KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de periodieke rapportage ‘Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn’ (Kamerstuk 29282-616)

19 feb 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ac36f2f3d68d5e3b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 282Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsectorNr. 623 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de brief van 5 december 2025 over deperiodieke rapportage «Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn»(Kamerstuk 29 282, nr. 616).De vragen en opmerkingen zijn op 27 januari 2026 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 19 februari2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Heller kst-29282-623ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 6231 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de GroepMarkuszower-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie7II.Reactie van de Minister8 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de periodieke rapportage Arbeidsmarkt en opleidingen zorg enwelzijn en de brief van de Minister hierover. Deze leden hechten grootbelang aan een arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid dat aantoonbaardoeltreffend en doelmatig bijdraagt aan het terugdringen van depersoneelstekorten in de zorg.De leden van de D66-fractie constateren dat in de rapportage wordtgewezen op het ontbreken van concrete, meetbare doelstellingen bij eendeel van de huidige regelingen. In dat licht vragen zij de Minister bij welkearbeidsmarkt- en opleidingsregelingen inmiddels wel dergelijke doelstel-lingen zijn geformuleerd, en bij welke dit nog niet het geval is.Daarnaast lezen deze leden dat veel regelingen niet systematisch zijngeëvalueerd en dat harde effectmetingen vaak ontbreken. Zij vragen deMinister op welke termijn hij verwacht dat voor alle grote regelingen(experimentele) effectevaluaties beschikbaar zullen zijn, zoals door SEOwordt aanbevolen.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze rapportage. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.De leden van de VVD-fractie hebben al vaker in debatten aangegeven zichgrote zorgen te maken over het lage aantal basisartsen dat kiest voor eenspecialisme buiten het ziekenhuis. Sommige extramurale opleidingenhebben zelfs plekken over. Het capaciteitsorgaan ziet deze ontwikkelingook. Dat vraagt om voldoende inzet en behoud van artsen midden in desamenleving zoals huisartsen, jeugdartsen en specialisten ouderenge-neeskunde. Het aantal basisartsen dat kiest voor een extramuralevervolgopleiding blijft ver achter bij wat noodzakelijk is voor de transitievan zorg naar gezondheid. De aantrekkelijkheid van extramurale oplei-dingen moet meer vergroot worden en binnen de geneeskundeoplei-dingen moeten de extramurale specialismen meer aandacht krijgen. Is deMinister bereid hier nadrukkelijk extra aandacht aan te geven?De leden van de VVD-fractie hebben enkele kritische signalen ontvangenover de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de opleidingfinancieel meer bij werkgevers neer te leggen. Genoemde leden begrijpende behoefte voor meer strategische planning vanuit zorgaanbieders, maarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 6232 voorzien dat hierdoor een oneerlijk speelveld kan ontstaan. Werkgeversdie niet opleiden profiteren sterk van werkgevers die wél opleiden.Werkgevers die wel hun verantwoordelijkheid nemen, zullen immershogere tarieven moeten hanteren vanwege de extra opleidingskosten.Kan de Minister daarop reflecteren?Ook de toezichthouder schrijft in de oplegger: «Bij een werkgeversverant-woordelijkheid past in het stelsel van zorg- en welzijn het verwerken vande opleidingskosten in de tarieven voor zorgprestaties. Een nadeel vandeze optie is de beperkte mogelijkheid om middelen te oormerken. Hierschuilt een risico dat werkgevers onvoldoende middelen voor opleidenzullen vrijmaken.» De leden van de VVD-fractie willen weten hoe dit risicowordt voorkomen en hoe de Minister ervoor zorgt dat perverse econo-mische prikkels worden ingebouwd bij de keuze voor een ander financie-ringsmodel.De leden van de VVD-fractie hebben behoefte aan een nadere reflectie opde keuze voor een ander bekostigingsmodel. Wat is de noodzaak voor eennieuw financieringsmodel?Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de voorliggende periodieke rapportage «Arbeidsmarkt enopleidingen zorg en welzijn». Zij lezen dat de Minister een beleidsmatigereactie op de aanbevelingen aan een nieuw kabinet laat, maar hebben hiertoch vast enkele vragen over.Allereerst lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat onderzoeks-bureau SEO concludeert dat het opleidingsbeleid vaak potentieeldoeltreffend is, maar dat er nog een gebrek is aan harde metingen. Dedoelmatigheid is potentieel beperkt door het risico van overcompensatieen verdringing van private investeringen, aldus de brief van de Minister.Kan hier nader op worden ingegaan? Wat wordt hier precies bedoeld metverdringing van private investeringen? In het rapport lezen genoemdeleden dat als het (verder) opleiding binnen de zorgsector zwaar gesubsi-dieerd wordt door de overheid, werkgevers minder noodzaak voelen omzelf te investeren in menselijk kapitaal. Hoe kijkt de Minister hiernaar inhet licht van de tekorten en uitdagingen waar we voor staan in detoekomst? Hoe kunnen private investeringen hier een doeltreffende rol inspelen, zonder dat het indruist tegen de opleidingsbehoeften in het veld?Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zorgen overde, in sommige regio’s, bovengemiddelde aanwezigheid van zelfstandigebehandelcentra (zbc’s). Hoewel zbc’s het zorgsysteem kunnen ontlasten envaak goede zorg leveren op het gebied van relatief niet-complexeaandoeningen, kunnen zbc’s ontwrichtend werken voor de arbeidsmarkt.Een van de redenen hiervoor is dat zij nauwelijks bijdragen aan deopleidingsopgave, terwijl zij tegelijkertijd wel zorgprofessionalswegtrekken bij ziekenhuizen met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden. Zoleveren zbc’s geen 24-uurs zorg, waardoor er geen of nauwelijks nacht-diensten hoeven worden gedraaid, en liggen de salarissen doorgaanshoger. Dit trekt het schaarse personeel weg bij de ziekenhuizen die hen inveel gevallen zelf hebben opgeleid, met alle gevolgen voor de continuïteitvan zorg van dien. Hoe kijkt de Minister naar deze ontwikkelingen? Enwelke stappen zijn er tot op heden ondernomen naar aanleiding van deaangenomen motie van het lid Bushoff1 over doelstellingen voor zbc’svoor het intern opleiden van medisch personeel? Wat is de huidige standvan zaken en welke concrete stappen zijn inmiddels gezet, of op welketermijn verwacht de Minister dit in gang te gaan zetten? En is de Ministerbewust van het feit dat deze problemen in bepaalde regio’s waar1Kamerstuk 31 765, nr. 930Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 6233 bovengemiddeld veel zbc’s gevestigd zijn, zoals Noord-Holland enFlevoland, een extra groot beslag op de reguliere en academischeziekenhuiszorg leggen? Is de Minister bereid in dergelijke regio’s om tafelte gaan met ziekenhuizen en zbc’s over de invulling van zbc’s in deopleidingsopgave en gezamenlijk doelstellingen te formuleren die ook inandere regio’s kunnen worden toegepast?Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de periodiekerapportage Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn en de bijbeho-rende beoordeling. Zij hebben hierover de volgende vragen.In de rapportage wordt geconcludeerd dat voor veel opleidingsregelingenharde effectmetingen ontbreken. Kan de Minister aangeven voor welkeregelingen sinds 2016 geen effectevaluatie beschikbaar is, terwijl hiervoorwel aanzienlijke publieke middelen zijn ingezet?In de rapportage kan wat betreft het arbeidsmarktbeleid geen oordeelworden gegeven over doeltreffendheid en doelmatigheid. Hoe beoordeeltde Minister dit, gezien de aanhoudende personeelstekorten en hogewerkdruk in de zorg? In de rapportage wordt verder gewezen op risico’svan overcompensatie en verdringing door subsidies. Kan de Ministeraangeven in welke mate hiervan sprake is geweest en of publiek geld isingezet zonder aantoonbaar extra effect?Door het ontbreken van samenhang tussen regelingen is het instrumen-tarium als geheel niet goed te beoordelen. Wie is binnen het Ministerievan VWS verantwoordelijk voor de regie op dit beleid en waarom heeftdeze regie onvoldoende gewerkt? Hoe verhoudt de faciliterende rol vanhet Ministerie van VWS zich tot de verantwoordelijkheid van de overheidom te zorgen voor voldoende zorgpersoneel en betaalbare zorg voor deNederlandse patiënt? Kan de Minister toezeggen dat toekomstigeregelingen alleen worden ingevoerd met vooraf vastgestelde, meetbaredoelstellingen en een onafhankelijke evaluatieopzet? En acht de Ministerhet verantwoord om een inhoudelijke beleidsreactie door te schuiven naareen volgend kabinet, gezien de urgentie van de personeelstekorten in dezorg?Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het SEO-rapportover het arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid in de zorg. Deze ledenbegrijpen de terughoudendheid van de Minister ten aanzien van deaanbevelingen vanwege de demissionaire status van het kabinet, maardeze leden zouden alsnog graag een inhoudelijke kabinetsreactie willenontvangen op de door SEO genoemde aanbevelingen en beleidsopties.Deze leden constateren dat het rapport concrete aanbevelingen bevat, diedeze leden graag goed willen kunnen wegen.De leden van de CDA-fractie maken van de gelegenheid gebruik om tevragen naar de stand van zaken van de nieuwe subsidie Strategischopleiden Zorg en Welzijn (SO-ZenW).Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower-fractieDe leden van de Groep Markuszower-fractie zijn zich ervan bewust dat hetarbeidsmarktprobleem niet alleen voorbehouden is aan het zorgveld,echter vinden zij wel dat juist dit werkveld tot de kritieke onderdelen vanhet Nederlandse werkveld behoort. Dit vraagt daarom om goede sturingén inzet door de overheid om het tij te keren. Opleiden en de structuur ombinnen de zorg op te leiden vragen om innovatie en flexibiliteit. Dit belangzou de Minister toch moeten onderkennen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 6234 Met bovenstaande als fundament roept het rapport de nodige vragen opbij genoemde leden. Ondanks dat er meer geld is uitgegeven om hetopleidings- en arbeidsmarktbeleid aan te pakken, blijven er enormeuitdagingen bestaan. Het rapport geeft duidelijk kritieke punten weer waarbloedspoed nodig is om deze verbeterpunten aan te pakken, zo vinden deleden van de Groep Markuszower-fractie. Deelt de Minister deze zorgen enop welke wijze gaat de Minister deze kritiekpunten en weeffouten in hetsysteem ombuigen om maximaal effectief te kunnen blijven investeren inhet arbeids- en opleidingsbeleid voor de zorg? Genoemde leden willenenkele van de belemmerende factoren in het beleid benadrukken: er isonvoldoende zicht op de toekomstige personeelsbehoefte en op dedaarbij benodigde kosten en baten van opleiden. Genoemde leden vragende Minister hoe dit kan bestaan. Regionaal zijn er afspraken, maar dezeleiden niet tot een landelijke visie en beleid. Kan de Minister toelichtenhoe dit mogelijk is en welke stappen genomen worden om deze omissieop zo kort mogelijke termijn op te lossen? Begeleidingscapaciteit isinderdaad een belangrijke factor. Immers, als nieuwe mensen opgeleiddienen te worden, dan moeten zij begeleid worden. Dit gaat ten koste vaninzet in de directe zorgverlening. Het landelijke project «Dutch» zou daarspecifiek binnen de specialistische cure een oplossing voor moeten zijn.Wat is de stand van zaken van dit traject? Genoemde leden bereikensignalen dat het project te groot is om vlot te trekken. Bovendien lijktDutch in veel gevallen een lapmiddel of wellicht redmiddel te zijn om dereguliere opleidingskosten van hogescholen te financieren. Krijgt deMinister deze signalen ook?Tijdens eerdere debatten is al gewaarschuwd dat de opmars vanzelfstandige behandelcentra ertoe leidt dat er een disbalans ontstaat op dearbeidsmarkt en dat dit leidt tot oneerlijke concurrentie met bijvoorbeeldde reguliere cure-sector. Zbc’s bieden vaak hogere lonen en kunnen vaakook betere arbeidsvoorwaarden aanbieden. Is deze contraproductievesituatie een situatie die de Minister wil laten bestaan, of vindt de Ministernet als genoemde leden dat er betere regulatie zou moeten zijn op dezesector? De leden van de Groep Markuszower-fractie zijn ervan overtuigddat flexibel of responsief opleiden in de zorg een belangrijke oplossingkan zijn om het arbeidsmarkttekort op te heffen.Het flexibel inzetten van personeel – en dus breed opleiden, zoals ooiteerder door de commissie Kaljouw is betoogd – is gediend bij responsiefopleiden. Is de Minister overtuigd van dit idee en vindt de Minister datopleidingen en met name hogescholen dit in voldoende mate omarmdhebben? Is de Minister bereid om samen met de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap (OCW) hierover de Kamer op korte termijn teinformeren?Opleiden voor de zorg vraagt intense samenwerking met OCW. Immers,deels vallen opleidingen onder VWS, maar grotendeels onder OCW. Hoezou de Minister de harmonisatie tussen beide ministeries classificeren,waarbij een 10 maximale integratie en afstemming betekent en een 1nauwelijks tot geen integratie en afstemming? Is de Minister voorstandervan verdere integratie van samenwerking binnen opleiden in hetzorgdomein? Zou het niet beter zijn om de verantwoordelijkheid vooropleiden binnen de zorg te beleggen bij één ministerie? Om meerdereredenen kan dit leiden tot efficiëntie en borging van kwaliteit. Bijvoor-beeld, de positie in het werkveld van zorgenaamde EPA’s (entrustedprofesional activities). Zowel zorginstellingen als ook opleidingsinstel-lingen ontwikkelen en beoordelen EPA’s. Vindt de Minister dit een goedeontwikkeling? Welke regie voert de Minister of de Minister van OCW, ofbeiden, op de belangrijke ontwikkelingen rondom EPA’s zodat de echteenduidig zijn en kunnen bijdragen aan verantwoord opleiden tot hetgewenste niveau?Zo bestaan er ook twee nauwelijks samenwerkende organisaties die dekwaliteit van opleidingen en de erkenning van nieuwe opleidingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 6235 beoordelen met verschillende normen en kwaliteitskaders. Bij OCWvinden we de NVAO en bij VWS vinden we het CZO. Is de Minister bereidte onderzoeken of de integratie van beide organisaties mogelijk is?Genoemde leden denken dat bij integratie en duidelijkheid over kwaliteits-standaarden innovaties in opleiden voor de zorg makkelijker kunnenworden opgepakt en zo kunnen bijdragen aan responsief opleiden enbredere en dus flexibelere inzet op de arbeidsmarkt.Tot slot lezen genoemde leden met grote verbazing dat er in relatie totregelingen die moeten bijdragen aan het verbeteren van de arbeidsmarkt,nauwelijks heldere en meetbare doelen zijn. En bovendien, dat desummiere doelen niet worden gemonitord. Met andere woorden, er isgeen beleid en men kan doen wat men wil. Er is ook geen systematischeffectonderzoek met als doel te onderzoeken hoe interventies verbeterdkunnen worden. Hier zou de Minister toch reeds actie op ondernomenhebben? Zo ja, welke acties zijn dat en kan de Minister daar de Kamer opkorte termijn over rapporteren?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de fractie BBB-fractie hebben kennisgenomen van dePeriodieke rapportage «Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn». Zijhebben de volgende vragen aan de Minister.Uit de rapportage blijkt opnieuw dat personeelstekorten hardnekkig zijnen dat verschillen tussen regio’s toenemen. Vooral in krimp- en platte-landsregio’s lopen de tekorten verder op, terwijl de vraag tegelijkertijdstijgt. Kan de Minister toelichten welke concrete maatregelen wordengenomen om regionale verschillen in personeelstekorten terug te dringenen hoe borgt de Minister dat voorzieningen in regio’s niet verder wordenuitgekleed? Is de Minister bereid om regionale arbeidsmarktcijfersvoortaan structureel te koppelen aan financiële prikkels die de instroom intekortregio’s aantrekkelijker maken? Kan de Minister aangeven op welkemanier hij voorkomt dat basisvoorzieningen in deze regio’s verder wordenuitgekleed door oplopende personeelstekorten?Verder constateren deze leden dat de opleidingscapaciteit door de jarenheen niet is meegegroeid met de feitelijke zorgbehoefte. Studentenkunnen opleidingen niet in, stageplekken zijn schaars en de uitval in deeerste opleidingsjaren blijft hoog. De leden van de BBB-fractie vragen deMinister waarom Nederland afhankelijk blijft van tijdelijke impulsen enprojectsubsidies in plaats van een structureel en toekomstbestendigopleidingsfundament. Wanneer verwacht de Minister dat instroom enopleidingscapaciteit eindelijk in balans komen met de reële zorgvraag?Kan de Minister inzicht geven in de tekorten per opleiding, uitgesplitstnaar regio, en aangeven welke concrete stappen worden gezet om dezekloof te dichten?Ook zien de leden van de BBB-fractie dat werkdruk, bureaucratie en eengebrek aan professionele zeggenschap nog steeds belangrijkste redenenzijn voor uitstroom. De leden van de BBB-fractie merken op dat nieuweregelgeving vanuit VWS de administratieve druk eerder vergroot danvermindert. Zij vragen de Minister waarom het na jaren van toezeggingennog niet is gelukt om de administratieve lasten substantieel terug tedringen. Welke concrete en meetbare stappen neemt de Minister om deadministratieve last in 2026 en 2027 daadwerkelijk te halveren? Op basisvan welke indicatoren wil de Minister beoordelen of deze reductiedaadwerkelijk gerealiseerd wordt? Is de Minister bereid om een maximaalpercentage administratieve tijd vast te leggen zodat professionals hun vakweer centraal kunnen stellen?Verder constateren de leden van de BBB-fractie dat de inzet van buiten-landse zorgprofessionals een steeds grotere rol speelt in het vervullen vanpersoneelstekorten. Hoewel dit tijdelijk kan helpen, mag het volgens hennooit ten koste gaan van kwaliteit, veiligheid of taalvaardigheid op deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 6236 werkvloer. Deze leden vragen de Minister hoe hij waarborgt dat versneldetoelatingsroutes, zoals het schrappen van toetsen of verkorten vantrajecten, niet leiden tot kwaliteitsverlies. Wat is op dit moment deminimale taaleis voor buitenlandse zorgprofessionals en hoe wordt dezegetoetst? Kan de Minister toelichten welke maatregelen worden genomenwanneer blijkt dat het taalniveau in de praktijk onvoldoende blijkt te zijn?Daarnaast blijkt uit de rapportage dat een tekort aan stageplaatsen enpraktijkbegeleiders een grote beperking vormt voor het opleiden vannieuwe professionals. Organisaties geven aan dat het door werkdruk bijnaonmogelijk is om nieuwe studenten goed te begeleiden. De leden van deBBB-fractie vragen de Minister waarom er nog geen structurele finan-ciering voor opleiden is ingevoerd, zodat organisaties niet telkensafhankelijk zijn van wispelturige subsidies. Is de Minister bereid omstructureel budget beschikbaar te stellen voor praktijkleren, zodatopleiden niet langer in conflict komt met het leveren van zorg?De leden van de BBB-fractie lezen in de Systematische Effect Analyse dater nog steeds grote hiaten bestaan in de dataverzameling rond arbeids-markt en opleiden. Zonder goede data kan volgens hen geen enkeleffectief arbeidsmarktbeleid gevoerd worden. Zij vragen de Ministerwaarom deze data-infrastructuur na vele jaren nog steeds niet op orde isen wanneer de Kamer een volledig werkende landelijke én regionalearbeidsmarktmonitor kan verwachten. Is de Minister bereid om regionaleindicatoren structureel op te nemen, gezien de grote verschillen diezichtbaar worden tussen stedelijke en landelijke gebieden?Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie de Minister om een visie op delange termijn. De rapportage schetst een buitengewoon zorgwekkendvooruitzicht richting 2030 en 2040: de zorgvraag stijgt fors, terwijl hetaantal zorgprofessionals afneemt. De leden van de BBB-fractie vinden dathet tijd is voor een wettelijk verankerd meerjarig arbeidsmarkt- enopleidingsperspectief, vergelijkbaar met het capaciteitsplan voormedische opleidingen. Is de Minister bereid om een dergelijk kader op testellen zodat zorgorganisaties, opleiders en regio’s weten waar zij dekomende jaren op kunnen rekenen en niet langer afhankelijk zijn vankortetermijnbeleid en losse maatregelen?Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de periodiekerapportage «Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn». Zij hebbenhier nog enkele vragen en opmerkingen over.De leden van de SP-fractie stellen dat het arbeidsmarktbeleid van deMinister de afgelopen jaren te afwachtend is geweest. Er zijn vooralprogramma’s afgeschaft, zoals het stagefonds en het programmaToekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ), zonder dat ergrote nieuwe initiatieven zijn genomen. Ondertussen worden de arbeids-tekorten alleen maar groter, waar zorgverleners, patiënten en mantel-zorgers de dupe van zijn. Wanneer komt de Minister eindelijk met eenambitieuze aanpak van de personeelstekorten in de zorg?De leden van de SP-fractie constateren daarnaast dat de Kamer zich intweederde meerderheid heeft uitgesproken voor «een wervingscampagne[...], vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen tewerven om in de zorg te werken»2, maar dat de Minister dit weigert.Waarom wil de Minister deze stap niet zetten en komt hij daarnaast nietzelf met een volwaardig alternatief?2Kamerstuk 36 725, nr. 24Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 6237 II. Reactie van de Minister Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden vande D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de periodieke rapportage Arbeidsmarkt en opleidingen zorg enwelzijn en de brief van de Minister hierover. Deze leden hechten grootbelang aan een arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid dat aantoonbaardoeltreffend en doelmatig bijdraagt aan het terugdringen van depersoneelstekorten in de zorg.De leden van de D66-fractie constateren dat in de rapportage wordtgewezen op het ontbreken van concrete, meetbare doelstellingen bij eendeel van de huidige regelingen. In dat licht vragen zij de Minister bij welkearbeidsmarkt- en opleidingsregelingen inmiddels wel dergelijke doelstel-lingen zijn geformuleerd, en bij welke dit nog niet het geval is.De periodieke rapportage «Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn»(hierna: de periodieke rapportage) kijkt terug op de periode vanaf 2016 toten met het kabinet Rutte IV. Gedurende deze periode en daarna heeft hetMinisterie van VWS gewerkt aan de implementatie van de Comptabili-teitswet 3.1. Dit houdt in dat, wanneer bestaande regelingen wordenherzien of nieuwe regelingen worden opgezet, er meetbare doelstellingengeformuleerd worden met behulp van het Beleidskompas en het kader«Beleidskeuzes uitgelegd». Dit kader is bedoeld om uw Kamer goed teinformeren over de doelen, instrumenten, financiële gevolgen en deverwachte doeltreffendheid en doelmatigheid van een voorstel.Daarnaast lezen deze leden dat veel regelingen niet systematisch zijngeëvalueerd en dat harde effectmetingen vaak ontbreken. Zij vragen deMinister op welke termijn hij verwacht dat voor alle grote regelingen(experimentele) effectevaluaties beschikbaar zullen zijn, zoals door SEOwordt aanbevolen.De Strategische Evaluatie Agenda (hierna: SEA) is een meerjarige agendadie ex ante, ex durante en ex post evaluaties omspant op alle belangrijke(beleids)thema’s en bijbehorende begrotingsartikelen van VWS. Hetthema «Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn» is één van dehoofdonderwerpen van deze agenda. De voortgang en resultaten van deSEA worden toegelicht in zowel de VWS begroting, als het jaarverslag.Een eerstvolgende actualisatie van de planning van deze evaluaties maaktonderdeel uit van de SEA in de begroting 2027. Deze planning wordtmede opgesteld op basis van de eisen zoals hierover gesteld in deuitgewerkte richtlijnen voor beleidsevaluaties in de Regeling periodiekevaluatieonderzoek 2022 (hierna: RPE).Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden vande VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze rapportage. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.De leden van de VVD-fractie hebben al vaker in debatten aangegeven zichgrote zorgen te maken over het lage aantal basisartsen dat kiest voor eenspecialisme buiten het ziekenhuis. Sommige extramurale opleidingenhebben zelfs plekken over. Het capaciteitsorgaan ziet deze ontwikkelingook. Dat vraagt om voldoende inzet en behoud van artsen midden in desamenleving zoals huisartsen, jeugdartsen en specialisten ouderenge-neeskunde. Het aantal basisartsen dat kiest voor een extramuralevervolgopleiding blijft ver achter bij wat noodzakelijk is voor de transitievan zorg naar gezondheid. De aantrekkelijkheid van extramurale oplei-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 6238 dingen moet meer vergroot worden en binnen de geneeskundeoplei-dingen moeten de extramurale specialismen meer aandacht krijgen. Is deMinister bereid hier nadrukkelijk extra aandacht aan te geven?Allereerst wil ik benadrukken dat ik het belangrijk vind dat er aandacht isvoor de extramurale beroepen binnen de opleiding geneeskunde. Bij hetwijzigen van de inhoud van de zorgopleidingen zijn veel partijenbetrokken en het is aan deze partijen zelf om het curriculum te latenaansluiten op de zorgvraag van de toekomst. Extra aandacht is echternodig, daarom is in het Aanvullende Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)afgesproken om de campagne Next Level Dokter te continueren, waarbijde inzet is om studenten geneeskunde en basisartsen te inspireren zich teoriënteren op een artsenberoep buiten het ziekenhuis. Daarnaast zijn eraanvullende middelen beschikbaar voor het opleiden en scholen buitenhet ziekenhuis, ik ben met AZWA partijen in overleg hoe deze middelenbesteed kunnen worden.De leden van de VVD-fractie hebben enkele kritische signalen ontvangenover de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de opleidingfinancieel meer bij werkgevers neer te leggen. Genoemde leden begrijpende behoefte voor meer strategische planning vanuit zorgaanbieders, maarvoorzien dat hierdoor een oneerlijk speelveld kan ontstaan. Werkgeversdie niet opleiden profiteren sterk van werkgevers die wél opleiden.Werkgevers die wel hun verantwoordelijkheid nemen, zullen immershogere tarieven moeten hanteren vanwege de extra opleidingskosten.Kan de Minister daarop reflecteren?Zorg- en welzijnsinstellingen zijn als werkgever primair verantwoordelijkvoor het eigen personeelsbeleid en hiermee dus ook het opleiden van hunmedewerkers (niet zijnde initieel onderwijs). Deze instellingen zijn immerszelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van de door hun geleverde zorg endaarmee kunnen de instellingen ook zelf het beste inschatten wat hunwerknemers aan opleidingen nodig hebben. SEO benoemt in de perio-dieke rapportage het zogenaamde «free-ridergedrag» als één van devormen van marktfalen die op kunnen treden op de arbeidsmarkt:wanneer een werkgever investeert in een opleiding, kan een anderezorginstelling later profiteren van deze investering door het overnemenvan de getrainde werknemer, zonder daar zelf te hebben betaald. Dit zoude bereidheid tot investeren verzwakken.Hoewel het risico op free-ridergedrag bestaat, is het niet zo dat het in allegevallen en altijd in sterke mate voorkomt. SEO geeft aan dat onduidelijkis hoe groot het risico is op free-ridergedrag op een krappe arbeidsmarkt.Aan de ene kant geeft een krappe arbeidsmarkt werkgevers een extraimpuls om hun werknemers in het kader van behoud op te leiden, en aande andere kant is er een risico dat werknemers relatief snel wisselentussen werkgevers.Zodra er sprake is van marktfalen door (bijvoorbeeld) een aannemelijkrisico op free-ridergedrag, is er een reden voor mij om in te grijpen. Dit isbijvoorbeeld het geval bij de opleidingen tot een medisch specialisme. Dekosten voor deze opleidingen zijn dermate hoog en de opleidingen zijnvan dermate belang voor de maatschappij, dat deze worden bekostigdmet een beschikbaarheidbijdrage. SEO beveelt mij aan om terughoudendte zijn met direct ingrijpen in de opleidingsmarkt omdat hier een risico opondoelmatig besteden van overheidsmiddelen in schuilt: werkgeverszouden hierdoor juist minder geneigd kunnen zijn om zelf te investeren inhun werknemers en bovendien is de overheid minder goed op de hoogtevan de personeelsbehoeften in het veld dan het veld zelf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 6239 Ook de toezichthouder schrijft in de oplegger: «Bij een werkgeversverant-woordelijkheid past in het stelsel van zorg- en welzijn het verwerken vande opleidingskosten in de tarieven voor zorgprestaties. Een nadeel vandeze optie is de beperkte mogelijkheid om middelen te oormerken. Hierschuilt een risico dat werkgevers onvoldoende middelen voor opleidenzullen vrijmaken.» De leden van de VVD-fractie willen weten hoe dit risicowordt voorkomen en hoe de Minister ervoor zorgt dat perverse econo-mische prikkels worden ingebouwd bij de keuze voor een ander financie-ringsmodel. De leden van de VVD-fractie hebben behoefte aan een naderereflectie op de keuze voor een ander bekostigingsmodel. Wat is denoodzaak voor een nieuw financieringsmodel?Ik wil benadrukken dat werkgevers binnen alle zorg en welzijn-sectoreneigen middelen inzetten voor bij- en nascholing van hun personeel. Demate waarin dit gebeurt, verschilt per sector. Er is dus geen sprake vaneen nieuw financieringsmodel. Wel beveelt SEO aan om, gezien depotentiële beperkte doeltreffendheid en/of doelmatigheid van degeëvalueerde regelingen, de instrumentkeuze te heroverwegen en deverantwoordelijkheid voor opleiden en goed werkgeverschap weer meerterug te leggen bij de werkgever. Zoals de onafhankelijk deskundigebeschrijft, ligt het in dat geval voor de hand om te bezien of het finan-cieren van opleidingen meer via de eigen middelen van de instellingenkan gaan lopen. Tegelijkertijd geeft SEO aan dat een subsidieregeling juisteen heel passend instrument kan zijn, bijvoorbeeld in het geval er sprakeis van marktfalen. In de beleidsreactie zal hier nader op in worden gegaan.Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden vande GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de voorliggende periodieke rapportage «Arbeidsmarkt enopleidingen zorg en welzijn». Zij lezen dat de Minister een beleidsmatigereactie op de aanbevelingen aan een nieuw kabinet laat, maar hebben hiertoch vast enkele vragen over.Allereerst lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat onderzoeks-bureau SEO concludeert dat het opleidingsbeleid vaak potentieeldoeltreffend is, maar dat er nog een gebrek is aan harde metingen. Dedoelmatigheid is potentieel beperkt door het risico van overcompensatieen verdringing van private investeringen, aldus de brief van de Minister.Kan hier nader op worden ingegaan? Wat wordt hier precies bedoeld metverdringing van private investeringen?SEO beschrijft in de periodieke rapportage dat doelmatig beleid vergt datalleen het weglekeffect – het deel van de kosten dat niet door werkgeverszelf kan worden terugverdiend – wordt gesubsidieerd. In de praktijk is ditvrijwel onmogelijk exact vast te stellen. Het gevolg is dat subsidies een tegroot deel van de kosten kunnen subsidiëren en dat in dat geval sprakekan zijn van overcompensatie. Als het (verder) opleiden binnen dezorgsector meer wordt gesubsidieerd door de overheid, is er een risicodat private investeringen worden verdrongen: werkgevers voelen in datgeval minder noodzaak om zelf te investeren in hun menselijk kapitaal.Deze twee factoren leiden tot een ondoelmatige besteding van publiekemiddelen.In het rapport lezen genoemde leden dat als het (verder) opleiding binnende zorgsector zwaar gesubsidieerd wordt door de overheid, werkgeversminder noodzaak voelen om zelf te investeren in menselijk kapitaal. Hoekijkt de Minister hiernaar in het licht van de tekorten en uitdagingen waarwe voor staan in de toekomst? Hoe kunnen private investeringen hier eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62310 doeltreffende rol in spelen, zonder dat het indruist tegen de opleidingsbe-hoeften in het veld?Ik deel de analyse van SEO dat zorg- en welzijnsinstellingen zelf, doormiddel van de investeringen die zij als private partij doen, het bestekunnen inspelen op de opleidingsbehoefte in de sector.Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zorgen overde, in sommige regio’s, bovengemiddelde aanwezigheid van zelfstandigebehandelcentra (zbc’s). Hoewel zbc’s het zorgsysteem kunnen ontlasten envaak goede zorg leveren op het gebied van relatief niet-complexeaandoeningen, kunnen zbc’s ontwrichtend werken voor de arbeidsmarkt.Een van de redenen hiervoor is dat zij nauwelijks bijdragen aan deopleidingsopgave, terwijl zij tegelijkertijd wel zorgprofessionalswegtrekken bij ziekenhuizen met aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden. Zoleveren zbc’s geen 24-uurs zorg, waardoor er geen of nauwelijks nacht-diensten hoeven worden gedraaid, en liggen de salarissen doorgaanshoger. Dit trekt het schaarse personeel weg bij de ziekenhuizen die hen inveel gevallen zelf hebben opgeleid, met alle gevolgen voor de continuïteitvan zorg van dien. Hoe kijkt de Minister naar deze ontwikkelingen? Enwelke stappen zijn er tot op heden ondernomen naar aanleiding van deaangenomen motie van het lid Bushoff3 over doelstellingen voor zbc’svoor het intern opleiden van medisch personeel? Wat is de huidige standvan zaken en welke concrete stappen zijn inmiddels gezet, of op welketermijn verwacht de Minister dit in gang te gaan zetten? En is de Ministerbewust van het feit dat deze problemen in bepaalde regio’s waarbovengemiddeld veel zbc’s gevestigd zijn, zoals Noord-Holland enFlevoland, een extra groot beslag op de reguliere en academischeziekenhuiszorg leggen? Is de Minister bereid in dergelijke regio’s om tafelte gaan met ziekenhuizen en zbc’s over de invulling van zbc’s in deopleidingsopgave en gezamenlijk doelstellingen te formuleren die ook inandere regio’s kunnen worden toegepast?Het medisch-specialistische zorglandschap is in ontwikkeling. In veelregio’s is die ontwikkeling in lijn met de afspraken in het IZA en AZWA. Iksignaleer echter ook bepaalde risico’s in de ontwikkeling van hetmedisch-specialistische zorglandschap. Om deze reden wordt gewerkt aanhet realiseren van een eerlijk speelveld voor ziekenhuizen en zelfstandigebehandelcentra. Dit doe ik samen met partijen binnen de AZWA-afspraakom te zorgen dat iedereen een eerlijke bijdrage levert (eerlijk speelveld).Dit betreft afspraak E4 van het AZWA.Één van de doelen binnen afspraak E4 is om een eerlijk speelveld tecreëren tussen aanbieders van medisch specialistische zorg (msz) op hetgebied van planbare zorg. Hierbij wordt onder andere gekeken naarbijdrage aan avond-, nacht- en weekendzorg, opleiden en deelname aanregionale samenwerking. Ik vind het belangrijk om eerst inzicht te hebbenin het speelveld, alvorens eventuele maatregelen te nemen. Daarom heeftde Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) recent een advies over prestatiediffe-rentiatie in de msz4 opgeleverd en werkt Gupta Strategists in opdrachtvan de NZa aan een feitenbasis om de problemen kwalitatief en kwanti-tatief te duiden.Ik wacht de resultaten van de feitenbasis af voordat ik een mening vormover de ontwikkelingen. Deze feitenbasis zal aan het einde van het eerstekwartaal van 2026 worden opgeleverd. Uw Kamer wordt naar verwachtingin het tweede kwartaal van 2026 geïnformeerd over een samenhangend3Kamerstuk 31 765, nr. 9304AZWA-afspraak E4- Eerlijk speelveld in de medisch-specialistische zorg | Rapport | rijksover-heid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62311 pakket aan maatregelen op basis van onder andere dit advies en defeitenbasis. Op dat moment zal mijn opvolger ook aangeven wat devervolgstappen zijn ten aanzien van het creëren van een gelijk speelveld.Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden vande PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de periodiekerapportage Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn en de bijbeho-rende beoordeling. Zij hebben hierover de volgende vragen.In de rapportage wordt geconcludeerd dat voor veel opleidingsregelingenharde effectmetingen ontbreken. Kan de Minister aangeven voor welkeregelingen sinds 2016 geen effectevaluatie beschikbaar is, terwijl hiervoorwel aanzienlijke publieke middelen zijn ingezet?Voor alle opleidingsregelingen zijn evaluaties beschikbaar. SEO geeft in deperiodieke rapportage het merendeel van de evaluaties de score 2 of 3 opde effectenladder. Dit betreft onder andere de beschikbaarheidsbijdragevoor medische vervolgopleidingen, Kwaliteitsimpuls Ziekenhuizen enSectorplanPlus. Met deze scores wordt beoordeeld of een regelingpotentieel of waarschijnlijk (in)effectief is. De evaluaties van de Instellings-subsidie Capaciteitsorgaan en het Stagefonds scoren hoger op deeffectladder.In de rapportage kan wat betreft het arbeidsmarktbeleid geen oordeelworden gegeven over doeltreffendheid en doelmatigheid. Hoe beoordeeltde Minister dit, gezien de aanhoudende personeelstekorten en hogewerkdruk in de zorg?De afgelopen jaren is met de programma’s Werken in de Zorg enToekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn met name ingezet ophet bevorderen van samenwerking en cultuurverandering. Hoewelgedurende de looptijd van deze programma’s ontwikkelingen op dearbeidsmarkt zijn gemonitord, is dit onvoldoende om een causaal verbandtussen acties en resultaten aan te tonen. SEO erkent dat het voordergelijke brede en procesmatige programma’s lastig is om resultaten ineenduidige indicatoren te meten. Een goed evaluatie-instrumentariumvoor dit type beleidsinstrument ontbreekt. Dat geen oordeel kan wordengegeven over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het arbeidsmarkt-beleid, betekent niet dat het beleid geen positieve effecten heeft gehad.In de rapportage wordt verder gewezen op risico’s van overcompensatieen verdringing door subsidies. Kan de Minister aangeven in welke matehiervan sprake is geweest en of publiek geld is ingezet zonderaantoonbaar extra effect?SEO stelt dat het in het algemeen vrijwel onmogelijk is om het exacteweglekeffect vast te stellen en dat subsidies daarom het risico inhoudendat een te groot deel van de kosten dekken: overcompensatie. Omdat ditin zijn algemeenheid geldt, is het aannemelijk dat dit ook voor een deel ofvoor alle in deze periodieke rapportage geëvalueerde regelingen geldt.Omdat het weglekeffect niet exact kan worden vastgesteld, is het ook nietmogelijk om te achterhalen in welke gevallen dit precies voorkomt.Hetzelfde geldt voor het verdringen van private investeringen. Het is nietmogelijk om te achterhalen wat werkgevers zelf zouden hebben geïnves-teerd als de subsidieregelingen er niet waren geweest. In de periodiekerapportage wordt niet geconcludeerd dat er publiek geld is ingezet zonderaantoonbaar effect.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62312 Door het ontbreken van samenhang tussen regelingen is het instrumen-tarium als geheel niet goed te beoordelen. Wie is binnen het Ministerievan VWS verantwoordelijk voor de regie op dit beleid en waarom heeftdeze regie onvoldoende gewerkt? Hoe verhoudt de faciliterende rol vanhet Ministerie van VWS zich tot de verantwoordelijkheid van de overheidom te zorgen voor voldoende zorgpersoneel en betaalbare zorg voor deNederlandse patiënt?Zoals in de periodieke rapportage wordt aangegeven is het arbeidsmarkt-beleid de laatste jaren verschoven naar meer randvoorwaardelijke sturing.Vanuit het besef dat het onmogelijk is om het aanbod van personeelevenredig mee te laten groeien met de stijgende zorgvraag. Bij onver-anderd beleid zou in 2030 één op de vijf werkenden in de zorg moetenwerken. Vanaf 2022 is de nadruk meer komen te liggen op het terug-dringen van de zorgvraag en het stimuleren van samenwerking en eigeninitiatief van zorg- en welzijn organisaties. Concreet heeft het Ministerievan VWS in het AZWA samen met de veldpartijen een aantal ambitiesopgesteld om het arbeidstekort tegen te gaan:1)Minder administratie, meer tijd voor zorg;2)Betere inzet van personeel en technologie;3)Meer, sneller en beter opleiden.Wat betreft opleiden (niet zijnde initieel onderwijs) van eigen personeelzijn zorg- en welzijnsinstellingen primair verantwoordelijk. Zorginkoperszijn verantwoordelijk om werkgevers in staat te stellen om deze verant-woordelijkheid te kunnen nemen. OCW is stelselverantwoordelijk voor deinitiële opleidingen in zorg en welzijn. VWS kan ingrijpen daar waarsprake is van marktfalen:•VWS is op grond van de Wet marktordening gezondheidszorgverantwoordelijk voor het beschikbaar stellen en verdelen vanopleidingsplaatsen van een groot aantal (medische) vervolgopleidin-gen.•VWS financiert de opleiding voor de artsen die op grond van de Wetpublieke gezondheid (Wpg) door gemeenten ingezet moeten worden.•VWS biedt daarnaast (tijdelijke) instrumenten aan zorg- en welzijnsin-stellingen ten behoeve van scholen en opleiden van medewerkers inzorg en welzijn.VWS heeft tot slot een rol in het faciliteren en stimuleren van de partijenom hun rollen en verantwoordelijkheden te pakken.Kan de Minister toezeggen dat toekomstige regelingen alleen wordeningevoerd met vooraf vastgestelde, meetbare doelstellingen en eenonafhankelijke evaluatieopzet?Het Beleidskompas is sinds 2023 de centrale werkwijze en het vaste kadervan de rijksoverheid voor het ontwikkelen van nieuw beleid en regel-geving. Het formuleren van een concrete doelstelling en de voorgenomenmonitoring en evaluatie zijn onderdeel van het Beleidskompas. Bij hetMinisterie van VWS wordt dit Beleidskompas gebruikt bij nieuw tevormen of te herzien beleid. Bij de beleidsvorming kan daarbij gebruikgemaakt worden van verschillende multidisciplinaire expertisecentrabinnen het ministerie op het gebied van onderzoek en evaluatie welkeadvies geven over de door uw Kamer genoemde aspecten. De uitwerkingvan toekomstige regelingen wordt ook mede vormgegeven op basis vangeldende richtlijnen zoals die in de RPE. In deze richtlijnen zijn de eisenvoor de evaluaties van subsidies mede afhankelijk van het betreffendebudget en looptijd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62313 En acht de Minister het verantwoord om een inhoudelijke beleidsreactiedoor te schuiven naar een volgend kabinet, gezien de urgentie van depersoneelstekorten in de zorg?De Tweede Kamer zal een inhoudelijke beleidsreactie ontvangen van hetnieuwe kabinet.Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden vande CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het SEO-rapportover het arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid in de zorg. Deze ledenbegrijpen de terughoudendheid van de Minister ten aanzien van deaanbevelingen vanwege de demissionaire status van het kabinet, maardeze leden zouden alsnog graag een inhoudelijke kabinetsreactie willenontvangen op de door SEO genoemde aanbevelingen en beleidsopties.Deze leden constateren dat het rapport concrete aanbevelingen bevat, diedeze leden graag goed willen kunnen wegen.De Tweede Kamer zal een inhoudelijke beleidsreactie ontvangen van hetnieuwe kabinet.De leden van de CDA-fractie maken van de gelegenheid gebruik om tevragen naar de stand van zaken van de nieuwe subsidie Strategischopleiden Zorg en Welzijn (SO-ZenW).Inmiddels hebben ruim 2000 zorg- en welzijnsorganisaties een subsidie inhet kader van de subsidieregeling Strategisch opleiden Zorg en Welzijnaangevraagd. De aanvragen zijn gebundeld tot één subsidieaanvraag, dieeind vorig jaar is ingediend bij het Ministerie van VWS. In Q1 van 2026neem ik een beslissing over de subsidieverlening en daarmee overhoeveel van deze organisaties ook daadwerkelijk een subsidie zullenontvangen.Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden vande Groep Markuszower-fractieDe leden van de Groep Markuszower-fractie zijn zich ervan bewust dat hetarbeidsmarktprobleem niet alleen voorbehouden is aan het zorgveld,echter vinden zij wel dat juist dit werkveld tot de kritieke onderdelen vanhet Nederlandse werkveld behoort. Dit vraagt daarom om goede sturingén inzet door de overheid om het tij te keren. Opleiden en de structuur ombinnen de zorg op te leiden vragen om innovatie en flexibiliteit. Dit belangzou de Minister toch moeten onderkennen?Ja, ik onderken zeer zeker het belang van innovatief en flexibel opleiden.Ik zal in reactie op uw verdere vragen in onderstaande hier nader opingaan.Met bovenstaande als fundament roept het rapport de nodige vragen opbij genoemde leden. Ondanks dat er meer geld is uitgegeven om hetopleidings- en arbeidsmarktbeleid aan te pakken, blijven er enormeuitdagingen bestaan. Het rapport geeft duidelijk kritieke punten weer waarbloedspoed nodig is om deze verbeterpunten aan te pakken, zo vinden deleden van de Groep Markuszower-fractie. Deelt de Minister deze zorgen enop welke wijze gaat de Minister deze kritiekpunten en weeffouten in hetsysteem ombuigen om maximaal effectief te kunnen blijven investeren inhet arbeids- en opleidingsbeleid voor de zorg? Genoemde leden willenenkele van de belemmerende factoren in het beleid benadrukken: er isonvoldoende zicht op de toekomstige personeelsbehoefte en op dedaarbij benodigde kosten en baten van opleiden. Genoemde leden vragenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62314 de Minister hoe dit kan bestaan. Regionaal zijn er afspraken, maar dezeleiden niet tot een landelijke visie en beleid. Kan de Minister toelichtenhoe dit mogelijk is en welke stappen genomen worden om deze omissieop zo kort mogelijke termijn op te lossen?Door middel van het Prognosemodel Zorg en Welzijn en de ramingen vanhet Capaciteitsorgaan is er een goed beeld van de toekomstige perso-neelsbehoefte in zorg en welzijn. Op basis van de ramingen van hetCapaciteitsorgaan bepaalt het Ministerie van VWS het aantal gefinan-cierde opleidingsplaatsen in de medische-, tandheelkundige- en specifiekemedische vervolgopleidingen. Het Prognosemodel Zorg en Welzijn brengtde personeelstekorten voor de gehele sector in beeld uitgesplitst naarbranche, regio en beroepsgroep. De focus ligt hierbij op de beroeps-groepen op mbo- en hbo-niveau.In het Integraal Zorg Akkoord (IZA) hebben we landelijk afgesproken omin te zetten op regionale samenwerking via regiobeelden en regioplannenen met het AZWA zetten we deze beweging voort. Elke regio heeftnamelijk unieke zorguitdagingen, waardoor een regionale en lokaleaanpak noodzakelijk is. In de regioplannen staat het borgen van toeganke-lijkheid voorop en worden concrete keuzes gemaakt over wat nodig is inde regio (passende zorg/juiste plek, digitalisering, samenwerkingzorg-sociaal, etc.). De uitvoering landt vervolgens in(IZA-)transformatieplannen, waarin partijen de afgesproken verande-ringen concreet maken en realiseren.Begeleidingscapaciteit is inderdaad een belangrijke factor. Immers, alsnieuwe mensen opgeleid dienen te worden, dan moeten zij begeleidworden. Dit gaat ten koste van inzet in de directe zorgverlening. Hetlandelijke project «Dutch» zou daar specifiek binnen de specialistischecure een oplossing voor moeten zijn. Wat is de stand van zaken van dittraject? Genoemde leden bereiken signalen dat het project te groot is omvlot te trekken. Bovendien lijkt Dutch in veel gevallen een lapmiddel ofwellicht redmiddel te zijn om de reguliere opleidingskosten vanhogescholen te financieren. Krijgt de Minister deze signalen ook?Het project DUTCH is een belangrijk doorbraakproject om het knelpuntvan personeelstekorten aan te pakken. DUTCH richt zich in eerste instantieop de opleidingen tot operatieassistenten, anesthesiemedewerkers enradiodiagnostisch laboranten. Doel is om het ontwikkelde simulatieonderwijs daarna op te schalen naar andere zorgopleidingen, waartekorten zijn. Door inzet van schaalbare digitale leermiddelen en fysiekeen virtuele simulatie kan zo’n 50% van het werkplek-leren wordenvervangen en zal aanzienlijk minder inzet van werkbegeleiders nodig zijnvoor het opleiden wat de zorgcapaciteit vergroot. Met steun van hetNationaal Groeifonds is het doel om binnen zes jaar een landelijke digitaleinfrastructuur en set simulatiemodules te ontwikkelen, waar zorginstel-lingen en opleiders in het hele land gebruik van kunnen maken.DUTCH stimuleert de nationale en regionale samenwerking tussen deziekenhuizen en tussen de zorg en de educational technology bedrijven.Verder werkt DUTCH aan internationalisering om de afzet van Neder-landse zorgoplossingen te bevorderen om het Nederlands verdienver-mogen te verhogen. Signalen dat het project te groot is om vlot te trekkenhebben mij niet bereikt. Ik begrijp wel dat het een behoorlijke klus is, maarde signalen die ik tot nu toe ontvang zijn juist positief. De eerste twee jaar(2024–2025) zijn vooral benut om een landelijke dekkend consortium op tezetten van zorgprofessionals werkzaam bij opleidingsinstituten, zieken-huizen, hogescholen enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds. Er is eennetwerk opgezet tussen zorg, onderwijs en bedrijven die de samen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62315 werking bevordert. Daarnaast is samen met de opleiders en zorginstel-lingen geïnventariseerd welke opleidingsmodules binnen de zorgoplei-dingen voor simulatie geschikt zijn, wat er al beschikbaar is aansimulatiemodules en zijn diverse landelijke- en regionale evenementen(ook op de werkvloer) georganiseerd. Tegelijkertijd zijn vorig jaar deeerste calls voor het ontwikkelen van nieuwe simulatiemodules uitgezeten is er een eerste proof of concept digitale infrastructuur ontwikkeld insamenwerking met Npuls, een tweede ronde groeifonds project.Signalen dat DUTCH in veel gevallen een lapmiddel of wellicht redmiddelis om de reguliere opleidingskosten van hogescholen te financieren,herken ik niet. De subsidie kan alleen worden ingezet voor ontwikkelactivi-teiten van simulatieonderwijs en de afstemming hierover, niet voor hetdekken van de reguliere opleidingskosten.Tijdens eerdere debatten is al gewaarschuwd dat de opmars vanzelfstandige behandelcentra ertoe leidt dat er een disbalans ontstaat op dearbeidsmarkt en dat dit leidt tot oneerlijke concurrentie met bijvoorbeeldde reguliere cure-sector. Zbc’s bieden vaak hogere lonen en kunnen vaakook betere arbeidsvoorwaarden aanbieden. Is deze contraproductievesituatie een situatie die de Minister wil laten bestaan, of vindt de Ministernet als genoemde leden dat er betere regulatie zou moeten zijn op dezesector? De leden van de Groep Markuszower-fractie zijn ervan overtuigddat flexibel of responsief opleiden in de zorg een belangrijke oplossingkan zijn om het arbeidsmarkttekort op te heffen.Het medisch-specialistische zorglandschap is in ontwikkeling. In veelregio’s is die ontwikkeling in lijn met de afspraken in het IZA en AZWA. Iksignaleer echter ook bepaalde risico’s in de ontwikkeling van hetmedisch-specialistische zorglandschap. Om deze reden werk ik aan hetrealiseren van een eerlijk speelveld voor ziekenhuizen en zelfstandigebehandelcentra. Dit doe ik samen met partijen binnen de afspraak E4 Wezorgen dat iedereen een eerlijke bijdrage levert (eerlijk speelveld) van hetAZWA.Ik vind het belangrijk om eerst inzicht te hebben in het speelveld, alvorenseventuele maatregelen te nemen. Daarom heeft de NZa recent een adviesover prestatiedifferentiatie in de msz5 opgeleverd en werkt GuptaStrategists in opdracht van de NZa aan een feitenbasis om de problemenkwalitatief en kwantitatief te duiden.Ik wacht de resultaten van de feitenbasis af voordat ik een mening vormover de ontwikkelingen. Deze feitenbasis zal aan het einde van het eerstekwartaal van 2026 worden opgeleverd. Uw Kamer wordt naar verwachtingin het tweede kwartaal van 2026 geïnformeerd over een samenhangendpakket aan maatregelen op basis van onder andere dit advies en defeitenbasis.Daarnaast heeft flexibel opleiden mijn aandacht. Om bij te dragen aan detransitiedoelen zal snel anders gewerkt moeten worden. Opleiden enontwikkelen is daarvoor een randvoorwaarde. In het AZWA zijn afsprakengemaakt die gelden tot 2035 over het versterken van de lerendeomgeving. Ook is de afgelopen jaren ingezet op het versneld opleiden totgespecialiseerd verpleegkundige of medische ondersteuner. Dezeopleidingen zijn modulair ingericht, en per 1 januari 2025 is het mogelijkom te bekostigen per afgeronde losse module. Op die manier kunnenzorgmedewerkers losse modules volgen, waarna zij sneller ingezetkunnen worden voor die specifieke vaardigheden.5AZWA-afspraak E4- Eerlijk speelveld in de medisch-specialistische zorg | Rapport | rijksover-heid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62316 Het flexibel inzetten van personeel – en dus breed opleiden, zoals ooiteerder door de commissie Kaljouw is betoogd – is gediend bij responsiefopleiden. Is de Minister overtuigd van dit idee en vindt de Minister datopleidingen en met name hogescholen dit in voldoende mate omarmdhebben? Is de Minister bereid om samen met de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap (OCW) hierover de Kamer op korte termijn teinformeren?Ik ben het met u eens dat flexibel en responsief opleiden een belangrijkeschakel is in het tegengaan van (verder) arbeidsmarkttekort. Zowel binnenhet mbo, hbo, de medische vervolgopleidingen als bij de om-, bij- ennascholing van zorgpersoneel is het belangrijk (toekomstige) zorg- enwelzijnsprofessionals snel, flexibel en waar passend breed te kunnenopleiden, zodat personeel flexibeler kan worden ingezet, daar waar dezorg verandert en de vraag het grootst is. Een flexibele organisatie vanom-, bij- en nascholing heeft daarnaast een positief effect op de loopbaan-mogelijkheden en daarmee ook het behoud van zorgprofessionals.Het is aan de onderwijs- en zorginstellingen om het onderwijs teflexibiliseren en innoveren, waar nodig. De overheid heeft daarin eenfaciliterende en randvoorwaardelijke rol.Zo stimuleert het Ministerie van OCW deze beweging in het initiëleonderwijs, waar zij verantwoordelijk voor is, onder andere doorvaststelling van mbo-certificaten die onderdelen erkennen voor bijvoor-beeld werkenden en werkzoekenden. Binnen de zorg en welzijn wordt hierveel gebruik van gemaakt.Het Ministerie van VWS stimuleert deze beweging in de medischevervolgopleidingen, waar zij verantwoordelijk voor is. Zo zijn de zieken-huisopleidingen voor verpleegkundigen en medisch ondersteunendpersoneel, met meerjarige subsidie van het Ministerie van VWS, door hetCollege Zorgopleidingen (CZO) in nauwe afstemming met opleiders enwerkgevers, flexibel ingericht. Concreet zijn de opleidingen nu opgedeeldin modules, gebaseerd op zogenaamde «entrusted profesional activities»(EPA’s). Dit maakt het mogelijk om naast volledige opleidingen, ook delenvan opleidingen te volgen die relevant zijn voor de werksituatie, en omeenvoudiger over te stappen naar (aanverwante) specialisaties. Dit moetbijdragen aan snellere inzetbaarheid van personeel die met de verande-ringen in de zorg mee kunnen bewegen. De bekostiging vanuit debeschikbaarheidsbijdrage voor deze manier van opleiden sluit daar vanafjanuari 2025 bij aan.In het project DUTCH, waarin een deel van het zorgonderwijs metsimulatieonderwijs wordt ingevuld, wordt ook aangesloten op de EPAstructuur.Daarnaast stimuleert de overheid het Leven Lang Ontwikkelen (LLO). In deKamerbrief van OCW, EZ en SZW is op 18 december jl. voortgangweergegeven op het Leven Lang Ontwikkelen (zie: Brief – Voortgang LLO).Vanuit het kabinet worden vervolgstappen ingezet op verbetering vandeelname aan LLO, met extra aandacht voor tekortsectoren zoals de zorg.Met het invoeren van het wetsvoorstel Leeruitkomsten zijn er veel meermogelijkheden voor hogescholen om flexibel onderwijs vorm te gevenbinnen formele opleidingen. Dat neemt niet weg dat we verkennen vanuitonze onderwijsagenda LLO hoe we in de komende jaren het onderwijsverder kunnen flexibiliseren, bijvoorbeeld door modulaire deelname aanonderdelen van opleidingen mogelijk te maken, zoals nu al kan in dederde leerweg van het mbo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62317 Ook ben ik in goed overleg met het Ministerie van OCW om de afsprakenover vernieuwend opleiden in zorg en welzijn in het AZWA concreet vormte gaan geven, zoals vernieuwende vormen van praktijkonderwijs,domeinoverstijgend samenwerken en het inbedden van actuele thema’s inopleidingen. Mijn opvolger zal de Kamer hierover informeren via deAZWA-voortgangsrapportages.Opleiden voor de zorg vraagt intense samenwerking met OCW. Immers,deels vallen opleidingen onder VWS, maar grotendeels onder OCW. Hoezou de Minister de harmonisatie tussen beide ministeries classificeren,waarbij een 10 maximale integratie en afstemming betekent en een 1nauwelijks tot geen integratie en afstemming?Beide ministeries hebben hun eigen verantwoordelijkheden. OCW isverantwoordelijk voor de initiële opleidingen. VWS is verantwoordelijkvoor de medische vervolgopleidingen en stelselverantwoordelijk voor desector zorg en welzijn. Daar waar deze verantwoordelijkheden elkaarraken, zoeken de ministeries elkaar op voor afstemming. De samen-werking op het terrein van zorg en welzijn opleidingen ervaar ik als goed.Is de Minister voorstander van verdere integratie van samenwerkingbinnen opleiden in het zorgdomein? Zou het niet beter zijn om deverantwoordelijkheid voor opleiden binnen de zorg te beleggen bij éénministerie?Het Ministerie van OCW is stelselverantwoordelijk voor de financieringvan de initiële opleidingen in zorg en welzijn. Denk aan de opleidingenGeneeskunde en Tandheelkunde. Dit past ook bij de verantwoordelijkheiddie het Ministerie van OCW heeft ten aanzien van initiële opleidingen inandere sectoren. Aangezien de (medische) vervolgopleidingen in zorg enwelzijn worden gevolgd door zorgmedewerkers die al in dienst zijn bij eenwerkgever, zijnde een zorg- of welzijnsinstelling, is het Ministerie vanVWS voor deze opleidingen verantwoordelijk. Er is nauwe samenwerkingtussen de Ministeries van OCW en VWS. In het AZWA zijn diverseconcrete afspraken gemaakt om deze samenwerking nog verder teversterken. In het beleggen van de verantwoordelijkheid voor zorgoplei-dingen bij één ministerie zie ik geen meerwaarde.Om meerdere redenen kan dit leiden tot efficiëntie en borging vankwaliteit. Bijvoorbeeld, de positie in het werkveld van zorgenaamde EPA’s(entrusted profesional activities). Zowel zorginstellingen als ook oplei-dingsinstellingen ontwikkelen en beoordelen EPA’s. Vindt de Minister diteen goede ontwikkeling? Welke regie voert de Minister of de Minister vanOCW, of beiden, op de belangrijke ontwikkelingen rondom EPA’s zodat deecht eenduidig zijn en kunnen bijdragen aan verantwoord opleiden tot hetgewenste niveau?De sector voert zelf de regie over de EPA’s. De EPA’s zijn vooralsnog alleenontwikkeld binnen de medische vervolgopleidingen voor ziekenhuisoplei-dingen voor verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel. DeMinisteries van VWS en OCW vervullen een faciliterende rol, bijvoorbeeldin het bij elkaar brengen van partijen.Zo bestaan er ook twee nauwelijks samenwerkende organisaties die dekwaliteit van opleidingen en de erkenning van nieuwe opleidingenbeoordelen met verschillende normen en kwaliteitskaders. Bij OCWvinden we de NVAO en bij VWS vinden we het CZO. Is de Minister bereidte onderzoeken of de integratie van beide organisaties mogelijk is?Genoemde leden denken dat bij integratie en duidelijkheid over kwaliteits-standaarden innovaties in opleiden voor de zorg makkelijker kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62318 worden opgepakt en zo kunnen bijdragen aan responsief opleiden enbredere en dus flexibelere inzet op de arbeidsmarkt.De CZO-erkenning en de NVAO-accreditatie kennen een ander doel. Metde NVAO accreditatie wordt bepaald of een opleiding aan de basiskwaliteitvoldoet die nodig is voor een hbo of wo diploma. Een CZO-opleiding iserkend door het College Zorgopleidingen (CZO) en erkent dat de opleidingvoldoet aan de landelijke kwaliteitseisen die gelden in de zorg. Eendergelijke erkenning kan gelden voor volledige opleidingen, maar ookvoor delen van opleidingen (niet leidend tot een hbo- of wo-graad). Beideerkenningen zijn derhalve zelfstandig van belang.OCW is verantwoordelijk voor kwaliteit van hbo- en wo-opleidingen. VWSis verantwoordelijk voor de medische vervolgopleidingen en stelselver-antwoordelijk voor de sector zorg en welzijn. Daar waar deze verantwoor-delijkheden elkaar raken, zoeken de ministeries elkaar op voorafstemming. De samenwerking op het terrein van zorg en welzijnopleidingen is goed. In een verdere integratie van deze samenwerking enhet beleggen van de verantwoordelijkheid voor erkenningen vanzorgopleidingen bij één ministerie zie ik geen meerwaarde.Tot slot lezen genoemde leden met grote verbazing dat er in relatie totregelingen die moeten bijdragen aan het verbeteren van de arbeidsmarkt,nauwelijks heldere en meetbare doelen zijn. En bovendien, dat desummiere doelen niet worden gemonitord. Met andere woorden, er isgeen beleid en men kan doen wat men wil. Er is ook geen systematischeffectonderzoek met als doel te onderzoeken hoe interventies verbeterdkunnen worden. Hier zou de Minister toch reeds actie op ondernomenhebben? Zo ja, welke acties zijn dat en kan de Minister daar de Kamer opkorte termijn over rapporteren?In de periode 2016 tot en met 2024 is met de programma’s Werken in deZorg en Toekomstbestendige arbeidsmarkt ingezet op het verminderenvan de krapte op de arbeidsmarkt. Dit werd gedaan met regelingen zoalsKwaliteitsimpuls Ziekenhuizen, SectorplanPlus en Koersen op Kansen.SEO concludeert in de periodieke rapportage dat deze programma’s enregelingen onvoldoende zijn geëvalueerd, waardoor geen hardeuitspraken zijn te doen over de effecten en resultaten van deze regelingenen dus ook niet of deze regelingen wel of niet doeltreffend en doelmatigzijn geweest.De afgelopen jaren heeft het Ministerie van VWS gewerkt aan deimplementatie van de Comptabiliteitswet 3.1. Door het toepassen van hetBeleidskompas en Beleidskeuzes uitgelegd (Comptabiliteitswet 3.1) wordtbij nieuw beleid van te voren beter nagedacht over de doeltreffendheid,doelmatigheid en hoe dit geëvalueerd gaat worden.Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden vande BBB-fractieDe leden van de fractie BBB-fractie hebben kennisgenomen van dePeriodieke rapportage «Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn». Zijhebben de volgende vragen aan de Minister.Uit de rapportage blijkt opnieuw dat personeelstekorten hardnekkig zijnen dat verschillen tussen regio’s toenemen. Vooral in krimp- en platte-landsregio’s lopen de tekorten verder op, terwijl de vraag tegelijkertijdstijgt. Kan de Minister toelichten welke concrete maatregelen wordengenomen om regionale verschillen in personeelstekorten terug te dringenen hoe borgt de Minister dat voorzieningen in regio’s niet verder wordenuitgekleed? Is de Minister bereid om regionale arbeidsmarktcijfersvoortaan structureel te koppelen aan financiële prikkels die de instroom intekortregio’s aantrekkelijker maken? Kan de Minister aangeven op welkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62319 manier hij voorkomt dat basisvoorzieningen in deze regio’s verder wordenuitgekleed door oplopende personeelstekorten?Ik herken dat personeelstekorten hardnekkig zijn en regionaal uiteenlopen,met name in krimp- en plattelandsregio’s. Daarom wordt in het IZA enAZWA gestuurd op regionale samenwerking via regiobeelden enregioplannen, met mandaat, (meetbare) resultaatafspraken en eenescalatieroute indien partijen er regionaal niet uitkomen. In de regio-plannen staat het borgen van toegankelijkheid voorop en worden concretekeuzes gemaakt over wat nodig is in de regio (passende zorg/juiste plek,digitalisering, samenwerking zorg-sociaal, etc.).De uitvoering landt vervolgens in transformatieplannen, waarin partijende afgesproken veranderingen concreet maken en realiseren. Daarmeewordt ook voorkomen dat schaarste leidt tot ongecoördineerde«uitholling» van basisvoorzieningen: de regionale opgave is leidend, metgezamenlijke afspraken over continuïteit en toegankelijkheid.Verder constateren deze leden dat de opleidingscapaciteit door de jarenheen niet is meegegroeid met de feitelijke zorgbehoefte. Studentenkunnen opleidingen niet in, stageplekken zijn schaars en de uitval in deeerste opleidingsjaren blijft hoog. De leden van de BBB-fractie vragen deMinister waarom Nederland afhankelijk blijft van tijdelijke impulsen enprojectsubsidies in plaats van een structureel en toekomstbestendigopleidingsfundament. Wanneer verwacht de Minister dat instroom enopleidingscapaciteit eindelijk in balans komen met de reële zorgvraag?De verantwoordelijkheid voor opleidingen in de sector Zorg en Welzijn ligtdeels bij het Ministerie van OCW, deels bij het Minister van VWS. HetMinisterie van OCW is verantwoordelijk voor de mbo-, hbo- enwo-opleidingen die zorgen voor de instroom in de zorg. Het Ministerie vanVWS is verantwoordelijk voor de (medische)vervolgopleidingen. Dezeopleidingen worden sinds 2013 bekostigd via het instrument beschikbaar-heidbijdrage. Bij het beschikbaar stellen van opleidingsplekken volgt hetministerie de adviezen van het Capaciteitsorgaan zoveel mogelijk op, mitsdat financieel inpasbaar is en haalbaar voor de sector (voldoendebelangstelling en toereikende opleidingscapaciteit). Het Capaciteitsorgaanadviseert over de gewenste instroom op grond van de te verwachtenzorgbehoefte. Door deze adviezen te volgen, zorgt het ministerie ervoordat de instroom in de vervolgopleidingen zoveel mogelijk in de pas blijftlopen met de zorgvraag. Zoals in de periodieke rapportage wordtbeschreven, is er verder met diverse subsidieregelingen getracht deopleidingscapaciteit in de sector te vergroten. In de meeste gevallen zijndit langlopende subsidieregelingen.Kan de Minister inzicht geven in de tekorten per opleiding, uitgesplitstnaar regio, en aangeven welke concrete stappen worden gezet om dezekloof te dichten?In het kader van het Onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn(AZW) worden regionale prognoses van de tekorten gemaakt. Het gaathierbij om prognoses voor de grotere beroepsgroepen op mbo enhbo-niveau. Deze arbeidsmarktprognoses zijn beschikbaar via www.prog-nosemodelzw.nl.Voor het merendeel van de medische vervolgopleidingen geldt dat ergeen precieze cijfers beschikbaar zijn van de tekorten per vervolgopleidinguitgesplitst per regio. Dat komt omdat het Ministerie van VWS op landelijkniveau opleidingsplaatsen beschikbaar stelt, die in aanmerking komenvoor bekostiging. Alleen voor beroepen waarvan de opleiding gefinan-cierd word door het Fonds Ziekenhuis Opleidingen (FZO), worden naastTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62320 een landelijke raming ook regionale ramingen voor het veld opgesteld.Wel stuurt het Ministerie van VWS op een evenwichtige regionaleverdeling van de beschikbaar gestelde opleidingsplaatsen medischspecialisten en voor beroepen in de GGZ. Voor de verdeling van deopleidingsplaatsen in andere sectoren zijn veldpartijen verantwoordelijk.De meeste vervolgopleidingen worden bekostigd via het instrumentbeschikbaarheidbijdrage. Daarnaast wordt de beschikbaarheidbijdragevastgesteld op basis van fte’s. Met name voor de artsenopleidingen buitenhet ziekenhuis worden niet alle instroomplaatsen ingevuld door onvol-doende belangstelling en of begeleidingscapaciteit. Veldpartijen hebbende afgelopen jaren veel energie gestoken in het werven van basisartsenvoor vervolgopleidingen in huisartsgeneeskunde, specialisten ouderenge-neeskunde, artsen verstandelijk gehandicapten verslavingsgeneeskundeen de sociale geneeskunde. Volgens het Capaciteitsorgaan blijft het nogsteeds moeilijk om meer basisartsen te bewegen voor die specialismen tekiezen. Daarnaast is er bij de vervolgopleidingen tot gespecialiseerdverpleegkundige nog een tekort aan geïnteresseerde kandidaten, hoeweler wel een lichte stijging zichtbaar is ten opzichte van een aantal jaargeleden. In de nieuwe raming van het Capaciteitsorgaan, die in december2025 is gepubliceerd, is rekening gehouden met realistische verwach-tingen, haalbaarheid en onzekerheid. In het AZWA zijn afspraken gemaaktover opleiden en scholing (leven lang leren) van professionals, eerst envooral waar tekorten het grootst zijn en waar de beweging naar devoorkant om vraagt. Onderdeel hiervan zijn de loopbaaninstrumenten,zoals de campagne Next Level Dokter voor meer instroom in opleidingenvoor artsen buiten het ziekenhuis. Daarnaast richt het Ministerie van VWSzich via strategisch opleiden op het vergroten begeleidingscapaciteit:meer, samen en anders opleiden. Bijvoorbeeld via de subsidieregelingInrichten Opleidingsstructuur Helpenden, Verzorgenden en Verpleegkun-digen.Ook zien de leden van de BBB-fractie dat werkdruk, bureaucratie en eengebrek aan professionele zeggenschap nog steeds belangrijkste redenenzijn voor uitstroom. De leden van de BBB-fractie merken op dat nieuweregelgeving vanuit VWS de administratieve druk eerder vergroot danvermindert. Zij vragen de Minister waarom het na jaren van toezeggingennog niet is gelukt om de administratieve lasten substantieel terug tedringen. Welke concrete en meetbare stappen neemt de Minister om deadministratieve last in 2026 en 2027 daadwerkelijk te halveren? Op basisvan welke indicatoren wil de Minister beoordelen of deze reductiedaadwerkelijk gerealiseerd wordt? Is de Minister bereid om een maximaalpercentage administratieve tijd vast te leggen zodat professionals hun vakweer centraal kunnen stellen?In het AZWA heb ik samen met alle betrokken partijen het doelafgesproken voor maximaal 20% administratietijd voor zorg- en welzijns-professionals in 2030. Dat doel wordt door alle betrokkenen breedonderschreven en opgepakt.Een belangrijk stap om dit te realiseren is de samenwerking van allebetrokken partijen binnen de Regiegroep Aanpak Regeldruk. Via eengezamenlijk plan van aanpak en individuele werkagenda’s wordt gewerktaan verschillende maatregelen en aan de afspraken voortkomend uit hetIZA en daarop aanvullend het AZWA. Deze richten zich onder meer op hetopschalen van doorbraakprojecten, het verminderen van regeldruk alsgevolg van machtigingen en verklaringen en het terugdringen vanverschillen in inkoop- en verantwoordingseisen. Daarnaast wordt ingezetop het opschalen van AI toepassingen en het versnellen van implemen-tatie van gegevensuitwisseling in de zorg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62321 Voor de monitoring op landelijk niveau wordt gebruik gemaakt vanbestaande landelijke CBS cijfers over de tijdsbesteding aan administratie.Zo kan de voortgang ten aanzien van de doelstelling van maximaal 20%administratietijd worden gevolgd, zonder dat dit leidt tot nieuwe of extraadministratieve lasten voor zorgmedewerkers. Op projectniveau wordeneveneens de effecten gemonitord en goede voorbeelden worden gedeeld.Conform mijn toezegging daartoe op 17 december 2025 heb ik uw Kamerop 3 februari 2026 geïnformeerd over het nieuwe plan van aanpak van deRegiegroep Aanpak Regeldruk en de individuele werkagenda’s van deleden van de Regiegroep6.Verder constateren de leden van de BBB-fractie dat de inzet van buiten-landse zorgprofessionals een steeds grotere rol speelt in het vervullen vanpersoneelstekorten. Hoewel dit tijdelijk kan helpen, mag het volgens hennooit ten koste gaan van kwaliteit, veiligheid of taalvaardigheid op dewerkvloer. Deze leden vragen de Minister hoe hij waarborgt dat versneldetoelatingsroutes, zoals het schrappen van toetsen of verkorten vantrajecten, niet leiden tot kwaliteitsverlies. Wat is op dit moment deminimale taaleis voor buitenlandse zorgprofessionals en hoe wordt dezegetoetst? Kan de Minister toelichten welke maatregelen worden genomenwanneer blijkt dat het taalniveau in de praktijk onvoldoende blijkt te zijn?Buitenlands gediplomeerden7 die in een beroep willen werken dat in deWet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) isgereglementeerd moeten de erkennings- en toelatingsprocedure voorbuitenslands gediplomeerden bij het CIBG doorlopen voordat zijzelfstandig aan de slag kunnen. Zoals eerder aan uw Kamer is gemeld isdeze erkennings- en toelatingsprocedure voor zorgmedewerkers met eendiploma van buiten de Europese Economische Ruimte (EER) (zgn.derdelanders) de afgelopen jaren versneld en gestroomlijnd8 9 10 11 12.Hierbij is gekeken naar het behoud van de patiëntveiligheid en kwaliteitvan de individuele beroepsbeoefenaar. Dit heeft daardoor niet totkwaliteitsverlies geleid. Ook het beheersen van de Nederlandse taal wasveelvuldig onderwerp van gesprek en is nader bekeken.13 Ik kan u meldendat ik de kennis van de Nederlandse taal ook van essentieel belang achtvoor een goede zorgverlening. De eisen aan diploma’s, (werk)ervaring entaalvaardigheid zijn dan ook op zodanig niveau gebleven in deerkennings- en toelatingsprocedureprocedure dat de kwaliteit enpatiëntveiligheid zijn geborgd.Buitenlands gediplomeerden met een derdelands diploma die in een BIGgereglementeerd beroep willen werken moeten zowel aantonen dat hundiploma en (werk)ervaring gelijkwaardig zijn aan de in Nederland gesteldevereisten, alsook dat zij de Nederlandse en Engelse taal in voldoendemate beheersen.14 De algemene Kennis & Vaardighedentoets (AKV-toets)6Kamerstuk 29 515, nr. 4997Buitenslands gediplomeerden zijn zorgmedewerkers die in het buitenland zijn opgeleid enaldaar een (niet-Nederlands) diploma hebben verkregen. Dit kunnen zorgmedewerkers met eendiploma van buiten de Europese Economische Ruimte (derdelanders) of zorgmedewerkers meteen Europees diploma zijn.8Kamerstuk 29 282, nr. 441.9Kamerstuk 29 282, nr. 455.10Kamerstuk 29 282, nr. 533.11Kamerstuk 29 282, nr. 551.12Kamerstuk 29 282, nr. 560.13Kamerstuk 29 282, nr. 441.14De eis voor Engelse leesvaardigheid geldt niet voor Verzorgende in de individuele gezond-heidszorg (VIG).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62322 is per 1 januari 2024 komen te vervallen15 16. Aanvragers moeten nu reedsbij indiening van hun erkenningsaanvraag bij het CIBG de gevraagdetaalcertificaten overleggen die het vereiste taalniveau aantonen. Dezewijziging heeft geleid tot een snellere procedure en kortere wachttijd voorde taaltoetsen, omdat taalcertificaten nu kunnen worden afgenomen bijeen groot aantal taalinstituten terwijl de AKV-toets slechts bij één instituutkon worden afgenomen. Ook is de regeldruk voor aanvragers verminderden zijn de kosten voor hen verlaagd. Hierbij is de verplichting om op hetjuiste niveau de taal te beheersen in stand gebleven.17Ook is de inzet van zorgmedewerkers uit de EER verkend. Voor deresultaten van deze verkenning verwijs ik u naar bijlage 6 van de eerderdoor mij genoemde brief aan uw Kamer van 6 juli 2023.18 Voor zorgmede-werkers met een Europees diploma die in Nederland in eenBIG-gereglementeerd beroep willen werken, is het aantonen van deNederlandse taalvaardigheid een harde eis voor de erkenning van hetdiploma en/of de BIG-registratie. Zij moeten eveneens bij hun aanvraagtaalcertificaten overleggen.19Met deze werkwijze is geborgd dat buitenslands gediplomeerden alleenmet een voldoende beheersing van de Nederlandse en Engelse taal in hetBIG-register kunnen worden geregistreerd en het betreffende beroepkunnen uitoefenen. In dit kader is tevens van belang dat de kwaliteit vandeze taalcertificaten wordt geborgd doordat uitsluitend certificatenworden geaccepteerd die voldoen aan de eisen zoals vermeld op dewebsite van het CIBG.20 Per beroepsniveau is het volgende taalniveauvastgesteld:•Taalniveau B1: MBO-beroepen (o.a. verpleegkundigen).•Taalniveau B2: HBO-beroepen (o.a. fysiotherapeuten, verloskundigen).•Taalniveau B2+: WO-beroepen (o.a. artsen, tandartsen, apothekers).Daarnaast blijkt uit de rapportage dat een tekort aan stageplaatsen enpraktijkbegeleiders een grote beperking vormt voor het opleiden vannieuwe professionals. Organisaties geven aan dat het door werkdruk bijnaonmogelijk is om nieuwe studenten goed te begeleiden. De leden van deBBB-fractie vragen de Minister waarom er nog geen structurele finan-ciering voor opleiden is ingevoerd, zodat organisaties niet telkensafhankelijk zijn van wispelturige subsidies. Is de Minister bereid omstructureel budget beschikbaar te stellen voor praktijkleren, zodatopleiden niet langer in conflict komt met het leveren van zorg?In het AZWA zijn afspraken gemaakt die gelden tot 2035 over hetversterken van de lerende omgeving. De meerjarenvisie voor opleidenstaat opgenomen in het AZWA (afspraak B3).Om bij te dragen aan de transitiedoelen zal snel anders gewerkt moetenworden. Opleiden en ontwikkelen is daarvoor een randvoorwaarde: eersten vooral waar tekorten grootst zijn en waar de beweging naar devoorkant om vraagt (AZWA). Het gaat om:1.Het verstevigen van de instroom;2.Het verstevigen van het aanbod van vervolg- en strategisch opleiden;3.Het voorbereiden van zorgprofessionals op het maken van debeweging naar de voorkant.15Kamerstuk 29 282, nr. 533.16Kamerstuk 29 282, nr. 551.17Kamerstuk 29 282, nr. 560.18Kamerstuk 29 282, nr. 533.19Zie de website van het CIBG: Taalvaardigheid | BIG-register20Zie de website van het CIBG: Nederlandse en Engelse taalvaardigheid | BIG-registerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62323 Uit deze AZWA afspraak volgt eveneens het structureel borgen van debeschikbare opleidingsmiddelen om zo een toekomstbestendig oplei-dingsbeleid te bereiken.De leden van de BBB-fractie lezen in de Systematische Effect Analyse dater nog steeds grote hiaten bestaan in de dataverzameling rond arbeids-markt en opleiden. Zonder goede data kan volgens hen geen enkeleffectief arbeidsmarktbeleid gevoerd worden. Zij vragen de Ministerwaarom deze data-infrastructuur na vele jaren nog steeds niet op orde isen wanneer de Kamer een volledig werkende landelijke én regionalearbeidsmarktmonitor kan verwachten. Is de Minister bereid om regionaleindicatoren structureel op te nemen, gezien de grote verschillen diezichtbaar worden tussen stedelijke en landelijke gebieden?Uit de periodieke rapportage blijkt dat er hiaten bestaan in de evaluatievan het arbeidsmarkt- en opleidingsbeleid van de afgelopen jaren. Dedataverzameling rond de arbeidsmarkt en opleiden in zorg en welzijn isechter wel zeer uitgebreid. Het Onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorgen Welzijn (AZW)21 levert al sinds 1994 betrouwbare en toegankelijkeinformatie over de arbeidsmarkt van zorg en welzijn. SEO concludeert inde periodieke rapportage dat het AZW Onderzoeksprogramma eenbelangrijke infrastructuurfunctie vervult voor de sector. In het kader vandit programma verzamelt het CBS gegevens die worden gepubliceerd opAZW StatLine22, worden arbeidsmarktprognoses gemaakt en wordt hetgebruikt van de beschikbare data gestimuleerd via onder anderefactsheets, nieuwsberichten en kennisbijeenkomsten. De arbeidsmarkt-cijfers uit het AZW Onderzoeksprogramma vormen de basis voor deMonitor AZW die beschikbaar is op het Dashboard AZW 23.De arbeidsmarktcijfers van het AZW Onderzoeksprogramma worden,indien de data het toelaten, ook op regionaal niveau beschikbaar gesteld.De regionale werkgeversorganisaties, verenigd in RegioPlus, hebben opbasis hiervan regionale dashboards ingericht genaamd Arbeidsmarkt inBeeld24.Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie de Minister om een visie op delange termijn. De rapportage schetst een buitengewoon zorgwekkendvooruitzicht richting 2030 en 2040: de zorgvraag stijgt fors, terwijl hetaantal zorgprofessionals afneemt. De leden van de BBB-fractie vinden dathet tijd is voor een wettelijk verankerd meerjarig arbeidsmarkt- enopleidingsperspectief, vergelijkbaar met het capaciteitsplan voormedische opleidingen. Is de Minister bereid om een dergelijk kader op testellen zodat zorgorganisaties, opleiders en regio’s weten waar zij dekomende jaren op kunnen rekenen en niet langer afhankelijk zijn vankortetermijnbeleid en losse maatregelen?Uit cijfers van het AZW programma blijkt dat het aantal zorgprofessionalsal jaren toeneemt. Van 1,15 miljoen in het 1e kwartaal van 2010 naar 1,37miljoen in het 1e kwartaal van 2025. Zelfs al zou het aantal zorgprofes-sional nog verder stijgen, dan nog kan waarschijnlijk niet aan de toene-mende arbeidsvraag voor de zorg worden voldaan worden. Daarnaast isook in andere (publieke) sectoren voldoende personeel nodig. In hetAZWA heb ik daarom samen met het veld afspraken gemaakt om tot enmet 2028 het stijgende arbeidsmarkttekort met 100.000 personen lager uitte laten komen.21https://www.azwinfo.nl/22https://azwstatline.cbs.nl/#/AZW/nl/23https://dashboards.cbs.nl/AZWDashboard/?_state_id_=0ad725eba58e39a424https://regioplus.nl/arbeidsmarkt-in-beeld/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62324 Daarvoor worden de komende jaren de volgende stappen gezet:•Het halveren van de administratietijd tot maximaal 20%: door hetopschalen van succesvolle doorbraakprojecten en slim gebruik van AIen gegevensuitwisseling.•Betere inzet van personeel en technologie door onder andere de(digi)vaardigheden van zorgmedewerkers te bevorderen. Ook wordt degoede samenwerking met mantelzorgers en vrijwilligers gestimuleerd.•Meer, sneller en beter opleiden. Zo investeer ik in opleiding enscholing voor buiten het ziekenhuis, omdat daar de grootste verande-ringen en tekorten worden verwacht.•Behoud medewerkers en werkplezier door werkgevers te stimulerenhet werkplezier van hun medewerkers te blijven borgen. Ik laat mehierbij inspireren door de aanpak van een aantal «voorlopende»werkgevers in zorg en welzijn. Het gaat daarbij om onderwerpen alsmeer autonomie en vertrouwen, het voorkomen van verzuim enverloop, en het tegengaan van agressie. Ook wordt ingezet op eenflexibele schil door regionaal werkgeverschap en daarmee hettegengaan van schijnzelfstandigheid.Zoals hierboven aangegeven, staat een meerjarenvisie voor opleidenopgenomen in het AZWA (afspraak B3).Om bij te dragen aan de transitiedoelen zal snel anders gewerkt moetenworden. Opleiden en ontwikkelen is daarvoor een randvoorwaarde: eersten vooral waar tekorten grootst zijn en waar de beweging naar devoorkant om vraagt (AZWA). Het gaat om:1.Het verstevigen van de instroom;2.Het verstevigen van het aanbod van vervolg- en strategisch opleiden;3.Het voorbereiden van zorgprofessionals op het maken van debeweging naar de voorkant;Uit deze AZWA afspraak volgt eveneens het structureel borgen van debeschikbare opleidingsmiddelen, om zo een toekomstbestendig oplei-dingsbeleid te bereiken. Ook is er in het AZWA afgesproken om regionaalafspraken te maken over opleiden.Beantwoording van de vragen en opmerkingen van de leden vande SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de periodiekerapportage «Arbeidsmarkt en opleidingen zorg en welzijn». Zij hebbenhier nog enkele vragen en opmerkingen over.De leden van de SP-fractie stellen dat het arbeidsmarktbeleid van deMinister de afgelopen jaren te afwachtend is geweest. Er zijn vooralprogramma’s afgeschaft, zoals het stagefonds en het programmaToekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ), zonder dat ergrote nieuwe initiatieven zijn genomen.Ondertussen worden de arbeidstekorten alleen maar groter, waarzorgverleners, patiënten en mantelzorgers de dupe van zijn. Wanneerkomt de Minister eindelijk met een ambitieuze aanpak van de personeels-tekorten in de zorg?In het AZWA ben ik ambitieuze afspraken met het veld overeengekomenom het personeelstekort met 100.000 personen minder te laten stijgen.Voor de stappen die we hiervoor gaan zetten verwijs ik naar de beant-woording van bovenstaande vraag.De leden van de SP-fractie constateren daarnaast dat de Kamer zich intweederde meerderheid heeft uitgesproken voor «een wervingscampagne[...], vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62325 werven om in de zorg te werken»25, maar dat de Minister dit weigert.Waarom wil de Minister deze stap niet zetten en komt hij daarnaast nietzelf met een volwaardig alternatief?Ik begrijp en deel de urgentie achter de oproep tot extra werving.Tegelijkertijd is een landelijke wervingscampagne op de schaal vanDefensie financieel en uitvoeringstechnisch niet haalbaar en vergt eennieuwe overheidscampagne doorgaans een aanzienlijke voorberei-dingstijd. Daarom kiest het Ministerie van VWS binnen het arbeidsmarkt-beleid voor zorg en welzijn voor een andere route die aansluit bij debeschikbare middelen en de afspraken uit het AZWA, in overleg metsociale partners en AZWA-partijen. Concreet wordt ingezet op eenlandelijke inzet gericht op loopbaanoriëntatie en zichtbaarheid via eenbreed loopbaanplatform, dat mensen ondersteunt bij het oriënteren op,instromen in en doorgroeien binnen zorg en welzijn (en daarmee ookbijdraagt aan behoud en herintrede). Het veld heeft hiervoor € 4,6 mln perjaar gereserveerd; nog dit jaar wordt een landelijk loopbaanplatformgelanceerd, met landelijke publiekscommunicatie om de doelgroepen tebereiken. Het platform bouwt op het voortzetten en integreren van vierlandelijke loopbaaninstrumenten (YouChooz, Zorginspirator, Sterk in jeWerk en Next Level Dokter), gericht op studiekiezers, studenten,werkenden, zij-instromers en herintreders; met extra aandacht voorberoepen buiten het ziekenhuis (beweging naar de voorkant). Deze routeis landelijk herkenbaar én regionaal toepasbaar (aansluitend op bestaandestructuren), en de voortgang wordt gemonitord zodat zo nodig kanworden bijgestuurd.25Kamerstuk 36 725, nr. 24Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 282, nr. 62326

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 404be1074eeec35d

14 okt 2026 · 310aee0de49a7bd6

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.