KamerkringInloggen
Kamerstuk

Tweede nota van wijziging

14 feb 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 225765dcf169b8dc · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 512Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht,de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, deWet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking vande regie op de volkshuisvesting en met het oogop enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen (Wet versterkingregie volkshuisvesting)Nr. 10 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGINGOntvangen 14 februari 2025 Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:AArtikel I komt te luiden:Bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd:1. In artikel 1 worden in de zinsnede met betrekking tot deOmgevingswet, onder verlettering van de onderdelen d tot en met r tot ftot en met t, twee onderdelen ingevoegd, luidende:d. artikel 2.32, voor zover het betreft de verlening of weigering van eenontheffing van een regel die is gesteld over een programma als bedoeldin afdeling 3.2e. de artikelen 2.33, tweede lid, onder e, en 2.34, tweede lid, onder g enh2. In artikel 2 wordt aan de zinsnede met betrekking tot deOmgevingswet een onderdeel toegevoegd, luidende:n. een besluit dat is aangewezen op grond van artikel 16.87aBArtikel II wordt als volgt gewijzigd:1. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:a. In het eerste onderdeel vervalt de zinsnede «vervallen de aandui-dingen a tot en met m en» en vervalt het begrip laag-segment-huurwoonruimte en de daarbij behorende begripsomschrijving.b. Het tweede onderdeel komt te luiden: kst-36512-10ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 101 2. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van deomschrijving van het begrip woonruimte door een punt, vervalt het begripwoonvisie en de daarbij behorende begripsomschrijving.2. In onderdeel D, derde onderdeel, komt het voorgestelde zesde lid teluiden:6. Bij de voorbereiding van de vaststelling van een regeling als bedoeldin artikel 12, eerste lid, stemmen burgemeester en wethouders deze afmet burgemeester en wethouders van de overige gemeenten die deeluitmaken van de woningmarktregio als bedoeld in artikel 3, zesde lid, enmaken zij in ieder geval afspraken over een verdeling van de woningzoe-kenden die zijn ingedeeld in de urgentiecategorieën, bedoeld in artikel 12,derde lid en over het percentage van de aangewezen categorieën vanwoonruimte, bedoeld in artikel 12, eerste lid, waarbij voorrang wordtgegeven aan woningzoekenden als bedoeld in artikel 12, derde lid, bij hetverlenen van huisvestingsvergunningen.3. Onderdeel E komt te luiden:EArtikel 7 wordt als volgt gewijzigd:1. In het tweede lid wordt de zinsnede «woonruimte met een koopprijsvan ten hoogste € 390.000» vervangen door «betaalbare koopwoon-ruimte».2. Het vierde lid vervalt.4. Onderdeel G komt te luiden:GArtikel 13 wordt als volgt gewijzigd:1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «artikel 12, tweede lid»vervangen door «artikel 12, tweede en derde lid».2. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over grondenvoor intrekking van de indeling in een urgentiecategorie als bedoeld inartikel 12, derde lid.4. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wanneer burgemeester enwethouders een aanvraag om een indeling van een woningzoekende ineen urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, derde lid, kunnen afwijzen.5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over devoorschriften die burgemeester en wethouders kunnen verbinden aan eenbesluit tot indeling van een woningzoekende als bedoeld in artikel 12,derde lid, in een urgentiecategorie of aan een huisvestingsvergunning diewordt verleend op basis dat besluit.CArtikel III wordt als volgt gewijzigd:1. In de onderdelen B en C wordt «#de lid» vervangen door «derde lid».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 102 2. In onderdeel D vervalt «[waarvan de nummering aansluit op hetlaatste lid van dit artikel]» en wordt de aanduiding «#» vervangen door«3».3. In onderdeel F wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties» vervangen door «Onze Minister van Volkshuisvestingen Ruimtelijke Ordening».4. In onderdeel L wordt het voorgestelde artikel 16.87a als volgtgewijzigd:a. In het eerste lid wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties en Onze Minister voor Rechtsbescherming» vervangendoor «Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening enOnze Minister van Justitie en Veiligheid».b. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «wordt» vervangen door«worden».c. In het derde lid wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister voorRechtsbescherming,» vervangen door «Onze Minister van Volkshuis-vesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Ministervan Justitie en Veiligheid,».5. Na onderdeel N wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:NaAan artikel 23.3 wordt een lid toegevoegd, luidende:9. Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers diehet mede aangaat, kunnen, op verzoek van de gemeenteraad, hetalgemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten, nieuwegebieden worden aangewezen in aanvulling op het derde lid, onder g. Hetbij de maatregel op grond van het derde lid bepaalde is van overeenkom-stige toepassing op de aanwijzing van nieuwe gebieden bij ministeriëleregeling.DIn artikel IV, onderdeel B, wordt in het tweede lid van het voorgesteldeartikel 2.5.5. na «desgevraagd» ingevoegd «kosteloos».EIn artikel VI wordt «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties» vervangen door «Onze Minister van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening».FArtikel VII wordt als volgt gewijzigd:1. In het tweede lid en de aanhef van het derde lid wordt «artikel 41,eerste lid, van de Woningwet» vervangen door «artikel 42, eerste lid, vande Woningwet».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 103 2. In onderdeel b van het tweede lid komt te vervallen: «en de eisengesteld bij paragraaf 3.2.1 van de Omgevingswet, en indien vantoepassing, bij of krachtens paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet».GARTIKEL VIII komt als volgt te luiden:Indien artikel II, onderdeel B, van de Wet gemeentelijke instrumentenwarmtetransitie:a. eerder in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk opdezelfde datum in werking treedt als, artikel III, onderdeel D, van deze wet,wordt deze wet als volgt gewijzigd:1. In de artikelen II, onderdeel A, IV, onderdeel A en V, onderdelen A, Pen Q, wordt «artikel 3.6, derde lid, van de Omgevingswet» telkensvervangen door «artikel 3.6, vierde lid, van de Omgevingswet».2. In de artikelen III en VII wordt «artikel 3.6, derde lid,» telkensvervangen door «artikel 3.6, vierde lid».3. In artikel III, onderdeel D, wordt de aanduiding «3.» vervangen door«4.».b. later in werking treedt dan artikel III, onderdeel D, van deze wet,wordt in artikel II, onderdeel B, van die wet de aanduiding «3.» vervangendoor «4.».HArtikel IX komt te luiden:ARTKEL IXIndien het bij koninklijke boodschap van 30 januari 2023 ingediendevoorstel van wet tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning2015 en enkele andere wetten met het oog op een integrale en gecoördi-neerde aanpak bij meervoudige problematiek en de daarvoor benodigdegegevensverwerking (36 295) tot wet is of wordt verheven en artikel I,onderdeel T, van die wet:a. eerder in werking is getreden of treedt dan, onderscheidenlijk opdezelfde datum in werking treedt als, artikel IV, onderdeel C van deze wet,wordt in artikel IV, onderdeel C, «artikel 5.4.1» vervangen door «artikel2.1.8» en wordt «Artikel 5.4.2» vervangen door «Artikel 2.1.9».b. later in werking treedt dan artikel IV, onderdeel C, van deze wet wordtna artikel I, onderdeel E, van die wet een onderdeel ingevoegd, luidende:EaNa artikel 2.1.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:Artikel 2.1.91. Het college stemt, indien dat voor een doeltreffende en doelmatigeuitvoering van de voornemens die voortvloeien uit het onderdeel van hetplan, bedoeld in artikel 2.1.2, vierde lid, aanhef en onderdeel h, nodig is, afmet andere colleges.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 104 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteldomtrent de wijze van de afstemming, bedoeld in het eerste lid.Toelichting Onderdeel A (artikel I (wijzigingen Algemene wet bestuursrecht))Met onderdeel A wordt een wijziging van bijlage 2 bij de Awb aan hetwetsvoorstel toegevoegd (subonderdeel 1 van onderdeel A). Voorgesteldwordt twee besluiten toe te voegen aan artikel 1 van de Bevoegdheidsre-geling bestuursrechtspraak (bijlage 2) bij de Awb. Dit artikel bevat dezogenoemde negatieve lijst waarop de besluiten zijn opgenomen die vanberoep bij de bestuursrechter zijn uitgesloten. Voorgesteld wordt hieraande instructie van gedeputeerde staten of van de Minister van Volkshuis-vesting en Ruimtelijke Ordening toe te voegen, voor zover die betrekkingheeft op een volkshuisvestingsprogramma zoals geïntroduceerd met hetwetsvoorstel. Daarnaast wordt voorgesteld het besluit tot verlening ofweigering van een ontheffing van een instructieregel toe te voegen, voorzover die instructieregel betrekking heeft op een programma op grondvan de Omgevingswet.De vaststelling van een programma op grond van afdeling 3.2 van deOmgevingswet is in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerstelid, Awb en om die reden niet appellabel. Om ieder misverstand daaroveruit te sluiten staan deze de programma’s op de negatieve lijst van deAwb.1 Dit betekent dat ook tegen volkshuisvestingsprogramma’s zoals dieworden geïntroduceerd met het wetsvoorstel, geen beroep open staat bijde bestuursrechter. Het wetsvoorstel introduceert een bevoegdheid voorprovincies (gedeputeerde staten) en het Rijk (de Minister van Volkshuis-vesting en Ruimtelijke Ordening) om een instructie te geven over deinhoud van het volkshuisvestingsprogramma van een gemeente, of – ingeval van het Rijk – het volkshuisvestingsprogramma van een gemeenteof provincie. Indachtig het gegeven dat het volkshuisvestingsprogrammavanwege zijn beleidsmatige karakter niet vatbaar is voor beroep, wordtvoorgesteld een instructie over dat programma – die evenzeer een sterkbeleidsmatige insteek zal hebben – ook uit te zonderen van demogelijkheid van beroep.Het voornemen bestaat om met het Besluit versterking regie volkshuis-vesting instructieregels te stellen in het Besluit kwaliteit leefomgeving(Bkl) over de inhoud van het volkshuisvestingsprogramma vangemeenten en provincies. Overwogen wordt om decentrale overhedendaarbij de mogelijkheid te bieden om van (delen van) die instructieregelsontheffing te vragen. Met deze ontheffing kan bijvoorbeeld wordenafgeweken van de percentages te programmeren betaalbare woningen ensociale huurwoningen in het gemeentelijk volkshuisvestingsprogrammaom gemeenten meer lokale ruimte te geven zoals afgesproken in hetregeerprogramma.2 Omdat het volkshuisvestingsprogramma, zoals elkprogramma op grond van de Omgevingswet, een beleidsmatig karakterheeft en daarom in de regel niet appellabel is, ligt voor de hand dat ook deverlening of weigering van een ontheffing om bij de vaststelling van eenprogramma af te wijken van een instructieregel niet appellabel is. Om diereden wordt voorgesteld ook de verlening of weigering van eenontheffing van een instructieregel over een programma uit te sluiten vanberoep bij de bestuursrechter.1Zie ook: memorie van toelichting bij de Invoeringswet Omgevingswet, p. 381 (Kamerstukken II2017/18, 34 986, nr. 3).2Regeerprogramma, 13 september 2024, p. 32.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 105 De reeds in het wetsvoorstel opgenomen wijziging van artikel 2 vanbijlage 2 bij de Awb wordt genummerd als subonderdeel 2 van onderdeelA. De inhoud ervan blijft ongewijzigd.Onderdeel B (artikel II (wijzigingen Huisvestingwet 2014))In dit onderdeel komt de definitie van «laag-segment-huurwoonruimte»te vervallen, omdat de gemeenteraad de ruimte wordt gegeven om in dehuisvestingsverordening te bepalen welke categorieën van woonruimteworden aangewezen waarbij bij het verlenen van huisvestingsvergun-ningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor devoorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.Verder wordt in dit onderdeel verduidelijkt dat burgemeesters enwethouders afspraken moeten maken over een verdeling van dewoningzoekenden die zijn ingedeeld in de urgentiecategorieën, bedoeld inartikel 12, derde lid, en over het percentage van de aangewezen catego-rieën van woonruimte waarbij voorrang wordt gegeven aan woningzoe-kenden als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014bij het verlenen van huisvestingsvergunningen. Hierdoor kunnenprovincies beter uitvoering geven aan hun taak op grond van hetinterbestuurlijk toezicht.Ten slotte worden in dit onderdeel wetstechnische punten verbeterd inde onderdelen 2, 3, en 4. De wijzigingsopdrachten bij onderdelen 3 en 4zijn in de eerste nota van wijziging ook gegeven, daarbij is echter perabuis de onderdeelsaanduiding weggevallen. Dit wordt met deze nota vanwijziging hersteld. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar deartikelsgewijze toelichting bij onderdeel A van de eerste nota vanwijziging.Onderdelen C (artikel III (wijzigingen Omgevingswet))In dit onderdeel wordt eerst geregeld dat de introductie van hetgemeentelijke volkshuisvestingsprogramma in het derde lid van artikel 3.6van de Omgevingswet terecht komt. Dit houdt verband met de publicatievan de wet tot wijziging van de Omgevingswet en de Gaswet in verbandmet gemeentelijke instrumenten voor de warmtetransitie in de gebouwdeomgeving. In het wetsvoorstel is tot nu toe gewerkt met een # voor denummering van het betreffende lid dat zou worden ingevuld bij dedrukproeffase van deze wet. Gezien die wet nu gepubliceerd is en ook eenlid toevoegt aan artikel 3.6 kan hiermee niet meer worden gewacht enwordt het # vervangen door de aanduiding 3. Vooralsnog voorziendaardoor beide wetsvoorstellen in een derde lid. Dit wordt opgelost meteen samenloopbepaling bij deze wet in artikel VIII, welke ook met dezenota van wijziging wordt geactualiseerd. Waardoor de wet die het eerst inwerking treed een derde lid toevoegt en de wet dit het laatst in werkingtreed een vierde lid zodat er geen omissie in de nummering van de ledenvan artikel 3.6 ontstaat. Zie ook de toelichting bij onderdeel F.In deze onderdelen wordt de aanduiding van een tweetal Ministersaangepast in verband met het aantreden van het nieuwe kabinet. Ookwordt een taalkundige omissie hersteld.Met het vijfde onderdeel van onderdeel C wordt een wijziging van deexperimenteerbepaling van de Omgevingswet voorgesteld. De voorge-stelde wijziging strekt ertoe de mogelijkheid, zoals deze ook onder deCrisis- en herstelwet bestond, terug te brengen om bij ministeriëleregeling nieuwe gebieden aan bestaande experimenten toe te voegen; hetzogenaamde uitbreiden van het toepassingsbereik van een experiment.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 106 Sinds de invoering van deze mogelijkheid in de Crisis- en herstelwet in2019 is hier veelvuldig gebruik van gemaakt. Zo zijn er voor de inwerking-treding van de Omgevingswet veel gemeenten bij ministeriële regelingtoegevoegd aan het experiment sociale koop (artikel 7ad Besluituitvoering Crisis- en herstelwet), waarmee gemeenten een hogeremaximale kostengrens, namelijk de NHG-kostengrens, voor socialekoopwoningen konden hanteren. Ook na de inwerkingtreding van deOmgevingswet blijkt er behoefte te zijn aan het sneller kunnen uitbreidenvan het toepassingsbereik van experimenten, onder andere van experi-menten die via het overgangsrecht3 zijn omgehangen onder de experi-menteerbepaling van de Omgevingswet. Een voorbeeld daarvan is hetexperiment met de Leegstandwet dat in Amsterdam en Utrecht wordttoegepast onder de Crisis- en herstelwet. Ook andere gemeenten hebbenaangegeven gebruik te willen maken van dit experiment om de leegstandvan woningen te beperken.De mogelijkheid om gebruik te maken van een ministeriële regeling zietalleen op het toevoegen van nieuwe gebieden aan bestaande experi-menten. De inhoud van deze bestaande experimenten is al vastgelegd bijAMvB en deze heeft de reguliere procedure van internetconsultatie,voorhang bij beide Kamers der Staten-Generaal en advies van de Afdelingadvisering van de Raad van State doorlopen. Een ministeriële regelingwaarmee het toepassingsbereik van een experiment wordt uitgebreid zalop grond van artikel 23.4, eerste lid, van de Omgevingswet in internetcon-sultatie worden gebracht. Deze aanpassing van de procedure vooruitbreiding van het toepassingsbereik levert een versnelling van tenminste zeven maanden op ten opzichte van de oorspronkelijke procedurewaarbij telkens de AMvB zou moeten worden aangepast om daarin hettoepassingsbereik uit te breiden. Op deze manier kunnen experimentensneller en flexibeler breder worden toegepast, waardoor er meer ervaringmet het experiment kan worden opgedaan en dit kan worden meege-nomen bij de monitoring en evaluatie van het bij AMvB mogelijkgemaakte experiment. Bij het toevoegen van een experiment door deMinister zal steeds bezien worden of dit nog bijdraagt aan het bij AMvBvastgestelde doel van het experiment. De mogelijkheid om het toepas-singsbereik van bestaande experimenten uit te breiden, is immers nietbedoeld om vooruitlopend op de evaluatie van een experiment structureelaf te wijken van een bij wet of AMvB gestelde regel.Verder is bepaald dat een verzoek tot uitbreiding van het toepassings-bereik moet worden gedaan door een vertegenwoordigend orgaan vaneen bestuursorgaan, bijvoorbeeld de gemeenteraad of provinciale staten.Hiermee is de betrokkenheid van die organen geborgd bij deelname aaneen experiment door als nieuw gebied aan een bestaand experiment teworden toegevoegd. Onder de Crisis- en herstelwet was die betrok-kenheid geborgd via de Beleidsregel aanmeldingen Regeling uitvoeringCrisis- en herstelwet.4 Ook is bepaald dat de voorwaarden die bij hetoorspronkelijke bij AMvB mogelijk gemaakte experiment zijn bepaald, vanovereenkomstige toepassing zijn op de uitbreidingen van het toepassings-bereik bij ministeriële regeling. Dit houdt in dat bijvoorbeeld de tijdsduurvan het oorspronkelijke experiment en daarbij voorgeschreven wijze vanmonitoring en evaluatie onverkort geldt voor de nieuwe gebieden die bijministeriële regeling worden toegevoegd.3Artikel 4.30 van de Invoeringswet Omgevingswet.4Stcrt. 2019, 36718.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 107 Onderdeel D (artikel IV (wijzigingen Wmo 2015))Met de voorgestelde wijziging van het nieuwe artikel 2.5.5. van de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 wordt een omissie hersteld. Heteerste lid van dit artikel regelt al dat de betreffende gegevens desge-vraagd kosteloos moeten worden verstrekt, het woord «kosteloos» is perabuis niet opgenomen in het tweede lid. Deze wijzigingsopdracht is in deeerste nota van wijziging ook gegeven, maar per abuis voor het nieuweartikel 2.5.4. en is daarmee onuitvoerbaar. Dit wordt met deze nota vanwijziging hersteld.Onderdeel E (artikel VI (evaluatiebepaling))In dit onderdeel wordt de aanduiding van een de Ministers aangepast inverband met het aantreden van het nieuwe kabinet.Onderdeel F (artikel VII (overgangsrecht))Met deze aanpassing wordt ten eerste een evidente verschrijving naarhet bedoelde artikel met betrekking tot de woonvisie in de Woningwethersteld. Voorts wordt, om verwarring daarover te voorkomen, deverwijzing naar paragraaf 3.2.1 en 16.4.1 in het kader van het overgangs-recht voor een vrijwillig programma op grond van de Omgevingswet ofeen woonvisie op grond van de Woningwet dat anticiperend op deinwerkingtreding van de verplichting tot het hebben van een volkshuis-vestingprogramma in overeenstemming met de op het volkshuisvestings-programma gerichte instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgevinggeschrapt. Deze paragrafen regelen het bevoegd gezag voor eenprogramma en dat het programma beleid bevat ten aanzien van een ofmeer onderdelen van de fysieke leefomgeving en mede dient voor deuitoefening van de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.1, eerstelid. Uit de instructieregels voor het volkshuisvestingsprogramma die zijnopgesteld op grond van art. 2.24 Ow volgt al dat het gaat om beleid tenaanzien van een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving en dathet beleid ziet op de uitoefening van taken en bevoegdheden. Dat het hiergaat om vrijwillig programma waarvoor het bevoegd gezag burgemeesteren wethouders is, blijkt bovendien al uit de aanhef van het derde lid waarverwezen wordt naar art. 3.4 Ow. De woonvisie op grond van deWoningwet wordt vastgesteld door de gemeenteraad op grond van artikel42, eerste lid, van de Woningwet. Dit overgangsrecht beoogd daar geenverandering in te brengen. De verwijzing naar de plan-mer-plicht inparagraaf 16.4.1 is dubbelop. Aan de mer-plicht moet – indien vantoepassing – zijn voldaan als het gaat om een anticiperend programma.Woonvisies die kaderstellend zijn voor stedelijke ontwikkeling zijn sindsde inwerkingtreding van de Omgevingswet plan-mer-plichtig.Onderdelen G en H (samenloopbepalingen)In onderdeel G wordt de samenloop met de wet tot wijziging van deOmgevingswet en de Gaswet in verband met gemeentelijke instrumentenvoor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving geactualiseerd omdatdie wet sinds de indiening van deze wet is aangenomen en gepubliceerd.De samenloop voorziet in de nummering van toegevoegde leden aanartikel 3.6 Omgevingswet in verband met de introductie van een warmte-programma respectievelijk een gemeentelijk volkshuisvestingspro-gramma.In onderdeel H wordt de samenloop van het wetsvoorstel tot wijzigingvan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en enkele anderewetten met het oog op een integrale en gecoördineerde aanpak bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 108 meervoudige problematiek en de daarvoor benodigde gegevensver-werking geregeld. In dat wetsvoorstel wordt het nieuwe artikel 5.4.2 vande Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 van dit wetsvoorstelvervangen. Daarom is geregeld dat in het geval die wet in werking treedhet nieuwe artikel wordt omgenummerd naar artikel 2.1.9 en daarmee ineen passendere paragraaf terechtkomt. In het geval deze wet eerder inwerking treedt wordt geregeld dat die wet zo wordt aangepast dat hetnieuwe artikel wordt ingevoegd, omdat het bij dat wetsvoorstel wordtgeschrapt.Deze nota van wijziging wordt uitgebracht in overeenstemming met deStaatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Rechtsbescherming).De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 109

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 31969a9220cd4e86

14 okt 2026 · 1bded0d0adbce72a

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.