Bijlagenboek bij de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën
Brontekst
Versie 9641b84a63e9dd80 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600Nota over de toestand van 's rijks financiënNOTA OVER DE TOESTAND VAN 'S RIJKS FINANCIËNOntvangen 17 september 2024Nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 INHOUDSOPGAVE1Begrotingsregels kabinet Schoof41.1De begrotingsregels51.2Bijlage afbakening uitgavenkader en generale mutaties121.3Bijlage afbakening en regels inkomstenkader141.4Bijlage eindejaarsmarge en opbouw van meerjarencijfers en extrapolatie151.5Bijlage beheersing fiscale regelingen161.6Bijlage beleidskader risicoregelingen192Budgettaire kerngegevens en kadertoets232.1Budgettaire kerngegevens232.2Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen Miljoenennota243Uitgaven en niet-belastingontvangsten264Inkomstenkader335De belasting - en premieontvangsten447EMU-saldo668EMU-schuld709Overheidsbalans7310Fiscale regelingen7611Toelichting op de fiscale regelingen9212Accres Gemeentefonds en Provinciefonds13313Overzicht risicoregelingen van het Rijk13814Verbetering informatievoorziening in en rond begrotingen 14515Europese begrotingsregels14716Verticale toelichting151Algemene Zaken en De Koning152Buitenlandse Zaken (inclusief BHOS)154Justitie en Veiligheid159Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inclusief Staten-Generaal en Hoge Colleges van Staat166Onderwijs, Cultuur en Wetenschap180Financiën (inclusief Nationale Schuld)186Defensie (inclusief Defensiematerieelbegrotingsfonds)196Infrastructuur en Waterstaat (inclusief Mobiliteitsfonds en Deltafonds)202Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (inclusief Diergezondheidsfonds)229Sociale Zekerheid235Zorg251Gemeentefonds en Provinciefonds (inclusief accres)266Prijsbijstelling2712Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Arbeidsvoorwaarden272Aanvullende Post27317Horizontale toelichting280Algemene Zaken en De Koning281Buitenlandse Zaken (inclusief Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp)283Justitie en Veiligheid287Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inclusief BES-fonds, Staten-Generaal en Hoge Colleges van Staat291Onderwijs, Cultuur en Wetenschap302Financiën (inclusief Nationale Schuld)305Defensie (inclusief Defensiematerieelbegrotingsfonds)309Infrastructuur en Waterstaat (inclusief Mobiliteitsfonds en Deltafonds)315Economische Zaken en Klimaat (inclusief Nationaal Groeifonds)326Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (inclusief Diergezondheidsfonds)333Sociale Zekerheid336Zorg345Gemeentefonds en Provinciefonds (inclusief accres)349Prijsbijstelling353Arbeidsvoorwaarden354Aanvullende Post35518Taakopdrachten IBO's35819Monitor investeringsfondsen38120Integraal overzicht klimaat38421Update inzake Toeslagen Herstel en Groningen: schade en versterken39221.1Bijlage Toeslagen Herstel39221.2Bijlage Groningen Schade en Versterken39322Uitgavenoverzicht Oekraïne39623Fossiele regelingen3983Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 1 BEGROTINGSREGELS KABINET SCHOOFInleidingEen heldere begrotingssystematiek, -regels en -proces zijn behulpzaam aan politieke besluitvorming en leiden tot het maken van goed en voorspelbaar beleid voor burgers en bedrijven. Om dit te verankeren voert Nederland sinds 1994 het trendmatig begrotingsbeleid. Bij trendmatig begrotingsbeleid wordt bij de start van het kabinet de uitgaven en het niveau van belasting en premies vastgesteld voor de kabinetsperiode. Dit vergt dus scherpe keuzes. Welke doelen wil het kabinet graag bereiken, om zo de brede welvaart voor nu, later en elders te vergroten? Om bij te dragen aan brede welvaart kunnen bredewelvaartsafwegingen integraal onderdeel zijn van de sturing op het bereiken van de doelen in het coalitieakkoord. De begroting is een belangrijk middel dat politici hebben om deze doelen te bereiken. Voorwaarde om trendmatig begrotingsbeleid te voeren is voldoende afstand tot de Europese grenswaarden zoals ook vastgelegd in de Wet Houdbare Overheidsfinanciën (Wet Hof). Het begrotingsbeleid is gestoeld op drie basisprincipes:1.Efficiënte allocatie van publieke middelen;2.Beheersing van de overheidsfinanciën en3.Macro-economische stabilisatie.1. Efficiënte allocatie van publieke middelenHet begrotingsbeleid draagt bij aan een doeltreffende en doelmatige besteding van publieke middelen en belastingheffingen. De begrotingsregels creëren de voorwaarden waardoor de politiek – gegeven de doelen die zij nastreeft – elke euro zo doelmatig mogelijk kan besteden. Daarbij weegt een kabinet verschillende keuzemogelijkheden zorgvuldig tegen elkaar af. Om tot een goede integrale afweging te komen tussen de verschillende beleidsdoelstellingen is een gestructureerd en voorspelbaar besluitvormingsproces van groot belang voor politieke rust, goed voorspelbaar beleid en effectieve besteding van belastinggeld.2. Beheersing van de overheidsfinanciënBeheersing van de overheidsfinanciën betekent in de eerste plaats dat een kabinet de ontwikkeling van inkomsten en uitgaven zelf in de hand heeft en zich aan de gemaakte (budgettaire) afspraken houdt. Door de overheidsfinanciën gedurende de rit te beheersen wordt voorkomen dat volgende generaties te maken krijgen met een te grote schuld. Of dat zij gedwongen worden hun collectieve voorzieningen te versoberen of hun belastingen te verhogen, alleen omdat de huidige generatie op te grote voet heeft geleefd. Om gedurende de rit geen rekeningen door te schuiven naar volgende generaties maakt het kabinet aan het begin van een kabinetsperiode duidelijke afspraken over wat in één jaar maximaal mag worden uitgegeven (het uitgavenkader) en hoe hoog de beleidsmatige aanpassing van de belastingen en premies per jaar moeten zijn (het inkomstenkader). De afspraken over inkomsten en uitgaven geven duidelijkheid over de grenzen waarbinnen het begrotingsbeleid kan plaatsvinden.3. Macro-economische stabilisatieDe overheidsbegroting heeft een belangrijke rol in het stabiliseren van de economie. Aan de uitgavenkant van de begroting geeft het kabinet, als het economische tij meezit, niet meer uit dan het afgesproken uitgavenkader. 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Aan de andere kant hoeft er ook niet te worden bezuinigd als het tijdelijk tegen zit. Aan de inkomstenkant van de begroting nemen in goede tijden de belastinginkomsten automatisch toe. Die extra inkomsten geeft het kabinet niet uit. De extra inkomsten worden in plaats daarvan gebruikt om de schuld af te bouwen voor minder goede tijden. Het kabinet laat de begroting dus meebewegen met de economische ontwikkeling, als onderdeel van trendmatig begrotingsbeleid. Hierdoor wordt het effect van een economische neergang of stijging automatisch op het juiste moment gedempt. Dit heeft positieve gevolgen voor het inkomen en welbevinden van mensen: burgers en bedrijven voelen minder de negatieve effecten van een periode waarin het economisch minder goed gaat.LeeswijzerOm de drie basisprincipes in de praktijk te ondersteunen is een set begrotingsregels opgesteld.Bijlagen bij de begrotingsregels–Bijlage 1 Afbakening uitgavenkader en generale mutaties–Bijlage 2 Afbakening en regels inkomstenkader–Bijlage 3 Eindejaarsmarge en opbouw van meerjarencijfers en extrapolatie–Bijlage 4 Beheersing fiscale regelingen–Bijlage 5 Beleidskader risicoregelingen1.1 De begrotingsregelsHet begrotingsbeleid draagt bij aan een doeltreffende en doelmatige besteding van publieke middelen en belastingheffingen. De begrotingsregels creëren de voorwaarden waardoor de politiek – gegeven de doelen die zij nastreeft – elke euro zo doelmatig mogelijk kan besteden. Tijdens een kabinetsperiode kan sprake zijn van (onverwachte) ontwikkelingen of nieuwe politieke prioriteiten, die budgettaire gevolgen met zich meebrengen. De begrotingsregels vormen richtlijnen hoe hier mee om te gaan. Het kabinet kan aan de hand van deze vastgestelde regels prioriteiten bijstellen en middelen – waar nodig – op een andere manier inzetten.1.1.1 Integrale afweging: één hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar en besluitvorming over koopkracht en bijbehorende lasten in augustusOm een goede integrale afweging te kunnen maken tussen verschillende beleidsdoelstellingen en bijbehorende kosten, vindt er op één vast moment een hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar plaats ten aanzien van de uitgaven. Op dit zogenoemde hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar kunnen verschillende politieke wensen, problemen en mee-en tegenvallers integraal worden afgewogen met een meerjarige doorkijk. Waar mogelijk, wordt tijdens het hoofdbesluitvormingsmoment ook besloten over de lasten waarvan het vanwege van integraliteit van besluitvorming noodzakelijk is om zowel over lasten als uitgaven te besluiten (zoals bij klimaat) en wordt rekening gehouden met de Fiscale Beleid- en Uitvoeringsagenda (FBUA) en het betrekken van evaluatie van fiscale regelingen. De koopkrachtbesluitvorming, inclusief het definitief sluiten van het inkomstenkader, wordt in augustus gedaan. Aan de voorjaarsbesluitvorming liggen de onafhankelijke economische ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) ten grondslag, te weten het Centraal Economisch Plan (CEP). Daarnaast zal bij een dreigende overschrijding op basis van het 5Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 CEP van de 3%-norm in het daaropvolgende jaar additionele maatregelen genomen worden, waarbij ten eerste naar uitgavenvermindering wordt gekeken. Voorts hanteert het kabinet een meevallerformule ingeval het feitelijke EMU-saldo langjarig beter is dan een saldo van ‒ 1,5% BBP. Eventuele besluitvorming hierover vindt jaarlijks in het voorjaar plaats. In augustus vindt de besluitvorming over de koopkrachtontwikkeling plaats op basis van een onafhankelijke nieuwe raming van het CPB, te weten de macro-economische verkenningen (MEV). Zowel in de Voorjaarsnota als in de Miljoenennota wordt de horizontale ontwikkeling (jaar-op-jaar) van de uitgaven en inkomsten toegelicht.1.1.2 Besluitvorming via ordentelijk procesVoornemens, toezeggingen en voorstellen met financiële gevolgen dienen voorafgaand aan de besluitvorming en uitvoering met het ministerie van Financiën te worden afgestemd en dienen hetreguliere proces van behandeling in de onderraden en de ministerraad te doorlopen. Dit volgt uit de wettelijke rol van de minister van Financiën die in de Comptabiliteitswet (CW) is geregeld. Daarnaast is het begrotingsproces een verantwoordelijkheid van het kabinet als geheel (onder regie van de minister van Financiën). Dat vraagt om gezamenlijk gedragen uitgangspunten, wederzijdse discipline en een evenwichtige informatiepositie tussen departementen.1.1.3 Oormerken van inkomsten en uitgaven is onwenselijkOm een goede afweging te kunnen maken tussen de (kosten van) verschillende beleidsdoelstellingen is het oormerken van inkomsten voor uitgaven niet wenselijk, ook niet in het geval van (begrotings-)fondsen. De doelstellingen van beleid horen bepalend te zijn voor het niveau van de uitgaven, niet hoeveel geld via een bepaalde bron binnenkomt.1.1.4 Begrotingsregels ten behoeve van beheersing van de uitgavenVoor de uitgavenkant van de begroting worden aan het begin van de kabinetsperiode afspraken gemaakt over wat maximaal mag worden uitgegeven per jaar van de begrotingshorizon van het kabinet (het lopende jaar en de vijf daaropvolgende jaren): dit is het uitgavenkader. Elke minister is verantwoordelijk voor zijn of haar begroting. Een kader dwingt tot het maken van keuzes, omdat ministers niet meer mogen uitgeven dan vooraf is afgesproken. Als ministers nieuwe prioriteiten willen stellen en (beleidsmatig) meer uit willen geven, dan moeten ze hiervoor ombuigen op andere beleidsmatige uitgaven. Op deze manier houdt het kabinet de totale uitgaven onder controle.In het geval nieuw beleid van een minister doorwerkt in de uitgaven van andere ministers, zal de beleidsinitiërende minister zorgdragen voor het organiseren van de benodigde dekking. Indien een beroep wordt gedaan op medeoverheden bevat het nieuwe beleidsvoorstel een onderbouwing hoe de medeoverheden hiertoe in staat worden gesteld, inclusief een voorstel hoe de financiële gevolgen voor medeoverheden worden opgevangen. Ook hierbij zal de beleidsinitiërende minister zorgdragen voor het organiseren van de benodigde dekking.1.1.4.1 Afbakening van het uitgavenkader6Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Alle uitgaven van de Rijksoverheid die meetellen voor het EMU-saldo vallen onder het uitgavenkader, tenzij anders is besloten, zie bijlage 1. Bij de start van iedere kabinetsperiode komen oude uitzonderingen te vervallen (zoals bijvoorbeeld crisis gerelateerde uitgaven), tenzij deze opnieuw in de begrotingsregels worden opgenomen. Onder het uitgavenkader vallen een aantal ontvangsten die geen belasting- of premieontvangsten zijn, zoals boeteontvangsten.1.1.4.2 Scheiding van inkomsten en uitgaven en uitzonderingenIn beginsel worden het uitgavenkader en het inkomstenkader gedurende de kabinetsperiode niet aangepast. Hieruit volgt automatisch een zogenoemde scheiding van inkomsten en uitgaven. Er zijn enkele situaties waarin het loslaten van deze scheiding bij uitzondering is toegestaan. De verwerking gebeurt door zogenoemde statistische correcties. Het doel van deze correcties is beleid waarvoor aanpassingen aan het uitgavenkader én het inkomstenkader nodig mogelijk te maken zonder dat het EMU-saldo verslechtert.Van dergelijke correcties is alleen sprake bij:–Een wijziging in de financiële vormgeving van beleid (van lastenmaatregel naar uitgavenmaatregel en omgekeerd), waarbij het voorzieningenniveau en de doelgroep nagenoeg gelijk blijven.–Grote hervormingen waarbij een collectief arrangement anders wordt vormgegeven met zowel aan de uitgavenals aan de inkomstenzijde mutaties.Als het hanteren van een apart uitgavenkader en inkomstenkader leidt tot inefficiënte of onbedoelde uitkomsten, kan de minister van Financiën besluiten tot een correctie tussen uitgavenkader en inkomstenkader, met instemming van de MR. De minister van Financiën dient dergelijke correcties, waarmee wordt afgeweken van de standaardgronden voor correctie, expliciet toe te lichten in budgettaire nota’s.1.1.4.3 Budgetdiscipline draagt bij aan beheersing van het uitgavenkaderIn de door het parlement vastgestelde begroting is het maximum dat door een minister mag worden uitgegeven in een bepaald jaar opgenomen. Beheersing van de overheidsuitgaven begint bij het niet overschrijden van de uitgaven zoals deze zijn begroot. Een randvoorwaarde om te zorgen dat de uitgaven binnen het uitgavenkader blijven, zijn de regels budgetdiscipline (zie box 1).Box 1: Regels budgetdiscipline voor de uitgaven–Dreigende tegenvallers in de uitgaven moeten worden voorkomen door tijdig maatregelen te nemen. Voor deze tegenvallers dient dekking gevonden te worden op de begroting waar zij zich voordoen.–Uitgavenmeevallers mogen op de begroting waar ze zich voordoen ter compensatie van uitgaventegenvallers worden ingezet.–Meevallende uitgaven mogen niet worden ingezet voor nieuw beleid en intensiveren van staand beleid.–Als het kabinet meer wilt uitgeven aan een bepaalde beleidsopgave, moet hiervoor worden omgebogen op andere beleidsmatige uitgaven op de begroting(en) waar de opgave zich voordoet.7Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 –In alle bovenstaande gevallen geldt dat afstemming met het ministerie van Financiën vereist is alvorens besluitvorming in de onderraden en de ministerraad plaatsvindt. Extra of nieuwe uitgaven en bijbehorende dekking dienen in dezelfde budgettaire nota gemeld te worden.Deze regels budgetdiscipline worden ook toegepast op de afzonderlijke begrotingen binnen de Rijksbegroting. Door een dreigende overschrijding binnen dezelfde begroting te dekken wordt overschrijding van het uitgavenkader voorkomen. Alleen de ministerraad (MR) kan besluiten hiervan af te wijken en compensatie te vinden op andere begrotingen. Het uitgangspunt is dat de opbrengst van een compenserende maatregel in ieder jaar gelijk is aan de problematiek. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, kan compensatie in de tijd voor- of achterlopen op de problematiek. Zie ook bijlage afbakening uitgavenkader en generale mutaties voor een uitgebreide toelichting.Het komt voor dat departementen budgetten uit een bepaald jaar willen inzetten in een ander jaar. Het doorvoeren van een dergelijke wijziging heet een kasschuif en kan ook plaatsvinden over meerdere jaren. Voor kasschuiven geldt dat de budgetten die worden geschoven dienen te worden ingepast onder het uitgavenkader, dat de som van de totale schuif uitkomt op nul en dat de kasschuif enkel kan plaatsvinden binnen de reguliere meerjarenperiode van t+5 jaar.1.1.4.4 Generale uitgavenmutatiesVoor enkele categorieën binnen de uitgavenmutaties geldt dat mee- of tegenvallers niet ten gunste of laste komen van de departementale begroting, maar van het generale beeld. Generale dossiers en per saldo tegenvallers dienen te worden ingepast onder het uitgavenkader. Het betreft onder andere de autonome mutaties in het rendement op het vermogen van de Staat, bijvoorbeeld dividenden. Zo levert het een departement geen budgettaire ruimte op als rendementen op vermogen tijdelijk hoog zijn, maar staat een departement ook niet zelf aan de lat bij tegenvallende rendementen. Bijlage 1 bevat een totaaloverzicht van de generale uitgavenmutaties.1.1.4.5 Realistisch ramenRamingen aan de uitgavenkant dienen realistisch te zijn. Deze worden waar nodig bij de start van de kabinetsperiode herijkt en in een realistisch kasritme geplaatst waarbij rekening wordt gehouden met de uitvoeringskracht van de Rijksoverheid en de arbeidsmarkt. Aangezien voor het schuiven van budgetten binnen investeringsfondsen afwijkende regels gelden ten opzichte van reguliere uitgaven, is het zeker bij investeringsfondsen van belang om oog te hebben voor het realiteitsgehalte van de begroting. In het geval van een opvallend of afwijkend ritme dient extra uitleg te worden gegeven over de onderbouwing van het ritme.1.1.4.6 Eindejaarsmarge ter voorkoming van ondoelmatige besteding8Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 De maximale eindejaarsmarge is 1 procent van de bruto-uitgaven op stand ontwerpbegroting (inclusief Nota’s van Wijziging en amendementen, exclusief HGIS). De maximale eindejaarsmarge wordt gecommuniceerd in de vaststellingsbrieven rondom LPO, extrapolatie en eindejaarsmarge in het najaar.1.1.4.7 Indexatie van het uitgavenkaderHet uitgavenkader wordt aan het begin van de kabinetsperiode vastgesteld inclusief de nominale ontwikkeling. De hoogte van het uitgavenkader wordt gedurende de kabinetsperiode aangepast aan de onafhankelijke indices voor loon- en prijsontwikkelingen van het CPB. In het voorjaar volgen die uit het CEP en in augustus uit de MEV.Op deze manier gelden de afspraken over de voorzieningen die de overheid aanbiedt onafhankelijk van de loon- en prijsontwikkeling van de uitgaven die hiermee samenhangen. Beleidsmatige beslissingen die betrekking hebben op de loon- en prijsbijstelling van de overheid moeten wel onder het uitgavenkader worden gedekt. De indexatie van het uitgavenkader voor het lopende jaar wordt definitief vastgesteld bij Voorjaarsnota. Daarmee zorgt indexatie ervoor dat de voorzieningen die de overheid aanbiedt niet afhankelijk zijn van de ontwikkeling van de lonen en prijzen, maar enkel van de beleidskeuzes die worden gemaakt.1.1.4.8 Meerjarencijfers en extrapolatieDe meerjarenperiode bestaat uit het begrotingsjaar (januari tot en met december) en de vijf daaropvolgende jaren. Bij het beleidsarm extrapoleren van meerjarencijfers wordt rekening gehouden met bestaande wettelijke regelingen. Zie bijlage 3 voor een uitgebreide toelichting hierop.De begrotingen worden gebaseerd op de macro-economische cijfers uit het CEP en de MEV. Alle uitgavenmutaties die onder het uitgavenkader vallen moeten elkaar compenseren tijdens en na de kabinetsperiode. Daarmee worden de kosten van een uitgave altijd meegewogen bij de integrale afweging, zodat de rekening niet buiten beschouwing blijft of wordt doorgeschoven naar volgende generaties. Zo blijven de overheidsfinanciën ook voor komende generaties beheersbaar.1.1.4.9 RisicoregelingenRegelingen zoals garanties, achterborgstellingen en leningen brengen een voorwaardelijke financiële verplichting met zich mee die voor risico’s voor de begroting zorgen. Om deze reden geldt voor deze regelingen een ‘nee, tenzij beleid’. Voorstellen voor nieuwe risicoregelingen en aanpassingen in bestaande regelingen zijn onderdeel van het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar en onderhevig aan een beleidskader. Zie bijlage 5 voor een uitgebreide toelichting.1.1.4.10 Overschrijding van verplichtingenEen overschrijding van de verplichtingen boven het vastgestelde bedrag is alleen toegestaan indien (en voor zover) de kaseffecten daarvan passen, dan wel opgevangen kunnen worden binnen de voor het begrotingsjaar afgesproken (kas)ramingen en de bijbehorende meerjarencijfers en het gewijzigde verplichtingenbudget aan beide Kamers der Staten-Generaal ter autorisatie is voorgelegd.9Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 1.1.5 Begrotingsregels ten behoeve van beheersing van inkomstenDe inkomstenkant van de begroting mag mee-ademen met de conjunctuur, zodat beleidsmatige lastenverzwaringen in tijden van recessie niet nodig zijn (automatische stabilisatie). Om dat te bewerkstelligen worden de niet-conjuncturele inkomsten, dus de beleidsaanpassingen, in de Startnota voor de duur van de kabinetsperiode in het inkomstenkader vastgelegd. Een beleidsmatige lastenverlichting gedurende de kabinetsperiode dient dus in hetzelfde jaar gecompenseerd te worden door een even grote lastenverzwaring. Hiermee draagt het inkomstenkader bij aan zowel budgettaire beheersing als automatische stabilisatie.1.1.5.1 Reikwijdte, dekking en kadercorrecties in het inkomstenkaderDe regels rondom de reikwijdte van het inkomstenkader zijn vastgelegd en toegelicht in bijlage afbakening en regels inkomstenkader. Voor dekking geldt dat beleidsmatige aanpassingen in hetzelfde jaar gedekt dienen te worden. Om te voorkomen dat rekeningen worden doorgeschoven, worden beleidswijzigingen met structurele budgettaire consequenties na de kabinetsperiode ook structureel gedekt. Het inkomstenkader wordt in principe niet tussentijds aangepast, nadat erover is besloten in de formatie en is vastgelegd in het regeerakkoord en de Startnota. Omdat niet alles te voorzien is gelden enkele uitzonderingen, die aanpassingen mogelijk maken (kadercorrecties). Ook deze zijn toegelicht in bijlage afbakening en regels inkomstenkader.1.1.5.2 Statistisch effect, gedragseffect en kruiselasticiteitenVoor het inkomstenkader is het statische effect van fiscale beleidswijzigingen relevant. Het statische effect is het effect van een beleidsmatige tariefswijziging bij gelijkblijvende grondslag of het effect van een beleidsmatige grondslagwijziging bij gelijkblijvend tarief. Mutaties in het inkomstenkader worden geboekt op transactiebasis.Daar waar relevant, telt ook het eersteordegedragseffect mee in het inkomstenkader. Dit zijn directe effecten op de grondslag van de belasting waar de maatregel betrekking op heeft. Dit leidt tot een meer realistische inschatting van de effecten van een tariefswijziging en daarmee tot een betere afweging. Ook wordt rekening gehouden met direct samenhangende fiscale kruiselasticiteiten wanneer die van toepassing zijn. Met kruiselasticiteiten tussen een beleidswijziging aan de uitgavenkant (waaronder normerende maatregelen) en de fiscaliteit wordt geen rekening gehouden tenzij dit leidt tot mogelijk ondoelmatige keuzes of onbedoelde uitkomsten1. Een stimulans, zowel aan de inkomsten- als aan de uitgavenkant, van elektrisch rijden kan bijvoorbeeld ook (andere) autogerelateerde belastingen substantieel beïnvloeden.1.1.5.3 Herijken van inkomstenmaatregelen1 Met de term ‘ondoelmatige keuzes of onbedoelde uitkomsten’ wordt bedoeld dat de inconsistentie in de regels dusdanig groot is, dat een ineffectieve beleidsoptie toch beter scoort dan een effectieve optie. Hierbij is in ieder geval sprake, maar niet uitsluitend, wanneer de kosten/baten van het kruiseffect van de beleidsoptie de directe kosten/baten geheel domineren. In de praktijk betekent dit dat indien er sprake is van nietfiscaal beleid dat een direct effect heeft op de grondslag van een heffing dan wel via een inhoudelijke relatie die grondslag beïnvloedt, er ruimte is om te bezien of 1) dit voldoende budgettair significant is om mee te wegen in de kosten van de maatregel en 2) noodzakelijk is om een eerlijke afweging tussen verschillende instrumenten mogelijk te maken. Een besluit hierover wordt gemaakt door de minister van Financiën.10Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Op het moment dat inkomstenmaatregelen in wetgeving worden omgezet, worden de budgettaire effecten van de maatregelen eenmalig herijkt. Bij het herijken worden de laatste (economische) inzichten meegenomen om te zorgen voor een zo accuraat mogelijke raming. Het verschil tussen de herijkte raming en de oorspronkelijke raming bij Startnota of bij de oorspronkelijke raming van een gedurende de kabinetsperiode genomen beleidsmaatregel dient gecompenseerd te worden binnen het inkomstenkader.1.1.5.4 Omgang met intertemporele effectenVoor maatregelen waar de omkeerregel van toepassing is- maatregelen met intertemporele effecten waarbij op korte termijn sprake is van lagere belastinginkomsten en op langere termijn hogere belastingontvangsten en omgekeerd, is de contante waarde van de langjarige kasstroom relevant voor het inkomstenkader. De omkeerregel wordt bijvoorbeeld toegepast bij pensioenpremies en pensioenuitkeringen. Met het dekken van maatregelen via de omkeerregel moet terughoudend worden omgegaan om een uitholling van de belastinggrondslag en omzeiling van het inkomstenkader te voorkomen. Bij de toepassing van de omkeerregel moeten de belastinginkomsten op langere termijn voldoende zijn verzekerd en is de contante waarde van de langjarige kasstroom relevant voor het inkomstenkader.1.1.5.5 Zvw premies en Zvw uitgavenDe Zvw-premies maken deel uit van het inkomstenkader. Een per saldo meevaller in de uitgaven aan de Zorgverzekeringswet wordt, na saldering met eventuele tegenvallers elders in de zorg en op de VWS-begroting, ingezet voor lastenverlichting via een verlaging van de premies. In het geval dat er sprake is van een meevaller aan de uitgavenzijde, wordt tegenover de lagere zorgpremies geen compenserende lastenverhoging gesteld. In dit geval wordt een kadercorrectie toegepast. In het geval dat er sprake is van een kaderrelevante tegenvaller aan de uitgavenzijde wordt dit opgelost binnen het uitgavenkader en worden aan de inkomstenkant de lasten met hetzelfde bedrag verlaagd. In principe wordt dit ingevuld met compenserende bijstellingen elders die zo goed mogelijk aansluiten bij de doelgroep. De compensatie in het inkomstenkader wordt in het voorjaar, tegelijkertijd met de uitgavenkant, naar buiten toe gecommuniceerd.1.1.5.6 GrondslagerosieGrondslagerosie (afnemende grondslag bij een belastingsoort) bij nieuw beleid dient te worden gedekt in het inkomstenkader voor een periode van t+5 jaar vanaf het moment van invoering (t) van de maatregel en dient in dit laatste jaar vervolgens als structureel te worden beschouwd. Bij invoering verspreid over meerdere jaren is t het laatste jaar van de invoeringsperiode.1.1.5.7 Europese heffingen in het inkomstenkaderEuropese heffingen, waaronder het ETS, zijn relevant voor het inkomstenkader indien en voor zover deze een netto-effect hebben op de Nederlandse begroting.1.1.5.8 Omgang met fiscale regelingen11Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 De budgettaire ontwikkeling van fiscale regelingen aan de inkomstenkant, zoals vrijstellingen, aftrekposten en verlaagde tarieven die de belastingopbrengst verlagen, wordt jaarlijks gemonitord in de Miljoenennota. Substantiële opwaartse afwijkingen ten opzichte van het verwachte niveau aan het begin van de kabinetsperiode en relatief hoge endogene groei, worden in de monitoring apart benoemd en geven in beginsel aanleiding voor het nemen van maatregelen. Voor alle nieuwe regelingen aan de inkomstenkant dient een toetsingskader te worden doorlopen. Ook vinden evaluaties plaats van fiscale regelingen volgens een evaluatieprogrammering die in de Miljoenennota en begrotingen wordt gepubliceerd. Indien een fiscale regeling negatief geëvalueerd wordt, is het uitgangspunt om deze regeling te af te schaffen of aan te passen. Alle regels rondom fiscale regelingen zijn vastgelegd in bijlage beheersing fiscale regelingen.1.2 Bijlage afbakening uitgavenkader en generale mutatiesUitgavenmutaties buiten het uitgavenkaderVoor de volgende uitgaven geldt een uitzondering op het uitgangspunt dat uitgaven die EMU-saldorelevant zijn ook kaderrelevant zijn. Dit zijn dus EMU-relevante uitgaven die niet onder het uitgavenkader worden geplaatst:–De rentelasten op de staatsschuld;–Het Diergezondheidsfonds;–Veilingopbrengsten;–Het consolidatiesaldo voor Rijksdiensten met een baten-lastenstelsel;–De budgettaire effecten van de omvorming ProRail tot ZBO;–Rijksbijdragen en rentebetalingen aan de sociale fondsen en premiebijdragen zijn - om boekhoudkundige dubbeltellingen te voorkomen - niet relevant voor het uitgavenkader;–Interventies in de financiële sector en de afbouw hiervan tellen niet mee voor het uitgavenkader of inkomstenkader. Dit geldt ook voor maatregelen genomen met het oog op de financiële stabiliteit van het eurogebied;–De uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland.Bepaalde uitgavenmutaties vallen binnen het inkomstenkader en tellen op die wijze mee voor het EMU-saldo. Hierdoor worden deze buiten het uitgavenkader geplaatst:–De zorgtoeslag, ETS-opbrengsten, COVA-heffing, de belasting en invorderingsrente (BIR), nabetaling ODE;–Nederland heft invoerrechten namens de EU. Dit is een budgetneutrale transactie. Daarom vallen de EU-invoerrechten niet onder het inkomstenkader en worden de invoerrechten ook (na aftrek van de perceptiekosten) buiten het uitgavenkader geplaatstUitgavenmutaties waar het uitgavenkader voor wordt gecorrigeerd:Voor bepaalde uitgavenmutaties wordt het uitgavenkader gecorrigeerd. Dit kan het gevolg zijn van beleidsmatige besluitvorming of van statistische ontwikkelingen. Het betreft de volgende uitgaven:–Mutaties in de loon- en prijsontwikkeling (zie ook paragraaf 4.7);–Mutaties als gevolg van het valutarisico van Defensie die zich voordoen op het Defensiematerieelbegrotingsfonds;12Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 –Werkloosheids- en bijstandsuitgaven (WW en WWB) die niet het gevolg zijn van beleidsmatige keuzes. Dit voorkomt noodzakelijke ombuigingen in slechte economische tijden en budgettaire ruimte in tijden van economische voorspoed en draagt zo bij aan automatische stabilisatie.Overige uitgavenmutaties met een afwijkende behandelingVoor nieuwe of geïntensiveerde geldstromen naar gemeenten en provincies geldt dat het vakdepartement zorgt en is verantwoordelijk voor een volledige dekking van de geldstroom inclusief de btw-component. Voorafgaand aan de verstrekking van de nieuwe of geïntensiveerde geldstroom toets het vakdepartement of er sprake is van compensabele btw. Indien dit het geval is stemt zij de hoogte van de btw-component af met de gemeente(n) en/of provincie(s) in kwestie. Deze btw-component moet vervolgens door het vakdepartement afgedragen worden aan de begroting van het BTW-compensatiefonds (BCF); de nieuwe of geïntensiveerde geldstroom exclusief compensabele btw wordt verstrekt aan de betreffende gemeente(n) en/of provincie(s). De hoogte van de btw-component wordt vooraf vastgesteld en de overdracht aan het BCF vindt gelijktijdig met de verstrekking aan gemeente(n) en/of provincie(s) plaats. Achteraf vinden er geen correcties plaats.Generale uitgavenmutatiesHet uitgangspunt dat compensatie van mutaties plaats moet vinden binnen de departementale begroting, geldt niet voor mutaties in enkele uitgavencategorieën. Dit zijn de generale dossiers. Hiertoe behoren:–Mutaties in het rendement op het vermogen van de Staat;–Mutaties in de delfstofbaten (waaronder gasbaten en NORG)2–Boetes en transacties op de JenV-begroting; – Afpakken op de JenV-begroting;–Bewaken en Beveiligen op de JenV-begroting;–Mutaties voor asiel op de JenV-begroting; 2 Subsidie-elementen in opbrengsten uit staatsvermogen (rente, dividend, delfstofbaten en veilingopbrengsten) die mogelijk gederfde opbrengsten impliceren, dienen vooraf inzichtelijk te zijn gemaakt met het oog op de integrale afweging tijdens het hoofdbesluitvormingsmoment.–Autonome mutaties van de rente op studieleningen;–Mutaties in het kader van de MH17 ramp;–Mutaties in budgetten waarvoor een rekenregel (niet zijnde de macro-economische doorwerking) geldt, hieronder vallen onder andere de EU-afdrachten en de ontwikkeling van het gemeente- en provinciefonds;–Mutaties als gevolg van het valutarisico op de begroting van Koninkrijkrelaties;–Mutaties voor onvoorziene uitgaven die noodzakelijk zijn om een grotere generale baat te realiseren.Door deze uitgaven afwijkend te behandelen krijgt een departement geen budgettaire ruimte als rendementen op vermogen tijdelijk hoog zijn, maar staat een departement ook niet zelf aan de lat bij tegenvallende rendementen. Ook ontstaan er voor departementen geen budgettaire voor- of nadelen als zij worden geconfronteerd met mee- of tegenvallers waar zij zelf geen invloed op hebben. Voor andere onvoorziene grotere 2 Subsidie-elementen in opbrengsten uit staatsvermogen (rente, dividend, delfstofbaten en veilingopbrengsten) die mogelijk gederfde opbrengsten impliceren, dienen vooraf inzichtelijk te zijn gemaakt met het oog op de integrale afweging tijdens het hoofdbesluitvormingsmoment.13Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 gebeurtenissen kan gelden dat budgettaire effecten in de praktijk niet in te passen zijn op departementale begrotingen. De MR kan dan desgewenst in deze gevallen gemotiveerd besluiten tot generale behandeling.1.3 Bijlage afbakening en regels inkomstenkaderVoor het inkomstenkader zijn beleidswijzigingen in belastingen en wettelijke premies relevant.Belastingen zijn daarbij gedefinieerd als een verplichte betaling aan een overheid, zonder dat daar een directe tegenprestatie tegenover staat. Boetes en retributies vallen niet onder de definitie van het inkomstenkader. Hoewel wettelijke premies strikt genomen niet altijd aan alle voorwaarden voldoen (bijvoorbeeld nominale zorgpremies die aan zorgverzekeraars betaald worden), tellen deze wel mee voor het inkomstenkader. Fiscale regelingen tellen mee voor het inkomstenkader en toeslagen niet (behalve de zorgtoeslag die wel relevant is voor het inkomstenkader). Ook de budgettaire gevolgen van gerechtelijke uitspraken tellen mee voor het inkomstenkader. Indien een derving door een uitspraak in de toekomst optreedt, kan beoogd worden deze te voorkomen door reparatiewetgeving. In gevallen waarin een forse budgettaire derving optreedt die betrekking heeft op meerdere jaren uit het verleden, kan ervoor gekozen worden de dekking hiervoor ook over meerdere jaren te verspreiden (indien gerichte dekking bij de belanghebbenden niet mogelijk is).Het uitgangspunt van het inkomstenkader is om de lasten toe te rekenen aan het moment van beleidswijziging (transactiebasis).Dat betalingen van bepaalde belastingsoorten op kasbasis pas later binnenkomen (bijvoorbeeld bij de inkomensheffing of vennootschapsbelasting), is wel relevant voor het EMU-saldo, maar niet voor het inkomstenkader. Voor maatregelen die leiden tot anticipatiegedrag of significante kasschuiven (bijvoorbeeld een verhoging van het box 2-tarief), kan voor het inkomstenkader gebruik gemaakt worden van een vlakke reeks op basis van de netto contante waarde. Dit voorkomt instabiel beleid dat nodig zou zijn om de forse gevolgen op kasbasis van bepaalde maatregelen jaarlijks te dekken. Tot slot zijn ook herijkingen van maatregelen lastenrelevant binnen het inkomstenkader, mits de herijking plaatsvindt voor de publicatie van het wetsvoorstel (of zo spoedig mogelijk daarna indien de termijn voor certificering anders te kort is).Hoewel het inkomstenkader in principe wordt vastgelegd aan het begin van de kabinetsperiode, zijn kadercorrecties onder bepaalde voorwaarden mogelijk. Bij een kadercorrectie wordt het inkomstenkader verhoogd of verlaagd, zodat er meer lastenverzwaring of lastenverlichting plaats kan vinden dan afgesproken bij de Startnota. Dit is toegestaan in uitzonderingssituaties waarin inkomsten en uitgaven niet gescheiden zijn. Dit geldt bij grote hervormingen waarin een collectief arrangement op een andere wijze wordt vormgegeven met mutaties aan zowel uitgaven- als inkomstenzijde. Daarnaast kan er sprake van zijn bij significante beleidswijzigingen aan de inkomstenkant, die een (zeer) beperkte doorwerking hebben aan de uitgavenkant (bijvoorbeeld de uitvoeringskosten van belastingmaatregelen). Indien in dat soort gevallen het inhoudelijk logischer en doelmatiger is om dekking voor die doorwerking te vinden aan de inkomstenkant, kan daarvoor een kadercorrectie toegepast worden. Voor de begrotingssystematiek zijn deze kadercorrecties van belang, maar deze correcties zijn niet relevant voor de ervaren lastenontwikkeling van burgers en bedrijven en tellen dus niet mee voor de beleidsmatige lastenontwikkeling.Inkomstenkader en beleidsmatige lastenontwikkeling (blo)14Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 De beleidsmatige lastenontwikkeling, onderverdeeld in burgers, bedrijven en buitenland geeft inzicht in het deel van de lasten dat wordt verlicht of verzwaard als gevolg van beleidskeuzes. De blo volgt het inkomstenkader, met de volgende uitzonderingen:1.In het inkomstenkader telt ook de zorgtoeslag mee, terwijl die niet in de blodefinitie zit.2.Premiebijstellingen van zorgverzekeraars na de MEV-raming tellen niet meer mee in het inkomstenkader, maar wel in de blo.3.Regelingen aan de uitgavenzijde van de begroting die via het fiscale instrumentarium worden verrekend met belastingen zijn niet relevant voor het inkomstenkader, maar wel voor de blo.4.Gerechtelijke uitspraken met fiscale consequenties tellen voor het inkomstenkader mee in het jaar dat derving optreedt, maar worden voor de blo teruggelegd naar het jaar waar ze betrekking op hebben.1.4 Bijlage eindejaarsmarge en opbouw van meerjarencijfers en extrapolatieEindejaarsmarge–De maximale eindejaarsmarge is 1 procent van de bruto-uitgaven op stand ontwerpbegroting (inclusief Nota’s van Wijziging en amendementen, exclusief HGIS). Begrotingsfondsen hebben een onbeperkte eindejaarsmarge.–De definitieve omvang van de eindejaarsmarge wordt bepaald op basis van de slotwet. Het kabinet besluit bij het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar over het al dan niet uitkeren van de eindejaarsmarge. Dit wordt verwerkt in de voorjaarsnota.–Gelijktijdig met het toevoegen van de eindejaarsmarge bij Voorjaarsnota wordt, onder de veronderstelling dat ook het komende jaar gebruik zal worden gemaakt van de eindejaarsmarge, op een aanvullende post een ramingstechnische veronderstelling van onderuitputting opgenomen (de zogenoemde in=uittaakstelling). De combinatie van de toevoeging aan de begrotingen en de ramingstechnische veronderstelling zorgt dat per saldo het totale uitgavenbeeld niet wijzigt. Onderuitputting die optreedt na de Voorjaarsnota kan worden ingezet om de in=uittaakstelling te vullen.–Bij begrotingsfondsen wordt conform artikel 2.11, vierde lid van de CW, het jaarsaldo ten laste dan wel ten gunste van het daaropvolgende jaar gebracht. Dit betekent dat alleen voor begrotingsfondsen een eindejaarsmarge van 100 procent geldt.Meerjarencijfers en extrapolatieDe ramingen van de uitgaven voor het begrotingsjaar en elk van de vijf daaropvolgende jaren (de meerjarenramingen) bestaan uit:–De uitgaven die voortvloeien uit verplichtingen die zijn aangegaan tot en met het lopende begrotingsjaar of in dat jaar zullen worden aangegaan;–De uitgaven die voortvloeien uit verplichtingen die in het eerstvolgende begrotingsjaar zullen worden aangegaan;–De uitgaven die voortvloeien uit verplichtingen die in de jaren volgend op het eerstvolgende begrotingsjaar moeten worden aangegaan, omdat deze een technisch noodzakelijke voortzetting vormen van reeds eerdere aangegane verplichtingen;–De overige verplichtingen, voortvloeiend uit bestaand beleid of afspraken op kabinets- of ministerieel niveau die in de jaren volgend op het eerstvolgend begrotingsjaar worden aangegaan.15Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Voor het extrapoleren van de meerjarencijfers gelden de volgende uitgangspunten:1.Bij de ramingen wordt rekening gehouden met bestaande wettelijke regelingen. Het extrapolatiejaar voor de departementale begrotingen en fondsen wordt beleidsarm geëxtrapoleerd. De demografische ontwikkeling is bepalend voor het beleidsarm extrapoleren. In alle gevallen moet het gaan om aan te gane verplichtingen en daaruit voortvloeiende uitgaven op grond van de voortzetting van bestaand of ongewijzigd beleid, of om uitgaven die door expliciete besluiten van de minister van Financiën of het kabinet zijn geaccordeerd. Indien bestaand beleid niet noodzakelijkerwijze impliceert dat nieuwe verplichtingen worden aangegaan (bijvoorbeeld bij projecten of eenmalige investeringen), dient te worden verondersteld dat geen nieuwe verplichtingen worden aangegaan, tenzij is besloten om het beleid te continueren. Voor de economische groei wordt aangesloten bij de recentste MLT-raming van het CPB.Het extrapolatiejaar wordt kwantitatief (met prestatiegegevens) onderbouwd. Wanneer geen expliciete andersluidende afspraken bestaan, dienen het volume en de prijs die ten grondslag liggen aan de ramingen, constant gehouden te worden. Het extrapolatiejaar wordt ook kwalitatief (welke programma's, projecten, bijdragen, etc.) onderbouwd. De ramingen dienen te zijn gebaseerd op het in ongewijzigd tempo realiseren van meerjarige projecten.Wanneer reeds is afgesproken dat instrumenten een afloop kennen, dient deze afloop tot uiting te komen in de extrapolatie.2.Bij de extrapolatie van de uitgekeerde loon- en prijsontwikkeling op begrotingsfondsen waarvan de begrotingshorizon langer is dan de reguliere begrotingshorizon van t+5, geldt de volgende systematiek: voor de jaren na t+5 wordt de jaarlijkse grondslag vermenigvuldigd met de betreffende loon- en prijsindices uit het jaar t zoals volgens reguliere systematiek. Zo wordt ook op deze begrotingsfondsen een realistische inschatting van de loon- en prijsbijstelling gemaakt.KasschuivenUitgaven hebben over het algemeen een terugkerend karakter en worden daarom middels het uitgavenkader beheerst per jaar. Voor investeringsuitgaven met een eenmalig karakter die over meerdere jaren plaatsvinden, is de beheersing van het totaalbedrag relevanter dan het bedrag per jaar. Voor investeringsuitgaven kwalificeren enkel de investeringen uit de volgende begrotingsfondsen:–het Mobiliteitsfonds;–het Deltafonds;–het Defensiematerieelbegrotingsfonds;Voor de uitgaven binnen begrotingsfondsen geldt dat middelen vrij naar latere jaren mogen worden geschoven, bijvoorbeeld als een investeringsproject vertraging oploopt, mits de Europese begrotingsregels hier ruimte voor bieden.1.5 Bijlage beheersing fiscale regelingenRichtlijnenOnder fiscale regelingen verstaan we regelingen die aan de volgende richtlijnen voldoen:16Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 –De regeling heeft een beoogd beleidsdoel (bijvoorbeeld het stimuleren van een bepaalde activiteit), anders dan de algemene doelstelling van het belastingmiddel waar de regeling betrekking op heeft.–De regeling leidt per saldo tot een beoogde derving van overheidsinkomsten, al dan niet in samenhang bezien met gerelateerde regelingen op hetzelfde terrein.BeheersingskaderHet budgettaire belang van fiscale regelingen valt niet onder een met uitgaven vergelijkbaar strikt beheersingskader. Beleidsmatige mutaties aan de inkomstenkant en nieuwe fiscale regelingen worden geboekt onder het inkomstenkader.Toetsing fiscale regelingenVoor de introductie van nieuwe dan wel substantiële wijzigingen van bestaande fiscale regelingen en de evaluatie van fiscale regelingen geldt een verplicht toetsingskader, zoals opgenomen in de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV). Met behulp van het toetsingskader kan worden afgewogen of (de intensivering van) een fiscale regeling de voorkeur heeft.Indien een fiscale regeling negatief geëvalueerd wordt, is het uitgangspunt om deze regeling af te schaffen of zodanig aan te passen dat tegemoet wordt gekomen aan de aanbevelingen van de evaluatie. Indien de wens is om deze fiscale regeling toch te handhaven, dient de minister op wiens begroting de regeling staat de reden hiervoor toe te lichten in een kabinetsreactie aan de Kamer. Hierin dient expliciet te worden ingegaan op waarom de regeling niet wordt afgeschaft of aangepast.Indien uit de evaluatie blijkt dat een fiscale regeling beter aan de uitgavenzijde kan worden vormgegeven is het uitgangspunt om de fiscale regeling conform de aanbeveling te verplaatsen. Indien de wens is om deze fiscale regeling toch te handhaven als fiscale regeling, dient de minister op wiens begroting de regeling staat de reden hiervoor toe te lichten in een kabinetsreactie aan de Kamer. Hierin dient expliciet te worden ingegaan op de reden om de regeling als fiscale regeling te handhaven.Negatief geëvalueerde fiscale regelingen zijn regelingen die niet doelmatig en/of doeltreffend zijn, of niet door het toetsingskader fiscale regelingen komen.Bij fiscale regelingen die niet overwegend positief worden geëvalueerd, of waarbij het moeilijk is om conclusies te trekken over de doeltreffend- en doelmatigheid, dient in de kabinetsreactie ingegaan te worden op de achtergrond hiervan en de mogelijkheden een dergelijke niet doorslaggevende evaluatie-uitkomst in de toekomst te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door de doelstelling aan te scherpen of door relevante data te verzamelen over de regeling.HorizonbepalingenHorizonbepalingen worden bij nieuwe regelingen in principe ingevoerd. Bij bestaande regelingen die recent geëvalueerd zijn, wordt in principe een horizonbepaling opgelegd indien het doel van tijdelijke aard is en/of 17Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 er sprake is van een negatieve of discutabele evaluatie-uitkomst. Na een nieuwe evaluatie volgt een nieuwe weging. Er kan afgeweken worden van deze regel indien er goede redenen voor zijn, zoals:–Regelingen die volgen uit Europese verplichtingen of internationale verdragen–Regelingen met als doel om de uitvoering makkelijker te maken–Regelingen die deel uitmaken van of nauw verbonden zijn aan de primaire heffingsstructuur–Regelingen waarvan de afschaffing een disproportionele impact op doelgroep teweeg zou brengen of waarbij de toevoeging van een horizonbepaling het beleidsdoel zou ondergraven, bijvoorbeeld wanneer een regeling alleen het gewenste effect kan hebben als deze voor een langere periode bestaat.In het geval bij afloop van de horizonbepaling blijkt dat realisaties afwijken van de verwachting bij invoering van de regeling, dan is de afwijking bij voorzetting van de regeling relevant voor het inkomstenkader.Wanneer een automatische beëindiging van de fiscale regeling niet voor de hand ligt, kan een budgettaire bepaling worden ingevoerd. Dit betekent dat na een bepaalde horizon de budgettaire afwijking (gecorrigeerd voor inflatie en een onbenulligheidsmarge) van de regeling relevant is voor het inkomstenkader. Deze budgettaire bepalingen worden in principe alleen bij nieuwe regelingen ingevoerd en in kabinetsreacties bij recent geëvalueerde regelingen. De regelingen die geen horizonbepaling opgelegd krijgen, kunnen daarmee een budgettaire bepaling opgelegd krijgen. Uitzonderingen hierop zouden kunnen zijn:–Regelingen die volgen uit Europese verplichtingen of internationale verdragen–Regelingen die deel uitmaken van of nauw verbonden zijn aan de primaire heffingsstructuur (aftrek kosten onderhoudsverplichting, algemene heffingskorting)–Regelingen die een budgettair belang van kleiner dan 5 miljoen hebbenMonitoring van individuele fiscale regelingenDe budgettaire ontwikkeling van fiscale regelingen aan de inkomstenkant zoals vrijstellingen, aftrekposten en verlaagde tarieven die de belastingopbrengst verkleinen, wordt jaarlijks gemonitord in de Miljoenennota. Substantiële opwaartse afwijkingen van het verwachte niveau aan het begin van de kabinetsperiode en relatief hoge endogene groei in de kabinetsperiode worden in de monitoring apart benoemd en geven in beginsel aanleiding tot het nemen van maatregelen om beter aan te sluiten bij het eerder geraamde budget.EvaluatiesDe maatregelen die in bijlage 9 van de Miljoenennota genoemd staan hebben een evaluatieverplichting. Bijlage 10 niet. Het departement op wiens begroting de fiscale regeling (extracomptabel) vermeld staat, is verantwoordelijk voor een tijdige uitvoering van de evaluatie.De criteria voor uitzonderingen van deze regel kunnen zijn:–Als een regeling al is geëvalueerd en er geen nieuwe informatie voorhanden is, kan de evaluatie worden uitgesteld, veel informatie is immers al beschikbaar. De verantwoordelijke departementen kunnen in overeenstemming met de toezichthouder op fiscale regelingen beslissen 18Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 om middels een kabinetsreactie de evaluatietermijn met maximaal 4-7 jaar op te schorten. In de kabinetsreactie worden de conclusies van de vorige evaluatie opgenomen en de reden toegelicht waarom die conclusies nog steeds gelden en naar verwachting ook voor de komende maximaal 4-7 jaar.–Dit kan besloten worden wanneer er sinds vorige evaluatie geen beleidswijzigingen of nieuwe informatie over de regeling voorhanden is. Hierdoor kan capaciteit ingezet worden op die plekken waar dat het meest nodig is.Naast bovenstaande punten worden de evaluaties geprioriteerd op basis van criteria, zoals:–Databeschikbaarheid–Nieuwe informatie zoals beleidswijzigingen–Beleidsinformatiebehoefte–Budgettair belangDe evaluatie zelf wordt binnen 4 weken na oplevering gepubliceerd met een begeleidende brief waarin wordt aangekondigd dat het kabinet aan de slag gaat met de evaluatieresultaten en uiterlijk bij het volgende besluitvormingsmoment met een kabinetsreactie komt. Hier kan alleen gemotiveerd van worden afgeweken. De behandeling van de evaluaties van fiscale regelingen is bij voorkeur tijdens de voorjaarsbesluitvorming.1.6 Bijlage beleidskader risicoregelingenHet beleidskader risicoregelingen ziet toe op alle nieuwe en bestaande risicoregelingen die tussen een organisatie van de rijksoverheid en een organisatie buiten de ‘sector overheid’3 zijn overeengekomen. Onder risicoregelingen worden verstaan: (in)directe garanties en leningen.Besluitvorming over een nieuwe en of aanpassing van een bestaande risicoregeling gebeurt aan de hand van het ‘toetsingskader risicoregelingen’. Voor de besluitvorming over risicoregelingen gelden de volgende voorwaarden:1.Over nieuwe risicoregelingen, dan wel de aanpassingen in bestaande regelingen, moet besluitvorming plaatsvinden in de ministerraad (MR). Besluitvorming over risicoregelingen gebeurt in principe bij het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar.2.Voornemens tot het opzetten van nieuwe risicoregelingen of wijzigingen van bestaande risicoregelingen worden tijdig kenbaar gemaakt aan het ministerie van Financiën. Deze voornemens worden besproken in de beleidsbrief. Dit ten behoeve van ordentelijke besluitvorming omtrent risicoregelingen.3.Het ministerie van Financiën dient akkoord te zijn met het ingevulde toetsingskader dat vervolgens ter besluitvorming voorgelegd wordt aan de MR. Na besluitvorming wordt het toetsingskader risicoregeling verzonden aan het parlement en wordt conform de instructies in de rijksbegrotingsvoorschriften periodiek verantwoording afgelegd.Deze voorwaarden worden verder toegelicht in de procesbeschrijving risicoregelingen4die opgenomen is in het Handboek Financiële Informatie en Administratie Rijk (HAFIR) en in de wettenpocket. Tevens wordt het 3 Conform de defintie in European Standard of Accountants 2010. Pagina 44 ESA 201019Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 toetsingskader risicoregelingen gepubliceerd in het HAFIR en in de wettenpocket. De hieronder besproken uitgangspunten vormen de basis voor het toetsingskader risicoregelingen4.Probleemstelling en rol van de overheidHet kabinet betracht zoveel mogelijk terughoudendheid bij het verlengen van bestaande of aangaan van nieuwe financiële risico’s. Echter, soms kan het aangaan van nieuwe financiële risico’s noodzakelijk zijn. Essentieel in de besluitvorming is daarom een adequate beschrijving van het probleem en een beschrijving waarom de voorgestelde risicoregeling het meest doelmatige en doeltreffende beleidsinstrument is in vergelijking met alternatieve beleidsinstrumenten. Het toetsingskader bespreekt wat deze overheidsinterventie legitimeert en of het ter compensatie is van risico’s die niet in de markt kunnen worden gedekt.Risico's en risicobeheersingDe directe en indirecte financiële risico’s die de overheid loopt dienen goed inzichtelijk te worden gemaakt. Daarom wordt een deugdelijke onderbouwing van de directe en indirecte financiële risico’s die de overheid zal gaan dragen gegeven. Daarbij dient inzichtelijk te worden gemaakt welke aannames bij de risico-inschatting zijn gebruikt en waar deze risico-inschatting op gebaseerd is. Dit gebeurt op basis van het maximale risico dat per jaar kan optreden en de precieze kenmerken van het risico dat de regeling moet dekken.Iedere risicoregeling dient eindig te zijn, en het risico dient gemaximeerd te zijn met een plafond. Als gedurende de uitvoering van de risicoregeling sprake blijkt te zijn van een onderbenutting van meer dan 10 procent van het plafond, dan wordt het plafond neerwaarts bijgesteld. Hierop is een uitzondering als aangetoond wordt dat een hoger plafond gerechtvaardigd is, omdat uit het meerjarig gebruik bijvoorbeeld blijkt dat er sprake is van sterke fluctuaties als gevolg van economische ontwikkelingen of omdat het gebruik van de regeling in de toekomst sterk zal toenemen.In het toetsingskader dient ook een beschrijving te worden gegeven van alle risico-mitigerende maatregelen die worden gehanteerd om het risico voor de overheid zoveel mogelijk te beperken. Voorbeelden hiervan zijn het (gedeeltelijk) dekken van het risico (deels) door private financiële instellingen, als overheid beslag leggen op het vermogen van de tegenpartij en maatregelen of risicovoorzieningen die de afnemer van de risicoregeling moet treffen om het risico voor de overheid zoveel mogelijk te beperken.Voor grote en complexe risico’s zal een second opinion gevraagd worden aan een onafhankelijke gespecialiseerde partij ten aanzien van de risico-inschatting en -beheersing en premiestelling. Zowel het beleidsdepartement als het ministerie van Financiën kunnen om dergelijke expertise verzoeken. Het beleidsdepartement draagt hiervoor de kosten.Risicopremie en risicovoorziening en budgettaire verwerking4 Toetsingskader Risicoregelingen Rijksoverheid20Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In het geval wordt besloten tot een risicoregeling wordt er een premie gevraagd die een zo reëel mogelijke weergave vormt van hetrisico. De premie is in principe de optelsom van de verwachte schade, de uitvoeringskosten en een risico-opslag. De verwachte schade wordt bepaald op basis van een onderbouwde raming die bij het ministerie van Financiën wordt voorgelegd.De risico-opslag dient (zoveel mogelijk) overeen te komen met gangbare risicopremies die worden gehanteerd bij vergelijkbare marktactiviteiten. Er worden twee typen risicoregelingen onderscheiden: risicoregelingen met begrote schade en risicoregelingen zonder begrote schade. Voor alle risicoregelingen wordt in de begroting een ontvangstenraming voor de premieontvangsten opgenomen. Voor risicoregelingen met begrote schade wordt tevens een raming van de schade-uitgaven opgenomen.Bij risicoregelingen met begrote schade wordt tevens een risicovoorziening aangemaakt. Dit in de vorm van een begrotingsreserve. Ontvangen premies en niet-gerealiseerde schade-uitgaven worden in principe aan het einde van het begrotingsjaar in de begrotingsreserve gestort. Wanneer schade-uitgaven de uitgavenraming overstijgen, wordt dit tekort gedekt vanuit de begrotingsreserve.Een begrotingsreserve wordt op grond van artikel 2.21 eerste lid van de Comptabiliteitswet in overeenstemming met de minister van Financiën ingesteld. In het instellingsbesluit worden de voorwaarden van de begrotingsreserve opgenomen.Vormgeving en budgettaire inpasbaarheid van de risicoregelingBij nieuwe risicoregelingen en aanpassingen van bestaande regelingen zal er een versobering van (andere) risicoregelingen plaatsvinden. Indien een departement zelf geen risicoregelingen heeft waarmee vrije ruimte voor een nieuwe risicoregeling kan worden gecreëerd, dan kan het departement nieuwe ruimte voor de risicoregelingen organiseren door een substantiële eerste storting in een risicovoorziening (begrotingsreserve).De minister van Financiën zal bij het inrichten van een risicovoorziening voorwaarden stellen. De exacte vormgeving van de risicovoorziening wordt vastgelegd in een brief van het ministerie van Financiën aan het beleidsdepartement.Horizonbepaling en evaluatieIedere risicoregeling kent een horizonbepaling. De standaardtermijn voor een horizonbepaling is vijf jaar.Ten tijde van het bereiken van de horizon uit de horizonbepaling wordt een evaluatie van de risicoregeling uitgevoerd. Daarbij worden de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de risicoregeling onderzocht. De kwaliteitseisen voor dit onderzoek zijn beschreven in de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek.Risicoregelingenbeleid in crisistijdenHet bovenstaande is relevant onder ‘normale’ omstandigheden. Het is mogelijk dat het kabinet bij een zware crisis een ruimhartiger risicoregelingenbeleid voert, omdat garanties en leningen vaak een geschikt instrument 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 zijn om risico’s uit de economie mee op te vangen en over te nemen via de overheidsbegroting. De ‘tenzij-clausule’ is dan noodzakelijkerwijs vaker van toepassing. Crisisgerelateerde risicoregelingen zijn primair bedoeld om de schade aan de economie te beperken, niet om een marktfalen op te lossen, en zijn daarom anders in opzet dan reguliere regelingen. Vereiste is dat ze een tijdelijk karakter hebben met een kortere horizonbepaling. Bij crisisgerelateerde regelingen worden ontvangsten en uitgaven ten laste van de staatsschuld geboekt en kennen daarom geen risicovoorziening.De relevante wet en regelgeving met betrekking tot risicoregelingen bestaat uit de volgende documenten:–Comptabiliteitswet;–Rijksbegrotingsvoorschriften;–Begrotingsregels zoals vastgelegd door het kabinet;–ABCfiche begrotingsreserves;–HAFIR algemeen;–Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek.22Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2 BUDGETTAIRE KERNGEGEVENS EN KADERTOETS2.1 Budgettaire kerngegevensOnderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste budgettaire kerngegevens tot en met 2029. Deze cijfers zijn gebaseerd op de begrotingen en op de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB). Het kabinet verwacht in 2025 425,1 miljard euro aan inkomsten op te halen via belasting- en premieontvangsten. De geraamde rijksuitgaven bedragen 457 miljard euro in 2025.Tabel 2.1 Budgettaire kerngegevens(in miljarden euro, tenzij anders aangegeven)202420252026202720282029Inkomsten (belastingen en sociale premies)405,6425,1447,0469,2487,0504,9Reguliere netto-uitgaven binnen het uitgavenkader396,0427,0455,0476,9494,2512,7Overige netto-uitgaven en correcties relevant voor het EMU-saldo27,429,937,221,823,125,3Totale netto-uitgaven relevant voor het EMU-saldo423,4457,0492,2498,6517,4538,0EMU-saldo centrale overheid‒ 17,9‒ 31,9‒ 45,2‒ 29,4‒ 30,4‒ 33,1EMU-saldo decentrale overheden‒ 0,6‒ 0,7‒ 0,7‒ 0,7‒ 0,7‒ 0,8EMU-saldo collectieve sector‒ 18,5‒ 32,6‒ 45,9‒ 30,1‒ 31,1‒ 33,9EMU-saldo collectieve sector (in procenten bbp)‒ 1,6%‒ 2,8%‒ 3,7%‒ 2,4%‒ 2,4%‒ 2,5%EMU-schuld collectieve sector498,8548,4613,8646,8681,0717,3EMU-schuld collectieve sector (in procenten bbp)44,2%46,6%50,1%50,7%51,6%52,5%Bruto binnenlands product (bbp)1.1281.1761.2251.2751.3201.367Het geraamde EMU-tekort van de centrale overheid bedraagt 31,9 miljard euro in 2025 en 33,1 miljard euro in 2029. De decentrale overheden - onder andere de gemeenten, provincies en waterschappen - komen naar verwachting uit op een tekort van 0,7 miljard euro in 2025 en 0,8 miljard euro in 2029. Het EMU-saldo van de overheid als geheel (centrale overheid en decentrale overheden) komt daarmee naar verwachting uit op een tekort van 32,6 miljard euro in 2025 en 33,9 miljard euro in 2029. Dit komt overeen met respectievelijk ‒ 2,8% en ‒ 2,5% van het bbp. De schuld bereikt aan het eind van 2029 een niveau van 52,5% van het bbp.23Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2.2 Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen MiljoenennotaDe visuele samenvatting bij de Miljoenennota biedt een toegankelijk overzicht van de belangrijkste cijfers voor het Miljoenennotajaar 2025. De presentatie in de visuele samenvatting verschilt echter op een aantal punten van de begrotingssystematiek zoals die wordt gehanteerd in de rest van de Miljoenennota en bijlagen. Deze bijlage behandelt de samenhang tussen de cijfers uit de visuele samenvatting en de rest van de Miljoenennota en geeft deze aansluiting weer in tabel 2.3.De visuele samenvatting gaat uit van een netto-uitgavenbegrip. Dat wil zeggen, de bruto-uitgaven (tabel 3.2 in bijlage 3) verminderd met de zogenaamde niet-belastingontvangsten (tabel 3.3 in bijlage 3). Dit zijn ontvangsten die tot de uitgavenkant van de begroting worden gerekend, zoals boete-opbrengsten, leges en gasbaten.Een ander verschil in presentatie tussen de visuele samenvatting en de Miljoenennota betreft de individuele begrotingsposten. De visuele samenvatting gaat uit van een thematische indeling die niet exact aansluit bij de afzonderlijke begrotingshoofdstukken. Zo wordt het Btw-compensatiefonds in de visuele samenvatting samengevoegd met het Gemeentefonds en het Provinciefonds, terwijl het begrotingstechnisch wordt verantwoord op de begroting van Financiën.Tabel 2.3 Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen Miljoenennota(in miljarden euro)2025BronInkomsten425,1Tabel 4.1UitgavenSociale Zekerheid en Arbeidsmarkt114,9H15: Sociale Zaken en Werkgelegenheid30,7Tabel 3.5 bijlagen MNH40: Premiegefinancierde uitgaven82,9Tabel 3.5 bijlagen MNH83: Koppeling uitkeringen1,3Tabel 3.5 bijlagen MNZorg114,6H16: Volksgezondheid, Welzijn en Sport6,9Tabel 3.5 bijlagen MNH41: Premiegefinancierde uitgaven100,7Tabel 3.5 bijlagen MNZorgtoeslag en TSZ7,1Hoofdstuk 16 artikel 8Onderwijs, Cultuur en Wetenschap53,4H8: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap53,4Tabel 3.5 bijlagen MNGemeentefonds, Provinciefonds en Btw-compensatiefonds53,4H50+H60: Gemeentefonds en accres Gemeentefonds45,5Tabel 3.5 bijlagen MNH51+H61: Provinciefonds en accres Provinciefonds3,7Tabel 3.5 bijlagen MNBtw-compensatiefonds4,2Hoofdstuk 9B artikel 6Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingshulp11,4H5: Buitenlandse Zaken3,9Tabel 3.5 bijlagen MNH17: Buitenlandse Handel en Ontwikkelinghulp3,3Tabel 3.5 bijlagen MNEU-afdrachten Invoerrechten4,1Hoofdstuk 5 artikel 3.1.10Justitie en Veiligheid16,6H6: Justitie en Veiligheid16,6Tabel 3.5 bijlagen MNDefensie19,4H10: Defensie10,3Tabel 3.5 bijlagen MNH66: Defensiematerieelbegrotingsfonds9,1Infrastructuur en Waterstaat14,1H12: Infrastructuur en Waterstaat14,1Tabel 3.5 bijlagen MNH55: Mobiliteitsfonds0,0Tabel 3.5 bijlagen MN24Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 (in miljarden euro)2025BronH65: Deltafonds0,0Tabel 3.5 bijlagen MNRentelasten8,7Rentelasten staatsschuld7,7Hoofdstuk 9A artikel 11Rentelasten schatkistbankieren1,0Hoofdstuk 9A artikel 12Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties3,6H7: Binnenlandse Zaken3,3Tabel 3.5 bijlagen MNH4: Koninkrijksrelaties0,2Tabel 3.5 bijlagen MNH64: BES-fonds0,1Tabel 3.5 bijlagen MNEconomische Zaken3,2H13: Economische Zaken2,8Tabel 3.5 bijlagen MNH70: Nationaal Groeifonds0,4Klimaat en Groene Groei3,6H23: Klimaat en Groene Groei2,8Tabel 3.5 bijlagen MNH71: Klimaatfonds0,8Tabel 3.5 bijlagen MNAsiel en Migratie5,6H20: Asiel en Migratie5,6Tabel 3.5 bijlagen MNVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening8,9H22: Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening8,9Tabel 3.5 bijlagen MNFinanciën7,1H9b: Financiën11,3Tabel 3.5 bijlagen MNaf: Btw-compensatiefonds‒ 4,2Hoofdstuk 9B artikel 6Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur4,7H14: Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur4,7Tabel 3.5 bijlagen MNOekraïne (binnenlandse en buitenlandse steun)7,3Niet kaderrelevante uitgaven Oekraïne7,3Tabel 22 bijlagen MNOverig6,41. Totaal inkomsten425,1Tabel 2.1 bijlagen MN2. Totale netto-uitgaven relevant voor het EMU-saldo457,0Tabel 2.1 bijlagen MN3. EMU-saldo centrale overheid (=1-2)‒ 31,9Tabel 2.1 bijlagen MN25Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 3 UITGAVEN EN NIET-BELASTINGONTVANGSTENDeze bijlage biedt verschillende overzichten van de uitgaven en de niet-belastingontvangsten van de Rijksoverheid. De overheidsuitgaven kunnen op kasbasis, maar ook op transactiebasis worden geregistreerd. In het eerste geval worden uitgaven geboekt in de periode waarin de daadwerkelijke betalingen vanaf de bankrekeningen van het Rijk plaatsvinden. In het tweede geval worden de uitgaven geboekt in de periode waarin de rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Op de departementale begrotingen worden de uitgaven op kasbasis geregistreerd. Het saldo van de overheid (EMU-saldo) wordt echter niet berekend op basis van de uitgaven op kasbasis, maar op transactiebasis. Bij de tabellen hieronder worden de gebruikte begrippen verder toegelicht.Tabel 3.1 bevat alle netto-uitgaven van de Rijksoverheid. De netto-uitgaven zijn de uitgaven minus de niet-belastingontvangsten. Om de uitgaven te beheersen is er een jaarlijks uitgavenkader. De meeste netto-uitgaven vallen onder dit uittgavenkader. Er zijn echter ook uitgaven en ontvangsten die niet onder het kader vallen. Deze worden de niet-kaderrelevante uitgaven en ontvangsten genoemd.Voorts zijn de uitgaven in tabel 3.1 uitgesplitst in begrotingsgefinancierde en premiegefinancierde uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden betaald uit de belastingen en zijn de optelling van alle uitgaven en niet-belastingontvangsten op de departementale begrotingen. Dit zijn de uitgaven waarvoor het parlement autorisatie verleent door de begrotingen aan te nemen. Naast de begrotingsgefinancierde uitgaven zijn er ook premiegefinancierde uitgaven. De uitgaven aan zorg en sociale zekerheid worden voor een groot deel gefinancierd uit sociale premies. In het onderste deel van de tabel zijn de begrotings- en premiegefinancierde uitgaven samengenomen.Tabel 3.1 Netto-uitgaven naar type en kaderrelevantie(in miljoenen euro)202420252026202720282029bronBegrotingsgefinancierde netto-uitgaven302.693322.509356.525335.438348.379361.717Tabel 3.4Premiegefinancierde netto-uitgaven171.153183.543194.349207.639218.421231.119Tabel 3.5Waarvan premiegefinancierde netto-uitgaven Sociale Zekerheid77.64482.86287.82592.26097.011102.423Waarvan premiegefinancierde netto-uitgaven Zorg93.509100.681106.525115.379121.410128.696Totaal netto-uitgaven473.845506.053550.874543.077566.801592.836Totaal netto-uitgaven onder het uitgavenkader396.045427.018455.023476.882494.244512.682Tabel 3.5Netto-uitgaven buiten het uitgavenkader77.80079.03595.85166.19572.55780.154Tabel 3.6Totaal netto-uitgaven473.845506.053550.874543.077566.801592.836Tabel 3.2 geeft alle uitgaven weer zoals die vermeld zijn in de individuele begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. In die hoofdstukken zelf zijn de uitgaven verdeeld over verschillende beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen, maar in de tabel wordt alleen het totaal per hoofdstuk weergegeven. Deze tabel bevat dus alle geraamde uitgaven waarvoor het parlement goedkeuring geeft door het betreffende begrotingswetvoorstel aan te nemen. Deze uitgaven worden daarom ook wel de begrotingsgefinancierde uitgaven genoemd. Voor vrijwel alle begrotingshoofdstukken geldt dat de genoemde bedragen ook de raming is van wat de rijksoverheid op kasbasis denkt te gaan uitgeven. Alleen voor het begrotingshoofdstuk van Nationale 26Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Schuld geldt dat die begroting deels op transactiebasis wordt opgesteld. De uitgaven aan het aflossen van de staatsschuld zijn niet in deze tabel opgenomen. Deze zijn opgenomen in bijlage 7 EMU-saldo.Tabel 3.2 Uitgaven begrotingen(in miljoenen euro)2024202520262027202820291De Koning5859595959592AStaten-Generaal2832672612542662502BOverige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de Kiesraad1951921801871791763Algemene Zaken1161011019996954Koninkrijksrelaties2052632142061781495Buitenlandse Zaken11.79312.26215.67615.19816.46316.9446Justitie en Veiligheid27.12018.32518.35318.32918.24818.2517Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties11.5435.0844.5453.2943.0522.1748Onderwijs, Cultuur en Wetenschap58.06157.59756.09456.96354.93654.6069ANationale Schuld (Transactiebasis)12.11913.33315.33417.70019.23721.1079BFinanciën26.25227.66228.80911.04610.02610.07310Defensie13.42412.24412.39110.73710.94911.09212Infrastructuur en Waterstaat14.12614.11115.83915.86315.11915.13313Economische Zaken11.3703.2522.9332.6162.3972.23714Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur4.3854.7312.9952.3241.8281.60715Sociale Zaken en Werkgelegenheid63.63459.99764.41467.27369.32871.74516Volksgezondheid, Welzijn en Sport37.92736.50238.50240.22442.63644.80117Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp3.9283.5983.1203.1243.6113.92320Asiel en Migratie09.4819.7692.8541.2191.21922Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening09.3879.2759.4909.2949.38423Klimaat en Groene Groei04.5095.5505.5895.6465.32650Gemeentefonds43.83744.89642.23642.00641.78841.70751Provinciefonds3.8703.5523.3383.2983.2953.29455Mobiliteitsfonds10.1909.42910.63410.60510.31810.68658Diergezondheidsfonds41363737383860Accres Gemeentefonds06082.6204.6146.5318.48961Accres Provinciefonds011631248465282364BES-fonds94898990919365Deltafonds1.6481.7232.1322.1081.8511.73666Defensiematerieelbegrotingsfonds8.2439.77512.32312.69013.07312.70870Nationaal Groeifonds8939373461791395071Klimaatfonds07582.7832.4402.9362.48880Prijsbijstelling01.5022.9124.4366.0947.66781Arbeidsvoorwaarden04.0186.99710.51914.17517.80483Koppeling Uitkeringen01.3112.2863.4374.5395.65886Aanvullende Post‒ 8.160‒ 2.28311.8967.9667.2805.95290Consolidatie1‒ 10.574‒ 10.473‒ 12.264‒ 12.214‒ 11.630‒ 11.752HGISInternationale Samenwerking2(12.134)(10.724)(10.932)(6.963)(7.040)(7.453)Totaal345.817358.411393.476376.560386.711398.6901In deze en volgende tabel betreft dit een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het bruto boeken van bijdragen tussen departementen onderling. Het bruto boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt.2In deze en volgende tabellen zijn de uitgaven aan Internationale samenwerking (HGIS) toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven aan HGIS zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.Tabel 3.3 bevat alle niet-belastingontvangsten op de verschillende begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. Het betreft hier alle ontvangsten die geen belasting- of premie-ontvangst zijn. Denk bijvoorbeeld aan het dividend dat uitgekeerd wordt door staatsdeelnemingen, terugbetaalde studieschulden of de opbrengst uit boetes en schikkingen. Ook hier geldt dat alle bedragen op kasbasis zijn, behalve de begroting van Nationale 27Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Schuld, die deels op transactiebasis is opgesteld. De ontvangsten vanuit het uitgeven van nieuwe staatschuld zijn niet meegeteld in deze tabel. Deze ontvangsten zijn opgenomen in bijlage 7 EMU-saldo.Tabel 3.3 Niet-belastingontvangsten begrotingen(in miljoenen euro)2024202520262027202820291De Koning2000002AStaten-Generaal4444442BOverige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de Kiesraad6666663Algemene Zaken9999994Koninkrijksrelaties1492052241482393035Buitenlandse Zaken3.7493.6542.8221.2331.2661.3036Justitie en Veiligheid1.5841.6501.7511.7811.8061.8377Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1.0341.7722.1761.9199468228Onderwijs, Cultuur en Wetenschap2.1562.2742.3542.4512.5522.6479ANationale Schuld (Transactiebasis)18.73015.22415.37517.02916.50515.9199BFinanciën4.6183.6584.4264.6654.5824.56110Defensie46324527538414414412Infrastructuur en Waterstaat78415801.1151.1161.11013Economische Zaken6.72049749123524143714Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur15874921341466415Sociale Zaken en Werkgelegenheid2.5012.5022.4982.4662.3742.30416Volksgezondheid, Welzijn en Sport28328520118018318317Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp70534845434220Asiel en Migratie0131414141422Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening048447946746846423Klimaat en Groene Groei02.4182.4196.1204.9013.88755Mobiliteitsfonds9.7639.42910.63410.60510.31810.68658Diergezondheidsfonds32543637383865Deltafonds1.4401.7232.1322.1081.8511.73666Defensiematerieelbegrotingsfonds1619715115317216070Nationaal Groeifonds‒ 100000083Koppeling Uitkeringen041829384790Consolidatie‒ 10.574‒ 10.473‒ 12.264‒ 12.214‒ 11.630‒ 11.752HGISInternationale Samenwerking(527)(425)(300)(405)(159)(157)Totaal43.12435.90236.95141.12238.33136.973Tabel 3.4 geeft de netto-uitgaven per begrotingshoofdstuk weer. Dit zijn de uitgaven uit tabel 3.2 minus de niet-belastingontvangsten uit tabel 3.3.28Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 3.4 Netto-uitgaven begrotingen(in miljoenen euro)2024202520262027202820291De Koning5759595959592AStaten-Generaal2792632572502632462BOverige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs1881861741811721703Algemene Zaken10793929087864Koninkrijksrelaties5658‒ 1058‒ 61‒ 1545Buitenlandse Zaken8.0438.60912.85413.96515.19715.6416Justitie en Veiligheid25.53716.67616.60216.54716.44216.4147Binnenlandse Zaken10.5093.3122.3691.3752.1051.3538Onderwijs, Cultuur en Wetenschap55.90655.32353.74054.51352.38451.9609ANationale Schuld (Transactiebasis)‒ 6.611‒ 1.891‒ 416712.7325.1889BFinanciën21.63424.00424.3836.3805.4455.51210Defensie12.96111.99912.11610.35310.80510.94812Infrastructuur en Waterstaat14.04814.07015.25914.74814.00314.02313Economische Zaken4.6502.7542.4422.3802.1561.80014Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur4.2284.6572.9032.1901.6821.54315Sociale Zaken en Werkgelegenheid61.13357.49561.91664.80866.95469.44116Volksgezondheid, Welzijn en Sport37.64436.21838.30040.04442.45244.61717Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp3.8593.5453.0713.0793.5683.88120Asiel en Migratie09.4689.7552.8401.2051.20522Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening08.9038.7979.0228.8268.92023Klimaat en Groene Groei02.0913.131‒ 5317451.43950Gemeentefonds43.83744.89642.23642.00641.78841.70751Provinciefonds3.8703.5523.3383.2983.2953.29455Mobiliteitsfonds4270000058Diergezondheidsfonds9‒ 18100060Accres Gemeentefonds06082.6204.6146.5318.48961Accres Provinciefonds011631248465282364BES-fonds94898990919365Deltafonds2080000066Defensiematerieelbegrotingsfonds8.0829.67912.17212.53712.90112.54870Nationaal Groeifonds9939373461791395071Klimaatfonds07582.7832.4402.9362.48880Prijsbijstelling01.5022.9124.4366.0947.66781Arbeidsvoorwaarden04.0186.99710.51914.17517.80483Koppeling Uitkeringen01.3072.2683.4094.5015.61186Aanvullende Post‒ 8.160‒ 2.28311.8967.9667.2805.95290Consolidatie000000HGISInternationale Samenwerking(11.607)(10.300)(10.632)(6.558)(6.881)(7.296)Totaal302.693322.509356.525335.438348.379361.717De tabel 3.5 toont de netto-uitgaven onder het uitgavenkader, uitgesplitst naar begrotingshoofdstuk.29Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 3.5 Netto-uitgaven onder het uitgavenkader(in miljoenen euro)2024202520262027202820291De Koning5759595959592AStaten-Generaal2792632572502632462BOverige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs1881861741811721703Algemene Zaken10793929087864Koninkrijksrelaties72081581491211085Buitenlandse Zaken3.6733.9348.0049.21410.55810.8526Justitie en Veiligheid21.87116.64916.58216.53416.42816.4007Binnenlandse Zaken10.5193.3122.3691.3752.1051.3538Onderwijs, Cultuur en Wetenschap53.49353.40552.18753.36751.61351.3839ANationale Schuld (Transactiebasis)2121212121219BFinanciën10.26011.3369.8879.3848.4498.50510Defensie10.06410.27610.24710.59310.80510.94812Infrastructuur en Waterstaat14.04714.07015.79815.83215.09015.10513Economische Zaken5.7242.7722.5972.3672.1731.80014Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur4.2284.6572.9032.1901.6821.54315Sociale Zaken en Werkgelegenheid31.67930.72431.88632.35632.52632.87916Volksgezondheid, Welzijn en Sport6.8786.9036.0385.4364.9864.67617Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp3.6483.3233.0843.0883.5753.88820Asiel en Migratie05.6215.9151.6721.2051.20522Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening08.9368.8299.0558.8168.91023Klimaat en Groene Groei02.8134.5424.7075.1194.93940Sociale Verzekeringen77.64482.86287.82592.26097.011102.42341Premiegefinancierde Zorg93.509100.681106.525115.379121.410128.69650Gemeentefonds43.83744.89642.23642.00641.78841.70751Provinciefonds3.8703.5523.3383.2983.2953.29455Mobiliteitsfonds4270000060Accres Gemeentefonds06082.6204.6146.5318.48961Accres Provinciefonds011631248465282364BES-fonds94898990919365Deltafonds2080000066Defensiematerieelbegrotingsfonds7.7859.14511.72012.27412.39012.46870Nationaal Groeifonds8939373461791395071Klimaatfonds07582.7832.4402.9362.48880Prijsbijstelling01.3132.5553.9055.4176.80981Arbeidsvoorwaarden04.0186.99710.51914.17517.80483Koppeling Uitkeringen01.3072.2683.4094.5015.61186Aanvullende Post‒ 8.160‒ 2.2833.3967.6667.2805.95290Consolidatie000000HGISInternationale Samenwerking(11.607)(10.300)(10.632)(6.558)(6.881)(7.296)Totaal netto-uitgaven onder het uitgavenkader396.045427.018455.023476.882494.244512.682Tabel 3.6 geeft per begrotingshoofdstuk de netto-uitgaven weer die niet meetellen voor het uitgavenkader. Het gaat hier bijvoorbeeld om uitgaven die niet meetellen in het overheidstekort (EMU-saldo), zoals het verstrekken van leningen, de bijdrage van het Rijk aan de sociale fondsen of de opbrengst van het verkopen van staatsdeelnemingen. Daarnaast zijn er uitgaven die wel EMU-saldorelevant zijn, maar buiten het uitgavenkader zijn geplaatst, zoals de uitgaven aan de zorgtoeslag.30Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 3.6 Netto-uitgaven buiten het uitgavenkader(in miljoenen euro)2024202520262027202820294Koninkrijksrelaties48‒ 150‒ 168‒ 91‒ 182‒ 2625Buitenlandse Zaken4.3704.6744.8504.7524.6394.7896Justitie en Veiligheid3.66626201313137Binnenlandse Zaken‒ 9000008Onderwijs, Cultuur en Wetenschap2.4131.9171.5521.1457715779ANationale Schuld (Transactiebasis)‒ 6.632‒ 1.912‒ 626492.7115.1679BFinanciën11.37412.66814.496‒ 3.004‒ 3.004‒ 2.99310Defensie2.8971.7221.869‒ 2410012Infrastructuur en Waterstaat10‒ 539‒ 1.084‒ 1.087‒ 1.08213Economische Zaken‒ 1.074‒ 17‒ 15513‒ 17015Sociale Zaken en Werkgelegenheid29.45426.77130.03032.45134.42836.56216Volksgezondheid, Welzijn en Sport30.76629.31532.26234.60837.46739.94217Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp211221‒ 12‒ 9‒ 8‒ 720Asiel en Migratie03.8473.8401.1680022Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening0‒ 33‒ 33‒ 33101023Klimaat en Groene Groei0‒ 721‒ 1.410‒ 5.238‒ 4.373‒ 3.49955Mobiliteitsfonds00000058Diergezondheidsfonds9‒ 18100066Defensiematerieelbegrotingsfonds2985344522635118070Nationaal Groeifonds100000080Prijsbijstelling018935753167785781Arbeidsvoorwaarden00000086Aanvullende Post008.50030000HGISInternationale Samenwerking(3.209)(2.054)(1.972)(167)(34)(35)Totaal netto-uitgaven buiten het uitgavenkader77.80079.03595.85166.19572.55780.154Tabel 3.7 geeft een overzicht van de uitgaven aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) per begrotingshoofdstuk. Dit zijn alle uitgaven die betrekking hebben op internationale samenwerking. De HGIS-uitgaven staan op verschillende begrotingen maar worden gecoördineerd door de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Deze stelt ook de HGIS-nota op. De HGIS-nota wordt gelijktijdig met de Miljoenennota gepubliceerd en geeft gedetailleerd inzicht in de HGIS-uitgaven.31Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 3.7 Overzicht netto-uitgaven HGIS per begrotingshoofdstuk(in miljoenen euro)2024202520262027202820295Buitenlandse Zaken2.6112.2232.3362.2692.2662.3036Justitie en Veiligheid1.33164373737377Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties0000008Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1181151071061061029BFinanciën28132633243120827610Defensie28523123223423023012Infrastructuur en Waterstaat33382522181913Economische Zaken42302928272714Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur42393937353515Sociale Zaken en Werkgelegenheid11111116Volksgezondheid, Welzijn en Sport88665517Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp3.6483.3233.0843.0883.5753.88820Asiel en Migratie01.8332.39846533733723Klimaat en Groene Groei02222286Aanvullende Post01231000Totaal kaderrelevante netto-uitgaven HGIS8.3988.2468.6596.7256.8477.2615Buitenlandse Zaken3055612828286Justitie en Veiligheid1313131313138Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1000009BFinanciën344242421110Defensie2.8891.7221.869‒ 2410012Infrastructuur en Waterstaat10000013Economische Zaken300000017Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp211221‒ 12‒ 9‒ 8‒ 7Totaal niet-kaderrelevante netto-uitgaven HGIS3.2092.0541.972‒ 167343532Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 4 INKOMSTENKADER1. Uitleg inkomstenkader tijdens kabinetsperiodeTabel 4.1 bevat alle nieuwe maatregelen en mee- en tegenvallers sinds het hoofdlijnenakkoord, inclusief toelichting. Tabel 4.2 bevat een overzicht van de lastenmaatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord.Tabel 4.1 Inkomstenkader Miljoenennota 2025Standen in mln. euro (+ is saldoverbeterend)202420252026202720282029StrucKoopkracht en lastenverlichting1Aanpassingen algemene heffingskorting01.0961.0991.0418978978972Aanpassen tarieven inkomstenbelasting en introductie extra schijf0‒ 4.450‒ 4.966‒ 5.437‒ 5.673‒ 5.819‒ 4.9833Dekking uit maatregelen 1, 6c1, 6c2, 47 uit het HLA03.3543.8674.3964.7764.9224.086Dekking derving box 3 en Duitse vastgoedfondsen4Uitspraak Hoge Raad box 3‒ 6.385‒ 1.695‒ 1.75100005Uitspraak Hoge Raad Duitse vastgoedfondsen‒ 1.053‒ 6‒ 6‒ 6‒ 6‒ 6‒ 66Infaseren koopkrachtenveloppen (maatregel 1 HLA)01.3508003500007Versnellen verhoging AWf naar 20250245000008Terugdraaien verlaging box 3-tarief01001001001001001009Verhogen AOF-premie met ca. 0,03%-punt0808080808080Overige besluitvorming10Zorgpremie-ontwikkeling door Zvw-uitgaven0‒ 440‒ 361‒ 379‒ 381‒ 362‒ 36211Doorwerking ontwikkeling zorgpremies op zorgtoeslag084707475717112Compensatie zorgpremies via tarief eerste schijf IB (voor deel burgers)021317418118217317313Compensatie zorgpremies via Aof (voor deel bedrijven)014311712312411811814Tegenvaller tariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije auto’s0‒ 42‒ 96‒ 165‒ 228‒ 2486115Verlaging tariefkorting naar 25%001591822622182316Vertraagd infaseren CO2-heffing glastuinbouw0‒ 15‒ 12‒ 8‒ 5‒ 2017Verlaging budget energie-investeringsaftrek0101010102018Technische invulling stelpost fiscale regelingen00‒ 250‒ 250‒ 250‒ 250‒ 25019Dekking voor de stelpost fiscale regelingen via beperkt toepassen tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting002502502502502502030%-regeling naar forfait van 27% per 20270‒ 3‒ 433‒ 40‒ 59‒ 5921Salarisnorm verhogen binnen de 27%-regeling (30%-regeling) van € 46.107 naar € 50.436 met overgangsrecht0001721222222Schrappen van de versobering van de giftenaftrek in de IB0‒ 51‒ 51‒ 51‒ 164‒ 189‒ 18923Introductie algemeen woningtarief van 8% in de OVB voor woningen zonder zelfbewoning00‒ 108‒ 108‒ 108‒ 108‒ 10824Technische aanpassing: dekking OVB-tarief uit middelen woningbouwimpuls03046132130138025Vertraagd invoeren hogere kansspelbelasting0‒ 1000000033Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Standen in mln. euro (+ is saldoverbeterend)202420252026202720282029Struc26Verhogen forfait aftrekbaar bedrag extra vervoerskosten door ziekte of invaliditeit in de inkomstenbelasting0‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1‒ 127Doorwerking maatregelen envelop Groepen in de knel op de zorgtoeslag0‒ 1‒ 6‒ 6‒ 6‒ 6‒ 628Dekking voor maatregelen uit envelop Groepen in de knel0277777Overige ontwikkelingen29Vermogenverdeling huwelijk schenk- en erfbelasting‒ 1‒ 2‒ 3‒ 4‒ 4‒ 4‒ 430Uitstel pensioen bedrag ineens‒ 13‒ 130000031ETS2 opt-in000329243205032Vaststelling Whk-premie door UWV020120120120120120133Compensatie voor Whk-premie via Aof-premie0‒ 201‒ 201‒ 201‒ 201‒ 201‒ 20134Vervallen dekking terugdraaien doorwerking verhoging WML op arbeidskorting0‒ 46‒ 47‒ 47‒ 46‒ 43‒ 2535Wijzigen grondslag aftrekbeperking gemengde kosten in de vennootschapsbelasting00‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3‒ 336Wijziging in het Awir-partnerbegrip (zorgtoeslag)0‒ 3‒ 3‒ 4‒ 4‒ 4‒ 437Verhoging normpercentages tot het drempelinkomen met 0,002%-punt (zorgtoeslag)0333334Herijkingen38Accijnsverlaging brandstoffen verlengen t/m 20250650000039Terugdraaien verhoging box 2-tarief044444440Verlagen energiebelasting 1e en 2e schijf EB aardgas met 2,82 cent per m3000000‒ 2841Renteaftrekbeperking Vpb van 20% naar Europees gemiddelde 25%‒ 4‒ 3‒ 1‒ 1‒ 2‒ 5‒ 542Afschaffen verlaagde btw-tarief voor culturele goederen en diensten, exclusief bioscopen en dagrecreatie0027627627627627643Salderingsregeling000‒ 47‒ 49‒ 49‒ 5544Afschaffen verlaagde btw-tarief voor logies, exclusief kamperen00‒ 102‒ 102‒ 102‒ 102‒ 10245Maatregelen pakket BES-eilanden 20250‒ 1‒ 1000046Aanpassing grens voor kwijtschelding Rijksbelastingen1621212121212147Invoeren aftrekherziening btw op onroerende investeringsdiensten (kortdurende verhuurconstructies)00434343434348Opnieuw indienen afbouwen vrijstelling duaal en non-energetisch verbruik kolenbelasting000‒ 1‒ 1‒ 1149Aanpassen drempel earningsstrippingmaatregel voor vastgoedlichamen (antifragmentatiemaatregel)33‒ 2‒ 6‒ 7‒ 8‒ 1050Repareren heffingsrecht Nederland011111151Aanpassen kavelruilvrijstelling in de overdrachtsbelasting (OVB)011111152Aanpassen splitsingsvrijstelling OVB09171717171753Aanpak rollatorinvesteringen Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)009999934Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Standen in mln. euro (+ is saldoverbeterend)202420252026202720282029Struc54Aanpak dubbel gebruik belastingconstructie in bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)00‒ 7‒ 600055Herinvoeren overdraagbare algemene heffingskorting (eenverdienersproblematiek)0000‒ 30‒ 28056Aanpassen tarieftabel belasting voor personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voor plug-in hybride auto’s092‒ 29‒ 77‒ 87‒ 11157Stroomlijnen definities voertuigen in de BPM en MRB011000058Verlagen instap tweede schijf inkomstenbelasting Caribisch Nederland naar $ 50.0000444444Technische aanpassingen inkomsten/uitgaven59Verwachte inkomsten CO2-heffing bij AVI’s tijdens kabinetsperiode00051990060Verwachte inkomsten CO2-heffing bij overige belastingplichtigen tijdens kabinetsperiode01761881250061Technische aanpassing voor overheveling middelen CO2-heffing industrie naar klimaatfonds0‒ 17‒ 61‒ 139‒ 2240062Premieverlaging Caribisch Nederland‒ 4‒ 8‒ 8‒ 8‒ 8‒ 8‒ 863Technische aanpassing voor dekking premieverlaging Caribisch Nederland488888864Vrachtwagenheffing0034975574973573565Technische aanpassing terugsluis vrachtwagenheffing00‒ 349‒ 755‒ 749‒ 735‒ 73566Envelop Groepen in de knel van lasten naar uitgaven02362312312432174941. Aanpassingen algemene heffingskortingDe algemene heffingskorting (AHK) wordt verlaagd met 335 euro in 2025 en het afbouwpunt van de AHK wordt gekoppeld aan de hoogte van het wettelijk minimumloon.2. Aanpassen tarieven inkomstenbelasting en introductie extra schijfDe tarieven in de inkomstenbelasting (IB) worden aangepast. Er wordt een extra tarief geïntroduceerd. Het tarief eerste schijf wordt 35,36% in 2028, het tarief tweede schijf wordt 37,44% in 2028 en het tarief derde schijf blijft 49,50%.3. Dekking uit maatregelen 1, 6c1, 6c2, 47 uit het HLADekking uit de koopkrachtenveloppen uit het hoofdlijnenakkoord.4. Uitspraak Hoge Raad box 3Uitspraken van de Hoge Raad maken het noodzakelijk om aanvullend rechtsherstel te bieden in box 3 wanneer het werkelijke rendement lager is dan het forfait. Dit leidt tot een derving over zowel de periode van het oorspronkelijke rechtsherstel (2017-2022) als het overbruggingsstelsel (2023 tot invoering van de Wet werkelijk rendement box 3).5. Uitspraak Hoge Raad Duitse vastgoedfondsenDe Hoge Raad heeft geoordeeld dat het Duitse vastgoedfonds Immobilien – Sondervermögen ten onrechte als belastingplichtig binnen de vennootschapsbelasting is beoordeeld voor de periode 1997 en 2009. Dit arrest heeft 35Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 ook gevolgen voor latere jaren en vergelijkbare situaties met andere Duitse fondsen. Het rechtsherstel vanwege deze uitspraak leidt tot een incidentele derving in 2024.6. Infaseren van de koopkrachtenveloppen uit het hoofdlijnenakkoordDe lastenverlichting uit de koopkrachtenveloppe (maatregel 1 uit de budgettaire bijlage van het hoofdlijnenakkoord) wordt geleidelijk ingefaseerd.7. Versnellen verhoging AWf naar 2025De in het hoofdlijnenakkoord afgesproken verhoging van de AWf-premie wordt een jaar naar voren gehaald.8. Terugdraaien verlaging box 3-tariefDe tariefsverlaging in box 3 uit het hoofdlijnenakkoord wordt teruggedraaid.9. Verhogen AOF-premie met ca. 0,03%-puntDe AOF-premie wordt verhoogd met 0,03%.10. t/m 13. Zorgpremie-ontwikkeling door Zvw-uitgaven en compensatieEen deel van de meevaller binnen de Zvw is gebruikt om tegenvallers elders op de VWS-begroting te dekken. Volgens de begrotingsregels moeten de lasten worden verzwaard voor het deel van de Zvw-meevaller dat elders is ingezet aan de uitgavenkant. Het resterende deel van de meevaller wordt gebruikt om de zorgpremies te verlagen. Dit komt ten goede aan de koopkracht. Hiervoor is geen lastenverzwaring nodig.14. Tegenvaller tariefkorting motorrijtuigenbelasting emissievrije auto’sIn de Voorjaarsnota 2024 is besloten een tijdelijke tariefkorting in te voeren in de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor emissievrije personenauto’s voor de periode 2026 tot en met 2030. Uit de nieuwe cijfers blijkt dat de budgettaire derving fors hoger uitvalt dan eerder geraamd.15. Verlaging tariefkorting naar 25%De tegenvaller binnen de MRB wordt gedekt door de maatvoering van de tariefkorting te versoberen naar 25% vanaf 2026 en 0% vanaf 2030.16. Vertraagd ingroeien CO2-heffing glastuinbouwDe CO2-heffing glastuinbouw wordt meer geleidelijk ingefaseerd. Het tarief in 2025 wordt ten opzichte van het basispad iets verlaagd om vervolgens toe te groeien naar het niveau dat voor 2030 wettelijk is vastgelegd (17,70 euro per ton CO2). In het voorjaar van 2025 vindt de eerstvolgende herijking plaats van het tarief van de CO2-heffing glastuinbouw. Daarbij worden ook de laatste inzichten betrokken van de nieuwe Klimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving. Daarnaast is het kabinet van plan om in het voorjaar van 2025 een besluit te nemen over uitbreiding (opt-in) van het Europees emissiehandelssysteem (ETS2) naar de glastuinbouwsector. Daarbij kijkt het ook naar de stapeling van de verschillende beprijzingsinstrumenten in de glastuinbouwsector.17. Verlaging budget EIADe langzamere infasering van de CO2-heffing glastuinbouw wordt gedekt met een verlaging van het budget van de energie-investeringsaftrek (EIA).36Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 18. Technische invulling stelpost fiscale regelingenIn het hoofdlijnenakkoord is een stelpost opgenomen om fiscale regelingen af te bouwen en onbedoelde belastingconstructies aan te pakken. Deze stelpost wordt voorlopig technisch ingevuld conform de afspraak in het HLA. Bij een volgend besluitvormingsmoment kan over concrete invulling worden besloten.19. Dekking voor stelpost fiscale regelingen via beperkt toepassen tabelcorrectiefactor in de in de inkomstenbelastingEr is in deze Miljoenennota nog geen invulling gegeven aan de taakstelling fiscale regelingen. Wanneer deze maatregel niet wordt gerealiseerd treedt de noodremafspraak uit het HLA voor de lasten in werking. Dat wil zeggen dat voor het deel van de lastenverzwaring dat niet wordt gerealiseerd binnen de taakstelling fiscale regelingen, de belastingschijven en heffings-kortingen in de inkomstenbelasting via de tabelcorrectiefactor worden beperkt om de derving op te vangen.20. 30%-regeling naar forfait van 27% per 2027De versobering van de 30%-regeling conform een amendement bij het Belastingplan 2024 wordt gedeeltelijk teruggedraaid. In plaats van een afbouw van 30%, 20% en 10% wordt er per 2027 een constant forfait van 27% ingevoerd. In 2025 en 2026 blijft het forfait als overgangsregeling voor iedereen 30%.21. Salarisnorm 30%-regeling verhogen van 46.107 naar 50.436 euro met overgangsrechtTer (gedeeltelijke) dekking van het gedeeltelijk terugdraaien van de versobering van de 30%-regeling wordt de salarisnorm binnen de 30%-regeling verhoogd van 46.107 naar 50.436 euro. De 30%-regeling voor expats jonger dan dertig jaar wordt evenredig aangepast. Dit wordt gedaan met overgangsrecht.22. Schrappen van de versobering van de giftenaftrek in de IBDe in het HLA voorgenomen versobering van de giftenaftrek in de IB wordt teruggedraaid.23. Introductie algemeen woningtarief van 8% in de overdrachtsbelastingHet algemene tarief binnen de overdrachtsbelasting voor woningen wordt verlaagd van 10,4% naar 8%.24. Technische aanpassing: dekking uit middelen woningbouwimpulsEen deel van de derving als gevolg van het verlagen van het algemeen tarief binnen de overdrachtsbelasting wordt gedekt uit de uitgavenmiddelen voor de woningbouwimpuls.25. Vertraagd invoeren hogere kansspelbelastingDe tariefsverhoging van de kansspelbelasting naar 37,8% uit het hoofdlijnenakkoord wordt stapsgewijs ingevoerd. Met deze nieuwe stap wordt het tarief in 2025 verhoogd van 30,5% naar 34,2% en in 2026 naar 37,8%.26. Verhogen forfait aftrekbaar bedrag extra vervoerskosten door ziekte of invaliditeit in de inkomstenbelastingDe maatregel verhoogt het budget voor de regeling dat men fiscaal de kosten mag aftrekken van extra vervoerskosten door ziekte of invaliditeit. Deze maatregel wordt tevens vereenvoudigd voor burgers doordat een 37Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 vast bedrag in aftrek kan worden gebracht in plaats van de werkelijke meerkosten (leefkilometers). Het voorstel is om dit vaste bedrag te verhogen naar 0,60 euro per kilometer.27. Doorwerking maatregelen envelop Groepen in de knel op de zorgtoeslagEen aantal maatregelen uit groepen in de envelop Groepen in de knel werken door op de zorgtoeslag.28. Dekking voor maatregelen uit envelop Groepen in de knelDe doorwerking op de zorgtoeslag en de vervoerskostenmaatregel wordt gedekt binnen de envelop.29. Vermogenverdeling huwelijk schenk- en erfbelastingDe Hoge Raad heeft een uitspraak gedaan in het voordeel van belastingplichtigen over een constructie waarbij in het zicht van overlijden huwelijkse voorwaarden worden aangepast om erfbelasting te ontwijken. De verwachting is dat er n.a.v. dit arrest in beperkte mate vaker gebruik gaat worden van deze constructie. Dit leidt tot een derving.30. Uitstel pensioen bedrag ineensDe invoering van de Wet herziening bedrag ineens is opnieuw uitgesteld, ditmaal tot 1 juli 2025. Dit leidt tot een derving in 2024 en 2025. 31. ETS2 opt-inDe inkomsten van de ETS2 opt-in zijn door het vorige kabinet doorgeschoven en daardoor niet verwerkt in het inkomstenkader. Dit leidt tot een meevaller van ruim 300 miljoen euro in 2027, aflopend naar 180 miljoen in 2030.32. Vaststelling Whk-premie door UWVDe door het UWV vastgestelde premie voor de Werkhervattingskas (Whk) stijgt in 2025 van 1,22 naar 1,33 procent, vanwege hogere toestroom in de WIA.33. Compensatie voor Whk-premie via Aof-premieAls compensatie voor de hoger Whk-premie wordt de Aof-premie verlaagd met hetzelfde bedrag.34. Vervallen dekking terugdraaien doorwerking verhoging WML op arbeidskortingIn de Voorjaarsnota 2024 zijn de budgettaire gevolgen van het terugdraaien van de doorwerking van de verhoging van het wettelijk minimumloon (WML) op de arbeidskorting verwerkt. De Eerste Kamer heeft de verhoging van het WML echter verworpen. Deze maatregel is hierdoor komen te vervallen.35. Wijzigen grondslag aftrekbeperking gemengde kosten in de vennootschapsbelasting (Vpb)Met deze maatregel, die onderdeel is van de Fiscale Verzamelwet 2026, wordt de grondslag van de aftrekbeperking voor gemengde kosten in de Vpb gewijzigd. Hierdoor wordt voor het bepalen van het bedrag dat in aftrek wordt beperkt aangesloten bij het loon waarover loonbelasting wordt ingehouden. 38Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 36. Wijziging in het Awir-partnerbegrip (zorgtoeslag)In mei 2023 is besloten tot een wijziging in het Awir-partnerbegrip vanaf 2025 om een knelpunt voor burgers op te lossen. Met de aanpassing worden bloed- of aanverwanten in de eerste graad, ongeacht hun leeftijd, niet meer als toeslagpartners aangemerkt. Dit levert derving op binnen het zorgtoeslagbudget, doordat meer mensen recht krijgen op zorgtoeslag of een hogere toeslag gaan ontvangen. Deze hogere uitgaven worden gedekt door de normpercentages tot het drempelinkomen met 0,002%-punt te verhogen voor zowel alleenstaanden als meerpersoonshuishoudens.37. Verhoging normpercentages tot het drempelinkomen met 0,002%-punt (zorgtoeslag)Zie toelichting maatregel 36.38. Accijnsverlaging brandstoffen verlengen t/m 2025In het hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat de huidige verlaging van de accijnzen voor diesel, benzine en liquid petroleum gas (LPG) wordt verlengd naar 2025. De raming van deze maatregel is geactualiseerd wat leidt tot een herijking.39. Terugdraaien verhoging box 2-tariefIn het HLA is afgesproken dat het hoge tarief van box 2 wordt verlaagd naar 31%. Dit tarief was eerder verhoogd naar 33% conform het amendement van der Lee bij het Belastingplan 2024. De raming van deze maatregel is geactualiseerd wat leidt tot een herijking.40. Verlagen energiebelasting 1e en 2e schijf EB aardgas met 2,82 cent per m3In het HLA is afgesproken dat de tarieven in de eerste en tweede schijf voor aardgas binnen de energiebelasting worden verlaagd. De raming van deze maatregel is geactualiseerd wat leidt tot een herijking.41. Renteaftrekbeperking Vpb van 20% naar Europees gemiddelde 25%In het HLA is afgesproken dat het percentage van de renteaftrekbeperking (earningsstripping) binnen de vennootschapsbelasting wordt verhoogd naar het Europese gemiddelde van 25%. De raming van deze maatregel is geactualiseerd wat leidt tot een herijking.42. Afschaffen verlaagde btw-tarief voor culturele goederen en diensten, exclusief bioscopen en dagrecreatieIn het HLA is afgesproken dat het verlaagde tarief voor culturele goederen en diensten wordt afgeschaft. Hierdoor worden deze diensten belast tegen het algemene tarief van 21%, behalve bioscopen en dagrecreatie. Deze worden uitgezonderd en blijven dus belast tegen het verlaagde tarief van 9%. De raming van deze maatregel is geactualiseerd wat leidt tot een herijking.43. SalderingsregelingIn het HLA is afgesproken dat de salderingsregeling voor kleinverbruikers van energie (huishoudens en bedrijven met een laag verbruik) wordt afgeschaft. De raming van deze maatregel is geactualiseerd wat leidt tot een herijking.39Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 44. Afschaffen verlaagde btw-tarief voor logies, exclusief kamperenIn het HLA is afgesproken dat het verlaagde tarief voor logies wordt afgeschaft. Hierdoor worden deze diensten belast tegen het algemene tarief van 21%, behalve kamperen. Dit wordt uitgezonderd en blijft dus belast tegen het verlaagde tarief van 9%. De raming van deze maatregel is geactualiseerd wat leidt tot een herijking.45. Maatregelen pakket BES-eilanden 2025In de Voorjaarsnota 2024 zijn de budgettaire gevolgen van het wetsvoorstel Belastingplan BES 2025 verwerkt. Hierbij zijn per abuis de verkeerde bedragen opgenomen voor 2025 en 2026. Met deze herijking wordt dit hersteld.46. Aanpassing grens voor kwijtschelding RijksbelastingenIn de Voorjaarsnota 2024 zijn de budgettaire gevolgen van het aanpassen van de grens voor kwijtschelding van (o.a.) Rijksbelastingen verwerkt. Bij de actualisatie van de raming is naar voren gekomen dat het aantal kwijtscheldingen in de periode 2019 t/m 2023 significant lager is dan eerder verwacht. Hierdoor neemt de derving af. Met deze herijking wordt dit verwerkt.47. Invoeren aftrekherziening btw op onroerende investeringsdiensten (kortdurende verhuurconstructies)In de Voorjaarsnota 2024 zijn de budgettaire gevolgen van het aanpakken van de belastingconstructie binnen de btw m.b.t. onroerende investeringsdiensten verwerkt. Deze raming is geactualiseerd wat leidt tot een herijking.48. Opnieuw indienen afbouwen vrijstelling duaal en non-energetisch verbruik kolenbelastingIn de Voorjaarsnota 2024 zijn de budgettaire gevolgen van het afschaffen van de vrijstellingen voor duaal én non-energetisch verbruik binnen de kolenbelasting verwerkt. Hierbij zijn per abuis de verkeerde bedragen opgenomen voor 2027, 2028, 2029 en structureel. Met deze herijking wordt dit hersteld.49. Aanpassen drempel earningsstrippingmaatregel voor vastgoedlichamen (antifragmentatiemaatregel)In de Voorjaarsnota 2023 is besloten om de drempel van de renteaftrekbeperking (earningsstripping) voor vastgoedlichamen met verhuurd vastgoed buiten toepassing te laten. Dit was in het kader van de stelpost voor de aanpak van belastingconstructies en fiscale regelingen. Omdat deze maatregel pas dit jaar in het Belastingplan wordt verwerkt is de raming geactualiseerd, wat leidt tot een herijking.50. Repareren heffingsrecht NederlandMet deze maatregel wordt het heffingsrecht van Nederland hersteld voor situaties waarbij Nederland op grond van een belastingverdrag heffings-recht heeft ter zake van arbeid die niet in Nederland is verricht. Hierdoor kunnen belastingplichtigen niet voor een dubbele vrijstelling in aanmerking komen. Dit geldt o.a. voor zeevarenden en mensen die werken in een luchtvaartuig.51. Aanpassen kavelruilvrijstelling in de overdrachtsbelasting (OVB)In de Voorjaarsnota 2024 is aangekondigd dat een belastingconstructie m.b.t. de kavelruilvrijstelling binnen de OVB wordt aangepakt. Met de kavelruilvrijstelling kunnen gronden en opstallen vrij van OVB worden geruild 40Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 waardoor de OVB geen obstakel is voor de verbetering van landinrichting. Om de belastingconstructie aan te pakken worden de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling aangescherpt.52. Aanpassen splitsingsvrijstelling OVBIn de Voorjaarsnota 2024 is aangekondigd dat een belastingconstructie m.b.t. de splitsingsvrijstelling in de OVB wordt aangepakt. De splitsingsvrijstelling is een faciliteit voor ondernemers met het doel om de OVB geen obstakel te laten zijn bij het herstructureren van bedrijven. Om de belastingconstructie aan te pakken en de uitvoerbaar- en handhaafbaarheid van de vrijstelling te verbeteren worden de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de vrijstelling aangescherpt. Bij de Voorjaarsnota 2024 was het budgettaire belang van deze maatregel en de mogelijke invoeringsdatum nog onvoldoende duidelijk. Inmiddels is bekend dat deze aanpassing per 1-7-2025 kan worden ingevoerd.53. Aanpak rollatorinvesteringen Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)In de Voorjaarsnota 2024 is een herijking verwerkt van een aantal maatregelen binnen de BOR en de doorschuifregeling (DSR). Een van de maatregelen die hieronder valt is de aanpak van rollatorinvesteringen in de BOR. De raming van deze maatregel is aangepast n.a.v. het doorlopen van het certificeringsproces met het Centraal Planbureau. Met deze herijking wordt dit verwerkt.54. Aanpak dubbel gebruik belastingconstructie in bedrijfsopvolgingsregeling (BOR)Naar aanleiding van de certificering van de raming door het CPB, is de opbrengst van deze maatregel herijkt.55 Herinvoeren overdraagbare algemene heffingskorting (eenverdienersproblematiek)In de Voorjaarsnota 2024 zijn de budgettaire gevolgen van het herinvoeren van de overdraagbare algemene heffingskorting (OAHK) voor de aanpak van de eenverdienersproblematiek verwerkt. In het HLA is vervolgens besloten om de bijstand te verhogen. Deze verhoging werkt door in de overdraagbare algemene heffingskorting. Met deze herijking wordt dit verwerkt.56. Aanpassen tarieftabel belasting voor personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voor plug-in hybride auto’sIn de Voorjaarsnota 2024 zijn de budgettaire gevolgen van het aanpassen van de tarieftabel in de BPM voor plug-in hybride personenauto’s verwerkt. De raming is geactualiseerd wat leidt tot een herijking.57. Stroomlijnen definities voertuigen in de BPM en MRBIn de Voorjaarsnota 2024 zijn de budgettaire gevolgen van het stroomlijnen van de definities van voertuigen in de BPM en MRB met het kentekenregister verwerkt. Uit de Uitvoeringstoets van de Belastingdienst blijkt echter dat de maatregel pas twee jaar later in werking kan treden. Met deze herijking wordt dit verwerkt.58. Verlagen instap tweede schijf inkomstenbelasting (IB) Caribisch Nederland naar $ 50.000In de Voorjaarsnota 2024 zijn de budgettaire gevolgen van het wetsvoorstel Belastingplan BES 2025 verwerkt. Hierbij zijn per abuis de budgettaire gevolgen van een maatregel niet verwerkt. Met deze herijking wordt dit hersteld. 41Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 59. Verwachte inkomsten CO2-heffing bij AVI’s tijdens kabinetsperiodeIn het Klimaatakkoord is afgesproken dat de opbrengsten van de CO2-heffing via het Klimaatfonds ten goede komen aan de verduurzaming van de industrie. Het kabinet heeft dit overgenomen en afgesproken om bij deze eerste Miljoenennota een ex-ante raming te maken van de totale verwachte inkomsten van de CO2-heffing industrie voor de komende 4 jaar (t/m 2028) en structureel. De geraamde opbrengst in deze jaren wordt aan de uitgavenkant verwerkt via een kadercorrectie op de percelen «verduurzaming industrie» en – voor wat betreft de middelen van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties – «onverdeeld» van het Klimaatfonds. Het kasbudget aan de uitgavenkant kan pas worden uitgegeven in het jaar waarin ex ante de inkomsten zijn geraamd.60. Verwachte inkomsten CO2-heffing bij overige belastingplichtigen tijdens kabinetsperiodeZie toelichting maatregel 59.61. Technische aanpassing voor overheveling middelen CO2-heffing industrie naar klimaatfondsZie toelichting maatregel 59.62. Premieverlaging Caribisch NederlandBij de behandeling van de SZW-begroting in 2023 is afgesproken om verschillende premies te verlagen voor Caribisch Nederland. Dit is gedekt door ruimte vrij te maken aan de uitgavenkant. Bij de Algemene Politieke Beschouwingen in 2023 en de behandeling van de verschillende begrotingen en het belastingplan, is een groot aantal amendementen en moties aangenomen. Aangezien deze moties en amendementen samen met een aantal aanpassingen aan de uitgavenkant, optellen tot een totaalpakket (met dekking), is hiervoor het inkomstenkader gecorrigeerd. Deze maatregel maakt ook deel uit van dit totaalpakket, het inkomstenkader wordt daarom gecorrigeerd hiervoor.63. Technische aanpassing voor dekking premieverlaging Caribisch NederlandZie toelichting maatregel 62.64. VrachtwagenheffingOp 1 januari 2023 is de Wet vrachtwagenheffing gedeeltelijk in werking getreden. De vrachtwagenheffing zelf wordt ingevoerd per 2026. Voor de start van de heffing wordt de Wet vrachtwagenheffing nog gewijzigd, conform de gewijzigde tolheffingsregels vanuit Europa. Op basis van deze wijzigingen is de opbrengst van de heffing berekend en wordt deze met de aanstaande Miljoenennota verwerkt.65. Technische aanpassing terugsluis vrachtwagenheffingIn het Klimaatakkoord is afgesproken dat de opbrengsten van de vrachtwagenheffing ten goede komt aan de sector. Deze technische aanpassing maakt dit mogelijk.66. Envelop Groepen in de knel van lasten naar uitgavenDe envelop Groepen in de knel wordt voor het grootste deel ingezet aan de uitgavenkant.42Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 4.2 Lastenmaatregelen hoofdlijnenakkoordStanden in mln. euro (+ is saldoverbeterend)2025202620272028Struc.A. Structurele lastenverlichtingKoopkracht en lastenverlichting voor werkende middeninkomens‒ 2.000‒ 2.000‒ 2.000‒ 2.000‒ 2.000Envelop groepen in de knel [lastenmaatregel].‒ 237‒ 237‒ 237‒ 249‒ 500Envelop gerichte lastenverlichting burgers.‒ 2.500‒ 2.500000Gevolg afschaffen eigen risico op nominale premie, IAB en zorgtoeslag02073.6223.8334.048Compensatie burgers (inkomstenbelasting)0‒ 171‒ 2.941‒ 3.124‒ 3.308Compensatie bedrijven (AOF)0‒ 36‒ 681‒ 710‒ 739Herinvoeren gebruik rode diesel voor landbouw00‒ 131‒ 132‒ 141Terugdraaien afschaffen inkoop eigen aandelen (inkoopfaciliteit dividendbelasting)‒ 800‒ 800‒ 800‒ 800‒ 800Terugdraaien verlagen MKB-winstvrijstelling naar 12,03%‒ 93‒ 93‒ 93‒ 93‒ 93Terugdraaien verhogen 3e, 4e en 5e schijf EB aardgas met 22,4% per 2025 en 2,7% extra per 2030‒ 211‒ 209‒ 198‒ 187‒ 227Terugdraaien verhoging 31% naar 33% van box 2‒ 214‒ 214‒ 214‒ 214‒ 214Verlagen tarief box 3‒ 100‒ 100‒ 100‒ 100‒ 100Accijnsverlaging brandstoffen verlengen t/m 2025‒ 1.5390000Verlagen energiebelasting 1e en 2e schijf EB aardgas met 2,82 cent per m3‒ 271‒ 260‒ 275‒ 296‒ 357Renteaftrekbeperking VPB van 20% naar Europees gemiddelde 25%‒ 432‒ 427‒ 425‒ 423‒ 419B. Curatieve en langdurige zorgGevolg ombuigingen zorg op IAB, nominale premie en zorgtoeslag00‒ 285‒ 586‒ 683Lastenverzwaring burgers via TES00165339395Lastenverzwaring bedrijven via AOF00120247288C. Structurele lastenverzwaringenAfschaffen verlaagd btw-tarief logies - uitgezonderd kampeerterreinen01.2121.2121.2121.212Invoeren circulaire plastic heffing000547547Afschaffen verlaagd btw-tarief culturele goederen en diensten - uitgezonderd bioscopen en dagrecreatie0953953953953Verhogen kansspelbelasting van 30,5% naar 37,8%202202202202202Stelpost fiscale regelingen en constructies afbouwen0250250250250Afschaffen salderingsregeling voor klein verbruikers (met ingang van 2027 in één keer)00621625720Beperken giftenaftrek IB en VPB en geven uit de vennootschap100100100225250Vliegbelasting gedifferentieerd naar afstand00248248248Verhogen AWF-premie (flex- en vaste contracten) met 0,1%0245245245245Totaal‒ 8.095‒ 3.878‒ 64313‒ 22343Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 5 DE BELASTING - EN PREMIEONTVANGSTEN5.1 InleidingDeze bijlage bevat een toelichting op de raming van de belasting- en premieontvangsten van het Rijk en de Sociale fondsen. Om inzicht te geven in de ontwikkeling van het totale ontvangstenbeeld worden de belastingen- en premieontvangsten (in het vervolg: ‘de ontvangsten’) gezamenlijk gepresenteerd. Net als in hoofdstuk 2 van deze Miljoenennota wordt de ontwikkeling van de verschillende belastingsoorten op EMU-basis toegelicht. In overeenstemming met de Comptabiliteitswet worden de belastingontvangsten op kasbasis getoond in de tabellen in bijlage 6. De ramingen voor de premieontvangsten komen overeen met de ramingen in de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Begroting XV) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Begroting XVI).In paragraaf 5.2 wordt de raming van de totale ontvangsten weergegeven. De ontwikkeling in 2024 en 2025 ten opzichte van het jaar ervoor wordt op hoofdlijnen besproken. Vervolgens worden in paragraaf 5.3 de ramingen van de ontvangsten van 2024 vergeleken met de stand van de Miljoenennota 2024, waarbij de belangrijkste ramingsbijstellingen worden toegelicht. Paragraaf 5.4 bevat vervolgens een toelichting op de raming van 2025 (de Ontwerpbegroting), onderverdeeld naar endogene ontwikkeling en beleidsmaatregelen. Paragraaf 5.5 gaat over de bijstellingen van het ramingsmodel (‘expert opinion’). Paragraaf 5.6 presenteert de meerjarige ontvangstenraming tot en met 2029. Tot slot geeft paragraaf 5.7 een gedetailleerd overzicht van de raming van de ontvangsten voor 2024 en 2025. Voor een toelichting op de methodiek achter raming van de belastingen wordt verwezen naar bijlage 6 van deze Miljoenennota.5.2 Ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2024 en 2025Het Rijk realiseert in 2024 naar verwachting in totaal 17,4 miljard euro meer ontvangsten dan in 2023. Dit is te zien in tabel 5.2.1. De endogene ontwikkeling draagt positief bij aan de ontvangsten. De endogene ontwikkeling hangt samen met economische ontwikkelingen, zoals stijging van de lonen van werknemers of winsten van bedrijven. De endogene ontwikkeling kan afgezet worden tegen de ontwikkeling van de waarde van het bbp (6,3% respectievelijk 5,7% in 2024). Daarnaast leiden beleidsmaatregelen in totaal tot 7,2 miljard euro lagere ontvangsten vergeleken met 2023, met name door incidentele effecten in box 3 en de vennootschapsbelasting als gevolg van uitspraken van de Hoge Raad.Tabel 5.2.1 Ontwikkeling inkomsten 2023-2029 (in miljarden euro's)2023202420252026202720282029Belastingen en premies volksverzekeringen op EMU-basis300,9310,8324,2340,2353,8366,8380,0- waarvan belastingen260,9273,9277,4293,9305,5317,2327,8- waarvan premies volksverzekeringen40,037,046,846,348,349,652,2Premies Werknemersverzekeringen (incl. Zvw)87,294,7100,9106,7115,4120,2124,9Totaal388,1405,6425,1447,0469,2487,0504,9Mutatie17,419,521,922,217,817,9- waarvan endogene groei24,614,716,116,416,917,8- waarvan beleid‒ 7,24,85,95,80,90,0Endogene mutatie (in %)6,3%3,6%3,8%3,7%3,6%3,7%Waardeontwikkeling BBP (in %)5,7%4,3%4,2%4,1%3,5%44Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In 2025 groeien de ontvangsten verder door met 19,5 miljard euro. De beleidsmatige mutatie is 4,8 miljard euro opwaarts. De economische ontwikkelingen hebben in 2025 een opwaarts effect op de ontvangsten met 14,7 miljard euro.5.3 De belasting- en premieontvangsten in 2024In tabel 5.3.1 wordt de nieuwe raming voor 2024 vergeleken met de oorspronkelijke stand van de Miljoenennota 2024. De nieuwe raming voor 2024 is gebaseerd op het macro-economisch beeld conform de MEV 2025 van het CPB en de gerealiseerde ontvangsten tot en met juli 2024. Ten opzichte van de Miljoenennota 2024 is de raming van de ontvangsten per saldo 2,6 miljard euro opwaarts bijgesteld.Tabel 5.3.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2024 (in miljoenen euro's)Miljoenennota 2024Vermoedelijke uitkomsten 2024VerschilIndirecte belastingen121.935117.303‒ 4.633Invoerrechten4.9843.929‒ 1.055Omzetbelasting79.45578.778‒ 677Belasting op personenauto's en motorrijwielen1.4851.402‒ 82Accijnzen13.88412.281‒ 1.603Overdrachtsbelasting3.8853.723‒ 162Assurantiebelasting3.7373.953216Motorrijtuigenbelasting4.9464.98337Belastingen op een milieugrondslag8.1846.612‒ 1.572Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.690648‒ 41Belasting op zware motorrijtuigen213207‒ 6Bankbelasting473608135Inframarginale heffing0179179Directe belastingen en premies volksverzekeringen189.596193.1643.568Loon- en inkomensheffing132.870136.7203.850Dividendbelasting6.4975.810‒ 686Kansspelbelasting9581.064106Vennootschapsbelasting46.24146.109‒ 132Bronbelasting op rente en royalty's7159‒ 13Schenk- en erfbelasting2.9583.402444Overige belastingontvangsten36437612Totaal belastingen en premies volksverzekeringen311.896310.842‒ 1.053Premies werknemersverzekeringen91.04794.7243.677waarvan zorgpremies56.02256.652630Totaal belasting- en premieontvangsten402.943405.5672.624De raming uit de Miljoenennota 2024 is gebaseerd op de beleidsuitgangspunten zoals die destijds golden. Na het opstellen van de Miljoenennota zijn er nog enkele wijzigingen in het fiscale beleid voor 2024 doorgevoerd. Tabel 5.3.2 geeft een overzicht van deze beleidsmutaties. In totaal is hierdoor sprake van 7,2 miljard euro lagere ontwikkeling van de ontvangsten, in 45Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 plaats van een toename van 4,2 miljard euro. Dit verschil is grotendeels het gevolg van anticipatie in 2023 op de verhoging van de box 2-tarieven en de uitspraken van de Hoge Raad over box 3.Tabel 5.3.2 Verticale toelichting beleidsmutaties 2024 (in miljarden euro's)Miljoenennota 20244.215Uitspraak Hoge Raad box 3‒ 6.400Uitspraak Hoge Raad Duits vastgoedfonds‒ 1.053Anticipatie-effect verhoging box 2 2024‒ 2.672Verlengen verlaging brandstofaccijns‒ 1.252Overig‒ 3Miljoenennota 2025‒ 7.165De verwachte opbrengst uit indirecte belastingen is 4,6 miljard euro neerwaarts bijgesteld. Naast de verlaging van de brandstofaccijns, spelen lagere ontvangsten uit de invoerrechten, de belasting op milieugrondslag en de tabaksaccijns een belangrijke rol. De invoerrechten zijn afhankelijk van import van producten uit landen buiten de Europese Unie. Na een sterke stijging in 2021 en 2022 dalen deze weer sinds 2023. Ook bij de tabaksaccijns is de laatste jaren sprake van een grillig patroon van de ontvangsten. De bijstelling voor 2024 volgt uit het feit dat de ontvangsten grofweg op het niveau liggen van vorig jaar, terwijl door de tariefverhoging per 1 april 2024 juist een toename was verwacht. Bij de belasting op milieugrondslag is sinds 2023 sprake van lager dan geraamde opbrengsten uit de energiebelasting, waarbij besparing naar aanleiding van de prijsschok een belangrijke rol speelt.De verwachte opbrengst uit directe belastingen en premies volksverzekeringen is toegenomen met 3,6 miljard euro. Dit is opvallend omdat de uitspraken van de Hoge Raad juist leiden tot lagere opbrengsten in de inkomensheffing en de vennootschapsbelasting. Hier staat tegenover dat de ontvangsten uit de loon- en inkomensheffing endogeen sterk zijn toegenomen, onder andere als gevolg van hoger-dan-geraamde loonstijging.Tot slot zijn de verwachte opbrengsten uit de premies werknemersverzekeringen opwaarts bijgesteld. Hier is in belangrijke mate sprake van een statistisch effect. De herziening van de Nationale Rekeningen door het CBS leidt voor de sociale fondsen zowel tot hogere toegerekende uitgaven (uitkeringen) als inkomsten (premies).5.4 De belasting- en premieontvangsten in 2025In figuur 5.4.1 zijn de geraamde ontvangsten voor 2025 opgenomen.46Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Figuur 5.4.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2025Miljarden euro's97,397,382,282,260,060,046,846,846,646,640,940,912,312,38,08,06,66,66,46,45,05,04,14,13,63,62,02,01,31,30,70,70,60,60,60,6Loon- eninkomensbelastingOmzetbelasting (btw)ZorgpremiesPremiesvolksverzekeringenVennootschapsbelastingPremieswerknemersverzekeringenAccijnzenOverdrachts- enassurantiebelastingDividendbelastingBelastingen op eenmilieugrondslagMotorrijtuigenbelastingInvoerrechtenSchenk- enerfbelastingBelasting oppersonenauto's enmotorrijwielen (bpm)KansspelbelastingVerbruiksbelastingBankbelastingOverig0100255075125Tabel 5.4.1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de geraamde ontvangsten in 2025. Hierbij wordt per belastingsoort onderscheid gemaakt tussen het effect van fiscale beleidsmaatregelen op de ontwikkeling van de ontvangsten van 2024 naar 2025 en de endogene ontwikkeling. Dat is de ontwikkeling van de ontvangsten die samenhangt met macro-economische ontwikkelingen.47Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 5.4.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2025 (in miljoenen euro)Vermoedelijke uitkomsten 2024MaatregelenEndogeenEndogeen in %2025Indirecte belastingen117.3031944.1223,5%121.619Invoerrechten3.92901724,4%4.101Omzetbelasting78.778‒ 1353.5954,6%82.237Belasting op personenauto's en motorrijwielen1.402573110,8%1.987Accijnzen12.28115430,3%12.339Overdrachtsbelasting3.723‒ 18540010,7%3.938Assurantiebelasting3.95301453,7%4.098Motorrijtuigenbelasting4.98329350,7%5.047Belastingen op een milieugrondslag6.61275‒ 307‒ 4,6%6.379Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.6480284,3%676Belasting op zware motorrijtuigen207020,9%208Bankbelasting608000,0%608Inframarginale heffing179‒ 17900,0%0Directe belastingen en premies volksverzekeringen193.1642.8506.2073,2%202.221Loon- en inkomensheffing136.720‒ 477.4875,5%144.160Dividendbelasting5.810771‒ 5‒ 0,1%6.577Kansspelbelasting1.0641021019,5%1.267Vennootschapsbelasting46.1092.028‒ 1.554‒ 3,4%46.582Bronbelasting op rente en royalty's590‒ 4‒ 6%55Schenk- en erfbelasting3.402‒ 41825,3%3.580Overige belastingontvangsten376‒ 3‒ 19‒ 4,9%354Totaal belastingen en premies volksverzekeringen310.8423.04110.3113,3%324.194Premies werknemersverzekeringen94.7241.7614.3754,6%100.861waarvan zorgpremies56.6521.2732.0733,7%59.998Totaal belasting- en premieontvangsten405.5674.80214.6863,6%425.0555.4.1 Endogene ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2025De endogene ontwikkeling van de ontvangsten wordt toegelicht aan de hand van de relevante economische indicatoren zoals deze geraamd zijn in de Macro Economische Verkenning 2025. Voor 2025 verwacht het Centraal Planbureau (CPB) een waardeontwikkeling van het bbp van 4,3 procent. De endogene groei van de totale belasting- en premieontvangsten in 2025 bedraagt 3,6 procent.De endogene groei van de ontvangsten uit de indirecte belastingen in 2025 bedraagt 3,5 procent. De belangrijkste bijdrage hieraan is de verdere groei van de btw, die veruit het grootste budgettaire aandeel heeft in de indirecte belastingen. Opvallende ontwikkelingen zijn zichtbaar in de overdrachtsbelasting (10,7 procent) en de belasting op milieugrondslag (-4,6 procent). Bij de overdrachtsbelasting is sprake van zowel aantrekkende prijzen als een groter transactievolume. De belasting op milieugrondslag, waavan de energiebelasting budgettair de belangrijkste is, daalt endogeen maar stijgt juist beleidsmatig. In de praktijk is het lastig deze effecten in de energiebelasting van elkaar te scheiden.48Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Bij de directie belastingen en premies volksverzekeringen bedraagt de endogene groei 3,2 procent. De belangrijkste belastingsoort is de loon- en inkomensheffing die met name wordt gedreven door de loongroei. Bij de directe belastingen valt op dat sprake is van een endogene krimp van de vennootschapsbelasting. Dit wordt verklaard door hoge ontvangsten in de afgelopen jaren, waaronder 2024, over eerder behaalde winsten. De verwachting is dat dit «overloop-effect» met de tijd kleiner wordt, wat zich vertaalt in lagere groei (in dit geval dus krimp) in 2025. Wel geldt dat de raming van de ontvangst van de vennootschapsbelasting sterk onzeker is, waarbij in de laatste jaren herhaaldelijk sprake is van hoger-dan-verwachte inkomsten.De ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen – waar ook de zorgpremies onder vallen – nemen endogeen met 4,6 procent toe in 2025. Onderliggend gaat het om een positieve ontwikkeling van de grondslag door met name hogere lonen, net zoals bij de loonheffing.5.4.2 Het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangstenIn 2025 nemen de ontvangsten met 4,8 miljard euro toe als gevolg van beleidsmaatregelen. Tabel 5.4.1. toont het effect van de beleidsmaatregelen op de ontvangsten in 2025 per belastingsoort. Enkele opvallende effecten zijn zichtbaar in de BPM, dividendbelasting en vennootschapsbelasting. In de BPM is sprake van een opwaarts effect vanuit beleid als gevolg van het afschaffen van de vrijstelling voor bestelauto's van ondernemers. Bij de dividendbelasting speelt anticipatie op voorgenomen beleid een belangrijke rol: omdat per 2025 het hoge tarief in box 2 verlaagd wordt (van 33% naar 31%), is het aantrekkelijk voor ondernemers om te wachten met het uitkeren van dividend. Dit leidt tot lagere inkomsten uit de dividendbelasting in 2024 en juist hogere inkomsten in 2025. Bij de vennootschapsbelasting, tot slot, geldt dat de ontvangsten in 2024 gedrukt werden door de eenmalige mogelijkheid voor bedrijven om versneld af te schrijven over investeringen gemaakt in 2023. In 2025 vervalt dit effect.Het gepresenteerde beleidseffect in 2025 bestaat zowel uit beleid dat tot stand is gekomen vóór het aantreden van het huidige kabinet en nog een op- of neerwaarts effect heeft op de inkomsten ten opzichte van 2024, als uit (nieuw) beleid van het huidige kabinet. Tabel 5.4.2 maakt dit onderscheid expliciet. Hierin wordt de verticale mutatie van het beleid toegelicht. Tijdens de huidige kabinetsperiode is met name het effect van de uitspraken van de Hoge Raad over box 3 en Duits vastgoedfonds aanzienlijk. Dit leidt tot een budgettaire derving. Omdat de derving vooral in 2024 groot is, resulteert in 2025 juist een'plus' van jaar-op-jaar. In de loonheffing introduceert het kabinet lastenverlichtingen, terwijl de verlaging van de brandstofaccijns met één jaar is verlengd tot en met 2025.49Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 5.4.2 Verticale toelichting beleidsmutaties 2025 (in miljoenen euro)MaatregelenVorige kabinettenMiljoennnota 2025TotaalInkomensheffing box 2‒ 4.031267‒ 3.764HR uitspraken box 3 en Duits vastgoedfonds05.7725.772Loon- en inkomensheffing overig2.253‒ 3.261‒ 1.008VPB overig1309‒ 328981BPM, MRB en brandstofaccijnzen1.784‒ 1.337447Energiebelasting467‒ 44423Dividendbelasting983‒ 212771Zorgpremies1.665‒ 3911.274Werkgeverspremies (excl. IAB)20468488Overig119‒ 301‒ 182Totaal4.5692334.8025.5 Bijstellingen van het ramingsmodelOnderstaande tabel 5.5.1 toont het effect dat ramingsbijstellingen (‘expert opinion’) hebben op de hierboven toegelichte ramingen in 2024. Daarbij is expert opinion gedefinieerd als de handmatige bijstellingen van de ramingen op kas- of transactiebasis. Daarnaast kan de raming ook nog beïnvloed worden door aanpassing van de kas-transparameters of in het geval van de raming op EMU-basis via de omvang van het kas/EMU-verschil. De grote neerwaartse bijstelling in de dividendbelasting valt op. Dit is deels het effect van lager-dan-verwachte realisaties in de eerste helft van 2024, maar de omvang van de bijstelling is extra vertekend door het uitzonderlijk hoge niveau van de ontvangst in 2023. Dat hoge niveau hing samen met de anticipatie op de tariefsaanpassingen in box 2 per 2024.Tabel 5.5.1 Bijstellingen ramingsmodel 2024Raming 2024Bijstelling (% van raming)Indirecte belastingen117.3030,5%Invoerrechten3.929‒ 11,8%Omzetbelasting78.7780,3%Belasting op personenauto's en motorrijwielen1.402‒ 2,5%Accijnzen12.281‒ 1,6%Overdrachtsbelasting3.723‒ 0,9%Assurantiebelasting3.9534,8%Motorrijtuigenbelasting4.983‒ 0,1%Belastingen op een milieugrondslag6.61213,5%Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.6480,0%Belasting op zware motorrijtuigen2070,0%Bankbelasting6080,0%Inframarginale heffing1790,0%Directe belastingen en premies volksverzekeringen193.1643,8%Loon- en inkomensheffing136.7202,1%Dividendbelasting5.810‒ 33,6%Kansspelbelasting1.0646,1%Vennootschapsbelasting46.10913,4%Bronbelasting op rente en royalty's59‒ 28%Schenk- en erfbelasting3.4025,9%Overige belastingontvangsten376‒ 13,3%Totaal belastingen en premies volksverzekeringen310.8422,5%50Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Omdat voor de raming van 2025 de raming van 2024 – en niet de gerealiseerde ontvangsten – het uitgangspunt vormt, werkt de toegepaste expert opinion uit 2024 één-op-één door naar 2025. Bij een deel van de belastingen loopt de bijstelling in 2025 verder op ten opzichte van 2024, in lijn met de bijstellingen in 2024 op basis van de kasontvangsten. Bij andere belastingen daalt de omvang van de bijstelling juist, bijvoorbeeld omdat de bijstelling in 2024 gemotiveerd is door een incidenteel effect.Tabel 5.5.2 Bijstellingen ramingsmodel 2025Raming 2025Bijstelling (% van raming)Indirecte belastingen121.6190,3%Invoerrechten4.101‒ 11,3%Omzetbelasting82.2370,5%Belasting op personenauto's en motorrijwielen1.987‒ 5,6%Accijnzen12.339‒ 3,0%Overdrachtsbelasting3.9380,6%Assurantiebelasting4.0985,9%Motorrijtuigenbelasting5.047‒ 1,0%Belastingen op een milieugrondslag6.37910,7%Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.6760,0%Belasting op zware motorrijtuigen2080,0%Bankbelasting6080,0%Directe belastingen en premies volksverzekeringen202.2212,8%Loon- en inkomensheffing144.1602,2%Dividendbelasting6.577‒ 39,5%Kansspelbelasting1.2672,7%Vennootschapsbelasting46.58210,5%Bronbelasting op rente en royalty's55‒ 67,2%Schenk- en erfbelasting3.5807,0%Overige belastingontvangsten354‒ 14,1%Totaal belastingen en premies volksverzekeringen324.1941,9%5.6 Meerjarige ontvangstenontwikkeling en ramingDe ontwikkeling van de ontvangsten voor de periode 2024-2029 is weergegeven in tabel 5.6.1. De ramingen voor 2024 en 2025 zijn in voorgaande paragrafen toegelicht.51Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 5.6.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2024-2029 op EMU-basis (in miljoenen euro)202420252026202720282029Indirecte belastingen117.303121.619130.793135.052139.423143.246Invoerrechten3.9294.1014.3024.4654.6114.761Omzetbelasting78.77882.23788.26891.45694.64597.931Belasting op personenauto's en motorrijwielen1.4021.9872.3562.4062.3572.272Accijnzen12.28112.33914.00413.97613.97613.965Overdrachtsbelasting3.7233.9384.3694.3954.5474.690Assurantiebelasting3.9534.0984.2284.3594.4804.600Motorrijtuigenbelasting4.9835.0475.5445.6575.7285.823Belastingen op een milieugrondslag6.6126.3796.3467.0407.7767.896Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.648676684690694699Belasting op zware motorrijtuigen20720883000Bankbelasting608608608608608608Inframarginale heffing17900000Directe belastingen en premies volksverzekeringen193.164202.221209.091218.411227.007236.389Loon- en inkomensheffing136.720144.160149.613157.963165.000172.764Dividendbelasting5.8106.5776.6146.8747.0907.272Kansspelbelasting1.0641.2671.4041.4801.5531.609Vennootschapsbelasting46.10946.58247.70948.38749.69051.096Bronbelasting op rente en royalty's5955331211Schenk- en erfbelasting3.4023.5803.7183.6943.6733.646Overige belastingontvangsten376354352350347343Totaal belastingen en premies volksverzekeringen310.842324.194340.237353.812366.776379.978Premies werknemersverzekeringen94.724100.861106.749115.416120.239124.888waarvan zorgpremies56.65259.99864.37470.91374.23777.336Totaal belasting- en premieontvangsten405.567425.055446.986469.229487.016504.86652Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 5.7 De complete belastingraming 2024-2025 op EMU-basisTabel 5.7.1 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de ontvangsten in 2024 en 2025.Tabel 5.7.1 Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2024-2025 op EMU-basis (in miljoenen euro)Vermoedelijke uitkomsten 2024Ontwerpbegroting 2025Indirecte belastingen117.303121.619Invoerrechten3.9294.101Omzetbelasting78.77882.237Belasting op personenauto's en motorrijwielen1.4021.987Accijnzen12.28112.339- Accijns van lichte olie4.5584.547- Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie3.3413.201- Tabaksaccijns3.1753.380- Alcoholaccijns398400- Bieraccijns456460- Wijnaccijns353351Overdrachtsbelasting3.7233.938Assurantiebelasting3.9534.098Motorrijtuigenbelasting4.9835.047Belastingen op een milieugrondslag6.6126.379- CO2-heffing glastuinbouw056- Afvalstoffenbelasting260267- Energiebelasting5.2864.932- Waterbelasting335340- Brandstoffenheffingen00- Vliegbelasting730784- Kolenbelasting00Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.648676Belasting op zware motorrijtuigen207208Bankbelasting608608Inframarginale heffing1790Directe belastingen156.194155.380Inkomstenbelasting18.33011.750Loonbelasting81.42085.568Dividendbelasting5.8106.577Kansspelbelasting1.0641.267Vennootschapsbelasting46.10946.582Bronbelasting op rente en royalty's5955Schenk- en erfbelasting3.4023.580Overige belastingontvangsten376354waarvan Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland249260Totaal belastingen273.872277.353Premie volksverzekeringen36.97046.842Premies werknemersverzekeringen94.724100.861waarvan zorgpremies56.65259.998Totaal belasting- en premieontvangsten405.567425.05553Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 6 TOELICHTING OP DE BELASTINGONTVANGSTEN6.1 InleidingDeze bijlage bevat een nadere toelichting op de raming van belasting- en premieontvangsten. De uitkomsten van de raming op EMU-basis zijn reeds gepresenteerd in paragraaf 2.6 en bijlage 5 van deze Miljoenennota. Deze bijlage gaat in op de methodiek die ten grondslag ligt aan de raming. Het ramingsmodel, de toegepaste ramingsvergelijkingen en de herijkingen t.o.v. voorgaande jaren, worden uitgebreid toegelicht. Tot slot toont deze paragraaf enkele cijfers over de inkomstenraming in aanvulling op bijlage 5, namelijk de ontvangsten van de verschillende belastingsoorten op kasbasis en voor enkele belastingen op transactiebasis.6.2 Het belang van een raming van belasting- en premieontvangstenHet ministerie van Financiën maakt jaarlijks de rijksbegroting op. De raming van de ontvangsten is hierbij een belangrijke bouwsteen. De geraamde ontvangsten zijn immers noodzakelijk om het te verwachten begrotingssaldo (EMU-saldo) te bepalen. De inkomstenraming is bovendien relevant voor de financieringsbehoefte van de Nederlandse Staat.De ontvangsten zijn, in tegenstelling tot de meeste overheidsuitgaven, zeer gevoelig voor economische ontwikkelingen. Zo leiden toenemende werkgelegenheid en hogere lonen direct tot meer ontvangsten via de loonheffing. Via hogere consumptieve bestedingen van huishoudens stijgen bovendien de btw-ontvangsten. Dalende winsten in een laagconjunctuur kunnen zelfs tot negatieve kasontvangsten bij de vennootschapsbelasting leiden (door verliesverrekening). Onder andere deze gevoeligheid voor macro-economische ontwikkelingen is reden voor het kabinet om niet op het EMU-saldo te sturen bij de opstelling van de begroting, maar te kiezen voor een trendmatig begrotingsbeleid. Dit betekent dat de overheidsinkomsten mogen meebewegen met de economische ontwikkeling. Binnen dit begrotingsbeleid leidt een opwaartse bijstelling van de inkomsten, en daarmee van het EMU-saldo, niet tot intensivering van de overheidsuitgaven of lastenverlichting. Andersom maakt dit mogelijk dat bij economische tegenwind het kabinet niet direct hoeft te bezuinigen of lasten hoeft te verzwaren. Dit werkt stabiliserend op de economie. Fiscale beleidsmaatregelen zijn wel begrensd. Met het inkomstenkader houdt het kabinet vast aan een pad van beleidsmatige lastenverlichting of lastenverzwaring over de kabinetsperiode (zie bijlage 4). Dat pad legt het kabinet bij de start van de kabinetsperiode vast in de Startnota.Een zo trefzeker mogelijke raming kan ervoor zorgen dat het uiteindelijk gerealiseerde EMU-saldo zo dicht mogelijk in de buurt ligt van de raming in de begroting. Tegelijkertijd is het goed om te beseffen dat het gaat om een raming gebaseerd op een macro-economisch model. De uitkomsten van het model hangen sterk af van de raming van macro-economische variabelen, die als input voor het model gebruikt worden.6.3 Ramingsmethodiek Ministerie van FinanciënVoor de raming van de ontvangsten gebruikt het ministerie van Financiën een econometrisch geschat ramingsmodel. Input voor dat model vormen ten eerste de gerealiseerde ontvangsten van het meest recente volledige jaar, zoals aangeleverd door de Belastingdienst.Tweede input zijn de ramingen van relevante macro-economische variabelen voor toekomstige jaren, aangeleverd door het Centraal Planbureau (CPB). Het CPB maakt periodiek een onafhankelijke raming 54Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 van de ontwikkeling van de Nederlandse economie. Het kabinet baseert de opstelling van de begroting zowel aan de uitgaven- als de inkomstenkant op deze ramingen van het CPB. Daarmee is gegarandeerd dat er niet politiek gestuurd kan worden op de cijfers over de economie.Als derde beïnvloeden ook wijzigingen in beleid de ontvangsten. Beleidseffecten worden ingeboekt in een database, waarna het effect per belastingsoort wordt meegenomen bij de raming.Tot slot speelt zogenoemde ‘expert opinion’ een rol. De uitkomsten van het model – de geraamde ontwikkeling op basis van macro-economische variabelen en beleidswijzigingen – worden gewogen in samenhang met onder andere de gerealiseerde belastingontvangsten in het lopende jaar, informatie over de uitvoering van de Belastingdienst (waaronder opgelegde aanslagen) en meer sectorspecifieke informatie. Ook de trefzekerheid van het model in de meest recente jaren wordt daarbij bezien. Voor de raming van de ontvangsten in deze Miljoenennota zijn voor 2024 de gedetailleerde kasgegevens tot en met juli bekend en meegewogen in de raming. De inkomsten voor 2024 zijn dus deels gerealiseerd. Voor ramingsjaar 2025 zijn daarentegen nog geen kasgegevens beschikbaar. De geraamde ontvangsten voor 2024 vormen daarom de basis voor de raming van 2025.Een voorbeeld waarbij specifieke uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst een rol heeft gespeeld in recente ramingen, is bij het belastinguitstel voor ondernemers vanwege de coronacrisis. De gerealiseerde kasontvangsten gaven door de mogelijkheid van uitstel van betaling geen zuiver beeld van de werkelijke opgelegde belastingclaim. Middels informatie van de Belastingdienst is per belastingsoort in beeld gebracht in hoeverre er sprake was van corona-uitstel, waardoor de raming hiervoor gecorrigeerd kon worden. In de komende jaren wordt uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst op soortgelijke wijze toegepast om de kasontvangsten te corrigeren voor terugbetalingen van de uitgestelde belasting.Sectorspecifieke informatie speelt een rol bij bijvoorbeeld de raming van de BPM. Naast de op macro-economische variabelen gebaseerde vergelijking wordt gekeken naar het aantal verkochte voertuigen in het lopende jaar in relatie tot de gerealiseerde kasontvangsten en verwachtingen voor de rest van het jaar en het komende jaar. Deze informatie wordt naast de modeluitkomst gehouden en indien nodig wordt de modeluitkomst bijgesteld.6.4 Ramingsmodel voor de belasting- en premieontvangstenHet ministerie van Financiën raamt de opbrengst per belasting- en premiesoort. Het ramingsmodel houdt hierbij rekening met beleidsmaatregelen en economische ontwikkelingen. Beleidsmatige keuzes beïnvloeden de hoogte van belastingtarieven en de omvang van belastinggrondslagen. De omvang van belastinggrondslagen wordt bovendien beïnvloedt door economische ontwikkelingen, vooral door de stand van de conjunctuur. Zo raamt het CPB dat zowel de huizenprijzen als het aantal verkochte huizen met bijna 8% stijgen in 2024, wat zich vertaalt in relatief hoge groei van de overdrachtsbelasting. Het ramingsmodel bestaat uit meerdere vergelijkingen: elke belastingsoort heeft namelijk een specifieke ramingsvergelijking, aansluitend op de grondslag van de betreffende belastingsoort. Deze vergelijkingen zijn econometrisch geschat.Bovenstaande kan samengevat worden in de volgende vergelijking:Tt = Tt-1 * (1 + Et) + At55Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tt = Ontvangst van een belastingsoort in jaar tTt-1 = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t-1Et = Effect van economische ontwikkeling op ontvangst belastingsoort in jaar tAt = Beleidsmatig effect op ontvangst belastingsoort in jaar tDe geraamde opbrengst van een belastingsoort in een bepaald jaar is gelijk aan de opbrengst van de belastingsoort uit het voorafgaande jaar plus de veranderingen door beleid en als gevolg van economische ontwikkelingen in dat jaar. Het startpunt van de raming in deze Miljoenennota is daarom de gerealiseerde stand van de ontvangsten in 2023. Het Financieel Jaarverslag Rijk 2023 bevat nadere informatie over de gerealiseerde ontvangsten over 2023. Middels de geraamde beleidsmatige en economische ontwikkelingen komt het ministerie vervolgens tot een raming voor de ontvangsten in 2024. Deze raming geldt vervolgens als startpunt voor de raming van ontvangsten in 2025, die eveneens wordt aangevuld met de beleidsmatige en verwachte economische veranderingen van dat jaar.Beleidsmatige ontwikkelingenBeleidsmatige ontwikkelingen beïnvloeden de hoogte van de ontvangsten. Een aanpassing van belastingtarieven zorgt bijvoorbeeld voor een verandering van de belastingopbrengsten. Het budgettaire effect van een beleidsmaatregel ex ante wordt vastgesteld met inachtneming van een eerste-orde-gedragseffect. Deze ex ante-inschatting met eerste-orde-gedragseffect is de best mogelijke inschatting van het effect van beleid op de desbetreffende belastingopbrengst. Mogelijke effecten van het beleid op macro-economische ontwikkelingen spelen hierbij geen rol. Economische ontwikkelingen worden immers apart geraamd: opname hiervan in beleidsramingen zou leiden tot dubbeltelling.Endogene ontwikkelingDe verdere verandering van de ontvangsten wordt hoofdzakelijk gedreven door economische ontwikkelingen. In de Miljoenennota wordt dit ook de endogene ontwikkeling genoemd. Het gaat hier bijvoorbeeld om hogere belastingopbrengsten door hogere consumptie van huishoudens, of door hogere lonen bij een gunstige economische ontwikkeling. De endogene ontwikkeling van elke belastingsoort wordt geraamd met een model waarin macro-economische variabelen zijn opgenomen. Deze macro-economische variabelen hebben bewezen samenhang met de betreffende belastingsoort. Hierbij maakt het ministerie van Financiën gebruik van de economische raming van het CPB. Bij deze Miljoenennota betreft dit de Macro-economische Verkenning 2025 (MEV 2025).De relatie tussen een macro-economische variabele en de endogene verandering van de belastingopbrengst is vaak niet één-op-één. Daarom wordt deze relatie vastgesteld op basis van empirische schatting op historische gegevens, deskundigenoordeel, wetenschappelijke inzichten of andere relevante informatie. De relatie wordt weergegeven door een coëfficiënt. Onderstaande tabel met ramingsvergelijkingen geeft de verschillende coëfficiënten weer. Een negatieve coëfficiënt geeft aan dat de macro-economische ontwikkeling en de endogene ontwikkeling van de belastingopbrengst tegen elkaar in bewegen. Een positieve coëfficiënt geeft aan dat de endogene ontwikkeling en de ontwikkeling van de macro-economische variabele in dezelfde richting bewegen. Deze coëfficiënten 56Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 worden periodiek geëvalueerd en herzien. In 2022 zijn de vergelijkingen van het model opnieuw tegen het licht gehouden en zijn de coëffi-ciënten herschat. De beschikbaarheid van (specifieke) macro-economische variabelen en de kwaliteit daarvan is een duidelijke randvoorwaarde bij het empirisch schatten van de ramingsvergelijkingen. Zo is bij de BPM en mrb gekozen voor koppeling aan respectievelijk de ontwikkeling van de duurzame consumptie en het bbp in plaats van meer specifieke ‘auto’-gerichte variabelen vanwege de beperkte voorspelkracht van laatstgenoemde variabelen.De meeste belastingensoorten worden op kasbasis geraamd. Dat wil zeggen dat het moment van betaling bepaalt aan welk jaar de belasting wordt toegerekend. Omdat de begroting en de verantwoording op EMU-basis – doorgaans de één-maands-verschoven-kas – plaatsvindt, wordt deze raming voor de meeste belastingsoorten gecorrigeerd met het verschil tussen de verwachte kasontvangsten in januari van jaar t en jaar t+1.5De grootste belastingsoorten – de vennootschapsbelasting, de btw, de loonheffing en de inkomensheffing – worden op transactiebasis geraamd in plaats van op kasbasis.6 Dat wil zeggen dat de belastingopbrengsten worden toegerekend aan de jaren waarin de daadwerkelijke economische transactie - waaruit de belastingopbrengst voortkomt - zich heeft voorgedaan. Dat maakt een betere raming mogelijk, omdat zo omvangrijke kasstromen uit eerdere jaren modelmatig gekoppeld worden aan de macro-economische ontwikkeling van het betreffende jaar. De Belastingdienst splitst gerealiseerde kasontvangsten uit in transactiejaren. Door deze systematiek zijn de gerealiseerde belastinginkomsten op transactiebasis pas enkele jaren na afloop van het jaar bekend. Na het maken van de transactiebasisraming vertaalt het ministerie van Financiën deze naar kasontvangsten. Hiertoe maakt het gebruik van kas-transparameters. Deze parameters delen de ontvangsten in een economisch jaar toe aan kasjaren. De grootte van deze parameters is in eerste instantie gebaseerd op historische kaspatronen van de desbetreffende belastingsoort en op uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst.5 Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten ten behoeve van het EMU-saldo voor 2025 zijn de kasontvangsten van februari 2025 tot en met januari 2026 relevant. De inkomensheffing, de vennootschapsbelasting en de erf- en schenkbelasting zijn uitzonderingen. Van deze belastingsoorten is de EMU-definitie gelijk aan de ontvangst op kasbasis. Ook de btw is een uitzondering. De EMU-definitie voor deze belastingsoort is gelijk aan de ontvangst op transactiebasis.6 De inkomensheffing neemt aanvullend daarop een aparte positie in: de verschillende onderdelen van de IH (box 1 ondernemers, box 2, box 3, hypotheekrenteaftrek, overig (voornamelijk verrekende heffingskortingen en dividendbelasting)) worden apart op transactiebasis geraamd, mede op basis van de meest recente aanslaggegevens.57Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 6.4.1 Verklarende variabelen ramingsmodelAfkortingVariabelearbvuArbeidsvolume in arbeidsjaren, mutatiebbpvuBBP marktprijzen, volumemutatiebbpwuBBP marktprijzen, waardemutatiebox2Waardemutatie grondslag box 2box3Waardemutatie grondslag box 3clpuContractloonstijginghznpuHuizenverkoop prijsmutatiehznvuHuizenverkoop volumemutatieihhyptrGrondslag hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfaitincpuIncidentele loonstijgingiondWaardemutatie inkomen box 1 ondernemersivswuInvesteringen in woningen, waardemutatieoiwuOverheidsinvesteringen, waardemutatiepcdvuConsumptie van duurzame goederen, volumemutatiepcdwuConsumptie van duurzame goederen, waardemutatiepcndvuConsumptie exclusief duurzame goederen, waardemutatiepcvgvuConsumptie van voeding en genot, volumemutatiepcwuParticuliere consumptie, waardemutatieprpsvAftrekbare premies loonheffing, waardemutatietcfTabelcorrectiefactorverrWaardemutatie verrekende dividendbelasting en heffingskortingenwinstwuOntwikkeling grondslag vpb voor verliesverrekening58Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 6.4.2 Overzicht ramingsvergelijkingenBelastingsoortRamingsvergelijking voor EtAccijns op lichte oliën‒ 0,025 + 1,80 * bbpvut + 1 * tcftAccijns op minerale oliën uitgezonderd lichte oliën‒ 0,021 + 1,15 * bbpvut + 1 * tcftAfvalstoffenbelasting‒ 0,033 + 3,25 * bbpvut + 1 * tcftAlcoholaccijns‒ 0,020 + 1 * pcvutAssurantiebelasting0,59 * bbpvutBankbelasting0Belasting zware motorrijtuigen (bzm)1 * bbpvutBelasting op personenauto's en motorrijwielen (bpm)‒ 0,066 + 2,78 * pcdvut + 1 * tcftBieraccijns‒ 0,020 + 1 * pcvutBrandstoffenheffing1 * bbpwutBronbelasting op rente en royalty’s0Circulaire plasticheffing1 * tcftCO2-heffing glastuinbouw0Dividendbelasting‒ 0,084 + 4,95 * bbpwutEnergiebelasting‒ 0,029 + 0,41 * bbpvut + 1 * tcftInkomensheffing- Box 1 ondernemers1 * iondt- Box 21 * box2t- Box 31 * box3t- Eigen woning1 * ihhyptrt- Inkomensheffing overig1 * verrtKansspelbelasting1,49 * pcwutLoonheffing0,79 * arbvut + 1,67 * clput + 1,26 * incput ‒ 0,70 * tcft ‒ 0,89 * prpsvtMotorrijtuigenbelasting (mrb)0,40 * bbpvut+ 1 * tcftOmzetbelasting (btw)0,18 * pcndwut + 0,46 * pcdwut + 0,18 * ivswut + 0,07 * oiwutOverdrachtsbelasting1 * hznvut + 1 * hznputInvoerrechten1,08 * pcdwutSchenk- en erfbelasting0,79 * hznputTabaksaccijns1 * pcvgvutVennootschapsbelasting0,017 + 0,55 * winstwutVerbruiksbelasting op alcoholvrije dranken0,56 * pcvutVliegbelasting1 * pcvutWaterbelasting0,012 + 1 * tcftWijnaccijns‒ 0,020 + 1 * pcvutAls voorbeeld voor de werking van het ramingsmodel en de totstandkoming van een raming van een belastingsoort wordt de dividendbelasting toegelicht. Deze belasting wordt geraamd op kasbasis. Volgens de bovenstaande vergelijking zijn de geraamde dividendbelasting-ontvangsten afhankelijk van de ontwikkeling van het bbp. De positieve coëfficiënt betekent een positieve relatie: als het CPB een grotere stijging van de nominale waarde van het bbp raamt, dan leidt dit in de ramingen tot hogere ontvangsten van de dividendbelasting. De grootte van de coëfficiënt bedraagt 4,95, wat betekent dat de ontvangsten van de dividendbelasting erg conjunctuurgevoelig zijn. Naast het bbp bevat de ramingsvergelijking van de dividendbelasting ook een constante van ‒ 0,084. Zonder deze constante zouden de ontvangsten explosief stijgen omdat bbp-groei meestal positief is. Door de negatieve constante en de positieve coëfficiënt voor de bbp-ontwikkeling heeft de vergelijking een kantelpunt: de dividendbelasting daalt als de waarde van het bbp minder dan 1,7 procent groeit; bij een hogere groei stijgen de ontvangsten. Stel bijvoorbeeld dat het CPB een bbp-waardestijging van 3,0 procent raamt, dan stijgen de ontvangsten van de dividendbelasting in principe met 6,4 procent ten opzichte van het 59Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 voorgaande jaar. Vervolgens worden beleidsmatige ontwikkelingen hierbij opgeteld en wordt voorts deze uitkomst uit het ramingsmodel vergeleken met reeds gerealiseerde kasontvangsten in het lopende jaar, uitvoeringsinformatie, de voorgaande raming en/of andere relevante (sectorspecifieke) informatie. Zo nodig wordt de uitkomst van het model op basis van expert opinion bijgesteld.6.5 De belastingramingen voor 2024 en 2025 op kasbasisDe volgende twee tabellen geven de opbouw weer van de ramingen op kasbasis. Tabel 6.5.1 toont de totale ontvangsten op kasbasis voor 2024 en 2025 per belastingsoort. Tabel 6.5.2 toont vervolgens de langjarige ontwikkeling van alleen de belastingontvangsten op kasbasis.60Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 6.5.1 Raming belastingen en premies op kasbasis (in miljoenen euro)Vermoedelijke uitkomsten 2024Ontwerpbegroting 2025Indirecte belastingen117.033121.236Invoerrechten3.9174.087Omzetbelasting78.73181.896Belasting op personenauto's en motorrijwielen1.4071.874Accijnzen12.34312.369- Accijns van lichte olie4.5974.564- Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie3.3723.215- Tabaksaccijns3.1783.378- Alcoholaccijns395399- Bieraccijns456462- Wijnaccijns346351Overdrachtsbelasting3.7373.901Assurantiebelasting3.9304.084Motorrijtuigenbelasting4.9545.002Belastingen op een milieugrondslag6.5656.353- CO2-heffing glastuinbouw00- Afvalstoffenbelasting267269- Energiebelasting5.2534.965- Waterbelasting331339- Brandstoffenheffingen00- Vliegbelasting715780- Kolenbelasting00Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.634676Belasting op zware motorrijtuigen205208Verhuurderheffing00Bankbelasting608608Inframarginale heffing0179Directe belastingen169.030152.243Inkomstenbelasting24.9378.673Loonbelasting81.91885.616Dividendbelasting8.8856.354Kansspelbelasting1.1141.266Vennootschapsbelasting46.26446.693Bronbelasting op rente en royalty's8161Schenk- en erfbelasting3.4023.580Solidariteitsbijdrage2.4280Overige belastingontvangsten357354waarvan Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland249260Totaal belastingen op kasbasis286.420273.834Premies volksverzekeringen37.47547.030Premies werknemersverzekeringen95.312101.281Aansluiting naar EMU (KTV)‒ 13.6402.910Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis405.567425.05561Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 6.5.2 Meerjarige belastingontvangsten op kasbasis (in miljarden euro's)202420252026202720282029Belastingontvangsten286,4273,8291,9303,5315,9326,4Bijzonder uitstel van betalingDe verschillen tussen de verwachte ontvangsten op EMU-basis (uit bijlage 4) en kasbasis kunnen gedeeltelijk verklaard worden door het effect van belastinguitstel. Ondernemers hebben gedurende de periode maart 2020-maart 2022 gebruik kunnen maken van de regeling voor bijzonder uitstel van betaling van belastingen naar aanleiding van corona. De uitgestelde belastingclaim wordt op EMU-basis toegerekend aan het belastingjaar waarin deze is ontstaan, maar op kasbasis komt het bedrag pas later binnen. Tabel 6.5.3 toont per jaar de EMU-correctie als gevolg van dit uitstel. De belangrijkste aanname bij deze EMU-correctie is dat 3,5 miljard euro van de nog openstaande schuld niet inbaar is (bijvoorbeeld als gevolg van faillissementen). Paragraaf 5.2 van de Voorjaarsnota 2024 geeft een nadere toelichting.Tabel 6.5.3 EMU-correctie naar belastingjaar n.a.v. corona-gerelateerd uitstel van belasting (in miljarden euro's)2020202120222023202420252026202712,53,7‒ 2,4‒ 4,0‒ 3,4‒ 2,4‒ 2,4‒ 1,56.6 Nadere toelichting ramingen op transactiebasisDeze paragraaf bevat een nadere toelichting op de endogene ontwikkeling van de op transactiebasis geraamde belastingsoorten. Dat zijn de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomensheffing (de som van het belastingdeel en het premiedeel) en de omzetbelasting. Deze belastingsoorten vormen samen circa tweederde van de totale belasting- en premieontvangsten.VennootschapsbelastingVoor een nader inzicht in de ontwikkeling van de kasontvangsten volgt een korte toelichting op het proces van aanslagoplegging. De heffing van de vennootschapsbelasting vindt in eerste instantie plaats via voorlopige aanslagen. In januari wordt een inschatting gemaakt van de winst voor dat jaar op basis van winsten uit de afgelopen twee jaren, eventueel gecorrigeerd voor verwachtingen betreffende de winsten van dat jaar zelf. Op basis hiervan worden voorlopige aanslagen verstuurd. Vervolgens kan op basis van tussentijdse inschattingen van de winstontwikkeling een bijstelling van de voorlopige aanslag plaatsvinden. Omstreeks de zomermaanden van het daaropvolgende jaar (t+1) vindt vervolgens de voorlopige aangifte plaats. Dit kan wederom leiden tot een nadere voorlopige aanslag. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de aard van de aangifte vindt in een van de daaropvolgende jaren de definitieve vaststelling van de winst plaats. Meestal wordt circa driekwart van de uiteindelijke aanslagopleggingen reeds in het eerste jaar via voorlopige aanslagen ontvangen, maar dit percentage fluctueert.Voor het opstellen van de begroting zijn de kasontvangsten van de vennootschapsbelasting relevant. Daarom is het van belang hoe het verloop van aanslagoplegging zich vertaalt in kasontvangsten. Tabel 6.6.1 toont de ontwikkeling van de totale kasopbrengst per jaar met een opsplitsing naar transactiejaar. Deze tabel laat zien dat het grootste deel van de opbrengst in een bepaald jaar voortkomt uit de voorlopige aanslagen over dat jaar 62Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 zelf. Deze opbrengst stijgt bovendien door bijstellingen in de voorlopige aanslagen over de twee voorgaande jaren. Maar als gevolg van verliesverrekening is de bijdrage van jaar t-3 en ouder over het algemeen negatief.Tabel 6.6.1 Opbrengst en ontwikkeling van de vennootschapsbelasting op kasbasis naar transactiejaar (in miljoenen euro)202020212022202320242025Jaar T17.84423.08326.86431.87634.38735.723Jaar T-13.8617.30811.14415.59013.13410.556Jaar T-2‒ 230469330486‒ 236534Jaar T-3‒ 247‒ 8317419‒ 221‒ 94Jaar T-4 en ouder‒ 184‒ 361‒ 41‒ 137‒ 801‒ 25Totaal kasopbrengst VPB21.04430.41638.47147.83546.26446.693Loon- en inkomensheffingDe loonheffing is een voorheffing van de inkomensheffing. In eerste instantie wordt door inhoudingsplichtigen maandelijks loonheffing afgedragen op basis van het loon of de uitkering van de belastingplichtigen. Na het verstrijken van het kalenderjaar dient de belastingplichtige normaal gesproken voor 1 mei van het volgende jaar belastingaangifte te doen. Op basis hiervan wordt bepaald hoeveel belasting in totaal verschuldigd is, met inachtneming van andere bronnen van inkomen, belastingkortingen en aftrekposten. Wanneer dit bedrag hoger is dan de reeds betaalde loonheffing, moet men het resterende bedrag aan inkomensheffing voldoen. Wanneer de verschuldigde belasting lager is, krijgt men geld terug van de Belastingdienst. In deze paragraaf wordt gekeken naar de ontwikkeling van de loon- en inkomensheffing. Dit betreft naast de belasting tevens de ontvangsten van de premies volksverzekeringen, die geïntegreerd worden geheven. Voor analysedoeleinden zijn de ontvangsten op heffingsniveau beter bruikbaar, omdat deze eenvoudiger kunnen worden waargenomen.LoonheffingDe raming van de loonheffing vindt net als bij de vennootschapsbelasting op transactiebasis plaats. Het ontvangstenpatroon van de transactieopbrengst in de kas is bij de loonheffing echter veel stabieler dan bij de vpb. Daarnaast geldt dat de transactieopbrengst ook aanzienlijk sneller wordt ontvangen en binnen drie maanden na afloop van het jaar bijna volledig gerealiseerd is. Hierdoor treden minder grote verschillen op tussen de ontwikkeling van de transactieopbrengst en de kasopbrengst dan bij de vpb.Tabel 6.6.2 Ontwikkeling loonheffing op transactiebasis (in miljoenen euro)202320242025Opbrengst op transactiebasis119.176127.377134.177Mutatie8.2026.800waarvan endogeen6.7819.276waarvan beleidsmatig1.421‒ 2.476Endogene groei (in %)5,7%7,3%Tabel 6.6.2 toont de (geraamde) endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2024 en 2025. De ontwikkeling van de loonheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van de totale belastbare loonsom. De ontwikkeling van 63Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 de totale belastbare loonsom wordt bepaald door de groei van het arbeidsvolume, de stijging van de contractlonen, de hoogte van verschillende aftrekbare premies, de ontwikkeling van uitkeringen en pensioenen en de tabelcorrectiefactor. Onderstaande tabel 6.6.3 geeft een overzicht van enkele relevante gegevens uit de Macro Economische Verkenning 2025 van het CPB.Tabel 6.6.3 Relevante economische indicatoren voor de loonheffing20242025arbeidsvolume in arbeidsuren0,65%0,26%contractloonstijging6,49%4,30%incidentele loonstijging0,63%0,62%tabelcorrectiefactor9,90%1,20%arbeidsinkomensquote marktsector68,6%68,9%InkomensheffingDe ontvangsten uit de inkomensheffing zijn het saldo van de belastingontvangsten van particulieren en zelfstandige ondernemers. Voor de particulieren geldt de loonheffing als voorheffing. Bij de inkomensheffing voor particulieren hebben de ontvangsten dan ook betrekking op bijtel- en aftrekposten en heffingskortingen die niet al via de loonheffing zijn verrekend. Bij de zelfstandigen worden de ontvangsten daarnaast ook bepaald door de winstontwikkeling. De daling van de opbrengst op transactiebasis in 2024 heeft vooral te maken met de derving als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad over box 3.Tabel 6.6.4 Ontwikkeling inkomensheffing op transactiebasis (in miljoenen euro)202320242025Opbrengst op transactiebasis14.0829.43111.400Mutatie‒ 4.6521.970waarvan endogeen‒ 29594waarvan beleidsmatig‒ 4.3561.876OmzetbelastingDe omzetbelasting is verantwoordelijk voor circa een vijfde van de totale ontvangsten. De endogene groei van de omzetbelasting wordt vooral bepaald door de waardeontwikkeling van de bestedingen waarop btw rust, te weten de particuliere consumptie, de overheidsinvesteringen en de investeringen in woningen. De ramingen van het CPB voor deze bestedingscategorieën zijn samengevat in tabel 6.6.5.Tabel 6.6.5 Raming van de procentuele ontwikkeling van bestedingen in 2022 en 202320242025particuliere consumptie, waardemutatie3,7%5,1%investeringen in woningen, waardemutatie1,9%6,6%overheidsinvesteringen, waardemutatie4,4%6,2%De ontwikkeling van de btw-ontvangsten op transactiebasis worden toegelicht in tabel 6.6.6.64Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 6.6.6 Raming van de omzetbelasting op transactiebasis (in miljoenen euro)202320242025Opbrengst op transactiebasis75.92178.77882.237Mutatie2.8563.459waarvan endogeen2.8563.600waarvan beleidsmatig0‒ 140Endogene mutatie in procent3,8%4,6%65Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 7 EMU-SALDOTabel 7.1 geeft het EMU-saldo van de collectieve sector weer. Dit EMU-saldo - ook wel overheidssaldo genoemd - is de optelsom van alle inkomsten en uitgaven van de Rijksoverheid en de decentrale overheden. De inkomsten en uitgaven van de Rijksoverheid zijn in meer detail te vinden in respectievelijk bijlage 3 en bijlage 5 van deze Miljoenennota. Om tot het EMU-saldo te komen, moeten wel enkele correcties worden toegepast op de inkomsten en uitgaven, want sommige uitgaven tellen niet mee voor het EMU-saldo, terwijl voor andere posten een ander bedrag meetelt voor het EMU-saldo dan in de Rijksbegroting (op kasbasis) is opgenomen.Tabel 7.1 EMU-saldo(in miljoenen euro, min = tekort)202420252026202720282029bron1Belasting- en premieontvangsten405.566425.056446.986469.229487.016504.866Tabel 5.2.12Af: Totale netto-uitgaven473.845506.053550.874543.077566.801592.836Tabel 3.13Af: Niet EMU-saldo relevante uitgaven‒ 56.560‒ 56.946‒ 64.818‒ 50.475‒ 55.502‒ 60.608Tabel 7.24Bij: Kas-transverschillen en overige posten‒ 6.160‒ 7.857‒ 6.141‒ 6.030‒ 6.073‒ 5.746Tabel 7.35Bij: EMU-saldo decentrale overheden‒ 623‒ 650‒ 677‒ 705‒ 730‒ 7566EMU-saldo collectieve sector (1-2-3+4+5)‒ 18.502‒ 32.558‒ 45.889‒ 30.108‒ 31.085‒ 33.864De uitgaven die wel op de Rijksbegroting staan maar niet meetellen voor het EMU-saldo staan vermeld in Tabel 7.2. Wat er wel en niet meetelt voor het EMU-saldo is vastgesteld door Eurostat. Financiële transacties, zoals het verstrekken van (studie)leningen of het verkopen van staatsbezit, zijn meestal niet relevant voor het EMU-saldo. Ook de rente die is ontvangen op renteswaps en uit de verkoop ervan tellen niet mee. De rijksbijdrage aan de sociale fondsen is niet relevant voor het EMU-saldo omdat dit een transactie vormt tussen twee onderdelen van de collectieve sector: de uitgave van het Rijk is een ontvangst voor de sociale fondsen. Ook de post kasbeheer is een transactie binnen de collectieve sector. Deze bestaat uit de toe- of afname van het geld dat de deelnemers aan het schatkistbankieren bij het Rijk aanhouden.Tabel 7.2 Uitgaven niet-relevant voor het EMU-saldo(in miljoenen euro, plus = uitgave)202420252026202720282029Verstrekking studieleningen13.7803.4153.1022.7382.4072.258Aflossing studieleningen‒ 1.466‒ 1.507‒ 1.549‒ 1.592‒ 1.636‒ 1.681Rijksbijdragen aan de sociale fondsen55.34250.91356.83261.16065.74470.140Lening TenneT13.10014.20017.10000Rente sociale fondsen1.7411.6771.8052.1812.6022.944Kasbeheer‒ 15.650‒ 12.300‒ 12.408‒ 14.021‒ 13.451‒ 12.826Rente-ontvangsten derivaten8300000Voortijdige beëindigen derivaten‒ 20600000Aan- en verkoop staatsdeelnemingen‒ 354474430277200200Diverse leningen32‒ 165‒ 340‒ 326‒ 366‒ 429Exportkredietverzekering464343434343Oekraïne000‒ 37‒ 39‒ 38Overig112198‒ 19752‒ 3‒ 4Totaal56.56056.94664.81850.47555.50260.6081Het CBS boekt prestatiebeurzen, inclusief de OV-jaarkaarten, als EMU-relevante uitgaven op het moment van verstrekking in plaats van op het moment van omzetting (van lening naar gift). Op de begroting worden deze uitgaven vooralsnog als niet-kaderrelevant geboekt bij het moment van verstrekking. Om te komen tot een juiste raming van het EMU-saldo is daarom een kas-transcorrectie opgenomen.66Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 7.3 geeft de posten weer die wel meetellen voor het EMU-saldo, maar die niet, of niet op dezelfde manier in de Rijksbegroting staan. Voor een deel ervan geldt dat voor het EMU-saldo wordt gerekend met de uitgaven en ontvangsten op transactiebasis, terwijl de Rijkbegroting op kasbasis wordt opgesteld. Om tot het EMU-saldo te komen, moet daarom bovenop de uitgave of ontvangst op kasbasis ook nog het kas-transverschil worden meegeteld. Daarnaast is er een aantal posten die niet op de Rijkbegroting staan maar wel meetellen voor het EMU-saldo, zoals bijvoorbeeld het positieve of negatieve saldo van agentschappen en de kosten van zorgverzekeraars (de zgn. zorgbemiddelingskosten).Tabel 7.3 Kas-transverschillen en overige posten(in miljoenen euro, plus = saldoverbeterend)202420252026202720282029KTV Veilingopbrengsten (UMTS, 4G, 5G)284284284284284280KTV EU-afdrachten‒ 19300000KTV Publiek private samenwerking (DBFM-contracten)19373385588480480KTV OV-beschikbaarheidsvergoeding (corona)1300000KTV OV-jaarkaart0‒ 1.0000000KTV prestatiebeurzen‒ 1.639‒ 1.224‒ 997‒ 657‒ 338‒ 178Overige kas-transverschillen39900000Mutatie begrotingsreserves‒ 1.235‒ 95‒ 309‒ 309‒ 104‒ 4EMU-saldo agentschappen en rest centrale overheid000000Overig1.357‒ 991‒ 88‒ 185‒ 198‒ 100Subtotaal Rijk‒ 819‒ 2.953‒ 724‒ 278124479Eigenrisicodragers WGA/ZW503519537555572570Zorgbemiddelingskosten‒ 1.813‒ 1.059‒ 1.350‒ 1.459‒ 1.567‒ 1.293Correctie aansluiting premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten1‒ 4.031‒ 4.364‒ 4.604‒ 4.849‒ 5.202‒ 5.502Subtotaal sociale fondsen‒ 5.340‒ 4.904‒ 5.418‒ 5.753‒ 6.197‒ 6.225Totaal‒ 6.160‒ 7.857‒ 6.141‒ 6.030‒ 6.073‒ 5.7461Het stelsel van macro-economische statistieken zoals het CBS deze bijhoudt wordt de nationale rekeningen genoemd. Deze nationale rekeningen (NR) zijn afgelopen zomer gereviseerd. De wettelijke sociale premies die socialezekerheidsfondsen betalen op de uitkeringen werden voorheen gesaldeerd met de uitkeringen. Vanaf de NR-revisie worden de uitkeringen en de bijbehorende wettelijk sociale premies bruto geregistreerd: bijvoorbeeld de Zvw-premie die afgedragen wordt bij een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit leidt tot zowel hogere uitgaven als hogere premie-inkomsten die per saldo tegen elkaar wegstrepen. De raming van premie-inkomsten is gebaseerd op data van CPB en CBS. Daarom is hierbij uitgegaan van de bruto registratiewijze. Voor de premiegefinancierde uitgaven op de rijksbegroting wordt gewerkt volgens de gesaldeerde registratiewijze. Om te voorkomen dat deze twee verschillende registratiewijzen tot een onbedoeld technisch effect op het EMU-saldo leiden, is een correctie toegepast.Tabel 7.4 geeft een uitsplitsing van het EMU-saldo voor de drie verschillende onderdelen van de collectieve sector. In Tabel 7.5 en tabel7.6 wordt het EMU-saldo van het Rijk en sociale fondsen nader uitgesplitst.Tabel 7.4 Opbouw EMU-saldo collectieve sector(in miljoenen euro, min = tekort)202420252026202720282029EMU-saldo Rijk‒ 30.162‒ 43.753‒ 57.123‒ 43.065‒ 43.912‒ 45.905EMU-saldo sociale fondsen12.28311.84511.91213.66213.55612.796EMU-saldo decentrale overheden‒ 623‒ 650‒ 677‒ 705‒ 730‒ 756EMU-saldo collectieve sector‒ 18.502‒ 32.558‒ 45.889‒ 30.108‒ 31.085‒ 33.864EMU-saldo collectieve sector (in procenten bbp)‒ 1,6‒ 2,8‒ 3,7‒ 2,4‒ 2,4‒ 2,567Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 7.5 EMU-saldo Rijk(in miljoenen euro, min = uitgave/tekort)202420252026202720282029bronBelastingontvangsten273.872277.353293.944305.517317.188327.810Tabel 5.2.1Netto begrotingsgefinancierde uitgaven‒ 302.693‒ 322.509‒ 356.525‒ 335.438‒ 348.379‒ 361.717Tabel 3.1Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven56.56056.94664.81850.47555.50260.608Tabel 7.2Betaalde rijksbijdrage en rente aan sociale fondsen‒ 57.082‒ 52.589‒ 58.637‒ 63.342‒ 68.346‒ 73.084Tabel 7.2Kas-transverschillen en overige posten Rijk‒ 819‒ 2.953‒ 724‒ 278124479Tabel 7.3EMU-saldo Rijk (centrale overheid )‒ 30.162‒ 43.753‒ 57.123‒ 43.065‒ 43.912‒ 45.905Tabel 7.6 EMU-saldo sociale fondsen(in miljoenen euro, min = uitgave/tekort)202420252026202720282029bronPremie-ontvangsten131.694147.703153.042163.712169.828177.056Tabel 5.2.1Ontvangen rijksbijdragen en rente57.08252.58958.63763.34268.34673.084Tabel 7.2Premiegefinancierde uitgaven‒ 171.153‒ 183.543‒ 194.349‒ 207.639‒ 218.421‒ 231.119Tabel 3.1Eigenrisicodragers WGA/ZW503519537555572570Tabel 7.3Zorgbemiddelingskosten‒ 1.813‒ 1.059‒ 1.350‒ 1.459‒ 1.567‒ 1.293Tabel 7.3Correctie aansluiting premiegefinancierde uitgaven en ontvangsten1‒ 4.031‒ 4.364‒ 4.604‒ 4.849‒ 5.202‒ 5.502EMU-saldo sociale fondsen12.28311.84511.91213.66213.55612.7961Het stelsel van macro-economische statistieken zoals het CBS deze bijhoudt wordt de nationale rekeningen genoemd. Deze nationale rekeningen (NR) zijn afgelopen zomer gereviseerd. De wettelijke sociale premies die socialezekerheidsfondsen betalen op de uitkeringen werden voorheen gesaldeerd met de uitkeringen. Vanaf de NR-revisie worden de uitkeringen en de bijbehorende wettelijk sociale premies bruto geregistreerd: bijvoorbeeld de Zvw-premie die afgedragen wordt bij een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit leidt tot zowel hogere uitgaven als hogere premie-inkomsten die per saldo tegen elkaar wegstrepen. De raming van premie-inkomsten is gebaseerd op data van CPB en CBS. Daarom is hierbij uitgegaan van de bruto registratiewijze. Voor de premiegefinancierde uitgaven op de rijksbegroting wordt gewerkt volgens de gesaldeerde registratiewijze. Om te voorkomen dat deze twee verschillende registratiewijzen tot een onbedoeld technisch effect op het EMU-saldo leiden, is een correctie toegepast.Het overheidssaldo komt in 2025 naar verwachting uit op een tekort van 2,8% van het bbp. Tabel 7.7 toont hoe dit saldo zich verhoudt tot het saldo dat is geraamd voor het lopende begrotingsjaar 2024.Tabel 7.7 Horizontale toelichting EMU-saldo(min = tekort)Miljarden euroProcenten bbpEMU-saldo 2024‒ 18,5‒ 1,6%Noemereffect0,00,0Uitgaven aan Rijksbegroting‒ 31,00,0Niet-kaderrelevante uitgaven‒ 0,80,0Inkomsten19,50,0Kastransverschillen‒ 2,10,0Overig0,40,0EMU-saldo 2025‒ 32,6‒ 2,8%Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2024 van afgelopen voorjaar is het saldo voor 2024 met 0,9 procentpunt bbp opwaarts bijgesteld naar ‒ 1,6% bbp terwijl het saldo voor 2025 gelijk is gebleven. Dit wordt zichtbaar wanneer de verandering van het saldo niet van jaar op jaar (horizontaal) wordt bekeken, maar als ontwikkeling sinds de Voorjaarsnota (verticaal). Deze verticale ontwikkeling is weergeven in Tabel 7.8.68Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 7.8 Verticale toelichting EMU-saldo(in procenten bbp, min = tekort)202420252026202720282029EMU-saldo Voorjaarsnota 2024‒ 2,5‒ 2,8‒ 4,0‒ 2,6‒ 3,0‒ 3,0Noemereffect (ontwikkeling bbp)0,10,10,20,10,10,1Belasting- en premieinkomsten0,40,30,71,01,00,9Uitgavenkader1,20,70,60,20,60,7Niet-kaderrelevante uitgaven en correcties van EMU-saldo‒ 0,8‒ 1,0‒ 1,2‒ 1,1‒ 1,1‒ 1,2EMU-saldo decentrale overheden0,00,00,00,00,00,0EMU-saldo Miljoenennota 2025‒ 1,6‒ 2,8‒ 3,7‒ 2,4‒ 2,4‒ 2,5Tabel 7.10 bevat een overzicht van de gerealiseerde EMU-saldi vanaf 2009 en de verwachte EMU-saldi tot en met het jaar 2029, uitgedrukt in zowel miljarden euro als in procenten van het bbp.Tabel 7.9 Historisch overzicht EMU-saldo(in miljarden euro, min = tekort)2009201020112012201320142015EMU-saldo‒ 32,6‒ 34,1‒ 28,9‒ 25,7‒ 19,5‒ 15,1‒ 13,4Bruto binnenlands product624,8639,2650,4653,0660,5671,6690,0EMU-saldo (in procenten bbp)‒ 5,2‒ 5,3‒ 4,4‒ 3,9‒ 3,0‒ 2,3‒ 1,92016201720182019202020212022EMU-saldo0,910,111,614,6‒ 29,6‒ 20,4‒ 1,4Bruto binnenlands product708,3738,1774,0813,1796,5870,6958,5EMU-saldo (in procenten bbp)0,11,41,51,8‒ 3,7‒ 2,2‒ 0,12023202420252026202720282029EMU-saldo‒ 3,5‒ 18,5‒ 32,6‒ 45,9‒ 30,1‒ 31,1‒ 33,9Bruto binnenlands product1.034,11.128,21.176,31.225,51.275,31.320,51.367,3EMU-saldo (in procenten bbp)‒ 0,3‒ 1,6‒ 2,8‒ 3,7‒ 2,4‒ 2,4‒ 2,569Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 8 EMU-SCHULDTabel 8.1 geeft het financieringssaldo van het Rijk weer. Het financierings-saldo is het bedrag dat het Rijk op kasbasis in een jaar tekort komt of juist over heeft. Het financieringssaldo is daarmee dus ook het bedrag dat in een jaar extra moet worden geleend of, bij een overschot, waarmee schulden kunnen worden afgelost. Waar het EMU-saldo berekend wordt op transactiebasis, wordt het financieringssaldo berekend op kasbasis. Om tot het financieringssaldo te komen, moet er naast het optellen van de belastingontvangsten en de uitgaven ook nog een aantal correcties worden toegepast. Ten eerste zijn de belastingen zoals die meetellen voor het EMU-saldo berekend op transactiebasis. Om tot de belastingen op kasbasis te komen, moet het kas-transverschil hier dus vanaf worden getrokken. Hetzelfde geldt voor posten op de Rijksbegroting die niet op kasbasis zijn. Allereerst is dat de rente op de staatsschuld: deze staan in de Rijksbegroting op transactiebasis, terwijl voor het financieringssaldo alleen de kasuitgaven meetellen. Ten tweede wordt geld storten in (of opnemen uit) een begrotingsreserve op de begroting gezet als uitgave of ontvangst, terwijl het geld niet daadwerkelijk de schatkist verlaat of binnenkomt. Voor deze post wordt dus ook gecorrigeerd.Tabel 8.1 Financieringssaldo Rijksoverheid(in miljoenen euro, min = uitgave/tekort)202420252026202720282029Belastinginkomsten (kasbasis)286.421273.834291.892303.491315.881326.419Netto begrotingsgefinancierde uitgaven‒ 302.693‒ 322.509‒ 356.525‒ 335.438‒ 348.379‒ 361.717Af: kas-transverschil rentelasten0‒ 210‒ 370‒ 280‒ 890‒ 250Mutatie begrotingsreserves‒ 1.235‒ 95‒ 309‒ 309‒ 104‒ 4Overbruggingskrediet Fortis/ABN Amro0030015000Financieringssaldo Rijksoverheid‒ 17.507‒ 48.981‒ 65.011‒ 32.386‒ 33.493‒ 35.552Het financieringssaldo werkt één op één door in de staatsschuld. Voor een financieringstekort moet immers geleend worden, terwijl een overschot gebruikt kan worden om schulden af te lossen. Tabel 8.2 geeft de opbouw van de EMU-schuld weer. De EMU-schuld is de schuld van de hele collectieve sector. Dus ook het tekort van decentrale overheden en agentschappen telt mee voor de EMU-schuld.Tabel 8.2 Opbouw EMU-schuld collectieve sector(in miljoenen euro, min = kasoverschot)202420252026202720282029EMU-schuld begin jaar480.671498.801548.432613.820646.760680.983Financieringssaldo Rijksoverheid17.50748.98165.01132.38633.49335.552EMU-saldo decentrale overheden623650677705730756EMU-saldo rest centrale overheid000000Overig00‒ 300‒ 15000EMU-schuld einde jaar498.801548.432613.820646.760680.983717.290Tabel 8.3 toont de ontwikkeling van de EMU-schuld uitgedrukt als percentage van het bbp. Dit wordt de EMU-schuldquote genoemd. Behalve het begrotingstekort of -overschot heeft ook de ontwikkeling van het bbp zelf invloed op de schuldquote. Als het bbp groeit, daalt ceteris paribus de schuldquote. Dit is het noemereffect.70Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 8.3 Opbouw EMU-schuldquote(in procenten bbp, plus = toename schuld)202420252026202720282029EMU-schuldquote begin jaar46,544,246,650,150,751,6Noemereffect bbp‒ 3,9‒ 1,8‒ 1,9‒ 2,0‒ 1,7‒ 1,8Financieringssaldo Rijksoverheid1,64,25,32,52,52,6EMU-saldo decentrale overheden0,10,10,10,10,10,1EMU-saldo rest centrale overheid0,00,00,00,00,00,0Overig0,00,0‒ 0,0‒ 0,00,00,0EMU-schuldquote einde jaar44,246,650,150,751,652,5De EMU-schuld komt eind 2025 naar verwachting uit op 46,6% van het bbp. Vergeleken met de verwachte EMU-schuld eind 2024 betekent dit per saldo een verhoging van de schuld. Voor deze verhoging zijn verschillende oorzaken. Deze oorzaken zijn uitgesplitst in tabel 8.4.Tabel 8.4 Horizontale toelichting EMU-schuld(plus = toename schuld)Miljarden euroProcenten bbpEMU-schuld ultimo 2024498,844,2%Noemereffect‒ 1,8%EMU-saldo32,62,8%Lening TenneT14,21,2%Schatkistbankieren‒ 0,50,0%Aan- en verkoop staatsdeelnemingen0,50,0%Studieleningen1,90,2%Opbrengst/kosten derivaten0,00,0%Overige kastransverschillen0,90,1%Overige financiële transacties0,10,0%EMU-schuld ultimo 2025548,446,6%Tabel 8.5 toont dat de raming van de verwachte schuld naar beneden is bijgesteld sinds de Voorjaarsnota 2024. Dit komt voornamelijk door het hogere bbp. Hierdoor wordt de schuld uitgedrukt in bbp kleiner. De verwachte schuld aan het eind van 2025 wordt nu geraamd op 46,6% en de schuldverwachting voor het eind van 2029 bedraagt 52,5% van het bbp.Tabel 8.5 Verticale toelichting EMU-schuld(in procenten bbp, plus = toename schuld)202420252026202720282029EMU-schuld Voorjaarsnota 202447,2%49,3%51,4%52,3%53,7%55,0%Noemereffect‒ 1,7%‒ 1,9%‒ 2,0%‒ 2,2%‒ 2,2%‒ 2,2%Doorwerking schuld t-10,0%‒ 1,2%‒ 0,7%0,7%0,6%0,1%Mutatie EMU-saldo‒ 0,7%0,1%‒ 0,1%‒ 0,1%‒ 0,5%‒ 0,5%Opbrengst/kosten derivaten0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%Aan- en verkoop deelnemingen0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%Schatkistbankieren‒ 0,2%0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%Lening TenneT0,0%0,2%1,4%0,0%0,0%0,0%Studieleningen (netto)0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%Kastransactieverschillen‒ 0,2%0,2%0,2%0,1%0,0%0,0%Overige financiële transacties0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%0,0%EMU-schuld Miljoenennota 202544,2%46,6%50,1%50,7%51,6%52,5%Tabel 8.6 geeft een overzicht van de gerealiseerde EMU-schuld vanaf 2009 en de verwachte EMU-schuld tot en met het jaar 2029, uitgedrukt in zowel miljarden euro als in procenten van het bbp.71Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 8.6 Historisch overzicht EMU-schuld(in miljarden euro)2009201020112012201320142015EMU-schuld355379401432447456446Bruto binnenlands product625639650653660672690EMU-schuld (in procenten bbp)56,859,361,766,267,767,964,62016201720182019202020212022EMU-schuld438420406395435449480Bruto binnenlands product708738774813797871959EMU-schuld (in procenten bbp)61,957,052,448,554,751,750,12023202420252026202720282029EMU-schuld481499548614647681717Bruto binnenlands product1034112811761225127513201367EMU-schuld (in procenten bbp)46,544,246,650,150,751,652,572Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 9 OVERHEIDSBALANSInleidingDe onderstaande overheidsbalans geeft inzicht in het totaal van bezittingen, schulden en het vermogen van de centrale overheid, decentrale overheden en de socialeverzekeringsinstellingen als geheel. De activa (bezittingen) bestaan uit financiële activa, zoals uitgezette leningen, en niet-financiële activa, zoals wegen en gebouwen. De passivazijde van de balans bestaat uit de schulden en het vermogen van de overheid.De overheidsbalans is een momentopname van het netto-vermogen van de overheid op een specifieke datum. Het netto-vermogen is het saldo van de bezittingen en schulden van de overheid. Toekomstige verplichtingen en rechten maken geen onderdeel uit van de balans. Daarmee ontbreken dus toekomstige belastingopbrengsten en AOW-verplichtingen op de overheidsbalans. De houdbaarheidsstudies van het Centraal Planbureau (CPB) houden daarentegen wel rekening met dergelijke toekomstige posten. Bij deze studies maakt het CPB gebruik van posten van de overheidsbalans.Overheidsbalans 2020-2023Tabel 9.1 omvat de overheidsbalans van de jaren 2020 tot en met 2023. Het vermogen van de overheid is het saldo van bezittingen en schulden. Bij een positief vermogen zijn de bezittingen groter dan de schulden. In de periode 2020 ‒ 2023 is het vermogenssaldo toegenomen met 169,2 miljard euro. Deze stijging komt met name voort uit een toename van de waarde van de vaste activa (92,1 miljard euro), een stijging van de olie- en gasreserves (36,9 miljard euro) en een daling van de uitstaande schuldbewijzen (-31,3 miljard euro). Na de tabel volgt een korte toelichting op de verschillende posten op de overheidsbalans. In de Miljoenennota van 2020 is een uitgebreide toelichting op de overheidsbalans gepubliceerd.77 Kamerstukken II, vergaderjaar 2019-2020, 35 300 nr. 273Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 9.1 Overheidsbalans 2020-20231Bedragen in miljoenen euro2020202120222023Activa785.941837.182944.808924.792Niet-financiele activa506.638548.597660.298639.630Vaste activa464.678487.761531.315556.734Voorraden2.3892.7825.3915.178Grond38.69840.06041.34339.968Olie- en gasreserves87317.99482.24937.750Financiële activa279.303288.585284.510285.162Chartaal geld en deposito's20.97515.31023.32319.950Schuldbewijzen8.5849.59811.6469.709Leningen57.54059.99965.28363.256Aandelen en overige deelnemingen108.872111.39483.42696.125Financiële derivaten5.0722.249‒ 217‒ 266Handelskredieten en transitorische posten78.26090.035101.04996.388Passiva785.941837.182944.808924.792Financiële passiva561.477573.352523.568531.173Deposito's1.3651.9791.7961.779Schuldbewijzen424.215430.412383.426392.881Leningen78.38876.20172.11574.254Aandelen en overige deelnemingen63646565Handelskredieten en transitorische posten57.44664.69666.16662.194Vermogenssaldo224.464263.830421.240393.6191Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek (2024)Toelichting posten overheidsbalansActiva (bezittingen)De activa zijn onder te verdelen in niet-financiële activa en financiële activa. De niet-financiële activa omvatten onder meer gebouwen, grond en minerale reserves. De financiële activa bestaan uit alle financiële bezittingen van de overheid, zoals aandelen in ondernemingen en leningen aan financiële instellingen.De niet-financiële activa zijn in de periode 2020-2023 gestegen met bijna 133 miljard euro. De hoofdzakelijke reden hiervoor is dat de post vaste activa is toegenomen met 92,1 miljard euro. Onder de post vaste activa vallen onder andere de gebouwen, vervoermiddelen en grond-, weg- en waterbouwkundige werken die in het bezit zijn van de overheid. Verder zijn de olie- en gasreserves met 36,9 miljard euro in waarde toegenomen.De financiële activa zijn met 5,9 miljard euro toegenomen in de periode 2020-2023. Deze toename is het resultaat van diverse plussen en minnen. De grootste post betreft de toename van de overige vorderingen/schulden met 18,1 miljard euro. Daarnaast is het bedrag aan uitgegeven leningen tussen 2020-2023 gestegen met 5,7 miljard euro. De post aandelen en overige deelnemingen is daarentegen met 12,7 miljard euro afgenomen in dezelfde periode.74Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Passiva (schulden)De passiva bevatten de schulden van de overheid die in het verleden zijn opgebouwd. De overheid gaat deze schulden met name aan ter financiering van overheidstekorten. Tussen 2020 en 2023 zijn de verschillende soorten financiële passiva in waarde gedaald met 30,3 miljard euro. Deze daling komt hoofdzakelijk door de afname van schuldbewijzen.75Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 10 FISCALE REGELINGEN10.1 InleidingDeze bijlage besteedt aandacht aan fiscale regelingen. Het belastingstelsel kent verschillende soorten fiscale regelingen die de belastinginkomsten verminderen, zoals aftrekposten, vrijstellingen, heffingskortingen en verlaagde tarieven.8 In het belang van transparante Rijksfinanciën worden de budgettaire kosten van fiscale regelingen gemonitord. Ook worden de fiscale regelingen periodiek geëvalueerd op doeltreffendheid en doelmatigheid. De regelingen kosten immers geld in de vorm van lagere belastingontvangsten.In paragraaf 10.2 wordt bij de definitie van fiscale regelingen stilgestaan. Daarnaast wordt in deze paragraaf ook aangegeven wanneer fiscale regelingen gemonitord worden en welke regelingen dit jaar zijn toegevoegd in bijlage 10 en 11. Paragraaf 10.3 geeft een overzicht van de budgettaire kosten van fiscale regelingen. De (opvallende) budgettaire ontwikkelingen worden vervolgens nader toegelicht in paragraaf 10.4. Een overzicht van recente beleidsmaatregelen met betrekking tot fiscale regelingen kan gevonden worden in paragraaf 10.5. Tot slot gaat paragraaf 10.6 in op evaluatieuitkomsten en de evaluatie- en onderzoeksagenda van fiscale regelingen voor de komende jaren.10.2 Definitie en monitoring van fiscale regelingenHieronder wordt allereerst kort toegelicht wat verstaan wordt onder een fiscale regeling. Verder wordt in deze paragraaf een overzicht gegeven van de regelingen die op grond van deze uitgangspunten met ingang van dit jaar worden opgenomen in bijlage 10 en 11.Zoals geconcludeerd in het onderzoek fiscale regelingen geeft iedere definitie van fiscale regelingen afbakeningsproblemen. Internationaal bestaat er ook geen consensus over een heldere definitie. Om die reden is ervoor gekozen om een aantal algemene richtlijnen te geven die een leidraad vormen bij het aanwijzen van nieuwe fiscale regelingen:–De regeling heeft een beoogd beleidsdoel (bijvoorbeeld stimuleren van een bepaalde activiteit), anders dan de algemene doelstelling van het belastingmiddel waar de regeling betrekking op heeft, en;–De regeling leidt per saldo tot een beoogde derving van overheidsinkomsten, al dan niet in samenhang bezien met gerelateerde regelingen op hetzelfde terrein.Op basis van deze algemene richtlijnen en een doorlichting van wet en regelgeving worden dit jaar 12 extra fiscale regelingen opgenomen in het overzicht in bijlage 11 ten opzichte van vorig jaar. Van deze 12 regelingen worden 4 regelingen vanaf dit jaar ook gemonitord in bijlage 10. Of een regeling gemonitord wordt in bijlage 10 is afhankelijk van een aantal praktische en inhoudelijke criteria:–De regeling heeft een budgettair belang groter dan 5 miljoen euro;–De regeling volgt niet uit Europese wetgeving;–De data voor het ramen van de kosten van de regeling is beschikbaar;–De regeling is niet enkel technisch van aard, bijvoorbeeld ter voorkoming van dubbele belastingheffing, en;8 Er zijn ook enkele regelingen opgenomen die de belastingopbrengst verhogen, als deze de keerzijde zijn van een belastingverminderende regeling. Bijvoorbeeld op het gebied van pensioenen wordt zowel de niet-belaste premie als de belaste uitkering gekwantificeerd, om een compleet beeld van de fiscale regelingen op dit gebied te geven.76Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 –De regeling is niet enkel ter voorkoming van onevenredige uitvoerings-/ administratieve lasten.Regelingen die daarom niet actief gemonitord worden zijn bijvoorbeeld een bosbouwvrijstelling vanwege het beperkte budgettaire belang, de 30% regeling voor uitgezonden werknemers vanwege een gebrek aan data, en de vrijstelling in de Vpb voor stichtingen en verenigingen met een lage winst ten behoeve van het verminderen van administratieve lasten. Tabel 10.2.1 geeft een overzicht van de nieuw toegevoegde regelingen, of de regeling gemonitord wordt, en indien niet wat de reden daarvoor is. Hoewel met de toevoeging van de regelingen dit jaar beoogd wordt zo volledig mogelijk te zijn, zal zelfs met de forse uitbreiding van dit en afgelopen jaar het een doorlopend proces blijven.Tabel 10.2.1 Overzicht nieuw opgenomen fiscale regelingen MN2025Naam regelingGemonitord?Toelichting indien niet gemonitordInkomensvoorzieningenSchenk- en erfbelasting kunstkortingNeeBeperkt budgettair belangSchenk- en erfbelasting jaarlijkse schenkingsvrijstelling kinderenNeeGeen data beschikbaarVerlaging lastendruk op inkomsten uit vermogenKoningshuisregeling in inkomstenbelastingNeeGeen data beschikbaarVerlaging lastendruk in de winstsfeerDividendbelasting dooruitdelingskorting DBJaDividendbelasting vrijstelling inkoop van eigen aandelenNeeGeen data beschikbaarDividendbelasting overigeNeeGeen data beschikbaarBelastingen op milieugrondslagEB verlaagd tarief waterstofJaEB teruggaafregeling voor gebruik aardgas als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren (inclusief visserij, exclusief particuliere pleziervaartuigen)NeeBeperkt budgettair belangEB RaffinaderijvrijstellingNeeRegeling op grond van EU rechtEB vrijstelling voor restgassen die op eigen inrichting zijn ontstaan en daar weer worden ingezetNeeRegeling op grond van EU rechtAccijnsAccijns vrijstelling gebruik van gasolie (voor binnenvaart)JaAccijns raffinaderijvrijstellingJa10.3 Overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingenIn 2025 bedraagt het totale budgettaire belang van fiscale regelingen naar verwachting circa 167 miljard euro (Tabel 10.3.1). De budgettaire omvang van fiscale regelingen groeit in de periode 2020-2025 gemiddeld met circa 5,1% per jaar. De groei wordt voornamelijk gedreven door een stijging van het budgettaire belang van fiscale regelingen in de btw en de heffingskor-tingen. Fiscale regelingen in enkele kleinere domeinen laten ook sterke groei zien. Hierbij gaat het met name om fiscale regelingen in de verbruiksbelasting, de overdrachtsbelasting, en de accijns. Uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product bedraagt het budgettaire belang van alle fiscale regelingen gezamelijk ongeveer 15%.77Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 10.3.1 Overzicht totaal budgettair belang fiscale regelingen 2020-2025 (x € miljoen)1202020212022202320242025Gemiddelde % groei ‘20-‘25Persoonsgebonden aftrek1.0661.098876853854838‒ 4,7%Inkomensvoorzieningen16.81018.23019.88118.18119.64221.7255,3%(Eigen) woning10.78911.49710.78811.06113.13814.4106,0%Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen2.0072.5002.7473.0483.0573.1709,6%Verlaging lastendruk in de winstsfeer12.53914.72018.75315.51615.29015.5194,4%Loonbelasting2.4622.4112.4892.8342.9453.2005,4%Heffingskortingen51.78955.40856.42863.79170.53569.4356,0%Belastingen op milieugrondslag14.60115.49712.26714.73614.39614.175‒ 0,6%Omzetbelasting11.41311.80413.88615.76916.21816.8298,1%Auto2.5852.9132.9813.2553.7422.486‒ 0,8%Accijns26129730832643844111,1%Assurantiebelasting4.2014.4304.3204.5544.6204.6902,2%Overdrachtsbelasting (niet woning gerelateerd)14920621428829830915,6%Verbruiksbelasting9898989844644635,4%Totaal fiscale regelingen130.673141.013145.938154.212165.173167.2245,1%in % bbp16,4%16,2%15,2%14,9%15,2%14,8%1Dit overzicht bevat uitsluitend categorieën waarvan ten minste één regeling gemonitord is.Tabel 10.3.2 geeft inzicht in het budgettaire belang per individuele fiscale regeling van 2020 tot en met 2025. Het budgettaire belang van een regeling is het verschil in belastingkomsten ten opzichte van de situatie waarin de regeling niet zou bestaan en gedrag van burgers en bedrijven niet wijzigt. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. De bedragen van de aftrekposten zijn daarom (vaak) niet direct optelbaar.9 Verder is het van belang op te merken dat bij afschaffing van een regeling voor de budgettaire opbrengst uiteraard wel rekening wordt gehouden met gedragseffecten. Hierdoor kan de opbrengst bij afschaffing afwijken van het budgettaire belang zoals dat vermeld staat in deze bijlage.De interpretatie van de gepresenteerde cijfers in Tabel 10.3.2 vergt aandacht. Voor de meeste regelingen zijn voor de jaren 2020 en 2021 realisaties beschikbaar op basis van de aangiftegegevens van de Belastingdienst. Deze cijfers geven een vrij zekere inschatting van het budgettaire belang. Voor jaren waarvoor (nog) geen (volledige) informatie beschikbaar is, wordt het budgettaire belang bepaald op basis van trendramingen of aannames. Deze cijfers zijn minder zekere inschattingen van het budgettaire belang. Per regeling wordt in bijlage 11, tabel 11.1 bij het kopje ramingsgrond, aangegeven welke jaren realisaties betreffen en welke niet. Indien het geen realisaties betreffen wordt geduid waarop de raming in dat geval is gebaseerd.Ter illustratie, voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn bijvoorbeeld tot en met 2021 aangiftegegevens beschikbaar, waarmee het budgettaire belang kan worden bepaald. De groei van het gebruik van de regeling na 2021 wordt verondersteld gelijk te zijn aan de groei van de investeringen in 9 Dit komt doordat het budgettaire belang van meerdere regelingen dus de situatie met en zonder die meerdere regelingen zou zijn. Als de belastingsoort progressief (degressief) is dan zal in de situatie zonder de meerdere regelingen een groter deel in hogere schijven valt ten opzichte van de situatie waar we per regeling de situatie met en zonder vergelijken (in dat geval valt de budgettaire derving in lagere schijven). Het optellen van bijvoorbeeld het budgettaire belang van alle regelingen in de inkomstenbelasting zoals gedaan wordt in tabel 10.3.1 geeft daarom een ondergrens van het budgettaire belang van deze regelingen.78Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 overige vaste activa zoals geraamd in het Centraal Economisch Plan (CEP) 2024 van het Centraal Planbureau. Op basis van deze aanname worden de ramingen voor 2022 tot en met 2025 gemaakt.De laatste kolom van Tabel 10.3.2 geeft de gemiddelde jaarlijkse procentuele groei weer tussen 2020 en 2025. De groei kan zowel het gevolg zijn van beleidsmaatregelen als van endogene ontwikkelingen. Endogene ontwikkelingen zijn de ontwikkelingen die niet het directe gevolg zijn van beleidsmaatregelen op de regelingen zelf, maar van andere factoren die het gebruik van een regeling beïnvloeden, zoals de economische ontwikkeling. De achtergrond van de ontwikkeling wordt voor de regelingen die een sterke groei of daling in het budgettaire belang hebben, weergegeven in paragraaf 10.4. Bijlage 11 geeft per fiscale regeling een beschrijving ervan. Een visuele weergave van het budgettaire belang kan hier worden gevonden.Tabel 10.3.2 Overzicht budgettair belang per fiscale regeling 2020-2025 op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1,2,3,4202020212022202320242025Gemiddeld % groei ‘20-‘25Persoonsgebonden aftrekAftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)2062053929183‒ 57,1%Giftenaftrek inkomstenbelasting510529483480492487‒ 0,9%Aftrek specifieke zorgkosten2522772972973033094,2%Onderhoudsverplichtingen aftrek282263223208200193‒ 7,3%Belaste ontvangen alimentatie‒ 184‒ 176‒ 166‒ 162‒ 160‒ 156‒ 3,3%InkomensvoorzieningenPensioen niet-belaste premie20.19021.68623.31025.43927.08028.6927,3%Pensioen belaste uitkering‒ 12.790‒ 13.305‒ 14.107‒ 15.879‒ 17.645‒ 18.8428,1%Pensioen vrijstelling box 38.5468.9069.6827.8419.35810.9885,2%Lijfrente premieaftrek58963966372389895010,0%Lijfrente belaste uitkering‒ 380‒ 396‒ 402‒ 453‒ 507‒ 63010,6%Lijfrente vrijstelling box 32542652762232693677,7%Nettopensioen en nettolijfrente9101215192522,7%FOR aftrek19522226434‒‒‒FOR belaste afneming‒ 109‒ 118‒ 129‒ 129‒ 126‒ 1222,2%Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek4995045475906396696,0%Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering‒ 374‒ 372‒ 395‒ 428‒ 482‒ 5126,5%Reisaftrek OV5467777,0%Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling kinderen15151839414323,4%Middelingsregeling1611701351589090‒ 11,0%(Eigen) woningHypotheekrenteaftrek9.1618.4837.3488.3689.91211.1914,1%Aftrek financieringskosten eigen woning765820709662667674‒ 2,5%Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming3232323233341,5%Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning13108654‒ 20,7%Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld592535466435415418‒ 6,7%Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning14821221227‒‒‒Eigenwoningforfait‒ 3.120‒ 2.782‒ 2.723‒ 2.704‒ 2.863‒ 3.049‒ 0,5%OVB Verlaagd tarief woning niet-starters3.1983.5984.3353.7354.4394.5957,5%OVB Vrijstelling woning starters‒584365449477491‒ 4,2%OVB Vrijstelling terugkoop VoV woningen‒63649525271,8%Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogenVermindering verhuurderheffing172240539‒‒‒‒Kamerverhuurvrijstelling10101215161711,0%Heffingvrij vermogen/inkomen box 38881.2801.2881.7891.7561.98217,4%79Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 202020212022202320242025Gemiddeld % groei ‘20-‘25Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 37808087471.0761.0809934,9%Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 325272744495014,8%Vrijstelling groen beleggen box 3454644375842‒ 1,4%Heffingskorting groen beleggen box 33031313441321,3%Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet3738393337401,9%Keuzeregeling partiële buitenlandse belastingplicht202020202014‒ 6,9%Verlaging lastendruk in de winstsfeerZelfstandigenaftrek1.7521.6921.7011.3701.056739‒ 15,8%Extra zelfstandigenaftrek starters1091101201211231262,8%Meewerkaftrek7777770,1%Stakingsaftrek1717171718192,5%Aftrek speur- en ontwikkelingswerk544444‒ 4,5%Willekeurige afschrijving starters7778882,5%Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart‒ 71326470470470470‒Doorschuiving stakingswinst2862993113253463614,8%Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 21141191211241141150,2%Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit879728728728698709‒ 4,2%Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s6856905916516847090,7%Faciliteit geven uit vennootschap17192023384421,0%Mkb-winstvrijstelling2.0032.1932.4152.5152.5532.6095,4%Terbeschikkingstellingsvrijstelling2122212122232,3%Laag vpb-tarief2.4153.6725.9262.7842.9583.0324,7%Innovatiebox1.5831.8892.2452.2192.3582.4178,8%Liquidatie- en stakingsverliesregeling835311782554494506‒ 9,5%Herinvesteringsreserve206346313286137100‒ 13,5%Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek4154775156225986118,1%Energie-investeringsaftrek (EIA)14419830933625943124,5%Milieu-investeringsaftrek (MIA)7510120630619219420,9%VAMIL15182323252510,8%Landbouwvrijstelling in de winstsfeer9221.3781.8021.9022.0272.15718,5%Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer8891011116,4%Dividendbelasting dooruitdelingskorting DB9090909090900,0%LoonbelastingAfdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO1.2261.4111.2971.4371.4461.5825,2%Afdrachtvermindering zeevaart1081061101151161181,8%30%-regeling1.1008651.0511.2491.3481.4655,9%Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband2829313335365,2%HeffingskortingenAlgemene heffingskorting23.13123.71323.79625.20827.59825.5522,0%Arbeidskorting21.96824.69225.52331.04234.62135.2899,9%Inkomensafhankelijke combinatiekorting1.8101.8501.8511.9572.0762.1693,7%Jonggehandicaptenkorting1801821861982182214,2%Ouderenkorting4.1684.4294.5034.7595.3355.4895,7%Alleenstaande ouderenkorting5325425696266877146,1%Belastingen op milieugrondslagEB Verlaagd tarief glastuinbouw1301571121151441350,8%EB Salderingsregeling34538554867368868414,7%EB Belastingvermindering per aansluiting3.7563.9905.8734.3874.6674.7434,8%EB Stadsverwarmingsregeling6570748387742,6%EB Degressieve tariefsstructuur elektriciteit6.3096.5092.6686.3145.3605.277‒ 3,5%EB Degressieve tariefsstructuur gas2.7833.0421.8831.9951.9761.647‒ 10,0%EB verlaagd tarief waterstof000000‒EB Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit373024323331‒ 3,4%EB vrijstelling aardgas ander gebruik dan brandstof (incl. teruggaaf)11112779841051160,9%80Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 202020212022202320242025Gemiddeld % groei ‘20-‘25EB Vrijstellingen voor energie-intensieve processen13614314116519222210,3%Inputvrijstelling energiebelasting voor elektriciteitsopwekking6597145075527788836,0%Inputvrijstelling kolenbelasting voor elektriciteitsopwekking387274474436‒ 1,2%Inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal verbruik6465667077784,0%Vrijstelling leidingwaterbelasting voor grootgebruikers1017893981081101,7%Vrijstelling asbest afvalstoffenbelasting887776‒ 6,6%Vrijstelling baggerspecie afvalstoffenbelasting5910711811413013317,5%OmzetbelastingBtw Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water6.6417.0718.2699.1419.3949.7848,1%Btw Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen1.4931.5851.6951.5441.5861.6522,0%Btw Verlaagd tarief culturele en recreatieve goederen en diensten7087259661.3011.3371.39314,5%Btw Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten8288949821.1321.1631.2117,9%Btw Verlaagd tarief Personenvervoer39438361765867670412,3%Btw Verlaagd tarief Sierteelt2472762852993073205,3%Btw Verlaagd tarief Logiesverstrekking8535597101.2521.2861.3409,4%Btw Verlaagd tarief overig687987919350‒ 5,9%Btw Nultarief zonnepanelen‒‒‒4141410,0%Btw Kleineondernemersregeling18023227531133433413,2%AutoIB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's413481455352263229‒ 11,1%MRB Korting voor nulemissievoertuigen8213320227841539537,0%MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers9591.0051.0301.0891.1961.2565,5%MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten1616171719204,3%MRB Halftarief plug-in hybride auto’s354248566434‒ 0,8%MRB Kwarttarief en halftarief15119624223130532116,4%MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer5150485151510,2%MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar75839110411412610,9%MRB Vrijstelling diverse voertuigen2728283030312,8%MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 19881312111097‒ 12,5%BPM Teruggaaf diverse voertuigen1514131915150,2%BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen3029335676‒‒BPM Vrijstelling bestelauto ondernemers7198247639621.185‒‒AccijnsAccijns vrijstelling gebruik van gasolie (voor binnenvaart)1211421271441591595,6%Accijns raffinaderijvrijstelling14015518118227928215,0%AssurantiebelastingASB Vrijstelling Brede Weersverzekering5677774,5%ASB Vrijstelling levensverzekeringen2.6042.7722.6042.7932.7932.7931,4%ASB Vrijstelling ongevallen-, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen6606606907087357632,9%ASB Vrijstelling ziekte- en ziektekostenverzekering, zorgverzekering ZVW8458779119479831.0213,9%ASB Vrijstelling zeeschepen1517181920217,0%ASB Vrijstelling transportverzekeringen5759616466693,9%ASB Vrijstelling exportkredietverzekeringen1539291616161,3%Overdrachtsbelasting (niet woning gerelateerd)OVB Vrijstelling cultuurgrond13318419125826827916,0%OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer17222229303012,4%VerbruiksbelastingVrijstellingen mineraalwater‒‒‒‒1561560,0%Vrijstellingen melk9898989829029024,2%1[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.2Indien een regeling na 2020 is geïntroduceerd, is de gemiddelde jaarlijkse groei gegeven vanaf het jaar dat de regeling bestaat.3Budgettair belang middelingsregeling en vermindering verhuurderheffing is op kasbasis.4Budgettair belang voor regelingen in box 3 bevatten geen correcties voor de gevolgen van recente jurisprudentie.81Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 10.4 Opvallende ontwikkelingenTabel 10.4.1 biedt inzicht in waar de budgettaire ontwikkeling in het budgettaire belang per fiscale regeling over 2020-2025 vandaan komt voor de sterkste dalers en stijgers. De ontwikkeling van het budgettaire belang wordt uitgesplitst naar beleid, endogeen en overige bijstellingen. De achtergrond van de budgettaire ontwikkeling in andere fiscale regelingen kunnen hier worden gevonden.Beleidsmatige ontwikkelingen houden verband met aanpassingen van de regeling of aanpassing van het algemene tarief van de belastingsoort waar binnen de regeling valt. Neem als voorbeeld het verlaagde tarief van 9% voor sierteelt in de btw. Als beleidsmatig dit verlaagde tarief wordt verhoogd naar 10% in plaats van 9% dan zorgt dit ervoor dat het budgettaire belang van de regeling daalt ten opzichte van de situatie zonder de regeling waarbij het btw percentage 21% zou zijn. Stel de regeling zelf wordt niet aangepast maar het algemene btw tarief wordt verhoogd van 21% naar 22%, dan wordt het budgettaire belang groter hoewel de regeling zelf dus niet is aangepast.Endogene ontwikkelingen zijn ontwikkelingen die door algemene economische ontwikkelingen gedreven worden. Dat kunnen zowel prijs- als volume ontwikkelingen zijn. Een goed voorbeeld van een volume ontwikkeling is bijvoorbeeld een toename van het aantal nulemissie voertuigen waardoor de korting in de loon- en inkomstenbelasting, de BPM, en de MRB op qua budgettair balang groeit. Voorbeelden van een prijsontwikkeling zijn een toename in het budgettaire belang van de 30%-regeling door loonstijgingen of een toename in het budgettaire belang van regelingen in het winstdomein door algemene prijsinflatie.Tot slot bestaan er ook nog (technische) bijstellingen. Dat zijn toenames in het budgettaire belang doordat bijvoorbeeld de ramingsgrond is aangepast. Daarbij kan het zowel gaan om een aanpassing van de ramingsmethodiek vanwege voortschrijdend inzicht waardoor een budgettair belang wijzigt, alsook om een aanpassing van de data die gebruikt wordt voor de raming. Dit jaar is sprake van een technische bijstelling in de raming voor de faciliteit ANBI's in de schenk- en erfbelasting en de vrijgestelde uitkering bij het 25- en 40-jarig dienstverband.Zoals aangegeven in de introductie van deze paragraaf laat de endogene ontwikkeling zien hoe het budgettair belang zich ontwikkelt zonder invloed van beleidsmaatregelen. Opvallend zijn regelingen die grote budgettaire ontwikkelingen doormaken, met name vanwege volume ontwikkelingen, zonder dat daar expliciete afweging in de vorm van beleid ten grondslag aan ligt. Immers wordt er dan meer gebruik gemaakt van een regeling terwijl hierop beleidsmatig niet aangestuurd is. Verder kennen fiscale regelingen doorgaans geen plafond.Tabel 10.4.1 licht de opvallende ontwikkelingen uit door de 20 regelingen te selecteren met de grootste jaarlijkse endogene groei over 2020-2025. Het totale budgettaire belang van alle fiscale regelingen is vanwege endogene ontwikkelingen in totaal met 31,2 miljard euro toegenomen over 2020-2025. Door beleidsmatige ontwikkelingen is deze daarnaast met ongeveer 2,6 miljard euro toegenomen. Bij de 20 regelingen met de meest opvallende ontwikkeling is het gezamenlijke budgettaire belang vanwege endogene ontwikkelingen met bijna 7,8 miljard euro toegenomen. Hieronder worden de vijf sterkste stijgers hiervan voorzien van nadere duiding.82Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tonnageregeling winst uit scheepvaartMet betrekking tot de tonnageregeling worden per 2020 in de belastingaangifte meer gegevens uitgevraagd over de achterliggende winstberekening. Vanaf dat jaar is mogelijk om op jaarbasis een berekening te maken van het voor- of nadeel dat bedrijven hebben van de regeling. Uit de gegevens blijkt dat bedrijven tijdens het coronajaar 2020 per saldo voor 71 miljoen euro nadeel hadden van de regeling. In 2021 was de zeescheepvaart aanmerkelijk winstgevender waardoor bedrijven per saldo in dat jaar een profijt hadden van 326 miljoen euro. Voor 2022 is het bedrag nog onzeker, maar op basis van voorlopige aangiftegegevens is het de verwachting dat dit profijt in 2022 zal oplopen tot 470 miljoen euro. Aangenomen is dat de zeescheepvaart zich in 2022 hersteld heeft van de coronacrisis, en dat daarom de kosten van de regeling in 2023 t/m 2025 op hetzelfde niveau blijven.MRB Korting voor nulemissievoertuigenVoor emissievrije auto’s (EV) geldt een nihil-tarief in de motorrijtuigenbelasting (mrb) tot en met 2024, in 2025 geldt een kwarttarief. Hierdoor is er een beperkte beleidsmatige daling in 2025. Over 2020-2025 is nog steeds sprake van een beleidsmatige stijging in het budgettair belang vanwege het Klimaatakkoord uit 2019. Door de autonome ingroei van EV’s in het wagenpark neemt het budgettaire belang van deze fiscale regeling elk jaar toe. De ingroei van EV’s in het wagenpark, en daarmee het budgettair belang, komt ook deels door beleid uit het klimaatakkoord, zoals de bpm-vrijstelling voor EV’s, een korting in de bijtelling voor EV’s en de aanschafsubsidie voor nieuwe en tweedehands EV’s (SEPP-subsidie). Het aandeel van het extra budgettair belang door beleid is gelijk aan € 74 mln.Energiebelasting SalderingsregelingDe groei van de omvang van de salderingsregeling wordt veroorzaakt door de groei van het aantal zonnepanelen bij kleinverbruikers. Hierdoor groeit de jaarlijkse hoeveelheid gesaldeerde elektriciteit en neemt de budgettaire derving toe. De stijging wordt beleidsmatig gedempt doordat de energiebelasting in de eerste twee schijven elektriciteit in 2024 en 2025 dalen. Desondanks is er sprake van netto groei van de omvang van de regeling.Vrijstelling en heffingskorting groen beleggen box 3Uit het jaarverslag van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland blijkt dat het aantal particuliere groene spaarders en beleggers en het vermogen dat zij inleggen (sterk) is toegenomen de laatste jaren. Hierdoor stijgt het budgettaire belang van zowel de vrijstelling als de heffingskorting voor groen beleggen in box 3 sterk over de periode 2020 tot en met 2025.83Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 10.4.1 Overzicht opvallende fiscale regelingen met sterke endogene groei (of krimp) t.o.v. 2020 (x € miljoen)1,2,3,42025 MN2025Mutatie '20 -'25w.v. Beleidw.v. Technische bijstellingenw.v. EndogeenGemiddelde % endogene groeiTonnageregeling winst uit zeescheepvaart470541260515> 100%MRB Korting voor nulemissievoertuigen39531374023931,4%Heffingskorting groen beleggen box 3322‒ 7507729,0%EB Salderingsregeling684339‒ 467080627,3%Vrijstelling groen beleggen box 342‒ 3‒ 9208924,4%Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling kinderen4328002823,4%Nettopensioen en nettolijfrente2516301319,6%Landbouwvrijstelling in de winstsfeer2.1571.235001.23518,5%MRB Kwarttarief en halftarief3211710017116,4%Heffingvrij vermogen/inkomen box 31.9821.094229086514,6%Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 35025302213,4%Btw Kleineondernemersregeling3341540015413,2%Vrijstelling baggerspecie afvalstoffenbelasting133732504912,8%Btw Verlaagd tarief Personenvervoer7043110031112,3%Kamerverhuurvrijstelling177‒ 10811,9%Laag vpb-tarief3.032617‒ 1.20801.82511,9%30%-regeling1.465365‒ 442080711,6%MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar12651‒ 205311,3%Middelingsregeling90‒ 71‒ 175010410,5%Btw Verlaagd tarief culturele en recreatieve goederen en diensten1.39368502784089,5%Overige regelingen154.17530.7254.6622.56023.5043,5%Alle regelingen167.67036.6782.5592.83731.2824,4%1[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.2Bevat mogelijk afrondingsverschillen.3Indien 2020 geen raming heeft, is uitgegaan van startjaar bij berekening mutatie en endogeen.4Alleen regelingen zijn meegenomen die in 2025 een groter budgettair belang hebben dan 5 miljoen. Verder zijn alleen regelingenmeegenomen die tussen 2020-2025 een endogene groei hebben van 5 miljoen en hoger. De regelingen die gebudgeteerd zijn (WBSO, EIA, MIA, VAMIL) zijn geomitteerd.10.5 BeleidsmaatregelenTabel 10.5.1 bevat een overzicht van nieuwe beleidsmaatregelen die specifiek betrekking hebben op fiscale regelingen. Voor een inhoudelijke uitleg van de maatregelen wordt verwezen naar de memorie van toelichting van het relevante wetsvoorstel. Het totale effect van beleidsmaatregelen, inclusief het effect van algemene tariefsaanpassingen, op het budgettaire belang van fiscale regelingen over 2020-2025 is terug te vinden in Tabel 10.4.1 en kan per regeling hier gevonden worden.84Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 10.5.1 Overzicht beleidsmaatregelen t.a.v. fiscale regelingen, lastenontwikkeling op transactiebasis in prijzen 2024 (x € miljoen)120242025202620272028structureelPakket Belastingplan 2025Fiscale bedrijfsovergangsfaciliteiten 2025‒ 1‒ 3‒ 22‒ 21‒ 21‒ 14Salderingsregeling000‒ 574‒ 576‒ 665Fiscale regeling giftenaftrek beperken0‒ 43‒ 49‒ 55‒ 61‒ 61Gerichte vrijstelling voor OV-abonnementen000000Invoeren vrijstelling in box 3 voor bepaalde vermogensrechten in verband met het herstel van aardbevingsschade in Groningen en Noord-Drenthe000000Bezwaar- en beroepsprocedure MIA & VAMIL verleggen000000Vervoerskosten aftrek specifieke zorgkosten aanpassen011111Aanpassen liquidatieverliesregeling000000Aanpassen kavelruilvrijstelling overdrachtsbelasting0‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1Btw tarief logies verhogen, exclusief kamperen00‒ 1110‒ 1110‒ 1110‒ 1110Btw tarief cultuur verhogen, exclusief bioscopen en dagrecreatie00‒ 1221‒ 1221‒ 1221‒ 1221Tarieftabel bpm voor plug-in hybride auto’s beëindigen0‒ 9‒ 22971103Tijdelijke mrb tariefkorting emissievrije auto’s invoeren04224130432511Tarieven energiebelasting 1e en 2e schijf aardgas verlagen0271260275296385Belastingvermindering energiebelasting verhogen000000Tarief energiebelasting waterstof verlagen002335Tarief energiebelasting 4e en 5e schijf aardgas verhogen00‒ 2‒ 3‒ 3‒ 5Vrijstellingen duaal en non-energetisch verbruik kolen afschaffen000‒ 77‒ 77‒ 5Definitie energiebedrijf & tarief aanpassen en aardgas vrijstelling invoeren CO2 heffing glastuinbouw01512850Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG014740000Afschaffing inkoopfaciliteit dividendbelasting terugdraaien0800800800800800Oplossing eenverdienders problematiek0000980Verlagen AHK met 335 euro per 20250‒ 2796‒ 2857‒ 2909‒ 2933‒ 2933Afbouwpunt AHK koppelen aan WML0170017581868203620361[+] = derving, het budgettaire belang van de regeling neemt toe; [–] = opbrengst, het budgettaire belang van de regeling neemt af. In tegenstelling tot het Belastingplan waarin een budgettair derving als een extra last opgenomen wordt hetgeen genoteerd wordt met een [-], worden hier extra budgettaire dervingen met een [+] weergegeven. Dit is gedaan voor de consistentie met Tabel 10.3.2 waarin budgettair belang positief genoteerd wordt.Om een overzicht te hebben van de hoeveelheid regelingen die zijn afgeschaft en zijn geïntroduceerd is hieronder figuur 10.1 opgenomen die dit over de jaren heen uitzet. De rode staafjes zijn nieuwe fiscale regelingen die dat jaar zijn aangekondigd en kunnen dus ook na dat jaar pas in werkinggetreden zijn. De groene staafjes laten het aantal afgeschafte fiscale regelingen zien. De zwarte lijn laat zien hoeveel regelingen netto zijn toegevoegd of afgeschaft tot en met dat jaar sinds 2000.Figuur 10.1 Overzicht nieuwe en afgeschafte fiscale regelingen sinds 200085Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 10.6 EvaluatiesBeleidsevaluaties vormen een belangrijk onderdeel bij de verantwoording van fiscale regelingen. Deze paragraaf besteedt aandacht aan (recent) uitgevoerde evaluaties en de evaluatie- en onderzoeksagenda voor de komende jaren. In paragraaf 10.6.1 staan we stil bij evaluaties die sinds de vorige Miljoenennota zijn uitgevoerd. Paragraaf 10.6.2 geeft een integraal overzicht van de evaluatieuitkomsten van fiscale regelingen. In paragraaf 10.6.3 wordt de evaluatieagenda voor de komende jaren gepresenteerd.10.6.1 Recent uitgevoerde evaluaties en uitkomstenIn totaal zijn 7 evaluaties van fiscale regelingen afgerond sinds de Miljoenennota 2024. Sommige evaluaties beslaan meerdere fiscale regelingen. Hieronder worden de uitkomsten van de evaluaties of onderzoeken verder uiteengezet per onderwerp. Vanwege de demissionaire status van het vorige kabinet zijn kabinetsreacties beleidsarm verstuurd. Het huidige kabinet zal deze evaluatieuitkomsten bestuderen en met een inhoudelijke beleidsreactie komen.Fiscale ondernemerschapsregelingenAfgelopen half jaar is er een evaluatie geweest van de fiscale ondernemerschapsregelingen. Het gaat hierbij om: de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid, de willekeurige afschrijving starters, de MKB-winstvrijstelling, de tbs-vrijstelling, de stakingsaftrek en de meewerkaftrek. De evaluatie is uitgevoerd door onderzoeksbureaus Stichting Economisch Onderzoek (SEO) en Dialogic in opdracht van het ministerie van Financiën en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Uit de evaluatie blijkt dat de fiscale ondernemerschapsregelingen (zeer) beperkt doeltreffend zijn in relatie tot het overkoepelende doel van de regelingen: het realiseren van maatschappelijke spill-overs via het stimuleren van ondernemerschapHet is lastig gebleken om harde conclusies te trekken over de doelmatigheid van de regelingen. Wel wordt geconcludeerd dat het budgettair beslag van de meeste regelingen relatief groot is in relatie tot de beperkte doeltreffendheid. Daarnaast zorgt een deel van de regelingen voor negatieve neveneffecten, zoals verstoren van arbeidsmarktkeuzes en hogere socialezekerheidskosten.Reisaftrek OVAfgelopen jaar is er een evaluatie geweest van de reisaftrek OV. Er is gekeken naar het gebruik van de regeling en de uitvoering en handhaving bij de Belastingdienst. De evaluatie is uitgevoerd door DGFZ en de Belastingdienst in afstemming met het ministerie van IenW.Uit de evaluatie blijkt dat de regeling beperkt is in gebruik en omvang en daarnaast voor gebruikers een klein financieel voordeel biedt. De regeling is derhalve beoordeeld als waarschijnlijk niet doeltreffend en waarschijnlijk niet doelmatig. Ook een aantal vragen uit het toetsingskader zijn negatief beantwoord.LandbouwvrijstellingHet onderzoek is uitgevoerd door het onafhankelijke onderzoeksbureau SEO. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van interviews en data analyse. Voor de data analyse is gebruik gemaakt van microdata van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over landbouwstructuurgegevens en aangifte inkomstenbelastinggegevens voor de periode 2010-2021.86Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Het onderzoeksbureau schrijft op basis van dit rapport dat de regeling doeltreffend noch doelmatig is en dat de regeling ook niet gerechtvaardigd kan worden uit het realiseren van (eventuele wenselijke) neveneffecten. Het bureau concludeert dat afschaffing met overgangsrecht de logische en uitvoerbare beleidsoptie is.Heffingskortingen en tariefstructuur box 1De onderzoekers hebben de heffingskortingen geëvalueerd op basis van literatuuronderzoek en econometrische data-analyse. Daarnaast hebben zij ook twee uitgebreide vragenlijsten laten invullen door een representatief panel van ruim 2.000 personen (het LISS-panel). In de enquêtes zijn onder andere de kennis en het begrip van de heffingskortingen getoetst en is gevraagd naar de motivaties en mogelijkheden van mensen om (meer of minder) te gaan werken.De doeltreffendheid van het doel (gerichte) inkomensondersteuning wordt verminderd doordat veel mensen al geen belasting betalen. Het recht op heffingskortingen is dan hoger dan het bedrag dat diegene (zonder de kortingen) aan belasting zou moeten betalen. Voor zover mensen zich wel door financiële prikkels laten leiden, concluderen de onderzoekers dat de arbeidskorting en de IACK minder bijdragen aan het arbeidsaanbod dan dat het geval zou zijn wanneer belastingplichtigen de kortingen zouden kennen en begrijpen. Volgens de onderzoekers heeft dit een negatieve impact op de doelmatigheid van deze regelingen. Ook is de grens van doelmatig beleid bereikt voor de heffingskortingen omdat verdere verhogingen niet meer bij de lage inkomens terecht komen.InnovatieboxDe innovatiebox is door SEO en Dialogic geëvalueerd over de periode 2010- 2019. De onderzoekers concluderen dat de regeling grotendeels doeltreffend is in het bijdragen aan een goed vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. Met betrekking tot de doelstelling om innovatieve activiteiten te stimuleren concluderen de onderzoekers dat de innovatiebox beperkt doeltreffend is, gemeten aan de hand van S&O-uitgaven. De berekende ‘bang-for-the-buck’- maatstaf (BFTB) komt overeen met de bevindingen van de vorige evaluatie. Eén euro extra belastingvoordeel uit hoofde van de innovatiebox verhoogt S&O-uitgaven met circa 28 eurocent.De onderzoekers concluderen dat de regeling, ten aanzien van de doelstelling om gericht innovatieve activiteiten te stimuleren, niet doelmatig is. Dit houdt verband met het feit dat de BFTB lager is dan 1, het niveau waarbij een euro net zoveel additionele investeringen oplevert als het kost aan budgettair beslag. Wat deze conclusie versterkt is dat er effectievere manieren zijn om innovatie te stimuleren, zoals de WBSO, die een hogere BFTB kent.30%-regeling en ETK-regelingIn opdracht van het ministerie van Financiën evalueerde onderzoeksbureau SEO de extraterritoriale kostenregeling (ETK-regeling), de 30%-regeling en de regeling partiële buitenlandse belastingplicht. Daarbij concluderen de onderzoekers dat de 30%-regeling doeltreffend en deels doelmatig is. Verder levert de 30%-regeling een bijdrage aan het vestigingsklimaat en leidt de voorgenomen versobering naar verwachting 10-15% lagere instroom aan kennismigranten en verslechterd dit het vestigingsklimaat.87Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Verder concluderen de onderzoekers dat de ETK-regeling deels doeltreffend en beperkt doelmatig is. Een concstant forfait sluit volgens hen beter aan bij de kostenontwikkeling van extraterritoriale kosten en heeft bovendien lagere uitvoerignskosten. De partiële buitenlandse belastingplicht is daarnaast niet doeltreffend en niet doelmatig.GiftenaftrekIn opdracht van het ministerie van Financiën evalueerde onderzoeksbureau Stichting Economisch Onderzoek (SEO) in 2023 de giftenaftrek voor de periode 2016-2021. SEO concludeert dat de giftenaftrek doeltreffend maar niet doelmatig is.Uit een gedragsexperiment blijkt dat de giftenaftrek van 37 procent (huidige vormgeving) tot 9,6 procent hogere giften dan in de situatie zonder stimulans. Het gedragseffect is het sterkst bij grote gevers. Hierdoor is de giftenaftrek doeltreffend te noemen. Echter, een deel van de budgettaire kosten komt ten gunste van de gever in plaats van de begiftigde. Ook is de giftenaftrek slecht uitvoerbaar voor de Belastingdienst en verder is het niet-gebruik van de giftenaftrek hoog doordat onder andere gevers niet bekend zijn met de regeling. Hierdoor is de giftenaftrek niet doelmatig te noemen. 10.6.2 Overzicht uitgevoerde evaluaties en uitkomstenBij evaluaties van fiscale regelingen dient het Toetsingskader Fiscale Regelingen te worden doorlopen en is de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek 2022 (RPE 2022) van toepassing. Dit betekent onder meer dat de instrumentkeuze voor een fiscale regeling opnieuw tegen het licht moet worden gehouden, en dat de doeltreffendheid en doelmatigheid ervan moeten worden onderzocht. In figuur 10.2 wordt een totaalbeeld geschetst van de evaluatieuitkomsten met betrekking tot de doeltreffend- en doelmatigheid van geëvalueerde fiscale regelingen.Figuur 10.2 Overzicht evaluatieuitkomsten fiscale regelingenIn tabel 10.6.1 worden verder de uitkomsten van evaluaties uitgevoerd in de periode 2020-2025 gepresenteerd. Voor uitkomsten van evaluaties die zijn uitgevoerd voor 2020 wordt verwezen naar het rapport Evaluatiedoorlichting fiscale regelingen. Per evaluatie wordt gerapporteerd over de doeltreffendheid, de doelmatigheid, en de noodzaak voor 88Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 overheidsingrijpen (TFR). U kunt een verwijzing naar de integrale evaluatie in bijlage 11 vinden. Daarnaast kunt u deze ook hier vinden. In het Ambtelijk rapport Aanpak fiscale regelingen is daarnaast ook voor een groot deel van de regelingen gekeken naar de doenlijkheid en de complexiteit voor de uitvoering ervan.Zoals opgenomen in het de budgettaire bijlage van het Hoofdlijnenakkoord blijft het uitgangspunt dat negatief geëvalueerde regelingen worden aangepast of afgeschaft. Daarom wordt in onderstaande tabel eveneens aangegeven of de evaluatie heeft geleid tot een aanpassing, afschaffing (al dan niet op termijn), of ongewijzigde voortzetting.Tabel 10.6.1 Overzicht uitkomsten uitgevoerde evaluaties van fiscale regelingen 2020-20251JaarEvaluatieOnderbouwing overheidsingrijpenDoeltreffendDoelmatigBeleidsopvolging2020ASB Vrijstelling zeeschepenJaJaJaOngewijzigdASB Vrijstelling transportverzekeringenJaOnzekerOnzekerOngewijzigdASB Vrijstelling exportkredietverzekeringenJaJaJaOngewijzigdVrijstelling groen beleggen box 3JaJaJaAangepastHeffingskorting groen beleggen box 3JaJaJaAangepastVermindering verhuurderheffingNiet onderzochtJaGrotendeelsAfgeschaftNettopensioen en nettolijfrenteNiet onderzochtJaOnzekerOngewijzigd2021Energiebelasting teruggaaf kerken & nonprofitDiscutabelOnzekerOnzekerOngewijzigdEnergiebelasting teruggaaf intensieve industrieNiet onderzochtBeperktJaAfgeschaftEnergiebelasting vrijstellingen intensieve industrieDiscutabelOnzekerNeeOngewijzigdEnergiebelasting stadsverwarmingsregelingJaJaJaOngewijzigdEnergiebelasting inputvrijstelling energiebelasting voor elektriciteitsopwekkingJaJaNeeAangepastEnergiebelasting verlaagd tarief glastuinbouwDiscutabelJaOnzekerAfbouwEnergiebelasting belastingverminderingDiscutabelJaNeeOngewijzigdSchenkingsvrijstelling eigenwoningNeeNiet of beperktNeeAfgeschaft2022Schenk- en erfbelasting BedrijfsopvolgingsfaciliteitDiscutabelJaNeeAangepastDoorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2DiscutabelJaGeen uitspraakAangepastDoorschuiving stakingswinstDiscutabelJaGeen uitspraakOngewijzigdMRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoerDiscutabelWaarschijnlijk beperktNeeAfgeschaftBPM Teruggaaf en MRB Vrijstelling diverse voertuigenDiscutabelBeperktGeen uitspraakAfschaffing teruggave geldtransport, ongewijzigd voor overigeBPM Vrijstelling bestelauto ondernemersNeeGeen uitspraakGeen uitspraakAfgeschaftMRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemersNeeGeen uitspraakGeen uitspraakOngewijzigdMRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicaptenJaGeen uitspraakGeen uitspraakOngewijzigdMRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaarDiscutabelGeen uitspraakGeen uitspraakAanpassingMRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988NeeGeen uitspraakGeen uitspraakAanpassingMRB KwarttarievenNeeOnzekerNeeAfschaffing / aanpassingTonnageregeling winst uit zeescheepvaartJaJaOnzekerOngewijzigdAfdrachtvermindering zeevaartJaJaOnzekerOngewijzigdWillekeurige afschrijving zeeschepenJaNeeNeeOngewijzigdVerlaagd gebruikelijk loon dga's startupsNeeNeeNeeAfgeschaftAftrek specifieke zorgkostenJaDeelsBeperktVervolgonderzoek2023Verlaagde btw-tarief voedingsmiddelen en waterDiscutabelJaNeeReactie volgtVerlaagde btw-tarief geneesmiddelen en hulpmiddelenJaOnzekerNeeReactie volgt89Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 JaarEvaluatieOnderbouwing overheidsingrijpenDoeltreffendDoelmatigBeleidsopvolgingVerlaagde btw-tarief culturele goederen en dienstenJaOnzekerOnzekerAfgeschaft m.u.v. toegang tot dagrecreatieVerlaagde btw-tarief arbeidsintensieve dienstenDiscutabelNeeNeeReactie volgtVerlaagde btw-tarief personenvervoerJaOnzekerNeeReactie volgtVerlaagde btw-tarief SierteeltNeeJaNeeReactie volgtVerlaagde btw-tarief LogiesverstrekkingNeeJaNeeAfgeschaft m.u.v. kampeerterreinenVerlaagde btw-tarief agrarische goederenNeeGeen uitspraakGeen uitspraakAfgeschaftEnergie-investeringsaftrek (EIA)JaOnzekerOnzekerAanpassing en vervolgonderzoekMillieu-investeringsaftrek (MIA) en VamilJaJaJaVervolgonderzoekOnbelaste reiskostenvergoedingNiet onderzochtJaGrotendeelsOngewijzigdTusseneveluatie fiscale regelingen voor emissieloze voertuigenJaGeen uitspraakGeen uitspraakOngewijzigdInnovatieboxJaJa (vest.klimaat)Beperkt (R&D)Deels (vest.klimaat)Nee (R&D)Reactie volgt2024LandbouwvrijstellingNeeNeeNeeReactie volgtReisaftrek OVJaNeeNeeReactie volgtAlgemene heffingskortingJaJaOnzekerReactie volgtArbeidskortingJaNeeNeeReactie volgtInkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)JaNeeNeeReactie volgtOuderenkortingJaOnzekerJaReactie volgtAlleenstaande ouderenkortingJaOnzekerJaReactie volgtJonggehandicaptenkortingJaJaJaReactie volgt30%-regelingJaJaOnzekerReactie volgtETK-regelingJaOnzekerOnzekerReactie volgtKeuzeregeling partiële buitenlandse belastingplichtJaNeeNeeAfgeschaftMeewerkaftrekNeeNeeNeeReactie volgtStakingsaftrekNeeNeeNeeReactie volgtZelfstandigenaftrekDiscutabelNeeOnzekerReactie volgtStartersaftrek en startersaftrek voor arbeidsongeschiktenDiscutabelNeeOnzekerReactie volgtWillekeurige afschrijving startersDiscutabelNeeOnzekerReactie volgt1«Reactie volgt» in de kolom beleidsopvolging geeft aan dat voor de evaluatie van deze regeling nog geen inhoudelijke kabinetsreactie aan de Staten-Generaal is verstuurd.10.6.3 Geplande evaluaties 2024-2028In tabel 10.6.2 wordt een overzicht gegeven van de evaluaties en andere onderzoeken van fiscale regelingen die gepland staan voor de periode 2024-2028. Deze programmering is erop gericht om met een gerichte inzet van de beschikbare capaciteit relevante evaluaties af te leveren die voorzien in de informatiebehoefte van de Staten-Generaal.De evaluaties van fiscale regelingen zijn ook onderdeel van de Strategische Evaluatieagenda (SEA). De evaluatie van een fiscale regeling is daarom in de begroting van een beleidsverantwoordelijke ministerie terug te vinden. Voor evaluaties van fiscale regelingen zijn altijd het Ministerie van Financiën, vanuit haar verantwoordelijkheid voor het belastingstelsel, en het betreffende vakdepartement, vanuit haar verantwoordelijkheid voor de beleidsdoelen, samen betrokken.90Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 10.6.2 Overzicht geplande evaluaties en onderzoeken m.b.t. fiscale regelingen 2024-2028JaarEvaluatieMinisterie2024Evaluatie differentiatie overdrachtsbelastingFIN, BZKQuickscan natuurschoonwetFIN, LNVQuickscan onderhoudsverplichtingen aftrek en belaste alimentatieFINQuickscan vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverbandFINEvaluatie schenkingsvrijstelling voor kinderen en dure studiesFINEvaluatie laag vpb-tariefFIN, EZ2025Evaluatie WBSOFIN, EZEvaluatie btw-vrijstellingenFIN, OCWOnderzoek verbeteringen energie-investeringsaftrek (EIA) en millieu-investeringsaftrek (MIA)FIN, EZ, KGG, I&WOnderzoek jaarlijkse vrijstelling schenkbelasting kinderenFINOnderzoek toekomstbestendigheid eigenwoningregelingFIN, BZKEvaluatie werkkostenregelingFIN, EZ, I&WEvaluatie vrijstelling kunstvoorwerpen box 3FIN, OCWEvaluatie fiscale vrijstellingen bos en natuurFIN, LNVMonitoring wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteit 2024FIN, EZMonitoring fiscale regeling aandelenoptierechtenFINEvaluatie accijns verlaagd tarief kleine brouwerijenFIN2026Evaluatie kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)FIN, EZEvaluatie fiscale behandeling ANBI'sFINEvaluatie herinvesteringsreserve (HIR)FIN, OCWEvaluatie kleineondernemersregeling (KOR)FIN, EZEvaluatie verbruiksbelastingFIN, VWSMonitoring opbrengsten afschaffen inputvrijstelling EB voor elektriciteitsopwekkingFIN, EZMonitoring verhoging btw-tarief cultuur en logiesFIN, OCWEvaluatie kansspelbelastingFIN, J&V2027Evaluatie eigenwoningregelingFIN, BZKEvaluatie regeling groenprojectenFIN, I&W, BZKEvaluatie fiscale behandeling stichtingen en verenigingenFIN, EZTussentijdse evaluatie fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouwsectorFINEvaluatie energiebelastingFIN, EZ, LNV, BZKEvaluatie vrijstellingen OVB in de ondernemingssfeer en vrijstellingen van technische aardFIN, EZMonitoring verhoging btw-tarief cultuur en logiesFIN, OCWEvaluatie onbelaste reiskostenvergoedingFIN, I&W2028Evaluatie zeevaartregelingenFIN, I&WMonitoring maatregelen giftenaftrek en geven uit vennootschapFINEvaluatie fiscale regelingen autobelastingenFIN, I&W, EZ, VWSEvaluatie assurantiebelastingFIN, I&WEvaluatie verhoging btw-tarief cultuur en logiesFIN, OCWEvaluatie milieu-investeringsaftrek (MIA) en VamilFIN, I&W, BZKEvaluatie energie-investeringsaftrek (EIA)FIN, EZ, BZKTussenevaluatie fiscale stimuleringsmaatregelen EV'sFIN, I&W91Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 11 TOELICHTING OP DE FISCALE REGELINGEN11.1 InleidingIn deze bijlage wordt een kwalitatieve toelichting per fiscale regeling gegeven. Voor elke regeling bevat tabel 11.1 een korte beschrijving, het wetsartikel, de doelstelling van de regeling, het ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft, de meest recente beleidsevaluatie, of een horizonbepaling van toepassing is, en de ramingsgrond die gebruikt is voor de schatting van het budgettaire belang in bijlage 10, indien van toepassing.Het departement dat bij elke regeling vermeld staat, is het departement dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft. De Staatsecretaris van Financiën en de bewindspersonen van het betreffende departement dragen ieder verantwoordelijkheid voor de regeling en de evaluatie daarvan, vanuit de invalshoek van hun eigen beleidsterrein. Het Ministerie van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wetgeving, de uitvoering van het fiscale beleid en de budgettaire verantwoording. Conform de rijksbegrotingsvoorschriften wordt het budgettaire belang van de fiscale regelingen ook extracomptabel op de departementale begrotingen opgenomen.Tabel 11.1 Achtergrond informatie per fiscale regeling1Persoonsgebonden aftrekRegeling:Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)Beschrijving:Uitgaven boven een drempelbedrag ter zake van een opleiding of studie voor het verwerven van inkomen uit werk en woning kunnen onder voorwaarden worden afgetrokken tot een maximumbedrag. Als onderdeel van het Belastingplanpakket 2020 is voorgesteld de fiscale aftrek van scholingsuitgaven, conform de daarover gemaakte afspraak in het regeerakkoord af te schaffen. De regeling is inmiddels per 1 januari 2022 afgeschaft. Tegelijkertijd is de vervangende subsidieregeling (de Subsidieregeling STAP-budget) in werking getreden per 1 maart 2022. Op grond van overgangsrecht (artikel 10a.16 Wet IB 2001) kunnen scholingsuitgaven die voor 1 juli 2015 zijn gedaan en die destijds niet tot aftrek leidden omdat recht bestond op een prestatiebeurs, alsnog (forfaitair) in aftrek kunnen worden gebracht als scholingsuitgaven indien in een jaar – na afloop van de diplomatermijn - de prestatiebeurs definitief niet wordt omgezet in een gift. Dit overgangsrecht blijft in stand tot dit materieel is uitgewerkt (2031).Doelstelling:Vergroten van de Nederlandse kennisinfrastructuur.Ministerie:OCW, Artikel 4: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.Wetsartikel:Artikel 10a.16 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie aftrekpost scholingsuitgaven, CPB, 2016. Notitie Evaluatie aftrekpost scholingsuitgaven.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Realistaties t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Giftenaftrek inkomstenbelastingBeschrijving:Giften aan onder andere algemeen nut beogende instellingen (ANBI) zijn aftrekbaar. Periodieke giften geschieden op basis van een bij notariële of onderhandse akte vastgelegde verplichting om gedurende ten minste 5 jaren met onzekerheidsvereiste schenkingen te doen. Voor overige giften aan uitsluitend ANBI’s geldt een drempelpercentage en plafondpercentage van het verzamelinkomen. Er geldt een multiplier voor giften aan culturele ANBI’s. Met ingang van 2023 is de aftrek van periodieke giften beperkt.Doelstelling:Bevorderen van schenkingen aan bepaalde instellingen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 6.32 ‒ 6.39a van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie giftenaftrek 2016-2021, SEO, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 36 410-IX nr. 42.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Realistaties t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Aftrek specifieke zorgkosten92Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:Bepaalde zorgkosten mogen worden afgetrokken. Hiervoor komt in aanmerking het deel van de kosten dat uitkomt boven het drempelbedrag en waarvoor geen vergoeding is gekregen van bijvoorbeeld de (aanvullende) zorgverzekering of de bijzondere bijstand. Onder omstandigheden geldt een verhoging van het in aftrek te brengen bedrag.Doelstelling:Tegemoetkoming van chronisch zieken en gehandicapten.Ministerie:VWS, Artikel 8: Tegemoetkoming specifieke kosten.Wetsartikel:Artikel 6.16 ‒ 6.20 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie specifieke zorgkosten, Dialogic & Significant Public, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 35 925-XVI nr. 204.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Realistaties t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Onderhoudsverplichtingen aftrekBeschrijving:Dit betreft het betalen en ontvangen van partneralimentatie. Omdat hierbij sprake is van inkomensoverheveling is betaalde alimentatie bij de alimentatieplichtige aftrekbaar en is ontvangen alimentatie bij de ontvanger van alimentatie belast. Ook de aftrekbaarheid van bepaalde andere onderhoudsverplichtingen zit verwerkt in de cijfers.Doelstelling:Het aansluiten bij draagkracht.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 6.3 ‒ 6.7 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Realistaties t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Belaste ontvangen alimentatieBeschrijving:Dit betreft het betalen en ontvangen van partneralimentatie. Omdat hierbij sprake is van inkomensoverheveling is betaalde alimentatie bij de alimentatieplichtige aftrekbaar en is ontvangen alimentatie bij de ontvanger van alimentatie belast. Ook de aftrekbaarheid van bepaalde andere onderhoudsverplichtingen zit verwerkt in de cijfers.Doelstelling:Het aansluiten bij draagkracht.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 3.105 en 3.108 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Realistaties t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.InkomensvoorzieningenRegeling:Pensioen niet-belaste premieBeschrijving:Het werkgeversdeel van de pensioenpremie wordt niet tot het belastbare loon van de werknemer gerekend en het werknemersdeel van de pensioenpremie wordt in mindering gebracht bij het bepalen van het belastbare loon. Daar staat tegenover dat de pensioenuitkeringen wel tot het belastbare loon worden gerekend en daarmee in de belastingheffing worden betrokken. Het opgebouwde pensioenvermogen valt niet in box 3. Deze faciliteiten gelden voor pensioenopbouw over pensioengevend loon tot de aftoppingsgrens.Doelstelling:Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.Ministerie:SZW, Artikel 8: Oudedagsvoorziening.Wetsartikel:Artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Uitkomsten van MIMOSI voor de pensioenpremies en pensioenuitkeringen. Gegevens van DNB voor pensioenvermogen. Realistaties t/m [t-12].Regeling:Pensioen belaste uitkeringBeschrijving:Het werkgeversdeel van de pensioenpremie wordt niet tot het belastbare loon van de werknemer gerekend en het werknemersdeel van de pensioenpremie wordt in mindering gebracht bij het bepalen van het belastbare loon. Daar staat tegenover dat de pensioenuitkeringen wel tot het belastbare loon worden gerekend en daarmee in de belastingheffing worden betrokken. Het opgebouwde pensioenvermogen valt niet in box 3. Deze faciliteiten gelden voor pensioenopbouw over pensioengevend loon tot de aftoppingsgrens.Doelstelling:Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.Ministerie:SZW, Artikel 8: Oudedagsvoorziening.93Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Wetsartikel:Artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Uitkomsten van MIMOSI voor de pensioenpremies en pensioenuitkeringen. Gegevens van DNB voor pensioenvermogen. Realistaties t/m [t-12].Regeling:Pensioen vrijstelling box 3Beschrijving:Het werkgeversdeel van de pensioenpremie wordt niet tot het belastbare loon van de werknemer gerekend en het werknemersdeel van de pensioenpremie wordt in mindering gebracht bij het bepalen van het belastbare loon. Daar staat tegenover dat de pensioenuitkeringen wel tot het belastbare loon worden gerekend en daarmee in de belastingheffing worden betrokken. Het opgebouwde pensioenvermogen valt niet in box 3. Deze faciliteiten gelden voor pensioenopbouw over pensioengevend loon tot de aftoppingsgrens.Doelstelling:Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.Ministerie:SZW, Artikel 8: Oudedagsvoorziening.Wetsartikel:Artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Uitkomsten van MIMOSI voor de pensioenpremies en pensioenuitkeringen. Gegevens van DNB voor pensioenvermogen. Realistaties t/m [t-3].Regeling:Lijfrente premieaftrekBeschrijving:Op grond van de Wet IB 2001 kunnen de voor een lijfrenteproduct betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aftrek worden gebracht, binnen wettelijk bepaalde begrenzingen. Het opgebouwde vermogen valt niet in box 3. De uitkeringen worden belast in box 1. Onder lijfrenteproduct worden voorzieningen begrepen zoals een (tijdelijke) oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente, lijfrenterekeningen, lijfrentebeleggingsrechten en lijfrenten voor meerderjarige invalide kinderen of kleinkinderen. Deze lijfrenteproducten dienen ter compensatie van een pensioentekort. De faciliteiten gelden voor lijfrenteopbouw over inkomen tot de aftoppingsgrens.Doelstelling:Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.Ministerie:SZW, Artikel 8: Oudedagsvoorziening.Wetsartikel:Artikel 3.124, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Gegevens belastingdienst voor premieaftrek en uitkomsten MIMOSI voor ontwikkeling premies en uitkeringen. Vermogens geschat op basis van gegevens DNB voor pensioenvermogen. Realistaties t/m [t-2].Regeling:Lijfrente belaste uitkeringBeschrijving:Op grond van de Wet IB 2001 kunnen de voor een lijfrenteproduct betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aftrek worden gebracht, binnen wettelijk bepaalde begrenzingen. Het opgebouwde vermogen valt niet in box 3. De uitkeringen worden belast in box 1. Onder lijfrenteproduct worden voorzieningen begrepen zoals een (tijdelijke) oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente, lijfrenterekeningen, lijfrentebeleggingsrechten en lijfrenten voor meerderjarige invalide kinderen of kleinkinderen. Deze lijfrenteproducten dienen ter compensatie van een pensioentekort. De faciliteiten gelden voor lijfrenteopbouw over inkomen tot de aftoppingsgrens.Doelstelling:Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.Ministerie:SZW, Artikel 8: Oudedagsvoorziening.Wetsartikel:Artikel 3.124, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Gegevens belastingdienst voor premieaftrek en uitkomsten MIMOSI voor ontwikkeling premies en uitkeringen. Vermogens geschat op basis van gegevens DNB voor pensioenvermogen. Geen realisaties.Regeling:Lijfrente vrijstelling box 3Beschrijving:Op grond van de Wet IB 2001 kunnen de voor een lijfrenteproduct betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aftrek worden gebracht, binnen wettelijk bepaalde begrenzingen. Het opgebouwde vermogen valt niet in box 3. De uitkeringen worden belast in box 1. Onder lijfrenteproduct worden voorzieningen begrepen zoals een (tijdelijke) oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente, lijfrenterekeningen, lijfrentebeleggingsrechten en lijfrenten voor meerderjarige invalide kinderen of kleinkinderen. Deze lijfrenteproducten dienen ter compensatie van een pensioentekort. De faciliteiten gelden voor lijfrenteopbouw over inkomen tot de aftoppingsgrens.Doelstelling:Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.Ministerie:SZW, Artikel 8: Oudedagsvoorziening.94Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Wetsartikel:Artikel 3.124, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Gegevens belastingdienst voor premieaftrek en uitkomsten MIMOSI voor ontwikkeling premies en uitkeringen. Vermogens geschat op basis van gegevens DNB voor pensioenvermogen. Bevat geen realisaties.Regeling:Nettopensioen en nettolijfrenteBeschrijving:Bij deze oudedagsvoorzieningen voor het inkomen boven de aftoppingsgrens is de waarde van de aanspraak vrijgesteld in box 3. Bij het nettopensioen en de nettolijfrente wordt de premie of inleg betaald uit het netto-inkomen of nettovermogen. De uit de aanspraak op een nettopensioen of nettolijfrente voortvloeiende uitkering wordt niet belast in box 1.Doelstelling:Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening voor het inkomen boven de aftoppingsgrens.Ministerie:SZW, Artikel 8: Oudedagsvoorziening.Wetsartikel:Artikel 5.17 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie vrijstelling voor nettopensioen en nettolijfrente, Willis Towers Watson, 2020. Kamerstukken II 2019-2020, 32 043, nr. 547.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Gegevens AFM voor belegd vermogen in 2018, belastingdienst voor vermogensverdeling en vermogensontwikkeling uit MIMOSI. Realistaties t/m [t-6].Regeling:FOR aftrekBeschrijving:De FOR (fiscale oudedagsreserve) is een voorziening die ondernemers die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt (onder voorwaarden) kunnen gebruiken om een deel van de winst opzij te zetten om een oudedagsvoorziening op te bouwen. Uiterlijk bij staking van de onderneming kan deze FOR belastingvrij worden omgezet in een lijfrente. Toevoegingen aan de FOR zijn aftrekbaar bij de bepaling van de belastbare winst. De mogelijkheid om toe te voegen is afgeschaft per 2023. Doelstelling:Het creëren van de mogelijkheid voor ondernemers om een oudedagsvoorziening binnen de onderneming op te bouwen. Als direct lijfrenten worden aangekocht, verlaat de premie de onderneming, ten koste van het ondernemingsvermogen.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:VervallenEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Gegevens Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Realistaties t/m [t-2]. Per 2023 afgeschaft. Raming na realisatiejaren volgt raming bij voorstel afschaffing.Regeling:FOR belaste afnemingBeschrijving:De FOR (fiscale oudedagsreserve) is een voorziening die ondernemers die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt (onder voorwaarden) kunnen gebruiken om een deel van de winst opzij te zetten om een oudedagsvoorziening op te bouwen. Uiterlijk bij staking van de onderneming kan deze FOR belastingvrij worden omgezet in een lijfrente. Toevoegingen aan de FOR zijn aftrekbaar bij de bepaling van de belastbare winst. De mogelijkheid om toe te voegen is afgeschaft per 2023. Doelstelling:Het creëren van de mogelijkheid voor ondernemers om een oudedagsvoorziening binnen de onderneming op te bouwen. Als direct lijfrenten worden aangekocht, verlaat de premie de onderneming, ten koste van het ondernemingsvermogen.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:VervallenEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Gegevens Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Realistaties t/m [t-2]. Per 2023 afgeschaft. Raming na realisatiejaren volgt raming bij voorstel afschaffing.Regeling:Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrekBeschrijving:Op grond van de Wet IB 2001 kunnen de voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aftrek worden gebracht. De uitkeringen worden belast in box 1.Doelstelling:Het faciliteren van de opbouw van een inkomensvoorziening ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval.Ministerie:SZW, Artikel 3: Arbeidsongeschiktheid.Wetsartikel:Artikel 3.124, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Gegevens Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2] voor premieaftrek en loonontwikkeling uit MIMOSI. Realistaties t/m [t-3].Regeling:Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering95Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:Op grond van de Wet IB 2001 kunnen de voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aftrek worden gebracht. De uitkeringen worden belast in box 1.Doelstelling:Het faciliteren van de opbouw van een inkomensvoorziening ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval.Ministerie:SZW, Artikel 3: Arbeidsongeschiktheid.Wetsartikel:Artikel 3.124, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Gegevens Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2] voor premieaftrek en loonontwikkeling uit MIMOSI. Bevat geen realisaties. Raming grondslag volgt ontwikkeling premieaftrek.Regeling:Reisaftrek OVBeschrijving:Onder bepaalde voorwaarden mogen belastingplichtigen een forfaitair bedrag aan reiskosten voor per openbaar vervoer afgelegde woon-werkkilometers aftrekken in de inkomstenbelasting. Het forfait wordt verminderd met de ontvangen reiskostenvergoeding.Doelstelling:Stimuleren van het gebruik van openbaar vervoer voor woon-werkverkeer.Ministerie:IenW, Artikel 16: Openbaar Vervoer en Spoor.Wetsartikel:Artikel 3.80 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie reisaftrek OV, FIN, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 23 645 nr. 818.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Realistaties t/m [t-2].Regeling:Onbelaste reiskostenvergoedingBeschrijving:Een werkgever mag een onbelaste vergoeding van maximaal een bepaald aantal eurocent per kilometer geven voor alle zakelijke kilometers die een werknemer aflegt. Woon-werkkilometers tellen ook als zakelijke kilometers. Voor reizen met het openbaar vervoer mag een werkgever de werkelijke kosten onbelast vergoeden. De onbelaste reiskostenvergoeding is onderdeel van de werkkostenregeling.Doelstelling:Het voorkomen dat de vergoeding die werknemers ontvangen ter compensatie van gemaakte zakelijke kosten als belastbaar loon wordt aangemerkt.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 31a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964Evaluatie:Evaluatie onbelaste reiskostenvergoeding, CE Delft & Significance, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 36 202, nr. 155.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling kinderenBeschrijving:Voor schenkingen van ouders aan kinderen tussen de 18 en 40 jaar geldt een eenmalig verhoogde vrijstelling van schenkbelasting. Voorwaarde is dat het kind niet eerder een verhoogde vrijstelling heeft gebruikt voor een schenking van de ouder. Er is geen bestedingsdoel verbonden aan de vrijstelling. De eenmalig verhoogde vrijstelling kan extra worden verhoogd indien het geschonken bedrag is bestemd voor de betaling van kosten van een studie of opleiding, welke kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk.Doelstelling:Ouders de mogelijkheid geven hun kind financiële ondersteuning te geven, bijvoorbeeld hulp bij de aankoop van een eigen woning, de inrichting van een woning, het opzetten van een eigen praktijk e.d. Oorspronkelijk was de vrijstelling gekoppeld aan het huwelijk van het kind maar door een amendement is dit losgekoppeld omdat de beperking bij huwelijk principieel onjuist werd geacht tegenover hen die niet (kunnen) huwen en ook eenmalige steun kunnen gebruiken.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 33 van de Successiewet 1956Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:De raming is gebaseerd op aangiftegegevens. Het gegeven budgettaire belang is het bedrag dat belastinplichtigen zouden moeten betalen als de vrijstelling niet van toepassing was geweest. Het is dus de fictief verschuldigde schenkbelasting over de schenkingen in dat jaar, gegeven de omvang van de schenkingen. Realistaties t/m [t-2].Regeling:Schenk- en erfbelasting kunstkortingBeschrijving:De regeling zorgt ervoor dat erfbelasting ook met kunst kan worden betaald. De kwijtschelding van de erfbelasting bedraagt maximaal de waarde van het kunstvoorwerp, vermeerderd met 20%. Alleen kunstwerpen die van nationaal cultuurhistorisch of kunsthistorisch belang zijn komen in aanmerking voor de regeling.Doelstelling:Behouden van cultureel belangrijke voorwerpen voor NederlandMinisterie:OCW, Artikel 14: Cultuur.Wetsartikel:Artikel 67, derde lid, van de Successiewet 1956Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.96Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Regeling:MiddelingsregelingBeschrijving:Een belastingplichtige met wisselende jaarinkomens kan op verzoek inkomstenbelasting terugkrijgen door de verschuldigde belasting te herrekenen uitgaande van een gelijkmatige toedeling van het inkomen van drie opeenvolgende kalenderjaren aan die jaren. Teruggaaf wordt alleen verleend voor zover het verschil tussen de geheven belasting over het middelingstijdvak en de herrekende belasting over deze drie jaren meer bedraagt dan het drempelbedrag Als onderdeel van Belastingplan 2023 is de middelingsregeling per 2023 af geschaft. Dit betekent dat 2022-2024 het laatste tijdvak is waarover middeling kan worden toegepast.Doelstelling:Beperken van het progressienadeel bij (sterk) wisselende jaarinkomens.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 10a.28 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie middelingsregeling, FIN, 2018. Kamerstukken II 2018-2019, 32 140, nr. 49.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aanslagen inkomstenbelasting t/m [t-1]. Budgettair belang is op kasbasis. Realistaties t/m [t-2].Regeling:Schenk- en erfbelasting jaarlijkse schenkingsvrijstelling kinderenBeschrijving:Ouders kunnen jaarlijks een vast bedrag aan hun kind schenken zonder daar belasting over te hoeven betalen. Deze vrijstelling geldt ongeacht de leeftijd en de burgerlijke staat van het kind.Doelstelling:Beperken van administratieve lastenMinisterie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 33 van de Successiewet 1956Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.(Eigen) woningRegeling:HypotheekrenteaftrekBeschrijving:Over eigenwoningschuld betaalde rente is aftrekbaar van het inkomen in box 1 (hypotheekrenteaftrek). De afgelopen jaren is een aantal beperkende maatregelen doorgevoerd: sinds 2013 dienen nieuwe leningen in dertig jaar volledig en minimaal annuïtair afgelost te worden om in aanmerking te komen voor renteaftrek en sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd. Vanaf 2020 wordt het maximale aftrektarief versneld afgebouwd met 3%-punt per jaar. Vanaf 2023 is het aftrektarief gelijk aan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting.Doelstelling:Het bevorderen van eigenwoningbezit.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie eigenwoningregeling, SEO en Panteia, 2019. Kamerstukken II 2019-2020, 32 847, nr. 583.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Aftrek financieringskosten eigen woningBeschrijving:Kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld zijn aftrekbaar van het inkomen in box 1. Sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd. Vanaf 2020 wordt het maximale aftrektarief versneld afgebouwd met 3%-punt per jaar. Vanaf 2023 is het aftrektarief gelijk aan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting.Doelstelling:Het bevorderen van eigenwoningbezit.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 3.120, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie eigenwoningregeling, SEO en Panteia, 2019. Kamerstukken II 2019-2020, 32 847, nr. 583.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemmingBeschrijving:Periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming, met betrekking tot de eigen woning zijn aftrekbaar van het inkomen. Sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd. Vanaf 2020 wordt het maximale aftrektarief versneld afgebouwd. Vanaf 2023 is het aftrektarief gelijk aan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting.Doelstelling:Het bevorderen van eigenwoningbezit.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 3.120, eerste lid, onderdeel c, van de Wet Inkomstenbelasting 200197Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Evaluatie:Evaluatie eigenwoningregeling, SEO en Panteia, 2019. Kamerstukken II 2019-2020, 32 847, nr. 583.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woningBeschrijving:Als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning worden voor een periode van vijftien jaar na het tijdstip van vervreemding van een eigen woning mede aangemerkt de renten en kosten van geldleningen voor een restschuld van die vervreemde woning. Van een restschuld is sprake, wanneer bij een vervreemding van een eigen woning in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017 de op deze woning betrekking hebbende schuld tot een negatief vervreemdingssaldo heeft geleid. De aftrek voor rente en kosten en geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning betreft een tijdelijke crisismaatregel die afliep in 2017. De gevallen die al gebruik maakten van de regeling voor 2018 kunnen de aftrek nog maximaal vijftien jaar toepassen. Sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd. Vanaf 2020 wordt het maximale aftrektarief versneld afgebouwd. Vanaf 2023 is het aftrektarief gelijk aan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting.Doelstelling:Tijdelijke crisismaatregel ter bevordering van de doorstroming op de woningmarkt.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 3.120 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuldBeschrijving:Aan eigenwoningbezitters zonder eigenwoningschuld of met een lage eigenwoningschuld wordt een aftrek toegekend ter hoogte van een deel van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten. De regeling wordt vanaf 2019 in een periode van dertig jaar uitgefaseerd.Doelstelling:Bevordering aflossing eigenwoningschuld en lastenverlichting eigenaar-bewoners met geen of een lage eigenwoningschuld.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 3.123a van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie eigenwoningregeling, SEO en Panteia, 2019. Kamerstukken II 2019-2020, 32 847, nr. 583.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woningBeschrijving:Voor schenkingen aan personen tussen de 18 en 40 jaar ten behoeve van de eigen woning geldt een eenmalige vrijstelling van schenkbelasting. De vrijstelling is in 2023 verlaagd en met ingang van 2024 volledig afgeschaft.Doelstelling:Verminderen van de eigenwoningschuld van Nederlandse huishoudens en beperken van het percentage onderwaterhypotheken.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:VervallenEvaluatie:Evaluatie schenkingsvrijstelling eigen woning, SEO, 2021. Kamerstukken II 2020-2021, 35 518 nr. G.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Raming is gebaseerd op aangiftegegevens. Realisaties t/m [t-3]. Het gegeven budgettaire belang is het bedrag dat belastingplichtigen in dat jaar zouden moeten betalen als de vrijstelling niet van toepassing was geweest. Het is dus de fictief verschuldigde schenkbelasting over de schenkingen in dat jaar, gegeven de omvang van de schenkingen.Regeling:EigenwoningforfaitBeschrijving:Huishoudens met een eigen woning dienen een percentage van de WOZ-waarde van hun woning bij het belastbaar inkomen in box 1 op te tellen. Dit percentage is afhankelijk van de hoogte van de WOZ-waarde en wordt jaarlijks vastgesteld. Het eigenwoningforfait staat los van de aftrekbaarheid van rente en kosten voor de eigen woning, die ook in box 1 valt. Deze regeling is de keerzijde van de aftrekbaarheid van rente en kosten voor de eigen woning.Doelstelling:Het doelmatig belasten van het voordeel in natura (het woongenot) van een eigen woning, door een forfaitaire benadering.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 3.112 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie eigenwoningregeling, SEO en Panteia, 2019. Kamerstukken II 2019-2020, 32 847, nr. 583.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste bijtelpost is.Regeling:OVB Verlaagd tarief woning niet-starters98Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:In 2021 is de tariefdifferentiatie in de overdrdachtsbelasting ingevoerd waardoor woningen bestemd voor hoofdbewoning onder een laag tarief vallen en woningen niet bestemd voor hoofdbewoning onder het algemene tarief vallen. Voor niet-starters is het lage overdrachtsbelasting tarief van toepassing. Dit tarief is uitsluitend van toepassing op de verkrijging van woningen.Doelstelling:Structureel bevorderen van de doorstroming op de woningmarkt.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Evaluatie verlaging overdrachtsbelasting 2011-2012, CPB, 2020. Evaluatie verlaging overdrachtsbelasting 2011-2012.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Macro-raming opbrengsten ovb, gegevens van het Kadaster. Realisaties voor 2022 en 2023.Regeling:OVB Vrijstelling woning startersBeschrijving:Eenmalige vrijstelling voor aankoop van een woning onder de woningwaardegrens door een persoon die meerderjarig is en jonger is dan 35 jaar en de woning zelf gaat bewonen.Doelstelling:De positie van starters op de woningmarkt verbeteren ten opzichte van andere kopers.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Macro-raming opbrengsten ovb, gegevens van het Kadaster. Realisaties voor 2022 en 2023.Regeling:OVB Vrijstelling terugkoop VoV woningenBeschrijving:Het terugkopen van een VoV (verkoop onder voorwaarden)-woning van een particulier door een VoV-aanbieder wordt onder specifieke voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting.Doelstelling:Het aantrekkelijk houden voor VoV-aanbieders om, ook na invoering van de wet differentiatie overdrachtsbelasting, VoV-woningen met gunstige voorwaarden te verkopen aan koopstarters.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 15, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers van Stichting Opmaat, raming vanaf 2022.Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogenRegeling:Vermindering verhuurderheffingBeschrijving:Deze regeling is beschikbaar voor belastingplichtigen in het kader van de verhuurderheffing, die onder andere investeren in huurwoningen met een huurprijs onder de liberalisatiegrens. Het bedrag aan heffingsvermindering dat genoemd is in de investeringsverklaring van RVO, wordt van de verhuurderheffing afgetrokken. Het budget is € 698,5 miljoen over de jaren 2014 tot en met 2021. Met ingang van 2019 is een nieuwe heffingsvermindering geïntroduceerd. Het doel hiervan is het stimuleren van de verduurzaming van huurwoningen door verhuurders. Het beschikbare budget voor deze nieuwe heffingsvermindering loopt jaarlijks op met € 26 miljoen tot structureel € 104 miljoen in 2022. Per 2020 is in de verhuurderheffing aanvullend een structurele heffingsvermindering van € 100 miljoen per jaar opgenomen voor nieuwbouw van woningen in regio’s waar de druk op de woningmarkt het grootst is. De verhuurderheffing is per 2023 afgeschaft. Hierdoor vervalt per 2023 ook het recht op heffingsverminderingen.Doelstelling:Stimulering van maatschappelijk gewenste investeringen (zoals sloop, renovatie, transformatie en nieuwbouw van huurwoningen).Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:VervallenEvaluatie:Eindrapport Evaluatie heffingsverminderingen verhuurderheffing (bijlage bij de Rapportage verhuurderheffing 2020 en evaluatie heffingsverminderingen), Ecorys, 2020. Kamerstukken II 2019-2020, 34 652 nr. H.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst t/m [t-1]. Realistaties t/m [t-2].Regeling:KamerverhuurvrijstellingBeschrijving:Indien de inkomsten uit verhuur - anders dan voor korte duur - van woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en onderdeel is van het hoofdverblijf van de verhuurder, niet meer bedragen dan een maximumbedrag per jaar, blijft het verhuurde deel van de eigen woning vallen onder de fiscale behandeling van de eigen woning, in plaats van de forfaitaire vermogensrendementsheffing in box 3. Het maximumhuurbedrag wordt jaarlijks op basis van de huurontwikkeling geïndexeerd.Doelstelling:Vergroten van het particuliere kameraanbod, met name voor studenten.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 3.114 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Rapport evaluatie kamerverhuurvrijstelling, BZK, 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 33 104, nr. 12.99Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Raming zonder recente gegevensbron. Laatst gebruikte bron betreft cijfers VROM uit 2006 over aantal kamers. Kosten geraamd op basis van inschattingen over aantal kamers en van o.a. gemiddelde WOZ-waarde, EWS, rente, en belasting box 3 in het betreffende belastingjaar.Regeling:Heffingvrij vermogen/inkomen box 3Beschrijving:Een algemene vrijstelling in box 3. Bij een rendementsgrondslag groter dan het heffingvrije vermogen, wordt alleen het voordeel uit het meerdere in de heffing betrokken. Het bedrag aan heffingvrij vermogen wordt jaarlijks geïndexeerd en is per 2023 beleidsmatig verhoogd.Doelstelling:Doelmatigheid (vermindering van aantal belastingplichtigen).Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 5.5 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:De raming is gebaseerd op MIMOSI, het microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht. Cijfers worden jaarlijks geüpdatet. Cijfers van [t-3] en verder terug in de tijd worden als realisatie beschouwd.Regeling:Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3Beschrijving:In het overgangsrecht van de Wet IB 2001 zijn vrijstellingen voor bepaalde kapitaalverzekeringen, spaarrekeningen en beleggingsrechten opgenomen. Onder voorwaarden geldt een box 1-vrijstelling voor het voordeel (de uitgekeerde rente of het rendement op de premie/inleg) uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) en beleggingsrecht eigen woning (BEW) waardoor deze niet in box 3 vallen. Per 1 april 2013 is de faciliteit vervallen en voor bestaande contracten ondergebracht in het overgangsrecht. Het kapitaal dan wel de inleg kunnen niet meer worden verhoogd en de looptijd kan niet worden verlengd. Tevens gelden er onder bepaalde voorwaarden vrijstellingen voor andersoortige kapitaalverzekeringen waarvan de inkomsten vrijgesteld waren onder de Wet IB 1964.Doelstelling:Eerbiedigen van bestaande rechten op bepaalde vrijstellingen kapitaalsuitkeringen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 10bis.1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 voor KEW, SEW en BEW. Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 voor de andersoortige kapitaalverzekeringen waarvan de inkomsten vrijgesteld waren onder de Wet IB 1964.Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Extrapoleren van gegevens van DNB (tot en met 2015) en het Verbond van Verzekeraars (tot en met 2016) over levensverzekeringen. Realistaties t/m [t-7].Regeling:Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3Beschrijving:Rechten op prestaties uit levensverzekering in verband met het overlijden van de belastingplichtige worden tot een maximumbedrag vrijgesteld van de rendementsgrondslag. De prestaties kunnen de vorm hebben van een kapitaalsuitkering of een uitkering in natura (het verzorgen van de uitvaart van de verzekeringnemer).Doelstelling:Sociaal beleid (aangezien sprake is van financiering van een begrafenis of crematie) en doelmatigheid (het voorkomen van administratieve lasten voor polissen met een financieel beperkte omvang).Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 5.10, onderdeel a, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatierapport Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkeringen bij overlijden in box 3, FIN, 2005. Kamerstukken II 2005-2006, 30 375, nr. 2.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Extrapoleren van gegevens van DNB over overlijdensverzekeringen t/m [t-6]. Realistaties t/m [t-7]Regeling:Vrijstelling groen beleggen box 3Beschrijving:Op grond van deze regeling is een maximumbedrag aan groene beleggingen vrijgesteld van de rendementsgrondslag van de vermogensrendementsheffing. Beleggers met een fiscale partner hebben gezamenlijk recht op een vrijstelling dubbel dit maximumbedrag. Het bedrag van de vrijstelling wordt jaarlijks geïndexeerd.Doelstelling:Kapitaal van particuliere spaarders en beleggers trekken en deze beschikbaar maken voor de financiering van risicovolle projecten die het milieu- en natuurbeleid ten goede komen en die anders niet zouden worden gerealiseerd.Ministerie:IenW, Artikel 21: Circulaire Economie.Wetsartikel:Artikel 5.13-5.14 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Beleidsevaluatie Regeling groenprojecten 2010-2017: eindrapport, RVO, 2020. Kamerstukken II 2019-2020, 30 196, nr. 709.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Voorspellingen obv cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-3] en jaarcijfers RVO voor ontwikking grondslag groene beleggingen.Regeling:Heffingskorting groen beleggen box 3100Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:De heffingskorting voor groene beleggingen sluit aan op de vrijstelling in box 3 voor groene beleggingen. De korting bedraagt van een percentage van het bedrag dat is vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing.Doelstelling:Kapitaal van particuliere spaarders en beleggers trekken en deze beschikbaar maken voor de financiering van risicovolle projecten die het milieu- en natuurbeleid ten goede komen en die anders niet zouden worden gerealiseerd.Ministerie:IenW, Artikel 21: Circulaire Economie.Wetsartikel:Artikel 8.19 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Beleidsevaluatie Regeling groenprojecten 2010-2017: eindrapport, RVO, 2020. Kamerstukken II 2019-2020, 30 196, nr. 709.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Voorspellingen obv cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-3] en jaarcijfers RVO voor ontwikking grondslag groene beleggingen.Regeling:Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3Beschrijving:Voorwerpen van kunst en wetenschap vallen niet in de rendementsgrondslag van de vermogensrendementsheffing ook indien deze niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt. Voorwerpen van kunst en wetenschap die hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden, vallen niet onder de vrijstelling om een ongerechtvaardigde bevoordeling ten opzichte van andere beleggingen te voorkomen.Doelstelling:Het particuliere kunstbezit en de kunstuitleen van particulieren aan musea in Nederland stimuleren.Ministerie:OCW, Artikel 14: Cultuur.Wetsartikel:Artikel 5.8 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Vrijstelling bos- en natuurterreinen box 3Beschrijving:Deze regeling bewerkstelligt dat voor de forfaitaire rendementsheffing de volgende bezittingen van de grondslag worden uitgezonderd: bossen, bepaalde natuurterreinen en de volgens de Natuurschoonwet als zodanig aangewezen landgoederen. Gebouwde eigendommen vallen niet onder de vrijstelling.Doelstelling:Ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.Ministerie:LVVN, Artikel 22: Natuur, visserij en gebiedsgericht werken.Wetsartikel:Artikel 5.7, eerste lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Fiscale faciliteiten NatuurschoonwetBeschrijving:De Natuurschoonwet 1928 voorziet in fiscale tegemoetkomingen in de schenk- en erfbelasting, overdrachtsbelasting, inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en onroerendzaakbelasting aan eigenaren van onroerende zaken als deze eigenaren hun onroerend goed als landgoed in stand houden en daarmee het natuurschoon bevorderen. Er zijn extra faciliteiten indien het landgoed voor het publiek wordt opengesteld.Doelstelling:Het natuurschoon en cultureel erfgoed behouden door landgoederen als geheel te bewaren en versnippering tegen te gaan. Stimuleren van particulier natuurbeheer en realisatie van nieuwe natuur en bos door particulieren op landbouwgrond. Openstelling van landgoederen voor het publiek.Ministerie:LVVN, Artikel 22: Natuur, visserij en gebiedsgericht werken.Wetsartikel:Artikel 7-9a van de Natuurschoonwet 1928 en o.a. artikel 5.7, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en artikel 220d, eerste lid, onderdeel d van de Gemeentewet.Evaluatie:Beleidsevaluatie van de Natuurschoonwet 1928, Ecorys, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 90.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Aantal gerangschikte landgoederen volgens RVO t/m [t-1]. Geen aangiftecijfers beschikbaar, dus het budgettaire belang wordt voor alle jaren geraamd aan de hand van inschattingen van de Belastingdienst.Regeling:Keuzeregeling partiële buitenlandse belastingplichtBeschrijving:Op grond van deze regeling kunnen werknemers die gebruikmaken van de 30%-regeling ervoor kiezen om voor de heffing in de inkomstenbelasting voor box 2 en box 3 behandeld te worden als buitenlands belastingplichtige, ondanks dat zij in Nederland wonen. Hierdoor worden in het buitenland gerealiseerde inkomsten uit box2 en box3 niet in de heffing betrokken. Via een amendement op BP2024 is de regeling met ingang van 2025 afgeschaft. Er geldt overgangsrecht tot en met 2026 voor degenen die vóór 1 januari 2024 gebruik maakten van de 30%-regeling.Doelstelling:Deze regeling zorgt ervoor dat het Nederlandse fiscale stelsel geen belemmering vormt om in Nederland te komen werken. Dit zal met name aan de orde zijn in de situatie waarin een werknemer over relatief veel vermogen in het buitenland beschikt dan wel vermogensinkomsten in het buitenland heeft.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 2.6 van de Wet Inkomstenbelasting 2001101Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Box 2- en box 3 inkomsten belastingplichtingen, geraamd met nederlandse belastingplichtigen met vergelijkbare looninkomsten. Reeks bevat geen realisaties.Regeling:Koningshuisregeling in inkomstenbelastingBeschrijving:N.v.tDoelstelling:N.v.tMinisterie:BZK, Artikel 1: Openbaar bestuur en democratie.Wetsartikel:Artikel 40 van de GrondwetEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Koningshuisregeling in de schenk- en erfbelastingBeschrijving:De door het koningshuis ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrijgesteld van persoonlijke belastingen.Doelstelling:Voorkomen van belastingheffing op arbeids- en vermogensinkomsten die verband houden met de functie van de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis.Ministerie:BZK, Artikel 1: Openbaar bestuur en democratie.Wetsartikel:Artikel 33, eerste lid, van de Successiewet 1956Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Verlaging lastendruk in de winstsfeerRegeling:ZelfstandigenaftrekBeschrijving:De zelfstandigenaftrek is een aftrek van een vast bedrag in de IB. Ondernemers hebben recht op de zelfstandigenaftrek als zij voldoen aan het urencriterium. Na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd wordt de zelfstandigenaftrek gehalveerd. Vanaf 2020 wordt de zelfstandigenaftrek stapsgewijs verlaagd.Doelstelling:Stimuleren ondernemerschap, steun voor kleine zelfstandigen, het mogelijk maken van investeringen en reserveringen en lastenverlichting voor het MKBMinisterie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.76 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO & Dialogic, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 199.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Realistaties t/m [t-2].Regeling:Extra zelfstandigenaftrek startersBeschrijving:Startende ondernemers in de IB die in één of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer waren en bij wie in die periode niet meer dan tweemaal de zelfstandigenaftrek is toegepast, hebben recht op een extra zelfstandigenaftrek.Doelstelling:Stimuleren ondernemerschap, bevorderen bereidheid lopen startersrisico en stimuleren starten onderneming vanuit arbeidsongeschiktheid.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.76, derde lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO & Dialogic, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 199.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Realistaties t/m [t-2].Regeling:Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheidBeschrijving:De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid in de IB is een faciliteit voor startende ondernemers die een arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen krijgen. Deze ondernemers hoeven niet te voldoen aan het normale urencriterium, maar er geldt wel een verlaagd urencriterium. De aftrekpost bedraagt een vast bedrag voor het eerste jaar en wordt lager de jaren daarna. De aftrek kan niet hoger zijn dan de genoten winst.Doelstelling:Stimuleren van het starten van een onderneming vanuit een uitkering inzake arbeidsongeschiktheid.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei & SZW, Artikel 3: Arbeidsongeschiktheid.102Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Wetsartikel:Artikel 3.78a van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO & Dialogic, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 199.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:MeewerkaftrekBeschrijving:Indien de partner van een ondernemer in de IB meewerkt in diens onderneming zonder hiervoor een vergoeding te ontvangen, heeft de ondernemer die voldoet aan het urencriterium recht op de meewerkaftrek. De aftrek is afhankelijk van het aantal door de partner gewerkte uren in de onderneming.Doelstelling:Fiscaal faciliteren van arbeid in de onderneming van de partner zonder de verplichting tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.78 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO & Dialogic, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 199.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:StakingsaftrekBeschrijving:Bij de staking van een onderneming of een deel ervan is van de behaalde stakingswinst een maximumbedrag vrijgesteld van belastingheffing in de IB. Op de in een kalenderjaar berekende stakingsaftrek wordt de in het verleden genoten stakingsaftrek in mindering gebracht.Doelstelling:De stakingsaftrek beoogt een verzachting van belastingheffing te geven over de stakingswinst. De stakingsaftrek is de voortzetting – zij het op een lager niveau – van de stakingsvrijstelling van de Wet IB 1964.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.79 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO & Dialogic, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 199.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Realistaties t/m [t-2].Regeling:Aftrek speur- en ontwikkelingswerkBeschrijving:Ondernemers in de IB die voldoen aan het urencriterium en in het kalenderjaar ten minste 500 uur hebben besteed aan werk dat bij een zogenoemde S&O-verklaring kwalificeert als speur- en ontwikkelingswerk, hebben recht op een vast bedrag als aftrek. Voor starters wordt deze aftrek onder voorwaarden verhoogd.Doelstelling:Bevorderen van technologische vernieuwingen.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.77 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie WBSO 2011–2017, Dialogic, 2019. Kamerstukken II 2018-2019, 32 637, nr. 358.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Realistaties t/m [t-3].Regeling:Willekeurige afschrijving startersBeschrijving:Startende ondernemers in de IB kunnen op basis van deze regeling willekeurig afschrijven op bedrijfsmiddelen die zijn aangeschaft in een kalenderjaar waarover voor hen de extra zelfstandigenaftrek starters van toepassing was.Doelstelling:Stimuleren ondernemerschap, bevorderen bereidheid lopen startersrisico en bevorderen investeringenMinisterie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.34 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO & Dialogic, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 199.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Raming zonder gegevensbron, de budgettaire kosten zijn gebaseerd op een veronderstelling van het aantal gebruikers en hun investeringen. Realistaties t/m [t-7].Regeling:Willekeurige afschrijving zeeschepenBeschrijving:Deze regeling in de IB en Vpb biedt de mogelijkheid om vervroegd af te schrijven op zeeschepen. De regeling kan uitsluitend worden toegepast indien niet wordt gekozen voor de forfaitaire winstbepaling en bedraagt per jaar een maximumpercentage van de af te schrijven aanschaffings- en voortbrengingskosten.Doelstelling:Versterken van het maritieme cluster, het bevorderen van werkgelegenheid verbonden aan het varen onder Nederlandse vlag en het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie103Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Ministerie:IenW, Artikel 18: Scheepvaart en Havens.Wetsartikel:Artikel 3.34 van de Wet inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie van de fiscale maatregelen in het Nederlandse zeescheepvaartbeleid in de periode 2014 tot en met 2019, Deloitte, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 31 409, nr 357.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Tonnageregeling winst uit zeescheepvaartBeschrijving:Op verzoek van de belastingplichtige wordt, in afwijking van het algemeen systeem van winstbepaling in de IB en Vpb, de winst uit zeescheepvaart op basis van deze regeling forfaitair bepaald. Uitgangspunt hierbij vormt de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald. Als voor een schip voor de tonnageregeling wordt gekozen, geldt dit voor een periode van 10 jaar.Doelstelling:Versterken van het maritieme cluster, het bevorderen van werkgelegenheid verbonden aan het varen onder Nederlandse vlag en het versterken van de Nederlandse concurrentiepositieMinisterie:IenW, Artikel 18: Scheepvaart en Havens.Wetsartikel:Artikel 3.22-3.24 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie van de fiscale maatregelen in het Nederlandse zeescheepvaartbeleid in de periode 2014 tot en met 2019, Deloitte, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 31 409, nr 357.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Tot 2020 raming zonder actuele gegevensbron. Met ingang van 2020: Cijfers Belastingdienst aangifte vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang wordt bepaald door verschil in berekende belasting met en zonder de fiscale regeling.Regeling:Doorschuiving stakingswinstBeschrijving:Op verzoek is onder voorwaarden doorschuiving van stakingswinst zonder inkomstenbelastingheffing mogelijk in het kader van overdracht van (een deel van) de onderneming. Hiervan is sprake in geval van overlijden, echtscheiding, overdracht van de onderneming aan alle medeondernemers die gedurende drie jaar een gezamenlijke onderneming drijven, of in geval van inbreng van de onderneming in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap. De belastingplichtige voor wiens rekening de onderneming zal worden voortgezet, is verplicht de oude boekwaarden van de overgedragen vermogensbestanddelen over te nemen.Doelstelling:Ondersteunen van de continuïteit van de onderneming, in het kader van liquiditeitsproblemen die kunnen ontstaan als gevolg van de fiscale claim die rust op een bedrijfsoverdracht.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.98 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, CPB, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 35 925 IX, nr 30.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Raming zonder gegevensbron, gebaseerd op rekenveronderstellingen.Regeling:Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2Beschrijving:Onder voorwaarden wordt (op verzoek) een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht, erfrecht of schenking, van een aanmerkelijk belang niet als vervreemding aangemerkt. De verkrijgingprijs van de aandelen van de overdrager wordt dan doorgeschoven naar de overnemer.Doelstelling:Het waarborgen van de continuïteit van de onderneming, doordat op het moment van overgang niet hoeft te worden afgerekend over het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de verkrijgingsprijs van de aandelen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 3.98 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, CPB, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 35 925 IX, nr 30.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Raming zonder gegevensbron, gebaseerd op rekenveronderstellingen.Regeling:Schenk- en erfbelasting BedrijfsopvolgingsfaciliteitBeschrijving:Voor een geërfde of geschonken onderneming geldt, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting respectievelijk schenkbelasting voor het ondernemingsvermogen. Indien de geërfde of geschonken onderneming voor een periode van vast aantal jaar wordt voortgezet, wordt de voorwaardelijke vrijstelling definitief. De vrijstelling bedraagt een vast percentage van de going-concernwaarde van de onderneming tot een maximumbedrag. Voor het meerdere geldt een vrijstelling van een lager percentage.Doelstelling:Voorkomen dat belastingheffing bij overdracht de continuïteit van bedrijven in gevaar brengt.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 35b van de Successiewet 1956Evaluatie:Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, CPB, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 35 925 IX, nr 30.Horizonbepaling:N.v.t.104Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Ramingsgrond:Realistaties t/m [t-4]. De raming is gebaseerd op aangiftegegevens. Het gegeven budgettaire belang is het bedrag dat belastinplichtigen zouden moeten betalen als de (gedeeltelijke) vrijstelling niet van toepassing was geweest, verminderd met de verschuldigde belasting onder de (gedeeltelijke) vrijstelling.Regeling:Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’sBeschrijving:ANBI’s zijn per 2006 geheel vrijgesteld van schenk- en erfbelasting. Voor sociaal belang behartigende instellingen (SBBI’s) is de vrijstelling ingegaan per 2010.Doelstelling:Bevorderen van schenken en nalaten aan ANBI’s en SBBI’s.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 32 van de Successiewet 1956Evaluatie:Evaluatie van de praktijk rondom ANBI’s en SBBI’s, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34552 nr. N.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Raming gebaseerd op diverse bronnen: cijfers Belastingdienst over giftenaftrek en cijfers uit de studie Geven in Nederland (gebaseerd op jaarverslagen goede doelen). Het gegeven budgettaire belang is het bedrag dat belastinplichtigen zouden moeten betalen als de vrijstelling niet van toepassing was geweest. Realisaties t/m 2005.Regeling:Aftrek kenbaar fondswervende activiteiten ANBI'sBeschrijving:ANBI's en fondswervers komen onder voorwaarden in aanmerking voor aftrek voor kenbaar fondswervende activiteiten. Een ANBI mag de winst die behaald is met kenbaar fondswervende activiteiten aftrekken van de totale winst.Doelstelling:Stimulering van fondswerving voor en door goededoelenorganisaties.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 9a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Aftrek fictieve personeelskosten ANBI'sBeschrijving:Een ANBI of een organisatie die een sociaal belang behartigt (SBBI) komt in aanmerking voor aftrek van fictieve personeelskosten. Fictieve personeelskosten zijn fictieve kosten voor arbeid door vrijwilligers . Deze kosten zijn aftrekbaar op basis van het minimumloon.Doelstelling:Ter bevordering van het maatschappelijke belang van vrijwilligers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 9a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Vrijstelling vpb voor stichtingen en vereningen met lage winstBeschrijving:Stichtingen en verenigingen die een onderneming drijven zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting als hun fiscale winst niet meer bedraagt dan een maximumbedrag. Dit betekent dat stichtingen en verenigingen die met kleinschalige commerciële activiteiten de markt betreden zijn vrijgesteld.Doelstelling:Doelmatigheid van belastingheffing / beperken administratieve lasten.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Faciliteit geven uit vennootschapBeschrijving:Giften aan onder andere ANBI's zijn aftrekbaar. De totale aftrek in de Vpb bedraagt een percentage van de winst tot een maximumbedrag. Als de giften aftrekbaar zijn voor de Vpb worden zij tevens niet gezien als uitdeling in box 2. Er geldt een multiplier voor giften aan culturele ANBI’s.Doelstelling:Bevorderen van schenkingen aan bepaalde instellingen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 16 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en Artikel 4.13, vierde lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie giftenaftrek 2016-2021, SEO, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 36 410-IX nr. 42.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Gegevens Belastingdienst aangifte vennootschapsbelasting t/m [t-3]. Realistaties t/m [t-4]. Daarna ontwikkeling grondslag volgens bbp en raming uitbreiding geven uit vennootschap in Belastingplan 2024.105Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Regeling:Mkb-winstvrijstellingBeschrijving:De mkb-winstvrijstelling is een vrijstelling van een deel van de winst voor ondernemers in de IB. De mkb-winstvrijstelling is een percentage van de winst nadat de winst is verminderd met de ondernemersaftrek.Doelstelling:Stimuleren ondernemerschap en gelijktrekken effectieve belastingdruk bij IB-ondernemers met bv/DGA'sMinisterie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.79a van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO & Dialogic, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 199.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Realistaties t/m [t-2].Regeling:TerbeschikkingstellingsvrijstellingBeschrijving:De terbeschikkingstellingsvrijstelling bedraagt een vast percentage van het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit terbeschikkingstellingswerkzaamheden, te weten het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een verbonden onderneming, werkzaamheid of vennootschap.Doelstelling:Het voorkomen van arbitrage tussen de verschillende boxen en een beter evenwicht in fiscale behandeling tussen enerzijds ondernemers en anderzijds houders van een aanmerkelijk belang.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.99b van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO & Dialogic, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 199.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m [t-2]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Realistaties t/m [t-2].Regeling:Laag vpb-tariefBeschrijving:Voor winsten tot een vast maximumbedrag geldt een verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting.Doelstelling:Lager belasten van fiscale winsten tot en met een maximumbedrag.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 22 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969Evaluatie:Gepland 2024Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte vennootschapsbelasting t/m [t-3]. CPB-raming (KMEV) basis voor ramingen.Regeling:InnovatieboxBeschrijving:Op verzoek en onder voorwaarden worden winsten uit zelf-ontwikkelde immateriële activa belast in de vennootschapsbelasting. Het tarief in de innovatiebox is tussen 2017 en 2021 in twee stappen verhoogd van 5% naar 9%. Bij toerekening van winsten aan een immaterieel activum kan gekozen worden voor een forfaitaire regeling voor maximaal 3 jaar. Hierbij wordt van een belastingplichtige met een zelf-ontwikkeld immaterieel activum van een vast percentage van de winst aangemerkt als winsten uit immateriële activa met een maximumbedrag.Doelstelling:Primair het bevorderen van het vestigingsklimaat voor innovatieve ondernemingen in Nederland en secundair het stimuleren, aantrekken en behouden van speur- en ontwikkelingswerk.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 12b-12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969Evaluatie:Evaluatie van de Innovatiebox 2010-2019, Dialogic & SEO, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 36 418 nr. 127.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte vennootschapsbelasting t/m [t-3].Regeling:Liquidatie- en stakingsverliesregelingBeschrijving:Onder toepassing van de deelnemingsvrijstelling zijn winsten en verliezen die een belastingplichtige behaalt door middel van een deelneming vrijgesteld in de vennootschapsbelasting. De liquidatieverliesregeling vormt een uitzondering hierop op grond waarvan het verlies op een deelneming – onder voorwaarden – toch in aftrek kan worden gebracht als de deelneming wordt ontbonden.Doelstelling:Het kunnen verrekenen van verliezen van deelnemingen en op deze wijze bevorderen vestigingsklimaat.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 13d van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Bedragen tot en met 2022 gebaseerd op voorlopige realisaties. Het bedrag van 2023 is gebaseerd op het gemiddelde van 2021 en 2022 vanwege de overgangstermijn in de Wet aanpassing liquidatieverliesregeling. De bedragen van 2024 en 2025 zijn gebaseerd op het verwachte gebruik na volledige inwerkingtreding van het wetsvoorstel.106Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Regeling:HerinvesteringsreserveBeschrijving:De boekwinst bij vervreemding van een bedrijfsmiddel kan onder voorwaarden worden gereserveerd door middel van de herinvesteringsreserve (HIR). De betreffende boekwinst wordt daardoor niet meteen belast. Om gebruik te maken van de HIR dient de boekwinst te worden aangewend voor een vervangend bedrijfsmiddel binnen 3 jaar na het jaar van vervreemding. Bij aanschaf van het vervangend bedrijfsmiddel wordt de HIR vervolgens in mindering gebracht op de aanschafprijs, hetgeen toekomstige afschrijvingen op het nieuwe bedrijfsmiddel beperkt. Wanneer (een deel van) de HIR niet tijdig wordt aangewend voor een vervangend bedrijfsmiddel, wordt deze (of het restant van de HIR) opgeteld bij de winst.Doelstelling:Voorkomen dat belastingheffing bij realisatie van boekwinst op investeringen de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar brengt.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 3.54 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting t/m [t-3]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.Regeling:Verhuisvergoeding ondernemerBeschrijving:Bij verhuizing in het kader van een onderneming mag de ondernemer de kosten voor het overbrengen van de inboedel vermeerderd met een vast bedrag in aftrek brengen. Dit bedrag betreft kosten van herinrichting, stoffering en overigeverhuiskosten. Het voorkomt discussie over de zakelijkheid van verhuis- en inrichtingskosten en stimuleert arbeidsmobiliteit. Daarnaast zit er een verhuiskostenvergoeding in de WKR voor hetzelfde bedrag.Doelstelling:Nader te onderzoekenMinisterie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 3.17 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Uitstelfaciliteiten bij verkoop in kader aandelenfusie, juridische splitsing, juridische fusieBeschrijving:In de wetgeving zijn diverse faciliteiten opgenomen om zonder belastingheffing te kunnen herstructureren in het kader van een aandelenfusie, bedrijfsfusie, juridische fusie en juridische splitsing. Deze faciliteiten bestaan in de inkomstenbelasting (IB-winst en box 2), vennootschapsbelasting en overdrachtsbelasting. De faciliteiten zijn gebaseerd op de Europese Fusierichtlijn.Doelstelling:Voorkomen fiscale belemmeringen bij aandelenfusie, bedrijfsfusie, juridische splitsing of juridische fusie (in overeenstemming met de Europese Fusierichtlijn)Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 3.55-3.57 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:KleinschaligheidsinvesteringsaftrekBeschrijving:De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek vormt, als onderdeel van de investeringsaftrek in de IB en Vpb, een extra aftrek over een gedeelte van het investeringsvolume. De hoogte van de aftrek is afhankelijk van de hoogte van de investering.Doelstelling:Bevorderen van investeringen van relatief geringe omvang, die in het algemeen gedaan zullen worden in het midden- en kleinbedrijf.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.41 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting t/m [t-3]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Realistaties t/m [t-4]. Geraamde endogene groei vanaf 2021 is gelijk aan groei investeringen overige vaste activa volgens de CEP 2023 raming van het CPB.Regeling:Energie-investeringsaftrek (EIA)Beschrijving:De EIA vormt, als onderdeel van de investeringsaftrek in de IB en Vpb, een extra aftrek op de fiscale winst verleend voor door de Minister van EZK aangewezen investeringen in nieuwe energiebesparende bedrijfsmiddelen en maatregelen. De EIA is een gebudgetteerde regeling met een systematiek van meerjarige budgetegalisatie.Doelstelling:Stimuleren van investeringen ten behoeve van een doelmatig energiegebruik.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 3.42 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport evaluatie EIA 2017-2021, SEO & CE Delft, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 36 202, nr. 158.107Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Horizonbepaling:Ja, tot 2029.Ramingsgrond:Investeringsbedragen volgens RVO t/m [t-2] en rekenveronderstellingen. Realisties t/m [t-1] daarna budget. Het budget wordt door de politiek vastgesteld, de raming wordt hierop afgestemd.Regeling:Milieu-investeringsaftrek (MIA)Beschrijving:De MIA vormt, als onderdeel van de investeringsaftrek in de IB en Vpb, een extra aftrek op de fiscale winst voor milieu-investeringen die bij ministeriële regeling worden aangewezen. Er zijn drie verschillende categorieën op de Milieulijst, waarbij drie verschillende percentages van het investeringsbedrag in mindering kan worden gebracht op de winst. De MIA is een gebudgetteerde regeling met een systematiek van meerjarige budgetegalisatie.Doelstelling:Stimulering investeringen in innovatieve milieuvriendelijke bedrijfsmiddelenMinisterie:IenW, Artikel 21: Circulaire Economie.Wetsartikel:Artikel 3.42a van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie MIA/Vamil 2017-2021, Witteveen + Bos & CE Delft & KplusV, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 36 202 nr. 159.Horizonbepaling:Ja, tot 2029.Ramingsgrond:Investeringsbedragen volgens RVO t/m [t-2] en rekenveronderstellingen. Realisties t/m [t-1] daarna budget. Het budget wordt door de politiek vastgesteld, de raming wordt hierop afgestemd.Regeling:VAMILBeschrijving:Op basis van de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) mag willekeurig worden afgeschreven op door de Minister van IenW aangewezen milieu-investeringen (Milieulijst) tot een vast percentage van de aanschaf- of voortbrengingskosten. Deze regeling in de IB en Vpb leidt voor de belastingplichtige tot een liquiditeits- en rentevoordeel. De VAMIL is een gebudgetteerde regeling met een systematiek van meerjarige budgetegalisatie.Doelstelling:Stimulering investeringen in innovatieve milieuvriendelijke bedrijfsmiddelenMinisterie:IenW, Artikel 21: Circulaire Economie.Wetsartikel:Artikel 3.31 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie MIA/Vamil 2017-2021, Witteveen + Bos & CE Delft & KplusV, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 36 202 nr. 159.Horizonbepaling:Ja, tot 2029.Ramingsgrond:Investeringsbedragen volgens RVO t/m [t-2] en rekenveronderstellingen. Realisties t/m [t-1] daarna budget. Het budget wordt door de politiek vastgesteld, de raming wordt hierop afgestemd.Regeling:Landbouwvrijstelling in de winstsfeerBeschrijving:Op grond van deze regeling worden voordelen uit een landbouwbedrijf die verband houden met de waardeverandering van de grond, niet tot de fiscale winst (IB en Vpb) gerekend. De regeling is niet van toepassing als de waardeverandering optreedt in het kader van de bedrijfsuitoefening. Een waardestijging van de grond die de gebruikelijke waarde binnen een landbouwbedrijf te boven gaat is belast.Doelstelling:Twee typen eigenaren van landbouwgrond (eigenaar die de grond zelf bewerkt en de eigenaar die de grond verpacht) fiscaal gelijk behandelen.Ministerie:LVVN, Artikel 21: Land- en tuinbouw.Wetsartikel:Artikel 3.12 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie landbouwvrijstelling, SEO, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 36 418 nr. 137.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting t/m [t-3]]. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Realistaties t/m [t-4].Regeling:Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheerBeschrijving:Deze regeling in de IB en Vpb voorziet in een (gedeeltelijke) vrijstelling voor aangewezen subsidieregelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur (SVNL en SKNL).Doelstelling:Ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.Ministerie:LVVN, Artikel 22: Natuur, visserij en gebiedsgericht werken.Wetsartikel:Artikel 3.13 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Subsidiebedragen provincies SVNL en SKNL tot en met [t-1]. Cijfer [t] en [t+1] is het budget van de regelingen.Regeling:BosbouwvrijstellingBeschrijving:Deze regeling in de IB en Vpb houdt in dat voor- en nadelen uit bosbouwbedrijf niet tot de winst worden gerekend. Het staat de belastingplichtige vrij te opteren voor het buiten toepassing laten van de vrijstelling. Toepassing van de facultatieve regeling blijft, indien gebruik wordt gemaakt van de optie, gelden voor een periode van ten minste 10 jaar.Doelstelling:Ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.Ministerie:LVVN, Artikel 22: Natuur, visserij en gebiedsgericht werken.108Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Wetsartikel:Artikel 3.11 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Dividendbelasting dooruitdelingskorting DBBeschrijving:Vennootschappen die aanspraak maken op de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting kunnen ten hoogste 3% van de buitenlandse ingehouden bronbelasting, indien deze minstens 5% bedraagt en niet verrekend kan worden in de vennootschapsbelasting, in mindering brengen op de dividendbelasting bij dooruitdeling. De regeling geldt voor situaties waarbij een belang van ten minste 25% wordt gehouden in een dochtermaatschappij die is gevestigd in een verdragsland of op Aruba, Curaçao, Sint Maarten of op de BES-eilanden.Doelstelling:Met de regeling wordt bereikt dat de belastingdruk op deelnemingsdividenden die onder inhouding van bronbelasting worden ontvangen uit verdragslanden wordt verzacht bij dooruitdeling van deze dividenden.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 11 van de Wet op de dividendbelasting 1965Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Raming is gebaseerd op aangiftegegevens van de belastingdient. Hierbij is de gemiddelde dooruitdeling over de afgelopen 10 jaar genomen als ramingsgrondRegeling:Dividendbelasting vrijstelling inkoop van eigen aandelenBeschrijving:De inkoop van eigen aandelen is belast als een opbrengst voor de dividendbelasting, tenzij deze gehouden worden ter tijdelijke belegging. Onder strikte voorwaarden is de inkoop van eigen aandelen door een beursfonds vrijgesteld van dividendbelasting.Doelstelling:Voorkomen dat de dividendbelasting drukt op de inhoudingsplichtige en versteviging van de Nederlandse concurrentiepositie.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 4c van de Wet op de dividendbelasting 1965Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Dividendbelasting overigeBeschrijving:De dividend belasting kent naast de dooruitdelingsfaciliteit en de inkoopfaciliteit ook nog een aantal fiscale regelingen die beogen om bijvoorbeeld administratieve lasten te verminderen of die grotendeels volgen uit EU-richtlijnen zoals in de inhoudingsvrijstelling.Doelstelling:Onder andere het gelijk speelveld bevorderen en het voorkomen van administratieve lasten en uitvoeringskostenMinisterie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Diverse artikelenEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.LoonbelastingRegeling:Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSOBeschrijving:De afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) is van toepassing op werknemers die direct betrokken zijn bij speur- en ontwikkelingswerk. De afdrachtvermindering bedraagt een vast percentage van het S&O-loon van die werknemers (met een hoger percentage voor starters). Als het S&O-loon meer bedraagt dan een maximumbedrag , is het percentage verlaagd. De WBSO is een gebudgetteerde regeling. Eventuele overschrijdingen of onderuitputtingen van het budget uit [t-1] worden ten laste/bate van het budget in [t+1] gebracht. Vanaf 2016 is het budget van de RDA geïntegreerd in de WBSO.Doelstelling:Bevordering van speur- en ontwikkelingswerk in het bedrijfsleven en het vestigingsklimaat voor S&O-bedrijvigheid verbeterenMinisterie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 3.77 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Evaluatie WBSO 2011–2017, Dialogic, 2019. Kamerstukken II 2018-2019, 32 637, nr. 358.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst uit loonbelastingaangiften over gebruik WBSO t/m [t-2]. Realisaties t/m [t-1], daarna budget.Regeling:Afdrachtvermindering zeevaart109Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:Deze vermindering mag worden toegepast ter zake van het loon van zeevarenden die werken op een Nederlands schip. De vermindering bedraagt een vast percentage van het loon voor zeevarenden die in Nederland of in een ander EU- of EER-land wonen. Voor overige zeevarenden die onderworpen zijn aan de loonbelasting of premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen is er een lager percentage vastgesteld.Doelstelling:Zeevaartsector in staat stellen te concurreren op de internationale markt en zeevaartbedrijven aan ons land binden.Ministerie:IenW, Artikel 18: Scheepvaart en Havens.Wetsartikel:Artikel 17-20 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringenEvaluatie:Evaluatie van de fiscale maatregelen in het Nederlandse zeescheepvaartbeleid in de periode 2014 tot en met 2019, Deloitte, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 31 409, nr 357.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst aangifte loonbelasting t/m [t-1]. Realistaties t/m [t-1], daarna inschatting obv ontwikkeling kosten in de afgelopen jaren.Regeling:WerkkostenregelingBeschrijving:Met de werkkostenregeling kunnen werkgevers binnen bepaalde grenzen zelf bepalen wat zij onbelast aan werknemers vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen. Daarvoor staat hen de zogenoemde vrije ruimte ter beschikking De vrije ruimte is vast percentage van de fiscale loonsom tot een maximumbedrag. Boven dit bedrag is er een verlaagd percentage. Als de vrije ruimte wordt overschreden betaalt de werkgever eindheffing over het meerdere. Sommige zaken die aan werknemers worden toegekend worden aangemerkt als een gerichte vrijstelling; die kunnen ook onbelast worden toegekend, maar tellen niet mee in de vrije ruimte. Sommige voorzieningen die met het werk of de werkplek te maken hebben worden gewaardeerd op nihil en zijn daarmee ook onbelast.Doelstelling:De doelstelling van de werkkostenregeling was te komen tot een administratieve lastenverlichting voor werkgever met betrekking tot kostenvergoedingen en loon in natura en irritaties bij werkgevers rondom het detailgehalte van het voorgaande systeem van vrije vergoedingen en verstrekkingen weg te nemen. De wetgever trachtte deze doelstellingen onder meer te bereiken door: 1) Uit te gaan van een sterk forfaitair karakter van de regeling; 2) Slechts een beperkt aantal gerichte vrijstellingen op te nemen; 3)Vergoedingen en verstrekkingen die binnen de vrije ruimte vallen hoeven niet meer op werknemersniveau geadministreerd te worden.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:30%-regelingBeschrijving:De werkgever mag aan ingekomen en uitgezonden werknemers onder voorwaarden een forfaitaire onbelaste vergoeding geven van maximaal 30% van het loon inclusief die vergoeding. Deze forfaitaire vergoeding komt in de plaats van de mogelijkheid om de werkelijke extraterritoriale kosten onbelast te vergoeden. Naast deze forfaitaire vergoeding kan de werkgever aan deze werknemers ook de schoolgelden voor internationale scholen onbelast vergoeden of verstrekken. Vanaf 2019 is de maximale looptijd van de 30%-regeling ingekort tot vijf jaar. Voor werknemers die vóór 1 januari 2019 gebruik maakten van de 30%-regeling geldt overgangsrecht tot 1 januari 2021. Vanaf 2024 is de grondslag waarover de 30%-regeling wordt toegepast gemaximeerd op de WNT-norm. Voor degenen die vóór 1 januari 2023 gebruik maakten van de 30%-regeling is er overgangsrecht tot 1 januari 2026.Doelstelling:De 30%-regeling dient ter compensatie van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking van ingekomen en uitgezonden werknemers. De regeling heeft als doel: 1) het aantrekken van werknemers uit het buitenland met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; 2) een bijdrage leveren aan het aantrekkelijk en competitief houden van het Nederlandse vestigingsklimaat; en 3) verminderen van administratieve lasten voor werkgevers en werknemers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 10ea-10ej van de Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965Evaluatie:Evaluatie 30%-regeling, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 84.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst t/m [t-1]. De opbrengst bij afschaffing van de regeling is lager dan het vermelde budgettair belang, aangezien zonder de regeling de werkelijke kosten belastingvrij vergoed kunnen worden. Realistaties t/m [t-1].Regeling:30% regeling: voor uitgezonden werknemersBeschrijving:De werkgever mag aan uitgezonden werknemers onder voorwaarden een forfaitaire onbelaste vergoeding geven van maximaal 30% van het loon inclusief die vergoeding. Deze forfaitaire vergoeding komt in de plaats van de mogelijkheid om de werkelijke extraterritoriale kosten onbelast te vergoeden. Naast deze forfaitaire vergoeding kan de werkgever aan deze werknemers ook de schoolgelden voor internationale scholen onbelast vergoeden of verstrekken. Vanaf 2019 is de maximale looptijd van de 30%-regeling ingekort tot vijf jaar. Voor werknemers die vóór 1 januari 2019 gebruik maakten van de 30%-regeling geldt overgangsrecht tot 1 januari 2021. Vanaf 2024 is de grondslag waarover de 30%-regeling wordt toegepast gemaximeerd op de WNT-norm. Voor degenen die vóór 1 januari 2023 gebruik maakten van de 30%-regeling is er overgangsrecht tot 1 januari 2026.Doelstelling:De 30%-regeling dient ter compensatie van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking van uitgezonden werknemers. De regeling heeft als doel: 1) het aantrekken van werknemers uit het buitenland met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is; 2) een bijdrage leveren aan het aantrekkelijk en competitief houden van het Nederlandse vestigingsklimaat; en 3) verminderen van administratieve lasten voor werkgevers en werknemers.110Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 10e van de Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Vergoeding voor extraterritoriale kostenBeschrijving:De werkgever mag aan ingekomen werknemers werkelijke extraterritoriale kosten onbelast vergoeden.Doelstelling:De regeling dient ter compensatie van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking van ingekomen werknemers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverbandBeschrijving:De werkgever mag onder voorwaarden maximaal een maandsalaris belastingvrij uitkeren na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en opnieuw na een diensttijd van ten minste 40 jaar.Doelstelling:Sociaal beleid (uitkering bij jubilea buiten de heffing te laten).Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de Wet op de loonbelasting 1964Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Raming zonder gegevensbron, gebaseerd op rekenveronderstellingen en CBS-tabellen over banen, leeftijdsklassen en anciënniteit.Regeling:Fiscale regeling aandelenoptierechtenBeschrijving:Wanneer een werknemer loon krijgt in de vorm van aandelenoptierechten vindt heffing in beginsel plaats op het moment waarop de werknemer de aandelenoptie kan verhandelen of als de aandelenoptie wordt vervreemd. De werknemer kan er echter op het moment van uitoefening van de aandelenopties ook voor kiezen om het heffingsmoment te verplaatsen naar het moment dat de aandelenoptie uitgeoefend wordt. De werknemer kan gebruik maken van deze keuzeregeling als de aandelenopties nog niet verhandelbaar zijn op het moment van uitoefening.Doelstelling:De doelstelling is om het verstrekken van aandelenoptierechten als beloning aantrekkelijker te maken. Door op een later moment te heffen is het meer aannemelijk dat er voldoende liquide middelen aanwezig zijn om de verschuldigde belastingen te voldoen.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:VrijwilligersregelingBeschrijving:De vrijwilligersregeling is bedoeld voor onverplicht en onbetaald werk voor organisaties met een maatschappelijk nut. Met deze regeling wordt voorzien in een ruimhartige forfaitaire kostenvergoedingsregeling op basis waarvan er tot een jaarlijks te indexeren maximumbedrag per jaar en per maand sprake is van een kostenvergoeding en niet van loon en derhalve niet wordt belast.Doelstelling:Het beperken van de administratieve lasten van vrijwilligersorganisaties en vrijwilligers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.HeffingskortingenRegeling:Algemene heffingskortingBeschrijving:De algemene heffingskorting is een heffingskorting op de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen. Iedereen heeft recht op de korting, maar de hoogte is inkomensafhankelijk. Vanaf 2025 wordt deze korting afgebouwd met het verzamelinkomen, daarvoor was dat met het inkomen uit werk en woning. Boven een bepaald verzamelinkomen bedraagt de korting nul.Doelstelling:Gerichte inkomensondersteuning.111Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 8.10 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport Evaluatie heffingskortingen en tariefstructuur, Centerdata, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 185.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:De raming is gebaseerd op MIMOSI, het microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht. Cijfers worden jaarlijks geüpdatet. Cijfers van [t-3] en verder terug in de tijd worden als realisatie beschouwd.Regeling:ArbeidskortingBeschrijving:De arbeidskorting is een heffingskorting op de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen voor werkenden. De hoogte van de korting hangt af van de hoogte van het arbeidsinkomen. De korting bedraagt nul vanaf een specifiek arbeidsinkomen.Doelstelling:Stimuleren van arbeidsparticipatie, stimuleren van gewerkte uren en gerichte inkomensondersteuning voor werkenden.Ministerie:SZW, Artikel 1: Arbeidsmarkt.Wetsartikel:Artikel 8.11 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport Evaluatie heffingskortingen en tariefstructuur, Centerdata, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 185.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:De raming is gebaseerd op MIMOSI, het microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht. Cijfers worden jaarlijks geüpdatet. Cijfers van [t-3] en verder terug in de tijd worden als realisatie beschouwd.Regeling:Inkomensafhankelijke combinatiekortingBeschrijving:De inkomensafhankelijke combinatiekorting is een heffingskorting voor ouders met een arbeidsinkomen boven een bepaalde drempel. Boven de drempel bouwt de korting op met het arbeidsinkomen, tot een bepaald maximum. Een ouder komt in aanmerking als deze een werkende alleenstaande is of de minstverdienende van twee werkende partners, en als deze in het belastingjaar ten minste zes maanden een kind dat aan het begin van het belastingjaar jonger dan 12 jaar oud was, op zijn woonadres heeft staan ingeschreven.Doelstelling:Stimuleren van arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen en stimuleren om meer uren te werken.Ministerie:SZW, Artikel 1: Arbeidsmarkt.Wetsartikel:Artikel 8.14a van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport Evaluatie heffingskortingen en tariefstructuur, Centerdata, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 185.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:De raming is gebaseerd op MIMOSI, het microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht. Cijfers worden jaarlijks geüpdatet. Cijfers van [t-3] en verder terug in de tijd worden als realisatie beschouwd.Regeling:JonggehandicaptenkortingBeschrijving:De jonggehandicaptenkorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen die recht hebben op een uitkering volgens de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong-uitkering) of op ondersteuning bij het vinden van werk volgens de wet Wajong. De korting vervalt als de belastingplichtige ouderenkorting krijgt.Doelstelling:Inkomensondersteuning jonggehandicapten.Ministerie:SZW, Artikel 4: Jonggehandicapten.Wetsartikel:Artikel 8.16a van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport Evaluatie heffingskortingen en tariefstructuur, Centerdata, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 185.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:De raming is gebaseerd op MIMOSI, aangevuld met CBS-data van Statline. MIMOSI wordt gebruikt voor het gemiddelde verzilverde bedrag per individu, het aantal met recht op deze korting volgt uit de CBS-data.Regeling:OuderenkortingBeschrijving:De ouderenkorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen die op 31 december van het belastingjaar de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De korting bedraag een vast bedrag voor verzamelinkomens tot een maximumbedrag en wordt voor verzamelinkomens daarboven afgebouwd tot € 0.Doelstelling:Inkomensondersteuning ouderen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 8.17 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport Evaluatie heffingskortingen en tariefstructuur, Centerdata, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 185.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:De raming is gebaseerd op MIMOSI, het microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht. Cijfers worden jaarlijks geüpdatet. Cijfers van [t-3] en verder terug in de tijd worden als realisatie beschouwd.Regeling:Alleenstaande ouderenkortingBeschrijving:De alleenstaande ouderenkorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen die een AOW-uitkering voor een alleenstaande ontvangen, of die een AOW-uitkering voor een alleenstaande zouden ontvangen als ze minimaal één jaar verzekerd zouden zijn geweest voor de AOW.112Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Doelstelling:Inkomensondersteuning alleenstaande ouderen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 8.18 van de Wet Inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Eindrapport Evaluatie heffingskortingen en tariefstructuur, Centerdata, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 32 140 nr. 185.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:De raming is gebaseerd op MIMOSI, het microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht. Cijfers worden jaarlijks geüpdatet. Cijfers van [t-3] en verder terug in de tijd worden als realisatie beschouwd.Belastingen op milieugrondslagRegeling:EB Verlaagd tarief glastuinbouwBeschrijving:Voor verbruik van aardgas in de glastuinbouw geldt in de eerste twee schijven een verlaagd tarief in de energiebelasting.Doelstelling:Het voorkomen van een onbedoelde lastenverzwaring voor de relatief kleinschalige energie-intensieve glastuinbouwsector bij de invoering van de energiebelasting, zoals deze met de degressieve tariefstructuur werd bereikt voor de andere energie-intensieve sectoren.Ministerie:LVVN, Artikel 21: Land- en tuinbouw.Wetsartikel:Artikel 60 van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:Evaluatie van de energiebelasting. Terugkijken (1996-2019) en vooruitzien (2020-2030), CE Delft, 2021. Kamerstukken II 2020-2021, 31 239, nr. 330.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst t/m [t-2]. Realistaties t/m [t-2]. Raming op basis van KEV22 prognose + aanvullend beleid t/m Belastingplan 2025.Regeling:EB SalderingsregelingBeschrijving:De salderingsregeling in de energiebelasting geldt voor kleinverbruikers die duurzame energie opwekken, bijvoorbeeld met zonnepanelen. Per kalenderjaar wordt de van het net afgenomen elektriciteit weggestreept tegen de teruggeleverde elektriciteit. Voor salderen is de bovengrens het eigen jaarlijkse verbruik. Voor de geproduceerde elektriciteit boven het eigen verbruik ontvangt de kleinverbruiker van zijn energieleverancier een terugleververgoeding.Doelstelling:Stimuleren van energieopwekking middels zonnepanelen en het in overeenstemming brengen van de toepassing van energiebelasting met de praktijk van terugdraaimeters.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 64, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:De historische impact van salderen, PwC, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 239, nr. 251.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:CBS realisatiecijfers over saldering bij kleinverbruikers. Realistaties t/m [t-2]. Raming op basis van cijfers PBL over elektriciteitsproductie uit zon-PV.Regeling:EB Belastingvermindering per aansluitingBeschrijving:Per elektriciteitsaansluiting geldt een belastingvermindering. De vermindering geldt alleen voor onroerende zaken met een verblijfsfunctie (zoals een huis of kantoor).Doelstelling:Ondersteunen van de basisbehoefte aan energie en ter compensatie van de invoering van het capaciteitstarief (een vast tarief voor transport van elektriciteit in plaats van een tarief per kWh).Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 63 van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:Evaluatie van de energiebelasting. Terugkijken (1996-2019) en vooruitzien (2020-2030), CE Delft, 2021. Kamerstukken II 2020-2021, 31 239, nr. 330.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst t/m [t-2], inclusief teruggaafregeling. Raming op basis van groei aantal woningen uit PBL raming KEV2022.Regeling:EB StadsverwarmingsregelingBeschrijving:De stadsverwarmingsregeling geldt voor installaties voor stadsverwarming die grotendeels gebruik maken van restwarmte. De stadsverwarmingsregeling regelt dat het degressieve tarief in de energiebelasting van toepassing is op het aardgas dat wordt gebruikt voor deze installaties voor stadsverwarming. Zonder de regeling zou dat aardgas worden belast tegen het (hogere) blokverwarmingstarief.Doelstelling:Stimuleren van nuttige inzet restwarmte.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 59, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:Evaluatie van de energiebelasting. Terugkijken (1996-2019) en vooruitzien (2020-2030), CE Delft, 2021. Kamerstukken II 2020-2021, 31 239, nr. 330.Horizonbepaling:N.v.t.113Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Ramingsgrond:Realisatie [t-3] op basis van Vesta MAIS model. Raming jaarlijkse groei stadsverwarming op basis van KEV2023 raming.Regeling:EB Degressieve tariefsstructuur elektriciteitBeschrijving:De energiebelasting op elektriciteit kent een degressieve tariefstructuur met vier verbruiksschijvenDoelstelling:Het voorkomen van concurrentienadeel bij grootverbruikers in Nederland ten opzichte van grootverbruikers in het buitenland waar veelal vergelijkbare belastingverlagingen gelden.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 59, eerste lid, onderdeel c, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Realisatiecijfers t/m [t-2] van de Belastingdienst en cijfers van het CBS. Prognose op basis va KEV2022 aangevuld met relevante beleidsmutaties tussentijdse ontwikkelingen in energiverbruik in 2023 en 2024.Regeling:EB Degressieve tariefsstructuur gasBeschrijving:De energiebelasting op gas kent een degressieve tariefstructuur met vier verbruiksschijvenDoelstelling:Het voorkomen van concurrentienadeel bij grootverbruikers in Nederland ten opzichte van grootverbruikers in het buitenland waar veelal vergelijkbare belastingverlagingen gelden.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 59, eerste lid, onderdeel a, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Realisatiecijfers t/m [t-2] van de Belastingdienst en cijfers van het CBS. Prognose op basis van de KEV aangevuld met relevante beleidsmutaties tussentijdse ontwikkelingen in energiverbruik in 2023 en 2024.Regeling:EB Verlaagd tarief openbare laadpalenBeschrijving:Voor elektriciteit geleverd aan laadpalen met een zelfstandige aansluiting geldt tot een maximale hoeveelheid kWh tijdelijk het lagere tarief van de tweede schijf in plaats van het hogere reguliere tarief van de eerste schijf.Doelstelling:De oorspronkelijk doelstelling van het voorstel was de businesscase voor openbare laadpalen verbeteren. In het amendement bij het Belastingplan 2023 wordt daarnaast de doelstelling genoemd om de belasting op elektrisch rijden laag te houden.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 60a van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:EB verlaagd tarief waterstofBeschrijving:Voor energetisch gebruikt van waterstof geldt een verlaagd tarief ten opzichte van aardgas.Doelstelling:VerduurzamingMinisterie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 59, eerste lid, onderdeel d, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen realisatie. Raming is gebaseerd op ingroei van waterstof uit het IBO klimaat 2023 (2 PJ in 2030)Regeling:EB Teruggaaf kerkgebouwen en non-profitBeschrijving:Non-profitinstellingen en kerkgebouwen die ten dienste staan van de openbare eredienst of het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard, hebben recht op teruggaaf van de helft van de betaalde energiebelasting.Doelstelling:Bieden van compensatie aan de beheerders van dergelijke gebouwen, aangezien kerken e.d. weinig betaald personeel hebben en geen vennootschapsbelasting betalen waardoor enig voordeel in de vorm van een terugsluis deze doelgroep niet bereikt.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 69 van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:Evaluatie van de energiebelasting. Terugkijken (1996-2019) en vooruitzien (2020-2030), CE Delft, 2021. Kamerstukken II 2020-2021, 31 239, nr. 330.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst t/m [t-1]. Realisaties t/m [t-1]. Raming op basis van KEV prognose aardgasgebruik gebouwde omgeving.Regeling:EB teruggaafregeling voor gebruik aardgas als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren (inclusief visserij, exclusief particuliere pleziervaartuigen)114Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:Exploitanten van commerciële schepen die aardgas als brandstof gebruiken voor de vaart op communautaire wateren komen in aanmerking voor teruggave van energiebelasting. Deze teruggave is van toepassing op aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor vaartuigen, inclusief die van de visserij, en geldt niet voor particuliere pleziervaartuigen.Doelstelling:Internationale concurrentiepositie (verplicht onbelast op basis van de Richtlijn energiebelastingen)Ministerie:IenW, Artikel 18: Scheepvaart en Havens.Wetsartikel:Artikel 70a van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:EB vrijstelling aardgas ander gebruik dan brandstof (incl. teruggaaf)Beschrijving:Het gebruik van aardgas anders dan als brandstof is niet belast onder de energiebelasting. Gebruikers kunnen hiervoor een vrijstelling vooraf krijgen of een teruggaaf achterafDoelstelling:Scope energiebelasting beperken tot brandstoffenMinisterie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 64, vijfde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:CBS realisatiecijfers t/m [t-1]. Omvang constant verondersteld.Regeling:EB Vrijstellingen voor energie-intensieve processenBeschrijving:Deze post omvat de vrijstelling voor verbruik van aardgas voor metallurgische en mineralogische procedés in de energiebelasting, de vrijstelling voor verbruik van elektriciteit voor metallurgische en elektrolytische processen en chemische reductie in de energiebelasting.Doelstelling:Beschermen van internationale concurrentiepositie.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 64, tweede lid en derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:Evaluatie van de energiebelasting. Terugkijken (1996-2019) en vooruitzien (2020-2030), CE Delft, 2021. Kamerstukken II 2020-2021, 31 239, nr. 330.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Realisatiecijfers t/m [t-2] op basis van cijfers CBS over energieverbruik. Cijfers uit impactanalyses door Trinomics (2023) en CE Delft (2024) gebruikt voor raming 2025 en verder.Regeling:EB RaffinaderijvrijstellingBeschrijving:Restgassen die ontstaan bij raffinaderijen en binnen die raffinaderij worden ingezet voor de vervaardiging van aardgas en minerale oliën zijn vrijgesteld van energiebelasting.Doelstelling:Voorkomen dubbele belasting (verplicht onbelast op basis van de Richtlijn energiebelastingen)Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 51 van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:EB vrijstelling voor restgassen die op eigen inrichting zijn ontstaan en daar weer worden ingezetBeschrijving:In de energiebelasting is een nihiltarief opgenomen voor restgassen de zijn ontstaan op de inrichting waar ze worden verbruikt.Doelstelling:Voorkomen dubbele belasting (verplicht onbelast op basis van de Richtlijn energiebelastingen)Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 59, vierde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Inputvrijstelling energiebelasting voor elektriciteitsopwekkingBeschrijving:Aardgas of kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minstens 30% en een elektrisch vermogen van tenminste 60 kilowatt zijn vrijgesteld van energie- en kolenbelasting. De gedachte hierachter is dat de opgewekte elektriciteit bij levering is belast met energiebelasting.Doelstelling:Voorkomen van dubbele energiebelasting. Opgewekte elektriciteit bij levering is belast met energiebelasting.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 64, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag115Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Evaluatie:Evaluatie van de energiebelasting. Terugkijken (1996-2019) en vooruitzien (2020-2030), CE Delft, 2021. Kamerstukken II 2020-2021, 31 239, nr. 330.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Realisatiecijfers t/m [t-2] op basis van cijfers CBS over energieverbruik en gegevens van Trinomics (2023 &2024) gebruikt in het onderzoek naar de impact van afschaffing. Raming van toekomstig verbruik op basis van Trinomics(2024) naar impact van beperkingRegeling:Inputvrijstelling kolenbelasting voor elektriciteitsopwekkingBeschrijving:Aardgas of kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minstens 30% en een elektrisch vermogen van tenminste 60 kilowatt zijn vrijgesteld van energie- en kolenbelasting. De gedachte hierachter is dat de opgewekte elektriciteit bij levering is belast met energiebelasting.Doelstelling:Voorkomen van dubbele energiebelasting. Opgewekte elektriciteit bij levering is belasting met energiebelasting.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 44, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Realisatiecijfers t/m [t-1] op basis van cijfers CBS over energieverbruik. Lineaire raming naar 0 in 2030 vanwege sluiting kolencentrales.Regeling:Inputvrijstelling kolenbelasting voor duaal verbruikBeschrijving:Voor kolen die duaal (als brandstof én voor een ander doel) worden gebruikt geldt een vrijstelling in de kolenbelasting.Doelstelling:Beschermen van internationale concurrentiepositie.Ministerie:KGG, Artikel 31: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering..Wetsartikel:Artikel 44, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Realisatiecijfers t/m [t-3] op basis van cijfers CBS over energieverbruiken impactstudie van Kalavasta naar afschaffing fossiele subsidies. Omvang wordt constant verondersteld.Regeling:Vrijstelling leidingwaterbelasting voor grootgebruikersBeschrijving:Afnemer van leidingwater betalen door het heffingsplafond geen leidingwaterbelasting over de afname boven een vaste hoeveelheid m3 per aansluiting per jaar.Doelstelling:Leidingwaterbelasting laten neerslaan bij kleinverbruikers.Ministerie:IenW, Artikel 11: Integraal Waterbeleid.Wetsartikel:Artikel 14, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:Rapport belasting op leidingwater. Dit betreft een verkenning en geen evaluatie van een fiscale regeling., Sterk Consulting, 2022.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Op basis van cijfer van het CBS wordt het verbruik bepaald en dit wordt vermenigvuldigd met het tarief. Reeks bevat geen realisatiecijfers.Regeling:Vrijstelling leidingwaterbelasting voor brandkranen, sprinklerinstallaties en dergelijke indien deze gebruikt worden in buitengewone omstandigheden.Beschrijving:Over water gebruikt in brandkranen, sprinklerinstallaties en dergelijke wordt geen leidingwaterbelasting betaald.Doelstelling:Voorkomen van problemen met betrekking tot vaststellen verbruikMinisterie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 19 van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Vrijstelling zuiveringsslib afvalstoffenbelastingBeschrijving:Onder specifieke voorwaarden en beperkingen wordt een vrijstelling van afvalstoffenbelasting verleent voor het verbranden van zuiveringsslib. De vrijstelling geldt als het zuiveringsslib binnen drie jaar na afgifte aan de inrichting wordt verbrand en aan andere gestelde voorwaarden wordt voldaan.Doelstelling:Doel is om het zuiveren van afvalwater te stimuleren. Hoe schoner het water, hoe meer zuiveringsslib ontstaat. Door het zuiveringsslib vrij te stellen, wordt zuivering gestimuleerd.Ministerie:IenW, Artikel 22: Omgevingsveiligheid en Milieurisico's.Wetsartikel:Artikel 29a van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.116Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Vrijstelling asbest afvalstoffenbelastingBeschrijving:Het storten van asbest dat is gebruikt als dakbedekking is vrijgesteld van afvalstoffenbelasting. Dit geldt alleen voor afzonderlijk aangeboden en onvermengd asbest dat uitsluitend toegepast is als dakbedekking. Het asbest moet door een gecertifieerd asbestverwijderingsbedrijf zijn gesaneerd én gemeld in het LAVS (Landelijk Asbestvolgsysteem).Doelstelling:Het doel van de maatregel is om een vrijstelling van afvalstoffenbelasting op te nemen voor de verwijdering van asbest en asbesthoudende producten afkomstig van asbestdaken. Hiermee wil men het saneringsbeleid ondersteunen en voorkomen dat de hoge kosten van sanering een knelpunt vormen voor eigenaren. Tevens beoogt de maatregel illegale dumping van asbest in de natuur tegen te gaan.Ministerie:IenW, Artikel 22: Omgevingsveiligheid en Milieurisico's.Wetsartikel:Artikel 29b van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:Ja, tot Q2 2025.Ramingsgrond:Op basis van jaarlijkse rapportage van RWS met realisatiecijfers t/m [t-2].Regeling:Vrijstelling baggerspecie afvalstoffenbelastingBeschrijving:Het storten van baggerspecie is vrijgesteld van afvalstoffenbelasting.Doelstelling:Doel is om de verwerking ervan te stimuleren zodat daarmee het beslag op schaarse stortruimte alsmede het beslag op schaarse primaire grondstoffen zoveel mogelijk kan worden beperkt.Ministerie:IenW, Artikel 22: Omgevingsveiligheid en Milieurisico's.Wetsartikel:Artikel 29 van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Op basis van jaarlijkse rapportage van RWS met realisatiecijfers t/m [t-2].Regeling:Transferpassagiers buiten de grondslag van de vliegbelastingBeschrijving:Transferpassagiers betalen geen vliegbelasting op vliegtickets.Doelstelling:Bescherming de netwerkconnectiviteit van Nederland en voorkomen van dubbele belastingheffing, omdat transferpassagiers de vliegbelasting 2 keer zouden moeten betalen.Ministerie:IenW, Artikel 17: Luchtvaart.Wetsartikel:Artikel 73, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslagEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.OmzetbelastingRegeling:Btw Verlaagd tarief voedingsmiddelen en waterBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor bepaalde leveringen en diensten met betrekking tot water en de levering van voedingsmiddelen (eet- en drinkwaren voor menselijke consumptie, inclusief niet-alcoholhoudende dranken) een verlaagde btw-tarief.Doelstelling:Ondersteunen basisbehoefte aan voeding en water en verlagen van de belastingdruk voor minder draagkrachtigenMinisterie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Tabel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Evaluatie van het verlaagde btw-tarief, Dialogic & Significant Public, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 32 140, nr. 151.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Bestedingscijfers CBS t/m [t-4] definitief, t/m [t-1] voorlopig.Regeling:Btw Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelenBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor leveringen van geneesmiddelen die voldoen aan de definitie uit de Geneesmiddelenwet, voorbehoedsmiddelen, infusievloeistoffen en voor geneeskundige doeleinden bestemde inhalatiegassen het lage btw-tarief van 9%. Ook geldt voor specifiek genoemde medische hulpmiddelen een verlaagd btw-tarief.Doelstelling:Ondersteunen basisbehoefte aan zorg en verlagen van de belastingdruk voor minder draagkrachtigenMinisterie:VWS, Premie Gefinancierde Zorguitgaven.Wetsartikel:Tabel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Evaluatie van het verlaagde btw-tarief, Dialogic & Significant Public, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 32 140, nr. 151.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Bestedingscijfers CBS t/m [t-4] definitief, t/m [t-1] voorlopig.117Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Regeling:Btw Verlaagd tarief culturele en recreatieve goederen en dienstenBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor leveringen van specifieke culturele goederen of diensten een verlaagde btw-tarief. Het gaat bijvoorbeeld om de (elektronische) levering en uitleen van boeken, tijdschriften, week- en dagbladen en kunstvoorwerpen en toegangverlening tot musea, kermissen, attractieparken, sportwedstrijden en -accommodatie, circussen, bioscopen, theaters, concerten, e.d.Doelstelling:Diversen, waaronder instandhouding van het nationaal kunstbezit, bescherming van kunsthandel, compensatie voor de wijziging in de Arbeidstijdenwet in 1996 en vergrijzing, voorkomen van concurrentieverstoringen, erkenning van maatschappelijke functie van sport, en stimulering van werkgelegenheid in de dagrecreatiesector.Ministerie:OCW, Artikel 14: Cultuur.Wetsartikel:Tabel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Evaluatie van het verlaagde btw-tarief, Dialogic & Significant Public, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 32 140, nr. 151.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Bestedingscijfers CBS t/m [t-4] definitief, t/m [t-1] voorlopig.Regeling:Btw Verlaagd tarief arbeidsintensieve dienstenBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor bepaalde arbeidsintensieve diensten een verlaagd btw-tarief. Het gaat om de diensten van kappers, fietsenmakers, schoenmakers, kleermakers en schoonmakers van woningen. Het verlaagde btw-tarief geldt tevens voor het schilderen, stukadoren, isoleren en behangen van woningen ouder dan twee jaar.Doelstelling:Diversen, waaronder bevorderen van werkgelegenheid in de desbetreffende sectoren, aanpakken problemen op de woningmarkt, bestrijding van het zwarte circuit, aanpakken van problemen op de woningmarkten stimuleren reparatie goederen.Ministerie:SZW, Artikel 1: Arbeidsmarkt.Wetsartikel:Tabel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Evaluatie van het verlaagde btw-tarief, Dialogic & Significant Public, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 32 140, nr. 151.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Bestedingscijfers CBS t/m [t-4] definitief, t/m [t-1] voorlopig.Regeling:Btw Verlaagd tarief PersonenvervoerBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor leveringen van diensten die betrekking hebben op vervoer van personen een verlaagde tarief. Hieronder valt onder meer het openbaar vervoer en vervoer per taxi.Doelstelling:Verlichting van de druk van omzetbelasting voor minder draagkrachtigen en stimuleren en ondersteunen van het openbaar vervoer.Ministerie:IenW, Artikel 16: Openbaar Vervoer en Spoor.Wetsartikel:Tabel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Evaluatie van het verlaagde btw-tarief, Dialogic & Significant Public, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 32 140, nr. 151.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Bestedingscijfers CBS t/m [t-4] definitief, t/m [t-1] voorlopig.Regeling:Btw Verlaagd tarief SierteeltBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor leveringen van sierteeltproducten een verlaagd tarief. Hierbij gaat het onder meer om bloembollen, bloemen en sommige planten en verschillende producten van boomkwekerijen.Doelstelling:Bloemen en planten betaalbaarder maken voor lagere inkomens en hogere werkgelegenheid en omzet.Ministerie:LVVN, Artikel 21: Land- en tuinbouw.Wetsartikel:Tabel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Evaluatie van het verlaagde btw-tarief, Dialogic & Significant Public, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 32 140, nr. 151.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Bestedingscijfers CBS t/m [t-4] definitief, t/m [t-1] voorlopig.Regeling:Btw Verlaagd tarief LogiesverstrekkingBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor leveringen van deze diensten een verlaagd tarief.Doelstelling:Stimuleren van (internationaal) toerisme en ondersteunen van de sector.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Tabel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Evaluatie van het verlaagde btw-tarief, Dialogic & Significant Public, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 32 140, nr. 151.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Bestedingscijfers CBS t/m [t-4] definitief, t/m [t-1] voorlopig.Regeling:Btw Verlaagd tarief overigBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor bepaalde goederen en diensten een verlaagd btw-tarief.118Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Doelstelling:Verscheidene doelstellingen, bij agrarische goederen gaat het om preventie van cumulatie bij landbouwers en wegnemen concurrentieverstoringen bij rechtstreekse leveringen aan particulieren en bij leveringen tussen landbouwers onderling.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Tabel 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Evaluatie van het verlaagde btw-tarief, Dialogic & Significant Public, 2023. Kamerstukken II 2022-2023, 32 140, nr. 151.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Bestedingscijfers CBS t/m [t-4] definitief, t/m [t-1] voorlopig.Regeling:Btw Nultarief zonnepanelenBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor de levering en installatie van zonnepanelen en zonnepanelen als dakbedekking op of in de onmiddelijke nabijheid van woningen het btw-nultarief.Doelstelling:Verminderen uitvoeringslast voor zonnepaneeleigenaren en Belastingdienst.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Tabel 2.a.10 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Kamerbrief monitoring btw-nultarief zonnepanelen, FIN, 2024. Kamerstukken II 2023-2024, 36 418 nr. 142.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers btw-aangifte en aanvullende informatie over installaties van zonnepanelenRegeling:BTW Nultarief internationaal personenvervoerBeschrijving:In plaats van het algemene btw-tarief geldt voor het vervoer van personen met schepen en luchtvaartuigen als de plaats van bestemming of de plaats van vertrek buiten Nederland ligt, het nultarief in de btw. Het nultarief geldt ook voor de diensten voor door de passagiers meegenomen bagage, personenauto's en motoren en bij bemiddeling bij de genoemde diensten.Doelstelling:Nultarief uit praktische overwegingen, ter voorkoming van administratieve lasten. Het deel van internationale boot- en vliegreizen dat over Nederlands grondgebied gaat is over het algemeen te verwaarlozen.Ministerie:IenW, Artikel 17: Luchtvaart & IenW, Artikel 18: Scheepvaart en Havens.Wetsartikel:Tabel 2.b.3 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Btw KleineondernemersregelingBeschrijving:Per 1 januari 2020 is de nieuwe KOR in werking getreden. Deze kent een facultatieve vrijstelling van omzetbelasting bij een omzet van een maximumbedrag. De kleine ondernemers die hiervoor kiezen zijn ontheven van het doen van btw-aangifte en de daarbij horende administratieve verplichtingen.Doelstelling:Stimuleren van kleine ondernemers, verminderen van administratieve lasten voor ondernemers en verminderen uitvoeringslasten voor de Belastingdienst.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 25 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:Onderzoeksrapport invoering nieuwe kleineondernemersregeling, FIN, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 35 033, nr. 9.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst Beheer van Relaties, aanduiding gebruik KOR in de betreffende belastingjaren. Kosten aantal keren aanduiding x geraamde gemiddelde kosten per belastingplichtige.Regeling:BTW Vrijstelling sportBeschrijving:Vrijgesteld zijn de diensten van niet-winstbeogende organisaties die zich de beoefening van sport of de bevordering daarvan ten doel stellen. Het gaat met name om contributie en lesgelden. Deze vrijstelling is binnen de Europese Unie verplicht. Per 2019 is de sportvrijstelling verruimd zodat deze ook van toepassing is op sportgerelateerde prestaties door niet-winstbeogende sportorganisaties aan niet-leden, zoals het ter beschikking stellen van sportaccommodaties.Doelstelling:Stimuleren c.q. ondersteunen van sportorganisaties en sportclubs en verminderen van administratieve lasten.Ministerie:VWS, Artikel 6: Sport en bewegen.Wetsartikel:Artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:BTW Vrijstelling postBeschrijving:Vrijgesteld zijn diensten met betrekking tot de levering van brieven tot een bepaald gewicht, bedoeld in artikel 16 van de Postwet 2009. De vrijstelling geldt alleen voor een verlener van de universele postdienst. Binnen de Europees Unie is een vrijstelling voor openbare postdiensten verplicht.Doelstelling:Voorkomen van administratieve lasten en ondersteunen van het algemene belang van openbare nutsvoorzieningen.119Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Ministerie:EZ, Artikel 1: Goed functionerende economie en markten.Wetsartikel:Artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:BTW Vrijstelling werkgevers- en werknemersorganisaties, alsmede politieke, godsdienstige, levensbeschouwelijke en liefdadige organisatiesBeschrijving:Vrijgesteld zijn de diensten en daarmee nauw samenhangende leveringen door werkgevers- en werknemersorganisaties, alsmede door organisaties van politieke, godsdienstige, vaderlandslievende, levensbeschouwelijke of liefdadige aard aan hun leden tegen een statutair vastgestelde contributie. Deze vrijstelling is binnen de Europese Unie verplicht.Doelstelling:Stimuleren of ondersteunen van instellingen zonder winstoogmerk die handelen in het collectief, maatschappelijk belang van hun leden en verminderen van administratieve lastenMinisterie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:BTW Vrijstelling fondswervingBeschrijving:Deze regeling voorziet in een vrijstelling voor bijkomstige activiteiten van reeds vrijgestelde organisaties. Het gaat met name om activiteiten die zij ontplooien ter verwerving van de benodigde middelen voor hun vrijgestelde doelstelling. Om te waarborgen dat deze prestaties geen ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen veroorzaken, is de vrijstelling beperkt tot een omzetgrens voor leveringen en diensten.Doelstelling:Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:BTW Vrijstellingen medische zorgBeschrijving:Vrijgesteld van btw zijn medische handelingen die gericht zijn op de persoonlijke gezondheidskundige verzorging van de mens, alsmede voor de zorg verleend door instellingen waar men is opgenomen en de zorg op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.Doelstelling:Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten. Ter voorkoming van cumulatie van belasting (verouderd).Ministerie:VWS, Premie Gefinancierde Zorguitgaven.Wetsartikel:Artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:BTW Vrijstelling componisten, schrijvers en journalistenBeschrijving:Vrijgesteld van btw zijn diensten die naar hun aard diensten zijn door een journalist, schrijver of componist.Doelstelling:Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.Ministerie:OCW, Artikel 14: Cultuur.Wetsartikel:Artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:BTW Vrijstelling voor uitvaartondernemersBeschrijving:De diensten van uitvaartondernemers zijn vrijgesteld van btw. Het gaat hier alleen om diensten die worden verricht na het overlijden van een persoon, niet van een (huis)dier. Het kan bijvoorbeeld gaan om de volgende diensten:het verzorgen en opbaren van de overledene, het verzorgen van de uitvaart, het dragen van de lijkkist, het verzorgen van de begrafenis of crematie (inclusief de asverstrooiing)Doelstelling:Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten. Voorkomen belastingheffing op uitgaven die rechtstreeks verband houden met het leed van mensen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.120Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Wetsartikel:Artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:BTW Vrijstellingen overigBeschrijving:Deze categorie «overig» ziet onder andere op de btw-vrijstelling voor verhuur van onroerende zaken, betalingsverkeer, handelingen inzake waardepapieren, beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.Doelstelling:Diversen, bijvoorbeeld om de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag te verhelpen of omdat het elders belast is.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 11 van de Wet op de omzetbelasting 1968Evaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.AutoRegeling:IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto'sBeschrijving:Bij privégebruik van een auto van de zaak geldt voor auto’s een bijtelling in de loon- en/of inkomstenbelasting met een vast percentage van de catalogusprijs. Bij privégebruik van een nulemissieauto van de zaak geldt een korting op deze bijtelling tot 2026.Doelstelling:Stimulering van emissievrij rijden.Ministerie:IenW, Artikel 14: Wegen en Verkeersveiligheid.Wetsartikel:Artikel 13bis, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 3.20, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001Evaluatie:Tussenevaluatie fiscale regelingen emissieloze voertuigen en plug-in-hybrides, Dialogic & Decisio & EVConsult, 2022. Kamerstukken II 2022-2023, 32 813 nr. 1179.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Data over nieuwverkopen van de RDW tot en met [t-1], cijfers uit de publicatie «Mobiliteit in Cijfers Auto’s 2023/24» van de Stichting BOVAG-RAI. De raming is een PxQ met ontwikkeling op basis van de geraamde ontwikkelingen in SPARK. Realisaties tot en met [t-1].Regeling:MRB Korting voor nulemissievoertuigenBeschrijving:Voor personenauto's met een CO2– uitstoot van 0 gram per kilometer geldt in de MRB een korting tot 2031. Voor overige voertuigen met een CO2– uitstoot van 0 gram per kilometer geldt dit tot 2026.Doelstelling:Stimuleren van emissievrij rijden.Ministerie:IenW, Artikel 14: Wegen en Verkeersveiligheid.Wetsartikel:Artikel 23b, eerste lid, en artikel 31, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Evaluatie:Tussenevaluatie fiscale regelingen emissieloze voertuigen en plug-in-hybrides, Dialogic & Decisio & EVConsult, 2022. Kamerstukken II 2022-2023, 32 813 nr. 1179.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst over juni t/m [t], ramingen met behulp van de geraamde ontwikkelingen in SPARK. De raming is een PxQ op basis van de cijfers voor de maand juni. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemersBeschrijving:Voor ondernemers die een bestelauto meer dan bijkomstig in het kader van hun onderneming gebruiken, geldt een verlaagd tarief in de MRB.Doelstelling:Stimulering ondernemerschap.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 24b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Evaluatie:Evaluatierapport «Bijzondere regelingen MRB en BPM», SEO, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 32 800, nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst over juni t/m [t-1]. De raming is een PxQ op basis van de cijfers voor de maand juni met ontwikkeling op basis van het verleden. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicaptenBeschrijving:Een verlaagd MRB-tarief is van toepassing op een bestelauto die wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte persoon in de cabine van het voertuig en voor het gelijktijdig vervoeren van een niet-opvouwbare rolstoel van die persoon.Doelstelling:Tegemoetkoming voor gehandicapten.Ministerie:VWS, Premie Gefinancierde Zorguitgaven.Wetsartikel:Artikel 24a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994121Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Evaluatie:Evaluatierapport «Bijzondere regelingen MRB en BPM», SEO, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 32 800, nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst over juni t/m [t-1]. De raming is een PxQ op basis van de cijfers voor de maand juni met ontwikkeling op basis van het verleden. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:MRB Halftarief plug-in hybride auto’sBeschrijving:Voor auto’s met een CO2– uitstoot van meer dan 0 gram per kilometer maar minder dan 50 gram per kilometer geldt een halftarief in de MRB tot 2025, in 2025 geldt een driekwarttarief, vanaf 2026 krijgen deze auto's geen korting meer in de MRB.Doelstelling:PHEV's aantrekkelijker maken voor de Nederlandse tweedehands marktMinisterie:IenW, Artikel 14: Wegen en Verkeersveiligheid.Wetsartikel:Artikel 23b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Evaluatie:Tussenevaluatie fiscale regelingen emissieloze voertuigen en plug-in-hybrides, Dialogic & Decisio & EVConsult, 2022. Kamerstukken II 2022-2023, 32 813 nr. 1179.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst over juni t/m [t]. De raming is een PxQ op basis van de cijfers voor de maand juni met ontwikkeling op basis van de geraamde ontwikkelingen in SPARK. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:MRB Kwarttarief en halftariefBeschrijving:Voor kampeerauto’s, voertuigen voor particulier paardenvervoer, kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en rijdende werkplaatsen geldt een kwarttarief in de MRB. Het overgrote deel hiervan betreft kampeerauto’s. Voor kampeerauto's geldt vanaf 2026 een halftarief. Voor paardenvervoer vervalt de korting in de MRB vanaf 2026.Doelstelling:Ontzien van voertuigen waarmee beperkt gebruik wordt gemaakt van de weg.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 23a. en artikel 30, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Evaluatie:Evaluatierapport «Bijzondere regelingen MRB en BPM», SEO, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 32 800, nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst over juni t/m [t]. De raming is een PxQ op basis van de cijfers voor de maand juni met ontwikkeling op basis van het verleden. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoerBeschrijving:De MRB-vrijstelling geldt onder voorwaarden voor personenauto’s die zijn bestemd om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer.Doelstelling:Stimuleren van het gebruik van openbaar vervoer en taxivervoer.Ministerie:IenW, Artikel 16: Openbaar Vervoer en Spoor.Wetsartikel:Artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Evaluatie:Evaluatierapport «Bijzondere regelingen MRB en BPM», SEO, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 32 800, nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst over juni t/m [t-1]. De raming is een PxQ op basis van de cijfers voor de maand juni met ontwikkeling op basis van het verleden. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaarBeschrijving:Motorrijtuigen van 40 jaar en ouder zijn vrijgesteld van MRB. Deze vrijstelling geldt vanaf 1 januari 2028 alleen nog voor voertuigen die vóór 1988 zijn gebouwd.Doelstelling:Stimulering behoud van mobiel historisch erfgoed.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Evaluatie:Evaluatierapport «Bijzondere regelingen MRB en BPM», SEO, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 32 800, nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst over juni t/m [t-1]. De raming is een PxQ op basis van de cijfers voor de maand juni met ontwikkeling op basis van het verleden. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:MRB Vrijstelling diverse voertuigenBeschrijving:In de BPM en MRB geldt voor diverse voertuigen een vrijstelling of teruggaafregeling. In de MRB betreft dit (voertuigen voor) politie, defensie, brandweer, ambulance, vervoer van een stoffelijk overschot, dierenambulances, vuilniswagens, aftrek voor het gewicht van een voor rolstoelinstallatie en voertuigen waar gewoonlijk slechts over een geringe afstand van de weg gebruikt gemaakt wordt. In de BPM betreft het (voertuigen voor) politie, defensie, brandweer, ambulance, vervoer van een stoffelijk overschot, dierenambulances, invalidenwagens en vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband.Doelstelling:Deze regelingen kennen diverse doelstellingen, waaronder het dienen van het algemeen belang.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 71, eerste lid, en artikel 72, eerste lid, onderdeel a en c-n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994122Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Evaluatie:Evaluatierapport «Bijzondere regelingen MRB en BPM», SEO, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 32 800, nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst over juni t/m [t-1]. De raming is een PxQ op basis van de cijfers voor de maand juni met ontwikkeling op basis van het verleden. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988Beschrijving:Voor personen- en bestelauto’s rijdend op benzine, motorrijwielen, bussen en vrachtauto’s die op 1 januari 2014 26 jaar of ouder zijn maar nog geen 40 jaar, geldt een kwarttarief van een maximumbedrag onder de voorwaarde dat er in de maanden januari, februari en december niet van de openbare weg gebruik wordt gemaakt.Doelstelling:Behouden van cultureel rijdend erfgoed in deze leeftijdsgroep waarmee niet dagelijks gebruik wordt gemaakt van de weg.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 84a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994Evaluatie:Evaluatierapport «Bijzondere regelingen MRB en BPM», SEO, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 32 800, nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst over juni t/m [t-1]. De raming is een PxQ op basis van de cijfers voor de maand juni met ontwikkeling op basis van het verleden. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:BZM Teruggaaf belasting zware motorrijtuigen bij gecombineerd vervoer (spoor, binnenwateren of zee)Beschrijving:Vrachtwagens die zijn betrokken bij het goederenvervoer tussen lidstaten van de Europese Unie waarbij het begin en/of eindvervoer over de weg wordt verricht en voor het overige gebruik wordt gemaakt van het spoor, binnenwateren, of van een zeetraject kunnen om teruggaaf van bzm (Eurovignet) verzoeken. Van belang voor de teruggaaf van het eurovignet is het feit dat er slechts sprake is van gecombineerd vervoer indien voor het traject dat per spoor of over water wordt afgelegd een vervoersalternatief over de weg aanwezig is. Het zogenoemde deep sea vervoer komt niet voor de teruggaaf in aanmerking, het short sea vervoer onder bepaalde voorwaarden wel. Tevens moet aan bepaalde administratieve eisen worden voldaan om de uitvoering door de belastingdienst mogelijk te maken. De terminals (plaatsen van in- of uitlading bij het spoor) die betrokken zijn bij het begin- en/of het eindvervoer dienen aan deze eisen te voldoen anders kan geen teruggaaf van het eurovignet worden verleend. De terminals dienen voorts in Nederland te zijn gelegen.Doelstelling:Het handhaven en versterken van de logistieke functie van de Nederlandse economie onder optimale milieutechnische voorwaarden. Met de maatregel is beoogd het marktaandeel van milieuvriendelijke vervoerswijzen in het goederenvervoer te versterken en de efficiency en bereikbaarheid in het wegvervoer te verhogen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 14a van de Wet belasting zware motorrijtuigenEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:BPM Teruggaaf diverse voertuigenBeschrijving:In de BPM en MRB geldt voor diverse voertuigen een vrijstelling of teruggaafregeling. In de MRB betreft dit (voertuigen voor) politie, defensie, brandweer, ambulance, vervoer van een stoffelijk overschot, dierenambulances, vuilniswagens, aftrek voor het gewicht van een voor rolstoelinstallatie en voertuigen waar gewoonlijk slechts over een geringe afstand van de weg gebruikt gemaakt wordt. In de BPM betreft het (voertuigen voor) politie, defensie, brandweer, ambulance, vervoer van een stoffelijk overschot, dierenambulances, invalidenwagens en vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband.Doelstelling:Deze regelingen kennen diverse doelstellingen, waaronder het dienen van het algemeen belang.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15, eerste lid, en artikel 15a, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Evaluatie:Evaluatierapport «Bijzondere regelingen MRB en BPM», SEO, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 32 800, nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst t/m [t-1]. De raming is een PxQ met ontwikkeling op basis van het verleden. Realisatie tot en met [t-1].Regeling:BPM Vrijstelling nulemissievoertuigenBeschrijving:Voertuigen met een CO2– uitstoot van 0 gram per kilometer zijn vrijgesteld van BPM tot 2025.Doelstelling:Stimuleren van emissievrij rijden.Ministerie:IenW, Artikel 14: Wegen en Verkeersveiligheid.Wetsartikel:Artikel 9c van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Evaluatie:Tussenevaluatie fiscale regelingen emissieloze voertuigen en plug-in-hybrides, Dialogic & Decisio & EVConsult, 2022. Kamerstukken II 2022-2023, 32 813 nr. 1179.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Data over nieuwverkopen van de RDW tot en met [t-1], cijfers uit de publicatie «Mobiliteit in Cijfers Auto’s 2023/24» van de Stichting BOVAG-RAI. De raming is een PxQ met ontwikkeling op basis van de geraamde ontwikkelingen in SPARK. Realisaties tot en met [t-1].Regeling:BPM Vrijstelling bestelauto ondernemers123Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:Voor ondernemers die een bestelauto meer dan bijkomstig in het kader van hun onderneming gebruiken, geldt tot 2025 een vrijstelling van BPM.Doelstelling:Stimulering ondernemerschap.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 13, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Evaluatie:Evaluatierapport «Bijzondere regelingen MRB en BPM», SEO, 2022. Kamerstukken II 2021-2022, 32 800, nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst t/m juni [t] en cijfers van catalogusprijzen in het wagenpark van de RDW t/m juni [t]. De raming is een PxQ met ontwikkeling op basis van het verleden. Realisatie tot en met [t-1].AccijnsRegeling:Accijns verlaagd tarief kleine brouwerijenBeschrijving:Het tarief van de bieraccijns wordt voor kleine brouwerijen is lager dan het algemene tarief .Doelstelling:In het belastingstelsel van voor 1992 betaalden kleine brouwerijen relatief veel belasting, het verlaagde tarief was een compensatie hiervoor.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 7, tweede lid, van de Wet op de accijnsEvaluatie:Evaluatierapport Belastinguitgaven op het terrein van de accijnzen, FIN, 2008. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 IXB, nr. 18.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Accijns teruggaaf LPG glastuinbouwBeschrijving:Voor het gebruik van LPG in de glastuinbouw geldt een teruggaafregeling in de accijns.Doelstelling:Bevorderen ondernemerschapMinisterie:LVVN, Artikel 21: Land- en tuinbouw.Wetsartikel:Artikel 71e van de Wet op de accijnsEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Accijns vrijstelling gebruik van stookolie (met name zeevaart)Beschrijving:Op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van Richtlijn 2003/96/EG moet voor leveringen van motorbrandstof aan de commerciële zeescheepvaart vrijstelling van accijns worden verleend. Op grond van een internationaal verdrag, de Akte van Mannheim, moet vrijstelling van accijns ook worden verleend voor motorbrandstof voor de commerciële scheepvaart op de binnenwateren van de verdragslanden.Doelstelling:Voorkomen van verstoring van de internationale concurrentieverhoudingen veroorzaakt door accijnzen op brandstof voor vaartuigen.Ministerie:IenW, Artikel 18: Scheepvaart en Havens.Wetsartikel:Artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijnsEvaluatie:Evaluatierapport Belastinguitgaven op het terrein van de accijnzen, FIN, 2008. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 IXB, nr. 18.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Accijns vrijstelling gebruik van gasolie (voor binnenvaart)Beschrijving:De accijnsvrijstelling voor het gebruik van gasolie in de binnenvaart is een facultatieve vrijstelling in de Richtlijn energiebelastingen. De vrijstelling van accijns voor gasolie is in Nederland gebaseerd op het Gasolieprotocol 1952 bij de Akte van Mannheim. Dit betreft dus het deel wat niet in de Europese Richtlijn energiebelastingen is vastgelegd.Doelstelling:Voorkomen van verstoring van de Europese concurrentieverhoudingen veroorzaakt door accijnzen op brandstof voor vaartuigen.Ministerie:IenW, Artikel 18: Scheepvaart en Havens.Wetsartikel:Artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijnsEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:CBS realisatiecijfers t/m [t-3] definitief, t/m [t-1] voorlopig. CBS data over het verbruik van gasolie in de binnenvaart.Regeling:Accijns vrijstelling gebruik van kerosine in het internationale luchtverkeerBeschrijving:Op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van Richtlijn 2003/96/EG en internationale verdragen moet voor motorbrandstof voor de commerciële luchtvaart vrijstelling van accijns worden verleend. Binnenlandse vluchten kunnen wel worden belast, hetgeen in Nederland in de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2012 ook gebeurde.124Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Doelstelling:Voorkomen van verstoring van de internationale concurrentieverhoudingen veroorzaakt door accijnzen op brandstof voor luchtvaartuigen.Ministerie:IenW, Artikel 17: Luchtvaart.Wetsartikel:Artikel 66, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijnsEvaluatie:Afbouw vrijstelling accijnzen bunkerbrandstoffen: quickscan van de effecten voor de luchtvaart en scheepvaart, CE Delft, 2023. Kamerstukken II 2022-2023.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:Accijns raffinaderijvrijstellingBeschrijving:De vrijstelling voor minerale oliën die in de raffinaderij zelf worden geproduceerd en energetisch worden ingezet, is verplicht onder de Richtlijn energiebelastingen. Dit betreft het deel van de vrijstelling voor minerale oliën die extern worden ingekocht en vervolgens direct energetisch in het proces worden ingezet. Dit deel is een facultatieve vrijsteling onder de Richtlijn energiebelastingen en kan dus op nationaal niveau worden afgeschaft.Doelstelling:Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 2, negende lid, van de Wet op de accijnsEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Realisatiecijfers van CBS t/m [t-3] definitief, t/m [t-1] voorlopig. CBS data over het verbruik van aardolieproducten en restgassen door raffinaderijen.Regeling:Accijns vrijstelling tabak, alcohol en motorbrandstof diplomatiek personeel en medewerkers internationale organisatiesBeschrijving:Diplomatiek en consulair personeel en medewerkers van internationale organisaties (IO’s) genieten in Nederland bepaalde fiscale privileges, waaronder, afhankelijk van de functie van de betreffende functionaris en onder toepassing van quota, vrijstellingen van accijns op tabak, alcohol en motorbrandstof. Waar bepaalde fiscale privileges verplicht door Nederland dienen te worden verleend, geldt dat niet voor deze specifieke vrijstellingen. Dit zijn zogenoemde courtoisieprivileges.Doelstelling:Attractiviteit van Nederland als gastland voor diplomatieke missies en IO’s en hun personeel bevorderen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 69, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wet op de accijnsEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.AssurantiebelastingRegeling:ASB Vrijstelling Brede WeersverzekeringBeschrijving:De brede weersverzekering is een instrument voor agrariërs om weerrisico’s af te dekken. Deze verzekering is met ingang van 2020 vrijgesteld van assurantiebelasting.Doelstelling:Met de introductie van de vrijstelling van assurantiebelasting wordt beoogd de deelname van agrariërs aan de brede weersverzekering te stimuleren.Ministerie:LVVN, Artikel 21: Land- en tuinbouw.Wetsartikel:Artikel 24 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Evaluatie van de Subsidieregeling Brede Weersverzekering, Ecorys & Wageningen University, 2024.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Expertraming subsidiebenutting voor de premie brede weersverzekering op basis van informatie van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)Regeling:ASB Vrijstelling levensverzekeringenBeschrijving:Levensverzekeringen zijn vrijgesteld van de assurantiebelasting .Doelstelling:Het niet belasten van verzekeringen met een sociaal karakter, voorkomen van ontmoediging van sparen en voorkomen moeilijkheden in de uitvoering.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 24 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Jaarverslag van het Verbond van VerzekeraarsRegeling:ASB Vrijstelling ongevallen-, invaliditeits- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen125Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:Ongevallen-, invaliditeits-, en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zijn vrijgesteld van assurantiebelasting.Doelstelling:Het niet belasten van verzekeringen met een sociaal karakter.Ministerie:SZW, Artikel 3: Arbeidsongeschiktheid.Wetsartikel:Artikel 24 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Rapport over de omvang van de verzekeringsmarkt van het Verbond van VerzekeraarsRegeling:ASB Vrijstelling ziekte- en ziektekostenverzekering, zorgverzekering ZVWBeschrijving:Ziekte- en ziektekostenverzekeringen zijn vrijgesteld van de assurantiebelasting.Doelstelling:Het niet belasten van verzekeringen met een sociaal karakter.Ministerie:VWS, Premie Gefinancierde Zorguitgaven.Wetsartikel:Artikel 24 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Evaluatierapport assurantiebelasting Dialogic (2020)Regeling:ASB Vrijstelling werkloosheidsverzekeringenBeschrijving:Werkloosheidsverzekeringen zijn vrijgesteld van de assurantiebelasting.Doelstelling:Het niet belasten van verzekeringen met een sociaal karakter.Ministerie:SZW, Artikel 5: Werkloosheid.Wetsartikel:Artikel 24 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:ASB Vrijstelling zeeschepenBeschrijving:Verzekeringen van zeeschepen zijn vrijgesteld van de assurantiebelasting. Het gaat om cascoverzekeringen (het zeeschip zelf, niet de inhoud daarvan) en de risico’s die de reder heeft door het varen van een zeeschip.Doelstelling:Voorkomen van verstoring van de internationale concurrentieverhoudingenMinisterie:IenW, Artikel 18: Scheepvaart en Havens.Wetsartikel:Artikel 24 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Eindrapport Evaluatie Assurantiebelasting, Dialogic, 2020. Kamerstuk 2019-2020, 35 302 nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Op basis van evaluatierapport assurantiebelasting (2020) en jaarcijfers over de moniale premie-volume in de maritieme sectorRegeling:ASB Vrijstelling transportverzekeringenBeschrijving:Transportverzekeringen zijn vrijgesteld van de assurantiebelasting. Dit zijn verzekeringen tegen risico’s van schade als gevolg van vervoer van goederen over zee, land, binnenwateren en door de lucht. Het gaat ook om aansprakelijkheidsverzekeringen vanDoelstelling:Voorkomen van verstoring van de internationale concurrentieverhoudingen en vermijden dat bestaande handelsgebruiken worden doorbroken als gevolg van de heffing van assurantiebelasting.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 24 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Eindrapport Evaluatie Assurantiebelasting, Dialogic, 2020. Kamerstuk 2019-2020, 35 302 nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Op basis van evaluatierapport assurantiebelasting (2020) en financieel jaarverslag verzekeringsbrancheRegeling:ASB Vrijstelling exportkredietverzekeringenBeschrijving:Exportkredietverzekeringen zijn vrijgesteld van de assurantiebelasting. De vrijstelling geldt voor zowel publieke als private exportkredietverzekeringen.Doelstelling:Beschermen van de internationale concurrentiepositie van Nederlandse exporteurs.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 24 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Eindrapport Evaluatie Assurantiebelasting, Dialogic, 2020. Kamerstuk 2019-2020, 35 302 nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Op basis van jaarverslagen Atradius en Dutch State business126Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Regeling:ASB Vrijstelling luchtvaartuigenBeschrijving:Verzekeringen van luchtvaartuigen zijn vrijgesteld van de assurantiebelasting. Het gaat om cascoverzekeringen (het luchtvaartuig zelf, niet de inhoud daarvan).Doelstelling:Voorkomen van verstoring van de internationale concurrentieverhoudingenMinisterie:IenW, Artikel 17: Luchtvaart.Wetsartikel:Artikel 24 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Eindrapport Evaluatie Assurantiebelasting, Dialogic, 2020. Kamerstuk 2019-2020, 35 302 nr. 76.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.OverdrachtsbelastingRegeling:OVB Vrijstelling cultuurgrondBeschrijving:Vrijgesteld is de verkrijging van cultuurgrond – daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop – die ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd. Voorwaarde is dat de exploitatie van de cultuurgrond voor een aaneensluitende periode van tien jaar wordt voortgezet.Doelstelling:Landbouwstructuur verbeteren en voorkomen belasten van verplaatsing van land- en tuinbouwbedrijven als gevolg van overheidsingrijpenMinisterie:LVVN, Artikel 21: Land- en tuinbouw.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:IBO Agro-, visserij- en voedselketens, Fin, 2015. Kamerstukken II 2014-2015, 30 991, nr 25.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst t/m [t-9]. Vanaf [t-9] raming aan de hand van lange termijn ontwikkelingRegeling:OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeerBeschrijving:Vrijgesteld van overdrachtsbelasting is de verkrijging door een familielid van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan (de continuering) van een onderneming. De regeling vindt slechts toepassing indien de overdragende ondernemer een ouder of grootouder betreft en de onderneming in haar geheel (al dan niet in fasen) wordt voortgezet door het verkrijgende familielid.Doelstelling:Versnippering van de onderneming voorkomen en stimuleren bedrijfsopvolging tijdens leven.Ministerie:EZ, Artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Eindrapport Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2016. Kamerstukken II 2015-2016, 34 302 nr. R.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Cijfers Belastingdienst t/m [t-9]. Vanaf [t-9] raming aan de hand van lange termijn ontwikkelingRegeling:OVB Vrijstelling wijkontwikkelingsmaatschappijenBeschrijving:Wijkontwikkelingsmaatschappijen zijn tijdelijke samenwerkingsverbanden ter bevordering van stedelijke herstructurering. Door de vrijstelling kunnen betrokken partijen onder strikte voorwaarden onroerende zaken overdragen aan een WOM en later weer terug geleverd krijgen zonder verschuldigdheid van overdrachtsbelasting.Doelstelling:Stimulering van stedelijke herstructurering.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 15, eerste lid, onderdeel o en onderdeel oa, van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Evaluatie WOM-regeling, Companen, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 79.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB Vrijstelling wooninvesteringsfondsenBeschrijving:Woningcorporaties kunnen ter financiering van stedelijke herstructureringsprojecten woningen verkopen aan het speciaal daarvoor opgerichte Wooninvesteringsfonds. Die verkrijging is onder voorwaarden vrijgesteld.Doelstelling:Stimulering van stedelijke herstructurering.Ministerie:VRO, Artikel 15: Woningmarkt.Wetsartikel:Artikel 15, eerste lid, onderdeel n, van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB Vrijstelling inrichting landelijk gebied127Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:Vrijgesteld zijn verkrijgingen krachtens de Wet inrichting landelijk gebied. De vrijstelling bevordert de overdracht van de onroerende zaken via kavelruil en herverkaveling doordat de overdracht zonder overdrachtsbelasting kan plaatsvinden. Dit maakt het eenvoudiger om wegen, waterlopen en overige infrastructuur aan te leggen en gronden van eigenaren kunnen zo dichter bij elkaar worden gebracht.Doelstelling:Bevorderen structuurverbetering van het landelijk gebied door de aankoop en ruil van gronden te faciliteren.Ministerie:LVVN, Artikel 22: Natuur, visserij en gebiedsgericht werken.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB Vrijstelling Bureau Beheer LandbouwgrondenBeschrijving:Vrijgesteld zijn verkrijgingen door het Bureau Beheer Landbouwgronden.Vanaf 2019 is het Bureau Beheer Landbouwgronden gestopt met zijn werkzaamheden.Doelstelling:Structuurverbetering van het landelijk gebied.Ministerie:LVVN, Artikel 22: Natuur, visserij en gebiedsgericht werken.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB Vrijstelling natuurgrondBeschrijving:Vrijgesteld is de verkrijging van natuurgrond, daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop. De vrijstelling is beperkt tot grond. Voor zover er opstallen aanwezig zijn, is de vrijstelling daarop niet van toepassing. Als voorwaarde voor de vrijstelling geldt dat tot minimaal tien jaar na de verkrijging de natuurgrond nog steeds behouden en ontwikkeld wordt.Doelstelling:Bevorderen en behoud van natuurschoon in handen van private partijen.Ministerie:LVVN, Artikel 22: Natuur, visserij en gebiedsgericht werken.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB Vrijstelling inbreng of omzetting van een ondernemingBeschrijving:Als er sprake is van inbreng van onroerende zaken in een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap of als een onderneming wordt omgezet in een nv of bv is onder voorwaarden een vrijstelling van toepassing.Doelstelling:Het rechtsverkeer niet belemmeren voor ondernemers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling verdeling of vereffening vermogen van een onderneming/vennootschap (f)Beschrijving:Een verkrijging krachtens verdeling of vereffening van het vermogen van een onderneming/vennootschap is vrijgesteld wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Deze vrijstelling betreft de keerzijde van de vrijstelling voor inbreng of omzetting.Doelstelling:Het rechtsverkeer niet belemmeren voor ondernemers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling verdeling gemeenschap samenwonersBeschrijving:Een verkrijging krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners is vrijgesteld mits aan de voorwaarden wordt voldaan.Doelstelling:Het voorkomen van situaties die niet rechtvaardig worden geacht.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.128Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling juridische fusieBeschrijving:Wanneer sprake is van een juridische fusie is onder voorwaarden een vrijstelling van toepassingDoelstelling:Het rechtsverkeer niet belemmeren voor ondernemers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling bedrijfsfusieBeschrijving:Wanneer sprake is van een bedrijfsfusie is onder voorwaarden een vrijstelling van toepassingDoelstelling:Het rechtsverkeer niet belemmeren voor ondernemers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling interne reorganisatieBeschrijving:Bij een interne reorganisatie is onder voorwaarden een vrijstelling van toepassing.Doelstelling:Het rechtsverkeer niet belemmeren voor ondernemers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling juridische splitsingBeschrijving:Bij een juridische splitsing is onder voorwaarden een vrijstelling van toepassing.Doelstelling:Het rechtsverkeer niet belemmeren voor ondernemers.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling taakoverdracht tussen vereniging of ANBIBeschrijving:Wanneer sprake is van een taakoverdracht door een vereniging of algemeen nut beogende instelling is onder voorwaarden een vrijstelling van toepassing.Doelstelling:Het rechtsverkeer niet belemmeren.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling door verkrijger aangebrachte zakenBeschrijving:Wanneer een zaak wordt verkregen die is aangebracht door of in opdracht en voor rekening van de verkrijger is de verkrijging van de zaak vrijgesteld, voor zover de waarde van de verkregen onroerende zaak door de verkrijging van de zelf aangebrachte zaak is toegenomen.Doelstelling:Het voorkomen van situaties die niet rechtvaardig worden geacht.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.129Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling bodembestanddelenBeschrijving:Wanneer bodembestanddelen zoals zand, grind, veen en terpaarde als gevolg van een beding geacht worden niet te zijn geleverd is hierover geen OVB verschuldigd.Doelstelling:Het voorkomen van situaties die niet rechtvaardig worden geacht.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling kabels en leidingenBeschrijving:Als een netwerk voor transport van stoffen, energie of informatie wordt verkregen is dit vrijgesteld.Doelstelling:Het voorkomen van situaties die niet rechtvaardig worden geacht.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling publiekrechtelijke lichamenBeschrijving:Verkrijging van onroerende zaken door publiekrechtelijke lichamen (o.a. de Staat, provincie, gemeente, waterschap) is vrijgesteld van overdrachtsbelasting.Doelstelling:Het afbakenen van de grondslag.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling onderwijsBeschrijving:Er geldt in bepaalde gevallen een vrijstelling als een onroerende zaak die bestemd is voor onderwijs wordt verkregen door een onderwijsinstelling.Doelstelling:Het afbakenen van de grondslag.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling herstel art.19Beschrijving:Op basis van art. 19 WBR kan op verzoek teruggaaf worden verleend als de toestand vóór een verkrijging feitelijk en rechtens wordt hersteld als gevolg van een vervulling van een ontbindende voorwaarde, nietigheid of vernietiging en ontbinding wegens niet-nakoming van een verbintenis. Voor het geval een situatie als bedoeld in art. 19 WBR leidt tot teruglevering, is de verkrijging vrijgesteld.Doelstelling:Het voorkomen van situaties die niet rechtvaardig worden geacht.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling staatsbosbeheer130Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beschrijving:De verkrijging van bepaalde objecten door Staatsbosbeheer is vrijgesteld zolang het niet gaat om bedrijfsondersteunende onroerende zaken.Doelstelling:Het afbakenen van de grondslag.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling samenloop omzetbelastingBeschrijving:Voorkomt dat er in bepaalde situaties zowel overdrachtsbelasting als omzetbelasting verschuldigd is. Wanneer de levering van het onroerend goed van rechtswege is belast met btw is er geen overdrachtsbelasting verschuldigd.Doelstelling:Het voorkomen van dubbele belastingheffing.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Regeling:OVB vrijstelling wilsrechtBeschrijving:Een verkrijging krachtens erfrecht is geen belastbare verkrijging op grond van artikel 3 lid 1 WBR. Een verkrijging krachtens uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 van boek 4 van het Burgerlijk Wetboek is wel een belastbare verkrijging, maar deze is vrijgesteld.Doelstelling:Het voorkomen van dubbele belastingheffing.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeerEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.BankenbelastingRegeling:Drempelbedrag bankenbelastingBeschrijving:De bankenbelasting kent een doelmatigheidsvrijstelling. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de belastbare som, doch niet verder dan tot nihil.Doelstelling:Het doel is ten eerste een gelijker speelveld creëren tussen grote en kleine banken. Dat speelveld was in het voordeel van grote banken dankzij schaalvoordelen en goedkopere leningen dankzij de impliciete overheidsgarantie. Het tweede doel is het beperken van de administratieve lasten bij banken en de uitvoeringslasten bij de Belastingdienst.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 9 van de Wet bankenbelastingEvaluatie:Evaluatie bankenbelasting 2021, FIN, 2021. Kamerstukken II 2021-2022, 32 545, nr. 151.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.KansspelbelastingRegeling:Kleine prijzenvrijstelling/Vrijstelling prijzen onder 449 euroBeschrijving:Loterijen betalen kansspelbelasting over uitgekeerde prijzen. Prijzen tot € 449 zijn volledig vrijgesteld.Doelstelling:Kleine prijzen buiten de kansspelbelasting houden en organisatoren van kansspelen niet op zadelen met veel administratieve lasten voor kleine prijzen.Ministerie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 4 van de Wet op de kansspelbelastingEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Geen raming.Verbruiksbelasting131Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Regeling:Vrijstellingen mineraalwaterBeschrijving:Over mineraalwater wordt geen verbruiksbelasting alcoholvrije dranken betaald.Doelstelling:Stimuleren gezond gedragMinisterie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 6 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije drankenEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Op basis van aangiftecijfers van de belastingdienst kan de omvang geschat worden. Wanneer de vrijstelling wordt ingevoerd is deze informatie niet meer beschikbaar. Reeks bevat geen realisaties.Regeling:Vrijstellingen melkBeschrijving:Over zuivel wordt geen verbruiksbelasting alcoholvrije dranken betaaldDoelstelling:Stimuleren gezond gedragMinisterie:Fin, Artikel 1: Belastingen.Wetsartikel:Artikel 9, derde lid, onderdeel a (;en onderdeel b voor soja), van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije drankenEvaluatie:N.v.t.Horizonbepaling:N.v.t.Ramingsgrond:Op basis van cijfers van het RIVM kan bepaald worden hoe groot de zuivelconsumptie is. Dit wordt vermenigvuldig met het tarief van de verbruiksbelasting alcoholvrije dranken. Reeks bevat een realisaties.1Zie hier de visualisatie met het budgettair belang, achtergrond van de ontwikkeling, en een hyperlink naar het wetsartikel en evaluatie per fiscale regelingen in de Miljoenennota 2025.AfkortingenASBAssurantiebelastingBPMBelasting van personenauto’s en motorrijwielenBTWBelasting over de toegevoegde waardeEBEnergiebelastingIBInkomstenbelastingLBLoonbelastingMIMOSIMicrosimulatiemodel van het Centraal Planbureau (CPB)MRBMotorrijtuigenbelastingOVBOverdrachtsbelastingVPBVennootschapsbelasting132Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 12 ACCRES GEMEENTEFONDS EN PROVINCIEFONDSUitgangspunten en actualiteitDe ontwikkeling van de algemene uitkering wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling van het accres. In de voorjaarsnota van het lopend jaar wordt de tranche van het lopend jaar definitief. In deze Miljoenennota is een nieuwe accresraming opgenomen voor het jaar 2025 en verder.Dit voorjaar is in constructief overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) besloten de nieuwe normeringssystematiek vervroegd in te voeren. Dit houdt in dat de koppeling van het accres aan de bbp-ontwikkeling per 2024 is ingevoerd. Uitgangspunt is dat de fondsen (GF en PF) meerjarig de ontwikkeling van het nominaal bruto binnenlands product volgen. De normering is gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. De volumeontwikkeling van de fondsen is gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp, waardoor het fonds minder schommelt. De normering voor inflatie volgt de prijs bbp van het lopende jaar, waardoor de fondsen reëel ‘op niveau’ blijven.Met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is afgesproken dat in de toekomst (een nader te bepalen deel) van de Wmo niet langer via de algemene uitkering van het Gemeentefonds gaat, maar via een aparte financiering. Vooruitlopend op de uitwerking is een jaarlijks tranche van 75 miljoen euro vanaf 2026 oplopend tot 300 miljoen euro in 2029 gereserveerd. Het kabinet hevelt deze middelen bij deze Miljoenennota 2025 over naar het accres zodat gemeenten hier rekening mee kunnen houden in hun (meerjaren) begroting. Deze vaste bedragen lopen niet mee in de actualisatie van het accres.In de Miljoenennota is het accres voor het jaar 2025 en verder geactualiseerd op basis van de actuele raming van de ontwikkeling van het bbp door het Centraal Planbureau (CPB) (MEV25). In de onderstaande tabel 12.1 zijn de actuele cijfers opgenomen:133Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 12.1 Grondslag en indicesBedragen in miljoenen euro en procenten20252026202720282029Gemeentefondsuitgaven (voor zover onderdeel van de accresgrondslag)39.28836.81536.66136.52336.509Provinciefondsuitgaven (voor zover onderdeel van de accresgrondslag)3.3903.1853.1473.1443.143Begrotingsmoment van de grondslagMN25MN25MN25MN25MN25Indices CPB bbp MEV 25Volume bbp (8-jaars gemiddelde)2,0%1,8%1,7%1,5%1,5%Prijs bbp2,7%2,7%2,6%2,4%2,4%Gecombineerde bbp index4,80%4,52%4,33%3,99%3,92%Indices CPB bbp CEP 24Volume bbp (8-jaars gemiddelde)2,1%2,0%1,8%1,7%1,6%Prijs bbp2,3%2,6%2,6%2,5%2,5%Gecombineerde bbp index4,45%4,61%4,45%4,22%4,11%Verschil (nieuw-oud)Volume bbp (8-jaars gemiddelde)‒ 0,1%‒ 0,1%‒ 0,1%‒ 0,1%‒ 0,1%Prijs bbp0,4%0,0%0,0%‒ 0,1%‒ 0,1%Voor 2025 is de raming voor de prijs bbp omhoog bijgesteld. Voor de jaren 2025 t/m 2029 is de raming van het historisch gemiddelde (t-9 t/m t-2) van de volume bbp ontwikkeling neerwaarts bijgesteld ten opzichte van de voorjaarsnota. Accres GemeentefondsOnderstaande tabel 12.2 bevat het accres voor het Gemeentefonds voor 2025 en verder zoals opgenomen in de Voorjaarsnota 2024 op basis van de bbp cijfers uit het CEP24. Tabel 12.3 bevat het accres voor het Gemeentefonds voor 2025 en verder zoals opgenomen in deze Miljoenennota 2025 op basis van de recente bbp cijfers uit de MEV25. Tabel 12.4 bevat de mutaties in het accres tussen de stand Voorjaarsnota 2024 en de stand Miljoenennota 2025.Tabel 12.2 Accres Voorjaarsnota 2024Bedragen in miljoenen euro20252026202720282029tranche 2025 volume812761759756755tranche 2025 prijs908851849845845tranche 2026 volume742740737736tranche 2026 prijs1.0031.001997996tranche 2027 volume711708707tranche 2027 prijs1.0451.0411.040tranche 2028 volume690690tranche 2028 prijs1.0441.043tranche 2029 volume676tranche 2029 prijs1.086Totaal accres1.7203.3575.1046.8178.575134Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 12.3 Accres Miljoenennota 2025Bedragen in miljoenen euro20252026202720282029tranche 2025 volume798747744741741tranche 2025 prijs1.0861.0181.0141.0101.009tranche 2026 volume702699697696tranche 2026 prijs1.0411.0371.0331.032tranche 2027 volume663660660tranche 2027 prijs1.0781.0741.073tranche 2028 volume639638tranche 2028 prijs1.0251.025tranche 2029 volume633tranche 2029 prijs1.065Totaal accres1.8843.5085.2346.8788.574Tabel 12.4 Mutatie sinds VoorjaarsnotaBedragen in miljoenen euro20252026202720282029tranche 2025 volume‒ 14‒ 14‒ 15‒ 14‒ 14tranche 2025 prijs178167165165165tranche 2026 volume‒ 40‒ 41‒ 40‒ 40tranche 2026 prijs38363636tranche 2027 volume‒ 48‒ 48‒ 48tranche 2027 prijs333333tranche 2028 volume‒ 51‒ 51tranche 2028 prijs‒ 19‒ 18tranche 2029 volume‒ 43tranche 2029 prijs‒ 21Totaal accres16415213061‒ 1Accres ProvinciefondsOnderstaande tabel 12.5 bevat het accres voor het Provinciefonds voor 2025 en verder zoals opgenomen in de Voorjaarsnota 2024 op basis van de bbp cijfers uit het CEP24. Tabel 12.6 bevat het accres voor het provinciefonds voor 2025 en verder zoals opgenomen in de Miljoenennota 2025 op basis van de recente bbp cijfers uit de MEV25. Tabel 12.7 bevat de mutaties in het accres tussen de stand Voorjaarsnota 2024 en de stand Miljoenennota 2025.Tabel 12.5 Accres Voorjaarsnota 2024Bedragen in miljoenen euro20252026202720282029tranche 2025 volume6863636363tranche 2025 prijs7671707070tranche 2026 volume62616161tranche 2026 prijs84838383tranche 2027 volume595959tranche 2027 prijs868686tranche 2028 volume5757tranche 2028 prijs8787tranche 2029 volume56tranche 2029 prijs90Totaal accres143280421565711135Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 12.6 Accres Miljoenennota 2025Bedragen in miljoenen euro20252026202720282029tranche 2025 volume6965646464tranche 2025 prijs9488878787tranche 2026 volume61606060tranche 2026 prijs90898989tranche 2027 volume575757tranche 2027 prijs929292tranche 2028 volume5555tranche 2028 prijs8888tranche 2029 volume55tranche 2029 prijs92Totaal accres163304449592738Tabel 12.7 Mutatie sinds VoorjaarsnotaBedragen in miljoenen euro20252026202720282029tranche 2025 volume11111tranche 2025 prijs1817171717tranche 2026 volume‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1tranche 2026 prijs6666tranche 2027 volume‒ 2‒ 2‒ 2tranche 2027 prijs666tranche 2028 volume‒ 2‒ 2tranche 2028 prijs22tranche 2029 volume‒ 2tranche 2029 prijs2Totaal accres1924282727Doorwerking afspraken bbp-systematiek op plafond Btw-compensatiefondsDe bijdrage van het Rijk aan het Btw-compensatiefonds (hierna: BCF) is geplafonneerd. Het plafond van het BCF is sinds 2015 gekoppeld aan de accrespercentages vanr het Gemeentefonds en Provinciefonds.Het plafond van het BCF wordt daarnaast aangepast voor taakmutaties (zoals decentralisaties) die gepaard gaan met toevoegingen of onttrekkingen aan het BCF. Hierdoor hebben decentralisaties geen effect op de ruimte onder het plafond van het BCF.Als het plafond overschreden wordt, komt het verschil ten laste van het Gemeente- en het Provinciefonds. Bij een realisatie lager dan het plafond komt het verschil ten gunste van het Gemeente- en Provinciefonds. Hierdoor zijn het BCF en het Gemeente- en Provinciefonds communicerende vaten.Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het BCF-plafond voor het aandeel gemeentes en provincies weer sinds Voorjaarsnota 2024.136Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 12.8 Geraamd plafond BCF(in miljoenen euro)202420252026202720282029BCF Plafond totaal489049735212542356395849Plafond aandeel gemeenten VJN24422743964593479249955193Taakmutaties3187000Toevoeging accres sinds voorjaarsnota015126‒ 5‒ 17Plafond aandeel gemeenten MN25425844194612479949905176Uitputting gemeenten381138113811381138113811Ruimte onder plafond gemeenten44760880198811791365Plafond aandeel provincies VJN24616552598623650676Taakmutaties1700000Toevoeging accres sinds voorjaarsnota0210‒ 1‒ 3Plafond aandeel provincies MN25633554599624648673Uitputting provincies438438438438438438Ruimte onder plafond provincies195116161186211236137Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 13 OVERZICHT RISICOREGELINGEN VAN HET RIJKIn de tabellen 13.1 t/m 13.5 wordt een totaaloverzicht gegeven van de verschillende soorten risicoregelingen van het Rijk. Voor details over onderstaande garantieregelingen, achterborgstellingen en leningen wordt verwezen naar de begrotingen van de betreffende vakdepartementen.GarantiesEen garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van het Rijk aan een derde partij buiten het Rijk. Hiermee staat de overheid garant voor bepaalde (internationale) financiële verplichtingen, en neemt het de verplichting over als de partij waaraan de garantie is verleend deze niet langer kan nakomen. Garantieregelingen worden als verplichting opgenomen in de begroting van het betreffende vakdepartement.De tabellen 13.1 en 13.2 bevatten alle garantieregelingen van het Rijk aan partijen buiten het Rijk. Alle regelingen met een uitstaand risico, een risicoplafond en mutaties kleiner dan 100 miljoen euro zijn samengevat in de post «Overig». Het overzicht bevat alle garanties met de stand van het uitstaand risico in 2023, en de ramingen voor 2024 en 2025. Ontwikkelingen vanaf 1 september zijn niet in het overzicht opgenomen. Deze worden meegenomen in het overzicht van risicoregelingen bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk 2024.In het overzicht worden achtereenvolgens de begroting (b), het begrotingsartikel (a) en de omschrijving van de garantie weergegeven. Daarachter staat onder het kopje «uitstaande garanties» het bedrag dat daadwerkelijk als voorwaardelijke verplichting is verleend dan wel door de Tweede Kamer is geautoriseerd. Onder de uitstaande garanties vallen ook garanties die in eerdere jaren zijn verstrekt. In 2024 en 2025 worden er garanties verleend, maar komen er ook garanties te vervallen. De geraamde toename en afname van de garanties wordt gepresenteerd in de kolommen «Geraamd te verlenen» en «Geraamd te vervallen».Een garantieregeling van het Rijk kent in principe altijd een maximum, het garantieplafond. Dit plafond kan een jaarlijks plafond zijn (per jaar mag een maximaal bedrag aan garanties worden verleend) of een totaalplafond (er mogen nooit meer garanties verleend worden dan het plafond). In Tabel 13.1 is onderscheid gemaakt tussen beide soorten plafonds. Bij garanties aan internationale organisaties is ervoor gekozen om het garantieplafond gelijk te stellen aan de uitstaande garanties. Hiervan is sprake bij onder andere de Europese garanties (EFSF, EFSM en ESM) en de garanties aan grote internationale financiële instellingen (IMF en Wereldbank). Bij regelingen waar geen plafond is afgesproken, is het totaalplafond ook gelijkgesteld aan de uitstaande garanties. Het uitstaand risico van de reguliere garanties neemt naar verwachting af ten opzichte van 2023. In 2024 neemt het uitstaand risico met bijna 1,1 mld. euro af van 207,5 mld. euro tot 206,4 mld. euro. In 2025 neemt het risico naar verwachting toe met 0,8 mld. euro, maar blijft hiermee onder het niveau van 2023. De per saldo daling van de uitstaande garanties is hoofdzakelijk toe te wijzen aan de garantieregeling voor het Single Resolution Fund. Deze garantie komt in 2024 geheel te vervallen.Om de risico’s voor de overheidsfinanciën te beheersen, en een goede afweging tussen verschillende beleidsinstrumenten te bevorderen, wordt een ‘nee-tenzij’-beleid gevoerd ten aanzien van risicoregelingen. Dit beleid is vastgelegd in de begrotingsregels en houdt in dat er terughoudend 138Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 wordt omgegaan met het aangaan van nieuwe, en verruimingen van bestaande regelingen. In sommige gevallen kan het verstandig zijn om nieuwe risico’s aan te gaan, bijvoorbeeld tijdens een acute crisis, maar hiervoor is een goede onderbouwing noodzakelijk. Deze controle aan de poort heeft concreet vorm gekregen in het Toetsingskader Risicoregelingen, dat eveneens is vastgelegd in de begrotingsregels. Dit toetsingskader zorgt ervoor dat we ook in onzekere tijden een degelijke afweging blijven maken. Bij consequente toepassing in de toekomst zullen de uitstaande risico’s na een crisis naar verwachting weer afnemen.Tijdens de coronacrisis waren risicoregelingen een belangrijk onderdeel van de noodpakketten om de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Met een relatief beperkte budgettaire impact is het mogelijk gebleken om een fikse ondersteuning te bieden aan de nationale en internationale economie. Wel is het uitstaand risico hierdoor destijds sterk toegenomen. Nu deze crisis achter ons ligt bouwt het uitstaande risico binnen deze garanties sterk af. Tabel 13.2 geeft het resterend uitstaande risico van de coronagerelateerde garantieregelingen weer. De coronagerelateerde garantieregelingen verschillen van de reguliere garantieregelingen wat betreft de financiering en de dekking. Waar uitgaven en ontvangsten van reguliere garantieregelingen op een departementale begroting plaatsvinden, geldt voor coronagerelateerde garantieregelingen dat eventuele schades worden gefinancierd vanuit de staatsschuld. Indien er een premie wordt gevraagd vloeit deze ook in de staatsschuld.De resterende coronagerelateerde garantieregelingen nemen in 2024 en 2025 af met ruim 0,6 mld. euro van 7,6 mld. euro tot 7 mld. euro. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat ruim 6,9 mld. euro hiervan de internationale garanties voor het pan Europees Garantiefonds en Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE) betreffen. De nationale garantieregelingen zijn nagenoeg allemaal komen te vervallen. In 2023 resteerde 0,2 mld. euro aan uitstaande garanties binnen deze regelingen, die in 2024 en 2025 sterk blijven dalen of in het geheel komen te vervallen. Het totaalbedrag aan uitstaande garanties van het Rijk neemt in 2024 naar verwachting af van 215,1 mld. euro naar 213,5 mld. euro. In 2025 neemt het uitstaande risico toe tot 214,2 mld. euro.139Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 13.1 Garantieregelingen van het Rijk (in miljoenen euro)baomschrijvingUitstaande garantiesGeraamd te verlenenGeraamd te vervallenUitstaande garantiesGarantie-plafondGeraamd te verlenenGeraamd te vervallenUitstaande garantiesGarantie-plafondTotaal-plafond202320242024202420242025202520252025V3Raad van Europa176,7110,7‒287,4‒‒‒287,4‒287,4VIII7Bouwleningen academische ziekenhuizen100,4‒‒100,4‒‒‒100,4‒176,6VIII14Achterborgovereenkomst NRF373,729,029,2373,5‒‒‒373,5‒380,0VIII14Indemniteitsregeling194,4237,7194,4237,7‒‒‒237,7‒450,0IXB2Single Resolution Fund4.163,5‒4.163,5‒‒‒‒‒‒‒IXB2WAKO (kernongevallen)9.200,0‒‒9.200,0‒‒‒9.200,0‒9.200,0IXB3Financieringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (FMO)14.494,1269,1‒14.763,2‒‒‒14.763,2‒14.763,2IXB4Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)747,413,9‒761,2‒‒‒761,2‒761,2IXB4DNB - deelneming in kapitaal IMF31.584,62.085,72.141,831.528,5‒‒‒31.528,5‒31.528,5IXB4European Bank for Reconstruction and Development (EBRD)589,1‒‒589,1‒‒‒589,1‒589,1IXB4European Financial Stabilisation Mechnism (EFSM)2.435,7254,9‒2.690,6‒‒‒2.690,6‒2.690,6IXB4European Financial Stability Facility (EFSF)34.154,2‒‒34.154,2‒‒‒34.154,2‒34.154,2IXB4European Investment Bank (EIB)11.796,0‒‒11.796,0‒‒‒11.796,0‒11.796,0IXB4European Stability Mechanism (ESM)35.338,9‒‒35.338,9‒‒‒35.338,9‒35.338,9IXB4Headroomgarantie macro-financiële bijstand (MFB)1.062,027,2‒1.089,2‒‒‒1.089,2‒1.089,2IXB4Kredieten EU-betalingsbalanssteun3.776,094,1‒3.870,1‒‒‒3.870,1‒3.870,1IXB4Macro-financiële bijstand (MFB)215,4‒‒215,4‒‒‒215,4‒215,4IXB4Next Generation EU (NGEU)27.869,5584,3‒28.453,8‒‒‒28.453,8‒28.453,8IXB4Wereldbank5.404,898,5‒5.503,3‒‒‒5.503,3‒5.503,3IXB5Exportkredietverzekering17.862,8‒‒17.862,810.000,0‒‒17.862,810.000,0‒XIII2Borgstelling MKB Kredieten (BMKB)1.300,8765,0423,71.642,1765,0765,0423,71.983,4765,0‒XIII2Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)213,3400,091,0522,3400,0400,091,0831,3400,0‒XIII2Groeifaciliteit51,085,08,7127,385,085,08,7203,785,0‒XIV21Borgstelling MKB- Landbouwkredieten (BL, BL plus en landbouwinnovatie)271,6‒‒271,678,2‒‒271,678,2‒XIV22Garantie voor natuurgebieden en landschappen242,7‒‒242,7‒‒‒242,7‒242,7XVI2/3Instellingen voor de gezondheidszorg113,1‒18,994,2‒‒16,677,6‒94,2XVII1Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)101,050,0‒151,0‒50,0‒201,0‒675,0XVII5Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken3.123,2915,010,04.028,2‒‒10,04.018,2‒4.038,2Overig519,454,838,2536,073,383,019,6599,473,3880,0Subtotaal reguliere garanties207.475,26.075,07.119,4206.430,811.401,51.383,0569,6207.244,211.401,5187.177,7140Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 13.2 Coronagerelateerde garantieregelingen van het Rijk (in miljoenen euro)baomschrijvingUitstaande garantiesGeraamd te verlenenGeraamd te vervallenUitstaande garantiesGarantie-plafondGeraamd te verlenenGeraamd te vervallenUitstaande garantiesGarantie-plafondTotaal-plafond202320242024202420242025202520252025IXB4EIB - pan Europees Garantiefonds1.291,8‒320,3971,5‒‒‒971,5‒971,5IXB4Support to mitigate Unemployment Risks in an Emergency (SURE)6.143,5‒159,65.983,9‒‒‒5.983,9‒5.983,9XIII2Borgstelling MKB Kredieten-Corona (BMKB-C)103,5‒82,920,6‒‒10,310,3‒735,0XIII2Garantie Ondernemingsfinanciering-Corona (GO-C)57,0‒19,038,0‒‒19,019,0‒2.100,0XIII2Klein Krediet Corona25,9‒14,211,7‒‒11,60,0‒250,0XIV21Borgstelling MKB- Landbouwkredieten Corona (BL-C)*‒‒‒‒‒‒‒‒‒180,0XVI1Garantie Bestuurlijke aansprakelijkheid SON2,5‒‒2,5‒‒‒2,5‒2,5Subtotaal coronagerelateerde garanties7.624,3‒596,17.028,2‒‒41,06.987,2‒10.222,9subtotaal reguliere garanties207.475,26.075,07.119,4206.430,811.401,51.383,0569,6207.244,211.401,5187.177,7Totaal215.099,56.075,07.715,5213.459,011.401,51.383,0610,6214.231,411.401,5197.400,6141Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 13.3 bevat de uitgaven en ontvangsten gerelateerd aan de door het Rijk verstrekte garanties in 2024 en 2025. Alleen garanties waarop daadwerkelijk uitgaven en ontvangsten worden geraamd staan weergegeven in de tabel. De getoonde uitgaven betreffen hoofdzakelijk schade-uitkeringen op afgegeven garanties. De in de tabel getoonde ontvangsten betreffen zowel ontvangen premies en provisies als op derden verhaalde (schade-)uitkeringen.Tabel 13.3 Uitgaven en ontvangen door het Rijk verstrekte garanties (in duizenden euro)UitgavenOntvangstenUitgavenOntvangstenbaomschrijving2024202420252025Coronagerelateerde garantiesXIII2Garantie Ondernemingsfinanciering Corona (GO-C)15.000015.0000Subtotaal coronagerelateerde garanties15.000015.0000Reguliere garantiesVI33Garantiestelling Faillissementscuratoren dienst JUSTIS2.20002.2000IXB2Terrorismeschades (NHT)06250625IXB2WAKO (kernongevallen)06120612IXB3Financieringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (FMO)01.00001.000IXB5Exportkredietverzekering015.00000XIII2Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)42.22833.00040.24833.000XIII2Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)11.74513.00011.74513.000XIII2Groeifaciliteit8.9728.0008.9728.000XVII1Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)5.0003.00010.0007.000XVII1Garantie Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)7.0001.00010.0007.000XVII5Garanties IS-NIO01.21401.048Subtotaal reguliere garanties77.14576.45183.16571.285Totaal92.14576.45198.16571.285AchterborgstellingenNaast het risico uit garantieregelingen staat het Rijk ook indirect bloot aan risico’s uit achterborgstellingen. In die gevallen wordt de daadwerkelijke garantieverplichting niet afgegeven door het Rijk maar door een daarvoor aangewezen tussenpersoon in de vorm van een stichting. In de begroting van het betreffende vakdepartement worden achterborgstellingen daarom niet als verplichting opgenomen. Het Rijk wordt pas aangesproken zodra de tussenpersoon niet aan haar verplichtingen kan voldoen. De achterborgstellingen zijn opgenomen in Tabel 13.4.Het risico uit de achterborgstellingen in Tabel 13.4 is niet één op één te vergelijken met het risico uit de garantieregelingen in tabellen 13.1 en 13.2. Dit komt omdat het risico over meerdere partijen wordt gespreid. Per achterborgstelling zijn er verschillende mogelijkheden om eventuele schade te dekken. Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) beschikt over een fondsvermogen en kan daarnaast indien nodig obligo ophalen bij deelnemende woningcorporaties. Op het gecommitteerd obligo doet WSW alleen een beroep wanneer dat noodzakelijk is om middelen in liquide vorm beschikbaar te hebben voortvloeiend uit het risicovermogen in relatie tot geborgde verplichtingen. Ook kunnen woningcorporaties in financiële problemen onder bepaalde voorwaarden een aanvraag doen voor saneringssteun. Saneringssteun wordt bekostigd via een heffing aan corporaties en deze middelen lopen via een risicovoorziening op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Alle 142Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 woningcorporaties zijn op basis van de wet verplicht om deze heffing te betalen. Financiële problemen bij corporaties worden in eerste instantie dus betaald door de corporatiesector zelf via het fondsvermogen WSW, obligo en de saneringsheffing. Pas daarna komen Rijk en gemeenten in beeld via de achtervang. De achtervang is nog niet eerder aangesproken.De Stichting Waarborgfonds Zorg (WFZ) kent een soortgelijke regeling. Ook hier wordt eerst het bufferkapitaal van de stichting aangesproken om schade te dekken. Daarna moeten de zorginstellingen met een door het WFZ geborgde lening een percentage (maximaal 3 procent van de uitstaande garanties van de deelnemende zorginstelling) van het leningenbedrag afdragen (obligo). Mocht dit onvoldoende zijn om de verplichtingen van het WFZ na te komen, dan kan het WFZ een beroep doen op het Rijk. Bij het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) geldt geen obligoverplichting. Hier dienen huizen als onderpand, waardoor de schade zich beperkt tot eventuele restschulden na gedwongen verkoop. Het WEW teert bij verlies direct in op het bufferkapitaal.Daarnaast worden bij twee achterborgstellingen de risico’s gedeeld met gemeenten. Zo worden de verplichtingen die het WEW voor 1 januari 2011 is aangegaan voor 50 procent gedekt door gemeenten en voor 50 procent door het Rijk. Verplichtingen aangegaan na deze datum worden volledig door het Rijk gedekt. Bij het WSW wordt de gehele positie evenredig met gemeenten gedeeld.Tabel 13.4 Achterborgstellingen (in miljoenen euro)RealisatieRamingRaming202320242025Totaal Achterborgstellingen293.289313.873337.887Stichting Waarborgfonds Zorg5.9665.9425.861Waarborgfonds Sociale Woningbouw88.35597.933111.232Waarborgfonds Eigen Woningen198.968209.998220.794BufferkapitaalStichting Waarborgfonds Zorg290309319Waarborgfonds Sociale Woningbouw584576637Waarborgfonds Eigen Woningen1.6801.7591.849ObligoStichting Waarborgfonds Zorg179178176Waarborgfonds Sociale Woningbouw1182693LeningenWe spreken van een lening als het Rijk middelen verstrekt aan een derde buiten het Rijk met een afgesproken aflossingsschema en rente. Is aan een van beide voorwaarden niet voldaan, dan is sprake van een uitgave. Ook leningen vormen een risico voor het begrotingssaldo, namelijk als de ontvanger van die lening niet in staat blijkt de lening (in zijn geheel) af te lossen of de rentevergoeding te betalen. In dat geval derft het Rijk inkomsten (niet-belastingontvangsten die geraamd zijn). Die derving belast het uitgavenkader. Bij leningen die zijn afgegeven in andere valuta is er ook een wisselkoersrisico voor het Rijk.Tijdens de coronacrisis zijn er diverse leningen afgegeven door het Rijk. Deze leningen kennen een beperkte looptijd en vaak is er geen risicovoorziening vormgegeven. Een overzicht van de uitstaande leningen van het Rijk 143Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 wordt gepresenteerd in Tabel 13.5. Het bedrag aan uitstaande leningen is in 2024 fors toegenomen omdat in januari een lening aan TenneT is verstrekt van 25 miljard euro en in augustus deze leenfaciliteit verder is uitgebreid met 19,4 miljard euro. Het Rijk heeft deze middelen beschikbaar gesteld zodat TenneT grote investeringen in de uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet kan realiseren.Tabel 13.5 Door het Rijk verstrekte leningen (in miljoenen euro)bOmschrijvingUitstaand risicoLooptijd2024Coronagerelateerde leningenIVLiquiditeitssteun Aruba442,22043IVLiquiditeitssteun Curaçao448,32024IVLiquiditeitssteun Sint-Maarten155,32024IVInvest-NL Capital N.V. SIF64,82029XIIICorona overbruggingslening (COL-faciliteit) voor start-ups en scale-ups230,82026XIIILening Stichting Garantiefonds Reisgelden138,72028Subtotaal coronagerelateerde leningen1.480,1Reguliere leningenIXBLening Griekenland2.393,12040IXBLening TenneT44.4002042IXBLening Oekraïne2002032XIIISteun aan IHC (voorheen Royal IHC)5onbepaalde tijdSubtotaal reguliere leningen46.998,1Totaal48.478,2144Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 14 VERBETERING INFORMATIEVOORZIENING IN EN ROND BEGROTINGENDe Kamerbrief van 11 december 2019 bevat een toezegging om in de Miljoenennota en het Financieel Jaarverslag Rijk in te gaan op de informatievoorziening in en rond begrotingen. Deze paragraaf gaat in op de geplande ontwikkelingen voor 2023. Hierbij wordt ingegaan op drie specifieke onderwerpen: de verbetervoorstellen voortkomend uit de evaluatie van het verslaggevingsstelsel, de digitalisering van het begrotings- en verantwoordingsproces en de versterking van het evaluatiestelsel.Tegelijk wordt onderkend dat er verschillende andere ontwikkelingen zijn die betrekking hebben op het verkrijgen van een duidelijkere zicht tussen beleid, instrumenten, resultaten en budget (bijvoorbeeld het betrekken van Brede Welvaart in het begrotingsproces). In de Kamerbrief over de evaluatie van de Comptabiliteitswet is aangegeven dat in de loop van 2023 een hoofdlijnennotitie wordt opgesteld waarin de verschillende ontwikkelingen van de diverse onderdelen van het comptabele bestel inzichtelijk worden gemaakt. Tevens wordt hierin aangegeven welke eventuele aanvullende acties nodig zijn.Verbetervoorstellen voortkomend uit evaluatie verslaggevingsstelselNaar aanleiding van de evaluatie van het rijksbrede verslaggevingsstelsel is het verbetervoorstel gedaan om toekomstige financiële risico's in de begroting en/of verantwoording inzichtelijk te maken. Het eerste verbetervoorstel betreft het verbeteren van de informatievoorziening op het gebied van (toekomstige) financiële risico’s voortkomend uit lopende juridische procedures. In de jaarverslagen 2023 hebben departementen de risico’s voortkomend uit lopende juridische procedures opgenomen. Daarnaast is in het FJR 2023 een totaaloverzicht te vinden van alle genoemde juridische procedures. Door het inzichtelijk maken van deze risico’s is er meer zicht op mogelijke financiële risico’s en wordt het budgetrecht van de Kamer versterkt.Een ander verbetervoorstel dat onderzocht wordt richt zich op het versterken van de informatievoorziening rond bezittingen. Inzicht in bezittingen is essentieel om goede beslissingen te kunnen nemen over investeringen ten behoeve van de interne beheersing en verantwoording. In samenwerking met het Ministerie van Defensie, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Rijksvastgoedbedrijf onderzoekt het Ministerie van Financiën hoe de informatievoorziening met betrekking tot bezittingen kan worden verbeterd en waar mogelijk binnen de financiële administraties kan worden gebracht. Alsmede of en op welk moment deze informatie onderdeel zou moeten zijn van de externe verantwoording.Digitalisering van het begrotings- en verantwoordingsprocesEr loopt een aantal projecten omtrent digitalisering van informatie die aan het begrotings- en jaarverslagproces ten grondslag ligt:–Op www.rijksfinancien.nl staan altijd de laatste stukken uit het begrotings- en jaarverslagproces. De website integreert die stukken met aanvullende informatie. Hierdoor kan de lezer zich een breed beeld vormen van de resultaten van het beleid.–Afgelopen jaar zijn de fiches in het kader van Brede Welvaart, beslisnota's, en de nadere rapporten van de Raad van State toegevoegd. Alle informatie rondom beleidsevaluaties is nu beschikbaar op: evaluaties.rijksfinancien.nl145Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 –In 2024-2025 wordt de website verder uitgebouwd met uitlegpagina's rondom het hoe, wat en waarom van de begrotingsproces, nieuwe kalenderfunctionaliteiten en een begrippenlijst.–Het programma Toekomst Financiële Administratie (TFA) heeft als ambitie om de (digitale) beschikbaarheid en betrouwbaarheid van financiële informatie Rijksbreed en departementaal te verbeteren en inzichtelijk te presenteren. Het programma TFA gaat de rijksbrede ambitie tot 2030 langs een aantal lijnen en uitgangspunten uitwerken:–Lijn 1: Totstandkoming robuuste rijksbrede financiële informatievoorziening–Lijn 2: Verbetering van de datakwaliteit–Lijn 3: De medewerkers en organisatie–Het ministerie van Financiën experimenteert verder met linked data technologie. Deze technologie maakt het mogelijk om bestaande informatie zodanig te organiseren dat een wendbare, herbruikbare en geautomatiseerde informatiestructuur ontstaat. Het gaat in 2023 om het verder uitwerken van bestaande plannen rond het automatiseren van budgettaire tabellen en koppeling van de daaronder liggende systemen.Een lerende overheid: vergroting van het inzicht in uitgevoerde en geplande evaluatiesMinisteries voeren jaarlijks honderden beleidsevaluaties uit om verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid en te onderzoeken wat er beter kan. Het evaluatiestelsel vormt daarmee een belangrijke basis voor een lerende overheid. De afgelopen jaren is door alle ministeries gewerkt aan de versterking van het evaluatiestelsel. Zo werkt elk ministerie sinds 2021 met een Strategische Evaluatie Agenda (SEA) in de begroting om tot nog betere en meer bruikbare inzichten te komen. De belangrijkste informatie over het evaluatiestelsel is onlangs geactualiseerd centraal beschikbaar gesteld. Ook de komende jaren blijven er initiatieven plaatsvinden om het evaluatiestelsel te versterken. Zo gaan alle ministeries werken aan het vergroten van het inzicht in uitgevoerde evaluaties, zoals de commissie voor de Rijksuitgaven onlangs ook heeft verzocht. Het gaat dan bijvoorbeeld om heldere overzichten van de belangrijkste aanbevelingen uit evaluaties en hoe het kabinet hieraan opvolging heeft gegeven. Zo wordt het voor de Tweede Kamer eenvoudiger om de uitkomsten van evaluaties te betrekken in hun werk.146Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 15 EUROPESE BEGROTINGSREGELSIn het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) hebben lidstaten van de Europese Unie afspraken gemaakt over hun begrotingsbeleid. Het hoofddoel van het SGP is de houdbaarheid van overheidsfinanciën bevorderen voor stabiliteit en economische groei in de Europese Unie.10 Dit is belangrijk om negatieve spillover-effecten tussen lidstaten te voorkomen, in het bijzonder vanwege de sterke verwevenheid van de Europese economieën. Het SGP is in 1997 overeengekomen als uitwerking van de afspraken in het Verdrag van Maastricht van 1992 om buitensporige overheidstekorten te vermijden en het economisch beleid van de lidstaten te coördineren. De bekendste normen van het SGP zijn de 60% schuldnorm en de 3% tekortnorm, die een belangrijke rol spelen bij de afspraak om buitensporige overheidstekorten te vermijden. Nadien is het SGP meerdere keren gewijzigd, onder andere om tegemoet te komen aan de wens om rekening te houden met economische omstandigheden en te zorgen dat met name in goede economische tijden voldoende schuldafbouw plaatsvindt voor landen met schulden boven de Europese norm.Herziening Stabiliteits- en Groeipact:De regels van het SGP zijn recentelijk herzien.11,12 Op 30 april 2024 zijn de aangepaste regels formeel in werking getreden. De herziening had als doel om het begrotingsraamwerk te vereenvoudigen, ambitieuze en realistische schuldafbouw te waarborgen, hervormingen en investeringen te stimuleren en om anticyclisch begrotingsbeleid te bevorderen. Het raamwerk richt zich daarbij op de middellange termijn en op de schuldhoudbaarheidsrisico’s van lidstaten. De werking van het nieuwe raamwerk wordt in deze bijlage verder toegelicht. Zie de desbetreffende Kamerbrieven23 voor een gedetailleerde beschrijving van de inhoud van het akkoord.Het budgettair-structureel plan voor de middellange termijnOnder het herziene Europees begrotingsraamwerk dienen alle lidstaten een budgettair-structureel plan voor de middellange termijn (hierna: ‘plan’) in bij de Europese Commissie (‘de Commissie’). Dit plan bevat een meerjarig pad voor de begroting, investeringen en hervormingen. Onder de nieuwe regels wordt voor de monitoring van de begroting alleen gekeken naar de ontwikkeling van de netto primaire uitgaven (het uitgavenpad), gedurende een aanpassingsperiode van in beginsel vier jaar, met de mogelijkheid voor een verlenging naar maximaal zeven jaar. Daarmee komen meerdere sturingsvariabelen uit het huidige raamwerk te vervallen, waaronder de middellangetermijndoelstelling voor het structurele begrotingssaldo (de MTO) en de bijbehorende significante afwijkingsprocedure (Significant Deviation Procedure; SDP) en het schuldafbouwcriterium (het criterium dat schuld boven de 60% met 1/20ste per jaar moet afnemen om vast te stellen dat de schuld voldoende snel dalend is).Het uitgavenpad dat lidstaten opnemen in hun plan moet ervoor zorgen dat de overheidsschuld van lidstaten op de middellange termijn (aanpassingsperiode van 4 of 7 jaar plus 10 jaar) op een prudent niveau blijft (onder de 60% bbp) of – indien hoger dan 60% bbp – geloofwaardig daalt. Daarnaast moet het tekort onder de 3% worden gebracht en/of daar blijven op de middellange termijn. De begrotingsinspanning die nodig is om aan deze vereisten te voldoen wordt berekend aan de hand 10 Stability and Growth Pact - European Commission (europa.eu)11 Kamerstuk 21501-07, nr. 200412 Kamerstuk 21501-07, nr. 2009147Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 van een zogenoemde schuldhoudbaarheidsanalyse. Bij een ambitieuze set investeringen en hervormingen kunnen lidstaten aanspraak maken op verlenging van de aanpassingsperiode naar maximaal zeven jaar, resulterend in een meer geleidelijke budgettaire aanpassing. Het plan wordt na indiening beoordeeld door de Commissie. De Raad van de Europese Unie beveelt vervolgens het uitgavenpad aan de lidstaat aan en keurt, in geval van een verlengde aanpassingsperiode, de set hervormingen en investeringen goed.Het uitgavenpad in het plan van de lidstaat wordt uitgedrukt als de maximale groei van de netto primaire overheidsuitgaven. De netto primaire uitgaven worden gedefinieerd als de nationale overheidsuitgaven gecorrigeerd voor rente-uitgaven, conjuncturele werkloosheidsuitgaven, nationale bijdragen aan cofinanciering van Europese subsidieprogramma's, eenmalige en tijdelijke maatregelen en beleidsmatige inkomstenmaatregelen. Door de uitgaven te corrigeren voor rente-uitgaven worden uitgaven weggelaten waar lidstaten moeilijk op kunnen sturen. Dit betekent dat lidstaten niet hoeven te bezuinigen als de rentelasten gedurende de aanpassingsperiode stijgen om aan het uitgavenpad te voldoen, maar ook niet meer ruimte krijgen voor uitgaven als de lasten dalen. Door het uitgavenpad te corrigeren voor conjuncturele werkloosheidsuitgaven is er ruimte om de begrotingsuitgaven mee te laten bewegen met schommelingen van de economische groei, wat helpt om anticyclisch begrotingsbeleid te voeren. Dit anticyclische karakter van de overheidsuitgaven kenmerkt ook het Nederlandse trendmatig begrotingsbeleid. Het corrigeren voor beleidsmatige inkomstenmaatregelen zorgt ervoor dat wanneer de inkomsten van de overheid toenemen door structureel de belastingtarieven te verhogen of -grondslag te verbreden, er ruimte komt voor hogere uitgaven. Het schonen voor uitgaven die worden bekostigd met inkomsten uit EU-fondsen, nationale bijdragen aan cofinanciering en eenmalige en tijdelijke maatregelen zorgt ervoor dat kosten worden weggelaten die geen of weinig invloed hebben op de structurele begrotingspositie van de lidstaat. Wanneer Nederland een plan indient dat niet voldoet aan de vereisten, kan de Raad een passende groei van de netto primaire uitgaven aanbevelen. Belangrijk hierbij te vermelden is dat de Europese Unie geen handhavingsmaatregelen kan aanbevelen zolang het begrotingstekort onder de 3% bbp en de schuld onder de 60% bbp blijft.Lidstaten publiceren jaarlijks een voortgangsrapportage voor de monitoring van de beleidsprioriteiten uit het budgettair-structureel plan voor de middellange termijn. Na het vaststellen van het uitgavenpad voor een lidstaat wordt niet achteraf (ex post) getoetst of de schuld- en tekortreductie die volgen uit de afzonderlijke waarborgen13 worden behaald, maar wordt alleen getoetst of een lidstaat het uitgavenpad niet overschrijdt (boven een bepaalde drempelwaarde) en binnen de 3%-referentiewaarde blijft. De jaarlijkse rapportages vervangen het huidige Stabiliteitsprogramma en Nationaal hervormingsprogramma en moeten in beginsel in het voorjaar door lidstaten bij de Commissie worden ingediend. Het kabinet heeft de ambitie om in de jaarlijkse rapportage de voorjaarsbesluitvorming mee te nemen, zoals ook dit jaar is gedaan.13 In de berekening van het uitgavenpad wordt rekening gehouden met bepaalde ex-ante waarborgen voor aanpassing van het saldo en/of de schuld – afhankelijk van de uitgangspositie van het saldo en de schuld. Deze waarborgen dienen als ondergrens in de begrotingsopgave en zorgen voor opbouwen van voldoende begrotingsbuffers om economische schokken op te vangen. 148Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Bij het opstellen van het plan baseert Nederland zich op ramingen van het Centraal Planbureau (CPB), zoals gebruikelijk bij het eerdere Stabiliteitsprogramma en de ontwerpbegroting (Draft Budgetary Plan). Het CPB maakt als onafhankelijke instelling de macro-economische ramingen. De in deze bijlage gebruikte cijfers zijn daarom gebaseerd op de meest recente raming van het CPB: de Macro Economische Verkenning 2025 (MEV).Het door de Commissie berekende structureel primair saldo dat benodigd is om het tekort en de schuld op middellange termijn onder de Europese referentiewaarden te houden , bedraagt 0,1% bbp in 2028. Bij de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het CPB bedraagt het structureel primair saldo ‒ 0,8% bbp in 2028. Daaruit volgt een aanvullende begrotingsopgave van circa 0,9% bbp tot 2028 om aan het uitgavenpad te voldoen.Een kanttekening hierbij is dat de Commissie en het CPB verschillende macro-economische aannamen hanteren. De raming van het CPB en de Commissie kunnen daardoor verschillen in de benodigde budgettaire inspanning om het tekort en de schuld tot 2038 onder de Europese referentiewaarden te houden.De buitensporigtekortprocedureDe bekende referentiewaarden voor de overheidsschuld (60% bbp) en het begrotingstekort (3% bbp) zoals beschreven in het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) blijven bestaan. Naast de ongewijzigde referentiewaarden voor het begrotingstekort en de overheidsschuld, blijft ook de verdragsbasis voor het vermijden van buitensporige tekorten op het niveau van het werkingsverdrag ongewijzigd. Deze is vastgelegd in artikel 126 VWEU.Op basis van artikel 126(3) VWEU stelt de Commissie een rapport op om te beoordelen of er sprake is van een buitensporig tekort indien: (1) een lidstaat de referentiewaarde voor het tekort (3% bbp) overschrijdt, of (2) wanneer de schuld de referentiewaarde van 60% bbp overschrijdt én de schuld onvoldoende snel daalt. In het herziene raamwerk betekent dit laatste concreet dat de Commissie een onderzoek start wanneer de lidstaat de drempelwaarden overschrijdt voor de afwijking van het uitgavenpad14 dat de Raad aan de lidstaat heeft aanbevolen. Verder onderzoekt de Commissie of de overschrijding van het tekortcriterium beperkt, tijdelijk of exceptioneel is. Daarnaast houdt de Commissie onder andere rekening met economische en budgettaire ontwikkelingen in een lidstaat, of het overheidstekort groter is dan de investeringsuitgaven van de overheid, een toename van de defensie-investeringen, de ontwikkeling en risico’s van de schuldpositie en alle andere relevante factoren.Indien de Commissie oordeelt dat er sprake is van een buitensporig tekort, kan de Raad op advies van de Commissie een buitensporig-tekort-procedure (excessive deficit procedure, EDP) openen. Hierbij ontvangt een lidstaat aanbevelingen over het verbeteren van het begrotingstekort om de overschrijding terug te dringen. Een lidstaat moet binnen zes maanden aantonen effectieve actie te hebben ondernomen. Indien een lidstaat dit onvoldoende doet, kan de Raad op voorstel van de Commissie verdere stappen zetten die uiteindelijk uit kunnen monden in onder andere financiële sancties. De Commissie heeft in juli naar aanleiding van haar 14 Afwijkingen van het uitgavenpad worden bijgehouden in een controlerekening. Afwijkingen zijn toegestaan tot de volgende drempelwaarden: maximaal 0,3% bbp jaarlijks en 0,6% bbp cumulatief.149Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 onderzoek voorgesteld om een buitensporig tekort vast te stellen voor België, Frankrijk, Italië, Hongarije, Malta, Polen en Slowakije. In het najaar van 2024 zal de Econfinraad besluiten over de aanbevelingen van de Commissie aan de Raad voor de correctie van buitensporige tekorten.15Tabel 15.1 toont dat Nederland in 2024 met een verwacht feitelijk tekort van ‒ 1,8% bbp en een geraamde schuld van 45,0% bbp binnen de referentiewaarden voor het tekort (3% bbp) en de schuld (60% bbp) blijft. Deze cijfers zijn gebaseerd op de Macro-Economische Verkenning van het CPB. De Commissie kan geen handhavingsmaatregelen aanbevelen zolang het begrotingstekort onder de 3% bbp en de schuld onder de 60% bbp blijft.Tabel 15.1 Ontwikkeling saldo en schuld20242025202620272028EMU-saldo‒ 1,8%‒ 2,5%‒ 3,4%‒ 2,1%‒ 2,5%EMU-schuld45,0%46,7%49,7%50,1%51,1%Bron: CPBHet Nederlands budgettair-structureel plan voor de middellange termijnHet kabinet is voornemens het budgettair-structureel plan kort na Prinsjesdag, uiterlijk 15 oktober, te verzenden aan de Commissie. Uit EU Verordening 2024/1263 volgt dat het kabinet het budgettair structureel plan voor indiening bespreekt met het nationale parlement in overeenstemming met het nationale rechtskader. Een conceptversie van het budgettair-structureel plan is gelijktijdig met deze Miljoenennota op 17 september 2024 (Prinsjesdag) aan het parlement verzonden. Hierdoor konden de laatste beleidswijzigingen uit deze Miljoenennota worden meegenomen en heeft het parlement voldoende mogelijkheid om het budgettair-structureel plan te bestuderen vóór verzending aan de Commissie.Het parlement is gedurende de voorbereiding van het budgettair-structureel plan geïnformeerd over de stand van zaken. Het parlement is in april 2024 geïnformeerd over de planning16 voor het opstellen van het budgettair-structureel plan voor de middellange termijn en in juni 2024 is de door de Commissie verstrekte technische informatie gedeeld.17Daarnaast is een concept van het budgettair-structureel plan voor de middellange termijn voorgelegd aan de Raad van State en het Centraal Planbureau. De Raad van State is de instantie in Nederland die belast is met het toezicht op de naleving van de Europese begrotingsregels. Deze rol vloeit voort uit artikel 5 van het Verdrag inzake Stabiliteit, Coördinatie en Bestuur (VSCB) en EU Verordening 473/2013, en is vastgelegd in de Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof).Bij totstandkoming van het beleid dat in het budgettair-structureel plan wordt beschreven, worden alle relevante stakeholders betrokken zoals in de reguliere wetgevingsprocessen. Voor de eerste publicatie van het plan is geen gebruik gemaakt van een publieke consultatie. Dit is in overeenstemming met artikel 36(c) waarin is aangegeven dat dit voor de eerste ronde plannen niet noodzakelijk is.15 Stability and growth pact: Council launches excessive deficit procedures against seven member states - Consilium (europa.eu)16 Brief aan Eerste of Tweede Kamer - Planning budgettair-structureel plan voor de middellange termijn (overheid.nl)17 Geannoteerde agenda Ecofinraad150Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 16 VERTICALE TOELICHTINGDe verticale toelichting toont voor ieder begrotinghoofdstuk de budgettaire veranderingen die zich hebben voorgedaan sinds de Voorjaarsnota 2024.De verticale toelichting bestaat per begroting uit twee tabellen: uitgaven en ontvangsten. De tabellen kunnen uit de volgende posten bestaan:1.Meevallers2.Tegenvallers3.Intensiveringen4.Ombuigingen5.Generaal dossier6.Kasschuiven7.Overboekingen coalitieakkoord Rutte IV8.Overboekingen Aanvullende Post9.Overboekingen met andere begrotingen10.Kadercorrecties11.Loonbijstelling12.Prijsbijstelling13.Eindejaarsmarge14.Extrapolatie15.Desalderingen16.Technisch17.Niet-kaderrelevantDe bedragen in de tabellen zijn in miljoenen euro. Door afrondingen kan het totaal afwijken van de som der onderdelen. In de ontwerpbegroting wordt een meer gedetailleerde toelichting op de mutaties gegeven. De begrotingen zijn inclusief de uitgaven voor HGIS (Homogene Groep Internationale Samenwerking).151Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Algemene Zaken en De KoningDe KoningI DE KONING: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota585858585858Technisch011111Nominale bijstelling van de grondwettelijke uitkering011111Overig technisch000000Stand Miljoenennota585959595959I DE KONING: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota222222Technisch0‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1Nominale bijstelling van de grondwettelijke uitkering000000Bijstelling terugstorten grondwettelijke uitkering‒ 2‒ 2‒ 2‒ 2‒ 2Stand Miljoenennota200000UitgavenTechnischNominale bijstelling van de grondwettelijke uitkeringDeze post bestaat uit de nominale bijstelling van de grondwettelijke uitkering van de leden van het Koninklijk Huis.Overig technischDeze post is verwerkt in 2024 en bestaat uit de eindafrekening 2023 van het Militair Huis naar het ministerie van Defensie. Daarnaast betreft het een doorbelasting van het ministerie Algemene Zaken naar de begroting van de Koning ten behoeve van een verhoging van het budget voor de informatiehuishouding van het Kabinet van de Koning.OntvangstenTechnischNominale bijstelling van de grondwettelijke uitkeringDit betreft de nominale bijstelling van de terugstorting van de grondwettelijke uitkering van de Prinses van Oranje.Bijstelling terugstorten grondwettelijke uitkeringDe Prinses van Oranje heeft besloten om vanaf 2025 de b-component van haar grondwettelijke uitkering niet meer terug te storten. De terugstorting stond geraamd op de begroting van de Koning. Door dit besluit wordt de ontvangstenraming met circa 1,5 miljoen euro gecorrigeerd. De Prinses van Oranje blijft tot het eind van haar studie nog wel de a-component ter hoogte van 345 duizend euro terugstorten.152Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Algemene ZakenIII ALGEMENE ZAKEN: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota116104106107107107Ombuigingen‒ 3‒ 6‒ 8‒ 11‒ 1226. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 3‒ 6‒ 8‒ 11‒ 12Overboekingen met andere begrotingen000000Overboekingen met andere begrotingen000000Stand Miljoenennota116101101999695III ALGEMENE ZAKEN: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota999999Technisch000000Technisch000000Stand Miljoenennota999999UitgavenOmbuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Voor de begroting van AZ betekent dit een ombuiging van 3 miljoen euro in 2025 oplopend naar 12 miljoen euro in 2029 en verder.Overboekingen met andere begrotingenDeze post is verwerkt voor 2024 en bevat een overboeking van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het verhogen van het budget voor de informatiehuishouding van het Kabinet van de Koning. Dit wordt via de begroting van Algemene Zaken doorbelast naar de begroting van de Koning. Daarnaast bevat deze post een overboeking naar het ministerie van Economische Zaken ten behoeve van het Behavioural Insights Network.OntvangstenTechnischDeze post bevat de doorbelasting van de verhoging van het budget voor de informatiehuishouding van het Kabinet van de Koning naar de begroting van de Koning.153Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Buitenlandse Zaken (inclusief BHOS)Buitenlandse ZakenV BUITENLANDSE ZAKEN: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota12.20313.72715.23815.08218.15918.727Intensiveringen1633496571Verzachten apparaatstaakstelling postennetwerk1633496571Ombuigingen‒ 85‒ 134‒ 217‒ 1.874‒ 1.88226. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 43‒ 90‒ 134‒ 179‒ 19734. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking‒ 8‒ 14‒ 28‒ 20‒ 1335. Verlaging non-ODA-middelen‒ 34‒ 31‒ 55‒ 75‒ 7236. Inzet op lagere EU-afdrachten‒ 1.600‒ 1.600Generaal dossier515‒ 8741.100982937936EU-afdrachten515‒ 8741.100982937936Overboekingen Aanvullende Post21Overboekingen Aanvullende Post21Overboekingen met andere begrotingen10‒ 1‒ 1‒ 1Overboekingen met andere begrotingen10‒ 1‒ 1‒ 1Prijsbijstelling16701‒ 1‒ 1Prijsbijstelling17701‒ 1‒ 1Technisch‒ 750‒ 432‒ 416‒ 242‒ 28‒ 28Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 750‒ 432‒ 416‒ 242‒ 28‒ 28Niet-plafondrelevant‒ 214‒ 95‒ 144‒ 455‒ 794‒ 879Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen7504324162422828Steunpakketten Oekraïne‒ 331033Kasschuif Europese Vredesfaciliteit (EPF)‒ 2761329945Actualisatie invoerrechten‒ 655‒ 669‒ 692‒ 742‒ 822‒ 908Stand Miljoenennota11.79312.26215.67615.19816.46316.944V BUITENLANDSE ZAKEN: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota3.9133.8212.9951.4191.4721.530Generaal dossier‒ 164‒ 167‒ 173‒ 186‒ 206‒ 227Perceptiekostenvergoeding‒ 164‒ 167‒ 173‒ 186‒ 206‒ 227Stand Miljoenennota3.7493.6542.8221.2331.2661.303154Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 UitgavenIntensiveringenVerzachten apparaatstaakstelling postennetwerkDe apparaatstaakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord (HLA) op het postennetwerk wordt structureel verzacht door een bijdrage vanuit het ODA-budget (c.a. 25 miljoen euro) en middels generale compensatie (c.a. 52 miljoen euro). De budgetten voor het attachénetwerk van het postennet staan op verschillende departementale begrotingen, waardoor 5 miljoen euro is overgeheveld naar de begrotingen van Financiën, Economische Zaken en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid.34. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerkingIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld.35. Verlaging non-ODA-middelenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor non-ODA wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld.36. Inzet op lagere EU-afdrachtenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het kabinet bij de onderhandelingen over de het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) en mogelijke wijziging van het eigenmiddelenbesluit (EMB) vanaf 2028 inzet op een 1,6 miljard euro lagere stijging van de afdrachten aan de Europese unie dan nu in de meerjarenraming is voorzien.Generaal dossierEU-afdrachtenDit is het saldo van verschillende mutaties. Op basis van de verwachte onderuitputting in de jaarbegroting 2025 van de Europese Commissie worden de EU-afdrachten naar beneden bijgesteld met 1,3 miljard euro. Volgens afspraken in het MFK mag de commissie een deel hiervan doorschuiven naar 2026 en 2027, waardoor de Nederlandse afdrachten in die jaren stijgt. Daarnaast is op basis van geactualiseerde economische cijfers van de Europese Commissie de bni-afdracht bijgesteld. Deze neemt structureel met 0,9 miljard euro toe vanwege de enerzijds lagere ontvangsten op EU-niveau van de invoerrechten en anderzijds doordat het Nederlandse bni relatief t.o.v. de EU als totaal hoger ligt dan verwacht (een toename van 5,9% naar 6,1%). Ook zijn de btw-afdracht, de rentekosten voor het coronaherstelfonds Next Generation EU (NGEU) en de bni-korting geactualiseerd op basis van economische bijstellingen. Daarnaast is de jaarlijkse technische aanpassing van de commissie verwerkt.Overboekingen Aanvullende PostEr zijn nabetalingen gedaan over de Traditionele Eigen Middelen (TEM). De Nederlandse douaneautoriteiten voeren een zelfanalyse uit op casussen waarvan de invoerrechten nog niet met zekerheid zijn vastgesteld of nog niet door de lidstaat zijn geïnd. Als gevolg van de zelfanalyses heeft Nederland de aansprakelijkheid op een aantal dossiers geaccepteerd wat heeft geleid tot een nabetaling van c.a. 21 miljoen euro. Dit wordt overgeboekt van de TEM-reservering op de Aanvullende Post.155Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overboekingen met andere begrotingenDit is het saldo van verschillende kleine overboekingen met andere departementen, allemaal kleiner dan een half miljoen euro.PrijsbijstellingNaar aanleiding van de MEV-raming van het Centraal Planbureau wordt het HGIS non-ODA-budget bijgesteld op basis van de verwachting van de prijsontwikkeling van het bbp.TechnischOekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Niet-plafondrelevantOekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Steunpakketten OekraïneHet budget van 2024 voor de verbouwing van het toekomstige agressietribunaal wordt doorgeschoven naar 2026 (33 miljoen euro). Daarnaast is er budget overgeheveld van de begroting van buitenlandse handel en ontwikkelingshulp (BHO) voor humanitaire ontmijning in 2025 (10 miljoen euro).Kasschuif Europese Vredesfaciliteit (EPF)Op basis van de geactualiseerde allocatie van het budget voor de steun van de lidstaten aan Oekraïne vanuit de Europese Vredesfaciliteit (EPF) wordt het uitgavenbudget voor de Nederlandse EPF-bijdrage voor Oekraïne in 2024 verlaagd met 276 miljoen euro. Dit bedrag wordt doorgeschoven naar 2025, 2026 en 2027.Actualisatie invoerrechtenBij de invoerrechten treedt er gedurende het jaar onbedoeld een saldo-effect op. Dit komt omdat aan de inkomsten- en uitgavenkant van de Rijksbegroting een andere raming wordt gebruikt, respectievelijk de raming van het ministerie van Financiën en de raming van de Europese Commissie. Er wordt drie keer per jaar een actualisatie geboekt op de invoerrechten en de perceptiekostenvergoeding om te corrigeren voor dit saldo-effect.OntvangstenGeneraal dossierPercetiekostenvergoedingNederland ontvangt 25 procent van de bruto af te dragen aan traditionele eigen middelen (TEM) als perceptiekostenvergoeding. Vanwege de lager dan verwachte invoerrechten, nemen ook de ontvangsten van de perceptiekostenvergoeding af.156Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Buitenlandse Handel en OntwikkelingshulpXVII BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSHULP: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota3.9333.9163.6215.4105.9326.269Ombuigingen‒ 299‒ 499‒ 2.283‒ 2.318‒ 2.344ODA-bijdrage apparaatstaakstelling postennetwerk‒ 5‒ 11‒ 17‒ 22‒ 2534. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking‒ 292‒ 486‒ 2.264‒ 2.293‒ 2.31735. Verlaging non-ODA-middelen‒ 2‒ 2‒ 2‒ 3‒ 3Overboekingen met andere begrotingen‒ 2‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3‒ 2Overboekingen met andere begrotingen‒ 2‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3‒ 2Technisch‒ 229‒ 2520000Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 229‒ 252Niet-plafondrelevant227237Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen229252Overboekingen t.b.v. steunpakketten Oekraïne‒ 2‒ 15Stand Miljoenennota3.9283.5983.1203.1243.6113.923XVII BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSHULP: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota705348454342Technisch0Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen0Niet-plafondrelevant0Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen0Stand Miljoenennota705348454342UitgavenODA-bijdrage postennetwerkDe apparaatstaakstelling op het postennet wordt structureel verzacht. Een deel hiervan wordt binnen het ODA-budget gedekt. Dit gaat om 5,4 miljoen euro in 2025 oplopend tot 24,7 miljoen euro in 2029.34. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerkingIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld.35. Verlaging non-ODA-middelenIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat het budget voor non-ODA wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld.157Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overboekingen met andere begrotingenDit betreft het saldo van meerdere overboekingen naar andere begrotingen. Zo wordt o.a. de loon- en prijsontwikkeling voor de ODA-middelen, met name voor onderwijs aan eerstejaarsasielzoekers van de BHO-begroting naar de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) overgeboekt.Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Overboekingen t.b.v. steunpakketten OekraïneDit betreft een saldo van verschillende overboekingen om de middelen voor niet-militaire steun aan Oekraïne op de begroting van het uitvoerende departement te zetten. Zo worden onder andere de middelen voor ontmijning (10 miljoen) naar de begroting van Buitenlandse Zaken (BZ) overgeboekt.OntvangstenOekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De ontvangsten aan deze onderwerpen (van 0,4 miljoen, afgerond 0) worden om die reden ook niet-plafondrelevant.158Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Justitie en VeiligheidJustitie en VeiligheidVI JUSTITIE EN VEILIGHEID: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota26.70327.10424.40019.89119.96119.963Tegenvallers350Tegenvaller Crisisnoodopvang COA350Intensiveringen18242303365365365Taaleis voor naturalisatie naar B1151515151515Middelen voor Werk aan Uitvoering3211. Investeren in goed bestuur en de rechtstaat253850505012. Nationale veiligheid versterken200250300300300Ombuigingen‒ 31‒ 92‒ 622‒ 1.157‒ 1.16726. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 26‒ 50‒ 75‒ 100‒ 11129. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting‒ 28‒ 28‒ 28‒ 2835. Verlaging non-ODA-middelen0000037. Beperken asielinstroom‒ 500‒ 1.000‒ 1.00040. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed‒ 5‒ 13‒ 19‒ 29‒ 29Kasschuiven3‒ 15‒ 278130Kasschuiven3‒ 15‒ 278130Overboekingen met andere begrotingen‒ 6271121‒ 1‒ 2Overboeking Justice-link1212Overboeking Recherche Samenwerkingsteam123Overboekingen met het Gemeentefonds‒ 14‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3Overboeking Verduurzaming Rijksvastgoed23Overige overboekingen met andere begrotingen‒ 652221Desalderingen5166600Desalderingen5166600Technisch‒ 13‒ 9.011‒ 6.261‒ 1.355‒ 935‒ 951Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 13‒ 13‒ 13‒ 13‒ 13‒ 13Herverkaveling Asiel en Migratie‒ 9.481‒ 6.728‒ 1.686‒ 1.219‒ 1.219Herverkaveling Inburgering483480344297281Overig technisch000000Niet-plafondrelevant13313131313Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen131313131313Zelfredzaamheid en Participatie Oekraïense ontheemden‒ 100Stand Miljoenennota27.12018.32518.35318.32918.24818.251159Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 VI JUSTITIE EN VEILIGHEID: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota1.6801.6531.7561.7861.8181.849Meevallers102Meevaller AMIF tbv opvang Oekraïense Ontheemden58Meevaller Griffierechten25Meevaller afrekening COVID19Tegenvallers‒ 250Tegenvaller Afpakken‒ 250Ombuigingen00‒ 1‒ 1‒ 126. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid00‒ 1‒ 1‒ 1Desalderingen5166600Desalderingen5166600Technisch‒ 10‒ 11‒ 11‒ 11‒ 11Herverkaveling Asiel en Migratie‒ 13‒ 14‒ 14‒ 14‒ 14Herverkaveling Inburgering33333Stand Miljoenennota1.5841.6501.7511.7811.8061.837UitgavenTegenvallersTegenvaller Crisisnoodopvang COAVanwege het tekort aan reguliere opvangplaatsen moeten er naar verwachting meer crisisnoodopvanglocaties worden geopend. Dit levert een tegenvaller op van 350 miljoen euro in 2024.IntensiveringenTaaleis voor naturalisatie naar B1Het kabinet scherpt de voorwaarden voor het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit aan door de taaleis voor naturalisatie in beginsel voor iedereen te verhogen naar niveau B1. Hiervoor is 15 miljoen euro beschikbaar gesteld.Middelen voor Werk aan UitvoeringDeze post bestaat uit drie overhevelingen van de Aanvullende Post naar de begroting van JenV in het kader van Werk aan Uitvoering. Met deze middelen wordt geïnvesteerd in gegevensdeling binnen het JenV-domein en een brede werkagenda om de dienstverlening van JenV te verbeteren.11. Investeren in goed bestuur en de rechtstaatIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat voor investeren in goed bestuur en de rechtstaat structureel 200 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld. Hiervan is 25 miljoen euro in 2025, oplopend naar 50 miljoen euro structureel beschikbaar voor de begroting van JenV. De nadere uitwerking en verdeling van deze middelen vindt op een later moment plaats.160Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 12. Nationale Veiligheid versterkenIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat voor versterking van de nationale veiligheid in 2025 200 miljoen euro, oplopend naar 300 miljoen euro structureel beschikbaar wordt gesteld voor meer slagkracht bij de politie, justitie en veiligheidsdiensten. De nadere uitwerking en verdeling van deze middelen vindt op een later moment plaats.Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Voor de begroting van JenV betekent dit een ombuiging van circa 26 miljoen euro in 2025, oplopend naar circa 110 miljoen euro in 2029 en verder.29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkortingIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent. Voor JenV is dit vooral een korting op de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) van ongeveer 28 miljoen euro.35. Verlaging non-ODA-middelenIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor non-ODA wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld. Voor JenV betreft dit 41 duizend euro in 2025 oplopend naar 93 duizend euro in 2029 en verder.37. Beperken asielinstroomIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de asielbegroting van JenV in samenhang met het asielmaatregelenpakket in 2027 met 500 miljoen euro en per 2028 structureel met 1 miljard euro wordt verlaagd. De verdeling van de structurele verlaging per 2028 over de verschillende organisaties in de asielketen is als volgt: Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) circa 580 miljoen euro, Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) circa 270 miljoen euro, Nidos circa 70 miljoen euro, Raad voor de Rechtsbijstand circa 43 miljoen euro, Raad voor de rechtspraak circa 22 miljoen euro en Dienst Terugkeer en Vertrek circa 15 miljoen euro.40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreedIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat rijksbreed wordt bezuinigd op subsidies. Voor de begroting van JenV betekent dit een ombuiging van circa 5 miljoen euro in 2025 oplopend naar 29 miljoen euro in 2029.KasschuivenDe post kasschuiven bestaat uit een aantal mutaties. Ten eerste gaat het om een kasschuif in verband met vertraging bij de huisvestingsopgave bij Dienst Justiële Inrichtingen (DJI), waardoor 15 miljoen euro in 2025 en 2026 wordt doorgeschoven naar 2029. Daarnaast wordt 12 miljoen euro uit 2025 naar 2024 geschoven voor het uitbetalen van de spreidingswetbonussen. Ook wordt circa 4 miljoen euro van 2025 naar latere jaren verschoven voor financiering van de Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding.Overboekingen met andere begrotingenOverboeking Justice-linkDeze post betreft een overheveling van middelen vanaf de begroting van Economische Zaken naar de JenV-begroting. Deze middelen worden door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) en het 161Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ingezet voor data-analyse om informatie te verkrijgen over actuele maatschappelijke vraagstukken als digitale opsporing, ondermijning en migratie.Overboeking Rescherche SamenwerkingsteamDeze post betreft een overboeking vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van het Recherche Samenwerkingsteam, conform het financieringsconvenant tussen de ministeries.Overboeking met het GemeentefondsDeze post betreft diverse overboekingen met het Gemeentefonds. Het betreft onder andere een overboeking van circa 12 miljoen euro in 2024 voor enkele gemeenten voor het voorzien in opvangplekken waarvoor zij in aanmerking komen voor het faciliteitbesluit opvangcentra. Daarnaast is er in 2024 nog sprake van een overboeking van circa 2 miljoen euro in het kader van de bed-bad-broodvoorzieningen. Ten slotte is er sprake van een structurele overboeking vanaf 2026 van circa 3 miljoen euro voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel van de modernisering op de lijkbezorging. Deze middelen maken deel uit van de bij Voorjaarsnota 2023 beschikbaar gestelde Werk aan Uitvoeringsmiddelen voor Forensische Geneeskunde.Overboeking Verduurzaming RijksvastgoedDe politie (circa 6 miljoen euro), de IND (circa 1 miljoen euro) en het COA (circa 15 miljoen euro) ontvangen in 2024 middelen vanuit het Klimaatfonds ten behoeve van de verduurzaming van Rijksvastgoed.Overige overboekingen met andere begrotingenDeze post betreft een groot aantal overhevelingen met andere departe menten. De grootste hiervan is een overboeking naar de begroting van Economische Zaken van circa 8 miljoen euro in 2024 voor de kennisopbouw bij TNO voor JenV-beleid.DesalderingenDeze post bevat diverse desalderingen. De grootste desalderingen worden verder toegelicht. Ten eerste wordt de niet bestede bijzondere bijdrage (circa 25 miljoen euro) in het kader van ondermijning aan de politie door personeelskrapte teruggestort naar JenV. Daarnaast worden er andere niet bestede middelen voor bijzondere bijdragen (circa 10 miljoen euro) teruggestort en geherprioriteerd binnen de politiebegroting ter dekking van onder andere vuurwerktransport en de meerkosten voor PTSS. Ook is de raming voor de ontvangsten voor het beheer meldkamers naar boven bijgesteld voor de jaren 2025 tot en met 2027. Deze middelen worden middels een desaldering ingezet als bijdrage aan de politie voor het stelsel beroepsgerelateerde ziekten (circa 4 miljoen euro in 2025 oplopend naar 6 miljoen euro in 2026 en 2027) en er wordt circa 2 miljoen euro in 2025 ingezet ter versterking van de dienstverlening van het brandweerkorps en politiekorps in Caribisch Nederland. Ten slotte wordt door middel van een desaldering het restant op de asielreserve (9 miljoen euro) ingezet om de bonussen voor de spreidingswet in 2024 deels te financieren.TechnischHerverkaveling Asiel en MigratieDeze reeks bevat de herverkaveling van het beleidsartikel Migratie naar de begroting van Asiel en Migratie.162Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Herkaveling InburgeringDeze reeks bevat de herverkaveling van Inburgering vanaf de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de begroting van JenV.Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden daarom niet-plafondrelevant.Overig technischDeze post bevat mutaties met technische herschikkingen binnen de JenV- begroting. De grootste herschikking betreft de overheveling van de loon- en prijsbijstelling die na Voorjaarsnota 2024 is verdeeld over de JenV-begroting.Niet-plafondrelevantOekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatstenZie de gelijknamige post hierboven.Zelfredzaamheid en participatie Oekraïense ontheemdenOm de zelfredzaamheid en participatie van ontheemden uit Oekraïne te bevorderen in de vorm van taallessen voor Oekraïense ontheemden wordt het budget met 10 miljoen euro naar beneden bijgesteld. Daarnaast wordt voor de Skills Alliance het budget voor de jaren 2025 en 2026 met 0,2 miljoen euro naar beneden bijgesteld. De begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt met dezelfde bedragen naar boven bijgesteld.OntvangstenMeevallersMeevaller AMIF tbv opvang Oekraïense ontheemdenDe Europese Commissie staat lidstaten toe om de meevallers die zijn ontstaan in de uitvoering van het Asiel, Migratie en Integratiefonds (AMIF fonds) over de periode 2014-2020 te gebruiken voor de opvang van ontheemden uit Oekraïne. Deze meevaller is voor Nederland ongeveer 58 miljoen euro.Meevaller GriffierechtenDe griffierechtenontvangsten vallen 25 miljoen euro hoger uit dan verwacht.Meevaller afrekening COVIDDe COVID ontvangsten betreffen ongeveer 19 miljoen euro aan niet-bestede middelen bij veiligheidsregio's.TegenvallersTegenvaller AfpakkenDe ontvangsten op afpakken vallen naar verwachting ongeveer 250 miljoen euro lager uit dan geraamd. De lagere afpakopbrengsten worden verklaard doordat op dit moment geen grote schikkingen zijn voorzien.Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidZie de gelijknamige post hierboven.DesalderingenZie de gelijknamige post hierboven.163Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 TechnischHerverkaveling Asiel en MigratieZie de gelijknamige post hierboven.Herverkaveling InburgeringZie de gelijknamige post hierboven.164Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Asiel en MigratieXX ASIEL EN MIGRATIE: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand VoorjaarsnotaTechnisch9.4816.7281.6861.2191.219Herverkaveling Asiel en Migratie9.4816.7281.6861.2191.219Niet-plafondrelevant3.0411.168Opvang Oekraïense Ontheemden3.0411.168Stand Miljoenennota9.4819.7692.8541.2191.219XX ASIEL EN MIGRATIE: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand VoorjaarsnotaTechnisch1314141414Herverkaveling Asiel en Migratie1314141414Stand Miljoenennota1314141414UitgavenTechnischHerverkaveling Asiel en MigratieDeze reeks bevat de middelen voor Migratie die vanaf de begroting van Justitie en Veiligheid (JenV) worden overgeheveld.Niet-plafondrelevantOpvang Oekraïense OntheemdenDe Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) is verlengd tot 5 maart 2026. Daarnaast is de Tijdelijke Wet opvang ontheemden Oekraïne aangenomen waardoor gemeenten tot een jaar na afloop van de RTB belast zijn met de opvang van Oekraïense ontheemden. Daarom stelt het kabinet middelen beschikbaar tot 5 maart 2027 op basis van gemiddeld 136.000 ontheemden.OntvangstenTechnischHerverkaveling Asiel en MigratieZie de gelijknamige post hierboven.165Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inclusief Staten-Generaal en Hoge Colleges van StaatBinnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesVII BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota11.92610.9579.9849.8229.94310.047Meevallers‒ 40Vrijval Wet Regie en Betaalbare Huur*‒ 40Intensiveringen157761565265165011. Investeren in goed bestuur en de rechtsstaat751131501501505. Terugdringen armoede: verhogen huurtoeslag*500500500500500Overige intensiveringen12321Ombuigingen‒ 47‒ 125‒ 156‒ 181‒ 17826. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 30‒ 59‒ 86‒ 114‒ 12629. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting‒ 24‒ 5‒ 4‒ 340. Generieke taakstelling subsidies Rijksbreed‒ 17‒ 43‒ 65‒ 63‒ 49Kasschuiven‒ 456222‒ 311766723Wooncooperaties*‒ 3939Slavernijverleden‒ 58‒ 10104217Wet Regie van de Volkshuisvesting*‒ 5858Grootschalige woningbouw*‒ 8787Verduurzaming maatschappelijk vastgoed*‒ 1491410925Overige kasschuiven‒ 6634‒ 41252523Overboekingen met andere begrotingen‒ 3‒ 6230353538Beheerbijdragen Digitaal Stelsel Omgevingswet*161923262932Verrekening kosten P-Direkt333333Klimaatfondsmiddelen verduurzaming Rijksvastgoed‒ 66Klimaatfondsmiddelen voor monumenten‒ 25Overige overboekingen met andere begrotingen‒ 2275733Plafondcorrecties10‒ 60‒ 60‒ 60‒ 60‒ 60Terugdraaien WML-verhoging huurtoeslag*10‒ 60‒ 60‒ 60‒ 60‒ 60Desalderingen107Raming Waarborgfonds Sociale Woningbouw en risicovoorziening Nationale Hypotheekgarantie*81Additionele kosten HRM-advies11Overige desalderingen14Technisch0‒ 6.503‒ 5.868‒ 7.175‒ 7.404‒ 8.345Herverkaveling naar VRO0‒ 9.546‒ 8.414‒ 8.424‒ 8.422‒ 8.563Herverkaveling Groningen van EZK3.0432.5461.2491.018217Overig technisch000000Stand Miljoenennota11.5435.0844.5453.2943.0522.174166Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 VII BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota927548553542542538Ombuigingen‒ 1‒ 2‒ 3‒ 4‒ 526. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 1‒ 2‒ 3‒ 4‒ 5Desalderingen107Raming Waarborgfonds Sociale Woningbouw en risicovoorziening Nationale Hypotheekgarantie*81Additionele kosten HRM-advies11Overige desalderingen14Technisch1.2251.6251.381408289Herverkaveling Groningen van EZK1.7092.1041.848876752Herverkaveling naar VRO‒ 484‒ 479‒ 467‒ 468‒ 464Stand Miljoenennota1.0341.7722.1761.919946822UitgavenPosten met een * hebben betrekking op budgetten die volledig zijn overgeheveld naar het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.MeevallersVrijval Wet Regie en Betaalbare Huur*Wegens het later ingaan van de wetten Wet Regie van de Volkshuisvesting en Betaalbare Huur valt in 2024 40 miljoen euro vrij.Intensiveringen11. Investeren in goed bestuur en de rechtsstaatIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is 200 mijloen euro structureel vrijgemaakt voor het verbeteren van het bestuur en het versterken van de rechtsstaat. Een kwart hiervan is overgemaakt aan de begroting van Justitie en Veiligheid. De overige middelen zijn toegevoegd aan de begroting van BZK, waarvan een deel op het artikel onverdeeld staat.5. Terugdringen armoede: verhogen huurtoeslag*In het Hoofdlijnenakkoord is structureel 500 miljoen euro voor de huurtoeslag beschikbaar gemaakt. De invulling van deze middelen gebeurt via een viertal maatregelen, waaronder het verlagen van de eigen bijdrage. Door de herverkaveling is dit budget overgeheveld naar de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO).Overige intensiveringenDit betreft het overboeken van middelen uit de envelop Werk aan UItvoering die op de Aanvullende Post stonden. Hier worden verschillende projecten mee gefinancierd, die als doel hebben de uitvoering te versterken. De projecten die worden gefinancierd liggen deze ronde vooral op digitaal terrein.167Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. In totaal wordt ruim 120 miljoen euro structureel omgebogen op de BZK-begoting. Het ministerie van VRO heeft (nog) geen eigen apparaatsbudget.40. Generieke taakstelling subsidies RijksbreedIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat rijksbreed wordt bezuinigd op subsidies. Deze reeks bevat ook het aandeel van Koninkrijksrelaties en het ministerie van VRO. De subsidietaakstelling is doorverdeeld, ook naar de begrotingen van Koninkrijksrelaties en het ministerie van VRO.29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkortingIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent.KasschuivenWooncoöperaties*De Tweede Kamer heeft bij de behandeling van de ontwerpbegroting 2024 van BZK 40 miljoen euro beschikbaar gesteld voor een fonds voor wooncooperaties. Dit fonds wordt momenteel uitgewerkt en meerdere partijen worden gevraagd om een subsidieaanvraag in te dienen. De verwachting is dat dit fonds pas eind 2024 wordt opgericht. Het grootste deel van de middelen worden daarom doorgeschoven naar 2025.SlavernijverledenDe incidentele middelen voor het slavernijverleden, die nog op de begroting van BZK staan, worden in het juiste kasritme gezet. Er zijn nog geen concrete afspraken gemaakt over de middelen die bestemd zijn voor Suriname (66 miljoen euro), waardoor deze pas vanaf 2026 tot besteding komen.Wet Regie van de Volkshuisvesting*Wegens het later ingaan van de Wet Regie op de Volkshuisvesting schuiven middelen die in de beginfase benodigd zijn van 2024 door naar 2025.Grootschalige woningbouw*Dit betreffen middelen voor bijdragen ten behoeve van voorfinanicering van het publieke tekort in de grondexploitaties van woningbouwontwikkelingen. Om langer de tijd te hebben voor de voorbereiding om de bijdrage op een doelmatige, doeltreffende en rechtmatige manier uit te kunnen keren, is een kasschuif nodig.Verduurzaming maatschappelijk vastgoed*Hieronder vallen verschillende kasschuiven om de uitgaven aan de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed in het juiste ritme te krijgen. De middelen schuiven door naar latere jaren, voornamelijk doordat de subsidieaanvragen minder goed lopen dan verwacht.Overige kasschuivenDit betreft een groot aantal kasschuiven, waarvan die voor de Stimuleringsregeling Ontmoetingsruimten in Ouderenhuisvesting en voor de Regiocentra Groningen (onderdeel van Regiodeals) het meest omvangrijk zijn.168Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overboekingen met andere begrotingenBeheerbijdragen Digitaal Stelsel Omgevingswet*De beheerbijdragen van medeoverheden voor het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) worden overgemaakt naar de BZK-begroting.Verrekening kosten P-DirektJaarlijks worden de kosten voor P-Direkt verrekend en overgeboekt naar de BZK-begroting.Klimaatfondsmiddelen verduurzaming Rijksvastgoed*Dit betreft de bijdrage voor de verduurzaming van verschillende Rijksgebouwen. Hiervan gaat 42 miljoen euro naar Defensie en 15 miljoen euro naar het COA. De middelen komen oorspronkelijk uit het Klimaatfonds.Klimaatfondsmiddelen voor monumenten*Dit betreft een overboeking aan OCW, bestemd voor monumenten. De middelen worden ingezet door het versterken van het budget bij het Nationaal Restauratiefonds (NRF) voor de regeling DML-plus (duurzame monumentenlening).Overige overboekingen met andere begrotingenDit betreffen verschillende kleinere overboekingen.PlafondcorrectiesTerugdraaien WML-verhoging huurtoeslag*Het terugdraaien van de WML-verhoging heeft gevolgen voor de uitgaven aan de huurtoeslag. Het huurtoeslagbudget is overigens overgeheveld naar de begroting van VRO.DesalderingenRaming Waarborgfonds Sociale Woningbouw en risicovoorziening Nationale Hypotheekgarantie*Jaarlijks betaalt de Stichting Waarborgfonds Eigenwoning (WEW) voor de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) een achterborgvergoeding (van 0,3%) aan de Staat. De ontvangsten van circa 70 miljoen euro worden geraamd en worden doorgestort naar de risicovoorziening van de Nationale Hypotheekgarantie. Daarnaast wordt de begrotingsreserve Waarborgfonds Sociale Woningbouw opgehoogd met een terugbetaling van 11 miljoen euro voor niet benodigde saneringsmiddelen.Additionele kosten HRM-adviesJaarlijks wordt aan de hand van de omvang van de agentschappen/SSO’s en de tarieven van de Handleiding overheidstarieven bepaald wat de agentschappen moeten bijdragen aan HRM advies. De ontvangst van deze meerkosten wordt via een desaldering toegevoegd aan het budget van 2024..Overige desalderingenDit betreffen verschillende kleinere desalderingen.TechnischHerverkaveling naar VROHet kabinet heeft besloten dat Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening wordt afgesplitst van het ministerie van BZK en een nieuw ministerie gaat vormen. Met deze herverkaveling zijn de middelen vanaf 2025 overgegaan naar VRO.169Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Herverkaveling Groningen van EZKHet kabinet heeft afgesproken dat Herstel Groningen van de begroting van het ministerie van EZK wordt overgeheveld. Met deze herverkaveling zijn de middelen van Herstel Groningen en de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) vanaf 2025 toegevoegd aan de begroting van het ministerie van BZK.OntvangstenOmbuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat 1 miljard euro structureel wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Net als de uitgaven dalen de ontvangsten op het apparaatsartikel.DesalderingenRaming Waarborgfonds Sociale Woningbouw en risicovoorziening Nationale Hypotheekgarantie*Jaarlijks betaalt de Stichting Waarborgfonds Eigenwoning (WEW) voor de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) een achterborgvergoeding (van 0,3%) aan de Staat. De ontvangsten van circa 70 miljoen euro worden geraamd en worden doorgestort naar de risicovoorziening van de Nationale Hypotheekgarantie. Daarnaast wordt de begrotingsreserve Waarborgfonds Sociale Woningbouw opgehoogd met een terugbetaling van 11 miljoen euro voor niet benodigde saneringsmiddelen.Additionele kosten HRM-adviesJaarlijks wordt aan de hand van de omvang van de agentschappen/SSO’s en de tarieven van de Handleiding overheidstarieven bepaald wat de agentschappen moeten bijdragen aan HRM advies. De ontvangst van deze meerkosten wordt via een desaldering toegevoegd aan het budget van 2024.Overige desalderingenDit betreffen verschillende kleinere desalderingen.TechnischHerverkaveling naar VROHet kabinet heeft besloten dat Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening wordt afgesplitst van het ministerie van BZK en een nieuw ministerie vormt. Met deze herverkaveling zijn de middelen vanaf 2025 overgegaan naar VRO.Herverkaveling Groningen van EZKHet kabinet heeft afgesproken dat Herstel Groningen van de begroting van het ministerie van EZK wordt overgeheveld. Met deze herverkaveling zijn de middelen van Herstel Groningen en de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) vanaf 2025 toegevoegd aan de begroting van het ministerie van BZK.170Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Volkshuisvesting en Ruimtelijke OrdeningXXII VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand VoorjaarsnotaMeevallers‒ 113Vrijval Wet Vereenvoudiging Huurtoeslag‒ 113Intensiveringen3318681.039865811Funderingsherstel14141414Grootschalige woningbouwgebieden180340440188100Opschalen woningbouw2525252525Realisatiestimulans0362442516569Uitvoering woningbouw1222242722Woningbouwimpuls100100909090Compensatie huurtoeslag05555Ombuigingen‒ 285Infasering huurtoeslag koopkrachtbesluitvorming‒ 285Kasschuiven‒ 749361316Verduurzaming Rijksgebouwen‒ 7222201316Overige kasschuiven‒ 3‒ 1316Overboekingen Aanvullende Post1Overboekingen Aanvullende Post1Overboekingen met andere begrotingen‒ 19‒ 16‒ 9‒ 7‒ 7Wet Betaalbare Huur‒ 19‒ 16‒ 9‒ 7‒ 7Technisch9.5468.4148.4248.4228.563Herverkaveling9.5468.4148.4248.4228.563Overig technisch00000Stand Miljoenennota9.3879.2759.4909.2949.384XXII VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand VoorjaarsnotaTechnisch484479467468464Herverkaveling484479467468464Stand Miljoenennota484479467468464171Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 UitgavenMeevallersVrijval wet vereenvoudiging huurtoeslagDe wet vereenvoudiging huurtoeslag kan door latere behandeling pas in 2026 worden ingevoerd. Hierdoor vallen de gereserveerde middelen (113 miljoen euro) in 2025 vrij. De helft hiervan (56 miljoen euro) wordt in 2025 tot en met 2028 ingezet voor informatievoorziening voor funderingsproblematiek.IntensiveringenFunderingsproblematiekDe helft van de totale meevaller als gevolg van het uitstel van de wet vereenvoudiging huurtoeslag wordt ingezet voor de funderingsproblematiek. Het gaat in totaal om 56 miljoen euro verdeeld over de jaren 2025 tot en met 2028.Grootschalige woningbouwgebiedenVanuit de de woningbouwmiddelen uit het hoofdlijnenakkoord zijn aanvullende middelen beschikbaar gesteld voor woningbouwlocaties en grond. Cumulatief is 1,25 miljard euro voor grootschalige woningbouwgebieden beschikbaar gesteld. Dit betreft een overboeking vanuit de Aanvullende Post van het Ministerie van FinanciënOpschalen woningbouwVanuit de woningbouwmiddelen uit het hoofdlijnenakkoord (in totaal 5 miljard euro) worden middelen beschikbaar gesteld voor het stimuleren van innovatie en het wegnemen van belemmeringen in het woningbouwdomein. Dit betreft een overboeking vanuit de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën.RealisatiestimulansVanuit de woningbouwmiddelen uit het hoofdlijnenakkoord (in totaal 5 miljard euro) worden middelen beschikbaar gesteld voor de Realisatiestimulans. Dit betreft bijna 2 miljard euro. De realisatiestimulans vormt een beloning voor gemeenten voor het bouwen van (betaalbare) woningen. Dit betreft een overboeking vanuit de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën.Uitvoering woningbouwVanuit de woningbouwmiddelen uit het hoofdlijnenakkoord worden middelen beschikbaar gesteld voor het de uitvoering van verschillende maatregelen in het kader van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening. Dit betreft een overboeking vanuit de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën.WoningbouwimpulsVanuit de woningbouwmiddelen uit het hoofdlijnenakkoord worden middelen beschikbaar gesteld voor de Woningbouwimpuls 2.0. Dit betreft een overboeking vanuit de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën.Compensatie HuurtoeslagDit betreffen middelen voor de compensatie van huurtoeslag vanwege het kabinetsbesluit de aanvraagtermijn voor toeslagen te verlengen en het niet meer met terugwerkende kracht vaststellen van de grondslag van toeslagen op basis van verblijfstitel en het recht op kinderbijslag.172Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 OmbuigingenInfasering huurtoeslag koopkrachtbesluitvormingDe huurtoeslag intensivering uit het HLA wordt ingefaseerd waardoor er 285 miljoen euro vrijvalt. De verlaging van de eigen bijdrage wordt namelijk per 2026 wordt ingevoerd en in 2025 worden alleen de vereenvoudigingsmaatregelen getroffen. Binnen de vereenvoudigingsmaatregelen kan het lineaire afbouwpad daarnaast pas per 2026 worden ingevoerd en zijn er voor het alternatief in 2025 minder middelen benodigd.KasschuivenVerduurzaming RijksgebouwenDe middelen voor de uitvoering van Projecten Rijksgebouwen door het Rijksvastgoedbedrijf (onderdelen DJI en Gatwick) worden in een realistisch kasritme gezet. Deze middelen, die afkomstig zijn uit het klimaatfonds, stonden in een te optimistisch ritme.Overige kasschuivenDit betreffen een aantal kleinere kasschuiven. De kasschuiven van middelen afkomstig uit het jaar 2024 zijn in de Verticale Toelichting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te zien, omdat VRO pas vanaf 2025 een eigen begroting zal hebben.Overboekingen Aanvullende PostDit betreft een overboeking van middelen uit de envelop Werk aan Uitvoering, die ten goede komen aan de VNG.Overboekingen met Andere begrotingenWet betaalbare huurDit betreft een overboeking aan het Gemeentefonds. Met de Wet betaalbare huur krijgen gemeenten de bevoegdheid om toezicht te houden en handhavend op te treden met betrekking tot maximale huurprijzen, maximale huurprijsstijgingen en de informatieplicht op verhuurders om huurders op de hoogte te stellen van de maximale huurprijs. De middelen zijn bedoeld voor de implementatie en uitvoering van het wetsvoorstel.TechnischHerverkavelingHet kabinet heeft besloten het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te heropgerichten. Dit betreft de technische verwerking van de splitsing van het ministerie van VRO van het ministerie van BZK.OntvangstenHerverkavelingHet kabinet heeft besloten om het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening te heroprichten, na veertien jaar onderdeel van BZK te zijn geweest. Dit betreft de technische verwerking van de splitsing van het ministerie van VRO van het ministerie van BZK.173Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Staten-GeneraalIIA STATEN-GENERAAL: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota290260261254266250Kasschuiven‒ 77Motie van Gent‒ 11Security scanners‒ 22Overheidsdatacentrum (ODC)‒ 44Overboekingen met andere begrotingen0Overboekingen met andere begrotingen0Technisch000Technisch000Stand Miljoenennota283267261254266250IIA STATEN-GENERAAL: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota444444Stand Miljoenennota444444UitgavenKasschuivenMotie van GentMotie van Gent (35322, nr 43) verzoekt het presidium een werkgroep in te stellen die onderzoekt hoe de Kamer in tijden van crisissituaties effectief kan opereren. Om dit een goede invulling te kunnen geven acht de Tweede Kamer meer onderzoek en politieke afstemming nodig. Na het zomerreces 2024 zal het plan van aanpak klaar zijn.Security scannersMiddelen die zijn gereserveerd voor de vevanging van Security scanners schuiven door naar 2025. De gunning voor security scanners vindt namelijk naar alle waarschijnlijkheid niet voor half december 2024 plaats.Overheidsdatacentrum (ODC)Dit betreft werkzaamheden voor het inrichten Flexibele Infra & Hybride Cloud. De complete vervanging verloopt over meerdere jaren en loopt wat vertraging op. Het gaat hier om onder andere vervanging van computers, storage en het netwerk.Overboekingen met andere begrotingenDit betreffen enkele overboekingen aan BZK voor de bekostiging van Rijksbrede ICT-voorzieningen.TechnischDeze post bestaat uit enkele reallocaties die zeer beperkt van omvang zijn.174Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Hoge Colleges van Staat en KabinettenIIB HOGE COLLEGES VAN STAAT EN KABINETTEN: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota195188177187177176Kasschuiven‒ 342‒ 1‒ 2Digitaal Hulpmiddel Verkiezingen‒ 342‒ 1‒ 2Overboekingen met andere begrotingen200000Transitie Kiesraad200000Technisch000022Extrapolatiecorrectie000022Stand Miljoenennota195192180187179176IIB HOGE COLLEGES VAN STAAT EN KABINETTEN: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota666666Stand Miljoenennota666666UitgavenKasschuivenDigitiaal Hulpmiddel Verkiezingen (DHV)Door het wegvallen van het contract met de marktpartij is er gezocht naar alternatieve manieren om de gewenste functionaliteit van DHV te (laten)realiseren. Een gedeelte van deze functionaliteit zal in eigen beheer worden ontwikkeld en een deel door een marktpartij, na doorlopen van een aanbestedingsprocedure. Door de omzetting van ontbinding van het contract van de markttpartij naar een modulaire ontwikkeling van de programmatuur, schuift ook het tijdstip waarop het bijbehorende budget wordt uitgegeven op ten aanzien van de tijdslijnen voorzien in het contract met Paragon. Om het budget toereikend te houden is deze kasschuif, over meerdere jaren, noodzakelijk.Overboekingen met andere begrotingenTransitie KiesraadDit betreft incidentele dekking voor de transitie van de Kiesraad naar verkiezingsautoriteit. Op het moment dat het tweede wetsvoorstel, kwaliteitsbevordering uitvoering verkiezingsproces, in werking treedt wordt de structurele dekking aan de Kiesraad overgeboekt.TechnischExtrapolatiecorrectieDit betreft de technische correctie van een fout in de extrapolatie. Ook hebben er enkele zeer beperkte reallocaties plaatsgevonden.175Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 KoninkrijksrelatiesIV KONINKRIJKSRELATIES: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota159228200221174153Ombuigingen‒ 3‒ 6‒ 9‒ 7‒ 626. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 1‒ 2‒ 4‒ 5‒ 540. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed‒ 2‒ 4‒ 6‒ 2‒ 1Kasschuiven‒ 12‒ 11713Kasschuif Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN)‒ 1100Kasschuif Wederopbouw Bovenwindse Eilanden‒ 11Kasschuif herstelwerkzaamheden klif Sint Eustatius‒ 33Kasschuif subsidies slavernijverleden‒ 33Kasschuif Tijdelijke Werkorganisatie (TWO)‒ 422Kasschuif detentie‒ 1‒ 111Overboekingen met andere begrotingen‒ 113919‒ 139‒ 1Recherche Samenwerkingsteam (RST)‒ 1‒ 23Eilandelijke achterstanden‒ 2Versterking grenstoezicht douane‒ 4Middelen uit NGF voor Caribische delen van het Koninkrijk40201010Overige overboekingen met andere begrotingen‒ 3‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1Desalderingen3Desalderingen3Technisch000000Technisch000000Niet-plafondrelevant66Lopende inschrijving Sint Maarten66Stand Miljoenennota205263214206178149IV KONINKRIJKSRELATIES: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota146205224148239303Desalderingen3Desalderingen3Stand Miljoenennota149205224148239303UitgavenOmbuigingenTerugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat er wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Naar rato betekent dit structureel 5 miljoen euro minder voor het apparaat van Koninkrijksrelaties.176Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Generieke taakstelling subsidies rijksbreedIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat budgetten voor subsidies structureel worden verlaagd. Voor Koninkrijksrelaties is de taakstelling ingevuld met budgetten voor de Tijdelijke Werkorganisatie (TWO) en voor grensbewaking.KasschuivenKasschuif Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN)De werving van personeel voor de Rijkdienst Caribisch Nederland (RCN) duurt langer dan verwacht. Ook verloopt de inrichting van de Chief Information Officer (CIO) office langzamer dan initieel verondersteld. Daarom worden er middelen doorgeschoven naar latere jaren.Kasschuif Wederopbouw Bovenwindse EilandenDoor vertraging in de uitvoering kunnen niet alle middelen worden besteed in 2024, waaronder de middelen voor de aanschaf van de stormwaterpompen. De middelen worden derhalve doorgeschoven.Kasschuif herstelwerkzaamheden klif Sint EustatiusEr zijn vertragingen opgespeeld in de herstelwerkzaamheden aan de klif op Sint Eustatius. Daarom is een deel van de beschikbare middelen in het voorjaar al doorgeschoven naar 2025. Er zijn nu extra vertragingen door natuur- en erosieprojecten die eerst moeten worden ondernomen, voordat de herstelwerkzaamheden verder kunnen. Vandaar dat er additioneel 3 miljoen euro wordt doorgeschoven.Kasschuif subsidies slavernijverledenDe subsidieregeling slavernijverleden gaat per januari 2025 van start. Hierop wordt het kasritme aangepast.Kasschuif Tijdelijke Werkorganisatie (TWO)De uitvoering van hervormingen in het kader van de Landspakketten verloopt langzamer dan voorzien. In 2024 worden daardoor niet alle middelen uitgeput. Met deze kasschuif worden de kas en verplichtingen meerjarig in het juiste ritme gezet.Kasschuif detentieDe verbeteringen aan het detentiewezen op Sint Maarten loopt vertraging op, vanwege een gebrek aan uitvoerings- en absorptiecapaciteit. Het kasritme wordt aangepast in lijn met de nieuwe planning rondom de oplevering van de gevangenis.Overboekingen met andere begrotingenRecherche Samenwerkingsteam (RST)Ten behoeve van het Recherche Samenwerkingsteam (RST), wordt de loon- en prijsbijstelling en het reguliere budget voor 2027 overgeheveld naar de begroting van Justitie en Veiligheid.Eilandelijke achterstandenEr worden middelen overgemaakt naar het BES-fonds ten behoeve van eilandelijke achterstanden, naar aanleiding van de gemaakte bestuurlijke afspraken met Bonaire en Sint Eustatius. Deze middelen komen uit de middelen die in 2023 beschikbaar zijn gesteld met het Coalitieakkoord Rutte IV.177Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Versterking grenstoezicht douaneEr worden middelen overgeheveld naar Financiën ter bekostiging van Douane Nederland binnen het protocol Versterking Grenstoezicht.Middelen uit NGF voor Caribische delen van het KoninkrijkVanuit het Nationaal Groeifonds (NGF) is er 80 miljoen euro overgeheveld naar de begroting van Koninkrijksrelaties ten behoeve van drie projecten in de Caribische delen van het Koninkrijk. De projecten zijn de verplaatsing van de haven van Saba, het verbeteren van het wegennetwerk van Bonaire, en het vergroten van de voedselzekerheid op Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba.Overige overboekingen met andere begrotingenDit betreft o.a. een overboeking naar het BES-fonds ten behoeve van openbaar vervoer (800 duizend euro) en een overboeking naar de begroting van Justitie en Veiligheid van de loon- en prijsbijstelling voor de organisaties binnen de ondermijningsaanpak (626 duizend euro). Ook wordt er voor 2024-2027 cumulatief 625 duizend euro overgeheveld naar het apparaatsbudget voor de ondersteuning bij de landspakketten en structureel 595 duizend euro naar het apparaatsbudget voor capaciteitsuitbreiding van Koninkrijksrelaties.DesalderingenDit is een desaldering van de geraamde ontvangsten van Shared Service Organisatie Caribisch Nederland (SSO-CN).TechnischHiertoe behoren specifieke reallocaties naar het juiste instrument en budget.Niet-plafondrelevantLopende inschrijving Sint MaartenMet de Prinsjesdag suppletoire wordt er financiële ruimte gereserveerd in de begroting, mocht Nederland, op basis van de in de Rijkswet financieel toezicht opgenomen zogenaamde lopende inschrijving, een annuïtaire lening ter grootte van 66 miljoen euro (ANG 132 miljoen) aan Sint Maarten verstrekken. Deze lening heeft een looptijd van 25 jaar en is ter financiering van een aantal benodigde investeringen. Het uiteindelijk verstrekken van de lening is afhankelijk van een positief advies van het College financieel toezicht en instemming van de Ministerraad, cf. het beleidskader risicoregelingen.OntvangstenDesalderingenDit is een desaldering van de geraamde ontvangsten van Shared Service Organisatie Caribisch Nederland (SSO-CN).178Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 BES-fondsBES-FONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota848888899091Intensiveringen111113. Overheveling middelen envelop «Groepen in de knel»11111Overboekingen met andere begrotingen1000000Armoedebestrijding6Eilandelijke achterstanden2Overige overboekingen met andere begrotingen200000Stand Miljoenennota948989909193UitgavenIntensiveringenOverheveling middelen envelop «Groepen in de knel»Vanuit de envelop «groepen in de knel» uit het Hoofdlijnenakkoord wordt er structureel 1 miljoen euro overgemaakt naar het BES-fonds om de dienstverlening t.b.v. armoedebeleid te versterken.Overboekingen met andere begrotingenArmoedebestrijdingMet Prinsjesdag 2023 zijn er in het kader van koopkrachtverbetering middelen in 2024 beschikbaar gesteld voor de openbare lichamen. In totaal betreft dit 1 miljoen euro voor armoedebestrijding en 4,5 miljoen euro voor een eenmalige energietoelage voor huishoudens met een laag inkomen. Dit is naar rato over de drie eilanden verdeeld.Eilandelijke achterstandenVanaf de begroting van Koninkrijksrelaties worden middelen overgemaakt ten behoeve van eilandelijke achterstanden, naar aanleiding van de gemaakte bestuurlijke afspraken met Bonaire en Sint Eustatius. Deze middelen komen uit de middelen die in 2023 beschikbaar zijn gesteld met het Coalitieakkoord Rutte IV.Overige overboekingen met andere begrotingenEr worden voor 2024 middelen naar het BES-fonds overgeheveld ten behoeve van het openbaar vervoer (800 duizend euro), voor het versterken van de ondersteuning van de eilandsraden (350 duizend euro), en om bij te dragen voor activiteiten in het kader van het herdenkingsjaar slavernijverleden (84 duizend euro). Ook voegt VWS structureel 90 duizend euro toe aan het BES-fonds voor de uitvoering van de veiligheidswet BES.OntvangstenHet BES-fonds heeft geen ontvangsten.179Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Onderwijs, Cultuur en WetenschapONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota58.20658.07957.10257.07756.49656.344Intensiveringen‒1361961.49224222221. Eenmalige uitkering studielening sociaal leenstelsel001.2974727Schoolmaaltijden135135135135135Compensatie verhoging btw op leermiddelen060606060WaU middelen0110Ombuigingen0‒ 610‒ 1.111‒ 1.691‒ 1.883‒ 2.00022. Afschaffen maatschappelijke diensttijd‒ 153‒ 123‒ 184‒ 200‒ 20023. Afschaffen brede brugklas en beperken S&O‒ 55‒ 210‒ 210‒ 210‒ 21024. Alternatieve invulling opgave bijstelling sectorplannen ho‒ 175‒ 175‒ 175‒ 175‒ 17526. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid0‒ 20‒ 40‒ 58‒ 78‒ 8629. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting00‒ 81‒ 81‒ 81‒ 8132. Beëindiging functiemix Randstad0‒ 75‒ 75‒ 75‒ 7534. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking0‒ 9‒ 9‒ 9‒ 935. Verlaging non-ODA-middelen‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1‒ 340. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed0‒ 75‒ 138‒ 255‒ 317‒ 36141. Verminderen internationale studenten (via bestuurlijk akkoord)0‒ 29‒ 118‒ 209‒ 27242. Hervorming Nederlandse Publieke Omroep NPO00‒ 100‒ 100‒ 10043. Afschaffen OV-vergoeding buitenland studerenden0‒ 4‒ 8‒ 14‒ 1444. Verhogen collegegeld langstudeerders (via lagere bekostiging)0‒ 95‒ 285‒ 283‒ 28269. Fonds Onderzoek Wetenschap‒ 132‒ 132‒ 132‒ 132‒ 132Generaal dossier122HVP uitvoeringskosten22Taalonderwijs Oekraïnse ontheemden100Kasschuiven‒ 16517‒ 47746931Kasschuiven NGF‒ 174‒ 7‒ 5196Kasschuif kasrimte PO‒ 104‒ 11‒ 20445416Overige kasschuiven‒ 4324‒ 2034‒ 49Overboekingen met andere begrotingen15‒ 37‒ 47111210DUS-I uitvoeringskosten subsidies‒ 4‒ 11BZK NRF Duurzame monumentenlening25BZK Wetsvoorstel van school naar duurzaam werk77777GF DU openbare bibliotheken‒ 59‒ 59HLA 11. Investeren in goed bestuur en de rechtsstaat11Overige overboekingen met andere begrotingen1925441Desalderingen5Desalderingen5Technisch‒ 9900000Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 9900000Overig technisch000000180Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro202420252026202720282029Niet-plafondrelevant9900000Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen9900000Stand Miljoenennota58.06157.59756.09456.96354.93654.606ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota2.1512.2742.3542.4512.5522.647Ombuigingen0000026. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid00000Desalderingen5Desalderingen5Technisch0Technisch0Stand Miljoenennota2.1552.2742.3542.4512.5522.647UitgavenIntensiveringen21. Eenmalige uitkering studielening sociaal leenstelselIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat er in totaal 1,4 miljard euro beschikbaar wordt gesteld voor een extra incidentele tegemoetkoming voor studenten die hebben gestudeerd onder het sociaal leenstelsel.SchoolmaaltijdenHet programma schoolmaaltijden wordt in de huidige vorm voortgezet voor een bedrag van 135 miljoen euro per jaar. 45 miljoen euro hiervan komt uit de envelop ‘Groepen in de knel’.Compensatie verhoging btw op leermiddelenScholen in het primair en voortgezet onderwijs worden gecompenseerd voor de btw-verhoging op leermiddelen (vanaf 2026 structureel 58,5 miljoen euro). Ook mbo-instellingen ontvangen een compensatie voor deze btw-verhoging voor leermiddelen voor basisvaardigheden voor studenten onder de 18 jaar (vanaf 2026 structureel 1,5 miljoen euro). WaU-middelenEen deel van de loon- en prijsbijstelling van eerder overgehevelde middelen voor Werk aan Uitvoering (WaU) wordt overgeheveld van de aanvullende post naar de begroting van OCW. Daarnaast worden WaU-middelen overgeboekt voor het programma Student Centraal. Dit programma heeft als doel om de informatievoorziening en dienstverlening aan (aankomend) studenten te verbeteren.Extensiveringen22. Afschaffen maatschappelijke diensttijdIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de subsidie voor de maatschappelijke diensttijd wordt afgeschaft (200 miljoen euro structureel).181Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 23. Afschaffen brede brugklas en beperken S&OIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de subsidie voor heterogene brugklassen wordt afgeschaft (55 miljoen euro structureel) en het programma School en Omgeving wordt beperkt tot de 5% scholen met de hoogste positieve achterstandsscore (besparing van 155 miljoen euro structureel).24. Alternatieve invulling bijstelling sectorplannen hoger onderwijs en wetenschapIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de sectorplannen worden bijgesteld (215 miljoen euro structureel per 2026). Deze maatregel wordt alternatief ingevuld met het stopzetten van de startersbeurzen per 2025 (175 miljoen euro structureel), en na intertemporele compensatie aangevuld met een bezuiniging op de bekostiging aan NWO van 27 miljoen euro in 2030 en 40 miljoen euro structureel vanaf 2031.26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Voor OCW betekent dit een bezuiniging van structureel 86 miljoen euro. Het bedrag van 20 miljoen voor het jaar 2025 is structureel verdeeld over OCW, haar dienstonderdelen en de zelfstandige bestuursorganen. De apparaatstaakstelling in 2026 en verder staat nu geboekt op het apparaatsartikel 95 en zal tijdens de Voorjaarsbesluitvorming van 2025 definitief worden verdeeld over de begroting van OCW.29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkortingIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent. De korting van 10 procent wordt in de Ontwerpbegroting 2025 verwerkt, overheveling naar de fondsen geschiedt later. Bij OCW bedraagt het totaal van deze korting op alle specifieke uitkeringen structureel 81 miljoen euro.32. Beëindiging functiemix RandstadIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de regeling functiemix Randstadregio's wordt teruggedraaid (75 miljoen euro structureel).34. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerkingIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld. Op de OCW-begroting heeft dit gevolgen voor de ODA- middelen (Official Development Assistance) binnen de bekostiging van het hoger onderwijs en onderzoek (structureel 7 miljoen euro).35. Verlaging non-ODA-middelenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor non-ODA (middelen voor internationale samenwerking, niet zijnde Official Development Assistance) wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld. Op de OCW begroting betekent dit een structurele verlaging van 4 miljoen euro op de non-ODA middelen. Deze middelen staan verspreid op meerdere budgetten op de OCW-begroting.40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreedIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat rijksbreed wordt bezuinigd op subsidies. Het aandeel voor OCW in deze taakstelling is vastgesteld op 75 miljoen euro in 2025 oplopend tot structureel 362 miljoen euro vanaf 182Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2029. De invulling van de generieke subsidietaakstelling voor het jaar 2025 is verwerkt met concrete verlaging van budgetten in de OCW begroting 2025. De subsidietaakstelling vanaf 2026 is voorlopig verwerkt op drie grote subsidiebudgetten op de OCW-begroting, te weten het budget voor overige subsidies op artikel 1, het budget voor overige subsidies op artikel 3 en het budget voor de regeling praktijkleren op artikel 4. De concrete invulling van de subsidietaakstelling vanaf 2026 wordt middels een Nota van Wijziging op de Ontwerpbegroting 2025 voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van OCW voorgelegd.41. Verminderen internationale studenten (via bestuurlijk akkoord)In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat er wordt ingezet op het sluiten van een bestuurlijk akkoord met universiteiten en hogescholen om studiemigratie in het hoger onderwijs te beperken in de bachelorfase, met uitzondering van technische studies en rekening houdend met lokale omstandigheden. Deze maatregel leidt tot een ombuiging op het hoger onderwijs van 29 miljoen euro in 2026 tot oplopend 272 miljoen euro in 2029 op de artikelen 6 en 7 (hoger onderwijs). Structureel is de besparing 293 euro miljoen.42. Hervorming Nederlandse Publieke Omroep NPOIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de bekostiging van de landelijke publieke omroep (NPO) structureel wordt verlaagd met 100 miljoen euro.43. Afschaffen OV-vergoeding buitenland studerendenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de OV-vergoeding voor Nederlandse studenten in het buitenland (RBS) wordt afgeschaft (structureel 30 miljoen euro).44. Verhogen collegegeld langstudeerders (via lagere bekostiging)In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het collegegeld met 3.000 euro wordt verhoogd voor voltijdstudenten die langer dan één jaar uitlopen in de bachelor- of masterfase. Deze maatregel leidt tot een ombuiging van structureel 282 miljoen euro die is ingeboekt op het bekostigingsbudget voor het hoger onderwijs.69. Fonds Onderzoek WetenschapIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het Fonds Onderzoek en Wetenschap wordt verlaagd met in totaal 1,1 miljard euro. Dit is verdeeld over de begroting van OCW en EZ. Hieruit volgt dat EZ tot en met 2029 25 miljoen euro per jaar ombuigt. Op de begroting van OCW wordt tot en met 2031 132 miljoen euro per jaar omgebogen. Deze taakstelling wordt ingevuld op de OCW-begroting met een ombuiging op nieuwe grootschalige wetenschappelijke infrastructuur van 30 miljoen euro per jaar en op het regie-orgaan open science van 10 miljoen euro per jaar. Daarnaast wordt de nog niet verdeelde loon- en prijsbijstelling ter hoogte van 10 miljoen euro op de Fondsmaatregelen van NWO ingezet ter dekking van de taakstelling. Afsluitend wordt omgebogen op de stimuleringsbeurzen met 82 miljoen euro per jaar tussen 2025 en 2031. Dit heeft geen structureel effect.Generaal dossierHVP UitvoeringskostenBij BZK, OCW en SZW zijn extra (apparaat)middelen nodig in het kader van de verantwoording van middelen uit het HVP. De middelen zijn nodig om de HVP-ontvangsten te realiseren.183Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Taalonderwijs Oekraïense ontheemdenOm de zelfredzaamheid en participatie van ontheemden uit Oekraïne te bevorderen wordt het budget voor taallessen voor Oekraïense ontheemden met 10 miljoen euro naar boven bijgesteld. De begroting van Justitie en Veiligheid wordt met eenzelfde bedrag naar beneden bijgesteld.KasschuivenKasschuiven NGFEr worden kasschuiven gedaan om de middelen voor NGF-projecten in het juiste ritme te zetten. Het gaat hierbij om de projecten ‘Innovatief Programma Onderwijshuisvesting’, ‘Leeroverzicht’, ‘Collectief LLO’, ‘Biotech Booster’, Big Chemistry’, ‘Nationale Aanpak Professionalisering Leraren’ en ‘NPULS’.Kasschuif kasritme POEr wordt een correctie doorgevoerd op het kasritme van de bekostiging van het primair onderwijs. Deze is nodig vanwege een correctie in de doorrekening van de referentieraming 2023. Met deze kasschuif wordt het verschil tot en met 2029 opgelost.Overige kasschuivenEr worden verschillende kasschuiven gedaan om de loon- en prijsbijstelling in het juiste ritme te zetten. Daarnaast zijn er wegens vertraging op enkele projecten middelen geschoven naar latere jaren.Overboekingen met andere begrotingenDUS-I uitvoeringskosten subsidiesVoor de uitvoering van verschillende subsidieregelingen worden middelen overgeboekt naar de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (DUS-I).BZK NRF Duurzame monumentenleningAls onderdeel van het Klimaatfonds doet BZK een overboeking aan OCW. Deze middelen zijn bestemd voor monumenten en worden ingezet op het budget van het Nationaal Restauratiefonds (NRF) ter versterking van de duurzame monumentenlening (regeling DML-plus).BZK Wetsvoorstel van school naar duurzaam werkDe decentralisatie uitkering (DU) Jeugd wordt in 2025 beëindigd en de middelen voor de DU Jeugd worden vanaf dat jaar structureel toegevoegd aan het budget voor de (contact)gemeente voor het regionaal programma. Deze voornemens zijn onderdeel van het wetsvoorstel ‘Van school naar duurzaam werk'.GF DU openbare bibliothekenIn de periode 2023-2024 konden gemeenten een specifieke uitkering ontvangen voor het versterken van het lokale bibliotheekstelsel. Daarna zal een wettelijke zorgplicht voor gemeenten worden ingevoerd ten aanzien van de openbare bibliotheek. In de periode tussen de specifieke uitkering en de invoering van de wettelijke zorgplicht ontvangen gemeenten een decentralisatie-uitkering om zich verder op de periode van de zorgplicht te kunnen voorbereiden. Hiervoor wordt in 2025 en 2026 jaarlijks 59 miljoen beschikbaar gesteld.HLA 11. Investeren in goed bestuur en de rechtsstaatIn het Hoofdlijnenakkoord is één van de hoofdpunten dat er de komende kabinetsperiode geïnvesteerd wordt in goed bestuur en de rechtsstaat. Hierin tevens is opgenomen dat de overheidsarchieven op orde worden 184Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 gebracht. Om de implementatie van de herziene Archiefwet te versterken wordt in 2028 0,5 miljoen euro en vanaf 2029 structureel 1 miljoen euro overgeheveld naar de OCW begroting en toegevoegd aan het budget voor de implementatie van de nieuwe Archiefwet.Overige overboekingen met andere begrotingenEr worden tevens diverse kleinere overboekingen gedaan met begrotingen van andere departementen. Dit betreft onder andere een overboeking van EZ voor de Faciliteiten voor Toegepast Onderzoek Naturalis voor 19 miljoen euro tussen 2024 en 2028 en LPO over ODA-middelen.DesalderingenDesalderingenEr zijn diverse desalderingen gedaan, waaronder een toevoeging van premie aan de begrotingsreserve schatkistbankieren (2 miljoen euro), een onttrekking uit het Museaal Aankoopfonds voor Stilleven Met Aardappels van Van Gogh (1 miljoen euro) en een terugstorting in verband met de subsidievaststelling van NGF-subsidie 2023 (1 miljoen euro).TechnischOekraïne budgetten buiten het uitgavenkaderIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Overig technischOnder het kopje Overig technisch vallen technische mutaties en interne overboekingen. Deze maatregelen hebben op het totaalniveau van de begroting geen effect.Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkaderIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Ontvangsten26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidEen deel van de apparaatstaakstelling is ingeboekt op de ontvangsten op het apparaatsartikel. Dit deel is afgerond 0 miljoen euro.DesalderingenEr zijn diverse desalderingen gedaan, waaronder een toevoeging van premie aan de begrotingsreserve schatkistbankieren (2,1 miljoen euro), een onttrekking uit het Museaal Aankoopfonds voor Stilleven Met Aardappels van Van Gogh (1,3 miljoen euro) en een terugstorting in verband met de subsidievaststelling NGF-subsidie 2023 (1,1 miljoen euro).TechnischEr zijn enkele technische mutaties en interne overboekingen. Deze maatregelen hebben op het totaalniveau van de begroting geen effect.185Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Financiën (inclusief Nationale Schuld)FinanciënIX FINANCIEN: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota26.00123.75110.55210.1759.7329.776Intensiveringen4551.1731.0507142626Extra middelen aanvullende schade Toeslagen Herstel bij NvW4341.1587342938. Uitvoeringskosten herinvoeren gebruik rode diesel voor landbouw55554. Uitvoeringskosten Invoeren circulaire plastic heffing5567. Extra middelen Invest International10067. Extra middelen Invest NL200400Vertragingsrente TEM20Belangenbehartiger68888Diverse overboekingen Aanvullende Post298888Overige intensiveringen00000Ombuigingen‒ 23‒ 42‒ 155‒ 159‒ 15726. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 22‒ 41‒ 61‒ 82‒ 9234. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking‒ 93‒ 76‒ 6335. Verlaging non-ODA-middelen‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1Kasschuiven‒ 554154119281Kasschuif VSO-route SGH‒ 275275Kasschuiven Toeslagen Herstel‒ 2791541196Overige kasschuiven00Overboekingen met andere begrotingen4087‒ 1‒ 1‒ 1Overboekingen met andere begrotingen4087‒ 1‒ 1‒ 1Plafondcorrecties91‒ 300‒ 400‒ 3‒ 3Overboekingen met andere begrotingen9100‒ 3‒ 3Plafondcorrectie middelen Invest NL en Invest International‒ 300‒ 400Technisch‒ 16183100107154151Bijstelling Btw-compensatiefonds96224226233233234Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 34‒ 41‒ 41‒ 410Belasting- en invorderingsrente overhevelen naar het inkomstenkader‒ 224‒ 96‒ 81‒ 82‒ 76‒ 79Overig technisch1‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3Niet-plafondrelevant4622.51517.323324277280Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen344141410Belasting- en invorderingsrente overhevelen naar het inkomstenkader2249681827679Invorderingsrente Sondervermögen203Kasschuif middelen Invest NL‒ 200‒ 200200200Lening TenneT2.30017.100Ophoging kapitaalinleg ESM77Plafondcorrectie middelen Invest NL en Invest International300400Overig niet-plafondrelevant011111186Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro202420252026202720282029Stand Miljoenennota26.25227.66228.80911.04610.02610.073IX FINANCIEN: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota5.7343.6213.9653.9533.8723.852Tegenvallers‒ 1.602Tegenvaller TenneT‒ 1.602Ombuigingen‒ 3‒ 6‒ 9‒ 11‒ 1226. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 3‒ 6‒ 9‒ 11‒ 12Plafondcorrecties‒ 259‒ 704‒ 912‒ 912‒ 912‒ 912Plafondcorrectie renteontvangsten TenneT‒ 259‒ 704‒ 912‒ 912‒ 912‒ 912Technisch‒ 1.039‒ 1.016‒ 980‒ 933‒ 809‒ 806Belasting- en invorderingsrente overhevelen naar het inkomstenkader‒ 1.040‒ 1.012‒ 976‒ 930‒ 806‒ 803Overig technisch1‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3Niet-plafondrelevant1.7831.7592.3582.5662.4422.439Belasting- en invorderingsrente overhevelen naar het inkomstenkader1.0401.012976930806803Verkoop aandelen ABN AMRO444Plafondcorrectie renteontvangsten TenneT259704912912912912Renteontvangsten lening TenneT1840466721721721Schaderestituties Exportkredietverzekeringen13Overig niet-plafondrelevant1033333Stand Miljoenennota4.6183.6584.4264.6654.5824.561UitgavenIntensiveringenExtra middelen aanvullende schade Toeslagen Herstel bij NvWIn totaal is bij Nota van Wijziging (NvW) op de 1e suppletoire begroting 1,4 miljard euro extra voor aanvullende schaderoutes toegevoegd aan de Financienbegroting (op de Aanvullende Post wordt 0,9 miljard euro gereserveerd). Daarnaast worden de bij Voorjaarsnota 2024 gereserveerde middelen op de Aanvullende Post van 1,2 miljard euro overgeheveld naar de Financiën begroting. In totaal betreffen de overboekingen in de NvW naar de Financiën begroting daardoor 2,6 miljard euro.8. Uitvoeringskosten herinvoeren gebruik rode diesel voor landbouwIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de rode diesel met ingang van het jaar 2027 wordt heringevoerd voor de landbouwsector. Aan deze maatregel zitten vanaf 2027 uitvoeringskosten verbonden van 5 miljoen euro structureel.54. Uitvoeringskosten Invoeren circulaire plastic heffingIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat met ingang van het jaar 2028 een circulaire plastic heffing wordt ingevoerd. Aan deze maatregel zitten vanaf 2028 uitvoeringskosten verbonden van 5 miljoen euro structureel.187Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 67. Extra middelen Invest InternationalTer ondersteuning van de financiering van het internationale Nederlandse bedrijfsleven door Invest International wordt een bedrag van 100 miljoen euro in 2026 vrijgemaakt uit de gereserveerde middelen voor Invest-NL vanuit het Hoofdlijnenakkoord. Het kabinet onderzoekt tegelijkertijd hoe de continuïteit van Invest International voor de toekomst kan worden geborgd, onder andere door te bezien of en zo ja onder welke voorwaarden een integratie van beide organisaties mogelijk is, op zodanige wijze dat de beleidsdoelen van beide organisaties worden versterkt (binnen de geldende budgettaire afspraken).67. Extra middelen Invest-NLInvest-NL krijgt in totaal 900 miljoen euro tot en met 2029 aan additionele middelen waarmee haar slagkracht wordt vergroot. 600 miljoen euro wordt vanaf de begroting van Financiën gebruikt voor versterking van het kernkapitaal, wat onder meer bijdraagt aan de doorgroei van startups naar scaleups. Met cumulatief 250 miljoen euro krijgt Invest-NL de mogelijkheid Blended Finance uit te breiden om hiermee knelpunten in de bedrijfsfinanciering te kunnen adresseren. Daarmee wordt het innovatief mkb aanvullend geholpen om door te groeien en neemt de maatschappelijke impact van Invest-NL nog meer toe. Tevens wordt cumulatief 50 miljoen euro toegevoegd in het Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid (BEV), waarmee als laatste redmiddel een belang kan worden genomen in bedrijven wanneer voorziene investeringen van statelijke actoren onze nationale veiligheid bedreigen. De bijdragen voor Blended Finance en het BEV worden verantwoord op de begroting van Economische Zaken.Vertragingsrente TEMEr zijn nabetalingen gedaan over de Traditionele Eigen Middelen (TEM). De Nederlandse douaneautoriteiten voeren een zelfanalyse uit op casussen waarvan de invoerrechten nog niet met zekerheid zijn vastgesteld of nog niet door de lidstaat zijn geïnd. Als gevolg van de zelfanalyses heeft Nederland de aansprakelijkheid op een aantal dossiers geaccepteerd. Dit heeft geleid tot circa 20,5 miljoen euro aan TEM nabetalingen via de begroting van Buitenlandse Zaken. De corresponderende vertragingsrente op de nabetalingen bedraagt circa 20 miljoen euro en wordt door de Douane verantwoord op Artikel 9 van de Financiënbegroting.BelangenbehartigerOpvraag van de middelen voor de Belangenbehartiger voor Belastingplichtigen en Toeslaggerechtigden. De Belangenbehartiger moet ondersteuning bieden aan belastingplichtigen en toeslaggerechtigden die zijn vastgelopen in de verschillende processen.Diverse overboekingen Aanvullende PostAantal beperkte overboekingen vanuit de AP waarvan voornamelijk de loon- en prijsbijstelling van de bereikbaarheid van de Belastingtelefoon.Overige intensiveringenDit betreft een beperkte intensivering voor de uitvoeringskosten bij Toeslagen voor de envelop Groepen in de knel uit het Hoofdlijnenakkoord.188Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat en externe inhuur van de Rijksoverheid. De budgettaire mutaties raken zowel de uitgaven als de ontvangsten. Het saldo van deze mutaties telt op tot in totaal 80 miljoen euro structureel, waarvan 71 miljoen euro op de apparaatsbudgetten en 9 miljoen euro op de inhuurbudgetten. 34. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerkingIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld.35. Verlaging non-ODA-middelenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor non-ODA wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld.KasschuivenKasschuif VSO-route SGHDe uitvoering van de VSO-route start later dan eerder werd verondersteld. Daarnaast is de verwachting dat er in 2024 minder middelen voor de digitale route nodig zijn dan eerder geraamd.Kasschuiven Toeslagen HerstelVoor de Hersteloperatie Toeslagen worden voor diverse regelingen middelen doorgeschoven naar latere jaren. Dit betreffen onder andere middelen voor de ex-partnerregeling, de kindregeling, de HZK-regeling en middelen voor het kwijtschelden van private schulden. Overige kasschuivenDit betreft een beperkte technische mutatie binnen Toeslagen.Overboekingen met andere begrotingenDit betreft verschillende overboekingen met andere begrotingen, voornamelijk naar het Btw-compensatiefonds (BCF).PlafondcorrectiesOverboekingen met andere begrotingenDit betreft verschillende overboekingen met andere begrotingen, voornamelijk naar het BCF. De herkomst van deze overboekingen betreft een ander plafond (investeringen en sociale zekerheid).Plafondcorrectie middelen Invest-NL en Invest InternationalDe middelen voor het kernkapitaal van Invest-NL en Invest International worden door deze mutatie gecorrigeerd naar niet-plafondrelevante middelen.TechnischBijstelling Btw-compensatiefondsDeze mutatie betreft een bijstelling van de raming van het BCF op basis van de beschikking van het afgelopen jaar, betalingen van het vierde kwartaal van het afgelopen jaar en driemaal het voorschot van het eerste kwartaal uit het lopende jaar.189Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Belasting- en invorderingsrente overhevelen naar het inkomstenkaderIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken het advies van de 17e Studiegroep Begrotingsruimte over te nemen en hiermee de Belasting- en invorderingsrente (BIR) over te hevelen naar het inkomstenkader. De BIR uitgaven en ontvangsten worden om die reden niet-plafondrelevant.Overig technischDit betreft een totaal van meerdere beperkte desalderingen en daarnaast enkele technische mutaties die per saldo op nul sluiten.Niet-plafondrelevantOekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Belasting- en invorderingsrente overhevelen naar het inkomstenkader In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken het advies van de 17e Studiegroep Begrotingsruimte over te nemen en hiermee BIR over te hevelen naar het inkomstenkader. De BIR uitgaven en ontvangsten worden om die reden niet-plafondrelevant.Invorderingsrente SondervermögenDe Hoge Raad heeft geoordeeld dat een groot Duits vastgoedfonds (Sondervermögen) niet belastingplichtig is in Nederland en daarom geen winstbelasting hoefde te betalen tussen 1997 en 2009. De staat is over deze winstbelasting 203 miljoen euro rente verschuldigd.Kasschuif middelen Invest-NLDe kapitaalstortingen aan het kernkapitaal van Invest-NL worden door deze kasschuif in het juiste ritme geplaatst.Lening TenneTBij de 1e ISB 2024 op de begroting van Financiën is een leningsfaciliteit van in totaal 25 miljard euro opengesteld voor TenneT. Door het uitblijven van de volledige verkoop van TenneT Duitsland18 heeft TenneT een additionele leningsfaciliteit nodig om haar credit rating te behouden en te voldoen aan marktvereisten. De leningsfaciliteit is opgehoogd met 2,3 miljard euro voor 2025 en uitgebreid met 17,1 miljard euro voor 2026.Ophoging kapitaalinleg ESMIn de begroting is voor 2025 een reservering opgenomen voor de actualisatie van de kapitaalinleg bij het ESM. Bij de toetreding van Kroatië tot het ESM is afgesproken dat de ESM-bijdragesleutel voor alle leden bijgewerkt zou worden, ofwel ter gelegenheid van de volgende toetreding tot het ESM, ofwel uiterlijk op 1 januari 2026. De ECB heeft op 1 januari 2024 de kapitaalsleutel geactualiseerd. Hieruit volgt dat Nederland een groter 18 Kamerbrief (20 juni 2024). Volledige verkoop TenneT Duitsland niet geslaagd II, 2023-2024, 28 165 nr. 426.190Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 aandeel in de Europese economie en bevolking had dan voorheen. Omdat toetreding tot het ESM van een nieuwe lidstaat niet uit te sluiten is voor 2026, is de aanvullende kapitaalinleg opgenomen in de begroting van 2025.Plafondcorrectie middelen Invest-NL en Invest InternationalDe middelen voor het kernkapitaal van Invest-NL en Invest International worden door deze mutatie gecorrigeerd naar niet-plafondrelevante middelen.Overig niet-plafondrelevantAantal beperkte niet-plafondrelevante mutaties.OntvangstenTegenvallersTegenvaller TenneTDe Duitse staat heeft laten weten dat het op dit moment geen volledige aankoop van TenneT Duitsland kan realiseren.19 De verwachte meevaller van circa 1,6 miljard euro als gevolg van de terugontvangen kapitaalstorting uit 2023, manifesteert zich hierdoor niet. Dit levert een kaderrelevante tegenvaller op in 2024.Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaats- en inhuurbudgetten van de Rijksoverheid. De budgettaire mutaties raken zowel de uitgaven als de ontvangsten. Het saldo van deze mutaties telt op tot in totaal 80 miljoen euro structureel. PlafondcorrectiesPlafondcorrectie renteontvangsten TenneTHet rijk ontvangt een marktconforme rente over de verstrekte lening aan TenneT met additionele vergoedingen. De rentelasten op de staatschuld zijn door het Kabinet buiten het uitgavenkader geplaatst. Omdat de rentekosten van de lening van TenneT meelopen mee via de reguliere schuld, zijn de renteontvangsten op de lening van TenneT gecorrigeerd naar niet-plafondrelevante middelen.TechnischBelasting- en invorderingsrente overhevelen naar het inkomstenkaderIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken het advies van de 17e Studiegroep Begrotingsruimte over te nemen en hiermee de BIR over te hevelen naar het inkomstenkader. De BIR uitgaven en ontvangsten worden om die reden niet-plafondrelevant.Overig technischDit betreft een totaal van meerdere beperkte desalderingen en daarnaast enkele technische mutaties die per saldo op nul sluiten.Niet-plafondrelevantBelasting- en invorderingsrente overhevelen naar het inkomstenkaderIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken het advies van de 17e Studiegroep Begrotingsruimte over te nemen en hiermee BIR over te hevelen naar het inkomstenkader. De BIR uitgaven en ontvangsten worden om die reden niet-plafondrelevant.19 Kamerbrief (20 juni 2024). Volledige verkoop TenneT Duitsland niet geslaagd II, 2023-2024, 28 165 nr. 426.191Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Verkoop aandelen ABN AMRODe Staat bouwt, via NL Financial Investments (NLFI), haar belang in ABN AMRO af. De verwachte ontvangsten nemen met 444 miljoen euro toe als gevolg van de verkoop van aandelen ABN AMRO door de Staat en de inkoop van aandelen door ABN AMRO.Plafondcorrectie renteontvangsten TenneTHet rijk ontvangt een marktconforme rente over de verstrekte lening aan TenneT met additionele vergoedingen. De rentelasten op de staatschuld zijn door het Kabinet buiten het uitgavenkader geplaatst. Omdat de rentekosten van de lening van TenneT meelopen mee via de reguliere schuld, zijn de renteontvangsten op de lening van TenneT gecorrigeerd naar niet-plafondrelevante middelen.Renteontvangsten lening TenneTHet rijk ontvangt een marktconforme rente over de verstrekte lening aan TenneT met additionele vergoedingen. De rentekosten van de lening lopen mee via de reguliere schuld. Deze mutatie van renteontvangsten houdt verband met de uitbreiding van de lening aan TenneT.Schaderestituties ExportkredietverzekeringenBijstelling van de schaderestituties van de exportkredietverzekeringen van circa 13 miljoen euro.Overig niet-plafondrelevantAantal beperkte niet-plafondrelevante mutaties waaronder een bijstelling van de renteontvangsten voor de Greek Loan Facility (GLF).192Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Nationale SchuldIXA NATIONALE SCHULD: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota44.91732.36548.06650.05150.62345.022Overboekingen met andere begrotingen0000Overboekingen met andere begrotingen0000Technisch‒ 7.876‒ 8.317‒ 9.923‒ 11.791‒ 13.011‒ 14.637Rente buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 7.876‒ 8.317‒ 9.923‒ 11.791‒ 13.011‒ 14.637Niet-plafondrelevant12.6329.2336.15212.93714.01019.427Rente buiten het uitgavenkader plaatsen7.8768.3179.92311.79113.01114.637Aflossing vaste schuld4.836‒ 4.83613.894Rentelasten kasbeheer365566335251183178Rente derivaten60Rente vaste schuld‒ 2133158041.029995897Rente vlottende schuld‒ 29135‒ 74‒ 135‒ 179‒ 179Stand Miljoenennota49.67333.28244.29551.19751.62249.812IXA NATIONALE SCHULD: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota81.32178.30596.74782.61588.81183.169Technisch‒ 149‒ 198‒ 245‒ 291‒ 336‒ 374Rente buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 149‒ 198‒ 245‒ 291‒ 336‒ 374Niet-plafondrelevant‒ 7.3356.20113.281874‒ 5.951‒ 2.479Mutatie in rekening courant en deposito1.28945‒ 49596169‒ 720Voortijdige beëindiging derivaten214Rente buiten het uitgavenkader plaatsen149198245291336374Ontvangen aflossingen41282824124Rentebaten kasbeheer6512161819Mutatie vlottende schuld‒ 9.034Rente derivaten‒ 54‒ 61‒ 56‒ 36‒ 25Uitgifte vaste schuld5.97913.1062‒ 6.450‒ 2.131Overig niet-plafondrelevant0Stand Miljoenennota73.83784.308109.78283.19782.52480.316UitgavenOverboekingen met andere begrotingenDit betreft een beperkte overboeking vanuit Financiën voor prijsbijstelling.TechnischRente buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de rente-uitgaven en ontvangsten niet onder het uitgavenkader vallen. De rente-uitgaven en ontvangsten worden om die reden niet-plafondrelevant.193Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Niet-plafondrelevantRente buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de rente-uitgaven en ontvangsten niet onder het uitgavenkader vallen. De rente-uitgaven en ontvangsten worden om die reden niet-plafondrelevant.Aflossing vaste schuldDe raming van de aflossing vaste schuld wijzigt in 2024 en 2026 als gevolg van een inkoop van schuld. De aflossing neemt in 2029 toe als gevolg van de uitgifte van leningen met een aflosdatum in dat betreffende jaar.Rentelasten kasbeheerDe raming van de rentelasten kasbeheer stijgt als gevolg van de hogere rentepercentages zoals geraamd door het Centraal Planbureau (CPB).Rente derivatenDe rentelasten van de derivaten wijzigen als gevolg van gerealiseerde rentepercentages van derivaten.Rente vaste schuldBij de uitgifte van nieuwe schuld worden de rentetarieven vastgelegd tegen het dan geldende rentetarief. Hierdoor vallen de verwachte rentelasten in 2024 lager uit dan eerder geraamd. In toekomstige jaren verwacht het Agentschap een toename van de rentelasten omdat het Rijk naar verwachting een hoger kastekort zal hebben. Ook speelt mee dat de rentetarieven, zoals door het CPB geraamd, zijn gestegen t.o.v. de Voorjaarsnota.Rente vlottende schuldDe raming van de rentelasten vlottende schuld valt lager uit als gevolg van een lager kastekort waardoor de vlottende schuld afneemt. In 2025 is er wel sprake van een lichte stijging van de rentelasten als gevolg van hogere rentepercentages zoals geraamd door het CPB.OntvangstenTechnischRente buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de rente-uitgaven en ontvangsten niet onder het uitgavenkader vallen. De rente-uitgaven en ontvangsten worden om die reden niet-plafondrelevant.Niet-plafondrelevantMutatie in rekening courant en depositoUit een actualisatie van de raming van uitgaven en inkomsten van sociale fondsen blijkt dat deze fondsen in 2024 minder middelen storten in de schatkist. Het saldo van de rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) neemt echter naar verwachting toe. Per saldo betekent dit dat de geraamde mutatie in het saldo op de rekeningen-courant en deposito’s in 2024 stijgt. Voor 2025 wordt verwacht dat het saldo van de sociale fondsen zal stijgen.Voortijdige beëindiging derivatenIn 2024 zijn rentederivaten voortijdig beëindigd, hetgeen leidt tot eenmalige ontvangsten. Bij het voortijdig beëindigen van rentederivaten wordt de marktwaarde tussen beide partijen verrekend. De meerjarig geraamde renteontvangsten worden hierbij in een keer ontvangen.194Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Rente buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de rente-uitgaven en ontvangsten niet onder het uitgavenkader vallen. De rente-uitgaven en ontvangsten worden om die reden niet-plafondrelevant.Ontvangen aflossingenOp basis van de actuele inzichten wordt verwacht dat de aflossingen op de leningen, die door de agentschappen, RWT's en derden in het kader van schatkistbankieren zijn afgesloten, hoger uitvallen dan eerder geraamd.Rentebaten kasbeheerDe raming van de rentebaten kasbeheer is hoger dan geraamd bij de Voorjaarsnota. Dit is vooral het gevolg van de hogere rentestanden in de raming van het CPB.Mutatie vlottende schuldDe mutatie vlottende schuld is in 2024 lager dan eerder geraamd. Dit is het gevolg van een lagere financieringsbehoefte doordat de raming van het kastekort voor het lopende begrotingsjaar is afgenomen. Schommelingen in de financieringsbehoefte in een lopend begrotingsjaar worden zo veel mogelijk opgevangen op de geldmarkt.Rente derivatenDe rente op derivaten wijzigt als gevolg van de voortijdige beëindiging in 2024. De meerjarig geraamde renteontvangsten worden hierbij in een keer ontvangen.Uitgifte vaste schuldDe raming van de uitgifte vaste schuld is in 2025 en 2026 hoger dan eerder geraamd als gevolg van het gewijzigde kassaldo. Vanaf 2028 zal naar verwachting minder schuld worden uitgegeven als gevolg van een lager kastekort.Overig niet-plafondrelevantDeze post bestaat uit diverse niet-plafondrelevante mutaties die onder de ondergrens vallen.195Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Defensie (inclusief Defensiematerieelbegrotingsfonds)DefensieX DEFENSIE: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota22.43122.36724.56021.18521.42020.543Meevallers‒ 18Meevallers‒ 18Tegenvallers12Tegenvallers12Intensiveringen221435583Intensiveringen221435583Kasschuiven‒ 75174018Kasschuiven‒ 75174018Overboekingen met andere begrotingen‒ 24‒ 22‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1Overboekingen met andere begrotingen‒ 24‒ 22‒ 1‒ 1‒ 1‒ 1Plafondcorrecties62161204226240242Overboekingen met andere begrotingsfondsen15Overige plafondcorrecties48161204226240242Technisch‒ 9.256‒ 10.798‒ 12.822‒ 11.157‒ 11.697‒ 10.374Mutaties met Defensiematerieelbegrotingsfonds‒ 27‒ 100‒ 200‒ 223‒ 237‒ 238Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 291‒ 519‒ 450‒ 263‒ 511‒ 80Administratieve aanpassing boekingswijze begrotingsfondsen‒ 8.938‒ 10.179‒ 12.172‒ 10.672‒ 10.949‒ 10.055Niet-plafondrelevant29151945026351180Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen29151945026351180Stand Miljoenennota13.42412.24412.39110.73710.94911.092X DEFENSIE: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota497217275384144144Tegenvallers‒ 6Tegenvallers‒ 6Kasschuiven‒ 2828Kasschuiven‒ 2828Stand Miljoenennota463245275384144144196Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 UitgavenMeevallersBinnen de Defensiebegroting komen verschillende kleine meevallers voor. Deze betreffen voornamelijk meevallers op het gebied van het personeelsbudget van het kerndepartement omdat hier niet alle vacatures gevuld konden worden.TegenvallersBinnen de Defensiebegroting komen verschillende kleine tegenvallers voor. De grootste betreft een tegenvaller door hoger dan geraamde uitgaven aan veteranen door het Nederlands Veteraneninstituut.IntensiveringenDeze post betreft de overboeking van middelen uit het Hoofdlijnenakkoord (HLA). Het gaat met name om middelen voor de verdere modernisering van de arbeidsvoorwaarden en middelen voor het versterken van de logistieke keten.KasschuivenDoor verhogingen in de AOW-leeftijd vanaf 2013 zijn de ontslagleeftijden voor militairen op basis van de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UGM) aangepast. Doordat verhoging van de AOW-leeftijd in tranches plaatsvindt varieert het aantal militairen dat in enig jaar met leeftijdsontslag gaat relatief sterk. De kasschuif voorziet in het in het juiste ritme plaatsen van middelen om aan de financieringsbehoefte voor UGM-gerechtigde militairen te voorzien in enig jaar.Overboekingen met andere begrotingenDit betreft het saldo van diverse overboekingen van en naar de Defensiebegroting, waaronder een herschikking van 15 miljoen euro in 2024 en 2025 tussen de Defensiebegroting en het Defensiematerieelfonds voor de stalling van F-16's in 2024 en 2025.PlafondcorrectiesOverboekingen met andere begrotingsfondsenDit betreft een bijdrage uit het Mobiliteitsfonds van 4 miljoen euro voor het leggen van boeien door schepen van de Kustwacht en een bijdrage van 11 miljoen euro voor de beveiliging van windmolenparken op zee.Overige plafondcorrectiesDeze post bestaat uit meerdere technische mutaties, met name diverse herschikkingen vanuit het Defensiematerieelbegrotingsfonds naar de reguliere begroting. Het betreft voornamelijk middelen die zijn bestemd voor het inhuren van personeel voor het onderhoud van het defensiematerieel.TechnischMutaties met DefensiematerieelbegrotingsfondsDe onderliggende mutaties worden uitgesplitst en toegelicht in de verticale toelichting op de uitgavenzijde van het Defensiematerieelbegrotingsfonds.Oekraïne budgetten buiten het uitgavenplafond plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant197Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Administratieve aanpassing boekingswijze begrotingsfondsenOmwille van administratieve eenvoud en transparantie vinden mutaties op het Defensiematerieelbegotingsfonds voortaan niet meer plaats via het voedingsartikel op de Defensiebegroting.Niet-plafondrelevantOekraïne budgetten buiten het uitgavenplafond plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.OntvangstenTegenvallersDeze tegenvaller komt doordat er minder ontvangsten voor geleverde brandstof zijn binnengekomen dan verwacht bij het Commando Materieel en IT. Oorzaak hiervan zijn schommelende brandstofprijzen en wisselkoersen.KasschuivenDe ontvangsten vanuit de European Peace Facility (EPF) worden naar verwachting later ontvangen. Deze ontvangsten zijn een gedeeltelijke vergoeding voor geleverde militaire steun aan Oekraïne.198Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 DefensiematerieelbegrotingsfondsDEFENSIEMATERIEELBEGROTINGSFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota9.81110.36512.51411.03611.34610.441Intensiveringen1.1791.2651.817Intensiveringen1.1791.2651.817Kasschuiven‒ 1.550‒ 500686687676Kasschuiven‒ 1.550‒ 500686687676Overboekingen met andere begrotingen19614333Overboekingen met andere begrotingsfondsen444333Overige overboekingen met andere begrotingen1557Plafondcorrecties‒ 46‒ 161‒ 204‒ 226‒ 240‒ 242Overboekingen met andere begrotingen1Overige plafondcorrecties‒ 48‒ 161‒ 204‒ 226‒ 240‒ 242Desalderingen10109111313Desalderingen10109111313Technisch‒ 252‒ 432‒ 440‒ 251‒ 511‒ 80Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 252‒ 432‒ 440‒ 251‒ 511‒ 80Niet-plafondrelevant25243244025151180Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen25243244025151180Stand Miljoenennota8.2439.77512.32312.69013.07312.708K DEFENSIEMATERIEELBEGROTINGSFONDS: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota9.81210.36512.51411.03611.34610.441Desalderingen‒ 18‒ 90‒ 191‒ 212‒ 224‒ 226Mutaties met Defensiebegroting‒ 27‒ 100‒ 200‒ 223‒ 237‒ 238Overige desalderingen10109111313Technisch‒ 9.190‒ 10.611‒ 12.610‒ 10.923‒ 11.460‒ 10.136Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 252‒ 432‒ 438‒ 251‒ 511‒ 80Administratieve aanpassing boekingswijze begrotingsfondsen‒ 8.938‒ 10.179‒ 12.172‒ 10.672‒ 10.949‒ 10.055Niet-plafondrelevant25243243825151180Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen25243243825151180Stand Miljoenennota85697151153172160UitgavenIntensiveringenDeze post betreft de uitdeling van middelen uit het Hoofdlijnenakkoord. Hieronder vallen zaken zoals de middelen voor het tankbataljon en de extra F-35's.199Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 KasschuivenDoor de krapte op de arbeidsmarkt en de wereldwijde defensiemarkt staat het tempo van de investeringen in Defensie onder druk. Met deze kasschuif worden de middelen in een realistischer ritme gezet.Overboekingen met andere begrotingenOverboekingen met andere begrotingsfondsenDit betreft een bijdrage van het Ministerie Infrastructuur en Waterstaat aan Defensie van 4 miljoen euro voor het monitoren van het verkeersbeeld op zee.Overboekingen met andere begrotingenDit betreft een overboeking van 15 miljoen euro voor de stalling van F-16's voor Oekraïne en een bijdrage van 45 miljoen euro van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het verduurzamen van Defensievastgoed.PlafondcorrectiesOverboekingen met andere begrotingenDit betreft een bijdrage van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat van 1 miljoen euro voor het kennisprogramma PFAS.Overige plafondcorrectiesDeze post bestaat uit meerdere technische mutaties. Zo vindt een herfasering plaats tussen de voorbereidingsfase en de realisatiefase van de nieuwe luchtverdedigingscapaciteit. Daarnaast betreft dit vooral de uitdeling van middelen voor de verwachte hogere exploitatiekosten voor nieuwe systemen ten opzichte van de exploitatiekosten van de huidige systemen, zoals voor instandhouding en realisatie van materieel zoals de F-35 en MQ-9 Reaper.DesalderingenNederland heeft deelgenomen aan het ontwikkelprogramma van de F-35. Wanneer een land dat niet heeft deelgenomen aan dit programma F-35’s aanschaft, ontvangt Nederland een deel van de opbrengsten.TechnischOekraïnebudgetten buiten het uitgavenplafond plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenplafond vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Administratieve aanpassing boekingswijze begrotingsfondsenOmwille van administratieve eenvoud en transparantie vinden mutaties op het Defensiematerieelbegotingsfonds voortaan niet meer plaats via het voedingsartikel op de Defensiebegroting.Niet-plafondrelevantOekraïnebudgetten buiten het uitgavenplafond plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenplafond vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.200Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 OntvangstenDesalderingenMutaties met DefensiebegrotingDe onderliggende mutaties worden uitgesplitst en toegelicht in de verticale toelichting op de uitgavenzijde van het Defensiematerieelbegrotingsfonds.Overige DesalderingenNederland heeft meegedaan aan het ontwikkelprogramma van de F-35. Zodra een land dat niet heeft meegedaan aan het ontwikkelprogramma F-35’s koopt krijgt Nederland een deel van deze opbrengsten.TechnischOekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Niet-plafondrelevantOekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.201Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Infrastructuur en Waterstaat (inclusief Mobiliteitsfonds en Deltafonds)Infrastructuur en WaterstaatXII INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota14.28714.74015.90215.29614.48614.564Intensiveringen4503115Bijdrage Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur 2024 ‒ 202536Prijsbijstelling vergroenen reisgedrag001111NS tarieven42Overige intensiveringen13304Ombuigingen‒ 31‒ 186‒ 208‒ 219‒ 22426. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 7‒ 29‒ 47‒ 66‒ 7529. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting‒ 124‒ 124‒ 123‒ 12335. Verlaging non-ODA-middelen‒ 5‒ 3‒ 5‒ 5‒ 540. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed‒ 19‒ 30‒ 32‒ 25‒ 21Kasschuiven‒ 19532‒ 31906220Kas- en Verplichtingenschuif NGF - onvoorw. deel Maritiem Masterplan‒ 2022‒ 1‒ 100Kasschuif Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur‒ 41‒ 304130Kas- en Verplichtingenschuif Klimaatfonds - Waterstof Binnenvaart181919‒ 1‒ 18Overige kasschuiven‒ 13322‒ 49313338Overboekingen met andere begrotingen‒ 36‒ 156‒ 156‒ 130‒ 135‒ 143Bijdrage Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur 2024 ‒ 20251013Klimaatfonds waterstof binnenvaart48133043Motie Bikker‒ 142‒ 142‒ 142‒ 142‒ 142NGF project Maritiem Masterplan32392811Verduurzaming zeevaart151710Overige overboekingen met andere begrotingen‒ 45‒ 31‒ 69‒ 57‒ 61‒ 55Plafondcorrecties‒ 920392756748732Bijdrage Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur 2024 ‒ 202546Plafondcorrectie‒ 1Vrachtwagenheffing379756749735Overige plafondcorrecties‒ 1214121‒ 1‒ 3Desalderingen2Desalderingen2Technisch73‒ 545‒ 8556177178Mutaties met Mobiliteitsfonds341‒ 183173416489355Mutaties met Deltafonds59‒ 25676263154Overig technisch‒ 327‒ 337‒ 325‒ 421‒ 375‒ 331Niet-plafondrelevant1Plafondcorrectie1202Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro202420252026202720282029Stand Miljoenennota14.12614.11115.83915.86315.11915.133XII INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota784141302928Ombuigingen0000026. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid00000Desalderingen2Desalderingen2Technisch‒ 200000Technisch‒ 200000Niet-plafondrelevant5391.0841.0871.082Vrachtwagenheffing5391.0841.0871.082Stand Miljoenennota78415801.1151.1161.110UitgavenIntensiveringenBijdrage Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur 2024 ‒ 2025Om uitvoering te kunnen geven aan het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur is met een nota van wijziging op de Voorjaarsnota 2024 besloten om voor de jaren 2024 en 2025 financiële middelen beschikbaar te stellen ter verbetering van de gezamenlijke, publiek-private Situational Awareness (beeldopbouw) en Situational Understanding (duiding) op de Noordzee. Hiervoor is vanuit de Aanvullende Post incidenteel circa 9 miljoen euro beschikbaar gesteld.Prijsbijstelling vergroenen reisgedragDe op de aanvullende post resterende prijsbijstelling voor de coalitieakkoord middelen uit Rutte IV worden overgeheveld naar de begroting van IenW.NS tarievenIn 2023 heeft de Kamer met het amendement-Bikker (36410A, nr. 10) de tariefsverhoging van de NS tarieven over 2024 (8,7%) eenmalig afgewend. Om te voorkomen dat de tarieven in 2025, naast de reguliere prijsontwikkeling van 2025, alsnog stijgen met deze 8,7% extra, heeft het kabinet besloten de kosten voor 2025 evenredig over de reiziger, NS en IenW te verdelen. De middelen voor deze demping voor 2025 komen uit de generieke investeringsruimte op het Mobiliteitsfonds.Overige intensiveringenDe overige intensiveringen bestaan uit de stikstofmiddelen opgevraagd vanuit de AP. Er wordt 3,8 miljoen euro opgevraagd in 2029 voor de uitvoeringkosten die de RVO maakt in het kader van de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Vrije afschrijving milieu-investeringen (VAMIL). Daarnaast zijn er WAU-middelen opgevraagd vanuit de AP voor het project kansverwachting extreem weer.203Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 OmbuigingenEr is een aantal ombuigingen die voortkomen uit het Hoofdlijnenakkoord (HLA). De nummers voor de ombuigingen corresponderen met de budgettaire bijlage bij het HLA.26. Terugdraaien groei aparaat RijksoverheidIn het HLA is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Dit is een budgetaire taakstelling.29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkortingIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent. De voornaamste korting zit op de Brede Doeluitkering.35. Verlaging non-ODA-middelenIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat het budget voor non-ODA wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld.40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreedIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat rijksbreed wordt bezuinigd op subsidies. Hier is gekeken naar welke subsidies de mogelijkheid bieden om de taakstelling in te passen.KasschuivenEr worden diverse kasschuiven verwerkt op de begroting.Kasschuif NGF - onvoorwaardelijk deel maritiemHet betreft de kas en verplichtingenschuif naar aanleiding van de ontvangst van de NGF-middelen voor het onvoorwaardelijke deel van het NGF Maritiem Masterplan. Hiermee wordt het budget in het juiste ritme geplaatst conform planning van diverse opdrachten en subsidies.Kasschuif subsidieregeling Private LaadinfrastructuurDe middelen voor de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij bedrijven (SPRILA) zijn afkomstig uit het Klimaatfonds. De laatste inschattingen van de uitputting en de gepubliceerde regeling leiden tot een schuif naar achter.Kasschuif KF waterstof binnenvaartVanuit het Klimaatfonds wordt budget ontvangen voor waterstof binnenvaart ten behoeve van een subsidie regeling ter stimulering van emissieloos varen op waterstof in de binnenvaart. Omdat de middelen in het Klimaatfonds in een ander ritme stonden dan de geplande uitvoering wordt er een kasschuif doorgevoerd. Het kabinet heeft bij de voorjaarsbesluitvorming 2024 besloten alle brandstoffen die worden geleverd aan de binnenvaart onder het Europese emissiehandelssysteem ETS2 te brengen. Voor de binnenvaart heeft het kabinet voor de periode tot en met 2030 in totaal 240 miljoen euro beschikbaar gesteld onder het Klimaatfonds.Overboekingen met andere begrotingenBijdrage Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur 2024/2025Om uitvoering te kunnen geven aan het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur is met een nota van wijziging op de Voorjaarsnota 2024 besloten om voor de jaren 2024 en 2025 financiële middelen beschikbaar te stellen ter verbetering van de gezamenlijke, publiek-private 204Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Situational Awareness (beeldopbouw) en Situational Understanding (duiding) op de Noordzee. Hiervoor is vanuit de Aanvullende Post incidenteel circa 9 miljoen euro beschikbaar gesteld.Klimaatfonds waterstof binnenvaartIn het Klimaatfonds waren middelen gereserveerd voor het verduurzamen van de binnenvaart door middel van subsidies voor het gebruik van waterstof als brandstof in de binnenvaart. Aan de overheveling van deze middelen zijn voorwaarden gesteld (opt in ETS2) waaraan nu voldaan is.Motie BikkerDit betreft de overheveling van de motie Bikker middelen voor de provincies naar het Provinciefonds welke bedoeld zijn voor zowel het op peil te houden en verbeteren van het regionaal OV als om prijsstijgingen tegen te gaan.NGF project Maritiem MasterplanDit betreft de overheveling van de NGF middelen voor het voorwaardelijke deel van het NGF project Maritiem Masterplan.Verduurzaming zeevaartVoor de verduurzaming van de zeevaart waren in het kader van de stikstofaanpak middelen gereserveerd. Deze middelen worden nu overgeheveld. De middelen worden gebruikt voor drie pilots: batterij-elektrisch varen havengebieden, waterstof bevoorradingsschepen, elektrificatie van havenmaterieel.Overige overboekingen met andere begrotingenHier valt onder andere onder de overboeking van IenW naar het provinciefonds van in totaal 141,8 miljoen euro per jaar ten behoeve van een uitkering voor extra middelen voor het op peil houden en verbeteren van het OV. Daarnaast gaat het om extra middelen voor het regionaal OV-deel ter voorkoming van tariefstijging. Ook betreft dit middelen vanuit het NGF ten behoeve van het maritiem masterplan.PlafondcorrectiesBijdrage Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur 2024/2025Deze overboeking hangt samen met het hierboven beschreven Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur. Hiervoor is ook vanuit het Mobiliteitsfonds circa 10 miljoen euro overgeboekt.VrachtwagenheffingDit is een nieuw artikel op de IenW begroting. Deze reeks betreft de uitgaven van de vrachtwagenheffing en bestaat uit de exploitatiekosten, de personeelskosten, netto-opbrengsten en invoeringskosten. De uitgaven aan de vrachtwagenheffing belasten het uitgavenkader, maar worden gedekt via de vrachtwagenheffing die valt onder het inkomstenkader.Overige plafondcorrectiesHieronder valt onder andere een overboeking van middelen van de begroting van EZK (klimaatfonds) naar de begroting van IenW in het kader van het programma nucleaire veiligheid. Het gaat hier om klimaatfondsmiddelen voor de periode 2024-2030. Tevens betreft dit een incidentele overboeking voor het bijsturingsplan walstroom zeevaart van de begroting van IenW naar het Mobiliteitsfonds.205Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 DesalderingenEr worden diverse kleine desalderingen doorgevoerd om de niet-belastingontvangsten aan te sluiten met de uitgaven.TechnischMutaties met MobiliteitsfondsConform de Comptabiliteitswet worden de financiële middelen van de beleidsbegroting overgeheveld naar het Mobiliteitsfonds. De aanpassingen van deze middelen worden verder toegelicht in de Verticale Toelichting van het Mobiliteitsfonds.Mutaties met DeltafondsConform de Comptabiliteitswet worden de financiële middelen van de beleidsbegroting overgeheveld naar het Deltafonds. De aanpassingen van deze middelen worden verder toegelicht in de Verticale Toelichting van het Deltafonds.Overig technischDeze post bevat overige herschikkingen. Zoals afboekingen van het investeringsplafond naar plafond rijksbegroting.OntvangstenDesalderingenEr worden diverse desalderingen doorgevoerd om de uitgaven aan te sluiten met de niet-belastingontvangsten.TechnischDeze post bevat overige herschikkingen.206Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 MobiliteitsfondsMOBILITEITSFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota9.8399.61210.46110.1899.82910.347Intensiveringen‒ 10Intensiveringen‒ 10Ombuigingen0‒ 55‒ 32‒ 17‒ 20‒ 16NS tarieven‒ 4226. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 13‒ 13‒ 13‒ 13‒ 1329. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting‒ 19‒ 4‒ 7‒ 3Overige ombuigingen0Kasschuiven42‒ 35‒ 7Kasschuif NS42‒ 35‒ 7Kasschuiven investeringsplafond‒ 508‒ 9893Kasschuif Mobiliteitsfonds‒ 508‒ 9893Overboekingen met andere begrotingen‒ 142129104Overboekingen met andere begrotingen‒ 142129104Plafondcorrecties463822618739Correctie omvorming ProRail402020204040Bijdrage Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur 2024 ‒ 2025‒ 4‒ 6Dekking vrachtwagenheffing10575Overige plafondcorrecties10‒ 11‒ 1210172‒ 1Prijsbijstelling0000Prijsbijstelling0000Desalderingen322332317309293312Loon- en prijsbijstelling Mobiliteitsfonds324332317309293327Overige desalderingen‒ 2‒ 15Technisch‒ 100‒ 105‒ 750Technisch‒ 100‒ 105‒ 750Stand Miljoenennota10.1909.42910.63410.60510.31810.686207Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 MOBILITEITSFONDS: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota9.8399.61210.46110.1899.82910.347Desalderingen352‒ 183173521564340Mutaties met Infrastructuur en Waterstaat341‒ 183173521564340Overige desalderingen1100000Technisch000‒ 105‒ 750Mutaties met Infrastructuur en Waterstaat000‒ 105‒ 750Overig technisch000000Stand Miljoenennota10.1909.42910.63410.60510.31810.686UitgavenOmbuigingenNS tarievenIn 2023 heeft de Kamer met het amendement-Bikker (36410A, nr. 10) de tariefsverhoging van de NS tarieven over 2024 (8,7%) eenmalig afgewend. Om te voorkomen dat de tarieven in 2025, naast de reguliere prijsontwikkeling van 2025, alsnog stijgen met deze 8,7% extra, heeft het kabinet besloten de kosten voor 2025 evenredig over de reiziger, NS en IenW te verdelen. De middelen voor deze demping voor 2025 komen uit de generieke investeringsruimte op het Mobiliteitsfonds.26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het HLA is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Dit is een budgetaire taakstelling.29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkortingIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent. Dit is de reeks van de 10 procent budgetkorting.KasschuivenKasschuif NSIn 2023 heeft de Kamer met het amendement-Bikker (36410A, nr. 10) de tariefsverhoging van de NS tarieven over 2024 (8,7%) eenmalig afgewend. Om te voorkomen dat de tarieven in 2025, naast de reguliere prijsontwikkeling van 2025, alsnog stijgen met deze 8,7% extra, heeft het kabinet besloten de kosten voor 2025 evenredig over de reiziger, NS en IenW te verdelen. De middelen voor deze demping voor 2025 komen uit de generieke investeringsruimte op het Mobiliteitsfonds, nadat deze middelen in het juiste ritme zijn gezet. Kasschuiven InvesteringsplafondKasschuif MobiliteitsfondsIn het kader van een realistisch begroting is gekozen voor het scenario van een overprogrammering van 22% in het jaar 2025. Op de totale programmering leidt dit tot een schuif van 508 miljoen euro in 2025 en 98 miljoen euro in het jaar 2026. De eenmalig hoge overprogrammering in 2025 is een pilot met het Ministerie van Financiën. Er is afgesproken dat IenW niet remt in productie en dat gedurende 2025 wordt gemonitord of de hogere overprogrammering effectief is om kasvertragingen op te vangen. Deze 208Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 schuif wordt nu verwerkt op de modaliteiten waar relatief het meeste ruimte zit om de schuif mogelijk te maken. Dat is bij art 12 Wegen, art 13.03.04 en bij ERTMS (alleen 2025).Overboekingen naar andere begrotingenHieronder valt voornamelijk het Maritiem Informatie Service Punt 2 (MIVSP-2), de diensten binnen het programma wind op zee. Hierbij gaat het om sensoren ten behoeve van het functioneren van het windpark en de ecologie (er komt meetapparatuur voor ecologische monitoring in windparken, zoals radars die vogels en vleermuizen detecteren). Van de totale bijdrage komt bijna 42 miljoen euro ten laste van IenW. Dit is een overboeking naar EZK.PlafondcorrectiesCorrectie omvorming ProRailDit betreft een correctie om de omvorming ProRail aan te laten sluiten bij de interne administratie van IenW.Bijdrage Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur 2024/2025Om uitvoering te kunnen geven aan het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee Infrastructuur is met een nota van wijziging op de Voorjaarsnota 2024 besloten om voor de jaren 2024 en 2025 financiële middelen beschikbaar te stellen ter verbetering van de gezamenlijke, publiek-private Situational Awareness (beeldopbouw) en Situational Understanding (duiding) op de Noordzee. Op het Mobiliteitsfonds is cumulatief circa 10 miljoen euro beschikbaar gesteld.Dekking vrachtwagenheffingIn 2024 en 2025 wordt uitvoering gegeven aan het stimuleringspakket vrachtwagenheffing. Dit pakket bevat vijf subsidieregelingen om het vervoer van goederen te verduurzamen en te innoveren. Het stimuleringspakket wordt voorgefinancierd met de verwachte netto-opbrengsten van de vrachtwagenheffing.Overige plafondcorrectiesDit betreft voornamelijk overboekingen naar de begroting van Infrastructuur en Waterstaat ten behoeve van onder andere de uitvoeringskosten voor de uitvoering van het programma Schoon en Emissieloos Bouwen van circa 30 miljoen euro totaal. Ook valt de dekkingsopgave van het Mobiliteitsfonds hieronder met 280 miljoen euro totaal.DesalderingenDit wordt grotendeels veroorzaakt door het toevoegen van de LPO voor 2024 dat op de beleidsbegroting stond. Het gaat hier om circa 325 miljoen euro per jaar.Loon- en prijsbijstelling MobiliteitsfondsDit wordt grotendeels veroorzaakt door het toevoegen van de loon- en prijsbijstelling voor 2024 aan het Mobiliteitsfonds die op de beleidsbegroting stond. Het gaat om gemiddeld 315 miljoen euro.TechnischDit betreft een bijstelling van de ramingen voor de dekkingsopgave op artikel 15 van de begroting van Infrastructuur en Waterstaat voor vrachtwagenheffing.209Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 OntvangstenDesalderingenMutaties met infrastructuur en WaterstaatDit zijn veelal budgetten die verplaatst worden van het Mobiliteitsfonds naar de beleidsbegrotingen. Dit wordt bijvoorbeeld gebruikt voor verkeersbeleid op zee of voor het programma wind op zee van EZK.210Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 DeltafondsDELTAFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota1.5821.7412.0592.0411.7821.575Ombuigingen‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3‒ 326. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3Kasschuiven investeringsplafond‒ 88‒ 897Kasschuif Deltafonds‒ 88‒ 897Plafondcorrecties27169910Plafondcorrecties27169910Desalderingen636569626358Loon- en prijsbijstelling Deltafonds565963565651Overige desalderingen765667Technisch100000Technisch100000Stand Miljoenennota1.6481.7232.1322.1081.8511.736DELTAFONDS: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota1.5821.7412.0592.0411.7821.575Desalderingen65‒ 18736769161Mutaties met Infrastructuur en Waterstaat58‒ 25676263154Overige desalderingen765667Technisch100000Mutaties met Infrastructuur en Waterstaat100000Overig technisch000000Stand Miljoenennota1.6481.7232.1322.1081.8511.736UitgavenOmbuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het HLA is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Dit is een budgetaire taakstelling.PlafondcorrectiesDit gaat om overboekingen van het investeringsplafond naar plafond Rijksbegroting voor de financiering van bijvoorbeeld het project wind op zee van EZK.211Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 DesalderingenLoon- en Prijsbijstelling DeltafondsDit wordt grotendeels veroorzaakt door het toevoegen van de loon- en prijsbijstelling voor 2024 aan het Deltafonds die op de beleidsbegroting stond. Het gaat om gemiddeld circa 56 miljoen euro per jaar.OntvangstenPlafondcorrectiesDit gaat om overboekingen naar plafond Rijksbegroting voor de financiering van bijvoorbeeld het project wind op zee van EZK.DesalderingenDit wordt grotendeels veroorzaakt door het toevoegen van de loon-en prijsbijstelling voor 2024 die op de beleidsbegroting stond. Het gaat om gemiddeld circa 56 miljoen euro per jaar.212Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Economische Zaken en Klimaat en Groene Groei (inclusief Nationaal Groeifonds en Klimaatfonds)Economische ZakenXIII ECONOMISCHE ZAKEN: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota14.25411.97312.98111.86311.83912.138Meevallers‒ 3Meevallers‒ 3Tegenvallers‒ 86134‒ 232Corona- en energiepakket‒ 86134‒ 232Intensiveringen3320310433Diverse overboekingen Aanvullende Post33343367. Invest-NL200100Ombuigingen‒ 86‒ 1.241‒ 1.307‒ 1.418‒ 1.37926. Terugdraaien groei apparaat rijksoverheid‒ 22‒ 42‒ 62‒ 79‒ 8729. Overheveling specifieke uitkeringen naar Gemeente- en Provinciefon‒ 82‒ 84‒ 89‒ 8935. Verlaging non-ODA-middelen‒ 1‒ 1‒ 2‒ 3‒ 339. Prijsrisicobuffer 10% subsidies duurzame energie (SDE)‒ 1.000‒ 1.000‒ 1.000‒ 1.00040. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed‒ 37‒ 90‒ 133‒ 221‒ 17469. Fonds Onderzoek Wetenschap‒ 25‒ 25‒ 25‒ 25‒ 25Kasschuiven‒ 2.744‒ 721706744550348Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE)‒ 190‒ 245105110110Herijking Toekomstfonds‒ 37317317453161Nationaal Groeifonds (NGF)‒ 726574101135069Kasschuiven waterstof en invulling HLA-ombuiging waterstof‒ 810‒ 431296334389217Overige kasschuiven‒ 644‒ 119‒ 30118‒ 52‒ 209Overboekingen met andere begrotingen‒ 78‒ 64‒ 54‒ 29‒ 25‒ 16Overboekingen met andere begrotingen‒ 78‒ 64‒ 54‒ 29‒ 25‒ 16Technisch‒ 37‒ 8.187‒ 9.542‒ 8.661‒ 8.551‒ 8.855Onttrekking uit de SDE-reserve113Desalderingen792930302525Herverkaveling naar KGG0‒ 4.580‒ 5.512‒ 5.581‒ 5.636‒ 5.327Mutaties met Nationaal Groeifonds0‒ 339‒ 888‒ 1.319‒ 1.071‒ 2.401Afboeken voedingsartikel Nationaal Groeifonds‒ 209‒ 393‒ 734‒ 617‒ 913‒ 950Herverkaveling naar BZK‒ 3.043‒ 2.546‒ 1.249‒ 1.018‒ 217Projecten Nationaal Groeifonds1188855474Overig technisch‒ 202020201511Niet-plafondrelevant300Niet-plafondrelevant300Stand Miljoenennota11.3703.2522.9332.6162.3972.237213Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 XIII ECONOMISCHE ZAKEN: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota5.8694.2254.5097.2955.1694.374Meevallers47757Corona- en energiepakket47757Generaal dossier480Bijstelling Dividenduitkering EBN400Bijstelling Mijnbouwwet80Kasschuiven‒ 25‒ 27‒ 52‒ 45‒ 39187Lening InvestNL65‒ 5‒ 22‒ 22‒ 16Herijking Toekomstfonds‒ 90‒ 22‒ 30‒ 23‒ 23187Technisch192‒ 3.572‒ 4.166‒ 7.015‒ 4.889‒ 4.125Onttrekking uit de SDE-reserve113Desalderingen792930302525Herverkaveling naar BZK‒ 1.709‒ 2.104‒ 1.848‒ 876‒ 752Herverkaveling naar KGG‒ 1.899‒ 2.114‒ 5.219‒ 4.053‒ 3.398Verwerking kasschuif KGG-begroting5222216Niet-plafondrelevant200‒ 204143Frequentieveiling ontvangsten147Ramingsbijstelling ETS50Corona overbruggingsregeling2‒ 204143Stand Miljoenennota6.720497491235241437UitgavenMeevallersMeevallersHet Norg-akkoord is een akkoord tussen de Staat en Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) waarbij de Staat een vergoeding betaalt voor de inzet van de gasberging in Norg. Hierdoor kon de gaswinning uit het Groningenveld eerder naar nul worden teruggebracht. Door een lagere gasprijsraming worden de uitgaven aan het Norg-akkoord naar beneden bijgesteld.TegenvallersCorona- en energiepakketVorige kabinetten hebben besloten tot steunmaatregelen naar aanleiding van de coronapandemie en de hogere energieprijzen. Deze regelingen zijn inmiddels gesloten en leiden voornamelijk nog tot bijstellingen door afhandeling van beroep en bezwaar, terugontvangsten en bijbehorende uitvoeringskosten. Dit betreft onder andere de bijstelling van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) en van het prijsplafond.IntensiveringenDiverse overboekingen Aanvullende PostEr zijn middelen overgeheveld van de Aanvullende Post van het ministerie van Financiën naar de begroting van Economische Zaken. Hieronder vallen onder meer een overheveling voor Digitale Veiligheid en voor het woonbedrijf dat gericht is op het beheren van aangekochte woningen in 214Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 het aardbevingsgebied (dit is later meegenomen in de overheveling van budgetten naar de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vanwege de herverkaveling van Groningen).67. Invest-NLInvest-NL krijgt in totaal 900 miljoen euro tot en met 2029 aan additionele middelen waarmee haar slagkracht wordt vergroot. Dit is onderdeel van de maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord. Hiervan wordt cumulatief 600 miljoen euro gebruikt voor versterking van het kernkapitaal via de begroting van het ministerie van Financien. Via de begroting van het ministerie van Economische Zaken wordt cumulatief 250 miljoen euro aangewend voor de uitbreiding van 'blended financiering' waarmee Invest-NL knelpunten in de bedrijfsfinanciering kan adresseren. Tevens wordt via de EZ-begroting cumulatief 50 miljoen euro toegevoegd in de Beschermingsvoorziening Economische Veiligheid (BEV) die onder beheer staat van Invest-NL. De BEV fungeert als laatste redmiddel waarmee een belang kan worden genomen in bedrijven wanneer voorziene investeringen van statelijke actoren onze nationale veiligheid bedreigen.Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat rijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de ministeries. De taakstelling start in 2025 en loopt voor het voormalige ministerie van EZK op tot 91 miljoen euro in 2029. Een deel van de apparaatstaakstelling wordt ingevuld op basis van een efficien-cykorting van 0,5% per jaar, oplopend tot 2,5% in 2029. Daarbij worden ook de uitvoeringsorganisaties van EZ en KGG meegenomen. In totaal wordt langs deze weg 24,6 miljoen euro bezuinigd op de bijdragen van EZ en KGG aan uitvoeringsorganisaties. Deze kortingen zijn verwerkt in de ontwerpbegrotingen van EZ- en KGG. Het resterende bedrag dat oploopt naar 66,3 miljoen euro in 2029, is in mindering gebracht op het centrale apparaatsartikel van EZ (artikel 40), in afwachting van een nadere verdeling van deze taakstelling over EZ en KGG.29. Overheveling specifieke uitkeringen naar Gemeente- en ProvinciefondsIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent. De omvangrijkste specifieke uitkering betreft de uitvoeringskosten klimaat van medeoverheden. Hier wordt 80 miljoen euro in 2029 op bezuinigd.35. Verlaging non-ODA-middelenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor non-ODA wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld.39. Prijsrisicobuffer 10% subsidies duurzame energie (SDE)In het Hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat er jaarlijks vanaf 2026 1 miljard euro bezuinigd zal worden op de SDE-regelingen. Met deze mutatie wordt deze ombuiging ingevuld en verdeeld over de SDE, de SDE+ en de SDE++.40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreedIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken om Rijksbreed 1 miljard euro structureel te bezuinigen op subsidies. Het totaal van de taakstelling voor het voormalige EZK loopt op tot 174 miljoen euro in 2029, waarvan 45 miljoen euro voor EZ en 129 miljoen euro voor KGG. Dit betekent dat er 215Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 op een groot aantal instrumenten (die niet volledig juridisch verplicht zijn) wordt bezuinigd. Bij Voorjaarsnota 2025 vindt mogelijk een heroverweging plaats van de invulling op basis van dan actuele inzichten en prioriteiten.69. Fonds Onderzoek WetenschapIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het Fonds Onderzoek en Wetenschap wordt verlaagd met 1,1 miljard euro. Het voormalige EZK heeft in 2022 middelen uit dit fonds gekregen voor (cofinanciering van) Europese Partnerschappen en de Faciliteiten Toegepast Onderzoek (FTO). De taakstelling wordt daarom naar rato verdeeld over EZ en OCW. Dit resulteert in een bezuiniging van 25,2 miljoen euro per jaar op de betreffende posten op de EZ-begroting. KasschuivenInvesteringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE)De ISDE uitgaven en verplichtingen worden in een realistischer ritme geschoven, zodat over de tijd het budget beter aansluit bij de verwachte vraag naar de subsidie. Omdat de schuif in 2024 begint, is deze zichtbaar op de EZ-begroting (in 2024 is immers nog sprake van één begroting van EZK).Herijking ToekomstfondsDoor eerdere vertragingen in de uitvoering van de instrumenten van het Toekomstfonds, stonden de kas-, verplichtingen- en ontvangstenramingen niet meer in een realistisch ritme. Met deze kasschuif wordt beter aangesloten bij de verwachte vraag naar leningen en bij de uitvoering daarvan.Nationaal GroeifondsVoor verschillende projecten van het Nationaal Groeifonds wordt het verwachte ritme van uitbetaling aangepast door wijzigingen in de planning. Voor de NGF-begroting betreft dit projecten met een voorwaardelijke toekenning of reservering. Voor de EZ-begroting gaat het om projecten met een definitieve toekenning, zoals de projecten Groenvermogen en Circulaire zonnepanelen.Kasschuiven waterstof en invulling HLA-ombuiging waterstofEr zijn diverse kasschuiven verwerkt op het budget voor klimaatbeleid m.b.t. waterstof. Per saldo wordt er budget geschoven naar latere jaren. Dit is op basis van de meest recente ramingen m.b.t. de uitbetalingen van reeds aangegane verplichtingen en op basis van de planning van toekomstige openstellingen. Daarnaast is de HLA-ombuiging waterstof en batterijen verder ingevuld en verwerkt op de begrotingen van Klimaat en Groene Groei, Infrastructuur en Waterstaat en het Klimaatfonds. De totale HLA-besparing is 1,2 miljard euro.Overige kasschuivenHieronder vallen overige kasschuiven zoals op de Versnelde klimaatinvesteringen industrie (VEKI), Wind op Zee (WoZ) en de Warmtenetten investeringssubsidie (WIS).Overboekingen met andere begrotingenDeze post bestaat uit diverse overboekingen tussen de begroting van Economische Zaken en andere begrotingen. Dit gaat onder andere om een overboeking naar het BTW-compensatiefonds voor de Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE) en om een overboeking naar de begroting van Infrastructuur en Waterstaat voor de nationale agenda laadinfrastructuur.216Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 TechnischOnttrekking uit de SDE reserveTen behoeve van een tekort op de SDE-regelingen in 2024 heeft een onttrekking uit de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie plaatsgevonden. Op basis van een nieuwe raming van RVO zijn de definitieve correctiebedragen van 2023 lager uitgevallen, waardoor de verwachte kasuitgaven in 2024 hoger uitvallen.DesalderingenDit is de som van diverse desalderingen (gelijktijdige bijstelling van uitgaven en ontvangsten). Een voorbeeld is een opwaartse bijstelling van ontvangsten van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) die worden toegevoegd aan de apparaatsuitgaven.Herverkaveling naar KGGNaar aanleiding van de oprichting van het nieuwe ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) worden de bijbehorende middelen vanaf 2025 naar deze begroting overgeheveld.Mutaties met Nationaal GroeifondsConform de Comptabiliteitswet worden de financiële middelen van de beleidsbegroting overgeheveld naar het Nationaal Groeifonds. De aanpassingen van deze middelen worden verder toegelicht in de Verticale Toelichting van het Nationaal Groeifonds. Het gebruik van dit zogeheten voedingsartikel wordt overigens afgeschaft (zie mutatie hieronder).Afboeken voedingsartikel Nationaal GroeifondsOmwille van administratieve eenvoud en transparantie vinden mutaties op het Nationaal Groeifonds voortaan niet meer plaats via de EZK-begroting (het voedingsartikel), maar worden ze rechtstreeks verwerkt op de begroting van het Nationaal Groeifonds.Herverkaveling naar BZKDe middelen voor de schade en versterkingsoperatie Groningen worden vanaf 2025 overgeheveld naar de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).Projecten Nationaal GroeifondsHieronder vallen de overhevelingen vanuit het Nationaal Groeifonds naar de begroting van Economische Zaken. Verschillende projecten hebben een toekenning gekregen uit het Nationaal Groeifonds. De middelen die definitief zijn toegekend voor projecten, en worden uitgevoerd door het ministerie van Economische Zaken, worden overgeheveld naar die begroting. Dit betreft de projecten AiNed, Nationaal Onderwijslab en Quantum Delta.Overig technischOp de begroting hebben technische mutaties plaatsgevonden. Dit betreft bijvoorbeeld budgetneutrale wijzigingen van de uitgavenplafonds op basis van de nieuwe begrotingsregels.Niet-plafondrelevantNiet-plafondrelevantDe budgetten voor de energiehulp Oekraïne vallen niet meer onder het reguliere uitgavenplafond, maar zijn niet-plafond relevant. 217Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 OntvangstenMeevallersCorona- en energiepakketVorige kabinetten hebben besloten tot steunmaatregelen naar aanleiding van de coronapandemie en de hogere energieprijzen. Deze regelingen zijn inmiddels gesloten en leiden voornamelijk nog tot bijstellingen door afhandeling van beroep en bezwaar, terugontvangsten en bijbehorende uitvoeringskosten. Dit betreft onder andere een bijstelling van terugontvangsten van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL).Generaal dossierBijstelling Dividenduitkering EBNDe dividenduitkering EBN (excl. Norg) wordt voor 2024 naar boven bijgesteld. Deze bijstelling is het effect van de verwachte winst van GasTerra, die voor 40% bij EBN landt.Bijstelling MijnbouwwetDe ontvangsten Mijnbouwwet in 2024 (excl. Norg) worden ook naar boven bijgesteld. De bijstelling is ook het effect van de verwachte winst van Gasterra die voor 60% bij NAM landt.KasschuivenLening InvestNLIn 2023 is via Invest-NL een lening verschaft aan SIF BV. Deze lening is eerder afgelost dan geraamd.Herijking ToekomstfondsDoor eerdere vertragingen in de uitvoering van de instrumenten van het Toekomstfonds, stonden de kas-, verplichtingen- en ontvangstenramingen niet meer in een realistisch ritme. Met deze herijking wordt beter aangesloten bij de verwachte terugbetaling van leningen en bij de uitvoering daarvan.TechnischOnttrekking uit de SDE-reserveTen behoeve van een tekort op de SDE-regelingen in 2024 heeft een onttrekking uit de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie plaatsgevonden. Op basis van een nieuwe raming van RVO zijn de definitieve correctiebedragen van 2023 lager uitgevallen, waardoor de verwachte kasuitgaven in 2024 hoger uitvallen.DesalderingenDit is de som van diverse desalderingen (gelijktijdige bijstelling van uitgaven en ontvangsten). Een voorbeeld is een opwaartse bijstelling van ontvangsten van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) die worden toegevoegd aan de apparaatsuitgaven.Herverkaveling naar BZKDe middelen voor de schadeafhandeling en versterkingsoperatie Groningen worden vanaf 2025 overgeheveld naar de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).Herverkaveling naar KGGNaar aanleiding van de oprichting van het nieuwe ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) worden de bijbehorende middelen vanaf 2025 naar deze begroting overgeheveld.218Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Niet-plafondrelevantFrequentieveiling ontvangstenDit betreft ontvangsten van de veiling van de Nederlandse 5G-netwerken (de 3,5 GHz-band).Ramingsbijstelling ETSDe raming voor de ETS-ontvangsten (European Union Emissions Trading System) is geactualiseerd. De prijzen liggen hoger dan de raming bij Voorjaarsnota 2024. Elk jaar in juni wordt het aantal te veilen rechten vastgesteld. Door lage emissies in 2023 is het aantal te veilen rechten de komende jaren verlaagd. Per saldo levert dit over de meerjarenperiode hogere ontvangsten op. Deze raming is inclusief ETS2 en de opt-in sectoren, maar exclusief de glastuinbouw.Corona overbruggingsregelingVoor de Corona overbruggingsregeling (COL) zijn de bijdrage aan de Regionale Ontwikkelings Maatschappijen (ROM) en de ontvangsten van de leningen apart inzichtelijk gemaakt op de begroting van EZ. Hierdoor wordt inzichtelijk dat er tot 2026 ontvangsten op de COL worden verwacht. Er is sprake van een tegenvaller van 58 miljoen euro op de verwachte terugontvangsten verwerkt, ten gevolge van faillissementen van bedrijven die een COL ontvangen hadden.219Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Klimaat en Groene GroeiXXIII KLIMAAT EN GROENE GROEI: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand VoorjaarsnotaIntensiveringen3725Noodfondsbedrijven25Waterstofproject Hystock37Ombuigingen‒ 1‒ 2‒ 3‒ 3‒ 426. Terugdraaien groei apparaat rijksoverheid‒ 1‒ 2‒ 2‒ 3‒ 435. Verlaging Non-ODA middelen (HLA)00000Kasschuiven‒ 103‒ 46‒ 355‒ 1Kasschuiven waterstof en invulling HLA-ombuiging waterstof‒ 107‒ 61‒ 21‒ 3‒ 3Overige kasschuiven415‒ 1482Overboekingen met andere begrotingen34482094Klimaatfondsoverhevelingen14314094Nationaal Groeifonds21185Overige overboekingen met andere begrotingen‒ 1‒ 25Technisch4.5805.5125.5815.6365.327Herverkaveling naar KGG4.5805.5125.5815.6365.327Stand Miljoenennota4.5095.5505.5895.6465.326XXIII KLIMAAT EN GROENE GROEI: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand VoorjaarsnotaGeneraal dossier55816618490105Bijstelling dividend EBN4488615490105Bijstelling Mijnbouwwet1108030Technisch1.8932.0925.1974.0373.382Herverkaveling naar KGG1.8932.0925.1974.0373.398Overig technisch‒ 16Niet-plafondrelevant‒ 33161739774400Opbrengsten CO2-heffing1761139224Ramingsbijstelling ETS‒ 50100600550400Stand Miljoenennota2.4182.4196.1204.9013.887220Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 UitgavenIntensiveringenNoodfondsbedrijvenDe middelen die bestemd waren voor het Noodfonds Bedrijven zijn toegevoegd aan de Klimaatfondsbegroting onder het perceel Verduurzaming Industrie ten behoeve van de Maatwerkafspraken. Dit is eerst overgeheveld van de Aanvullende Post naar de begroting van Klimaat en Groene Groeie en daarna overgeheveld naar het Klimaatfonds.Waterstofproject HystockDit is een overheveling voor het waterstofproject Hystock. Dit is voor financiële ondersteuning aan Gasunie om vier zoutcavernes te realiseren voor waterstofopslag. Zo wordt voldoende opslagcapaciteit voor waterstof gerealiseerd wat bijdraagt aan het behalen van de elektrolysedoelstelling van 4 GW.Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat rijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de ministeries. De taakstelling start in 2025 en loopt voor het voormalige ministerie van EZK op tot 91 miljoen euro in 2029. Een deel van de apparaatstaakstelling wordt ingevuld op basis van een efficien-cykorting van 0,5% per jaar, oplopend tot 2,5% in 2029. Daarbij worden ook de uitvoeringsorganisaties van EZ en KGG meegenomen. In totaal wordt langs deze weg 24,6 miljoen euro bezuinigd op de bijdragen van EZ en KGG aan uitvoeringsorganisaties. Deze kortingen zijn verwerkt in de ontwerpbegrotingen van EZ en KGG. Het resterende bedrag dat oploopt naar 66,3 miljoen euro in 2029, is in mindering gebracht op het centrale apparaatsartikel van EZ (artikel 40), in afwachting van een nadere verdeling van deze taakstelling over EZ en KGG.35. Verlaging Non-ODA middelen (HLA)In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor non-ODA wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld. Dit betreft het aandeel op de KGG-begroting.KasschuivenKasschuiven waterstof en invulling HLA-ombuiging waterstofEr zijn diverse kasschuiven verwerkt op het budget voor klimaatbeleid m.b.t. waterstof. Per saldo wordt er budget geschoven naar latere jaren. Dit is op basis van de meest recente ramingen m.b.t. de uitbetalingen van reeds aangegane verplichtingen en op basis van de planning van toekomstige openstellingen. Daarnaast is de HLA-ombuiging waterstof en batterijen verder ingevuld en verwerkt op de begrotingen van Klimaat en Groene Groei, Infrastructuur en Waterstaat en het Klimaatfonds. De totale HLA-besparing is 1,2 miljard euro.Overige kasschuivenDit betreft een kasschuif voor geothermie om de kasbudgetten voor de subsidieregeling in het juiste ritme te hebben staan. Daarnaast worden er kenenergiemiddelen naar eerdere jaren geschoven voor de toename in fte’s voor het onderzoeken van twee extra kerncentrales.221Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overboekingen met andere begrotingenKlimaatfondsoverhevelingenEr is besloten een tweetal extra overhevelingen uit het Klimaatfonds naar de begroting van Klimaat en Groene Groei te verwerken. Het gaat om extra middelen voor kernenergie zodat per 2025 kan worden gestart met de opgave uit het Hoofdlijnenakkoord. Daarnaast is tot en met 2029 84 miljoen euro overgeheveld voor een intensivering in de Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+).Nationaal GroeifondsVerschillende projecten hebben een toekenning gekregen uit het Nationaal Groeifonds. De middelen die definitief zijn toegekend voor het project, en worden uitgevoerd door het ministerie van Klimaat en Groene Groei, worden overgeheveld naar die begroting. Dit betreft het project Circulair Plastics.Overige overboekingen met andere begrotingenNaar de IenW-begroting wordt 1 miljoen euro overgeheveld voor fte’s voor de uitvoering van de intensivering uit het Hoofdlijnenakkoord van 2 naar 4 kerncentrales. Vanaf de begroting van de Klimaat en Groene Groei begroting worden de middelen voor noodfonsbedrijven opgeboekt naar de Klimaatfondsbegroting.TechnischHerverkaveling naar KGGNaar aanleiding van de oprichting van het nieuwe ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) worden de bijbehorende middelen vanaf 2025 van de begroting van Economische Zaken naar deze begroting overgeheveld.OntvangstenGeneraal dossierBijstelling Dividenduitkering EBNDe dividenduitkering EBN (excl. Norg) wordt voor 2024 naar boven bijgesteld. Deze bijstelling is het effect van de verwachte winst van GasTerra, die voor 40% bij EBN landt.Bijstelling MijnbouwwetDe ontvangsten Mijnbouwwet in 2024 (excl. Norg) worden ook naar boven bijgesteld. De bijstelling is ook het effect van de verwachte winst van Gasterra die voor 60% bij NAM landt.TechnischHerverkaveling naar KGGNaar aanleiding van de oprichting van het nieuwe ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) worden de bijbehorende middelen vanaf 2025 van de begroting van Economische Zaken naar deze begroting overgeheveld.Overig technischIn 2023 is via Invest-NL een lening verschaft aan SIF BV. Deze lening is eerder afgelost dan geraamd. Het afgeloste bedrag is in 2024 binnengekomen op de EZ-begroting. Er worden geen terugontvangsten meer verwacht op de KGG-begroting. Daarom worden de ontvangsten in latere jaren naar beneden bijgesteld.222Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Niet-plafondrelevantOpbrengsten CO2-heffingIn het coalitieakkoord van Rutte IV is afgesproken dat een eventuele opbrengst van de CO2-heffing via het Klimaatfonds ten goede komt aan verduurzaming van bedrijven. Omdat er tot nu toe geen opbrengst was verondersteld is dit niet eerder budgettair verwerkt. Er worden nu wel opbrengst uit de CO2-heffing verwacht. Deze (ex ante) verwachte opbrengst wordt eenmalig toegevoegd aan het Klimaatfonds. De uitgavenruimte in het Klimaatfonds wordt hierna niet aangepast naar aanleiding van de daadwerkelijk gerealiseerde opbrengst uit de CO2-heffing. Indien gedurende de kabinetsperiode een beleidsmatige wijziging van de CO2-heffing leidt tot een lastenrelevante derving of opbrengst, dan wordt de uitgavenreeks hierop aangepast.Ramingsbijstelling ETSDe raming voor de ETS-ontvangsten (European Union Emissions Trading System) is geactualiseerd. De prijzen liggen hoger dan de raming bij Voorjaarsnota 2024. Elk jaar in juni wordt het aantal te veilen rechten vastgesteld. Door lage emissies in 2023 is het aantal te veilen rechten de komende jaren verlaagd. Per saldo levert dit over de meerjarenperiode hogere ontvangsten op. Deze raming is inclusief ETS2 en de opt-in sectoren, maar exclusief de glastuinbouw.223Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Nationaal GroeifondsNATIONAAL GROEIFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota5088071.3231.9221.9843.301Ombuigingen‒ 130‒ 140‒ 710‒ 1.190‒ 970‒ 2.375Middelen uit NGF voor Caribische delen van het Koninkrijk‒ 1304020101068. Nationaal Groeifonds uitfaseren‒ 180‒ 730‒ 1.200‒ 980‒ 2.375Overboekingen met andere begrotingen‒ 179‒ 157‒ 108‒ 85‒ 15AINED‒ 13‒ 13‒ 2Circulair Plastics‒ 21‒ 18‒ 5Maritiem Masterplan‒ 32‒ 39‒ 28‒ 11Middelen uit NGF voor Caribische delen van het Koninkrijk‒ 40‒ 20‒ 10‒ 10Nationaal Onderwijslab‒ 3‒ 3‒ 3‒ 1‒ 2Quantum Delta‒ 102‒ 72‒ 50‒ 46‒ 2Technisch‒ 289‒ 94278‒ 6‒ 1539Omboeken plafonds000000Kasschuif Nationaal Groeifonds‒ 289‒ 742991450Desalderingen‒ 20‒ 20‒ 20‒ 15‒ 11Overig technisch000000Stand Miljoenennota89393734617913950NATIONAAL GROEIFONDS: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota5088071.3231.9221.9843.301Technisch‒ 508‒ 807‒ 1.323‒ 1.922‒ 1.984‒ 3.301Overboekingen met andere begrotingen0‒ 139‒ 137‒ 98‒ 75‒ 15Afboeken voedingsartikel‒ 219‒ 393‒ 734‒ 617‒ 913‒ 950Kasschuif Nationaal Groeifonds‒ 289‒ 742991450Desalderingen‒ 20‒ 20‒ 20‒ 15‒ 1168. Nationaal Groeifonds uitfaseren‒ 180‒ 730‒ 1.200‒ 980‒ 2.375Stand Miljoenennota000000UitgavenOmbuigingenMiddelen uit NGF voor Caribische delen van het KoninkrijkVan de 130 miljoen euro voor ACS/BES wordt 50 miljoen euro afgeboekt. De overige middelen worden doorgeschoven naar latere jaren en overgeheveld naar de begroting van Koninkrijksrelaties (KR).68. Nationaal Groeifonds uitfaserenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken om het Nationaal Groeifonds uit te faseren. De onverdeelde middelen die waren bestemd voor de nog open te stellen ronde 4 en 5 (6,8 miljard euro) worden afgeroomd. De afspraken met betrekking op de projecten uit de rondes 1 t/m 3 worden nagekomen.224Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overboekingen met andere begrotingenAiNedDit project uit de eerste ronde had een voorwaardelijke toekenning van 44 miljoen euro. Deze wordt gedeeltelijk omgezet in een toekenning van 29 miljoen euro. Dit project wordt uitgevoerd door het ministerie van Economische Zaken. De overige middelen vloeien terug naar de onverdeelde middelen van het Nationaal Groeifonds. In totaal is nu 189 miljoen euro toegekend aan dit project.Circulair PlasticsDit project uit de tweede ronde had een voorwaardelijke toekenning van 96 miljoen euro. Hiervan wordt 43 miljoen euro omgezet in een toekenning en overgeheveld naar de begroting van Klimaat en Groene Groei. Het restant blijft voorwaardelijk toegekend. In totaal is nu 167 miljoen euro toegekend aan dit project. De voorwaardelijk toegekende middelen bedragen nu 53 miljoen euroMaritiem MasterplanDit project uit de derde ronde had een voorwaardelijke toekenning van 110 miljoen euro. Deze wordt geheel omgezet in een toekenning. Alle middelen zijn nu toegekend. Dit bedraagt 210 miljoen euro. De middelen worden overgeheveld naar de begroting van Infrastructuur en Waterstaat.Middelen uit NGF voor Caribische delen van het KoninkrijkVanuit het Nationaal Groeifonds is er 80 miljoen euro overgeheveld naar de begroting van Koninkrijksrelaties ten behoeve van drie projecten in de Caribische delen van het Koninkrijk. De projecten zijn de verplaatsing van de haven van Saba, het verbeteren van het wegennetwerk van Bonaire, en het vergroten van de voedselzekerheid op Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba.Nationaal OnderwijslabVoor dit project uit de eerste ronde was 63 miljoen euro gereserveerd. Deze reservering is omgezet in een toekenning van 12 miljoen euro en een voorwaardelijke toekenning van 51 miljoen euro. In totaal is nu 92 miljoen euro aan dit project toegekend. Dit project wordt uitgevoerd door het ministerie van Economische Zaken. De voorwaardelijk toegekende middelen bedragen nu 51 miljoen euro.Quantum DeltaVoor dit project uit de eerste ronde was 273 miljoen euro gereserveerd. Deze reservering is geheel omgezet in een toekenning. Alle middelen zijn nu toegekend. Dit bedraagt 615 miljoen euro. Dit project wordt uitgevoerd door het ministerie van Economische Zaken.TechnischKasschuif Nationaal GroeifondsDe middelen voor voorwaardelijke toekenningen die in 2024 niet zijn omgezet in een toekenning worden doorgeschoven naar 2025 en/of verder.DesalderingenDe projecten met een toekenning uit de subisdieroute worden overgeheveld naar de EZ-begroting en vanuit daar verder uitgefinancierd.225Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 OntvangstenTechnischOverboekingen met andere begrotingenVerschillende projecten hebben een toekenning gekregen uit het Nationaal Groeifonds. De middelen die definitief zijn toegekend worden overgeheveld naar de betreffende begroting. Dit betreft de projecten AiNed, Circulair Plastics, Maritiem Masterplan, Nationaal Onderwijslab en Quantum Delta.Afboeken voedingsartikelOmwille van administratieve eenvoud en transparantie vinden mutaties op het Nationaal Groeifonds voortaan niet meer plaats via de EZK-begroting (het voedingsartikel), maar worden ze rechtstreeks verwerkt op de begroting van het Nationaal Groeifonds.Kasschuif Nationaal GroeifondsDe middelen voor voorwaardelijke toekenningen die in 2024 niet zijn omgezet in een toekenning worden doorgeschoven naar 2025 en/of verder.DesalderingenDe projecten met een toekenning uit de subisdieroute worden overgeheveld naar de EZ-begroting en vanuit daar verder uitgefinancierd.68. Nationaal Groeifonds uitfaserenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken om het Nationaal Groeifonds uit te faseren. De onverdeelde middelen die waren bestemd voor de nog open te stellen ronde 4 en 5 (6,8 miljard euro) worden afgeroomd. De afspraken met betrekking op de projecten uit de rondes 1 t/m 3 worden nagekomen.226Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 KlimaatfondsKLIMAATFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand VoorjaarsnotaIntensiveringen5233.6882.9152.7563.017Overboeking Aanvullende Post naar Klimaatfondsbegroting5233.6882.6652.4062.51769. Kerncentrales250350500Kasschuiven256‒ 929‒ 581‒ 6‒ 481Kasschuif perceel kernenergie‒ 767‒ 767‒ 390‒ 393Kasschuiven waterstof en invulling HLA-ombuiging waterstof256‒ 162186384‒ 88Overboekingen met andere begrotingen‒ 38‒ 38‒ 33‒ 38‒ 48Terugboeking uitvoeringskosten emmisielabels1111Toevoeging middelen Noodfonds25Overige overboekingen met andere begrotingen‒ 39‒ 39‒ 59‒ 39‒ 48Niet-plafondrelevant1761139224Uitgavenreeks CO2-heffing1761139224Stand Miljoenennota7582.7832.4402.9362.488UitgavenIntensiveringenOverboeking Aanvullende Post naar KlimaatfondsbegrotingDe middelen van het Klimaatfonds stonden op de Aanvullende Post in afwachting van parlementaire goedkeuring van de instellingswet van het Klimaatfonds. De instellingswet is aangenomen door de Eerste Kamer in april 2024. Daarom worden de middelen nu overgeheveld naar de Klimaatfondsbegroting.69. KerncentralesDit betreft de intensivering uit het Hoofdlijnenakkoord voor de bouw van 2 naar 4 kerncentrales. Dit is toegevoegd aan het perceel kernenergie bij het Klimaatfonds.KasschuivenKasschuif perceel kernenergieOp het perceel kernenergie is een kasschuif verwerkt om de beschikbare middelen meer in lijn te brengen met de verwachte uitgaven voor de bouw van de eerste twee extra kerncentrales in Nederland. Hierdoor vindt een grote schuif naar achteren plaats. De middelen worden grotendeels in een gelijkmatig ritme gezet tussen 2028 en 2035.Kasschuiven waterstof en invulling HLA-ombuiging waterstofEr zijn diverse kasschuiven verwerkt op het budget voor klimaatbeleid m.b.t. waterstof. Per saldo wordt er budget geschoven naar latere jaren. Dit is op basis van de meest recente ramingen m.b.t. de uitbetalingen van reeds aangegane verplichtingen en op basis van de planning van 227Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 toekomstige openstellingen. Daarnaast is de HLA-ombuiging waterstof en batterijen verder ingevuld en verwerkt op de begrotingen van Klimaat en Groene Groei, Infrastructuur en Waterstaat en het Klimaatfonds. De totale HLA-besparing is 1,2 miljard euro.Overboekingen met andere begrotingenTerugboeking uitvoeringskosten emmisielabelsUit het Klimaatfonds zijn met het Meerjarenprogramma (MJP) 2024 middelen naar de begroting van IenW overgeheveld voor de handhavings- en uitvoeringskosten van emissielabels. IenW gaat dit project niet meer uitvoeren. Daarom worden de middelen teruggeboekt naar het Klimaatfonds.Toevoeging middelen NoodfondsDe middelen die bestemd waren voor het Noodfonds Bedrijven zijn toegevoegd aan de Klimaatfondsbegroting ten behoeve van de Maatwerkafspraken onder het perceel Verduurzaming Industrie. Dit is eerst overgeheveld naar de begroting van Klimaat en Groene Groei en daarna overgeheveld naar het Klimaatfonds.Overige overboekingen met andere begrotingenEr is besloten een aantal extra overhevelingen uit het Klimaatfonds naar de begrotingen van KGG en IenW te verwerken. Het gaat om extra middelen voor kernenergie, zodat per 2025 kan worden gestart met de opgave uit het Hoofdlijnenakkoord, middelen voor een intensivering in de Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+), en middelen voor de verduurzaming van de binnenvaart. Niet-plafondrelevantUitgavenreeks CO2-heffingIn het coalitieakkoord van Rutte IV is afgesproken dat een eventuele opbrengst van de CO2-heffing via het Klimaatfonds ten goede komt aan verduurzaming van bedrijven. Omdat er tot nu toe geen opbrengst was verondersteld is dit niet eerder budgettair verwerkt. Er worden nu wel opbrengst uit de CO2-heffing verwacht. Deze (ex ante) verwachte opbrengst wordt eenmalig toegevoegd aan het Klimaatfonds. De uitgavenruimte in het Klimaatfonds wordt hierna niet aangepast naar aanleiding van de daadwerkelijk gerealiseerde opbrengst uit de CO2-heffing. Indien gedurende de kabinetsperiode een beleidsmatige wijziging van de CO2-heffing leidt tot een lastenrelevante derving of opbrengst, dan wordt de uitgavenreeks hierop aangepast.228Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (inclusief Diergezondheidsfonds)Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en NatuurXIV LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota4.4584.9553.1952.2001.9411.754Meevallers‒ 78‒ 60‒ 36Terugboeking onderuitputting koploperprojecten‒ 78‒ 60‒ 36Intensiveringen8713869211Gebiedsgerichte maatregelen voor provincies45Natuurherstelverordening29211Graslandsubsidie mestpakket9069Nationale Grondbank72Startpakket Regeerprogramma40Overige intensiveringen326Ombuigingen0‒ 62‒ 131‒ 119‒ 127‒ 14626. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 11‒ 19‒ 27‒ 36‒ 4029. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting‒ 57‒ 22‒ 22‒ 2235. Verlaging non-ODA-middelen‒ 3‒ 4‒ 6‒ 9‒ 940. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed‒ 48‒ 51‒ 63‒ 59‒ 74Overige ombuigingen000Kasschuiven‒ 39‒ 234‒ 692794914WEcR 1 en 2231‒ 231SPUK Programma Natuur170‒ 160‒ 110100Graslandsubsidie mestpakket2643‒ 69Natuurherstelverordening‒ 3018196‒ 2‒ 11Subsidiemodules Brongerichte verduurzaming en managementafspraken‒ 321616Gebiedsgerichte maatregelen voor provincies‒ 4545PAS-melders‒ 5050Nationale Grondbank‒ 100‒ 78720Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging‒ 110110Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties‒ 50‒ 50100Overige kasschuiven‒ 98‒ 5354363525Overboekingen met andere begrotingen‒ 55‒ 6‒ 33‒ 36‒ 37‒ 26Overboekingen met andere begrotingen‒ 55‒ 6‒ 33‒ 36‒ 37‒ 26Plafondcorrecties00000Plafondcorrecties00000Technisch1210000Technisch1210000Stand Miljoenennota4.3854.7312.9952.3241.8281.607229Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 XIV LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota14674929811265Ombuigingen00‒ 1‒ 1‒ 126. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid00‒ 1‒ 1‒ 1Plafondcorrecties03735Plafondcorrecties03735Technisch1210Technisch1210Stand Miljoenennota158749213414664UitgavenMeevallersTerugboeking onderuitputting koploperprojectenEr is door het vorige kabinet 1,714 miljard euro gereserveerd op de LVVN-begroting, vooruitlopend op het toetsingsproces, voor het financieren van maatregelen die door provincies genomen kunnen worden in de periode 2024-2026 uit hun Provinciale Programma’s Landelijk Gebied, de zogenaamde koploperprojecten. 173 miljoen euro aan maatregelen is niet door de toetsing gekomen. Deze worden teruggeboekt naar de Aanvullende Post.IntensiveringenGebiedsgerichte maatregelen voor provinciesMet deze mutatie wordt 45 miljoen euro overgeheveld van de Aanvullende Post naar de LVVN begroting voor extra gebiedsgerichte maatregelen voor provincies, in aanvulling op de eerdere toedeling van Transitiefondsmiddelen. De middelen worden pas beschikt nadat een toetsproces is doorlopen en er besluitvorming heeft plaatsgevonden over de concrete maatregelen in de onderraden en MR.NatuurherstelverordeningMet deze mutatie wordt 42 miljoen euro overgeheveld vanaf de Aanvullende Post om een nationaal Natuurherstelplan op te stellen. In totaal is er 43,8 miljoen euro beschikbaar, het verschil is afkomstig van artikel 51 op de LVVN begroting. Dit is een Europese verplichting voortvloeiend uit de recent aangenomen Natuurherstelverordening.Graslandsubsidie mestpakketDoordat de derogatie voor het uitrijden van mest voor Nederland wordt afgeschaft, nemen de kosten voor het afvoeren van mest toe. Om landbouwondernemers tegemoet te komen voor deze kosten, is in het kader van het Plan van Aanpak mestmarkt de subsidie Behoud grasland bij afbouw derogatie verhoogd. Hiervoor is 78 miljoen euro aan de LVVN-begroting toegevoegd. Deze overboeking is reeds verwerkt via Nota van Wijziging op de eerste suppletoire begroting.230Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Nationale GrondbankDit betreft een overheverling van 72 miljoen euro van de Aanvullende Post naar de begroting van LVVN voor het aankopen van grond door de Nationale Grondbank (NGB). De aankopen door de NGB starten in 2025 en worden afgerond in 2026 en 2027.Startpakket RegeerprogrammaIn totaal wordt 40 miljoen van de in totaal beschikbaar gestelde 5,04 miljard voor de agrarische sector overgeheveld naar de begroting van LVVN. Hiermee wordt een start gemaakt met het invulling geven aan de ambities uit het Hoofdlijnenakkoord. Met deze middelen worden onder andere maatregelen genomen voor de verlichting van de mestmarkt (15 miljoen euro), waaronder het stimuleren van mestverwerking en export. Daarnaast worden middelen beschikbaar gesteld voor natuurmonitoring (8 miljoen euro), het opstarten van ontwikkeling en uitrol doelsturing (8 miljoen euro), het stimuleren van innovatie in de visserijsector (4,5 miljoen euro), het starten van een investeringsprogramma robots naar de boerenpraktijk en een nationaal programma experimenteerlocaties voor innovatie (3,5 miljoen euro.) en het uitvoeren van pilots naar een dierwaardige veehouderij (1 miljoen euro).Overige IntensiveringenDe overige intensiveringen betreffen het opvangen van de SPUK-taakstelling, die onder «ombuigingen» verder wordt toegelicht.Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Voor LVVN betekent dit dat er in 2025 11 miljoen euro wordt omgebogen op het apparaatsbudget, oplopend tot 40 miljoen euro in 2029.29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkortingIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat vanaf 2026 de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent. Voor LVVN betekent dit dat in 2026 57 miljoen euro wordt omgebogen op de specifieke uitkeringen, en vanaf 2027 structureel 22 miljoen euro.35. Verlaging non-ODA middelenIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat het budget voor non-ODA wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld. Voor LVVN betekent dit in 2025 een ombuiging van 3 miljoen euro, oplopend tot 9 miljoen euro in 2029.40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreedIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat rijksbreed wordt bezuinigd op subsidies. Voor LVVN betekent dit dat in 2025 48 miljoen euro wordt omgebogen op het subsidiebudget, oplopend tot 74 miljoen euro in 2029.KasschuivenWEcR 1 en 2Specifieke uitkeringen voor de goedgekeurde provinciale maatregelenpakketen uit WEcR 1 en WEcR 2 worden voor een deel al in 2024 beschikt in plaats van in 2025. Het benodigde budget wordt daarom naar 2024 geschoven.231Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 SPUK Programma NatuurDe Regeling SPUK Programma Natuur is in juni 2024 gepubliceerd. Er worden meer middelen in 2024 en 2027 aan de provincies beschikt, wat ten koste gaat van de betalingen in 2025 en 2026.Graslandsubsidie mestpakketOm het budget voor de verhoging van de subsidie Behoud grasland bij afbouw derogatie in het juiste kasritme te zetten is 69 miljoen euro uit 2026 naar 2024 (26 miljoen euro) en 2025 (43 miljoen euro) geschoven. Deze kasschuif is reeds verwerkt via Nota van Wijziging op de eerste suppletoire begroting.NatuurherstelverordeningMet deze kasschuif worden de middelen voor het opstellen van het Natuurherstelplan in het verwachte kasritme gezet.Subsidiemodules Brongerichte verduurzaming en managementafsprakenEr wordt gewerkt aan de voorbereidingen voor een openstelling van de Subsidiemodules Brongerichte verduurzaming en managementafspraken (Sbv) investeringsmodule binnen de aanpak piekbelasting. Bij openstelling in het najaar van 2024, vindt beschikking en bevoorschotting na 31 december 2024 plaats. De middelen voor 2024 worden daarom doorgeschoven naar latere jaren voor een volgende openstelling.Gebiedsgerichte maatregelen voor provinciesDe middelen die worden gereserveerd voor gebiedsgerichte maatregelen voor provincies worden, nadat het toetsproces is doorlopen en besluitvorming in de RFL en MR heeft plaatsgevonden, in 2025 uitgekeerd. Met deze kasschuif worden de middelen in het juiste kasritme gezet.PAS-meldersVoor de SPUK PAS-Melders ligt er een opgave in zowel 2024 als 2025. In 2025 zal de vrijstelling van handhaving gaan vervallen en zullen de meeste PAS-melders een oplossing moeten hebben. Aangezien de verwachting is dat de provincies in 2024 niet voor 150 miljoen euro aan legalisatieplannen kunnen aanleveren, wordt met deze kasschuif 50 miljoen naar 2025 geschoven.Nationale GrondbankDoor vertragingen in de uitvoering worden aankopen van de Nationale Grondbank die geraamd waren in 2024 pas in 2025 en 2026 afgerond. Bijbehorend aankoopbudget wordt herverdeeld op basis van deze nieuwe raming.Maatregel Gebiedsgerichte BeëindigingDe kasschuif ziet toe op de gebiedsgerichte opkoop van veehouderijen door provincies, als onderdeel van de Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging (MGB). Het notificatietraject in Brussel levert veel vertraging op waardoor de middelen niet meer in 2024 tot besteding kunnen komen.Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocatiesEr wordt gewerkt aan de voorbereidingen voor een openstelling van de Subsidiemodules Brongerichte verduurzaming en managementafspraken (Sbv) investeringsmodule binnen de aanpak piekbelasting. Deze middelen zullen echter niet in 2024 tot besteding komen en worden daarom geschoven.232Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overige kasschuivenDit betreft een verzamelmutatie van enkele kasschuiven. Met deze schuiven wordt het kasritme aangepast voor onder andere middelenvoor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, ammoniakemissie en landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting. Ook vinden er kasschuiven plaats voor de warmtenetten glastuinbouw, SPUK visgemeenschappen en biologische landbouw.Overboekingen met andere begrotingenDit betreft verschillende overboekingen met andere departementen, waarvan een overboeking van 142 miljoen euro naar het Provinciefonds voor het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) de grootste is.TechnischDit betreft een groot aantal herschikkingen van budget binnen de LVVN-begroting. Daarnaast wordt 12 miljoen euro gedesaldeerd en ingezet voor het oplossen van kleine problematiek binnen de LVVN-begroting.OntvangstenDoor de bezuiniging op het ambtenarenapparaat zal LVVN minder medewerkers detacheren. Dat heeft als gevolg dat de ontvangsten van andere organisaties voor detacheringen ook zullen afnemen met duizend euro per jaar, vanaf 2027.PlafondcorrectiesDe gronden die door de NGB worden verworven in 2026 en 2027 (ter waarde van 72 miljoen euro) worden verkocht in 2027 en 2028. De verkoopopbrengsten worden hiermee aan de aankoopwaarde gelijkgezet.TechnischDit betreft een aantal ontvangsten, waarvan een ontvangst van 10 miljoen euro uit de provincie Limburg de grootste is. Dit budget komt terug omdat Limburg achteraf niet bleek te voldoen aan de vereisten van de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders, waardoor zij het voorschot dat zij ontvangen hadden terug moesten betalen. Dit budget wordt gedesaldeerd voor het oplossen kleine problematiek binnen de LVVN-begroting.233Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 DiergezondheidsfondsDIERGEZONDHEIDSFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota413131313131Niet-plafondrelevant56677Niet-plafondrelevant56677Stand Miljoenennota413637373838DIERGEZONDHEIDSFONDS: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota593131313131Niet-plafondrelevant235677Niet-plafondrelevant235677Stand Miljoenennota595436373838UitgavenNiet-plafondrelevantDeze post is een verzamelpost van reallocaties binnen het Diergezondheidsfonds. Het gaat hier voornamelijk om mutaties die samenhangen met het Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2025-2029 dat begin 2024 is afgesloten en een toename van de uitgaven van de Koninklijke Gezondsheidsdienst Dieren die vanuit het fonds worden betaald.OntvangstenHet gaat hier voornamelijk om mutaties die samenhangen met het Convenant financiering bestrijding besmettelijke dierziekten 2025-2029 dat begin 2024 is afgesloten. De ontvangsten zijn in 2025 hoger doordat de crisisreserve wordt aangevuld via een hogere bijdrage van de sectoren aan het Fonds.234Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Sociale ZekerheidSociale Zaken en WerkgelegenheidXV SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota61.97859.10062.40464.58165.98668.216Meevallers‒ 141‒ 57‒ 54‒ 69‒ 58‒ 62Wet kindgebonden budget‒ 142‒ 56‒ 55‒ 70‒ 54‒ 54Overige meevallers1‒ 111‒ 4‒ 7Tegenvallers735487117122125Kinderopvangtoeslag273251767879Uitvoeringskosten UWV2100110Toeslagenwet191616172024Wajong1519232422Overige tegenvallers500000Intensiveringen243994484915135044. Terugdringen armoede: hoger kindgebonden budget24283287294304292Aanpakken bruto-netto problematiek131313131Maatregelen basispakket IBO-schulden245673100100Reservering energiefonds6002. Bevriezen afbouw dubbele heffingskorting in de bijstand2043645256Overige intensiveringen01231302725Ombuigingen‒ 59‒ 120‒ 193‒ 316‒ 329‒ 343WML-compensatie sociale werkvoorziening‒ 4‒ 8‒ 8‒ 7‒ 7‒ 6Inzet SLIM-middelen‒ 25Tegemoetkoming energiekosten studenten‒ 29Implementie nieuwe kinderopvangstelsel‒ 25Participatiewet in balans‒ 25Vrijval loonkostenvoordeel vereenvoudiging banenafspraak‒ 12226. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 23‒ 45‒ 68‒ 90‒ 9929. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting‒ 43‒ 33‒ 28‒ 2633. Niet indexeren kinderopvangtoeslag‒ 1011448262540. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed‒ 20‒ 60‒ 57‒ 35‒ 3851. Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten‒ 81‒ 81‒ 8152. Budgetverlaging bijstand in relatie tot beperken asielinstroom‒ 100‒ 100‒ 100Overige ombuigingen‒ 1‒ 9‒ 29‒ 19‒ 14‒ 17Kasschuiven‒ 18516‒ 28Kasschuiven‒ 18516‒ 28Overboekingen Aanvullende Post25810Implementatiekosten nieuw kinderopvangstelsel25Uitvoeringskosten voor de wetsvoorstellen flex en VBAR.810Overboekingen met andere begrotingen‒ 38‒ 44‒ 30‒ 29‒ 28‒ 32Overboekingen met andere begrotingen‒ 38‒ 44‒ 30‒ 29‒ 28‒ 32Desalderingen131313131313235Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro202420252026202720282029Desalderingen131313131313Technisch1.8001.3221.4561.7081.7851.844Toevoeging nominale ontwikkeling1.8021.8872.0002.0802.1372.184Macrobudget Participatiewet3‒ 23‒ 64‒ 66‒ 60‒ 5528. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloon‒ 5‒ 22‒ 22‒ 22‒ 22‒ 23Herverkaveling inburgering‒ 483‒ 480‒ 344‒ 297‒ 281Overig technisch0‒ 3723612719Niet-plafondrelevant3‒ 7002837721.3181.463Rijksbijdragen3‒ 7002837721.3181.463Stand Miljoenennota63.63459.99764.41467.27369.32871.745XV SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota2.3502.3302.3152.2952.2062.138Meevallers6381314106Uitvoeringskosten UWV crisisdienstverlening54Overige meevallers881314106Tegenvallers‒ 37116‒ 9‒ 9‒ 9Wet kindgebonden budget‒ 37116‒ 9‒ 9‒ 9Desalderingen131313131313Desalderingen131313131313Technisch31925303436Toevoeging nominale ontwikkeling02228333739Herverkaveling inburgering‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3Overig technisch2Niet-plafondrelevant110121127123120120Werkgeversbijdrage kinderopvang110121127123120120Stand Miljoenennota2.5012.5022.4982.4662.3742.304UitgavenMeevallersWet kindgebonden budgetDe uitgaven aan de WKB nemen meerjarig af door hogere gemiddelde huishoudinkomens dan eerder geraamd, op basis van de laatste CPB-raming. Dit leidt tot een meevaller van cumulatief 377 miljoen euro.Overige meevallersDeze post betreft enkele meevallers van beperkte budgettaire omvang, zoals de meevaller van circa 7 miljoen euro in 2029 op de Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW). De uitgaven op deze regeling zijn neerwaarts bijgesteld op basis van uitvoeringsinformatie en de laatste raming van het CPB.236Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 TegenvallersKinderopvangtoeslagDe uitgaven aan de Kinderopvangtoeslag (KOT) zijn meerjarig naar boven bijgesteld als gevolg van lagere werkloosheid op basis van de laatste CPB-raming. Dit leidt tot meer gebruik van kinderopvang en hogere uitgaven. Er is sprake van een oplopende opwaartse bijstelling, van 27 miljoen euro in 2024 tot 79 miljoen euro in 2029.Uitvoeringskosten UWVDe afrekening van de uitvoeringskosten van de coronaregeling Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) (1-4) over 2023 komt 21 miljoen euro hoger uit dan eerder geraamd.ToeslagenwetOp basis van uitvoeringsinformatie van het UWV en de recente economische raming van het CPB is de raming van de Toeslagenwet naar benedenbenedenboven bijgesteld. Per saldo resulteert dit in een opwaartse bijstelling van de TW-uitgaven ten opzichte van de Voorjaarsnota 2024 van 19 miljoen euro in 2024, oplopend tot 24 miljoen euro in 2029.WajongDe per saldo tegenvaller op de uitkeringslasten Wajong komt onder andere door de instroom van de groep Tijdelijke Registratie Afgewezen Wajongers in de Wajong2015 als gevolg van de 10-jaarregel. De regel bepaalt dat bij een jonggehandicapte die tijdelijk arbeidsongeschikt is bevonden en na tien jaar nog steeds geen reële arbeidsmogelijkheden heeft, wordt aangenomen dat er sprake is van duurzaam geen arbeidsvermogen. De Tijdelijke Registratie Afgewezen Wajongers is een groep die in de overgangsperiode naar het nieuwe Wajong stelsel is afgewezen. Dit zorgt vanaf 2025 voor een toename in de Wajong-instroom. Daarnaast stijgt de gemiddelde jaaruitkering omdat deze groep een uitkering ontvangt gebaseerd op het WML, en dit is ook gestegen. Tot slot nemen de uitkeringslasten van de oude Wajong-regelingen in latere jaren af als gevolg van een lagere instroom en hogere uitstroom. Overige tegenvallersDeze post bestaat uit een tegenvaller van circa 3 miljoen euro voor een nabetaling voor de uitvoeringskosten van het UWV en uit een nabetaling van circa 2 miljoen euro op de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (TOZO) als gevolg van een nabetaling van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan enkele gemeenten.IntensiveringenAanpakken bruto-netto problematiekUitkeringsgerechtigden krijgen hun uitkering netto op hun rekening maar moeten momenteel een eventuele terugvordering bruto terugbetalen indien de terugvordering de jaargrens passeert. Dit kan leiden tot liquiditeitsproblemen. Daarom is er een bedrag gereserveerd oplopend van 1 miljoen euro in 2025 tot 31 miljoen euro in 2029 om terugvorderingen netto te maken.Maatregelen basispakket IBO-schuldenDeze post betreft een pakket aan maatregelen om problematische schulden fundamenteel aan te pakken. Deze maatregelen worden komende tijd nog uitgewerkt, hiervoor is een bedrag gereserveerd van circa 24 miljoen euro in 2025, oplopend tot 100 miljoen euro in 2029.237Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Reservering energiefondsVoor 2025 en 2026 wordt 60 miljoen euro per jaar beschikbaar gesteld om een energiefonds in te richten dat steun biedt aan huishoudens die hun energierekening niet kunnen betalen. Daarbij is bereidheid van private partijen om aan dit fonds bij te dragen nodig. Voor 2025 worden de middelen toegevoegd aan de begroting van SZW. Voor 2026 worden de middelen gereserveerd op de Aanvullende Post.2. Bevriezen afbouw dubbele heffingskorting in de bijstandMet deze maatregel uit het Hoofdlijnenakkoord wordt de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in de berekening van het netto- referentieminimumloon van de bijstand in de jaren 2025 tot en met 2027 bevroren. Hierdoor is de dubbele AHK in deze berekening drie jaar later (in 2039) volledig afgebouwd tot één en treden er tot die tijd meerkosten op. Deze maatregel zorgt tijdelijk voor een verhoging van de bijstand en andere gerelateerde uitkeringen ten opzichte van het basispad.4. Terugdringen armoede: hoger kindgebonden budgetIn het Hoofdlijnenakkoord is 300 miljoen euro gereserveerd ten behoeve van het terugdringen van kinderarmoede. De WKB wordt verhoogd via de kindbedragen met circa 184 euro in 2025, oplopend tot circa 412 euro in 2028. Dit gebeurt in combinatie met het steiler afbouwen van 6,75%, oplopend tot 8,5% in 2028. Verder wordt 6 miljoen euro van de middelen aangewend voor het oplossen van de problematiek rondom de elders verblijvende partners.Overige intensiveringenDeze post betreft verschillende kleinere intensiveringen die hoofdzakelijk uit de envelop groepen in de knel komen. Zo worden er middelen vrijgemaakt voor een verruiming van de handhavingsbevoegdheden en een bredere herijkering van het handhavingsinstrumentarium (cumulatief circa 67 miljoen euro), het verruimen van het toeslagpartnerbegrip om knelpunten in regelinggeving op te lossen (cumulatief circa 62 miljoen euro) en voor het verlengen van de tijdelijke IPS-regeling met één jaar om mensen in de Participatiewet te helpen bij het verkrijgen en behouden van betaald werk (cumulatief circa 9 miljoen euro).OmbuigingenWML-compensatie sociale werkvoorzieningEerder waren middelen gereserveerd om gemeenten te compenseren voor de beoogde beleidsmatige verhoging van het wettelijke minimumloon met 1,2% per 1 juli 2024 voor medewerkers in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Deze verhoging is niet doorgegaan, waardoor de middelen vrijvallen.Inzet SLIM-middelenDe ruimte ter hoogte van 25 miljoen euro in 2024 op de individuele scholingsregeling SLIM wordt ingezet ter dekking van de voorschotssystematiek in de Wet kindgebonden budget (WKB) in hetzelfde jaar.Tegemoetkoming energiekosten studentenStudenten krijgen eenmalig een bedrag van 400 euro uitgekeerd als tegemoetkoming in de energiekosten. Omdat er tot nu toe minder tegemoetkomingen zijn uitgekeerd dan verwacht zijn de uitgaven naar beneden bijgesteld.238Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Implementie nieuwe kinderopvangstelselEr zijn uitvoeringskosten gereserveerd voor de stelselherziening van de kinderopvang in 2027. Een deel van de middelen in 2025 is niet nodig.Participatiewet in balansDe invoering van het wetsvoorstel Participatiewet in balans was gepland op 1 januari 2025. Deze datum is echter niet meer haalbaar. Invoering van de wetswijziging wordt nu per 1 juli 2025 verwacht. Dit uitstel zorgt voor lagere uitgaven in 2025.Vrijval loonkostenvoordeel vereenvoudiging banenafspraakHet wetsvoorstel Vereenvoudiging Banenafspraak, waarin onder andere de loonkostenvoordelen worden verruimd, zal ingaan per 1 januari 2026 in plaats van 1 januari 2025. Er valt ruim 120 miljoen euro vrij op het loonkostenvoordeel in 2026 omdat uitbetaling van het LKV telkens in het daaropvolgende jaar plaatsvindt.26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt bezuinigd op het apparaat van de Rijksoverheid. Hiermee wordt per saldo (uitgaven plus ontvangsten) een ombuiging voorzien. Deze bedraagt circa 23 miljoen euro in 2025 en loopt op tot 99 miljoen euro in 2029. Dit betreft een ombuiging van 28 miljoen euro in 2025, oplopend tot 118 miljoen euro in 2029.29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkortingIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10%.33. Niet indexeren kinderopvangtoeslagIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de maximum uurprijzen van de kinderopvangtoeslag in 2026 voor één jaar niet worden geïndexeerd.40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreedIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat rijksbreed wordt bezuinigd op subsidies. Hiermee worden in de periode van 2025 tot en met 2029 de subsidies naar beneden bijgesteld voor cumulatief 210 miljoen euro. Deze taakstelling wordt intertemporeel ingevuld, waarbij SZW in 2025 voor circa 62 miljoen euro inlevert ten opzichte van de originele taakstelling in 2025 voor 20 miljoen euro. In andere jaren levert SZW minder, cumulatief wordt de subsidietaakstelling geheel ingevuld.51. Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschiktenArbeidsongeschikten ontvangen jaarlijks een tegemoetkoming (217 euro netto in 2024) voor extra kosten als gevolg van hun ziekte of handicap. In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat deze tegemoetkoming per 2027 wordt afgeschaft. De maatregel geldt voor zowel huidige ontvangers als nieuwe aanvragers. Deze tegemoetkoming wordt afgeschaft omdat het eigen risico voor zorgkosten uit het basispakket wordt verlaagd.52. Budgetverlaging bijstand in relatie tot beperken asielinstroomStatushouders hebben toegang tot een bijstandsuitkering. Dit kabinet neemt maatregelen om de asielinstroom te beperken. In het Hoofdlijnenakkoord is als gevolg van deze maatregelen een besparing op de bijstand van 100 miljoen euro opgenomen.239Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overige ombuigingenDeze post betreft verschillende kleinere ombuigingen, waaronder het uitstellen van het wetsvoorstel verbreding banenafspraak (cumulatief circa 20 miljoen euro), vrijval op het handshavingsinstrumentarium (10 miljoen euro in 2025) en het inzetten van middelen voor de uitvoeringskosten voor wetsvoorstellen flex en VBAR uit de envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden op de Aanvullende Post (cumulatief circa 18 miljoen euro). Deze middelen worden nu ingezet ter dekking van het uitvoeringsbeeld.KasschuivenKasschuiven loonloze tijdvakkenDe herstelactie door het UWV naar aanleiding van de maatregel ‘loonloze tijdvakken’ kan niet in 2024 uitgevoerd worden vanwege prioritering bij het UWV. Omdat het een herstelactie betreft zullen de uitgaven wel moeten plaatsvinden, maar pas in 2025. De herstelactie betreft het aanpassen van de WIA-daglonen voor mensen met een loonloos tijdvak vanwege een WW-uitkering in de WIA-referteperiode. De totale som aan kasschuiven betreft een besparing op de Toeslagenwet en uitgaven aan de IVA, WGA, en uitvoeringskosten.Overige kasschuivenDeze post betreft enkele kasschuiven van beperkte budgettaire omvang, waaronder een kasschuif waarmee er circa 3 miljoen euro van 2024 naar 2025 wordt geschoven voor het wetsvoorstel Vereenvoudiging Banenafspraak. De beoogde invoeringsdatum is namelijk verlaat doordat het wetsvoorstel nog niet in de Kamer is behandeld.Overboekingen met andere begrotingenOnder deze post vallen diverse overboekingen van en naar andere begrotingshoofdstukken, zoals een overboeking van jaarlijks circa 20 miljoen euro naar het Gemeentefonds om gemeenten vanaf 2025 te compenseren voor de afschaffing van het lage-inkomensvoordeel (LIV) bij sociaal ontwikkelbedrijven. Ook wordt er een overboeking gedaan naar het Gemeentefonds van jaarlijks circa 9 miljoen euro om de aanvulling op de jongerennorm voortaan uit de algemene bijstand uit te keren, in plaats van bijzondere bijstand.Overboekingen met de Aanvullende PostImplementatiekosten nieuw kinderopvangstelselEr zijn uitvoeringskosten gereserveerd voor de stelselherziening van de kinderopvang in 2027. Een deel van de middelen in 2025 is niet nodig, deze middelen worden op de SZW-begroting ingezet ter dekking van het uitvoeringsbeeld.Uitvoeringskosten voor de wetsvoorstellen flex en VBAREr worden middelen overgeheveld ten behoeve van de uitvoeringskosten van het wetsvoorstel VBAR en het opheffen van het handhavingsmoratorium uit de envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden. Deze middelen worden op de SZW-begroting ingezet ter dekking van het uitvoeringsbeeld.DesalderingenDeze post betreft een gelijktijdige bijstelling van uitgaven en ontvangsten bij het budget voor de Rijksschoonmaakorganisatie.240Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 TechnischToevoeging nominale ontwikkelingDe uitkeringshoogte van de begrotingsgefinancierde regelingen op de SZW-begroting wordt aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling. Met deze mutaties worden deze regelingen overgezet naar prijspeil 2024.ParticipatiewetOp basis van uitvoeringsinformatie van gemeenten en de recente economische raming van het CPB is het macrobudget bijgesteld. Op basis van de uitvoeringsinformatie wordt het macrobudget opwaarts bijgesteld met 10 miljoen euro in 2025, dit loopt op tot 21 miljoen euro in 2029. De lagere geraamde werkloze beroepsbevolking zorgt in 2025 voor een neerwaartse bijstelling van 34 miljoen euro, in 2027 loopt de neerwaartse bijstelling op tot 81 miljoen euro en in 2029 gaat het om een neerwaartse bijstelling van 76 miljoen euro. Per saldo leiden deze effecten tot lagere uitgaven vanaf 2025. Voor deze mutatie wordt het uitgavenplafond gecorrigeerd.28. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloonOp 16 april heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel voor de minimum loonsverhoging van 1,2% per 1 juli 2024 conform amendement Van der Lee (36410-XV-7) verworpen. Hiermee blijft een voorziene stijging van de uitgaven aan regelingen die gekoppeld zijn aan het Wml uit. Dit zorgt voor een neerwaartse bijstelling van de uitgaven van de uitkeringsregelingen op de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met in totaal 745 miljoen euro in 2029, waarvan 23 miljoen euro in 2029 op de SZW- begroting.Herverkaveling inburgeringDeze post betreft een reeks boekingen voor het overhevelen van inburgering naar Justitie en Veiligheid.Overig technischDeze post betreft enkele correctieboekingen om tot het juiste bedrag aan eerder toegekende nominale ontwikkeling te komen. Eerder was te veel of te weinig nominale ontwikkeling overgeboekt, dit is met de betreffende correctieboekingen terecht gezet. Ook zijn in deze post de boekingen opgenomen voor de doorverdeling van de subsidietaakstelling, die intertemporeel wordt ingevuld.Niet-plafondrelevantRijksbijdragenDeze post bestaat uit verschillende mutaties van rijksbijdragen aan sociale fondsen. Meerjarig vallen de verwachte Bijdrage in de Kosten van Kortingen (BIKK) AOW en de verwachte bijdrage aan het Ouderdomsfonds hoger uit.OntvangstenMeevallersUitvoeringskosten UWVDe terugontvangsten over 2023 vanuit het UWV komen 54 miljoen euro hoger uit dan eerder geraamd, dit komt door terugontvangsten op de crisisdienstverlening zoals de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) 5-6 met 25 miljoen euro. Daarnaast komen de terugontvangsten op de re-integratie Wajong 18 miljoen euro hoger uit dan eerder geraamd.241Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overige meevallersDeze post betreft enkele meevallers van beperkte budgettaire omvang, waaronder enkele terugontvangsten. Ook zijn de uitgaven voor de kinderopvangtoeslag (KOT) naar boven bijgesteld. Als gevolg daarvan zijn er vanaf 2025, met vertraging, iets meer terugvorderingen en daardoor ook hogere ontvangsten.TegenvallersWet kindgebonden budgetDe ontvangsten nemen meerjarig enigszins af als gevolg van lagere WKB uitgaven. Alleen in de periode 2025 t/m 2027 nemen de ontvangsten toe i.v.m. de neerwaartse bijstelling van de beschikkingen voor de toeslagjaren 2024 en 2025.DesalderingenDeze post betreft een gelijktijdige bijstelling van uitgaven en ontvangsten bij het budget voor de Rijksschoonmaakorganisatie.TechnischToevoeging nominale ontwikkelingDe uitkeringshoogte van de begrotingsgefinancierde regelingen op de SZW-begroting wordt aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling. Met deze mutaties worden deze regelingen overgezet naar prijspeil 2024.Herverkaveling inburgeringDeze post betreft een reeks boekingen voor het overhevelen van inburgering naar Justitie en Veiligheid.Overig technischDeze post betreft terugontvangsten van circa 2 miljoen euro in 2024 op de uitvoeringskosten van het UWV voor het programma Skills.Niet-plafondrelevantWerkgeversbijdrage kinderopvangDe raming van de ontvangsten Werkgeversbijdrage kinderopvang is bijgesteld op basis van de meest recente CPB-prognose (MEV 2025). De hogere ontvangsten worden grotendeels verklaard doordat de raming is geactualiseerd naar prijspeil 2024.242Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Sociale VerzekeringenSOCIALE VERZEKERINGEN: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota77.73782.28687.27292.30796.748101.834Meevallers‒ 2‒ 3‒ 1‒ 1‒ 1‒ 3Meevallers‒ 2‒ 3‒ 1‒ 1‒ 1‒ 3Tegenvallers419311288273359460Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen186757294161252Ziektewet110112101103110114Compensatie transitievergoeding langdurige arbeidsongeschiktheid858374252525Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering381717171824Uitvoeringskosten UWV2425344546Intensiveringen258882. Bevriezen afbouw dubbele heffingskorting in de bijstand25888Ombuigingen‒ 2‒ 5‒ 53‒ 760‒ 766‒ 78849. WW-maatregel (Poortwachter/Duurverkorting naar 18 maanden)‒ 200‒ 200‒ 20050. Compensatie transitievergoeding beperken tot kleine werkgevers‒ 58‒ 353‒ 355‒ 36051. Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten‒ 207‒ 211‒ 213Overige ombuigingen‒ 2‒ 55‒ 15Kasschuiven‒ 5050Kasschuiven loonloze tijdvakken‒ 4646Overige kasschuiven‒ 44Overboekingen met andere begrotingen18881111Overboekingen met andere begrotingen18881111Technisch‒ 2544585877319911.250Werkloosheidswet1261287634323728. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloon (nominaal effect)‒ 25‒ 67‒ 91‒ 116‒ 138‒ 163Plafondcorrectie Ziektewet‒ 26‒ 36‒ 33‒ 28‒ 25‒ 2328. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloon‒ 330‒ 577‒ 576‒ 581‒ 579‒ 585Nominale ontwikkeling1.0101.2111.4221.7011.983Overig technisch100000Stand Miljoenennota77.84983.10888.10692.56597.348102.772243Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 SOCIALE VERZEKERINGEN: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota200243279303334346Technisch523333Nominale ontwikkeling23333Overig technisch5Stand Miljoenennota205245282306337349UitgavenMeevallersOverige meevallersDeze post betreft een meevaller van circa 3 miljoen euro in 2029 op de uitgaven aan de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).TegenvallersWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenDe doorstroom van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen WGA (gedeeltelijk arbeidsongeschikt) naar de IVA (volledig arbeidsongeschikt) is lager dan verwacht. Dit leidt tot minder uitkeringsjaren in de IVA. De gemiddelde jaaruitkering in zowel de WGA als de IVA is hoger dan verwacht. Per saldo leidt dit tot hogere WIA-uitgaven.ZiektewetOp basis van de juninota van UWV en de cMEV-raming van het CPB zijn de uitgaven aan de Ziektewet (ZW) opwaarts bijgesteld voor 2024 tot en met 2029. De voornaamste oorzaak is een forse toename in de instroom van het aantal eindedienstverbanders en personen met een no-riskpolis in de Ziektewet. Dit zorgt voor een toename in de uitgaven aan de Ziektewet oplopend tot 114 miljoen euro in 2029.Compensatie transitievergoeding langdurige arbeidsongeschiktheidOp basis van de Juninota van het UWV wordt de raming naar boven bijgesteld (aflopend van een bijstelling van 85 miljoen euro in 2024 tot 25 miljoen euro in 2029). Het aantal werknemers dat twee jaar ziek is valt namelijk hoger uit dan eerder geraamd. De maatregel uit het Hoofdlijnenakkoord (HLA) om de CRTV-LAO beperken tot kleine werkgevers (tot 25 werknemers) zorgt er verder voor dat de regeling een stuk kleiner wordt, hierdoor neemt de ramingsbijstelling ook af tot de HLA-maatregel volledig is ingegroeid.Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringDe WAO-uitgaven worden op basis van uitvoeringsinformatie van het UWV opwaarts bijgesteld. De gemiddelde uitkeringshoogte is hoger dan verwacht.Uitvoeringskosten UWVDe uitvoeringkosten van het UWV komen hoger uit dan eerder geraamd (oplopend 46 miljoen euro in 2029). Dit wordt voornamelijk veroorzaakt doordat de raming van het aantal WIA-aanvragen opwaarts is bijgesteld. Dit zorgt voor hogere uitvoeringskosten bij het UWV.244Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Intensiveringen2. Bevriezen afbouw dubbele heffingskorting in de bijstandMet deze maatregel uit het Hoofdlijnenakkoord wordt de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in de berekening van het netto- referentieminimumloon van de bijstand in de jaren 2025 tot en met 2027 bevroren. Hierdoor is de dubbele AHK in deze berekening drie jaar later (in 2039) volledig afgebouwd tot één en treden er tot die tijd meerkosten op. Deze maatregel zorgt tijdelijk voor een verhoging van de bijstand en andere gerelateerde uitkeringen ten opzichte van het basispad.Ombuigingen49. WW-maatregel (Poortwachter/Duurverkorting naar 18 maanden)Het Hoofdlijnenakkoord bevat het voornemen de werkloosheidswet (WW) te hervormen. De hervorming kan bestaan uit het verlengen van de opzegtermijn arbeidscontracten in combinatie met een poortwachterstoets WW bij het UWV en/of een verkorting van de WW-duur tot 18 maanden. De precieze uitwerking van deze maatregel is onderdeel van de uitwerking van het Hoofdlijnenakkoord.50. Compensatie transitievergoeding beperken tot kleine werkgeversHet Rijk compenseert alle werkgevers die een transitievergoeding betalen aan werknemers als een werknemer twee jaar loondoorbetaling bij ziekte heeft ontvangen. In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de compensatie voor werkgevers met deze maatregel wordt beperkt tot alleen kleine werkgevers (minder dan 25 werknemers). Werkgevers met 25 of meer werknemers worden niet meer gecompenseerd. Deze maatregel gaat in per 2027.51. Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschiktenArbeidsongeschikten ontvangen jaarlijks een tegemoetkoming (217 euro netto in 2024) voor extra kosten als gevolg van hun ziekte of handicap. In het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat deze tegemoetkoming per 2027 wordt afgeschaft. De maatregel geldt voor zowel huidige ontvangers als nieuwe aanvragers. Deze tegemoetkoming wordt afgeschaft omdat het eigen risico voor zorgkosten uit het basispakket wordt verlaagd.KasschuivenKasschuiven loonloze tijdvakkenDe herstelactie door het UWV naar aanleiding van de maatregel ‘loonloze tijdvakken’ kan niet in 2024 uitgevoerd worden vanwege prioritering bij het UWV. Omdat het een herstelactie betreft zullen de uitgaven wel moeten plaatsvinden, maar pas in 2025. De herstelactie betreft het aanpassen van de WIA-daglonen voor mensen met een loonloos tijdvak vanwege een WW-uitkering in de WIA-referteperiode. De totale som aan kasschuiven betreft een boeking op de Toeslagenwet en boekingen aan de IVA, WGA, en uitvoeringskosten.Overige kasschuivenDeze post betreft een kasschuif van 4 miljoen euro in 2024 naar 2025 om het kasritme op artikel 11 Uitvoeringskosten te corrigeren na veranderingen in uitvoeringstoetsen.Overboekingen met andere begrotingenOnder deze post vallen diverse overboekingen van en naar andere begrotingshoofdstukken, waaronder een overboeking van hoofdstuk 15 naar hoofdstuk 40 voor structureel 8 miljoen euro aan middelen voor de Sociale Verzekeringsbank.245Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 TechnischNominale ontwikkelingDe raming van de nominale ontwikkeling, oftewel de verwachte indexatie van de uitkeringsregelingen door loon- en prijsbijstelling, is geactualiseerd op basis van de recente economische raming van het CPB. De nominale ontwikkeling is opwaarts bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2024.28. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloon (nominaal effect)Op 16 april heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel voor de minimum loonsverhoging van 1,2% per 1 juli 2024 conform amendement Van der Lee (36410-XV-7) verworpen. Hiermee blijft een voorziene stijging van de uitgaven aan regelingen die gekoppeld zijn aan het Wml uit. Door de neerwaartse bijstelling van de uitgaven van de uitkeringsregelingen wordt ook de nominale ontwikkeling neerwaarts bijgesteld. Deze mutaties vinden plaats op de nominaalartikelen van de uitkeringsregelingen gekoppeld aan het Wml, waarvan 163 miljoen euro in 2029 op begrotingshoofdstuk Sociale Verzekeringen.28. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloonOp 16 april heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel voor de minimum loonsverhoging van 1,2% per 1 juli 2024 conform amendement Van der Lee (36410-XV-7) verworpen. Hiermee blijft een voorziene stijging van de uitgaven aan regelingen die gekoppeld zijn aan het Wml uit. Dit zorgt voor een neerwaartse bijstelling van de uitgaven van de uitkeringsregelingen op de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met in totaal 745 miljoen euro in 2029, waarvan 585 miljoen euro in 2029 op begrotings hoofdstuk Sociale Verzekeringen.Plafondcorrectie ZiektewetOp basis van uitvoeringsinformatie van UWV zijn de uitgaven aan de Ziektewet eigenrisicodragers naar beneden bijgesteld. Per saldo nemen de uitgaven af omdat het aantal zieke uitzendkrachten afneemt. Het uitgavenplafond wordt hiervoor naar beneden bijgesteld.WerkloosheidswetOp basis van uitvoeringsinformatie van UWV en de recente economische raming van het CPB zijn de uitgaven aan de Werkloosheidswet (WW) opwaarts bijgesteld. Op basis van uitvoeringsinformatie van het UWV zijn de WW-uitgaven in 2024 en toekomstige jaren naar boven bijgesteld vanwege een hoger dan verwachte instroom in de WW in 2024. De WW-uitgaven voor de komende jaren zijn daarentegen neerwaarts bijgesteld op basis van de recente economische raming van het CPB. Deze twee effecten samen leiden tot per saldo hogere uitgaven. Voor uitgaven aan de WW wordt het uitgavenplafond aangepast.Overig technischDeze post betreft enkele boekingen om het bedrag op het nominale prijsartikel te corrigeren.OntvangstenTechnischNominale ontwikkelingDe raming van de nominale ontwikkeling, oftewel de verwachte indexatie van de uitkeringsregelingen door loon- en prijsbijstelling, is geactualiseerd op basis van de recente economische raming van het CPB. De nominale ontwikkeling is opwaarts bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2024.246Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overig technischDeze post betreft een neerwaartse bijstelling van circa 5 miljoen euro van de ontvangsten van de WW op basis van de uitvoeringsinformatie. Voor ontvangsten van de WW wordt het uitgavenplafond aangepast.247Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Koppeling UitkeringenKOPPELING UITKERINGEN: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota1.8372.9544.1445.2846.3867.529Intensiveringen501191911912132. Bevriezen afbouw dubbele heffingskorting in de bijstand50119191191213Ombuigingen‒ 239‒ 262‒ 271‒ 27933. Niet indexeren kinderopvangtoeslag‒ 239‒ 262‒ 271‒ 279Technisch‒ 1.837‒ 1.693‒ 1.739‒ 1.776‒ 1.767‒ 1.805Toevoeging nominale ontwikkeling2233541046354055828. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloon (nominaal effect)‒ 4‒ 18‒ 24‒ 30‒ 36‒ 4328. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloon‒ 53‒ 122‒ 126‒ 130‒ 134‒ 137Verdelen nominale ontwikkeling‒ 1.802‒ 1.887‒ 2.000‒ 2.080‒ 2.137‒ 2.184Stand Miljoenennota01.3112.2863.4374.5395.658KOPPELING UITKERINGEN: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand VoorjaarsnotaTechnisch0418293847Technische aanpassing ramingsmethodiek Wet kindgebonden budget02742587182Toevoeging nominale ontwikkeling03344Verdelen nominale ontwikkeling0‒ 22‒ 28‒ 33‒ 37‒ 39Stand Miljoenennota0418293847UitgavenIntensiveringen2. Bevriezen afbouw dubbele heffingskorting in de bijstandMet deze maatregel uit het Hoofdlijnenakkoord wordt de afbouw van de dubbele algemene heffingskorting (AHK) in de berekening van het netto- referentieminimumloon van de bijstand in de jaren 2025 tot en met 2027 bevroren. Hierdoor is de dubbele AHK in deze berekening drie jaar later (in 2039) volledig afgebouwd tot één en treden er tot die tijd meerkosten op. Deze maatregel zorgt tijdelijk voor een verhoging van de bijstand en andere gerelateerde uitkeringen ten opzichte van het basispad.Ombuigingen33. Niet indexeren kinderopvangtoeslagIn het Hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de maximum uurprijzen van de kinderopvangtoeslag in 2026 voor één jaar niet worden geïndexeerd.248Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 TechnischToevoeging nominale ontwikkelingDe raming van de nominale ontwikkeling, oftewel de verwachte indexatie van de uitkeringsregelingen door loon- en prijsbijstelling, is geactualiseerd op basis van de recente economische raming van het CPB. De nominale ontwikkeling is opwaarts bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2024.Verdelen nominale ontwikkelingDe uitkeringshoogte van de begrotingsgefinancierde regelingen op de SZW-begroting wordt aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling. Dit betreft een overboeking van begrotingshoofdstuk Koppeling Uitkeringen naar de SZW-begroting. Via deze mutaties worden de begrotingsgefinan-cierde regelingen op de SZW-begroting overgezet naar prijspeil 2024.Technische aanpassing ramingsmethodiek Wet kindgebonden budgetDeze mutaties betreffen een technische wijziging van de nominaalra mingsmethodiek van de Wet kindgebonden budget (WKB). Het uitgavenplafond wordt eenmalig aangepast aan de nieuwe systematiek, waardoor jaarlijkse correcties niet meer nodig zijn.28. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloon (nominaal effect)Op 16 april heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel voor de minimum loonsverhoging van 1,2% per 1 juli 2024 conform amendement Van der Lee (36410-XV-7) verworpen. Hiermee blijft een voorziene stijging van de uitgaven aan regelingen die gekoppeld zijn aan het Wml uit. Door de neerwaartse bijstelling van de uitgaven van de uitkeringsregelingen wordt ook de nominale ontwikkeling neerwaarts bijgesteld. Deze mutaties vinden plaats op de nominaalartikelen van de uitkeringsregelingen gekoppeld aan het Wml, waarvan 43 miljoen euro in 2029 op begrotingshoofdstuk Koppeling Uitkeringen.28. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloonOp 16 april heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel voor de minimum loonsverhoging van 1,2% per 1 juli 2024 conform amendement Van der Lee (36410-XV-7) verworpen. Hiermee blijft een voorziene stijging van de uitgaven aan regelingen die gekoppeld zijn aan het Wml uit. Dit zorgt voor een neerwaartse bijstelling van de uitgaven van de uitkeringsregelingen op de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met in totaal 745 miljoen euro in 2029, waarvan 137 miljoen euro in 2029 op begrotings hoofdstuk Koppeling Uitkeringen.OntvangstenTechnischToevoeging nominale ontwikkelingDe raming van de nominale ontwikkeling, oftewel de verwachte indexatie van de uitkeringsregelingen door loon- en prijsbijstelling, is geactualiseerd op basis van de recente economische raming van het CPB. De nominale ontwikkeling is opwaarts bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2024.Verdelen nominale ontwikkelingDe uitkeringshoogte van de begrotingsgefinancierde regelingen op de SZW-begroting wordt aangepast aan de loon- en prijsontwikkeling. Dit betreft een overboeking van begrotingshoofdstuk Koppeling Uitkeringen naar de SZW-begroting. Via deze mutaties worden de begrotingsgefinan-cierde regelingen op de SZW-begroting overgezet naar prijspeil 2024.249Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Technische aanpassing ramingsmethodiek Wet kindgebonden budgetDeze mutaties betreffen een technische wijziging van de nominaalramings methodiek van de Wet kindgebonden budget (WKB). Met de overgang naar de nieuwe indexatiesystematiek wordt er ook nominaal geboekt over de ontvangsten.250Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 ZorgVolksgezondheid, Welzijn en SportXVI VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota37.27836.51937.98239.39341.65442.659Meevallers‒ 150‒ 6‒ 6‒ 4‒ 6‒ 6Wisselkoerseffect Caribisch NL‒ 4‒ 3‒ 3‒ 4‒ 6‒ 6Onderuitputting SPUK GGDen‒ 22Incidentele meevaller IOW‒ 38Overige meevallers‒ 86‒ 2‒ 3000Tegenvallers532211Afwikkeling LCH3210Overige tegenvallers2Hoger belvolume 11311111Intensiveringen16204225633526Voorraad kritieke geneesmiddelen98Gezondheidszorg BES-eilanden187555Initiatiefwet Suïcidepreventie516161616Standaardisatie gegevensuitwisseling1621963790Overige intensiveringen6206655Ombuigingen‒ 9‒ 145‒ 427‒ 621‒ 731‒ 83825. Terugdraaien intensivering zorgarbeidsmarktbeleid‒ 130‒ 130‒ 130‒ 13026. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid‒ 19‒ 33‒ 48‒ 63‒ 7029. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting‒ 75‒ 70‒ 66‒ 6331. Verlagen intensivering publieke gezondheid‒ 50‒ 50‒ 150‒ 200‒ 30040. Generieke taakstelling subsidies Rijksbreed‒ 53‒ 124‒ 176‒ 251‒ 252Overige ombuigingen‒ 9‒ 23‒ 15‒ 47‒ 22‒ 24Kasschuiven‒ 183644741248Zorgbonus‒ 1111Amendement post-covid-poliklinieken‒ 12‒ 315Vertraging juridische processen Covid‒ 3333Standaardisatie gegevensuitwisseling‒ 4163311Groninger Zorgakkoord‒ 472918Overige kasschuiven‒ 38‒ 121010238Overboekingen met andere begrotingen‒ 13‒ 40‒ 7092100119Amendement post-covid-poliklinieken‒ 12‒ 15Domeinoverstijgend samenwerken27Opleiden in de wijkverpleging6060606060Overheveling KIPZ naar Overig curatieve zorg‒ 119‒ 11931. Verlagen intensivering publieke gezondheid09273857Overige overboekingen met andere begrotingen‒ 133‒ 5431Plafondcorrecties‒ 1‒ 2‒ 2‒ 2‒ 2‒ 228. Terugdraaien verhoging wettelijk minimumloon‒ 1‒ 2‒ 2‒ 2‒ 2‒ 2Overige plafondcorrecties000000Prijsbijstelling00000251Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro202420252026202720282029Prijsbijstelling00000Eindejaarsmarge0Eindejaarsmarge0Technisch‒ 430‒ 11000Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen‒ 43‒ 43‒ 11000Invulling subsidietaakstelling430000Overig technisch000000Niet-plafondrelevant1.027‒ 947611.2611.5592.833Verwerking MLT 2025-2028986‒ 1387189441.2942.572Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsen434311000Envelop groepen in de knel1666645 t/m 47. Doorwerking maatregelen Zvw op zorgtoeslag‒ 67‒ 137‒ 1606a. Doorwerking verlagen eigen risico op zorgtoeslag3793974166b. Doorwerking bevriezen eigen risico op zorgtoeslag27Overig niet-plafondrelevant‒ 2Stand Miljoenennota37.92736.50238.50240.22442.63644.801XVI VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota263242205184188188Meevallers20Meevallers20Ombuigingen0‒ 3‒ 4‒ 4‒ 526. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid0‒ 1‒ 1‒ 2‒ 229. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting‒ 3‒ 3‒ 3‒ 3Technisch0430000Invulling subsidietaakstelling43Overig technisch000000Stand Miljoenennota283285201180183183UitgavenMeevallersWisselkoerseffect Caribisch NLDoor een gunstige ontwikkeling van de wisselkoers treedt een meevaller op bij de zorgkosten van Caribisch Nederland.Onderuitputting SPUK GGDenVoor de uitvoering van de najaarscampagne Covid-19 is er in 2024 minder budget nodig dan eerder voorzien. Hierdoor valt 22 miljoen euro vrij.Incidentele meevaller IOWHet opzetten van de vernieuwde opleidingsstructuren in het kader van het Investeringsakkoord Opleiden Wijkverpleging (IOW) heeft vertraging opgelopen, waardoor 37,5 miljoen euro vrijvalt.252Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overige meevallersEr valt in 2024 aanvullend nog 86 miljoen euro vrij. Er heeft in 2024 10,3 miljoen euro onderuitputting plaatsgevonden op de SPUK voor domeinoverstijgend samenwerken. De onderbesteding is voornamelijk ontstaan door beperkte capaciteit bij gemeenten en lokale partners voor de organisatie van domeinoverstijgende samenwerking. De in 2024 beschikbare middelen voor het stimuleren van het beschikbaar houden van logistiek voor het opschalen IC-capaciteit vallen vrij door vertraging in de uitwerking van beleidsplannen (9 miljoen euro). Verder betreft dit onder andere vrijval van 6,9 miljoen euro aan niet bestede middelen voor passende zorg, vrijval van 5,6 miljoen euro voor uitkomstgerichte zorg, een meevaller van 5,3 miljoen euro bij de vaststelling van de bijdrage in 2023 aan het Centrum Indicatiestelling Zorg, vrijval van 5 miljoen euro bij de Stimuleringsregeling Technologie in Ondersteuning en Zorg (STOZ) en een vrijval van 5 miljoen euro voor gegevensuitwisseling.TegenvallersAfwikkeling LCHDe afwikkeling van de organisatie van het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH) leidt tot transitiekosten (6 miljoen euro in de meerjarenperiode).Hoger belvolume 113Een hoger verwacht belvolume naar het nummer 113 leidt tot structureel 1,4 miljoen euro aan hogere uitgaven in verband met meer benodigde capaciteit bij stichting 113.Overige tegenvallersEr treden nog twee tegenvallers op in 2024, namelijk hogere kosten door de opgetreden vertraging bij de transitie naar het subsidieplatform van DUS-i (0,9 miljoen euro) en de lagere inkomsten van de Landelijke Commissie Sociale Hygiëne (LCSH) door tegenvallende aantallen registraties (0,8 miljoen euro).IntensiveringenVoorraad kritieke geneesmiddelenHet kabinet ziet af van deelname aan een tweede IPCEI gericht op de zorg en zet de gereserveerde middelen in voor het aanleggen van een voorraad van enkele kritieke geneesmiddelen.Gezondheidszorg BES-eilandenEr worden middelen vrijgemaakt voor het wegwerken van wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg (0,3 miljoen euro) en het wegwerken van wachtlijsten en achterstanden in de ouderenzorg (4,8 miljoen euro).Initiatiefwet SuïcidepreventieEr wordt structureel 16 miljoen euro vrij gemaakt voor hogere kosten die gepaard met de invoering van de initiatiefwet integrale suïcidepreventie per 1 juli 2025.Standaardisatie gegevensuitwisselingDe gereserveerde middelen voor het bevorderen van gegevensuitwisseling in de zorg worden deels overgeheveld naar de VWS-begroting. Het gaat om middelen voor de uitvoering van uitgewerkte beleidsvoornemens voor de basisinfrastructuur voor gegevensuitwisseling, waaronder het landelijk dekkend netwerk en generieke functies voor gegevensuitwisseling (238 miljoen euro), het persoonlijk gezondheidsoverzicht (105 miljoen euro), 253Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 het voldoen aan de eisen van de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens (38 miljoen euro), gegevensuitwisseling in Caribisch Nederland (11 miljoen euro) en gegevensbeveiliging (12 miljoen euro).Overige intensiveringenEr vinden diverse overige intensiveringen plaats op de VWS-begroting. Voor het RIVM vaccinatieprogramma wordt 10 miljoen euro overgeheveld van de aanvullende post naar de VWS-begroting. Daarnaast wordt 2 miljoen euro voor Zorgevaluatie en Gepast Gebruik (ZE&GG) structureel toegevoegd aan het budget voor ZonMw. De subsidie aan Bijwerkingencentrum Lareb voor Moeders van Morgen (MvM) en Lareb Intensieve monitoring (LIM) wordt structureel opgehoogd na een succesvolle pilot (333 duizend euro). Daarnaast worden er middelen vrijgemaakt voor het opzetten van een tijdelijke integriteitscommissie (1,4 miljoen euro) en voor hogere bouwkosten in 2024 van het project Pallas (4,7 miljoen euro). Daarnaast worden er ten behoeve van een online platform mentale gezondheid voor jongvolwassenen extra middelen beschikbaar gesteld voor een periode van 3 jaar vanaf 2025. De intensivering bedraagt 1 miljoen euro per jaar.Ombuigingen25. Terugdraaien intensivering zorgarbeidsmarktbeleidIn het hoofdlijnakkoord is de intensivering van het zorgarbeidsmarktbeleid teruggedraaid.26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt omgebogen op het apparaat van de Rijksoverheid.29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkortingIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent. De 10 procent budgetkorting is reeds ingeboekt op de departementale begroting.31. Verlagen intensivering publieke gezondheidIn het hoofdlijnenakkoord is de intensivering in publieke gezondheid structureel verlaagd met 300 miljoen euro.40. Generieke taakstelling subsidies RijksbreedIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat Rijksbreed wordt omgebogen op subsidies.Overige ombuigingenEr wordt op meerdere manieren budget vrijgemaakt voor de gedane intensiveringen. Hierbij gaat het onder andere om het doorvoeren van een budgetkorting op diverse artikelen (-10 miljoen euro structureel), het gedeeltelijk inhouden van de loon- en prijsbijstelling op artikel 1 (-8,5 miljoen euro structureel) en het inzetten van resterende LPO-middelen op artikel 11 (-42 miljoen euro).KasschuivenZorgbonusEr heeft vertraging plaatsgevonden in het besluit en uitvoering van de zorgbonus PGB. Dit is mede ontstaan vanwege juridische afwegingen over de privacy. De zorgbonus zal in 2025 tot besteding komen, waarvoor een kasschuif benodigd is van 11,4 miljoen euro.254Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Amendement post-covid-polikliniekenDe middelen op grond van het aangenomen amendement Bushoff c.s. betreffende post-COVID-klinieken worden in afwachting van de uitwerking overgeheveld naar de premiegefinancierde zorguitgaven en doorgeschoven naar 2026 (15 miljoen euro).Vertraging juridische processen CovidUit de covid tijd resteren nog een aantal juridische processen. Door vertraging van juridische processen komen deze middelen niet tot besteding in 2024. Hierdoor valt 33 miljoen euro generaal vrij. Deze middelen worden in 2025 opnieuw generaal beschikbaar gesteld.Standaardisatie gegevensuitwisselingDe beschikbare middelen voor het stimuleren van gegevensuitwisseling in de zorg worden verplaatst om aan te sluiten bij de actuele voorgenomen invulling van de beleidsvoornemens.Groninger ZorgakkoordHet Groninger Zorgakkoord is een convenant tussen verschillende partijen die de toekomst van de zorg in het aardbevingsgebied willen verbeteren. Een afspraak uit dit convenant is dat ca. 20 zorggebouwen niet aardbevingsbestendig zijn en herbouwd moeten worden naar ca. 9 aardbevings- én toekomstbestendige zorglocaties. De planning van dit traject is nog in ontwikkeling. Naar verwachting zal een groot deel van de herbouwing in toekomstige jaren gerealiseerd moeten, waardoor de gereserveerde middelen worden geschoven naar latere jaren.Overige kasschuivenVoor het aanleggen van de voorraad kritieke geneesmiddelen wordt twee miljoen euro van 2025 naar 2024 gehaald. Daarnaast wordt er voor diverse posten middelen naar latere jaren geschoven. De toegekende middelen uit het Nationaal Groeifonds voor het project Dutch worden vooruitlopend op de subsidietoekenning in lijn gebracht met het verwachte uitgavenritme (24 miljoen euro naar latere jaren). Daarnaast gaat het onder andere om een kasschuif voor de stimuleringsregeling zorggeschikte woningen (14,8 miljoen euro naar 2028), voor Passende Zorg (7,4 miljoen euro naar 2025), voor de organisatiegraad farmaceutische zorg (2 miljoen euro uit 2024 naar 2025 en 2026), voor de stimuleringsregeling Wonen en Zorg (7,3 miljoen euro verdeeld over latere jaren) en voor het amendement Drost (4,4 miljoen euro van 2024 naar 2025).Overboekingen met andere begrotingenAmendement post-covid-polikliniekenDe middelen op grond van het aangenomen amendement Bushoff c.s. betreffende post-COVID-klinieken worden in afwachting van de uitwerking overgeheveld naar de premiegefinancierde zorguitgaven en doorgeschoven naar 2025 en 2026 (12 en 15 miljoen euro).Domeinoverstijgend samenwerkenDe wettelijke basis voor het uitkeren van de middelen voor domeinoverstijgend samenwerken (DOS) via het Wlz-kader is nog niet gereed. De middelen voor DOS zullen daarom in 2025 wederom via een SPUK worden uitgegeven. Hiervoor vindt een overheveling plaats van het Wlz-kader naar de begroting van VWS.255Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Opleiden in de wijkverplegingEr wordt met ingang van 2025 structureel 60 miljoen euro overgeheveld naar de VWS-begroting ten behoeve van een nieuwe subsidieregeling gericht op de werkgeverskosten opleiden in de wijkverpleging. Daarmee wordt beoogd om de vernieuwde opleidingsstructuur in de wijkverpleging – die een impuls krijgt via de incidentele IOW-middelen 2023-2026 - structureel te bestendigen.Overheveling KIPZ naar Overig curatieve zorgDe huidige subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Personeel Ziekenhuizen wordt om rechtmatigheidsredenen niet voortgezet. De middelen blijven beschikbaar voor opleiden in de medisch specialistische zorg. Er is nu een besluit om de middelen tijdelijk deels beschikbaar te stellen via een nog te publiceren subsidieregeling strategisch opleiden medisch specialistische zorg. Om verder uitvoering te geven aan de IZA afspraak om de middelen beschikbaar te houden voor de MSZ-sector, is afgesproken om het resterende deel van de middelen (119,5 miljoen) voor 2025 en 2026 over te hevelen naar de premiegefinacierde zorguitgaven. Zorgverzekeraars hebben afgesproken om deze middelen in een fonds voor opleidingen in de MSZ te plaatsen.31. Verlagen intensivering publieke gezondheidMet de HLA maatregel «Verlagen intensivering Publieke Gezondheid» worden de middelen voor Pandemische Paraatheid afgeboekt. Een deel van deze middelen waren overgeheveld naar de premiegefinancierde zorguitgaven en worden met deze overboeking teruggeboekt naar de VWS-begroting om daar afgeboekt te worden.Overige overboekingen met andere begrotingenEr zijn meerdere overboekingen uitgevoerd met andere begrotingen, waaronder de overboeking van middelen voor de subsidieregeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA) (10 miljoen euro in 2024), de verhoging van het uitvoeringsbudget Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) met structureel 1,4 miljoen euro en de afdracht aan het BTW compensatie fonds voor de brede specifieke uitkering Gezond en Actief Leven Akkoord (7 miljoen euro in 2024 t/m 2026).PlafondcorrectiesEr zijn diverse plafondcorrecties uitgevoerd om het deelplafond zorg af te schaffen.PrijsbijstellingDit betreft een technische correctie.EindejaarsmargeDit betreft een technische correctie.TechnischOekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant geboekt.256Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Invulling subsidietaakstellingDe subsidietaakstelling is voor 2025 ingevuld met een taakstellende onderuitputting van 10 miljoen euro en een ophoging van de ontvangstenraming met 43,3 miljoen euro. De subsidietaakstelling vanaf 2026 is voorlopig verwerkt op de subsidiebudgetten op de VWS-begroting. De concrete invulling van de subsidietaakstelling vanaf 2026 wordt middels een Nota van Wijziging op de Ontwerpbegroting 2025 voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van VWS voorgelegd.Overig technischEr zijn technische mutaties doorgevoerd waaronder het herschikken van de budgetten als gevolg van het inboeken van de structurele onderuitputting in het voorjaar en de doorverdeling van de loon-en prijsbijstelling.Niet-plafondrelevantVerwerking MLT 2025-2028De Rijksbijdrage 18-, de Bijdrage in de kosten van kortingen (BIKK), de Bijdrage Wlz en de Zorgtoeslag worden bijgesteld op basis van de meest recente Middellangetermijnraming 2025-2028 van het CPB.Oekraïne budgetten buiten het uitgavenkader plaatsenIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de uitgaven aan militaire en humanitaire steun aan Oekraïne en de binnenlandse opvang van vluchtelingen uit Oekraïne in Nederland niet onder het uitgavenkader vallen. De uitgaven aan deze onderwerpen worden om die reden niet-plafondrelevant.Envelop groepen in de knelVanuit de envelop groepen in de knel worden drie maatregelen genomen die effect hebben op de zorgtoeslag. Het gaat hierbij om «aanpassen toeslagpartnerbegrip: oplossing voor achterblijvers noodgedwongen elders verblijvende partner», «Niet meer met terugwerkende kracht vaststellen van grondslagen toeslagen op basis van verblijfstitel en recht kinderbijslag» en «Verlengen aanvraagtermijn toeslagen». De drie maatregelen zorgen voor een stijging van de zorgtoeslag uitgaven.45 t/m 47. Doorwerking maatregelen Zvw op zorgtoeslagDe maatregelen uit het hoofdlijnenakkoord die effect hebben op de Zvw (voortbouwen hoofdlijnenakkoord curatieve zorg, onafhankelijke indicatiestelling ongecontracteerde wijkverpleging, versnellen opschalen digitale zorg wijkverpleging) werken door op de hoogte van de Zorgtoeslag.6a. Doorwerking verlagen eigen risico op zorgtoeslagDe maatregel uit het hoofdlijnenakkoord om het eigen risico te verlagen per 2027 werkt door op de hoogte van de Zorgtoeslag.6b. Doorwerking bevriezen eigen risico op zorgtoeslagDe maatregel uit het hoofdlijnenakkoord om het eigen risico te bevriezen in 2026 werkt door op de hoogte van de Zorgtoeslag.Overig niet-plafondrelevantDit betreft een vrijval van middelen bedoeld voor Oekraïense medische evacuees van 2,1 miljoen euro.257Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 OntvangstenMeevallersDe VIPP Regeling Inzicht was een subsidieregeling (2019-2023) en had als doel om veilige en eenduidige elektronische gegevensuitwisseling te versnellen, zodat verpleegkundigen de verpleegkundige overdracht gestandaardiseerd en elektronisch plaats kunnen laten vinden. De vaststellingen van de individuele subsidies zijn lager uitgevallen dan de verleende subsidies. Dit leidt tot een ontvangstenmeevaller van 9,3 miljoen euro. Daarnaast zijn er diverse ontvangsten als gevolg van afgeronde covid dossiers (5,4 miljoen euro) en ontvangsten na vaststelling van de bijdrage aan het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) (5,3 miljoen euro).Ombuigingen26. Terugdraaien groei apparaat RijksoverheidIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat wordt omgebogen op het apparaat van de Rijksoverheid. De ontvangsten worden daardoor ook omlaag bijgesteld.29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkortingIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken dat de specifieke uitkeringen worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent. De 10 procent budgetkorting is al ingeboekt op de departementale begroting. De ontvangsten worden daardoor ook omlaag bijgesteld.TechnischInvulling subsidietaakstellingDe subsidietaakstelling is voor 2025 ingevuld met een taakstellende onderuitputting van 10 miljoen euro en een ophoging van de ontvangstenraming met 43,3 miljoen euro.Overig technischTwee ontvangstbudgetten zijn administratief samengevoegd.258Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 ZorgZORG: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota100.405105.126111.146117.076123.327129.732Meevallers‒ 1.333‒ 988‒ 703‒ 478‒ 481‒ 481Actualisatie Medisch-specialistische zorg (IZA)‒ 294Actualisatie Wijkverpleging (IZA)‒ 1.031‒ 971‒ 703‒ 478‒ 481‒ 462Overige meevallers‒ 7‒ 17‒ 20Tegenvallers550605605396396396Actualisatie GGZ en Multidisciplinaire zorg (IZA)209209209Actualisatie huisartsenzorg (IZA)169Actualisatie Wlz (binnen contracteerruimte)84333333333333333Actualisatie niet-IZA sectoren724949494949Actualisatie Wlz (buiten contracteerruimte)171414141414Spraakcomputers Wlz11111Intensiveringen151.0262452.1632.2632.363Besparingsverlies aanpassing Wet Geneesmiddelenprijzen155858585858Besparingsverlies Behandeling Wlz170Besparingsverlies Doorontwikkeling kwaliteitskader Wlz200Besparingsverlies Meerjarig contracteren Wlz245Besparingsverlies Trancheren eigen risico318Overheveling groeiruimte Wmo55555Verminderen wachtlijsten GGZ30306a. Verlaging eigen riscio van 385 euro naar meer dan halveren2.1002.2002.3006b. Huidig eigen risico van 385 euro bevriezen in 2025 en 2026152Ombuigingen‒ 3‒ 3‒ 416‒ 871‒ 1.000Dekking derving eigen risico GGZ‒ 3‒ 3‒ 1‒ 1‒ 145. Voortbouwen hoofdlijnenakkoord curatieve zorg‒ 250‒ 590‒ 59046. Onafhankelijke indicatiestelling ongecontracteerde wijkverpleging‒ 85‒ 85‒ 8547. Versnellen opschalen digitale zorg in de wijkverpleging‒ 35‒ 85‒ 14248. Versnelling opschaling digitale zorg in de Wet langdurige zorg‒ 45‒ 110‒ 183Kasschuiven‒ 400‒ 400‒ 100300600Transformatiemiddelen IZA‒ 400‒ 400‒ 100300600Overboekingen Aanvullende Post‒ 300‒ 600Transformatiemiddelen IZA‒ 300‒ 600Overboekingen met andere begrotingen63051‒ 102‒ 112‒ 131Bekostiging post-covid1215Opleiden in de wijkverpleging‒ 60‒ 60‒ 60‒ 60‒ 60Overheveling KIPZ naar Overig curatieve zorg119119Overige overboekingen met andere begrotingen6‒ 41‒ 23‒ 42‒ 52‒ 71Plafondcorrecties1.2161.3421.1761.4622.529Loon- en prijsbijstelling‒ 6‒ 186161702Verwerking MLT 2025-20281.2221.3601.1161.4011.828259Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro202420252026202720282029Technisch000000Actualisatie (binnen contracteerruitme)‒ 12‒ 12‒ 12‒ 12‒ 12Overig technisch01212121212Stand Miljoenennota99.244106.611112.582119.816125.985133.408ZORG: ONTVANGSTENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota5.7275.7976.1726.4276.7056.983Meevallers81714161616Actualisatie Eigen bijdrage Wlz888888Doorwerking besluitvorming op eigen risico96888Tegenvallers‒ 17‒ 34‒ 36‒ 37Tegenvaller eigen bijdrage CVO/EVV‒ 2‒ 3‒ 3‒ 3Terugdraaien verhoging wettelijk minimum loon‒ 15‒ 32‒ 33‒ 34Intensiveringen115‒ 113‒ 2.007‒ 2.146‒ 2.288Besparingsverlies Trancheren eigen risico118Derving eigen risico GGZ‒ 3‒ 3‒ 1‒ 1‒ 16a. Verlaging eigen riscio van 385 euro naar meer dan halveren‒ 2.006‒ 2.145‒ 2.2876b. Huidig eigen risico van 385 euro bevriezen in 2025 en 2026‒ 110Plafondcorrecties02353739Verwerking MLT 2025-202802353739Technisch000000Technisch000000Stand Miljoenennota5.7355.9306.0584.4374.5754.712UitgavenMeevallersActualisatie Medisch-specialistische zorg (IZA)De uitgavenraming voor de medisch-specialistische zorg wordt incidenteel geactualiseerd in 2024 op basis van de tweede kwartaalrapportage 2024 van het Zorginstituut (294 miljoen euro).Actualisatie wijkverpleging (IZA)De uitgavenraming in de wijkverpleging wordt geactualiseerd op basis van de tweede kwartaalrapportage 2024 van het Zorginstituut. De onderschrijding wordt in 2024 volledig verwerkt (1 miljard euro). In latere jaren vindt een gedeeltelijke bijstelling plaats.Overige meevallersVoor de mogelijke vergoeding van paramedische herstelzorg bij post-COVID was in 2025 10 miljoen euro gereserveerd. Omdat het Zorginstituut geadviseerd heeft om herstelzorg niet op te nemen in het basispakket, vallen de gereserveerde middelen vrij. Verder is er door een fout in de 260Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 extrapolatie van de begrotingsstanden van 2028 naar 2029 een teveel aan middelen voor pandemische paraatheid in de Wlz beschikbaar gekomen (20 miljoen euro), welke vrijvallen. Daarnaast is de wettelijke basis om domein-overstijgende samenwerking te faciliteren binnen het Wlz-kader nog niet gereed. Hierdoor valt een deel van de middelen voor het wetsvoorstel domein-overstijgende samenwerking (DOS) vrij in 2025 (7 miljoen euro).TegenvallersActualisatie GGZ en MDZ (IZA)Op basis van de tweede kwartaalrapportage van het Zorginstituut is besloten om de uitgavenramingen voor de kaders GGZ (202 miljoen euro) en Multidisciplinaire zorgverlening (7 miljoen euro) voor de resterende IZA periode te actualiseren voor de jaren 2024 tot en met 2026.Actualisatie huisartsenzorg (IZA)De uitgavenraming voor de huisartsenzorg wordt incidenteel geactualiseerd in 2024 op basis van de tweede kwartaalrapportage 2024 van het Zorginstituut (169 miljoen euro).Actualisatie Wlz (binnen contracteerruimte)Op basis van de julibrief van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) over de benutting van het Wlz-kader wordt de uitgavenraming bijgesteld. Daarnaast heeft de NZa in de afgelopen periode binnen de Wlz een kostprijsonderzoek uitgevoerd in de gehandicaptenzorg. Dit beide heeft geresulteerd in een opwaartse bijstelling van structureel 333 miljoen euro.Actualisatie niet-IZA sectorenDe uitgavenraming voor de verschillende zorgsectoren buiten het IZA wordt verwerkt op basis van de tweede kwartaalrapportage 2024 van het Zorginstituut. Dit leidt per saldo tot een bijstelling van 72,6 miljoen euro in 2024 en 48,8 miljoen euro structureel.Spraakcomputers WlzDit betreft een tegenvaller vanwege de toename van de kosten van spraakcomputers. Conform NZa-advies over de bekostiging van spraakcomputers worden deze boven budgettair vergoed vanaf 2025.IntensiveringenBesparingsverlies aanpassing Wet GeneesmiddelenprijzenBij Voorjaarsnota 2024 is een besparing van 165,5 miljoen euro verwerkt voor een aanpassing van de tijdelijke beleidsregel van de Wet Geneesmiddelenprijzen. Deze besparing wordt bijgesteld met 58,4 miljoen euro op basis van nadere inzichten over het effect voor de medisch-specialistische zorg.Besparingsverlies behandeling WlzIn het coalitieakkoord Rutte IV is besloten om behandeling en geneesmiddelen uit de Wet langdurige zorg (Wlz) over te hevelen naar de Zorgverzekeringswet (Zvw). Een overheveling is echter op korte termijn niet haalbaar gebleken. De Kamer heeft de maatregel in het voorjaar 2024 controversieel verklaard. Het is in 2025 niet meer mogelijk om de besparing te realiseren. Dit leidt tot een besparingsverlies van 170 miljoen euro in 2025.261Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Besparingsverlies Doorontwikkeling kwaliteitskader WlzOnder de regie van het Zorginstituut vindt de doorontwikkeling van het kwaliteitskader verpleeghuiszorg plaats. Het beleidskompas staat sinds 1 juli 2024 ingeschreven. De Kamer heeft de corresponderende maatregel in het voorjaar 2024 controversieel verklaard. Het is in 2025 niet meer mogelijk om de besparing te realiseren. Dit leidt tot een besparingsverlies van 200 miljoen euro in 2025.Besparingsverlies Meerjarig contracteren WlzMeerjarige financiering biedt zorgaanbieders meer financiële zekerheid, waardoor ze gemakkelijker investeringen of innovaties door kunnen voeren. Het wetsvoorstel domeinoverstijgende samenwerking regelt de wettelijke basis voor meerjarig contracteren. Dit wetsvoorstel is momenteel in behandeling bij de Tweede Kamer. De Kamer heeft de maatregel in het voorjaar controversieel verklaard. Het is in 2025 niet meer mogelijk om de besparing te realiseren. Dit leidt tot een besparingsverlies van 245 miljoen euro in 2025.Besparingsverlies Trancheren eigen risicoIn het coalitieakkoord Rutte IV is besloten om per 2025 het eigen risico in de medisch-specialistische zorg te trancheren op maximaal 150 euro per behandeling. De Kamer heeft de maatregel in het voorjaar 2024 controversieel verklaard. Hierdoor is invoering per 2025 niet mogelijk, waardoor er per saldo een besparingsverlies ontstaat van 200 miljoen euro. De ontvangsten stijgen met 118 miljoen euro, maar door het lagere remgeldeffect stijgen de zorguitgaven met 318 miljoen euro. Overheveling groeiruimte WmoOp basis van de beschikbare uitvoeringsinformatie wordt de groeiruimte voor de Wmo Beschermd Wonen met structureel 5 miljoen euro opwaarts bijgesteldVerminderen wachtlijsten GGZDe IZA-afspraken met betrekking tot het verminderen van de wachtlijsten GGZ worden in 2025 en 2026 gecontinueerd. Het GGZ-kader wordt hiervoor in deze jaren met 30 miljoen euro opgehoogd.6a. Verlaging eigen risco van 385 euro naar meer dan halverenIn het hoofdlijnenakkoord is besloten het verplicht eigen risico in de Zvw per 1 januari 2027 te verlagen naar 165 euro en het eigen risico te trancheren op 50 euro voor de medisch-specialistische zorg. Deze maatregelen leiden per saldo ertoe dat de zorgvraag stijgt ten opzichte van de eerdere situatie. Hierdoor stijgen de zorguitgaven met 2,1 miljard euro in 2027 tot 2,3 miljard euro in 2029.6b. Huidig eigen risico van 385 euro bevriezen in 2025 en 2026In het hoofdlijnenakkoord is besloten de hoogte van het verplicht eigen risico in de Zvw ook in 2026 te bevriezen op 385 euro. Deze bevriezing leidt ten opzichte van de eerdere situatie van indexering tot een grotere vraag naar zorg. Hierdoor stijgen de zorguitgaven in 2026 met 152 miljoen euro.OmbuigingenDekking derving eigen risico GGZVanuit beschikbare middelen voor beleid rondom verwarde personen wordt de derving van de opbrengst van het eigen risico als gevolg van de bekostiging van het verkennend gesprek in de GGZ gedekt.262Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 45. Voortbouwen hoofdlijnenakkoord curatieve zorgOp dit moment is reeds een zorgakkoord tot en met 2026 afgesloten. Er wordt ingezet op het voortzetten van dit akkoord voor de jaren tot en met 2028. Daarbij volgt, conform het hoofdlijnenakkoord, een structurele besparing van 590 miljoen euro, waarbij de volumegroei gelijk is aan het laatste jaar van het huidige IZA.46. Onafhankelijke indicatiestelling ongecontracteerde wijkverplegingDit betreft de maatregel uit het hoofdlijnenakkoord om per 2027 onafhankelijke indicatiestelling te introduceren in de ongecontracteerde wijkverpleging. Deze maatregel moet vanaf 2027 structureel 85 miljoen euro opleveren.47. Versnellen opschalen digitale zorg in de wijkverplegingDeze maatregel uit het hoofdlijnenakkoord richt zich op de implementatie en opschaling van bestaande digitale zorgtoepassingen in de wijkverpleging. Dit moet in 2027 een netto besparing opleveren van 35 miljoen euro, oplopend tot 142 miljoen euro in 2029. De structurele besparing bedraagt 210 miljoen euro. In 2027 t/m 2030 wordt ten behoeve van deze maatregel jaarlijks 17,7 miljoen euro aan transitiemiddelen beschikbaar gesteld.48. Versnelling opschaling digitale zorg in de Wet langdurige zorgDeze maatregel uit het hoofdlijnenakkoord richt zich op de implementatie en opschaling van bestaande digitale zorgtoepassingen in de verpleegzorg en de gehandicaptenzorg in de Wlz. Dit moet in 2027 een netto besparing opleveren van 45 miljoen euro, oplopend tot 142 miljoen euro in 2029. De structurele besparing bedraagt 270 miljoen euro. In 2027 t/m 2030 wordt ten behoeve van deze maatregel jaarlijks 22,8 miljoen euro aan transitiemiddelen beschikbaar gesteld.KasschuivenTransformatiemiddelen IZAOp basis van een actuele raming wordt het kasritme van de IZA-transformatiemiddelen aangepast. In afwachting van het verlengen van het IZA worden de transformatiemiddelen voor 2027 en 2028 op de Aanvullende Post geplaatst.Overboekingen Aanvullende PostTransformatiemiddelen IZADe naar 2027 en 2028 geschoven transformatiemiddelen worden in afwachting van het verlengen van het IZA op de Aanvullende Post geplaatst.Overboekingen met andere begrotingenBekostiging post-covidDe middelen op grond van het aangenomen amendement Bushoff c.s. betreffende post-COVID-klinieken worden in afwachting van de uitwerking overgeheveld naar de premiegefinancierde zorguitgaven en doorgeschoven naar 2025 en 2026 (12 en 15 miljoen euro).Opleiden in de wijkverplegingEr wordt met ingang van 2025 structureel 60 miljoen euro overgeheveld naar de VWS-begroting ten behoeve van een nieuwe subsidieregeling gericht op de werkgeverskosten opleiden in de wijkverpleging. Daarmee 263Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 wordt beoogd om de vernieuwde opleidingsstructuur in de wijkverpleging – die een impuls krijgt via de incidentele IOW-middelen 2023-2026 - structureel te bestendigen.Overheveling KIPZ naar Overig curatieve zorgDe huidige subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Personeel Ziekenhuizen wordt om rechtmatigheidsredenen niet voortgezet. De middelen blijven beschikbaar voor opleiden in de medisch specialistische zorg. Er is nu een besluit om de middelen tijdelijk deels beschikbaar te stellen via een nog te publiceren subsidieregeling strategisch opleiden medisch specialistische zorg. Om verder uitvoering te geven aan de IZA afspraak om de middelen beschikbaar te houden voor de MSZ-sector, is afgesproken om het resterende deel van de middelen (119,5 miljoen) voor 2025 en 2026 over te hevelen naar de premiegefinancierde zorguitgaven. Zorgverzekeraars hebben afgesproken om deze middelen in een fonds voor opleidingen in de MSZ te plaatsen.Overige overboekingen met andere begrotingenDit betreft de overheveling van de groeiruimte Wmo naar het Gemeentefonds (14 miljoen euro structureel). Daarnaast vinden er diverse overhevelingen plaats tussen de begrotings- en premiegefinancierde uitgaven. Dit betreft onder meer een overheveling naar de VWS-begroting om in 2025 de uitgaven voor het wetsvoorstel domeinoverstijgende samenwerking (DOS) via een SPUK te laten plaatsvinden.PlafondcorrectiesLoon- en prijsbijstellingVoor de Zvw, Wlz en de Wmo is de nog onverdeelde loon- en prijsbijstelling gereserveerd op nominaal en onverdeeld geactualiseerd. Deze actualisatie vindt plaats op basis van de nieuwe grondslagen die volgen na de budgettaire verwerking van de maatregelen uit het hoofdlijnenakkoord.Verwerking MLT 2025-2028De loon- en prijsontwikkeling en de volumegroei in de Zvw, Wlz en de Wmo worden bijgesteld op basis van de meest recente Middellangetermijnraming 2025-2028 van het CPB.TechnischTechnischEr zijn enkele budget neutrale schuiven verwerkt, waaronder de uitdeling van de groeiruimte tranche 2025 en de overzetting van de premiegefinan-cierde uitgaven van het oorspronkelijke deelkader Zorg naar het uitgavenkader Rijksbegroting. OntvangstenMeevallersActualisatie Eigen bijdrage WlzDit betreft een actualisatie van de eigen bijdragen in de Wlz. Het betreft een reguliere bijstelling op basis van de tweede kwartaalrapportage 2024 van het Zorginstituut.Doorwerking besluitvorming op eigen risicoDe raming van de ontvangsten aan eigen risico is geactualiseerd na afloop van de besluitvorming over de uitgaven in de Zvw.264Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 TegenvallersTegenvaller eigen bijdrage CVO/EVVIn de voorjaarsnota 2024 is besloten om de compensatie vervallen ouderentoeslag (CVO) af te schaffen. De opbrengsten hiervan waren geraamd o.b.v. data uit 2019. Het CAK heeft opnieuw berekend wat de effecten van de afschaffing op de eigen bijdrage Wlz zal zijn. Dit leidt tot een tegenvaller.Terugdraaien verhoging wettelijk minimum loonDe doorwerking van de voorgenomen verhoging van het Wettelijk Minimum Loon (WML) op de eigen bijdrage in de Wlz is in de eerste suppletoire begroting verwerkt. Sindsdien heeft de Eerste Kamer besloten om niet in te stemmen met de 1,2%-verhoging van het WML. Hierdoor ontstaat een tegenvaller op de eigen bijdrage Wlz.Besparingsverlies trancheren eigen risicoIn het coalitieakkoord Rutte IV is besloten om per 2025 het eigen risico in de medisch-specialistische zorg te trancheren op maximaal 150 euro per behandeling. De Kamer heeft de maatregel in het voorjaar controversieel verklaard. Hierdoor is invoering per 2025 niet mogelijk, waardoor er per saldo een besparingsverlies ontstaat van 200 miljoen euro. De ontvangsten stijgen met 118 miljoen euro, maar door het lagere remgeldeffect stijgen de zorguitgaven met 318 miljoen euro.Derving eigen risico GGZIn lijn met de afspraken uit het IZA geldt geen eigen risico voor de inzet van een ggz-professional in het verkennend gesprek. Dit leidt tot een derving van de opbrengst van het eigen risico van structureel 1,3 miljoen euro.Intensiveringen6a. Verlaging eigen riscio van 385 euro naar meer dan halverenIn het hoofdlijnenakkoord is besloten het verplicht eigen risico in de Zvw per 1 januari 2027 te verlagen naar 165 euro en het eigen risico te trancheren op 50 euro voor de medisch-specialistische zorg. Dit leidt tot lagere ontvangsten aan eigen risico. De ontvangsten dalen in 2027 met 2 miljard euro tot 2,3 miljard euro structureel in 2029.6b. Huidig eigen risico van 385 euro bevriezen in 2025 en 2026In het Hoofdlijnenakkoord is besloten de hoogte van het verplicht eigen risico in de Zvw ook in 2026 te bevriezen op 385 euro. Als gevolg van deze bevriezing dalen de ontvangsten aan eigen risico in 2026 met 110 miljoen euro.PlafondcorrectiesVerwerking MLT 2025-2028De ontwikkeling van het eigen risico in de Zvw en de eigen betalingen in de Wlz worden bijgesteld op basis van de meest recente Middellangetermijnraming 2025-2028 van het CPB.TechnischMet de afschaffing van de deelkaders zijn alle premiegefinancierde uitgaven overgeboekt van het oorspronkelijke deelkader Zorg naar het uitgavenkader Rijksbegroting. Dit is budget neutraal.265Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Gemeentefonds en Provinciefonds (inclusief accres)GemeentefondsGEMEENTEFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota43.33942.90439.88639.71739.51539.434Intensiveringen50051151151162. Vervallen besparing jeugdzorg500511511511Kasschuiven‒ 44Kasschuiven‒ 44Overboekingen met andere begrotingen4931.9821.8591.7831.7711.771Ruimte onder plafond BCF447Alleenverdieners23Accres tranche 20251.8841.7651.7581.7511.751Overige overboekingen met andere begrotingen249994252021Plafondcorrecties1010‒ 9‒ 9‒ 9‒ 9Plafondcorrecties1010‒ 9‒ 9‒ 9‒ 9Technisch000000Technisch000000Stand Miljoenennota43.83744.89642.23642.00641.78841.707UitgavenIntensiveringen62. Vervallen besparing jeugdzorgIn het hoofdlijnenakkoord is de besparing van structureel 511 miljoen euro op jeugdzorg teruggedraaid. De 511 miljoen euro is structureel vanaf 2026 aan de begroting van het gemeentefonds toegevoegd. Deze taakstelling was in mindering gebracht op de aanvullende middelen van de hervormingsagenda jeugdzorg. De resterende middelen van de Hervormingsagenda jeugd staan vanaf 2026 nog op de Aanvullende Post bij het ministerie van Financiën.KasschuivenDit betreft een kasschuif om de loon- en prijsbijstelling van Omgevingswet in te zetten voor verdere implementatieondersteuning Omgevingswet.Overboekingen met andere begrotingenRuimte onder plafond BCFDit betreft de voorlopige afrekening van de ruimte onder het plafond van het BTW compensatiefonds (BCF) over 2024. Zie de bijlage Accres Gemeentefonds en Provinciefonds voor meer toelichting op het accres en het BCF.AlleenverdienersBetreft een overboeking vanuit het ministerie van SZW voor de financiële ondersteuning die gemeenten bieden aan huishoudens die als gevolg van de alleenverdienersproblematiek in 2023 onder het bestaansminimum uitkwamen.266Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Accres tranche 2025Op basis van de geactualiseerde bbp-cijfers wordt de accrestranche 2025 overgeheveld naar het gemeentefonds. Dit betreft het volumedeel en het prijsdeel.Overige overboekingen met andere begrotingenBetreft het totaal van diverse overboekingen vanuit andere begrotingshoofdstukken naar de begroting van het Gemeentefonds. Hiervan is de grootste overboeking 12,1 miljoen euro vanuit het ministerie van JenV voor het Faciliteitenbesluit opvangcentra.PlafondcorrectiesBetreft het totaal van diverse plafondcorrecties. Hiervan is de grootste een overboeking van 10 miljoen euro vanuit het ministerie van EZK voor het toekomstbestendig maken van energiebeleid.TechnischEnkele technische correcties die per saldo op nul sluiten.267Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 ProvinciefondsPROVINCIEFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota3.6113.2243.0172.9782.9762.975Overboekingen met andere begrotingen240328320319319318Ruimte onder plafond BCF195SNL-vergoeding202225252525Accres tranche 2025163153151151151Regionaal OV142142142142142Overige overboekingen met andere begrotingen2521111Plafondcorrecties19Plafondcorrecties19Stand Miljoenennota3.8703.5523.3383.2983.2953.294Overboekingen met andere begrotingenRuimte onder plafond BCFDit betreft de voorlopige afrekening van de ruimte onder het plafond van het BTW compensatiefonds (BCF) over 2024. Zie de bijlage Accres Gemeentefonds en Provinciefonds voor meer toelichting op het accres en het BCFSNL-vergoedingBetreft een structurele overboeking vanuit het ministerie van LVVN met betrekking tot de vergoeding voor het subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL).Accres tranche 2025Op basis van de geactualiseerde bbp-cijfers wordt de accrestranche 2025 overgeheveld naar het gemeentefonds. Dit betreft het volumedeel en het prijsdeel.Regionaal OVBetreft een tweetal overboekingen vanuit het ministerie van IenW in 2025 en 2026 middels een decentralisatie-uitkering voor het regionale OV en daarna via de algemene uitkering. Deze middelen worden verstrekt ter uitvoering van de motie Bikker c.s. en het kabinetsbesluit van 17 november 2023 over het aanbod en de betaalbaarheid van het OV.Overige overboekingen met andere begrotingenBetreft het totaal van diverse overboekingen vanuit andere begrotingshoofdstukken naar de begroting van het Gemeentefonds. Hiervan is de grootste overboeking 20,3 miljoen euro vanuit het ministerie van LVVN voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb).PlafondcorrectiesVoor het verbeteren van de toegankelijkheid in het openbaar vervoer is er in totaal 30 miljoen euro beschikbaar gesteld na een amendement van de leden Van der Graaf en Van Ginneken (Kamerstukken II 2023/24, 36200 A, nr. 50). Van de beschikbare middelen wordt in totaal 18,8 miljoen euro volgens een objectieve verdeelsleutel uitgekeerd aan alle 12 provincies. Dit betreft een eenmalige uitkering die provincies kunnen aanwenden om het OV nog toegankelijker te maken.268Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Accres GemeentefondsACCRES GEMEENTEFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota6272.5184.3526.2988.21510.170Overboekingen Aanvullende Post75150225300Indexatie WMO75150225300Overboekingen met andere begrotingen‒ 447‒ 1.884‒ 1.765‒ 1.758‒ 1.751‒ 1.751Overboekingen met andere begrotingen‒ 447‒ 1.884‒ 1.765‒ 1.758‒ 1.751‒ 1.751Plafondcorrecties17916413756‒ 17Plafondcorrecties17916413756‒ 17Technisch‒ 180‒ 206‒ 206‒ 214‒ 214‒ 214Technisch‒ 180‒ 206‒ 206‒ 214‒ 214‒ 214Stand Miljoenennota06082.6204.6146.5318.489Indexatie WmoMet de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is afgesproken dat in de toekomst (een nader te bepalen deel) van de Wmo niet langer via de algemene uitkering van het Gemeentefonds gaat, maar via een aparte financiering. Afhankelijk van de gekozen bekostigingsvorm wordt een passende geobjectiveerde indexering onderzocht die ook rekening houdt met de kostenontwikkeling en demografie/vergrijzing. Vooruitlopend op de uitwerking is een jaarlijkse tranche van 75 miljoen euro vanaf 2026 oplopend tot 300 miljoen euro in 2029 gereserveerd voor een aanvullende indexering voor demografie. Het kabinet hevelt deze middelen bij deze Miljoenennota 2025 over naar het accres zodat gemeenten hier rekening mee kunnen houden in hun (meerjaren) begrotingOverboeking tranche 2025De accrestranche 2025 is overgeboekt naar het Gemeentefonds.PlafondcorrectiesHet accres is bijgesteld op basis van de bbp-cijfers uit de MEV-ramingen van het CPB. De getoonde bedragen zijn inclusief het accres voor het Btw-compensatiefonds. Zie bijlage 12: Accres Gemeentefonds en Provinciefonds voor meer toelichting op de accresontwikkelingTechnischDe reservering voor de ramingsbijstelling van het Btw-compensatiefonds is gewijzigd op basis van cijfers van de Belastingdienst.Het accres Gemeentefonds heeft geen ontvangsten.269Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Accres ProvinciefondsACCRES PROVINCIEFONDS: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota111277460627797969Overboekingen met andere begrotingen‒ 195‒ 163‒ 153‒ 151‒ 151‒ 151Overboekingen met andere begrotingen‒ 195‒ 163‒ 153‒ 151‒ 151‒ 151Plafondcorrecties2125282624Plafondcorrecties2125282624Technisch84‒ 19‒ 20‒ 20‒ 20‒ 20Technisch84‒ 19‒ 20‒ 20‒ 20‒ 20Stand Miljoenennota0116312484652823Overboeking tranche 2025De accrestranche 2025 is overgeboekt naar het Provinciefonds.PlafondcorrectiesHet accres is bijgesteld op basis van de bbp-cijfers uit de MEV-ramingen van het CPB. De getoonde bedragen zijn inclusief het accres voor het Btw-compensatiefonds. Zie bijlage 12: Accres Gemeentefonds en Provinciefonds voor meer toelichting op de accresontwikkelingTechnischDe reservering voor de ramingsbijstelling van het Btw-compensatiefonds is gewijzigd op basis van cijfers van de Belastingdienst.Het accres Provinciefonds heeft geen ontvangsten.270Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 PrijsbijstellingPRIJSBIJSTELLING: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota01.5043.0244.3755.7827.353Ombuigingen‒ 250‒ 400‒ 250Ombuigingen‒ 250‒ 400‒ 250Plafondcorrecties249288312312314Plafondcorrecties249288312312314Technisch00000Technisch00000Stand Miljoenennota01.5022.9124.4366.0947.667UitgavenOmbuigingenHet voorgaande kabinet heeft 2,3 miljard euro aanvullend beschikbaar gesteld voor verbetering van de aanvullende schaderoutes van toeslagenouders. Dit kabinet dekt deze aanvullende kosten voor schaderoutes en reserveert 0,9 miljard euro van deze dekking nu uit de prijsbijstelling tranche 2025. Bij voorjaarsnota 2025 wordt bezien hoe de uitvoering van aanvullende schaderoutes verloopt en daarmee ook hoeveel van de prijsbijstelling daadwerkelijk nodig is.PlafondcorrectiesDe prijsontwikkeling is opwaarts bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota. Deze bijstelling volgt uit de macro-economische prijsontwikkelingen uit de meest recente raming van het Centraal Planbureau.Technisch In de begrotingsregels is afgesproken dat de uitgavenplafonds komen te vervallen. Met deze mutaties worden de uitgaven en ontvangsten overgeboekt naar plafond Rijksbegroting. 271Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 ArbeidsvoorwaardenARBEIDSVOORWAARDEN: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota03.4977.11410.63814.16817.744Ombuigingen‒ 600‒ 600‒ 600‒ 60038. Nullijn rijksambtenaren voor 1 jaar incl. ambtsdragers‒ 600‒ 600‒ 600‒ 600Plafondcorrecties521483481607660Loonontwikkeling MEV521483481607660Technisch00000Technisch00000Stand Miljoenennota04.0186.99710.51914.17517.804UitgavenOmbuigingen38. Nullijn rijksambtenaren voor 1 jaar incl. ambtsdragersIn het hoofdlijnenakkoord is afgesproken om voor 2026 een nullijn te hanteren voor rijksambtenaren. Omdat de cao Rijk doorwerkt op de lonen van politieke ambtsdragers, geldt de nullijn ook voor hen.PlafondcorrectiesLoonontwikkeling MEVDe loonontwikkeling is bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2024. Deze bijstelling volgt uit de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau voor de ontwikkeling in de lonen en de sociale werkgeverslasten.TechnischIn de begrotingsregels is afgesproken dat de uitgavenplafonds komen te vervallen. Met deze mutaties worden de uitgaven en ontvangsten overgeboekt naar plafond Rijksbegroting. 272Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Aanvullende PostAANVULLENDE POST: UITGAVENIn miljoenen euro202420252026202720282029Stand Voorjaarsnota‒ 7.2749717.0669.8549.2258.971Intensiveringen251.0973.5153.9133.5683.584Stelpost uitwerking asielmaatregelen HLA255050505050Extra middelen aanvullende schade Toeslagen Herstel250400250Defensie aanvulling 2%761674534565Enveloppe groepen in de knel193164149136110Grensbewaking KMar455682139151Koopkracht Caribisch Nederland99999Politie507510010010010. Agrarisch natuurbeheer door boeren50050050050064. Infra woningbouw50050050050050065. Agrarische sector01.0001.0001.0001.0007. Investeren in betere ouderenzorg (Wlz)600600600Ombuigingen0‒ 306‒ 1.656‒ 3.566‒ 3.707‒ 3.85527. Terugdraaien bonus voor gemeenten in Spreidingswet‒ 190‒ 19030. Vrijval reservering amendement Omtzigt studielening‒ 3‒ 41‒ 93‒ 157‒ 18335. Verlaging non-ODA-middelen‒ 3‒ 770. Reservering Transitiefonds Aanvullende Post‒ 1.308‒ 2.983‒ 3.250‒ 3.48271. Klimaatfonds‒ 300‒ 300‒ 300‒ 300Kasschuiven‒ 754‒ 8412354923884Kasschuif Gegevensuitwisseling‒ 15‒ 924Kasschuif Groningen‒ 461171937Kasschuif Toeslagen Herstel‒ 62‒ 19447210Kasschuif Stimulering ombouw laagcalorisch naar hoogcalorisch‒ 719342522Kasschuif Digitale Veiligheid‒ 7878Kasschuif Klimaatfonds‒ 97254313579‒ 31Kasschuif uitvoeringskosten Box 3‒ 138363255150Kasschuif PEGA‒ 2311‒ 5242132108Kasschuif Passende Zorg‒ 3217105Overige kasschuiven‒ 17‒ 293422‒ 2‒ 8Kasschuiven investeringsfondsen0‒ 500‒ 350000Kasschuif Infra Woningbouw‒ 500‒ 350Overboekingen Aanvullende Post‒ 243‒ 674‒ 823‒ 139332‒ 344Terugboeking onderuitputting koploperprojecten786036Graslandsubsidie‒ 9‒ 69Digitale Veiligheid‒ 28Natuurherstelverordening‒ 29‒ 2‒ 11Traditioneel Eigen Middelen (TEM)‒ 41Gebiedsgerichte maatregelen voor provincies‒ 45Overboeking middelen aanvullende schade Toeslagen Herstel‒ 150‒ 400‒ 450‒ 200Indexering WMO00‒ 75‒ 150‒ 225‒ 300Klimaatmiddelen‒ 37‒ 25Nationale grondbank‒ 72Reservering IZA transformatiemiddelen3006000273Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro202420252026202720282029Standaardisatie gegevensuitwisseling‒ 162‒ 196‒ 37‒ 90Overig overboekingen Aanvullende Post‒ 18‒ 99‒ 31‒ 27‒ 33‒ 33In=uittaakstelling86‒ 1.400‒ 2.300000Invulling in=uittaakstelling86Aanvullende onderuitputting‒ 2.300Taakstelling dekking Toeslagen Herstel‒ 1.400Technisch0‒ 513‒ 3.678‒ 2.646‒ 2.377‒ 2.488Herverkavelen Klimaatfonds naar begroting‒ 523‒ 3.688‒ 2.665‒ 2.406‒ 2.517Overig technisch1010192929Stand Miljoenennota‒ 8.160‒ 2.28311.8967.9667.2805.952UitgavenIntensiveringenStelpost uitwerking asielmaatregelen HLAMomenteel wordt wetgeving uitgewerkt om de asielmaatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord te implementeren. Er wordt een stelpost op de Aanvullende Post geplaatst om spoedig door te kunnen met de indiening van de wetsvoorstellen. De stelpost bedraagt 25 miljoen euro in 2024 en 50 miljoen euro structureel vanaf 2025. In de komende periode worden verschillende uitvoeringstoetsen gedaan om de financiële (en uitvoerings) consequenties van de verschillende maatregelen in kaart te brengen voor de uitvoering in de keten.Extra middelen aanvullende schade Toeslagen HerstelHet voorgaande kabinet heeft in samenspraak met de Tweede Kamer voorstellen gedaan voor verbetering van de aanvullende schaderoutes van toeslagenouders. Hiervan is 0,9 miljard euro aanvullend gereserveerd op de Aanvullende Post.Defensie aanvulling 2%De aanvulling van de defensie-uitgaven tot de 2% NAVO-doelstelling worden gereserveerd op de Aanvullende Post.Enveloppe groepen in de knelVanuit de enveloppe groepen in de knel zijn middelen op de Aanvullende Post gereserveerd voor nog nader uit te werken beleidsopties bij onderwerpen zoals OCTAS, Participatiewet, Toeslagenwet, Caribisch Nederland en werkende armen kinderopvang. Deze middelen worden betrokken bij de voorjaarsbesluitvorming 2025 en gereserveerd op de Aanvullende Post. Ook de aanvullende 100 miljoen euro die als onderdeel van de augustusbesluitvorming is aan de reservering toegevoegd.Grensbewaking (KMar)Voor het intensiveren van de grensbewaking door de KMar wordt extra geld beschikbaar gesteld. Deze uitgaven aan de KMar tellen mee voor de 2% NAVO-doelstelling.Koopkracht Caribisch NederlandTijdens de koopkrachtbesluitvorming is vanaf 2025 9 miljoen euro gereserveerd ter verbetering van de koopkracht voor Caribisch Nederland. Deze middelen zijn gereserveerd op de Aanvullende Post in afwachting van nadere uitwerking van maatregelen.274Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 PolitieVoor de Politie wordt 50 miljoen euro in 2025 en 100 miljoen euro structureel vanaf 2026 beschikbaar gesteld. Deze middelen worden in afwachting van nadere uitwerking gereserveerd op de Aanvullende Post.10. Agrarisch natuurbeheer door boerenVoor agrarisch natuurbeheer door boeren wordt vanaf 2026 structureel 500 miljoen euro per jaar beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn in afwachting van nadere uitwerking van beleidsvoorstellen gereserveerd op de Aanvullende Post.64. Infra woningbouwDit betreft een meerjarige investering van 2,5 miljard euro voor het ontsluiten van (nieuwe) woningbouwlocaties en het aanleggen van infrastructuur voor mobiliteit. Deze middelen worden na uitwerking van de beleidsplannen toegevoegd aan het Mobiliteitsfonds.65. Agrarische sectorDit betreft een meerjarige investering van 5 miljard euro in de agrarische sector zoals innovatie, een opkoopregeling en de aanpak van de mestmarkt. Dit bedrag komt boven op de structurele investering voor agrarisch natuurbeheer door boeren. Deze middelen zijn in afwachting van nadere uitwerking van beleidsvoorstellen gereserveerd op de Aanvullende Post.7. Investeren in betere ouderenzorg (Wlz)Voor betere ouderenzorg is een structurele envelop beschikbaar van 600 miljoen euro per 2027. Deze middelen zijn in afwachting van nadere uitwerking van beleidsvoorstellen gereserveerd op de Aanvullende Post.Ombuigingen27. Terugdraaien bonus voor gemeenten in SpreidingswetMet het intrekken van de Spreidingswet vervalt de financiële bonus voor gemeenten. De middelen die hierdoor vrijvallen worden ingezet als dekking voor de voorstellen uit het hoofdlijnenakkoord.30. Vrijval reservering amendement Omtzigt studieleningOp de Aanvullende Post is een reservering opgenomen voor een tegemoetkoming aan studenten. Deze reservering wordt met dit hoofdlijnenakkoord ingezet voor een eenmalige tegemoetkoming in afbouw van schulden voor studenten van de pechgeneratie.35. Verlaging non-ODA-middelenIn het kader van de verlaging van de non-ODA middelen wordt de reservering voor het Vredespaleis verlaagd.70. Reservering Transitiefonds Aanvullende PostDe reservering voor het Transitiefonds van 20,5 miljard euro op de Aanvullende Post bij Financiën vervalt.71. KlimaatfondsHet budget voor het Klimaatfonds wordt verlaagd met 1,2 miljard euro. De middelen voor de ontwikkeling van batterijen en groene waterstof worden (naar rato van het huidige budget) verlaagd.275Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 KasschuivenKasschuif GegevensuitwisselingIn totaal wordt 24 miljoen euro van de gereserveerde middelen voor gegevensuitwisseling verplaatst van 2024 en 2025 naar 2027 op basis van een actuele verwachting van het kasritme van de uitgaven.Kasschuif Groningen46 miljoen euro van de reservering Groningen wordt naar latere jaren geschoven op basis van een actuele verwachting van het kasritme van de uitgaven.Kasschuif Toeslagen HerstelRuim 250 miljoen euro van de gereserveerde middelen voor Herstel Toeslagen wordt doorgeschoven van de jaren 2024 en 2025 naar 2026 en 2027 op basis van een actuele verwachting van het kasritme van de uitgaven.Kasschuif Stimulering ombouw laagcalorisch naar hoogcalorisch71 miljoen euro van de reservering Stimulering ombouw laagcalorisch naar hoogcalorisch wordt naar latere jaren geschoven op basis van een actuele verwachting van het kasritme van de uitgaven.Kasschuif Digitale Veiligheid76 miljoen euro van de reservering voor Digitale Veiligheid komt naar verwachting niet meer tot besteding in 2024. Omdat de middelen wel behouden dienen te blijven, worden deze doorgeschoven naar 2025.Kasschuif KlimaatfondsOp de Aanvullende Post is een kasschuif verwerkt op de de reservering voor het Klimaatfonds voordat de middelen zijn overgeheveld naar de Klimaatfondsbegroting. De reden voor de kasschuif is het actualiseren van de reeksen zodat deze aansluiten bij de reserveringen waartoe eerder is besloten en het plaatsen van de middelen in een realistisch uitgavenritme.Kasschuif uitvoeringskosten Box 3Voor de uitvoeringskosten Box 3 wordt additioneel 138 miljoen euro gereserveerd. Dekking is gevonden in de resterende middelen voor domeinoverstijgende risico's in 2024. Om de middelen in het kasritme van de verwachte uitgaven te plaatsen, wordt een kasschuif verwerkt vanuit 2024 naar latere jaren.Kasschuif PEGATen tijde van de raming van de PEGA-middelen (Voorjaarsnota 2023) was er nog geen raming van het kasritme per maatregel beschikbaar. Daarom is de reservering toen gelijk verdeeld over de jaren. Met deze kasschuif worden de PEGA-middelen in een meerrealistisch ritme geplaatst. Onderdeel hiervan zijn de middelen voor Duurzaam Herstel, wat zich nog in de pilotfase bevindt. Daarnaast zijn middelen vanuit 2024 naar achteren geschoven, omdat deze niet in 2024 benodigd zijn voor onder andere de maatregel verduurzaming en het opstarten van de sociale en economische agenda.Kasschuif Passende ZorgIn totaal wordt 32 miljoen euro van de gereserveerde middelen voor passende zorg verplaatst van 2025 naar latere jaren op basis van een actuele verwachting van het kasritme van de uitgaven.276Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overige kasschuivenDiverse kleinere kasschuiven zijn op de Aanvullende Post verwerkt om de reserveringen in een meer realistisch ritme te zetten. Bijvoorbeeld op de reservering voor Werk aan Uitvoering en de resterende stikstofmiddelen.Kasschuiven investeringsfondsenKasschuif Infra WoningbouwVan de reservering voor infra woningbouw wordt in 2025 en 2026 totaal 850 miljoenen euro naar latere jaren geschoven. De HLA-middelen aan het begin van de nieuwe kabinetsperiode die bij de Ontwerpbegroting 2025 nog geen concrete bestemming hebben worden doorgeschoven naar latere jaren. Indien in het voorjaar blijkt dat er realistische plannen zijn kan een evt. overheveling naar eerdere jaren worden betrokken bij de voorjaarsbesluitvorming.Overboekingen Aanvullende PostTerugboeking onderuitputting koploperprojectenDoor het vorige kabinet is 1,714 miljard euro gereserveerd op de LVVN-begroting, vooruitlopend op het toetsingsproces, voor het financieren van maatregelen die door provincies genomen kunnen worden in de periode 2024-2026 uit hun Provinciale Programma’s Landelijk Gebied, de zogenaamde koploperprojecten. 173 miljoen euro aan maatregelen is niet door de toetsing gekomen. Deze zijn teruggeboekt naar de Aanvullende Post en vervolgens alternatief ingezet voor diverse beleidsdoelen binnen LVVN-domein.GraslandsubsidieDoordat de derogatie voor het uitrijden van mest voor Nederland wordt afgeschaft, nemen de kosten voor het afvoeren van mest toe. Om landbouwondernemers tegemoet te komen voor deze kosten, is in het kader van het Plan van Aanpak mestmarkt de subsidie Behoud grasland bij afbouw derogatie verhoogd. Hiervoor is 78 miljoen euro aan de LVVN-begroting toegevoegd. Deze overboeking is verwerkt via Nota van Wijziging op de eerste suppletoire begroting.Digitale VeiligheidEen deel van de middelen voor digitale veiligheid (28 miljoen euro in 2024) wordt overgeheveld naar de begroting van Economische Zaken.NatuurherstelverordeningIn totaal wordt 42 miljoen euro overgeheveld vanaf de Aanvullende Post om een nationaal Natuurherstelplan op te stellen. Dit is een Europese verplichting voortvloeiend uit de recent aangenomen Natuurherstelverordening.Traditioneel Eigen Middelen (TEM)Er zijn nabetalingen gedaan over de Traditionele Eigen Middelen (TEM). De Nederlandse douaneautoriteiten voeren een zelfanalyse uit op casussen waarvan de invoerrechten nog niet met zekerheid zijn vastgesteld of nog niet door de lidstaat zijn geïnd. Als gevolg van de zelfanalyses heeft Nederland de aansprakelijkheid op een aantal dossiers geaccepteerd. Dit heeft geleid tot circa 20,5 miljoen euro aan TEM nabetalingen via de begroting van Buitenlandse Zaken. De corresponderende vertragingsrente op de nabetalingen bedraagt circa 20 miljoen euro en wordt door Douane verantwoord op Artikel 9 van de begroting Financiën.277Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Gebiedsgerichte maatregelen voor provinciesIn 2024 wordt 45 miljoen euro overgeheveld van de Aanvullende Post naar de LVVN begroting voor extra gebiedsgerichte maatregelen voor provincies, in aanvulling op de eerdere toedeling van Transitiefondsmiddelen. De middelen worden pas beschikt nadat een toetsingsproces is doorlopen en besluitvorming binnen het kabinet heeft plaatsgevonden over de concrete maatregelen.Overboeking middelen aanvullende schade Toeslagen HerstelBij Voorjaarsnota 2024 is tot en met 2027 in totaal 1,2 miljard euro gereserveerd voor de compensatie van aanvullende schade (SGH-route). Deze middelen zijn per Nota van Wijziging op de eerste suppletoire begroting overgeheveld naar de begroting van Financiën.Indexering WMOBij Voorjaarsnota 2024 is voor demografische ontwikkeling alvast een bedrag van jaarlijks 75 mln. (in tranches) vanaf 2026 op de Aanvullende Post gereserveerd. Dit in afwachting van een houdbaarheidsonderzoek om de ontwikkelingen van de vraag naar WMO in beeld te brengen. Deze middelen worden nu toegevoegd aan het accres van het Gemeentefonds.KlimaatmiddelenDe middelen voor waterstofproject Hystock (37 miljoen euro in 2026) en het noodfonds bedrijven (25 miljoen euro in 2027) worden overgeheveld naar de begroting van Klimaat en Groene Groei.Nationale GrondbankIn 2025 wordt 72 miljoen euro overgeheveld van de Aanvullende Post naar de begroting van LVVN voor het aankopen van grond door de Nationale Grondbank (NGB). De aankopen door de NGB starten in 2025 en worden afgerond in 2026 en 2027.Reservering IZA transformatiemiddelenOp basis van een actuele raming wordt het kasritme van de IZA-transformatiemiddelen aangepast. In afwachting van het verlengen van het IZA worden de transformatiemiddelen voor 2027 en 2028 op de Aanvullende Post geplaatst.Standaardisatie gegevensuitwisselingDe middelen voor standaardisatie gegevensuitwisseling worden overgeheveld naar de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Overig overboekingen Aanvullende PostDiverse kleinere overhevelingen van de Aanvullende Post naar diverse departementale begrotingen zijn verwerkt, bijvoorbeeld middelen voor implementatie kinderopvangtoeslag (25 miljoen euro in 2025) en covid-vaccinaties (10 miljoen euro).In=uittaakstellingInvulling in=uittaakstellingDe in=uittaakstelling is de tegenhanger van de eindejaarsmarge om te voorkomen dat het uitgavenplafond wordt overschreden als gevolg van de eindejaarsmarge. De in=uit taakstelling kent geen concrete invulling, maar wordt gaandeweg ingevuld. De invulling kan bestaan uit onderuitputting of andere meevallers. Op diverse departementale begrotingen zijn kleinere meevallers geboekt. In totaal gaat dit om 86 miljoen euro. Hiermee is de in=uittaakstelling voor 2024 ingevuld.278Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Aanvullende onderuitputtingDe reguliere in=uittaakstelling is in 2026 met 2,3 miljard euro verhoogd. Deze onderuitputting werkt hetzelfde als de in=uittaakstelling. De in=uittaakstelling wordt gaandeweg het lopende jaar gevuld vanuit de onderuitputting en meevallers op de departementale begrotingen. Mocht er onvoldoende onderuitputting optreden, dan wordt het uitgavenplafond overschreden en verslechtert het EMU-saldo.Taakstelling dekking Toeslagen HerstelHet voorgaande kabinet heeft in samenspraak met de Tweede Kamer in totaal 2,3 miljard euro gereserveerd voor de verbetering van de aanvullende schaderoutes van toeslagenouders. De dekking bestaat voor 1,4 miljard euro uit het inhouden van de uit te keren eindejaarsmarge in 2025. Deze dekkingsopgave wordt nu als taakstelling in 2025 op de Aanvullende Post geboekt. Tijdens de voorjaarsbesluitvorming 2025 (het moment waarop de eindejaarsmarge wordt vastgesteld en uitgekeerd) wordt de definitieve hoogte van eindejaarsmarge bepaald. Op basis daarvan wordt de naar rato verdeling over de departementen (inclusief fondsen) bepaald.TechnischHerverkaveling Klimaatfonds naar begrotingDe middelen van het Klimaatfonds stonden op de Aanvullende Post gereserveerd in afwachting van parlementaire goedkeuring van de instellingswet van het Klimaatfonds. Dit instellingswet is aangenomen door de Eerste Kamer in april 2024. Daarom worden de middelen nu herverkaveld naar de Klimaatfondsbegroting.Overig technischOp de Aanvullende Post zijn diverse kleinere technische bijstellingen verwerkt.279Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 17 HORIZONTALE TOELICHTINGDe horizontale toelichting geeft voor elk begrotingshoofdstuk een toelichting op het verloop van de uitgaven en de ontvangsten over de meerjarenperiode (2024-2029). Deze toelichting is op totaalniveau en per artikel. Voor de begrotingsfondsen wordt ook het verloop van de uitgaven en ontvangsten na 2029 toegelicht.De bedragen in de tabellen zijn in miljoenen euro. Door afrondingen kan het totaal afwijken van de som der onderdelen. Dit overzicht sluit aan op de artikelstanden zoals gepresenteerd in de ontwerpbegrotingen van de departementen.280Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Algemene Zaken en De KoningDe KoningI DE KONINGIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven585959595959Totaal ontvangsten2000001Grondwettelijke uitkering aan de leden van het Koninklijk HuisUitgaven121212121212Ontvangsten2000002Functionele uitgaven van de KoningUitgaven3838383838383Doorbelaste uitgaven van andere begrotingenUitgaven888888AlgemeenDe uitgaven op de begroting van De Koning blijven redelijk stabiel tussen 2024 en 2029. De ontvangsten nemen vanaf 2025 met 1,5 miljoen euro af vanwege het besluit van de Prinses van Oranje om vanaf dat moment de b-component van de grondwettelijke uitkering niet meer terug te storten.Toelichting per artikelArtikel 1. Grondwettelijke uitkering aan de leden van het Koninklijk HuisOp dit artikel staan de uitkeringen aan de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis.Er zijn ontvangsten geraamd omdat de Prinses van Oranje heeft besloten dat zij tot het einde van haar studie de a-component (inkomensdeel) terugstort. Tot en met 2024 stort zij ook de b-component (personele en materiele uitgaven) terug van 1,5 miljoen euro. Vanaf 2025 zullen de ontvangsten van de b-component wegvallen. De terugstorting van de a-component ter hoogte van 345 duizend euro blijft begroot en is door de afronding in miljoenen euro’s niet zichtbaar in bovenstaande tabel.Artikel 2. Functionele uitgaven van de KoningOp dit artikel staan de functionele uitgaven van de Koning, waaronder de uitgaven aan personeel en materieel en overige specifieke uitgaven, zoals de inzet van luchtvaartuigen. Over de jaren heen blijven de uitgaven stabiel.Artikel 3. Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen.Op dit artikel staan de doorbelaste uitgaven van andere begrotingen, zoals de uitgaven voor voorlichting, het Militaire Huis en het Kabinet van de Koning. Over de jaren heen blijven de uitgaven stabiel.281Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Algemene ZakenIII ALGEMENE ZAKENIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven116101101999695Totaal ontvangsten9999991Eenheid van het algemeen regeringsbeleidUitgaven1089493928988Ontvangsten5555552Kabinet van de KoningUitgaven333333Ontvangsten3333333Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en VeiligheidsdienstenUitgaven544444AlgemeenDe begroting van Algemene Zaken is in eerdere jaren hoger vanwege het verwerken van de apparaatstaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord en aflopende uitgaven met betrekking tot de tijdelijke huisvesting van het ministerie en ICT-projecten.Toelichting per artikelArtikel 1. Eenheid van het algemeen regeringsbeleidOp dit artikel staan onder andere bijdragen voor de Dienst Publiek en Communicatie (DPC), de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) en de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB). De begrotingsstand is hoger in eerdere jaren. Dit komt enerzijds door de apparaatstaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord van circa 2 miljoen euro in 2025 oplopend naar circa 11 miljoen euro in 2029. Anderzijds komt de daling door extra uitgaven voor tijdelijke huisvesting van het Ministerie van 9 miljoen euro in 2024 en de extra uitgaven voor ICT-projecten van circa 6 miljoen euro in 2024 die afloopt naar 4 miljoen in latere jaren. De ontvangsten zijn stabiel.Artikel 2. Kabinet van de KoningOp dit artikel staan uitgaven voor het Kabinet van de Koning. Zij zorgt voor de ambtelijke ondersteuning van de Koning bij de uitoefening van zijn staatsrechtelijke taken en fungeert als schakel tussen Koning en ministers. Over de jaren heen blijven de uitgaven stabiel.Artikel 3. Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en VeiligheidsdienstenOp dit artikel staan uitgaven voor de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en een afdeling klachtenafhandeling. De CTIVD toetst zowel het handelen van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) als de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) aan de juridische kaders voor deze diensten. De afdeling klachtenbehandeling onderzoekt en behandelt klachten en meldingen over het vermoeden van een misstand. De begrotingsstanden zijn hoger in eerdere jaren vanwege de apparaatstaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord van circa 200 duizend euro in 2025 oplopend naar circa 900 duizend euro in 2029.282Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Buitenlandse Zaken (inclusief Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp)Buitenlandse ZakenV BUITENLANDSE ZAKENV Buitenlandse ZakenIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven11.79312.26215.67615.19816.46316.944Totaal ontvangsten3.7493.6542.8221.2331.2661.3031Versterkte internationale rechtsordeUitgaven147122121115109112Ontvangsten2Veiligheid en stabiliteitUitgaven295345311271267273Ontvangsten1111113Effectieve Europese samenwerkingUitgaven10.07910.72214.20213.78415.05515.500Ontvangsten3.6403.3872.7051.1171.1531.1914Consulaire dienstverlening en uitdragen Nederlandse waardenUitgaven725757494546Ontvangsten7988878783826Nog onverdeeldUitgaven1726204581118Ontvangsten7ApparaatUitgaven1.182990964934906894Ontvangsten3017729292929AlgemeenDe begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) bestaat uit HGIS (Homogene Groep Internationale Samenwerking) uitgaven en ontvangsten en uit afdrachten aan de Europese Unie. De HGIS-uitgaven bestaan uit Official Development Assistance (ODA) uitgaven en non-ODA-uitgaven en staan verspreid over meerdere begrotingen, voornamelijk op die van BZ en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (BHO).In het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat zowel het ODA als het non-ODA-budget wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld. Dit leidt tot ombuigingen op de BZ-begroting. Voor 2025 en 2026 zijn er binnen de bestaande structuur van de begroting al beleidsspecifie-kekeuzes op hoofdlijnen gemaakt voor de non-ODA bezuiniging. Voor de jaren 2027 en verder is de non-ODA taakstelling naar rato verdeeld en wordt op een later moment inhoudelijk ingevuld. De ODA-taakstelling op de BZ-begroting is volledig (2025 t/m 2029) naar rato verdeeld.Toelichting per artikelArtikel 1. Versterkte internationale rechtsordeDit artikel ziet toe op het bevorderen van een goed functionerende internationale rechtsorde. De omvang van de uitgaven van dit artikel neemt af door de verwerking van de ombuigingen uit het Hoofdlijnenakkoord.283Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 2. Veiligheid en stabiliteitOp dit artikel worden de uitgaven die bijdragen aan vrede, veiligheid en stabiliteit verantwoord. Ook staan op dit artikel de budgetten voor steun aan Oekraïne voor accountability en gastlandschap, niet-militaire veiligheidssteun, wederopbouw en humanitaire hulp. De daling van het budget is het gevolg van de verwerking van de ombuigingen uit het Hoofdlijnenakkoord.Artikel 3. Effectieve Europese samenwerkingDe meerjarige ontwikkeling van het artikel Effectieve Europese samenwerking wordt bepaald door de doorwerking van de jaarlijkse nominale ontwikkeling van de EU-begroting in de Nederlandse afdrachten aan en ontvangsten van de EU. De EU-afdrachten zijn geactualiseerd op basis van de jaarlijkse technische aanpassing van de Europese Commissie. De verwachte onderuitputting op de EU-begroting leidt tot een lagere afdrachtenraming in 2024 en 2025 en een evenredig hogere afdrachtenraming in 2026 en 2027. De raming van de afdrachten na het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK; 2021-2027) is gebaseerd op de verwachte economische ontwikkeling en een inschatting van de omvang van het MFK na 2027. Hierin zijn onder andere vanaf 2028 de terug- en rentebetalingen voor het coronaherstelfonds Next Generation EU (NGEU) in de raming van de Nederlandse EU-afdrachten opgenomen. In deze raming is rekening gehouden met de in het hoofdlijnenakkoord voorgenomen besparing van 1,6 miljard euro. Als laatste maakt Nederland in 2024 tot en met 2026 aanspraak op 5,4 miljard euro uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit. Dit zorgt voor een verlaging van de netto-uitgaven op de BZ-begroting in deze jarenArtikel 4. Consulaire dienstverlening en uitdragen Nederlandse waardenOp dit artikel worden de uitgaven en ontvangsten ten aanzien van de verlening van consulaire diensten aan Nederlanders, evenals het verstrekken van reisdocumenten aan Nederlanders verantwoord. De geleidelijke afname van de uitgaven komt door de verwerking van de ombuigingen uit het Hoofdlijnenakkoord. De ontvangsten lopen geleidelijk op doordat het aantal reisdocumentaanvragen naar verwachting zal stijgen. Dit komt door de toename van reisbewegingen en de gestegen vraag naar vernieuwing van verlopen paspoorten.Artikel 6. Nog onverdeeldDe budgettaire ruimte op dit artikel betreft een HGIS-reservering voor de loon- en prijsindexatie en voor overige onvoorziene uitgaven. De HGIS non-ODA uitgaven volgen de geraamde prijsontwikkeling van het bruto binnenlands product (BBP) en daarom neemt het budget op dit onderdeel toe.Artikel 7. ApparaatDe uitgaven op dit artikel zijn in 2024 incidenteel hoger vanwege enkele grote investeringen in het postennet. De ontvangsten op dit artikel zijn incidenteel hoger in 2025 door de verwachte verkoop van vastgoed in het buitenland in dat jaar. Deze middelen worden ingezet om het postennet te moderniseren en verduurzamen.284Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Buitenlandse Handel en OntwikkelingshulpXVII BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSHULPXVII Buitenlandse Handel en OntwikkelingshulpIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven3.9283.5983.1203.1243.6113.923Totaal ontvangsten7053484543421Duurzame economische ontwikkeling,handel en investeringenUitgaven650537539544596638Ontvangsten1414141414142Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaatUitgaven9359098528279271.001Ontvangsten3Sociale vooruitgangUitgaven825693642651729789Ontvangsten4Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkelingUitgaven1.086951842804901975Ontvangsten5Multilaterale samenwerking en overige inzetUitgaven433508245296458519Ontvangsten563934312928AlgemeenDe begroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (BHO) bestaat uit ODA-uitgaven en non-ODA-uitgaven. In het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat zowel het ODA als het non-ODA-budget wordt aangepast op de schuivende verhoudingen in de wereld. Dit leidt tot ombuigingen op de BHO-begroting. Met name de ODA-ombuiging leidt tot een dalend budget in 2026 en 2027. Vanwege de koppeling aan de economische ontwikkeling in het basispad van het HLA is het budget in 2028 en 2029 hoger. Deze tabel wordt getoond in lopende prijzen (in tegenstelling tot de meeste begrotingen, die in constante prijzen getoond worden).In het HLA bezuinigt het kabinet op de ODA-middelen in de jaren 2025 en daarna. In 2025 heeft BHO ervoor gekozen om de bezuiniging pro rata naar omvang van het thema te verdelen over alle subartikelen van de begroting. Ook de jaren 2026 en verder zijn voor nu pro rata verdeeld. Het nieuwe BHO-beleid wordt nog nader uitgewerkt. Op basis hiervan worden de bezuinigingen voor 2026 en verder opnieuw verdeeld.Toelichting per artikelArtikel 1. Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringenDe uitgaven van artikel 1 zijn gericht op het versterken van het internationaal verdienvermogen van Nederland, het verminderen van armoede en maatschappelijke ongelijkheid en het bevorderen van toekomstbestendige groei wereldwijd.Artikel 2. Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaatOp dit artikel staan de uitgaven aan voedselzekerheid, water en klimaat.285Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 3. Sociale vooruitgangDit artikel ziet toe op uitgaven die bijdragen aan het bevorderen van gelijkheid en inclusieve ontwikkeling van mensen in ontwikkelingslanden.Artikel 4. Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkelingDe uitgaven van dit artikel hebben betrekking op het voorkomen en terugdringen van gewelddadig conflict en het bevorderen van vreedzame en rechtvaardige samenlevingen. Daarnaast is het budget bestemd voor migratiesamenwerking en opvang in de regio en het verlenen van noodhulp ter leniging van humanitaire nood wereldwijd.Artikel 5. Multilaterale samenwerking en overige inzetOp dit artikel worden uitgaven verantwoord die betrekking hebben op multilaterale samenwerking, armoedebeleid en de steun aan Oekraïne. Ook zijn schommelingen in de ODA-budgetten als gevolg van de ontwikkeling van het BNI tot en met de Voorjaarsnota op dit begrotingsartikel verwerkt. Dit budget wordt ook ingezet om aanpassingen als gevolg van de toerekening van de kosten van eerstejaarsasielopvang te verwerken.286Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Justitie en VeiligheidJustitie en VeiligheidVI JUSTITIE EN VEILIGHEIDVI Justitie en VeiligheidIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven27.12018.32518.35318.32918.24818.251Totaal ontvangsten1.5841.6501.7511.7811.8061.83731PolitieUitgaven8.3678.2098.2318.2278.1978.197Ontvangsten617771132Rechtspleging en rechtsbijstandUitgaven2.3572.3182.2912.2592.2482.234Ontvangsten20017017317517717833Veiligheid en criminaliteitsbestrijdingUitgaven1.5121.5611.5481.5521.5461.568Ontvangsten9521.3241.4161.4441.4721.50134Straffen en beschermenUitgaven4.2264.2644.3334.4104.4584.478Ontvangsten23314014614714814936Contraterrorisme en nationaal veiligheidsbeleidUitgaven483610552556559560Ontvangsten252222237MigratieUitgaven9.42800000Ontvangsten1070000038InburgeringUitgaven483480341293278Ontvangsten3333391Apparaat kerndepartementUitgaven705611578542505491Ontvangsten44444392Nog onverdeeldUitgaven39267337437438442Ontvangsten93GeheimUitgaven444444OntvangstenAlgemeenHet verschil in het budget tussen 2024 en 2025 op de begroting van Justitie en Veiligheid (JenV) komt grotendeels door de herverkaveling van het budget voor migratie naar de begroting van Asiel en Migratie. De hoogte van het verschil wordt gedempt door de toevoeging van program287Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 mabudget voor Inburgering vanaf de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de begroting van JenV. Tussen 2025 en 2029 blijft de begroting redelijk stabiel.Toelichting per artikelArtikel 31. PolitieDe begrotingsstand voor politie kent een redelijk stabiel verloop. De fluctuaties bij de uitgaven worden veroorzaakt door personeel en het programma Nieuwe Missie Kritische Communicatiesystemen.De ontvangsten zijn in 2024 voornamelijk hoger door een desaldering voor de niet bestede bijzondere bijdrage met betrekking tot ondermijning. Daarnaast wordt de fluctuatie in later jaren veroorzaakt door een bijstelling van de raming voor de te ontvangen vergoedingen medegebruik opstelpunten.Artikel 32. Rechtspleging en rechtsbijstandDe begrotingsstand voor rechtspleging en rechtsbijstand is in eerdere jaren hoger vanwege een daling in de hoeveelheid verwachte toevoegingen rechtsbijstand. Dit is deels vanwege de door het kabinet voorziene beperking van de asielinstroom.Artikel 33. Veiligheid en criminaliteitsbestrijdingDe begrotingsstand voor veiligheid en criminaliteitsbestijding kent een stabiel verloop. De oploop van 2024 naar 2025 wordt veroorzaakt doordat vanaf 2025 structurele versterkingsmiddelen beschikbaar zijn voor de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIEC). Het wordt daarnaast veroorzaakt door een kasschuif met betrekking tot het Beslag Informatie Systeem (BIS) bij het Openbaar Ministerie.De ontvangsten op het Boete en Transactie-dossier lopen gedurende de meerjarenperiode op. Dit komt vooral door de verhoging van de (gemiddelde) boeteprijs zoals opgenomen in de Voorjaarsnota 2023.Artikel 34. Straffen en beschermen De oploop in de begrotingsstand voor straffen en beschermen wordt vooral veroorzaakt doordat het Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ), dat de capaciteitsbehoefte voor onder andere Dienst Justitele Inrichtingen (DJI) raamt, een stijging laat zien.De ontvangsten zijn in 2024 hoger door de afrekening met DJI over 2023. Hierbij is 69 miljoen euro teruggestort naar de JenV-begroting.Artikel 36 Contraterrorisme en nationaal veiligheidsbeleidDe oploop van 2024 naar 2025 wordt veroorzaakt door de oplopende reeks voor Bewaken en Beveiligen in de Voorjaarsnota 2022 en 2023. In totaal is hiervoor 212 miljoen euro structureel beschikbaar gesteld. De afloop van 2025 naar 2026 wordt veroorzaakt door de incidentele kosten voor de NAVO-top in 2025 en de taakstelling uit het hoofdlijnenakkoord op de SPUK Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) vanaf 2026 van ciraca 28 miljoen euro.De ontvangstenreeks laat een daling zien van 2024 naar 2025, voornamelijk vanwege een eenmalige terugstorting van COVID middelen vanuit veiligheidsregio's.288Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 37. MigratieDe middelen voor migratie zijn vanaf 2025 overgeheveld naar de begroting van Asiel en Migratie.Artikel 38. InburgeringVanaf 2025 is het budget voor inburgering overgeheveld vanaf de begroting van Sociale Zaken en Werkgelenheid naar JenV. Het budget voor inburgering is in de jaren tot en met 2026 incidenteel hoger dan in andere jaren. Dit komt door de verhoogde asielinstroom. Deze asielinstroom werkt door naar latere jaren vanwege de meerjarige kosten van inburgeraars. De uitgaven op dit beleidsartikel nemen daarna af vanwege de verwachte afnemende asielinstroom. Dat is van invloed op de uitgaven voor voorinburgering, het leenstelsel en inburgeringsvoorzieningen bij gemeenten, net als op kleinere posten zoals uitvoeringskosten Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).Artikel 91. Apparaatsuitgaven kerndepartementDe afloop van dit artikel wordt veroorzaakt door de taakstelling uit het hoofdlijnenakkoord op apparaat van de Rijksoverheid. Voor JenV gaat dit om een bedrag dat oploopt naar 110 miljoen euro in 2029 en verder. Op dit artikel staan ook de apparaatsuitgaven voor Asiel en Migratie. De apparaatsuitgaven voor Inburgering staan bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Op een later moment worden de gevolgen van de herkaveling voor apparaat verwerkt.Artikel 92. Nog onverdeeldArtikel 92 is een doorverdeelartikel. De oploop van het budget op dit artikel wordt veroorzaakt door de oplopende reeks uit het hoofdlijnenakkoord voor investeringen in nationale veiligheid van 300 miljoen euro structureel in 2027 en JenV-deel voor goed bestuur in de rechtstaat van 50 miljoen euro structureel in 2027.Artikel 93. GeheimDe uitgaven op artikel 93 zijn tussen 2024 en 2029 stabiel.289Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Asiel en MigratieXX ASIEL EN MIGRATIEXX Asiel en MigratieIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven9.4819.7692.8541.2191.219Totaal ontvangsten131414141437Asiel en MigratieUitgaven9.4819.7692.8541.2191.219Ontvangsten1314141414Artikel 37. MigratieDe budgetten voor asiel en migratie zijn overgeheveld vanaf de begroting van Justitie en Veiligheid vanaf 2025. De hogere budgetten in eerdere jaren wordt deels veroorzaakt door de incidentele verwerking van de Meerjaren Productie Prognose (MPP) bij Voorjaarsnota 2023 en 2024, vanwege de onzekerheid in de asielraming naarmate verder in de toekomst wordt gekeken. Verder gaat het kabinet er vanuit dat minder middelen benodigd zijn voor 2027 en later vanwege instroombeperkende maatregelen. Daarnaast is de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) verlengd tot 5 maart 2026 en is de Tijdelijke Wet opvang ontheemden Oekraïne aangenomen waardoor gemeenten tot een jaar na afloop van de RTB belast zijn met de opvang van Oekraïense ontheemden. Het kabinet stelt daarom middelen beschikbaar tot 5 maart 2027, waardoor het budget in latere jaren afneemt.290Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inclusief BES-fonds, Staten-Generaal en Hoge Colleges van StaatBinnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesVII BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIESVII Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven11.5435.0844.5453.2943.0522.174Totaal ontvangsten1.0341.7722.1761.9199468221Openbaar bestuur en democratieUitgaven549164179213158160Ontvangsten1515252525252Nationale veiligheidUitgaven496488484505494494Ontvangsten1717171717173WoningmarktUitgaven7.06800000Ontvangsten621000004Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteitUitgaven1.47500000Ontvangsten3000005Ruimtelijke ordening en OmgevingswetUitgaven15300000Ontvangsten11000006Overheidsdienstverlening en informatiesamenlevingUitgaven524537531524621618Ontvangsten1111111111117Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleidUitgaven8090931019695Ontvangsten0000009Uitvoering RijksvastgoedbeleidUitgaven18500000Ontvangsten1290000011Centraal apparaatUitgaven909851765663588506Ontvangsten1951961881461017412AlgemeenUitgaven96584352433Ontvangsten3213Nog onverdeeldUitgaven01520237472Ontvangsten14Slavernijverleden: fonds en herdenkingscomité291Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 VII Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesUitgaven8262658258Ontvangsten15Een veilig Groningen met perspectiefUitgaven2.8542.4031.155954218Ontvangsten1.5321.9351.720792694AlgemeenMet de afsplitsing van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties fors gekrompen. Dit wordt voor een deel gecompenseerd door het overkomen van het beleidsartikel herstel Groningen vanuit EZK. De uitgaven aan dit artikel zijn in 2025 goed voor meer dan de helft van de uitgaven van de BZK-begroting, De uitgaven aan Groningen op de begroting van BZK kennen een scherpe daling gedurende de meerjarenperiode. Ook de uitgaven aan het centrale apparaat, het op één na grootste artikel, lopen gedurende de meerjarige periode af. In totaal dalen de uitgaven op de BZK begroting in 2029 met meer dan de helft ten opzichte van 2025.Toelichting per artikelArtikel 1. Openbaar bestuur en democratieDe middelen voor Regiodeals en het Nationale Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) zijn overgegaan naar VRO, waardoor de uitgaven aan het artikel lager ten opzichte van 2024. Structureel zijn de uitgaven toegenomen door de doorverdeling van de envelop Goed Bestuur en Versterking Rechtsstaat uit het Hoofdlijnenakkoord.Artikel 2. Nationale veiligheidDe uitgaven aan de AIVD blijven over de meerjarenperiode ongeveer gelijk. De verwachting is dat de uitgaven op dit artikel weer gaan stijgen als de middelen uit de envelop veiligheid uit het Hoofdlijnenakkoord, die nog op het artikel onverdeeld op de JenV-begroting staan, worden doorverdeeld.Artikel 3. WoningmarktDit artikel is herverkaveld naar VRO.Artikel 4. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteitDit artikel is herverkaveld naar VRO.Artikel 5. Ruimtelijke ordening en omgevingswetDit artikel is herverkaveld naar VRO.Artikel 6. Overheidsdienstverlening en informatiesamenlevingDIt betreffen uitgaven op digitaal terrein. De uitgaven op dit artikel kennen een oploop in 2028 doordat de middelen voor de hoogwaardige dienstverlening één overheid (ruim 100 miljoen euro), vanaf dat jaar nog op de BZK begroting staan. Een groot deel van het budget in eerdere jaren is overgeboekt naar het gemeentefonds. BZK werkt samen met gemeenten toe naar een nieuwe governance structuur met als doel om als overheid een integrale en geïntegreerde dienstverlening aan te kunnen bieden. Ook zou het de dienstverlening begrijpelijker en hoogwaardiger moeten maken. Verder kent het artikel voornamelijk een stuctureel en gelijkblijvend budget.292Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 7. Werkgevers-en bedrijfsvoeringsbeleidArtikel 7 kent voornamelijk (structurele) opdrachtenbudgetten die als doel hebben de bedrijfsvoering, informatiehuishouding en het werkgeverschap van het Rijk te verbeteren. BZK heeft op deze onderwerpen een coördinerende en/of regisserende rol. De uitgaven op artikel 7 blijven nagenoeg gelijk over de meerjarenperiode.Artikel 9. Uitvoering RijksvastgoedbeleidDit artikel is herverkaveld naar VRO.Artikel 11. Centraal ApparaatDe uitgaven op het apparaatsartikel op de BZK-begroting financieren het personeel, materieel en externe inhuur van de ministeries van BZK en VRO. Dit artikel kent voor een groot deel incidenteel budget. Wegens de oplopende apparaatstaakstelling hebben de apparaatsuitgaven een fors steiler afbouwpad dan normaal.Artikel 12. AlgemeenDe incidentele uitgaven op dit artikel zijn voor een groot deel toe te schrijven aan de kwijtschelding van publieke schulden. Daar is nog circa 200 miljoen euro voor gereserveerd.Artikel 13. Nog onverdeeldDit betreft een gedeelte van de middelen uit de envelop goed bestuur en sterke rechtsstaat van het Hoofdlijnenakkoord, die om uiteenlopende redenen nog niet zijn doorverdeeld naar beleidsartikelen. De middelen op het artikel onverdeeld stijgen vanaf 2028 onder andere doordat vanaf dat moment middelen voor het constitutioneel hof (en de Kiesraad) zijn vrijgemaakt. Het oprichten van een constitutioneel hof vereist een grondwetswijziging en (verdere) uitwerking moet nog plaatsvinden.Artikel 14. Slavernijverleden: fonds en herdenkingscomitéIn 2023 is het begrotingsartikel 14 voor het slavernijverleden in het leven geroepen. Dit betreft de bijdragen van diverse departementen ter finan-ciering van een pakket maatregelen in het kader van het slavernijverleden. In de begeleidende kabinetsreactie op het rapport van de Dialooggroep slavernijverleden heeft het kabinet incidenteel 200 miljoen euro beschikbaar gemaakt, die ten goede komt aan verschillende maatregelen en maatschappelijke initiatieven. De middelen voor het Caribisch deel van het Koninkrijk (66 miljoen euro) zijn overgeboekt naar Koninksrijksrelaties. Daarnaast zijn ook een groot deel van de middelen van de beleidsinitiatieven in Europees Nederland overgeboekt naar andere begrotingen. De middelen die zijn bestemd voor Suriname (66 miljoen euro) staan nog wel op de BZK-begroting. Voor het jaarlijks herdenken maakt het kabinet 8 miljoen euro structureel vrij.Artikel 15. Een veilig Groningen met perspectiefDe uitgaven op artikel 15 bestaan uit de betalingen van schadevergoedingen en de versterkingsoperatie voor gedupeerden van aardbevingen door gaswinning, subsidies voor de verduurzamingsopgave en de bijdragen aan RVO en het IMG voor de uitvoering van de schadeafhandeling. De schadevergoedingen en daarbij behorende uitvoeringskosten worden betaald door BZK en daarna verhaald op de NAM. Deze posten zijn daarom ook aan de ontvangstenkant van de BZK-begroting opgenomen. Daarnaast bestonden de ontvangsten uit de gasbaten. Met het dichtdraaien van de gaskraan vallen deze ontvangsten weg. In de komende jaren worden naar aanleiding van de kabinetsreactie op de parlementaire enquête middelen toegevoegd 293Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 aan de BZK-begroting. Op dit moment staan deze middelen nog op de Aanvullende Post van Financiën in afwachting van verdere uitwerking. Dit verklaart de aflopende reeks grotendeels.294Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Volkshuisvesting en Ruimtelijke OrdeningXXII VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENINGXXII Volkshuisvesting en Ruimtelijke OrdeningIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven9.3879.2759.4909.2949.384Totaal ontvangsten4844794674684641WoningmarktUitgaven7.2347.9818.2728.2638.406Ontvangsten3723773673683642Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteitUitgaven1.487845877681583Ontvangsten000003Ruimtelijke ordening en OmgevingswetUitgaven474239129129123Ontvangsten444444Uitvoering RijksvastgoedbedrijfUitgaven182200202212263Ontvangsten1089896969612AlgemeenUitgaven1010101010OntvangstenAlgemeenDe begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is vanaf 2025 ontstaan door de herverkaveling vanuit Binnenlandse Zaken en Koninksrijksrelaties. De uitgaven op de begroting blijven vrijwel gelijk gedurende de meerjarenperiode. De uitgaven op het artikel woningmarkt stijgen, maar de uitgaven aan de energietransitie en ruimtelijke ordening dalen juist.Toelichting per artikelArtikel 1. WoningmarktDe uitgaven op het artikel woningmarkt lopen sterk op. Dit heeft twee oorzaken: de incidentele woningbouwenvelop en (voornamelijk) de structurele oploop van de huurtoeslag. Het nieuwe kabinet heeft in totaal 5 miljard incidenteel beschikbaar gesteld voor het bevorderen van de woningbouw. De besteding van deze middelen vindt plaats in 2025 tot en met 2032, met een piek in 2027. Daarnaast nemen de uitgaven aan de huurtoeslag zeer sterk toe. In 2024 bedragen de uitgaven aan de huurtoeslag 5,7 miljard euro. Voor 2029 is 7,5 miljard euro begroot. Deze stijging zit voor een groot deel in de verwachte huur- en volumeontwikkeling, die (in tegenstelling tot andere budgetten) al in de begroting is verwerkt. Daarnaast is de stijging ten opzichte van 2024 toe te schrijven aan (koopkracht)maatregelen van het kabinet. Zo is in het regeerakkoord afgesproken om 500 miljoen euro structureel toe te voegen aan de huurtoeslag om armoede tegen te gaan.295Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 2. Energietransitie gebouwde omgeving en bouwkwaliteitDe uitgaven op dit artikel zien een piek in 2025 en een afname in de latere jaren, mede vanwege incidentele overboekingen vanaf de Aanvullende Post (verduurzaming Groningen) en het Klimaatfonds. Een groot deel van de budgetten op dit artikel zijn afkomstig van het Klimaatfonds, waardoor de uitgaven op dit artikel voornamelijk incidenteel zijn.Artikel 3. Ruimtelijke ordening en omgevingswetDe uitgaven op artikel 5 lopen na 2025 af. Dit komt onder andere door het deels tijdelijke karakter van de uitgaven aan de invoering van de omgevingswet. Als tactisch beheerder voor de landelijke voorziening van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) maakt het kadaster in 2025 nog hogere kosten aan beheer. De omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden.Artikel 4. Uitvoering RijksvastgoedbedrijfVanaf 2029 nemen de uitgaven op dit artikel sterk toe wegens de renovatie van het Binnenhof. Vanaf dat jaar staat er een fors verhoogde verbruikersvergoeding voor de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat op de begroting van VRO. Om de contracten af te kunnen sluiten is bij de afgelopen voorjaarsnota in 2028 circa 5 miljoen en vanaf 2029 structureel 63 miljoen euro aan de begroting toegevoegd. Deze middelen zijn toegevoegd voor zover deze daadwerkelijk tot de voorjaarsbesluitvorming 2025 nodig zijn om verplichtingen aan te kunnen gaan. Daarnaast staan nog middelen voor dit doel gereserveerd op de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën.Artikel 12. AlgemeenDit betreffen geraamde uitgaven aan vennootschapsbelasting, die samenhangen met artikel 4.296Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Staten-GeneraalIIA STATEN-GENERAALIIA Staten-GeneraalIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven283267261254266250Totaal ontvangsten4444441Wetgeving en controle Eerste KamerUitgaven282626262524Ontvangsten0000002Uitgaven ten behoeve van leden en oud-leden Tweede KamerUitgaven474341414742Ontvangsten0000003Wetgeving en controle Tweede KamerUitgaven207196192186193183Ontvangsten4444444Wetgeving en controle Eerste en Tweede KamerUitgaven222222Ontvangsten10Nog onverdeeldUitgaven000000OntvangstenAlgemeenDe uitgaven op de begroting van de Staten-Generaal lopen iets af omdat beide Kamers additionele uitgaven doen aan het eigen apparaat. Dit betreffen naast structurele uitgaven, ook incidentele uitgaven aan onder meer ICT en veiligheid, zoals vervangingsinvesteringen. Dit verklaart de aflopende reeks grotendeels. De uitgaven van de Tweede Kamer lopen in 2028 op wegens de geplande terugverhuizing naar het Binnenhof.297Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Hoge Colleges van Staat en KabinettenIIB HOGE COLLEGES VAN STAAT EN KABINETTENIIB Overige Hoge Colleges van Staat, Kabinetten en de KiesraadIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven195192180187179176Totaal ontvangsten6666661Raad van StateUitgaven919084838383Ontvangsten2222222Algemene RekenkamerUitgaven474946564645Ontvangsten1111113De Nationale ombudsmanUitgaven302928292929Ontvangsten3333334Kanselarij der Nederlandse OrdenUitgaven766666Ontvangsten0000006Kabinet van de Gouverneur van ArubaUitgaven322222Ontvangsten0000007Kabinet van de Gouverneur van CuraçaoUitgaven433333Ontvangsten0000008Kabinet van de Gouverneur van Sint MaartenUitgaven333333Ontvangsten0000009KiesraadUitgaven10107565Ontvangsten10Nog onverdeeldUitgaven000000OntvangstenAlgemeenDe begroting van de Hoge Colleges van Staat blijft over de jaren vrij stabiel. In 2024 en 2025 heeft de Kiesraad extra middelen voor de transitie van de Kiesraad naar verkiezingsautoriteit, voor de ondersteuning van de verkiezingssoftware en voor de (her)aanbesteding van het digitaal hulpmiddel verkiezingen. Tot en met 2025 heeft de Raad van State circa 5 miljoen euro aan additionele middelen ter beschikking voor de bestuursrechtspraak. In 2027 heeft de Algemene Rekenkamer extra middelen beschikbaar voor de tijdelijke huisvesting en geplande terugverhuizing.298Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 KoninkrijksrelatiesIV KONINKRIJKSRELATIESIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven205263214206178149Totaal ontvangsten1492052241482393031Versterken rechtsstaatUitgaven387069689191Ontvangsten2SlavernijverledenUitgaven1281111109Ontvangsten4Bevorderen sociaaleconomische structuurUitgaven3310171632414Ontvangsten15Schuldsanering/lopende inschrijving/leningenUitgaven952929292911Ontvangsten1452052241482393036ApparaatUitgaven353533322323Ontvangsten37Nog onverdeeldUitgaven012322Ontvangsten8Wederopbouw Bovenwindse EilandenUitgaven311OntvangstenAlgemeenDe begroting van Koninkrijksrelaties neemt structureel af wat betreft de uitgaven, maar kent een incidentele verhoging in 2025. Door de toevoeging van artikel 2, slavernijverleden, en het ritme van artikel 4, bevorderen sociaal economische structuur, is in 2025 een piek vanwege hieronder toegelichte redenen. Deze nemen na 2025 weer af. Wat betreft de ontvangsten heeft de begrotingjuist een toename in latere jaren, vanwege de aflossings- en rentereeksen van leningen die op artikel 5 verantwoord worden.Toelichting per artikelArtikel 1. Versterken rechtsstaatDe uitgaven in 2024 liggen lager dan latere jaren, aangezien een groot deel van dit artikel weliswaar verantwoord wordt op de begroting van Koninkrijksrelaties, maar overgeboekt wordt naar de begrotingen van Justitie en Veiligheid (Recherche en rechterlijke macht), Defensie (Grensbewaking) en Financiën (Douane). De budgetten voor 2025 en verder moeten grotendeels nog worden overgeboekt, met uitzondering van het Recherchesamenwerkingsteam (RST), waar het budget tot en met 2027 is overgeheveld. Dit verklaart ook mede de hogere uitgaven in 2028 en 2029.299Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 2. SlavernijverledenEr is in 2024 een nieuw artikel toegevoegd aan de begroting van Koninkrijksrelaties om de uitgaven te verantwoorden van het herdenken van het slavernijverleden in het Caribische deel van het Koninkrijk. Deze middelen kennen een piek in 2025. Mogelijkerwijs wordt het kasritme van deze middelen nog aangepast zodra plannen zijn uitgewerkt; uiterlijk 1 juli 2025 moet er namelijk een voorstel liggen voor de besteding van deze middelen.Artikel 4. Bevorderen sociaaleconomische structuurIn 2023 zijn de Landspakketten zoals eind 2020 met de Curaçao, Aruba en Sint Maarten overeengekomen, bekrachtigd met de Onderlinge Regeling. Ter ondersteuning van de Landspakketten heeft de Tijdelijke Werkorganisatie (TWO) middelen beschikbaar in een kasritme van ca. 35 miljoen euro per jaar tot en met 2027. Dit verklaart de afname in 2028 en 2029. Door een aantal kasschuiven is echter het beschikbare budget per jaar niet gelijk, vandaar dat het budget tot 2027 varieert. 2025 kent een piek vanwege de toevoeging van 40 miljoen euro uit het Nationaal Groeifonds in dat jaar. In 2026, 2027 en 2028 is er respectievelijk 20 en tweemaal 10 miljoen euro toegevoegd. Verder wordt de piek verklaard door een schuif van 7,6 miljoen euro naar 2025 van de ter beschikking gestelde middelen voor noodmaatregelen voor de klif op Sint Eustatius, vanwege vertraging bij de herstelwerkzaamheden.Artikel 5. Schuldsanering/lopende inschrijving/leningenDe uitgaven zijn in 2024 hoger, omdat er in 2024 ruimte in de begroting wordt gereserveerd om een lopende inschrijving van 66 miljoen euro te verstrekken aan Sint Maarten, onder voorbehoud van positief advies van het College financieel toezicht en instemming van de Ministerraad. Van 2025-2028 zijn de uitgaven jaarlijks gelijk; er zijn voor die jaren geen nieuwe leningen aan de landen voorzien. 2029 kent wel een afname; de Nederlandse bijdrage in de schuldsanering van de voormalige Nederlandse Antillen en Curaçao, wat als uitgave verantwoord wordt, neemt namelijk volgens het in 2011 afgesproken schema af in 2029 en 2030. Na 2030 is de schuldsanering voltooid. Ook worden de meerjarige aflossings- en rente ontvangsten van de schuldsandering van de voormalige Nederlandse Antillen verantwoord op de begroting van Koninkrijksrelaties, naast aflossingen en rente betalingen van andere uitstaande leningen aan de landen.Artikel 6. ApparaatVoor de Tijdelijke Werkorganisatie (TWO) zijn tot en met 2027 middelen beschikbaar gesteld. Door het aflopen van TWO worden vanaf 2028 lagere apparaatsuitgaven geraamd.Artikel 7. Nog onverdeeldArtikel 7 kent een licht schommelende ontwikkeling. Op het artikel wordt de eindejaarsmarge en de LPO middelen ontvangen en verder doorverdeeld over Koninkrijksrelaties. Dit resulteert in verschillende standen per jaar.Artikel 8. Wederopbouw Bovenwindse eilandenBij Tweede Suppletoire begroting 2017 is naar aanleiding van de orkanen Irma en Maria artikel 8 aangemaakt voor Noodhulp en Wederopbouw Bovenwindse Eilanden. In 2024, 2025 en 2027 staan hier nog de resterende middelen van op de begroting.300Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 BES-fondsBES-FONDSH BES-fondsIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven948989909193Totaal ontvangsten1BES-fondsUitgaven948989909193OntvangstenAlgemeenHet BES-fonds bestaat uit de vrije uitkering en bijstellingen op basis van prijsontwikkelingen en wisselkoers-schommelingen. Ook worden er door departementen incidentele middelen overgeheveld naar het BES-fonds.Toelichting per artikelArtikel 1. BES-fondsVia het BES-fonds krijgen de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Caribisch Nederland) met de vrije uitkering middelen toebedeeld om hun publieke taken uit te voeren. Deze middelen worden uitgekeerd in Amerikaanse Dollar. Sinds 2024 geldt voor het BES-fonds een nieuw indexatie-systematiek op basis van BBP-cijfers, i.p.v. loon- en prijsontwikkeling, hierdoor schommelt de begroting per jaar in omvang. Het budget is in 2024 hoger door enkeljarige toevoegingen van departementen aan de Vrije Uitkering, zoals o.a. middelen voor armoedebestrijding en eilandelijke achterstanden.301Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Onderwijs, Cultuur en WetenschapONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven58.06157.59756.09456.96354.93654.606Totaal ontvangsten2.1562.2742.3542.4512.5522.6471Primair onderwijsUitgaven16.34716.28915.98316.24916.16716.114Ontvangsten9999993Voortgezet onderwijsUitgaven11.92311.82211.50411.52511.28011.184Ontvangsten14777774Beroepsonderwijs en volwasseneneducatieUitgaven5.8775.9565.9125.8635.7605.724Ontvangsten5555556 + 7Hoger onderwijsUitgaven12.24711.56511.26710.75410.56010.487Ontvangsten1000009Arbeidsmarkt en personeelsbeleidUitgaven262411402409407405Ontvangsten77777711+12+13StudiefinancieringUitgaven6.3896.6926.2147.4396.1186.054Ontvangsten1.8942.0722.1602.2562.3572.45214CultuurUitgaven1.4071.4071.3911.4371.3851.374Ontvangsten4115MediaUitgaven1.2931.2721.2701.1741.1791.195Ontvangsten18117216616616616616Onderzoek en wetenschapsbeleidUitgaven1.8181.7151.7081.7001.6861.684Ontvangsten00000095ApparaatskostenUitgaven449420396366337329Ontvangsten3110008+25+91Overige artikelenUitgaven514948485757Ontvangsten000000AlgemeenDe begroting van OCW daalt tussen 2024 en 2029 met 4 miljard. Deze daling wordt ongeveer voor de helft veroorzaakt door de maatregelen uit het Hoofdlijnenakkoord (2 miljard euro). Daarnaast dalen de leerlingen- 302Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 en studentenaantallen, wat ook leidt tot een daling van de uitgaven aan het onderwijs. De incidentele stijging in 2027 ontstaat onder andere door de tegemoetkoming voor studenten die geen recht hebben gehad op een basisbeurs, waartoe besloten is in het Hooflijnenakkoord.Toelichting per artikelArtikel 1. Primair onderwijsVia het Hoofdlijnenakkoord wordt omgebogen in het primair onderwijs (po) op verschillende subsidieregelingen (276 miljoen euro). Daarnaast verwacht Hhet CBS verwacht een lichte toename in het aantal geboortes. De instroom van leerlingen zal daardoor vanaf 2026 naar verwachting toenemen en dit leidt vanaf 2028 per saldo tot een toename van het aantal leerlingen. Tegelijkertijd wordt via het Hoofdlijnenakkoord omgebogen in het primair onderwijs (po) op verschillende subsidieregelingen. Per saldo leidt dit tot ongeveer constante uitgaven aan het primair onderwijs in de periode 2024-2028 van ruim 16 miljard euro.Artikel 3. Voortgezet onderwijsOok in het vo wordt middels het Hoofdlijnenakkoord op verschillende subsidieregelingen omgebogen (476 miljoen euro). Daarnaast volgt het leerlingenaantal in het voortgezet onderwijs (vo) het primair onderwijs. De krimpende jonge bevolking van de afgelopen jaren resulteert in een lagere uitstroom van het po naar het vo, waardoor het leerlingenaantal in het vo de komende jaren zal dalen. Per saldo dalen de uitgaven aan het vo van bijna 12 in 2024 naar ruim 11 miljard euro in 2029.Artikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatieSinds enkele jaren daalt het aantal studenten in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Verwacht wordt dat het studentenaantal de komende jaren redelijk stabiel blijft waarna er wederom daling wordt verwacht na 2027. Tevens wordt een verschuiving verwacht naar de bol (beroepsopleidende leerweg) vanuit de bbl (beroepsbegeleidende leerweg) door de verwachte toename van de werkloosheid. Doordat instellingen meer middelen ontvangen voor bol- dan voor bbl-studenten, blijft de horizontale ontwikkeling op artikel 4 stabiel.Artikel 6+7. Hoger onderwijsHet aantal hoger onderwijs-studenten daalt naar verwachting de komende jaren per saldo: in het wetenschappelijk onderwijs (wo) stijgt het studentenaantal de komende jaren licht, maar in het hoger beroepsonderwijs (hbo) daalt het aantal studenten. Samen met de ombuigingen uit het Hoofdlijnenakkoord (898 miljoen euro) leidt dit per saldo tot dalende uitgaven in het hoger onderwijs van ruim 12 miljard euro in 2024 tot ruim 10 miljard euro in 2029.Artikel 9. Arbeidsmarkt en personeelsbeleidDe oploop in middelen voor de aanpak van het lerarentekort leiden tot oplopende uitgaven van circa 405 miljoen euro in 2029.Artikel 11+12+13. StudiefinancieringMeerjarig volgen de uitgaven aan studiefinanciering de studentenraming welke naar verwachting de komende jaren dalen. De incidenteel hogere uitgaven in 2027 zijn onder andere het gevolg van de middelen voor de incidentiele tegemoetkoming voor studenten die geen recht hebben gehad op een basisbeurs, waartoe is besloten in het Hoofdlijnenakkoord.303Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 14. CultuurDe uitgaven aan cultuur blijven over de jaren heen vrij constant. In de laatste jaren nemen de uitgaven iets af vanwege verlaging van de non-ODA middelen, waartoe besloten is in het Hoofdlijnenakkoord. De uitgaven zijn jaarlijks rond de 1,4 miljard euro.Artikel 15. MediaDe uitgaven aan media blijven rond de 1miljard euro. Er is een kleine daling, hoofdzakelijk door de ombuiging van 100 miljoen euro vanaf 2027 op de landelijke publieke omroep, waartoe is besloten in het Hoofdlijnenakkoord.Artikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleidVanaf 2025 dalen de uitgaven aan onderzoek en wetenschapsbeleid met 50 miljoen euro vanwege de ombuigingen op het Fonds Onderzoek en Wetenschap. De uitgaven blijven vanaf 2026 ongeveer constant op bijna 2 miljard euro.Artikel 95. ApparaatDe apparaatsuitgaven dalen over de jaren heen van 448 miljoen euro naar 329 miljoen euro. Dit is hoofdzakelijk vanwege de rijksbrede taakstelling op apparaat, waartoe is besloten in het Hoofdlijnenakkoord.Artikel Overig (8, 25, 91)De post overig is een optelling van artikel 8 ‘Internationaal beleid’, 25 ‘Emancipatie’ en 91 ‘Onverdeeld’.304Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Financiën (inclusief Nationale Schuld)FinanciënIX FINANCIENIXB FinanciënIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven26.25227.66228.80911.04610.02610.073Totaal ontvangsten4.6183.6584.4264.6654.5824.5611BelastingenUitgaven4.0543.6823.5633.5203.4913.488Ontvangsten1.6111.5681.5231.4771.3531.3502Financiële marktenUitgaven352831272727Ontvangsten121088883Financieringsactiviteiten publiek-private sectorUitgaven13.76014.78417.640387310310Ontvangsten2.6531.8132.4832.7372.7822.7874Internationale financiële betrekkingenUitgaven521629383482208276Ontvangsten121682222572582525Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringenUitgaven167148148149149149Ontvangsten1481311241231201066BTW-CompensatiefondsUitgaven4.2494.2494.2494.2494.2494.249Ontvangsten8ApparaatUitgaven450431391366347339Ontvangsten6258545150479DouaneUitgaven1.063837832810803803Ontvangsten11111111111110Nog onverdeeldUitgaven545270788373Ontvangsten13ToeslagenUitgaven1.8982.8221.501977361361OntvangstenAlgemeenDe uitgaven van Financiën bestaan voornamelijk uit de apparaatskosten voor de Belastingdienst, Toeslagen en de Douane, de hersteloperatie Toeslagen, de uitgaven vanuit het Btw-compensatiefonds en de lening aan 305Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 TenneT (2024 tot en met 2026). De ontvangsten komen op verschillende artikelen binnen. Dit betreft rente en boetes van belastingen, dividenden van staatsdeelnemingen en aflossingen van internationale leningen. De begroting van Financiën kent een dalend verloop. Dit komt met name door de lening aan TenneT en doordat de hersteloperatie Toeslagen een tijdelijk karakter heeft.Toelichting per artikelArtikel 1. BelastingenDeze post ziet op de uitvoeringskosten en de niet-belastingontvangsten van de Belastingdienst. Er zit een lichte daling in deze post. De uitgaven zijn de eerste jaren hoger in verband met de werkzaamheden die onderdelen van de Belastingdienst voor Toeslagen Herstel uitvoeren. In 2024 zijn de uitgaven ook hoger vanwege de herstelprojecten invorderingsrente en Box 3 en vanwege de kosten in verband met de nieuwe cao.Artikel 2. Financiële MarktenIn 2024 en 2026 zijn de uitgaven beperkt hoger door de schadeloosstelling SNS REAAL Holding (SRH). Daarna keert de begroting van het artikel terug naar de gebruikelijke omvang.Artikel 3. Financieringsactiviteit Publiek-private sectorVanaf 2024 tot en met 2026 zijn er incidenteel hogere uitgaven door de lening aan TenneT. Vanaf 2027 is er een dalende trend in de uitgaven zichtbaar doordat de lening aan TenneT eindigt. Voor 2027 tot en met 2029 is er een constante trend door de verwerking van een jaarlijkse kapitaalinjectie aan Invest-NL vanuit de intensivering uit het hooflijnenakkoord voor Invest-NL. De kapitaalinjectie loopt in 2029 af. In 2024 zijn de ontvangsten incidenteel hoger door verkoop aandelen ABN AMRO en door hogere dividenden.Artikel 4. Internationale Financiële BetrekkingenDe fluctuaties bij de uitgaven ontstaan door een reservering voor een bijdrage aan de European Bank for Reconstruction and Development (EBRD) in 2024, de kapitaalinleg European Stability Mechanism (ESM) in 2025 en fluctuerende bijdrages aan de Wereldbank. In 2024 en 2025 zijn er lagere ontvangsten doordat in 2023 een vervroegde aflossing is gedaan op de lening aan Griekenland. In de ontvangsten zit een stijgend verloop doordat Oekraïne vanaf 2027 start met het aflossen van de lening.Artikel 5. Exportkredietverzekeringen, -garanties en investeringsverzekeringenFluctuaties komen voort uit schade-uitkeringen en schaderestituties en is staand beleid.Artikel 6. Btw-compensatiefondsDe uitgaven aan het Btw-compensatiefonds (BCF) zijn stabiel begroot. Een onder- of overschrijding bij het BCF komt namelijk ten laste of ten gunste van het gemeente- en provinciefonds.Artikel 8. ApparaatDit betreft de ontwikkeling van de apparaatskosten van het departement. De afname wordt verklaard door de apparaatstaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord.306Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 9. DouaneIn 2024 zijn er incidenteel hogere uitgaven door bijdragen vertragingsrente EU. Vanaf 2025 is er een dalende trend in de posten voor personeel.Artikel 10. Nog onverdeeldOp dit artikel staan onder andere middelen gereserveerd voor de uitvoeringskosten van fiscale wet- en regelgeving door Belastingdienst, Toeslagen en Douane en onvoorziene tegenvallers.Artikel 13. ToeslagenDeze post ziet op het aandeel van het ministerie van Financiën in de programmamiddelen voor Toeslagen Herstel en de uitvoeringskosten van Toeslagen. Vanaf 2025 is een dalende trend waar te nemen in de jaarlijks begrote kosten. Dit komt doordat Toeslagen Herstel een tijdelijke karakter heeft waarbij het herstel zo snel mogelijk plaatsvindt. Een deel van de gereserveerde middelen staat nog niet op de departementale begrotingen maar op de Aanvullende Post. Bijlage 22.1 geeft een overzicht van alle budgetten voor Toeslagen Herstel inclusief de Aanvullende Post.307Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Nationale SchuldIXA NATIONALE SCHULDIXA Nationale Schuld (Transactiebasis)In miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven49.67333.28244.29551.19751.62249.812Totaal ontvangsten73.83784.308109.78283.19782.52480.31611Financiering staatsschuldUitgaven43.62727.68338.72045.24345.22143.073Ontvangsten55.34369.11494.42766.17966.02964.40712KasbeheerUitgaven6.0465.5985.5755.9546.4016.739Ontvangsten18.49515.19415.35517.01816.49515.909AlgemeenDe uitgaven en ontvangsten van de Nationale Schuld hebben betrekking op de extern gefinancierde staatsschuld en het schatkistbankieren van de deelnemende instellingen. De uitgaven bestaan uit de rentelasten en aflossingen van vaste en vlottende schuld. De hoogte van de aflossingen van de bestaande schuld ligt vast als gevolg van eerder gemaakte keuzes ten aanzien van de schuldfinanciering. De schommelingen in de ontvangsten zijn vooral het gevolg van schommelingen in de financieringsbehoefte van het Rijk en mutaties in rekeningen-courant van de deelnemers aan het schatkistbankieren. De financieringsbehoefte bepaalt de uitgifte van vaste en vlottende schuld.Toelichting per artikelArtikel 11. Financiering staatsschuldDit artikel heeft betrekking op de extern gefinancierde staatsschuld. In 2025 zijn de uitgaven lager, omdat er één langlopende lening afgelost moet worden (0,25% DSL 2015 per 15 juli 2025). In 2024 en vanaf 2026 moeten jaarlijks twee langlopende leningen worden afgelost. De ontwikkeling van de ontvangsten wordt vooral veroorzaakt doordat de financie-ringsbehoefte schommelt, waardoor per jaar meer of minder uitgifte van vaste schuld plaatsvindt.Artikel 12. KasbeheerOp dit artikel staan de geldstromen die betrekking hebben op het schatkistbankieren van de deelnemende instellingen. De uitgaven bestaan enerzijds uit de rentevergoeding over de saldi die in de schatkist worden aangehouden door baten-lastendiensten, rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT’s), decentrale overheden en sociale fondsen. Anderzijds bestaan de uitgaven uit verstrekte leningen en, in sommige jaren, uit een afname van het rekening-couranttegoed van de deelnemers aan het schatkistbankieren. De ontvangsten bestaan uit rentebaten, aflossingen op leningen en, in sommige jaren, uit een toename van het rekening-couranttegoed van de deelnemers aan het schatkistbankieren. De schommelingen van de ontvangsten op dit artikel worden met name veroorzaakt door mutaties in de rekening-courant van de sociale fondsen.308Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Defensie (inclusief Defensiematerieelbegrotingsfonds)DefensieX DEFENSIEX DefensieIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven13.42412.24412.39110.73710.94911.092Totaal ontvangsten4632452753841441441InzetUitgaven3.4762.0432.220223220220Ontvangsten328104134243222Koninklijke MarineUitgaven1.1771.1801.1841.1941.2031.213Ontvangsten1212121212123Koninklijke LandmachtUitgaven1.9682.0182.0132.0402.0592.089Ontvangsten8888884Koninklijke LuchtmachtUitgaven9661.0221.0491.0551.0571.037Ontvangsten1212121212125Koninklijke MarechausseeUitgaven738748761769788802Ontvangsten4444447Commando Materieel en ITUitgaven856864836850856854Ontvangsten2026262626268Defensie OndersteuningscommandoUitgaven1.7271.7281.7081.7011.6781.699Ontvangsten6969696969699AlgemeenUitgaven274259261272262275Ontvangsten22222210Apparaat kerndepartementUitgaven1.9271.8971.9531.9511.9401.904Ontvangsten88888811GeheimUitgaven191919212121Ontvangsten12Nog onverdeeldUitgaven297466387662863979Ontvangsten13Bijdrage aan DefensiematerieelbegrotingsfondsUitgaven000000309Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 X DefensieOntvangstenAlgemeenMet de extra middelen uit het Hoofdlijnenakkoord (HLA) worden de uitgaven aan Defensie in lijn gebracht met de NAVO-doelstelling van ten minste 2% bbp. Het totale Defensiebudget stijgt daarmee.Tegelijkertijd leidt de toegenomen geopolitieke onrust tot spanning in de mondiale defensiemarkt. Dit, in combinatie met krapte op de arbeidsmarkt, zorgt ervoor dat het tempo van de geplande investeringen van Defensie onder druk staat. De defensie-investeringen worden in een ritme geplaatst dat beter aansluit bij het moment waarop Defensie deze middelen verwacht uit te geven.Toelichting per artikelArtikel 1. InzetEen groot deel van de uitgaven in 2024, 2025 en 2026 betreft militaire steun aan Oekraïne. In 2024 is 3,5 miljard aan steun voorzien, in 2025 2,3 miljard en in 2026 2,4 miljard. Nederland ondersteunt sinds het uitbreken van de oorlog Oekraïne met circa 10 miljard euro. De niet-Oekraïne uitgaven, waaronder middelen voor crisisoperaties zoals de inzet van de marine in de Rode Zee, blijven binnen Artikel 1 in de jaren 2024-2029 op een constant niveau.Artikel 2. Koninklijke MarineOp dit artikel wordt de begroting van de Koninklijke Marine verantwoord, met als meest omvangrijke uitgave de kosten voor het personeel. De personele uitgaven voor de Marine stijgen geleidelijk vanwege de beoogde uitbreiding van het personeelsbestand. De overige uitgaven op dit artikel betreffen middelen voor gereedstelling en materiële exploitatie.Artikel 3. Koninklijke LandmachtOp dit artikel wordt de begroting van de Koninklijke Landmacht verantwoord, met als omvangrijkste uitgave de kosten voor het personeel. De personele uitgaven voor de Landmacht stijgen geleidelijk vanwege de beoogde uitbreiding van het personeelsbestand. De overige uitgaven op dit artikel betreffen middelen voor gereedstelling en materiële exploitatie.Artikel 4. Koninklijke LuchtmachtOp dit artikel wordt de begroting van de Koninklijke Luchtmacht verantwoord, met als omvangrijkste uitgave de kosten voor het personeel. De personele uitgaven voor de Luchtmacht stijgen geleidelijk vanwege de beoogde uitbreiding van het personeelsbestand. De overige uitgaven op dit artikel betreffen middelen voor gereedstelling en materiële exploitatie. Deze uitgaven voor materiële exploitatie stijgen van 50 miljoen in 2024 naar 102 miljoen in 2026 omdat hier middelen voor instandhouding van de MQ-9 Reapers zijn toegevoegd.Artikel 5. Koninklijke MarechausseeOp dit artikel wordt de begroting van de Koninklijke Marechaussee verantwoord, met als omvangrijkste uitgave de kosten voor het personeel. De personele uitgaven voor de Marechaussee stijgen geleidelijk vanwege de beoogde uitbreiding van het personeelsbestand. De overige uitgaven op dit artikel betreffen middelen voor gereedstelling en materiële exploitatie.310Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 7. Commando Materieel en ITHet Commando Materieel en IT (COMMIT) zorgt voor de verwerving van materieel en de beschikbaarstelling van IT-middelen, brandstof, munitie, kleding en uitrusting aan de Defensieonderdelen. De hogere inhuurbehoefte binnen het IT-domein, onder andere als gevolg van vertragingen bij IT-programma’s, is aan de voorkant gefinancierd tot en met 2025. Vanaf 2026 daalt het budget voor externe inhuur en ligt het weer op het normale structurele niveau. Tegelijkertijd groeit de organisatie, waardoor in latere jaren de uitgaven voor eigen personeel oplopen.Artikel 8. Defensie OndersteuningscommandoHet Defensie Ondersteuningscommando (DOSCO) ondersteunt de krijgsmacht door te zorgen voor personele diensten, zoals werving en opleidingen, maar ook huisvesting, vastgoed, catering, beveiliging, bewaking, facilitaire zaken, gezondheidszorg, logistiek en transport. Om de groeiende Defensieorganisatie goed te ondersteunen, is ook het personeelsbestand van DOSCO toegenomen. Het budget voor schadevergoedingen is in de eerste jaren wat hoger, omdat er nog achterastanden uit het verleden moeten worden ingelopen.Artikel 9. AlgemeenOp dit artikel wordt de begroting van algemene Defensietaken verantwoord, zoals subsidies, schadevergoedingen en kennisopbouw. De schadevergoeding voor Srebrenica loopt naar verwachting volgend jaar af. Voor de regeling Chroom-6 worden vooralsnog na 2024 geen uitgaven meer geraamd. In de komende jaren loopt de contributie aan de NAVO licht op. De overige uitgaven op dit artikel zijn stabiel.Artikel 10. Apparaat kerndepartementOp dit artikel worden de apparaatsuitgaven van het kerndepartement verantwoord, met als omvangrijkste uitgave de kosten voor het personeel. De verwachte uitgaven aan (pensioen)uitkeringen fluctueren jaarlijks, waardoor de uitgaven op dit artikel in 2025 en 2029 een lichte afname laten zien.Artikel 11. GeheimDe inhoud van dit artikel is geheim.Artikel 12. Nog onverdeeldOp dit artikel staat onder andere het restsaldo van de nog niet uitgekeerde middelen van de meerjarige loon- en prijsbijstellingen. Daarnaast voegt het kabinet in het HLA structureel 2,4 miljard toe aan de Defensiebegrotingen. Gezien dit met name wordt besteed aan materieel, worden deze middelen grotendeels toegevoegd aan het Defensiematerieelbegrotingsfonds. Een deel van de middelen die op een later moment worden ingevuld, is verwerkt op dit artikel in afwachting van nadere uitwerking. Deze middelen worden op een later moment verdeeld naar de beleidsartikelen.Artikel 13. Bijdrage aan DefensiematerieelbegrotingsfondsOmwille van administratieve eenvoud en transparantie vinden mutaties op het defensiematerieelbegrotingsfonds voortaan niet meer plaats via het voedingsartikel op de defensiebegroting.311Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 DefensiematerieelbegrotingsfondsDEFENSIEMATERIEELBEGROTINGSFONDSK DefensiematerieelbegrotingsfondsIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven8.2439.77512.32312.69013.07312.708Totaal ontvangsten856971511531721601Defensiebreed MaterieelUitgaven1.7281.9422.2221.6781.6121.741Ontvangsten81278484102902Maritiem MaterieelUitgaven1.1551.2622.1001.8922.2412.300Ontvangsten1910101010103Land MaterieelUitgaven1.5362.3612.3802.6872.7122.689Ontvangsten3333334Lucht MaterieelUitgaven1.7472.1552.3422.9892.6052.261Ontvangsten1312101113135Infrastructuur en VastgoedUitgaven9668271.6161.3891.3801.599Ontvangsten2828282828286ITUitgaven1.1121.2281.6631.7171.6631.806Ontvangsten1717171717177Bijdrage andere begrotingshoofdstukken RijkUitgavenOntvangsten0000008Overige Uitgaven en OntvangstenUitgaven000337862312Ontvangsten696DEFENSIEMATERIEELBEGROTINGSFONDSK DefensiematerieelbegrotingsfondsIn miljoenen euro2030203120322033203420352036203720382039Totaal uitgaven11.79511.79211.73711.76911.33111.38011.40511.37911.27611.262Totaal ontvangsten1571511511441441441441441441441Defensiebreed MaterieelUitgaven1.5621.4821.4721.5831.8242.1192.4442.7352.1102.200Ontvangsten868686868686868686862Maritiem MaterieelUitgaven2.6943.4443.4803.4422.8232.4371.2691.1221.6411.573Ontvangsten101010101010101010103Land Materieel312Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 K DefensiematerieelbegrotingsfondsUitgaven2.1401.6131.5001.1991.5131.8952.1392.2331.8331.778Ontvangsten33333333334Lucht MaterieelUitgaven1.5471.5041.6241.5201.4341.6252.3962.1402.5492.622Ontvangsten148811111115Infrastructuur en VastgoedUitgaven1.4801.5141.5311.5081.1361.1541.1041.1211.1121.113Ontvangsten282828282828282828286ITUitgaven1.5981.4611.5571.8941.8751.4161.3671.3741.3781.309Ontvangsten171717171717171717177Bijdrage andere begrotingshoofdstukken RijkUitgavenOntvangsten00000000008Overige Uitgaven en OntvangstenUitgaven774774574623726734687654654667Ontvangsten696Algemeenet de extra middelen uit het Hoofdlijnenakkoord (HLA) worden de uitgaven aan Defensie in lijn gebracht met de NAVO-doelstelling van ten minste 2% bbp. Het totale Defensiebudget stijgt daarmee.Tegelijkertijd leidt de toegenomen geopolitieke onrust tot spanning in de mondiale defensiemarkt. Dit, in combinatie met krapte op de arbeidsmarkt, zorgt ervoor dat het tempo van de geplande investeringen van Defensie onder druk staat. De defensie-investeringen worden in een ritme geplaatst dat beter aansluit bij het moment waarop Defensie deze middelen verwacht uit te geven. Toelichting per artikelArtikel 1. Defensiebreed MaterieelOp dit artikel wordt het verwerven en instandhouden van het Defensiebreed materieel verantwoord. Materieel dat door alle operationele commando's wordt ingezet en niet specifiek gericht is op maritiem, land- of luchtoptreden, wordt begroot binnen het artikel Defensiebreed Materieel. Hieronder vallen bijvoorbeeld kleding en de aanschaf van generieke munitiesoorten. Daarnaast vallen de uitgaven aan kennis, innovatie en duurzaamheid onder dit artikel. Met name de uitgaven voor verwerving op dit artikel stijgen vanaf 2024 vanwege de extra toebedeelde middelen uit het HLA. Deze extra middelen worden besteed aan onder andere het versterken van de geneeskundige keten, drones en extra munitie.Daarnaast is de meerjarige ontwikkeling vanaf 2024 verder beïnvloed doordat 2,05 miljard euro van 2024 en 2025 naar 2027-2029 wordt geschoven op het investeringsbudget. Door onder andere krapte op de arbeidsmarkt en spanning in de mondiale defensiemarkt, staat het tempo van de geplande investeringen van Defensie onder druk. De defensie-investeringen zijn in een ritme geplaatst dat beter aansluit bij het moment waarop Defensie deze middelen verwacht uit te geven.313Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 2. Maritiem MaterieelOp dit artikel wordt het verwerven en instandhouden van het maritieme materieel verantwoord, zoals fregatten en onderzeeboten. De meest significante toevoeging is de aanschaf van twee extra Anti-Submarine Warfare fregatten (ASWF) om de operationele beschikbaarheid te verbeteren.Artikel 3. Land MaterieelOp dit artikel wordt het verwerven en instandhouden van het landmaterieel verantwoord, zoals Patriot-lanceersystemen en pantservoertuigen. De uitgaven lopen op vanwege de toevoeging van HLA-middelen. De meest significante toevoeging vanuit de HLA-middelen is het versterken van de Heavy Infantry Brigade met een tankbataljon.Artikel 4. Lucht MaterieelOp dit artikel wordt het verwerven en instandhouden van het luchtmaterieel verantwoord, zoals helikopters en vliegtuigen. De uitgaven lopen op vanwege de toevoeging van HLA-middelen. Met de HLA-middelen worden op dit artikel met name extra F-35-toestellen aangeschaft om de operationele beschikbaarheid te verbeteren.Artikel 5. Infrastructuur en VastgoedOp dit artikel wordt het verwerven en instandhouden van het Defensievastgoed verantwoord. Er worden middelen uit 2024 en 2025 naar 2026-2029 geschoven op dit artikel, onder andere om beter aan te sluiten op het ritme waarop Defensie deze middelen verwacht uit te geven. Dat zorgt ervoor dat de uitgaven in 2024 en 2025 lager zijn dan de uitgaven in latere jaren. Daarnaast lopen de uitgaven op dit artikel in de komende jaren op in het kader van de groeiende Defensieorganisatie.Artikel 6. ITOp dit artikel wordt het verwerven en instandhouden van het IT-domein verantwoord, zoals bijvoorbeeld Grensverleggende IT (GrIT) en Foxtrot de komende jaren. Er worden op dit artikel vanuit 2024 middelen naar 2027 en 2028 geschoven, om beter aan te sluiten op het ritme waarin Defensie verwacht deze middelen uit te geven. Daarnaast lopen de uitgaven op dit artikel in de komende jaren op in het kader van de groeiende Defensieorganisatie.Artikel 7. Bijdrage andere begrotingshoofdstukken RijkOmwille van administratieve eenvoud en transparantie vinden mutaties op het defensiematerieelbegrotingsfonds voortaan niet meer plaats via het voedingsartikel op de Defensiebegroting.Artikel 8. Overige Uitgaven en OntvangstenDe uitgaven op dit artikel betreffen nog niet uitgedeelde prijsbijstellingen over 2024. Daarnaast voegt het kabinet in het HLA structureel 2,4 miljard toe aan de Defensiebegrotingen. Gezien dit met name wordt besteed aan materieel, worden deze middelen grotendeels toegevoegd aan het Defensiematerieelbegrotingsfonds. Een deel van de middelen die op een later moment worden ingevuld, zijn verwerkt op dit artikel. Deze middelen worden op een later moment verdeeld naar de beleidsartikelen, in afwachting van nadere uitwerking.De ontvangsten in 2024 betreffen de toevoeging van de eindejaarsmarge over 2023.314Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Infrastructuur en Waterstaat (inclusief Mobiliteitsfonds en Deltafonds)Infrastructuur en WaterstaatXII INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAATXII Infrastructuur en WaterstaatIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven14.12614.11115.83915.86315.11915.133Totaal ontvangsten78415801.1151.1161.11011Integraal waterbeleidUitgaven838682745751Ontvangsten013Bodem en OndergrondUitgaven141135120119119114Ontvangsten214Wegen en verkeersveiligheidUitgaven475573427416344221Ontvangsten66666615VrachtwagenheffingUitgaven379651674735Ontvangsten5391.0841.0871.08216Openbaar vervoer en spoorUitgaven4488120201918Ontvangsten4517LuchtvaartUitgaven78119125284461Ontvangsten2131331118Scheepvaart en havensUitgaven113253183186147119Ontvangsten119Internationaal BeleidUitgaven11101110910Ontvangsten20Lucht en geluidUitgaven667260575757Ontvangsten11111121Circulaire EconomieUitgaven701211161087666Ontvangsten22Omgevingsveiligheid en milieurisico'sUitgaven73981061009998Ontvangsten00000023Meteorologie, seismologie en aardobservatieUitgaven746674686663315Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 XII Infrastructuur en WaterstaatOntvangsten24Handhaving en toezichtUitgaven223221217214214215Ontvangsten15151515151525Brede doeluitkeringUitgaven1.1131.2581.1481.1481.1481.148Ontvangsten26Bijdrage investeringsfondsenUitgaven10.57410.47312.26412.21411.63011.752Ontvangsten97Algemeen departementUitgaven655550494747Ontvangsten21111198Apparaatsuitgaven KerndepartementUitgaven518489457400368357Ontvangsten55554499Nog OnverdeeldUitgaven000000OntvangstenAlgemeenDe begroting van IenW (inclusief Mobiliteitsfonds en Deltafonds) stijgt van circa 14,1 miljard euro in 2024 naar 15,8 miljard euro in 2026 en 2027. De begroting daalt daarna weer naar circa 15,1 miljard euro in 2029. Deze beweging wordt grotendeels veroorzaakt door de verandering in artikel 26 (bijdrage investeringsfondsen) en wordt uitgebreider beschreven in de horizontale toelichting van het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds. De beleidsbegroting daalt van circa 3,5 miljard euro in 2024 naar circa 3,3 miljard euro in 2029. Dit zijn de totale uitgaven zonder artikel 26. Deze daling is bijna volledig te verklaren door het aflopen van subsidies en vergoedingen. Dit wordt uitgebreider beschreven in de toelichting per artikel.Toelichting per artikelArtikel 11. Integraal waterbeleidDe budgetten voor integraal waterbeleid stijgen onder andere tussen 2024 en 2025 door een nieuwe subsidieverlening vanuit het NGF waarmee het Groeiprogramma Water Technologie wordt ondersteund. Hierna lopen de budgetten af vanwege onder andere het aflopen van de subsidie voor ruimtelijke adaptatie en verschillende NGF-middelen voor bijvoorbeeld het project NL2120 en het groeiplan Watertechnologie.Artikel 13. Bodem en ondergrondVanaf 2024 tot 2029 lopen de bedragen beperkt af vanwege onder meer een aflopende subsidieregeling voor Caribisch Nederland en aflopende subsidies ten behoeve van saneringsmaatregelen voor bedrijven.316Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 14. Wegen en verkeersveiligheidEr zijn een aantal redenen waarom dit budget over verloop van tijd terugloopt. De budgetten voor slimme en duurzame mobiliteit liggen in 2024 en 2025 hoger door met name de reservering Klimaatakkoord en het stimuleringspakket vrachtwagenheffing 2024-2025. De budgetten lopen daarna weer af of houden op. Ook de bijdragen voor de stimuleringsregeling elektrische personenauto’s particulieren (SEPP) en de stimuleringsregeling Emissieloze bedrijfsauto’s (SEBA) lopen over de tijd af. Verder wordt in 2024 en 2025 de schaderegeling Stint uitgevoerd.Artikel 15. VrachtwagenheffingDit artikel is nieuw op de begroting van IenW. Deze reeks betreft de uitgaven van de vrachtwagenheffing en bestaat uit de exploitatiekosten, de personeelskosten, netto-opbrengsten en invoeringskosten. De uitgaven aan de vrachtwagenheffing belasten het uitgavenkader, maar worden gedekt via de vrachtwagenheffing die valt onder het inkomstenkader.Artikel 16. Openbaar vervoer en spoorDe uitgaven op dit artikel lopen na 2025 terug doordat het maatregelenpakket OVS afloopt. Naast dit pakket zijn in 2024 middelen van de begroting van OCW toegevoegd aan de begroting van IenW (circa 207 miljoen euro). Dit komt doordat er middelen vrijvielen na de herijking van het gebruik van de OV-Studentenkaart. Verder staat er op dit artikel 13 miljoen euro per jaar gereserveerd tot 2029 voor de subsidiebeschikking NS.Artikel 17. LuchtvaartDe neerwaartse trend in de budgetten vanaf 2027 op dit artikel hangt samen met het aflopen van subsidies. In 2024-2026 worden uitgaven gedaan voor het project Geluidsisolatie Schiphol fase 4 (GIS-4) om geluidshinder voor omwonenden van Schiphol te verminderen. De ontvangsten in 2025 en 2026 betreffen met name de desaldering van de GIS-4 heffing (€ 11,0 miljoen). Deze heffing loopt via de ontvangsten.Artikel 18. Scheepvaart en havensHet budget loopt in 2025 op, aangezien meer subsidies zijn bestemd voor verduurzaming van de binnenvaart en de uitrol van walstroom voor zeevaart. Vanwege afbouw van subsidies in latere jaren nemen de uitgaven op dit artikel geleidelijk af.Artikel 19. Internationaal BeleidVanuit dit artikel worden uitgaven aan internationale coördinatie en samenwerking gedaan. De uitgaven blijven stabiel.Artikel 20. Lucht en geluidIn 2025 neemt het budget op dit artikel toe tot 72 miljoen euro. Dit betreft voornamelijk hogere bijdragen aan medeoverheden via de subsidieregeling Sanering Verkeerslawaai voor uitvoering van saneringsmaatregelen door provincies en gemeenten (ruim 30 miljoen euro). Deze bijdragen nemen af en daarna blijven de middelen stabiel.Artikel 21. Circulaire economieDe uitgaven voor circulaire economie nemen in 2025 toe. Dit komt voornamelijk door opdrachten en subsidies voor duurzame productie-ketens. Daarnaast zijn er met name in 2024 en 2025 middelen vanuit het Klimaatfonds beschikbaar voor het bevorderen van circulair doen en gedrag, ondersteuning van onder andere ketenvorming en recyclingtechnieken circulaire plastics en de continuering van de regeling Demonstratie 317Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) en Circulaire Economie. Dit zijn voornamelijk tijdelijke regelingen waardoor de middelen op dit artikel over de tijd ook weer afnemen.Artikel 22. Omgevingsveiligheid en milieurisico'sDe uitgaven op dit artikel nemen toe tot 106 miljoen euro in 2026, om vanaf 2027 weer licht te dalen en te stabiliseren rond de 100 miljoen euro. Er zijn hogere uitgaven door wettelijke taken aan het programma Omgevingsveiligheid. Daarnaast zijn er diverse opdrachten die nu op artikel 22 verantwoord worden en voorheen door de ANVS aan RIVM in opdracht werd gegeven. Dit zijn opdrachten op Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH), de communicatiecampagne asbest en de toegenomen uitvoeringskosten van het RIVM omtrent het radionuclidenlab.Artikel 23. Meteorologie, seismologie en aardobservatieDe uitgaven aan de agentschapsbijdragen aan het KNMI voor meteorologie, seismologie en aardobservatie zijn redelijk stabiel.Artikel 24. Handhaving en toezichtDe personele uitgaven van de Inspectie Leefomgeving en Toezicht nemen licht toe, terwijl de materiële uitgaven beperkt dalen. Per saldo nemen de uitgaven aan handhaving en toezicht hiermee licht af vanaf 2024. De ontvangsten betreffen met name inkomsten uit vergunningverlening en de bijdrage van de Autoriteit Wonen voor overheadkosten en zijn nagenoeg constant.Artikel 25. Brede doeluitkeringJaarlijks wordt een beschikking verstrekt voor de Brede Doeluitkering (BDU) aan de Vervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. Deze beschikking wordt berekend op basis van de in de Wet BDU Verkeer en Vervoer opgenomen methodiek. De bijdrage aan de samenwerkingsverbanden Vervoerregio Amsterdam en Metropoolregio Rotterdam Den Haag is min of meer constant op circa 1,1 miljard euro. In het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken dat de specifieke uitkeringen, waaronder de BDU, vanaf 2026 worden overgeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds met een budgetkorting van 10 procent. Deze budgetkorting is ook verwerkt in de reeks.Artikel 26. Bijdrage investeringsfondsenDit is het artikel op de begroting van IenW van waaruit het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds worden gevoed. Voor de details van de omvorming van ProRail (naar een ZBO) en meer informatie over de verschuivingen op de fondsen wordt verwezen naar de begrotingen en horizontale toelichtingen van het Mobiliteitsfonds en Deltafonds.Artikel 97. Algemeen departementDe departementsuitgaven zijn in 2024 hoger door de extra exploitatiekosten voor het regeringsvliegtuig. Tussen 2024 en 2028 dalen de uitgaven, waarna het constant blijft op 47 miljoen euro.Artikel 98. Apparaatsuitgaven kerndepartementHet apparaatsbudget daalt de komende jaren van 518 miljoen euro naar 357 miljoen euro. Dit komt met name door lagere uitgaven aan externe inhuur, maar ook aan eigen personeel. Daarnaast heeft dit te maken met de taakstelling op apparaatsuitgaven. Deze taakstelling wordt met een infaseerpad van 5% budgetkorting per jaar in 2025 t/m 2028 en 2% in 2029 naar een totaal van 22% procent gebracht.318Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 99. Nog onverdeeldDit betreft een administratief artikel, wat betekent dat er geen daadwerkelijke uitgaven ten laste van artikel 99 worden gedaan.319Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 MobiliteitsfondsMOBILITEITSFONDSIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven10.1909.42910.63410.60510.31810.686Totaal ontvangsten10.1909.42910.63410.60510.31810.68611Verkenningen, reserveringen en investeringsruimteUitgaven632354588229881.541Ontvangsten004812HoofdwegennetUitgaven3.8983.9414.4764.1994.2763.946Ontvangsten10512411912211220713SpoorwegenUitgaven3.2872.7323.1093.1222.5442.865Ontvangsten23830314815015315514Regionale infrastructuur en bereikbaarheidsprogramma'sUitgaven993598252123174201Ontvangsten015HoofdvaarwegennetUitgaven1.3971.4061.6091.5641.5251.454Ontvangsten4013318017Megaprojecten Verkeer en VervoerUitgaven548517730776811679Ontvangsten61718267876718Overige uitgaven en ontvangstenUitgaven30000Ontvangsten42719OntvangstenUitgavenOntvangsten9.3198.91810.28210.2649.95810.208MOBILITEITSFONDSIn miljoenen euro203020312032203320342035203620372038Totaal uitgaven10.5959.0809.0158.9298.7808.8108.7568.6908.647Totaal ontvangsten10.5959.0809.0158.9298.7808.8108.7568.6908.64711Verkenningen, reserveringen en investeringsruimteUitgaven1.4169937481.7742.1531.8361.8451.8532.829Ontvangsten12HoofdwegennetUitgaven3.8063.5713.5203.0112.5393.1022.8812.9582.373Ontvangsten16316117272505010838313SpoorwegenUitgaven3.0772.5392.5232.4332.5142.2532.3462.4932.185320Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro203020312032203320342035203620372038Ontvangsten16316616817016618416716716714Regionale infrastructuur en bereikbaarheidsprogramma'sUitgaven299303321102725277Ontvangsten15HoofdvaarwegennetUitgaven1.2611.3191.5271.1631.1121.1511.1921.141922Ontvangsten10000000017Megaprojecten Verkeer en VervoerUitgaven735355375447390416415244338Ontvangsten7381385618Overige uitgaven en ontvangstenUitgavenOntvangsten19OntvangstenUitgavenOntvangsten10.1958.6738.6368.6308.5638.5768.5788.4398.397AlgemeenDe begroting van het Mobiliteitsfonds groeit van circa 10,2 miljard euro in 2024 naar circa 10,7 miljard euro in 2029. Deze stijging is onder andere te verklaren door investeringen van 7,5 miljard euro (cumulatief) voor ontsluiting woningbouw en 1,5 miljard euro (structureel) voor instandhouding. Vanaf 2031 daalt de begroting van circa 9,1 miljard euro naar circa 8,6 miljard euro in 2038. Dit komt onder andere vanwege het aflopen van budgetten voor de ontsluiting van woningbouw. Daarnaast staan de middelen voor de ontsluiting woningbouwlocaties uit het hoofdlijnenakkoord (cumulatief circa 2,5 miljard euro) en voor de Lelylijn (circa 3,4 miljard euro cumulatief) op de Aanvullende Post.Toelichting per artikelArtikel 11. Verkenningen, reserveringen en investeringsruimteDit artikel bevat alle (plan)flexibele budgetten die zijn gereserveerd voor het verbeteren van bereikbaarheid en risico's bij lopende projecten. Specifiek gaat het om budgetten voor verkenningen en reserveringen. Het budget stijgt van circa 63 miljoen euro in 2024 naar ruim 1,5 miljard euro in 2029. De oplopende lijn is te verklaren door het feit dat toekomstige budgetten bedoeld zijn voor nog te plannen projecten. Zodra projecten concreet zijn gepland, wordt het budget overgeheveld naar artikel 12 van het Mobiliteitsfonds. Verschillende nieuwe projecten zoals de A50 Bankhoef Paalgraven, A15 Papendrecht - Gorinchem en OV Verbinding NoordZuidlijn zijn niet concreet gepland. Het beschikbare budget in de investeringsruimte is volledig voor risicoreserveringen en tegenvallers gereserveerd.Artikel 12. HoofdwegennetDe fluctuaties over de jaren hangen samen met de planning van de uitgaven van diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerkingen). De reeks loopt vanaf 2029 af omdat een deel van de beschikbare 321Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 middelen voor het Hoofdwegennet zich in de verkenningsfase bevinden en daarom op artikel 11 staan. Daarnaast staat een deel van de middelen voor de instandhouding van het hoofdwegennet nog op artikel 11. De piek in 2026 komt vanwege de verwachte uitgaven aan de ViA15.Artikel 13. SpoorwegenBij deze begroting zijn de resterende middelen op de Aanvullende Post voor de instandhouding van het spoornetwerk voor de periode 2031 ‒ 2035 overgeboekt naar de begroting (artikel 13) van IenW. De fluctuaties over de jaren hangen samen met de planning van de uitgaven van diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verkenningen en planuitwerking). De reeks loopt vanaf 2031 onder andere af omdat een deel van de beschikbare middelen voor nieuwe aanleg zich in de verkenningsfase bevinden en daarom op artikel 11 staan zoals het project de Oude Lijn (circa 1,2 miljard euro). Daarnaast staat op de Aanvullende Post circa 3,4 miljard euro bestemd voor de Lelylijn.Artikel 14. Regionale infrastructuur en bereikbaarheidsprogramma'sDe uitgaven op dit artikel hangen samen met projecten die regionale overheden aanleggen. Na 2024 daalt het budget om vanaf 2028 weer te stijgen. De daling vanaf 2024 hangt samen met de aflopende incidentele budgetten voor woningbouw op korte termijn voor bovenplanse infrastructuur. De incidentele middelen voor de mobiliteitspakketten kennen een langere looptijd en zorgen voor meer uitgaven vanaf 2028 en een piek in de periode 2030 ‒ 2032. Na 2032 loopt ook dit budget af. Beide budgetten hebben tot doel nieuwe woningbouwlocaties te ontsluiten en bereikbaar te maken.Artikel 15. HoofdvaarwegennetDe uitgaven stijgen tussen 2024 en 2026 om vervolgens vanaf 2027 licht af te nemen, in 2032 te pieken en vanaf 2033 af te nemen. Er is een piek in 2026 en 2032 vanwege de reservering voor de maatregelen scheepvaartveiligheid als gevolg van Wind op Zee. De afname van middelen vanaf 2033 wordt verklaard omdat de middelen voor de instandhouding van het vaarwegennet gereserveerd staan op artikel 11 van de begroting van het Mobiliteitsfonds.Artikel 17. Megaprojecten verkeer en vervoerOnder dit artikel vallen de projecten Project Mainportontwikkeling Rotterdam, European Rail Traffic Management System (ERTMS), Zuidasdok en het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS). De hogere uitgaven van 730 miljoen euro in 2026, 776 miljoen euro in 2027 en 811 miljoen euro in 2028 hangen voornamelijk samen met de aanleg van ERTMS. Daarnaast stijgen op dit artikel de uitgaven jaarlijks aan het project Zuidasdok en aan de planning, studies, en aanleg van het programma Hoogfrequent Spoor (PHS).Artikel 18. Overige uitgaven en ontvangstenDe incidentele uitgaven in 2025 hangen samen met de afroming van het surplus aan eigen vermogen van Rijkswaterstaat.Artikel 19. OntvangstenDit artikel bestaat uit de voeding van het Mobiliteitsfonds vanuit de begroting van IenW (hoofdstuk XII).322Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 DeltafondsDELTAFONDSIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven1.6481.7232.1322.1081.8511.736Totaal ontvangsten1.6481.7232.1322.1081.8511.7361Investeren in waterveiligheidUitgaven553560805734705566Ontvangsten1861681511581781932Investeren in zoetwatervoorzieningUitgaven785949684312Ontvangsten03Beheer, Onderhoud en vernieuwingUitgaven331397351333398447Ontvangsten4Experimenteren cf. art. III DeltawetUitgaven1419792636363Ontvangsten5Netwerkgebonden kosten en overige uitgavenUitgaven379450564606580599Ontvangsten2086Bijdrage ten laste van begroting Hoofdstuk XIIUitgavenOntvangsten1.2541.5551.9821.9501.6731.5447Investeren in WaterkwaliteitUitgaven1661602713046250Ontvangsten000DELTAFONDSIn miljoenen euro203020312032203320342035203620372038Totaal uitgaven1.8291.8271.8431.8681.8701.9341.9881.9761.967Totaal ontvangsten1.8291.8271.8431.8681.8701.9341.9881.9761.9671Investeren in waterveiligheidUitgaven534425549630537570550500416Ontvangsten1882092111942211921971901902Investeren in zoetwatervoorzieningUitgaven000000000Ontvangsten3Beheer, Onderhoud en vernieuwingUitgaven440436432273305305322322259Ontvangsten323Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro2030203120322033203420352036203720384Experimenteren cf. art. III DeltawetUitgaven625959626259585559Ontvangsten5Netwerkgebonden kosten en overige uitgavenUitgaven7358136878139489991.0571.0971.232Ontvangsten6Bijdrage ten laste van begroting Hoofdstuk XIIUitgavenOntvangsten1.6411.6181.6321.6741.6491.7421.7911.7861.7777Investeren in WaterkwaliteitUitgaven579311689170000OntvangstenAlgemeenDe begroting van het Deltafonds fluctueert door de jaren tussen de circa 1,6 miljard euro (2024), circa 2,1 miljard euro (2026 en 2027) en circa 1,8 miljard euro in de jaren daarna. De fluctuatie wordt onder andere verklaard door de planning van diverse aanlegprojecten, een piek in kosten voor beheer en onderhoud in bijvoorbeeld 2025 en 2028 en de tweede en derde tranche aan maatregelen met betrekking tot de Kaderrichtlijn Water in 2026 en 2027. Dit wordt uitgebreider beschreven in de toelichting per artikel.Toelichting per artikelArtikel 1. Investeren in waterveiligheidHet verloop van de jaarlijkse uitgaven en ontvangsten hangt samen met de planning van de diverse aanlegprojecten (zowel realisatie als verken ningen en planuitwerkingen). De daling in 2029 wordt onder andere veroorzaakt door een lagere programmering van het hoogwaterbescher mingsprogramma.Artikel 2. Investeren in zoetwatervoorzieningOp dit artikel worden de uitgaven op het gebied van zoetwatervoorziening verantwoord. De hogere uitgaven in 2024 hangen samen met de aanleg van zoetwatervoorziening, namelijk Deltaplan Zoetwater fase 2 en de impuls ruimtelijke adaptatie.Artikel 3. Beheer, onderhoud en vernieuwingDe budgetten voor beheer, onderhoud en vervanging van waterveiligheid zijn redelijk constant. Vanaf 2032 is er sprake van lagere bedragen. De reden hiervoor is dat middelen voor instandhouding vanaf 2032 nog gereserveerd staan op artikel 5.Artikel 4. Experimenteren cf. art. III DeltawetOp dit artikel worden de uitgaven voortvloeiend uit het DBFM-contract voor het project Afsluitdijk verantwoord. De hoogte van de uitgaven fluctueert afhankelijk van mijlpaalbetalingen in de betreffende jaren.324Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 5. Netwerkgebonden kosten en overige uitgavenHet beschikbare bedrag stijgt van 379 miljoen euro in 2024 naar circa 1,2 miljard euro 2038. Deze stijging komt met name door reserveringen voor onder andere het Programmatische Aanpak Grote Wateren en de investeringsruimte die in latere jaren staat.Artikel 6. Bijdrage ten laste van begroting Hoofdstuk XIIDit artikel betreft de voeding van het Deltafonds vanuit de begroting van IenW (hoofdstuk XII).Artikel 7. Investeren in waterkwaliteitOp dit artikel worden maatregelen op gebied van waterkwaliteit ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water (KRW) verantwoord. De fluctuatie in de budgetten hangt samen met de uitgaven voor de tweede en derde tranche van de KRW.325Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Economische Zaken en Klimaat (inclusief Nationaal Groeifonds)Economische ZakenXIII ECONOMISCHE ZAKENXIII Economische ZakenIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven11.3703.2522.9332.6162.3972.237Totaal ontvangsten6.7204974912352414371Goed functionerende economie en marktenUitgaven400466423425391342Ontvangsten22244454647482Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroeiUitgaven2.7401.9761.6631.3861.3171.163Ontvangsten3103902441291341173ToekomstfondsUitgaven369293372350266319Ontvangsten794117937372484Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatveranderingUitgaven4.20200000Ontvangsten2.586000005Een veilig Groningen met perspectiefUitgaven2.89700000Ontvangsten3.381000006Bijdrage Nationaal GroeifondsUitgaven000000Ontvangsten40ApparaatUitgaven762517475455423413Ontvangsten141232323232341Nog onverdeeldUitgaven000000OntvangstenAlgemeenDe uitgaven op de begroting van het ministerie van Economische Zaken laten van 2024 naar 2025 een relatief grote daling zien, vanwege de overheveling van middelen naar de begroting van het ministerie van Klimaat en Groene Groei (grofweg begrotingsartikel 4) en de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (grofweg begrotingsartikel 5). Vanaf 2025 kent de begroting een daling van 3,3 miljard euro in 2025 tot 2,2 miljard euro in 2029. Dit is onder andere het gevolg van het aflopen van incidentele subsidies uit het Nationaal Groeifonds (NGF).326Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 1. Goed functionerende economie en marktenDe uitgaven op dit artikel hebben met name betrekking op de bijdragen aan agentschappen (Agentschap RDI en RVO) en bijdragen aan ZBO’s/RWT’s (Metrologie en CBS). Daarnaast staan er op dit artikel ook middelen voor verschillende projecten uit het NGF. De uitgaven op dit artikel laten een daling zien vanaf 2024. Dit is vooral het gevolg van de incidentele uitgaven aan EZ-projecten van het NGF in 2024-2029. De ontvangsten hebben onder meer betrekking op boetes die worden opgelegd door bijvoorbeeld de ACM en waar – in het kader van het zogenaamde High Trust-beleid – een meerjarige raming voor wordt aangehouden.Artikel 2. Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemenDe uitgaven op dit artikel zijn bestemd voor onder andere bijdragen aan (inter-)nationale organisaties en subsidies ter stimulering van innovatie en ondernemen (waaronder verschillende projecten uit het Nationaal Groeifonds (NGF)). De uitgaven op dit artikel laten een relatief grote daling zien tussen 2024 en 2025. Dat wordt veroorzaakt door het aflopen van de subsidie voor verschillende NGF-projecten en incidentele coronamaatregelen, zoals de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Ook de middelen voor de Subsidieregeling Indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) zijn incidenteel in 2024. Daarnaast zijn de uitgaven voor verduurzaming industrie vanaf 2025 overgeheveld naar de begroting van het ministerie van Klimaat en Groene Groei. De ontvangsten zijn grotendeels afkomstig uit terugontvangsten van coronaregelingen, de Borgstelling MKB-kredieten en Garantie Ondernemingsfinanciering, de Rijksoctrooiwet en de luchtvaartkredietregeling.Artikel 3.ToekomstfondsDe uitgaven op dit artikel bestaan voornamelijk uit leningen (en terugontvangsten) die gericht zijn op financiering voor bedrijven en onderzoek. De uitgaven laten een relatief stabiele ontwikkeling zien, in tegenstelling tot eerdere jaren. De uitgaven zijn in een realistisch kasritme gezet dat aansluit bij de verwachte vraag naar leningen en bij de uitvoering daarvan. Op de ontvangsten is een verhoging te zien in 2026 en 2029. Dat komt doordat de corona-overbruggingsleningen, die door de ROM’s worden beheerd, deels in tranches en deels in het laatste jaar van de looptijd (2026) worden afgelost. Ook worden de verwachte ontvangsten van verschillende leningen in het laatste jaar verwacht van de looptijd van deze leningen (2029).Artikel 4. Een doelmatige en duurzame energievoorziening en beperking van de klimaatveranderingDe uitgaven op dit artikel bestaan voornamelijk uit subsidies (waaronder Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) en verschillende Klimaatfondssubsidies) en bijdragen aan medeoverheden (uitvoeringskosten voor klimaatbeleid). Vanaf 2025 zijn alle middelen van dit artikel overgeheveld naar de begroting van het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG). De horizontale toelichting van de KGG-begroting geeft inzicht in ontwikkeling van de uitgaven vanaf 2025.Artikel 5. Een veilig Groningen met perspectiefDe uitgaven op dit artikel bestaan vooral uit betalingen van schadevergoedingen en de versterkingsoperatie voor gedupeerden van aardbevingen door gaswinning. Vanaf 2025 zijn de middelen van dit artikel overgeheveld naar de begroting van het ministerie van Binnenlandse zaken of de begroting van het ministerie van Klimaat en Groene Groei. De horizontale toelichting van de BZK-begroting en de KGG-begroting geeft inzicht in ontwikkeling van de uitgaven vanaf 2025.327Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 6. Bijdrage Nationaal GroeifondsDit artikel was voorheen het voedingsartikel voor het Nationaal Groeifonds. Omwille van administratieve eenvoud en transparantie vinden mutaties op het Nationaal Groeifonds voortaan niet meer plaats via de EZK-begroting (het voedingsartikel), maar worden ze rechtstreeks verwerkt op de begroting van het Nationaal Groeifonds.Artikel 40. ApparaatDe uitgaven op dit artikel hebben betrekking op personele en materiële uitgaven. Deze uitgaven kennen een dalend verloop vanwege onder andere de taakstelling op het Rijksapparaat uit het Hoofdlijnenakkoord.Artikel 41. Nog onverdeeldOp het onverdeeld artikel staan momenteel geen reserveringen. Hierop wordt bijvoorbeeld bij de Voorjaarsnota de loon- en prijsbijstelling geboekt om daarna door te verdelen.328Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Klimaat en Groene GroeiXXIII KLIMAAT EN GROENE GROEIXXIII Klimaat en Groene GroeiIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven4.5095.5505.5895.6465.326Totaal ontvangsten2.4182.4196.1204.9013.88731Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatveranderingUitgaven4.5095.5505.5895.6465.326Ontvangsten2.4182.4196.1204.9013.88770ApparaatUitgaven00000Ontvangsten71Nog onverdeeldUitgaven00000OntvangstenAlgemeenDe ontwikkeling van de uitgaven op dit artikel wordt vooral verklaard door grotere instrumenten als de SDE(++)-regelingen en investeringen in waterstof. Beide zorgen voor een groot deel van de stijging in uitgaven tussen 2025 en 2026. De geraamde uitgaven aan de SDE+ en SDE++ stijgen in de jaren naar 2029. Dit komt onder andere door de invloed van de energieprijzen en het ritme waarin eerder aangegane verplichtingen worden uitbetaald. De waterstof-gerelateerde uitgaven (o.a. opschalingsinstrument, IPCEI, waterstofbackbone) dalen richting 2029. Ook de verwachte uitgaven aan de ISDE (Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing) laten tussen 2026 en 2027 een daling zien. De middelen voor waterstof en de ISDE zijn gedeeltelijk gefinancierd uit Klimaatfondsmiddelen; dat deel is daarmee incidenteel. De uitgaven voor 2024 staan nog op de lopende begroting van het Ministerie van Economische Zaken.Toelichting per artikelArtikel 31. Een doelmatige energievoorziening en beperking van klimaatveranderingDe ontvangsten op dit artikel bestaan onder andere uit ETS-ontvangsten en dividenduitkering van Energie Beheer Nederland (EBN). Er wordt een sterke stijging vanaf 2027 geraamd in de ETS-ontvangsten, de oorzaak hiervan is invoering van het ETS-2 systeem per 2027. Hierdoor worden nieuwe sectoren onder de ETS-systematiek gebracht waardoor de inkomsten toenemen.Artikel 70. ApparaatDe uitgaven op dit artikel hebben betrekking op personele en materiële uitgaven. Deze uitgaven staan nu nog volledig op de EZ-begroting. Het deel dat bij het ministerie van KGG behoort, wordt op een later moment overgeheveld naar de KGG-begroting.Artikel 71. OnverdeeldOp het onverdeeld artikel staan momenteel geen reserveringen. Hierop wordt bij de Voorjaarsnota bijvoorbeeld de loon- en prijsbijstelling geboekt om daarna door te verdelen.329Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Nationaal GroeifondsNATIONAAL GROEIFONDS 2024-2029Economische Zaken (incl. Nationaal Groeifonds)In miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven89393734617913950Totaal ontvangsten0000001KennisontwikkelingUitgaven0160207208494556Ontvangsten0000002Onderzoek, ontwikkeling en innovatieUitgaven89233527409420393Ontvangsten0000003InfrastructuurUitgaven0Ontvangsten0AlgemeenBij de uitgaven van het Nationaal Groeifonds (NGF) is een stijging zichtbaar tussen 2024 en 2029. De middelen op het NGF zijn met name bestemd voor de uitvoering van projecten die in de eerste t/m derde ronde een voorwaardelijke toekenning of reservering hebben gekregen en in latere jaren mogelijk een definitieve toekenning ontvangen. Dit zijn langlopende projecten waar het zwaartepunt van de verwachte uitgaven in latere jaren ligt.Artikel 1. KennisontwikkelingVoor dit artikel worden geen uitgaven meer verwacht in 2024 en daarom zijn de middelen hiervoor geschoven naar latere jaren. In 2024 tot en met 2029 is een stijging te zien per jaar. Hierbij is rekening gehouden met de nog toe te kennen bedragen voor omzettingen naar een definitieve toekenning van projecten met een voorwaardelijke toekenning of reservering.Artikel 2. Onderzoek, ontwikkeling en innovatieVoor dit artikel is in de jaren tot en met 2026 een stijging zichtbaar. In de jaren daarna is een geleidelijke daling zichtbaar. Hierbij is rekening gehouden met het verwachte ritme van uitbetaling van middelen voor omzettingen naar een definitieve toekenning van projecten met een voorwaardelijke toekenning of reservering.Artikel 3. InfrastructuurVoor het artikel Infrastructuur zijn geen middelen meer opgenomen op de NGF-begroting.330Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 KlimaatfondsKLIMAATFONDSM KlimaatfondsIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven7582.7832.4402.9362.488Totaal ontvangsten1KernenergieUitgaven1503868921.042Ontvangsten2CO2-neutrale gascentralesUitgavenOntvangsten3Energie-infrastructuurUitgaven4018912112863Ontvangsten4Vroege fase opschalingUitgaven3621.420749827620Ontvangsten5Verduurzaming industrieUitgaven331860654596438Ontvangsten6Verduurzaming gebouwde omgevingUitgaven25165480394326Ontvangsten7OnverdeeldUitgaven5199OntvangstenAlgemeenDe Klimaatfondsbegroting toont de hoeveelheid middelen die nog resteren in het Klimaatfonds en dus nog niet zijn overgeheveld naar departementale begrotingen. De begroting is ingedeeld conform de zogenaamde percelen van het Klimaatfonds. Op de begroting staan middelen die gereserveerd zijn voor beoogde maatregelen, middelen die reeds voorwaardelijk zijn toegekend (maar waar nog niet aan de voorwaarden is voldaan), en voor een deel overige, nog niet gereserveerde/vrije middelen. Deze middelen staan op de Klimaatfondsbegroting in het verwachte ritme van de beoogde maatregelen, op basis van de huidige inschattingen. Deze maatregelen moeten nog verder worden uitgewerkt.Toelichting per artikelArtikel 1. KernenergieOp het artikel Kernenergie staan de middelen voor de bouw van de eerste twee nieuwe kerncentrales, alsmede de intensivering van 9,5 miljard euro uit het Hoofdlijnenakkoord voor twee extra kerncentrales.331Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 2. CO2-neutrale gascentralesOp het artikel CO2-neutrale gascentrales staan in het jaar 2030 de middelen van 997 miljoen euro voor CO2-neutrale gascentrales. Dit is wat er in totaal nog resteert voor dit perceel. Voor de jaren 2024 tot en met 2029 staan er geen middelen.Artikel 3. Energie-infrastructuurOp het artikel Energie-infrastructuur staan onder andere voorwaardelijke toekenningen en reserveringen voor bijvoorbeeld het waarborgfonds warmtenetten en waterstofopslag.Artikel 4. Vroege fase opschalingOp het artikel Vroege fase opschaling staan onder andere voorwaardelijke toekenningen en reserveringen voor bijvoorbeeld elektrolyse, duurzame luchtvaartbrandstoffen en biobased bouwen.Artikel 5. Verduurzaming industrieOp het artikel Verduurzaming industrie staan onder andere voorwaardelijke toekenningen en reserveringen voor de Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie (NIKI) en de Demonstratieregeling Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+), ondersteuning van het mkb bij de aanscherping van de energiebesparingsplicht, en maatwerkafspraken (ook met afvalverbrandingsinstallaties, AVI’s).Artikel 6. Verduurzaming gebouwde omgevingOp het artikel Gebouwde omgeving staan onder andere reserveringen voor aanvullingen van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE), het Nationaal Isolatie Programma (NIP) en de stimulering van warmtepompen.Artikel 7. OnverdeeldOp het artikel Onverdeeld staan de middelen die worden opgehaald met de CO2-heffing op de AVI’s. Deze worden via het Klimaatfonds ingezet voor de verduurzaming van de AVI’s.332Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (inclusief Diergezondheidsfonds)Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en NatuurXIV LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUURXIV Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en NatuurIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven4.3854.7312.9952.3241.8281.607Totaal ontvangsten15874921341466421Land- en tuinbouwUitgaven1.1222.342908589269204Ontvangsten98312929292922Natuur, visserij en gebiedsgericht werkenUitgaven1.9481.110939640495437Ontvangsten453151931062423Kennis en innovatieUitgaven347407340304326230Ontvangsten97777724Uitvoering en toezichtUitgaven679614565572541534Ontvangsten50ApparaatUitgaven262245232186178178Ontvangsten44443351Nog onverdeeldUitgaven271210331924OntvangstenAlgemeenIn 2024 is de omvang van de totale uitgaven circa 4,4 miljard euro, in 2029 1,6 miljard euro. Deze daling van circa 2,8 miljard euro komt voornamelijk doordat er in eerdere jaren meer middelen uit de voormalige Transitiefondmiddelen op de begroting staan. Het gaat hierbij om de uitkoopregelingen Lbv en Lbv-plus en de budgetten voor de koploperprojecten. De ontvangsten zijn in 2024 hoger dan in de jaren erna. Dit komt voornamelijk door een desaldering van 63 miljoen euro uit de Borgstellingsregeling Vermogensversterkend Krediet, die wordt ingezet voor de subsidie voor vestigingssteun voor jonge landbouwers. Ook in 2027 en 2028 zijn de ontvangsten hoger, dit komt door de verkoop van gronden door de Nationale Grondbank in die jaren.Het kabinet heeft aanvullende middelen vrijgemaakt voor LVVN: 1 miljard euro per jaar van 2025 tot en met 2029, en 500 miljoen euro per jaar structureel vanaf 2026. Deze middelen staan op dit moment nog op de Aanvullende Post. Als deze middelen overgeheveld worden naar de LVVN begroting dan loopt de begroting nog steeds af, maar minder scherp.333Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Toelichting per artikelArtikel 21. Land- en tuinbouwVoor land- en tuinbouw is het budget in 2024 tot en met 2026 incidenteel hoger vanwege de uitkoopregelingen Lbv-plus (cumulatief 1,8 miljard euro, waarvan 1 miljard euro in 2025) en Lbv (1,1 miljard euro, waarvan 600 miljoen euro in 2025). De ontvangsten zijn in 2024 hoger dan in de jaren erna. Dit komt voornamelijk door een desaldering van 63 miljoen euro uit de Borgstellingsregeling Vermogensversterkend Krediet, dat wordt ingezet voor de subsidie voor vestigingssteun voor jonge landbouwers.Artikel 22. Natuur, visserij en gebiedsgericht werkenHet budget voor natuur, visserij en gebiedsgericht werken is in 2024 tot en met 2026 incidenteel hoger dan daarna. Dit wordt grotendeels verklaard door de koploperprojecten (cumulatief 1,5 miljard euro in 2024 tot en met 2026), en budget om de problematiek bij PAS-melders op te lossen (250 miljoen euro in 2024 tot en met 2026). De ontvangsten blijven in de periode 2024 ‒ 2029 grotendeels gelijk.Artikel 23. Kennis en innovatieHet budget voor kennis en innovatie blijft grotendeels stabiel van 2024 tot en met 2028. In 2029 volgt een dip van 93 miljoen euro ten opzichte van 2028. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door het aflopen van de budgetten uit het Nationaal Groeifonds voor onder andere de omschakeling naar regeneratieve landbouw (57 miljoen euro) en het aflopen van budget voor Kennis en Innovatie uit de voormalige Transitiefondsmiddelen (18 miljoen euro). De ontvangsten blijven in de periode 2025 t/m 2029 gelijk.Artikel 24. Uitvoering en toezichtHet budget voor uitvoering en toezicht loopt geleidelijk af van 679 miljoen euro in 2024 naar 534 miljoen euro in 2029. Dit wordt verklaard door aflopend budget voor RVO, tariefdemping op de NVWA (8 miljoen euro in de periode 2024 tot en met 2029), incidentele hoge kosten die voortkomen uit een negatieve CBb-uitspraak voor de NVWA in 2024 (17 miljoen euro) en een begrote structurele besparing op het RVO-budget van 26 miljoen euro. Er vinden geen ontvangsten plaats op artikel 24.Artikel 50. ApparaatDe apparaatsbudgetten lopen met 84 miljoen euro af in de periode 2024 tot en met 2029, van 262 miljoen euro naar 178 miljoen euro. Dit wordt verklaard door het aflopen van budget uit de voormalige Transitiefondsmiddelen (58 miljoen euro) en het terugdraaien van de groei van het apparaat van de Rijksoverheid (42 miljoen euro). De ontvangsten blijven in de periode 2024 t/m 2029 gelijk.Artikel 51. Nog onverdeeldHet budget op artikel 51 daalt van 27 miljoen in 2024 naar 24 miljoen in 2029. In 2025, 2026 en 2028 is het budget lager wat voornamelijk te maken heeft met overhevelingen naar IenW en EZ.334Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 DiergezondheidsfondsDIERGEZONDHEIDSFONDSF DiergezondheidsfondsIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven413637373838Totaal ontvangsten5954363738381Bewaking en bestrijding van dierziektenUitgaven413637373838Ontvangsten595436373838AlgemeenHet Diergezondheidsfonds heeft één artikel. Op het Diergezondheidsfonds vinden de mutaties plaats voor de bewaking en bestrijding van dierziekten. In 2024 is het budget incidenteel hoger door de uitbraak van vogelgriep. Het budget van het Fonds loopt langzaam op in de jaren 2026-2029 door de toenemende kosten aan de High Containment Unit (HCU), een faciliteit waar onderzoek naar besmettelijke dierziekten plaatsvindt.335Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Sociale ZekerheidSociale Zaken en WerkgelegenheidXV SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEIDIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven63.63459.99764.41467.27369.32871.745Totaal ontvangsten2.5012.5022.4982.4662.3742.3041ArbeidsmarktUitgaven2.130819624540324321Ontvangsten2019191919192Bijstand, Participatiewet en ToeslagenwetUitgaven8.5308.6928.8479.0089.2079.392Ontvangsten825756421493ArbeidsongeschiktheidUitgaven9116311Ontvangsten4JonggehandicaptenUitgaven4.4874.5614.6024.5594.6024.636Ontvangsten5WerkloosheidUitgaven181178140146164126Ontvangsten16Ziekte en verlofregelingenUitgaven283548606262Ontvangsten277KinderopvangUitgaven5.0465.5626.8297.4217.6397.850Ontvangsten1.9191.9591.9711.9521.8851.8238OudedagsvoorzieningUitgaven1786364677175Ontvangsten09NabestaandenUitgaven334444Ontvangsten10Tegemoetkoming oudersUitgaven9.81310.0779.9139.7389.6009.473Ontvangsten25436234834935435211UitvoeringUitgaven754682680670671672Ontvangsten8912RijksbijdragenUitgaven31.18628.50931.77634.18536.14038.274Ontvangsten336Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In miljoenen euro20242025202620272028202913Integratie en maatschappelijke samenhangUitgaven6565254433937Ontvangsten30000096Apparaat KerndepartementUitgaven627600556529498486Ontvangsten10410510410410210299Nog onverdeeldUitgaven6154270299308338OntvangstenAlgemeenDe stijging van de uitgaven op begrotingshoofdstuk 15 Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt voornamelijk verklaard door de toenemende uitgaven aan de kinderopvangtoeslag, de bijstand en de rijksbijdragen. De uitgaven aan de kinderopvangtoeslag nemen tussen 2024 en 2029 toe met circa 2,7 miljard euro. Dit kom onder andere door de voorgenomen invoering van het nieuwe financieringsstelsel. Deze gaat in 2027 in, maar in 2025 en 2026 worden er al hogere uitgaven voorzien vanwege een ingroeipad. De uitgaven voor de bijstand nemen tussen 2024 en 2029 ook toe, dit komt onder andere door een verwachte oploop van de werkloze beroepsbevolking richting de evenwichtswerkloosheid. Ten slotte nemen de rijksbijdragen tussen 2024 en 2029 toe met circa 5,6 miljard euro. Dit komt vooral door de rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds; deze rijksbijdragen vullen de premie-inkomsten van het Ouderdomsfonds aan.Toelichting per artikelArtikel 1. Arbeidsmarkt De voornaamste uitgaven op het begrotingsartikel zijn de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden (MDIEU), waar budget voor beschikbaar is tot 2028, en de loonkostenvoordelen, waarvoor structureel budget beschikbaar is. In 2024 is er nog budget voor de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging werkgelegenheid (NOW), waardoor de totale uitgaven na 2024 dalen. De ontvangsten vanaf 2024 bestaan voornamelijk uit de geschatte boeteontvangsten van de NLA. Artikel 2. Bijstand, Participatiewet en ToeslagenwetHet grootste gedeelte van dit begrotingsartikel bestaat uit het macrobudget Participatiewetuitkeringen, zijnde de bijstand, loonkostensubsidie, inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) en bijstand voor zelfstandig ondernemers (Bbz-levensonderhoud). Over de periode 2024 t/m 2029 stijgt het macrobudget met ca. 0,8 miljard euro. Dit is met name het gevolg van de verwachte oploop van de werkloze beroepsbevolking, zoals geraamd door het CPB. Daarnaast is er door de invoering van de Participatiewet nog een beleidsmatige oploop van de uitgaven die vallen onder dit artikel, vanwege instroom die nog wordt verwacht. Er is nog altijd sprake van een ingroei van de doelgroep van de Participatiewet. De uitgaven aan de AIO (Aanvullende inkomensvoorziening ouderen) nemen in deze periode toe met ca. 111 miljoen euro, de voornaamste verklaring hiervoor is het toenemende volume. Deze toename in AIO-gerechtigde huishoudens van jaar op jaar is vooral te verklaren doordat de instroom groter is dan de uitstroom. De instroomtrend in de AIO gaat grotendeels gelijk op met 337Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 instroomtrend van de AOW. Door de vergrijzing zullen er tot en met 2040 jaarlijks meer mensen de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. Hierdoor zullen er ook meer mensen aanspraak maken op de AIO.Artikel 3. Arbeidsongeschiktheid De begrotingsgefinancierde middelen op dit artikel bestaan uit de ongevallenverzekering Caribisch Nederland en uit de regeling Individuele Plaatsing en Steun (IPS) waarmee mensen met een psychische aandoening worden ondersteund bij re-integratie naar de arbeidsmarkt. De daling die zichtbaar is op artikel Arbeidsongeschiktheid is het gevolg van de afloop van de IPS-regeling in 2027.Artikel 4. JonggehandicaptenDe totale uitkeringslasten aan de Wajong stijgen over de jaren door een groeiend aantal personen in de Wajong2015. Deze groei is groter dan de afname van het aantal personen in de oude Wajongregelingen. De gemiddelde jaaruitkering zal ook toenemen doordat personen die instromen in de Wajong2015 een volledige Wajonguitkering ontvangen, omdat de Wajong2015 enkel toegankelijk is voor jonggehandicapten die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn.Artikel 5. Werkloosheid De grootste begrotingsgefinancierde uitgavenpost onder dit artikel is de Wet inkomensvoorziening voor oudere werklozen (IOW). De IOW uitgaven volgen met vertraging het verwachte aantal WW-uitkeringen voor 60+ers. Daarmee nemen de komende jaren de uitgaven IOW eerst af, waarna deze in 2028 en 2029 weer zullen stijgen.Artikel 6. Ziekte en verlofregelingen De begrotingsgefinancierde uitgaven op dit artikel bestaan voornamelijk uit uitkeringslasten voor de Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (TAS), Ziekteverzekering Caribisch Nederland, OPS-voorzieningenfonds en Tegemoetkomingsregeling stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB). De uitgaven van artikel 6 stijgen vanaf 2024 voornamelijk vanwege een ingroei van de TSB.Artikel 7. Kinderopvang De geraamde uitgaven aan kinderopvang nemen vanaf 2026 fors toe. In de jaren 2025 en 2026 zijn er middelen gereserveerd voor een ingroeipad naar het nieuwe stelsel. In 2027 is het kabinet voornemens het nieuwe finan-cieringsstelsel in te voeren met een inkomensonafhankelijke vergoeding. Na volledige ingroei betreft het een intensivering van structureel circa 2,7 miljard euro per jaar. Doordat er vanaf 2027 sprake is van een inkomensonafhankelijke vergoeding in combinatie met directe financiering, zal het aantal terugvorderingen afnemen. Dit verklaart voor een groot deel de geleidelijke afname van de ontvangsten.Artikel 8. Oudedagsvoorziening De begrotingsgefinancierde uitgaven op dit artikel bestaan voornamelijk uit uitkeringslasten aan de Algemene Ouderdomsverzekering Caribisch Nederland (AOV) en de overbruggingsregeling AOW (OBR). De incidentele hogere uitgaven in 2024 zijnzijn te verklaren door het eenmalig bedrag als gebaar van erkenning naar ouderen van Surinaamse herkomst.338Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 9. NabestaandenDe begrotingsgefinancierde uitgaven op dit artikel bestaan uit uitkerings lasten aan de Algemene weduwen- en wezenverzekering (AWW) op Caribisch Nederland. Deze uitgaven laten een beperkte oploop zien als gevolg van een toename van het aantal uitkeringsgerechtigden. Artikel 10. Tegemoetkoming ouders De tegemoetkoming ouders bevat zowel de uitgaven aan de kinderbijslag als aan het kindgebonden budget. De geraamde uitgaven nemen in de periode 2025-2029 af. Deze afname wordt met name veroorzaakt doordat de intensivering van het kindgebonden budget in 2023 van 732 miljoen euro in de jaren daarna stap voor stap wordt afgebouwd naar 100 miljoen euro structureel in 2028. De ontvangsten voor het kindgebonden budget volgen met vertraging het patroon van de uitgaven.Artikel 11. Uitvoeringskosten De uitvoeringskosten van de regelingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid staan op twee verschillende begrotingshoofdstukken, hoofdstuk 15 en hoofdstuk 40. De uitvoeringskosten op hoofdstuk 15 blijven tussen 2024 en 2029 grotendeels stabiel.Artikel 12. Rijksbijdragen De uitgaven op het artikel Rijksbijdragen laten een toename zien. Dat komt vooral door de rijksbijdragen aan het Ouderdomsfonds. Deze rijksbijdragen vullen de premie-inkomsten van het Ouderdomsfonds aan, omdat de AOW- premies alleen niet voldoende zijn om de AOW-uitkeringen te betalen. Aangezien de AOW-uitgaven als gevolg van vergrijzing de komende jaren toenemen, stijgen ook deze rijksbijdragen. Artikel 13. Integratie en maatschappelijke samenhang Het budget voor inburgering is na herverkaveling overgeheveld naar de begroting van Justitie en Veiligheid. Het betreft zowel de uitgaven als ontvangsten. Tot slot dalen de uitgaven de komende jaren als gevolg een dalend bestand remigratievoorziening. Vanaf 1 januari 2025 vervalt de mogelijkheid om hier een beroep op te doen.Artikel 96. Apparaat Kerndepartement Tussen 2024 en 2029 nemen de uitgaven aan apparaat bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid af met 143 miljoen euro. Dit is met name te verklaren door de apparaatstaakstelling die in het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken. Deze taakstelling bedraagt in 2029 namelijk circa 99 miljoen euro. De ontvangsten op apparaat ontstaan door de doorberekening van de kosten van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO) aan de verschillende aangesloten departementen. Artikel 99. Nog onverdeeld Op dit artikel staan middelen gereserveerd die op een later moment nog verdeeld moeten worden wanneer de precieze invulling en voorwaarden bekend zijn. Dit betreft onder andere middelen voor armoede en schulden, beschut werk, banenafspraak en re-integratie. Daarnaast staat er een reservering voor de opvolging aan de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten en voor de herijking van het handhavingsinstrumentarium. De nog onverdeelde middelen zijn in 2029 hoger dan in 2024 doordat de meeste gereserveerde middelen in het lopende jaar al zijn overgeboekt naar het beleidsartikel. De precieze invulling van plannen in de jaren erna moet nog vorm krijgen. Daarom staan deze middelen nog gereserveerd op artikel 99.339Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Sociale VerzekeringenSOCIALE VERZEKERINGENIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven77.84983.10888.10692.56597.348102.772Totaal ontvangsten2052452823063373491ArbeidsmarktUitgaven580609562197205215Ontvangsten3ArbeidsongeschiktheidUitgaven14.19415.06515.70116.21317.18218.057Ontvangsten5WerkloosheidUitgaven3.5884.1894.7905.1305.6986.106Ontvangsten2052452823063373496Ziekte en verlofregelingenUitgaven4.9255.2045.4625.7266.0296.367Ontvangsten8OudedagsvoorzieningUitgaven51.92055.21958.66062.23164.98568.627Ontvangsten9NabestaandenUitgaven347355357361373376Ontvangsten11UitvoeringskostenUitgaven2.2952.4672.5732.7082.8773.025OntvangstenAlgemeenDe weergegeven uitgavenontwikkeling is in tegenstelling tot de meeste andere begrotingen inclusief loon- en prijsontwikkeling. Dit verklaart een groot deel van de stijging. Bij een schoning voor loon- en prijsontwikkeling laten vooral de uitgaven aan de Algemene Ouderdomswet (AOW) en aan de Werkloosheidswet (WW) een stijging zien. De AOW-uitgaven stijgen in de periode 2024 ‒ 2029 met circa 16 miljard euro als gevolg van een toename van het aantal personen die een AOW-uitkering genieten. Daarnaast stijgen de uitkeringslasten aan de WW. Dit is het gevolg door het CPB geraamde oploop van de werkloze beroepsbevolking richting de evenwichtswerkloosheid.Toelichting per artikelArtikel 1. Arbeidsmarkt De uitgaven op artikel 1 arbeidsmarkt komen voort uit de compensatieregeling transitievergoeding. De uitgaven in de periode 2024 ‒ 2029 nemen af met circa 305 miljoen euro, ondanks een stijging van uitgaven van circa 39 miljoen euro vanwege indexatie van de arbeidsmarktregelingen. De afnemende uitgaven vanaf 2026 komen door de maatregel uit het Hoofdlij340Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 nenakkoord om alleen nog kleine werkgevers (minder dan 25 werknemers) te compenseren. Grote werkgevers (meer dan 25 werkgevers) worden dan niet meer gecompenseerd.Artikel 3. Arbeidsongeschiktheid De uitgaven aan arbeidsongeschiktheidsverzekeringen WIA, WAO en WAZ stijgen in de periode 2024-2029 naar verwachting met ruim 4 miljard euro, waarvan circa 3,5 miljard euro aan indexatie. Deze stijging komt voornamelijk door een stijging van het aantal uitkeringsjaren in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen WGA (gedeeltelijk arbeidsongeschikten) en IVA (volledig arbeidsongeschikten). Dit zijn ingroeiende regelingen die hun structurele niveau nog niet hebben bereikt. Daarnaast leidt een hogere AOW-leeftijd en een toenemend aandeel ouderen en vrouwen (met hoger AO-risico) in de beroepsbevolking tot een stijging van de uitkeringsjaren.Artikel 5. Werkloosheid De WW-uitkeringslasten ontwikkelen zich in lijn met de verwachte volumeontwikkeling van de werkloosheid van het CPB. De komende jaren wordt een stapsgewijze groei richting evenwichtswerkloosheid verwacht. Daarnaast stijgen de WW-uitgaven voor circa 1,1 miljard euro door indexatie van de hoogte van de uitkering. Hierdoor komen de WW-uitkeringslasten in totaal in 2029 zo’n 2,5 miljard euro hoger uit dan in 2024.Artikel 6. Ziekte en verlofregelingenIn de periode 2024 ‒ 2029 nemen de premiegefinancierde uitgaven aan de verlofregelingen naar verwachting toe met circa 209 miljoen euro. De stijging hangt samen met een verwachte toename van het aantal geboorten, zoals door het CBS geprognosticeerd. Daarnaast stijgen de uitgaven ook met circa 631 miljoen euro vanwege indexatie van de verlofregelingen. De uitgaven voor de Ziektewet in de periode 2024 ‒ 2029 stijgen met circa 69 miljoen euro met als voornaamste reden een forse toename in het aantal eindedienstverbanders en het aantal zieke personen met een no-riskpolis. Daarnaast stijgen de uitgaven van de Ziektewet in diezelfde periode met circa 530 miljoen euro voor indexatie van de regeling. Artikel 8. Oudedagsvoorziening Op dit artikel staan premiegefinancierde uitgaven aan de Algemene Ouder domswet (AOW) en de Inkomensondersteuning AOW (IOAOW). De uitgaven aan de AOW stijgen in de periode 2024-2029 met 16 miljard euro. De voornaamste verklaring is de toename van het aantal personen met een AOW-uitkering. Het resterende deel van de stijging is het gevolg van indexatie van de uitkeringen, de kosten hiervan voor de periode 2024-2029 bedragen circa 11,3 miljard euro. Artikel 9. NabestaandenOp dit artikel staan premiegefinancierde uitgaven aan de Algemene Nabestaandewet (Anw). Tussen 2024 en 2029 stijgen de uitgaven hieraan met 22 miljoen euro. Deze stijging is voornamelijk het gevolg de toename van nominale ontwikkeling, deze bedraagt circa 58 miljoen euro in 2029. Ook neemt de instroom in de Anw regeling af, omdat de arbeidsparticipatie van vrouwen leidt tot minder afhankelijkheid van inkomensondersteuning na het overlijden van de partner. Dit zorgt voor lagere uitgaven, tot bijna ‒ 38 miljoen in 2029. Per saldo zorgt de lagere instroom in de Anw gezamenlijk met de indexatie van de Anw voor een relatief beperkte groei van de uitgaven op artikel 9 nabestaanden.341Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 11. Uitvoeringskosten Op dit artikel staan de uitvoeringskosten voor UWV en SVB aan premiege financierde regelingen. De uitvoeringskosten nemen tussen 2024 en 2029 toe met bijna 700 miljoen euro. Dit wordt grotendeels verklaard doordat de nominale ontwikkeling toeneemt, de kosten hiervan bedragen circa 506 miljoen euro. Ook nemen de uitvoeringskosten bij UWV en SVB toe met circa 172 miljoen euro als gevolg van de stijgende uitgaven aan de door UWV en SVB uitgevoerde regelingen.342Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Koppeling UitkeringenKOPPELING UITKERINGENIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven01.3112.2863.4374.5395.658Totaal ontvangsten04182938472Bijstand, Participatiewet en ToeslagenwetUitgaven05659381.3221.6842.030Ontvangsten3ArbeidsongeschiktheidUitgaven000000Ontvangsten4JonggehandicaptenUitgaven02414276108031.003Ontvangsten5WerkloosheidUitgaven057101521Ontvangsten6Ziekte en verlofregelingenUitgaven02591215Ontvangsten7KinderopvangUitgaven02653276469551.290Ontvangsten8OudedagsvoorzieningUitgaven012457Ontvangsten9NabestaandenUitgaven000000Ontvangsten10Tegemoetkoming oudersUitgaven02305758321.0581.286Ontvangsten041829384713Integratie en Maatschappelijke SamenhangUitgaven023567OntvangstenAlgemeenOp hoofdstuk 83 staat alleen de nominale ontwikkeling bestemd voor hoofdstuk 15: Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De raming van de nominale ontwikkeling (verwachte indexatie van de uitkeringsregelingen 343Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid) is geactualiseerd op basis van de economische ramingen van het CPB. De geraamde indexatie van deze regelingen loopt voor alle artikelen op omdat er in de toekomst meer middelen nodig zijn om de uitkeringen te indexeren naar de dan geldende prijspeilen.344Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 ZorgVolksgezondheid, Welzijn en SportXVI VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORTIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven37.92736.50238.50240.22442.63644.801Totaal ontvangsten2832852011801831831VolksgezondheidUitgaven2.4072.2691.8311.4741.3821.279Ontvangsten65102454240412Curatieve zorgUitgaven4.1174.2694.5114.6554.6184.650Ontvangsten8079988187873Langdurige zorg en ondersteuningUitgaven21.69419.86421.98823.39425.72927.630Ontvangsten23888884Zorgbreed beleidUitgaven1.4721.5531.3681.2541.1681.163Ontvangsten3333121212125JeugdUitgaven26320414915211792Ontvangsten2222226Sport en bewegenUitgaven480429381457459459Ontvangsten5648242323237Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede WereldoorlogUitgaven218198181165152141Ontvangsten3333338Tegemoetkoming specifieke kostenUitgaven6.5707.0577.5538.1648.5408.933Ontvangsten9AlgemeenUitgaven476143353535Ontvangsten810ApparaatsuitgavenUitgaven660598498468434418Ontvangsten129887711Nog onverdeeldUitgaven000500Ontvangsten345Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 AlgemeenDe begrotingsgefinancierde uitgaven aan de zorg laten een gestage groei zien. De stijging van de uitgaven komt voornamelijk vanwege een stijging van de Rijksbijdragen op artikel 3 die te maken hebben met de Wet langdurige zorg (Wlz). De Rijksbijdrage Wlz stijgt van 2024 naar 2029 met 4,2 miljard euro omdat de Wlz-premie beleidsmatig is bevroren op 9,65% terwijl de Wlz-uitgaven stijgen. De Bijdrage In Kosten Kortingen (BIKK), waarmee het Fonds Langdurige Zorg wordt gecompenseerd voor lagere premieopbrengsten vanwege heffingskortingen, stijgt met 1,8 miljard euro. Daarnaast lopen de uitgaven van de zorgtoeslag op artikel 8 op met additioneel 0,4 miljard euro door het verlagen van het eigen risico per 2027. Daarentegen laat een deel van de beleidsbudgetten op de VWS-begroting een dalende trend zien van 2024 t/m 2029.Toelichting per artikelArtikel 1. VolksgezondheidDe uitgaven op artikel 1 lopen over de begrotingsperiode af vanwege aflopende budgetten, waaronder middelen voor gezondheidsbeleid (-490 miljoen euro) en ziektepreventie (-581 miljoen euro). Dit komt onder andere door de teruggedraaide intensivering op publieke gezondheid en aflopende incidentele middelen voor preventie. De uitgaven over de gehele begrotingsperiode lopen ook af vanwege dalende uitgaven aan onderzoeksprogramma’s van het zelfstandig bestuursorgaan ZonMw (ZorgOnderzoek Nederland/Medische Wetenschappen)(-262,2 miljoen euro in 2029 ten opzichte van 2024).Artikel 2. Curatieve zorgDe uitgaven op artikel 2 lopen vanaf 2024 tot en met 2029 op, met name als gevolg van een stijging van de Rijksbijdrage aan het Zorgverzekeringsfonds voor de financiering van verzekerden jonger dan 18 jaar van 870 miljoen euro.Artikel 3. Langdurige zorg en ondersteuningDe uitgaven op artikel 3 lopen op vanaf 2025 tot en met 2029, voornamelijk vanwege een stijging van de Rijksbijdrage Wlz (4,2 miljard euro) en de Bijdrage In Kosten Kortingen (BIKK, 1,9 miljard euro). De Rijksbijdrage Wlz stijgt als gevolg van het stabiliseren van de Wlz-premie op 9,65% terwijl de Wlz-uitgaven stijgen. Het verschil tussen de premie-opbrengsten (samen met de BIKK) en de uitgaven wordt opgevangen met deze Rijksbijdrage. De hoogte van de BIKK hangt o.a. samen met de ontwikkeling van de heffingskortingen in de inkomstenbelasting. De invoering van de Wet inkomstenbelasting in 2001 betekende lagere premieopbrengsten voor het Fonds Langdurige Zorg. De BIKK wordt sindsdien door de overheid betaald als tegemoetkoming in de kosten.Artikel 4. Zorgbreed beleidDe uitgaven op artikel 4 nemen af vanaf 2024. Dit heeft te maken met de subsidiebudgetten voor opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt die aflopen tussen 2024 en 2029 (-176 miljoen euro). Dit komt onder andere door de teruggedraaide intensivering van het zorgarbeidsmarktbeleid.Artikel 5. JeugdDe uitgaven op artikel 5 zijn in 2024 en 2025 aanzienlijk hoger dan in 2026 tot en met 2028. Dit heeft te maken met de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd (91 miljoen euro in 2024 en 95 miljoen euro in 2025).346Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Artikel 6. Sport en bewegenDe uitgaven in 2024 zijn hoger dan in latere jaren, onder andere door aflopende subsidiebudgetten (-55 miljoen euro van 2024 naar 2029). Daarnaast zijn de uitgaven op artikel 6 in 2027 t/m 2029 hoger dan de jaren ervoor. Dit komt doordat de middelen voor het onderdeel Buurtsportcoaches van de Brede SPUK (87,7 miljoen euro in 2024 en 2025 en 84,6 miljoen euro in 2026) zijn overgeheveld naar artikel 1.Artikel 7. Oorlogsgetroffenen en Herinnering Tweede WereldoorlogDoor afname van het aantal nog levende verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen dalen de uitgaven aan pensioenen en uitkeringen op dit artikel (-72,8 miljoen euro).Artikel 8 . Tegemoetkoming specifieke kostenDe toename van de uitgaven op dit artikel geeft met name de ontwikkeling van de zorgtoeslag weer. De totale stijging van uitgaven aan de zorgtoeslag bedraagt 2,2 miljard euro van 2024 tot 2029. De stijging van de uitgaven aan de zorgtoeslag is het gevolg van de toename van de zorgpremie, bevolkingsgroei en de economische ontwikkeling. In 2027 nemen de uitgaven aan de zorgtoeslag toe met additioneel 312 miljoen euro aflopend tot 256 miljoen euro in 2029 door de maatregelen uit het HLA. Daarnaast groeit het aantal mensen dat zorgtoeslag ontvangt.Artikel 9. AlgemeenDe uitgaven op dit artikel nemen licht af vanwege incidentele middelen voor het AMR Multi Donor Trust Fonds (1,5 miljoen euro in 2024 en 2025) en de Coalition for Epidemic Preparedness Innovations (CEPI) (3 miljoen euro tot en met 2026).Artikel 10. ApparaatsuitgavenDe uitgaven op artikel 10 zijn in 2024 hoger dan in de latere jaren. Dit heeft onder meer te maken met de (tijdelijke) inzet van programmadirecties, activiteiten volgend uit het coalitieakkoord Rutte IV en bijdragen aan uitvoeringsorganisaties die nog in latere jaren in de apparaatsuitgaven moeten worden verwerkt. Vanaf 2025 worden de apparaatsuitgaven omgebogen met 19 miljoen euro oplopend tot 70 miljoen euro in 2029 vanwege de maatregel uit het Hoofdlijnenakkoord om de groei van het Rijksoverheidsapparaat terug te draaien.Artikel 11. Nog onverdeeldOp artikel 11 staat in 2027 nog een deel resterende LPO middelen van 4,8 miljoen euro.347Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 ZorgZORGPremiegefinancierd Budgettair Kader ZorgIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven99.244106.611112.582119.816125.985133.408Totaal ontvangsten5.7355.9306.0584.4374.5754.71211ZorgverzekeringswetUitgaven62.56166.76270.50475.15278.27482.468Ontvangsten3.4183.3953.3231.5851.6021.61912Wet langdurige zorgUitgaven36.68339.85042.07844.66447.71150.940Ontvangsten2.3172.5352.7352.8522.9733.093AlgemeenDe zorguitgaven groeien jaar-op-jaar door de verwachte loon- en prijsontwikkelingen en volumefactoren. In 2024 bedragen de zorguitgaven ca. 10% van het BBP. Uit een recente raming van het CPB20 komt de verwachting dat de zorguitgaven verder zullen stijgen naar ongeveer 18% van het BBP in 2060. De grootste drijfveren achter de stijgende uitgaven zijn de toenemende vergrijzing, de toenemende ontwikkeling van technologieën, hoger zorggebruik door hogere inkomens en stijgende lonen als gevolg van de krappe arbeidsmarkt en de achterblijvende arbeidsproductiviteit in de zorg. In Nederland is het recht op zorg volgens de stand van wetenschap en praktijk vastgelegd in regelgeving. Nieuwe behandelmethodes worden daarom meestal relatief snel toegepast in de praktijk. Hiervoor is meestal geen afzonderlijk politiek besluit meer nodig. Het positieve gevolg hiervan is dat we steeds meer ziektes kunnen behandelen. Het zorgt er echter ook voor dat de zorguitgaven meegroeien met de toenemende behandelmogelijkheden. Dit leidt op de lange termijn tot een significant hogere groei van de zorguitgaven dan van andere collectieve uitgaven. Nederland besteedt hierdoor een steeds groter deel van het inkomen aan zorg, waardoor een kleiner deel resteert voor andere private en collectieve uitgaven.Toelichting per artikelArtikel 11. ZorgverzekeringswetDe raming van de groei van de uitgaven onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) in de huidige kabinetspreriode is gebaseerd op de middellangetermijnraming 2025-2028 van het CPB. Deze wordt bepaald door de verwachte loon- en prijsontwikkeling en volumefactoren zoals demografie, economische groei, technologische ontwikkeling. De groei vanaf 2029 betreft een technische extrapolatie op de raming van het CPB. Tot en met 2026 is de groei beperkt doordat VWS het Integraal Zorgakkoord heeft afgesloten met verschillende Zvw-sectoren.Artikel 12. Wet langdurige zorgDe raming van de groei van de uitgaven onder de Wet langdurige zorg (Wlz) in de huidige kabinetsperiode is gebaseerd op de middellangetermijnraming 2025-2028 van het CPB. Deze wordt bepaald door de loon- en prijsontwikkeling, en volumefactoren zoals demografie, economische groei en technologische ontwikkeling. De groei vanaf 2029 betreft een technische extrapolatie gebaseerd op de raming van het CPB.20 Zorguitgaven, ons een zorg? (cpb.nl)348Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Gemeentefonds en Provinciefonds (inclusief accres)GemeentefondsGEMEENTEFONDSIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven43.83744.89642.23642.00641.78841.707Totaal ontvangsten1GemeentefondsUitgaven43.83744.89642.23642.00641.78841.707AlgemeenBij Voorjaarsnota 2024 is de bbp-systematiek vervroegd ingevoerd per 2024. Dit heeft invloed op de lopende begroting van gemeenten en provincies. Om die reden is besloten de impact hiervan volledig (2024) en deels (2025) te dempen. Ook voor 2026 tot en met 2029 vindt compensatie plaats. De gekozen vorm van indexatie levert door de vormgeving op twee componenten de gewenste stabiliteit op. Uitgangspunt is dat het Gemeentefonds meerjarig de ontwikkeling van het nominaal bbp volgt. De indexatie is gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. De volumeontwikkeling van de fondsen is gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp, waardoor het fonds minder schommelt (volumedeel). De indexatie voor inflatie volgt de prijs bbp van het lopende jaar, waardoor de fondsen reëel ‘op niveau’ blijven (prijsdeel).349Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 ProvinciefondsPROVINCIEFONDSIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven3.8703.5523.3383.2983.2953.294Totaal ontvangsten1ProvinciefondsUitgaven3.8703.5523.3383.2983.2953.294AlgemeenBij Voorjaarsnota 2024 is de bbp-systematiek vervroegd ingevoerd per 2024. Dit heeft invloed op de lopende begroting van gemeenten en provincies. Om die reden is besloten de impact hiervan volledig (2024) en deels (2025) te dempen. Ook voor 2026 tot en met 2029 vindt compensatie plaats. De gekozen vorm van indexatie levert door de vormgeving op twee componenten de gewenste stabiliteit op. Uitgangspunt is dat het Gemeentefonds meerjarig de ontwikkeling van het nominaal bbp volgt. De indexatie is gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. De volumeontwikkeling van de fondsen is gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp, waardoor het fonds minder schommelt (volumedeel). De indexatie voor inflatie volgt de prijs bbp van het lopende jaar, waardoor de fondsen reëel ‘op niveau’ blijven (prijsdeel).350Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Accres GemeentefondsACCRES GEMEENTEFONDSIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven06082.6204.6146.5318.489Totaal ontvangsten1Accres gemeentefondsUitgaven001.7433.4765.1276.8242Reservering BCFUitgaven06088019881.1791.3653Indexatie WMOUitgaven75150225300AlgemeenBij Voorjaarsnota 2024 is de bbp-systematiek vervroegd ingevoerd per 2024. De gekozen vorm van indexatie levert door de vormgeving op twee componenten de gewenste stabiliteit op. Uitgangspunt is dat het gemeentefonds meerjarig de ontwikkeling van het nominaal bbp volt. De indexatie is gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. De volumeontwikkeling van de fondsen wordt gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp, waardoor het fonds minder schommelt (volumedeel). De indexatie voor inflatie volgt de prijs bbp van het lopende jaar, waardoor de fondsen reëel ‘op niveau’ blijven (prijsdeel).Met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is afgesproken dat in de toekomst (een nader te bepalen deel) van de Wmo niet langer via de algemene uitkering van het Gemeentefonds gaat, maar via een aparte financiering. Afhankelijk van de gekozen bekostigingsvorm wordt een passende geobjectiveerde indexering onderzocht die ook rekening houdt met de kostenontwikkeling en demografie/vergrijzing. Vooruitlopend op de uitwerking is een jaarlijks tranche van 75 miljoen euro vanaf 2026 oplopend tot 300 miljoen euro in 2029 gereserveerd voor een aanvullende indexering voor demografie. Het kabinet hevelt deze middelen bij deze Miljoenennota 2025 over naar het accres zodat gemeenten hier rekening mee kunnen houden in hun (meerjaren) begroting.351Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Accres ProvinciefondsACCRES PROVINCIEFONDSIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven0116312484652823Totaal ontvangsten1Accres provinciefondsUitgaven001502984415872Reservering BCFUitgaven0116161186211236AlgemeenBij Voorjaarsnota 2024 is de bbp-systematiek vervroegd ingevoerd per 2024. De gekozen vorm van indexatie levert door de vormgeving op twee componenten de gewenste stabiliteit op. Uitgangspunt is dat het provinciefonds meerjarig de ontwikkeling van het nominaal bbp volgt. De indexatie is gesplitst in een volumedeel en een prijsdeel. De volumeontwikkeling van de fondsen wordt gebaseerd op een 8-jaars (t-9 t/m t-2) historisch gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp, waardoor het fonds minder schommelt (volumedeel). De indexatie voor inflatie volgt de prijs bbp van het lopende jaar, waardoor de fondsen reëel ‘op niveau’ blijven (prijsdeel).352Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 PrijsbijstellingPRIJSBIJSTELLINGIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven01.5022.9124.4366.0947.6671Rijksbegroting in enge zinUitgaven01.3132.5553.9055.4176.8092SZAUitgaven0000003ZorgUitgaven0000004Niet-plafondrelevantUitgaven01893575316778575InvesteringenUitgaven000000AlgemeenOp begrotingshoofdstuk Prijsbijstelling worden middelen gereserveerd die nodig zijn om de prijsgevoelige uitgaven op de Rijksbegroting (artikel 1), Sociale Zekerheid (artikel 2), Zorg (artikel 3), Niet-plafondrelevant (artikel 4) en Investeringsplafond (artikel 5) op het uitgavenpeil van het desbetreffende jaar te brengen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat jaarlijks een structurele reservering wordt opgenomen om de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen.Vanaf Miljoenennota 2025 vervallen de deelplafond Sociale Zekerheid, Zorg en Investeringen en valt de volledige reservering van de prijsbijstelling onder het totale uitgavenkader Rijksbegroting.353Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 ArbeidsvoorwaardenARBEIDSVOORWAARDENArbeidsvoorwaardenIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven04.0186.99710.51914.17517.804Totaal ontvangsten1arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn RB-engUitgaven04.0186.99710.51914.17517.804Ontvangsten2arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn SZUitgaven000000Ontvangsten3arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn ZUitgaven000000Ontvangsten4indexering rijksbijdragenUitgaven00000Ontvangsten5arbeidsvoorwaardenruimte ijklijn IUitgaven000000OntvangstenAlgemeenOp hoofdstuk 81 Arbeidsvoorwaarden worden middelen gereserveerd die nodig zijn om de loongevoelige uitgaven op de Rijksbegroting (artikel 1), Sociale Zekerheid (artikel 2), Zorg (artikel 3) en Investeringsplafond (artikel 5) op het uitgavenpeil van het desbetreffende jaar te brengen. De oploop in de cijfers ontstaat doordat jaarlijks een structurele reservering wordt opgenomen om de begrotingsuitgaven (zoals deze op de afzonderlijke begrotingen zijn opgenomen) van constante naar lopende prijzen te brengen.Vanaf Miljoenennota 2025 vervallen de deelplafonds Sociale Zakerheid, Zorg en Investeringen en valt de volledige reservering van de loonbijstelling onder het totale uitgavenkader Rijksbegroting.354Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Aanvullende PostAANVULLENDE POSTAanvullende PostIn miljoenen euro202420252026202720282029Totaal uitgaven‒ 8.160‒ 2.28311.8967.9667.2805.952Totaal ontvangsten3KoninkrijksrelatiesUitgaven019111Ontvangsten4EindejaarsmargeUitgaven‒ 8.433‒ 3.715‒ 2.300Ontvangsten5Buitenlandse Zaken / Buitenlandse Handel en OntwikkelingssamenwerkingUitgaven0123100Ontvangsten6Justitie en VeiligheidUitgaven05075100100100Ontvangsten7Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesUitgaven82908171.4131.081422Ontvangsten8Onderwijs, Cultuur en WetenschapUitgaven0117116128154173Ontvangsten9FinanciënUitgaven232277517709865Ontvangsten10DefensieUitgaven459.317756673716Ontvangsten12Infrastructuur en WaterstaatUitgaven010261636700905Ontvangsten13Economische Zaken en KlimaatUitgaven9486342522Ontvangsten14Landbouw, Natuur en VoedselkwaliteitUitgaven001.5001.5001.5001.522Ontvangsten15Sociale Zaken en WerkgelegenheidUitgaven0243262246202146Ontvangsten355Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Aanvullende Post16Volksgezondheid Welzijn en SportUitgaven726502452815Ontvangsten20Asiel en MigratieUitgaven255050505050Ontvangsten22Volkshuisvesting en Ruimtelijke OrdeningUitgaven00000Ontvangsten23Klimaat en Groene GroeiUitgaven040121342344235Ontvangsten41Zorg (premiegefinancierd)Uitgaven0249231.216605Ontvangsten50Gemeentefonds / ProvinciefondsUitgaven1390341263300328Ontvangsten55DiversenUitgaven99144202328327418Ontvangsten56Loon- en prijs ontwikkelingUitgaven000000Ontvangsten81RA Openbaar bestuurUitgaven225225225225Ontvangsten99Meerdere departementenUitgaven2311172735OntvangstenAlgemeenDe Aanvullende Post is het begrotingshoofdstuk waar middelen worden gereserveerd voor maatregelen waartoe is besloten maar die in afwachting zijn van nadere uitwerking. Ook wordt op dit begrotingshoofdstuk de in=uittaakstelling verantwoord. De aanvullende post wordt beheerd door het ministerie van Financiën.Toelichting per artikelDepartementale artikelenOp de departementale artikelen staan middelen gereserveerd. Dit zijn middelen uit het Hoofdlijnenakkoord, maar ook resterende reserveringen uit het coalitieakkoord Rutte IV. Voor een aantal reserveringen geldt dat uiteindelijke besteding op verschillende begrotingen wordt gereali356Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 seerd. In dat geval is de reservering onder het coördinerend departement opgenomen. Bijvoorbeeld reserveringen voor klimaat onder het ministerie van Klimaat en Groene Groei.Artikel 4. EindejaarsmargeAls tegenhanger van de uitgekeerde eindejaarsmarges is de in=uit-taakstelling ingeboekt. Dit onder de veronderstelling dat departementen ieder jaar een soortgelijk bedrag aan onderuitputting doorschuiven met behulp van de eindejaarsmarge.Artikel 55. DiversenOp dit artikel staan middelen gereserveerd voor de Traditioneel Eigen Middelen (TEM) en domeinoverstijgende risico's.Artikel 56. Loon- en prijsontwikkelingJaarlijks worden de reserveringen op de Aanvullende Post conform de reguliere systematiek geïndexeerd. Op dit artikel staat de loon- en prijsbijstelling die nog niet is doorverdeeld naar specifieke reserveringen. Momenteel is alles doorverdeeld.Artikel 81. RA Openbaar BestuurDit betreft een reservering voor de pensioentransitie werkgevers voor de categorie zorg en overheid.Artikel 99. Meerdere departementenOp dit artikel staan de middelen voor het programma Werk aan Uitvoering.357Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 18 TAAKOPDRACHTEN IBO'SBijlage taakopdrachten Interdepartementale Beleidsonderzoeken (IBO’s) 2024-2025Interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO’s) zijn ambtelijke, onafhankelijke onderzoeken die beleidsopties ontwikkelen op uiteenlopende beleidsterreinen. IBO’s vinden plaats in opdracht van het kabinet en worden uitgevoerd door interdepartementale werkgroepen. De IBO-rapporten en kabinetsreacties zijn te vinden op evaluaties.rijksfinancien.nl.Deze bijlage bevat de IBO-spelregels en de taakopdrachten van de nieuwe ronde IBO's. Daarnaast wordt in deze bijlage ingegaan op de voortgang van de politieke besluitvorming over de resultaten van de afgelopen IBO-rondes.In de ronde 2024-2025 vinden IBO’s plaats naar:–Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur (gestart mei 2024)–Mentale gezondheid en ggz–Arbeidsmigratie–Huursector358Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 IBO-spelregelsBij de uitvoering van IBO’s gelden de volgende spelregels:–Het ministerie van Financiën coördineert het IBO-proces en publiceert de taakopdrachten die in de Ministerraad zijn vastgesteld als bijlage bij de Miljoenennota.–IBO’s worden uitgevoerd door een interdepartementale werkgroep, eventueel aangevuld met onafhankelijke experts, onder leiding van een onafhankelijke voorzitter.–De voorzitter wordt ondersteund door een onafhankelijk secretariaat, bestaande uit secretarissen van het ministerie van Financiën en de meest betrokken vakdepartementen.–De werkgroepleden nemen deel zonder last- of ruggespraak.–Er geldt een non-vetoprincipe voor de beleidsopties die worden aangedragen in de werkgroep. Werkgroepleden mogen beleidsopties inbrengen en andere leden mogen deze beleidsopties dus niet blokkeren.–De beleidsopties zijn in de regel budgetneutraal en er wordt tenminste één besparingsvariant van ‒ 10 tot ‒ 20 procent uitgewerkt, waarbij het principe van ‘comply or explain’ geldt. De besparingsvariant dwingt de werkgroep om met creatieve oplossingen te komen die niet per se passen binnen de gebaande paden en/of uitsluitend een efficiencytaak-stelling betreffen. Indien relevant en gewenst, kan er in de taakopdracht ook afgesproken worden om een intensiveringsvariant op te nemen.–IBO’s worden na afronding zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen 14 dagen door het meest betrokken departement naar de Tweede Kamer gestuurd, gevolgd door een kabinetsreactie. De maximale termijn hiervoor bedraagt 8 weken na afronding.359Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Taakopdracht IBO Bekostiging ElektriciteitsinfrastructuurInleidingDe ombouw van het energiesysteem is een enorme uitdaging waar een langjarige en planmatige aanpak nodig is. Zonder duidelijke richting en sturing op hoe de ontwikkeling van het energiesysteem er uit gaat zien, kunnen netbeheerders, bedrijven en consumenten niet op tijd investeren om de ombouw daadwerkelijk te realiseren. Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) geeft richting voor de ontwikkeling naar een volledig duurzaam en strategisch autonoom energiesysteem en beschrijft deze ontwikkeling via vier ketens (namelijk elektriciteit, waterstof, warmte en koolstof) en systeemintegratie (het slim inzetten van het systeem om maatschappelijke kosten te verlagen).Elektriciteit vormt de basis van het nieuwe energiesysteem en om het systeem goed te laten functioneren is een forse uitbreiding van de elektriciteitsinfrastructuur cruciaal. Het huidige elektriciteitsnet heeft onvoldoende capaciteit, er zijn omvangrijke investeringen nodig zowel voor het hoogspanningsnet als op het midden- en laagspanningsnet bij regionale beheerders. Het kabinet wil voldoende zekerheid geven aan gebruikers om verder stappen te kunnen zetten in de transitie, om te zorgen dat concurrentiepositie (gelijk speelveld energie intensieve industrie) en betaalbaarheid gewaarborgd blijven en om te zorgen dat de overheids- en maatschappelijke uitgaven beheersbaar blijven. Deze netverzwaring gaat echter niet over een nacht ijs. De totale kosten hiervan zijn hoog, en dat roept vragen op over de betaalbaarheid voor eindgebruikers en de gevolgen voor de overheidsfinanciën. Tegelijkertijd zijn er zowel nationaal als in Europees verband keuzes te maken over bekostiging en financiering, die de totale energiekosten en de verdeling ervan voor eindgebruikers en rijksbegroting kunnen beïnvloeden.Benodigde investeringen in andere energie-infrastructuur dan elektriciteit (b.v. warmtenetten, waterstof) zijn niet de focus van dit IBO, maar worden wel meegenomen in het kader van interactie-effecten en het overzicht van de omvang van investeringen. Daarnaast zal bij aanbevelingen aandacht worden besteed aan de toepasbaarheid van de aanbevelingen op andere onderdelen van het energiesysteem.Doel van het IBOHet doel van dit onderzoek is om meer inzicht in en grip te krijgen op de omvang van de investeringen in de elektriciteitsinfrastructuur tussen nu en 2040, en de bekostiging en financiering ervan, zowel vanuit nationaal als Europees perspectief. Dit IBO moet leiden tot concrete beleidsopties, die bijdragen aan onze concurrentiepositie en de betaalbaarheid. De werkgroep wordt gevraagd de volgende vragen te adresseren:OnderzoeksvragenOmvang kosten1.Wat is de omvang van de investeringen die nodig zijn voor de transitie tot 2040?2.Welke scenario’s zijn er voor de omvang en de daaraan verbonden investeringskosten richting 2040?Doelmatigheid3.Welke mogelijkheden zijn er om de doelmatigheid van de investeringen door netbeheerders in Nederland en internationale onderdelen te vergroten c.q. de maatschappelijke kosten te verlagen? 360Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 4.Hoe worden haalbaarheid, kosten en financierbaarheid van netwerkkosten (incl. net op zee) bij besluitvorming (zowel aanbod- als vraagstimulering) meegenomen in de integrale besluitvorming?Verdelingseffecten bij huidige structuur5.Welke andere kosten worden doorberekend in de nettarieven naast de investeringskosten (bijv. kosten voor netbalancering)? En kunnen deze kosten worden beïnvloed?6.Op basis van welke uitgangspunten is de huidige verdeling tot stand gekomen (bijv. kostenreflectiviteitsprincipe)?7.Waar slaan de kosten van de uitbreiding en verzwaring van de netten volgens de huidige systematiek neer?1.Welk effect hebben deze investeringen op de nettarieven van burgers? (Wat zijn verschillende archetype gebruikers en wat is per archetype de impact?)2.Welk effect hebben deze investeringen op de nettarieven van bedrijven? (Wat zijn verschillende archetype gebruikers en wat is per archetype de impact, onder andere op de concurrentieverhoudingen?)3.Welk effect hebben deze investeringen op de overheidsfinanciën (saldo en schuld) op korte en lange termijn?8.Welke (gewenste en ongewenste) effecten en risico’s zitten er aan de huidige verdelingssystematiek?Interventies9.Welke opties zijn er om de ordening bij elektriciteitsinfrastructuur anders in te richten om, met inachtneming van publieke belangen verbonden aan energie-infra zoals leveringszekerheid en duurzaamheid, de kosten voor de maatschappij en begroting aan elektriciteitsinfrastructuur te beperken:1.Aanbod en vraag. Welke gerichte maatregelen kunnen aan de aanbod- en vraagkant van elektriciteit worden getroffen om maatschappelijk baten van investeringen te vergroten en investeringskosten te beperken?2.Bekostiging. Welke beleidsopties zijn er om de investeringskosten en andere kosten van netbeheerders (elektriciteit) anders te verdelen? (breed verkennen, van begroting tot aanpassing afschrijvingstermijnen, tariefdifferentiatie etc.). 3.Regulering. Is het wettelijke (Europees en Nederlands) kader en de bijbehorende bevoegdheid van de ACM nog toereikend in deze fase van de energietransitie?4.Financiering. Welke opties zijn er om financieringsstructuur van de netbeheerders anders in te richten, om zo de kosten voor de maatschappij en begroting aan elektriciteitsinfrastructuur te beperken? Hierbij worden eventuele gevolgen voor de governance en de toepassing van het deelnemingenbeleid in de voor- en nadelen van de opties geschetst.5.Randvoorwaarden. Welke interventies gericht op randvoorwaarden (bijv. capaciteit bij de netbeheerders, ruimtelijke ordening/energieplanologie, rol van decentrale overheden) zijn kansrijk om maatschappelijke kosten te beperken?GrondslagHet in kaart brengen van alle benodigde investeringen in het elektriciteitsnet is onderdeel van het IBO. Het IBO zal niet ingaan op de (on)wenselijkheid van de klimaatdoelstellingen of adviseren over de wenselijkheid van specifieke energiebronnen (wind op zee, kerncentrales). De keuzes en ontwikkelingen 361Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 zoals geschetst in het NPE zijn uitgangspunt. Daarbij kijkt het IBO naar eerste orde verdelingseffecten voor diverse groepen eindgebruikers (huishoudens en verschillende typen bedrijven) en de overheid.De IBO-spelregels schrijven voor dat tenminste één besparingsvariant van ‒ 10 tot ‒ 20% wordt uitgewerkt. Dit IBO is daar een uitzondering op, omdat reeds is besloten tot grote investeringen in het elektriciteitsnet en het kabinet deze ook nodig acht om de klimaattransitie het hoofd te bieden. Uiteraard dienen de financiële gevolgen van de verschillende beleidsopties wel in beeld worden gebracht. Herverdeling speelt daarnaast een grote rol in dit IBO, omdat de investeringen niet alleen van de overheid komen, maar ook van private investeerders, bedrijven en burgers.OrganisatieDe werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van FIN, EZK, BZK en SZW. Ook worden experts van CPB en PBL verzocht om deel te nemen aan de werkgroep. ACM, TenneT en (regionale) netbeheerders worden zo direct mogelijk betrokken om hun technische en financiële kennis in te brengen. De werkgroep staat onder leiding van een onafhankelijke voorzitter. De voorzitter wordt ondersteund door secretarissen van de ministeries van FIN en EZK. Het onderzoek start in mei 2024. De werkgroep rond haar eindrapport uiterlijk februari 2025 af. In dit IBO zullen ook externe onderzoeken naar dit thema worden meegenomen. De omvang van het rapport is niet groter dan dertig bladzijden plus een samenvatting van maximaal vijf bladzijden.362Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Taakopdracht IBO Mentale gezondheid en ggzAanleidingSteeds meer mensen hebben mentale klachten en/of psychische aandoeningen.21,22,23 Mentale klachten en psychische aandoeningen hebben invloed op het dagelijks functioneren en de kwaliteit van leven. Zo kunnen mensen met deze klachten problemen ondervinden met de lichamelijke gezondheid, wonen, werk en persoonlijke relaties. De toename in mentale klachten leidt, samen met andere ontwikkelingen zoals aanbodgeïnduceerde vraag, tot een toenemend beroep op professionele ondersteuning en zorg. De domeinen en sectoren die ondersteuning of zorg leveren aan mensen met mentale klachten staan in toenemende mate voor grote uitdagingen; zoals grote instroom en het stokken van de door- en uitstroom. Het blijkt voor zorgaanbieders aantrekkelijk te zijn om patiënten met een (relatief) lichte zorgvraag eerder te helpen dan patiënten met een zwaardere zorgvraag.24 Vooral mensen met complexe problematiek komen daardoor vaak op lange wachtlijsten terecht of krijgen geen ondersteuning. Andere uitdagingen zijn het personeelstekort en noodzakelijke domeinoverstijgende samenwerking die vaak stroef verloopt. Door deze uitdagingen kan niet iedereen die dat nodig heeft gebruik maken van passende ondersteuning en zorg op het juiste moment.Onder meer door de toegenomen instroom zijn de uitgaven aan zorg en ondersteuning voor mensen met mentale klachten en psychische aandoeningen de afgelopen jaren toegenomen. Deze uitgaven zullen naar verwachting verder groeien.24 De personele, financiële en maatschappelijke houdbaarheid van de ondersteuning en zorg staat hierdoor onder druk. Tegelijkertijd heeft een slechte mentale gezondheid effect op andere delen van de maatschappij; zo kan het bijvoorbeeld zorgen voor verminderde arbeidsproductiviteit of onderwijsdeelname/prestaties, (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, verhoogde criminaliteit en extra druk op de politie.25 Investeringen in mentale gezondheid kunnen daardoor voor positieve maatschappelijke opbrengsten zorgen. Andersom kunnen ontwikkelingen in de maatschappij zorgen voor een verslechterde mentale gezondheid.Bovenstaande vraagt om een IBO over mentale gezondheid en ggz. Mentale gezondheid is de manier waarop iemand zich verhoudt tot zichzelf en tot anderen en hoe iemand omgaat met de uitdagingen in het dagelijks leven. Tegelijkertijd gaat het ook over hoe deze persoon en anderen in de samenleving dit ervaren.26 Met de ggz wordt in dit IBO alle ondersteuning en zorg rondom mentale klachten en psychische aandoeningen vanuit de Zvw, Wlz, Wmo, Jeugdwet en Wpg bedoeld. Met het IBO wordt mede invulling gegeven aan de motie Raemakers die vraagt om een goed integraal beeld van de structurele problemen in de ggz.27 Bij de analyse van de structurele problemen worden ook aanpalende beleidsterreinen betrokken voor zover die bijdragen aan de gesignaleerde problemen.21 VZinfo. Mentale Gezondheid | Mentale problemen. Mentale gezondheid | Mentale problemen | Volksgezondheid en Zorg (vzinfo.nl)22 Centaal Bureau voor de Statistiek. Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken. StatLine - Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken (cbs.nl)23 Mogelijke verklaringen voor deze toename worden in het IBO onderzocht.24 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2021). Kiezen voor houdbare zorg. Mensen, middelen en maatschappelijk draagvlak.25 Trimbos Instituut. Arbeid en mentale gezondheid. Arbeid en mentale gezondheid - Trimbos-instituut26 Trimbos Instituut. Wat is mentale gezondheid? Wat is mentale gezondheid? - Trimbos-instituut27 Kamerstukken II, 2022-23, 25 424, nr. 632.363Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Doelen van het IBOHet IBO heeft als doel te komen tot:1.een brede probleemanalyse;2.een overzicht van het handelingsperspectief van de overheid ter voorkoming en beperking van mentale klachten en psychische problemen en voor het oplossen van de structurele problemen in de toegang en inrichting van de ondersteuning en zorg;3.uitwerking van concrete beleidsvarianten op basis van het handelingsperspectief.Aanpak en opdracht aan de werkgroep1. Brede probleemanalyse:De brede probleemanalyse gebeurt o.a. aan de hand van de volgende aandachtspunten:–Mentale gezondheid: Welke (beleids)ontwikkelingen en trends zijn er de afgelopen jaren geweest als het gaat om (verslechtering van) mentale gezondheid, zijn er verschillen in doelgroepen (o.a. sekse, leeftijd, culturele achtergrond) en hoe verhoudt het beeld in Nederland zich tot andere landen? Wat zijn de verklaringen voor de toename van mentale klachten? Welke (maatschappelijke) factoren zijn van invloed op mentale gezondheid? Wat is bekend over de gevolgen van mentale klachten en aandoeningen voor het individu en op de samenleving (zoals sociale zekerheid, het onderwijs, veiligheid en de arbeidsmarkt)? Hoe is de ontwikkeling bij ongewijzigd beleid? Maak bij bovenstaande indien nodig onderscheid tussen jongeren, jongvolwassenen en volwassenen.–Toegang tot ondersteuning en zorg: Het gaat hier om alles rondom de toegang tot en met de verwijzing naar formele zorg en plaatsing op de wachtlijst (dus voordat iemand een diagnose heeft). Welke factoren beïnvloeden de vraag naar ondersteuning en zorg? Welke mogelijkheden zijn er vanuit de informele zorg qua ondersteuning? Komt de cliënt op de juiste plek binnen en is er sprake van passende zorg? Hoe verloopt de toegang in de verschillende domeinen? Worden mensen tijdig geholpen?–Inrichting van ondersteuning en zorg: Wat is de ontwikkeling van de wachtlijsten in de Wmo, Wlz, Jeugdwet en Zvw? Vindt er selectie op basis van zorgzwaarte plaats (zijn er exclusiecriteria)? Hoe is de ondersteuning en zorg rondom mentale klachten en psychische aandoeningen georganiseerd incl. prikkels, juridische-, financierings- en bekostigingsstructuren en hoe heeft zich dit ontwikkeld? In hoeverre sluit het ondersteunings- en zorgaanbod nu aan op de vraag? Hoe werkt de door- en uitstroom van cliënten (incl. vervolg- en nazorg, terugval)? Hoe effectief, doelmatig en integraal is de ondersteuning en zorg? Hoe wordt samenwerking binnen en tussen de stelsels vormgegeven, hoe wordt deze wel of niet bevorderd en wat betekent dit voor (de kwaliteit van) het ondersteunings- en zorgaanbod?Betrek in de analyse in ieder geval de beleidslijnen uit bestaande programma’s en recent gesloten akkoorden waar mentale gezondheid in voorkomt; IZA, GALA en het Nationaal Preventieakkoord, de Hervormingsagenda Jeugd, het WOZO, ‘Mentale gezondheid: van ons allemaal’, en ‘Eén tegen eenzaamheid’. Betrek tevens de resultaten van het midterm review IZA.364Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2. Overzicht van handelingsperspectief van de overheid ter voorkoming en beperking van mentale klachten en psychische problemen en voor het oplossen van de structurele problemen in de toegang en inrichting van de ondersteuning en zorg:Het gaat hier om de mogelijkheden voor de overheid om de mentale gezondheid te verbeteren waardoor het beroep op ondersteuning en zorg bij mentale en psychische problemen kan verminderen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van het RIVM onderzoek28 naar de belangrijkste factoren die van invloed zijn op mentale gezondheid en welk handelingsperspectief de overheid hierbij heeft. Tevens gaat het om de mogelijkheden van de overheid om structurele problemen in de toegang en inrichting van de ondersteuning en zorg op te lossen.3. Uitwerking van concrete beleidsvarianten op basis van het handelingsperspectief:Het gaat hier om beleidsopties die een significante impact hebben op de personele, financiële en maatschappelijke houdbaarheid29 van de ondersteuning en zorg rondom mentale klachten en psychische aandoeningen door;–het voorkomen van mentale klachten en het verbeteren van de mentale gezondheid, hier wordt breder gekeken dan het VWS-domein. Er zijn vele factoren die van invloed zijn op de mentale gezondheid, die ook overlappen en interactie hebben met elkaar (zie RIVM onderzoek30). Daarom is op basis van het RIVM rapport de praktische keuze gemaakt om de beleidsopties buiten het VWS-domein te richten op maximaal vier indicatoren waaronder bestaanszekerheid (armoede, schulden en wonen), werk/arbeidsparticipatie en belasting door school of studie. Deze opties kunnen op korte en lange termijn toezien.–het verbeteren van passende toegang tot de ondersteuning en zorg en–de inrichting van zorg en ondersteuning, waaronder de samenwerking binnen en tussen de stelsels.Het is uitdrukkelijk de bedoeling om de driedeling zoals hierboven opgesomd gelijkwaardig te behandelen in het IBO. Beschrijf in de aangedragen beleidsopties in ieder geval de effecten op de mentale gezondheid, de uitvoerbaarheid (o.a. samenwerking binnen en tussen stelsels en domeinen), de randvoorwaarden die nodig zijn, de brede financiële gevolgen van de beleidsvarianten, het maatschappelijk draagvlak en of dit bevordert dat de cliënt de juiste ondersteuning of zorg op de juiste tijd en plek ontvangt. Conform de IBO-spelregels wordt tenminste één besparingsoptie uitgewerkt. Voor beleidsopties die reeds zijn/worden uitgewerkt in andere onderzoeken zoals de Commissie Sociaal Minimum, het IBO Problematische Schulden, Toekomst Toeslagen, kan worden verwezen naar deze rapporten, in plaats van deze opties (opnieuw) uit te werken in dit IBO.Scope en grondslagTabel 18.1 bevat de grondslag van dit IBO. In de grondslag zijn de structurele kosten opgenomen die voor de ondersteuning en zorg in de Zvw, Wlz en Beschermd Wonen (Wmo) worden gemaakt. De incidentele middelen in deze domeinen zijn niet meegenomen in de tabel. In dit IBO gaat het ook 28 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2024). Mentale gezondheid. Factoren die van invloed zijn, met handelingsperspectief voor de overheid.29 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2021), Kiezen voor houdbare zorg. Mensen, middelen en maatschappelijk draagvlak.30 Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2024). Mentale gezondheid. Beïnvloedende factoren met handelingsperspectief voor de overheid.365Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 over het bredere sociaal domein, Wmo, Wpg, Jeugdwet, bestaanszekerheid (armoede, schulden en wonen), werk/arbeidsparticipatie en belasting door school of studie. De kosten in deze domeinen zijn niet meegenomen in de grondslag, omdat deze niet te herleiden zijn of niet uit te drukken in termen van ondersteunings- en zorgkosten. Op deze beleidsterreinen worden uitdrukkelijk ook beleidsopties ontwikkeld.Tabel 18.1 Kosten van de ondersteuning en zorg rondom mentale klachten en psychische aandoeningen in miljoenen euro’s12020202120222023202420252026POH-GGZ2205217235Curatieve ggz (Zvw)34.3362.9574.6015.0365.5055.5585.553Langdurige ggz (Wlz)46221.6032.0702.4212.6772.7732.735Beschermd Wonen (Wmo)51.9381.4891.4981.6411.7311.7461.747Begrotingsgefinancierde uitgaven curatieve ggz (Art. 2)242628121517251POH-GGZ: https://www.nza.nl/zorgsectoren/huisartsenzorg/kerncijfers-huisartsenzorgCuratieve ggz en langdurige ggz: - 2020: Jaarverslag VWS 2023 ‒ 2021 t/m 2023: Verdiepingsbijlage Zvw en Wlz OW 2025‒ 2024 t/m 2026: Ontwerpbegroting VWS 2025Beschermd wonen: ‒ 2020 t/m 2023: Jaarverslag VWS 2023 ‒ 2024 t/m 2026: Ontwerpbegroting VWS 2025Begrotingsgefinancierde uitgaven curatieve zorg: ‒ 2020 t/m 2023: Jaarverslag VWS 2023‒ 2024 t/m 2026: Ontwerpbegroting VWS 20252Hier zijn NZa cijfers gebruikt, die maar tot 2022 lopen.32021: Eenmalige schadelastdip door invoering van het Zorgprestatiemodel.42021: Openstelling Wlz voor Zvw en Wmo cliënten.5Dit zijn de middelen die vanaf de begroting worden overgeheveld naar het Gemeentefonds, middels een integratie Uitkering. Aangezien deze middelen niet geoormerkt zijn, kan het zijn dat er in de praktijk minder of meer budget naar Beschermd Wonen gaat.Organisatie van het onderzoekDe werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van VWS, FIN, OCW, SZW en JenV. BZK neemt deel als agendalid. Relevante experts, ervaringsdeskundigen en organisaties worden op een passende manier betrokken. De werkgroep staat onder leiding van een onafhankelijke voorzitter. De voorzitter wordt ondersteund door een secretariaat bestaande uit medewerkers van VWS en FIN. Het IBO start in november 2024 en het rapport wordt uiterlijk eind juni 2025 opgeleverd. De omvang van het rapport is niet groter dan vijftig pagina’s plus een samenvatting van maximaal vijf pagina’s.366Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Taakopdracht IBO ArbeidsmigratieInleidingGrip op migratie is een thema dat hoog op de maatschappelijke agenda staat. De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 adviseert een gematigde bevolkingsgroei (bevolking van 19-20 miljoen in 2050) om brede welvaart op peil te houden en onderstreept de noodzaak van bijpassend migratiebeleid.Dit IBO gaat specifiek in op arbeidsmigratie. Arbeidsmigratie in Nederland bestaat uit relatief veel laagbetaalde EU-arbeidsmigratie en een kleiner aandeel hoogbetaalde (kennis)migratie van buiten de EU. Verschillende rapporten31 beschrijven hoe economische beleidskeuzes via de vraag naar arbeid in belangrijke mate het aantal en type arbeidsmigranten in Nederland bepalen. Ook in het HLA vormt arbeidsmigratie een belangrijk beleidsthema. Hierin zijn maatregelen afgesproken om arbeidsmigratie tegen lage lonen en onder slechte arbeidsomstandigheden te beperken.Doel van het IBO en opdracht aan de werkgroepVerschillende rapporten gaan reeds in op de cijfermatige basis rond (arbeids)migratie32 en de relatie tussen economisch beleid, brede welvaart en migratie.33 De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 adviseert dat er keuzes gemaakt moeten worden om te komen tot een kwalitatief hoogwaardige economie. De hoofdvraag van dit IBO luidt: hoe kan Nederland de grip op de omvang, samenstelling en omstandigheden van arbeidsmigratie vergroten, en wat zijn hiervan de economische en maatschappelijke gevolgen? Hierin worden expliciet de maatschappelijke kosten en baten van arbeidsmigratie meegenomen en wordt de impact op sectoren die veel gebruik maken van arbeidsmigranten meegenomen door te kijken naar de sectorele kenmerken. De werkgroep verkent hiertoe het huidige en benodigde instrumentarium en gaat in op de budgettaire, economische en brede maatschappelijke impact hiervan. Daarbij worden concrete beleidsopties die raken aan de hoeveelheid, samenstelling en omstandigheden van arbeidsmigratie in Nederland in kaart gebracht. Het IBO richt zich met name op beleid met een impact op de vraag naar arbeidsmigratie, zoals economisch beleid dat de structuur van de economie beïnvloedt en arbeidsmarktbeleid.Er zijn recent al veel rapporten over migratie verschenen. Voor een belangrijk deel van de feitenbasis zal het IBO vooral bestaande informatie op een inzichtelijke wijze presenteren, aangevuld met gerichte onderzoeksvragen voor wat nog niet bekend is. Waar nodig worden data experts ingeschakeld voor het opstellen van de cijfermatige feitenbasis. De focus van het IBO ligt op het beleidsgerichte deel van het onderzoek.Feitenbasis (gericht op wat we nog niet weten)1.Wat zijn de verwachtingen voor de ontwikkeling van arbeidsmigratie (inclusief de daaruit volgende gezinsmigratie) in de toekomst?•Welke onzekerheden spelen er rond toekomstige instroom en verblijfsduur? Welke scenario’s vallen op basis van die onzekerheden te onderscheiden?31 Adviesraad Migratie. (2023). Verkenning: Arbeidsmigratie: Oplossing voor economie en demografie?'; CPB. (2024). Economische dynamiek en Migratie.; Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. (2024). Gematigde groei.32 Bijv.: Staat van Migratie (2024); Jaarrapportage Arbeidsmigranten (2023); Onderzoeksagenda CPB33 Momenteel onderzoekt de Adviesraad Migratie hoe een brede welvaartsbenadering voor arbeidsmigratie kan worden geconcretiseerd.367Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 •Wat is de impact van vergrijzing en economische ontwikkeling binnen huidige herkomstlanden op arbeidsmigratie naar Nederland? Is een verplaatsing van arbeidsaanbod vanuit binnen de EU naar derde landen te verwachten?2.Hoe vertaalt het advies van gematigde groei van de Staatscommissie Demografie zich naar de afzonderlijke migratiemotieven?•Wat is het baseline scenario voor arbeidsmigratie bij ongewijzigd beleid de komende jaren (Staatscommissie en CPB geven enkel scenario’s voor totale migratiesaldo)?•Hoeveel ruimte is er tot 2050 voor arbeidsmigratie, indien de wens is om de totale bevolking gematigd te laten groeien en bij diverse scenario’s van instroom en verblijf van asielmigranten?3.Wat zijn momenteel arbeidsmigratie-intensieve sectoren en hoe heeft de arbeidsmigratie intensiteit van sectoren zich in het verleden ontwikkeld? Wat zijn de verwachtingen over de ontwikkelingen hiervan in de toekomst? Welke scenario’s zijn te onderscheiden?Kosten en baten van arbeidsmigratie1.Wat zijn de brede maatschappelijke effecten en gevolgen voor de overheidsfinanciën en economie van arbeidsmigratie? Wat is de netto druk op voorzieningen van arbeidsmigranten, uitgediept naar kenmerken van de migrant (verblijfsduur, opleidings-/productiviteitsniveau, cohort en werksector)?342.In hoeverre verlicht of versterkt arbeidsmigratie sectorale tekorten op de arbeidsmarkt en wat is de (empirische) wisselwerking met andere aanpassingsmechanismen in de economie en op de arbeidsmarkt?•In sectoren met een krappe arbeidsmarkt concurreert arbeidsmigratie met andere aanpassingsmechanismen waarlangs de markt een nieuw evenwicht kan bereiken: arbeidsmigratie vergroot immers het arbeidsaanbod in die sector/voor dat beroep, maar verkleint tegelijkertijd de prikkel om te innoveren of arbeidsvoorwaarden te verbeteren. Er is dus een wisselwerking tussen dit aanpassingsmechanisme en andere (binnenlandse) aanpassingsmechanismen.Doorwerking huidige economische beleidskeuzes (industrie- en arbeidsmarktbeleid) op arbeidsmigratie in NederlandEconomisch beleid met invloed op de economische structuur:1.Hoe werkt (generiek en sectoraal) beleid op andere domeinen door op de economische sectorstructuur, in het bijzonder op migratie-intensieve sectoren?•De werkgroep richt zich hiervoor op een selectie van bestaand industrie- en vestigingsbeleid (zoals fiscale regelingen en subsidies) met een effect op arbeidsmigratie-intensieve bedrijvigheid.35 Het IBO gaat daarbij ook in op de mate van beprijzing van externe effecten die van dit beleid uitgaat (milieu, natuurbehoud, stikstof, schoon water, etc.). Er wordt hier ook gekeken naar de bredere (maatschappelijke) kosten en baten van dergelijke maatregelen/regulingen en de (economische) activiteit die zij beogen te stimuleren.34 Hierbij dient de lifecycle approach gehanteerd te worden en moet rekening worden gehouden met verblijfsduur en impact van conjunctuur.35 De werkgroep inventariseert een longlist van relevant beleid, zoals het topsectorenbeleid en het degressieve tarief van de energiebelasting, en werkt hiervan een selectie verder uit. Om hierbij focus te behouden worden enkele meest relevante beleidsknoppen nader uitgewerkt.368Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Beleid gericht op regulering van de arbeidsmarkt:2. Wat is de impact van voorgenomen beleidswijzigingen in het arbeidsmarktbeleid en de verbetering van arbeidsomstandigheden (en handhaving),36 zoals de Wtta en het arbeidsmarktpakket, op arbeidsmigratie intensieve bedrijvigheid?Regelgeving rond (toelating van) arbeidsmigratie:3. Hoe werkt het huidige juridische kader rond arbeidsmigratie door op de mix van migranten in Nederland?Beleidsopties (met als doel om de omvang, samenstelling en omstandigheden van arbeidsmigratie te beïnvloeden en hiermee de toegevoegde waarde van arbeidsmigratie te vergroten):1.Welke additionele – generieke en/of sectorale – maatregelen zijn mogelijk binnen het economisch beleid, arbeidsmarktbeleid en socialezekerheidsbeleid om de omvang en samenstelling van arbeidsmigratie te beïnvloeden? Wat zijn daarvan de maatschappelijke en economische effecten?•Het IBO werkt verschillende beleidsknoppen uit, voortbordurend op de analyse, en brengt de effectiviteit en consequenties (uitruilen met o.a. oorspronkelijk beoogde effecten) van deze knoppen in kaart.2.Welke mogelijkheden zijn er om de inzet van arbeidsmigranten in specifieke sectoren te reduceren of te bevorderen? Welke rol kan arbeidsbesparende en productiviteitsverhogende technologie spelen? Is hier beleidsinzet op nodig, en zo ja welke?3.Hoe kan sturing op arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden arbeidsmigratie beïnvloeden?374.Welke concrete beleidsopties zijn er om de toegevoegde waarde van arbeidsmigratie aan de brede maatschappelijke welvaart te verhogen? Hierbij gaat het IBO ook in op de participatie van meegekomen gezinsmigranten en retentie van studiemigranten voor hoogproductieve beroepen. 5.Welk effect hebben de geschetste beleidsopties op de overheidsfi-nanciën en welke beleids-, intensiverings- en besparingsopties zijn daarin mogelijk?6.Welke mogelijkheden zijn er om via het toelatingsbeleid de instroom van arbeidsmigranten in Nederland te beïnvloeden (zowel in omvang als samenstelling van de instroom)?•Hiervoor kan de werkgroep leunen op conclusies uit bestaande onderzoeken, zoals het aankomende rapport van de Adviesraad Migratie.GrondslagBij de uitwerking van (beleidsopties voor) het IBO zal in elk geval gekeken worden naar fiscale regelingen en middelen op de begrotingen waarvan het doel direct verbonden is met (arbeids)migratie. Dit gaat in elk geval om de ETK/30%-regeling en de Roemer middelen (55 miljoen euro struc verdeeld artikel 1 artikel 99).36 De aanbevelingen van het rapport van de commissie-Roemer, die momenteel in uitvoering zijn, vallen niet binnen de centrale focus van dit IBO. Wel kan worden onderzocht welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om (indirect) via arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden te sturen op arbeidsmigratie.37 Idem vorige voetnoot: de focus ligt hier niet op de aanbevelingen van de commissie-Roemer, maar op maatregelen die in aanvulling daarop kunnen bijdragen aan indirecte sturing op arbeidsmigratie.369Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Omdat de beleidsopties voor dit IBO zullen volgen uit de inhoudelijke analyse wordt de reikwijdte van de grondslag niet op voorhand vastgelegd. Zoals hierboven beschreven zullen de gevolgen voor de overheidsfinanciën van de te schetsen beleidsopties in kaart worden gebracht. Ook zal daarbij worden gekeken welke besparingsvarianten daarin mogelijk zijn.Organisatie van het onderzoekDe werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van FIN, SZW, EZ, JenV, BZK, LVVN, AZ en OCW. Ook wordt een vertegenwoordiger van het CPB en wordt een vertegenwoordiger van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) verzocht om deel te nemen in de werkgroep. De werkgroep staat onder leiding van een onafhankelijke voorzitter. De voorzitter wordt ondersteund door secretarissen van FIN, SZW en EZ. Het onderzoek start in september 2024. De werkgroep rond haar eindrapport uiterlijk juni 2025 af. De omvang van het rapport is niet groter dan vijftig bladzijden plus een samenvatting van maximaal vijf bladzijden.370Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Taakopdracht IBO HuursectorAanleidingDe afgelopen jaren is er veel (politieke) aandacht voor het huurbeleid en het functioneren van de huurmarkt in Nederland. Het aanbod van huurwoningen blijft achter bij de vraag. Dit resulteert in lange wachtlijsten voor sociale huur en stijgende huurprijzen en excessen in de vrije huursector. Door het tekort aan woningen is het verschil op de woningmarkt tussen mensen die een (koop)woning hebben (insiders) en mensen die een woning zoeken (outsiders) groot. Mensen die zich vanwege hun inkomen en/of behoeften geen koopwoning kunnen veroorloven, zijn hierdoor aangewezen op de huursector. Daarbij geldt bovendien dat middeninkomens zijn aangewezen op het beperkte middensegment en vrije segment, omdat de sociale huursector enkel beschikbaar is voor mensen met een laag inkomen. Hoewel Nederland internationaal gezien een grote sociale huursector heeft, zijn er in verschillende regio’s aanzienlijke wachtlijsten voor sociale huur. De bevolkingssamenstelling in de sociale huursector is de afgelopen jaren in toenemende mate gaan bestaan uit huishoudens met de laagste inkomens, en de instroom bevordert dit ook. Groepen die om wat voor reden dan ook niet terecht kunnen in de sociale huur zijn aangewezen op de vrije sector. Ook is de doorstroming in de sociale huursector relatief beperkt en blijven mensen regelmatig wonen in een woning die eigenlijk niet meer past bij hun gezinssamenstelling. Dit betekent dat de bestaande voorraad dus ook niet optimaal benut wordt.De Nederlandse huurmarkt is het afgelopen decennium onderworpen aan verschillende beleidstheorieën ten aanzien van het gewenste huurbeleid. In 2023 heeft SEO begrotingsartikel 3 Woningmarkt geëvalueerd over de periode 2015-2021. SEO concludeert dat het woningmarktbeleid, zo ook voor de huurmarkt, in deze periode is bewogen van vraaggerichtheid met een grotere rol voor marktwerking naar betaalbaarheid en toegankelijkheid met een grotere rol voor overheidsingrijpen.38Er worden veel verschillende doelstellingen beoogd met het huurbeleid en dit maakt de dynamiek op de woningmarkt complex. Met de recent in werking getreden Wet betaalbare huur kan de huurmarkt worden opgedeeld in drie segmenten: gereguleerde (sociale) huur, gereguleerde middenhuur en vrije sector (of geliberaliseerde) huur. Huurregulering is gericht op het waarborgen van de betaalbaarheid, vraaggerichtheid en toegankelijkheid van woningen, maar gaat ook over de rechtsbescherming van huurders en verhuurders, het waarborgen van huurwoningen van voldoende kwaliteit, de zorg voor evenwichtige woonruimteverdeling en -toewijzing, en leefbaarheid.39 Deze doelen kunnen elkaar echter ook bijten. Zo leidt in het geval van woningcorporaties beleid gericht op betaalbaarheid (bijvoorbeeld passend toewijzen) tot minder investeringscapaciteit voor nieuwbouw of verduurzaming, met risico’s voor de toegankelijkheid en leefbaarheid.40 Ook bij institutionele en particuliere beleggers kan de prijsregulering ervoor zorgen dat er minder wordt aangeboden of gebouwd, maar leidt het loslaten daarvan tot excessen in huurprijzen en kwaliteit en weinig aandacht voor de leefbaarheid en de juiste woonruimteverdeling. Er zijn 38 SEO beveelt onder andere aan om het woningwaarderingsstelsel (WWS) en de huurtoeslag te hervormen, de sturing op het woningaanbod van corporaties te vergroten, en daarbij te zorgen voor voldoende middelen. Ook constateert SEO een gebrek aan samenhang van het (huur)beleid gericht op middeninkomens.39 Dit zijn de drie deeldoelstellingen van het woningmarktbeleid zoals benoemd onder begrotingsartikel 3 Woningmarkt.40 In het IBO woningbouw en Grond zijn fiches over de investeringscapaciteit uitgewerkt. Hier kan uit worden geput in dit IBO.371Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 weinig prikkels maar ook weinig mogelijkheden om binnen de huursector door te stromen, terwijl de stap naar de koopmarkt voor veel huurders te groot is.Gezien deze complexiteit is het de vraag of het gekozen beleid altijd het meest passend is voor het doel wat wordt beoogd en wat het effect is op andere doelstellingen. Incidentele en structurele maatregelen om huurprijzen te drukken, zoals huurbevriezing of verhoging van de huurtoeslag zijn gericht op het versterken van de betaalbaarheid voor huurders, maar zijn de facto ook een vorm van inkomensondersteuning, die ook anders georganiseerd zou kunnen worden. Passend toewijzen is een manier om te waarborgen dat lage inkomens betaalbaar wonen en de huurtoeslag beheersbaar blijft, maar hierdoor is er beperkt ruimte om factoren als kwaliteit en locatie mee te wegen. Daarnaast worden op dit moment wachtlijsten per regio (of per corporatie) gehanteerd voor sociale huurwoningen en bepalen gemeenten (gedeeltelijk) zelf welke aandachtsgroepen voorrang krijgen en op basis van welke criteria een woning wordt toebedeeld. Mogelijk beperkt dit de doorstroming op de woningmarkt tussen regio’s. Tegelijkertijd kunnen veel mensen door een gebrek aan wachttijd en geen indicatie voor voorrang niet terecht in een sociale huurwoning waar ze qua inkomen wel zouden passen. Zij moeten levenskeuzes hierdoor noodgedwongen uitstellen, of belanden in de vrije sector met gevolgen voor de betaalbaarheid, kwaliteit en leefbaarheid.Doel van het IBO en opdracht aan de werkgroepBovenstaande uitdagingen op de huurmarkt vergen een overkoepelende analyse van het huurdomein. Dit IBO heeft als doel het beleid met invloed op de verschillende huursegmenten in samenhang (en in relatie tot de koopsector) te analyseren en concrete beleidsopties uit te werken.Hoofdvraag: Hoe kan het beleid dat invloed heeft op de huursector beter faciliteren dat mensen betaalbaar en passend bij hun situatie en levensfase kunnen wonen en doorstromen (aanpassend aan hun situatie en levensfase) én de leefbaarheid van wijken wordt versterkt?Deelvraag I (feitenbasis): Hoe heeft de rol van corporaties en private verhuurders zich de afgelopen jaren ontwikkeld en wat is de rol nu ten opzichte van het huisvesten van verschillende (inkomens)groepen, doorstroming en leefbaarheid?41–Hoe komt het dat de sociale huursector in vergelijking met andere landen relatief groot is? Welke voor- of nadelen zijn hieraan verbonden?–In welke mate stromen mensen door, zowel van sociale huur naar middenhuur en koop als van middenhuur en dure huur naar koop?Deelvraag II (feitenbasis): Welk beleid met welke doelen is er gevoerd en welke invloed heeft dat (gehad) op hoe verschillende inkomensgroepen wonen?–Welk beleid heeft effect gehad op doorstroming (positief en negatief)?–Welk beleid heeft effect gehad op betaalbaarheid (ook vergeleken met de koopsector) (positief en negatief)?–Welk beleid heeft effect gehad op de leefbaarheid (positief en negatief)?41 De Beleidsdoorlichting van artikel 3 van BZK bevat hiervoor al veel waardevolle informatie. In het voorjaar van 2025 worden tevens de resultaten van CBS WoON2024 verwacht met veel inzichten ten aanzien van de samenstelling van huishoudens, de huisvestingssituatie, de woonwensen, de woonlasten en het verhuisgedrag.372Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 –Welk beleid heeft effect gehad op vraaggerichtheid42 (positief en negatief)?–Welk beleid heeft effect gehad op de investeringen in woningkwaliteit (positief en negatief)?–Welk beleid heeft effect gehad op de verdeling van het woningaanbod tussen de verschillende segmenten?Deelvraag III: Hoe kunnen de rollen van de woningcorporaties en de private sector worden vormgegeven om passend wonen, doorstroom en leefbaarheid te bevorderen?–In hoeverre moet huurbeleid landelijk versus lokaal worden vormgegeven?–Behalve voor het vergroten voor het aanbod, is er een andere reden waarom corporaties een rol moeten hebben in de huisvesting van middeninkomens? Kan dat ook elders worden belegd?–Hoe gaan we om met behoefte aan tijdelijke en/acute woonruimte versus en de impact daarvan op de structurele vraag?•Wat kan realistisch gezien van corporaties worden verwacht t.a.v. urgenten en kwetsbaren en welke rol hebben private verhuurders? Wat is daar beleidsmatig voor nodig?–Wat is een rol voor private verhuurders in de huisvesting van lage inkomens?–Hoe sturen we beter op leefbaarheid van wijken en wat kunnen private verhuurders daar in betekenen?•Is daar verschil in tussen grotere institutionele beleggers en kleinere particuliere verhuurders?–In hoeverre is de complexiteit van huurbeleid toegenomen (voor (ver)huurders en uitvoeringsorganisaties) en hoe beïnvloedt dit de doeltreffendheid en doelmatigheid van huurbeleid? Waar is versimpeling van beleid mogelijk?Deelvraag IV: Hoe kunnen huurwoningen het beste benut worden, door welke (inkomens)groepen en wat is daarvan het effect op aanbod van huurwoningen?–Wat zijn de effecten van schaarste op het huurbeleid en hoe gaan we daar mee om?–Hoe kan de bestaande sociale huurvoorraad optimaal worden benut?–Hoe kan de doorstroom worden bevorderd tussen sociale huur en andere sectoren (inclusief koop)?–Waar zitten de belemmeringen bij doorstroming van middenhuur en dure huur naar koop en hoe kan dat worden bevorderd?–Wat zijn de gevolgen van passend toewijzen, prijsregulering en inkomensondersteuning via de huurtoeslag voor het aanbod en de verdeling van sociale huurwoningen?43–Zijn de inkomensgrenzen die worden gehanteerd voor de verschillende inkomensgroepen doelmatig?GrondslagBinnen de huursector is budgettair gezien de huurtoeslag (5,6 mld44) de verreweg grootste post. Daarnaast staan er middelen voor de wet betaalbare huur, de huurcommissie en de wet vereenvoudiging huurtoeslag op de begroting. Ook zijn er verschillende belastingen en fiscale regelingen 42 Een van de aanbevelingen uit de Beleidsdoorlichting van artikel 3 was tevens om te bezien of een meer concrete doelstelling aan vraaggerichtheid kon worden gegeven.43 Hierbij is de herijking van de NPA in de tweede helft 2024 een belangrijke bron.44 Begroting 2025.373Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 die de huurmarkt beïnvloeden. Een besparingsvariant van 20 procent focust zich vanwege de budgettaire omvang op de huurtoeslag. Voor een besparingsvariant kan worden geput uit eerdere onderzoeken.45 De vereenvoudiging van de huurtoeslag is echter niet de focus van dit IBO,46 wel is aandacht voor de woningmarkteffecten ervan.OrganisatieDe werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van AZ, FIN, BZK, EZ en SZW. Ook worden DNB, CPB en SCP verzocht deel te nemen in de werkgroep. Stakeholders en externe experts worden op een passende manier betrokken. De werkgroep staat onder leiding van een onafhankelijke voorzitter. De voorzitter wordt ondersteund door secretarissen van FIN en BZK. De werkgroep start in september 2024 en rondt haar eindrapport uiterlijk in mei 2025 af. Het eindrapport is maximaal vijftig pagina’s lang en bevat een samenvatting van maximaal vijf pagina’s.45 De beleidsdoorlichting van SEO van artikel 3 (2021) en het IBO Sociale huur (2016) bevatten meerdere hervormingen van de huurtoeslag.46 In verband met het werk dat al is verricht op de toekomst van het toeslagenstelsel.374Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Politieke besluitvormingHieronder wordt ingegaan op de voortgang van de politieke besluitvorming over de resultaten van ronde 2020-2021 tot en met ronde 2023-2024.Ronde 2023-2024IBO Breder instrumentarium woningbouw en grondOp 24 juni 2024 is het IBO-rapport «Op grond kun je bouwen» vanwege de demissionaire status van het kabinet zonder kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.47IBO PensioenopbouwOp 27 juni 2024 is het IBO-rapport «Pensioenopbouw in balans» vanwege de demissionaire status van het kabinet zonder kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.48IBO Problematische schuldenOp 27 juni 2024 is het IBO-rapport «Naar een beter werkende schuldenketen» vanwege de demissionaire status van het kabinet zonder kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.49IBO BedrijfsfinancieringOp 28 juni 2024 is het IBO-rapport «Kies voor baten» vanwege de demissionaire status van het kabinet zonder kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.50IBO Doelmatig hoger onderwijsOp 17 juli 2024 is het IBO-rapport «Talent op de juiste plek» vanwege de demissionaire status van het kabinet zonder kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.51Ronde 2022-2023IBO KlimaatOp 13 maart 2023 is het IBO-rapport «Scherpe doelen, scherpe keuzes» direct na afronding aan de Tweede Kamer aangeboden.52 In het voorjaar van 2023 heeft het kabinet een besluit genomen over een integraal pakket aanvullende klimaatmaatregelen, waarbij zowel is gekeken naar normering, beprijzing als subsidiëring (via het Klimaatfonds). Daarin zijn de resultaten van dit IBO meegenomen.53 Om het doelbereik voor emissiereductie te waarborgen zal voor volgende besluitvormingsrondes om additionele normering- en beprijzingsmaatregelen te implementeren ook worden geput uit het IBO voor beleidsopties.IBO BiodiversiteitOp 5 september 2023 is het IBO-rapport «Snel aan de slag!» vanwege de demissionaire status van het kabinet zonder kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.5447 Kamerstukken II, 2023-2024, 32 847, nr. 1198.48 Kamerstukken II, 2023-2024, 32 043, nr. 655.49 Kamerstukken II, 2023-2024, 24 515, nr. 766.50 Kamerstukken II, 2023-2024, 32 637, nr. 646.51 Kamerstukken II, 2023-2024, 31 288, nr. 1149.52 Kamerstukken II, 2022-2023, 32 813, nr. 1177.53 Kamerstukken II, 2022-2023, 32 813, nr. 1230.54 Kamerstukken II, 2022-2023, 26 407, nr. 149.375Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 IBO Toekomstbestendigheid van het mboOp 13 november 2023 is het IBO-rapport «Samen gericht opleiden voor wendbare vakmensen» vanwege de demissionaire status van het kabinet zonder kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.55Ronde 2021-2022IBO VermogensverdelingOp 8 juli 2022 is het IBO-rapport «Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling» aan de Tweede Kamer aangeboden.56 De kabinetsreactie volgde op Prinsjesdag 2022.57 In de Voorjaarsnota 2022 is aangekondigd te onderzoeken hoe de verhouding tussen lasten op vermogen en arbeid meer in balans kan worden gebracht.58 Met het pakket aan maatregelen in het Belastingplan 2023 is een belangrijke stap gezet in het evenwichtiger belasten van inkomen uit arbeid en inkomen uit vermogen en in het herstel van het globale evenwicht in de belasting van verschillende werkenden.59Daarnaast is bij de Miljoenennota 2023 een taakopdracht geïntroduceerd om met de aanpak van belastingconstructies en negatief geëvalueerde fiscale regelingen structureel 550 miljoen euro extra belastingontvangsten te realiseren. In het Belastingplan 2023 is een eerste concrete stap gezet in het aanpakken van belastingconstructies door voor periodieke giften een plafond in te voeren van 250 duizend euro.60 Bij het Belastingplan 2024 is deze taakstelling grotendeels op structurele basis ingevuld. In de brief «Aanpak belastingconstructies en fiscale regelingen» die op 19 september 2023 aan de Tweede Kamer is gestuurd is uitgebreid ingegaan op zowel de invulling van de taakopdracht als de uitkomsten van de inventarisatie naar belastingconstructies. Daarnaast is een lijst van belastingconstructies als bijlage bij de Voorjaarsnota 2023 gevoegd en wordt er gewerkt aan continue verbetering van benodigde data voor monitoring en evaluaties. In het Hoofdlijnenakkoord is opnieuw een stelpost opgenomen (ter waarde van (250 miljoen euro) om fiscale regelingen en constructies verder af te bouwen.Begin 2024 heeft een interdepartementale werkgroep onder leiding van een onafhankelijke voorzitter het rapport «Belastingen in maatschappelijk perspectief - Bouwstenen voor een beter belastingstelsel» opgeleverd.61 Het rapport gaat onder andere in op de mogelijkheden om inkomen uit werk en inkomen uit verschillende vermogensvormen neutraler te behandelen. Tot slot is in het najaar van 2023 een wetsvoorstel in consultatie gebracht voor een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement.62 Op basis van deze consultatie is het wetsvoorstel op een aantal punten aangepast.63 Het belasten van het werkelijk rendement op vermogen in box 3 past volgens het IBO bij een evenwichtiger belastingstelsel.IBO Publieke investeringenOp 18 juli 2022 is het IBO-rapport «Waar voor ons geld» met kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.64 Hierin kondigde de toenmalige minister van Financiën aan dat de werkwijze en de instrumenten 55 Kamerstukken II, 2023-2024, 31 524, nr. 590.56 Kamerstukken II, 2021-2022, 35 925 IX, nr. 38.57 Kamerstukken II, 2022-2023, 36 200 IX, nr. 4.58 Kamerstukken II, 2021-2022, 36 120, nr. 1.59 Kamerstukken II, 2022-2023, 36 202, nr. 6 en Kamerstukken II, 2022-2023, 36 200 IX, nr. 4.60 Kamerstukken II, 2022-2023, 36 202, nr. 15 en Kamerstukken II, 2022-2023, 36 200 IX, nr. 47.61 Kamerstukken II, 2023-2024, 32 140, nr. 180.62 Kamerstukken II, 2023-2024, 32 140, nr. 170.63 Kamerstukken II, 2023-2024, 32 140, nr. 179.64 Kamerstukken II, 2021-2022, 35 925, nr. 173.376Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 overprogrammering en het investeringsplafond worden geëvalueerd om te borgen dat het doel van het beleid centraal staat. Daarnaast meldde het kabinet voornemens te zijn in de departementale begrotingen, jaarverslagen, de Miljoenennota en het Financieel Jaarverslag van het Rijk te rapporteren over investeringen uit het Coalitieakkoord die onder het investeringsplafond vallen. In de Miljoenennota 2023 is dit voornemen tot uitvoering gebracht in Bijlage 1. Tot slot zei het kabinet toe bij de wetvoorstellen en de bijbehorende memorie van toelichting voor het Klimaatfonds en het Transitiefonds heldere keuzes maken over de vormgeving van de fondsen. In antwoord op schriftelijke vragen van de Tweede Kamer is nog verder ingegaan op de aanbevelingen van het IBO en de toezeggingen in de kabinetsreactie.65IBO JeugdcriminaliteitOp 24 februari 2023 is het IBO-rapport «Werken aan effectievere detentie van jeugdigen» met kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.66 In de kabinetsreactie wordt door de toenmalige minister voor Rechtsbescherming onder andere aangekondigd dat wordt ingezet op het naar binnen halen van zorgpartners die voorafgaand aan de vrijheidsbeneming betrokken zijn. In 2023 is hier invulling aan gegeven doordat DJI een beleidskader heeft opgesteld voor de zogeheten basisafdeling in Justitiële jeugdinrichtingen (JJI) waarbij de focus ligt op het mogelijk maken van passende zorg en begeleiding bij uitstroom. Daarnaast zijn er verschillende aanvullende verkenningen uitgevoerd. Dit heeft onder andere geleid tot de handreiking «Zo krijg je samen zicht op jongeren» van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), welke gericht is op vroegsignalering van jongeren die dreigen af te glijden naar het criminele milieu. Ook wordt samengewerkt met OCW, bijvoorbeeld voor het aanstellen van een tijdelijke landelijke coördinator die de samenwerking tussen JJI’s en mbo-instellingen faciliteert. Op 7 juli 2023 is de kamerbrief brede preventieaanpak jeugdcriminaliteit verstuurd.67 Hierin wordt o.a. extra geïntensiveerd in de domeinoverstijgende en gebiedsgerichte preventieve aanpak jeugdcriminaliteit. Dit sluit ook aan bij de aanbevelingen uit het IBO om de inzet van preventie te stroomlijnen en vroegsignalering te verbeteren.IBO Sturing op kwaliteit van onderwijsOp 18 april 2022 is het IBO-rapport «Koersen op kwaliteit en kansengelijkheid» met kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden. In de kabinetsreactie geeft de toenmalige minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zijn visie op de sturing op onderwijskwaliteit en kansengelijkheid in het funderend onderwijs. Daarbij kijkt hij ook naar de grote samenhangende sturingsvraagstukken op het gebied van bekostiging, zeggenschap en arbeidsvoorwaardenvorming.68In april 2024 kwam de minister met een brief met de uitwerking van deze punten.69 In de brief worden mogelijke opties geschetst voor de inrichting van het stelsel op het gebied van bekostiging, de zeggenschapsstructuur (wie gaat waarover) en de arbeidsvoorwaardenvorming.65 Kamerstukken II, 2022-2023, 36 410, nr. 85.66 Kamerstukken II, 2022-2023, 28 741, nr. 92.67 Kamerstukken II, 2022-2023, 28 741, nr. 106.68 Kamerstukken II, 2022-2023, 31 293, nr. 669.69 Kamerstukken II, 2023-2024, 31 293, nr. 727.377Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 In deze brief worden vijf denkrichtingen genoemd die – ongeacht de precieze keuze voor een sturingswijze – sowieso wenselijk lijken voor de komende jaren. Daarna worden op hoofdlijnen drie scenario’s voor een sturingswijze geschetst.IBO OuderenzorgOp 3 juli 2022 is het IBO-rapport «Niets doen is geen optie» met kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden. In dit IBO is een aantal keuzes in beeld gebracht om de beheersbaarheid van de ouderenzorg te vergroten, zowel op financieel, personeel als maatschappelijk vlak. Het rapport brengt bestaande inzichten in kaart en vult deze aan met analyses, beleidsopties en aanbevelingen. In de kabinetsreactie wordt het advies om nader onderzoek te doen ter harte genomen.70 Zo is in het rapport van de Technische Werkgroep Macrobeheersing Zorguitgaven een aanzet gegeven voor varianten waarin de ouderenzorg wordt ondergebracht in een ander domein.71 Ook loopt een traject naar welke interventies in de langdurige zorg effectief zijn.IBO Vereenvoudiging sociale zekerheidOp 9 juni 2023 is het IBO-rapport «Moeilijk makkelijker maken» met kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden. In de kabinetsreactie wordt de noodzaak om het sociaal vangnet eenvoudiger te maken onderschreven. In deze reactie wordt een nieuw interdepartementaal programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor mensen (VIM) aangekondigd, dat inmiddels van start is gegaan. Dit programma heeft als doel om, samen met uitvoerders en gemeenten, tot scenario’s te komen voor een eenvoudigere inkomensondersteuning op de lange termijn. Ook pakt het programma knelpunten op die ontstaan als mensen te maken hebben met een samenloop van regelingen. Daarnaast werkte het kabinet aan de renovatie van bestaande regelingen en de dienstverlening. Verkend wordt hoe het arbeidsongeschiktheidsstelsel, de kindregelingen, de Participatiewet en de Werkloosheidswet in de toekomst vereenvoudigd kunnen worden. Ook wordt de handhaving herijkt.72Ronde 2020-2021IBO Financiering energietransitieOp 28 april 2021 is het IBO-rapport «Beleidsmatige keuzes in kosten, prikkels en verdeling» aan de Tweede Kamer aangeboden.73 In het IBO werd onder andere aanbevolen om versterking van de kapitaalbasis van de regionale netwerkbedrijven door de Staat uit te werken. De Staat heeft inmiddels een afsprakenkader kapitaalbehoefte regionale netwerkbedrijven vastgesteld dat vastlegt hoe de staat om zal gaan met een verzoek tot kapitaalstorting door de netwerkbedrijven.74 Daarnaast geldt dat inmiddels het Nationaal Plan Energiesysteem en de keuzewijzer Klimaat en Energie gepubliceerd zijn, dit zijn actuele rapporten die vanaf nu mede basis zijn van de beleidsvorming.IBO Vastgoed DefensieOp 16 april 2021 is het IBO-rapport «Toekomstvast – goedbeheerd, naar een toekomstbestendige vastgoedportefeuille voor Defensie» aan de Tweede Kamer aangeboden.75 Het IBO beveelt aan om de basis op orde te 70 Kamerstukken II, 2022-2023, 29 389, nr. 118.71 Kamerstukken II, 2023-2024, 32 620, nr. 289.72 Kamerstukken II, 2022-2023, 29 362, nr. 328.73 Kamerstukken II, 2020-2021, 32 813, nr. 689.74 Kamerstukken II, 2022-2023, 32 813, nr. 1147.75 Kamerstukken II, 2020-2021, 34 919, nr. 77.378Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 brengen door de informatievoorziening en governance te versterken, de vastgoedportefeuille met 35-40 procent te reduceren en het Defensievastgoed onder te brengen bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Met het Coalitieakkoord Rutte IV heeft het kabinet geld vrijgemaakt om de achterstanden in het vastgoed weg te werken. De kabinetsreactie is opgenomen in het Strategisch Vastgoedplan 2022 dat op 2 december 2022 aan de Tweede Kamer is aangeboden.76 Defensie is gestart met het (half)jaarlijks rapporteren over de voortgang van het verbeteren van het vastgoedbeheer. Daarnaast heeft Defensie het principebesluit genomen om over te gaan op een nog nieuw te ontwikkelen stelsel bij het RVB. Het nieuwe stelstel zal in de komende periode door Defensie en het RVB worden uitgewerkt. Belangrijke voorwaarden daarbij zijn het behoud van zeggenschap over beschikbaarheid en gebruik en een budget-neutrale en gefaseerde overgang.IBO OnderwijshuisvestingOp 9 april 2021 is het IBO-rapport «Een vak apart. Een toekomstbestendig onderwijshuisvestingstelsel» aan de Tweede Kamer aangeboden.77 Op 21 december 2021 reageerde de toenmalige minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media op het IBO.78 Er blijkt sprake te zijn van een aanzienlijk aantal verouderde schoolgebouwen. Er komt een plan om die gebouwen aan te pakken. Er is onder andere een wetsvoorstel onderwijshuisvesting in de maak. Deze wet werkt voorstellen voor het aanpassen van de governance-relatie voor onderwijshuisvesting verder uit. Dit wetsvoorstel wordt naar verwachting in de tweede helft van 2024 aan de Tweede Kamer aangeboden. Naast deze wet wordt gewerkt aan de verbetering van informatievoorziening en is er gestart met een programmatische aanpak, die zich onder andere richt op het verkrijgen en standaardiseren van sturingsdata op gebouw-, portefeuille-, lokaal en landelijk niveau. Ten slotte zijn er middelen beschikbaar gekomen via het Nationaal Groeifondsprogramma «Innovatieprogramma onderwijshuisvesting.» Dit innovatieprogramma moet leiden tot kwalitatief betere onderwijshuisvesting en efficiëntere bouwprocessen met een kortere doorlooptijd. Door een gecoördineerd programma worden partijen bijeengebracht, wordt de benodigde schaalvergroting om te komen tot leereffecten gerealiseerd en worden risicokosten afgedekt.IBO Ruimtelijke ordeningOp 12 mei 2021 is het IBO-rapport «Van woorden naar daden, over de governance van de ruimtelijke ordening» vanwege de demissionaire status van het kabinet zonder kabinetsreactie aan de Tweede Kamer aangeboden.79 Op 12 november 2021 reageerde de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op het IBO. In navolging van de aanbeveling om bindende prestatieafspraken van Rijk en regio op te stellen worden er definitieve verstedelijkingsstrategieën opgesteld.80IBO AgentschappenOp 19 mei 2021 is het IBO-rapport «Samen werken aan publieke waarde» aan de Tweede Kamer aangeboden.81 Het onderwerp van dit IBO heeft grote samenhang met de het onderzoek «Brede evaluatie van organisatiekaders 76 Kamerstukken II, 2022-2023, 36 124, nr. 12.77 Kamerstukken II, 2020-2021, 35 570-VIII, nr. 213.78 Kamerstukken II, 2021-2022, 35 925-VIII, nr. 144.79 Kamerstukken II, 2021-2022, 34 682-VIII, nr. 82.80 Kamerstukken II, 2021-2022, 34 682, nr. 88.81 Kamerstukken II, 2020-2021, 25 268, nr. 199.379Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 op afstand» dat 9 december 2021 aan het Parlement is verzonden.82 Derhalve is de inhoudelijke reactie op het IBO Agentschappen samen met de kabinetsreactie op de Brede evaluatie van organisatiekaders aangeboden op 9 september 2022. Conform de aanbevelingen van het IBO Agentschappen is gekozen om een regeling op hoofdlijnen te maken waarbij ruimte is voor maatwerk.82 Kamerstukken II, 2020-2021, 34 430, nr. AC.380Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 19 MONITOR INVESTERINGSFONDSENMonitor investeringsfondsenScope aanpassingHet nieuwe kabinet heeft in lijn met het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte de deelplafondsystematiek, waaronder het investeringenplafond, afgeschaft. Daarnaast zijn de verdeelfondsen afgeschaald of worden niet (langer) ten uitvoering gebracht. Hiermee verschuift de focus van deze monitor terug naar enkel de traditionele begrotingsfondsen: het Mobiliteitsfonds en Deltafonds onder beheer van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Defensiematerieelbegrotingsfonds onder beheer van het ministerie van Defensie.AlgemeenFiguur 19.1 geeft het totaal aan investeringen weer onder het investeringsplafond bij de Miljoenennota (MJN) 2025. De lichtblauwe staven geven de realisaties weer in 2022 en 2023. De donkerblauwe staven tonen de begroting bij MJN 2025. De cijfers zijn allemaal in prijspeil 2022 om het verloop van de investeringsuitgaven te tonen zonder prijseffecten.Figuur 19.1 Horizontale ontwikkeling investeringsfondsen (prijzen 2022)Het kabinet Schoof bouwt voort op investeringen van vorige kabinetten. In de grafiek is de verwachting te zien dat de uitgaven een significante groei doormaken richting 2026 en zich vervolgens rond dat niveau stabiliseren (2023: 15,7 miljard euro, 2026: 25,5 miljard euro). Dit is onder meer het resultaat van toevoegingen uit het hoofdlijnenakkoord (HLA). De groei in gerealiseerde uitgaven, geschoond van prijsontwikkelingen, van 2022 naar 2023 kwam neer op 1,6 miljard euro. Het totaal aan uitgaven in 2023 kwam daarmee op 15,7 miljard euro. Na verwerking van het HLA en de kasschuiven uit Voorjaarsnota 2024 en Miljoennota 2025, is in 2024 het streven om 4,4 miljard euro meer uit te geven dan in 2023. Het totaal aan uitgaven komt in 2024 daarmee op 20,1 miljard euro (+28% t.o.v. 2023). In 2025 stijgen de uitgaven opnieuw, naar 20,9 miljard euro.Het kabinet heeft besloten om middelen uit 2024 en 2025 naar latere jaren te schuiven. Het kabinet doet dit om de middelen in een realistischer ritme te plaatsen en om onderuitputting te voorkomen. Het ritme sluit zo beter aan bij de mogelijkheden om deze middelen uit te kunnen geven, gezien de krappe arbeidsmarkt en beschikbare fysieke, milieu- en juridische ruimte. In 2024 is totaal 1,55 miljard euro geschoven naar latere jaren. Dit is ook te zien in figuur 2. Ondanks deze kasschuiven blijven de middelen in een ambitieus ritme staan en moet worden bezien of volledige uitputting wordt 381Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 gerealiseerd. Bij Najaarsnota 2024 is het volgende moment om te bezien of de huidige uitgavenraming voor 2024 aanpassing behoeft. Een nieuwe meerjarige raming volgt bij de Voorjaarsnota 2025.Figuur 19.2 toont de toevoegingen van het HLA en de kasschuiven die in 2024 zijn verwerkt. De oranje blokjes geven de kasschuiven weer. In 2024 en 2025 zijn deze negatief. De verwachting is dat middelen niet worden besteed. Daarom worden de middelen naar latere jaren geschoven, waaronder naar de jaren 2027 t/m 2029. De grijze blokjes geven de toevoegingen van het HLA weer. Dit is inclusief de HLA-middelen die op de Aanvullende Post staan. Met name vanaf 2027 worden veel middelen toegevoegd aan de investeringsfondsen. De belangrijkste oorzaken voor de ontwikkelingen per investeringsfonds worden hieronder toegelicht.Figuur 19.2 Kasschuiven en toevoegingen hoofdlijnenakkoord (HLA)MobiliteitsfondsOm de middelen op het Mobiliteitsfonds in een realistischer ritme te plaatsen is bij de Voorjaarsnota 2024 819 miljoen euro uit 2024 en 769 miljoen euro uit 2025 weggeschoven naar latere jaren. De grootste verschuivingen naar achteren vinden plaats op de programmering van de ViA15 en op de middelen voor de ontsluiting van woningbouwprojecten. Verder worden enkele reserveringen naar latere jaren geschoven. Bij Miljoenennota 2025 wordt 508 miljoen geschoven naar latere jaren. Een deel van de HLA-middelen staat nog op de Aanvullende Post. Zo is 2,5 miljard euro toegevoegd voor de regionale aanpak infrastructuur voor woningbouw. De middelen zijn bedoeld voor het ontsluiten van (nieuwe) woningbouwlocaties en het aanleggen van infrastructuur voor mobiliteit. Om de middelen in een realistisch en uitvoerbaar ritme te zetten zijn bij Miljoenennota 2025 de middelen voor 2025 volledig (500 miljoen euro) en een deel van de middelen van 2026 (350 miljoen euro) verschoven naar latere jaren op de Aanvullende Post.382Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 DeltafondsBij Voorjaarsnota 2024 is circa 660 miljoen euro uit 2024 en circa 277 miljoen euro uit 2025 weggeschoven. De tweede tranche van de coalitieakkoordmiddelen Beekdalen zijn in een realistisch uitgavenpatroon gezet. Ook het budget van het Hoogwaterbeschermingsprogramma wordt verschoven naar latere jaren in verband met uitdagingen in de uitvoering. Bij Miljoenennota 2025 wordt 88 miljoen geschoven naar latere jaren.DefensiematerieelbegrotingsfondsDe Defensie-uitgaven op het DMF nemen de komende jaren met 1,18 miljard euro toe in 2027, 1,26 miljard in 2028 en hierna structureel vanaf 2029 met 1,82 miljard. Dit komt onder andere door de toegevoegde middelen uit het Hoofdlijnenakkoord waarmee de uitgaven van defensie in lijn zijn gebracht met de NAVO-doelstelling van 2% bbp. Daarnaast wordt het verloop beïnvloed door een additionele kasschuif van 2024 en 2025 naar 2027-2029 van 2,05 miljard. In de Voorjaarsnota 2024 is reeds 3 miljard euro verschoven uit 2024 en 2025 naar latere jaren. De veiligheidssituatie blijft echter tot spanning leiden in de mondiale defensiemarkt. Dit, in combinatie met krapte op de arbeidsmarkt, zorgt dat het tempo van de geplande investeringen van Defensie onder druk blijft staan. Op basis van recente ramingen heeft dit kabinet besloten om de defensie-investeringen in een ritme te plaatsen dat beter aansluit bij het moment waarop Defensie deze middelen verwacht uit te kunnen geven. De geplande investeringsmiddelen blijven beschikbaar voor Defensie en kunnen op een zo ambitieus mogelijk tempo worden voortgezet.383Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 20 INTEGRAAL OVERZICHT KLIMAATIn deze bijlage wordt een overzicht geboden van de gevolgen van het klimaatbeleid voor de Rijksfinanciën. In tabel 20.1 staan alle uitgaven van het Rijk ten behoeve van het klimaatbeleid en de verduurzaming van de energievoorziening. Deze tabel is overgenomen uit de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en bevat alle voorgenomen uitgaven op departementale begrotingen die onder de gestelde definitie van klimaatuitgaven vallen. De definitie, zoals expliciet gedefinieerd in de kabinetsreactie op het rapport ‘Inzicht in uitgaven klimaatbeleid’ van de Algemene Rekenkamer83, luidt:«Kimaatuitgaven zijn alle uitgaven die als hoofddoel hebben om bij te dragen aan het nationale klimaatbeleid gericht op de reductie van broeikasgassen en de verduurzaming van de energievoorziening. Hierbij kan het gaan om uitgaven gericht op de productie en het gebruik van broeikasgasneutrale energie, op energiebesparing, op directe beperking van uitstoot van broeikasgassen of om vastlegging van broeikasgassen.»De klimaatuitgaven worden op dezelfde manier gepresenteerd als in de budgettaire tabel van de begroting van het departement dat de beleidsinhoudelijke verantwoordelijkheid draagt. De uitgaven zijn gegroepeerd op basis van de sectorindeling van het Klimaatplan waaraan de uitgaven het meest direct bijdragen. Sommige uitgaven dragen echter ook bij aan de verduurzaming van andere sectoren. Het overzicht geeft weer in welke departementale begroting en welk beleidsartikel de uitgaven feitelijk staan. Hier is ook de toelichting van de uitgaven te vinden. In tabel 20.2 worden de relevante fiscale voordelen vermeld die onder bovenstaande definitie vallen, hoewel dit feitelijk gezien geen uitgaven zijn maar gederfde inkomsten.In tabel 20.3 zijn de inkomsten uit klimaatgerelateerde belastingen en lasten opgenomen die onder de gestelde definitie vallen. De definitie, zoals toegelicht in de kabinetsreactie op het advies van de Raad van State bij de Miljoennota 2024 met betrekking tot klimaatinclusief begroten84, luidt:«Klimaatgerelateerde belastingen zijn belastingen die, naast het zorgen van inkomsten voor de schatkist, als hoofddoel hebben om bij te dragen aan het nationale klimaatbeleid gericht op de reductie van broeikasgassen en de verduurzaming van de energievoorziening. Hierbij kan het gaan om belastingmaatregelen die ook zijn gericht op de productie en het gebruik van broeikasgasneutrale energie, op energiebesparing, op directe beperking van uitstoot van broeikasgassen of om vastlegging van broeikasgassen.»Zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het advies van de RvS zal hier vanaf volgend jaar ook een overzicht van alle uitgaven voor het klimaatadaptatiebeleid worden opgenomen. Het voornemen is om het parlement in de aankomende Klimaatnota te informeren over de definitie voor dit uitgavenoverzicht.83 Kamerstuk 32813-123584 Kamerstuk 32813-1401384Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Toelichting belangrijkste mutaties n.a.v. augustusbesluitvormingIn het voorjaar is via het ontwerp Meerjarenprogramma (MJP) 2025 voorgesteld € 9,8 mld. uit het Klimaatfonds toe te kennen. Hiervan is in het voorjaar € 4,4 mld. direct overgeheveld, omdat deze middelen reeds voldeden aan de voorwaarden. Na beoordeling en politieke besluitvorming is het voorstel om aanvullend € 295,7 mln. over te hevelen. Dit betreft o.a. middelen voor kernenergie, verduurzaming binnenvaart n.a.v. de opt-in ETS2 en middelen voor demonstratie energie-innovatie via de DEI+. Het restant wordt onderdeel van de toekenningen onder voorwaarden en reserveringen voor MJP 2026. Daarnaast is in de Klimaatfondsbegroting n.a.v. het Hoofdlijnenakkoord de bezuiniging van € 1,2 mld. op waterstof en batterijen verwerkt en is het perceel kernenergie met € 9,5 mld. verhoogd. Verder is besloten dat de verwachte opbrengsten van de CO2-heffing (€ 441 mln, waarvan € 150 mln van AVI’s en € 291 mln van overige industrie) worden toegevoegd aan het Klimaatfonds. Alle Klimaatfondsmutaties worden toegelicht in het definitieve Meerjarenprogramma Klimaatfonds 2025 en de Klimaatfondsbegroting. Bij 1e ISB 2024 op de begroting van Financiën is een leningsfaciliteit van in totaal 25 miljard euro opengesteld voor TenneT voor 2024 en 2025. Door het uitblijven van de volledige verkoop van TenneT Duitsland heeft TenneT een additionele leningsfaciliteit nodig om haar credit rating te behouden en te voldoen aan marktvereisten. De leningsfaciliteit is opgehoogd met € 2,3 miljard euro voor 2025 en uitgebreid met € 17,1 miljard euro voor 2026.NetbeheerdersVoor het integrale overzicht zijn naast de directe uitgaven en inkomsten van het Rijk ook de uitgaven van de netbeheerders van belang. Leningen en kapitaalstortingen zien op de financiering van deze uitgaven en de bedragen van financiering en uitgaven kennen dus een bepaalde mate van overlap. Het gaat om de uitgaven van de landelijke netwerkbedrijven TenneT en Gasunie en van de drie grootste regionale netwerkbedrijven Alliander, Enexis en Stedin. Het volledige overzicht van deze uitgaven is te vinden in de financiële rapportages van deze organisaties zelf. Deze uitgaven lopen namelijk niet via de Rijksbegroting maar worden primair gefinancierd door tarieven in rekening te brengen bij de afnemers. Om de elektriciteitsvraag van de energietransitie te kunnen faciliteren, bedragen de cumulatieve investeringen van TenneT en de drie grote regionale netbeheerders op basis van voorlopige cijfers € 7 miljard euro in 2024, € 8 miljard euro in 2025, € 9 miljard euro in 2026 en € 10 miljard euro in 2027. Deze investeringen bestaan voor een deel ook uit vervangingsinvesteringen. Gasunie verwacht daarnaast als ontwikkelaar en toekomstig beheerder van het landelijke waterstofnetwerk tot 2035 ca. € 7-8 miljard euro in het waterstofnetwerk te investeren. Hieronder vallen infrastructuur voor land en op zee, uitbreidingen en waterstofopslag. Tabel 20.4 geeft een overzicht van de bijdragen van het Rijk aan de netbeheerders. Deze bijdragen staan op de Rijksbegroting en vallen onder de definitie van klimaatuitgaven, maar zijn van een andere aard dan de rest van de uitgaven in het overzicht klimaatuitgaven. Voor 2024 en verder gaat het om een overbruggingslening aan TenneT. Leningen worden op termijn terugbetaald en het Rijk ontvangt een marktconforme rente en vergoeding, hierdoor is de lening aan TenneT gekwalificeerd als een financiële transactie door het CBS en daarmee niet EMU-saldorelevant maar wel relevant voor de EMU-schuld. Daarnaast is de kapitaalstorting van 500 miljoen euro oor regionale netwerkbeheerder Stedin in 2023 opgenomen in de tabel. Deze kapitaalstorting is ook gekwalificeerd als een financiële transactie en daarmee niet relevant voor het EMU-saldo maar wel EMU-schuldrelevant.385Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 20.1 Uitgavenoverzicht Klimaat (bedragen in duizenden euro)2023202420252026202720282029TOTALE UITGAVEN IN HET KADER VAN KLIMAATBELEID4.589.4965.618.2996.104.6606.202.6466.165.6086.318.3795.864.931ELEKTRICITEIT2.408.3962.276.4211.792.1252.206.7262.218.6692.604.2163.080.048[KGG, art 31, subsidie] SDE701269.50046.773340.000366.000373.000384.000[KGG, art 31, subsidie] SDE+ (incl. flankerend beleid en Net op Zee)397.600666.946593.573644.325749.642931.1751.309.806[KGG, art 31, subsidie] SDE++ (incl. kolenmaatregelen en statistische overdracht)102.375532.96589.576207.974462.592720.512859.512[KGG, art 31, subsidie] Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE)03022.3307.11111.82820.37215.665[KGG, art.31 ,storting] Storting in begrotingsreserve duurzame energie1.198.024000000[KGG, art 31, subsidie] ISDE-regeling510.696500.357578.275534.106180.346166.110173.514[KGG, art 31, subsidie] Missiegedreven Onderzoek Ontwikkeling en Innovatie (MOOI)66.17659.41473.40861.19356.89838.39238.158[KGG, art 31, subsidie] Demonstratieregeling Klimaat en Energie-innovatie (DEI+)49.77764.486190.703238.710238.565227.846209.111[KGG, art 31, subsidie] Hernieuwbare Energietransitie (HER+)31.11425.41923.7950000[KGG, art 31, subsidie] NGF-project Circulaire zonnepanelen021.76821.89121.42918.41315.1719.000[KGG, art 31, subsidie] Batterijverplichting voor zonneparken00017.00017.00017.00017.000[KGG, art 31, subsidie] Efficiëntere benutting elektriciteitsnetten021.88027.11224.46224.46224.46222.493[KGG, art 31, subsidie] Realisatie Zon op Zee006.54010.90610.90610.9066.540[KGG, art 31, subsidie] Ondersteuning energiehubs0022.48318.4364.04700[KGG, art 31, subsidie] Kwaliteitsbudget energieprojecten014.70010.3000000[KGG, art 31, subsidie] Energiecoöperaties en burgerbetrokkenheid energietransitie (SE)004.8405.1554.77800[KGG, art 31, subsidie] Correctieregeling duurzame warmte28.87031.13000000[KGG, art 31, opdracht] Projecten Kernenergie041.72060.72142.62547.14833.70327.617[KGG, art 31, opdracht] Programma Opwerk Energie op Rijksvastgoed (OER)78.89624.26118.26117.26117.2610[KGG, art 31, opdracht] Onderzoek en opdrachten23.05616.93815.54415.0338.7838.3067.632INDUSTRIE294.660520.740909.0131.372.4411.306.8321.351.929631.367[KGG, art 31, subsidie] Verduurzaming industrie57.21782.338112.208157.00184.939136.39086.750[KGG, art 31, subsidie] Urgendamaatregelen Industrie3.79211.94000000[KGG, art 31, subsidie] Infrastructuur duurzame industrie (PIDI)1.1921005.1480000[KGG, art 31, subsidie] NGF - project Groenvermogen van de Nederlandse economie30.607142.937123.917103.70380.00035.00010.000[KGG, art 31, subsidie] NGF - project Circulaire Plastics7.27992.20741.91017.6854.57500[KGG, art 31, subsidie] Subsidieondersteuning verduurzaming MKB655000000386Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2023202420252026202720282029[KGG, art 31, subsidie] Energie-efficiency2.4359842.2061.9381.7681.3411.606[KGG, art 31, subsidie] Investeringen Verduurzaming Industrie - Klimaatfonds3.94751.010221.915179.491140.530107.15073.715[KGG, art 31, subsidie] Subsidie project Djewels026.00026.00017.0005.0006.0000[KGG, art 31, subsidie] Opslag waterstof00037.000000[KGG, art 31, subsidie] Carbon Capture Storage CCS2.7864.5103.3694.1094.2284.2284.228[KGG, art 31, subsidie] MIEK5.8215.2845.325818000[KGG, art 31, subsidie] Subsideregeling Duurzame Scheepsbouw (SDS)2.9392.6721.6961.6961.26600[KGG, art 31, subsidie] Opschalingsinstrument waterstof2.15052.400166.471476.686468.823316.302273.463[KGG, art 31, subsidie] Investeringen waterstofbackbone36.70033.75152.461117.461154.961276.36170.000[KGG, art 31, subsidie] IPCEI Waterstof124.282177134.759245.558344.003452.41896.564[KGG, art 31, opdracht] Verduurzaming industrie08201.3301.3301.3211.3211.623[KGG, art 31, garantie] Garantie CCS/Porthos0000000[KGG, art 31, bijdrage mede-overheden] Regeling toezicht energiebesparingsplicht12.85813.61010.29810.96515.41815.41813.418GEBOUWDE OMGEVING1.099.5851.519.0161.536.8591.010.438999.783822.528722.724[VRO, art 2, subsidie] Subsidie verduurzaming en onderhoud huurwoningen10.7167.67017.20320.52145.39641.09117.761[VRO, art 2, subsidie] Nationaal isolatie Programma022726.227980980980980[VRO, art 2, subsidie] Energiebeparing Koopsector15.61822.05022.10020.00038.30035.00040.000[VRO, art 2, subsidie] Energiebesparing Huursector369000000[VRO, art 2, subsidie] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed126.830310.636374.274375.813418.405316.631288.155[VRO, art 2, subsidie] Energietransitie en duurzaamheid29.22726.07721.18910.78812.0578.5768.630[VRO, art 2, subsidie] Renovatieversneller7.73924.19833.29026.07311.2509.0000[VRO, art 2, subsidie] SAH11.70012.80030.00022.00039.50029.5005.000[VRO, art 2, subsidie] Warmtefonds155.39093.000112.300112.300138.300112.300112.300[VRO, art 2, subsidie] Nationaal Groeifonds11.92527.64626.97711.8796.44200[VRO, art 2, subsidie] Biobased Bouwen2.0008.95813.21210.7381.10100[VRO, art 2, subsidie] Ontzorgen Vereiniging van Eigenaren01.3736.2587.2595.7305.3033.072[VRO, art 2, subsidie] Maatschappelijk Vastgoed Fonds0049.9100000[VRO, art 2, opdracht] Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie1.5003.1181.4680000[VRO, art 2, opdracht] Energietransitie en duurzaamheid3.2504.4992.6001.40003.2003.200[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Isolatie Programma (Lokale aanpak woningisolatie)376.579722.922472.7330000[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Ondersteuning aanpak energiearmoede186.173000000[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed060.0621.01550014.0119.849515[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie16.50011.8009.0000000[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Isolatie Programma (Soortenmanagement)44.00058.0009.43428118600387Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2023202420252026202720282029[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Verduurzaming Groningen en Noord-Drenthe04.500131.15412.027000[VRO, art 2, bijdrage aan medeoverheden] Nationaal Groeifonds097500000[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] RVO (Uitvoering Energieakkoord)1.7892.0849.34112.55510.05910.4719.942[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] Dienst Publiek en Communicatie1132.1001.8031.7601.7601.7601.760[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] RVO (Energiestransitie en Duurzaamheid)24.47828.52913.81510.7326.8416.8236.823[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] Nationaal Groeifonds1.775100000[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] Verduurzaming Maatschppelijk Vastgoed02.95213.8000000[VRO, art 2, bijdrage aan agentschappen] RVB (circulaire rijksinkopen)002.4182.3162.3032.3032.303[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed0025.339129.07373.69042.88045.608[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] EGO (innovatie)4.2871.5955.51920.61425.05917.64419.294[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] Handhaving Energielabel C425001.6001.6001.6001.600[VRO, art 2, bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken] Uitfaseren slechte labels01.0001.0000000[KGG, art 31, subsidie] Warmtenetten investeringssubsidie (WIS)786.10026.04158.14489.231117.915153.812[KGG, art 31, subsidie] Uitbreiding ontwikkelfonds energiecoöperaties warmteprojecten26.971000000[KGG, art 31, subsidie] NGF-project NieuweWarmteNu!10.15335.55154.65246.07828.51824.4120[KGG, art 31, subsidie] Aardwarmte30.00038.59312.82812.828000[KGG, art 31, subsidie] Geothermie (Klimaatfonds)009.95982.17929.06425.2901.969MOBILITEIT188.898326.448522.735387.504412.985370.582296.827[IenW, art 14, opdracht] KF: Laadinfra wegvervoer06668071.4848.3096.4098.967[IenW, art 14, opdracht] KF: Laadinfra bouw0066.48382.84588.04571.98510.362[IenW, art 14, opdracht] Reservering Klimaatakkoord005.72010.81926.61232.19830.281[IenW, art 14, opdracht] Programma Vergroening Reisgedrag1.1876.7019.3346.11117.30435.78745.870[IenW, art 14, opdracht] Verduurzaming logistiek11.3467.6469.0190000[IenW, art 14, opdracht] KF: Zero-emissie zones0001.3321.3322.6641.332[IenW, art 14, subsidie] Elektrisch vervoer138.396142.65974.44440.33523.2284.6220[IenW, art 14, subsidie] Duurzame mobiliteit12.14618.69935.64118.6602502500[IenW, art 14, subsidie] KF: Laadinfra wegvervoer011.80523.35570.06092.53775.98740.120[IenW, art 14, subsidie] KF: Laadinfra bouw01.60011.3300000[IenW, art 14, subsidie] KF: SWIM0028.00047.00043.00037.00024.000[IenW, art 14, subsidie] Laad en AanZET066.75090.9670000[IenW, art 14, bijdrage aan medeoverheden] Duurzame mobiliteit8.44021.45035.50015.9404.3207200[IenW, art 14, bijdrage aan medeoverheden] KF: Laadinfra4.60814.01610.0009.0005.80000388Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2023202420252026202720282029[IenW, art 17, opdracht] KF: Luchtvaartverkeer energie01251650000[IenW, art 17, opdracht] KF: Alcohol-to-jet00100100100100100[IenW, art 17, subsidie] Klimaatbeleid2.8752500000[IenW, art 17, subsidie] KF: Alcohol-to-jet0001.0005.00011.50018.591[IenW, art 17, subsidie] KF: Duurzame luchtvaartbrandstoffen0001.0004.5008.50011.975[IenW, art 18, opdracht] KF: Verduurzaming Zeevaart00300300300300700[IenW, art 18, opdracht] KF: Waterstof Binnenvaart00800800800800800[IenW, art 18, opdracht] NGF: Maritiem Masterplan0871.4062.1807.1806.2104.370[IenW, art 18, subsidie] NGF: Maritiem Masterplan03.21667.66433.66023.70016.20036.725[IenW, art 18, subsidie] NGF: Zero-emissie binnenvaart batterij-elektrisch9.90030.80000000[IenW, art 18, subsidie] KF: Walstroom0010.50010.25010.0008.2502.396[IenW, art 18, subsidie] KF: Verduurzaming Zeevaartschepen0008.80015.04023.44035.796[IenW, art 18, subsidie] KF: Waterstof Binnenvaart0041.00025.12835.12827.16023.832[IenW, art 18, bijdrage aan agentschappen] NGF-project Maritiem Masterplan RVO0203200700500500610LANDBOUW EN LANDGEBRUIK54.395139.201185.126197.393190.437151.175128.164[LVVN, art 22, opdracht] Klimaatimpuls Natuur en Biodiversiteit5.1824.9113.5063.7063.3063.3063.306[LVVN, art 22, subsidie] Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren3.9003.9002.1000000[LVVN, art 22, opdracht] Natuur en Biodiversiteit Grote Wateren2405.50325.47928.93723.98124.04020.040[LVVN, art 22, opdracht] Duurzame visserij2.26143.92224.82025.22525.04026.95923.928[LVVN, art 22, subsidie] Noordzeeakkoord (RVO)0801.9960000[LVVN, art 21, subsidie] Glastuinbouw en weerbare planten en teeltsystemen42.81280.885127.225139.525138.11096.87080.890SECTOROVERSTIJGENDE EN OVERIGE MAATREGELEN543.562836.4731.158.8021.028.1441.036.9021.017.9491.005.801[IenW, art 21, opdracht] KF: Circulair doen en gedrag01.1011.8832.5062.5062.7422.792[IenW, art 21, opdracht] KF: Plastics norm034712.69421.48520.2438.7785.778[IenW, art 21, opdracht] KF: Biobased bouwen01644.0643.593000[IenW, art 21, opdracht] Uitvoering duurzame productieketens7.92310.14212.4846.4608.4547.5717.550[IenW, art 21, subsidie] Subsidies duurzame productketens15.56413.68020.84914.08617.4309.8915.908[IenW, art 21, subsidie] KF: DEI+CE02407.03313.73814.7689.8253.025[IenW, art 21, subsidie] KF: Circulair doen en gedrag09001.3802.6102.6103.3003.250[IenW, art 21, subsidie] KF: Plastics norm06.30723.02016.0356.65400[KGG, art 31, subsidie] Projecten Klimaat en Energieakkoord7062.74013.0422.8253.5522.7993.266[KGG, art 31, subsidie] Green Deals2.284564440000[KGG, art 31, subsidie] Overige subsidies120.26432.63918.50140.99347.91119.84217.842[KGG, art 31, lening] Lening EBN19.00024.00017.0000000[KGG, art 31, bijdrage aan agentschappen] Bijdrage RVO113.398146.180109.191106.278104.729104.070103.616389Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2023202420252026202720282029[KGG, art 31, bijdrage aan agentschappen] Bijdrage Nea12.84316.10421.21121.12220.04913.23813.173[KGG, art 31, bijdrage aan mede-overheden] Uitvoeringskosten klimaat medeoverheden351.580581.873896.006776.413787.996835.893839.6011Hieronder vallen de subsidies voor WarmtelinQ, Randvoorwaarden technische arbeidsmarkt.Tabel 20.2 Overzicht fiscale groene subsidies (in duizenden euro)12023202420252026202720282029TOTALE FISCALE GROENE SUBSIDIES1.708.0931.827.1991.777.9021.514.010845.724834.450864.910Energie-investeringsaftrek (EIA)249.000259.000431.000460.000454.000443.000464.000BPM vrijstelling nulemissievoertuigen56.00076.00000000IB/LB korting op de bijtelling voor nulemissieauto's352.000263.000229.000207.000161.00098.00032.000MRB halftarief plug-in hybride auto's (3/4-tarief in 2025)56.00064.00034.0000000MRB Vrijstelling (t/m 2024) & Tariefkorting (2025) nulemissievoertuigen278.000415.000395.0000000MRB Tariefkorting emissievrije personenauto's vanaf 2026000174.000227.000290.000366.000EB-salderingsregeling672.536687.935684.136668.919000EB-verlaagd tarief laadpalen EV37.58656.79700000EB-verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie6.9705.4674.7664.0913.7243.4502.9101Deze tabel is gewijzigd ten opzichte van voorgaande jaren omdat het criterium is toegepast dat alleen regelingen worden opgenomen die als doel hebben om bij te dragen aan het nationale klimaatbeleid gericht op de reductie van broeikasgassen en de verduurzaming van de energievoorziening.Tabel 20.3 Opbrengsten milieu gerelateerde lastenmaatregelen (in duizenden euro)12023202420252026202720282029TOTAAL OPBRENGSTEN20.184.11221.389.62821.452.22124.555.49129.714.79628.918.17928.356.595BELASTINGMAATREGELENCO2-heffing industrie0017.00063.298126.371181.843196.607CO2-heffing glastuinbouw0052.13460.96967.37372.38873.310Energiebelasting aardgas4.514.0915.946.0005.815.0005.758.0005.678.0005.591.0005.553.000Energiebelasting elektriciteit (inclueif belastingvermindering)196.002‒ 660.000‒ 882.000‒ 951.000‒ 529.000‒ 432.000‒ 314.000Opslag duurzame energie en klimaattransitie (ODE)0Kolenbelasting000093.22583.75876.993Motorrijtuigenbelasting4.566.0004.983.0005.049.0005.569.0005.711.0005.792.0005.900.000Brandstofaccijnzen7.359.3077.899.4867.753.0749.427.4659.449.2139.495.0969.535.496Belasting op personenauto's en motorrijwielen (bpm)1.425.1601.384.7851.805.7422.092.0772.055.3051.914.3461.756.247Belasting op zware motorrijtuigen (bzm)203.528206.632208.406Vrachtwagenheffing539.0001.084.0001.087.0001.082.000Vliegbelasting638.671729.725783.866846.6841.079.3091.182.7491.196.942OVERIGE LASTENEuropees emissiehandelssysteem (ETS1)1.281.353900.000850.0001.150.0001.300.0001.300.0001.100.000Europees emissiehandelssysteem (ETS2)00003.600.0002.650.0002.200.0001Vrachtwagenheffing: de korting voor elektrische vrachtwagen is hierin niet meegenomen.390Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Tabel 20.4 Bijdragen netbeheerders (in duizenden euro)2023202420252026202720282029TOTALE BIJDRAGES NETBEHEERDERS500.00013.100.00014.200.00017.100.000000[FIN, art 3, lening] Lening TenneT013.100.00014.200.00017.100.000000[FIN, art 3, vermogensverschaffing ] Kapitaalinjectie regionale netbeheerders500.000000000391Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 21 UPDATE INZAKE TOESLAGEN HERSTEL EN GRONINGEN: SCHADE EN VERSTERKENIn deze bijlage wordt een update van de twee hersteltrajecten uitgelicht: Toeslagen Herstel en Groningen schade en versterken.21.1 Bijlage Toeslagen HerstelHet kabinet zet zich in voor mensen die gedupeerd zijn door de problemen met toeslagen. Om gedupeerden door de problemen met toeslagen recht te doen is compensatie en emotioneel herstel van belang. In onderstaande Tabel 21.1 is een uitsplitsing opgenomen van de beschikbare middelen per regeling van de hersteloperatie en het totaal. Ten opzichte van de Voorjaarsnota is er middels nota van wijziging 2,3 miljard euro voor de aanvullende schaderoutes toegevoegd aan het totaalbudget voor de hersteloperatie. Van deze 2,3 miljard euro wordt 900 miljoen euro gereserveerd op de Aanvullende Post. De extra middelen zijn met name bedoeld om de grofmazige route via de Stichting Gelijkwaardig Herstel op te schalen. Daarnaast heeft middels de nota van wijziging ook een technische mutatie plaatsgevonden waarbij circa 8 miljoen euro aan apparaatsmiddelen worden verschoven naar programmamiddelen ten behoeve van het schikkingsvoorstel bezwaren. In de 18e Voortgangsrapportage wordt uitgebreider ingegaan op de hierboven beschreven ontwikkelingen.Tabel 21.1 Stand Toeslagen Herstel ontwerpbegroting 2025In miljoenen euro202020212022202320242025202620272028CumulatiefStand na ontwerpbegroting 2025931.2711.0251.5192.0152.5461.146625010.240Programma471.1367801.1821.4781.97388254408.022w.v. 30k, IB, aanvullende compensatie (incl. uitvoering VSO-route) en overig367133032756031.4447305244.626w.v. Kindregeling7449411811854857w.v. Kwijtschelden publieke schulden (incl. uitvoering; rijksbreed)36916222438877211601.257w.v. Kwijtschelden private schulden (incl. uitvoering)4117310410813727590w.v. Andere toeslagen2929w.v. Ex-partners (10k)231421691w.v. Ondersteuning door gemeenten11143447125256261w.v. Reservering ondersteuning rechtsbijstand1310362372w.v. Dwangsommen19236550157w.v. Ouders in het buitenland (incl. uitvoering)51115939w.v. Uithuisplaatsingen kinderen (incl. uitvoering; JenV)10112426w.v. Schade-expert pool435416Apparaat Financiën46135245337538574263812.218Reservering op aanvullende post100627659281.414Totaal931.2711.0251.5192.0152.6461.7731.2832811.654392Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 21.2 Bijlage Groningen Schade en VersterkenDeze bijlage geeft een overzicht van de budgettaire ontwikkelingen op het Groningendossier voor schade en versterken en de maatregelen uit de kabinetsreactie ‘Nij Begun’. De budgetten van Groningen stonden geraamd op de begroting van EZK. Als gevolg van de oprichting van het nieuwe ministerie van KGG en het besluit de hersteloperatie Groningen onder te brengen bij BZK, worden de budgetten verplaatst. In de bijlage van de ontwerpbegrotingen van deze ministeries is een transponeringstabel opgenomen waarin staat welke budgetten van en naar welke begrotingen zijn overgeheveld.Ramingen voor schade en versterkenJaarlijks worden bij Voorjaarsnota de ramingen voor de schadeafhandeling en de versterkingsoperatie op basis van de meest actuele uitvoeringsinformatie herijkt. Zie Tabel 21.2 voor de meest recente ramingen uit het afgelopen voorjaar. Een overzicht van de totale kosten tot nu toe voor schade en versterken, vindt u in de ontwerpbegroting 2025 van BZK.Tabel 21.2 Totale raming schadeafhandeling en versterkingsoperatie t/m 2029 (bedragen in miljoenen. euro, - = saldo verbeterend)#Omschrijving202420252026202720282029Cumulatief1Totale raming schade8329941.0423812301983.6772Waarvan excl. btw8189781.0283762261953.6223Waarvan btw141613443554Totale raming versterking9791.2599075395994.2835Waarvan excl. btw8521.0947884695203.7226Waarvan btw12716611970795617Totale raming (1+4)1.8112.2531.9499198291987.9598Totale raming excl. btw (2+5)1.6702.0721.8168457461957.3449Totale btw (3+6)14118113274833616De raming voor de schadeafhandeling is gebaseerd op informatie van de uitvoerder het Instituut Mijnbouw Groningen (IMG). De schadeafhandeling zal ook na 2029 nog doorlopen, daarom zal bij de volgende herijking in het voorjaar van 2025 het uitvoeringsjaar 2030 worden toegevoegd.De raming voor de versterkingsoperatie is opgesteld op basis van het ramingsmodel van de uitvoerder de Nationaal Coördinator Groningen (NCG), te weten het Meerjarenversterkingsplan (MJVP). In deze raming wordt uitgegaan van afronding van de versterkingsoperatie in 2028. Bij de uitvoering van de versterkingsoperatie staan veiligheid, de veiligheidsbeleving en het creëren van perspectief voor de inwoners voorop.Bij de uitvoering van de versterkingsoperatie staan veiligheid, de veiligheidsbeleving en het creëren van perspectief voor de inwoners voorop. De voortvarende uitvoering van de versterking houdt prioriteit. Er is door NCG een analyse gemaakt waaruit blijkt dat het merendeel van de versterkingsopgave voor eind 2028 is afgerond, maar dit geldt niet voor alle gebouwen. Komende tijd zal ik nader uitzoeken wat hier de financiële gevolgen van zijn. Dit zal budgettair verwerkt worden in de Voorjaarsnota 2025.393Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Bijstellingen sinds Miljoenennota 2024Sinds de Miljoenennota 2024 zijn de geraamde uitgaven voor de schadeafhandeling en de versterkingsopgave cumulatief t/m 2029 gestegen met circa 2 miljard euro, zie Tabel 21.3. Hiervan betreft circa 1,4 miljard euro een bijstelling middels een nota van wijziging eind 2023. Dit was naar aanleiding van de nieuwe wijze van schadeafhandeling (waar de 60K-maatregel onder valt) die op 6 oktober 2023 is aangekondigd (Kamerstukken II, 2023-2024, 35561, nr. C). Daarnaast is bij de Voorjaarsnota 2024 de raming voor de kosten voor de schadeafhandeling en versterkingsoperatie bijgesteld met circa 650 miljoen euro. De ophoging van de schaderaming is grotendeels het gevolg van de uitwerking van de nieuwe wijze van schadeafhandeling. De bijstelling voor de versterkingsoperatie is het gevolg van vertraging in voorgaande jaren en van hogere bouwkosten.Tabel 21.3 Actualisatie raming uitgaven schadeafhandeling en versterkingsoperatie t/m 2029 (bedragen in miljoenen. euro, - = saldo verbeterend)#Omschrijving202420252026202720282029Cumulatief1Actualisatie raming schade VJN 2024‒ 10924284‒ 15521021482Waarvan excl. btw‒ 10724281‒ 15241031543Waarvan btw‒ 2‒ 13‒ 3‒ 2‒ 1‒ 64Actualisatie raming versterking VJN 202491430188‒ 64‒ 1445015Waarvan excl. btw80372162‒ 57‒ 1264316Waarvan btw115826‒ 8‒ 18707Totale mutatie bij VJN 2024 (1+4)‒ 17454472‒ 219‒ 1421026498Totale actualisatie excl. btw (2+5)‒ 27397443‒ 209‒ 1221035859Totale btw (3+6)95729‒ 11‒ 20‒ 16410Tussentijdse bijstelling NvW (60k-regeling)3623923162009801.36811Totale actualisatie tov MN 2025 (7+10)345846788‒ 19‒ 441022.018Ontvangsten NAM en bijdrage aan EBNDe hoogte van de ontvangstenraming is gelijk aan de uitgavenraming, verminderd met de btw-uitgaven die niet bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) in rekening worden gebracht. De ontvangstenraming is bij Voorjaarsnota 2024 naar boven bijgesteld, zoals te zien is in Tabel 21.4. Dit komt o.a. doordat ontvangsten uit 2023 pas in 2024 binnenkomen. Daarnaast zijn bij de NvW op de ontwerpbegroting EZK 2024 alleen de uitgaven opgehoogd. Over de ontvangsten is destijds besloten deze pas bij te stellen bij de reguliere ontvangstenbijstelling afgelopen voorjaar. Een overzicht van de doorbelaste en ontvangen bedragen van de NAM vindt u in de ontwerpbegroting 2025 van BZK.Tabel 21.4 Actualisatie raming ontvangsten schadeafhandeling en versterkingsoperatie t/m 2029 (bedragen in miljoenen. euro, - = saldo verbeterend)#Omschrijving202420252026202720282029Cumulatief1Actualisatie ontvangsten schade‒ 413‒ 255‒ 416‒ 597‒ 48‒ 102‒ 1.8322Actualisatie ontvangsten versterking‒ 48‒ 79‒ 377‒ 14178149‒ 4183Totale mutatie TOV MN 2025‒ 461‒ 334‒ 794‒ 7383047‒ 2.250Tabel 21.5 toont de dekking van de ramingsbijstelling. De kosten voor schade en versterken worden (exclusief btw) doorbelast aan de NAM, die namens de Maatschap Groningen (NAM en beleidsdeelneming EBN) verantwoordelijk is voor het betalen van de kosten voor schade en 394Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 versterken. Tot en met eind 2022 bedraagt de hoogte van de onvolledig betaalde facturen van de NAM ca. 400 miljoen euro. In lijn met de economische verhoudingen binnen de Maatschap komt 40% van de kosten voor rekening van EBN. De bij EBN aanwezige voorziening is niet toereikend om het EBN-deel van de geraamde uitgaven voor schade en versterken te voldoen. Om die reden wordt vanaf 2026 in de Rijksbegroting een bijdrage aan EBN opgenomen voor de kosten van schade en versterken Groningen. Bij MN 2024 betrof de cumulatieve bijdrage nog circa 0,5 miljard euro. Bij Voorjaarsnota 2024 is dit opgelopen tot 1,6 miljard euro en leidt daarmee tot een tegenvaller van 1,1 miljard euro cumulatief. De omvang van deze bijdrage wordt verklaard doordat de NAM uitgaat van lagere kosten voor schade en versterken dan de Staat en omdat de voorziening bij EBN op de inschatting van de NAM is gebaseerd.Tabel 21.5 Bijdrage aan EBN voor de kosten van schade en versterken Groningen t/m 2029 (bedragen in miljoenen. euro, - = saldo verbeterend)#Omschrijving202420252026202720282029Cumulatief1aOntvangstenraming schade excl. btw1.0708189781.0283762264.4971bOntvangstenraming versterken excl. btw5068521.0947884695204.2281cOntvangstenraming overige posten excl. btw1715788862240% van 1a t/m 1c is aandeel EBN6376748327303413013.5153EBN-deel uit resultaat lopend jaar (niet over voorziening lopend)1616171719201054aStand voorziening 31/12 t-11.8001.1795210003.4994bAanspreken voorziening6216585210001.8005Huidige stand voor bijdrage aan EBN002947133222811.6106Stand bijdrage EBN (MN 2024)00031703174907Mutatie tov MN2024 (5-6)00294710152‒ 361.120Overige middelen Groningendossier Naast de bestaande middelen voor schade en versterken, is in april 2023 de kabinetsreactie ‘Nij Begun’ verstuurd op het eindrapport van de Parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen. Hierin staan maatregelen om de schadeafhandeling milder, makkelijker en menselijker te maken [Kamerstukken II, 2022-2023, 35561 nr. 17]. Bij de Voorjaarsnota 2023 is hiervoor een reeks op de AP gereserveerd die in totaal optelt tot 11,5 miljard euro. Deze reeks bestaat voor 3 miljard euro uit middelen die verband houden met schadeherstel en de versterkingsoperatie, 500 miljoen euro voor sociaal pespectief en 500 miljoen euro voor economisch perspectief. Daarnaast is er gedurende 30 jaar 250 miljoen euro gereserveerd voor de generatielange betrokkenheid, wat is bestemd voor sociaal- en economisch perspectief en voor verduurzaming, opgeteld tot 7,5 miljard euro. Bij de Voorjaarsnota 2024 is cumulatief 910 miljoen euro overgeheveld van de AP naar de begroting van EZK. Een uitgebreider overzicht van de PEGA-middelen die tot dusver naar de departementale begrotingen zijn overgeboekt vindt u in de ontwerpbegroting 2025 van BZK.Tot slot zijn er ook middelen die aan de regio ten goede gekomen vanuit de Bestuurlijke afspraken uit 2020 (1,5 miljard euro) en het Nationaal Programma Groningen (1,1 miljard euro). Deze zijn respectievelijk bij Voorjaarsnota 2021 en 2018 aan de begroting toegevoegd. Onderdeel van deze bestuurlijke afspraken zijn de maatwerkoplossingen in de versterkingsoperaties voor o.a. Batch 1588 en in de gemeenten Appingedam en Delfzijl. Deze vallen buiten de reguliere versterkingsoperatie. Voor deze projecten is bij Voorjaarsnota 2024 222 miljoen euro extra beschikbaar gesteld om onder andere de gestegen bouwkosten te financieren.395Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 22 UITGAVENOVERZICHT OEKRAÏNETabel 22 Uitgavenoverzicht Oekraïnein miljoenen euro202420252026202720282029Buitenlandse Zaken (incl. ontwikkelingshulp)6688105482872828Accountability124561282828Tweede steunpakket BZ/BHO 20232Derde steunpakket BZ/BHO 20232Eerste steunpakket BZ/BHO 202490Steunpakket Oekraïne Voorjaarsnota 2024148247Europese Vredesfaciliteit117225194142Oekraïne-faciliteit EU294294293117Specifieke steun BZ/BHO3Justitie en Veiligheid3.6662820131313Accountability131313131313Basisregistratie Personen (BRP)Directoraat Generaal Oekraïne en Nationale Opvangorganisatie (NOO)30146Gemeentelijke en particuliere opvang3.385Ontvangsten AMIF‒ 58Pilot duurzame opvang25Regeling Medische zorg Ontheemden (RMO)174Subsidies NGO's29Uitvoeringskosten IND9Uitvoeringskosten NIDOS5Veiligheidsregio's en GGD'en52Financiën13442425‒ 39‒ 37Begrotingssteun via EU34414141EBRD Crisis Response Special Fund75EBRD Kapitaalverhoging25Lening aan Oekraïne via IMF‒ 37‒ 39‒ 38LNG invoercapaciteit in de Eemshaven4444Premieontvangsten garantie Gasunie‒ 4‒ 4‒ 4‒ 4Steunpakket Oekraïne Voorjaarsnota 202411111Onderwijs, Cultuur en Wetenschap9910Eerste steunpakket BZ/BHO 20231Nieuwkomersonderwijs97Skills AllianceTaalonderwijs10Defensie3.1942.2562.3212251180Militaire goederen3.1942.2562.3212251180Infrastructuur en Waterstaat1Tweede steunpakket BZ/BHO 20231Economische Zaken en Klimaat134Eerste steunpakket BZ/ BHO 20242Energiehulp (vanuit steunpakketten BZ/BHO)28Gasopslag Bergermeer105Volksgezondheid, Welzijn en Sport414311396Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 in miljoenen euro202420252026202720282029Meerkostenregeling gemeentelijke zorg25287Zorg aan onverzekerden (SOV)15154Asiel en Migratie3.8463.8401.168Directoraat Generaal Oekraïne en Nationale Opvangorganisatie (NOO)81612Gemeentelijke en particuliere opvang3.5473.5761.056Regeling Medische zorg Ontheemden (RMO)20420485Subsidies NGO's313115Veiligheidsregio's en GGD'en5514Klimaat en Groene Groei257‒ 88‒ 88‒ 88‒ 88Gasopslag Bergermeer257‒ 88‒ 88‒ 88‒ 88Totaal7.9367.2926.6931.407425‒ 4397Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 23 FOSSIELE REGELINGENOverzicht fossiele regelingenIn deze bijlage wordt, conform toezegging in de Miljoenennota 2024, een geactualiseerd overzicht gegeven met betrekking tot fossiele regelingen in Nederland. Dit zijn regelingen die leiden tot een direct of indirect financieel voordeel voor fossiel verbruik aan de lastenkant (bijvoorbeeld belastingvrijstellingen) en uitgavenkant. Het overzicht bouwt voort op het overzicht dat vorig jaar in bijlage 26 van de Miljoenennota 2024 voor het eerst is opgenomen. De samenstelling is gebaseerd op een ambtelijke analyse, input van stakeholders en doorrekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het is een dynamisch overzicht, waarbij in latere jaren op basis van nieuwe inzichten regelingen aan het overzicht kunnen worden toegevoegd of juist kunnen worden verwijderd.Box 23.1 ‘Fossiele regelingen’ of ‘fossiele voordelen’ in plaats van ‘fossiele subsidies’Binnen deze bijlage wordt bewust gekozen voor de term «fossiele regelingen» of «fossiele voordelen» in plaats van «fossiele subsidies». De term subsidies suggereert ten onrechte dat er altijd ook daadwerkelijk financiële middelen worden verstrekt. Het suggereert tevens dat het mogelijk zou zijn het budgettaire belang dat genoemd wordt (grotendeels) te innen, door het ‘intrekken van de subsidie’. Dit is echter vaak niet het geval vanwege gedragseffecten. Bij sommige fiscale regelingen zou afschaffing zelfs leiden tot vrijwel geen belastinginkomsten. Het gebruik van de termen «fossiele regelingen» of «fossiele voordelen» reflecteert deze kanttekeningen nauwkeuriger.Twee benaderingen om omvang fossiele regelingen inzichtelijk te makenOm een zo volledig mogelijk overzicht te bieden, presenteert deze bijlage twee verschillende niet optelbare benaderingen voor de fossiele regelingen: de externe kostenbenadering en de inventarisatiebenadering. Dit is in navolging van de studie van PBL en CPB naar fossiele regelingen, die in oktober 2023 is gepubliceerd. De voornaamste reden om ook de externe kostenbenadering te presenteren is omdat er op deze manier rekenschap gegeven wordt aan andere maatregelen naast de vorig jaar geïnventariseerde fossiele regelingen die ook leiden tot beprijzing. Tegenover het lagere accijnstarief voor diesel staat bijvoorbeeld voor personenauto’s een dieseltoeslag in de motorrijtuigenbelasting (mrb). Daarnaast geldt voor de energiebelasting dat, hoewel er sprake is van een degressieve tariefstructuur, veel grootverbruikers onderhevig zijn aan ETS- en CO2-heffingen. Uiteindelijk hebben beide benaderingen voor- en nadelen, deze worden hieronder nader toegelicht.Beschrijving en voor- en nadelen inventarisatiebenaderingHet overzicht van fossiele regelingen in de vorige Miljoenennota is samengesteld op basis van de inventarisatiebenadering. De inventarisatiebenadering geeft een lijst van regelingen – waaronder belastingvoordelen - en een kwantificering van het voordeel dat begunstigden hebben per afzonderlijke regeling. Het betreft hier voordelen bij de productie of consumptie van fossiele energie.Voor de regelingen aan de lastenkant bestaat het fossiele voordeel uit het verschil tussen het reguliere belastingtarief of het hoogste belastingtarief dat door een gebruikersgroep wordt betaald en het verlaagde tarief of de 398Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 belastingvrijstelling. In het overzicht is ervoor gekozen de omvang van het fossiele voordeel af te meten aan het reguliere belastingtarief, tenzij anders aangegeven. Bij een vrijstelling in de energiebelasting wordt bijvoorbeeld gekeken tegen welk belastingtarief aardgasverbruik zou worden belast zonder die vrijstelling. De inventarisatiebenadering heeft als kenmerk dat het een uitgebreid en expliciet overzicht biedt welke (fiscale) regelingen een direct of indirect voordeel geven voor het gebruik van fossiele brand- en grondstoffen. Het biedt hiermee een nuttig inzicht in de vrijstellingen, verlaagde tarieven, milieuheffingen en subsidieregelingen die het beprijzingsniveau verminderen en hoe de lasten tussen huishoudens en bedrijven zijn verdeeld. Deze benadering wordt tevens gehanteerd door de OESO.De inventarisatie van afzonderlijke regelingen geeft geen beeld van hoe de externe effecten van het gebruik van fossiele energiedragers beprijsd worden door het samenspel van instrumenten. Een dergelijke integrale blik is in de afgelopen paar jaar steeds belangrijker geworden. Er is namelijk veel nieuw beprijzend beleid bijgekomen. Voor industriële verbruikers was er tot een paar jaar geleden een laag beprijzingsniveau door bijvoorbeeld verlaagde tarieven en vrijstellingen in de energiebelasting. Inmiddels is het Europese emissiehandelssysteem (ETS) aangescherpt en een nationale CO2- heffing industrie geïntroduceerd, waardoor het totale opgetelde beprijzingsniveau hoger is geworden.Bovendien geldt als nadeel dat wanneer iets niet wordt belast, omdat het buiten de scope van het beprijzingsinstrumentarium valt, hier geen aandacht naar uitgaat vanuit de inventarisatiemethode. Een voorbeeld zijn de broeikasgasemissies in de landbouwsector of het non-energetisch verbruik van minerale oliën in de industrie, waar geen fossiele regelingen in de inventarisatiebenadering zich op toespitsen. Hierdoor kan het onterechte beeld ontstaan dat er weinig (fossiele) voordelen voor deze uitstoters gelden.Beschrijving en voor- en nadelen externe kostenbenaderingDe externe kostenbenadering biedt een overzicht van alle opgetelde impliciete en expliciete CO2-beprijzing in Nederland en zet dit af tegen de gekwantificeerde externe kosten van de klimaatschade die broeikasgas emissies met zich brengen. In lijn met PBL is in dit overzicht uitgegaan van de referentieprijs, zoals berekend door CE Delft in het Handboek Milieuprijzen (2023). De referentieprijs is berekend op basis van een IPCC-berekening die het dichtst aansluit bij de huidige mondiale doelstelling (opwarming beperken tot 1,5 graad met beperkte «overshooting») en de gemiddelde preventiekosten van het klimaatbeleid. De referentieprijs neemt ieder jaar toe. Externe kosten niet-zijnde broeikasgasuitstoot worden in deze bijlage niet meegenomen. Uit dit overzicht zijn beprijzingstekorten te herleiden waar fossiele emissies onvolledig beprijsd worden en waar dus impliciet een fossiel voordeel wordt geboden.Anders dan bij de inventarisatiebenadering, wordt hierbij het samenspel van al het beprijzend beleid – waaronder bijvoorbeeld het ETS, de nationale CO2-heffing industrie en de nationale vliegbelasting – in ogenschouw genomen. Op deze manier is niet alleen zichtbaar welke regelingen het beprijzingsniveau verminderen, maar ook in hoeverre er bij de overlap van regelingen voor verschillende eindgebruikers sprake is van een beprij399Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 zingstekort (een fossiel voordeel). Voor het klimaatbeleid is immers vooral relevant wat de totale beprijzing is. Maar ook de externe kostenbenadering geeft geen volledig beeld, en kent kanttekeningen:–Fossiele voordelen die niet direct een prijs zetten op het gebruik van fossiele brandstoffen kunnen ook niet eenvoudig in een beprijzingsgevolg worden omgerekend en meegenomen worden. Dergelijke regelingen zijn daarom buiten de scope gehouden. Bijvoorbeeld de bpm-vrijstellingen die de aankoop van fossiele voertuigen relatief goedkoper maken.–Beprijzing is slechts één van de instrumenten om klimaatdoelen te behalen. Normering kan leiden tot dezelfde CO2-reductie zonder dat sprake is van een expliciete CO2-prijs op de betreffende emissies. Normering zonder een marktprijs is moeilijk in een prijs uit te drukken.–De beprijzingsniveaus worden volledig toegeschreven aan het beprijzen van de broeikasgasemissies en vergeleken met een referentieprijs voor de externe kosten van klimaat. Dit is een versimpeling van de analyse, want in werkelijkheid worden met het huidige beprijzingsinstrumentarium ook andere externe kosten beprijsd, zoals luchtvervuiling, congestie en verkeersveiligheid. Met andere woorden: het beprijzingstekort wordt hierdoor onderschat.–De omvang van het budgettair belang is – net als bij de inventarisatiemethode - sterk afhankelijk van de gebruikte referentieprijs voor externe kosten. Deze referentieprijs bevat echter een aanzienlijke bandbreedte, en is afhankelijk van methodologische keuzes. Vanwege de beperkte data is in dit overzicht uitgegaan van een gemiddelde referentieprijs berekend in het Handboek Milieuprijzen. Bezien zal worden of de berekening van de referentieprijs volgend jaar verder verfijnd kan worden, conform aanbeveling van het «Bouwstenenrapport voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel».Box 23.2 Optelling van fossiele voordelen inventarisatie- en externe kostenbenaderingIn dit overzicht wordt bij de inventarisatiebenadering per regeling een budgettair belang genoemd. Dit geeft weer hoeveel uitgaven of gederfde inkomsten gepaard gaan met de respectievelijke regelingen. Het budgettair belang voor alle opgetelde fossiele regelingen in de inventarisatiebenadering in 2024 bedraagt 28,5 miljard euro. Dit bedrag ligt lager dan de inventarisatie van vorig jaar. Dit komt met name doordat een scherper onderscheid is gemaakt tussen de inventarisatiebenadering en de externe kostenbenadering. Hierdoor valt het niet heffen van accijns over nafta en aardgascondensaat in stoomkrakers (budgettair belang: 14 miljard euro) niet meer onder de inventarisatiebenadering, maar onder de externe kostenbenadering. Daarnaast zijn er diverse wijzigingen geweest in de fossiele regelingen zijn afgeschaft (zie tekstbox 23.3)Het genoemde budgettair belang is een brutobedrag, waarin gedragseffecten niet zijn meegenomen. Bij afschaffing van alle fossiele regelingen wordt dit bedrag dus niet daadwerkelijk opgehaald. Om tot het nettobedrag te komen, moeten de gedragseffecten nog worden afgetrokken van dit bedrag. Een andere belangrijke kanttekening is dat in deze optelsom geen rekenschap is gegeven van interactie met ander beprijzend beleid. Zo compenseren de nationale CO2-heffing voor de industrie en het Europese emissie handelssysteem voor de voordelen die gepaard gaan met het degressieve energiebelastingstelsel waarin een lager marginaal belastingtarief wordt betaalt door 400Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 grootgebruikers. Ook hangt een vrijstelling op het gebruik van aardgas voor elektriciteitsproductie samen met het feit dat er in dezelfde keten een heffing geldt op het gebruik van elektriciteit. Dit soort interacties die per saldo de voordelen verlagen komen niet tot uitdrukking in de inventarisatiebenadering. Er kan dus niet per definitie worden geconcludeerd dat afschaffing van geïnventariseerde voordelen vanwege het klimaatbeleid nodig is, want dat is niet het geval als er voldoende alternatief beprijzend en normerend beleid geldt in de ketens van winning tot en met het gebruik van de fossiele energiedragers. Dit is voor beprijzing in kaart gebracht met de externe kostenbenadering.Het totale bedrag aan beprijzingsgaten en daarmee de fossiele voordelen volgens de externe kostenbenadering komt op basis van de emissies en beprijzing in 2023 uit op 16,7 miljard euro voor emissies die gepaard gaan met het gebruik van fossiele energiedragers (inclusief uitgestelde emissies die worden toegerekend aan niet-energetisch gebruik van fossiele energiedragers) en 21,3 miljard euro voor alle broeikasgasemissies (inclusief emissies die niet gerelateerd zijn aan het gebruik van fossiele energiedragers). Belangrijke kanttekening is dat de hoogte van het totaalbedrag conform de externe kostenmethode sterk afhankelijk is van de gekozen referentieprijs. Daarnaast geldt net als bij de inventarisatiebenadering dat het hier gaat om het budgettair belang, dus exclusief gedragseffect. Het bedrag van de externe kostenbenadering mag niet worden opgeteld bij de inventarisatiebenadering. Het kan er ook niet goed mee worden vergeleken, omdat beide benaderingen verschillende aspecten meten.1. Externe kostenbenaderingOnderstaande figuur visualiseert de externe kostenbenadering in de verschillende sectoren voor alle broeikasgasemissies. Vanwege de beschikbaarheid van data is de externe kostenbenadering gemaakt voor het zichtjaar 2023. De inventarisatiebenadering kijkt naar het jaar 2024. Gezien de focus op fossiele energie is in deze bijlage het totaalbedrag aan fossiele voordelen voor (energetisch en non-energetisch) gebruik van fossiele energie opgenomen in tekstbox 23.2. In de figuur is ervoor gekozen alle broeikasgasemissies weer te geven aangezien overige (uitgestelde) emissies tevens schadelijk voor het klimaat zijn, en het is voor het voeren van effectief klimaatbeleid belangrijk om te weten in hoeverre de beprijzingsniveau’s alle externe effecten rondom klimaat voldoende beprijzen.De figuur is opgesteld door PBL. De horizontale as toont de totale emissies van broeikasgassen, die de relevante basis zijn voor de beprijzing, gebaseerd op de emissies als gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen en andere emissies die niet gerelateerd zijn aan energie. Op de verticale as wordt de hoogte weergegeven van zowel de expliciete als impliciete prijzen per ton CO2. Elk vak in de figuur komt overeen met een bepaald deel van de emissies waarvoor dezelfde CO2-prijs geldt. De breedte van de vakken geeft aan welk deel van de emissies onderhevig is aan deze CO2-prijs. De kleuren geven aan welke beleidsinstrumenten bijdragen aan welk gedeelte van de totale effectieve CO2-prijs. De paarse stippellijn geeft de gebruikte hoogte van de referentieprijs aan (162 euro/ton CO2 in 2023). Het beprijzingstekort of fossiele voordeel wordt berekend door het verschil tussen de referentieprijs van de externe kosten en de CO2-prijs te berekenen voor alle broeikasgasemissies in een sector. Hierbij wordt niet gesaldeerd voor eventuele overschotten in beprijzing.401Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Figuur 23.1 Externe kostenmethode voor alle broeikasgasemissies (emissies en beprijzing in 2023)In elke sector ligt het totale beprijzingsniveau lager dan de gehanteerde referentieprijs voor het beprijzen van externe effecten van 162 euro/ton CO2. De industrie heeft een beprijzingstekort van 3,9 miljard euro voor alle broeikasgasemissies. Voor de elektriciteitssector is er een beprijzingstekort van 1,3 miljard euro. Andere sectoren hebben ook een beprijzingstekort: 0,3 miljard euro voor broeikasgasemissies gerelateerd aan het brandstoffenverbruik in het binnenlandse verkeer, 6,5 miljard euro voor het gebruik van bunkerbrandstoffen door de internationale lucht- en scheepvaart, 0,2 miljard euro voor de broeikasgasemissies in de gebouwde omgeving en 3,8 miljard euro voor de broeikasgasemissies in de landbouw. Tot slot is er een beprijzingstekort voor de niet-energetische inzet van fossiele brand- en grondstoffen van 5,3 miljard euro. Het beprijzingstekort in de sector mobiliteit wordt met name gedreven door de bunkerbrandstoffen voor de lucht- en zeevaart. In de gebouwde omgeving is er een relatief klein beprijzingstekort dankzij de relatief hoge energiebelasting op aardgas. Het beprijzingstekort in de landbouw wordt vooral verzoorzaakt door methaan- en lachgasemissies, die het grootste deel van de onbeprijsde emissies vormen binnen deze sector. In dit overzicht is geen rekening gehouden met het prijsplafond energietarieven kleinverbruikers dat in 2023 gold, omdat de doorwerking hiervan te complex is om in de figuur te verwerken. Tot slot is het beprijzingstekort van bio-energie niet berekend in verband met het klimaatneutrale karakter. In het PBL-rapport ‘Klimaatverandering in de prijzen?85 wordt een nadere toelichting op het integrale overzicht gegeven en wordt tevens in de actualisatie uit 2024 een doorkijk gegeven naar de beprijzing in 2030.85 Klimaatverandering in de prijzen? – PBL (2021)402Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Richting 2030 neemt de beprijzing van broeikasgasemissies in de elektriciteitssector, industrie, transport en de gebouwde omgeving toe. De belangrijkste bijdrage hieraan is het Europese Fit-For-55-pakket. De prijs van het emissiehandelssysteem (ETS1) wordt naar verwachting hoger richting 2030. Per januari 2024 is ETS 1 uitgebreid naar de zeevaart. Daarnaast is een meerjarig pad vastgelegd voor afbouw van gratis rechten. Dit pad loopt lineair naar nul gratis rechten in 2040 voor sectoren die niet onder CBAM vallen en nul gratis rechten in 2034. Er komt een tweede emissiehandelssysteem (ETS2) voor het overige gebruik van fossiele energie in de gebouwde omgeving, wegtransport en de niet-ETS- industrie. Nederland heeft aangegeven gebruik te zullen maken van een deel van deze opt-in, waardoor ook o.a. de binnenvaart, het spoor, recreatievaart en het brandstofgebruik van deelsectoren in de landbouw onder ETS2 zal komen te vallen. De besluitvorming over de opt-in van ETS2 voor de glastuinbouw is doorgeschoven naar het voorjaar van 2025. Daarnaast bieden Europese CO2-emissienormen directe impliciete beprijzing van voertuigen (verordening CO2-normen auto’s), zeevaartbrandstoffen (verordening Fuel EU Maritime) en luchtvaartbrand stoffen (verordening ReFuel Aviation). In het Belastingplan 2023 is tevens een meerjarig oplopend pad voor de energiebelastingtarieven op aardgas vastgelegd richting 2030. Tot slot zal richting 2030 de beprijzing door de CO2-heffing voor de industrie zichtbaar zijn, omdat het tarief – conform het meerjarig vastgelegde tariefpad –dan naar verwachting boven de ETS1-prijs ligt en de hoeveelheid dispensatierechten lager zal zijn dan de totale emissies die onder de heffing vallen. Tegenover de toename van beprijzing, staat dat ook de referentieprijs zal stijgen.2. InventarisatiebenaderingHet kabinet heeft op eenzelfde wijze als in de vorige Miljoenennota een brede inventarisatie uitgevoerd naar regelingen die mogelijk zijn te kwalificeren als fossiele regelingen. Het overzicht van fossiele regelingen is gesplitst in drie tabellen:1.Tabel 1: fiscale fossiele brandstof regelingen (lastenkant).2.Tabel 2: overige fiscale regelingen m.b.t. non-energetisch en indirect (lastenkant).3.Tabel 3: niet-fiscale regelingen met een directe relatie tot fossiel energiegebruik (uitgavenkant).In de tabellen is per regeling een korte toelichting opgenomen met 1) een korte beschrijving van de maatregel, 2) eventuele juridische aandachtspunten en 3) ander relevant beprijzend beleid. In tekstvak 23.3 is een overzicht opgenomen van de beleidswijzigingen ten opzichte van het overzicht in de Miljoenennota 2024 (2023) en toekomstige beleidswijzigingen ten opzichte van onderstaand overzicht.Toelichting methodiek inventarisatiemethodeVoor de inventarisatiebenadering zijn op basis van de definitie van ‘subsidie’ van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) verschillende fossiele regelingen geïnventariseerd. De WTO heeft een algemene definitie van subsidies ontwikkeld die zich niet specifiek op energie richt maar breed toepasbaar is. De WTO spreekt van subsidie als:1.er sprake is van een financiële tegemoetkoming door de Rijksoverheid of een ander overheidslichaam, die leidt tot een directe stroom van fondsen (leningen, overheidsgaranties, giften) vanuit overheden naar private partijen (dit zijn de prijssubsidies, die het Internationaal Energieagentschap (IEA) regelmatig onderzoekt),403Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2.er gemiste overheidsinkomsten zijn (bijvoorbeeld belastingteruggaven en – vrijstellingen),3.overheden goederen en diensten leveren of specifieke goederen inkopen, of4.overheden bijdragen aan specifieke fondsen geven.In Nederland is er alleen sprake van gemiste overheidsinkomsten (optie 2) voortkomend uit verschillen in beprijzing. Nederland kent momenteel geen structurele directe prijssubsidies op brandstoffen, wel kon het prijsplafond als een directe prijssubsidie op gas en daarmee als fossiele regeling worden aangemerkt. Deze regeling was echter tijdelijk en dus niet structureel van aard en is per 1 januari 2024 afgeschaft. De varianten (3) en (4) komen in Nederland niet voor.Naast de vraag welke regelingen wel of niet kunnen worden gekwalificeerd als fossiel, speelt bij fiscale regelingen ook de vraag welke maatstaf moet worden gebruikt om de budgettaire omvang van de fossiele regeling vast te stellen. Voor fiscale vrijstellingen of verlaagde tarieven kan ten eerste het reguliere nationale belastingtarief als benchmark worden gekozen. In de vrijstelling van de kolenbelasting voor duaal verbruik wordt bijvoorbeeld gekeken welke hoeveelheid kolen nu onder de vrijstelling valt en welk regulier belastingtarief in de kolenbelasting geldt. Naast het reguliere belastingtarief kan ten tweede worden gekeken naar het hoogste tarief dat voor een gebruikersgroep geldt als benchmark. In de energiebelasting wordt de omvang van een vrijstelling dan afgezet tegen het hoogste tarief van de eerste schijf. Ten derde kan worden gekeken naar de referentieprijs van de externe kosten. De budgettaire omvang is in dit overzicht voor het jaar 2024 berekend, waarbij als referentie het reguliere belastingtarief is gekomen (tenzij anders aangegeven). Voor het opstellen van de budgettaire ramingen is dezelfde methode als vorig jaar gebruikt, tenzij anders toegelicht. Een uitgebreide toelichting op de ramingen is vorig jaar gepubliceerd86.Box 23.3 Beleidswijzigingen fossiele regelingenIn onderstaande tabel is ten eerste weergegeven welke beleidsmatige wijzigingen er in 2024 hebben plaatsgevonden ten opzichte van het overzicht in de MJN2024. Deze wijzigingen zijn reeds verwerkt in de geactualiseerde overzichten (Overzicht I, II en III). Wijzigingen die hierin hebben plaatsgevonden zijn onder andere de verhoging van de belastingvermindering en de wijzigingen met betrekking tot de degressiviteit van de energiebelasting. Daarnaast is het prijsplafond energie per 1 januari 2024 vervallen (budgettair belang circa 3,8 miljard euro).In onderstaande tabel is ten tweede weergegeven welke beleidsmatige wijzigingen in de toekomst zullen plaatsvinden ten opzichte van het overzicht in de Miljoenennota 2024. Om een goede vergelijking te kunnen maken met het overzicht van 2024, wordt in de berekening de grondslag (zoals energieverbruik) gelijk gehouden aan het niveau van 2024. De belangrijkste wijzigingen die leiden tot een vermindering van fossiele regelingen zijn: het gefaseerd afschaffen van het verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw, het beperken van de inputvrijstelling in de energiebelasting voor gebruik aardgas bij elektriciteitsproductie, het versoberen van de bijzondere regelingen in de autobelastingen en het afbouwen van de degressiviteit in 86 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2023/10/20/ramingstoelichtingen-fossiele-subsidies404Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 de energiebelasting. Tegenover deze wijzigingen staat een nieuwe fossiele regeling per 2027, wanneer het kabinet voornemens is om de brandstofkosten voor landbouwvoertuigen te verlagen («rode diesel»). Tot slot is in de VJN2024 besloten tot een nieuwe subsidieregeling indirecte kostencompensatie ETS (IKC). Dit leidt voor 2024 tot een nieuwe fossiele regeling met een budgettair belang van 186 mln.Tabel 23.1 Voorgestelde beleidswijzigingen fossiele voordelen (grondslag o.b.v. jaar 2024 en tarieven o.b.v. eindsituatie)RegelingBudgettair belang (zie ook overzicht I, II en III)ToelichtingAangekondigd kabinetsbeleid m.b.t. uitbreiding en afbouw van fossiele voordelen (- is afbouw)Afschaffen verlaagd tarief in de energiebelasting voor glastuinbouw (afbouwpad 2025 - 2035)‒ 144Opgenomen in Belastingplan 2024Beperken inputvrijstelling aardgas in de energiebelasting (gericht op wkk’s, ingroeipad 2025 – 2030)-160Opgenomen in Belastingplan 2024Versobering van een aantal bijzondere regelingen in de autobelastingen:‒ 215Opgenomen in Belastingplan 2024Subsidieregeling indirecte kostencompensatie ETS (IKC)* 186Voorstel uit Voorjaarsnota 2024Afschaffen vrijstelling in de kolenbelasting voor duaal en non-energetisch verbruik per 2027‒ 77Opgenomen in Belastingplan 2025Verlaagde brandstofkosten voor de landbouw per 2027 140Voorstel uit Hoofdlijnenakkoord 2024Degressiviteit energiebelasting aardgas‒ 283Belastingplan 2023 + Hoofdlijnenakkoord 2024Degressiviteit energiebelasting elektriciteit‒ 863, met afslag voor aandeel hernieuwbare energieBelastingplan 2023 + Hoofdlijnenakkoord 2024TOTAAL‒ 1.742Beleidswijzigingen ten opzichte van het overzicht in de MJN2024 (2023)Vervallen prijsplafond energie‒ 3.798Verhogen belastingvermindering200Degressiviteit energiebelasting aardgas163Degressiviteit energiebelasting elektriciteit‒ 450, met afslag voor aandeel hernieuwbare energieTOTAAL‒ 3.885Tabel 23.2 Overzicht I - fiscale fossiele brandstof regelingenDefinitie: Gederfde overheidsinkomsten (o.a. belastingteruggaven of vrijstellingen) gerelateerd aan het (directe) gebruik van (fossiele) energie.*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)1MaatregelBudgettaire omvang per jaar in mln. euro (2024)Benchmark: reguliere tarief (tenzij anders aangegeven)Juridisch mogelijk om nationaal aan te passen?Ander relevant beprijzend beleidEnergiebelasting405Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Definitie: Gederfde overheidsinkomsten (o.a. belastingteruggaven of vrijstellingen) gerelateerd aan het (directe) gebruik van (fossiele) energie.*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)1MaatregelBudgettaire omvang per jaar in mln. euro (2024)Benchmark: reguliere tarief (tenzij anders aangegeven)Juridisch mogelijk om nationaal aan te passen?Ander relevant beprijzend beleidVerlaagd EB tarief glastuinbouw*144JaCO2-heffing glastuinbouw( per 2025) en mogelijk ETS2 vanaf 2027.Vrijstellingen EB voor metallurgische en mineralogische procedés184JaETS1, CO2-heffing industrie en CO2-minimumprijsVrijstelling voor elektriciteit gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische procedés8JaETS1 en CO2-minimumprijsInputvrijstelling aardgas elektriciteitsopwekking*778Ja. De inputvrijstelling is vastgelegd in de ETD, maar kan Nederland - mits uit milieubeleidsoverwegingen – zelf op nationaal niveau aanpassen.Verschilt per belastingplichtig: deels ETS1 en deels (vanaf 2027) ETS2Belastingvermindering energiebelasting (vast bedrag per elektriciteitsaansluiting)4.677, geen afslag voor hernieuwbare energie De belasting-vermindering is niet gekoppeld aan het verbruik waardoor het aandeel hernieuwbaar niet door te rekenen is.JaETS1 en CO2-minimumprijs (voor elektriciteitsproducenten)Degressieve tariefstructuur energiebelasting aardgas1.976Ja, mits tarieven minimaal gelijk zijn aan de minimumbelastingtarieven uit de ETDETS2 (vanaf 2027)Degressieve tariefstructuur energiebelasting elektriciteit2.167, met afslag voor aandeel hernieuwbare energie van 54% (percentage is extrapolatie van CBS-data).Ja, mits tarieven minimaal gelijk zijn aan de minimumbelastingtarieven uit de ETDETS1, CO2-minimumprijs (voor elektriciteitsproducenten) en ETS2 vanaf 2027Teruggaveregeling energiebelasting voor instellingen33JaETS2 vanaf 2027Raffinaderijvrijstelling – energiebelasting80Nee, restgassen zijn verplicht vrijgesteld onder de ETD (zie ook hieronder).Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en CO2-heffingVrijstelling voor restgassen die op eigen inrichting zijn ontstaan en daar weer worden ingezet (artikel 59)135, m.b.t. restgassen die ontstaan in stoomkrakers (omdat de Nee, art. 21, lid 3 ETD:Het verbruik van energieproducten binnen een bedrijf dat Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en CO2-heffing406Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Definitie: Gederfde overheidsinkomsten (o.a. belastingteruggaven of vrijstellingen) gerelateerd aan het (directe) gebruik van (fossiele) energie.*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)1MaatregelBudgettaire omvang per jaar in mln. euro (2024)Benchmark: reguliere tarief (tenzij anders aangegeven)Juridisch mogelijk om nationaal aan te passen?Ander relevant beprijzend beleidregeling voor non energetisch minerale oliën geen onderdeel meer is van de inventarisatie-benadering). De energie-inhoud van de restgassen die ontstaan in raffinaderijen en bij gebruik van kolen in de staalproductie zijn in de andere posten in dit overzicht reeds meegenomen.energieproducten produceert, wordt niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting verschuldigd wordt, indien dat verbruik bestaat uit binnen het bedrijf geproduceerde energieproducten.Teruggaafregeling energiebelasting voor gebruik aardgas als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren (inclusief visserij, exclusief particuliere pleziervaartuigen)0Nee, in overeenstemming met artikel 14, lid 1 c van Richtlijn 2003/96/EG ('Energy Taxation Directive', 'ETD'), komen exploitanten van commerciële schepen die aardgas als brandstof gebruiken voor de vaart op communautaire wateren in aanmerking voor teruggave van energiebelasting. Deze teruggave is van toepassing op aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor vaartuigen, inclusief de visserij, en geldt niet voor particuliere pleziervaartuigen.Geen ander relevant beprijzend beleid.KolenbelastingVrijstellingen in de kolenbelasting voor duaal en non-energetisch verbruik*77JaScope 1 emissies vallen onder ETS1 en de CO2-heffingVrijstelling gebruik van kolen voor elektriciteitsopwekking44Ja, interfereert wel met de lopende rechtszaken over het wettelijk verbod op gebruik van kolen bij elektriciteitsproductie per 2030.ETS1 en de CO2-minimumprijsAccijnsRaffinaderijvrijstelling – accijns279Deels: de vrijstelling voor minerale oliën die extern worden ingekocht en vervolgens direct energetisch in het proces Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en de CO2-heffing.407Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Definitie: Gederfde overheidsinkomsten (o.a. belastingteruggaven of vrijstellingen) gerelateerd aan het (directe) gebruik van (fossiele) energie.*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)1MaatregelBudgettaire omvang per jaar in mln. euro (2024)Benchmark: reguliere tarief (tenzij anders aangegeven)Juridisch mogelijk om nationaal aan te passen?Ander relevant beprijzend beleidworden ingezet, kan op nationaal niveau worden afgeschaft. De vrijstelling voor minerale oliën die in de raffinaderij zelf worden geproduceerd en energetisch worden ingezet, is verplicht volgens de ETD.Lager accijnstarief voor diesel, dan voor benzine1.734JaDieseltoeslagen bpm/mrbETS2 (per 2027)Lager accijnstarief voor LPG dan voor benzine279JaETS2 (per 2027)Vrijstelling gebruik van kerosine in het internationale luchtverkeer2.556Nee, verplicht vrijgesteld in de ETD. Daarnaast geldt dat wederuitvoer of uitvoer onder de accijns geen belastbare feiten zijn, waardoor de kerosine voor vluchten buiten de EU evengoed niet belast kan worden.ETS 1: Binnenlandse en internationale vluchten tussen Europese luchthavensCORSIA: internationale luchtvaartVrijstelling gebruik van stookolie (met name zeevaart)5.709Nee, verplicht vrijgesteld in de ETD. Daarnaast geldt dat wederuitvoer of uitvoer onder de accijns geen belastbare feiten zijn, waardoor de stookolie voor scheepvaart naar buiten de EU evengoed niet belast kan worden.ETS1Vrijstelling gebruik van diesel, internationale marine (met name binnenvaart en werktuigen op schepen/pontons)1.113Ja, het heffingsverbod accijns op gasolie voor de binnenvaart staat in het gasolieprotocol. Nederland zou dat gasolieprotocol eenzijdig kunnen opzeggen.Mogelijk ETS2 vanaf 2027Btw*Btw-vrijstelling kerosine10Nee, er geldt een verplicht btw-nultarief in de Europese btw-richtlijn.Vliegbelasting* In deze tabel is alleen het budgettair belang per afzonderlijke regeling weergegeven. De doorwerking van de btw over de andere belastinggrondslagen is een tweede orde gedragseffect en wordt hier niet meegenomen. Een lagere btw-opbrengst over energie door de degressieve tariefstructuur van de energiebelasting is daarom bijvoorbeeld buiten beschouwing gelaten in het overzicht.1Zie ook de Kamerbrief uit 2020: https://open.overheid.nl/documenten/ronl-8b0cd449-d691-47f6-9600-a60e70f16b22/pdfToelichting regelingen overzichtstabel 1Verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouwVoor verbruik van aardgas in de glastuinbouw geldt onder voorwaarden een verlaagd tarief in de eerste, tweede en derde belastingschijf. Deze verlaagde tarieven zijn geïntroduceerd om de belastingdruk op energie 408Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 in de glastuinbouw gelijk te houden met de belastingdruk op energie in de energie-intensieve industrie. De glastuinbouw kent namelijk veel kleine energie-intensieve bedrijven, waardoor er door het degressieve stelsel een relatief hoog tarief voor energiebelasting wordt betaald. Als tegenprestatie bestaat tot 2025 een privaat CO2-kostenvereveningssysteem. Bij overschrijding van het CO2-plafond betalen de bedrijven voor de overschrijding. De Europese Commissie heeft de verlaagde tarieven voor de glastuinbouw als geoorloofde staatssteun beoordeeld. De Europese Commissie heeft een goedkeurende beschikking van staatssteun verleend tot en met 2024. In de Wet fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw in het Belastingplan 2024 is vastgelegd dat het verlaagd tarief tussen 2025 en 2035 stapsgewijs geheel wordt afgebouwd.Vrijstellingen energiebelasting voor metallurgische en mineralogische procedésVoor aardgas voor mineralogische en metallurgische processen en elektriciteit voor metallurgische procedés gelden vrijstellingen van de energiebelasting. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verwarmen van ovens voor keramische processen of het smelten van staal. Dit verbruik valt buiten de werkingssfeer van de EU-Richtlijn energiebelastingen, dus het staat de Europese lidstaten vrij om hier een eigen fiscale behandeling voor te kiezen. De meeste Europese lidstaten kiezen ervoor om dit verbruik vrij te stellen.Vrijstelling energiebelasting voor elektriciteit gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische procedésVoor elektriciteit die wordt gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische procedés geldt een vrijstelling van de energiebelasting. Dit verbruik valt buiten de werkingssfeer van de EU-Richtlijn energiebelastingen, dus het staat de Europese lidstaten vrij om hier een eigen fiscale behandeling voor te kiezen. De meeste Europese lidstaten kiezen ervoor om dit verbruik vrij te stellen.Inputvrijstelling aardgas elektriciteitsopwekkingHet aardgasverbruik dat wordt ingezet in een installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt is vrijgesteld van energiebelasting, mits de omzettingsefficiëntie naar elektriciteit van deze installatie meer dan 30% is. De gedachte achter deze vrijstelling is dat wordt voorkomen dat zowel belasting wordt geheven op aardgas als de elektriciteit die daarmee wordt opgewekt en geleverd via het net, dus dat er twee maal in de keten wordt belast. Het aardgasverbruik dat wordt omgezet in warmte output wordt daardoor ook niet belast, terwijl dit niet later in de keten wordt belast. In de Wet fiscale klimaatmaatregelen glastuinbouw is in het Belastingplan 2024 vastgelegd dat de inputvrijstelling tussen 2025 ‒ 2030 stapsgewijs wordt ingeperkt. Vanaf 2030 zullen alleen installaties met een rendement hoger dan 60% volledig vrijgesteld blijven.Belastingvermindering energiebelastingDe energiebelasting kent een belastingvermindering per elektriciteitsaansluiting op een WOZ-object met een verblijfsfunctie. Alle huishoudens en het overgrote deel van alle bedrijven met een elektriciteitsaansluiting ontvangen deze belastingvermindering. Momenteel is de energiemix in Nederland voor aardgas en elektriciteit nog overwegend van fossiele oorsprong. Naarmate de energiemix duurzamer wordt, neemt de omvang van het fossiele voordeel binnen de belastingvermindering af. In 2024 bedraagt de belastingvermindering € 521,81 exclusief btw.409Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Degressieve tariefstructuur energiebelasting aardgas en elektriciteitIn de energiebelasting wordt een degressieve tariefstructuur gehanteerd. De degressieve structuur wordt gehanteerd met het oog het gelijke speelveld van grotere afnemers van gas en elektriciteit ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten. Door de relatief hoge energiebelastingtarieven gaat een energiebesparingsprikkel uit van de energiebelasting. De belastingvermindering drukt tegelijkertijd het bedrag van de totale energie belasting op de energierekening. In de meeste EU-lidstaten liggen de energiebelastingtarieven lager dan in Nederland.Teruggaveregeling energiebelasting voor religieuze en non-profiti nstellingenDe teruggaveregeling van energiebelasting over het aardgas- en elektriciteitsverbruik van religieuze en non-profit instellingen geldt voor het verbruik in een onroerende zaak die is bestemd voor een openbare eredienst of het houden van een bezinningsbijeenkomst van levensbeschouwelijke aard of die in gebruik is door een algemeen nut beogende instelling. Uitgezonderd zijn instellingen die hoofdzakelijk werkzaam zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs. Het gaat dus met name hoofdzakelijk om kerkgebouwen en non-profit instellingen. Deze hebben recht op teruggave van de helft van de door hen betaalde energiebelasting.Raffinaderijvrijstelling in de energiebelastingMet de raffinaderijvrijstelling worden twee aparte regelingen in de energiebelasting en accijns (zie ook hieronder) bedoeld. Voor raffinaderijen geldt een uitzondering voor de restgassen die ontstaan op de productielocatie zelf (artikel 51 Wet belastingen op milieugrondslag). Naast deze specifieke vrijstelling geldt in algemene zin (dus niet alleen voor raffinaderijen) een nihiltarief voor restgassen die ontstaan en worden ingezet op de eigen locatie (zie ook hieronder). Indien dus alleen artikel 51 Wet belastingen op milieugrondslag zou worden afgeschaft, dan wordt vanwege het nihiltarief (dat volgt uit de EU-Richtlijn energiebelastingen) alsnog geen belasting betaald over de restgassen.Vrijstelling in de energiebelasting voor restgassen die op eigen inrichting zijn ontstaan en daar weer worden ingezetIn de energiebelasting is een nihiltarief opgenomen voor restgassen de zijn ontstaan op de inrichting waar ze worden verbruikt. Het gaat dan bijvoorbeeld om restgassen uit een productieproces die voor ondervuring worden gebruikt. De facto is dit verbruik daarmee van heffing vrijgesteld. Deze verplichte vrijstelling valt onder de EU-Richtlijn energiebelastingen en Nederland kan deze daarom niet zelfstandig afschaffen.Teruggaveregeling energiebelasting voor gebruik aardgas als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren (inclusief visserij, exclusief particuliere pleziervaartuigen)In overeenstemming met de EU-Richtlijn energiebelastingen komen exploitanten van commerciële schepen die aardgas als brandstof gebruiken voor de vaart op communautaire wateren in aanmerking voor teruggave van energiebelasting. Deze teruggave is van toepassing op aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor vaartuigen, inclusief die van de visserij, en geldt niet voor particuliere pleziervaartuigen.410Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Vrijstellingen in de kolenbelasting voor duaal gebruik en non-energetisch gebruik van kolenDuaal en non-energetisch gebruik van kolen zijn vrijgesteld in de kolen belasting. De EU-Richtlijn energiebelastingen voorziet in de mogelijkheid daartoe. Het overgrote deel van het vrijgestelde kolengebruik valt onder de cokes-, ijzer- en staalindustrie. Voor buitenlandse concurrenten gelden ook vrijstellingen. Emissies van deze sectoren worden op Europees niveau beprijsd onder het EU ETS. In het Belastingplan 2025 is voorgesteld om de vrijstelling in de kolenbelasting voor duaal en non-energetisch gebruik per 1 januari 2027 af te schaffen.Vrijstelling gebruik van kolen voor elektriciteitsopwekkingGebruik van kolen voor elektriciteitsopwekking is vrijgesteld in de kolenbelasting. De gedachte achter deze vrijstellingen is dat wordt voorkomen dat zowel belasting wordt geheven op de kolen als de elektriciteit die daarmee wordt opgewekt en geleverd via het net. Het voorkomen van dubbele belasting volgt uit de EU-Richtlijn energiebelastingen, maar de vrijstelling is niet in de richtlijn verplicht. Uitfasering van kolengebruik voor elektriciteitsopwekking per 2030 wordt geborgd door de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie.Raffinaderijvrijstelling in de accijnsDe accijns moet worden betaald wanneer het accijnsgoed wordt uitgeslagen tot verbruik. Dat is in principe het geval als de goederen de accijnsgoederenplaats verlaten. In een accijnsgoederenplaats kunnen onder schorsing van accijns accijnsgoederen worden geproduceerd of verwerkt. Als voorbeeld is bij de levering van benzine aan het benzinestation sprake van uitslag tot verbruik en dient de leverancier accijns te betalen. Accijns is alleen verschuldigd bij minerale oliën die worden gebruikt als motorbrandstof of verwarmingsbrandstof (energetische verbruik van accijnsgoederen, bijvoorbeeld de inzet van benzine in auto’s). Niet-energetisch gebruik van minerale oliën, bijvoorbeeld gebruik als grondstof, valt niet onder de accijns. Ruwe olie wordt niet gebruikt als motorbrandstof of verwarmingsbrandstof, maar wordt eerst verwerkt in een raffinaderij tot bruikbare producten. Ruwe olie valt daarmee niet onder de reikwijdte van accijns.Wanneer minerale oliën als brandstof worden gebruikt voor het produceren/verwerken van minerale oliën, dan geldt er in de Wet op de accijns een vrijstelling (artikel 2, lid 9). In dit kader kan worden gedacht aan minerale oliën die in raffinaderijen worden gebruikt voor de verhitting van benodigde installaties.De vrijstelling onder artikel 2, lid 9 kan worden gesplitst in twee delen:1.Minerale oliën die extern worden ingekocht en vervolgens direct energetisch worden ingezet in het raffinaderijproces, bijvoorbeeld ter ondervuring. Dit deel van de vrijstelling is optioneel onder de ETD en kan Nederland dus zelfstandig afschaffen. Naar verwachting zal de budgettaire opbrengst nihil zijn, omdat raffinaderijen vrijwel geen minerale oliën extern inkopen en direct energetisch inzetten.2.De minerale oliën die binnen de raffinaderij worden geproduceerd en in plaats van levering aan een externe partij zelf energetisch worden ingezet in de raffinaderij. Dit deel is verplicht vrijgesteld onder de Europese Richtlijn energiebelastingen (ETD) en Nederland kan dit dus niet zelfstandig afschaffen.411Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Overigens wordt opgemerkt dat het bedrag van deze fossiele regeling is verhoogd ten opzichte van de inventarisatie van de fossiele regelingen bij de Miljoenennota 2024. Reden daarvoor is dat het accijnstarief voor zware stookolie per 1 januari 2024 is verhoogd van € 41,31 per 1.000 kg naar € 654,53 per 1.000 kg.Accijns – Lager accijnstarief voor diesel, dan voor benzineIn de Wet op de accijns is voor diesel een lager accijnstarief per 1.000 liter opgenomen dan voor benzine. De lagere brandstofaccijns voor diesel vindt zijn oorsprong in het internationale karakter van het zakelijke (vracht) verkeer, dat voornamelijk op diesel rijdt. Met de brandstoftoeslagen in de autobelastingen (in de bpm en mrb) is vervolgens beoogd het verschil in fiscale druk op het autorijden ingeval van personenauto’s en motorrijwielen bij gebruik van diesel enerzijds en benzine anderzijds te verminderen.Accijns – Lager accijnstarief voor LPG, dan voor benzineIn de Wet op de accijns is voor LPG een lager accijnstarief per 1.000 liter opgenomen dan voor benzine.87 Ten opzichte van diesel is er bij LPG een voordeel wat betreft de uitstoot van NOX. Vergeleken met benzine heeft LPG een CO2-voordeel.Vrijstelling van het commercieel gebruik van brandstoffen in het internationale luchtverkeerKerosine die wordt geleverd voor gebruik als brandstof in de commerciële luchtvaart is op grond van de ETD verplicht vrijgesteld van accijns. Plezierluchtvaart is uitgezonderd en niet vrijgesteld op grond van deze richtlijn.Lidstaten zijn vrij om kerosine gebruikt voor binnenlandse commerciële vluchten te belasten. Een accijns op vliegtuigbrandstoffen voor vluchten tussen lidstaten binnen de EU is op grond van de ETD evenwel mogelijk als de EU-lidstaten onderling bilaterale overeenkomsten sluiten. Bij de introductie van de vliegbelasting is aangegeven dat het kabinet destijds geen voorstander was van een lappendeken aan bilaterale regelingen binnen de EU. Dit doet namelijk afbreuk aan het concept van één interne markt, creëert onduidelijkheid over de tussen lidstaten geldende regels en kan het gelijke speelveld voor luchtvaartmaatschappijen verstoren. Daarom is het kabinet er destijds toe overgegaan een vliegbelasting in te voeren.Mocht de verplichte vrijstelling uit de ETD worden afgeschaft dan sorteert dit geen effect omdat voor het gebruik van kerosine voor vluchten naar buiten de EU op basis van het Douanewetboek van de Unie sprake zal zijn van wederuitvoer of uitvoer. Wederuitvoer of uitvoer zijn geen belastbare feiten waardoor de kerosine evengoed niet belast kan worden. Het gaat immers om verbruik van kerosine buiten de EU. Dit geldt ook voor de plezierluchtvaart, ook hier is sprake van wederuitvoer of uitvoer als het gaat om vluchten die de EU verlaten.Naast de ETD zijn er luchtvaartverdragen die bijvoorbeeld het belasten van kerosine beletten. Zo bepaalt het Verdrag van Chicago voor de internationale burgerluchtvaart dat onder andere kerosine, welke zich aan boord van een luchtvaartuig van een Verdragsluitende Staat bevindt bij aankomst op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat en welke 87 In de Wet op de accijns is voor LPG een accijnstarief opgenomen per 1.000 kg. In de praktijk wordt vloeibaar gemaakt petroleumgas veelal verhandeld in liters. De soortelijke massa voor LPG is op basis van de beleidsregels accijns 0,54. Het tarief per 1.000 liter LPG is daarom: € 344,74 * 0,54 = € 186,16 in 2023.412Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 zich nog aan boord bevindt bij het vertrek van het grondgebied van die Staat wordt vrijgesteld van douanerechten, inspectie-kosten of soortgelijke nationale of plaatselijke rechten en kosten (zoals een accijns).Ook in luchtvervoersovereenkomsten, waarin landingsrechten met derde landen zijn afgesproken, wordt over het algemeen de vrijstelling vastgelegd. Dit geldt bijvoorbeeld ook op grond van de Luchtvervoersovereenkomst tussen de EU en haar lidstaten en de VS (het EU-VS Open Skies luchtvaartakkoord), voor zowel extra-EU als intra-EU vluchten. Wel wordt in bilaterale- en EU-luchtvaartverdragen vastgelegd dat een accijnsheffing op vluchten binnen het Europees grondgebied in de toekomst mogelijk moet zijn.Accijnsvrijstelling van het commercieel gebruik van brandstoffen in de zeevaartBrandstof die wordt geleverd voor gebruik in de commerciële vaart op communautaire wateren is op grond van de ETD verplicht vrijgesteld van accijns. Dit geldt niet voor de pleziervaart, het verbruik van brandstof is niet vrijgesteld op grond van deze richtlijn.Mocht de verplichte vrijstelling uit de ETD worden afgeschaft dan laat het voor het gebruik van brandstof voor vaarten naar buiten de EU waarbij je naar open zee vertrekt onverlet dat op basis van het Douanewetboek van de Unie sprake zal zijn van wederuitvoer of uitvoer. Wederuitvoer of uitvoer zijn geen belastbare feiten waardoor de brandstof evengoed niet belast kan worden. Het gaat immers om verbruik van brandstof buiten de EU. Dit geldt ook voor de pleziervaart, ook hier is sprake van wederuitvoer of uitvoer als het gaat om vaarten die de EU verlaten. Overigens wordt opgemerkt dat het bedrag van deze fossiele regeling substantieel is verhoogd ten opzichte van de inventarisatie van de fossiele regelingen bij de Miljoenennota 2024. Reden daarvoor is dat het accijnstarief voor zware stookolie per 1 januari 2024 is verhoogd van € 41,31 per 1.000 kg naar € 654,53 per 1.000 kg.Accijnsvrijstelling van het commercieel gebruik van gasolie (diesel) in de binnenvaartBrandstof gebruikt voor de commerciële vaart op binnenwateren is op grond van de Wet op de accijns vrijgesteld van accijns. Op basis van de ETD is dit een keuze die lidstaten mogen maken. De pleziervaart moet op basis van deze richtlijn evengoed belast blijven. De vrijgestelde brandstof is gekleurd en wordt ook wel rode diesel genoemd. In de Akte van Mannheim uit 1868 is een verbod vastgelegd op het heffen van rechten die uitsluitend op het beoefenen van de scheepvaart zijn gegrond. In het Gasolieprotocol 1952 is een specifieke regeling voor de douane- en belastingvrijstelling voor gasolie die als boordvoorraad wordt verbruikt vastgelegd, ter overbrugging van de meningsverschillen over het regime dat volgt uit de Akte zelf. Het Gasolieprotocol 1952 bevat een opzegbepaling, wat betekent dat Nederland zelf kan besluiten om dit deel op te zeggen en accijns te heffen over de brandstof voor de binnenvaart. Indien hiervoor gekozen wordt zou dit echter voor zowel fossiele als hernieuwbare brandstoffen gelden.Nederland zou hiermee de eerste lidstaat van de Akte van Mannheim zijn die voor de binnenvaart accijns heft op de brandstof. Nederland heeft in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) reeds voorgesteld om samen toe te werken naar het gezamenlijk opheffen van het heffingsverbod richting 2030. Hierbij is door de leden een politiek-bestuurlijke afspraak gemaakt dat, als hier naartoe wordt gewerkt, alle deelnemers unaniem moeten instemmen bij een eventuele opzegging van het Gasolieprotocol.413Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Btw-vrijstelling kerosineDe levering van kerosine voor luchtvaartuigen die hoofdzakelijk worden ingezet voor internationaal personenvervoer is belast tegen het btw-nultarief (Tabel II, post a-3, onderdeel e bij de Wet op de omzetbelasting 1968). Dit nultarief is verplicht op grond van de btw-richtlijn (artikel 148, onderdeel e, btw-richtlijn). Het is dus niet mogelijk om btw te heffen op de levering van kerosine voor deze luchtvaartuigen. Ook al zou heffing van btw op kerosine mogelijk zijn dan leidt dit niet tot duurdere vliegtickets. Luchtvaartmaatschappijen hebben net als iedere andere ondernemer recht op aftrek van de in rekening gebrachte btw. De btw die in rekening zou kunnen worden gebracht bij de aankoop van kerosine zou dus ook in aftrek kunnen worden gebracht. Dit geldt niet voor vrijgestelde sectoren zoals de publieke sector. Btw op kerosine die gebruikt wordt door bijvoorbeeld defensie, de politie of gezondheidszorg kan door deze partijen niet worden afgetrokken omdat zij geen btw belaste prestaties leveren. De btw zou dan bij deze vrijgestelde sectoren blijven drukken. Bij de vorige Miljoenennota is er bij de raming geen rekening gehouden met het recht op aftrek, daarom valt de raming van dit jaar (veel) lager uit.Tabel 23.3 Overzicht II – overige fiscale regelingen m.b.t. non-energetisch en indirect gebruik fossiele brandstoffenDefinitie: Gederfde overheidsinkomsten (o.a. belastingteruggaven, vrijstellingen, buiten scope reguliere belasting, etc.) gerelateerd aan het non-energetisch gebruik of indirect gebruik van fossiele brandstoffen.*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)MaatregelBudgettaire omvang per jaar (2024) in mln. euro Benchmark: reguliere tarief (tenzij anders aangegeven)Juridisch mogelijk om nationaal aan te passen?Ander relevant beprijzend beleid voor regelingVrijstelling voor non energetisch verbruik van aardgas105JaScope 1 emissies en een deel van de scope 3 emissies vallen onder ETS1 en CO2- heffing industrie. Overig aardgasverbruik wordt niet beprijsd.Vrijstelling voor non-energetisch verbruik LPG in stoomkrakers (onderdeel algemene vrijstelling onder artikel 65 van de Wet op accijns)529Nee, het gaat om een verplichte vrijstelling o.g.v. artikel 2 lid 4 onder b Richtlijn 2003/96/EG.Scope 1 emissies vallen onder ETS1 en de CO2-heffing industrie.Btw-vrijstelling internationaal personenvervoer (schepen en luchtvaartuigen) 105Deels: Het vervoer van personen is volgens de Europese btw-richtlijn dáár belastbaar waar dat vervoer feitelijk plaatsvindt. De vrijstelling voor het deel dat zich op Nederlands grondgebied kan daarom worden afgeschaft, maar niet voor de rest van de reis.Luchtvaart: nationale vliegbelasting en ETS1Scheepvaart: ETS1 (vanaf 2024)414Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Definitie: Gederfde overheidsinkomsten (o.a. belastingteruggaven, vrijstellingen, buiten scope reguliere belasting, etc.) gerelateerd aan het non-energetisch gebruik of indirect gebruik van fossiele brandstoffen.*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)Vrijstelling in de bpm voor bestelauto ondernemers*1.185JaBrandstofaccijnzen, ETS2 (vanaf 2027)Verlaagd tarief in de mrb voor bestelauto ondernemers1.196JaBrandstofaccijnzen, ETS2 (vanaf 2027)Overige regelingen voor verschillende doelgroepen in de mrb:568JaBrandstofaccijnzen, ETS2 (vanaf 2027)Gewichtscorrectie rolstoelinstallatieBrandstoftoeslag nihil of verlaagd voor LNG, CNG en LPG G3Kwarttarief kampeerautoHalftarief kampeerauto (bedrijfsmatige verhuur)Gematigd tarief rijdende winkelNihiltarief OV-autobussen op LPG of aardgasKwarttarief kermis- en circusvoertuigenKwarttarief werktuig of werkplaatsKwarttarief paardenvervoerTeruggaaf bedrijfsvoertuigenpark vrachtauto’sVrijstelling ambulanceVrijstelling lijkwagensVrijstelling dierenambulancesVrijstelling voor defensie- en politiemotorrijtuigenVrijstelling brandweerVrijstelling reinigingsdienstenVrijstelling wegenbouwVrijstelling gebruik openbare weg over geringe afstandVrijstelling taxi’s of openbaar vervoerVerlaagd tarief bestelauto gehandicaptenVrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar415Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Definitie: Gederfde overheidsinkomsten (o.a. belastingteruggaven, vrijstellingen, buiten scope reguliere belasting, etc.) gerelateerd aan het non-energetisch gebruik of indirect gebruik van fossiele brandstoffen.*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)Overgangsregeling voertuigen vanaf bouwjaar 1988Overige regelingen in de bpm:15JaBrandstofaccijnzen, ETS2 (vanaf 2027)Teruggaaf politievoertuigenTeruggaaf brandweerTeruggaaf invalide-voertuigenTeruggaaf ambulancesTeruggaaf lijkwagensTeruggaaf gevangenenvervoerTeruggaaf groep rolstoelveroerTeruggaaf dierenambulancesTeruggaaf geldtransportTeruggaaf bestelauto gehandicaptenToelichting regelingen overzichtstabel 2Vrijstelling energiebelasting non-energetisch verbruik aardgasIn de energiebelasting geldt een vrijstelling voor het non-energetische verbruik van aardgas. Het gaat hierbij onder andere om de productie van (grijze) waterstof uit aardgas. De waterstof wordt vervolgens hoofdzakelijk ingezet ten behoeve van industriële processen zoals de productie van kunstmest. Deze vrijstelling is onder de EU-Richtlijn energiebelastingen niet verplicht, dus kan Nederland zelf op nationaal niveau afschaffen.Vrijstelling voor non-energetisch verbruik LPG in stoomkrakers (onderdeel algemene vrijstelling onder artikel 65 van de Wet op accijns)In de wet op accijns wordt onder artikel 65 het verbruik vrijgesteld van accijnsgoederen die als grondstof worden ingezet voor het produceren van niet-accijnsgoederen. Voor een deel gaat het hierbij om het non-energetisch verbruik van LPG in stoomkrakers (vorig jaar onderdeel van de bredere vrijstelling met budgettair belang van 14 miljard, zie ook tekstbox 23.4). Het budgettair belang hiervan is gekwantificeerd in bovenstaande tabel.Btw-vrijstelling internationaal personenvervoer (schepen en luchtvaartuigen)Het vervoer van personen is dáár belastbaar waar dat vervoer feitelijk plaatsvindt (artikel 6c, eerste lid van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 48, btw-richtlijn). Voor het vervoer van personen per vliegtuig en per zeeschip moet voor het btw-tarief onderscheid worden gemaakt tussen binnenlandse- en buitenlandse vluchten/bootreizen. Binnenlandse vluchten/bootreizen zijn belast tegen het algemene btw-tarief. Vluchten/bootreizen naar of vanuit het buitenland zijn belast tegen het btw-nultarief (Tabel II, post b-3 behorende bij de Wet op de omzetbelasting 1968). Dit btw-nultarief houdt in dat ondernemers geen btw in rekening hoeven te brengen over hun diensten, maar wel recht hebben op aftrek van 416Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 voorbelasting. Vanwege uitvoeringsproblematiek maken lidstaten gebruik van het btw-nultarief voor vluchten naar of vanuit het buitenland. De toepassing van het btw-nultarief is echter niet verplicht op grond van de btw-richtlijn. In theorie is het dus denkbaar dat Nederland afziet van het toepassen van dit btw-nultarief. Dit zou echter betekenen dat voor alle vluchten vanuit en naar Nederland moet worden vastgesteld welk gedeelte boven Nederlands grondgebied is gevlogen, want alleen dat gedeelte is belastbaar met Nederlandse btw. Dit is echter vrijwel niet uitvoerbaar. Bovendien is het gedeelte van een internationale reis dat plaatsvindt op of boven Nederlands grondgebied veelal beperkt, wat gevolgen heeft voor de afweging van heffing versus uitvoering. De discussie over btw op luchtvaart wordt in Europees verband al tientallen jaren gevoerd, tot op heden echter zonder dat dit heeft geleid tot een andere werkwijze. Het budgettaire belang in de vorige miljoenennota omvat de volledige vlucht en niet alleen het gedeelte in Nederland. Bij deze raming is daar wel rekening mee gehouden, waardoor de raming van dit jaar (veel) lager uitvalt.Vrijstelling in de bpm voor bestelauto ondernemersDe bpm kent een vrijstelling voor nieuwe bestelauto’s die door ondernemers worden aangeschaft. Per 1 januari 2025 vervalt deze vrijstelling en wordt de grondslag van de bpm voor bestelauto’s omgevormd van catalogusprijs naar CO2-uitstoot.Verlaagd tarief in de mrb voor bestelauto ondernemersIn de mrb geldt een verlaagd tarief voor bestelauto’s van ondernemers. Dit verlaagd tarief geldt ongeacht de aandrijflijn, gezien alleen het voertuiggewicht de grondslag is. Wel zorgt deze regeling ervoor dat ook voor fossiele voertuigen een lagere mrb hoeft te worden betaald. Hierdoor wordt indirect het gebruik van fossiele brandstof lager belast. Tot en met 2024 geldt een vrijstelling voor alle emissievrije bestelauto’s (en in 2025 geldt een kwarttarief).Overige bijzondere regelingen bpm/mrbEr gelden een aantal bijzondere regelingen (teruggaveregelingen, kwarttarieven, etc.) in de mrb en bpm voor specifieke voertuigen. Deze regelingen zijn niet specifiek voor fossiele brandstof voertuigen. Wel zorgen deze regelingen ervoor dat voor die voertuigen geen of een lagere autobelasting hoeft te worden betaald, waardoor indirect het gebruik van fossiele brandstof lager wordt belast. Met het Belastingplan 2024 is wettelijk vastgelegd dat een aantal bijzondere regelingen zullen worden versoberd:–Het kwartarief voor kampeerauto in de MRB wordt versoberd naar een halftarief vanaf 2026.–Het kwartarief in de mrb voor paardenvervoer komt te vervallen vanaf 2026,–De mrb vrijstelling voor oldtimers wordt vanaf 2028 versoberd naar een vrijstelling voor auto's met bouwjaar tot 1988.–De teruggave voor geldtransport in de bpm wordt per 2026 afgeschaft.–Het nihiltarief in de mrb voor OV-autobussen op liquified petroleum gas (LPG) of aardgas wordt per 2030 afgeschaft.–De verlaagde brandstoftoeslag in de mrb voor personen- en bestelauto's op CNG, LNG of LPG vervalt per 2026.417Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Box 23.4 Niet opnemen non-energetisch verbruik minerale olïen (waaronder nafta) in Tabel 23.3In de Miljoenennota 2024 is het niet heffen van accijns over het non-energetisch verbruik van nafta als fossiele regeling aangemerkt. In het geactualiseerde overzicht (zie tabel 23.3) is deze fossiele regeling niet meer opgenomen, omdat het onderscheid tussen de inventarisatiebenadering en de externe kosten benadering in het geactualiseerde overzicht scherper is aangebracht. Dit wordt hieronder nader toegelicht.Het budgettair belang van de regeling (14 miljard euro) is vorig jaar berekend op basis van het volume grondstoffen dat in stoomkrakers wordt ingezet. Verreweg het grootste deel van input aan oliepro ducten in de stoomkraker bestaat uit nafta en aardgasconcentraat. Daarnaast wordt in hetzelfde productieproces ook LPG non-energetisch ingezet. Nafta en aardgascondensaat worden echter niet gebruikt als motorbrandstof of verwarmingsbrandstof en vallen daarmee niet onder de reikwijdte van accijns. De Wet op de accijns en de richtlijn Energiebelasting hebben namelijk betrekking op minerale oliën die worden gebruikt als verwarmings- of motorbrandstof. In dit geval gaat het dus niet om een specifieke fiscale vrijstelling (waar in de inventarisatiebenadering naar wordt gekeken). Het niet belasten van nafta en aardgascondensaat hoort daarom beter thuis in de externe kostenbenadering (non-energetische inzet van fossiele energie), dan in de inventarisatiebenadering.Het budgettair belang van de totale non-energetische inzet van fossiele energie ligt in de externe kostenbenadering lager dan vorig jaar berekend in de inventarisatiebenadering, door het verschil in de gebruikte referentieprijs. Vorig jaar is voor nafta gerekend met het accijnstarief voor lichte olie en dat tarief ligt hoger dan de referen tieprijs voor externe kosten waar in de externe kostenbenadering dit jaar mee is gerekend.Zoals vorig jaar benoemd in de Miljoenennota 2024, bevat de wet op de accijns wel een expliciete vrijstelling voor het verbruik van accijnsgoederen die als grondstof worden ingezet voor het produceren van niet accijnsgoederen. Deze regeling is in het geactualiseerde overzicht van de inventarisatiebenadering wél opgenomen als fossiele regeling voor het deel dat gaat over het hierboven beschreven non-energetisch verbruik van LPG in stoomkrakers.Tabel 23.4 Overzicht III - niet-fiscale regelingen met een directere relatie tot fossiel energiegebruik (EZK)*Voor de met een * gemarkeerde regelingen is reeds een besluit genomen over een afbouwpad (zie toelichting voor meer informatie)MaatregelBudgettaire omvang per jaar (2024)Juridisch mogelijk om nationaal aan te passen?Gratis verstrekte rechten in kader van EU-ETS (EU-beleid)*2.706NeeSubsidieregeling indirecte kostencompensatie ETS (IKC)*186JaInvesteringsaftrek t.b.v. opsporen en winning aardgas kleine velden Noordzee (mijnbouwheffing)Niet bekendJa418Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 Toelichting regelingen overzichtstabel 3Gratis verstrekte rechten in kader van EU-ETS (EU-beleid)Binnen het ETS dienen bedrijven die rechtstreeks CO2 uitstoten te beschikken over emissierechten. Indien meer emissierechten nodig zijn dan het bedrijf beschikbaar heeft, dient een bedrijf deze certificaten te kopen of CO2-reducerende maatregelen te treffen. Om te voorkomen dat bedrijven die op de wereldmarkt concurreren hun productie naar buiten Europa verplaatsen (waardoor koolstoflekkage kan optreden), krijgen bepaalde industriële sectoren gratis emissierechten toegedeeld, o.b.v. de uitstoot van de 10% bedrijven met de laagste CO2-emissie per product. Er zijn drie categorieën sectoren die gratis rechten ontvangen. Voor sectoren waar geen significant risico op koolstoflekkage is vastgesteld, loopt het aantal gratis emissierechten af tot nul in 2030. Voor sectoren waar wel een significant risico op koolstoflekkage is vastgesteld, maar de recent ingestelde Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) alternatieve bescherming biedt tegen koolstoflekkage, loopt het aantal gratis emissierechten af tot nul in 2034. Voor de overige sectoren (significant risico op koolstoflekkage, geen bescherming via CBAM) wordt een dalende hoeveelheid gratis emissierechten verstrekt tot en met 2040. Na 2040 is het ETS plafond nihil en worden er dus geen nieuwe ETS rechten meer verleend (gratis noch geveild).Subsidieregeling indirecte kostencompensatie ETS (IKC)Het Europese systeem van emissiehandel verplicht Europese elektriciteitsproducenten om emissierechten aan te kopen voor hun CO2-uitstoot. De kosten hiervan berekenen deze producenten door in de groothandelsprijzen voor elektriciteit. Dit verhoogt de elektriciteitskosten voor onder meer bedrijven binnen de EU. Zij ervaren daarom mogelijk een concurrentienadeel ten opzichte van ondernemingen uit landen buiten de EU. Dit veroorzaakt een risico op verplaatsing van productie van elektriciteits-intensieve bedrijven van binnen de EU naar buiten de EU, en daarmee gepaard gaande koolstoflekkage. De regeling Indirecte Kostencompensatie ETS (IKC-ETS) verlaagt dit risico door de indirecte ETS-kosten die bedrijven maken bij hun productie te compenseren. De regeling is beschikbaar voor bedrijven uit specifieke bedrijfssectoren die zijn vastgesteld door de EC en is in Nederland in 2024 weer eenjarig opengesteld waarbij het compensatie uitkeert voor de indirecte kosten gemaakt in 2023. Het genoemde budget betreft een prognose op basis van productiecijfers in voorgaande jaren en de EU-ETS prijs van 2023.Investeringsaftrek t.b.v. opsporen en winning aardgas kleine velden Noordzee (mijnbouwheffing)De (niet-fiscale) investeringsaftrek voor investeringen in het opsporen en winnen van aardgas uit de kleine velden in de Noordzee kan alleen worden toegepast bij de berekening van de specifieke afdracht van het winstaandeel, wat een extra heffing voor mijnbouwbedrijven is krachtens de Mijnbouwwet naast de vennootschapsbelasting. Dit leidt voor mijnbouwondernemingen tot een hoge(re) effectieve belastingdruk dan voor andere ondernemingen die alleen vennootschapsbelasting afdragen. Met de investeringsaftrek wordt beoogd het opsporen en winnen van aardgas uit de kleine velden in de Noordzee te stimuleren. De verwachting is dat aardgas de komende decennia nog noodzakelijk is voor bijvoorbeeld de productie van elektriciteit en de energie- en warmtebehoefte van huishoudens in Nederland. Gaswinning uit kleine velden op de Noordzee maakt Nederland minder afhankelijk van gaswinning uit het buitenland en draagt daarmee bij aan energieleveringszekerheid. Daarnaast is de CO2-voetafdruk van geïmporteerd gas door de lange transportafstanden aanzienlijk groter dan die van in Nederland gewonnen gas. Uit de analyse van CE-Delft (november 419Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2 2022) blijkt dat gaswinning op de Noordzee per saldo een positief effect heeft op de uitstoot van emissies vergeleken met de situatie waarin gas uit Rusland of de Verenigde Staten wordt geïmporteerd.420Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600, nr. 2
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.