Nota van wijziging
Brontekst
Versie 387472e8aba3beaf · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202535 501Wijziging van de Wet terugkeer envreemdelingenbewaring met het oog op hethandhaven van de mogelijkheden ommaatregelen te nemen ten aanzien vanoverlastgevende vreemdelingenNr. 9 NOTA VAN WIJZIGINGOntvangen 1 september 2025 Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:Artikel I wordt als volgt gewijzigd:1.Voor onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:0AArtikel 1 wordt als volgt gewijzigd:1. Het tweede lid alsmede de aanduiding «1.» voor het eerste lidvervallen.2. In de definitie van «familie» wordt «meerderjarige» geschrapt.3. In de alfabetische rangschikking vervalt het onderdeel «kwetsbarepersonen».4. In de definitie van «niet-begeleide minderjarige» wordt «artikel 2,onder e, van richtlijn nr. 2013/33/EU van het Europees Parlement en deRaad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang vanverzoekers om internationale bescherming (PbEU L 180/96)» vervangendoor: «artikel 2, onderdeel 5, van Richtlijn nummer 2024/1346 van hetEuropees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling vannormen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming(PbEU L1/35)».5. In de definitie van «Onze Minister» wordt «Onze Minister van Justitieen Veiligheid» vervangen door «Onze Minister van Asiel en Migratie».6. In de definitie van «Raad» wordt na «de Instellingswet Raad voorstrafrechtstoepassing en jeugdbescherming» toegevoegd: «2015». kst-35501-9ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 91 7. In de alfabetische rangschikking wordt toegevoegd: «vreemdelingmet bijzondere opvangbehoeften: vreemdeling als bedoeld in artikel 2,onderdeel 14, van Richtlijn nummer 2024/1346 van het EuropeesParlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voorde opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU L1/35);».8. In de alfabetische rangschikking wordt toegevoegd: «activiteiten:activiteiten als bedoeld in de artikelen 23, 24, 25, 26 en 27;».2.Voor onderdeel B wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:0BArtikel 4 wordt als volgt gewijzigd:1. Aan het eerste lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Een inrichtingkan zijn gevestigd op verschillende locaties binnen hetzelfde arrondis-sement.2. Aan het tweede lid wordt na de eerste zin een zin toegevoegd,luidende: Onze Minister kan mandaat verlenen aan het hoofd van deDienst Justitiële Inrichtingen betreffende de hem bij of krachtens deze wettoegekende bevoegdheden tot het vaststellen van algemeen verbindendevoorschriften.3. De tweede zin van het vierde lid komt als volgt te luiden: Deaanwijzing als plaatsvervanger kan worden beperkt tot het nemen van eenin de aanwijzing bepaalde beslissing als bedoeld in artikel 5, vijfde lid,onder a, d, e en i.3.Onderdeel B wordt als volgt gewijzigd:Voor de tekst wordt een 1. geplaatst, onder toevoeging van een tweedelid, luidende:2. Aan artikel 5, vijfde lid, onder i wordt na «artikel 62» toegevoegd: «ende toepassing van de artikelen 62b, derde en vierde lid, en artikel 65,eerste en tweede lid».4.Voor onderdeel C worden de volgende onderdelen ingevoegd, luidende:0CNa artikel 7 wordt een artikel ingevoegd luidende:Artikel 7a1. De directeur stelt voor ambtenaren en medewerkers een meldcodevast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijkgeweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijsaan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.2. Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeldin artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.3. Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling alsbedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 92 4. De directeur bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgestelduit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.0CaArtikel 10 komt als volgt te luiden:Artikel 101. De Minister is de verwerkingsverantwoordelijke voor de persoonsge-gevens, waaronder bijzondere persoonsgegevens, van de vreemdeling enindien noodzakelijk van zijn bezoekers. De Minister verwerkt voornoemdegegevens indien dit noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van devreemdelingenbewaring op grond van deze wet.2. De directeur van de inrichting voor vreemdelingenbewaring voert hetbeheer over de in het eerste lid genoemde gegevens.0CbIn artikel 11, tweede lid, wordt na «Penitentiaire Beginselenwet»ingevoegd: «danwel een justitiële jeugdinrichting in de zin van deBeginselenwet justitiële jeugdinrichtingen».0CcIn artikel 13, tweede lid, wordt «families» vervangen door: «meerder-jarige familieleden».0CdIn artikel 17, vierde lid, wordt «artikel 2, onder b, van Richtlijn2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 totvaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationalebescherming (PbEU 2013, L 180/96)» vervangen door: «artikel 2,onderdeel 2, van Richtlijn nummer 2024/1346 van het Europees Parlementen de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvangvan verzoekers om internationale bescherming (PbEU L1/35)».0CeIn artikel 19, derde lid, wordt «vreemdelingen die tot een familiebehoren» vervangen door: «meerderjarige vreemdelingen die tot eenfamilie behoren».0CfIn artikel 20, eerste lid, wordt «Onze Minister kan» vervangen door:«Onze Minister en de directeur kunnen».0CgArtikel 22 wordt als volgt gewijzigd:1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.2. Er wordt een lid ingevoegd, luidende:2. Indien dit in verband met uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijkis, kan bij ministeriële regeling voor ten hoogste twee maanden wordenafgeweken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b, van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 93 bepaalde in artikel 23, eerste lid en tweede lid, onder c en den hetbepaalde in artikel 29, eerste lid. Daarbij wordt gekozen voor de voor devreemdeling minst ingrijpende afwijking. De ministeriële regeling kantelkens met ten hoogste twee maanden worden verlengd, indien deuitzonderlijke omstandigheden blijven bestaan. Indien de uitzonderlijkeomstandigheden niet meer aanwezig zijn, wordt de ministeriële regelingingetrokken.0ChIn artikel 25, derde lid, onderdeel c, wordt de puntkomma vervangendoor een punt en wordt een zin toegevoegd, luidende: Indien het verzoekdoor de vreemdeling wordt gedaan, toetst de inrichtingsarts of hetverzoek niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. Is het verzoekklaarblijkelijk van elke grond ontbloot, dan wordt het verzoek nietdoorgeleid naar een arts;.0CiArtikel 29 wordt als volgt gewijzigd:1. Het derde lid vervalt, onder vernummering van het vierde tot en metzevende lid tot het derde tot en met zesde lid.2. De tweede zin van het derde lid (nieuw) komt te luiden: De directeurkan dergelijke voorwerpen voor de duur van het bezoek in beslag doennemen tegen afgifte van een bewijs van ontvangst, dan wel aan eenopsporingsambtenaar ter hand stellen met het oog op de voorkoming ofopsporing van strafbare feiten.3. Aan artikel 29, vierde lid (nieuw), worden twee zinnen toegevoegd,luidende: Deze weigering geldt voor ten hoogste drie maanden. Deweigering kan telkens met drie maanden worden verlengd, indien degronden voor weigering nog steeds aanwezig zijn.4. Aan artikel 29, zesde lid (nieuw), worden twee zinnen toegevoegd,luidende: Om vast te stellen dat een persoon een familierechtelijkebetrekking met de vreemdeling heeft, kunnen Onze Minister en hetCentraal Orgaan opvang asielzoekers gegevens waaruit het bestaan vandie familierechtelijke betrekking blijkt op diens verzoek aan de directeurverstrekken. Deze persoonsgegevens worden niet langer bewaard dannoodzakelijk voor het doel waarvoor ze zijn bewaard en in ieder geval nietlanger dan zes maanden nadat de vreemdeling de inrichting voorvreemdelingenbewaring definitief heeft verlaten.0CjArtikel 30 wordt als volgt gewijzigd:1. Het eerste lid, komt als volgt te luiden:1. In afwijking van artikel 29, eerste lid, hebben te allen tijde toegang totde vreemdeling:a. de Raad, een commissie daaruit of leden of buitengewone ledendaarvan,b. de commissie van toezicht, of een beklagcommissie, of ledendaarvan, enc. de commissie van toezicht voor het vervoer.2. Onderdeel f van het tweede lid komt te luiden:f. de inspecteurs van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 94 3. Het derde lid komt als volgt te luiden:3. In afwijking van artikel 29, eerste lid, heeft de rechtsbijstandsverlenertoegang tot de vreemdeling tussen acht uur voormiddags en 11 uurnamiddags. Onverminderd artikel 32, derde lid, heeft de vreemdeling hetrecht om zijn rechtsbijstandsverlener te allen tijde, voor eigen rekening, tebellen.4. In het vierde lid wordt «artikel 29, zesde lid» vervangen door«artikel 29, vijfde lid» en wordt «de in het eerste en tweede lid bedoeldepersonen en instanties» vervangen door: «de in het eerste, tweede enderde lid bedoelde personen en instanties».5. Na het vierde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:5. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze vanverzending van brieven aan en door de in het eerste, tweede en derde lidgenoemde personen en instanties.0CkIn artikel 35 wordt «kwetsbare groepen» vervangen door: «vreemde-lingen met bijzondere opvangbehoeften» en wordt een zin toegevoegd,luidende: Er wordt regelmatig toezicht op deze vreemdelingen gehoudenen zij krijgen tijdig de bijstand die gezien hun specifieke situatie en hunlichamelijke en geestelijke gezondheid noodzakelijk is.0ClNa artikel 36, derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:4. Indien dit in verband met uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijkis, kan bij ministeriële regeling voor ten hoogste twee maanden wordenafgeweken van het bepaalde in het eerste lid, onder a, b en c, en hettweede lid, onder b en c. Daarbij wordt gekozen voor de voor de vreem-deling minst ingrijpende afwijking. De ministeriële regeling kan telkensmet ten hoogste twee maanden worden verlengd, indien de uitzonderlijkeomstandigheden blijven bestaan. Indien de uitzonderlijke omstandig-heden niet meer aanwezig zijn, wordt de ministeriële regelingingetrokken.0CmNa artikel 36 wordt een nieuwe afdeling ingevoegd, luidende:AFDELING 4. ONDERZOEK ASIELAANVRAAG GAAT VOOR OP RECHTENArtikel 36aIndien hij daartoe wordt opgeroepen, dient de vreemdeling hetonderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfs-vergunning als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 te laten voorgaanop de artikelen 23 en 36 van deze wet, voor zover het gaat om de rechtenop bewegingsvrijheid en dagbesteding, met dien verstande dat devreemdeling te allen tijde het recht behoudt op dagelijks verblijf in debuitenlucht.0CnArtikel 41, tweede lid, wordt «richtlijn nr. 2013/33/EU van het EuropeesParlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voorde opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013,L 180/96)» vervangen door: «richtlijn nummer 2024/1346 van het EuropeesTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 95 Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voorde opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU L1/35)».5.Onderdeel C wordt als volgt gewijzigd:1. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede tot en metvierde lid tot het eerste tot en met derde lid.2. Na het derde lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:4. Na het eerste lid wordt een lid toegevoegd, luidende:2. Indien dit in verband met uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijkis, kan bij ministeriële regeling voor ten hoogste twee maanden wordenafgeweken van het bepaalde in het eerste lid, onder sub a en d. Daarbijwordt gekozen voor de voor de vreemdeling minst ingrijpende afwijking.De ministeriële regeling kan telkens met ten hoogste twee maandenworden verlengd, indien de uitzonderlijke omstandigheden blijvenbestaan. Indien de uitzonderlijke omstandigheden niet meer aanwezigzijn, wordt de ministeriële regeling ingetrokken.6.Voor onderdeel D worden de volgende onderdelen ingevoegd:0DArtikel 45, eerste lid komt als volgt te luiden:1. De directeur kan indien dit noodzakelijk is voor de orde en veiligheidin de inrichting en de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vreemdelin-genbewaring van een vreemdeling vingerafdrukken afnemen en eengezichtsopname maken, op voorwaarde dat is voorzien in zodanigewaarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de vreemdeling nietonevenredig wordt geschaad. De directeur bewaart de biometrischegegevens niet langer dan noodzakelijk voor het doel waarvoor ze zijnverzameld en in ieder geval niet langer dan zes maanden nadat devreemdeling de inrichting voor vreemdelingenbewaring definitief heeftverlaten.0DaArtikel 47 wordt als volgt gewijzigd:1. In het derde lid, onder b, wordt «van lichaam» vervangen door «vanhet lichaam».2. Het achtste lid komt als volgt te luiden:8. De directeur kan indien dit noodzakelijk is voor de orde en veiligheidin de inrichting gezondheidsgegevens van de vreemdeling verwerken ingeval van controle van het lichaam als bedoeld in het eerste en tweedelid, op voorwaarde dat is voorzien in zodanige waarborgen dat depersoonlijke levenssfeer van de vreemdeling niet onevenredig wordtgeschaad. Deze persoonsgegevens mogen enkel worden verwerkt indienzij niet langer worden bewaard dan voor het genoemde doel noodzakelijken in ieder geval niet langer dan zes maanden nadat de vreemdeling deinrichting voor vreemdelingenbewaring definitief heeft verlaten. Bij ofkrachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voorhet verwerken van deze persoonsgegevens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 96 0DbIn artikel 50, derde lid, wordt «behoudens het dagelijks verblijf in debuitenlucht, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder e, of artikel 36, tweedelid, onder d» vervangen door: «behoudens het dagelijks verblijf van eenuur in de buitenlucht bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder d».0DcIn artikel 54, tweede lid, wordt «stoornis van de geestesvermogens»vervangen door: «psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening ofverstandelijke handicap».0DdArtikel 57 wordt als volgt gewijzigd:1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.2. Er wordt een lid ingevoegd, luidende:2. Indien de brieven of andere poststukken afkomstig zijn van ofbestemd zijn voor de in artikel 30, eerste, tweede en derde lid, enartikel 31 genoemde personen of instanties, geschiedt dit onderzoek inaanwezigheid van de betrokken vreemdeling.0DeAan artikel 59 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:4. De vreemdeling kan zich niet beroepen op zijn rechten op bewegings-vrijheid en dagbesteding als genoemd in de artikelen 23, 36 en 43 vandeze wet gedurende de periode dat hij de inrichting op grond van heteerste lid verlaat.0DfIn artikel 62 wordt onder vernummering van het derde tot en met vijfdelid tot het vierde tot en met zesde lid, een derde lid ingevoegd, luidende:3. De directeur kan voor feiten als bedoeld in het eerste lid, meer danéén maatregel opleggen, met dien verstande dat de in het eerste lidonder a en c genoemde straffen slechts kunnen worden opgelegd voorzover zij tezamen niet langer duren dan twee weken.0DgNa artikel 62 worden twee artikelen ingevoegd luidende:Artikel 62a1. De directeur kan, indien dit ter bescherming van de geestelijke oflichamelijke toestand van de vreemdeling noodzakelijk is, bepalen dat devreemdeling die in een strafcel verblijft, dag en nacht door middel van eencamera wordt geobserveerd.2. Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies in van een gedragsdes-kundige onderscheidenlijk de inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kanworden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedigmogelijk na zijn beslissing in.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 97 Artikel 62b1. Een disciplinaire maatregel kan geheel of ten dele voorwaardelijkworden opgelegd. De proeftijd bedraagt ten hoogste drie maanden.2. De directeur stelt in elk geval als voorwaarde dat de vreemdeling zichonthoudt van het plegen van feiten die onverenigbaar zijn met de orde ofde veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoer-legging van de vreemdelingenbewaring. De directeur kan anderevoorwaarden aan het gedrag van de vreemdeling stellen. De opgelegdevoorwaarden worden vermeld in de mededeling, bedoeld in artikel 69,eerste lid.3. Bij het overtreden van een voorwaarde binnen de proeftijd kan dedirecteur bepalen dat de opgelegde voorwaardelijke disciplinairemaatregel geheel of ten dele ten uitvoer wordt gelegd.4. De directeur kan een onvoorwaardelijke disciplinaire maatregelgeheel of ten dele omzetten in een voorwaardelijke disciplinairemaatregel.0DhIn artikel 64, eerste lid, wordt «behoudens het dagelijks verblijf in debuitenlucht, bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder e, of 36, tweede lid,onder d.» vervangen door: «behoudens het dagelijks verblijf van een uurin de buitenlucht bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder d.»0DiArtikel 66 komt als volgt te luiden:Artikel 661. De directeur kan van de vreemdeling die in bewaring is genomen opgrond van artikel 59 of 59c Vreemdelingenwet 2000, en van zijn bezoeker,de volgende persoonsgegevens waaruit nationaliteit, ras of etnischeafkomst blijken en andere persoonsgegevens verwerken, voor zover deverwerking van deze bijzondere en andere persoonsgegevens noodza-kelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit ennationaliteit van de vreemdeling ten behoeve van de terugkeer en dezeinformatie niet op een andere wijze kan worden verkregen:a. nummers als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet diede vreemdeling benadert of van waaraf hij wordt benaderd;b. naam en nationaliteit van bezoekers van de vreemdeling, metuitzondering van het bezoek, bedoeld in de artikelen 29, zesde lid, 30 en31;c. gegevens ontleend aan de door de vreemdeling bij binnenkomst in deinrichting meegevoerde en gedurende het verblijf in de inrichtingingevoerde of per post ontvangen voorwerpen. De vreemdeling wordt inde gelegenheid gesteld aanwezig te zijn bij het onderzoek aan dezevoorwerpen.2. De directeur kan de in het eerste lid bedoelde gegevens verstrekkenaan de Minister van Justitie en Veiligheid ten behoeve van de terugkeervan de vreemdeling.3. De directeur bewaart de persoonsgegevens bedoeld in het eerste lidniet langer dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor zij zijn verzamelden in ieder geval niet langer dan zes maanden nadat de vreemdeling deinrichting voor vreemdelingenbewaring definitief heeft verlaten. Indien devreemdeling vóór het verstrijken van de in de eerste volzin genoemdetermijn opnieuw in vreemdelingenbewaring wordt gesteld, blijven degegevens bewaard gedurende de vreemdelingenbewaring. Na opheffinghiervan gaat de in de eerste volzin genoemde termijn opnieuw lopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 98 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de verwerking van de persoonsgegevens, bedoeld inhet eerste lid, waaronder de wijze waarop de vreemdeling van hetdoorzoeken op de hoogte wordt gesteld, en de wijze waarop hetdoorzoeken plaatsvindt.0DjArtikel 68 wordt als volgt gewijzigd:1. In het eerste lid worden onder vervanging van de punt aan het slotvan onderdeel i. door een puntkomma twee onderdelen ingevoegd,luidende:j. de overplaatsing van een vreemdeling naar een andere locatie binnendezelfde inrichting;k. de observatie door middel van een camera, bedoeld in de artikelen 51en 62a.2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lidingevoegd, luidende:2. Zo nodig geschiedt het horen van de vreemdeling met bijstand vaneen tolk. Van het horen van de vreemdeling wordt aantekening gehouden.3. In het derde lid (nieuw) wordt «het eerste lid kan op de onderdelen b,c, d, e, f en g» vervangen door «het eerste lid kan op de onderdelen b, c,d, e, f, g, j en k».7.Onderdeel D wordt als volgt gewijzigd:De zin «Aan artikel 69 worden twee leden toegevoegd:» wordtvervangen door: Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:1. In het tweede lid wordt «artikel 29, vijfde lid» vervangen door»:artikel 29, vierde lid».2. Na het derde lid worden twee leden toegevoegd, luidende:8.Na onderdeel D worden de volgende onderdelen ingevoegd, luidende:DaOnder vervanging van de punt aan het slot van artikel 72, eerste lid,onder b, door een komma, wordt een zinsnede toegevoegd, luidende:«met uitzondering van de ministeriële regelingen genoemd in artikel 22,tweede lid, artikel 36, vierde lid, en artikel 43, tweede lid.».DbOnder vervanging van de punt aan het slot van artikel 73, eerste lid,door een komma, wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: «metuitzondering van een beslissing tot het verwerken van persoonsgegevensop grond van artikel 29, zesde lid, 45, 47 en 66.»Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 99 DcOnder vervanging van de punt aan het slot van artikel 74 door eenkomma, wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: «met uitzondering vande ministeriële regelingen genoemd in artikel 22, tweede lid, artikel 36,vierde lid, en artikel 43, tweede lid.».DdIn artikel 82, derde lid, onder c wordt «het vernietigde beslissing»vervangen door «de vernietigde beslissing».DeArtikel 85 wordt als volgt gewijzigd:1. In het tweede lid wordt na «drie leden» ingevoegd «of buitengewoneleden».2. Onder vernummering van het derde lid tot het vijfde lid worden tweeleden ingevoegd, luidende:3. De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de beroeps-commissie die een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht is,kan het beroepschrift enkelvoudig afdoen indien hij het beroep kennelijkniet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht, met dienverstande dat hij tevens de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter vande voltallige beroepscommissie toekomen.4. De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid, bedoeld in hetderde lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de voltalligeberoepscommissie.DfIn artikel 91, eerste lid, wordt na «drie leden» ingevoegd «of buiten-gewone leden».9.Onderdeel E wordt vervangen door:Artikel 99 wordt als volgt gewijzigd:1. Onderdeel A wordt vervangen door: Artikel 1 wordt als volgtgewijzigd:In de alfabetische rangschikking wordt ingevoegd:vreemdeling met bijzondere opvangbehoeften: vreemdeling als bedoeldin artikel 2, onderdeel 14, van de Opvangrichtlijn;2. Onderdeel B komt als volgt te luiden:BArtikel 6 wordt als volgt gewijzigd:1. Het vierde en vijfde lid vervallen, onder vernummering van het zesdeen zevende lid tot vierde en vijfde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 910 2. In het vierde lid (nieuw) wordt «Artikel 59, vijfde en zesde lid, is vanovereenkomstige toepassing.» Vervangen door: «De artikelen 58, tweedeen derde lid, 58a en 59, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstigetoepassing.»3. In het vijfde lid (nieuw) wordt «het zesde lid» vervangen door: «vierdelid».3. Onderdeel D wordt vervangen door: Artikel 50 wordt als volgtgewijzigd:1. Het tweede tot en met het vijfde lid worden vervangen door:2. Een persoon mag worden overgebracht naar een plaats bestemdvoor verhoor of een andere plaats bestemd voor screening en vervolgensaldaar worden opgehouden, indien:a. de identiteit van een persoon niet onmiddellijk kan worden vastge-steld; ofb. de identiteit onmiddellijk kan worden vastgesteld en blijkt dat depersoon geen rechtmatig verblijf heeft, dan wel rechtmatig verblijf nietonmiddellijk blijkt; ofc. indien dit noodzakelijk is voor de toepassing van artikel 7 van deScreeningsverordening.3. De ophouding, bedoeld in het tweede lid, onder a en b, duurt tenhoogste negen uur en is gericht op identiteitsvaststelling, het bepalen vande verblijfsrechtelijke status van betrokkene en de afweging om al danniet vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59 toe te passen. Detijd tussen middennacht en negen uur voormiddags wordt hierbij nietmeegerekend.4. Indien nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehoudenpersoon geen rechtmatig verblijf heeft, danwel de afweging om al danniet vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59 toe te passen nogniet is afgerond, kan de in het derde lid bedoelde termijn door deCommandant der Koninklijke marechaussee respectievelijk de korpschefin het belang van het onderzoek met ten hoogste achtenveertig uurworden verlengd.5. De ophouding, bedoeld in het tweede lid, onder c, duurt overeen-komstig artikel 8, vierde lid, van de Screeningsverordening, niet langerdan 72 uur.2. Onder vernummering van het zesde lid tot achtste lid, worden tweenieuwe leden ingevoegd, luidende:6. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd deopgehouden persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken,alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken.7. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren hebben de bevoegdheden,bedoeld in het zesde lid, eveneens ten aanzien van een in vreemdelingen-bewaring gestelde vreemdeling, voor zover dit noodzakelijk is voor hetverkrijgen van informatie omtrent de identiteit, de nationaliteit en deverblijfsrechtelijke positie van de desbetreffende vreemdeling.4. Onderdeel H wordt geschrapt.5. In onderdeel J, wordt aan artikel 58, eerste lid, een zin toegevoegd,luidende: In het besluit tot bewaring vermeldt Onze Minister de feitelijkeen juridische gronden waarop de bewaring is gebaseerd en de reden datgeen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen wordentoegepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 911 10.Onderdeel F komt als volgt te luiden:FIn artikel 99, onderdeel K, wordt artikel 58a als volgt gewijzigd:1. In het eerste lid wordt «vreemdeling die in een bijzondere ofkwetsbare positie verkeert» vervangen door: «vreemdeling met bijzondereopvangbehoeften» en wordt «in een bijzondere of kwetsbare positieverkeert» vervangen door: «bijzondere opvangbehoeften heeft».2. In het tweede lid wordt «in verband met zijn bijzondere of kwetsbarepositie onredelijk bezwarend zou zijn» vervangen door: zijn lichamelijkeen geestelijke gezondheid ernstig in gevaar zou brengen».11.Onderdeel G komt te luiden:GArtikel 99, onderdeel M, komt te luiden:MArtikel 59 komt als volgt te luiden:Artikel 591. De vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft, niet zijndeeen gemeenschapsonderdaan, kan door Onze Minister met het oog op deuitzetting in vreemdelingenbewaring worden gesteld, indien:a. er een risico op onttrekking bestaat, ofb. de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijde-ringsprocedure ontwijkt of belemmert.2. De vreemdelingenbewaring duurt zo kort mogelijk, maar in iedergeval niet langer dan zes maanden.3. In afwijking van het tweede lid, kan de vreemdelingenbewaring tenhoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien deuitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zalvergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting ofde daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.12.Na onderdeel G wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:GaIn artikel 99, wordt onderdeel N geschrapt.13.Onderdeel H komt als volgt te luiden:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 912 HIn artikel 99, onderdeel O, komt de aanhef te luiden: Artikel 59c wordtvervangen door:14.Onderdeel J komt als volgt te luiden:JIn artikel 99, onderdeel O, wordt artikel 60 geschrapt.15.Onderdeel M komt als volgt te luiden:MArtikel 99, onderdelen U en V, komen te luiden:UIn artikel 108, eerste lid, wordt «58, eerste lid,» geschrapt.VIn artikel 109, vierde lid, wordt «59, derde lid,» geschrapt.16.Na onderdeel M, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:NNa artikel 100, wordt een artikel ingevoegd, luidende:Artikel 100aIn artikel 429a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt«danwel» vervangen door een komma en wordt na «Beginselenwetjustitiële jeugdinrichtingen» ingevoegd: «danwel de Wet terugkeer envreemdelingenbewaring.».TOELICHTING I. ALGEMEEN DEEL 1. Aanleiding Deze nota van wijziging, die ik mede namens de Minister van Justitie enVeiligheid indien, wijzigt de novelle1 bij het wetsvoorstel Wet terugkeer envreemdelingenbewaring (hierna ook: Wtvb)2. Het wetsvoorstel Wetterugkeer en vreemdelingenbewaring kent een lange voorgeschiedenis.Het wetsvoorstel werd in april 2013 toegezegd door toenmalig Staatsse-cretaris Teeven. Het werd in 2015 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het1Kamerstukken II 2019/20, 35 501, nr. 2.2Kamerstukken II 2015/16, 34 309, nr. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 913 wetsvoorstel is En in juni 2018 met een zeer ruime meerderheid in deTweede Kamer aanvaard en ingediend bij de Eerste Kamer.Een in de Eerste Kamer gehouden deskundigenbijeenkomst en actueleontwikkelingen noopten in 2019 tot het indienen van een novelle bij hetwetsvoorstel.3 Deze novelle werd op 20 juni 2020 bij de Tweede Kameringediend en de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer isopgeschort totdat de novelle de Eerste Kamer zou hebben bereikt. Denovelle is door de Tweede Kamer in februari 2021 evenwel controversieelverklaard. Met de start van het kabinet Rutte IV is dit onderwerp weeropgepakt. De nota van wijziging is voor de zomer van 2023 in consultatiegegeven. Onder het kabinet Schoof is de nota van wijziging voor adviesvoorgelegd aan de Raad van State en voor de zomer van 2025 bij deTweede Kamer ingediend.Gelet op het grote tijdsverloop dat de wetsbehandeling inmiddels inbeslag neemt, zijn bepaalde onderdelen van het wetsvoorstel Wetterugkeer en vreemdelingenbewaring verouderd en ontbreken eronmisbare voorzieningen. Deze nota van wijziging beoogt hetwetsvoorstel weer bij de tijd te brengen. Deze nota van wijziging bevatdaartoe hoofdzakelijk technische wijzigingen van de novelle. Op devolgende onderdelen is in wijziging voorzien:a. Het wetsvoorstel wordt in overeenstemming gebracht met deAlgemene Verordening Gegevensbescherming (AVG);b. Het wetsvoorstel wordt in overeenstemming gebracht met deUitvoerings- en Implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026;c. Er wordt een bevoegdheid opgenomen om in uitzonderlijke omstan-digheden voor ten hoogste twee maanden af te wijken van onder meerhet aantal uren dat de vreemdeling vrij mag bewegen in de inrichting;d. Verankerd wordt dat de afspraken die de vreemdeling in het kadervan het asielproces heeft vóór gaan op enkele rechten uit de Wtvb;e. De Wtvb wordt in overeenstemming gebracht met relevantewijzigingen in de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) en andere relevanteonderdelen van de Pbw;f. Er is voorzien in aanpassing op enkele punten ten behoeve van deuitvoerbaarheid;g. Er wordt voorzien in enkele redactionele en wetstechnische wijzi-gingen.Met deze wijzigingen wordt beoogd te voorzien in een wetgevings-pakket dat recht doet aan het uitgangspunt van een humane vreemdelin-genbewaring, waarbij tegelijkertijd daadkrachtig kan worden opgetredentegen personen die overlast veroorzaken, zowel in als buiten een locatievan vreemdelingenbewaring.LeeswijzerDe hiervoor genoemde onderdelen a, b en g bevatten technischewijzigingen die geen materiële wijziging beogen. Zo bevat onderdeel gwijziging van een aantal verouderde termen, omdat ze bijvoorbeeldverwezen naar wetten die inmiddels zijn vervallen. De AVG stelt andereeisen aan wetgeving die grondslagen bevat voor gegevensverwerking. Dewijzigingen uit deze nota van wijziging genoemd onder punt a beogen deartikelen in de Wtvb AVG-proof te maken, zonder de bedoeling of destrekking van het artikel te wijzigen.3Kamerstukken II 2019/20, 35 501, nr. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 914 Datzelfde geldt grosso mode voor de wijzigingen als gevolg van deUitvoerings- en implementatiewet Asiel en migratiepact (genoemdonder b). In de Wtvb werd nog verwezen naar definities uit de huidigeOpvangrichtlijn, terwijl met ingang van 12 juni 2026 als gevolg van hetGeas de herschikte Opvangrichtlijn van toepassing zal zijn. Die verwij-zingen zijn daarom vervangen. Ook leidt bijvoorbeeld het vervangen vande Dublinverordening door de Asiel- en migratiebeheerverordening er toedat enkele artikelleden uit de Wtvb die betrekking hadden op de Dublin-verordening zijn geschrapt.Onderdeel e (aanpassen aan relevante wijzigingen Pbw) bevatweliswaar inhoudelijke wijzigingen aan de Wtvb. Het gaat echter om hetgelijk trekken van vrijwel gelijkluidende artikelen met de Pbw; bijvoor-beeld over de wijze waarop de Raad voor Strafrechtstoepassing enJeugdbescherming (RSJ) haar werk doet. Met deze wijziging aan de tekstvan de wet, is geen sprake van een wijziging ten opzichte van de huidigepraktijk en wordt de bestaande werkwijze in de uitvoering dus bestendigd.De onderdelen c, d en f bevatten inhoudelijke wijzigingen. Om de wetuitvoerbaar te maken, was het nodig deze wet op enkele punten aan tepassen. Het gaat om het opnemen van een voorziening voor uitzonderlijkeomstandigheden, het regelen dat afspraken die de vreemdeling in hetkader van het asielproces heeft vóór gaan op enkele rechten uit de Wtvb,het beperken van de fysieke toegang van rechtsbijstandverleners tot devreemdeling tot de dag, het verlengen van de ophoudingsduur exartikel 50 Vreemdelingenwet (Vw) 2000 en een aanpassing in deprocedure om detentieongeschiktheid te laten beoordelen.2. Hoofdlijnen van deze nota van wijziging De wijzigingen worden hieronder per onderdeel kort toegelicht.a. De Wtvb wordt in overeenstemming gebracht met de AVG De Wtvb is bij de Tweede Kamer ingediend op 30 september 2015. Ditwas voor het van toepassing worden van de AVG op 25 mei 2018. Om deWtvb in lijn te brengen met de AVG is voorzien in een nieuw artikel 10Wtvb waarin is geregeld dat de Minister (bijzondere) persoonsgegevensvan de vreemdeling kan verwerken voor zover dit noodzakelijk is voor detenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring op grond van deze wet.De directeur van de inrichting voor vreemdelingenbewaring voert hetbeheer over deze persoonsgegevens.De Wtvb kende reeds een aantal grondslagen om persoonsgegevens teverwerken, te weten in de artikelen 29, 45, 47, 66 en 70. Deze artikelenworden herzien om ze in lijn te brengen met de AVG. Waar nodig is diegrondslag voor gegevensdeling in overeenstemming gebracht metartikel 5 van de AVG waarin onder meer wordt bepaald dat verwerkingrechtmatig, behoorlijk, transparant en noodzakelijk voor welbepaalde,uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden dient te zijn.Verder is op een drietal punten voorzien in een grondslag voorverwerking van bijzondere persoonsgegevens (artikel 45, eerste lid,artikel 47 en 66). Omdat het verwerken van bijzondere persoonsgegevensin beginsel verboden is, is voorzien in een uitdrukkelijke en welbepaaldegrondslag voor de verwerking van deze bijzondere persoonsgegevens, isdeze voorzien van waarborgen en wordt hieronder in de artikelsgewijzetoelichting uitgelegd waarom verwerking van deze bijzondere persoons-gegevens toch is toegestaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 915 b. Wijzigingen als gevolg van het Asiel- en migratiepactMigratiepact Op 11 juni 2024 is het nieuwe Geas, ook wel bekend als het Asiel- enmigratiepact (hierna: Geas), in werking getreden. Het bestaat uit éénrichtlijn en negen verordeningen, waaronder de herschikteOpvangrichtlijn (EU) 2024/13464 en de Procedureverordening (EU)2024/13485. Het Asiel- en migratiepact is per 12 juni 2026 van toepassing,met uitzondering van de Kwalificatieverordening en de Asiel- en migratie-beheerverordening die per 1 juli 2026 van toepassing zijn. Het Geas is eenomvangrijk pakket aan regels dat noopt tot een ingrijpende wijziging vande Vreemdelingenwet 2000. De wijzigingen die hiertoe noodzakelijk zijn,worden uitgevoerd en geïmplementeerd met de Uitvoerings- en imple-mentatiewet Asiel en migratiepact.De Wtvb behoeft echter ook aanpassing als gevolg van de Uitvoerings-en implementatiewet Asiel en migratiepact. De Afdeling advisering van deRaad van State heeft hiervoor ook aandacht gevraagd in haar advies. DeWtvb, die in 2015 bij de Tweede Kamer is ingediend, bevat deels eenher-implementatie van de Opvangrichtlijn6. Omdat de huidigeOpvangrichtlijn 2013/33/EU met het Geas wordt vervangen door deherschikte Opvangrichtlijn 2024/1346, was het noodzakelijk om de Wtvbop een aantal punten aan te passen. Daarnaast zorgden de komst van deScreeningsverordening en het vervangen van de Dublinverordening doorde Asiel- en migratiebeheerverordening er voor dat voorgesteldewijziging aan de Vw 2000 dienden te worden aangepast. Hieronder volgteen overzicht van de wijzigingen die als gevolg van de Uitvoerings- enimplementatiewet Asiel en migratiepact zijn aangebracht middels dezenota van wijziging. In de artikelsgewijze toelichting hieronder staat perartikellid of onderdeel toegelicht waar de wijziging uit voortvloeit en,indien aan de orde, waarom er voor is gekozen de wijziging op dezemanier vorm te geven.Het gaat om de volgende artikelen:– Wijziging van de definities in artikel 1 Wtvb en artikel 1 Vw 2000: dedefinitie van «kwetsbare personen» is geschrapt, in de definitie vanniet-begeleide minderjarige is de verwijzing naar de huidigeOpvangrichtlijn 2013/33 vervangen door de herschikte Opvangrichtlijn2024/1346 en er is een definitie van «vreemdeling met bijzondereopvangbehoeften» toegevoegd.– In de artikelen 17, vierde lid, Wtvb en 41, tweede lid, Wtvb, is deverwijzing naar de huidige Opvangrichtlijn 2013/33 vervangen door deherschikte Opvangrichtlijn 2024/1346.– In artikel 35 Wtvb is het begrip «kwetsbare groepen» vervangen door«vreemdelingen met bijzonder opvangbehoeften» en is het artikel ook inmaterieel opzicht in overeenstemming gebracht met artikel 13, eerste lid,derde alinea, herschikte Opvangrichtlijn 2024/1346. Dit geldt ook voor devoorgestelde wijziging aan artikel 58a Vw 2000.– In het voorgestelde artikel 50 Vw 2000 zijn noodzakelijke aanpassingals gevolg van de Screeningsverordening opgenomen.– Het met de novelle voorgestelde artikel 56a en 57 Vw 2000 zijngeschrapt.4Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 totvaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.5Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 totvaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in deUnie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU.6Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststellingvan normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 916 – Het voorgestelde artikel 59a Vw 2000 en artikel 60 Vw 2000 zijn alsgevolg van de Asiel- en migratiebeheerverordening geschrapt.– Tot slot was het nodig om een aantal verwijzingen aan te passen,bijvoorbeeld omdat verwezen werd naar artikelen die met deze nota vanwijziging zijn geschrapt.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat niet is voorzien in samen-loopbepalingen met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel enmigratiepact. Er is voor gekozen om de artikelen uit de Wtvb direct aan tepassen aan het Geas. Het Geas wordt van toepassing met ingang van12 juni 2026. Gekozen wordt voor samenloopbepalingen met de Wtvb ophet moment dat onzeker zou zijn of de Wtvb eerder in werking zal tredendan de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel en migratiepact. De kansdaarop is gering. Niet met zekerheid valt te zeggen hoeveel tijd behan-deling van de Wtvb in het parlement zal kosten. Gelet op de inmiddelsflinke omvang en complexiteit van het wetsvoorstel en vanuit eenoogpunt van zorgvuldige wetsbehandeling, is wel aannemelijk (ennoodzakelijk) dat dit enige tijd in beslag zal nemen, waarbij eerdergedacht moet worden aan een half jaar tot een jaar dan een korteretijdspanne. Daar komt bij dat DJI heeft aangegeven na aanname van dewet nog ongeveer een jaar nodig te hebben om de wet te implementeren,om de wet op een goede wijze te kunnen uitvoeren.In het onwaarschijnlijke geval dat de Wtvb toch eerder in werking zoutreden voor 12 juni 2026, zou dat er toe leiden dat de uitvoering voor eenhele korte tijdspanne geconfronteerd wordt met wijzigingen die slechtsenkele maanden gelding hebben en met het van toepassing worden vanAsiel- en Migratiepact weer worden gewijzigd. Dat acht het kabinetonwenselijk voor de uitvoering, mede gelet op het grote aantal wijzi-gingen dat met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel en migra-tiepact reeds op de uitvoering afkomt. Tegen die achtergrond is er voorgekozen om in de Wtvb geen samenloopbepalingen met de Uitvoerings-en implementatiewet Asiel en migratiepact op te nemen maar de Wtvb zonodig gelijktijdig met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel enmigratiepact in werking te laten treden, te meer omdat dat het toch alcomplexe wetgevingsproces nog complexer zou maken.c. Een afwijkingsmogelijkheid in uitzonderlijke omstandigheden In de Wtvb wordt middels deze nota van wijziging voorzien in eenafwijkingsmogelijkheid voor het geval dat uitzonderlijke omstandighedenmaken dat een directeur in redelijkheid niet kan worden gehouden tevoldoen aan enkele verplichtingen uit de Wtvb. Op deze bevoegdheid zijnin de consultatie veel reacties gekomen en ook de Afdeling advisering vande Raad van State had enkele vragen over deze bevoegdheid. Die hebbentot onderstaande, aangevulde toelichting geleid.Wanneer is sprake van uitzonderlijke omstandigheden?Een belangrijke reden voor de introductie van de hier voorgesteldemogelijkheid om in uitzonderlijke omstandigheden af te wijken van enkelerechten van de vreemdeling is dat in de Wtvb, anders dan de Pbw, isgekozen voor een maximale insluitingsduur op de kamer. De artikelen 22,eerste lid, onder b, Wtvb juncto 36, eerste lid, onder a, Wtvb, junctoartikel 43, eerste lid, onder a, Wtvb regelen voor de verschillende regimeshoeveel uren de vreemdeling maximaal mag worden ingesloten en dusook hoeveel uur zij minimaal moeten worden uitgesloten. Juist vanwegede bestuursrechtelijk aard van de vreemdelingenbewaring is op dit puntgekozen voor meer bewegingsvrijheid voor vreemdelingen in bewaringdan voor mensen die op strafrechtelijke titel zijn gedetineerd. Om deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 917 vreemdeling in bewaring daadwerkelijk van deze ruimere bewegings-vrijheid te laten genieten, moet er onder meer voldoende personeel in deinrichting aanwezig zijn en moeten er passende voorzieningen zijn.De coronapandemie heeft ons geleerd dat zich uitzonderlijke omstan-digheden kunnen voordoen, waardoor voldoende personele inzet voordeze minimale uitsluiting ontbreekt. Besmettingen binnen een inrichtingvoor vreemdelingenbewaring kunnen grote gevolgen hebben voormedewerkers en vreemdelingen, gelet op het gesloten karakter van dezeinrichtingen. Ook zou het onder de Wtvb niet mogelijk zijn geweest omgrote groepen vreemdelingen op de afdeling te laten verblijven, terwijl zijtegelijkertijd de veilige afstand of de beperking van de groepsgrootte inacht namen. In diezelfde periode was het ook noodzakelijk om beper-kingen aan het bezoek aan te brengen om de verdere verspreiding van hetvirus te voorkomen. De Wtvb en de novelle voorzien niet in diemogelijkheid.Omdat de coronapandemie ons ook heeft geleerd dat zich ingrijpendegebeurtenissen kunnen voordoen die wij niet voorzien, is gekozen voor determ «uitzonderlijke omstandigheden». Te denken is in dit verband aanhet zich voordoen van een pandemie, maar de bevoegdheid is dusuitdrukkelijk ook bedoeld voor andere omstandigheden dan eenpandemie, die uitzonderlijk zijn en nu niet zijn te voorzien. Daarbij valtbijvoorbeeld te denken aan de situatie waarbij activiteitenruimtes ofbezoekzalen voor langere tijd buiten gebruik raken door brand- ofstormschade. Een dergelijke situatie vormt een gebouwelijke beperkingdie het bieden van een volledig dagprogramma onmogelijk maakt. Daarbijis relevant om op te merken dat afwijken van de minimumnormen voorhet dagprogramma niet per definitie hoeft te betekenen dat een recht inzijn geheel komt te vervallen. Vanwege de proportionaliteit zal bij eenafwijking worden nagegaan of compenserende maatregelen mogelijk zijn,bijvoorbeeld door bezoek te vervangen door beeldbellen. Niet als zodanigkwalificeert bijvoorbeeld een tekort aan personeel als gevolg van krapteop de arbeidsmarkt. Dit is immers een situatie die, hoe vervelend ook, vantevoren voorzienbaar is. Anders kan het zijn als een tekort aan personeelhet gevolg is van een plotseling uitgebroken pandemie.Gelet op het voorgaande is het noodzakelijk om een bevoegdheid in deWtvb op te nemen om in uitzonderlijke omstandigheden af te wijken vanenkele rechten in de Wtvb.Hoe verhoudt de voorgestelde bevoegdheid zich tot reeds bestaandebevoegdheden?Het kabinet is zich er van bewust dat de Wtvb meerdere bevoegdhedenkent die een inmenging in de vrijheid van de betreffende vreemdelingbetekenen. Deze bevoegdheden kunnen in verschillende situaties wordentoegepast, waarbij op de specifieke situatie toegesneden voorwaardenvan toepassing zijn en de bevoegdheid afhankelijk van de mate vaningrijpendheid aan verschillende personen toekomt.Ook deze andere bevoegdheden in de Wtvb vormen een inmenging inde grondrechten van vreemdelingen en zouden mogelijk soelaas kunnenbieden als zich problemen voordoen. Vooropgesteld wordt dat in hetgeval een individuele besmetting met een besmettelijke ziekte in deinrichting wordt vastgesteld, protocollen worden ingezet om verdereverspreiding binnen de inrichting tegen te gaan. In dergelijke gevallen kaninderdaad gebruik worden gemaakt van individuele vrijheidsbeperkendemaatregelen als onder meer bedoeld in artikel 54 Wtvb en is inzet van debevoegdheid uit artikel 22, artikel 36 en 43 niet aan de orde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 918 De afwijkingsmogelijkheden die reeds in de Wtvb zijn opgenomenvolstaan in algemene zin niet bij de hiervoor genoemde «uitzonderlijkeomstandigheden», omdat deze beperkingen stellen aan de omstandig-heden waarin ze kunnen worden toegepast, de tijdsduur en het toepas-singsbereik waarvoor die kunnen worden ingezet. Op voorhand kan ergelet op de onvoorzienbare aard van de uitzonderlijke omstandighedenwaar deze afwijkingsmogelijkheid voor zou kunnen worden toegepast nietvanuit worden gegaan dat de betreffende omstandigheden binnen dekaders van deze bevoegdheden vallen.De bevoegdheid om een vreemdeling uit te sluiten van activiteiten(artikel 49 Wtvb) of in afzondering te plaatsen (artikel 50 Wtvb) is eenbevoegdheid van de directeur, gericht op de individuele vreemdeling envraagt om een beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van devreemdeling. Een dergelijke maatregel mag ten hoogste voor de duur vantwee weken worden opgelegd en telkenmale met twee respectievelijk éénweek worden verlengd. Dit kader volstaat niet om de eerdergenoemdemaatregelen op inrichtingsniveau te kunnen treffen die ten tijde vanbijvoorbeeld de coronapandemie noodzakelijk waren of bij langdurigebrandschade aan een bezoekzaal noodzakelijk zullen zijn. De tijdsduur is tekort en bovendien is het maken van een individuele beslissing voor elkevreemdeling, die elke twee weken moet worden verlengd, te arbeidsin-tensief.De bevoegdheid van de directeur om voor de gehele inrichting of delendaarvan een lockdown in te stellen om de orde en veiligheid in deinrichting te handhaven (artikel 5, eerste lid Wtvb) biedt hiervoor evenminvoldoende handvatten. Er is immers geen sprake van een noodsituatiewaarin de veiligheid van zowel ingeslotenen als personeel in het gedingkomt, zoals bij gerichte, groepsgewijze agressie jegens het personeel ofandere ernstige geweldsincidenten wel het geval is. De situatie van eenpandemie of brandschade is wezenlijk anders dan hier bedoeld en voldoetniet aan het criterium dat de maatregel in het belang van de orde enveiligheid moet zijn. Bovendien is de lockdown gebonden aan eenmaximale duur van vier weken, terwijl de maatregelen gedurende eenpandemie of brandschade voor een langere duur noodzakelijk kunnen zijn.Van de Wtvb mag in uitzonderlijke omstandigheden worden afgewekenbij ministeriële regeling; daardoor kan relatief snel tot een passenderegeling worden gekomen in de zich voordoende uitzonderlijke omstan-digheden, waarmee voor alle inrichtingen voor vreemdelingenbewaringeen eenduidig kader kan gelden.Bevoegdheid noodzakelijk, proportioneel en subsidiairGelet op het feit dat de reeds bestaande bevoegdheden in «uitzonder-lijke omstandigheden» niet volstaan, acht het kabinet het noodzakelijk omde hier voorgestelde bevoegdheid met de nota van wijziging aan denovelle toe te voegen. Het bestaan van «uitzonderlijke omstandigheden»zal dragend moeten worden gemotiveerd in de toelichting en kanbovendien aan de rechter ter toetsing worden voorgelegd. Het kabinetrealiseert zich dat deze term «uitzonderlijke omstandigheden» open is endaarmee het bestuur ruimte laat om te beoordelen wanneer daarvansprake is. Juist vanwege dat open karakter is er voor gekozen dezebevoegdheid in de wet op te nemen, en niet in een lagere regeling, zodatde bevoegdheid en de voorwaarden waaronder daarvan gebruik kanworden gemaakt democratisch kan worden gelegitimeerd. Het parlementmoet immers instemmen met de opname van deze bevoegdheid in dewet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 919 Daarnaast kan alleen van enkele genoemde rechten worden afgeweken(maximaal aantal uitsluitingsuren, recht op dagbesteding, recht opbezoek, recht op lichamelijke oefening en sport en recht op recreatieveactiviteiten) en niet van alle rechten, kan de ministeriële regeling tenhoogste twee maanden gelden, moet worden gekozen voor de vreem-deling minst ingrijpende afwijking en moet de ministeriële regelingworden ingetrokken indien de uitzonderlijke omstandigheden niet meeraanwezig zijn. Tot slot kan worden opgemerkt dat de regeling weliswaarkan worden verlengd met twee maanden, maar dat daarbij iedere keer zalmoeten worden beoordeeld en gemotiveerd of de uitzonderlijke omstan-digheden zich nog voordoen.Het kabinet meent dat op deze wijze is voorzien in een noodzakelijke,proportionele en subsidiaire afwijkingsbevoegdheid.Welke artikelen zijn gewijzigd?Het voorgaande heeft geleid tot toevoeging van een tweede lid aanartikel 22, Wtvb een vierde lid aan artikel 36 Wtvb en aanpassing vanartikel 43 Wtvb. Daardoor wordt het mogelijk in een ministeriële regelingnadere regels te stellen inzake het aantal uren per etmaal waarin devreemdeling in het verblijfsregime dan wel beheersregime gehouden is inde gesloten verblijfsruimte te verblijven en ten aanzien van de dagbe-steding. Deze nadere normering maakt het mogelijk dat in uitzonderlijkeomstandigheden voor ten hoogste twee maanden wordt afgeweken vande normale regels. Indien gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid ombij ministeriële regeling af te wijken, dient te worden gekozen voor devoor de vreemdeling minst ingrijpende aanpassing. De regeling heeft eenduur van maximaal twee maanden en kan telkens met twee maandenworden verlengd, indien de uitzonderlijke omstandigheden die aanleidingwaren voor het instellen van de regeling blijven bestaan. Voorts geldt datde ministeriële regeling moet worden ingetrokken als de noodzaakdaartoe niet meer aanwezig is.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het recht van de vreemdelingop verblijf in de buitenlucht, niet wordt beperkt. Het recht op verblijf in debuitenlucht voor ten minste één uur per dag is een recht dat rechtstreeksvoortvloeit uit internationaal recht en soft law instrumenten zoals destandaarden van de European Committee for the Prevention of Tortureand Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT).7 Dit rechtwordt volgens vaste jurisprudentie van de RSJ daarom als een onver-vreemdbaar fundamenteel recht voor de ingeslotene aangemerkt.8d. Verhouding Wtvb tot de asielprocedure & verlaten van de inrichting De Wtvb wijzigt onder meer het regime in grensdetentie, waar nu noghet Reglement regime grenslogies geldt, door het Reglement in tetrekken. Voor vreemdelingen in grensdetentie gaat de Wtvb ook gelden.Vreemdelingen in grensdetentie hebben onder de nieuwe wet meervrijheid. Onderdeel daarvan is dat de vreemdeling zich gedurendeuitsluitingsuren vrij in de inrichting mag bewegen. Bij de voorbereidingvan de implementatie van de Wtvb wordt steeds duidelijker dat die7Zie http://www.coe.int/en/web/cpt/standards, onder meer nr. 48. Zie ook de European PrisonRules van de Raad van Europa nr. 27.1 https://rm.coe.int/european-prison-rules-978-92-871-5982-3/16806ab9ae en de Standard minimum rules for the treatment of prisoners nr. 21(1)https://www.unodc.org/pdf/criminal_justice/UN_Standard_Minimum_Rules_for_the_Treatment_of_Prisoners.pdf.8Zie bijvoorbeeld RSJ 15 juli 2020, R-19/4066/GA en RSJ 7 november 2012, 12/1753/TA en12/1762/TA.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 920 vrijheid strijd kan opleveren met het asielproces. De vreemdeling dientimmers wel beschikbaar te zijn voor afspraken in het kader van deasielprocedure.Deze nota van wijziging voegt daarom een nieuw artikel 36a toe aan deWtvb. Daarin wordt bepaald dat enkele in dat artikel genoemde rechtenvan de vreemdeling onverlet laten dat hij beschikbaar dient te zijn in hetkader van het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag omeen verblijfsvergunning als bedoeld in de Vw 2000, indien hij daartoewordt opgeroepen. Hiermee wordt beoogd te voorkómen dat de vreem-deling tijdens een gehoor deel wil nemen aan activiteiten waarop hij opgrond van de Wtvb recht heeft, waardoor het gehoor in het kader van zijnasielprocedure steeds onderbroken moet worden en niet meer afgerondkan worden binnen de daarvoor bestemde tijd. Het voorgaande neemtniet weg dat uiteraard moet worden gezocht naar mogelijkheden voor devreemdeling om zowel aan de verplichtingen in het kader van deasielprocedure te voldoen als naar mogelijkheden om de vreemdeling zoveel mogelijk gebruik te laten maken van diens rechten op grond van deWtvb.Daarnaast is artikel 59 van de Wtvb aangepast door daaraan een vierdelid toe te voegen. Daarin is geregeld dat indien de vreemdeling deinrichting op grond van artikel 59 verlaat hij gedurende de periode dat hijde inrichting verlaat geen beroep kan doen op zijn recht op bewegings-vrijheid en dagbesteding als genoemd in de artikelen 23 en 36 van dezewet. Dit artikellid beoogt te voorkomen dat indien de vreemdeling deinrichting verlaat hij zich bij terugkomst kan beroepen op het ontbrekenvan bijvoorbeeld het recht op luchten voor die periode dat hij buiten deinrichting heeft verbleven. Het voorgaande neemt niet weg dat uiteraardmoet worden gezocht naar mogelijkheden voor de vreemdeling om hemtoch zo veel mogelijk gebruik te laten maken van diens rechten op grondvan de Wtvb gedurende de periode dat hij in de inrichting verblijft.e. De Wtvb is in overeenstemming gebracht met de Penitentiairebeginselenwet (Pbw) De Wtvb kent een aantal artikelen die sterk lijken op artikelen in de Pbw.Op een aantal onderdelen waren er verschillen tussen de Wtvb en de Pbwdie leiden tot een minder goede positie voor de vreemdeling onder deWtvb of die maakten dat de directeur onvoldoende bevoegdheden hadom de orde en veiligheid in de inrichting danwel de ongestoordetenuitvoerlegging te borgen. Middels deze nota van wijziging wordt eenaantal van die niet-bedoelde verschillen met de Pbw weggenomen. Opandere punten had de Pbw wijzigingen ondergaan, die nog niet warendoorgevoerd in de gelijkluidende artikelen in de Wtvb. Deze wijzigingenworden hierbij ook doorgevoerd in de Wtvb.Daarnaast blijft door wijziging met deze nota van wijziging de strafbaar-stelling voor het binnenbrengen van verboden voorwerpen in eeninrichting ook van toepassing op inrichtingen voor vreemdelingenbe-waring. In artikel 429a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is destrafbaarstelling opgenomen van het binnenbrengen van voorwerpen. Diegeldt voor een inrichting, instelling of een afdeling daarvan waar de Pbw,de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (Bvt) dan wel deBeginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) van toepassing is, waarvanhet bezit aldaar verboden is op grond van voornoemde wetten incombinatie met de huisregels. Deze strafbaarstelling bestaat sinds1 november 2019. Omdat thans de Pbw van toepassing is op vreemdelin-genbewaring geldt de strafbaarstelling ook voor inrichtingen voorvreemdelingenbewaring. Om deze strafbaarstelling ook onder de WtvbTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 921 van toepassing te laten blijven op inrichtingen voor vreemdelingenbe-waring, is voorzien in een wijziging van artikel 429, eerste lid, Sr.Benadrukt wordt dat het doel van de Wtvb, namelijk de introductie vanéén uniform bestuursrechtelijk regime voor vreemdelingenbewaring enhet bevorderen van terugkeer, daarmee nog onverminderd aanwezig blijft.Dat laat evenwel onverlet dat zowel de Pbw als de Wtvb beogen devreemdeling binnen bewaring enerzijds rechten en rechtsbescherming tebieden en anderzijds de directeur bevoegdheden te geven waarmee hij deorde en veiligheid in de inrichting kan bewaren en kan zorgdragen voor deongestoorde tenuitvoerlegging van de bewaring. Het zou onwenselijk zijnals de vreemdeling in grotere mate in zijn vrijheid kan worden beperktonder de Wtvb dan onder de Pbw of de directeur bepaalde noodzakelijkebevoegdheden met de Wtvb niet meer heeft. Daarom wordt op diversepunten in wijziging voorzien. In de artikelsgewijze toelichting zal perartikel worden toegelicht als daarvan sprake is en waarom.f. Uitvoerbaarheid Gelet op het ruime tijdsverloop sinds de start van het wetgevingstraject,is er is een Ex Ante Uitvoeringstoets (EAUT) uitgevoerd om de (teverwachten) effecten van de Wtvb, inclusief de wijzigingsvoorstellen uitde novelle en de consultatieversie van de nota van wijziging daarop, inkaart te brengen. In de EAUT zijn de wetsartikelen doorlopen waarvanwordt verwacht dat zij een (grote) impact op de uitvoeringpraktijk zullenhebben. Daarbij heeft DJI inzichtelijk gemaakt op welke punten zijadditionele financiële middelen behoeft om het wetsvoorstel uit te kunnenvoeren.Zo is in artikel 25 Wtvb niet vastgelegd dat de directeur een verzoek totonderzoek naar detentieongeschikheid gedaan door een vreemdeling magweigeren. Hierdoor verwacht DJI dat er veel meer onderzoeken naardetentieongeschiktheid zullen worden aangevraagd. Het NederlandsInstituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) verwachtadditioneel personeel te moeten werven om dergelijke aanvragen tebehandelen. Dit heeft geleid tot aanpassing van artikel 25 Wtvb. Eenbeschrijving van die wijziging alsmede en toelichting daarop is hieronderin de artikelsgewijze toelichting opgenomen.Ten aanzien van artikel 30 Wtvb, waarin de toegang van geprivilegi-eerde groepen wordt geregeld, komt uit de EAUT naar voren dat defysieke toegang van rechtsbijstandverleners aan de vreemdeling nietzonder meer ten alle tijde gewaarborgd kan worden. Dit heeft daaromgeleid tot aanpassing van artikel 30 Wtvb. Een beschrijving van diewijziging alsmede een toelichting daarop is hieronder in de artikelsgewijzetoelichting opgenomen.Een ander punt waarop vanuit de uitvoering werd aangegeven dat ditvoor problemen zou kunnen zorgen was de ophoudingstermijn vanartikel 50 Vw 2000. Waar het huidige artikel 50 Vw 2000 een maximaleophoudingstermijn van zes uur kent, voorziet het in de Wtvb voorgesteldeartikel 50 Vw 2000 in een ophoudingstermijn van ten hoogste negen uur.De huidige mogelijkheid om de ophoudingstermijn met 48 uur teverlengen is in de Wtvb verkort naar 24 uur. Hoewel er nog niet is gewerktmet de gewijzigde ophoudingstermijn van negen uur verwachten deDTenV, IND, AVIM en de KMar dat deze verruiming niet voldoende zal zijn.Deze zorgen worden bevestigd in het onderzoek uitgevoerd in opdrachtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 922 van het WODC.9 Dit was voor het kabinet aanleiding om artikel 50, vierdelid, Vw 2000 met deze nota van wijziging aan te passen. Verlenging van deophouding wordt daardoor eveneens mogelijk indien de afweging om aldan niet vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 59 toe te passennog niet is afgerond. In dat geval of indien nog grond bestaat voor hetvermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft,kan de ophouding worden verlengd met een maximale duur vanachtenveertig uur.g. Er is voorzien in redactionele en technische wijzigingen Tot slot is voorzien in wijziging van een aantal verouderde termen, zoalsde wijziging van de «geneeskundig inspecteurs van de volksgezondheid»in «de inspecteurs van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd» (artikel 30,tweede lid onder f Wtvb) en «stoornis van de geestesvermogens» in«psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijkehandicap» (artikel 54, tweede lid Wtvb). Daarnaast is voorzien in eenaantal zuiver redactionele wijzigingen en is voorzien in enkele wetstech-nische aanpassingen.3. Financiële gevolgen en uitvoeringsgevolgen Deze nota van wijziging behoort bij de Wet terugkeer en vreemdelingen-bewaring, die al in de Eerste Kamer ligt. In die wet is vastgelegd welkkader zal gaan gelden voor vreemdelingenbewaring en is voorzien in dedaarvoor benodigde financiële middelen. Deze nota van wijziging bevattechnische wijzigingen, een enkele reparatie danwel vastlegging van albestaande praktijken. De financiële gevolgen en uitvoeringsconsequentiesvan deze nota van wijziging voor DJI bedragen € 4,54 mln. structureel en€ 1,29 mln. incidenteel. De structurele kosten zien met name op perso-neelskosten; in het primaire proces zullen aangepaste werkwijzen wordeningevoerd. De incidentele kosten bestaan uit opleidings- en communica-tiekosten en kosten voor het aanpassen van werkprocessen en beschrij-vingen.Daarnaast zorgen de wijzigingen voor een structurele stijging in dewerklast bij de Raad voor de Rechtspraak. Dit kost € 234.000 per jaar.Het totaal van deze kosten (€ 4,8 mln. structureel een € 1,29 mln.incidenteel, worden gedekt uit de stelpost uitwerking asielmaatregelen(€ 115 mln.) op de aanvullende post.4. Uitgebrachte adviezen Het wetsvoorstel is in consultatie gegeven en op www.internetconsulta-tie.nl geplaatst van 5 juli 2023 tot en met 30 augustus 2023. Er zijnadviezen ontvangen van de Adviesraad Migratie, de Nederlandse ordevan Advocaten (NovA), het College voor de Rechten van de Mens (CRM),de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV), Amnesty International, de Raadvoor de Rechtspraak (RvdR), de Raad voor Strafrechtstoepassing enJeugdbescherming (RSJ), het Meldpunt vreemdelingendetentie, deAutoriteit Persoonsgegevens (AP) en een gezamenlijke reactie van deNederlandse vereniging voor psychiatrie, het Nederlandse instituut voorpsychologen, Amnesty International en de Johannes Wier Stichting voorgezondheidszorg en mensenrechten (hierna: de gezamenlijke reactie). DeAfdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zag geen aanleidingom gebruik te maken van de geboden gelegenheid om over de nota van9Universiteit Leiden in opdracht van het Wodc, rapport 17 oktober 2022, Tijdsdruk bij opleggenvreemdelingenbewaring, dr. drs. M. Klaassen en prof. mr. P. Rodrigues,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 923 wijziging te adviseren. Op 28 april 2025 heeft de Adviesraad Migratie eenaanvullend advies uitgebracht.De regering is iedereen erkentelijk voor de ontvangen adviezen. In deadviezen zijn vragen gesteld over de mogelijkheid om in uitzonderlijkeomstandigheden bij ministeriële regeling af te wijken van enkele rechtenin de Wtvb, afzonderen in vreemdelingenbewaring, de beperking van hetrecht op verblijf in de buitenlucht voor vreemdelingen in afzondering, deaanpassing aan artikel 96 Vw 2000 om te voorzien in ambtshalverechterlijke toetsing, de strafbaarstelling voor het binnen brengen vanverboden voorwerpen, diverse vragen over de verwerking van(bijzondere) persoonsgegevens en een opmerking over de procedure bijeen beslissing tot cameraobservatie. Voorts zijn nog enkele overigevragen gesteld die worden besproken onder het kopje «overig». Hiernaworden de adviezen samengevat weergegeven en thematisch besproken.a. Afwijkingsmogelijkheid in uitzonderlijke omstandigheden De Adviesraad Migratie, de NOvA, het CRM, de IJenV, AmnestyInternational, de RSJ en het Meldpunt vreemdelingendetentie hebbenaandacht gevraagd voor de bevoegdheid om in uitzonderlijke omstandig-heden af te wijken van enkele rechten in de Wtvb. Kern van de kritiekbetrof het gebruik van de term «uitzonderlijke omstandigheden», die als tevaag wordt beschouwd. Men mist concrete criteria waaraan kan wordengetoetst om te beoordelen of sprake is van dergelijke omstandigheden envoorbeelden in de toelichting, anders dan de Covid-19 pandemie.Amnesty adviseert een limitatieve lijst op te nemen met situaties diekwalificeren als uitzonderlijke omstandigheid. Diverse respondentenvragen daarnaast of de regering het met hen eens is dat personeelstekortniet als zodanig zal kwalificeren. De Adviesraad Migratie en de NOvAadviseren beter te borgen dat van deze bevoegdheid alleen gebruik wordtgemaakt indien dit strikt noodzakelijk is en op de minst ingrijpende wijze.Verder zijn onder meer het CRM, Amnesty International en de RSJ vanoordeel dat de periode van drie maanden moet worden verkort, evenalsde termijn waarmee de ministeriële regeling kan worden verlengd.Geadviseerd wordt verder om in de wet een maximale termijn op tenemen, gedurende welke bij ministeriële regeling van de Wtvb kanworden afgeweken. Het CRM adviseert in de wettekst op te nemen dat demaatregel tussentijds moet worden opgeheven zodra de noodzaak voorde maatregel door veranderde omstandigheden niet meer aanwezig is.Amnesty International adviseert voorts om het maximaal aantal uren afte bakenen dat de tijd buiten de cel kan worden ingeperkt en in de wet teverankeren dat vreemdelingen dagelijks minimaal twee uur buitenmoeten kunnen bewegen. Ook ziet Amnesty International graag dat wordtvoorzien in een onafhankelijke (rechterlijke) toetsing van de rechtma-tigheid van een verlenging van de maatregel. De RSJ pleit voor eenvariant waarbij de Minister in geval van uitzonderlijke omstandighedeneen machtiging met een geldigheidsduur van ten hoogste drie maandenkan afgeven aan de directeur van één, meerdere of alle inrichtingen voorvreemdelingenbewaring om de maatregel in te voeren voor een duur vanten hoogste een maand als dit in die inrichting noodzakelijk is. Op diewijze zou kunnen worden voorkomen dat een te generieke maatregelwordt ingezet en blijft de regeling ook uitvoerbaar. Door de RSJ wordt totslot gevraagd of het klacht- en beroepsrecht ex artikel 74 van de Wtvb vantoepassing is op deze afwijkingsmogelijkheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 924 Voornoemde adviezen zijn voor de regering aanleiding geweest omdeze afwijkingsmogelijkheid in te perken. Voor wat betreft de adviesop-merkingen die zijn gemaakt over de term «uitzonderlijke omstandig-heden» is van belang dat bij het opstellen van dit artikel is gekeken naarde evenknie die op grond van het penitentiair recht geldt. Artikel 3, vierdelid, van de Penitentiaire Maatregel (PM) bevat een mogelijkheid voor deMinister om nadere regels te stellen over het basis- en plusprogramma.Hierbij kan de Minister in uitzonderlijke omstandigheden, zoals eenpandemie, tijdelijk afwijken van het bepaalde in het tweede lid vanartikel 3 van de PM.10 Gelet op het feit dat de term «uitzonderlijkeomstandigheden» door DJI voor de situatie in detentie wordt gebruikt,blijft deze term voor vreemdelingenbewaring gehandhaafd.Wel kan worden opgemerkt dat het bij uitzonderlijke omstandighedenals bedoeld in deze nota van wijziging moet gaan om omstandigheden dieniet voorzienbaar zijn en die zo uitzonderlijk zijn dat daarbij bij het makenvan de Wtvb geen rekening kon worden gehouden. Daarbij wordtbenadrukt dat met de Wtvb onder meer is beoogd vreemdelingen binnenvreemdelingenbewaring meer vrijheid te geven. Na aanname van deWtvb door het parlement zijn de in de Wtvb opgenomen rechten voor devreemdeling democratisch gelegitimeerd. Het spreekt voor zich datdaarvan alleen in uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgeweken,indien dit strikt noodzakelijk is en op de minst ingrijpende wijze. Dat op deminste ingrijpende wijze moet worden afgeweken, was reeds in dewettekst opgenomen. Daaraan is naar aanleiding van de consultatie-adviezen toegevoegd dat alleen bij ministeriële regeling kan wordenafgeweken van enkele in de wet genoemde rechten als dit noodzakelijk isen dat de ministeriële regeling moet worden ingetrokken als die noodzaakniet meer aanwezig is.De suggestie om een limitatieve lijst van uitzonderlijke omstandighedenin de wet of de toelichting op te nemen, wordt niet overgenomen. Hetkenmerk van uitzonderlijke omstandigheden is dat deze op voorhand nietvoorzienbaar zijn, zoals ook de Covid-19-pandemie heeft laten zien. Het isdaarom niet mogelijk deze vooraf op te sommen. Wel kan wordentoegelicht dat niet als zodanig kwalificeert bijvoorbeeld een tekort aanpersoneel als gevolg van krapte op de arbeidsmarkt. Dit is immers eensituatie die, hoe vervelend ook, van tevoren voorzienbaar is. Anders kanhet zijn als een tekort aan personeel het gevolg is van een plotselinguitgebroken pandemie.Verder is de periode dat bij de ministeriële regeling kan wordenafgeweken teruggebracht van drie naar twee maanden, evenals de termijnwaarmee de ministeriële regeling kan worden verlengd. Het advies omeen maximale termijn in de wet op te nemen voor wat betreft demogelijkheid om bij ministeriële regeling af te wijken, is niet overge-nomen. Van de Covid-19 pandemie is geleerd dat bij aanvang van zulkeuitzonderlijke omstandigheden vaak lastig te voorzien is hoe lang dezegaan duren. Zo lang die uitzonderlijke omstandigheden bestaan, zijnmogelijkheden noodzakelijk om die omstandigheden het hoofd te bieden.Zoals al is opgemerkt is naar aanleiding van de consultatie-adviezentoegevoegd dat de ministeriële regeling moet worden ingetrokken als denoodzaak daarvoor niet meer aanwezig is.Het advies om het maximaal aantal uren dat de tijd buiten de cel kanworden ingeperkt wettelijk te verankeren, wordt niet overgenomen. Het isvan belang dat in de uitzonderlijke omstandigheden die deze ministeriële10Zie Stb. 2021, 251, artikelsgewijze toelichting bij Artikel I, onderdeel B (artikel 3 Pm). Blijkensde toelichting is daarbij eveneens gedacht aan omstandigheden zoals een pandemie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 925 regeling rechtvaardigen zo passend mogelijk kan worden gereageerd. Hetin de wet opnemen van een minimumaantal uren dat alsnog buiten de celmag worden doorgebracht kan daarmee op gespannen voet staan. Welwordt met de hiervoor genoemde aanpassingen beoogd te waarborgendat de rechten van de vreemdeling op de minst ingrijpende wijze wordtingeperkt en voor de kortst mogelijke duur. Nogmaals wordt benadruktdat het recht op dagelijks verblijf in de buitenlucht of het recht omgeloofsdiensten bij te wonen niet kan worden ingeperkt met dezeministeriële regeling. Alleen de volgende rechten kunnen in uitzonderlijkeomstandigheden bij ministeriële regeling worden beperkt:– maximumaantal uren per etmaal waarin de vreemdeling gehouden isin de gesloten verblijfsruimte te verblijven (artikel 22, eerste lid, onder b,Wtvb juncto 36, eerste lid, onder a, Wtvb, juncto artikel 43, eerste lid,onder a, Wtvb);– recht op dagbesteding gedurende een bij algemene maatregel vanbestuur te bepalen minimumaantal uren per week (artikel 23, eerste lid,Wtvb juncto artikel 36, eerste lid onder b, Wtvb);– het recht op bezoek (artikel 29, eerste lid, Wtvb juncto artikel 36, eerstelid, onder c Wtvb juncto artikel 43, eerste lid, onder d, Wtvb);– recht op lichamelijke oefening en het beoefenen van sport (artikel 23,tweede lid, onder c, Wtvb juncto artikel 36, tweede lid, onder b, Wtvb);– recht op recreatieve activiteiten (artikel 23, tweede lid, onder d, Wtvbjuncto artikel 36, tweede lid, onder c, Wtvb).Artikel 74 Wtvb is aangevuld om te verduidelijken dat niet in beklag kanworden gegaan bij de commissie van toezicht over de ministeriëleregeling in het geval van uitzonderlijke omstandigheden. In reactie op hetadvies van Amnesty International over een rechterlijke toetsingsmoge-lijkheid van de verlenging van de ministeriële regeling, kan wordenaangegeven dat het mogelijk is om de civiele rechter om een oordeel tevragen over de rechtmatigheid daarvan.b. Afzonderen in vreemdelingendetentie Door het CRM, Amnesty International en in de gezamenlijke reactie isopgeroepen afzondering in vreemdelingenbewaring niet in te zetten alsstraf en verder afzondering zo min mogelijk in te zetten.Vooropgesteld wordt dat deze nota van wijziging geen wijzigingen aande Wtvb aanbrengt ten aanzien van de mogelijkheid om afzondering alsordemaatregel of als disciplinaire maatregel te gebruiken in vreemdelin-genbewaring. De Wtvb gaf de directeur reeds de mogelijkheid eenvreemdeling op grond van artikel 50, eerste lid, Wtvb in afzondering teplaatsen indien dit in het belang van de handhaving van de orde of deveiligheid in de inrichting dan wel van een ongestoorde tenuitvoerleggingvan de vrijheidsbeneming of ter bescherming van de betrokken vreem-deling noodzakelijk is. Tevens geeft de Wtvb de directeur de bevoegdheidde vreemdeling op grond van artikel 62, eerste lid, onder a, Wtvb in eenstrafcel danwel andere verblijfsruimte te plaatsen indien een vreemdelingbetrokken is bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of de veiligheidin de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van devreemdelingenbewaring of indien een vreemdeling een bevel als bedoeldin artikel 5 niet opvolgt. Vanzelfsprekend wordt van deze mogelijkheid zomin mogelijk gebruik gemaakt.Onder omstandigheden kan het echter nodig zijn om een ordemaatregelte treffen of disciplinaire straf op te leggen. Het kan nodig zijn corrigerendte reageren op laakbaar gedrag van de vreemdeling in de inrichting entijdens het vervoer naar en verlaten van de inrichting. Daarbij kan wordengedacht aan de situatie dat sprake is van verbaal of fysiek geweld, diefstal,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 926 ongewenste intimiteiten richting personeel of mede ingeslotenen, hetvoorhanden hebben van contrabande (drugs, wapens etc.), het aanzettentot opruiend gedrag of een opstand, deelname aan een opstand,opzettelijke brandstichting of een gijzeling.Uit recent onderzoek in opdracht van het WODC is gebleken dat debeheerslast in het Detentiecentrum Rotterdam in de periode 2015 tot enmet 2019 is toegenomen.11 Gelet hierop is de mogelijkheid om een breedpalet van disciplinaire straffen, waar plaatsing in de strafcel toe behoort,te hebben binnen vreemdelingenbewaring dan ook nog onverminderdaanwezig. Vanzelfsprekend zijn er wel de nodige waarborgen rondom hetopleggen van disciplinaire maatregelen. De vaste werkmethode van DJI isdat wanneer een vreemdeling ongewenst gedrag vertoont, indienmogelijk eerst de dialoog wordt gezocht en de vreemdeling wordtaangesproken op zijn gedrag. Er wordt samen gezocht naar eenoplossing. Stopt het gedrag van de vreemdeling niet, dan krijgt hij, indienpassend bij de situatie, een waarschuwing. Pas daarna kan bij ernstig ofaanhoudend laakbaar gedrag een verslag worden opgemaakt en dedirecteur kan slechts op basis van het verslag een maatregel opleggen,tenzij hij het laakbare gedrag zelf heeft waargenomen. Geen disciplinairemaatregel kan worden opgelegd, indien de vreemdeling voor het begaanvan een feit niet verantwoordelijk kan worden gesteld. De directeur kiestdaarbij altijd voor de minst ingrijpende maatregel om de orde, rust enveiligheid van mede-ingeslotenen en personeel te waarborgen. Debeslissing van de directeur tot oplegging van een disciplinaire maatregelis bovendien met procedurele waarborgen omkleed en er staat rechtsbe-scherming tegen open.c. Beperking recht op verblijf in de buitenlucht voor vreemdeling inafzondering De NOvA, het CRM en de RSJ adviseren om af te zien van de beperkingdie wordt aangebracht aan het recht op verblijf in de buitenlucht tot éénuur per dag voor vreemdelingen uit het verblijfsregime, die in afzonderingworden geplaatst. Indien het verschil tussen vreemdelingen uit hetverblijfs- en beheersregime die in afzondering worden geplaatst totuitvoeringsproblemen leidt, wordt geadviseerd om vreemdelingen vanbeide regimes recht te geven op twee uur verblijf in de buitenlucht. Ditadvies wordt niet overgenomen. Deze nota van wijziging beoogt de Wtvbook uitvoerbaar te maken. Het is in de uitvoering van het luchten lastig alser onderscheid bestaat tussen vreemdelingen op basis van het regimewaaruit zij afkomstig zijn. Daarom is aangesloten bij de minimumnorm insoft law van één uur luchten voor alle vreemdelingen die zijnafgezonderd. Daarbij moet worden bedacht dat afzondering van eenvreemdeling een ultimum remedium is. Als daartoe wordt besloten, wordtgehandeld met het beginsel van minimale beperkingen als uitgangspunt.Dit houdt in dat een ingeslotenen aan geen andere beperking wordtonderworpen dan strikt noodzakelijk voor de uitvoering van de straf ofmaatregel. Wanneer dit uiterste middel wordt toegepast, dient er sprake tezijn van een persoonsgerichte aanpak tot herstel; waarbij de straf ofmaatregel proportioneel, subsidiair en doelmatig is, en met een op deingeslotenen toegespitst programma gedurende de tenuitvoerlegging. Hetluchten kan plaatsvinden op de afzonderingsafdeling en kan danuitgebreid worden als de omstandigheden dit toestaan, maar kan invoorkomende gevallen ook met de eigen afdeling plaatsvinden.11Zie: De beheerslast van vreemdelingen in bewaring in detentiecentrum Rotterdam:Beschrijving en duiding van de periode 2015–2019, Universiteit Twente in opdracht van hetWetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum, 23 december 2021.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 927 d. Ambtshalve rechterlijke toetsing ex artikel 96 Vw2000 De NOvA, het CRM en de RvdR hebben vragen gesteld over deambtshalve rechterlijke toetsing. In de consultatieversie was een wijzigingvan artikel 96 Vw 2000 voorzien (in de Raad van State versie was gekozenvoor een separaat artikel 96a Vw 2000). Als gevolg van de Uitvoerings- enimplementatiewet Asiel en migratiepact dat een verplichtend kader bevatvoor ambtshalve rechterlijke toetsing van de bewaring, is dit artikelgeschrapt uit deze nota van wijziging. Gelet hierop worden de opmer-kingen over dit onderwerp hier niet besproken.e. Strafbaarstelling binnen brengen verboden voorwerpen In zijn aanvullend advies adviseert de Adviesraad Migratie om terug-houdend gebruik te maken van de bevoegdheid om voorwerpen in deinrichting voor vreemdelingenbewaring te verbieden. Door artikel 429,eerste lid, Sr ook van toepassing te verklaren in een inrichting voorvreemdelingenbewaring, wordt het regime dat geldt voor strafrechtelijkgedetineerden tevens toegepast op vreemdelingen in bewaring. Volgensde Adviesraad Migratie zou dit daarmee een indicatie kunnen zijn datvreemdelingenbewaring niet plaatsvindt in een daarvoor geschikteaccommodatie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Stateoordeelde op 29 januari 2025 dat het Justitieel Complex Schiphol eengespecialiseerde bewaringsaccommodatie is omdat het regime voldoendeverschilt van strafrechtelijke detentie.12 Het voorstel om artikel 429, eerstelid, Sr van toepassing te verklaren op vreemdelingenbewaring draagt bijaan het gelijktrekken van de regimes, wat de beoordeling van degeschiktheid van een instelling voor vreemdelingenbewaring alsgespecialiseerde accommodatie kan beïnvloeden.De Adviesraadadviesraad vindt het, gelet op dit uitgangspunt, nietwenselijk om voorwerpen die in de vrije maatschappij niet verboden zijnin een inrichting voor vreemdelingenbewaring te verbieden, voor zoverdie voorwerpen geen risico vormen voor de veiligheid in de inrichting.Hierop kan het volgende worden aangegeven. In de gesloten contextvan de vreemdelingenbewaring kunnen sommige voorwerpen die in devrije maatschappij niet verboden zijn een risico vormen voor de orde enveiligheid in de inrichting, net als bij strafrechtelijke detentie. Hierbij valtbijvoorbeeld te denken aan het gebruik van communicatie- en opnameap-paratuur, wat gevolgen kan hebben voor de veiligheid in de inrichting ofpersoonlijke levenssfeer van personeelsleden. Relevant is ook dat deinrichtingen voor vreemdelingenbewaring zijn gehuisvest in voorzie-ningen waar ook strafrechtelijke detentie ten uitvoer wordt gelegd,waarbij beide doelgroepen bepaalde faciliteiten afwisselend gebruiken.Van belang is om te benadrukken dat, zoals ook de Adviesraad Migratievoorstaat, enkel voorwerpen zullen worden verboden die een risicovormen voor de veiligheid van de inrichting. In de artikelsgewijzetoelichting wordt dit nader toegelicht.f. Verlenging van de ophoudingstermijn In zijn aanvullend advies merkt de Adviesraad Migratie op dat de gronddie wordt toegevoegd aan artikel 50, vierde lid, Vw 2000 zo ruim isgeformuleerd, dat die vrijwel altijd kan worden toegepast. Hierdoor zou erook gebruik van kunnen worden gemaakt in situaties waarin het welmogelijk is het onderzoek binnen de nieuwe termijn van 9 uur ophoudingaf te ronden. Dat is onwenselijk, zeker omdat de verlengingstermijn niet12ABRvS 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, Jv 1015/64, m.nt. S.J. Koolen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 928 wordt verkort van achtenveertig naar vierentwintig uur. Het gevolg is datvreemdelingen lopende een ophoudingsprocedure gedurende meer dantwee dagen in een politiecel kunnen verblijven voordat ze formeel inbewaring worden genomen. En verlenging kan ook het gevolg zijn vanonvoldoende personeelscapaciteit bij de uitvoeringsdiensten. Ontoerei-kende personeelscapaciteit mag geen reden zijn om een ophoudingspro-cedure niet binnen de ophoudingstermijn af te ronden. Verlenging van deophoudingstermijn moet – zoals ook is gemotiveerd in de memorie vantoelichting – een uitzondering blijven. Tegelijkertijd is het volgens deAdviesraad Migratie een reëel probleem in de uitvoering dat er groteregroepen vreemdelingen tegelijk worden aangetroffen waardoor hetpraktisch moeilijk te realiseren is om binnen de ophoudingstermijn eenbewaringsbesluit te nemen, ook als de ophoudingstermijn wordt verlengdnaar 9 uur.De Adviesraad Migratie adviseert daarom om in het voorgestelde vierdelid van artikel 50 Vw 2000 tot uitdrukking te brengen dat alleen in gevalvan bijzondere omstandigheden kan worden besloten de ophoudings-termijn met ten hoogste achtenveertig uur te verlengen. Daarbij zoumoeten worden opgemerkt dat die bijzondere omstandigheden verbandhouden met de vaststelling van de identiteit en verblijfsrechtelijke statusvan de vreemdeling of het onderzoek naar de oplegging van de vreemde-lingenbewaring dan wel een minder dwingende maatregel. Bijzondereomstandigheden kunnen onder meer verband houd met het aantalvreemdelingen dat tegelijkertijd wordt aangetroffen.Deze adviesopmerking is niet overgenomen. De verlenging van deophoudingstermijn kent reeds een beperking doordat dat alleen mogelijkis als er een vermoeden is dat geen sprake is van rechtmatig verblijf of deafweging om geen vreemdelingenbewaring op te leggen nog niet isafgerond. Ook in dit kader geldt dat de ophouding zo kort mogelijk moetduren, en dat voortvarend moet worden gehandeld teneinde zo snelmogelijk een besluit te kunnen nemen over het al dan niet opleggen vaneen bewaringsmaatregel. Dit betekent ook dat de verlenging van een zo’nkort mogelijke duur moet zijn. De politie geeft aan dat het kan voorkomendat op een derde partij moet worden gewacht waardoor de ophoudingtoch langer duurt, bijvoorbeeld wanneer een familielid of een advocaateen paspoort moet ophalen dat op een andere locatie ligt. Bovendien zouhet aanpassen van artikel 50, vierde lid, Vw 2000 zoals voorgesteld doorde Adviesraad Migratie, betekenen dat de verlenging nader gemotiveerdmoet worden. Dat zorgt er voor dat de procedure om zo snel mogelijk toteen beslissing te komen over het al dan niet opleggen van vreemdelin-genbewaring wordt vertraagd. Dit is evenmin in het belang van devreemdeling en daarom onwenselijk.g. Verwerking van persoonsgegevens van bezoekers en ten behoeve vanvertrek Amnesty International vraagt zich voor wat betreft de bevoegdheid dieis opgenomen in artikel 29 van de Wtvb af waarom het noodzakelijk is omeen familieband vast te stellen voor bezoek, hoe ver de familierechtelijkebetrekking strekt en of het ook voor bezoek in een penitentiaire inrichtingnoodzakelijk is om een familieband vast te stellen en daar gegevens vooruit te wisselen. Verder geeft Amnesty International aan dat de memorievan toelichting onduidelijk is omdat deze enerzijds aangeeft dat de in hetkader van artikel 29 Wtvb genoemde gegevens alleen worden gebruiktvoor het recht op bezoek maar er anderzijds in artikel 66 Wtvb staat datgegevens van bezoekers kunnen worden verwerkt ten behoeve van deterugkeer. Amnesty International vraagt zich verder af of bezoekersTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 929 voorafgaand aan hun bezoek weten dat hun gegevens worden verwerktten behoeve van iemands terugkeer.In antwoord op de vraag van Amnesty International over het verwerkengegevens van bezoekers kan worden aangegeven dat uit artikel 29 Wtvbvoortvloeit dat de directeur persoonsgegevens van bezoekers kanverwerken in het kader van de orde en veiligheid in de inrichting.Artikel 66 Wtvb biedt daarnaast een grondslag om ten behoeve van deterugkeer onder de in dat artikel genoemde voorwaarden gegevens vanbezoekers te verwerken. Het moet gaan om een vreemdeling die op grondvan artikel 59 of 59c Vw 2000 in bewaring is genomen. Het verwerken vanbijzondere en andere persoonsgegevens moet voorts noodzakelijk zijnvoor het verkrijgen van informatie over de identiteit en nationaliteit van devreemdeling ten behoeve van de terugkeer en deze informatie moet nietop een andere wijze kunnen worden verkregen. Alleen in dat geval kan dedirecteur de in artikel 66, eerste lid in de onder a tot en met c omschrevengegevens verwerken.Op grond van artikel 66, eerste lid, onder b, kunnen bovendien geenbijzondere of andere persoonsgegevens worden verwerkt van bezoek alsgenoemd in de artikelen 29, zesde lid, 30 en 31. Het lijkt onwaarschijnlijkdat uit geprivilegieerd bezoek als genoemd in artikel 30 en 31 Wtvbinformatie kan worden afgeleid over de identiteit en nationaliteit van devreemdeling. Daarnaast past het niet bij het karakter van dit soort bezoekom hun gegevens ten behoeve van de terugkeer te verwerken. Voorbezoek wiens gegevens op grond van artikel 29, zesde lid, wordt verwerkt,zou het gebruik van hun gegevens kunnen leiden tot strijd met debedoeling van artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn; om die redenkunnen van hen ook geen bijzondere persoonsgegevens worden verwerktten behoeve van de terugkeer.De NOvA heeft ten aanzien van de bevoegdheid die in artikel 66 Wtvb isopgenomen opgemerkt dat nu de directeur niet verantwoordelijk is voorde uitzetting hem ook geen bevoegdheid tot verwerking van gegevensdaartoe zou moeten toekomen. Dat soort gegevens behoort te wordenverwerkt door de IND of de DTenV, niet door de directeur van eendetentiecentrum, aldus de NOvA.In antwoord op de vraag van Amnesty International over waarom hetnoodzakelijk is om een familieband vast te stellen, kan worden aange-geven dat artikel 12, vierde lid, van de herschikte Opvangrichtlijn bepaaltdat bezoek van familieleden van de vreemdeling plaatsvindt in omstandig-heden waarin de privacy wordt geëerbiedigd. Hiervoor zal eenzogenaamde familiekamer worden ingericht met een huiselijke sfeer. Omte kunnen vaststellen of iemand familie van de vreemdeling is, kan devreemdeling bewijsstukken overleggen waaruit die familieband blijkt. Bijafwezigheid van bewijstukken kan de directeur aan het COA en de INDvragen om informatie te leveren. Artikel 29, zesde lid (nieuw) bepaaltdaarom dat om vast te stellen dat een persoon familie van de vreemdelingis en bezoek derhalve kan plaatsvinden in omstandigheden waarin deprivacy van de vreemdeling wordt geëerbiedigd, het COA en de INDpersoonsgegevens over de familie van de vreemdeling op diens verzoekaan de directeur kunnen verstrekken. Bij het COA kan worden gevraagd ofde vreemdeling samen met zijn familie een sociale eenheid is en in welkesamenstelling zij binnen de COA-locatie verbleven. Aan de IND kanworden gevraagd naar het bestaan van familie van de vreemdeling. Als debezoeker naar aanleiding van deze uitvraag aangemerkt wordt als familie,worden zijn gegevens geregistreerd in het vreemdelingendossier van debetreffende vreemdeling en bij de beveiliging zodat men weet dat dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 930 bezoeker recht heeft op bezoek in privacy en dit onderzoek niet elk bezoekhoeft te worden herhaald.Op de vraag voor welke familieleden in deze mogelijkheid moet wordenvoorzien, kan worden geantwoord dat het gaat om het kerngezin van devreemdeling. Bij de invulling van wie daartoe behoren, is aansluitinggezocht bij artikel 8 EVRM en de herschikte Opvangrichtlijn. Het gaat omde echtgenoot of de partner in een reële en in voldoende mate met eenhuwelijk op een lijn te stellen relatie, en hun (ongehuwde) minderjarigekinderen. Daarnaast kan het gaan om minderjarige kinderen waarbijdaadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden, bij voorbeeldbiologische, adoptie-, pleeg- of stiefkinderen. Indien de vreemdelingminderjarig is, kan het ook gaan om de ouder(s) of een anderevolwassene die verantwoordelijk voor hem is. Of iemand daadwerkelijkals familielid kan worden gekwalificeerd hangt dus af van de individueleomstandigheden van die vreemdeling.Omdat de herschikte Opvangrichtlijn niet van toepassing is opstrafrechtelijk gedetineerden in een penitentiaire inrichting, wordt ditproces ten aanzien van familieleden van die gedetineerden nietdoorlopen.Ten aanzien van de opmerkingen van Amnesty International en deNOvA kan tot slot worden aangegeven dat in het nieuwe artikel 66 isverduidelijkt dat de directeur ten behoeve van de terugkeer bijzonderepersoonsgegevens waaruit nationaliteit, ras of etnische afkomst kanblijken en andere persoonsgegevens kan verwerken, voor zover deverwerking van deze bijzondere en andere persoonsgegevens noodza-kelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit ennationaliteit van de vreemdeling ten behoeve van terugkeer en dezeinformatie niet op een andere wijze kan worden verkregen. Omdat dedirecteur mogelijk de beschikking heeft over deze gegevens in het kadervan de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring en het COA ende IND niet, is nu juist in deze grondslag voorzien. Omdat het bij hetverwerken van persoonsgegevens waaruit de nationaliteit blijkt ook kangaan om gegevens waaruit ras of etnische afkomst blijkt, is een grondslagvoor verwerking van deze bijzondere gegevens opgenomen. Het is inbeginsel verboden om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. Dezeverwerking is evenwel toch toegestaan volgens artikel 9, tweede lid,onder g, AVG, als dit noodzakelijk is om redenen van een zwaarwegendalgemeen belang op grond van Unierecht of lidstaatrechtelijk recht. Dat ishier aan de orde. Verwerking is namelijk noodzakelijk in het belang van deterugkeer van de vreemdeling.h. Verwerking biometrische gegevens Amnesty International vraagt hoe artikel 45, eerste lid, Wtvb waarinstaat dat dat de directeur de biometrische gegevens vernietigt indien devreemdeling de inrichting voor vreemdelingenbewaring definitief verlaatzich verhoudt tot artikel 45, tweede lid, Wtvb. In dat artikellid staat dat dedirecteur bevoegd is in de gevallen waarin van de vreemdeling eerderovereenkomstig de Vreemdelingenwet 2000 vingerafdrukken zijngenomen en verwerkt een vergelijking te maken met de van de vreem-deling verwerkte vingerafdrukken, teneinde de identiteit van de vreem-deling te verifiëren bij eerste binnenkomst van de vreemdeling in deinrichting.Daarop kan worden aangegeven dat artikel 45, eerste lid, Wtvb eengrondslag biedt voor het afnemen van vingerafdrukken en het maken vaneen gezichtsopname door de directeur. Deze worden bij binnenkomst inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 931 de inrichting gemaakt. Tevens wordt bij het verlaten van en binnenkomenin de inrichting en voor en na afloop van bezoek gecontroleerd of devreemdeling is wie hij zegt te zijn. Na het definitieve vertrek uit deinrichting is het niet langer noodzakelijk voor de inrichting om diegegevens te bewaren en daarom bepaalt artikel 45, eerste lid, Wtvb, datdeze gegevens niet langere worden bewaard dan noodzakelijk en in iedergeval niet langer dan zes maanden na het definitieve vertrek van devreemdeling uit de inrichtingvoor vreemdelingenbewaring.Het tweede lid van artikel 45 Wtvb biedt een grondslag om de door deinrichting afgenomen vingerafdrukken te vergelijken met vingerafdrukkenzoals deze zijn opgeslagen in de Basisvoorziening vreemdelingen (BVV, zieartikel 106a Vw 2000). Identificatie van de vreemdeling gebeurt namelijk inbeginsel bij de politie, de KMar, de zeehavenpolitie of de IND en dezegegevens worden opgeslagen in de BVV. Door een vergelijking te makenziet de directeur erop toe dat degene die binnenkomt ook degene is die hijverwacht. Het betreft hier derhalve vergelijking met gegevens die elderszijn opgeslagen en waarvoor in de daarop van toepassing zijndewetgeving bewaartermijnen zijn opgenomen.i. Verwerking van persoonsgegevens voor röntgenscan De NOvA meent dat de termijn van zes maanden die in artikel 47,achtste lid, Wtvb is opgenomen voor het bewaren van scanbeelden telang is. Ook is het vereiste van toestemming als vervat in artikel 47, derdelid, Wtvb volgens de NOvA als grondslag voor de verwerking vanscanbeelden niet voldoende omdat geen sprake is van een redelijkalternatief.In reactie daarop kan worden opgemerkt dat voor de zes maanden-termijn is gekozen omdat dit de termijn is waarbinnen redelijkerwijs kanworden aangenomen dat er in het kader van veiligheidsincidenten eneventuele beklag- of beroepsprocedures die het gevolg kunnen zijn vaneen daarop gevolgde maatregel behoefte bestaat aan het kunnen«teruglezen» van de controles met de röntgenscan. Het kan dan gaan omhet controleren van de oorspronkelijke scan en het achteraf kunnenbeoordelen of een juiste inschatting is gemaakt.Verder kan worden opgemerkt dat niet is gekozen voor «toestemming»van de vreemdeling als grondslag voor de verwerking van bijzonderepersoonsgegevens. Artikel 47, achtste lid, Wtvb biedt de grondslag voorde verwerking van die persoonsgegevens. De vreemdeling dient op grondvan artikel 47, derde lid, onder c, Wtvb echter nog steeds weltoestemming te geven voor het gebruik van de röntgenscan. Dit omdatsprake is van blootstelling aan een geringe hoeveelheid röntgenstraling.Aangezien de vreemdeling de wellicht beperkte keuze heeft tussen ofweleen visuele schouw ofwel het onderzoek door middel van eenröntgenscan, was er reeds bij het oorspronkelijke wetsvoorstel voorgekozen «toestemming» niet als grondslag voor verwerking vanpersoonsgegevens op te nemen en om ook een wettelijke grondslag op tenemen voor de verwerking van gezondheidsgegevens van de vreem-deling. Die opzet is in deze nota van wijziging gehandhaafd.j. Grondslag gegevensdeling met de Inspectie Justitie en Veiligheid De IJenV vraagt zich af of de Wtvb de IJenV voldoende grondslag biedtom indien nodig bijzondere persoonsgegevens te verwerken in het kadervan haar toezicht en of alle organisaties waar het toezicht zich thans opricht deze gegevens mogen verstrekken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 932 Daarop kan ten aanzien van het COA worden geantwoord dat hetvoornemen bestaat het toezicht door de IJenV alsmede een grondslagvoor het delen van bijzondere persoonsgegevens mee te nemen in eenwijziging van de Wet COA waaraan thans wordt gewerkt. Voor wat betreftde Nationale Politie is in de Politiewet 2012 al uitdrukkelijk geregeld dat deIJenV toezicht houdt op de politie en de grondslagen voor verwerking vangegevens door de Inspectie zijn geregeld in het Besluit politiegegevens.Voor wat betreft het toezicht dat de IJenV uitoefent op onderdelen dieonder het Ministerie van JenV vallen, kan de IJenV gegevens van dieorganisaties als onderdeel van JenV reeds verwerken in het kader vanverdere verwerking voor controle en kwaliteitsdoeleinden. Dit laatste geldtna inwerkingtreding van deze wet ook voor de inrichtingen voor vreemde-lingenbewaring. Het voorgaande is aanleiding geweest om het eerdervoorgestelde artikel 10 Wtvb te schrappen.k. Afwegingen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens De AP heeft opgemerkt dat de memorie van toelichting geen verant-woording bevat van de afwegingen die zijn gemaakt in het licht van debeginselen die op grond van artikel 5 en 6 AVG gelden voor verwerkingvan persoonsgegevens en de eisen die in dit verband aan de nationalewetgeving worden gesteld. Zij adviseert eerst de toelichting op dit puntaan te vullen met een paragraaf ter zake en het concept met de aange-vulde toelichting opnieuw voor advies aan haar voor te leggen.In reactie daarop kan worden opgemerkt dat in paragraaf 2 onder a isaangegeven welke artikelen er als gevolg van de AVG zijn gewijzigd en datde afwegingen die ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevenszijn gemaakt, zijn opgenomen in de artikelsgewijze toelichting. Omdatsprake is van een nota van wijziging en om daarbij te borgen dat elkartikel dat een grondslag voor gegevensverwerking bevat ook is voorzienvan een gedegen onderbouwing in het licht van de AVG, is voor die opzetgekozen. Voor de overzichtelijkheid wordt deze opzet thans behouden.Omdat de AP in de afwegingen in de artikelsgewijze toelichtingkennelijk geen aanleiding heeft gezien om opmerkingen te maken, zal denota van wijziging niet nogmaals worden voorgelegd aan de AP. Dit medegelet op de reeds geruime tijdspanne die de AP heeft gehad om teadviseren.l. Camera-observatie De NOvA pleit in zijn advies om de beslissing tot camera-observatie bijplaatsing in de strafcel schriftelijk te doen en appellabel te maken. HetCRM adviseert om in de tekst van de wet op te nemen dat bij eenbeslissing tot het instellen van cameratoezicht altijd de proportionaliteiten subsidiariteit getoetst moeten worden.Hierop kan worden geantwoord dat de directeur slechts kan besluitentot cameraobservatie indien dit ter bescherming van de geestelijke oflichamelijke toestand van de vreemdeling noodzakelijk is. De directeurdient daarvoor op grond van artikel 62a, tweede lid, Wtvb eerst advies inte winnen bij een gedragskundige of inrichtingsarts en als dat advies nietkan worden afgewacht, moet de directeur dat advies inwinnen zo spoedigmogelijk na zijn beslissing. Alvorens de directeur besluit tot cameraobser-vatie moet hij de vreemdeling op grond van artikel 68, eerste lid, onder k,Wtvb in de gelegenheid stellen om te worden gehoord, zoveel mogelijk ineen voor hem begrijpelijke taal. Verder dient de directeur op grond vanartikel 69, eerste lid, Wtvb de vreemdeling onverwijld schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal met reden omkleed,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 933 gedagtekend en ondertekend mededeling van die beslissing te doen.Daarbij dient de vreemdeling te worden gewezen op het recht dat hij heeftop bemiddeling, beklag en schorsing van die beslissing, zie artikel 69,derde lid, Wtvb. Daarmee is, zoals de NOvA adviseert, reeds voorzien ineen schriftelijke beslissing die appellabel is. Tevens is voorzien inwaarborgen zodat met de inzet van cameratoezicht terughoudend wordtomgegaan.m. Financiële gevolgen De Adviesraad Migratie heeft geadviseerd om voldoende financiëlemiddelen ter beschikking te stellen aan de RSJ om de effectiviteit vanrechtsmiddelen te borgen. De RvdR heeft aangegeven dat de nota vanwijziging structurele gevolgen heeft voor de werklast van de rechtspraak.In financiële zin komt de structurele stijging in werklast uit op € 234.000per jaar. De kosten voor de RvdR zijn meegenomen in de financiëleparagraaf.n. Overig Op de vraag van de RvdR of overeenkomstig artikel 16 Terugkeerrichtlijnis voorzien is in een (apart) regime voor vreemdelingen dat beperkt is totwat strikt noodzakelijk is om een doeltreffende terugkeerprocedure tewaarborgen, kan worden geantwoord dat de Wtvb nu juist beoogt tevoorzien in een eigen bestuursrechtelijk regime voor vreemdelingenbe-waring. Voor wat betreft de opmerking van de NOvA dat het voorstel nietgoed is doordacht omdat vreemdelingen ter fine van uitzetting niet inaanraking horen te komen met strafrechtelijk gedetineerden, kan wordenaangegeven dat vreemdelingen altijd gescheiden worden van strafrech-telijk gedetineerden. Daar waar jeugdige vreemdelingen in een uitzon-derlijk geval op grond van de bevoegdheid uit artikel 11, tweede lid Wtvbin een justitiële jeugdinrichting worden geplaatst, zullen maatregelenworden getroffen om de jeugdige te scheiden van jeugdigen die opstrafrechtelijke titel zijn geplaatst. Benadrukt wordt dat dit alleen inuitzonderlijke omstandigheden gebeurt en zo kort mogelijk.De opmerking van de NOvA bij de in artikel 24 van de Wtvb opgenomenmogelijkheid om het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijkebijeenkomsten te beperken, wordt niet overgenomen. Met de tekst inartikel 24 Wtvb is aangesloten bij de formulering van het vrijwel identiekeartikel in de Pbw. Nogmaals wordt benadrukt dat met het beperken vanhet grondwettelijke recht op vrijheid van godsdienst vanzelfsprekendterughoudend wordt omgegaan.Het advies van de NOvA bij artikel 29, vierde lid (nieuw), Wtvb om determijn van beperking van het bezoek te bekorten en de verlengingsmoge-lijkheid te schrappen wordt niet overgenomen. Met deze nota vanwijziging is sprake van een verbetering ten opzichte van het oorspronke-lijke voorstel, waarbij de beperking van het bezoek niet aan een termijnwas gebonden en derhalve gedurende het hele verblijf van de vreem-deling kon voortduren. In een voorkomend geval dient de directeur eenafweging te maken van alle belangen ter zake en daarbij weegt het belangvan de vreemdeling om voor een eventuele uitzetting nog bezoek teontvangen uiteraard relatief zwaar mee. De door de NOvA aangestiptesituatie dat de directeur het bezoek van familieleden zou weigeren omdatzij te emotioneel zouden zijn, lijkt overigens moeilijk voorstelbaar. Omdater zich in de praktijk situaties voordoen waarbij de gronden voorverlenging van de bezoekweigering ook na drie maanden aanwezigblijven, moet ook in een verlengingsmogelijkheid worden voorzien. Dezeverlengingsmogelijkheid maakt overigens wel dat periodiek opnieuwTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 934 wordt beoordeeld of bezoekweigering nog noodzakelijk is en geeft devreemdeling de mogelijkheid ook tegen dit nieuwe oordeel beklag enberoep in te stellen. Gelet hierop blijft ook de verlengingsmogelijkheidvan de bezoekweigering gehandhaafd.Het advies van de NOvA om het vijfde lid dat aan artikel 30 Wtvb wordttoegevoegd te schrappen wordt niet overgenomen. Het komt de NOvAvoor, dat voorschriften aan advocaten met betrekking tot het gebruik vandienstenveloppen of anderszins herkenbare enveloppen te ver voert. Voorhet in het leven roepen van zulke voorschriften is volgens de NOvA geennoodzaak aangetoond. Het recht op vrij verkeer kan daar niet vanafhankelijk worden gemaakt. Deze nota van wijziging regelt dat het voorde Minister mogelijk wordt om nadere regels te stellen omtrent de wijzevan verzending van brieven aan en door de in het eerste en tweede lidgenoemde personen en instanties. Dit artikel, dat overeenkomt metartikel 37, tweede lid, Pbw wordt omwille van de uitvoerbaarheidgehandhaafd. Op grond van artikel 57, tweede lid, van de Wtvb dient dedirecteur poststukken van de in artikel 30, eerste en tweede lid, genoemdepersonen of instanties te onderzoeken in aanwezigheid van de vreem-deling. Daarvoor is wel noodzakelijk dat helder is welke brieven ofpoststukken van die instanties afkomstig zijn, anders zou de directeur dezepoststukken eerst moeten open maken voordat hij de vreemdelingaanwezig kan laten zijn bij het onderzoek. Een regeling op grond vanartikel 30, vijfde lid, Wtvb is daarbij behulpzaam.De adviesopmerking van de NOvA bij artikel 36a Wtvb lijkt te berustenop een misvatting. De NOvA adviseert dat hoor ambtenaren van de INDde vreemdeling het recht moeten laten behouden op het uitoefenen vanreligieuze activiteiten. In artikel 36a Wtvb is geregeld dat de artikelen 23en 36 voor zover het gaat om de rechten op bewegingsvrijheid endagbesteding, onverlet laten dat de vreemdeling het onderzoek naar deinwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeldin de Vw 2000 moet laten voorgaan, indien hij daartoe wordt opgeroepen.In de artikelen 23 en 36 wordt niets geregeld ten aanzien van de uitoe-fening van religieuze activiteiten; dit is geregeld in artikel 24 Wtvb.Artikel 36a Wtvb wijzigt de rechten die vreemdeling op grond van de Wtvbheeft op het belijden van zijn godsdienst dus niet.II. Artikelsgewijs deel Artikel I, onderdeel 1, artikel 0A,Artikel I, onderdeel 4, artikel 0Cc en 0CeArtikel I, onderdeel 1, artikel 0A strekt ertoe artikel 1 van de Wtvb tewijzigen. Artikel 1 van de Wtvb bevat een aantal definities waarin naar dehuidige Opvangrichtlijn 2013/3313 wordt verwezen. Met ingang van 12 juni2026 wordt de huidige Opvangrichtlijn vervangen door de herschikteOpvangrichtlijn 2024/134614. Gelet hierop is het tweede lid van artikel 1Wtvb, dat een dynamische verwijzing bevatte naar de huidigeOpvangrichtlijn, geschrapt. Daarnaast is in de definitie van het begrip«niet-begeleide minderjarige» een verwijzing naar het juiste onderdeelvan de herschikte Opvangrichtlijn opgenomen. Het begrip «kwetsbarepersonen» uit de huidige Opvangrichtlijn komt in de herschikte13Richtlijn nr. 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 totvaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.14Richtlijn nr. 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 totvaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming(PbEU L 180/96).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 935 Opvangrichtlijn niet terug en is daarom vervangen door het begrip«vreemdeling met bijzondere opvangbehoeften».Daarnaast strekt het tweede onderdeel van artikel 0A er toe het begrip«familie» in artikel 1 van de Wtvb te definiëren als bij ministeriële regelingaangewezen groepen vreemdelingen die in een nauwe persoonlijkebetrekking tot elkaar staan. In het wetsvoorstel dat thans bij de EersteKamer ligt, was opgenomen dat het moet gaan om meerderjarigevreemdelingen. Het gevolg daarvan was dat op de relatieafdeling van deinrichting voor vreemdelingenbewaring als bedoeld in artikel 13, tweedelid, alleen meerderjarige vreemdelingen kunnen worden geplaatst die ineen nauwe persoonlijke betrekking tot elkaar staan. Onbedoeld gevolgvan deze definitie was ook dat het bezoek van familieleden als bedoeld inartikel 29, zesde lid (nieuw), alleen hoeft plaats te vinden bij het bezoekvan meerderjarige familieleden en niet bij minderjarige familieleden. Ditlaatste zou onder meer strijd opleveren met artikel 10, vierde lid,Opvangrichtlijn dat bepaalt dat familieleden, juridisch adviseurs ofraadslieden en vertegenwoordigers van relevante, door de betrokkenlidstaat erkende niet-gouvernementele organisaties contact kunnenonderhouden met verzoekers en hen kunnen bezoeken in omstandig-heden waarin de privacy wordt geëerbiedigd. Gelet hierop is de definitievan familie aangepast zodat meerderjarigheid niet langer een vereiste is.Om er voor te zorgen dat de relatieafdeling bedoeld blijft voor meerder-jarige familieleden, is in onderdeel 4 van deze nota van wijziging,subonderdeel 0Cc en 0Cd, artikel 13, tweede lid, en artikel 19, derde lid,van de Wtvb aangepast. Daarin is opgenomen dat het moet gaan ommeerderjarige familieleden.Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raadvan State is een definitie toegevoegd van «activiteiten». Het betreftactiviteiten als bedoeld in de artikelen 23, 24, 25, 26 en 27 Wtvb. Door dezetoevoeging is helder op welke artikelen de bevoegdheid uit artikel 49Wtvb van toepassing is.Tot slot is door een herverdeling van de portefeuilles in het kabinetSchoof de verantwoordelijkheid voor Asiel en Migratie komen te liggen bijde Minister van Asiel en Migratie. Dit is daarom aangepast in het begripOnze Minister.Het zesde onderdeel van artikel 0A betreft een redactionele verbetering.Artikel I, onderdeel 2, artikel 0BHet eerste onderdeel van artikel 0B strekt tot aanvulling van artikel 4,eerste lid, Wtvb en bepaalt dat een inrichting kan zijn gevestigd opverschillende locaties binnen hetzelfde arrondissement. Daarmee wordtaangesloten bij de wijziging van artikel 3, eerste lid, Pbw per 1 januari2021.De vraag of sprake is van een inrichting voor vreemdelingenbewaring isvan belang om te bepalen wie bevoegd is de beslissing tot overplaatsingte nemen. Voor de beslissing tot overplaatsing binnen een inrichting(interne overplaatsing) is de directeur bevoegd. Voor de beslissing totoverplaatsing van de ene naar de andere penitentiaire inrichting (externeoverplaatsing) is de Minister van Justitie en Veiligheid (namens hem deselectiefunctionaris) bevoegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 936 Het tweede onderdeel van artikel 0B regelt de mandaatverleningbetreffende de bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindendevoorschriften. Deze bevoegdheid kan slechts worden gemandateerd,indien bij de toekenning van die bevoegdheid in mandaatverlening isvoorzien (artikel 10:3, tweede lid, onder a, Awb). In de praktijk van hetgevangeniswezen bestaat deze bevoegdheid reeds omdat het wenselijkwordt geacht dat door de Minister van Justitie en Veiligheid te gevenalgemeen verbindende voorschriften van met name technische enadministratieve aard uit zijn naam worden ondertekend door de Directeur-Generaal (DG) van DJI.15 Gelet op het uitgangspunt dat met een dergelijkemandaatverlening grote terughoudendheid moet worden betracht, blijftde mandaatverlening beperkt tot de DG van DJI en is ondermandaat niettoegestaan.Het derde onderdeel van artikel 0B regelt dat de aanwijzing alsplaatsvervanger van de directeur kan worden beperkt tot het nemen vaneen in de aanwijzing bepaalde beslissing als bedoeld in artikel 5, vijfde lid,onder a, d, e en i, Wtvb. In het oorspronkelijk voorstel was een verwijzingopgenomen naar artikel 5, vijfde lid onder b, c en h van de Wtvb. Met dehier voorgestelde wijziging wordt geregeld dat de aanwijzing alsplaatsvervanger kan worden beperkt tot:– de plaatsing in het beheersregime en de verlenging daarvan, bedoeldin artikel 18;– de uitsluiting van deelname aan activiteiten en de verlenging daarvan,bedoeld in artikel 49;– de plaatsing in afzondering en de verlenging daarvan, bedoeld inartikel 50, en– de oplegging van een disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 62van de Wtvb en de toepassing van de artikelen 62b, derde en vierde lid, enartikel 65, eerste en tweede lid.Daarmee komt dit artikel nu, voor zover van toepassing, materieelovereen met artikel 3, vierde lid, Pbw. Dit artikel in de Pbw is momenteelvan toepassing op inrichtingen voor vreemdelingenbewaring en regelt totwelke beslissingen de aanwijzing van de directeur kan worden beperkt.Artikel I, onderdeel 3, wijziging artikel BDeze wijziging voorziet in wijziging van artikel 5, vijfde lid, onder i vande Wtvb. Artikel 5, vijfde lid bepaalt welke beslissingen zijn voorbehoudenaan de directeur. Deze aanvulling zorgt ervoor dat ook de toepassing vande volgende bevoegdheden zijn voorbehouden aan de directeur:– bij het overtreden van een voorwaarde binnen de proeftijd kan dedirecteur bepalen dat de opgelegde voorwaardelijke straf geheel of tendele ten uitvoer wordt gelegd danwel de directeur kan een onvoorwaarde-lijke straf geheel of ten dele omzetten in een voorwaardelijke straf (zie hetnieuw ingevoegde artikel 62b, derde en vierde lid);– de tenuitvoerlegging van de opsluiting in een strafcel kan in eenandere inrichting of afdeling worden ondergaan (zie artikel 65, eerste entweede lid).Artikel 5, vierde lid, onder i van de Pbw beperkt het nemen vanbeslissingen omtrent de toepassing van deze bevoegdheden eveneens totde directeur.15Kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, blz. 18.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 937 Artikel I, onderdeel 4, artikel OCNa artikel 7 Wtvb wordt een nieuw artikel 7a ingevoegd dat de directeurertoe verplicht een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling opte stellen. De Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishan-deling (Stb. 2013, 247) verplicht werkgevers om in een aantal sectoren,onder meer voor professionals werkzaam bij justitie, een meldcode vast testellen en te implementeren. Deze verplichting wordt op grond van ditartikel opgelegd aan diegene die verantwoordelijk is voor het beheer vande inrichting en die daartoe door de Minister van Justitie en Veiligheid isaangewezen. In het geval van de inrichting voor vreemdelingenbewaringis dat de directeur. Hij heeft in het kader van zijn taak om toezicht tehouden op de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming in deinrichting of afdeling, ook tot taak toe te zien op de wijze waarop zijnpersoneelsleden en medewerkers omgaan met signalen van geweld, diezij opvangen in het kader van hun contact met vreemdelingen. Het gebruikvan een meldcode valt daarom ook onder zijn toezichthoudende rol. Dezeverplichting geldt momenteel al in inrichtingen voor vreemdelingenbe-waring op grond van artikel 5a van de Pbw.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0CaDit onderdeel vervangt artikel 10 van de Wtvb door een nieuw artikel.Waarom de inhoud van artikel 10 Wtvb is geschrapt, is toegelicht inparagraaf 4 onder het kopje «h. Grondslag gegevensdeling met deInspectie voor Justitie en Veiligheid».Het nieuwe artikel 10 regelt dat de Minister de verwerkingsverantwoor-delijke is voor de persoonsgegevens, waaronder bijzondere persoonsge-gevens, van de vreemdeling en zijn bezoeker en dat de Minister deze magverwerken indien dit noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van devreemdelingenbewaring op grond van deze wet. Het tweede lid regelt datde directeur van de inrichting voor vreemdelingenbewaring het beheervoert over deze gegevens. Bij de vormgeving van dit artikel is aansluitinggezocht bij de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg), omdatdeze thans het juridische kader vormt voor de wijze waarop tenuitvoerleg-gingsgegevens in een penitentiaire inrichting kunnen worden verwerkt. Inartikel 1, onder d en onder k, 3 Wjsg juncto artikel 51a Wjsg is geregelddat de Minister verwerkingsverantwoordelijke is voor tenuitvoerleggings-gegevens en dat de directeur over deze gegevens het beheer voert. Metde regeling in het nieuwe artikel 10 Wtvb is derhalve geen wijzigingbeoogd in de verantwoordelijkheden voor de verwerking van persoonsge-gevens.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0CbMet deze wijziging wordt aan artikel 11, tweede lid, Wtvb toegevoegddat de Minister in afwijking van het eerste lid volgens de procedure vanartikel 15 Wtvb een vreemdeling ook kan onderbrengen in een inrichtingdie is aangewezen als justitiële jeugdinrichting in de zin van de Beginse-lenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) indien bijzondere opvang ofbeveiliging noodzakelijk is in verband met de persoonlijkheid, dan wel delichamelijke of de geestelijke gezondheidstoestand van de vreemdeling. Inhet oorspronkelijke wetsvoorstel was reeds geregeld dat artikel 97 de Bjjop dit punt zou wijzigen. Met deze wijziging is dit ook opgenomen inartikel 11, tweede lid, Wtvb waarin wordt geregeld waar de Minister devreemdeling kan onderbrengen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 938 Dat de Minister bevoegd is een vreemdeling in een justitiële jeugdin-richting te plaatsen, laat onverlet dat niet-begeleide minderjarigen opgrond van artikel 41 Wtvb niet op bestuursrechtelijke titel in een JJIkunnen worden geplaatst. Deze hier voorgestelde wijziging van artikel 11,tweede lid, Wtvb, brengt daarin geen verandering.Artikel I, onderdeel 4, artikel OCdDit onderdeel vervangt een verwijzing in artikel 17, vierde lid, Wtvb naarde huidige Opvangrichtlijn 2013/33 door een verwijzing naar het juisteartikel in de herschikte Opvangrichtlijn 2024/1346.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0CfDit onderdeel wijzigt artikel 20, eerste lid, Wtvb door de bevoegdheidom een vreemdeling op een afdeling voor bijzondere opvang onder tebrengen ook toe te kennen aan de directeur. Artikel 20, eerste lid, regeldereeds dat de Minister deze bevoegdheid had. Het is in het belang van devreemdeling als ook de directeur de bevoegdheid krijgt om de vreem-deling in de bijzondere opvang te plaatsen, als daar aanleiding toe is geletop diens persoonlijkheid, lichamelijke of geestelijke toestand. Hierbij kangedacht worden aan plaatsing van de vreemdeling op de Extra Zorgaf-deling (EZA), bedoeld voor het stabiliseren en beschermen van kwetsbarevreemdelingen en deze waar nodig te motiveren voor een zorgtraject.Onder de Pbw is de directeur reeds bevoegd de vreemdeling op dezeafdeling te plaatsen. Op basis van contact met de psycholoog in deinrichting volgt de beoordeling welke afdeling het meest passend is.Indien enkel de Minister bevoegd is tot plaatsing op de EZA dient deinrichting, of de vreemdeling zelf, een overplaatsingsverzoek voor tebereiden en in te dienen bij de selectiefunctionaris, waarna de selectie-functionaris hierover een besluit neemt. In de praktijk zal dit betekenen dateen zorgbehoevende vreemdeling langer zal moeten wachten opplaatsing op de EZA dan wanneer de directeur zelf bevoegd is om opbasis van intern advies dit besluit te nemen. De voorgestelde wijzigingmaakt het mogelijk de huidige werkwijze te continueren. Tevens biedt ditde mogelijkheid om lokaal niveau bijzondere afdelingen te ontwikkelenalvorens deze, waar nodig, op landelijk niveau worden geformaliseerd.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0CgDit onderdeel voorziet in toevoeging van een tweede lid aan artikel 22van de Wtvb. Daardoor wordt het mogelijk om indien dat in uitzonderlijkeomstandigheden noodzakelijk is voor ten hoogste twee maanden bijministeriële regeling af te wijken van het:– maximumaantal uren per etmaal waarin de vreemdeling gehouden isin de gesloten verblijfsruimte te verblijven (artikel 22, eerste lid, aanhef enonder b, Wtvb);– recht op dagbesteding gedurende een bij algemene maatregel vanbestuur te bepalen minimumaantal uren per week (artikel 23, eerste lid,Wtvb);– het recht op bezoek (artikel 29, eerste lid, Wtvb);– recht op lichamelijke oefening en het beoefenen van sport (artikel 23,tweede lid, onder c, Wtvb);– recht op recreatieve activiteiten (artikel 23, tweede lid, onder d, Wtvb).Bij uitzonderlijke omstandigheden als hier bedoeld moet het gaan omomstandigheden die niet voorzienbaar zijn en die zo uitzonderlijk zijn datdaar bij het maken van de Wtvb geen rekening kon worden gehouden. Tedenken is in dit verband aan het zich voordoen van een pandemie. Niet alsuitzonderlijke omstandigheid kwalificeert een tekort aan personeel alsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 939 gevolg van krapte op de arbeidsmarkt. Dit is immers een situatie die vantevoren voorzienbaar is. Zie voor een uitgebreide toelichting op het begripuitzonderlijke omstandigheden ook paragraaf 4 onder a.Er kan alleen bij ministeriële regeling van de genoemde rechten wordenafgeweken indien dit in verband met uitzonderlijke omstandighedennoodzakelijk is en op de voor de vreemdeling minst ingrijpende wijze.Indien de noodzaak voor de ministeriële regeling niet meer aanwezig is,moet deze worden ingetrokken.De regeling kan telkens met ten hoogste twee maanden wordenverlengd, indien de noodzaak blijft bestaan.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het recht van de vreemdelingop verblijf in de buitenlucht van twee uur per dag in het verblijfsregime enéén uur per dag in het beheersregime, niet kan worden beperkt. Het rechtop verblijf in de buitenlucht voor ten minste één uur per dag is een rechtdat rechtstreeks voortvloeit uit internationaal recht en soft law instru-menten zoals de standaarden van de European Committee for thePrevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment orPunishment (CPT).16 Dit recht wordt volgens vaste jurisprudentie van deRSJ daarom als een onvervreemdbaar fundamenteel recht voor deingeslotene aangemerkt.17Voor het beheersregime wordt eenzelfde uitzonderingsmogelijkheidgecreëerd in artikel 36, Wtvb. Dit wordt besproken bij de toelichting opArtikel I, onderdeel 4, artikel 0Ck. En voor de gesloten gezinsvoorziening iseenzelfde voorziening opgenomen in artikel 43, tweede lid, Wtvb. Ditwordt besproken bij de toelichting op artikel I, onderdeel 5, wijziging vanonderdeel C, tweede lid.Artikel I, onderdeel 4, artikelArtikel I, onderdeel 4, artikel 0ChDit artikel wijzigt artikel 25, derde lid, onder c, van de Wtvb. Zoals reedsis aangestipt in paragraaf 2 kwam uit de Eaut bij de Wtvb van februari2024 naar voren dat de in de Wtvb geregelde procedure voor detentieon-geschiktheid voor het NIFP niet uitvoerbaar is. Het NIFP verwacht datextra medische adviseurs zullen moeten worden geworven omdat hetaantal verzoeken om de detentiegeschiktheid van vreemdelingen tebeoordelen, zal toenemen evenals het aantal beroepsprocedures. Dit zalnaar verwachting door medisch adviseurs als ingrijpend worden ervarenen bovendien wordt het werk inhoudelijk veel minder aantrekkelijk omdatde bulk van het werk zal bestaan uit de relatief eenvoudige detentiege-schiktheidsonderzoeken. Dit kan medisch adviseurs snel doen afhaken,waarna opnieuw zal moeten worden geworven. Het voorgaande maaktdat de werkdruk verder oploopt en dat de werkzaamheden zich vooralzullen toespitsen op spoedklussen, zoals een detentiegeschiktheidson-derzoek. Dit versterkt nog extra de kans op uitval en uitstroom vanmedisch adviseurs, wat erg onwenselijk is bij de toch al krappe arbeids-markt.16Zie http://www.coe.int/en/web/cpt/standards, onder meer nr. 48. Zie ook de European PrisonRules van de Raad van Europa nr. 27.1 https://rm.coe.int/european-prison-rules-978-92-871-5982-3/16806ab9ae en de Standard minimum rules for the treatment of prisoners nr. 21(1)https://www.unodc.org/pdf/criminal_justice/UN_Standard_Minimum_Rules_for_the_Treatment_of_Prisoners.pdf.17Bijvoorbeeld RSJ 15 juli 2020, R-19/4066/GA en RSJ 7 november 2012, 12/1753/TA en12/1762/TA.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 940 Gelet hierop is er voor gekozen artikel 25, derde lid, onder c, Wtvb metdeze nota van wijziging zodanig aan te passen dat de inrichtingsarts toetstof een verzoek van de vreemdeling om zijn detentiegeschiktheid tebeoordelen niet klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot. Het spreekt voorzich dat een verzoek om de detentiegeschiktheid te beoordelen moet zijnonderbouwd met feiten en omstandigheden waaruit de detentieonge-schiktheid blijkt. Wordt een verzoek gedaan vanwege een niet complexeaandoening waarvoor de benodigde zorg is geregeld dan is evident datdie zorg in of vanuit de inrichting kan worden verleend. Is de inrich-tingsarts van oordeel dat het verzoek klaarblijkelijk van elke grond isontbloot, dan wordt het verzoek niet doorgeleid naar de medisch adviseur.Tegen dit handelen van de inrichtingsarts staat op grond van artikel 89 e.v.Wtvb rechtsbescherming open. Daarvan maakt voorbemiddeling door eendaartoe aangewezen ambtenaar van de inrichting en bemiddeling door demedisch adviseur onderdeel uit, evenals het indienen van een beroep-schrift bij de RSJ.Is het verzoek niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot, dan wordt hetverzoek doorgeleid en beoordeelt de medisch adviseur van het NIFP.Tegen het advies van de medisch adviseur staat direct beroep bij de RSJopen op grond van artikel 94 Wtvb.18 Wellicht ten overvloede wordt hieropgemerkt dat dit een rechtsgang betreft die alleen open staat voorvreemdelingen en niet voor gedetineerden, nu de Wtvb alleen maarbetrekking heeft op vreemdelingen in bewaring.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0CiDit artikel wijzigt artikel 29 van de Wtvb. Ten eerste wordt het derde lidvan artikel 29 Wtvb geschrapt omdat deze grondslag niet nodig blijkt. Eenbevoegdheid om in het kader van de orde en veiligheid persoonsge-gevens van bezoekers te verwerken is evenmin opgenomen in de Pbw.Bovendien lijkt een dergelijke bevoegdheid ook niet nodig om de orde enveiligheid in de inrichting te bewaren gelet op de overige bevoegdhedendie de directeur op grond van artikel 29 Wtvb heeft om de bezoeker omzijn legitimatie te vragen, de toelating van een bezoeker afhankelijk testellen van diens bereidheid zich bij binnenkomst aan zijn kleding te latenonderzoeken en meegebrachte voorwerpen te laten controleren en inbeslag te nemen en toezicht op het bezoek uit te oefenen danwel hetbezoek te weigeren.Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de directeur persoonsge-gevens van een bezoeker kan verwerken als hem de toegang wordtgeweigerd (op grond van artikel 29, vierde lid (nieuw) Wtvb). Debevoegdheid om het bezoek de toegang te weigeren, heeft de directeur inhet kader van een taak van algemeen belang, namelijk het verzekeren vaneen ongestoorde tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring en hethandhaven van de orde en veiligheid in de inrichting voor vreemdelingen-bewaring (zie artikel 5, eerste lid, Wtvb). Op grond van artikel 6, eerste lid,onder e, AVG mag de directeur in dat kader dan ook (gewone) persoons-18Voor die vorm van rechtsbescherming, zonder bemiddeling en voorbemiddeling, is destijdsblijkens de memorie van toelichting bewust gekozen: «Wat betreft de rechtsbescherming inhet kader van het onderzoek naar detentieongeschiktheid het volgende. Dit onderzoek bestaatuit een medisch deel (te weten het advies van de Medisch Adviseur) en een afweging van dedirecteur omtrent de orde en veiligheid, waarbij de directeur overigens over het algemeen hetadvies van de Medisch Adviseur zal opvolgen. Om in adequate rechtsbescherming te voorzienmet betrekking tot het medische handelen van de Medisch Adviseur wordt in artikel 94 eenrechtstreeks beroep bij de RSJ geïntroduceerd. De voorbemiddeling en bemiddeling metbetrokkenheid van de Medisch Adviseur lenen zich niet goed voor situaties waarin hetmedisch handelen van de Medisch Adviseur zelf ter discussie staat.», zie Kamerstukken II2015/16, 34 309, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 25.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 941 gegevens van de bezoeker verwerken. Artikel 66 Wtvb ziet op deverwerking van persoonsgegevens van de vreemdeling en het bezoek inhet kader van de terugkeer.Ten tweede wordt artikel 29, derde lid (nieuw), gewijzigd in die zin dataan de tweede zin wordt toegevoegd dat de directeur door het bezoekmeegebrachte voorwerpen die een gevaar kunnen opleveren voor de ordeen veiligheid in de inrichting voor de duur van het bezoek in beslag kandoen nemen, tegen afgifte van een bewijs van ontvangst dan wel dezevoorwerpen aan een opsporingsambtenaar ter hand kan stellen met hetoog op de voorkoming of opsporing van strafbare feiten. Met het bewijsvan afgifte kan de bezoeker aantonen dat hij een voorwerp dat tot zijneigendom behoort of dat hij onder zicht houdt, heeft moeten afgeven enkan hij het bij vertrek uit de inrichting weer meenemen.Het derde onderdeel van dit artikel voegt een zin toe aan artikel 29,vierde lid (nieuw), Wtvb. Artikel 29 bepaalde reeds dat indien dehandhaving van de orde en veiligheid in de inrichting dit noodzakelijkmaakt, de directeur een bezoeker de toegang tot of het voortgezet verblijfin de inrichting kan weigeren. Dit onderdeel van de nota van wijzigingregelt dat deze weigering geldt voor ten hoogste drie maanden. Eenonbeperkte weigering van het bezoek acht de regering niet proportioneel.Daarom is een beperking in de tijd van drie maanden aangebracht. Naommekomst van die periode kan de betreffende bezoeker weer wordentoegelaten, tenzij de weigering van de toegang nog steeds noodzakelijk is.De weigering kan telkens met drie maanden worden verlengd, indien degronden voor weigering nog steeds aanwezig zijn.Het vierde onderdeel van dit artikel voegt een grondslag voor deverwerking van persoonsgegevens van familie van de vreemdeling toeaan artikel 29, zesde lid (nieuw), Wtvb. Dat artikellid regelde ter uitvoeringvan artikel 10, vierde lid Opvangrichtlijn reeds dat bezoek van familie vande vreemdeling plaatsvindt in omstandigheden waarin de persoonlijkelevenssfeer wordt geëerbiedigd (de herschikte Opvangrichtlijn kent inartikel 12, vierde lid, eenzelfde verplichting op de privacy te eerbiedigen).Hiervoor zal een zogenaamde familiekamer worden ingericht met eenhuiselijke sfeer. Om te kunnen vaststellen of iemand familie van devreemdeling is, kan de vreemdeling bewijsstukken overleggen waaruit diefamilieband blijkt. Het ligt in eerste instantie op de weg van de vreem-deling op die familieband aan te tonen en daartoe bewijsstukken teoverleggen. De vreemdeling kan die stukken daartoe zelf bij het COA ende IND opvragen.Bij afwezigheid van bewijstukken of ter verificatie van door de vreem-deling overgelegde bewijsstukken kan de directeur aan het COA en de INDvragen om informatie aan te leveren. Artikel 29, zesde lid (nieuw) bepaaltdaarom dat om vast te stellen dat een persoon familie van de vreemdelingis en bezoek derhalve kan plaatsvinden in omstandigheden waarin deprivacy van de vreemdeling wordt geëerbiedigd, het COA en de INDpersoonsgegevens over de familie van de vreemdeling op diens verzoekaan de directeur kunnen verstrekken. Bij het COA wordt gevraagd of devreemdeling samen met zijn familie een sociale eenheid is en in welkesamenstelling zij binnen de COA-locatie verbleven. Aan de IND kanworden gevraagd naar het bestaan van familie van de vreemdeling.Omdat er twijfel kan zijn over door de vreemdeling aangedragen stukkenen moet worden voorkomen dat de directeur tot een andere conclusiekomt over wie familie is van de vreemdeling, geeft dit artikellid dedirecteur ook de bevoegdheid om bij IND en COA te verifiëren of daarsprake van is. In zijn verzoek aan IND en COA licht de directeur toewaarom hij twijfelt aan de overgelegde stukken door de vreemdeling,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 942 zodat de verificatie van de verstrekte gegevens door COA of IND zo veelmogelijk tot dat deel van de gegevens kan worden beperkt.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat artikel 107, vierde lid, Vw2000 een grondslag voor de Minister (en namens deze de IND) biedt voorhet verstrekken van deze gegevens aan de directeur. Als de bezoeker naaraanleiding van deze uitvraag aangemerkt wordt als familie, worden zijngegevens geregistreerd in het vreemdelingendossier van de betreffendevreemdeling en bij de beveiliging zodat men weet dat deze bezoeker rechtheeft op bezoek dat de privacy eerbiedigt en dit onderzoek niet elk bezoekhoeft te worden herhaald.Persoonsgegevens mogen op grond van artikel 5 AVG slechts wordenverwerkt als dit rechtmatig, behoorlijk en transparant is, en dit noodza-kelijk is voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigdedoeleinden en mogen niet worden verder verwerkt op een met diedoeleinden onverenigbare wijze. Van gerechtvaardigde verwerking is inhet onderhavige geval sprake. Verwerking is immers noodzakelijk vooreen taak van algemeen belang, te weten het uitvoeren van artikel 12,vierde lid, herschikte Opvangrichtlijn, dat deels wordt geïmplementeerd inartikel 29, zesde lid, Wtvb. Het doel van de verwerking wordt in artikel 29,zesde lid (nieuw), welbepaald en uitdrukkelijk omschreven: te weten hetvaststellen dat een persoon in familierechtelijke betrekking tot devreemdeling staat. Daarnaast is een bewaartermijn opgenomen van dezepersoonsgegevens. Deze directeur bewaart deze gegevens niet langer dannoodzakelijk en in ieder geval niet langer dan zes maanden nader de devreemdeling de inrichting voor vreemdelingenbewaring definitief heeftverlaten.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0CjHet eerste onderdeel van dit artikel wijzigt het eerste lid van artikel 30van de Wtvb. Daarmee is de kring van personen die buiten de door dedirecteur vastgestelde bezoektijden en – plaatsen toegang heeft tot devreemdeling gelijk aan de personen die toegang hebben tot een gedeti-neerde op grond van het gelijkluidende artikel 37, eerste lid, onder g en h,Pbw.Het tweede en vierde onderdeel betreffen wijzigingen van redactioneleaard.Het derde onderdeel vervangt het derde lid van artikel 30 van de Wtvb.Door het vervallen van artikel 29, derde lid, is een uitzondering op datartikel in artikel 30 niet meer noodzakelijk. Er is een nieuw derde lidingevoegd in artikel 30 Wtvb waarin wordt geregeld dat de rechtsbijstand-verlener van de vreemdeling toegang heeft tot de vreemdeling tussen 8uur ’s ochtends en 23 uur in de avond. De vreemdeling heeft het recht omzijn rechtsbijstandsverlener te allen tijde, voor eigen rekening, te bellen.Aanvankelijk was in het eerste lid van artikel 30 Wtvb opgenomen datde rechtsbijstandsverlener te allen tijde toegang had tot de vreemdeling.Zoals vermeld in paragraaf 2 is uit de Ex ante Uitvoeringstoets bij de Wtvbgebleken dat ten einde te allen tijde de fysieke toegang van de rechtsbij-standverlener tot de vreemdeling te garanderen er altijd beveiligingsper-soneel beschikbaar moet zijn om de rechtsbijstandverlener toegang tegeven tot de inrichting en dat bezoek te faciliteren (dus ook tijdensnachten, weekenden en feestdagen).19 Dat is op grond van de Pbw niet zo.19Dienst Justitiële Inrichtingen, EAUT Terugkeer en Vreemdelingenbewaring, Versie 1.0, Februari2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 943 De verwachting bij de experts tijdens een gehouden expertbijeenkomst isdat er gebruik zal worden gemaakt van deze mogelijkheid door advocatenaan het einde van de middag en het begin van de avond, nadat zij anderecliënten hebben bezocht. Hoewel niet verwacht wordt dat de theoretischetoegankelijkheid van de rechtsbijstandverlener gedurende de nachtdaadwerkelijk op grote schaal zal worden benut, kan het bezoek van derechtsbijstandsverlener in de late avond of nacht voor onrust op deafdeling zorgen. Bovendien kampt DJI reeds geruime tijd met beperktemogelijkheden om beveiligend personeel te werven en in te zetten, welkpersoneel dan zou moeten worden ingezet voor een mogelijkheidwaarvan niet vaak gebruik zal worden gemaakt. De kosten en baten tegenelkaar afgewogen is er voor gekozen de fysieke toegang van de rechtsbij-standsverlener tot de vreemdeling tot de hier voorgestelde tijden tebeperken. De vreemdeling heeft evenwel het recht zijn rechtsbijstandsver-lener te allen tijde telefonisch te benaderen, waarbij het uiteraard aan devreemdeling en diens rechtsbijstandsverlener is om afspraken te makenover diens bereikbaarheid. De vreemdeling heeft zowel bij het verblijf opde verblijfsafdeling en de beheersafdeling toegang tot telefonie, zij het datdit recht op de beheersafdeling wel beperkter is. Waar een vreemdeling isafgezonderd in het kader van een ordemaatregel of disciplinaire straf is eraltijd bewaking aanwezig die de vreemdeling te allen tijde in verbindingkan brengen met een rechtsbijstandverlenerHet vijfde onderdeel regelt dat de Minister nadere regels kan stellenover de wijze van verzending van brieven aan personen als genoemd inhet eerste lid. Deze nadere regels kunnen betrekking hebben opvoorschriften aangaande de wijze waarop door vreemdelingen brieven,gericht aan personen met wie zij vrijelijk kunnen corresponderen, terverzending worden aangeboden en voorschriften die deze personen metbetrekking tot door hen aan de vreemdelingen te zenden brieven in achtmoeten nemen, bijvoorbeeld het gebruik van dienstenveloppen ofanderszins herkenbare enveloppen.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0CkDit artikel wijzigt artikel 35 van de Wtvb door het begrip «kwetsbaregroepen» te vervangen door «vreemdelingen met bijzondere opvangbe-hoeften». Het begrip «kwetsbare groepen» was als definitie opgenomen inartikel 1 van de Wtvb en verwijst naar artikel 21 van de huidigeOpvangrichtlijn. Zoals in het eerste onderdeel van deze artikelsgewijzetoelichting is toegelicht, wordt de huidige Opvangrichtlijn vervangen doorde herschikte Opvangrichtlijn, die per 12 juni 2026 van toepassing wordt.Gelet hierop was aanpassing van deze term nodig.Daarnaast is, overeenkomstig artikel 13, eerste lid, derde alinea,herschikte Opvangrichtlijn aan artikel 35 Wtvb toegevoegd dat erregelmatig toezicht wordt gehouden op vreemdelingen met bijzondereopvangbehoeften en dat zij tijdig de bijstand krijgen die gezien hunspecifieke situatie en hun lichamelijke en geestelijke gezondheid noodza-kelijk is.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0ClDit artikel wijzigt artikel 36 van de Wtvb door daaraan een vierde lid toete voegen. Daardoor wordt het mogelijk om indien dat in uitzonderlijkeomstandigheden noodzakelijk is voor ten hoogste twee maanden bijministeriële regeling af te wijken van het:– maximumaantal uren per etmaal waarin de vreemdeling gehouden isin de gesloten verblijfsruimte te verblijven (artikel 36, eerste lid, onder a,Wtvb);Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 944 – recht op dagbesteding gedurende een bij algemene maatregel vanbestuur te bepalen minimumaantal uren per week (artikel 36, eerste lidonder b, Wtvb);– het recht op bezoek (artikel 36, eerste lid, onder c Wtvb);– recht op lichamelijke oefening en het beoefenen van sport (artikel 36,tweede lid, onder b, Wtvb);– recht op recreatieve activiteiten (artikel 36, tweede lid, onder c, Wtvb).Voor een verdere toelichting op de achtergrond en omstandigheden dieeen ministeriële regeling op grond van dit artikel mogelijk maken, wordtverwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel 4, artikel 0Cg.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0CmArtikel 0Ck voegt een nieuwe Afdeling toe aan hoofdstuk 4 van de Wetterugkeer en vreemdelingenbewaring, getiteld «Onderzoek asielaanvraaggaat voor op rechten». Met deze Afdeling wordt een artikel 36a toege-voegd aan de Wtvb. Daarin wordt bepaald dat de artikelen 23 en 36 voorzover het gaat om de rechten op bewegingsvrijheid en dagbesteding,onverlet laten dat de vreemdeling het onderzoek naar de inwilligbaarheidvan de aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in de Vw 2000moet laten voorgaan, indien hij daartoe wordt opgeroepen. Met dienverstande dat de vreemdeling te allen tijde het in artikel 23 en 36opgenomen recht behoudt op dagelijks verblijf in de buitenlucht. Hiermeewordt beoogd te voorkómen dat de vreemdeling bijvoorbeeld tijdens eengehoor deel wil nemen aan activiteiten waarop hij op grond van de Wtvbrecht heeft, waardoor het gehoor in het kader van zijn asielproceduresteeds onderbroken moet worden en niet meer afgerond kan wordenbinnen de daarvoor bestemde termijn. Het voorgaande neemt niet wegdat binnen de mogelijkheden uiteraard moet worden gezocht naarmogelijkheden voor de vreemdeling om zowel aan de verplichtingen inhet kader van de asielprocedure te voldoen als naar mogelijkheden hemtoch zo veel mogelijk gebruik te laten maken van diens rechten op grondvan de Wtvb.Artikel I, onderdeel 4, artikel 0CoDit onderdeel wijzigt het tweede lid van artikel 41 Wtvb. Dat artikelbepaaldet dat niet-begeleide minderjarigen die onder het toepassings-bereik van de huidige Opvangrichtlijn 2013/33 vallen, niet in een justitiëlejeugdinrichting kunnen worden geplaatst. Dit volgt uit artikel 11, derde lid,tweede alinea van de huidige Opvangrichtlijn. Dezelfde verplichting isopgenomen in artikel 13, tweede lid, vierde alinea van de herschikteOpvangrichtlijn 2024/1346. De verwijzing naar de herschikteOpvangrichtlijn is gelet hierop opgenomen in artikel 41, tweede lid, Wtvb.Artikel I, onderdeel 5, onderdeel CDit onderdeel wijzigt artikel 43 van de Wtvb, door daaraan een tweedelid toe te voegen. Daarmee wordt geregeld dat ook op de geslotengezinsvoorziening (ggv) indien dit in uitzonderlijke omstandighedennoodzakelijk is bij ministeriële regeling voor ten hoogste twee maandenkan worden afgeweken van het:– het recht voor gezinnen en niet-begeleide minderjarigen om nietgehouden te zijn in de gesloten verblijfsruimte te verblijven (artikel 43,eerste lid, onder a, Wtvb);– het recht van gezinnen en niet-begeleide minderjarigen gedurende tenminste tien uur per week bezoek te ontvangen op in de huisregelsvastgestelde tijden en plaatsen (artikel 43, eerste lid, onder d).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 945 Het eerste lid van artikel 43 Wtvb bepaalde reeds dat de artikelen 21 toten met 32, waarin de rechten van de vreemdeling in het verblijfsregimezijn opgenomen, van overeenkomstige toepassing zijn op de ggv.Artikel 22, tweede lid, kent ook een uitzonderingsmogelijkheid in gevalvan uitzonderlijke omstandigheden. Omdat artikel 43 nog enkele extrarechten toekent voor vreemdelingen die verblijven in de ggv en hetnoodzakelijk kan zijn ook daarvan in uitzonderlijke omstandigheden af tewijken, is dit tweede lid aan artikel 43 toegevoegd.Voor een verdere toelichting op de omstandigheden die een ministeriëleregeling op grond van dit artikel mogelijk maken, wordt verwezen naar detoelichting bij artikel I, onderdeel 4, artikel 0Cg.Artikel I, onderdeel 6, artikel 0DDit onderdeel wijzigt het eerste lid van artikel 45, eerste lid, van de Wtvbzodat het artikel in overeenstemming is met de AVG. Met deze wijziging isgeen materiële wijziging beoogd. Op grond van artikel 9, eerste lid, AVG ishet verwerken van bijzondere persoonsgegevens, zoals biometrischegegevens, verboden. Deze verwerking is evenwel toch toegestaan volgensartikel 9, tweede lid, onder g, AVG, in het geval dit noodzakelijk is omredenen van een zwaarwegend algemeen belang op grond van Unierechtof lidstaatrechtelijk recht. Dat doet zich hier voor. Verwerking is namelijknoodzakelijk voor het handhaven van de orde en veiligheid in deinrichting en de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbe-waring. Door de politie en de KMar worden bij een inbewaringstellingvingerafdrukken afgenomen. DJI neemt bij binnenkomst in de inrichtingzelf vingerafdrukken af om te controleren of het om dezelfde persoongaat. Deze vingerafdrukken worden vergeleken met de vingerafdrukken uitde Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV. In de toekomst zal DJI mogelijkzelf vingerafdrukken bewaren. Daarnaast worden door inrichtingen voorvreemdelingenbewaring foto’s gemaakt voor gebruik in de inrichting),bijvoorbeeld voor intern verkeer om bijvoorbeeld na bezoek de identiteitvan de vreemdeling te controleren of voor het gebruik van bepaaldeapplicaties in de inrichting.De bedoelde persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indienzij niet langer worden bewaard dan voor het genoemde doel noodzakelijken in ieder geval niet langer dan zes maanden nadat de vreemdeling deinrichting voor vreemdelingenbewaring definitief heeft verlaten Met dezetermijn wordt aangesloten bij de bewaartermijn van het inrichtings-dossier. Voorzien zal worden in passende en specifieke maatregelen terbescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van devreemdeling in de vorm van een loggingsverplichting en geheimhou-dingsverklaring.Voor een verdere toelichting op de verhouding tot het recht opprivéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens wordtverwezen naar de memorie van toelichting bij de Wtvb.20Artikel I, onderdeel 6, artikelen 0Da en 0DcHet eerste onderdeel van artikel 0Da en artikel 0Dc betreffen redacti-onele wijzigingen.Het tweede onderdeel van artikel 0Da wijzigt het achtste lid vanartikel 47 Wtvb om deze daarmee in lijn te brengen met artikel 9 AVG. Inartikel 47, achtste lid, Wtvb, is een grondslag opgenomen voor de20Kamerstukken II 2015/16, 34 309, nr. 3, zie o.a. paragraaf 8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 946 verwerking van gezondheidsgegevens. Het gaat hierbij om descanbeelden van de röntgenscanner waarmee de vreemdeling bijbinnenkomst kan worden gescand ten einde de orde en veiligheid in deinrichting te waarborgen. Op de scan is zichtbaar of de vreemdeling in deinrichting verboden voorwerpen bij zich heeft. De scanbeelden zijngekoppeld aan een identificatienummer en de naam van de vreemdeling.De röntgenscanner verwerkt gezondheidsgegevens, omdat je op deröntgenscan bijvoorbeeld kunt zien of iemand lijdt aan bepaalde medischeaandoeningen. Daarop kan bijvoorbeeld zichtbaar zijn dat betrokkene eenpacemaker heeft of een metalen pin in een bot waardoor er in voorko-mende gevallen sprake kan zijn van de verwerking van bijzonderepersoonsgegevens. De scanbeelden zijn gekoppeld aan een identificatie-nummer en de naam van betrokkene, waardoor zij ook tot de vreemdelingherleidbaar zijn. Scanbeelden worden niet aan het apparaat gekoppeld,maar in het apparaat bewaard. Benadrukt wordt dat het doel van detoepassing van de scan uitdrukkelijk niet omvat het medisch onderzoekenof diagnosticeren van de vreemdeling. De scanbeelden mogen dan ookniet om die reden worden verwerkt. Er wordt op basis van de röntgen-beelden enkel beoordeeld of zich vreemde voorwerpen in of aan hetlichaam van de betreffende vreemdeling bevinden. Omdat het nietmogelijk is de scanbeelden te verwerken zonder daarbij gezondheidsge-gevens waaruit de medische gesteldheid van de vreemdeling kan blijken,te verwerken, is in deze grondslag voorzien.In dit geval is verwerking van gezondheidsgegevens van de vreem-deling toegestaan op grond van artikel 30, tweede lid onder c van deUitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (Uitvoe-ringswet AVG). Dat artikel bepaalt dat het verbod om gegevens overgezondheid te verwerken niet van toepassing is indien de verwerkinggeschiedt door de Minister en voor zover de verwerking in verband metde tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen noodzakelijkis. Daarvan is hier sprake. Verwerking geschiedt in het belang van hethandhaven van de orde en veiligheid in de inrichting en de ongestoordetenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring. Persoonsgegevensmogen slechts worden verwerkt indien zij niet langer worden bewaarddan voor het genoemde doel noodzakelijk en in ieder geval niet langerdan zes maanden nadat de vreemdeling de inrichting voor vreemdelin-genbewaring definitief heeft verlaten. De zes maandentermijn is determijn waarbinnen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er in hetkader van veiligheidsincidenten behoefte bestaat aan het kunnen«teruglezen» van de controles met de röntgenscan. Het kan dan gaan omhet controleren van de oorspronkelijke scan en het achteraf kunnenbeoordelen of een juiste inschatting is gemaakt. Verder bepaalt artikel 30,vierde lid, van de Uitvoeringswet AVG dat de gegevens alleen mogenworden verwerkt door personen die uit hoofde van ambt, beroep ofwettelijk voorschrift dan wel krachtens een overeenkomst tot geheim-houding zijn verplicht. Bij het gebruik van de röntgenscanner zal wordengeborgd dat de medewerkers die met de scanner werken tot geheim-houding zijn verplicht.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteldover het verwerken van persoonsgegevens.Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de vreemdeling op grondvan artikel 47, derde lid, onder c, Wtvb ook toestemming moet geven voorhet gebruik van de röntgenscan. Het betreft hier een opt-in waarbijtoestemming geïnformeerd, ondubbelzinnig en uitdrukkelijk dient teworden gegeven door de vreemdeling voor het in artikel 47 bedoeldedoel. Hierin wordt voorzien door een schriftelijke procedure met eentoestemmingsformulier, welke de vreemdeling ondertekent na geïnfor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 947 meerd te zijn over de doelstelling van het onderzoek en het gegeven datsprake is van blootstelling aan een geringe hoeveelheid röntgenstraling.Aangezien de vreemdeling de wellicht beperkte keuze heeft tussen ofweleen visuele schouw ofwel het onderzoek door middel van eenröntgenscan, is de toestemming die de vreemdeling moet geven voor hetgebruik van de röntgenscanner niet de grondslag voor de verwerking vanzijn gezondheidsgegevens. Reeds bij het oorspronkelijke wetsvoorstel iser om de hiervoor genoemde reden voor gekozen om in deze wettelijkegrondslag voor de verwerking van gezondheidsgegevens van devreemdeling te voorzien. Die opzet is in dit artikel gehandhaafd.Artikel I, onderdeel 6, artikel 0DbDit artikel wijzigt artikel 50, derde lid, van de Wtvb. Dat artikellid regeldeonder meer dat de vreemdeling gedurende de afzondering niet deelneemtaan activiteiten, behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht,bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder e, of artikel 36, tweede lid, onder d.Het artikellid maakte daarbij voor wat betreft het luchten gedurendeafzondering aldus onderscheid tussen de vreemdeling die in het verblijfs-regime verblijft en recht had op twee uur luchten en een vreemdeling diein het beheersregime verblijft en recht had op een uur luchten. Ditonderscheid gedurende de afzondering is voor de inrichting lastiguitvoerbaar en creëert bovendien ongelijkheid voor vreemdelingen dievanuit verschillende regimes in afzondering worden geplaatst. Dezewijziging regelt daarom dat de vreemdeling, ongeacht het regime waarinhij verblijft, gedurende de afzondering recht heeft op een uur dagelijksverblijf in de buitenlucht.Artikel I, onderdeel 6, artikel 0DdDit artikel vult artikel 57 van de Wtvb aan met een tweede lid. In heteerste lid van dat artikel is reeds geregeld dat de directeur brieven enpoststukken als bedoeld in artikel 28 kan doen onderzoeken op deaanwezigheid van voorwerpen of stoffen die een gevaar kunnenopleveren voor de orde en veiligheid van de inrichting. In tegenstelling tothetgeen is geregeld in artikel 36, tweede lid, Pbw, was in artikel 57 nietvoorzien in een regeling voor post afkomstig van of gericht aan geprivile-gieerde personen. Daarom wordt aan artikel 57 Wtvb een tweede lidtoegevoegd dat bepaalt dat indien brieven of andere poststukkenafkomstig zijn van of bestemd zijn voor de in artikel 30, eerste en tweedelid, en de in artikel 31, Wtvb genoemde personen of instanties, ditonderzoek geschiedt in aanwezigheid van de betrokken vreemdeling.Artikel I, onderdeel 6, artikel 0DeArtikel 0Dd voegt aan artikel 59 Wtvb een vierde lid toe. Daarin isgeregeld dat indien de vreemdeling de inrichting op grond van artikel 59verlaat hij gedurende de periode dat hij de inrichting verlaat geen beroepkan doen op zijn recht op bewegingsvrijheid en dagbesteding alsgenoemd in de artikelen 23, 36 en 43 van deze wet. Dit artikellid beoogt tevoorkomen dat indien de vreemdeling de inrichting verlaat hij zich bijterugkomst kan beroepen op het ontbreken van bijvoorbeeld het recht opluchten voor die periode dat hij buiten de inrichting heeft verbleven. Opgrond van het eerste lid kan het vóórkomen dat de vreemdeling bijvoor-beeld voor het bijwonen van een begrafenis of voor een presentatie opeen ambassade de inrichting voor een dag verlaat. Voor de periode dat devreemdeling buiten de inrichting verblijft, kan niet door de directeurworden voorzien in het recht op dagbesteding als genoemd in artikel 23,36 en 43. Daardoor zou de situatie kunnen ontstaan dat de vreemdelingniet aan de in die artikelen genoemde uren aan dagbesteding per weekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 948 komt en daar succesvol een klacht over kan indienen. Om dit tevoorkomen is dit vierde lid opgenomen. Het voorgaande neemt niet wegdat uiteraard moet worden gezocht naar mogelijkheden voor de vreem-deling om hem toch zo veel mogelijk gebruik te laten maken van diensrechten op grond van de Wtvb op de dagen dat hij deels buiten deinrichting verblijft.Artikel I, onderdeel 6, artikel 0DfDit onderdeel voegt een nieuw derde toe aan artikel 62 Wtvb. Dat derdelid regelt dat de directeur voor feiten als genoemd in het eerste lid vanartikel 62 meer dan één maatregel kan opleggen, met dien verstande datde in het eerste lid onder a en c genoemde straffen slechts kunnenworden opgelegd voor zover zij tezamen niet langer duren dan tweeweken. Door deze toevoeging kan de directeur differentiëren in de op teleggen straf en zo voorzien in maatwerk. Deze mogelijkheid is ookopgenomen in artikel 51, derde lid, van de Pbw.Artikel I, onderdeel 6, artikel 0DgDit onderdeel voegt twee artikelen toe aan de Wtvb. In artikel 62a Wtvbwordt geregeld dat de directeur indien dat noodzakelijk is ter beschermingvan de geestelijke of lichamelijke toestand van de vreemdeling, kanbepalen dat de vreemdeling die in een strafcel verblijft, dag en nacht doormiddel van een camera wordt geobserveerd. Alvorens hij daartoe beslist,wint de directeur advies in van een gedragsdeskundige onderscheidenlijkde inrichtingsarts, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In datgeval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissingin.Artikel 51 van de Wtvb regelde reeds de bevoegdheid tot camera-observatie voor de situatie dat de vreemdeling in een afzonderingsruimteof andere verblijfsruimte verblijft. Ten aanzien van de strafcel was dezebevoegdheid niet geregeld in de Wtvb. Omdat het in de praktijk noodza-kelijk en in het belang van de vreemdeling kan zijn de vreemdeling in destrafcel met een camera te observeren, is deze bevoegdheid in deze notavan wijziging opgenomen.In artikel 62b Wtvb wordt geregeld dat een disciplinaire maatregelgeheel of ten dele voorwaardelijk kan worden opgelegd. Daarbij isbepaald dat de proeftijd ten hoogste drie maanden bedraagt. Dit artikel isgelijk aan artikel 53 Pbw en geeft de directeur meer mogelijkheden om bijeen disciplinaire maatregel voor een minder ingrijpend alternatief tekiezen als dat passender is en zo te kiezen voor maatwerk.Artikel I, onderdeel 6, artikel 0DhDit onderdeel wijzigt het eerste lid van artikel 64 van de Wtvb. Datartikellid regelde onder meer dat de vreemdeling gedurende de discipli-naire maatregel van opsluiting in de strafcel niet deelneemt aan activi-teiten, behoudens het dagelijks verblijf in de buitenlucht, bedoeld inartikel 23, tweede lid, onder e, of artikel 36, tweede lid, onder d. Hetartikellid maakte daarbij voor wat betreft het luchten gedurende deopsluiting in de strafcel aldus onderscheid tussen de vreemdeling die inhet verblijfsregime verblijft en recht had op twee uur luchten en eenvreemdeling die in het beheersregime verblijft en recht had op een uurluchten. Dit onderscheid gedurende de opsluiting in de strafcel is voor deinrichting lastig uitvoerbaar en creëert bovendien ongelijkheid voorvreemdelingen die vanuit verschillende regimes in de strafcel zijngeplaatst. Deze wijziging regelt daarom dat de vreemdeling, ongeacht hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 949 regime waarin hij verblijft, gedurende de opsluiting in de strafcel rechtheeft op een uur dagelijks verblijf in de buitenlucht.Artikel I, onderdeel 6, artikel 0DiDit artikel vervangt artikel 66 van de Wtvb en het artikel wordt daarmee«AVG-proof» gemaakt, zoals ook is toegelicht in paragraaf 2. In het nieuweartikel 66 is verduidelijkt dat de directeur ten behoeve van de terugkeerbijzondere persoonsgegevens waaruit nationaliteit, ras of etnischeafkomst kan blijken en andere persoonsgegevens kan verwerken, voorzover de verwerking van deze bijzondere en andere persoonsgegevensnoodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit ennationaliteit van de vreemdeling ten behoeve van terugkeer en dezeinformatie niet op een andere wijze kan worden verkregen. Van devolgende personen kunnen in dat kader persoonsgegevens wordenverwerkt:– de vreemdeling die in bewaring is genomen op grond van artikel 59 of59c Vw 2000. Bewaring op grond van artikel 59 en 59c, Vw wordtopgelegd met het oog op uitzetting. Gelet hierop kan bij bewaring opbeide grondslagen de noodzaak bestaan gegevens te verkrijgen omtrentde identiteit en nationaliteit van de vreemdeling ten behoeve vanterugkeer.– zijn bezoeker. Het oorspronkelijke eerste lid bevatte nog de formu-lering dat de directeur persoonsgegevens van de vreemdeling en «anderepersonen» kon verwerken. Deze grondslag is te ruim en wordt met dezenota van wijziging beperkt tot bezoekers van de vreemdeling.Het eerste lid bepaalt voorts in sub a dat de directeur bevoegd is totverwerking van het gebelde nummer of de ontvangen oproep (landencode). Indien iemand regelmatig belt naar een bepaald land, dan kan datvoor de Dienst Terugkeer en vertrek (hierna: DTenV) een aanleidingvormen hier met de betreffende vreemdeling het gesprek over aan tegaan. Voor de definitie van nummer wordt aangesloten bij artikel 1.1 vande Telecommunicatiewet.Daarnaast bepaalt het eerste lid onder sub b dat de directeur de naamen nationaliteit van bezoekers van de vreemdeling kan verwerken, metuitzondering van het bezoek, bedoeld in artikel 29, zesde lid, 30 en 31.Indien iemand regelmatig bezocht wordt door personen met een bepaaldenationaliteit, kan dat voor DTenV eveneens aanleiding vormen hier met debetreffende vreemdeling over in gesprek te gaan.In het eerste lid onder sub c is geregeld dat de directeur gegevens kanverwerken, die zijn ontleend aan de inhoud van de preciosazakken. Datzijn zakken waarin voorwerpen zitten die de vreemdeling bij binnenkomstin bewaring geeft aan de inrichting. Ook voorwerpen die de vreemdelinggedurende zijn verblijf wil invoeren danwel die per post wordennagezonden kunnen op grond van dit subonderdeel worden onderzocht.Het kan voorkomen dat in preciosa één of meer van de volgende zakenworden aangetroffen die van groot belang kunnen zijn met het oog op hetachterhalen van de nationaliteit of identiteit van de vreemdeling: eenrijbewijs, telefoon, Simkaart, agenda, geld, ID-kaart, spaarkaart,bankpasje, transactie bewijzen, lidmaatschapskaart van een sportclub ofzelfs een geldig reisdocument. Deze zaken kunnen aanknopingspuntenopleveren voor nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit. Naaraanleiding van het advies van de Raad van State is toegevoegd dat devreemdeling in staat wordt gesteld aanwezig te zijn bij het doorzoekenvan de preciosazakken of voorwerpen die de vreemdeling ontvangt tijdenszijn verblijf. De vreemdeling is daartoe dus niet verplicht, maar hem wordtdaartoe wel de mogelijkheid geboden. Gelet op het feit dat sprake is vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 950 een in potentie grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van devreemdeling, is het passend om deze waarborg in de wet op te nemen. Eris niet gekozen voor een verplichte aanwezigheid van de vreemdeling bijhet onderzoek aan de voorwerpen om te voorkomen dat de vreemdelingdoor te weigeren aanwezig te zijn het onderzoek kan frustreren.Voor de duidelijkheid wordt benadrukt dat dit artikellid geen grondslagbiedt voor het uitlezen van de mobiele telefoon. Ook biedt dit subon-derdeel geen grondslag om kennis te nemen van de inhoud of hetdoorzoeken van voorwerpen die zich in de verblijfsruimte van devreemdeling bevinden.In het tweede lid is bepaald dat de directeur van de inrichting voorvreemdelingenbewaring (bijzondere) persoonsgegevens van de vreem-deling of diens bezoekers kan verstrekken aan de Minister van Justitie enVeiligheid, waarvan de DTenV onderdeel uitmaakt. Dit is mogelijk tenbehoeve van de terugkeer van de vreemdeling. Deze grondslag isnoodzakelijk nu de Minister van Justitie en Veiligheid weliswaar verwer-kingsverantwoordelijk is, maar de directeur het beheer voert over de(bijzondere) persoonsgegevens (zie nieuw artikel 10 Wtvb). Het tweede lidbeoogt te voorzien in een expliciete grondslag voor het verstrekken vandeze persoonsgegevens aan de DTenV in het kader van de terugkeer. In depraktijk zal DJI op verzoek van DTenV in de preciosa kijken. Eenmedewerker van DTenV is daarbij aanwezig en geeft aan welke stukken hijwil onderzoeken of bekijken. De medewerker van DJI tekent af voor hetverbreken van de verzegeling van de eigendommen van de vreemdelingen voor het uitgeven van een voorwerp aan DTenV.Het derde lid voorziet in een bewaartermijn voor deze persoonsge-gevens. Daarbij is tevens bepaald dat indien de vreemdeling binnen zesmaanden na vertrek uit de inrichting opnieuw in bewaring wordt gesteld,de gegevens worden bewaard gedurende de (nieuwe) bewaring.Het vierde lid regelt dat bij of krachtens algemene maatregel vanbestuur nadere regels worden gesteld over de verwerking van persoons-gegevens op grond van dit artikel, waaronder de wijze waarop devreemdeling van het doorzoeken van zijn eigendommen op de hoogtewordt gesteld, en de wijze waarop het doorzoeken plaatsvindt. Wat betreftde terugkeer-informatie kan het voorts gaan om regels over rechten vanbetrokkenen en regels over de toegang.Zwaarwegend algemeen belang verwerking bijzondere persoonsgegevensogv artikel 66 WtvbArtikel 66 Wtvb voorziet aldus in een grondslag om enkele categorieënvan persoonsgegevens te verwerken, om de nationaliteit en identiteit vande vreemdeling te kunnen achterhalen. Omdat het bij het verwerken vanpersoonsgegevens waaruit de nationaliteit blijkt ook kan gaan omgegevens waaruit ras of etnische afkomst blijkt, is een grondslag voorverwerking van bijzondere gegevens opgenomen. Het is verboden ombijzondere persoonsgegevens te verwerken. Deze verwerking is evenweltoch toegestaan volgens artikel 9, tweede lid, onder g, AVG, in het gevaldit noodzakelijk is om redenen van een zwaarwegend algemeen belang opgrond van Unierecht of lidstaatrechtelijk recht. Dat is hier aan de orde.Verwerking is namelijk noodzakelijk in het belang van de terugkeer van devreemdeling. Daarbij wordt benadrukt dat van de bevoegdheid ominformatie te verstrekken alleen gebruik kan worden gemaakt als datnoodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit ennationaliteit van de vreemdeling ten behoeve van de terugkeer en dezeinformatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 951 Dit uitgangspunt was reeds opgenomen in artikel 66, eerste lid, aanhef.Er kan, met andere woorden, slechts gebruik worden gemaakt van dezebevoegdheid als er geen andere mogelijkheden zijn en alleen om teachterhalen wat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling zijn inhet kader van terugkeer. Als (gedwongen) terugkeer van een vreemdelingaan de orde is, is het onontbeerlijk om te weten wie de vreemdeling is enwelke nationaliteit hij heeft, zodat een reisdocument kan wordenverkregen en het terugkeerproces kan worden doorlopen. Voor hetkunnen aanvragen van een reisdocument dient DTenV tenminste eenaanknopingspunt te hebben met betrekking tot de nationaliteit, zodat deaanvraag bij de juiste autoriteiten kan worden gedaan.Benadrukt wordt verder dat er voorafgaand aan de inbewaringstelling aldiverse pogingen worden ondernomen om de identiteit en nationaliteitvan een vreemdeling – op een minder ingrijpende wijze – vast te stellen.DTenV gaat in alle zaken waarin het vertrek van de vreemdeling aan deorde is, in gesprek met de vreemdeling waarbij wordt geïnventariseerd ofer documenten omtrent identiteit en nationaliteit beschikbaar zijn ofkunnen komen. Daarbij wordt de vreemdeling gewezen op zijn plicht omvolledig en actief mee te werken aan zijn vertrek. In zaken waarin eenasielaanvraag is ingediend, wordt onderzoek naar de identiteit ennationaliteit verricht door KMar en/of AVIM en de IND. In zaken waarin deIND een terugkeerbesluit heeft opgelegd en waarin geen geldig grens-overschrijdingsdocument beschikbaar is en zaken waarin geen verblijfs-aanvraag is ingediend maar een terugkeerbesluit is opgelegd door AVIMof KMar, zal DTenV, onder meer op basis van de beoordeling van de INDde autoriteiten van het opgegeven land van herkomst benaderen voor deafgifte van een vervangend reisdocument (laissez passer).Indien uit deze laissez passer-procedure blijkt dat de opgegevenidentiteit en de nationaliteit niet door de aangezochte autoriteiten kunnenworden bevestigd, heeft de DTenV nadere gegevens nodig om hetonderzoek naar identiteit en nationaliteit voort te zetten. Dit onderzoek kanenkel worden voortgezet als de vreemdeling nieuwe gegevens verstrektdan wel er op andere wijze aanknopingspunten voor verder onderzoekworden gevonden. In die omstandigheid zou het gebruik van debevoegdheid op grond van artikel 66 Wtvb aan de orde kunnen komen.Bovendien gaat het om slechts drie categorieën van persoonsgegevens,die welbepaald en nauwkeurig omschreven zijn (belgegevens, bezoekge-gevens en preciosa-gegevens). Daarnaast worden niet meer gegevensopgevraagd dan nodig voor het beoogde doel; de directeur verstrekt nietmeer gegevens dan noodzakelijk. Het ligt gelet daarop niet in de rede allegegevens (bezoek-, bel- of preciosa-gegevens) tegelijkertijd te verstrekken,maar juist om daarbij onderscheid te maken naar de mate waarinverstrekking ingrijpend is voor de vreemdeling. Belgegevens zullen in deregel voor bezoekgegevens worden opgevraagd. Indien de opgevraagdeen verstrekte gegevens geen aanknopingspunten meer bieden om deidentiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen – en er in detussentijd zich hiervoor geen andere bronnen hebben aangediend –kunnen in voorkomend geval gegevens worden ontleend aan voorwerpendie de vreemdeling bij binnenkomst bij zich had danwel gedurende zijnverblijf per post heeft ontvangen. Er is niet voor gekozen om dituitgangspunt wettelijk te verankeren in artikel 66 Wtvb omdat tegelijkertijdmoet worden gestreefd om de vreemdelingenbewaring zo kort mogelijk telaten duren. Er zal dus per individueel geval een afweging gemaaktmoeten worden tussen het belang om terug te keren en de vreemdelin-genbewaring zo kort mogelijk te houden enerzijds en de grootte van deinbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de vreemdeling in bewaringdie gemaakt wordt anderzijds. Het uitgangspunt dat niet meer gegevensTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 952 zullen worden opgevraagd dan noodzakelijk voor het beoogde doel vormtdaarbij echter wel de leidraad.De vreemdeling en zijn bezoeker zullen bij binnenkomst in de inrichtingvoor vreemdelingenbewaring worden geïnformeerd over het mogelijkegebruik van voornoemde gegevens in het kader van terugkeer. Gelet ophet voorgaande is de bevoegdheid om op grond van artikel 66 Wtvbbijzondere persoonsgegevens te kunnen verwerken van de vreemdelingen zijn bezoeker noodzakelijk en is daarmee een zwaarwegend algemeenbelang gediend en is voldaan aan de eisen van proportionaliteit ensubsidiariteit.Artikel I, onderdeel 6, artikel 0DjDit onderdeel wijzigt het eerste lid van artikel 68 van de Wtvb. Artikel 68bepaalt in welke gevallen de directeur de vreemdeling in de gelegenheiddient te stellen te worden gehoord. Uit de artikelsgewijze toelichting bijartikel 68 blijkt dat daarbij onder andere is gedacht aan de overplaatsingvan een vreemdeling naar een andere locatie binnen dezelfde inrichting.Deze beslissing was evenwel niet opgenomen in de wettekst vanartikel 68, eerste lid. Daarom wordt deze met deze nota van wijzigingtoegevoegd aan artikel 68 van de Wtvb, middels het invoegen vansubonderdeel j in het eerste lid.Daarnaast wordt middels subonderdeel k aan artikel 68 Wtvb toege-voegd dat de vreemdeling eveneens dient te worden gehoord over deobservatie door middel van een camera, bedoeld in artikel 51 en 62a. Debeslissing om de vreemdeling door middel van camera dag en nacht teobserveren is een beslissing waarmee een grote inbreuk wordt gemaaktop het privéleven van de vreemdeling. De vreemdeling dient daarom in degelegenheid te worden gesteld hierover te worden gehoord.Het tweede onderdeel van artikel 0Dg regelt dat, onder vernummeringvan het tweede lid tot het derde lid, een nieuw tweede lid wordtingevoegd. Daarin wordt bepaald dat het horen van de vreemdeling zonodig geschiedt met bijstand van een tolk en dat van het horen aante-kening wordt gehouden. Artikel 57, tweede lid, Pbw is van gelijkestrekking.Het derde onderdeel van artikel 0Dg wijzigt het derde lid van artikel 68Wtvb en regelt dat toepassing van het horen achterwege kan blijven op deonderdelen b, c, d, e, f, g, j en k indien de vereiste spoed zich daartegenverzet of de gemoedstoestand van de vreemdeling daaraan in de wegstaat. Door toevoeging van de onderdelen j en k aan het eerste lid wasaanpassing van artikel 68, derde lid (nieuw), Wtvb noodzakelijk zodat ookonderdeel j en k hieraan konden worden toegevoegd.Artikel I, onderdeel 7, artikel DDit onderdeel voorziet in een redactionele wijziging.Artikel I, onderdeel 8, artikel Da en DbOnderdeel Da en Db wijzigen artikel 72, eerste lid, onder b, Wtvb en 74van de Wtvb. Artikel 72, regelt dat de vreemdeling het recht heeft om decommissie van toezicht om bemiddeling te vragen over de omstandig-heden van de vreemdelingenbewaring in de inrichting voor zover het detenuitvoerlegging van het bij of krachtens deze wet gestelde betreft. Aandat artikellid wordt toegevoegd dat die mogelijkheid niet geldt voor deministeriële regelingen, genoemd in artikel 22, tweede lid, artikel 36,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 953 vierde lid, en artikel 43, tweede lid. Artikel 74 bepaalt dat in afwijking vantitel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht een vreemdeling het rechtheeft bij de commissie van toezicht beklag te doen over de omstandig-heden van de vreemdelingenbewaring in de inrichting voor zover het detenuitvoerlegging van het bij of krachtens deze wet gestelde betreft. Ookaan dat artikellid wordt toegevoegd dat de ministeriële regelingen die inuitzonderlijke omstandigheden kunnen worden gemaakt op grond vanartikel 22, tweede lid, artikel 36, vierde lid, en artikel 43, tweede lid van hetrecht op beklag bij de commissie van toezicht zijn uitgezonderd. Dezetoevoegingen aan artikel 72 en 74 zijn opgenomen om buiten twijfel testellen dat over het stellen van ministeriële regels als zodanig geenbemiddeling, beklag en beroep bij de commissie van toezicht, respectie-velijk de RSJ open staat. Het zou principieel onjuist zijn als de vreem-deling bij de commissie van toezicht danwel RSJ de rechtmatigheid vande ministeriële regeling kan betwisten. Wel staat daartegen de weg naarde civiele rechter open.Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de vreemdeling zich weltot de commissie van toezicht en de RSJ kan wenden als zijn rechten opgrond van de ministeriële regeling worden geschonden.Artikel I, onderdeel 8, artikel DcDit onderdeel wijzigt artikel 73, eerste lid, Wtvb. Daarmee wordtgeregeld dat de vreemdeling geen beklag kan instellen tegen deverwerking of verstrekking van zijn persoonsgegevens op grond vanartikel 29, zesde lid, 45, 47 en 66 Wtvb. De reden daarvoor is tweeledig.Ten eerste beschikt de beklagcommissie niet over de expertise om tekunnen oordelen over de verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens.Daarnaast staat er op grond van de AVG rechtsbescherming open tegende verwerking van persoonsgegevens. De vreemdeling staan dus anderemiddelen ter beschikking om de rechtmatigheid van de gegevensver-werking te betwisten.Artikel I, onderdeel 8, artikel DdDit betreft een redactionele wijziging.Artikel I, onderdeel 8, artikel De en DfHet eerste onderdeel van artikel De alsmede onderdeel Df wijzigenartikel 85, tweede lid, respectievelijk artikel 91, eerste lid, Wtvb als gevolgvan een wijziging die de Instellingswet RSJ 2015 heeft ondergaan(Stb. 2015, 140). Bij die wijziging van de Instellingswet RSJ 2015 heeft deRSJ een organisatorische wijziging ondergaan en is er onder meer voorgekozen voortaan te spreken van buitengewone leden in plaats vanplaatsvervangende leden. In artikel Dd onderdeel 1 en artikel De is meerexpliciet tot uitdrukking gebracht dat buitengewone leden in beginseldezelfde taken en bevoegdheden hebben als leden van de RSJ.Het tweede onderdeel van artikel Dd voegt aan artikel 85 Wtvb tweeartikelleden toe. Dit nieuwe derde en vierde lid hebben tot doel om deprocedure van enkelvoudige afdoening door de RSJ mogelijk te maken ingevallen waarin het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijkongegrond of kennelijk gegrond is. Zo blijft er meer tijd en capaciteit overvoor zaken die inhoudelijk meer afweging vergen. Aldus draagt ditvoorstel bij aan de kwaliteit van de rechtspraak van de RSJ. Deze wijzigingwas wel reeds doorgevoerd in artikel 69 Pbw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 954 Artikel I, onderdeel 9, artikel ESchrappen voorgesteld artikel 56, 56a en 57 Vw 2000Dit onderdeel en onderdeel 10 vervangen artikel E en F uit de novelle.De Wtvb voorzag in een nieuw artikel 56 Vw 2000 over de vrijheidsbeper-kende maatregel met een formulering die was gericht op de voorbe-reiding van het vertrek en de verwijdering van de vreemdeling. Daarbijwas het element «openbare orde en nationale veiligheid» als grondslagvoor de maatregel komen te vervallen. Met artikel E en F uit de novellewerd het huidige artikel 56 Vw 2000 gehandhaafd. Daardoor werdveiliggesteld dat de huidige praktijk van de Handhaving en Toezichtlocatie(HTL) gehandhaafd kon blijven. De inhoud van het voorgestelde artikel 56Vw 2000 werd met de novelle verhuisd naar een nieuw artikel 56a Vw2000, door onderdeel H van artikel 99 van de Wtvb te wijzigen. Ook wasmet artikel F uit de novelle voorzien in een nieuw artikel 57 Vw 2000, dooreen onderdeel Ha toe te voegen aan artikel 99 van de Wtvb.Naar huidig inzicht is het echter niet langer noodzakelijk om metartikel 56a Vw 2000 een nieuwe grond voor vrijheidsbeperking toe tevoegen aan de Vw 2000. Met de komst van het Geas en de reedsbestaande mogelijkheden, zijn er voldoende grondslagen om vrijheidsbe-perking op te kunnen leggen voor zowel asielzoekers en Dublinclaimantenals vertrekplichtige vreemdelingen, ook ingeval van een risico oponderduiken. Ditzelfde geldt voor artikel 57 Vw 2000. Die bepaling betrefteen implementatie van artikel 7, derde lid, Terugkeerrichtlijn. Demogelijkheid om zekerheid te verlangen bestaat echter ook al op grondvan artikel 54 Vw 2000. Het opleggen van toezichtsmaatregelen uit dathoofdstuk 4 van de Vw 2000 is niet beperkt tot asielzoekers, maar ziet ookop vertrekplichtige vreemdelingen.Gelet hierop bestaat er niet langer de noodzaak om de artikelen 56a en57 Vw 2000 aan de Vw 2000 toe te voegen. Evenmin bestaat de noodzaakom het oorspronkelijke onderdeel H, zoals in artikel 99 van de Wtvb wasopgenomen te handhaven. De nota van wijziging wijzigt de novelle dus opdit punt door artikel E en F inhoudelijk te vervangen. Daardoor komt detoevoeging van onderdeel Ha aan artikel 99 van de Wtvb te vervallen enwordt onderdeel H uit de Wtvb geschrapt.Wijzigingen artikel 1 Vw 2000In plaats van voorgaande wijziging voorziet deze nota van wijziging ineen nieuw artikel E in de novelle. Dit artikel wijzigt artikel 99, onderdeel Awaarin een aantal wijzigingen van artikel 1 Vw 2000 was opgenomen. Eendeel van de voorgestelde wijzigingen aan artikel 1 Vw 2000 vloeide voortuit de huidige Opvangrichtlijn 2013/3321. Met ingang van 12 juni 2026wordt de huidige Opvangrichtlijn vervangen door de herschikteOpvangrichtlijn22. Wijzigingen die het gevolg zijn van de herschikteOpvangrichtlijn 2024/1346 zullen met de Uitvoerings- en implementa-tiewet Asiel en migratiepact in artikel 1 Vw 2000 worden opgenomen. Hetbegrip «niet-begeleide minderjarige»» is om die reden geschrapt. Tevensis de voorgestelde wijziging van de definitie van «Onze Minister» als «deMinister van Justitie en Veiligheid» in artikel 1 Vw 2000 geschrapt. Thansis de Minister van Asiel en Migratie de verantwoordelijke Minister, welke21Richtlijn nr. 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 totvaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.22Richtlijn nr. 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 totvaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming(PbEU L 180/96).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 955 wijziging zal worden meegenomen in de Uitvoerings- en implementa-tiewet Asiel en migratiepact.Het begrip «kwetsbare personen» uit de huidige Opvangrichtlijn komt inde herschikte Opvangrichtlijn niet terug en is daarom in de definitiesvervangen door het begrip «vreemdeling met bijzondere opvangbe-hoeften». Tot slot is de dynamische verwijzing naar de huidigeOpvangrichtlijn 2013/33 in het voorgestelde tweede lid van artikel 1 Vw2000 geschrapt.Wijzigingen artikel 6 Vw 2000Het tweede onderdeel van artikel E wijzigt artikel 99, onderdeel B.Onderdeel B bevatte een aantal wijzigingen aan artikel 6 Vw 2000 alsgevolg van de implementatie van de Opvangrichtlijn en Procedurerichtlijn.De Wtvb schrapte reeds het vierde lid, dat een grondslag biedt voor hetReglement regime grenslogies. Die schrapping blijft gehandhaafd, nu deWtvb het Reglement regime grenslogies zal vervangen.Het in de Wtvb voorgestelde vijfde lid bevatte een herimplementatievan artikel 15, eerste lid, Terugkeerrichtlijn. Dat voorgestelde vijfde lidwordt met deze nota van wijziging ook geschrapt. In de Uitvoerings- enimplementatiewet Asiel en migratiepact wordt gebruik gemaakt van demogelijkheid die de Terugkeergrensprocedureverordening, in samenhangbezien met de Terugkeerrichtlijn, biedt om toepasselijkheid van beideUnierechtelijke instrumenten grotendeels uit te sluiten bij het regulerenvan de terugkeer en uitzetting aan de grens van asielzoekers van wie deaanvraag is afgewezen in de asielgrensprocedure en aan wie als gevolgdaarvan de toegang is geweigerd.23 De regering geeft er namelijk devoorkeur aan de op grond van artikel 6 Vw 2000 bestaande procedure omterugkeer en uitzetting vanaf de grens te bewerkstelligen te handhaven.Bij de keuze in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel en migratiepactom de toepassing van de Terugkeerrichtlijn op deze procedure uit tesluiten, past het voorgestelde nieuwe vijfde lid in de Wtvb niet. Om diereden is er voor gekozen het voorgestelde vijfde lid te schrappen.Door het schrappen van het vierde lid en vijfde lid van artikel 6 Vw 2000,zijn het huidige zesde en zevende lid vernummerd tot het vierde en vijfdelid. Tevens is daarom een verwijzing in het vijfde lid (nieuw) aangepast.De Uitvoerings- en implementatiewet Asiel en migratiepact brengtreeds een aantal wijzigingen aan het huidige zesde lid van artikel 6 Vw2000 (artikel 6, vierde lid nieuw), die na inwerkingtreding van de Wtvbbehouden moeten blijven. Het gaat om de volgende twee volzinnen: «Demaatregel wordt uitsluitend opgelegd indien zicht op uitzetting binnenredelijke termijn bestaat, voor een zo kort mogelijke periode. Artikel 59,vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.» Omdat de Wtvbwijzigingen aanbrengt in artikel 59, vijfde en zesde lid, Vw 2000 wordt deverwijzing naar die artikelen met deze nota van wijziging vervangen dooreen verwijzing naar artikel 59, tweede en derde lid. Daarnaast worden deartikel 58, tweede en derde lid en 58a van overeenkomstige toepassingverklaard. Deze artikelen waren aanvankelijk in het in de Wtvb voorge-stelde artikel 6, vierde lid, Vw 2000 opgenomen.23Zie voorts: Paragraaf 3.2 (Uitsluiten toepasselijkheid Terugkeergrensprocedureverordening)van de memorie van toelichting bij de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel en migra-tiepact.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 956 Artikel 50 Vw 2000Het derde onderdeel van onderdeel E wijzigt artikel 99, onderdeel D.Onderdeel D voorziet in een wijziging van artikel 50 Vw 2000 waarin ondermeer een wijziging van de ophoudingstermijn is opgenomen. Omwillevan de leesbaarheid is er voor gekozen onderdeel D integraal op te nemenin deze nota van wijziging. Ten opzichte van het onderdeel D dat in deWtvb is opgenomen, zijn er twee wijzigingen: een wijziging aan demaximale ophoudingstermijn en wijziging als gevolg van de Uitvoerings-en implementatiewet Asiel en migratiepact.Wijzigingen aan de maximale ophoudingstermijnWaar het huidige artikel 50 Vw 2000 een maximale ophoudingstermijnvan zes uur kent, voorziet het in de Wtvb voorgestelde artikel 50 Vw 2000in een ophoudingstermijn van ten hoogste negen uur. De huidigemogelijkheid om de ophoudingstermijn met 48 uur te verlengen is in deWtvb verkort naar 24 uur. Daarnaast is explicieter gemaakt waartoe deophouding dient, namelijk dat deze gericht is op identiteits-vaststelling,het bepalen van de verblijfsrechtelijke status van de vreemdeling en hetonderzoeken of het opleggen van vreemdelingenbewaring dan welalternatieve maatregelen, zoals een vrijheidsbeperkende maatregel, aande orde is. Het kabinet achtte het destijds in het belang van de vreem-deling de maximale ophoudingstermijn te verlengen zodat een meerzorgvuldige afweging kan worden gemaakt over de vraag of vreemdelin-genbewaring danwel een lichter middel volstaat.Hoewel er nog niet is gewerkt met de gewijzigde ophoudingstermijnvan negen uur verwachten de DTenV, IND, AVIM en de KMar dat dezeverruiming niet voldoende zal zijn. Deze zorgen worden bevestigd in hetonderzoek uitgevoerd in opdracht van het WODC.24 Uit de door deonderzoekers gevoerde gesprekken blijkt dat door de termijn van zes uurtijdsdruk wordt ervaren bij het voeren van een ophoudingsprocedure.Deze tijdsdruk wordt onder andere veroorzaakt doordat de eisen die aande motivering van de verschillende elementen van een besluit totinbewaringstelling worden gesteld strenger zijn geworden. Niet alleen deimplementatie van de Terugkeerrichtlijn, maar zeker ook de rechtspraakvan het HvJ in bijvoorbeeld de zaak Mahdi en daaropvolgend de Afdelinghebben daarvoor gezorgd. De tijd die gedurende de ophouding van eenvreemdeling beschikbaar is voor het onderzoek naar en opstellen van eenbesluit tot inbewaringstelling is niet meegegroeid met het strengerworden van die eisen. Bepalend voor de ervaren tijdsdruk is volgens deonderzoekers met name of de ophoudingsprocedure al in bepaalde matekan worden voorbereid. Voor de AVIM en de KMar geldt dat de ophou-dingsprocedure in veel mindere mate voor te bereiden is, omdat zij vantevoren niet weten of zij (groepen) vreemdelingen zullen aantreffen.De respondenten uit dat onderzoek geven verder aan dat de verlengingvan zes naar negen uur zoals voorgesteld in de Wtvb een deel van detijdsdruk die op dit moment wordt ervaren zal wegnemen. Deze termijnvan negen uur werd door de meeste respondenten voldoende geacht.Sommige respondenten geven echter aan dat de Wtvb eigenlijk alweerverouderd is, en geen goed antwoord biedt op problemen die nu in depraktijk spelen, zoals het aantreffen van groepen vreemdelingen ophetzelfde moment en dezelfde plaats. Voor de aanpassing in de Wtvb omde verlenging van de ophoudingstermijn te verkorten van achtenveertignaar vierentwintig uur bestaat weinig begrip onder de respondenten.24Universiteit Leiden in opdracht van het Wodc, rapport 17 oktober 2022, Tijdsdruk bij opleggenvreemdelingenbewaring, dr. drs. M. Klaassen en prof. mr. P. Rodrigues,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 957 De onderzoekers zien meerdere oplossingen voor dit probleem.25 Zijadviseren na te denken over aanpassing van de Wtvb voor de ophoudingvan groepen vreemdelingen zonder verblijfsrecht die tegelijk enonvoorzien worden aangetroffen. Ook een synchronisatie van deophoudingstermijn en de beschikbaarheid van de piketdienst van deadvocatuur zou bij kunnen dragen aan een vermindering van de tijdsdruk.Uit het onderzoek blijkt dat de AVIM en de KMar nauwelijks gebruikmakenvan alternatieven voor vreemdelingenbewaring. Door hier een actieverbeleid op te voeren kan er wellicht eerder worden gekozen voor eenalternatief en hoeft er minder vaak te worden overgegaan tot vreemdelin-genbewaring. Een andere oplossingsrichting is de kennis en ervaring over(het opleggen van) vreemdelingenbewaring beter te delen tussen deDTenV, AVIM en KMar en deze landelijk, centraal beschikbaar te stellen.Het liefst op een wijze dat ambtenaren van dit kenniscentrum 24/7 gebruikkunnen maken voor advies en ondersteuning. Ten slotte zou moetenworden nagegaan in hoeverre de opleiding over inbewaringstelling voorambtenaren op de Politieacademie voldoende praktijkgericht is. Op diemanier zou beter omgegaan kunnen worden met de beschikbare tijd voorhet opleggen van een bewaringsmaatregel en de strengere eisen die aande motivering daarvan worden gesteld.Voornoemde signalen vanuit de uitvoering zijn voor het kabinetaanleiding om artikel 50, vierde lid, Vw 2000 met deze nota van wijzigingaan te passen. Verlenging van de ophouding wordt daardoor eveneensmogelijk indien de afweging om al dan niet vreemdelingenbewaring alsbedoeld in artikel 59 toe te passen nog niet is afgerond. In dat geval ofindien nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehoudenpersoon geen rechtmatig verblijf heeft, kan de ophouding wordenverlengd met een maximale duur van achtenveertig uur. Het toevoegenvan deze grond alsmede de verruiming van de tijdspanne zorgen er voordat meer tijd aanwezig is om de verschillende elementen van een besluittot inbewaringstelling grondig te motiveren, overeenkomstig de daaraanin de jurisprudentie gestelde zwaardere eisen. Tevens kan met dezewijziging beter worden onderzocht of met een lichter middel danvreemdelingenbewaring kan worden volstaan en kunnen daar denoodzakelijke voorbereidingen voor worden getroffen. Ook biedt dezeverruiming soelaas in het geval groepen vreemdelingen zonder verblijfs-recht onvoorzien worden aangetroffen.Zoals gezegd heeft de mogelijkheid in het vierde lid betrekking opvreemdelingen voor wie een redelijk vermoeden bestaat dat zij illegaal inNederland verblijven, dit in tegenstelling tot de vreemdelingen op wieartikel 50a van de wet van toepassing is, die rechtmatig verblijf hebben alsbedoeld in artikel 8 aanhef en onder f tot en met h en m van de wet.Bepalend voor de vraag welk artikel van toepassing is, is het moment vanaantreffen van de vreemdeling. Indien het vermoeden bestaat dat devreemdeling bij aantreffen illegaal in Nederland verblijft, is op hemartikel 50 Vw 2000 van toepassing, ook indien hij na zijn staandehoudingeen verzoek om bescherming in de zin van artikel 28 Vw 2000 indient enuit dien hoofde rechtmatig verblijf heeft als bedoel in artikel 8 aanhef enonder f van de wet. De periode van 9 uur kan worden benut om tebeoordelen of doorgeleiding naar het aanmeldcentrum aangewezen is ofdat een andere maatregel is aangewezen.Naast deze aanpassing worden ook de overige aanbevelingen van deonderzoekers opgepakt. Het Ministerie verkent of, en zo ja hoe, deopeningstijden van de piketdienst van de Raad voor de Rechtsbijstandbeter kunnen aansluiten op de behoeften van de vreemdeling en de25Zie paragraaf 4.6 van het rapport.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 958 migratieketen. Daarnaast is er aandacht voor het up to date houden vanhet kennisniveau van ambtenaren die de bewaringsmaatregel opleggen.Dit gebeurt door middel van de verplichte opleiding en jaarlijkse vakdagenwaarbij ingegaan wordt op actuele casuïstiek en jurisprudentie. Kennis enervaringsuitwisseling met onder meer ketenpartners, de advocatuur en derechtspraak maken hier onderdeel van uit. Deze opleidingsmogelijkhedenworden continue vernieuwd en waar nodig uitgebreid. Zo is er bij depolitieacademie een nieuwe (jaarlijkse verplichte) «profcheck» ontworpenwaarin het kennisniveau over onder andere bewaring via een spelom-geving wordt getoetst. Het Ministerie van Asiel en Migratie onderzoekt tenslotte wat de voordelen zijn van het poolen van experts op het gebied vanvreemdelingenbewaring die de DTenV-ambtenaren snel bij te kunnenstaan bij complexe casuïstiek.Wijzigingen als gevolg van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel enmigratiepactDe Uitvoerings- en implementatiewet Asiel en migratiepact wijzigtartikel 50 Vw 2000 op een drietal punten. Het gaat om wijzigingen die hetgevolg zijn van de Screeningsverordening26. De Screeningsverordeningverplicht lidstaten in artikel 7 van die verordening om in het nationalerecht bepalingen vast te leggen die ervoor zorgen dat de personen die opgrond van artikel 7 van de Screeningsverordening gescreend worden ophet grondgebied van de lidstaat voor de duur van de screening terbeschikking blijven van de autoriteiten op de in artikel 8, tweede lidbedoelde locaties, om elk risico op onderduiken en mogelijke bedrei-gingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onder-duiken te voorkomen. Met de wijzigingen die de Uitvoerings- en imple-mentatiewet Asiel en migratiepact aanbrengt aan artikel 50 Vw 2000 wordtvoorzien in een grondslag voor het opleggen van dergelijke maatregelenindien artikel 7 van de Screeningsverordening van toepassing is. Dit metinachtneming van de voorschriften die de Screeningsverordening daaraanstelt. Op het beschikbaarheidsregime is in hoofdstuk 8 van deze memorievan toelichting nader ingegaan.Omdat de Wtvb artikel 50 Wtvb wijzigt, is het noodzakelijk de wijzi-gingen die de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel en migratiepactaanbrengt aan artikel 50 Vw 2000 te incorporeren in het gewijzigdeartikel 50 Vw 2000. De nota van wijziging voorziet daar met dit onderdeelin, door toevoegingen aan het voorgestelde tweede lid aanhef en onder c,derde en vijfde lid.Artikel I, onderdeel 10, artikel FMet dit artikel wordt artikel F van de novelle vervangen. Zie voor eentoelichting op het vervallen van onderdeel H en Ha in artikel 99 deartikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel 9, artikel E.Het nieuwe artikel F, wijzigt artikel 99, onderdeel K, van de Wtvb, dat ophaar beurt een artikel 58a aan de Vw 2000 toevoegt. Artikel 58a Vw 2000 isdeels implementatie van artikel 11, tweede lid, van de huidigeOpvangrichtlijn 2013/33, dat verplichtingen bevat ten aanzien van debewaring van kwetsbare personen. In artikel 13, eerste lid, tweede enderde alinea herschikte Opvangrichtlijn 2024/1346, zijn eveneensverplichtingen opgenomen voor bewaring van verzoekers met bijzondere26Verordening (EU) 2024/1356 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 totinvoering van de screening van onderdanen van derde landen aan de buitengrenzen en totwijziging van de Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240 en (EU)2019/817.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 959 opvangbehoeften. Het voorgestelde artikel 58a Vw 2000 wordt daaromaangepast aan de verplichtingen op grond van de alinea’s uit artikel 13,eerste lid, herschikte Opvangrichtlijn 2024/1346.Daartoe wordt in het eerste lid de zinsnede «vreemdeling die in eenbijzondere of kwetsbare positie verkeert» vervangen door «vreemdelingmet bijzondere opvangbehoeften». Daarnaast is in het tweede lid geregelddat inbewaringstelling van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lidachterwege blijft, indien inbewaringstelling zijn lichamelijke en geestelijkegezondheid ernstig in gevaar zou brengen.Artikel I, onderdeel 11, artikel GArtikel 99, onderdeel M, van de Wtvb voegde een nieuwe artikel 59 en59a toe aan de Vw 2000. Het voorgestelde artikel 59a Vw 2000 zag opvreemdelingen op wie de Dublinverordening van toepassing is. Alsgevolg van de wijziging aan artikel 59a Vw 2000 op grond van deUitvoerings- en implementatiewet Asiel en migratiepact is deze wijzigingniet langer noodzakelijk. Het voorgestelde artikel 59a Vw 2000 wordt metdeze nota van wijziging daarom uit de Wtvb geschrapt.De novelle heeft wijzigingen aangebracht aan artikel 59 Vw 2000.Omwille van de leesbaarheid van de wijzigingsopdracht is het voorge-stelde artikel 59 Vw 2000, inclusief de aan dat artikel voorgesteldewijziging in de novelle, integraal in deze nota van wijziging opgenomen.Artikel I, onderdeel 12, artikel GaOp grond van deze wijziging wordt artikel 99, onderdeel N, uit de Wtvbgeschrapt. Deze redactionele wijziging wordt meegenomen in deUitvoerings- en implementatiewet Asiel en migratiepact.Artikel I, onderdeel 13 en 14, artikel H en JArtikel J schrapt het in de Wtvb voorgestelde artikel 60 Vw 2000. Hetvoorgestelde artikel 60 Vw 2000 maakte het mogelijk om bij amvb nadereregels te stellen over de criteria voor inbewaringstelling op grond van deartikelen 59, eerste lid, 59a, 59b, eerste en 59c, eerste lid. Voor wijzigingenaan de Vw 2000 op grond van de Uitvoerings- en implementatiewet Asielen migratiepact is het noodzakelijk om de bestaande, iets brederedelegatiegrondslag van artikel 60 Vw 2000 te behouden. Daardoor wordenbij amvb regels gegeven omtrent de toepassing van hoofdstuk 5 van deVw 2000.Onderdeel J van de novelle, dat een aanpassing aan artikel 60 Vw 2000voorstelde, is daardoor niet noodzakelijk en wordt geschrapt.Artikel I, onderdeel 15, artikel MDe novelle voegde een onderdeel U toe aan de Wtvb. Daarin was eenwijziging van artikel 108, eerste lid, Vw 2000 opgenomen. In artikel 108,eerste lid, Vw 2000 is opgenomen dat met maximaal zes maandenhechtenis kan worden gestraft overtreding van enkele daar genoemdeartikelen. De novelle regelde dat artikel 57, eerste lid, en artikel 58, eerstelid, zou worden vervangen door artikel 56, eerste lid en artikel 56a, eerstelid, Vw 2000. Omdat artikel 56a, Vw 2000 met deze nota van wijziging uitde Wtvb is geschrapt, is een verwijzing in artikel 108, eerste lid, Vw 2000overbodig. Een verwijzing naar artikel 56, eerste lid, Vw 2000 is reedsopgenomen in artikel 108, eerste lid, Vw 2000 en hoeft daarom nietnogmaals middels de Wtvb aan artikel 108, eerste lid, Vw 2000 te wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 960 toegevoegd. Er wordt voor gekozen de verwijzing naar artikel 57, eerstelid, Vw 2000 te handhaven. Dit artikel zou door de novelle wordengewijzigd, maar die wijziging wordt door deze nota van wijzigingongedaan gemaakt, waardoor de verwijzing in artikel 108, eerste lid, Vw2000 moet worden gehandhaafd. De verwijzing naar artikel 58, eerste lid,Vw 2000 moet wel worden geschrapt uit artikel 108, eerste lid, Vw 2000 nudat artikel met de Wtvb een andere strekking krijgt.De novelle voegde een onderdeel V toe aan de Wtvb. Daarin was eenwijziging van artikel 109, vierde lid, Vw 2000 opgenomen. In artikel 109,vierde lid, Vw 2000 is geregeld dat ter uitvoering van een verdrag,EU-verordening, -richtlijn of -besluit, op grond waarvan de grenscontroleplaatsvindt aan buitengrenzen, wordt in enkele uit de Vw 2000 onder«Nederland» mede wordt verstaan de gebieden waarop dat verdrag, dieverordening, die richtlijn of dat besluit van toepassing is. De novellewijzigde artikel 109, vierde lid, door de verwijzing naar artikel 59, derdelid, Vw 2000 te vervangen door artikel 56a, tweede lid. Nu artikel 56a,tweede lid, Vw 2000 met deze van wijziging is geschrapt en artikel 59,derde lid, Vw 2000 met de Wtvb een andere strekking heeft gekregen, ishet noodzakelijk onderdeel V zodanig aan te passen dat verwijzing naarartikel 59, derde lid, Vw 2000 wordt geschrapt.Artikel I, onderdeel 16, artikel NDit artikel wijzigt artikel 429a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht(Sr). In dit artikel is de strafbaarstelling opgenomen van het binnen-brengen van voorwerpen in een inrichting, instelling of een afdelingdaarvan waar de Pbw, de Beginselenwet verpleging ter beschikkinggestelden (Bvt) dan wel de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj)van toepassing is, waarvan het bezit aldaar verboden is op grond vanvoornoemde wetten in combinatie met de huisregels. Deze strafbaar-stelling bestaat sinds 1 november 2019.In justitiële inrichtingen (JI’s) zijn niet alleen voorwerpen die in de vrijemaatschappij illegaal zijn, zoals wapens en drugs, verboden. Ookbepaalde voorwerpen die buiten de inrichting niet illegaal zijn, zoalsmobiele telefoons en andere informatiedragers en gereedschappen,kunnen in JI’s verboden zijn op grond van de Pbw, de Bvt en de Bjj incombinatie met de huisregels. Het gaat om voorwerpen waarvan het bezitof gebruik de orde en de veiligheid in de inrichting in gevaar kan brengen.Gebleken is dat er steeds nieuwe manieren worden gevonden omverboden voorwerpen de inrichting binnen te brengen. Voorbeelden zijnmini-telefoons die in tennisballen over de muur van een JI wordengegooid en drones die worden gebruikt om bijvoorbeeld mobieletelefoons of gereedschappen een JI binnen te brengen. Het binnen-brengen in een inrichting van voorwerpen die buiten de inrichting ookillegaal zijn, zoals wapens en drugs, is op dit moment reeds strafbaar. Ookhet binnenbrengen van niet illegale, maar in de inrichting wel verbodenvoorwerpen kan op dit moment onder omstandigheden strafbaar zijn; datis echter niet altijd het geval. Deze strafbaarstelling voorziet in diegevallen in een mogelijke strafrechtelijke reactie.Daarnaast kan het voorkomen dat voorwerpen waarvan het bezit inbeginsel niet verboden is in de inrichting, binnen worden gebracht zonderdat de daarvoor geldende procedure wordt gevolgd. Het kan bijvoorbeeldgaan om brieven die niet overeenkomstig artikel 36 Pbw (en dehuisregels) aan het toezicht van de directeur van de inrichting wordenonderworpen. Met dat toezicht kan worden gecontroleerd of er geenverboden voorwerpen in de envelop zijn bijgesloten en in voorkomendegevallen of de inhoud van de brief geen betrekking heeft op bijvoorbeeldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 961 het plegen van strafbare feiten. Omdat ook dergelijke (procedure)voor-schriften gelden om te voorkomen dat de orde en de veiligheid in deinrichting in gevaar komt of criminele activiteiten kunnen wordenvoortgezet, is ook voorzien in de strafbaarstelling van het in strijd metdergelijke regels binnenbrengen van voorwerpen in de inrichting. Waar inhet onderstaande over verboden voorwerpen wordt gesproken, wordendaaronder tevens verstaan voorwerpen die niet overeenkomstig dedaarvoor geldende procedures de inrichting zijn binnengebracht.Omdat thans de Pbw van toepassing is op vreemdelingenbewaringgeldt de strafbaarstelling ook voor inrichtingen voor vreemdelingenbe-waring. Dit blijkt ook uit de memorie van toelichting bij de betreffendewet.27 Om deze strafbaarstelling ook onder de Wtvb van toepassing telaten blijven op inrichtingen voor vreemdelingenbewaring, is voorzien ineen wijziging van artikel 429a, eerste lid, Sr. Door het opnemen van deWtvb in het eerste lid van artikel 429a Sr, is ook het tweede lid vanartikel 429a Sr van toepassing op inrichtingen voor vreemdelingenbe-waring. Dit is noodzakelijk, omdat binnen de vreemdelingenbewaring metenige regelmaat op verschillende plaatsen contrabande wordt aange-troffen, zoals bij de invoer, op kamer, bij post of bezoek. Het gaat hierbijveelal om drugs, maar ook om datadragers zoals smartphones enSimkaarten.Voor de gesloten setting van de vreemdelingenbewaring geldt even zogoed als voor het gevangeniswezen dat verboden voorwerpen gevaren enrisico’s binnen de inrichting opleveren, voor zowel vreemdelingen als hetpersoneel. Buiten drugs en wapens, die ook buiten de inrichting illegaalzijn, kan hierbij worden gedacht aan telefoons en andere communicatie-apparatuur (zoals smartwatches en spelcomputers), (grote hoeveelheden)contant geld, alcohol en gereedschap.28 Het gebruik van communicatie-en opnameapparatuur kan bijvoorbeeld ingrijpen op zaken aangaande deveiligheidssituatie in de inrichting of persoonlijke levenssfeer vanpersoneelsleden. Ook kan via communicatieapparatuur het internetworden geraadpleegd, waarbij de internettoegang niet door DJI kanworden beperkt in het kader van de orde en veiligheid, zoals wel het gevalis bij de internetfaciliteiten die DJI zelf biedt. Daarbij wordt nog opgemerktdat de inrichtingen voor vreemdelingenbewaring zijn gehuisvest invoorzieningen die tevens worden benut voor strafrechtelijke detentie enwaar bepaalde faciliteiten afwisselend voor beide disciplines wordengebruikt, waar eveneens een verbod op grotendeels overeenkomstigevoorwerpen geldt. De aanwezigheid van dergelijke voorwerpen in devreemdelingenbewaring is ook in dat kader onwenselijk. Bovendien is hetinvoeren van contrabande waarbij de betrokkene de inrichting zelf nietbetreedt, zoals bij het overgooien of gebruik van een drone, niet zondermeer te koppelen aan bestuurlijke dan wel strafrechtelijke detentie.De strafbaarstelling maakt deel uit van een groter pakket aan maatre-gelen voor de bestrijding van contrabande binnen de vreemdelingenbe-waring. Er zijn onder andere toegangscontroles, waarbij specifiek voorvreemdelingen gebruik wordt gemaakt van röntgenapparatuur, kamerin-specties en controle van bezoek. Daarnaast kunnen vreemdelingen binnende inrichting bestraft worden voor de invoer, het bezit en gebruik vancontrabande. De strafbaarstelling voorziet in de mogelijkheid om sanctiesop te leggen in gevallen waarin ander optreden achteraf anderszins niet27Kamerstukken II 2017–18, 34 982, nr. 3, artikelsgewijze toelichting onder «Artikel I».28Binnen de Model huisregels voor vreemdelingenbewaring zal een lijst met verbodenvoorwerpen worden opgenomen. Bij de vaststelling van deze lijst zal in het bijzonder rekeningworden gehouden met de minimale beperkingen waarmee de vreemdelingenbewaring wordtuitgevoerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 962 mogelijk is. Daarbij kan worden gedacht aan het sanctioneren vanpersonen tegen wie – anders dan het door de directeur ontzeggen van detoegang tot de justitiële inrichting – niet kan worden opgetreden nadat zijverboden voorwerpen hebben binnengebracht, waaronder personen dievoorwerpen de inrichting binnenbrengen zonder dat zij zelf de inrichtingbetreden. De strafbaarstelling kan tevens dienen als preventief instrumentom de invoer van contrabande tegen te gaan. Hiervoor is het van belangdat tegen elke vorm van het binnenbrengen van alle soorten contrabandepassend kan worden opgetreden.Nu de strafbaarstelling sinds 1 november 2019 inwerking is getreden isdaarmee inmiddels enige ervaring opgedaan. Op basis van registratiesvan Detentiecentrum Rotterdam in 2023 zijn er tot 1 juni 2023 van dat jaar19 disciplinaire straffen opgelegd aan vreemdelingen in het kader vanbezit, gebruik en invoer van contrabande. Er is volgens deze registratiesvier keer aangifte gedaan. Dit ging om drugs en munitie. Hoewel het hiereen betrekkelijk gering aantal aangiftes betreft, moet worden bedacht datvan deze normstelling ook een preventieve werking uitgaat, die voor DJIvan groot belang is.De Minister van Asiel en Migratie,D.M. Van WeelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 501, nr. 963
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.