KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de informele Visserijraad 28 en 29 juli 2026

23 jul 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 9ae19e54f59e3c14 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1828 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 23 juli 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over:–de brief van 15 juli 2026 over «Geannoteerde agenda van de informeleVisserijraad 28 en 29 juli 2026» (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1827),–de brief van 3 juli 2026 over het Verslag van de Landbouw- enVisserijraad van 22-23 juni 2026 (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1825)De voorzitter van de commissie,SteenAdjunct-griffier van de commissie,Bosman kst-21501-32-1828ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18281 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en antwoord / reactievan de Minister van Landbouw, Visserij,Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van degeannoteerde agenda van de informele Visserijraad van 28 en 29 juli 2026.Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.De leden van de D66-fractie zijn positief over het feit dat generatiever-nieuwing het centrale thema is van deze informele Raad. Deze leden delende opvatting dat jonge vissers onmisbaar zijn voor een duurzame entoekomstbestendige visserijsector. Zij vragen de Staatssecretaris omnader toe te lichten hoe hij tijdens de Raad zal bepleiten dat generatiever-nieuwing hand in hand gaat met verduurzaming van de vloot, zoals deenergietransitie en verbetering van arbeids- en veiligheidsomstandig-heden aan boord.AntwoordDe Staatssecretaris zal tijdens de informele Visserijraad zowel Neder-landse best practices delen als de oproep doen om de visserij te verduur-zamen en deze toekomstbestendig te maken. Een essentieel onderdeelvan een toekomstbestendige visserij is dat deze visserij moet plaatsvindenbinnen de ecologische grenzen van de natuur, dat er sprake is van goedearbeids- en veiligheidsomstandigheden en dat de sector stabiel is envoldoende verdienvermogen kent. Voorts is het van belang dat devisserijsector wordt ondersteund in de energietransitie, dat er sprake isvan stabielere vangstmogelijkheden, er een gunstig innovatieklimaatwordt gecreëerd en dat regelgeving wordt vereenvoudigd. Langs deze lijn,evenals de onlangs met de Tweede Kamer gedeelde brief (Kamerstuk26 737, nr. 13), zal de Staatssecretaris zijn interventie doen.De leden van de D66-fractie volgen de onderhandelingen over desectorale verordening voor visserij, aquacultuur en het EuropeesOceaanpact met belangstelling. Deze leden vragen de Staatssecretaris eenactueel beeld te geven van het krachtenveld in de Raad ten aanzien vanhet compromisvoorstel van het Iers voorzitterschap.AntwoordDe onderhandelingen over het toekomstige Meerjarig Financieel Kader(2028–2034) zijn nog gaande. In de Landbouw- en Visserijraad van22–23 juni jl. hebben diverse lidstaten zorgpunten geuit (Kamerstuk 21501–32, nr. 1825). Het is te vroeg in het Iers voorzitterschap om eenactualisatie te geven van het krachtenveld in de Raad. Vooralsnog is hetkrachtenveld ongewijzigd.Zij hechten eraan dat eventuele steun voor nieuwe vissersvaartuigen striktgekoppeld blijft aan verduurzaming, veiligheid en generatievernieuwingen niet leidt tot overcapaciteit of extra visserijdruk. Zij vragen de Staatsse-cretaris of hij de zorgen deelt die binnen de Raad bestaan over deuitwerking van het Do No Significant Harm-principe en de volledigeomzetting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)-afspraken overvisserijsubsidies en hoe het kabinet zich hierin gaat opstellen.AntwoordNederland kan zich vinden in het huidige Visserijakkoord (Fish I) van deWereldhandelsorganisatie (WTO), waarin afgesproken is dat er geenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18282 subsidie mag worden verstrekt aan Illegal, Unreported and Unregulated(IUU) bevorderende visserij. Het vervolgakkoord (Fish II) ziet op de hiatendie Fish I openlaat wat betreft potentiële IUU bevorderende visserij.Hierover zijn de onderhandelingen momenteel nog gaande. Naarverwachting zullen toekomstige afspraken niet verder gaan dan dehuidige kaders die al in het Gemeenschappelijk Visserijbeleid zijnneergelegd. Nederland maakt zich op dit moment dan ook nog geenzorgen dat dit de inzet op verduurzaming, veiligheid en generatiever-nieuwing van de eigen vloot schaadt.Zoals eerder met de Tweede Kamer is gedeeld (Kamerstuk 21 501–32, nr.1825), volgt Nederland de uitwerking van het Do No Significant Harm(DNSH)-principe nauwlettend. De onderhandelingen hierover zijn noggaande. Nederland zal zich in de verdere onderhandelingen inzetten vooreen zorgvuldige en werkbare toepassing van het DNSH-principe.De leden van de D66-fractie vragen tot slot hoe de Staatssecretaris tijdensdeze informele Raad de Nederlandse inbreng voor de «Visie 2040 voorVisserij en Aquacultuur» zal inbrengen en of hij verwacht dat de doorNederland bepleite prioriteiten op voldoende steun van andere lidstatenen het Iers voorzitterschap kunnen rekenen.AntwoordDe inzet van de Staatssecretaris tijdens de informele Raad zal in lijn zijnmet de Nederlandse inbreng inzake de «Visie 2040 voor Visserij enAquacultuur», die naar verwachting in de tweede helft van dit jaar zalworden gepubliceerd door de Europese Commissie (hierna: Commissie).Het verbeteren van de energie-efficiëntie, een alternatief voor deaanlandplicht, een duurzaam visserijbeheer en stabiliteit van de vangstenen vereenvoudiging van visserijregelgeving zijn daarin prioriteiten(Kamerstuk 26 737, nr. 13).De Staatssecretaris zet zich er zoveel mogelijk voor in om samen tewerken met andere Noordzeelanden. Hiervoor zijn de contactmomentenmet de deelnemers aan deze informele Raad van belang. In welke mateandere lidstaten en het Iers voorzitterschap de Nederlandse prioriteitensteunen is afhankelijk van het onderwerp, maar voor de belangrijksteonderwerpen zoals de aanlandplicht, de energietransitie en generatiever-nieuwing is er brede steun binnen de Raad.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda van de informele Visserijraad van 28 en29 juli 2026 en de onderliggende stukken. Deze leden hebben hierover nogenkele vragen.GeneratievernieuwingDe leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van generatiever-nieuwing voor een toekomstbestendige Nederlandse visserijsector. Dezeleden delen het belang dat de sector aantrekkelijk blijft voor een nieuwegeneratie vissers en lezen dat Nederland zich hiervoor onder meer inzetvia het Koepelplan Onderwijs. Kan de Staatssecretaris toelichten welkeconcrete resultaten hij van deze inzet verwacht en hoe deze volgens hemzal bijdragen aan het aantrekken en behouden van een nieuwe generatievissers?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18283 AntwoordMet het «Visserij Ontwikkel Plan» heeft een ambtsvoorganger van deStaatssecretaris € 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de ondersteuningvan de visserijketen en visserijgemeenschappen bij de transitie van devloot (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1553). Hiervan is € 1 miljoen beschikbaargesteld voor het verbeteren van visserijonderwijs, waarmee hetKoepelplan Vernieuwingsimpuls Visserijonderwijs (VIVO) is opgezet. DitKoepelplan is gericht op een structurele verbetering van de kwaliteit enaantrekkelijkheid van het visserijonderwijs, zodat jongeren beter wordenvoorbereid op de veranderende beroepspraktijk en de sector aantrekke-lijker wordt voor een nieuwe generatie vissers en andere werknemers inde sector.Het Koepelplan bestaat uit vier delen: (1) Landelijk Platform Visserijon-derwijs dat de structurele samenwerking tussen onderwijs, bedrijfslevenen overheid versterkt en het onderwijs vernieuwt met aandacht voorduurzaamheid, aquacultuur en ondernemerschap, (2) een landelijknetwerk van practoraten dat praktijkgericht onderzoek verbindt metonderwijs en het bedrijfsleven en bijdraagt aan innovatie, ondernemer-schap en toekomstbestendige leerlijnen, (3) het kennissysteem «Vistik-hetmaar», dat actuele kennis en innovaties toegankelijk maakt voor zowelhet beroepsonderwijs als de beroepspraktijk en daarmee een leven langontwikkelen ondersteunt, en (4) regionale leerplaatsen die studenten,onderwijs en bedrijfsleven in de praktijk samenbrengen, de binding metde regionale visclusters versterken en de aantrekkelijkheid van eenloopbaan in de visserijsector vergroten.Verder heeft een ambtsvoorganger van de Staatssecretaris uw Kamer op6 oktober 2025 geïnformeerd over de inzet met betrekking tot de nieuwegeneratie (jonge boeren en vissers) (Kamerstuk 30 252, nr. 210).De leden van de VVD-fractie ontvangen signalen uit de sector dat deEuropese harmonisatie van opleidingseisen en certificering voor dezeevisserij achterblijft bij die van de zeevaart. Deze leden begrijpen dateen aantrekkelijk toekomstperspectief voor jonge vissers ook vraagt omeen goed en internationaal herkenbaar opleidings- en certificerings-systeem. Kan de Staatssecretaris aangeven hoe hij deze signalenbeoordeelt?AntwoordOpleidingseisen en certificering van vissers is een beleidsverantwoorde-lijkheid van mijn ambtsgenoot van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat. Ik kan hierover aangeven dat er inderdaad een verschil istussen de sector koopvaardij en de sector visserij. In de koopvaardij is ersprake van het Internationaal Verdrag betreffende de normen voorzeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, hierna tenoemen: het STCW-verdrag, aangaande de opleiding, training encertificering van zeevarenden. Dat verdrag is door vrijwel alle zeevarendenaties geratificeerd en opgenomen in EU-wetgeving. Dat leidt tot eenhoge mate van harmonisatie waarbij sprake is van een duidelijkminimumniveau qua opleiding. Dit is anders voor de visserijsector. Er iswel sprake van een soortgelijk verdrag voor de visserij, het InternationaalVerdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering enwachtdienst van personeel van vissersvaartuigen, hierna te noemen: hetSTCW F-verdrag. Het STCW-F verdrag is momenteel slechts geratificeerddoor 35 landen, waaronder 10 EU-lidstaten inclusief Nederland. Er is geenEU-wetgeving van toepassing. Deze feiten staan een goed functionerendinternationaal opleidings- en certificeringssysteem in de weg. Er zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18284 echter ontwikkelingen die positief zijn. De Commissie heeft een aantalstudies en projecten gedaan, onder andere naar de situatie van de visserijopleidingen en de certificering van vissers conform het STCW F-verdragin de verschillende lidstaten. De verschillen tussen de lidstaten voor watbetreft de kwaliteit van de opleidingen blijken in de praktijk groot te zijn.Nederland komt hier goed uit. Positief is dat de Commissie een impactassessment laat uitvoeren om te bekijken of het kan worden opgenomenin EU-wetgeving.Ziet hij mogelijkheden om zich in Europees verband in te zetten voorverdere harmonisatie van de STCW-F-standaarden en de wederzijdseerkenning van vaarbevoegdheden binnen de zeevisserij?AntwoordNederland ondersteunt dat de Commissie een impact assessment laatuitvoeren om te bekijken of het STCW F-verdrag kan worden opgenomenin EU-wetgeving. Dat is immers een voorwaarde voor verdere harmoni-satie. De EU kan niet namens de lidstaten ratificeren, dat is aan delidstaten. Wel worden de lidstaten aangemoedigd om het verdrag teratificeren. Momenteel heeft Nederland alleen met België een overeen-komst voor de wederzijdse erkenning van visserij vaarbevoegdheden. Datis omdat België ook het STCW F-verdrag toepast en een vergelijkbaar(kwaliteits-)niveau kent voor de opleiding en certificering van vissers.Toekomstperspectief van de visserijsectorDe leden van de VVD-fractie onderschrijven de Nederlandse inzet voor deVisie 2040 voor Visserij en Aquacultuur. Deze leden delen het belang vaneen economisch sterke en toekomstbestendige visserijsector, met oogvoor een gezond verdienvermogen, voedselzekerheid en ruimte voorinnovatie. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke onderdelen vandeze inzet Nederland tijdens de informele Visserijraad de nadruk zalleggen?AntwoordZoals in de geannoteerde agenda is aangegeven (Kamerstuk 21 501–32,nr. 1827), zal de Staatssecretaris steun uitspreken voor de «Visie 2040 voorVisserij en Aquacultuur». De Staatssecretaris zal in zijn interventie ingaanop de noodzaak voor een toekomstbestendige visserij, die moet wordenondersteund in de energietransitie en die kan rekenen op stabielerevangstmogelijkheden, een beter innovatieklimaat en vereenvoudigderegelgeving.De leden van de VVD-fractie ontvangen daarnaast signalen uit de sectordat de huidige Europese capaciteitssystematiek (GT/kW) onvoldoendeaansluit bij de investeringen die noodzakelijk zijn voor moderne, veilige enduurzame vissersschepen. Investeringen in veiligheid, bemanningsvoor-zieningen en alternatieve brandstoffen vragen in de praktijk om meerruimte, zonder dat dit automatisch leidt tot een grotere vangstcapaciteit.Kan de Staatssecretaris aangeven hoe hij deze signalen beoordeelt? Ziethij mogelijkheden om in Europees verband te bezien of de huidigecapaciteitssystematiek nog voldoende aansluit bij de doelstellingen vanvlootmodernisering en de energietransitie?AntwoordDe Staatssecretaris herkent deze signalen uit de sector niet. Het Neder-landse capaciteitsplafond kent voldoende ruimte om eventuele uitbrei-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18285 dingen van vaartuigen te accommoderen. Tegelijkertijd wordt er doorlidstaten in de Europese Unie (EU) opgeroepen tot aanpassing van hetcapaciteitsplafond van de vloot omdat de situatie in deze lidstaten welbeperkend kan zijn. De Staatssecretaris staat hier niet onwelwillendtegenoverVisserijakkoorden met derde landenDe leden van de VVD-fractie lezen in het verslag van de vorige Landbouw-en Visserijraad dat Nederland de zorgen over de onderhandelingen metMauritanië heeft onderschreven. Deze leden vinden dat een sterkeEuropese visserijsector vraagt om stabiele en duurzame visserijakkoordenmet derde landen, die bijdragen aan voedselzekerheid, een gelijkspeelveld en de concurrentiekracht van de Europese visserij. Kan deStaatssecretaris aangeven wat de actuele stand van zaken is van dezeonderhandelingen? Welke inzet kiest Nederland om te komen tot eenduurzaam en economisch aantrekkelijk akkoord?AntwoordTijdens de Landbouw- en Visserijraad van 22-23 juni 2026 zijn er zorgengedeeld over de onderhandelingen met Mauritanië door diverseEU-lidstaten, waaronder Nederland. De huidige stand van zaken is dat deCommissie (namens de EU) sinds een aantal jaren met Mauritanië inonderhandeling is over een visserijakkoord. Hierbij ziet de Nederlandseinzet op een duurzaam visserijakkoord op basis van wetenschappelijkadvies en navenant proportionele financiële bijdrage.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben de geannoteerde agenda van deinformele landbouw- en visserijraad met interesse gelezen en hebbendaarover een aantal vragen en opmerkingen.De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissie (EC)in de evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) heeftaangegeven dat de doelstellingen van de aanlandplicht niet zijn gehaald.Tegelijkertijd erkennen veel lidstaten dat de aanlandplicht in de praktijkmoeilijk uitvoerbaar is en dat uitsluitend inzetten op meer controle enhandhaving geen oplossing biedt. Nederland heeft tijdens de Landbouw-en Visserijraad aangegeven dat de aanlandplicht effectiever moet wordengemaakt en werkt aan een AI-systeem voor automatische vangstregis-tratie. Kan de Staatssecretaris aangeven of Nederland zich er tijdens dekomende Visserijraad actief voor zal inzetten om de afschaffing van dehuidige aanlandplicht tot prioriteit te maken binnen de evaluatie van hetGVB, zodat wordt gekomen tot een uitvoerbaar systeem dat beter aansluitbij de praktijk van de visserij?AntwoordDe herziening van de aanlandplicht blijft een prioriteit voor de Staatsse-cretaris. De Staatssecretaris heeft dit herhaaldelijk opgebracht in relevanteEU-gremia als één van de prioriteiten die hij heeft binnen het Gemeen-schappelijk Visserijbeleid en zal dit, waar passend, blijven doen, zo ooktijdens de komende informele Visserijraad van 28–29 juli 2026.De leden van de BBB-fractie vragen tevens wat de actuele stand van zakenis van het Nederlandse onderzoek naar de terugkeer van de pulsvisserij.Kan de Staatssecretaris aangeven of hierover inmiddels gesprekkenplaatsvinden met de EC en andere lidstaten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18286 AntwoordDe Staatssecretaris heeft de Tweede Kamer geïnformeerd zich in te zettenvoor het gezamenlijk organiseren van pilots met andere landen(Kamerstuk 21 501–32, nr. 1815). Daartoe worden gesprekken gevoerd metandere lidstaten. Omdat pulskorvisserij nog steeds gevoelig ligt bij anderelidstaten zijn deze gesprekken vertrouwelijk. Op dit moment vindtbureauonderzoek plaats of de huidige pulskortechniek met eventueelaanvullende randvoorwaarden rendabel kan zijn en worden er labonder-zoeken gedaan naar de doorontwikkeling van het pulskortuig, gericht opde impact van de pulskortechniek op het voortplantingssucces vankwetsbare soorten en mogelijke herintroductie.De leden van de BBB-fractie vragen voorts hoe de onderhandelingen metderde landen over de vangstmogelijkheden verlopen. Kan de Staatssecre-taris aangeven welke inzet Nederland daarbij kiest, hoe wordt ingezet opbehoud van de historische verdeelsleutels en welke risico’s hij ziet voor deNederlandse visserij indien tijdig geen evenwichtige akkoorden wordenbereikt?AntwoordHet zwaartepunt ten aanzien van de onderhandelingen met derde landenligt over het algemeen in het najaar. Op dit moment vallen er dus noggeen mededelingen te doen over het verloop hiervan. Na de zomer zal deTweede Kamer worden geïnformeerd over de inzet van de Staatssecretarisbij de onderhandelingen. Nederland zal zich in ieder geval inzetten voorrobuuste verdeelsleutels en een duurzame visvangst, met oog voorsociaaleconomische aspecten en een gelijk speelveld.Indien er geen evenwichtige akkoorden worden bereikt, blijft er sprakevan overbevissing op de pelagische bestanden. Het risico daarvan voor deNederlandse visserij, maar ook voor die van andere EU-lidstaten en derdelanden, is dat de vangstmogelijkheden steeds verder zullen afnemen. DeStaatssecretaris vindt het van groot belang dat er de komende tijd eenduurzaam akkoord wordt bereikt en dat overbevissing door derde landenwordt tegengegaan. Daarnaast kan het niet tijdig bereiken van akkoordenmet derde landen ook onzekerheid opleveren voor de sector ten aanzienvan toegestane vangsthoeveelheden, toegang tot bepaalde wateren eneventuele maatregelen die gelden in deze wateren. De Staatssecretarisacht het tijdig bereiken van akkoorden daarom ook van belang voor deNederlandse visserij in het kader van voorspelbaarheid en faciliteren vangedegen bedrijfsvoering.De leden van de BBB-fractie constateren dat in de onderhandelingen overhet nieuwe Europese fonds voor visserij en aquacultuur (2028–2034)wordt gesproken over het opnieuw mogelijk maken van steun voorinvesteringen in vissersvaartuigen, waaronder de bouw van nieuwe,veiligere en energiezuinigere schepen. Kan de Staatssecretaris aangevenwat de Nederlandse inzet op dit punt is? Steunt Nederland het voorstelom onder voorwaarden Europese steun voor nieuwbouw van vissersvaar-tuigen mogelijk te maken?AntwoordDe Nederlandse inzet volgt de lijn zoals is uitgezet in het BNC-fiche(Kamerstuk 22 112, nr. 4146). Een duurzame en toekomstbestendige vlootvraagt een grote inzet op energietransitie. Nederland steunt daarom hetvoorstel om, onder voorwaarden, steun vanuit de EU voor de moderni-sering en nieuwbouw van vissersvaartuigen mogelijk te maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18287 De leden van de BBB-fractie constateren dat een groot deel van deNederlandse vissersvloot inmiddels sterk is verouderd en dat juistvlootvernieuwing noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan doelstel-lingen op het gebied van veiligheid, arbeidsomstandigheden, emissiere-ductie en brandstofbesparing. Deelt de Staatssecretaris de opvatting datverduurzaming zonder de mogelijkheid van vlootvernieuwing nauwelijkshaalbaar is? Zo ja, hoe brengt hij dit actief onder de aandacht in deEuropese onderhandelingen?AntwoordDe Staatssecretaris zet op korte termijn in op de verduurzaming van dehuidige vissersvloot gezien de economische voordelen van het verhogenvan de energie- en brandstofefficiëntie. Daarin wordt de sector onder-steund door een aantal subsidieregelingen (Kamerstuk 29 675, nr. 240).Richting 2050 zal er extra inzet nodig zijn. Daarom pleit de Staatssecretarisin Brussel voor het onder voorwaarden mogelijk maken van het steunenvan nieuwbouw. Tevens worden er verschillende nationale initiatievenontplooid om de energietransitie van de visserijvloot vorm te geven. Dezeinzet heeft de Staatssecretaris onlangs met de Commissie gedeeldmiddels een brief waarover de Kamer is geïnformeerd (Kamerstuk 26 737,nr. 13). De Staatssecretaris zal in de relevante EU-gremia deze inzet onderde aandacht blijven brengen.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris zich ervoorinzet dat de financiering van wettelijke taken, zoals visserijcontrole,dataverzameling en wetenschappelijke monitoring, ook in het nieuwefonds volledig vanuit de Europese middelen kan worden bekostigd en nietten laste komt van de nationale begroting of de visserijsector zelf.AntwoordDe onderhandelingen over het toekomstige Meerjarig Financieel Kader(2028–2034) zijn nog gaande. De Staatssecretaris deelt in dit kader ook zijnzorgen rondom de financiering van de wettelijke taken voor de visserij. Deinzet, conform het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4159), is ervoor tezorgen dat wettelijke taken zoals controle, handhaving en datacollectieopgenomen moeten blijven worden als subsidiabele activiteit. Het kabinethecht waarde aan het principe van (in dit geval) publieke nationalecofinanciering, zoals ook in het huidig fonds plaatsvindt. Daarbij zet hetkabinet in op het verminderen van de administratieve lastendruk enbijbehorende kosten.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij ervoor gaatzorgen dat innovatieve visserijtechnieken, zoals bijvoorbeeld de FloMo-kuil, sneller in de praktijk kunnen worden toegepast wanneer deze nietbinnen de huidige Europese wet- en regelgeving passen. Is de Staatsse-cretaris bereid zich er in Europees verband voor in te zetten dat deregelgeving beter aansluit bij nieuwe, aantoonbaar duurzame eninnovatieve technieken, zodat waardevolle innovaties niet onnodigworden belemmerd en sneller kunnen worden opgeschaald?AntwoordDe Staatssecretaris zet zich in EU-verband in om innovatieve visserijtech-nieken, waaronder de Flomo-kuil, sneller in de praktijk toegepast tekrijgen. Momenteel lopen er gesprekken met de Commissie en diverseEU-lidstaten over de legalisering van de Flomo-kuil.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18288 De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris in hoeverre sprakeis van predatie door de grijze zeehond, nu de populatie sterk toeneemt.Kan de Staatssecretaris tevens aangeven of de grijze zeehond ook degewone zeehond aanvalt?AntwoordGrijze zeehonden prederen op meerdere diersoorten. De voornaamsteprooi is vis, maar het is niet precies bekend welke vissoorten in welkemate deel uitmaken van hun dieet. Vanuit het postmortaal onderzoek bijbruinvissen is bekend dat zij wel eens door grijze zeehonden wordenaangevallen. Aanvallen op gewone zeehonden door grijze zeehondenkomen voor zover bekend sporadisch voor, maar voor zeehonden wordter momenteel geen standaard postmortaal onderzoek uitgevoerd. Hetdieet van gewone en grijze zeehonden wordt ook niet standaard onder-zocht. Het klopt dat de grijze zeehonden in de Nederlandse Noordzee enWaddenzee toenemen, maar dit komt ook een groot deel door aanwasvanuit de Britse wateren. Daarom is de toename niet enkel een vermeer-dering, maar ook een verplaatsing.De leden van de BBB-fractie danken de Staatssecretaris voor hetopenstellen van de subsidieregeling «Steun voor hogere bedrijfskostenvisserij». De fractie waardeert dat hiermee uitvoering is gegeven aan deondersteuning van de visserijsector, die de afgelopen periode is gecon-fronteerd met fors gestegen brandstofkosten als gevolg van de onrust inhet Midden-Oosten.De leden van de BBB-fractie constateren echter dat er nog een knelpuntbestaat. Ondernemers die met vissersvaartuigen varen die zijn uitgerustmet een benzinemotor, zoals een aantal kleinschalige buitenvissers, lijkenbuiten de regeling te vallen. Kan de Staatssecretaris toelichten waaromervoor is gekozen deze groep uit te sluiten van de subsidieregeling, terwijlook zij zijn geconfronteerd met aanzienlijk hogere brandstofkosten?AntwoordHet klopt dat onder de regeling «Steun voor hogere bedrijfskosten», onderhet European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF), geensteun kan worden verleend voor gestegen kosten van benzine (Kamerstuk29 675, nr. 241). Hoewel visserijondernemers met vissersvaartuigen dieuitgerust zijn met een benzinemotor ook gestegen kosten kunnen ervarenals gevolg van het conflict in het Midden-Oosten, is het niet vast te stellendat de getankte benzine ook enkel en alleen gebruikt wordt voor hetdesbetreffende vissersvaartuig. Omdat benzine niet bij specialistischebedrijven wordt gebunkerd, zoals wel het geval is bij gasolie, kan er metde facturen geen koppeling worden gemaakt met het desbetreffendevaartuig en visserij-activiteiten. Deze benzine kan namelijk ook voorandere toepassingen worden gebruikt. Daarom kan onder de regeling«Steun voor hogere bedrijfskosten» geen subsidie worden aangevraagdof verleend voor kosten die visserijondernemingen hebben gemaakt bijhet tanken van benzine.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Staatssecretarisbereid is of voor deze groep alsnog een passende tegemoetkoming kanworden getroffen, bijvoorbeeld in de vorm van een eenmalige compen-satie of per logboek dag, zodat ook deze kleinschalige vissers op eenrechtvaardige wijze worden ondersteund en niet buiten de boot vallen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18289 AntwoordEr is op dit moment geen andere regeling voorzien die op een anderewijze of aan andere groepen een tegemoetkoming biedt voor de gestegenkosten als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten. In dit geval heeftde Staatssecretaris in overleg met betrokken partijen gekozen voor hetsnel kunnen verlenen van steun, gericht op die vlootsegmenten die demeest aanvullende kosten hebben gemaakt. Daarbij komt dat vanuit deCommissie het een belangrijke vereiste is dat er voor een steunmaatregelzoals deze geen sprake is van overcompensatie. Bij een eenmaligecompensatie per logboek dag is overcompensatie niet uitgesloten. Naarverwachting is dat dan ook geen maatregel waar de Commissiegoedkeuring voor zal verlenen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182810

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6dbb7bf4dc90530b

14 okt 2026 · 4de916c9f279d8bd

12 okt 2026 · af7170f4f1d9eb42

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.