Versterking Eerstelijnszorg
Brontekst
Versie 015bfcb5c0bfe22e · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202533 578EerstelijnszorgNr. 122 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGE-ZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 25 oktober 2024Gelijkwaardiger toegang tot zorg begint in de eerste lijn. In je eigen dorpof wijk snel terecht kunnen bij de huisartsenpraktijk, fysiotherapie ofwijkverpleging moet altijd mogelijk zijn. Maar dat is niet vanzelfsprekend.De samenleving verandert, de zorgvraag groeit en wordt complexer.Mensen weten de weg soms niet meer te vinden in de grote hoeveelheidaanbieders van zorg en ondersteuning. Daarbij dreigt ook in de eerste-lijnszorg een onbeheersbaar arbeidsmarkttekort. Patiënten ervaren daarnu al de gevolgen van, bijvoorbeeld bij het vinden van een vaste huisarts,logopedist of wijkverpleging. Een sterke eerstelijnszorg is juist in dezetijden een noodzaak. Zorg en ondersteuning is en blijft mensenwerk: dehuisarts, doktersassistent, wijkverpleegkundige, fysiotherapeut,apotheker, en alle andere zorg- en hulpverleners in de eerste lijn vormenhet fundament van ons zorgstelsel.Daarom zetten wij, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(VWS) en de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg (LMZ)in op het versterken van de eerstelijnszorg, onder meer door betereonderlinge samenwerking. Door betere samenwerking kan de eerste-lijnszorg mensen beter helpen met de juiste zorg of ondersteuning. Iedermens is anders en wij willen dat de eerstelijnszorg voor iedereen vindbaaren begrijpelijk is. En dat mensen die dat niet zelf kunnen, geholpenworden bij het vinden van de weg. Die beweging is met het integraalzorgakkoord (IZA) en de visie eerstelijnszorg 2030 al in gang gezet.Daarom zetten we deze beweging door, werken we aan verdere concreti-sering van de gemaakte afspraken zodat patiënten en zorgverleners echtverschil gaan merken én maken we extra afspraken waar dat nodig is.In aanloop naar het commissiedebat eerstelijnszorg met uw Kamer, sturenwij u deze brief waarin we de hoofdlijnen van ons beleid voor deeerstelijnszorg zoals benoemd in het hoofdlijnenakkoord, het regeerpro-gramma en de beleidsagenda 2025 nader toelichten. Parallel zenden we u kst-33578-122ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1221 een verzamelbrief eerstelijnszorg met daarin de stand van zaken opopenstaande toezeggingen en moties binnen enkele eerstelijnssectoren.Voor wat betreft de budgettaire consequenties van het beleid dat in dezebrief wordt geschreven geldt het volgende: de uitwerking van beleidwaarmee wij uitvoering geven aan het regeerprogramma zal passenbinnen de afspraken zoals gemaakt in het hoofdlijnenakkoord en debudgettaire bijlage daarvan. Voor de eerstelijnszorg zal nieuw beleidpassen binnen de financiële kaders zoals we die met het veld afspreken inhet zorg- en welzijnsakkoord. Uitvoering van bestaande afspraken voor deeerstelijnszorg wordt gedaan binnen de financiële kaders die in het IZAzijn afgesproken.LeeswijzerIn het eerste deel van deze brief beschrijven wij onze inzet om desamenwerking in de eerstelijnszorg te verbeteren, in lijn met het regeer-programma. In het tweede deel van deze brief beschrijft de Minister vanVWS haar inzet om uitvoering te geven aan afspraken in het regeerpro-gramma over de huisartsenzorg. In het derde deel van deze brief doet deStaatssecretaris LMZ dit voor de wijkverpleging.I. Verbeteren van de samenwerking in de eerstelijnszorg De eerstelijnszorg is er voor iedereen die zorg nodig heeft. Dat is hetgezamenlijke uitgangspunt van partijen uit de eerstelijnszorg die begin ditjaar samen de visie eerstelijnszorg 2030 hebben vastgesteld. Maar ook inde eerste lijn dreigt een onbeheersbaar arbeidsmarkttekort. Samenmoeten we daarom zorgen dat de beperkte capaciteit aan zorg zo goedmogelijk wordt ingezet. Juist ook voor de mensen die de route naar hunzorg- of hulpverlener soms lastig kunnen vinden. Zodat inwoners enpatiënten de zorg en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben en dezevan goede kwaliteit is. Daarvoor is goede samenwerking binnen deeerstelijnszorg noodzakelijk, zowel in de wijk als op regionaal niveau. Indit onderdeel van de brief gaan wij in op de wijze waarop we uitvoeringgeven aan de afspraak in het regeerakkoord om de samenwerking in deeerstelijnszorg te verbeteren.Om duidelijker te maken wat mensen mogen verwachten van deeerstelijnszorg hebben betrokken partijen uit de eerste lijn een zorgbelofteopgesteld die wij ook graag met uw Kamer delen (bijlage). De zorgbelofteheeft als doel om steeds de focus te houden op diegenen voor wie we hetdoen: de inwoner en patiënt. Daarmee geeft deze zorgbelofte richting aande benodigde veranderingen waar de eerstelijnszorg zich voor gaatinzetten. Wij ondersteunen de betrokken partijen bij het realiseren vandeze zorgbelofte. Want een visie is mooi, maar pas als mensen in depraktijk toegang hebben en houden tot goede zorg hebben wij onsgezamenlijke werk goed gedaan.Versterking van samenwerking op wijkniveauGelijkwaardiger toegang tot zorg vraagt om nauwe samenwerking tussenverschillende zorgverleners en welzijnsmedewerkers binnen een wijk. Zokunnen zij beter inspelen op behoeftes van inwoners uit de wijk. Metpartijen uit de eerstelijnszorg hebben we afgesproken dat in elke wijkwordt samengewerkt in een hecht wijkverband. In de kern zijn dit dehuisartsen, wijkverpleegkundigen, apothekers en professionals uit hetsociaal domein. Het wijkverband zorgt ervoor dat iedereen met een zorg-of hulpvraag snel op de juiste plek komt en werkt samen met andere zorg-en hulpverleners in de wijk. Wij zien voor het hechte wijkverband mogelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1222 ook een rol bij onze ambitie uit het regeerprogramma om arbitrage tussenzorgwetten in te voeren. Bij deze arbitrage is de minste inzet vanmedewerkers het uitgangspunt. De invoering van arbitrage wordtmomenteel nog verder uitgewerkt. Met partijen in de eerstelijnszorgstellen we een handreiking voor hechte wijkverbanden op die gebaseerdis op bestaande goede voorbeelden en waar zorgverleners direct mee aande slag kunnen. Voor het einde van het jaar sturen wij u deze toe.Herkenbare en aanspreekbare wijkverplegingOnderdeel van de gemaakte afspraken over de eerstelijnszorg vormt de(door)ontwikkeling van herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging. Dewijkverpleging komt bij mensen thuis en kan daardoor goed inschattenwat er speelt in een wijk of dorp. Zorgverleners die werkzaam zijn in dewijkverpleging spelen vaak een regierol bij de zorg voor kwetsbaremensen, bijvoorbeeld als casemanager dementie. Daarom moet dewijkverpleging ook vast onderdeel worden van de «hechte wijkver-banden» die overal moeten ontstaan. In maart 2024 is het eindrapport vanRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over herkenbare enaanspreekbare teams in de wijkverpleging opgeleverd aan VWS1. Naaraanleiding daarvan heeft de toenmalig Minister van VWS aangegeven hoede aanbevelingen opgepakt zouden worden, waaronder die voor eenverduidelijking van rollen en verantwoordelijkheden van betrokkenpartijen.Veldpartijen uit de wijkverpleging – ActiZ, Zorgthuisnl en Zorgverzeke-raars Nederland – hebben deze aanbeveling inmiddels voortvarendopgepakt. Zij werken aan inhoudelijke uitgangspunten hóe en met welkevoorwaarden herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging in de regio enin de wijk kan worden bereikt. Onderdeel hiervan is dat in elke wijk ofbuurt een vast aanspreekpunt namens de wijkverpleging is voordeelname aan het wijkverband en coördinatie van complexe zorgvragen.De Staatssecretaris LMZ maakt in het kader van de visie eerstelijnszorgafspraken over herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging: zowel datdeze overal tot stand komt als over de manier waarop partijen dat gaanrealiseren.Versterking van de samenwerking op regionaal niveauPartijen in een regio gaan met elkaar samenwerken om de zorg toegan-kelijk te houden. Mede vanuit het Integraal Zorgakkoord worden opregionaal niveau veel afspraken gemaakt over zorg en welzijn. Deeerstelijnszorg is in veel gevallen nog niet goed regionaal georganiseerd.Dat zorgt ervoor dat de capaciteit niet optimaal wordt benut, innovatieniet goed van de grond komt en er geen duidelijke aanspreekpunten zijnvoor het maken van inhoudelijke afspraken met bijvoorbeeld ziekenhuizenof gemeenten. Inwoners kunnen daardoor niet snel en gemakkelijk bij dejuiste zorg- en hulpverlener terecht. Daarom werken partijen uit de eerstelijn aan het versterken van de regionale samenwerking door de vormingvan Regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV), die eerste-lijnszorgverleners ondersteunen en ontzorgen. We hebben met partijenafgesproken dat deze RESV’s:CVerschillende eerstelijnszorgaanbieders vertegenwoordigen bij hetmaken van multidisciplinaire afspraken over de organisatie van ensamenwerking in de zorg binnen de regio. Zij vertegenwoordigentenminste de huisartsenzorg, wijkverpleging en apothekers, en1Rapport RIVM Eindrapport Herkenbare en Aanspreekbare wijkverpleging Ontwikkelingen enlessen 2021–2023 (overheid.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1223 aanvullend ook de andere beroepsgroepen in de eerstelijnszorg zoalsde paramedische organisaties en aanbieders uit het sociaal domein;CDraagvlak hebben in de regio en actief inwoners/patiënten betrekken;CSlagvaardig zijn en de administratieve lasten verlagen voor aangeslo-ten zorgaanbieders (zij ondersteunen de zorgaanbieders in de wijk ennemen hen daardoor taken uit handen);CMultidisciplinaire zorginhoudelijke afspraken2 maken met zorgverzeke-raars over specifieke patiëntengroepen, zoals bijvoorbeeld kwetsbareouderen. Welke zorginhoudelijke afspraken dit zijn bepalen regio’s zelfop basis van het regionale beeld (regiobeelden/plannen). We sprekendaarbij af dat de markt leidende zorgverzekeraar met de RESVafspraken maakt. De overige verzekeraars volgen deze afspraken in decontractering;CGoed inspelen op toegankelijkheid en capaciteit van de eerstelijnszorg.RESV’s geven inzicht in de beschikbare capaciteit van de eerstelijns-zorg en analyseren de huidige en toekomstige vraagstukken in deregio. Ze stellen plannen op om deze vraagstukken samen metzorgverzekeraars op te lossen.De komende twee jaar wordt in elke regio een RESV opgezet. Waarmogelijk bouwen partijen daarbij voort op bestaande regionale samen-werkingsverbanden.Tijdelijke en structurele financiële middelen voor samenwerking in wijk enregioDe versterking van de samenwerking op wijk- en regionaal niveau wordtin eerste instantie financieel mede mogelijk gemaakt door een subsidie-programma van ZonMw. Dit programma is beschikbaar voor regio’s omhun regionale eerstelijnssamenwerkingsverband, en voor iedere wijk eenhecht wijkverband, op te zetten, uit te breiden en/of te versterken. In 2023hebben 43 regio’s een voorbereidingssubsidie ontvangen. Deze wasbestemd voor het uitwerken van plannen voor de versterking van deregionale eerstelijnszorg, vooruitlopend op een uitvoeringssubsidie.Inmiddels hebben 16 regio’s ook de aanvraag voor een uitvoeringssub-sidies ingediend. De eerste regio’s zullen in november 2024 een subsidietoegekend krijgen.De beschikbare subsidie is een tijdelijke financiering. Daarom werken wede komende tijd samen met de NZa en het Zorginstituut, aan eenpermanente bekostiging. Allereerst moet per 2027 de bekostiging via deZorgverzekeringswet kunnen lopen en daarvoor richten we betaaltitels indie per 2027 gecontracteerd kunnen worden. Tussen 2027 en 2030 zal debekostiging nog verder door ontwikkelen en de structurele bekostiging zaluiterlijk per 2030 gereed zijn.Op 1 januari 2027 gaan de contracten tussen RESV’s en zorgverzekeraarin. Om te zorgen dat dit in elke regio goed kan gebeuren, makenaanbieders en verzekeraars een landelijke handreiking voor het eenduidigcontracteren van bovengenoemde taken van RESV’s. Het beleid van dezorgverzekeraars voor de inkoop moet begin 2026 zijn ingericht. Als hetnodig blijkt voor een gelijkwaardiger toegang tot eerstelijnszorg zullen wij,in lijn met de visie eerstelijnszorg, aanscherpingen in wet- en regelgevingvoorbereiden. Maar vooralsnog vertrouwen wij erop dat uitwerking vande gemaakte afspraken binnen bestaande kaders goed mogelijk is.2Deze regionale inhoudelijke afspraken vinden plaats binnen bestaande landelijke kaders enrichtlijnen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1224 Digitaal antwoord op zorg- of hulpvraagSamen met betrokken partijen gaan we patiënten helpen om hunzorgverlener beter te kunnen vinden, zodat zij niet onnodig vaak aan hetverkeerde loket staan. In dat kader zetten wij in op de doorontwikkelingvan Thuisarts.nl. Wij vinden het van groot belang dat burgers toeganghebben tot de betrouwbare gezondheidsinformatie die niet afwijkt van deinformatie die zij van hun eigen arts krijgen. Hiermee kunnen mensen eenverantwoorde en afgewogen keuze maken om al dan niet naar bijvoor-beeld de huisarts te gaan. Dit helpt ook bij het verlagen van de druk op deeerstelijnszorg. Als eerste stap is een extern marktonderzoek uitgevoerddoor KPMG naar digitale (zelf)zorghulpmiddelen waarvan de resultaten injanuari 20243 naar uw Kamer zijn verzonden. In de analyse van KPMG isThuisarts.nl positief beoordeeld als digitaal (zelf)zorghulpmiddel vooronafhankelijke en betrouwbare gezondheidsinformatie.In de afgelopen periode hebben wij samen met relevante partijenverschillende routes verkend voor verdere doorontwikkeling vanThuisarts.nl en de mogelijke financiering daarvan. Daarbij is nadrukkelijkaandacht voor het op termijn verbreden van Thuisarts.nl naar de geheleeerstelijnszorg en, waar noodzakelijk en mogelijk, het sociaal domein.Voor de korte termijn heeft de Minister inmiddels afspraken gemaakt overfinanciering van Thuisarts.nl (periode 2024–2026), in samenspraak metrelevante veldpartijen zoals Thuisarts.nl, Zorgverzekeraars Nederland (ZN)en ZonMw. Het betreft co-financiering door VWS, ZN, het NederlandseHuisartsen Genootschap en de Federatie Medische specialisten. Dedoorontwikkeling van Thuisarts.nl vindt plaats in samenwerking metPatiënten Federatie Nederland. De Minister van VWS onderzoekt ook opwelke manier Thuisarts.nl na 2026 structureel gefinancierd kan worden. Zijzal hierover afspraken met betrokken partijen maken in het zorg- enwelzijnsakkoord.Tot slot zetten wij breder in op digitalisering in de (eerstelijns)zorg. Zohebben partijen in IZA de ambitie afgesproken om voor geschiktezorgpaden en -processen in te zetten op 70% digitale en hybride zorg met50% adoptie (op basis van samen beslissen)4.Beter benutten capaciteit van zorgverleners in de eerstelijnszorgDe beschikbare capaciteit en expertise van zorgverleners in de eerste-lijnszorg moet beter benut worden. Hiervoor maken we afspraken met deeerstelijnspartijen, waarvan we er drie expliciet in deze brief benoemen.Ten eerste hebben wij met partijen afgesproken om een centraal overzichten inzicht te creëren in de vakgebieden, taken en verantwoordelijkhedenvan eerstelijnszorgverleners. Zo maken we voor burgers en zorgverlenersinzichtelijk welke zorg- of hulpverlener een rol kan spelen bij welk typehulpvraag. Soms kan bijvoorbeeld een fysiotherapeut of specialistouderengeneeskunde een zorg- of hulpvraag beantwoorden die nu bij dehuisarts terecht komt. Ten tweede maken we afspraken welke zorg- ofhulpverlener in welke situatie de regie kan voeren. Dit kan afhankelijk vande situatie natuurlijk ook per patiënt of wijk verschillen, maar moet vooralle betrokkenen wel duidelijk zijn. Tot slot maken we het met beroepsver-3Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nr. 354De afspraak in IZA luidt: Sectoren onderzoeken welke zorgpaden geschikt zijn voor digitaleen/of hybride zorg. Van deze geschikte zorg komt 70% digitaal of hybride beschikbaar.Van alle zorg die hybride wordt aangeboden, streven we naar een inclusie van c.q. het gebruikdoor minimaal 50% van de patiëntenpopulatie waarvoor de hybride zorgpaden geschikt zijn.Hiertoe worden sectorale afspraken gemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1225 enigingen uit de eerstelijnszorg mogelijk om het multidisciplinair overleg(MDO) in te zetten bij patiënten waarvoor dit passend is. Op dit momentervaren eerstelijnszorgverleners nog drempels om het MDO in te zetten.Dat kan integrale samenwerking rondom een patiënt in de weg zitten. Deberoepsverenigingen werken een voorstel uit om deze drempels weg tenemen. Deze acties dragen eraan bij dat patiënten snel op de juiste plekkomen en dat we de beschikbare kennis en kunde in de eerstelijnszorgbeter benutten.II. Toegankelijke huisartsenzorg door verlagen drempels praktijk-houderschap Gelijkwaardiger toegang tot zorg begint bij toegang tot huisartsenzorg. Ditkabinet zet zich ervoor in dat iedereen die dat wil zich kan inschrijven bijeen (vaste) huisarts. Op die manier kan de huisartsenzorg ook goed haarcentrale rol spelen bij het vormgeven van de eerstelijnszorg in de wijk ende regio. Met de juiste inzet is het mogelijk dat iedereen zich bij eenhuisartsenpraktijk kan inschrijven, want er zijn meer huisartsen dan ooit,ook per hoofd van de bevolking. Dit vraagt wel goede samenwerking enactieve inzet op het aantrekkelijk maken van het werken als praktijkhouder.Want op dit moment werken te veel huisartsen als (wisselend) waar-nemer. Dat legt veel druk op praktijkhouders en huisartsen die op eenandere manier verantwoordelijk zijn voor een vaste groep patiënten. Inhet regeerprogramma heeft het kabinet daarom afgesproken om dedrempels voor startende praktijkhouders te verlagen.Aantrekkelijker maken van het praktijkhouderschap door Meer Tijd Voorde Patiënt, ANW-zorg en POH-ggzOm het werk voor praktijkhoudend huisartsen aantrekkelijker te maken,zijn al een aantal belangrijke stappen gezet. Iedere huisartsenpraktijk heeftinmiddels toegang tot meer tijd voor de patiënt (MTVP). Zo is dit ookafgesproken met partijen uit de huisartsenzorg in het IZA. Landelijkeinvoering van MTVP is van belang, omdat voldoende tijd in de spreek-kamer leidt tot betere kwaliteit van zorg, minder doorverwijzingen enmeer werkplezier. Om dit mogelijk te maken is er structureel ruimte in hetbudgettair kader huisartsenzorg. Tot en met 2024 gebruiken partijen voorMTVP nog een tijdelijke bekostigingsvorm. De NZa voert op verzoek vande Minister van VWS de structurele bekostiging van MTVP in per 1 januari2025 als aparte prestatie in segment 1 van de huisartsenbekostiging. Daaris de Kamer eerder dit jaar over geïnformeerd.5 De NZa berekende datstructurele bekostiging van MTVP voor een gemiddelde huisartsenpraktijkneerkomt op zo’n 47 duizend euro extra omzet op jaarbasis. Landelijk gaathet om (maximaal) € 220 mln. per jaar. Landelijke partijen hebbenafgesproken hoe deze extra middelen ook daadwerkelijk tot meer tijd in despreekkamer leiden. Zij monitoren de effecten hiervan gezamenlijk.Ook is er voor de avond-, nacht-, en weekenduren (ANW-uren) flinkevooruitgang geboekt voor huisartsen, door de verantwoordelijkheid voorhet invullen van diensten beter te verdelen over praktijkhouders enniet-praktijkhouders. Om dit te ondersteunen zijn de tarieven voor deANW-uren op verzoek van de voormalig Minister van VWS per 2023gedifferentieerd en sterk verhoogd door de NZa (variërend van 15% tot50% verhoging, afhankelijk van het moment van de dienst). Voor hetbieden van zorg aan patiënten met psychosociale klachten is daarnaast demaximale inzet van een POH-ggz in de huisartsenpraktijk verhoogd van 12naar 16 uur per week.5Kamerstukken II 2023/24, 33 578, nr. 117Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1226 De in het IZA afgesproken groei van het budgettair kader huisartsenzorgbiedt ruimte voor de uitvoering van bovengenoemde afspraken.Onderzoek naar aantal mensen zonder huisartsTot nu toe was het onduidelijk hoeveel mensen er ongewenst niet bij eenhuisartsenpraktijk staan ingeschreven en hoe groot de groep is die welstaat ingeschreven, maar op zoek is naar een andere praktijk.6 In opdrachtvan VWS, en in samenwerking met de Patiëntenfederatie Nederland, heefthet NIVEL onderzoek gedaan naar deze twee groepen. Het rapport dat bijdit onderzoek hoort, ontvangt u als bijlage bij deze brief. Hiermee voldoetde Minister van VWS aan de toezegging van haar voorganger omonderzoek te doen naar het totaal aantal mensen dat op zoek is naar een(nieuwe) huisarts maar zich niet kan inschrijven.7Op basis van dit onderzoek schat NIVEL dat ongeveer 37.000 volwassenmensen in Nederland ongewenst niet staan ingeschreven bij eenhuisartsenpraktijk. Omdat sommige groepen ondervertegenwoordigd zijnin de steekproef is het daadwerkelijk aantal naar verwachting nog ietshoger. De komende periode legt VWS verschillende bronnen naast elkaarom tot een nog betere inschatting te komen. Het is onwenselijk dat dezegroep niet staat ingeschreven en het is belangrijk dat er nu een beeld isvan de grootte van deze groep. De verwachting is ook dat we dit probleemmet gezamenlijke inspanningen kunnen oplossen.De situatie bij Co-Med was zeer onwenselijk en de Minister neemtmaatregelen om dit in de toekomst te voorkomen. Zie daarvoor ook degelijktijdig verzonden «verzamelbrief eerstelijnszorg». We moeten enkunnen ook leren van de opvolging van het faillissement van Co-Med. Deafgelopen maanden hebben huisartsen, regionale huisartsenorganisaties,zorgverzekeraars en andere betrokkenen zich samen ingezet om degedupeerde patiënten van Co-Med zo veel mogelijk onder te brengen bij(bestaande of nieuwe) huisartsenpraktijken. Het veld heeft in dezenoodsituatie laten zien dat zij, met onderlinge samenwerking en veelinspanning van alle partijen, initiatieven kunnen opzetten om oud Co-Medpatiënten te helpen. Veel mensen zijn inmiddels geholpen aan een nieuwe(vaste of tijdelijke) huisarts of er is zicht op een nieuwe huisarts die eenvoormalig Co-Med praktijk gaat overnemen. De Minister van VWS zeterop in om samen met betrokken partijen ook voor mensen die op ditmoment zonder huisarts zitten een passende oplossing te vinden. Dit maguiteraard niet leiden tot extra werkdruk bij bestaande huisartsenpraktijken.Naast de groep mensen zonder huisarts is er een groep van bijna 600.000mensen die wel ingeschreven staat bij een huisartsenpraktijk, maar wilwisselen van praktijk. Het onderzoek biedt beperkt inzicht in de motivatieen urgentie achter deze wisselwens. Het onderzoek laat zien dat dehoeveelheid wisselwensen per regio verschilt, maar zonder duidelijkpatroon. Het is bijvoorbeeld niet zo dat in regio’s waarin relatief weinighuisartsen werkzaam zijn meer mensen een onvervulde wisselwenshebben. Samen met betrokken partijen zal de Minister van VWS onder-zoeken of er landelijk of regionaal systemen kunnen worden opgezet omhet «ruilen» van patiënten die willen wisselen tussen praktijken tevergemakkelijken.Er zijn al verschillende initiatieven die laten zien wat er mogelijk is ommensen aan een (vaste) huisarts te helpen. Zoals recent in de regioDen Haag, waarbij regio-organisatie HADOKS en Buurtdokters een portaal6Kamerstukken II 2023/24, 33 578, nr. 1157IdemTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1227 hebben opgezet om inwoners van Den Haag zonder huisarts en mensenmet een wisselwens te helpen bij het vinden van een praktijk in de buurtdie nog plek heeft. Ook zijn er steeds vaker initiatieven van regionalehuisartsenorganisaties die – al dan niet tijdelijk – een praktijk starten ofovernemen om mensen in de regio zonder huisarts te kunnen inschrijven.Initiatieven zoals hier benoemd laten zien wat er mogelijk is alshuisartsen, regio-organisaties, zorgverzekeraars en gemeenten dekrachten bundelen. De Minister van VWS is voornemens om in hetaangekondigde zorg en welzijnsakkoord afspraken te maken metlandelijke partijen om initiatieven die bijdragen aan de toegankelijkheidvan huisartsenzorg in elke regio te implementeren en om de drempelsvoor het praktijkhouderschap te verlagen.III. Toegankelijke Wijkverpleging De wijkverpleging speelt een belangrijke rol bij het versterken van desamenwerking binnen de eerstelijnszorg. Dit hebben we beschreven in heteerste deel van deze brief. Specifiek voor de wijkverpleging zijn daarnaasttwee maatregelen opgenomen in (de budgettaire bijlage van) hethoofdlijnenakkoord «hoop, lef en trots».Ten eerste de maatregel om onafhankelijke indicatiestelling bij ongecon-tracteerde wijkverpleging in te voeren. Het doel van deze maatregel is ombij te dragen aan een goede inzet van de schaarse capaciteit in dewijkverpleging. Door de onafhankelijke indicatiestelling beogen we tezorgen dat iedereen die dat nodig heeft de juiste hoeveelheid wijkver-pleging kan krijgen: niet te weinig maar ook niet te veel. Op dit momentwerkt de Staatssecretaris LMZ uit op welke wijze deze maatregel het bestekan worden uitgevoerd. Daarvoor is goede afstemming met betrokkenpartijen uit de wijkverpleging nodig. De Staatssecretaris informeert uwKamer in de eerste helft van 2025 over de wijze waarop zij uitvoering zalgeven aan deze maatregel.De tweede maatregel voor de wijkverpleging gaat over het versneldopschalen van digitale zorg in de wijkverpleging. Het versneld opschalenvan hybride en digitale zorg draagt bij aan het afwenden van eenonbeheersbaar arbeidsmarkttekort en het toegankelijk, kwalitatief enbetaalbaar houden van de zorg. Het gebruik van digitale hulpmiddelenkan zorgverleners in de wijkverpleging ondersteunen in hun werk,waardoor zij meer ruimte overhouden voor bijvoorbeeld persoonlijkeaandacht voor patiënten/cliënten of voor complexe handelingen. In hetIZA en het Programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen(WOZO) zijn al afspraken gemaakt over het verlenen van passendehybride zorg, digitaal als het kan en fysiek als het moet. Wij werken samenmet veldpartijen en innovatoren in de zorg om de (versnelde) opschalingvan digitale en hybride zorg in alle sectoren, en dus ook in de wijkver-pleging, te realiseren. In het kader van deze afspraak zal expliciet gekekenworden naar de bekostiging van digitale en hybride zorg in de diversesectoren, waaronder de wijkverpleging. Verder ondersteunt VWS nu al deversnelling van inzet van digitale en hybride zorg via de subsidieregelingSTOZ (Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteunen en Zorg),landelijke ondersteuning via Zorg voor innoveren en het verkrijgen vanbewijslast voor landelijke opschaling en transformatie van digitale enhybride zorg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1228 Tot slotEr staat nogal wat op het spel. Een sterke eerstelijnszorg is niet vanzelf-sprekend. Om te zorgen dat de eerstelijnszorg voor iedereen met eenzorgvraag het eerste aanspreekpunt kan blijven is samenwerkingnoodzakelijk. Het doet ons goed om te zien dat alle eerstelijnspartijendaarvan doordrongen zijn. Als bewindspersonen zullen wij hen dekomende periode blijven uitdagen om echt verschil te maken datmerkbaar is voor inwoners, patiënten en zorgverleners. Wij zullen waarnodig helpen met aanvullende afspraken in het zorg- en welzijnsakkoord,financiering, bekostiging of wet- en regelgeving.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,M-F. AgemaDe Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V. MaeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1229
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.