Routekaart 7 GW Kernenergie
Brontekst
Versie e2e885c9a73e15b6 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 645KernenergieNr. 177 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKENEN KLIMAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 19 juni 2026Inzet op kernenergie, naast andere bronnen, vergroot de robuustheid vanhet Nederlandse energiesysteem. Kernenergie is namelijk in staat omenergie te leveren als de zon niet schijnt of de wind niet waait. Ik zie eengrote toegevoegde waarde van het toevoegen van stabiel productiever-mogen aan het energiesysteem. Daarnaast wordt met een grotere inzetvan kernenergie de energiemix gediversifieerd, wat het Nederlandseenergiesysteem weerbaarder maakt. Door in te zetten op kernenergie kaner daarnaast een bijdrage worden geleverd aan het reduceren vanCO2-uitstoot in moeilijk te verduurzamen sectoren.Om deze redenen heb ik in de beleidsbrief van 24 april 2026 (Kamerstuk36 800 XXIII, nr. 57) aangegeven dat ik een routekaart kernenergieontwikkel, waarin ik de mogelijke uitbouw tot 7 GW kernenergie in 2050neerzet. Hiermee geef ik concreet invulling aan de passage uit hetCoalitieakkoord «We versterken het nucleaire cluster in Nederland,versnellen het SMR-programma en ondersteunen maritieme nucleaireinnovaties. Met het beschikbare budget uit het Klimaatfonds en insamenwerking met marktpartijen wordt doorgewerkt aan de bouw vantenminste vier nieuwe kerncentrales. Dit kunnen conventionele en ookmodulaire reactoren (SMRs) zijn. Hier zetten we samen met regionaleoverheden en industriële clusters op in».Met de ingezette richting voor mogelijk 7 GW kernenergie in 2050, diedeels ook met kleine modulaire kernreactoren (SMR’s) ingevuld kanworden, verbreed ik de inzet op kernenergie nadrukkelijk van hetnieuwbouwproject, bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borsseleen het versterken van het ecosysteem, naar een bredere programma-aanpak kernenergie. Om deze capaciteit te kunnen bereiken, zet ik in op deversterking van de Nederlandse nucleaire capaciteit langs vier sporen endaarnaast op versterkte aandacht voor het nucleaire ecosysteem:–Spoor 1: bestaat uit het realiseren van de eerste twee grootschaligekerncentrales en het inzetten op de bedrijfsduurverlenging van de kst-32645-177ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1771 kerncentrale in Borssele. De bouw van de eerste twee grootschaligekernreactoren is een belangrijke stap om de ambitie van 7 GW in 2050mogelijk te maken.–Spoor 2: inzet op verdere opschaling van kernenergieproductie; ditkunnen grote kerncentrales (de derde en vierde kerncentrale) zijn maarmogelijk ook (seriegeschakelde) SMR’s.–Spoor 3: met dit spoor wil ik concretiseren in welke mate en wanneerprivate SMR-initiatieven een bijdrage leveren aan de 7 GW kernenergiein Nederland en hoe ik deze initiatieven kan ondersteunen. Het gaathier bijvoorbeeld om private SMR-initiatieven die achter de meterzorgen voor industriële warmte of elektriciteit.–Spoor 4: met dit spoor wil ik kansrijke innovaties in Nederlandstimuleren. Hierbij valt te denken aan nieuwe SMR-technologie zowelgericht op de productie van energie, maar in sommige gevallen ook ophet verminderen van nucleair afval.–Om deze inzet te realiseren is het van belang om in de basis naast dezesporen het nucleaire ecosysteem in Nederland blijvend te versterken.Dit betekent genoeg personeel opleiden, het (nucleaire) bedrijfslevenvoorbereiden op de groeiende vraag en toekomstige innovatiesbenutten.Deze sporen moeten de uitbouw tot de 7 GW ambitie gezamenlijkmogelijk maken waarbij het zowel om elektrisch als thermisch uitge-koppeld vermogen gaat. Deze sporen voer ik in een geïntegreerde aanpakuit. Het concreet invullen van de 7 GW ambitie in 2050 is een uitdagend enhet kabinet zet hiertoe alle mogelijke stappen. De uitdaging blijkt ook uitde brief die ik parallel stuur over de eerste twee kerncentrales. Daarom ishet van belang om op alle sporen vol in te zetten. Met deze brief neem ikuw Kamer mee in hoe ik deze ambitie dit vormgeef.Ambitie en invullingHet kabinet is ambitieus in het vergroten van het aandeel kernenergie inde energiemix. Tegelijkertijd zijn deze trajecten complex omdat het gaatom inpassing en ontsluiting in een dichtbevolkt land met daarbij horenderuimtelijke complexiteit t.a.v. de inpasbaarheid, zoals de brief over deinpassing van de eerste twee kerncentrales (die gelijktijdig met dezeroutekaart met uw Kamer gedeeld is) ook laat zien. De ambitie van 7 GWmoet uiteraard passen binnen de bredere strategie voor ons toekomstigeenergiesysteem en de verwachte vraag naar energie. Na de zomer zal hetkabinet dan ook de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem(NPE) publiceren waarbij wordt ingezoomd op 2040 en zal het kabinetschetsen hoe de ontwikkeling van kernenergie past binnen de brederecontext van het toekomstige Nederlandse energiesysteem. Voor debenodigde omvang van CO2-vrij aanbod, waaronder kernenergie, is deverwachte toekomstige elektriciteits- en warmtevraag immers leidend.Het huidige beeld van de ontwikkeling in het energiesysteem is datelektrificatie de dominante route is voor de verduurzaming van dewarmtevraag in de gebouwde omgeving, wegvervoer en lage- enmidden-temperatuur proceswarmte in de industrie. Het tempo waarmeedeze elektrificatie plaats zal vinden is echter onzeker. SMR’s kunnen,indien op de juiste locaties ontwikkeld, bijdragen aan het verlichten vannetcongestie en daarmee het faciliteren van elektrificatie. Tegelijkertijdwordt er minder elektriciteitsvraag voorzien voor elektrolyse danvoorheen werd verwacht en ontstaan er geleidelijk aan meer mogelijk-heden om hogere temperatuurprocessen te elektrificeren. De verwachterol van elektrificatie blijft daardoor dominant maar de totale vraag minderhoog dan eerder verwacht. Mogelijk kunnen SMR’s op termijn ook voorhogere temperatuurprocessen een bijdrage leveren aan warmtevoor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1772 ziening al is dat nog afhankelijk van de verdere ontwikkeling van detechniek. Hierbij kan afhankelijk van de nabijheid van gebouwdeomgeving ook getrapt warmte worden uitgekoppeld t.b.v. warmtenetten.Om de ambitie voor kernenergie in het energiesysteem in te vullen, is eengefaseerde aanpak noodzakelijk waarbij nu de stappen worden gezet dienodig zijn en tegelijkertijd flexibiliteit wordt behouden om bij te sturenaan de hand van de ontwikkeling van de elektriciteits- en warmtevraag,het elektriciteitsnet en het bredere energiesysteem, vergelijkbaar met hetproces van de routekaart wind op zee. De aanpak bestaat uit een ritmiekvan mijlpalen, uitvoeren, en vooruitkijken naar de volgende stap om deambitie in te vullen. Hierbij kijk ik ook steeds nadrukkelijk naar de effectendoor de keten heen, zoals bijvoorbeeld effecten op de brandstofketen ofde opslag van radioactief materiaal.Met onderstaande sporen geef ik deze ambitie vorm, in bijlage 1 is deroutekaart ook visueel weergeven.Spoor 1: eerste opschaling kernenergieHet eerste spoor wordt ingevuld door middel van grootschalige elektrici-teitsproductie. Het doel hierbij is om zo snel mogelijk en op basis vanbewezen nucleaire technologie het eerste significante deel van de ambitiein te vullen. Naast de bouw van nieuwe centrales zet ik stappen omkerncentrale Borssele langer open te houden.Hieraan geef ik concreet invulling met twee trajecten.1.Grootschalige kerncentrales 1 en 2: het realiseren van de eerstetwee nieuwe grootschalige kerncentrales (op zijn vroegst eind jaren30). Afhankelijk van welke technologieleverancier er wordt geselec-teerd, wordt met de nieuwbouw tussen de 2,2 en 3,2 GWe ingevuld.De in dit jaar opgerichte beleidsdeelneming Nucleaire EnergieOrganisatie Nederland (NEO NL) is volop aan de slag met voorberei-dende werkzaamheden om zo snel mogelijk een technologieleveran-cier voor grootschalige kerncentrales te selecteren en daarna tekunnen starten met de bouw. Zelf werk ik de locatiekeuze en hetfinancieringspakket voor de eerste twee centrales ondertussen verderuit. In de brief die ik parallel met deze brief naar uw Kamer hebverzonden ga ik nader in op de voortgang.2.Bedrijfsduurverlenging: het inzetten op bedrijfsduurverlenging vande kerncentrale Borssele met 485 MWe aan opgesteld vermogen (na2033). Mede hierom loopt het traject voor de mogelijke verwervingvan de aandelen in ZEH Energy B.V., welke vennootschap op haarbeurt 70% van de aandelen in EPZ houdt. Om bedrijfsduurverleningmogelijk te maken heeft u Kamer het wetsvoorstel voor wijziging vande Kernenergiewet aangenomen (Kamerstuk: 36 847, nr. 2). Door EPZworden onderzoeken uitgevoerd om na te gaan of bedrijfsduurverlen-ging veilig mogelijk is en welke investeringen daarvoor nodig zijn.Spoor 2: verdere opschaling grootschalige kernenergieproductieMet dit spoor wil ik grootschalige elektriciteitsproductie voor levering aanhet landelijke hoogspanningsnet met kernenergie verder opschalen. Ditkan ingevuld worden met grote kerncentrales, maar dat kan mogelijk ookmet (seriegeschakelde) SMR’s. Daarbij leveren seriegeschakelde SMR’swel dezelfde effecten op het nationale elektriciteitsnetwerk als conventi-onele kerncentrales, zowel in bijdragen aan het energiesysteem als ook inde uitdaging om deze ruimtelijk en energetisch in passen. Het gaat hierbijom de inzet van bestaande technologie (Gen III+), waarbij grootschaligekerncentrales in de westerse wereld daadwerkelijk gebouwd zijn en GenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1773 III+SMR’s in aanbouw zijn. Hiermee verbreed ik de inzet nadrukkelijk tenopzichte van de SMR-strategie die op 17 oktober 2025 naar uw Kamer isverzonden (Kamerstuk: 32 645 nr. 162), door voor grootschalige elektrici-teitsproductie aanvullend op de eerste twee kerncentrales ook naar SMR’ste kijken. Afhankelijk van de exacte invulling (grote kerncentrales en/ofSMR’s) kan er aanvullend op het eerste spoor naar verwachting eenadditioneel vermogen tot 3,2 GWe worden gerealiseerd1.Om grootschalige kernenergie verder op te kunnen schalen zet het kabinetalvast stappen mede ook n.a.v. de motie Van den Berg en Flach(Kamerstuk 32 645, nr. 172), in het verlengde van de realisatie van deeerste twee grootschalige kerncentrales. Het gaat dan om:1.Energetische en ruimtelijke inpassing;2.Techniek(selectie);3.Financiering en rol van NEO NL.Ad 1. Energetische inpassing:De ontwikkeling van aanvullende kerncentrales gericht op grootschaligekernenergieproductie moet zoals aangegeven passen bij de toekomstigevraag naar elektriciteit en bijdragen aan een systeemefficiënte en robuustaanbodportfolio. In de actualisatie van het NPE en in de verdereNPE-cyclus schetst het kabinet richting 2029 de rol van kernenergie in debredere context van het hele energiesysteem en de daarin verwachtevraagontwikkeling naar elektriciteit (zowel in volume als in mate vanflexibiliteit) om op basis daarvan stapsgewijs besluiten te kunnen nemenover de bouw van aanvullende kerncentrales en aanvullend productiever-mogen in de breedte. Het kabinet publiceert de actualisatie van het NPEna de zomer. In het volledig herziene NPE in 2029 zal een doorkijkgegeven worden over doorgroei van CO2-vrij aanbod na 2040 en demogelijke rol en omvang van kernenergie en hernieuwbare bronnendaarbinnen.Ruimtelijke inpassingOver de ruimtelijke inpassing van kerncentrales 1 en 2 bent u in deseparate brief geïnformeerd. In de Kamerbrief over kernenergie van mei2025 (Kamerstuk 32 645 nr. 156) is aangegeven dat het wenselijk is omvanuit de totale opgave voor ons toekomstige energiesysteem, en insamenhang met andere ruimtelijke ambities, andere uitgangspunten tegaan gebruiken voor de inpassing van nieuwe kerncentrales. Het kabinetkijkt daarom naast kustlocaties ook naar inlandse locaties.In september 2026 verwacht het kabinet een aanvullende concept NotitieReikwijdte en Detailniveau (cNRD) te publiceren in het kader van hetProgramma Energiehoofdstructuur II (PEH II).2 In PEH worden voornieuwe elektriciteitsproductie (kernenergie maar ook ander grootschaligeelektriciteitsproductie) eerste ruimtelijke keuzes in samenhang gemaakt(ook met andere ruimtelijke opgave). In de aanvullende cNRD wordtopgenomen welke gebieden voor aanvullende kerncentrales (inclusiefSMR’s) worden onderzocht en geeft daarmee een eerste integraalruimtelijk beeld van potentiële geschikte gebieden. SMR’s zijn er inverschillende soorten en maten. Het gaat bij PEH II om de SMR’s die1Hiermee kan in totaal tot 6.4 GWe aan nieuw opgesteld vermogen voor grootschaligeelektriciteitsproductie worden gerealiseerd in 2050, uitgaande van 3,2 GW aan grootschaligeproductie in spoor 2.2Op 7 november 2025 is de onderzoeksaanpak (c-NRD) op hoofdlijnen ter inzage gelegd. Na dezomer zal een aanvullende onderzoeksaanpak ter inzage worden gelegd, waar specifiek wordtingegaan op nieuwe zoeklocaties voor aanvullend nucleair vermogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1774 impact hebben op het nationale energienetwerk. SMR’s áchter de meterkomen aan bod en worden beschreven in spoor 3. Het PEH II is daarmeeeen belangrijke mijlpaal waarmee het kabinet integraal kan beoordelen inwelke gebieden additionele kernenergie op nationaal niveau (spoor 2) hetbeste tot stand kan komen. Zodra deze voorkeursgebieden zijnvastgelegd, kan een projectprocedure worden gestart om daadwerkelijkop basis van eerste technische specificaties een locatie te selecteren vooraanvullende grootschalige elektriciteitsproductie.Op basis van de locatieselectie van kerncentrales 1 en 2 blijkt datnetcapaciteit een belangrijke voorwaarde is voor de inpasbaarheid vangrootschalig elektriciteitsaanbod. Om de uitrol van grootschaligeelektriciteitsproductie betaalbaar en weerbaar te houden, is het cruciaalom zorgvuldig nieuwe locaties te kiezen voor grootschalige elektriciteits-productie, waaronder kernenergie. Spreiding van deze bronnen (volgensuitgangpunt van de ontwerp Nota Ruimte: vraag en aanbod insamenhang) is een randvoorwaarde voor de uitvoerbaarheid om dit ophet elektriciteitsnet (op een efficiënte wijze) in te kunnen passen. Ook ishet van belang om hierbij zorgvuldig te kijken naar o.a. de beschik-baarheid van voldoende koelwater (waar in elk geval voor conventionelecentrales landinwaarts onvoldoende capaciteit voor is, zonder gebruik temaken van koeltorens) conform de ontwerp Nota Ruimte en de relevanteveiligheidseisen en crisismaatregelen. In het PEH II zullen deze uitgangs-punten ook als randvoorwaarden worden meegenomen. Zo kunnennieuwe gebieden voor kernenergie, ook als dat met SMR’s wordtingevuld, zo compleet mogelijk op ruimtelijke effecten worden gewogen.Ad 2. Techniek(selectie)Voor de bouw van de eerste twee kerncentrales hanteer ik de werkwijzeom zoveel mogelijk te kiezen voor een standaardontwerp en bewezentechniek om daarmee projectrisico’s te reduceren. SMR’s verschillenhierin van grootschalige kerncentrales omdat hier nog maar zeer beperktsprake is van een standaardontwerp, hoewel er sprake is van een snelleontwikkeling in de markt. Daarom wil ik bezien of in een volgendtechniekselectieproces SMR’s kunnen worden genomen. Hierbij kangebruik worden gemaakt van kennis die is en nog op wordt gedaan bij devoorbereiding op de bouw van de eerste twee kerncentrales. Daarbij houdik de internationale ontwikkelingen nauwlettend in de gaten om detechnische gereedheid van SMR-leveranciers in kaart te brengen. InCanada wordt begin jaren 30 de eerste operationele SMR verwacht in dewesterse wereld. Binnen Europa bereidt het Verenigd Koninkrijk de bouwvan SMR’s voor en kijkt Zweden eveneens naar elektriciteitsproductie metSMR’s. Gesprekken met deze landen en hun technologieleveranciersleveren waardevolle inzichten op. Uit de marktconsultatie voor SMR’s, dieik in juni ben gestart, verwacht ik ook een nader beeld op te halen vanbeschikbare SMR-technologieën en op basis van de consultatie demogelijke versnellingen en belemmeringen die zijn te voorzien. Datbetekent dat ik later dit jaar hiermee de motie Van den Berg en Flach(Kamerstuk 32 645, nr. 172) kan afdoen. Ik zal dan ook ingaan op versnel-lingen en belemmeringen breder dan alleen de markt, maar ook kijkennaar mogelijkheden zoals (internationale) samenwerking, procedures envergunningen. Voor een indicatieve visualisatie van dit stappenplanverwijs ik u naar bijlage 2. Over het vervolg van dit spoor, waar hetkabinet op zijn vroegst 2028 over kan besluiten, kijk ik naar ontwerpen diedicht genoeg bij de markt staan en kunnen voldoen aan andere eisenzoals vergunbaarheid. Ik bezie daarom of en zo ja hoe ik vergunbaarheids-analyses door SMR-ontwikkelaars kan laten ondersteunen zoals mogelijkzelfevaluaties om daarmee een ontwikkelrisico waar mogelijk weg tekunnen nemen. Dergelijke zelfevaluaties geven de ANVS de gelegenheidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1775 om een doorkijk te geven over de vergunbaarheid van het betreffendeontwerp. Hierbij neemt de ANVS ook inzichten uit andere landen mee omdit zo efficiënt als mogelijk te doen zonder af te doen aan de veilig-heidseisen.Ad 3. Financiering van kernenergie voor grootschalige elektriciteitspro-ductieHet kabinet kiest voor volledig publieke financiering van de eerste tweenieuwe grootschalige kerncentrales, in ieder geval in de eerste fases vanhun levenscyclus. Dit omdat uit eerdere marktconsultaties is gebleken datprivate partijen alleen bereid zijn om met significante publieke bijdragenen/of garanties te investeren. Ik zie vergelijkbare financieringskeuzes inalle westerse landen waar wordt ingezet op nieuwe kerncentrales of datnu om grootschalige kerncentrales of SMR’s gericht op grootschaligeelektriciteitsproductie gaat. Door middel van de keuze voor volledigepublieke financiering kan de nucleaire ambitie zo snel mogelijk wordengefaciliteerd. Hoewel nu initieel gekozen is voor volledig publiekefinanciering van de eerste twee nieuwe grootschalige kerncentrales, blijfik kijken waar en wanneer private financiering een rol kan spelen,bijvoorbeeld als de bouw van de centrales grotendeels is gerealiseerd.Ook wil ik voor de volgende kerncentrales bezien in hoeverre ergezamenlijk met het bedrijfsleven of ontwikkelaars geïnvesteerd kanworden in kernenergie, naar Zweeds voorbeeld waar de industriegezamenlijk met de overheid participeert. Naar budget voor aanvullendekerncentrales zal actief gezocht worden, waarbij ik voortbouw op demarktconsultatie en eventueel vervolgonderzoek. Daarmee zal het kabinetzo snel mogelijk (naar verwachting in of na 2028) integraal besluiten overde bouw van de aanvullende kerncentrales, gericht op grootschaligeelektriciteitsproductie.Hierbij zie ik versnellingsmogelijkheden voor de nieuwe centrales door teleren van de ervaringen die nu worden opgedaan bij de eerste tweekerncentrales.Spoor 3: mogelijkheden van en voor private initiatievenVia het derde spoor stimuleer ik de inzet van SMR’s voor het bedrijfs-leven, achter de meter of voor het regionale energiesysteem. SMR’skunnen ingezet worden voor de industriële uitkoppeling van warmte. DeSMR’s die nu worden ontwikkeld kennen een temperatuurbereik van 300°C. Generatie IV SMR’s, ook wel Advanced Modular Reactors (AMR’s)genoemd, bereiken naar verwachting een temperatuur van 400–800 °C enkunnen daarmee op termijn een nog hoogwaardiger deel van deindustriële warmtevraag afdekken. Een eerste commerciële toepassingvoor AMR’s wordt echter niet voor 2040 verwacht. Naast warmte-uitkoppeling kan een SMR elektriciteit, al dan niet achter de meter, leverenaan grootgebruikers of ingezet worden voor de productie van waterstof.Recent zijn er verdiepende analyses uitgevoerd, zoals de detailstudieinpassing van SMR’s bij industrie en na de zomer verwacht ik een studievan TNO inzake warmtetoepassing te kunnen delen. Op basis hiervanbreng ik in kaart waar de mogelijkheden liggen voor SMR’s en hoe deze inNederland toegepast kunnen worden. Deze onderzoeken gebruik ik ookom projectontwikkelaars en energiegebruikers bij elkaar te brengen enwaar mogelijk ondersteuning te bieden in het proces. Door o.a. kennis-deling, neem ik een faciliterende rol op me waarmee ik zowel energieaf-nemers, aanbieders, medeoverheden en instanties als vergunningver-leners bij elkaar breng. Onder het kopje financiering ga ik in op de vraaghoe ik dergelijk initiatieven wil faciliteren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1776 Ruimte: verkenningen regionaalEen aantal provincies laat grote inzet en ambitie zien om de realisatie vanSMR’s te faciliteren en te versnellen, zoals bijvoorbeeld de provinciesGelderland, Zeeland en Noord-Brabant die al in 2025 de mogelijkhedenvoor SMR’s in het provinciale energiesysteem hebben onderzocht. Deambitie om regionaal te onderzoeken waar SMR’s een bijdrage kunnenleveren, moedig ik aan en wil ik ondersteunen. Ik heb dan ook afsprakengemaakt met het IPO en de provincies om te starten met potentieonder-zoeken, om de toegevoegde waarde van SMR’s in het regionale energie-systeem te onderzoeken. Ik zal de provincies waar nodig ondersteunen bijhet in kaart brengen van mogelijke locaties binnen het regionale energie-systeem. In het PEH II, zullen SMR’s in het nationale energiesysteemruimtelijk onderzocht worden.Daarnaast werk ik samen aan een beleidsontwikkeltraject specifiek omprovincies richting te bieden om SMR’s op regionaal niveau integraal meete nemen in hun beleid, zoals bijvoorbeeld in energie- en omgevings-visies. De potentieonderzoeken, hebben tot doel om op basis van de(toekomstige) energievraag, zoals bijvoorbeeld de RES-opgaven enCES’en voor industrieclusters, te bepalen waar de potentie voor SMR’s hetgrootst is.Bovendien zie ik dat gemeenten, zoals Opmeer en Den Helder, initiatievenontplooien. Deze voorbeelden laten zien dat regionale schaal relevant ennodig is, bijvoorbeeld voor het vinden van voldoende afnemers om toteen business case te kunnen komen. De schaalvoordelen zijn makkelijkerte vinden op regionaal niveau. Daarom kies ik ervoor om provincialeoverheden te ondersteunen in de uitvoering van regionale potentieonder-zoeken. Tegelijkertijd wil ik met de marktconsultatie inzicht krijgen in dekosten en onrendabele top van de toepassing van SMR’s als industriëleverduurzamingsroute. Hiermee geef ik invulling aan zowel de motieVermeer (Kamerstuk 32 645, nr. 169) als de motie Van den Berg en Flach(Kamerstuk 32 645, nr. 170).Met provincies is afgesproken dat het PEH II de voorkeursgebieden voorSMR’s in het nationale energiesysteem aanwijst. Dit betreft grootschaligeSMR’s vanaf 100 MW uitgekoppeld vermogen op het nationale elektrici-teitsnet. Het is mogelijk dat er vanuit provincies potentiële gebieden naarvoren komen (relevant voor het regionale energiesysteem) ook potentieelgebied zijn voor SMR’s voor de nationale hoofdstructuur, waar PEH IIexpliciet naar kijkt (spoor 2). Vice versa is het belangrijk dat in het PEH IIrekening wordt gehouden met de regionale en lokale ruimtelijke ontwik-keling. Hierover organiseer ik na de zomer gesprekken met gemeenten enprovincies om koppelkansen tijdig te kennen. Provincies hebben demogelijkheid om de huidige inzichten vanuit de potentieonderzoeken voorhet einde van het jaar mee te geven aan PEH II.FinancieringDe markt voor SMR’s is nog volop in ontwikkeling en de behoefte van deverschillende partijen om projecten een stap verder te brengen verschilt.Als ik kijk naar de daadwerkelijke investering per SMR is deze in absolutezin minder groot dan bij grootschalige centrales (per opgewekte GW is datechter niet per definitie het geval). Ook is de bouwtijd mogelijk korterwaardoor financiering door de markt eerder haalbaar zou kunnen zijn.Tegelijkertijd voorzie ik dat de fundamentele (gepercipieerde) politieke enfinanciële risico’s niet wezenlijk anders zijn bij de financiering van SMR’sen dat hier eveneens sprake kan zijn van een markt- en coördinatie-falen,net zoals bij de bouw van grootschalige kerncentrales. Hoewel ik zekerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1777 kansen zie voor marktpartijen verwacht ik dat initiatieven voor SMR’sgegeven deze (gepercipieerde) risico’s behoefte hebben aan een vorm vanpublieke ondersteuning; dit ga ik met een markconsultatie objectieftoetsen. Vervolgens zal ik bezien of en in welke mate publieke onder-steuning van dergelijke private initiatieven gepast is. In juni ben ik gestartmet een markconsultatie gericht op het financieringsvraagstuk van SMR’s.De marktconsultatie heeft onder ander tot doel om inzicht te krijgen in deonrendabele top van initiatieven en hoe publieke financiële instrumentenhier toegepast kunnen worden, maar ook welke bereidheid de markt zelfheeft om financieel bij te dragen. Hiermee beoog ik meer duidelijkheid teverkrijgen over de initiatieven die nu worden ontwikkeld, in welke mate –en wanneer – deze kansrijk en levensvatbaar zijn zonder hierbij (alle)risico’s bij marktpartijen op voorhand weg te nemen.OntwikkelfaseZoals aangegeven in de Kamerbrief van juni 2025 (Kamerstuk 32 645 nr.159), is er afgelopen jaar tijdens de gesprekken tussen het ministerie ende SMR-ontwikkelaars verkend op welke manier de initiatieven kunnenworden gefaciliteerd. Op basis van gesprekken met initiatieven die hetdichtst bij de markt zijn, bleek concreet dat ontwikkelaars aangevenondersteuning te behoeven in de fase ter voorbereiding op vergunning-verlening, o.a. in het uitvoeren van pre-assessment onderzoeken. Daaromleg ik in eerste instantie de focus op het ontwikkelen van ondersteuning inde ontwikkelfase voorafgaand aan de vergunningverlening, omdat hiernog niet te verwachten is dat private partijen financiering bieden voordeze voorbereidende fase. Met de marktconsultatie wil ik daarom helderkrijgen hoe ontwikkelrisico’s voldoende weggenomen kunnen worden bijvergunbaarheidsanalyses en technische haalbaarheidsstudies. Eventuelefinanciering hiervoor zal ik vormgeven binnen bestaande wet- enregelgeving, waaronder de staatssteunregels. Voor ondersteuning vandergelijke onderzoeken is € 20 miljoen beschikbaar uit hetSMR-programma. Om zowel transparant naar de verschillende partijen alsuw Kamer te zijn wanneer het opportuun is om initiatieven financieel teondersteunen wil ik, aan de hand van de marktconsultatie, een toetsings-kader ontwikkelen om een helder beeld te schetsen aan welkevoorwaarden initiatieven moeten voldoen om in aanmerking te komenvoor mogelijke ondersteuning. Dit toetsingskader zal ik gezamenlijk metde marktconsultatie aan uw Kamer zenden.Bouw en exploitatieDe marktconsultatie gaat ook een doorkijk schetsen van een behoefte aanvervolgondersteuning om de realisatie van SMR’s te kunnen versnellen.Door middel van de consultatie geef ik alle partijen die zich melden dekans om kenbaar te maken welke reële initiatieven ze op welke termijndenken te ontplooien en of, en zo ja welke mate van ondersteuningdaarbij noodzakelijk is. Ik neem hierin ook de adviezen uit eerderemarktconsultaties voor conventionele kerncentrales en de ontwikkelingenin landen als het Verenigd Koninkrijk en Zweden mee. Hierin komenfinancieringsinstrumenten als een lening onder gunstige voorwaarden,garanties vanuit de overheid en Contract for Difference veelal terug voorhet daadwerkelijk financieren van de bouw of ondersteunen van deoperaties.Omdat het hier gaat om de ontwikkeling van SMR’s op of nabij privateindustriële installaties gelinkt aan hun specifieke productieproces wil ikhet initiatief dan ook nadrukkelijker, dan bij grootschalige elektriciteitspro-ductie, bij deze partijen laten. Eventuele publieke ondersteuning erop wilik inrichten om randvoorwaarden te creëren voor marktontwikkeling,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1778 waarbij het zeker niet de bedoeling is om alle project- en investeringsri-sico’s volledig over te nemen van private partijen. Vanwege dezespecifieke industriële en private inpassing en ook verschillende initia-tieven past een rol als initiatiefnemer niet bij het Rijk of een beleidsdeel-neming als NEO NL. Ik zal in mijn keuzes rekening houden met bestaandewet- en regelgeving, waaronder staatssteunregels. De uitkomsten van demarktconsultatie worden benut om te beoordelen of publieke interventiein deze markt gerechtvaardigd en doelmatig is. Op dit moment zijn hiernog geen middelen voor beschikbaar. Uiteraard zal, indien inzet vaneventuele aanvullende instrumenten noodzakelijk is, nadere (budgettaire)besluitvorming moeten plaatsvinden in het kabinet. Ik zal de vervolg-stappen die ik voorzie verder uitwerken en uw Kamer daarover infor-meren. De eerste stap hierin is de marktconsultatie die ik eind 2026 naaruw Kamer verwacht te sturen.De bijdrage vanuit dergelijke private initiatieven aan de ambitie van 7 GWkernenergie is daarmee op dit moment nog onzeker. De ingezettemarktconsultatie gaat helpen om hier een beter beeld van te krijgen.Spoor 4: van innovatie naar commerciële inzet.Met het vierde spoor stimuleer ik innovatieve nucleaire ontwerpen inNederland. Dit zijn SMR’s die technische validatie nodig hebben. Pas nademonstratie van (veilige toepassing van) de techniek kan een ontwerp opde markt gebracht worden; de First-of-a-Kind commerciële fase. Ik wil dekansrijke innovatieve ontwerpen die er zijn in Nederland steunen bij deontwikkeling naar een eerste commerciële toepassing. De innovatieveontwerpen die zich nu nog in een ontwikkelingsstadium bevinden, kunnenop termijn bijdragen aan het bereiken van de 7 GW kernenergie.Naast een potentiële bijdrage aan het lokale energiesysteem (bijafnemers), bieden de innovatieve ontwerpen andere voordelen. Er zijnontwerpen die bijvoorbeeld gebruik maken van bestaand nucleair afval engebruik maken van passieve systemen om meer veiligheid te bieden in deoperatie. Daarnaast is de toeleveringsketen minder gevestigd dan voor degrootschalige kerncentrales waardoor er meer kansen zijn voor hetNederlandse bedrijfsleven om een rol te spelen in de (internationale)waardeketen. Ook levert de ontwikkeling van dergelijke innovatievetechnologieën waardevolle kennis en kunde op die we kunnen inzettenvoor de verdere ontwikkeling van de Nederlandse (nucleaire) economie.Wereldwijd zijn er inmiddels tientallen generatie AMR-initiatieven inontwikkeling. In Nederland zie ik bijvoorbeeld Thorizon (100 MWgesmoltenzoutreactor) en Allseas (25 MW hoge temperatuur gasgekoeldereactor). Het opschalen van dergelijke innovaties met elk eigen karakteris-tieken, uitdagingen en een verschillend ontwikkelstadium waarin ze zichbevinden vraagt om een zo gericht mogelijke aanpak zoals ook genoemdin o.a. het Rapport Wennink3. Naast de ontwikkeling en kwalificatie van detechnologie, komen hier aspecten zoals het opbouwen van de brandstof-keten (toelevering en afvalverwerking) aan de orde. Hierbij verken ikmogelijkheden om partijen te ondersteunen op thema’s als locatiekeuze,vergunningsroute, financiering en het tijdpad, toegespitst op deinitiatieven.Ik zie dat dergelijke initiatieven op dit moment concrete stappen onder-nemen om toe te werken naar demonstratie en uiteindelijk realisatie vaneen commerciële reactor.3Rapport Wennink: De route naar toekomstige welvaart, bijlage projectvoorstellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1779 Thorizon, als Frans-Nederlands bedrijf, heeft recent in april 2026 eenMemorandum of Understanding gepubliceerd4.Allseas is een Nederlands-Zwitsers offshorebedrijf dat een type reactorontwikkelt voor maritieme toepassingen met bijbehorende brandstofketen(TRISO). De first-of-a-kind reactor wil Allseas op korte termijn inNederland op land gaan bouwen, als eerste stap voor toepassing in demaritieme sector. In lijn met het Rapport Wennink5 bezie ik hoe ik dezeontwikkeling kan helpen versnellen.Ik zet mij in om de realisatie van deze innovatieve reactoren te onder-steunen. Bij die ondersteuning kan het bijvoorbeeld gaan om vergunning-verlening, ondersteuning bij de ontwikkeling, de brandstofketen eninternationale regelgeving.Er zijn investeringen nodig om het doel van first-industrial-deployment tekunnen halen voor deze initiatieven. Het kabinet werkt daarom aanverschillende subsidie-instrumenten gericht op aan kernenergie gerela-teerde projecten. Voorbeelden daarvan zijn de MOOI-kernenergie en deverkenning van Nederlandse deelname aan een Important Project ofCommon European Interest (IPCEI) op het gebied van SMR’s en radio-actief afval, dat laatste op initiatief van mijn collega van IenW. Daarnaastbekijk ik hoe ik op andere wijze de ontwikkeling van innovatieve projectenkan versnellen. Bijvoorbeeld door op te komen voor de belangen van dezeprojecten op internationaal niveau. Via bovengenoemde inzet geef ikinvulling van de Motie van den Berg en Flach (Kamerstuk 32 645, nr.173).Versterking nucleair ecosysteemNederland beschikt over een relatief klein, maar breed en goed georgani-seerd nucleair ecosysteem, waarin vrijwel alle onderdelen van denucleaire waardeketen vertegenwoordigd zijn met organisaties zoalsUrenco, NRG PALLAS en het Reactor Instituut Delft die een (inter)nati-onaal leidende rol vervullen. De sector biedt een solide basis, maar waslange tijd primair gericht op onderhoud en continuïteit in plaats van opgroei. Voor het verwezenlijken van de ambities op het gebied vankernenergie en om mee te kunnen bewegen met de nucleaire ontwikke-lingen is het dan ook noodzakelijk om het nucleair ecosysteem teversterken. Hierbij gaat speciale aandacht uit naar het opleiden enbehouden van voldoende gekwalificeerd personeel op mbo-, hbo- enwo-niveau voor de bouw en exploitatie van kerncentrales, het versterkenvan de nucleaire kennisbasis via onderzoek en innovatie, en het (her)orga-niseren van de nucleaire waardeketen en brandstofketen. Dit doe ik insamenwerking met sectorpartijen, kennis- en onderzoeksinstellingen,brancheverenigingen, bedrijven en andere belanghebbenden. Op dezemanier wordt een stevig fundament gelegd voor het nieuwbouwprojecten de toekomstige ontwikkeling van SMR’s in Nederland, zoalsbeschreven in de Kamerbrief van juni 2025 (Kamerstuk: 32 645 nr. 162). Ditbiedt Nederlandse partijen een goede uitgangspositie om zich aan tesluiten bij en te profiteren van de internationale nucleaire ontwikkelingen.Ik werk daarom voortdurend aan kennisopbouw, netwerkontwikkeling enhet uitvoeren van concrete activiteiten op onderstaande, samenhangendeterreinen:–De nucleaire kennisbasis en -infrastructuur–De nucleaire brandstof- en waardeketen4https://www.thorizon.com/news/119/thorizon-epz-nrg-pallas-provinces-and-investors-sign-mou-to-build-europes-first-commercial-molten-salt-reactor-in-the-netherlands5Rapport Wennink: De route naar toekomstige welvaart, bijlage projectvoorstellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 17710 –Internationale samenwerkingMet het oog op de verdere versterking van het nucleaire ecosysteem wil ikdeze activiteiten de komende jaren voortzetten.Nucleaire kennisbasis en -infrastructuurIk zet in op het versterken van de gehele breedte van de nucleairekennisbasis en infrastructuur. Op (fundamenteel) wetenschappelijk niveaudoe ik dat samen met de Staatssecretaris van IenW o.a. door calls forproposals uit te zetten via het Nationaal onderzoeksprogrammakernenergie bij NWO gericht op reactor- en splijtstofcyclustechnologie(€ 6,1 miljoen, call eind 2025 opengesteld); stralingsveiligheid eneindberging van radioactief afval (€ 16,5 miljoen van IenW, inclusiefbeheerslasten van NWO; call opent na zomer); en een derde call van € 8miljoen op een nog nader te bepalen onderwerp.Daarnaast zet ik mij via verschillende instrumenten in om innovatie bijbedrijven te faciliteren o.a. via de «MOOI Kernenergie» regeling (€ 12,6miljoen; € 10 miljoen vanuit EZK en € 2,6 miljoen vanuit IenW) die zichricht op de thema’s reactor- en splijtstofcyclustechnologie, en radioactiefafval en geologische eindberging. Rond de zomer zal bekend wordenwelke voorstellen worden gehonoreerd. Daarnaast is er nog € 8,5 miljoenbeschikbaar vanuit het Meerjarig Missiegedreven Innovatieprogramma(MMIP) Kernenergie voor het verder stimuleren van innovaties, waarvande reikwijdte nog moet worden vastgesteld. Ik verwacht uw Kamerhierover in een volgende brief te informeren.Ook zal in de tweede helft van het jaar een start worden gemaakt om detechno-economische haalbaarheid van waterstofproductie metkernenergie voor de Nederlandse markt te onderzoeken. Eerder ishiervoor € 1 miljoen beschikbaar gesteld.Bovengenoemde instrumenten geven een impuls aan publiek-privatesamenwerking om innovatie binnen het nucleaire domein te stimuleren.De samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven kent verschil-lende uitdagingen. In het verlengde daarvan is het kabinet op verzoek vande leden Flach en Erkens (Kamerstuk: 32 645 nr.151) in gesprek gegaanmet de TU Delft en het betrokken bedrijfsleven om eventuele belemme-ringen voor samenwerking te identificeren. Hieruit kwam naar voren datde samenwerking over het algemeen naar tevredenheid verloopt. Middelsonderzoeks- en innovatieregelingen wordt invulling gegeven aan debehoefte aan aanvullende (financierings)mogelijkheden om onderlingesamenwerkingen te versterken.Om te zorgen voor voldoende toekomstige arbeidskrachten en kennis omkernenergie tot bloei te brengen stimuleer ik onder andere het instellenvan practoraten rondom nucleaire thema’s in het mbo, lectoraten enkennishubs in het hbo en nieuwe hoogleraarsposities aan universiteiten.HZ University of Applied Sciences heeft samen met de Nuclear Academy(opgericht door NRG PALLAS en TU Delft, gefinancierd door EZK) eennucleaire minor ontwikkeld die inmiddels al voor de tweede keer van startis gegaan. Mbo-instellingen Scalda en Nova College hebben ook beiden insamenwerking met de Nuclear Academy nucleaire keuzedelen ontwikkelddie respectievelijk voor de vierde en eerste keer van start zijn gegaan. Deminor en de keuzedelen zijn een succes en zullen naar verwachtingopnieuw worden aangeboden. Verder hebben de zes verkenningen bijhogescholen rondom het instellen van regionaal ingebedde hubs onlangsvruchten afgeworpen. Maar liefst alle deelnemende hogescholen zagenpotentie in de regio voor het instellen van een hub. Er is besloten dat HZTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 17711 en Avans gezamenlijk voor de regio Zeeland en West-Brabant een hubgericht op nucleaire veiligheid en inpassing van grootschalige energieop-wekking in het energiesysteem gaan instellen en Saxion voorOost-Nederland/Twente een hub gericht op digitalisering van decentrale/SMR-inpassing in het energiesysteem, gekoppeld aan hoge temperatuurindustriële toepassing en waterstofproductie. Nog een derde hub is inontwikkeling en zal later ingesteld worden. De komende tijd zullen dehubs worden ingericht met als eerste stap het aanstellen van kwartierma-kende lectoren en het openstellen van praktijkgerichtonderzoeksrege-lingen. Met deze stap wordt een breed, gedragen nucleair kennisnetwerkgecreëerd, waar onderzoek, onderwijs en beroepspraktijk samenkomen.Aanvullend aan deze stappen zal er tot slot ook gekeken worden naar hetontwikkelen van een landelijke learning community. Deze learningcommunity faciliteert kennisdeling, kennisvermeerdering, bouwt voort ophet reeds ontstane landelijke netwerk en verbindt de hogescholen die zichbezig (gaan) houden met nucleaire kennis en educatie. In het onderstaandkader ga ik in op de motie Krul (Kamerstuk 33 626, nr. 39) over hoe deopgedane ervaring bij de bouw van de PALLAS-reactor zal wordenbehouden en ingezet.Motie Krul (Kamerstuk 33 626 Nr. 39 ) berichtgevingPALLAS-reactorprojectIn de motie van het lid Krul wordt het kabinet verzocht voor dezomer van 2026 een reactie aan de Kamer te sturen op hetSEO-rapport «Bouwen op Ervaring» over de lessen van de bouw vande PALLAS-reactor voor toekomstige kerncentrales in Nederland. Hetrapport is op 10 februari 2026 aangeboden aan de toenmaligeMinisters van KGG en van VWS. Via voorliggende «routekaartbrief»van de Staatssecretaris van KGG en de brief van de Minister vanVWS wordt aan deze oproep van de Kamer tegemoetgekomen.Uit het rapport blijkt dat het PALLAS-programma, als eerstegrootschalige nucleaire project in Nederland sinds de jaren ’70,belangrijke leereffecten oplevert op het gebied van vergunningsver-lening, veiligheidsdocumentatie, supply-chain-kwalificatie ensamenwerking met toezichthouders.Het kabinet zet zich samen met betrokken partners reeds opverschillende manieren in om de geleerde kennis en kunde van hetPALLAS-programma vast te houden voor de bouw van toekomstigeNederlandse kerncentrales. Een belangrijke pijler is kennisdeling enduurzame netwerkvorming. Hiervoor werd op 24 november 2025 hetevenement Made for Nuclear georganiseerd, dat in het teken stondvan het opbouwen van een sterke nucleaire toeleveringsketen inNederland. In het programma was veel aandacht voor de ontwik-keling van de PALLAS-reactor en (toekomstige) kansen voorbedrijven in (of met potentie voor) de nucleaire toeleveringsketeninclusief benodigde kwalificatie-vereisten om hieraan bij te dragen.Het evenement bleek een groot succes en op dit moment wordt o.a.samen met de vereniging Nucleair Nederland en Energy InnovationNL (voorheen: topsector energie) verkend hoe opvolging hieraan tegeven om het opgebouwde momentum vast te houden.Ook op de terreinen van vergunningsverlening en veiligheidsdocu-mentatie worden stappen gezet om zorg te dragen voor kennis-borging. Zo heeft de ANVS in een vroeg stadium extra personeelaangetrokken om het toezicht op PALLAS in de verschillende faseszorgvuldig in te kunnen vullen. Een andere ontwikkeling (en ookgeleerd vanuit zowel PALLAS als internationale nucleaire trajecten) isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 17712 het actualiseren en vastleggen van de vernieuwde HandreikingVOBK die vooraf duidelijk de kaders schetst en waarbij zoveelmogelijk bij internationale richtlijnen is aangesloten. Beoogd is de inhet VOBK opgenomen onderdelen in een verordening van de ANVSop te nemen. Met de opgedane kennis en ervaring bereidt de ANVSzich tevens voor op toekomstige nucleaire initiatieven, zoals nieuwekerncentrales en SMR’s. Ik heb een actieve bijdrage geleverd aan ditproces en blijf hierin ook nauw betrokken.Verder worden kennis en ervaring opgedaan rondom de PALLAS-reactor, zowel als het gaat om de voorbereiding, bouwfase alsontmanteling. Deze kennis is geborgd in de TSO van NEO NL, waarNRG PALLAS onderdeel van uitmaakt. Tot slot zetten de Ministeriesvan VWS en van EZK hun samenwerking rondom de versterking vanhet nucleaire ecosysteem voort.De nucleaire brandstof- en waardeketenEen toekomstbestendige brandstof- en waardeketen is noodzakelijk voorde haalbaarheid van het nieuwbouwproject en de toekomstige ontwik-keling van kernenergie in Nederland. Daarom zet ik verschillende stappenom ook hier een sterk fundament te leggen.De nucleaire ambities van het kabinet bieden kansen om het aandeel vanin Nederland gevestigde bedrijven binnen de nucleaire keten te vergroten.Het toeleveringspotentieel varieert bij verschillende nucleaire sporen. Zozijn er bij conventionele centrales en SMR’s voornamelijk kansen in hetniet-nucleaire deel, maar is er tegelijkertijd ook al sprake van gevormdeketens. Bij AMR’s zijn de ketens minder gevormd, maar kent het aan deandere kant veel onzekerheden en is er vooralsnog vaak geen haalbarebusinesscase door het innovatieve karakter.6 Hier moedig ik ook eenactieve rol van mede-overheden aan.Om de nucleaire sector structureel als aantrekkelijke sector voor deNederlandse industrie te positioneren en de Nederlandse industrieoptimaal voor te sorteren op de ontwikkelingen in de (inter)nationalenucleaire sector, heeft het kabinet een sterke basis gelegd door denucleaire waardeketen te (her)organiseren. De nucleaire keten wordtmomenteel versterkt door 1) het versterken en bestendig maken van hetnetwerk en 2) te verkennen welke ondersteuning bedrijven nodig hebbenom toe te treden tot de keten. De activiteiten zijn gericht op de conventi-onele centrales, levensduurverlenging, SMR’s en AMR’s.Hoewel nu nog ver weg is het ook goed om nu al aandacht te hebbenvoor de ontmanteling van de nieuw te bouwen centrales. Hierbij kijk ikook naar de ervaringen die COVRA gaat opdoen met de ontmanteling vande kerncentrale Dodewaard en de ervaring met de opbouw van benodigdemiddelen gedurende operatie ten behoeve van de ontmanteling.Daarnaast kijk ik ook naar ervaringen die in het buitenland hiermeeworden opgedaan en zal deze ook meenemen.Netwerk versterken:Het kabinet faciliteert in samenwerking met de sector verschillendebijeenkomsten en de ontwikkeling van informatieproducten om hetnetwerk te versterken en tegelijkertijd het gezamenlijke inzicht metbetrekking tot kansen en mogelijkheden voor de Nederlandse industrie te6Zie het digitale informatieproduct «Kansen in Kaart:mogelijkheden voor de Nederlandsetoeleveringsketen» via: https://indd.adobe.com/view/19b8b2d1-dd33-4c68-b39a-573b5273c78aTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 17713 vergroten. Ook is onder leiding van Nucleair Nederland de «Made forNuclear» werkgroep gestart in afstemming met o.a. VNO-NCW, FME en deRegionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om praktische stappente zetten in het verder ontwikkelen van de nucleaire keten.Brandstofstrategie:De kabinetsambities hebben ook gevolgen voor de productie- en opslagvan nucleaire brandstoffen. Het kabinet behandelt de brandstofcyclusintegraal met betrekking tot de conventionele nucleaire energievoor-ziening en het nieuwbouwproces, aangezien deze twee onlosmakelijk metelkaar verbonden zijn. De groeiende belangstelling in kernenergie zal dekomende jaren resulteren in een mondiaal grotere vraag naar uranium(front-end van de brandstofcyclus). Ook zullen er meer en mogelijk ookandere soorten radioactief afval ontstaan (back-end van de brandstof-cyclus). Het kabinet werkt aan een plan van aanpak waarin uiteen wordtgezet welke stappen er genomen moeten worden om uiteindelijk tekomen tot een bestendige brandstofstrategie (Kamerstuk 25 422 nr. 302).De brandstofstrategie richt zich in de eerste plaats op het versterken vande brandstofketen voor de eerste twee nieuw te bouwen kerncentrales.SMR’s/AMR’s introduceren een breed scala aan nieuwe brandstof(vormen)die verschillende nieuwe productieprocessen en technologieën vereisen.In sommige gevallen zijn delen van de toeleveringsketen al welbeschikbaar, maar de volledige productie op commerciële schaal nog niet.De ontwikkelingen van nieuwe brandstoffen en de afvalstromen diehiermee gepaard gaan moeten nauwgezet gevolgd worden om vroegtijdigte kunnen anticiperen en onderzoeken welke (on)mogelijkheden en kostener zijn om deze nieuwe brandstoffen en afvalstromen te kunnen faciliterenin Nederland. Het kabinet verkent welke faciliteiten nodig zijn voor deopslag en eindberging van het radioactieve afval. Voor de eindberging ishet streven om rond 2050 een besluit te nemen over de locatie enbeheermethode. Het kabinet werkt deze plannen uit, in lijn met het tweedeNationale Programma voor het beheer van radioactief Afval en verbruiktesplijtstoffen (NPRA).7Internationale samenwerkingDe komende tijd zal ik mij inzetten op het behouden en verder versterkenvan de internationale positionering van Nederland op het gebied vannucleaire energie. Er wordt ingezet op internationale samenwerking ininternationale gremia (IAEA, OECD NEA), met internationale partners(waaronder de Verenigde Staten en Canada) en Europese partners. Zowordt de relatie met België verder verdiept op basis van de afsprakengemaakt tijdens BENENUC 2026 (12 mei jl.), dit betreft onder anderesamenwerking op het vlak van SMR-ontwikkeling en versterking van dewaardeketen. Ook zal de relatie met het Verenigd Koninkrijk verderuitgebouwd worden naar aanleiding van de afspraken die in 2025gemaakt werden via een memorandum of understanding (MoU). Voorbeide landen zal in samenwerking met RVO een innovatiemissie georgani-seerd worden in 2026.Tot slotMet bovenstaande inzet beoog ik voor kernenergie een nadrukkelijkere rolin het Nederlandse energiesysteem, een rol die past bij de eigenschappen7Staatscourant 2025, 4173, Kennisgeving concept Nationaal Programma radioactief Afval(NPRA) en milieueffectrapport.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 17714 van kernenergie. Hiermee doe ik recht aan de hoogwaardige nucleairekennis in Nederland, versterk ik deze basis en positioneer ik het bedrijfs-leven in Nederland en innovatieve initiatieven zo optimaal mogelijk.Hiermee werken we aan kernenergie als stabiele basis in de energiemixvan de toekomst.De staatsecretaris van Economische Zaken en Klimaat,J. de BatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 17715
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.