APK heeft, dus niet rijwaardig is. Dit helpt voorkomen datautowrakken worden geëxporteerd onder het mom van een rijwaardigvoertuig. Tegelijkertijd wordt de handel in rijwaardige, tweedehandsvoertuigen niet belemmert.7.De leden van de PVV-fractie vragen waarom de Staatssecretaris streeft opdiverse onderwerpen naar een hoger ambitieniveau (in andere woorden:zijn dit verborgen koppen).AntwoordIn de onderhandelingen over het voorliggende wetsvoorstel streeft hetkabinet naar een hoger ambitieniveau voor bijvoorbeeld de toepassingvan recyclaat en eisen met betrekking tot het verplicht verwijderen vanonderdelen. Dit zal de markt voor recyclaat versterken en eraan bijdragendat Nederland en de Europese Unie minder afhankelijk worden van derdelanden voor materiaalgebruik. Aangezien het hier gaat over een EuropeseVerordening is er geen sprake van nationale koppen, maar van Europeesbeleid dat voor alle lidstaten zal gelden.8.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn het in grote lijnen eens methet voorstel voor circulaire voertuigen en de lijn van de Staatssecretarishierop, maar denken dat het voorstel op enkele vlakken nog kan wordenaangescherpt. Deze leden zijn van mening dat er een verplicht oplopendpercentage groen staal en aluminium in de bouw van nieuwe auto’s in hetvoorstel moet worden opgenomen. Dat geeft zekerheid over de vraagnaar groen staal en kan de transitie van de staalsector aanjagen. Tentweede zijn deze leden van mening dat het voorgestelde Circular VehiclePassport meer informatie zou moeten bevatten, zoals materiaalsamen-stelling (inclusief aandeel gerecyclede inhoud per materiaal) en deCO2-voetafdruk. Ten derde vinden deze leden dat er te weinig gebeurt omafgedankte voertuigen in te zamelen. Daarom denken zij dat de inzamelingkan worden verbeterd als er nieuwe financiële prikkels voor eigenarenworden ingevoerd om hun afgedankte voertuigen naar een erkendeverwerker te brengen, zodat kostbare materialen niet verloren gaan,bijvoorbeeld via een retourpremie of statiegeldregeling. Kan de Staatsse-cretaris zich vinden in elk van deze aanscherpingen en is hij bereid omzich daar tijdens de Milieuraad hard voor te maken?AntwoordHet voorstel stelt de Commissie in staat om naar aanleiding van eenhaalbaarheidsstudie via een gedelegeerde handeling een voorstel te doenvoor een minimum percentage recyclaattoepassing voor staal enaluminium. Voor staal zal dit plaatsvinden na 23 maanden van inwerking-treding en voor aluminium 35 maanden. Het kabinet steunt dit onderdeelvan het voorstel. Ten aanzien van het Circulair Vehicle Passport wil ookhet kabinet dat dit meer informatie bevat. Zo heeft Nederland ervoorgepleit dat de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen onderdeel moetzijn van het paspoort. Daarnaast heeft het kabinet een voorstel gesteundom de CO2 voetafdruk van voertuigen te berekenen. Als dit voorstel wordtovergenomen, kan deze informatie ook in het paspoort wordenopgenomen. Tot slot ziet het kabinet geen meerwaarde in verderefinanciële prikkels voor de inzameling van autowrakken. Aangezien eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 9704 voertuig over het algemeen nog een waarde heeft, ontvangen eigenarenbij het inleveren van hun voertuig doorgaans al een bedrag van hetautodemontagebedrijf of garage.9.De leden van de VVD-fractie staan achter de Nederlandse inzet. Echtermaken zij zich zorgen over de import van Chinese voertuigen die nietvoldoen aan de circulariteitseisen. Deze Chinese producten kunnen deoverhand nemen op onze markt. Kan de Staatssecretaris ervoor waken datnaar Europa geïmporteerde voertuigen aan dezelfde circulariteitseisenvoldoen als waar Europese producenten aan moeten voldoen? Daarnaastbenadrukken deze leden dat het belangrijk is dat er een gelijk speelveld isom ongeregeldheden bij import/export van autowrakken te voorkomen.AntwoordAlle ontwerpeisen en -verplichtingen gelden voor alle voertuigen die opde Europese markt worden gebracht. Via de type-goedkeuring wordtgecontroleerd of het voertuig voldoet aan de geldende veiligheids- encirculariteitseisen. Dit proces wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voorWegverkeer (RDW). Alle voertuigen die op de Europese markt wordengebracht, zijn dus onderhevig aan deze type-goedkeuring, ongeacht waarze zijn geproduceerd. De circulariteitseisen die worden voorgesteld in deverordening zullen ook onderdeel worden van de type-goedkeuring. Viadit proces wordt dus gecontroleerd of alle voertuigen onder de reikwijdtedie op de Europese markt worden gebracht voldoen aan de circulariteit-seisen. Dit handhaaft een gelijk speelveld.10.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de Staatsse-cretaris onvoldoende aandacht besteedt aan de zorgwekkende trend vansteeds grotere, zwaardere en materiaal-intensievere voertuigen. Invoertuigen worden veel kostbare materialen gebruikt, waarvoor Europavolledig afhankelijk is van andere landen. Deze leden vragen of deStaatssecretaris niet wegkijkt voor deze ontwikkeling, die haaks staat ophet streven naar een circulaire economie, efficiënt materiaalgebruik enstrategische autonomie. Wat doet de Staatssecretaris eraan om deze trendtegen te gaan? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat hetmeest circulair is om minder materiaal te gebruiken?AntwoordHet voorstel stelt op zichzelf geen eisen aan de grootte en het gewicht vanvoertuigen. Wel zijn de bepalingen in het voorstel gericht op het stimu-leren van hergebruik en recycling en dragen op die manier bij aan hetbehouden van materialen in de Europese Unie doordat voertuigen enmaterialen langer worden gebruikt en kostbare materialen wordenbespaard.11.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat bij de inzetvan Nederland enkel wordt gesproken over ontwerpeisen ten behoevevan reparatie en hergebruik en dat de focus ligt op recycling en recyclaat-doelstellingen. Waarom wordt bij de inzet van Nederland niet gesprokenover bijvoorbeeld een maximum aan de lengte, breedte en hoogte vanvoertuigen om kostbaar materiaal te besparen? Ziet de Staatssecretarishet als een prioriteit om in het verdrag te pleiten voor het verminderenvan het gebruik aan materialen voor circulaire voertuigen? Deze leden vanvragen hoe minder materiaalgebruik het best zou kunnen wordentoegepast in de verordening, en wat de Staatssecretaris concreet heeftgedaan, of gaat doen, om dit voor elkaar te krijgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 9705 AntwoordHet verminderen van materiaalgebruik is een belangrijk element van decirculaire economie. De bepalingen in het voorstel die gericht zijn op hetstimuleren van hergebruik en recycling zullen bijdragen aan het behoudenvan materialen in de Europese Unie doordat voertuigen en materialenlanger worden gebruikt. Daarnaast geeft het voorstel de mogelijkheid omde bijdrage voor het UPV-systeem aan te passen op basis van niet alleende recyclebaarheid van de materialen, maar ook het gewicht van hetvoertuig. Zo is er een stimulans voor autofabrikanten om mindermateriaal toe te passen of de voertuigen kleiner te maken zodat definanciële bijdrage lager zal zijn.Microplastics12.De leden van de PVV-fractie vragen of er voldoende rekening wordtgehouden met kleine ondernemingen (lastendruk) bij de regelgeving voormicroplastics.AntwoordJa. Allereerst is de categorie zeer kleine bedrijven nog steeds uitge-zonderd van de zwaardere verplichtingen zoals certificering, ongeachthoeveel plastic pellets ze op jaarbasis verhandelen. Dat geldt niet voor alleandere bedrijven. De zwaardere verplichtingen zoals certificering, geldenechter pas wanneer met meer dan 1.000 ton pellets per jaar wordtgewerkt. Ter vergelijking, Frankrijk heeft al een certificeringsplicht vooralle bedrijven die met meer dan 5 ton plastic pellets per jaar werken. DitFranse systeem is in overleg met de sector opgezet. Van Franse collega’sheeft het ministerie begrepen dat dit ook voor bedrijven prima werkt. Hetis dus erg onwaarschijnlijk dat de lastendruk van deze Europesemaatregel voor kleine ondernemingen te hoog is.13.De leden van de PVV-fractie vragen met betrekking tot de drempelwaarde(microplastics) waarom er na de evaluatie zo nodig naar benedenbijgesteld moet gaan worden.AntwoordPlastic pellets is één van de grootste oorzaken van microplastics in hetmilieu. In tegenstelling tot andere bronnen van microplastics die intrinsiekgepaard gaan met productgebruik (zoals bandenslijtage, slijtage van verf,textiel, et cetera) dient de lekstroom van pellets bij productie, vervoer ofomvorming geen enkel doel. Daarom is het van belang dat deze vorm vanvervuiling tot een minimum beperkt wordt. Dit is mogelijk, want er isvoldoende handelingsperspectief voor de sector, door onder andereplastic pellets op de juiste wijze te verpakken tijdens het vervoer. Dedrempelwaarde bepaalt welke bedrijven striktere verplichtingen krijgen,waaronder certificering. Door meer bedrijven onder het striktere regime telaten vallen, neemt de vervuiling door plastic pellets af. Zoals aangegevenin het antwoord op vraag 1 dient dit wel proportioneel te zijn voorbedrijven. Dat is ook bij een significant lagere drempelwaarde nog steedshet geval.14.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interessekennisgenomen van het voorstel ter voorkoming van pelletverlies ommicroplasticvervuiling te verminderen. Plastic pellets, ook wel nurdles,zijn één van de voornaamste oorzaken van microplasticvervuiling enbetere regelgeving is erg belangrijk. Deze leden vinden het goed dat deStaatssecretaris wil pleiten voor een hoger ambitieniveau, maar hebbenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 9706 hierbij nog een aantal toevoegingen. Het huidige voorstel laat dezeetransport van plastic pellets grotendeels buiten beschouwing, terwijldit een belangrijke oorzaak is van pelletvervuiling. Zo zouden er verplich-tingen moeten zijn rond het veilig vervoer van pellets om risico’s bijextreem weer te voorkomen, zoals de toepassing van goede verpakkingenen verplicht onderdeks vervoer. Er moet een protocol zijn voor reders,zodat zij direct kunnen ingrijpen wanneer er toch lekkages op zee zijn.Tevens zijn de leden van mening dat er sancties moeten zijn bijnalatigheid. Gaat de Staatssecretaris zich inzetten voor verplichtemaatregelen voor maritiem vervoer?AntwoordHet kabinet zet zich in voor het meenemen van verplichtingen voor demaritieme sector. Het huidige compromisvoorstel van het voorzitterschapschept verplichtingen die gebaseerd zijn op relevante richtlijnen van deInternationale Maritieme Organisatie (IMO). Hiermee zijn de verplich-tingen voor de maritieme schepen minder vergaand dan voor de overigevervoerders. Er zijn echter ook lidstaten die de maritieme sector in zijngeheel niet willen meenemen. Het kabinet is van mening dat het huidigecompromisvoorstel van de voorzitter een afdoende uitkomst is. Dit neemtniet weg dat internationale wetgeving uiteindelijk de meest effectievemanier is om het maritiem transport van plastic pellet te reguleren, gezienhet internationale karakter van de zeevaart. Daarom pleit Nederland ook inde IMO actief voor het bewerkstelligen van strengere vervoersmaatre-gelen voor plastic pellets, onder andere ten aanzien van het beterverpakken van pellets en het onderdeks vervoer van containers metpellets.15.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ook van mening dat eronvoldoende maatregelen worden genomen om de verantwoordelijkheidvan de producenten vast te leggen. In het huidige voorstel blijft datbeperkt tot preventieve maatregelen tegen lekkages in fabrieken. Gaat deStaatssecretaris zich ervoor inzetten dat er ook in het voorstel wordtopgenomen dat er verplichte trainingen komen voor personeel dat metpellets werkt, zodat zij effectief pelletvervuiling kunnen aanpakken? Engaat de Staatssecretaris zich er tevens voor inzetten dat er lekkageproto-collen komen?AntwoordBinnen de Pelletverordening ziet het kabinet deze ruimte momenteel nietgezien het krachtenveld en het moment waarin de onderhandelingen zichbevinden. Het kabinet is van mening dat het huidige compromisvoorstelvan de voorzitter een afdoende uitkomst is. Maar op andere manierenwordt hier wel aan gewerkt. Binnen het lopende programma PlasticvrijeRivieren2, stimuleert het Rijk plastic producenten om preventievemaatregelen te nemen voor de aanpak van pelletverlies en -lekkage. Ookis er ook een checklist ontwikkeld voor inspecteurs van omgevings-diensten, gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders voor het opsporen vanpellet vervuilingsbronnen en het aandragen van oplossingen. In 2025worden deze activiteiten voortgezet en wordt er verder gewerkt aan eenketenaanpak met producenten en verwerkers. Ook wordt de monitoringvan plastic pellets op rivieroevers en stranden voortgezet.2Programma plasticvrije rivieren: https://www.afvalcirculair.nl/zwerfafval-microplastics/bronaanpak/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 9707 Klimaatdoel 204016.De leden van de PVV-fractie vragen met betrekking tot het Klimaatdoel2040 of de Staatssecretaris zich inzet voor een tussendoel dat haalbaar is.Ook hier ontbreekt weer haalbaarheid, betaalbaarheid en realisme. Hoeziet de Staatssecretaris dit en dan met name als het gaat om de netcon-gestie?AntwoordJa, voor het kabinet is het van belang dat het tussendoel in 2040 haalbaaris. Uit het impact assessment van de Europese Commissie blijkt dat eentussendoel van netto 90% haalbaar is, mits voldaan wordt aan enkelerandvoorwaarden. Hieronder valt onder andere de implementatie van hetFit-for-55 pakket. Het kabinet werkt aan oplossingen om knelpunten in deuitvoering zoals netcongestie op te lossen, en pleit ook in Brussel,conform motie Erkens3, voor een stevig uitvoeringspakket voor hetwegnemen van knelpunten in de transitie, waaronder netcongestie.17.De leden van de PVV-fractie vragen met betrekking tot de indicatie van hetkrachtenveld of Nederland ook behoort tot een grote groep lidstaten diesteun heeft uitgesproken voor een ambitieuze reductiedoelstelling vannetto 90% te.AntwoordJa, waarbij er volgens het kabinet een stevig uitvoeringspakket moetkomen. Het kabinet zet zich in voor een tussendoel dat haalbaar is, in lijnmet de wetenschap en de afspraken in het Parijsakkoord. Daarmeeonderschrijft het kabinet het door de Commissie aanbevolen Europesetussendoel van netto 90%. Het kabinet is niet van plan om een nationaaltussendoel voor 2040 vast te leggen in de nationale Klimaatwet. Hetkabinet pleit in Brussel, conform motie Erkens4, voor een stevig uitvoe-ringspakket voor het wegnemen van knelpunten in de transitie, waarondernetcongestie, langdurige en complexe vergunningsverleningsproceduresen beschikbaarheid van voldoende financiering, betaalbare duurzameenergie en grondstoffen.18.De leden van de PVV-fractie nemen kennis van het feit dat Nederland eengezamenlijke verklaring heeft ondertekend om wind op zee ambities terealiseren. In hoeverre houdt de Staatssecretaris rekening met ruimtevoor de visserij in plaats van onze Noordzee vol te bouwen met windtur-bines zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoord?AntwoordBij de aanwijzing van nieuwe windgebieden kijkt het kabinet, zoalsaangegeven in het Regeerprogramma, eerst naar ruimte voor de visserij.Daartoe wordt onderzoek uitgevoerd om de waarde van de visgronden inbeeld te brengen en wordt met de sector overlegd, zodat deze ook zijnbelangen daarbij kan inbrengen. In het onderzoek wordt ook in beeldgebracht voor welke type visserij en keten en visserijgemeenschappen devisgronden belangrijk zijn en wordt rekening gehouden met stapeling vaneffecten. Daarnaast kijkt het kabinet ook naar mogelijkheden voor visserijin windparken.3Kamerstuk II 2023–24, 31 793, nr. 2574Kamerstuk II 2023–24, 31 793, nr. 257Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 9708 Er spelen ook andere grote belangen op de Noordzee. De Minister vanInfrastructuur en Waterstaat coördineert in het Nederlandse deel van deNoordzee de ruimtelijke ordening en geeft daarbij invulling aan deafspraken uit het Regeerprogramma over bijvoorbeeld windenergie,visserij, mijnbouw, scheepvaart, natuur en zandwinning. Hiermee geeft deMinister tevens invulling aan de aangenomen motie Erkens c.s.5 Hetkabinet zet in op een zorgvuldige balans met andere activiteiten op deNoordzee, waaronder naast visserij ook mijnbouw, scheepvaart endefensie, met oog voor de natuur, kustverdediging, zandwinning enmaritiem erfgoed. Hierbij stemt het kabinet waar relevant af metbuurlanden en wordt rekening gehouden met de Europese natuur- enmilieuwetgeving.De ministeriële verklaring van het Great North Sea Basin Initiative (GNSBI)beoogt door samenwerking tussen de Noordzeelanden de doelen op deNoordzee ten aanzien van visserij, energie, natuur en ruimtelijke ordeningte ondersteunen. Het GNSBI gaat niet specifiek over windenergie op zee,maar is er om de gezamenlijke ruimtelijke en ecologische uitdagingen hethoofd te bieden, vanuit het perspectief van belangrijke gebruikers zoals devisserij en de energiesector. Dit gebeurt in de werkstromen van hetGNSBI, waaronder bijvoorbeeld een werkstroom waarin gezamenlijkgewerkt wordt aan een langetermijnperspectief voor de visserij.19.De leden van de PVV-fractie lezen dat er wat afgereisd wordt in naam vande Milieuraad en/of onder het mom van klimaat en milieu. Zo zijn er onderandere bezoeken afgelegd aan, of staan nog in de planning, naarAzerbeidzjan, Colombia en Zuid-Korea. Toegevoegd aan deze agenda zijngeplande bezoeken aan Saudi-Arabië, Thailand, Namibië en Slovenië. Erzou aandacht aan worden besteed om dit soort bezoeken centraal al danniet digitaal te voeren in de toekomst, ook gezien de ecologischevoetafdruk. Waarom is dit nog niet gedaan?AntwoordHet kabinet is zich bewust van de voetafdruk van reizen. De rijksoverheidwil met eigen handelen een voorbeeldrol innemen in de transitie.Onderdeel van deze voorbeeldrol is dat er meer digitaal wordt overlegd,en dat er, waar mogelijk, met de trein of elektrische auto wordt gereisdnaar overleggen in andere landen. Dit wordt voor de meeste EU-Raden,zoals de Milieuraad, gedaan. Voor reizen waar geen alternatief voorvliegen is wordt de CO2-uitstoot gecompenseerd.20.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen over het Europeseklimaatdoel voor 2040 dat «een grote groep lidstaten steun heeftuitgesproken voor een ambitieus doel, waarbij een aantal lidstatenexpliciet een reductiedoelstelling van netto 90% heeft omarmd». HoortNederland bij deze groep lidstaten? Pleit de Staatssecretaris in Brusselexpliciet voor het vastleggen van een reductiedoelstelling van 90% ofhoger en probeert de Staatssecretaris hier ook andere lidstaten op mee tekrijgen? Waarom wel of niet? Zoals aangegeven in de geannoteerdeagenda is tijdige besluitvorming over het 2040-tussendoel ook van belangvoor de COP30. Gaat de Staatssecretaris er in de Milieuraad opaandringen dat de Europese Klimaatwet ook echt begin 2025 wordtafgerond?5Kamerstuk II 2023–24, 36 550 XIII, nr. 6Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 9709 AntwoordJa. Zie ook de beantwoording van vraag 17. Het kabinet onderschrijft hetdoor de Commissie aanbevolen Europese tussendoel van netto 90%, enzal dit uitdragen op de Milieuraad. De Commissie heeft aangekondigd ombegin 2025 te komen met een wetsvoorstel om dit doel vast te leggen inde Europese Klimaatwet. Het kabinet zal tijdens de aankomendeMilieuraad het belang van tijdige besluitvorming benadrukken.21.De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de Nederlandseinzet ten aanzien van een tussendoel voor 2040. Deze leden zijn benieuwdwelke lidstaten nog positie moeten bepalen en welke lidstaten hebbenaangeven dat ze het tussendoel niet kunnen steunen. Daarnaast vindendeze leden het positief om te lezen dat de Staatssecretaris pleit voor eenstevig uitvoeringspakket. Is hiervoor (voldoende) steun vanuit anderelidstaten? Wanneer verwacht de Staatssecretaris dat er meer duidelijkheidzal zijn over of het uitvoeringspakket er komt? Welke mogelijke obstakelsziet hij specifiek voor het Nederlandse doel, die moeten wordenoverwonnen? Daarnaast zijn deze leden benieuwd wat de impact van hettussendoel voor Nederland zal zijn, is hier al meer over bekend? Wanneerwordt inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen van de 90%-doelstelling voorNederland zijn?AntwoordAangezien er nog geen wetgevend voorstel ligt, is het krachtenveld nogvolop in beweging. Een grote groep lidstaten heeft steun uitgesprokenvoor een ambitieus tussendoel in lijn met de wetenschap en het1,5-graden ambitie uit het Parijsakkoord. Hiertoe behoren de Noord-Europese lidstaten, een grote groep lidstaten uit West-Europa, en enkeleOost- en Zuid-Europese lidstaten. Polen en Hongarije hebben onderandere geuit dat zij een doel voor 2040 op dit moment nog niet kunnensteunen.Er lijkt steun te zijn van andere lidstaten en de Europese Commissie vooreen uitvoeringspakket of soortgelijke maatregelen. Zo pleiten diverselidstaten eveneens voor voorspelbaar en stabiel beleid voor investerings-zekerheid, versnelling van de vergunningverlening, toegang tot finan-ciering, verminderen van regeldruk, het aantrekken van private investe-ringen, en het waarborgen van een rechtvaardige transitie. De EuropeseCommissie spreekt over het belang van een zogenaamd enablingframework om de klimaatdoelstellingen te kunnen realiseren en wijst naarde aankomende Clean Industrial Deal in dit kader.Het kabinet werkt op dit moment aan het Klimaatplan 2025–2035. HetontwerpKlimaatplan 2025–2035 lag tot en met 5 december ter publiekeconsultatie. Bij de uitwerking van het definitieve ontwerpKlimaatplan zaleen impact analyse worden gedaan naar de gevolgen van deEU-tussendoelstelling voor 2040 op Nederland. Het kabinet is niet vanplan om een nationaal tussendoel voor 2040 vast te leggen in de nationaleKlimaatwet. Dit definitieve ontwerpKlimaatplan wordt in het voorjaar van2025 aangeboden aan de Tweede Kamer.22.De leden van de NSC-fractie lezen dat er bij de Milieuraad van gedachtengewisseld zal worden over de vraag of het klimaatdoel voor 2040 op 90%CO2-reductie ten opzichte van 1990 gesteld zou moeten worden. Dezeleden vragen de Staatssecretaris om bij het gezamenlijk vastleggen vandit doel niet alleen de haalbaarheid van de Europese doelen inogenschouw te nemen, maar ook rekening te houden met het feit dat er inNederland nog klimaatbeleid op de plank ligt dat nog uitgevoerd moetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 97010 worden, dat er uitdagingen zijn op het gebied van de betaalbaarheid vande energietransitie (energieprijzen en tarieven warmtenetten) voor lage enmiddeninkomen huishoudens en kleine bedrijven, en dat de energietran-sitie in Nederland wordt afgeremd door de problemen rond netcongestie.AntwoordHet kabinet pleit in Brussel, conform de motie Erkens6, voor een steviguitvoeringspakket voor het wegnemen van knelpunten in de transitie,waaronder netcongestie, langdurige en complexe vergunningsverlenings-procedures en beschikbaarheid van voldoende financiering, betaalbareduurzame energie en grondstoffen.23.De leden van de NSC-fractie lezen dat de Staatssecretaris voornemens isom voor juli 2025 een aanvraag te doen voor het EU Sociaal Klimaatfonds,waaruit uitkeringen gedaan zullen kunnen worden ter bestrijding vanenergiearmoede en vervoersarmoede. Deze leden vragen de Staatssecre-taris of hij de aanvraag voor het EU Sociaal Klimaatfonds specifiek zalonderbouwen met een plan om in Nederland vervoersarmoede in deregio tegen te gaan.AntwoordHet EU Sociaal Klimaatfonds (SCF) is een fonds om tegemoet te komenaan lastenstijgingen voor kwetsbare huishoudens, weggebruikers enmicro-bedrijven die volgen uit het emissiehandelssysteem voor fossielebrandstoffen in de gebouwde omgeving en wegtransport (ETS2).Nederland kan aanspraak maken op € 720 mln., waarbij we zelf € 240mln. moeten bijdragen. Het kabinet bereidt op dit moment een aanvraagvoor en zal in Q1 2025 de Kamer informeren over het Sociaal Klimaatplan,dat in juni 2025 ingediend moet worden bij de Europese Commissie. Erzullen meerdere opties worden overwogen en geconsulteerd om demiddelen aan te besteden, waaronder ook opties om energie- envervoersarmoede te bestrijden. In lijn met de motie van het lid Postma7onderzoekt het kabinet ook specifiek de optie om de lasten voor aange-slotenen op een warmtenet te verzachten en of het SCF ingezet kanworden om ook in de toekomst over een vorm van een energiefonds tebeschikken.24.De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van een Europeesklimaatdoel voor 2040 en steunen de inzet van de Europese Commissieom dit doel op 90% reductie vast te stellen. Zij vragen de Staatssecretarisom toe te zeggen bij de Milieuraad duidelijk te maken dat Nederlandachter de inzet van de Commissie staat en geen steun te bieden aanlidstaten die de inzet van de Commissie ter discussie stellen.AntwoordHet kabinet zal zich bij de Milieuraad uitspreken zoals beschreven in degeannoteerde agenda. Het kabinet zal het door de Commissie aanbevolenEuropese tussendoel van netto 90% onderschrijven, en zal daarbij ookpleiten voor een stevig uitvoeringspakket voor het wegnemen vanknelpunten in de transitie, conform motie Erkens.86Kamerstuk II 2023–24, 31 793, nr. 2577Kamerstuk II 2023–24, 36 600 XXIII, nr. 358Kamerstuk II 2023–24, 31 793, nr. 257Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 97011 Europees treinnetwerk25.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen al langere tijdaandacht voor het fors verbeteren van het Europese treinnetwerk. Dezeleden constateren dat zowel de EU als veel lidstaten – waaronderNederland – vaak mooie intenties uitspreken, maar dat er nog weinigdaden zichtbaar zijn op dit vlak. Deze leden vragen de Staatssecretaris inhet kader van het behalen van het klimaatdoel veel steviger in te zetten ophet fors verbeteren van het Europese treinnetwerk. Welke concrete doelenwil hij in EU-verband afspreken en welk tijdpad ziet de Staatssecretarishierbij? En op welke manier vormt Nederland een kopgroep met andereEU-lidstaten om dit op korte termijn concreet te bevorderen?AntwoordIn de kabinetsreactie van 29 november 2024 op de initiatiefnota «Alleseinen op groen» is het belang van de ontwikkeling van het internationalespoorvervoer geschetst.9 Ook is daarbij aangegeven dat het kabinet in deeerste helft van 2025 zal komen met een voorstel voor grensover-schrijdend spoorvervoer, inclusief de aansluiting van vijf treinstations opstations van de hogesnelheidslijnen net over de grens. Dat bouwt voortop het werkprogramma Internationaal Spoor, waarmee het kabinet sinds2022 al stappen zet om de internationale bereikbaarheid per trein van onsland te verbeteren en waarover u regelmatig per kamerbrief bentgeïnformeerd. Op Europees niveau werkt Nederland samen met anderelidstaten en sectorpartijen via het platform International Rail PassengerTransport, waar Nederland onder andere samen met Oostenrijk eenactieve rol in speelt. Op 18 juni 2024 is het 4e voortgangsverslag van hetIRP gepresenteerd aan de EU transportministers. In dat verslag is eenmonitor opgenomen van de ontwikkeling van de internationale marktvoor grensoverschrijdende treinen en naar verwachting zal in 2025 eenupdate volgen. In de mission letter van de nieuwe Eurocommissaris voorDuurzaam Transport en Toerisme Apostolos Tzitzikostas is opgenomenhet ontwikkelen van een ambitieus Europees plan voor hogesnelheids-vervoer, nachttreinen en voor een versnelling voor het spoorgoederen-vervoer. Binnen dat plan kunnen mogelijk door de Europese Commissieconcrete doelstellingen worden opgenomen voor grensoverschrijdendspoorvervoer.NEC-richtlijn26.De leden van de PVV-fractie vragen met betrekking tot de consultatiere-actie van Nederland op de evaluatie NEC-richtlijn of het verstandig is omde uitstoot van luchtverontreinigde stoffen alleen binnen de EU teverminderen. Zetten wij, gezien de huidige opstelling vanuit diezelfde EUom Europa zelfvoorzienend te maken, ons hiermee niet op achterstand tenopzichte van landen buiten Europa?AntwoordEr wordt door Nederland zowel binnen als buiten Europa gewerkt omluchtvervuilende stoffen te reduceren. Dit is belangrijk, omdat luchtver-vuiling zich niet aan landsgrenzen houdt. Nederland is samen met alleandere landen van de EU partij bij het Gothenburg Protocol. Het doel vanhet Gothenburg Protocol is om emissies van luchtverontreinigendestoffen die door menselijk toedoen in de lucht terecht komen en eennegatief effect hebben op de menselijke gezondheid en het milieu, tebeheersen en te verminderen. Onder het Gothenburg Protocol werken9Kamerstuk II 2023–24, 36 563, nr. 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 97012 veel landen van het Noordelijk halfrond samen om emissies van vervui-lende stoffen naar de lucht te reduceren. De NEC-richtlijn is de Europeseuitwerking daarvan, zoals toegelicht in de consultatiereactie. Het kabinetzet zich samen met een groot aantal andere landen daarom juist in bij hetstreven naar een gelijk speelveld met landen buiten Europa.PFAS27.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben onlangs met blijdschapkennisgenomen van het feit dat de Staatssecretaris eindelijk heeftbesloten om in Nederland alle PFAS te gaan classificeren als zeerzorgwekkende stof (ZZS) en dat daarmee voor al deze stoffen eenminimalisatieplicht gaat gelden. De directe aanleiding voor dit besluit washet feit dat PFAS recent als prioritaire stof is opgenomen in het OSPAR-verdrag en het verdrag als rechtsbasis dient. Ook andere EU-landen en deEU zelf zijn lid van dit verdrag. Kan de Staatssecretaris aangeven of ookandere lidstaten deze stap aan het zetten zijn? En zo niet, kan de staatse-cretaris er in gesprekken met EU-landen en in EU-verband op aandringendat ook andere landen tot dergelijke actie over gaan? En als laatste, kan destaatsecretaris toelichten welke rol de EU hier zelf, als lid van het verdrag,kan spelen?AntwoordHet OSPAR-verdrag is een internationale samenwerking tussen 15 landenom het mariene milieu in het noordoostelijke deel van de AtlantischeOceaan te beschermen. De «List of Chemicals for Priority Action» (LCPA)van het OSPAR verdrag bevat stoffen die worden beschouwd als eenbedreiging voor het mariene milieu. Alle EU-lidstaten aangesloten bijOSPAR, zoals Nederland, hebben een verplichting om emissies tebeperken als een stof op de LCPA staat. Het is aan de verdragspartijen hoede verplichting om emissies te beperken verankerd wordt in nationalewetgeving. Nederland doet dit via de aanwijzing als Zeer ZorgwekkendeStof (ZZS) met bijbehorende minimalisatieplicht. Tijdens de volgendeOSPAR stoffen werkgroep vergadering in 2025, zal Nederland de anderelidstaten en de EU bevragen hoe de verplichting daar wordt geïmplemen-teerd.Kaderrichtlijn Water28.De leden van de NSC-fractie zijn benieuwd naar de lopende trilogenrondom de herziening van de Kaderrichtlijn Water. Wat is de huidige standvan zaken en welke uitkomst verwacht de Minister? Voorts vragen dezeleden of de Staatssecretaris een schriftelijke appreciatie kan geven náafronding van deze en andere lopende triologen (de herziening Kader-richtlijn water, herziening Kaderrichtlijn afval, richtlijn bodemmonitoringen de Green Claims richtlijn)?AntwoordSinds oktober 2022 ligt een wetsvoorstel van de Europese Commissievoor tot wijziging van de Richtlijn Prioritaire Stoffen, de Grondwater-richtlijn en de Kaderrichtlijn Water (KRW). Op 22 februari 2024 is deTweede Kamer geïnformeerd over twee non-papers die Nederland, metsteun van diverse lidstaten, heeft ingediend ten behoeve van de behan-deling van dit wetsvoorstel.1010Kamerstuk II 2023–24, 27 625, nr. 664Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 97013 De essentie van de door Nederland opgestelde non-papers is onderdeelgeworden van het gemeenschappelijk standpunt van de lidstaten in deonderhandelingen over het wetsvoorstel van de Europese Commissie.Uitgangspunt hiervan is dat de Europese Commissie nadere wetgevingmoet maken met betrekking tot een alternatieve rapportagemethode naasthet one out, all out-principe, om zo de verbetering van de waterkwaliteitbeter inzichtelijk te maken. Verder zijn uitzonderingen op het achteruit-gangsverbod van de KRW in het gemeenschappelijk standpuntopgenomen. Deze beogen tijdelijke effecten uit te sluiten en onderscheidte maken tussen de nieuwe lozingen van stoffen en het verplaatsen vaneen stof die reeds in het watersysteem aanwezig is.Dit gemeenschappelijk standpunt is tot stand gekomen onder het Belgischvoorzitterschap en de Tweede Kamer is daarover begin juli jl. geïnfor-meerd.11 Dit onderhandelingsmandaat van de Raad voor de trilogen methet Europees parlement en de Commissie is onder het huidig Hongaarsvoorzitterschap niet behandeld. De triloog-onderhandelingen starten in deeerste helft van 2025 onder het Pools voorzitterschap. Hoewel er bredesteun is voor de Nederlandse voorstellen bij andere lidstaten, staat deuitkomst van deze onderhandelingen niet vast.Na afloop van deze en andere lopende trilogen, waaronder de herzieningKaderrichtlijn Afval, richtlijn Bodemmonitoring en de Green Claimsrichtlijn, zal uw kamer te zijner tijd worden geïnformeerd.Terugkoppeling recente internationale bijeenkomsten29.De leden van de VVD-fractie vragen of er ook een terugkoppeling komtvan de internationale conferentie over plastics, de IntergouvernementeelOnderhandelingscomité van de VN (INC-5), onlangs gehouden in Busan,Zuid-Korea.AntwoordEen terugkoppeling over de op de agenda genoemde internationalebijeenkomsten zal via het verslag van de Milieuraad na het kerstreces naarde Kamer worden gestuurd.30.De leden van de NSC-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de uitkomstenvan de onderhandelingen bij de biod-top over plasticvervuiling in Busanbeoordeelt. Specifiek vragen deze leden ook naar wat dit betekent voor deEuropese concurrentiepositie, de Nederlandse recyclebedrijven in hetbijzonder en voor de circulaire economie.AntwoordHoewel de onderhandelingen (nog) niet tot een bindend verdrag hebbengeleid, is er enige vooruitgang geboekt ten opzichte van INC-4. Bijna 100landen hebben tijdens INC-5 steun uitgesproken voor bindende maatre-gelen voor problematische producten en zorgwekkende chemicaliën, enmeer dan 120 landen steunen doelstellingen voor productiereductie. Nogbredere steun is er voor afspraken over circulair design van producten.Naar verwachting zal het verdrag bijdragen aan een gelijk speelveld voorbedrijven in de plastic sector als er wereldwijd maatregelen wordengenomen om plasticvervuiling tegen te gaan. Door afspraken te makenover het design van plastic producten zullen bedrijven wereldwijd aandezelfde standaarden moeten voldoen. Dat zal bijdragen aan het11Kamerstuk II 2023–24, 27 625, nr. 672Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 97014 concurrentievermogen van Europese plastic producenten en recyclingbe-drijven. Nederland zal zich hier, samen met de EU lidstaten, voor blijveninzetten. De onderhandelingen zullen naar verwachting in juni of juli 2025worden voortgezet.31.Tenslotte vragen de leden van de NSC-fractie de Staatssecretaris om deterugkoppeling door het voorzitterschap over de op de agenda genoemdeinternationale bijeenkomsten op korte termijn na de Milieuraad in eenkabinetsbrief aan de Kamer te doen toekomen.AntwoordEen terugkoppeling over de op de agenda genoemde internationalebijeenkomsten zal via het verslag van de Milieuraad na het kerstreces naarde Kamer worden gestuurd.32.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen allereerst of deStaatssecretaris de biodiversiteitscrisis wel erkent, aangezien hij de tophelemaal niet serieus heeft genomen. Er is niet voldaan aan de deadlinevoor de National Biodiversity Strategies and Action Plans (NBSAP) en erzijn geen bewindspersonen naar de top gegaan. Deze leden vragen ookhoe de Staatssecretaris ervoor gaat zorgen dat de inzet van Nederlandvolgende keer wel wordt afgestemd met de Kamer in plaats van alleen teworden toegestuurd. Daarnaast vragen deze leden zich af hoe Nederlandzich in de EU gaat inzetten om voor de COP17 wel geld voor het biodiver-siteitsfonds vrij te maken.AntwoordDe Kamerbrief over de Nederlandse inzet voor de 16de Conferentie vanPartijen van het VN-Biodiversiteitsverdrag (CBD COP16) van 9 oktober202412 en de brief met terugkoppeling van deze bijeenkomst van29 november jl.13 maken duidelijk hoezeer dit kabinet het Biodiversiteits-verdrag en het gehele biodiversiteitsdossier serieus neemt. Er was eengrote (hoog-)ambtelijke delegatie aanwezig tijdens CBD COP 16 die zichactief heeft ingezet bij zowel de onderhandelingen als bij de vele overigeevenementen tijdens en rond deze bijeenkomst.De Kamer is conform gebruik per kamerbrief voorafgaand aan dezeinternationale bijeenkomst geïnformeerd over de inzet van de Neder-landse delegatie. Verder is uw Kamer via de geannoteerde agenda van deMilieuraad geïnformeerd over de onderhandelingsinzet van de EU14,binnen welk kader Nederland opereert. De onderhandelingsinzet van deEU is vastgelegd in Raadsconclusies. Desgewenst is het kabinet graagbereid om voorafgaand aan COP17 bijvoorbeeld een technische briefingmogelijk te maken.Zoals aangegeven in de hiervoor genoemde inzetbrief ziet Nederland, metde EU en andere donoren, geen noodzaak of meerwaarde in de oprichtingvan een nieuw multilateraal fonds buiten huidige financieringsstructurenzoals de Global Environment Facility en het daaronder opgezette GlobalBiodiversity Framework (GBF) fonds dat reeds tot 2030 de implementatievan het GBF ondersteunt. De discussie hierover wordt vervolgd tijdens devoortzetting van de COP (COP16.2), die nu gepland staat voor24–27 februari 2025 in Rome.12Kamerstuk II 2024–25, 26 407, nr. 15213Kamerstuk II 2024–25, 26 407, nr. 15314Kamerstuk II 2024–25, 21 501-08, nr. 961Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 97015 33.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat MinisterHermans tijdens de COP29 een opdracht had om een speerpunt te makenvan de ontwikkeling van een tijdgebonden afbouwpad van fossielesubsidies en hier ook in EU-verband invulling aan te geven. Er zijn maardrie landen bij deze zogenaamde Coalition on Fossil Fuel Incentives andSubsidies (COFFIS) gekomen, en verder is er vrijwel niets bereikt. Dezecoalitie gaf geen overzicht van de voordelen die zijn afgeschaft en omhoeveel geld het daarbij gaat, geen enkele transparantie en geen echtestappen. Deze leden vragen hoe het kan het dat er zo weinig noodzakelijkevooruitgang is geboekt. Welke lessen trekt de Staatssecretaris uit ditfalen?AntwoordNederland heeft in het afgelopen jaar de internationale coalitie (COFFIS)steviger kunnen neerzetten door (1) een zelfstandig secretariaat aan tenemen, (2) transparantie te vergroten door nationale inventarissen tepubliceren, en (3) vier nieuwe leden te verwelkomen. Zwitserland heeftzich eerder dit jaar aangesloten, en tijdens COP29 sloten het VerenigdKoninkrijk, Nieuw-Zeeland en Colombia zich aan. Het bij elkaar optellenvan de fossiele subsidies die zijn afgeschaft heeft in deze context weinigtoegevoegde waarde, want op dit moment meten alle landen op eenandere manier. Binnen de coalitie wil Nederland toewerken naar eencoherente methodologie om te meten, maar dit kost uiteraard tijd.Voor komend jaar voorziet Nederland een aantal concrete stappen. Delanden die zijn toegetreden tijdens COP28, zullen in 2025 gaan focussenop het ontwikkelen van nationale uitfaseringsplannen en hier voor COP30een eerste aanzet voor afronden. De leden die afgelopen jaar zijnaangesloten zullen komend jaar focussen op hun nationale inventarissen.Daarnaast zal voor alle leden het toewerken naar coherentie in meetme-thoden een thema zijn komend jaar.Tenslotte blijven gesprekken met andere geïnteresseerde landendoorlopen en zal Nederland het belang van het zetten van concretestappen op uitfasering internationaal blijven uitdragen. In het Europesebesluit over het 8e Milieu Actie programma15 hebben lidstaten ingestemdom fossiele brandstoffen uit te faseren, onder meer door een bindendUniekader voor monitoring en rapportage en vaststelling van eendeadline voor de afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen. Inde Raadsconclusies over de evaluatie van het 8e Milieu actieprogrammawerd hier opnieuw naar verwezen, waarbij Nederland het als prioriteit hadgesteld om deze verwijzing op te nemen in de tekst. In de praktijk hebbende EU en lidstaten nog geen gezamenlijke deadline afgesproken. Hetkabinet zal zich in EU-verband blijven inzetten om opvolging te geven aande afspraak om fossiele voordelen snel af te bouwen.15Artikel 3, punt h), i), van Besluit (EU) 2022/591 van het Europees parlement en de Raad van6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor deperiode tot en met 2030.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-08, nr. 97016

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a4437082850d2a20

14 okt 2026 · 54afa7c51f197169

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.