KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de reactie op het verzoek van het lid Agema over het scheiden van hoogbejaarde ouderen door het kabinetsbeleid en het bericht ‘Schoonmoeder nog alleen thuis’

5 jun 2014 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 8a10c017b02fa6ee · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2013–2014 30 597Toekomst AWBZ Nr. 453 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 5 juni 2014 In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond er bij enkele fracties behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 14 februari 2014 inzake de reactie op het verzoek van het lid Agema over het scheiden van hoogbejaarde ouderen door het kabinetsbeleid en het bericht «Schoonmoeder nog alleen thuis» (Kamerstuk 30 597, nr. 423). De op 14 maart 2014 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de Staatssecretaris bij brief van 5 juni 2014 toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt. De voorzitter van de commissie,Neppérus Adjunct-griffier van de commissie,Clemens kst-30597-453ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2014Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 4531 Inhoudsopgave blz. I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties 2 II. Reactie van de Staatssecretaris 5 I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie De leden van de PvdA-fractie vinden het belangrijk dat echtparen ook wanneer één van de partners intramurale zorg nodig heeft, niet gescheiden worden. Het is intens verdrietig wanneer mensen na een heel leven samen, de laatste jaren gescheiden moeten doorbrengen. Dit is voor deze leden een onwenselijke situatie. Genoemde leden zijn dan ook zeer tevreden met het feit dat het uit hoofde van de AWBZ mogelijk is om te voldoen aan de wens van echtparen om samen te blijven wonen, ook wanneer één van de partners opgenomen moet worden. Zij zijn ook zeer blij met het feit dat deze mogelijkheid onder de nieuwe Wet langdurige zorg1 blijft bestaan. De leden van de fractie van de PvdA hebben in de brief van de Staatsse-cretaris van 4 februari 2014 kunnen lezen dat er sprake is van incidentele gevallen wanneer een echtpaar vanwege een opname niet samen kan blijven wonen.2 Er wordt momenteel door de Staatssecretaris geïnventari-seerd waar op dit moment nog knelpunten zitten. Daar zijn deze leden tevreden mee. Wel zouden genoemde leden graag nog een heldere uitleg willen van de Staatssecretaris welke maatregelen er worden genomen om knelpunten op te lossen en, belangrijker, te voorkomen. Hoe kunnen alle betrokkenen gestimuleerd worden om deze knelpunten te voorkomen? Welke rol speelt de Staatssecretaris hierin? De leden van de PvdA-fractie zijn, net als de Staatssecretaris, ervan overtuigd dat de huidige hervormingen van de langdurige zorg kansen bieden om het aanbod in wonen en zorg voor mensen meer te laten aansluiten op de wensen en behoeften van cliënten. Deze leden zouden graag van de Staatssecretaris willen weten hoe alternatieven voor het gezamenlijk wonen in een verpleeghuis, zoals bijvoorbeeld kleinschalige wooninitiatieven en betere zorg thuis, gestimuleerd gaan worden, zodat mensen, ook wanneer zij zorg nodig hebben, hun leven zo kunnen inrichten zoals zij zelf wensen. Vragen en opmerkingen van de SP-fractie De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Staatssecretaris op het scheiden van echtparen in zorginstellingen. Zij vinden de reactie van de Staatssecretaris erg summier. In 2011 stelden de leden van de SP-fractie al Kamervragen over het scheiden van echtparen en stellen in zorginstellingen. De jarenlange problemen zijn kennelijk nog niet opgelost, ondanks de inspanningen van de afgelopen kabinetten. De Staatssecretaris geeft in zijn brief aan dat zorgkantoren en zorginstel-lingen ervoor dienen te zorgen dat partners hun recht op partneropname op grond van de AWBZ tot gelding kunnen brengen. Genoemde leden willen weten op welke wijze dit momenteel geregeld wordt. Hoe vaak is 1Kamerstuk 33 8912Kamerstuk 30 597, nr. 419Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 4532 het in de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013 voorgekomen dat partners niet terecht konden in zorginstellingen bij hun partner? Hoeveel echtparen zijn de afgelopen jaren daardoor gedwongen gescheiden? Kan de Staatssecre-taris daarvan een overzicht sturen? De leden van de SP-fractie willen weten hoeveel tweepersoonskamers er momenteel beschikbaar zijn in zorginstellingen. Is er een wachtlijst voor echtparen en stellen voor verzorgings- en verpleeghuizen? Zo ja, hoe groot is die wachtlijst? Kan de Staatssecretaris een overzicht sturen per regio? Zo nee, waarom niet? Voorts willen deze leden weten of het voorkomt dat zorginstellingen echtparen weigeren omdat zij geen tweepersoonskamer beschikbaar hebben. De leden van de SP-fractie vragen een uitgebreide toelichting op dit punt. Tot slot willen de leden van de SP-fractie weten of het nog steeds voorkomt dat oudere echtparen en stellen in verzorgings- of verpleeg-huizen moeten verhuizen naar een eenpersoonskamer, zodra één van de partners langer dan veertien dagen in het ziekenhuis wordt opgenomen. Zo ja, hoe vaak komt dit voor en is de Staatssecretaris voornemens deze maatregel te wijzigen in de Wet langdurige zorg? Vragen en opmerkingen van de PVV-fractie De leden van de PVV-fractie hebben met verbazing kennisgenomen van de brief over de scheiding van echtparen als gevolg van opname in een zorginstelling. Zij geven immers aan dat in de praktijk oudere paren niet samen kunnen blijven in een zorginstelling en hebben dan ook nog de nodige vragen en opmerkingen. Het onderzoek waar de Staatssecretaris naar verwijst dateert van voor het besluit tot het sluiten van de verzorgingshuizen. Hoe komt de Staatssecre-taris tot de conclusie dat er geen sprake is van een structureel probleem, maar van incidentele gevallen? Er is immers nog geen nieuw onderzoek gedaan. De leden van de PVV-fractie verwachten een toename van het aantal partners dat op basis van hun indicatie geen plek in een instelling zal krijgen. Is de Staatssecretaris bereid het besluit tot extramuralisering van de zorgzwaartepakketten (ZZP’s) 1 tot en met 3 terug te draaien? Verder willen deze leden de Staatssecretaris verzoeken om de gevolgen van deze maatregel voor het scheiden van echtparen mee te nemen in het toegezegde onderzoek. De leden van de PVV-fractie zijn het met de Staatssecretaris eens dat het intens verdrietig is als partners, na vele jaren te hebben samengewoond, gedwongen gescheiden worden omdat één van beiden vanwege ouderdomsproblemen niet langer thuis kan wonen. Helaas ontvangen genoemde leden signalen dat er bij zorginstellingen vaak kennis ontbreekt dat de «gezonde» partner ook recht heeft op een plek in de instelling. Bovendien zijn er maar weinig geschikte appartementen voor oudere echtparen. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Staatssecretaris ervoor gaat zorgen dat alle zorginstellingen voldoende geïnformeerd worden over deze mogelijkheid. Bovendien willen zij weten of er extra maatregelen genomen worden voor wat betreft het aantal plekken voor oudere echtparen. Dit is immers de voornaamste reden dat er echtparen gescheiden worden. In het wetsvoorstel langdurige zorg lezen de leden van de PVV-fractie dat de regering van mening is dat echtgenoten zo lang mogelijk samen moeten kunnen blijven; de leden van de PVV-fractie delen deze mening. Wel vragen deze leden of het wenselijk is, dat zij afzonderlijke zorg ontvangen. Is het niet omslachtig dat wanneer een echtpaar met Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 4533 verschillende zorgbehoefte in een zorginstelling woonachtig is, er verschillende zorgverleners zorg verlenen? Eentje voor meneer en eentje voor mevrouw? Waarom is er voor deze omslachtige invulling gekozen? Op deze manier wordt er weer een extra schot geplaatst, kan dit niet anders? Ten slotte vragen de leden van de PVV-fractie welke actie de Staatssecre-taris concreet zal gaan nemen om te voorkomen dat echtparen gedwongen gescheiden worden bij opname in een instelling. De leden van de PVV-fractie kijken uit naar het onderzoek van de Staatsse-cretaris. Zij gaan er gemakshalve van uit dat de Staatssecretaris met voor de zomer, de zomer van 2014 bedoelt en verwachten dit onderzoek dan ook voor 21 juni a.s. ontvangen te hebben. Vragen en opmerkingen van de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brieven van de Staatssecretaris van 4 en 14 februari jl. (Kamerstuk 30 597, nr. 423) over het scheiden van echtparen als gevolg van opname van beide ouderen in een zorginstelling. Zij zijn van mening dat echtparen, indien een van de beide partners wordt opgenomen in een zorginstelling, samen moeten kunnen blijven wonen. Deze leden tonen zich dan ook tevreden dat in het voorstel voor de nieuwe Wet langdurige zorg in artikel 3.1.2 hiertoe waarborgen zijn opgenomen. Wel willen zij aan de Staatssecretaris de vraag voorleggen hoever de reikwijdte van artikel 3.1.2 strekt en in hoeverre dit voorgestelde wetsartikel in materiële zin afwijkt van ter zake relevante bepalingen in het huidige Besluit zorgaanspraken AWBZ. Voorts verzoeken deze leden de Staatssecretaris aan te geven welke verantwoor-delijkheden de zorgkantoren en afzonderlijke zorginstellingen hebben, indien er (tijdelijk) geen ruimte beschikbaar is voor een partneropname. In de eerder genoemde brieven van februari 2014 lezen de leden van de D66-fractie dat de Staatssecretaris op dit moment een landelijk represen-tatief onderzoek laat uitvoeren naar knelpunten met betrekking tot de partneropname. Wanneer verwacht de Staatssecretaris dat dit onderzoek gereed zal kunnen zijn? Vragen en opmerkingen van de 50PLUS-fractie De leden van de 50PLUS-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de reactie van de Staatssecretaris op het bericht betreffende het scheiden van hoogbejaarde ouderen door het kabinetsbeleid. Genoemde leden zijn tevreden dat de Staatssecretaris een onderzoek laat uitvoeren om actuele gegevens over dit probleem boven tafel te krijgen. Deze leden zien uit naar de resultaten en vragen om deze uiterlijk in mei beschikbaar te hebben. De Staatssecretaris geeft aan dat om praktische redenen partneropname niet altijd realiseerbaar is. De leden van de 50PLUS-fractie wijzen er echter nogmaals op dat een wettelijk recht bestaat tot partneropname. Als dit om praktische redenen onmogelijk is, dan moeten de problemen die instellingen op dit punt ervaren, waar mogelijk worden ondervangen. Zorgkantoren hebben hier vanuit hun zorgplicht een grote rol in. Genoemde leden vinden het dan ook niet voldoende dat de Staatssecre-taris hen nogmaals op hun verantwoordelijkheid wil gaan wijzen. Deze leden willen een dwingend kader, waarbij de zorgkantoren verplicht zijn in samenwerking met instellingen binnen een redelijke regio en op een korte termijn een geschikte plek te vinden, met een duidelijk omschreven Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 4534 sanctie als dit niet gebeurt. Hoe staat de Staatssecretaris hier tegenover? Of dit probleem nu incidenteel voorkomt of niet, elke keer dat dit gebeurt is onacceptabel. Zoals in de brief van 4 februari 2014 wordt aangegeven, is de vraag of de huidige woonvoorzieningen in de sector voldoende zijn om het bestaande recht te kunnen verzilveren en of de kwaliteit van deze voorzieningen kan worden verbeterd. De leden van de 50PLUS-fractie vragen op welke termijn en op welke wijze de Staatssecretaris actie denkt te gaan ondernemen op dit punt. Daarnaast vragen deze leden waarom er niet eerder afdoende actie is ondernomen. Het bestaan van dit probleem was immers al veel eerder duidelijk. Daarnaast vragen de leden van de 50PLUS-fractie op welke termijn duidelijk wordt dat op de vernieuwde website KiesBeter kan worden aangegeven of op een bepaalde locatie een tweepersoonsappartement beschikbaar is. Dit is immers cruciale informatie voor wie zich wil oriënteren op een plek in een verzorgings- of verpleeghuis. Ook als dit op het moment zelf nog niet aan de orde is. II. REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS Ik dank de leden van de fracties van PvdA, SP, PVV, D66 en 50PLUS voor hun vragen en opmerkingen naar aanleiding van mijn brief van 14 februari 2014 inzake mijn reactie op het verzoek van het lid Agema bij de regeling van werkzaamheden van uw Kamer d.d. 5 februari 2014 (Handelingen II 2013/14, nr. 50, item 6) met betrekking tot het onderwerp «Scheiden van echtparen als gevolg van opname in een intramurale instelling (Kamerstuk 30 597, nr. 423). Conform mijn toezegging in voornoemde brief heb ik de landelijke inventarisatie snel in gang gezet. Bijgaand bied ik de rapportage van deze inventarisatie aan uw Kamer aan (Kamerstuk 30 597, nr. 452). Veel vragen kan ik aan de hand van deze rapportage beantwoorden. Uit de inbreng van de leden van genoemde fracties blijkt hun bezorgdheid over het feit dat het nog steeds voorkomt dat echtparen na een heel leven samen gescheiden worden omdat één van beiden moet worden opgenomen in een intramurale instelling, ondanks de mogelijkheid die er uit hoofde van de AWBZ bestaat, dat de niet-geïndiceerde partner meeverhuist. Ik deel die bezorgdheid. Niet voor niets heb ik uw Kamer toegezegd om deze materie verder uit te zoeken. Vragen leden fractie PvdA 1. De leden van de fractie van de PvdA zien graag nog een heldere uitleg over welke maatregelen er worden genomen om knelpunten op te lossen ten aanzien van partneropname en, belangrijker, te voorkomen. Deze leden vragen hoe alle betrokkenen gestimuleerd kunnen worden om deze knelpunten te voorkomen, en welke rol ik hierin speel. 1. Het onderzoek bevestigt dat het gedwongen scheiden van echtparen vanwege intramurale opname geen grootschalig probleem is. Wel vallen enkele zaken op in het onderzoek, namelijk het onwenselijke fenomeen dat sommige zorgaanbieders een zogenaamde verhuisclausule hanteren en de vermeende ontoereikendheid van de ZZP0-indicatie. Ik wil hierover met betrokken partijen in gesprek gaan, en daarbij ook benadrukken dat zorgaanbieders hun aanbod moeten afstemmen op de vraag van cliënten en dat zorgkantoren meer regie voeren en actie ondernemen als het gaat Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 4535 om zorgbemiddeling en om cliëntondersteuning. Deze acties licht ik toe in bijgaande brief (Kamerstuk 30 597, nr. 452). 2. De leden van de fractie van de PvdA willen weten hoe alternatieven voor het gezamenlijk wonen in een verpleeghuis, zoals bijvoorbeeld klein-schalige wooninitiatieven en betere zorg thuis, gestimuleerd gaan worden, zodat mensen, ook wanneer zij zorg nodig hebben, hun leven zo kunnen inrichten zoals zij zelf wensen. 2. Uitgangspunt bij de hervorming van de langdurige zorg is om zorg en ondersteuning meer in de eigen omgeving van de cliënt te kunnen leveren. Daarbij wordt uitgegaan van wat mensen (nog) wel kunnen in plaats van wat zij niet kunnen. Gezien dit uitgangspunt is het van belang dat er alternatieven bestaan voor het gezamenlijk wonen in verpleeg-huizen, bijvoorbeeld zorg thuis. Ik ben van mening dat het PGB en VPT deze ontwikkeling stimuleren. Cliënten hebben hiermee de regie in eigen handen bij de keuze voor een zorgaanbieder. Daarnaast heb ik naar aanleiding van een AO3, het daaropvolgende VAO Contracteerruimte4 en een tweetal moties5 die zijn aangenomen, met Zorgverzekeraars Nederland gesproken over de contractering van nieuwe zorgaanbieders. ZN heeft toegezegd dat de zorgkantoren nieuwe zorgaanbieders een reële kans op een contract zullen bieden. Overigens dient de nieuwe zorgaanbieder op zijn beurt wel aan te tonen dat hij kwalitatief goede zorg kan leveren, in een leemte voorziet en een toegevoegde waarde heeft bovenop het bestaande aanbod. Vragen leden fractie SP 1. De leden van de fractie van de SP willen weten op welke wijze op dit momenteel geregeld wordt dat zorgkantoren en zorginstellingen ervoor dienen te zorgen dat partners hun recht op partneropname op grond van de AWBZ tot gelding kunnen brengen. Deze leden vragen hoe vaak het in de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013 is voorgekomen dat partners niet terecht konden in zorginstellingen bij hun partner. Voorts vragen zij een overzicht van het aantal echtparen dat de afgelopen jaren daardoor gedwongen is gescheiden. 1. Zorgkantoren dienen te zorgen voor de beschikbaarheid van voldoende en toereikend aanbod binnen de regio, dat op kwalitatief goede en doelmatige wijze voldoet aan de wensen en behoeften van de bij hen ingeschreven verzekerden. Ook dienen zij verzekerden te ondersteunen bij het tot gelding brengen van hun recht op zorg, en dus ook bij het recht op partneropname. Uit de landelijke inventarisatie blijkt dat zorgkantoren geen zicht hebben op hoeveel echtparen in de afgelopen vier jaren gezamenlijk een opname hebben aangevraagd. Deze inventarisatie richtte zich op de gegevens over het jaar 2013. Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van de SP hoe vaak het in de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013 is voorge-komen dat partners niet terecht konden in zorginstellingen bij hun partner heb ik de onderzoekers gevraagd ook de voor de beantwoording van deze vraag benodigde gegevens over de periode 2010–2012 mee te nemen in de inventarisatie, die inmiddels al in gang was gezet. Slechts een beperkt 3Kamerstuk 30 597, nr. 276.4Handelingen II 2012/13, nr. 35, item 2, blz. 2–45Kamerstuk 30 597, nr. 279 en Kamerstuk 33 400 XVI, nr. 61.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 4536 aantal zorgaanbieders (n=46) bleek informatie te kunnen aanleveren over de jaren 2010, 2011 en 2012. Zoals ik in bijgaande brief aan de voorzitter van uw Kamer aangeef, kan op basis van de inventarisatie voor 2013 de volgende vertaling naar een landelijk beeld worden gemaakt. Vertaald naar een landelijk beeld zouden in 2013 circa 3600 echtparen aangegeven hebben samen opgenomen te willen worden, waarvan er ongeveer 550 niet direct konden worden geplaatst. Van deze groep hadden ongeveer 60 stellen een acute opnamewens. Uit de steekproef komt naar voren dat de echtparen met een acute opnamewens uiteindelijk – al dan niet tijdelijk – de benodigde zorg thuis kregen geleverd of konden worden doorbemiddeld naar een andere zorgaanbieder in de regio. Hierdoor zijn binnen de steekproef, zo is naar aanleiding van het rapport extra bij de onderzoekers geverifieerd, geen probleemsituaties naar voren gekomen. Voor de jaren 2010 – 2012 geeft het merendeel (74%) van de gesproken zorgaanbieders aan dat zij in die periode alle echtparen heeft kunnen opnemen. Van welke situaties er sprake was in de overige 26% gevallen, is niet bekend. 2. De leden van de fractie van de SP willen weten hoeveel tweepersoons-kamers er momenteel beschikbaar zijn in zorginstellingen. Deze leden vragen of er een wachtlijst is voor echtparen en stellen voor verzorgings- en verpleeghuizen, en zo ja, hoe groot die wachtlijst is. Zij vragen om een overzicht per regio. Als het niet mogelijk is een dergelijk overzicht te sturen, vragen zij waarom dit niet mogelijk is. 2. Ik heb geen zicht op het aantal beschikbare tweepersoonskamers in zorginstellingen in Nederland. Dit wordt niet geregistreerd. Uit de reactie van 117 zorgaanbieders komt een gedifferentieerd beeld naar voren. Aan de ene kant geeft 44% van de zorgaanbieders aan dat 0% tot 10% van de intramurale kamers geschikt zijn voor echtparen of geschikt gemaakt kunnen worden. En aan de andere kant geeft 12% van de zorgaanbieders aan dat (bijna) alle kamers geschikt zijn of geschikt gemaakt kunnen worden voor echtparen. Bij enkele aanbieders die met nieuwbouw bezig zijn, wordt in de toekomst het overgrote deel geschikt voor echtparen. Voor deze woningen bestaat de mogelijkheid dat deze door 1 of 2 personen kunnen worden bewoond. Ook heb ik geen zicht op de wachtlijsten voor echtparen en stellen die gezamenlijk opgenomen wensen te worden. Het is aan de zorgkantoren om zicht te hebben en te houden op de capaciteit binnen hun werkgebied. Er zijn wel cijfers bekend over het aantal echtparen dat niet direct geplaatst kon worden. Vertaald naar landelijke cijfers, konden in 2013 ongeveer 550 stellen niet direct geplaatst worden. Van hen hadden er ongeveer 60 een acute opnamewens. De echtparen met een acute opnamewens die uit de steekproef naar voren kwamen, kregen uiteindelijk – al dan niet tijdelijk – de benodigde zorg thuis geleverd of konden worden doorbemiddeld naar een andere zorgaanbieder in de regio. Hierdoor zijn er binnen de steekproef, zo is naar aanleiding van het rapport extra bij de onderzoekers geverifieerd, geen probleemsituaties naar voren gekomen. 3. De leden van de SP-fractie willen weten of het voorkomt dat zorginstel-lingen echtparen weigeren omdat zij geen tweepersoonskamer beschikbaar hebben. Deze leden vragen een uitgebreide toelichting op dit punt. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 4537 3. Uit de inventarisatie komt naar voren dat het weigeren van echtparen vanwege het niet beschikbaar hebben van een tweepersoonskamer niet vaak voorkomt. Vrijwel alle geïnterviewde zorgaanbieders geven aan te beschikken over echtparenkamers. Slechts bij 2% van de zorgaanbieders blijkt het niet mogelijk om als echtpaar te worden opgenomen. 4. Tot slot willen de leden van de fractie van de SP weten of het nog steeds voorkomt dat oudere echtparen en stellen in verzorgings- of verpleeg-huizen moeten verhuizen naar een eenpersoonskamer, zodra één van de partners langer dan veertien dagen in het ziekenhuis wordt opgenomen. Deze leden vragen hoe vaak dit voor komt. Zij vragen of ik voornemens deze maatregel te wijzigen in de Wet langdurige zorg? 4. Mij ontgaat de zin van het verhuizen van de achterblijvende partner in situaties als de leden van de fractie van de SP hier memoreren. Immers zolang nog niet duidelijk is of de zieke partner terugkomt, kan de tijdelijk lege tweepersoonskamer niet aan een ander echtpaar worden gegeven. Het vanwege ziekenhuisopname tijdelijk gescheiden echtpaar moet immers na hereniging hun recht op het samen verblijven weer kunnen voortzetten. Uit de inventarisatie blijkt het echter toch in 3% van de gevallen (n=77) voor te komen dat de achterblijvende partner gevraagd wordt naar een eenpersoonskamer te verhuizen, zodra zijn of haar partner langer dan veertien dagen in het ziekenhuis wordt opgenomen. Hoewel ik dit niet gewenst vind, zie ik vooralsnog geen reden om naar aanleiding hiervan artikel 3.1.2 van het voorstel van Wet langdurige zorg nader aan te passen. Wel zal ik dit punt betrekken in het gesprek dat ik met de betrokken partijen wil voeren over de in het onderzoek gesignaleerde verhuisclausule. Vragen leden fractie PVV 1. De leden van de fractie van de PVV vragen hoe ik tot de conclusie kom dat er geen sprake is van een structureel probleem, maar van incidentele gevallen. Er is immers nog geen nieuw onderzoek gedaan. 1. De eerdere inventarisatie gaf aan dat er geen sprake is van een structureel probleem, maar van incidentele gevallen. Dit onderzoek was niet landelijk representatief en om die reden is een bredere inventarisatie verricht. Ook op basis van deze recentere en bredere inventarisatie kan ik mijn eerdere conclusie handhaven. 2. De leden van de fractie van de PVV vragen of de regering bereid is het besluit tot extramuralisering van de zorgzwaartepakketten (ZZP’s) 1 tot en met 3 terug te draaien. Verder doen deze leden het verzoek om de gevolgen van deze maatregel voor het scheiden van echtparen mee te nemen in het toegezegde onderzoek. 2. De regering heeft geen plannen om het extramuraliseren van ZZP 1 t/m 3 terug te draaien. Deze plannen sluiten juist aan bij mijn beleid om de zorg en ondersteuning dichter bij de mensen te organiseren. Uitgangspunt bij het extramuraliseren is dat mensen langer zelfstandig blijven wonen. Daarbij gaan ze zelf huur betalen en kunnen ze zorg en ondersteuning op maat krijgen. Doordat mensen langer zelfstandig blijven, voeren ze meer Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 4538 de eigen regie over hoe, waar en met wie ze wonen. Dat maakt het ook mogelijk dat echtparen langer bij elkaar kunnen blijven wonen. Op verzoek van de leden van de PVV-fractie heb ik de onderzoekers gevraagd in de inventarisatie een vraag op te nemen over de gevolgen van de extramuralisering van ZZP 1 t/m 3 voor het scheiden van echtparen. De gevolgen hiervan op het scheiden van echtparen worden door de zorgaanbieders verschillend gezien. Een groot deel voorziet dat echtparen langer thuis zullen blijven wonen, waardoor zij in eerste instantie minder gescheiden zullen worden. Door het scheiden van wonen en zorg en het gebruik van VPT kan de geïndiceerde partner de zorg ook extramuraal ontvangen, wat scheiden van echtparen voorkomt. Een aantal zorgaanbieders voorziet echter een groter aantal spoed- en crisisopnames dan voorheen en daardoor mogelijk een stijging in het scheiden van echtparen. 3. De leden van de fractie van de PVV vragen hoe ervoor gezorgd gaat worden dat alle zorginstellingen voldoende geïnformeerd worden over de mogelijkheid van partneropname. Deze leden willen weten of er extra maatregelen genomen worden voor wat betreft het aantal plekken voor oudere echtparen. 3. Wat betreft het informeren van zorginstellingen over de mogelijkheid van partneropname verwijs ik de leden van de fractie van de PVV naar de passage hierover in bijgaande brief aan de voorzitter van uw Kamer. Ik zie hierbij een belangrijke taak voor de zorgkantoren. Voorts blijkt uit de inventarisatie dat het gebrek aan echtparenkamers niet de belangrijkste oorzaak is voor die gevallen, waarin echtparen niet direct samen kunnen worden opgenomen. Ik constateer, zoals ook in het rapport wordt genoemd, dat ontwikkelingen als het scheiden van wonen en zorg en het gebruik van VPT als mogelijkheden worden gezien om gedwongen scheiding van echtparen te voorkomen. Ook blijkt uit het rapport dat nieuw- en verbouw als mogelijkheid wordt aangegrepen om aan de wens van partneropname te kunnen voldoen. 4. De leden van de fractie van de PVV vragen of het niet omslachtig danwel wenselijk is dat wanneer een echtpaar met verschillende zorgbehoefte in een zorginstelling woonachtig is, er verschillende zorgverleners zorg verlenen. Deze leden vragen waarom voor deze omslachtige invulling is gekozen. Zij vragen of dit niet anders kan. 4. Ik lees deze vraag van de leden van de PVV-fractie als een verzoek om verduidelijking over hoe en door wie de zorg wordt geleverd aan de niet Wlz-geïndiceerde partner. Zoals ook in de memorie van toelichting bij het voorstel Wet langdurige zorg (Kamerstuk 33 891, nr. 3) beschreven, zal het zo zijn dat als een in een zorginstelling verblijvende niet Wlz-geïndiceerde partner ondersteuning van de gemeente nodig heeft, de gemeente deze ondersteuning op verschillende manieren kan regelen. Afhankelijk van de vraag welke aanbieders de gemeente heeft gecontracteerd, kan de gemeente ofwel de desbetreffende instelling betalen om ook de gezondere partner te verzorgen, ofwel een andere instelling of zorgverlener betalen om deze ondersteuning te gaan leveren. Ik stel mij voor dat gemeenten en instellingen dit vooral pragmatisch zullen invullen en oplossen; temeer omdat de gemeente in veel gevallen al met de desbetreffende instelling contact zal hebben. In het geval de niet Wlz-geïndiceerde partner zorg uit het domein van de zorgverzekeraar nodig heeft, zal dat niet anders zijn Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 4539 dan nu het geval is. Afhankelijk van de vraag welke zorgaanbieders de zorgverzekeraar heeft gecontracteerd en of de instelling in staat is de gevraagde zorg te leveren, zal de verzekeraar deze instelling betalen voor de Zvw-zorg die aan de gezondere partner wordt geleverd, ofwel een andere instelling of zorgverlener betalen om die zorg bij die instelling aan de partner te gaan leveren. 5. De leden van de fractie van de PVV vragen welke actie concreet gaat worden ondernomen om te voorkomen dat echtparen gedwongen gescheiden worden bij opname in een instelling. 5. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik de leden van de fractie van de PVV naar bijgaande brief aan de voorzitter van uw Kamer. 6. De leden van de PVV-fractie kijken uit naar het onderzoek van de Staatsse-cretaris. Zij gaan er gemakshalve van uit dat de Staatssecretaris met voor de zomer, de zomer van 2014 bedoelt en verwachten dit onderzoek dan ook voor 21 juni a.s. ontvangen te hebben. 6. Ik verwacht met toezending van de rapportage aan de verwachting van de leden van de fractie van de PVV te hebben voldaan. Vragen leden fractie D66 1. De leden van de fractie van D66 vragen hoever de reikwijdte van artikel 3.1.2 van het wetsvoorstel Langdurige zorg strekt en in hoeverre dit voorgestelde wetsartikel in materiële zin afwijkt van ter zake relevante bepalingen in het huidige Besluit zorgaanspraken AWBZ. 1. Met artikel 3.1.2. beoogt de regering de huidige regeling voor partner-opname op grond van artikel 9, lid 3,van het Besluit zorgaanspraken AWBZ, inhoudelijk ongewijzigd over te nemen in het nieuwe stelsel voor langdurige zorg. 2. De leden van de fractie van D66 vragen welke verantwoordelijkheden de zorgkantoren en afzonderlijke zorginstellingen hebben, indien er (tijdelijk) geen ruimte beschikbaar is voor een partneropname. 2. Ten aanzien van de verantwoordelijkheden van resp. de zorgkantoren en afzonderlijke zorginstellingen bij partneropname verwijs ik de leden van de fractie van D66 naar de passage hierover in bijgaande brief aan de voorzitter van uw Kamer. In de rapportage (p.7) is wat betreft de rol van de zorgkantoren het traject omschreven rondom het toekennen van een indicatie tot de daadwerkelijke opname van het echtpaar. Deze omschrij-ving volgt uit de inventarisatie die is uitgevoerd onder alle zorgkantoren. zorgkantoren geven aan dat ze een toewijzende en bemiddelende positie hebben. De voorkeursinstelling van het echtpaar is het vertrekpunt. Mocht het echtpaar niet direct kunnen worden opgenomen dan bekijkt en bespreekt de zorgaanbieder met het echtpaar de mogelijkheden: een plek op de wachtlijst (en zorg thuis) of doorverwijzen naar een andere zorgaanbieder. Als er geen passende oplossing is en in gevallen van nood wordt het zorgkantoor door de zorgaanbieder geconsulteerd. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 45310 3. De leden van de fractie van D66 vragen wanneer het landelijk represen-tatief onderzoek naar knelpunten met betrekking tot de partneropname gereed is. 3. De rapportage van het landelijk representatief onderzoek is bijgaand aan de voorzitter van uw Kamer aangeboden. Vragen leden fractie 50PLUS 1. De leden van de fractie van 50PLUS vragen om de resultaten van het landelijk representatief onderzoek uiterlijk in mei beschikbaar te hebben. 1. De rapportage van het landelijk representatief onderzoek wordt hierbij aan de voorzitter van uw Kamer aangeboden. 2. De leden van de fractie van 50PLUS vragen een reactie op hun suggestie om te komen tot een dwingend kader, waarbij de zorgkantoren verplicht zijn in samenwerking met instellingen binnen een redelijke regio en op een korte termijn een geschikte plek te vinden, met een duidelijk omschreven sanctie als dit niet gebeurt. 2. De resultaten van het onderzoek leiden tot de conclusie dat het gedwongen scheiden van echtparen vanwege intramurale opname geen grootschalig probleem is. Wel vallen enkele zaken op in het onderzoek, naar aanleiding waarvan ik de resultaten van het onderzoek met betrokken partijen ga bespreken. Ik verwijs in dit veband ook naar bijgaande brief. De resultaten en conclusies van het onderzoek geven mij geen aanleiding om te komen tot een dwingend kader of om sancties op te leggen. Uit de rapportage bespeur ik de positieve intentie bij de betrokken partijen om tot een goede oplossing te komen. 3. De leden van de fractie van 50PLUS vragen op welke termijn en op welke wijze actie wordt ondernomen ten aanzien van verbetering van de beschikbaarheid en de kwaliteit van de voorzieningen voor partner-opname in zorginstellingen. Deze leden vragen waarom niet eerder afdoende actie is ondernomen, daar het bestaan van dit probleem naar de mening van deze leden immers al veel eerder duidelijk was. 3. Wat betreft de gezamenlijk te ondernemen acties verwijs ik de leden van de fractie van 50PLUS naar de passage hierover in bijgaande brief aan de voorzitter van uw Kamer. Wel wil ik deze leden er op wijzen dat uit de rapportage van de landelijke inventarisatie blijkt, dat de beschikbaarheid en de kwaliteit van voorzieningen voor partneropname nagenoeg geen knelpunt blijkt te zijn. Er is voorheen ook geen actie ondernomen omdat er geen sprake was van een omvangrijk probleem. 4. De leden van de fractie van 50PLUS vragen op welke termijn duidelijk wordt dat op de vernieuwde website KiesBeter kan worden aangegeven of op een bepaalde locatie een tweepersoonsappartement beschikbaar is. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 45311 4. Voor de korte termijn zal het Zorginstituut op de relevante pagina’s op kiesBeter.nl een link opnemen naar websites waar de door de leden van de fractie van 50Plus genoemde informatie beschikbaar is. Sites als kiesvoorjezorg.nl en woonz.nl komen hier mogelijk voor in aanmerking. Ik ga in overleg met betrokken partijen over hoe ze de cliënten beter kunnen voorlichten, over het aanbod aan echtparenkamers in de regio.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 30 597, nr. 45312

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 2b4ee28ea531f478

14 okt 2026 · b239fb971151e19f

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.