Verslag van een commissiedebat, gehouden op 4 maart 2026, over Leven Lang Ontwikkelen en laaggeletterdheid
Brontekst
Versie c5a1c41232a91d98 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202630 012Leven Lang LerenNr. 162 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 8 april 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de vastecommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben op 4 maart2026 overleg gevoerd met mevrouw Letschert, Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap, mevrouw Tielen, Staatssecretaris Onderwijs enEmancipatie, en de heer Vijlbrief, Minister van Sociale Zaken en Werkgele-genheid, over:–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 18 december 2025 inzake voortgang Leven LangOntwikkelen (Kamerstuk 30 012, nr. 161);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 11 juli 2025 inzake versterking basisvaardig-heden volwassenen vanaf 2025 (Kamerstuk 28 760, nr. 125);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 24 april 2025 inzake proces pact opleiden voor dearbeidsmarkt van de toekomst (Kamerstuk 31 524, nr. 655);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 20 februari 2025 inzake uitvoering van de gewijzigdemotie van de leden El Yassini en Van der Molen over hettweede project van de Ambachtsacademie na afrondingevalueren (gewijzigde motie van de leden El Yassini en Van derMolen over het tweede project van de Ambachtsacademie naafronding evalueren) (Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 186) (Kamer-stuk 30 012, nr. 160);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 10 december 2024 inzake PIAAC-onderzoek naarvaardigheden van volwassenen (Kamerstuk 36 600 VIII,nr. 139);–de brief van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijsd.d. 10 november 2023 inzake uitwerking onderwijsagendaLLO (Kamerstuk 30 012, nr. 157);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 12 december 2019 inzake advies over haalbaarheidvan een digitaal overzicht van individuele scholingsmogelijk-heden (Kamerstuk 30 012, nr. 124). kst-30012-162ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 1621 Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur enWetenschap,KoorevaarDe voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgele-genheid,Van der LeeDe griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Weten-schap,VerhoevTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 1622 Voorzitter: BeversGriffier: Van ThielAanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Armut, De Beer, Bevers,Boomsma, Claassen, Raijer, Rooderkerk en Tseggai,en mevrouw Letschert, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,mevrouw Tielen, Staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie, en de heerVijlbrief, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.Aanvang 10.01 uur.De voorzitter:Goedemorgen. Allemaal hartelijk welkom bij het commissiedebat LevenLang Ontwikkelen en laaggeletterdheid. Hartelijk welkom aan de mensenop de publieke tribune en mensen thuis via de stream. En een hartelijkwelkom aan maar liefst drie bewindspersonen: de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap, mevrouw Letschert, de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw Tielen, en de Minister vanSociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer Vijlbrief, en hun onder-steuning natuurlijk. Van harte welkom.Namens de Kamer zijn aanwezig: mevrouw Tseggai namens GroenLinks-PvdA, de heer Claassen namens de Groep Markuszower, de heer De Beernamens de VVD, mevrouw Rooderkerk namens D66, de heer Boomsmanamens JA21, mevrouw Raijer namens de PVV en mevrouw Armutnamens het CDA.Meneer Claassen is geen lid van de commissie, krijg ik te horen. Datbetekent dat ik even formeel aan de collega’s moet vragen of zij ertoestemming voor geven dat de heer Claassen meedoet.De heer Claassen (Groep Markuszower):Misschien wil ik wel niet meer, dus ik ga het eerst even vragen. Zou ikmee mogen doen? Dat geldt voor bijna alle komende commissiedebatten,dus misschien dat het integraal gedaan kan worden voor alle aanwe-zigheid.De voorzitter:Misschien moet u dan gewoon lid worden van de commissie OCW.De heer Claassen (Groep Markuszower):Dat gaat niet, voorzitter. We mogen maar van zeven commissies lid zijn.Dit is wel een heel belangrijke commissie, maar ja.De voorzitter:Nee hoor. Het is eerder voorgekomen dat dit nodig was. Ik zal hetdoorgeven aan de griffie en dan gaan we kijken of we een soort algemeenpardon voor u kunnen instellen.We gaan zo van start, maar even iets in het kader van het spoorboekje. Wehebben drie uur de tijd. Er is geen uitloopmogelijkheid. Dat betekent datwe om 13.00 uur klaar moeten zijn. Ik stel voor de eerste termijn van deKamer vier minuten spreektijd voor met maximaal vier interrupties perpersoon van maximaal 60 seconden. Laat ik daar heel duidelijk over zijn,want anders gaan we het niet redden. Dan om 11.15 uur de eersteschorsing en om 11.30 uur de eerste termijn van de bewindspersonen.Dan aansluitend de tweede termijn van de Kamer en rond 12.30 uur eenkorte schorsing ter voorbereiding op de tweede termijn van de bewinds-personen. De spreektijd in tweede termijn is 1 minuut en 20 seconden. Ikkijk gelijk naar de rechterzijde met het verzoek om de inleidingen zeer tebeperken vanwege dit heel strakke spoorboekje, om iedereen aan bod telaten komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 1623 Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Even omwille van de planning. Ik moet me zo helaas even excuseren ennaar de plenaire zaal, maar ik ben voor de eerste schorsing weer terug.De voorzitter:Dat lijkt me helemaal prima. Dank daarvoor. U mag ook gelijk beginnenmet uw bijdrage in eerste termijn.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Welkom aan alle nieuwe bewindspersonen. Ik wensu veel succes met uw mooie portefeuilles.Wat Leven Lang Ontwikkelen betreft zit ik hier vandaag toch een beetjemet een dubbel gevoel. Allereerst ben ik blij dat we eindelijk dit debathebben als commissie. Dat is heel goed. Als je naar het regeerakkoordkijkt door de bril van Leven Lang Ontwikkelen, dan ben je in eersteinstantie misschien best blij: er komt 100 miljoen bij. Maar als we danverder kijken naar het coalitieakkoord, dan is die vreugde van mijn kanttoch gauw verdwenen, want het kabinet kiest ervoor om een enormekaalslag te laten plaatsvinden in de sociale zekerheid. Dus het is goed dater 100 miljoen wordt vrijgemaakt voor Leven Lang Ontwikkelen, maar datstaat natuurlijk in schril contrast met die bezuinigingen van 6,5 miljard opde sociale zekerheid.Wat mij in dit kader vooral verbaast, is dat er dus ook wordt gekort op dere-integratiemiddelen. 100 miljoen om precies te zijn en dat is precies hetbedrag dat nu geïnvesteerd gaat worden in Leven Lang Ontwikkelen. Alswe dan kijken naar waar die re-integratiemiddelen voor waren bedoeld,dan wordt mijn verbazing eigenlijk alleen maar groter. Dat geld is namelijkbedoeld voor mensen die vanwege een ziekte of beperking moeilijkkunnen werken, maar dat wel graag willen en met deze middelen eencursus of opleiding hadden kunnen volgen. Ik vraag de bewindspersonendan ook om op deze keuze te reflecteren, want ik kan niet zo goed volgenwaarom je juist op die pot zou bezuinigen.Voorzitter. Mijn fractie kijkt ook een beetje met gemengde gevoelens naarde invoering van individuele leerrechten in het regeerakkoord. Dat kannamelijk heel positief uitpakken als dat betekent dat dat laagdrempeligerwordt voor groepen die nu moeilijk worden bereikt om bij- en omscholingte volgen, maar ik ben soms bang dat dat misschien wel betekent datieder individu het voor zichzelf uit moet zoeken – dat kan natuurlijk niet debedoeling zijn – in plaats van dat we het collectief regelen via bijvoorbeeldhet UWV. Ik zou graag van de bewindspersonen horen hoe zij dit mooieplan voor leerrechten gaan vormgeven zonder dat mensen aan hun lotworden overgelaten en ook welke visie daarachter zit. Nou, dat over hetregeerakkoord.Dan over de stukken die vandaag op de agenda staan. Er staan veelbrieven van vorige bewindspersonen en kabinetten op deze agenda en hetis wat versnipperd en vaag soms. We gaan versterken, verduurzamen,stimuleren, er komt een integrale benadering en er wordt werk gemaaktvan een sterke leercultuur. Dat is heel erg mooi, maar het is weinig smart,om het maar even zo te zeggen. Daarnaast komen er heel veel verschil-lende initiatieven langs. Die doen allemaal heel goede dingen, maar hetbeleid is heel erg versnipperd en daar maak ik me wat zorgen over. Datwordt ook aangegeven door verschillende organisaties die mijn fractieheeft gesproken over dit onderwerp. Ik vroeg me dan ook af wat debewindspersonen gaan doen aan het versnipperde beleid en landschaprondom LLO momenteel. Gaan we echt terug naar de tekentafel of gaanwe door op oude voet? Als we minder versnipperen, betekent datnatuurlijk niet dat drie bewindspersonen een probleem is. Het is juist goedals die met elkaar samenwerken, maar het landschap is wat ons betreftwat versnipperd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 1624 Voorzitter. Mijn fractie zou hiernaast graag zien dat we van LLO meer eenpublieke taak maken. De afgelopen kabinetsperiode is onderzocht ofmbo-, hbo- en wo-instellingen een wettelijke taak gegeven kan wordenvoor Leven Lang Ontwikkelen. Mijn fractie was heel enthousiast over ditidee. Ik denk ook dat dat een oplossing kan zijn voor bijvoorbeeld hetversnipperde landschap rondom Leven Lang Ontwikkelen. Het is op zichook geen wereldschokkend idee, want veel Europese landen doen dit al.Nederland is hier eigenlijk een beetje een achterblijver in. Ik vroeg me afhoe de nieuwe bewindspersonen hiernaar kijken. Zouden zij er bijvoor-beeld voor openstaan om Leven Lang Ontwikkelen te verankeren in deWet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs enwetenschappelijk onderzoek? Ik hoor hier graag een antwoord op.Voorzitter. Op dit moment worden praktisch opgeleide oudere flexwerkersonvoldoende bereikt als het aankomt op Leven Lang Ontwikkelen. Hbo- enwo-opgeleiden in een grote organisatie weten anderzijds wel de weg tevinden. Het komt er eigenlijk kort gezegd op neer dat de mensen die hetmeest gebruik zouden moeten maken van middelen voor om- enbijscholing dat in de praktijk het minste doen. Gelukkig lees ik dezeprobleemanalyse terug in het regeerakkoord: we moeten ervoor zorgendat zij die er het meeste baat bij hebben daadwerkelijk gebruik gaanmaken van de LLO-middelen. Ik vroeg me toch een beetje af of we dit nogwat concreter kunnen maken. Welke doelgroepen zien de bewindsper-sonen nou echt als kerngroepen die zij willen bereiken met het LevenLang Ontwikkelenbeleid en hoe gaan we dat specificeren?De voorzitter:Kunt u gaan afronden? U bent over uw tijd heen.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ja. Ik heb nog één laatste punt.De voorzitter:Heel kort.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik zal het heel kort houden. Dat gaat over laaggeletterdheid en basisvaar-digheden. Ik scrol even snel door. Ik vroeg me af hoe deze bewindsper-sonen daarnaar kijken en wat zij gaan doen om laaggeletterdheid aan tepakken, omdat de stukken die daarover gaan met name van de vorigebewindspersonen kwamen. Daar hoor ik ook graag een antwoord op.Dan ga ik nu snel naar de plenaire zaal. Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Tseggai. Dan namens de Groep Markuszower, deheer Claassen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Voorzitter. Ik zal het niet hebben over het regeerakkoord. Ik denk dat OCWin de handjes mag wrijven als je het afzet tegen wat bij zorg gebeurt en bijSZW. Dus daar gaat u niks over horen.Voorzitter. Afgelopen vijf jaar transformeerde Leven Lang Leren naarLeven Lang Ontwikkelen. Maar welke naam je het ook geeft en welkeallerbeste intenties er ook achter zitten, we ontkomen er niet aan om in tezien dat achter deze transformatie een papieren muur zit. Dat iskenmerkend voor het onderwijsbeleid in Nederland en een voorbeeld vangeslaagde bureaucratisering. Ik zie een eindeloze reeks verkenningen,pilots, voortgangsrapportages en evaluaties die elkaar raken, beïnvloedenof overlappen. Terwijl de ene verkenning nog loopt, wordt de volgendealweer aangekondigd. Het proces lijkt inmiddels belangrijker dan deoplossing. Fundamentele keuzes worden stelselmatig doorgeschoven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 1625 Voorzitter. Wilt u dat ik doorga of wilt u dat ik wacht tot de bel afgelopenis? Doorgaan? Dat is een minuut.De Minister, met al haar ervaring in het onderwijs, moet het toch met mijeens zijn? Wat kunnen we van deze Minister verwachten om een einde temaken aan de onderwijsbureaucratie?Voorzitter. De cijfers liegen niet: maar liefst 3 miljoen Nederlanderskampen met beperkte basisvaardigheden. Dat is een schrikbarend aantal.De Groep Markuszower pleit voor preventie. Het is goed dat er meernadruk komt te liggen op basisvaardigheden, maar de huidige inzet issimpelweg onvoldoende. Het is algemeen bekend dat de basis voor dezevaardigheden al in de vroegste jeugd wordt gelegd. Daarom is het vancruciaal belang dat interventies gericht zijn op gezinnen waar geenNederlands wordt gesproken. De kinderen in deze gezinnen moeten alvoor de basisschool de taalondersteuning en vaardigheden meekrijgendie nodig zijn voor hun startpositie. Als we daar niet op inzetten, blijvenwe dweilen met de kraan open. Wat zijn concrete doelen en meetbareresultaten en kan de Minister daarop aangesproken worden? Kan deMinister vertellen met welk aantal zij het aantal laaggeletterden gaatterugbrengen binnen de regeringstermijn van vier jaar?De voorzitter:Meneer Claassen, er is een interruptie van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank en gelukkig zonder bel. Ik hoorde door die bel heen dat de heerClaassen aangaf dat hij vindt dat interventies voor het tegengaan vanlaaggeletterdheid gericht moeten zijn op gezinnen waarin de taal nietwordt gesproken. Erkent hij ook dat er daarnaast heel veel autochtoneNederlanders zijn die moeite hebben met lezen en schrijven en dat hetjuist ook voor die gezinnen van belang is dat zij heel vroeg wordengeholpen om echt de taal te leren, ook als volwassene?De heer Claassen (Groep Markuszower):Ja, want dat was mijn volgende blokje. Dus als u nog één minuutje hadgewacht, dan had u het antwoord gehad. Ik ga door, want dat scheelt ookweer tijd.De voorzitter:Dat lijkt me goed.De heer Claassen (Groep Markuszower):De laaggeletterdheid van mensen die hier zijn geboren, brengt mij bij deNT1-doelgroep: Nederlandstaligen met een achterstand. Deze mensenervaren vaak diepe schaamte en continu negatieve leerervaringen.Momenteel is hun toegang tot educatie afhankelijk van de regio waar zewonen met een versnipperd landschap van aanbieders. NT1 mag geenbijzaak op lokaal niveau zijn. Wij vragen daarom landelijke coördinatie,eenduidigheid en overal gelijke toegang. Kan de Minister vertellen of en,zo ja, hoe zij dat gaat aanpakken?Tot slot hebben we nog enkele opmerkingen over de microcredentials dieik tegenkwam in de stukken. Ik maak me grote zorgen over het gebrek aaneen eenduidig civiel effect. Terwijl een deelnemer in het mbo eencertificaat kan halen, is er in het hbo en wo sprake van versnippering. Hetaanbod wordt als non-formeel contractonderwijs gegeven zonderwettelijke basis, kwaliteitsborging of betrokkenheid van een examen-commissie. We willen af van deze losse flodders. Het onderwijs zougebaat zijn bij eenduidige routes en kaders met betrekking tot microcre-dentials, zodat die stapelbaar zijn tot een volwaardig diploma op iederniveau en erkend worden tussen en in de instellingen en in het werkveld.Bovendien moeten we stoppen met modules die de flexibiliteit belem-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 1626 meren. Een microcredential moet zich verhouden tot een vast aantal EC’s,bijvoorbeeld drie, en maximaal vijf, maar zeker niet meer. Kan de Ministertoezeggen dat er een eenduidig civiel effect en kader gecreëerd wordt metbetrekking tot microcredentials?Tot slot, voorzitter.De voorzitter:Meneer Claassen, u heeft naar aanleiding hiervan alsnog een interruptievan mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank. Ik heb even geluisterd naar uw blokje hierover. Goed om te horendat u inderdaad ook erkent dat het juist ook voor degenen die Nederlandsals eerste taal spreken van belang is dat zij goed worden geholpen naareen opleiding. Is de heer Claassen ook van mening dat, zoals wij dat graagzouden zien, ook roc’s daar een grotere rol in moeten krijgen? Ik hoor hemzeggen dat het belangrijk is dat er meer vereenvoudiging is, dat hetduidelijker is waar je nou terechtkunt, juist als je die taal niet spreekt. Watwij graag zouden zien, is dat die roc’s daar een soort spil in zijn en dat hetdus niet, zoals nu het geval is, zo versnipperd is en onduidelijk is waar jeterechtkunt, dus dat je daar begint, in samenwerking met werkgevers, metgemeenten, en dat duidelijk is waar je als persoon terechtkunt.De heer Claassen (Groep Markuszower):Dat is zeker een interessante suggestie. Roc’s zouden daar wellicht een rolin kunnen spelen. Ik heb geen overzicht over of zij daar capaciteit voorhebben en wat hun rol momenteel is. Daarmee overvraagt u mij. Ik zei aldat het versnipperd is. Een roc zou daar – het zit eigenlijk al in de naam,«regionaal opleidingscentrum» – een rol in kunnen spelen, maar ik weetniet wat het standpunt van de roc’s daarin is en of zij dat zouden kunnenbolwerken.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat is inderdaad ook hoe ik het zie. Dan zou je daar als regionale spelereen rol in kunnen spelen. Dat zouden zij ook graag doen, maar wat daarwel voor nodig is, is een publieke taak. Dat is ook een vraag die ik strakszal stellen aan de Minister. Dat geldt ook voor andere kennisinstellingen,hogescholen en universiteiten. Ik kan mij voorstellen dat het wenselijk isom dat te onderzoeken, zodat we echt kunnen zorgen dat er een basisop-leiding is voor mensen en dat hun duidelijk is waar zij terechtkunnen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ja, maar dat betekent... Kijk, wij zien een afname van de regulierestudenten binnen de initiële opleidingen, terwijl daar natuurlijk welmensen werken. Het zou dus ook een win-winsituatie kunnen zijn. Ik bennu een beetje aan het brainstormen, moet ik eerlijkheidshalve zeggen.Maar als er een afname is van studenten en er werken mensen, is erwellicht capaciteit, al moet daar natuurlijk wel weer geld tegenover staan.Het zou dus een win-winsituatie kunnen zijn. Misschien kunnen we dateens samen onderzoeken.De voorzitter:Gaat u verder, met uw afronding begreep ik.De heer Claassen (Groep Markuszower):Tot slot was ik bezig met die microcredentials. Ik heb hier de vraag staanof er iemand in de zaal is die het verschil kan uitleggen tussen microcre-dentials, EPA’s oftewel entrustable professional activities, leeruitkomsten,leerdoelen, deelkwalificaties en hoe zij dat kunnen relateren aan hetbeoogd opleidingsniveau, hoe dat getoetst wordt en hoe zich datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 1627 verhoudt tot kwaliteitseisen van de reguliere opleidingen. Dat heeft temaken met instroom en doorstroom. Ik zie daar een hele hoop belemme-ringen. Maar bovenal: hoe kunnen deze onderwijskundige instrumentenbijdragen aan Leven Lang Ontwikkelen? Onderzoek toont namelijk aan datbeleidsmakers en een handjevol onderwijswetenschappers dat eventueelwel kunnen differentiëren, maar de echte onderwijspraktijk klaagt steen enbeen. Wat gaan wij hier met elkaar doen om die stappen te zetten en dit teverbeteren?De voorzitter:Dank u wel, meneer Claassen. Dan geef ik het woord aan de heer De Beernamens de VVD.De heer De Beer (VVD):Voorzitter, dank u wel. De VVD staat voor een Nederland waar iedereenzijn of haar talent zo goed mogelijk kan ontdekken, ontwikkelen enontplooien op de arbeidsmarkt. Dat is belangrijk voor elk individu, maarook voor onze ondernemers en onze welvaart, want goed opgeleidemensen maken het verschil in een wereld van internationale concurrentieen snelle technologische veranderingen. Maar dat vergt wel continuonderhoud aan ons menselijk kapitaal, want kennis en vaardigheden dievandaag belangrijk zijn, zijn over een aantal jaren achterhaald. Bovendienlaten we door de arbeidsmarktkrapte nog heel veel kansen liggen, terwijlonze bedrijven schreeuwen om talent.Voorzitter. Om het debat scherp te voeren onderscheid ik in mijn betoogvier doelgroepen: starters, herstarters, doorstarters en wat ik maar even«vasthouders» noem. De starters zijn jongeren die de arbeidsmarktbetreden. Voor hen is het cruciaal dat opleidingen aansluiten op struc-turele kraptesectoren. Een diploma moet perspectief bieden. Mijn vraagaan het kabinet is dan ook hoe we ervoor zorgen dat ons onderwijs-aanbod voldoende wendbaar is en beter aansluit op de arbeidsmarkt vanmorgen.De herstarters zijn mensen die tijdelijk of langdurig uit het arbeidsproceszijn geraakt. Denk aan mensen in de Participatiewet of anderen die langsde kant staan. Met gerichte scholing en begeleiding kunnen zij weerperspectief krijgen en tegelijk bijdragen aan het verlichten van dearbeidsmarktkrapte. Slechts een op de vijf niet-werkenden volgt scholing,tegenover een op de twee werkenden. Hoe gaat het kabinet juist de groepvan niet-werkenden actiever richting om- en bijscholing bewegen?De doorstarters zijn mensen die werken in sectoren die krimpen,bijvoorbeeld onder invloed van technologische veranderingen. Denk aanAI. Zij kunnen met omscholing overstappen naar kansrijke beroepen. Ishet kabinet bereid om de 100 miljoen die voor LLO wordt uitgetrokken,nadrukkelijk te richten op structurele tekortsectoren zoals de zorg,techniek, defensie en onderwijs? Hoe wordt die focus concreet vormge-geven?Dan is er nog de vierde groep, die ik maar even «de vasthouders» noem:miljoenen Nederlanders die vandaag werken, maar hun vaardighedenmoeten blijven actualiseren om inzetbaar te blijven. Voor hen is scholinggeen noodgreep maar onderhoud. Hoe zorgen we ervoor dat ook zij,inclusief de medewerkers in het mkb, toegang hebben tot overzichtelijkeen effectieve instrumenten?Voorzitter. Het belang van LLO staat volgens mij niet ter discussie, maarhet systeem werkt nog onvoldoende. Ten eerste zien we heel veelversnippering. Het beleid is verdeeld en er zijn talloze regelingen enprojecten met tijdelijke financieringen. Werkgevers en werknemers zienvaak door de bomen het bos niet meer. Ten tweede is de aansluiting op deregionale arbeidsmarkt niet altijd optimaal: omscholingstrajecten zijnsoms inflexibel en ze sluiten niet goed aan bij de concrete tekorten. Tenderde blijft de leercultuur achter, zeker bij het mkb, omdat leren daar doorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 1628 gebrek aan tijd, capaciteit en overzicht minder vanzelfsprekend is. Welkeconcrete stappen kunnen wij en kan het kabinet zetten om bijvoorbeeld deadministratieve lasten voor mkb-ondernemers bij LLO-regelingen teverminderen?Voorzitter. We zien drie oplossingsrichtingen, die ook in de stukken naarvoren komen. De eerste is: meer focus. Publieke middelen moetennadrukkelijker worden gericht op de kansrijke beroepen en tekortsectoren,en opleiden moet perspectief bieden voor het individu én voor onzeeconomie. De tweede is: een robuuste infrastructuur met meerjarigebekostiging, minder tijdelijke projecten en meer samenhang. Is hetkabinet bereid te verkennen of mbo-instellingen – het werd net algenoemd – een wettelijke coördinerende rol zouden kunnen gaanvervullen als het gaat over basisvaardigheden, maar misschien ook welbreder als het gaat over LLO? Ze zijn immers al stevig verankerd in deregionale arbeidsmarkt. Hoe wordt geborgd dat de extra middelencomplementair zijn aan de bestaande sectorale scholingsfondsen, zodatwe daar geen doublures krijgen of efficiency voorkomen? Het derde puntgaat over meer vraagfinanciering en eigen regie. In de stukken en in hetregeerakkoord komen de persoonlijke leerrekening en individueleleerrechten al naar voren. Die kunnen bijdragen aan een beter overzichten aan een gedeelde verantwoordelijkheid van werknemers, werkgeversen overheid. Hoe ziet het kabinet de uitwerking voor zich? Hoe zorgen weervoor dat juist de mensen met een mbo-achtergrond en ook de mensenwerkzaam in het mkb, hier daadwerkelijk gebruik van gaan maken?Voorzitter, tot slot. De vraag is niet óf we investeren in LLO, maar of weLLO eindelijk structureel, doelgericht en overzichtelijk weten te organi-seren. Ik hoor graag de reactie van het kabinet.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, meneer De Beer. Dan is het woord aan mevrouw Rooderkerknamens D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank, voorzitter. Vanmorgen sprak ik met Violeta, een ontzettendkrachtige vrouw die altijd gewerkt heeft in de catering. In de coronatijdmerkte ze dat ze haar kinderen niet kon helpen met leren lezen enschrijven. Dat zorgde voor stress, schaamte en problemen met deBelastingdienst en rondom kinderopvangtoeslag. Zij maakte de stap omweer naar school te gaan. Daarna heeft ze ook nog eens de stap gemaaktom verder te gaan studeren, want als je eenmaal aan het leren bent, wil jedaarmee doorgaan. Zij zei tegen mij: ik kan weer zijn, en dat gun ik elkevrouw en elke moeder. Dit soort verhalen raken mij. Ze staan niet opzichzelf. Nederland kent 3 miljoen mensen die moeite hebben met lezen,schrijven, rekenen en digitale vaardigheden. Dat is bijna een op de vijf.Het raakt hen, maar ook ons allemaal. Het kost de samenleving eenmiljard, maar het kost vooral heel veel kansen voor mensen. Het kostzelfstandigheid en zelfvertrouwen.Vandaag wil ik het hebben over drie zaken: ten eerste over de basisvaar-digheden, ten tweede over Leven Lang Ontwikkelen en ten derde overtalent voor de toekomst. Ik begin met de basisvaardigheden. Alles begintbij onderwijs. Laaggeletterdheid aanpakken start op de basisschool, maarstopt daar niet. We moeten funderend onderwijs van hoge kwaliteitbieden, zodat niet een op de drie kinderen van school gaat zonder goed tekunnen lezen en schrijven. Ik verwacht dat dit kabinet serieus werk maaktvan het versterken van de basisvaardigheden bij kinderen en volwassen.Het begint bij goede kwaliteit van onderwijs en leraren. We zien daarnaastook een wirwar aan loketten, regelingen en taalaanbieders. Voor mensendie al moeite hebben met taal is dat bijna niet te doen. Ik zie daarin eenbelangrijke rol voor de roc’s, mbo’s, hogescholen, maar waar het gaat omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 1629 het brengen van wetenschappelijke kennis naar de praktijk ook voor deuniversiteiten. Hoe denkt de Minister over versimpeling en minder regelsdoor roc’s centraal te zetten in de aanpak van laaggeletterdheid, waarbijer sprake is van een dekkend aanbod van Taalhuizen bij bibliotheken? Datkan dan bijvoorbeeld als basisopleiding gezien worden. De heer Vijlbriefen ik schreven daar samen een initiatiefnota over. Ik ben benieuwd of hijdaar, ook nu vanuit de kant van het kabinet, zo snel mogelijk uitvoeringaan wil geven. Hoe zorgen we er daarnaast voor dat basisvaardighedenprioriteit blijven bij gemeenten wanneer de middelen naar het gemeente-fonds verschuiven? Hoe denkt de Minister over het wettelijk verankerenvan LLO als publieke taak en het aanpassen van de beleidsregel publiek-privaat hiertoe?Ten tweede Leven Lang Ontwikkelen. Met de tekorten mogen we geentalent onbenut laten. AI verandert banen en opleidingen razendsnel. Wemoeten kunnen om- en bijscholen. Het coalitieakkoord toont ambitie.Leven Lang Ontwikkelen wordt een pijler van onderwijs en arbeidsmarkt,met nieuwe regelingen voor tekortsectoren en kansrijke beroepen en eenstelsel van individuele leerrechten. Cruciaal daarbij is dat mbo’s en hetmkb daar ook echt gebruik van kunnen maken. Andere landen laten zienhoe dat kan. Singapore heeft SkillsFuture, persoonlijke leerbudgetten meteen heel overzichtelijk onlineplatform dat je zo kan inzetten. In hetVerenigd Koninkrijk is free AI training for all voor 10 miljoen medewerkersbeschikbaar tegen 2030. Mijn vraag: kan de Minister aangeven welkestappen zij de komende tijd gaan zetten bij het uitwerken van deLLO-regeling en de leerrechten? Dat is een vraag richting de Minister vanSZW. Ziet hij kansen voor een Nederlands skillsNL-platform? Hoe wordthet LLO-stelsel verbeterd, zodat juist mbo’ers en mkb’ers hier daadwer-kelijk gebruik van kunnen maken? Dan gaat het natuurlijk juist ook ommensen die nog niet aan het werk zijn. Hoe verankeren we Leven LangOntwikkelen structureel in de aangekondigde Productiviteitsagenda?De heer Claassen (Groep Markuszower):Dat roept bij mij wel een vraag op. Ik moest ineens denken aan hetvolgende. Volgens mij bestaat het al niet meer, maar in het kader vanLeven Lang Ontwikkelen kon je online met een bepaald budget dat je vande overheid kreeg allemaal heel rare cursusjes volgen. In mijn bijdragepleit ik ervoor dat Leven Lang Ontwikkelen wat meer fundament moethebben en moet leiden tot civiel effect. Er zou toezicht moeten zijn op desamenhang en mensen zouden geholpen moeten worden om desamenhang in alle wirwar te ontdekken, zodat het leidt tot een civieleffect. Ik hoop dat D66 dat met me eens is, want in de bijdrage klinkt heteen beetje alsof er wordt gezegd «kijk maar wat er op je pad komt en doemaar iets, als je het leuk vindt», zonder dat dat eigenlijk ergens toe leidt. Ikhoop dat dat niet de intentie is.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank voor deze vraag, want dat is inderdaad niet de intentie. Het is ookinteressant om deze voorbeelden te bekijken, denk ik. Het platform uitSingapore laat zien dat je een heel duidelijk punt hebt waar je terechtkunt,waar je ook je individuele leerrechten kan bewaken en waar je dus ookheel duidelijk krijgt: dit is het kwalitatieve aanbod dat je kan volgen. Jehebt dus niet die hele wirwar van allerlei opleidingen die je zelf kanuitzoeken, maar je wordt echt heel duidelijk geleid naar waar jeterechtkan. Daar kan je ook je certificaten in bijhouden, zodat het duidelijkis wat je voor opleidingen hebt afgerond en hoe je ervoor zorgt dat je alswerknemer goed blijft meedraaien op de arbeidsmarkt. Dat is juist eenmanier om het te versimpelen. Maar ik deel helemaal met de heerClaassen dat het vooral van belang is dat we het stelsel gewoon veelsimpeler maken. Daarom noem ik ook nadrukkelijk de Taalhuizen in debibliotheken. Dat zijn heel laagdrempelige plekken voor mensen om zichTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16210 te kunnen melden. Ik noem ook juist de roc’s als plaatsen met echtduidelijke basisopleidingen voor iedereen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Tot slot nog een vraag daarover. We hebben het over dat platform. Datplatform geeft een punt waar je naartoe kunt werken als het gaat omcertificering. Dat is allemaal wel mooi, maar dat betekent dat het werkvelddaar ook een soort erkenning aan moet geven. Ik kan wel een punt op dehorizon hebben op een bepaald platform en daarvoor een miljoen van diecursussen volgen, maar als geen enkele werkgever daar ook maar enigvertrouwen in heeft of erkenning aan geeft, had ik ze net zo goed niethoeven te volgen.Mevrouw Rooderkerk (D66):Zeer terecht punt. Ik denk dat dit juist de vragen zijn die we met elkaarmoeten beantwoorden richting zo’n systeem van Leven Lang Ontwik-kelen, want dat betekent dus ook dat het normaal moet zijn om je altijd teblijven ontwikkelen en bijscholen, en dat we daar afspraken over moetenhebben met werknemers en werkgevers. Dat is overigens ook wat de SERecht als advies meegeeft aan ons. Dit is inderdaad een facet dat daarbijvan belang is. Het is van belang dat we daar erkenning aan geven en dathet duidelijk is dat je een diploma krijgt wanneer je zo’n opleiding, diebijscholing, hebt gevolgd.De voorzitter:Prima. Vervolgt u uw betoog.Mevrouw Rooderkerk (D66):Voor D66 is het dus duidelijk: leren is een recht gedurende je heleloopbaan, en daar zou iedereen gebruik van moeten kunnen maken.Dan kom ik bij mijn derde punt: talent voor de toekomst. Het rapport-Wennink is duidelijk: als Nederland relevant wil blijven in Europa, moetenwe inzetten op strategische sectoren zoals digitalisering, energie enklimaat, en ook wetenschappelijk talent in huis halen dat nodig is. Datvraagt om gerichte ontwikkeling van talent, niet alleen op universiteiten,maar juist op het mbo, het hbo en bij technische beroepen. Kan deMinister een inkijkje geven in de talentstrategie en de rol van LLO daarin?En hoe zorgt zij dat die strategie expliciet prioriteit geeft aan de technischeen digitale vaardigheden en aan vrouwen? Slechts een op de drieafgestudeerden in deze richting is namelijk vrouw. Maar talent zit nietalleen in de ASML’s en de techsector, dus ik doe nogmaals de volgendeoproep. Hoe zorgen we dat we hier juist het talent benutten van dezorgmedewerker die wil doorgroeien, de automonteur of de aanstaandemoeder of vader?Tot slot, voorzitter.De voorzitter:Ik wou net zeggen: komt u tot een afronding?Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik voelde hem aankomen.Voor dit kabinet en de coalitie staat talent weer centraal. De komendejaren wil ik heel graag met dit kabinet en de collega’s in de Kamer bouwenaan een lerende samenleving, waar mensen zich niet hoeven te schamen,maar leren een recht is, en waar niemand aan de kant staat omdat hij of zijooit de basis niet stevig genoeg heeft meegekregen.Dank u, voorzitter.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16211 Dank u wel, mevrouw Rooderkerk. Dan is het woord aan de heerBoomsma namens JA21.De heer Boomsma (JA21):Dank u wel, voorzitter. Goed om hier te zijn met de nieuwe woordvoerdersen de nieuwe bewindspersonen. Ik zie sterk uit naar de samenwerking. Denieuwe bewindspersonen zijn natuurlijk allemaal recent van baanveranderd, dus ik ben eigenlijk wel benieuwd of zij nu omscholings- ofbijscholingscursussen volgen. Zijn er bijvoorbeeld cursussen over hoe jeom moet gaan met irritante Kamerleden, of wordt die behoeftevooralsnog niet gevoeld? Nee. Ik lees in de rapporten namelijk dat wij dat«leven lang leren» allemaal nog te weinig doen. «Leven Lang Leren»moest dus worden omgetoverd tot «Leven Lang Ontwikkelen», omdat«leren» te veel deed denken aan schoolbanken en theoretische kennis. Dienaamsverandering heeft dus nog niet geleid tot een toename in popula-riteit.Elon Musk twitterde onlangs dat niemand meer hoeft te sparen, omdatiedereen straks rijk is door kunstmatige intelligentie en robotica. Wat hijdaar zegt, lijkt me niet verstandig. Feit is wel dat de arbeidsmarkt heel snelverandert. Ook het rapport-Wennink stelt dat tussen nu en 2030 maar liefst30% van de gewerkte uren onder druk staat, vooral in sectoren alsadministratie, dataverwerking en planning. Dat gaat eigenlijk al heel ergsnel. Het is dus hoe dan ook zaak om ervoor te zorgen dat iedereen zichgoed kan laten bijscholen en omscholen, zeker voor banen waar grotetekorten in bestaan, zoals in de industrie.Niemand twijfelt dus aan het nut, maar de vraag is hoe en in welke vormje dat gaat organiseren. Er liggen nu namelijk tal van adviezen enrapporten, met name van de vorige regering en zelfs van daarvoor. Deeerste vraag is: wanneer presenteert het kabinet nou zijn eigen visie op ditthema en de concrete plannen om uitvoering te geven aan het coalitieak-koord? Daarin staat namelijk dat men een stelsel van individueleleerrechten wil. Bij dat idee hebben wij enige twijfel; tenminste, wij zienook wel risico’s. Je wilt niet dat er een heel bureaucratisch stelsel ontstaatwaarbij de overheid scholing voor haar rekening gaat nemen. Dat wordtnu eigenlijk ook al betaald door werkgevers en werknemers. Als mensenop kosten van de belastingbetaler een cursus gaan volgen, terwijl ze datnu ook al vergoed krijgen, is het rendement natuurlijk beperkt. Hoevoorkom je nou deadweight loss? Je moet ook voorkomen dat jongeren inhet initieel onderwijs niet het onderste uit de kan halen, omdat ze denken:ik heb toch leerrechten, dus ik kan dat altijd nog later weer gaan doen. Datzijn risico’s die de vorige regering heeft geschetst, of in ieder geval risico’sdie in rapporten werden aangekaart.Ik zie ook het spook opdoemen van die STAP-subsidie. Daarmee kon jemet € 1.000 je positie op de arbeidsmarkt verstevigen. Dat werd vooraleen feest voor allerlei opleiders, die hun prijzen omhoog gingen gooien,terwijl het programma volliep met hobbycursussen, zoals ademtherapie,paardencoaching en beleggen in bitcoin. Hoe voorkom je nou dat mensenallerlei cursussen gaan volgen die helemaal niet goed aansluiten op watnodig is? De heer Claassen zei het eigenlijk ook al. Dit gaat uit vanallemaal rechten en potjes, in plaats van wat er nodig is. Dus hoe zorg jeervoor dat het vraaggestuurd is en niet aanbodgestuurd?Ik denk dat het in principe de bedrijven en de werkgevers zijn die het bestekunnen bepalen wat nodig is en dat zij daar dus ook een belangrijke rol inmoeten spelen. Je leert vaardigheden namelijk vooral door te doen, dooreerst iemand na te doen en het dan zelf te doen. Hoe ga je dat stelsel nouzo optuigen dat het maximaal van nut is, ook voor die tekortsectoren, endat het bedrijfsleven daar zo goed mogelijk bij betrokken blijft? Ik las datde oudste bedrijfsopleiding in Nederland van Tata Steel is. Dat is eenprachtig bedrijf. Ik denk dat dat op zich een goed model is. Zij geven zelfaan dat het probleem waar zij tegenaan lopen is dat het nog niet leidt totTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16212 formeel erkende kwalificaties of een diploma. Dat wordt landelijk nog nietvoldoende aangeboden in het mbo-stelsel. We moeten dat dus, denk ik,gaan erkennen. Je moet die modulaire deelpaden toegankelijk makenbinnen het mbo-stelsel. Hoe wil je dat inpassen in deze LLO-plannen?Vindt de Minister ook dat die certificaten binnen het mbo-stelsel moetenworden bevorderd? Dat is, denk ik, ook vooral van belang als het gaat omde nieuwe industriële ontwikkelingen en technologieën. Die vindennatuurlijk vaak plaats bij die bedrijven.Het is goed dat in het coalitieakkoord staat dat er een nieuwe regelingmoet komen voor die tekortsectoren. Om welke sectoren gaat het danvolgens het kabinet? Inderdaad, vele anderen hebben al gezegd: zorgervoor dat er goede regelingen komen, dat ook het mkb daar gebruik vankan maken en dat het daarbij wordt ontzorgd. Ik wil ook speciaal aandachtvragen voor ambachtelijke bedrijven. Er zijn natuurlijk heel veel ambach-telijke bedrijven in Nederland: dakbedekkers, schoenmakers, instrument-makers en dergelijke. Die dreigen langzaam te verdwijnen. Volgens mij iser ook weinig zicht op. Die vinden vaak moeilijk een opvolger, ook omdater geen goede aansluiting is op het bestaande aanbod. Ik denk dat heelveel mensen dat wel zouden willen, maar dat die hun weg nog niet wetente vinden. Hoe ziet het kabinet dat?Dan de 3 miljoen laaggeletterde volwassenen. Dat is bijna een op de vijfmensen. We moeten inderdaad alles op alles zetten om deze mensen teondersteunen om dat bij te spijkeren. Ik geloof dat ongeveer de helft werkten de andere helft niet. Misschien ligt er ook een kans als het gaat om demensen die niet werken en bijvoorbeeld een bijstandsuitkering krijgen.Daarover heb ik een vraag aan de Minister. Ik zeg niet dat je mensen moetgaan korten als zij niet voldoende werken aan hun basisvaardigheden,maar je kunt misschien wel afspraken maken over trajecten, plannenmaken en af en toe kijken hoe het gaat en of er sprake is van eenverbetering et cetera.De voorzitter:Wilt u komen tot een afronding?De heer Boomsma (JA21):Ja, tot slot, voorzitter. Mevrouw Rooderkerk had het over Singapore enEngeland. Een van mijn vragen is ook wat we daarvan kunnen leren.Volgens Wennink doet ook Engeland het beter met dat Skills Englandlifelong learning entitlement. Misschien is het een idee om te kijken watde ervaringen daarmee zijn.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, meneer Boomsma. Het woord is aan mevrouw Raijer namensde PVV.Mevrouw Raijer (PVV):Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik de nieuwe bewindsliedenfeliciteren met hun benoeming. Gisteren hebben we dat ook nog gedaan.Bij dezen.Voorzitter. Laat ik beginnen met benadrukken dat het belangrijk is dat je,ongeacht je leeftijd of opleidingsniveau, jezelf kunt blijven ontwikkelen endat je nieuwe kennis en vaardigheden kunt opdoen. Dit draagt bovendienbij aan een productievere arbeidsmarkt. In de praktijk werkt het echter nietzo. We zien namelijk dat vooral mensen met een hbo- of wo-diplomadeelnemen aan Leven Lang Ontwikkelen. Zij volgen veel vaker eenopleiding of cursus dan mensen met een praktijkopleiding of mensen dieniet werken. Juist deze groepen zijn het meest gebaat bij Leven LangOntwikkelen. Het vorige kabinet heeft hier wel een aantal doelen voorgeformuleerd, maar die zijn wat ons betreft nog te abstract. Mijn vraagTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16213 aan de bewindspersonen is dan ook: wat gaat dit kabinet doen om juist degroep die hier het meest bij gebaat is, te bereiken en hen de weg terugnaar de schoolbanken te laten vinden?We hebben op 18 december een brief ontvangen van de toenmaligebewindspersonen met een overzicht van het kabinetsbeleid voor LevenLang Ontwikkelen. Aangezien de nieuwe bewindspersonen zich hier nogniet over hebben uitgelaten, zijn we erg nieuwsgierig naar hoe dezebewindslieden kijken naar het beleid van het vorige kabinet. In hetcoalitieakkoord staat wel een en ander over Leven Lang Ontwikkelen,namelijk dat je de WW meer activerend en passend zou willen maken bijhet nieuwe stelsel, van werk naar werk en Leven Lang Ontwikkelen. DeWW-uitkering wordt daarom in het begin iets hoger en wordt verkort meteen jaar. Het hele idee om de WW te verkorten met een jaar is alknettergek. Maar ik geef de Minister graag de kans om uit te leggen hoewe met Leven Lang Ontwikkelen ervoor gaan zorgen dat niemand meertwee jaar WW nodig heeft. Hoe zit het met de 100 miljoen die structureelwordt gereserveerd voor Leven Lang Ontwikkelen? Hoe wordt ditverdeeld? Gaat dit naar het hbo- en wo-onderwijs, of wordt het ingezetvoor de groep die er het meest aan heeft, namelijk mensen met eenpraktijkopleiding of mensen zonder werk? Graag een reactie van deStaatssecretaris.Dan even terug naar de brief van het vorige kabinet. Daar stond iets heellogisch in. «De werkgever investeert vooral binnen de arbeidsrelatie. Datbetekent dat scholing minder bereikbaar is voor mensen zonder vastcontract, en dat omscholing naar een andere sector niet gemakkelijk vande grond komt», aldus het vorige kabinet. Het lijkt heel logisch dat eenwerkgever enkel investeert in zijn personeel als dit dividend oplevert.Daarom heb ik de vraag aan de Minister hoe hij werknemers wil stimu-leren om dit te omarmen, en of dit volgens hem haalbaar is. Daarnaastben ik benieuwd hoe scholing, met name gericht op omscholing naarandere sectoren, beter beschikbaar kan worden gemaakt.Voorzitter. Ten slotte wil ik het grootste knelpunt van Leven LangOntwikkelen onder de aandacht brengen. Mensen moeten vaak mindergaan werken om aan een opleiding deel te kunnen nemen. Voor eentwintiger die nog bij zijn ouders woont, is dat meestal geen probleem.Maar voor een vader met twee kinderen – en ook voor een moeder, diedan vaak ook fulltime werkt – die wel de huishoudelijke lasten moetkunnen financieren, wordt het een heel stuk ingewikkelder. Hoe gaat hetkabinet zich ervoor inzetten dat ook deze groep zich levenslang kanontwikkelen?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel voor uw bijdrage, mevrouw Raijer. Dan is het woord aanmevrouw Armut van het CDA.Mevrouw Armut (CDA):Dank, voorzitter. Ik las onlangs het stuk «Moet je nou echt «een leven langleren»?» uit een boek van Japke-d. Bouma. Hierin beschrijft ze hoe demoed haar in de schoenen zakt bij het horen van «een leven lang leren».Niet alleen door hoe vermoeiend het klinkt, maar ook door de grotehoeveelheid, zoals zij ze noemt, «flauwekulopleidingen». Neem bijvoor-beeld «stromend leiderschap» of «authentiek profileren». «Alsof we daarde oorlog mee gaan winnen», schrijft Bouma. Eigenlijk ben ik het daar welmee eens, want het klinkt inderdaad niet heel aantrekkelijk of nuttig. Endat terwijl de arbeidsmarkt schreeuwt om vakmensen. Sectoren veran-deren ingrijpend, bijvoorbeeld door digitalisering, en er zijn steeds meerpersoneelstekorten. Leven Lang Ontwikkelen is geen los onderwijsdossier,maar is broodnodig voor onze economie en voor een samenleving waariniedereen mee kan doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16214 Toch zien we dat het huidige systeem nog niet voor iedereen werkt. In deKamerbrief lezen we terug dat de deelname aan LLO scheef is verdeeld.De deelname is het hoogst onder jonge, hoogopgeleide mensen die bijgrote organisaties werken, terwijl praktisch opgeleiden, 55-plussers enmensen die nog niet of nauwelijks aan het werk zijn nauwelijksdeelnemen. Juist de groep mensen die scholing hard nodig heeft – mensen waar onze samenleving en economie niet zonder kan – komt nogte veel drempels tegen om mee te kunnen doen. Dat is ook veelal zo op dewerkvloer, omdat er door de werkgever simpelweg geen ruimte wordtgeboden voor bij- of omscholing. Dit terwijl LLO een gezamenlijkeverantwoordelijkheid is van werknemer en werkgever. Het CDA vraagt deMinister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dan ook wat hij gaat doenom ervoor te zorgen dat werkgevers Leven Lang Ontwikkelen onder huneigen werknemers gaan stimuleren. Om LLO te stimuleren, wil het CDAindividuele leerrechten voor werkenden en werkzoekenden. We zijn danook blij dat het een plek heeft gekregen in het coalitieakkoord. We zien hetook graag snel door het nieuwe kabinet uitgewerkt terug, juist zodatmensen die het meest baat hebben bij bijscholing daar ook gebruik vankunnen maken, en zodat niemand langs de kant hoeft te staan. Graag hoorik hoe de Staatssecretaris deze financiering op basis van leerrechtenmogelijk gaat maken.Voorzitter. Om LLO te laten slagen, is het belangrijk dat het aansluit op deervaring en persoonlijke ontwikkelbehoeften van mensen en op de vraagvanuit het bedrijfsleven. Hierbij kan gedacht worden aan flexibele,gepersonaliseerde modules die leiden tot erkende certificaten, dezogeheten microcredentials, waarmee werknemers ook in een snelveranderende economie blijvend kunnen bijdragen. Het OnderzoekVerbreding wettelijke taak LLO laat zien dat LLO een gezamenlijk resultaatvan publieke en private aanbieders moet zijn. Denk aan regionaleoverheden en bedrijven. Het CDA is benieuwd op welke wijze het kabinetdeze partijen gaat betrekken om LLO tot een gezamenlijk succes te maken.Daarnaast vragen we ons af of de Staatssecretaris zicht heeft op hoelaagdrempelig mensen in hun eigen regio zicht kunnen krijgen op demogelijkheden voor scholing, leerrechten en loopbaanstappen. Ziet deStaatssecretaris grote verschillen per regio en, zo ja, hoe wil hij dezeverkleinen?Voorzitter. Tot slot een vraag over de 3 miljoen mensen die moeite hebbenmet basisvaardigheden zoals lezen, schrijven en rekenen, en die digitaalachterblijven, waardoor ze minder in staat zijn om de kansen van LLO tebenutten. In een economie waar we iedereen nodig hebben en in eensamenleving waar niemand aan de kant moet staan, wil ik de bewinds-lieden vragen welke stappen zij zetten om ervoor te zorgen dat ook dezegroep mee kan komen.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dat was de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik heb almeeluisterend wel geconstateerd dat u een behoorlijke hoeveelheidvragen aan het kabinet heeft gesteld. Daarvoor zijn we hier, dus dat ishelemaal prima. Ik zou dan wel voorstellen om even te schorsen tot 11.10uur. Dan gaan we om 11.10 uur precies weer verder.De vergadering wordt van 10.44 uur tot 11.13 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het commissiedebat LevenLang Ontwikkelen en laaggeletterdheid. We zijn toegekomen aan de eerstetermijn van de zijde van het kabinet. Ik neem aan dat de basiscursus«gebruik van blokjes» voor bewindspersonen u bekend is en dat we daardus even mee beginnen. Ik ga ervan uit dat we bij de bewindspersonen deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16215 volgorde aanhouden waarop u zit, tenzij u iets anders wil. Het woord isaan de Minister.Minister Letschert:Dat is helemaal goed. Dank u wel, meneer de voorzitter. Goedemorgenallemaal. Welkom ook aan iedereen op de publieke tribune. Wat fijn dat uer bent. Het geeft een goed gevoel dat u zo begaan bent met dit helebelangrijke onderwerp, want dat is het. Dat proef ik ook uit alle vragen diewe van u hebben gekregen, die allemaal laten zien dat er heel breeddraagvlak is om verdere stappen te zetten op het thema Leven LangOntwikkelen. Ik ben dat zelf eigenlijk ook een beetje aan het doen sindsvorige week, sinds ik hier als Minister ben begonnen. Ik zal een geheimvertellen. Als ik het hier ga vertellen, is het niet zo geheim meer, geloof ik.Ik heb maandag een debattraining gehad. Het hoort er dan natuurlijk ookbij dat ik in debat mag met de Tweede Kamer, dus er is iemand langsge-komen die mij enorm gegrild heeft, kan ik u vertellen, op zo’n manier datik dacht: oké, wil ik dit nog wel? Dat was echt een goede vuurdoop.Maar nu is het natuurlijk in het echt. Dat is wellicht nog spannender. Maarik moet ook eerlijk zeggen dat het thema van Leven Lang Ontwikkelen mijniet helemaal onbekend is, omdat ik ook in mijn vorige banen vanuit deuniversiteit natuurlijk het een en ander heb mogen doen om Leven LangOntwikkelen in de regio Limburg verder vorm te geven. Ook als voorzittervan het Nationaal Groeifonds heb ik een aantal van de Leven LangOntwikkelenprojecten mogen begeleiden. In die zin voel ik me hier duswel weer iets comfortabeler dan als het over een totaal nieuw beleids-terrein zou zijn gegaan.Wij kijken er met ons drieën enorm naar uit om met jullie vandaag ditgesprek te hebben. We zijn hier niet voor niks met z’n drieën, want het iseen onderwerp dat al onze portefeuilles betreft en waarop we ook echtintegraal en interdepartementaal willen samenwerken. Dat is ook waaromwe gezegd hebben: we komen met z’n drieën. Dat gaan we in de toekomstook op die manier doen. Laat ik daarmee beginnen, want u heeft allerleihele goede vragen gesteld. U heeft ook heel veel verwachtingen. Datbegrijp ik ook. Ik denk dat dat ook geldt voor u op de publieke tribune. Uheeft misschien al best wel even moeten wachten voordat er een verdererichting vanuit het kabinet kwam. Wij hebben ook met elkaar gezegd datwe vaart gaan maken. Dat betekent dat wij voor de zomer – dat is dan dezomer van dit jaar – al met een gezamenlijke beleidsreactie gaan komenwaarin wij jullie op een aantal onderwerpen binnen het grote terrein vanLLO zullen gaan informeren en voorstellen zullen gaan doen. Dat gaatonder andere over de verkenning van de wettelijke taak. Dat gaat over detalentstrategie; daar kom ik dadelijk nog even op terug. Het gaat ook overhet Masterplan basisvaardigheden; daar zal de Staatssecretaris dadelijkhet een en ander over zeggen. Het gaat ook over de verkenning van deleerrekening; daarover zal de Minister nog enkele woorden toevoegen.Dan mijn blokjes, meneer de voorzitter. We hebben het onderverdeeld. DeMinister aan mijn rechterzijde zal het met name hebben over de arbeids-markt en LLO en over de versnippering en bureaucratisering die geconsta-teerd werden. Hij zal het ook hebben over de individuele leerrechten, waarvragen over zijn gesteld. De Staatssecretaris zal het met name hebbenover de basisvaardigheden voor volwassenen. Welke vragen ga ik danvoor u beantwoorden? Ik ga allereerst heel kort in op vragen van enkelenvan u over wat we van de afgelopen periode vonden. Daar zal ik heel kortover zijn. Dan ga ik het een en ander met u delen over de wettelijke taak,waar vragen over zijn gesteld. Dat is het tweede blokje. Dan heb ik eenblokje over de microcredentials. Dat is een belangrijk onderwerp. Alslaatste heb ik vragen geclusterd onder de noemer van de talentstrategie.Is dat voor u akkoord? Ja.Misschien toch even over het vorige kabinet, want er is natuurlijk in hetverleden wel al heel veel gebeurd in opeenvolgende kabinetten. Er is eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16216 start gemaakt met verschillende structurele voorzieningen. Er zijn alinitiatieven geweest. Er zijn, zoals ik net in mijn inleiding vertelde, eenaantal grote projecten gefinancierd vanuit het Groeifonds die zich richtenop het faciliteren van Leven Lang Ontwikkelenaanbod, cocreatie met dearbeidsmarkt en het stimuleren van de leercultuur. Dat is allemaal in ganggezet door de vorige kabinetten. Er is al een verkenning gedaan naar deleerrekening en het opzetten van een landelijke skillstaal. Dat zijn wellichtwat ingewikkelde woorden, maar het is wel belangrijk dat die initiatievenzijn gestart. Er is ook een herziening geweest van de arbeidsmarktinfra-structuur.Veel staat dus al in de startblokken. Ik kan u vertellen dat toen ik maandagop het ministerie kwam in mijn eigenlijk eerste echte werkweek, ik meteenallerlei dikke mappen kreeg. Een van de studies gaat over de verkenningvan de wettelijke taak. Een aantal onderzoeksgroepen hebben al eenverkenning gedaan voor het kabinet naar hoe je de wettelijke taak zoukunnen verbreden en wat daarbij de knelpunten zijn. Dat is hartstikke fijn.Wij kunnen daardoor in alle vertrouwen zeggen dat wij voor de zomer meteen richting naar de Kamer komen. Dat hadden we misschien lievervandaag al gedaan, maar ik hoop dat u er begrip voor hebt dat dit deeerste echte werkweek is voor dit kabinet.Ik wil nu beginnen met het beantwoorden van de vragen over dewettelijke taak. Meerdere fracties hebben hierover vragen gesteld:GroenLinks-PvdA, D66 en ook JA21. Ik kan u vertellen dat er ook in desector zelf reikhalzend wordt uitgekeken naar duidelijkheid hierover. Hetonderzoeksrapport dat voor de kerst naar uw Kamer is gestuurd, zal voorons een belangrijke basis zijn bij het formuleren van onze visie hierop. Deonderzoekers – ik wil dat toch even vermelden – hebben in dit rapport driehele belangrijke aanbevelingen gedaan. Zij zeggen: geef het mbo, het hboen het wo een wettelijke taak om in partnerschap – dat is heelbelangrijk – met het bedrijfsleven de regionale vraag naar LLO in kaart tebrengen en beschikbaar te stellen voor alle partijen, waaronder ook deprivate opleiders.Een tweede aanbeveling is deze: geef het vervolgonderwijs meermogelijkheden voor maatwerk om daadwerkelijk aan de vraag te kunnenvoldoen door modulaire deelname aan onderdelen van formele oplei-dingen mogelijk te maken. Ik kom dadelijk nog terug op microcredentials.Ze benadrukken met name de flexibiliteit en het modulair kunnen werken,zodat je in de publiek-private samenwerking samen kunt gaan opleiden enhet ook echt in cocreatie is met de arbeidsmarkt. U noemde een aantalkeer de rol van het mkb. Het mkb weet wat nodig is. Je moet het dus nietalleen benaderen vanuit de opleidingenkant, wat opleidingen somsmisschien wel gewend zijn. Je moet het juist doen in cocreatie met dearbeidsmarkt. Die moet mee aan tafel, vanaf het begin.Een derde aanbeveling ziet op het feit dat er voldoende middelen moetenzijn om de deelname aan LLO te versterken, met name onder specifiekedoelgroepen. Hierover zijn meerdere vragen gesteld, bijvoorbeeld overpraktisch opgeleiden of mensen met een wat grotere afstand tot dearbeidsmarkt. Hoe zorg je ervoor dat je aanbod en vraag gericht bij elkaarbrengt en de leercultuur versterkt? Hoe geef je daaraan richting in deuitwerking van het LLO-aanbod? Ook hiervoor zal het kabinet absoluutaandacht hebben.Ik moet zeggen dat ik als net binnenkomende Minister heel blij ben dat ditrapport er al ligt. Het is een genuanceerd advies gericht op een wendbaarLLO-stelsel in plaats van de wirwar aan regels en beleidskaders waar u netal naar heeft verwezen. Ik denk dat veel mensen door de bomen het bosniet meer zien. De Minister zal daar dadelijk ook nog het een en anderover zeggen. Dit zal dus een goede basis vormen om richting te geven aande kabinetsreactie. Ik ben ook blij met de 100 miljoen die het kabinetuittrekt, zodat we kunnen werken aan het stelsel van individueleleerrechten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16217 In de uitwerking van de wettelijke taak – dat is specifiek een vraag van deD66-fractie – ga ik natuurlijk ook goed kijken naar de gevolgen voor deberoemde of zo u wilt beruchte beleidsregel publiek-privaat. Deze regelbeschrijft de spelregels voor private activiteiten van publieke instellingen.Dat is eigenlijk een aanvulling op wetgeving die we al kennen rondomstaatssteun. De beleidsregel is al versoepeld, in het bijzonder voor LLO,nadat hierover advies was gekomen van de landsadvocaat. Ook destaatssteunwetgeving wordt op dit moment herzien, ook in Europa, opdatdit past bij de zogenoemde skillsagenda van de Europese Commissie. Datzijn mooie ontwikkelingen. De komende weken gaan we ons daarnatuurlijk nog verder in verdiepen om ervoor te zorgen dat de beleids-regel die wij zelf voorstellen ook past bij de ambities van dit kabinet.Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat het voor het kabinet van groot belangis dat we een gelijk speelveld behouden voor de publieke en privateopleiders. Er is voldoende vraag naar Leven Lang Ontwikkelen en wehebben eigenlijk iedereen nodig om hieraan te gaan voldoen. Voor ons ishet belangrijk om het stelsel zoals we dat gaan voorstellen, passend temaken, zowel richting de publieke als de private opleiders. Ook hierkomen we nog voor de zomer op terug; dat is relatief snel, zou ik zeggen.Dan wil ik meteen door, als dat akkoord is, voorzitter.De voorzitter:Zeker, want ik zie geen handen. Gaat u verder.Minister Letschert:De Groep Markuszower heeft een aantal vragen gesteld over de microcre-dentials. In de onderlinge interrupties was hierover ook een kortediscussie. Wat betreft de mogelijkheden om de microcredentials teintroduceren binnen ons onderwijsveld, waar al heel veel gebeurt – datgebeurt vrij versnipperd, dus niet eenduidig – is het van belang om eengezamenlijk beeld te krijgen van wat het civiel effect van microcredentialszou kunnen zijn en welke kaders hiervoor moeten gelden. Nou zijn er – ikga u misschien een beetje teleurstellen, want u bent wel een beetje klaarmet alle verkenningen, studies en pilots – op het gebied van microcreden-tials best een aantal pilots. Die zijn op dit moment in de afrondende fase.Dat is in het vervolgonderwijs, op het mbo, op hogescholen en in hetwetenschappelijk onderwijs. De private opleiders zijn bezig met een pilotrondom microcredentials. Er is een Europees project dat hierop ziet enook de sociale partners, zo heb ik mij laten vertellen, zijn bezig met eenpilot of een verkenning wat betreft microcredentials.Het is voor ons heel erg van belang om zo snel mogelijk alles te verza-melen, te kijken welke kant het op beweegt en vervolgens met eenkabinetsvisie te komen op hoe we de microcredentials kunnen inzetten,ook voor het Leven Lang Ontwikkelenaanbod. Het is cruciaal dat als je eenopleiding, een cursus of een module volgt, die ook door de werkgevererkend wordt en je weet waarom je het doet. Het bevordert ook deflexibilisering, en dat is wat we willen. En dan niet alleen in het mbo, waarmen al wat meer bekend is met een dergelijke leerweg, terwijl dat binnende hogescholen en het wetenschappelijk onderwijs wat minder het gevalis. Daar is ook minder mogelijk. De microcredentials zijn een heelbelangrijk instrument om in te voeren.Ik moet zeggen dat er vanuit het Nationaal Groeifonds een prachtigprogramma loopt, Npuls geheten. Wat betreft de digitalisering van demicrocredentials in zogeheten edubadges... In de vorm van edubadgesneem je alle diploma’s, modules en cursussen mee vanaf het moment datje gaat leren, vanaf je jongste leeftijd totdat je het leven verlaat. Dat isprachtig. Zelf heb ik altijd het probleem dat als iemand mij om eendiploma vraagt, ik moet gaan zoeken waar ik dat ding heb gelaten. Steldat ik voor mijn debattraining van maandag een certificaat zou hebbengekregen. Je kunt je voorstellen dat je dat dan misschien best wel ergensTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16218 zou willen opslaan, zodat je dat bij een volgende baan nog eens kan latenzien. Die edubadges zijn ook onderdeel van de implementatie van eensysteem rondom microcredentials. We zullen u in de volgende voort-gangsrapportage over LLO dan ook volledig informeren over zowel hetciviel effect rondom de microcredentials als de kwaliteitskaders die daarbijgelden. Ik hoop dat u ons daar nog wat tijd voor gunt.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik noemde net de EPA’s. Ik vraag me dan af wat dat betekent voor diemicrocredentials. Ik zie daartussen een link. Eigenlijk zou het werkveldverantwoordelijk zijn voor de inrichting en beoordeling van die EPA’s,maar we zien dat ook hogescholen eigenaarschap gaan vragen bij deontwikkeling en beoordeling van de EPA’s. Dat gebeurt nu ook binnen hetmbo. Ik zie het risico dat dat ook bij die microcredentials gaat gebeuren:bij de ontwikkeling daarvan, het vaststellen van het eindniveau van datstukje onderwijs, wie het beoordeelt en wie de eigenaar is als het gaat omhet ontwikkelen van die microcredentials en het toezien op het niveaudaarvan. Ik zie daar nu ook nog geen eenduidige lijn in. Mijn vraag aan deMinister is of zij ook ziet dat het eigenaarschap op één plek zou moetenliggen en dat er dus ook duidelijk overleg moet zijn tussen de Inspectievan het Onderwijs, als het gaat over het mbo, en de NVAO, als het gaatover het hbo en wo? Ziet de Minister dat daar toch op de een of anderemanier regie op moet gaan komen, en dat dat niet zo versnipperdontwikkeld en aangeboden moet worden?De voorzitter:Dank u wel, meneer Claassen. Dit was uw eerste van vier interrupties. Ikwas dat even vergeten te zeggen. Het woord is aan de Minister.Minister Letschert:Ik zie dat risico op wildgroei ook echt, waardoor mensen niet meersnappen hoe het een zich tot het ander verhoudt. Ik denk dat we dat echtmoeten tegengaan. Op dit moment voeren we ook het gesprek met deonderwijskoepels en de sociale partners over hoe we kunnen zorgen vooreen eenduidig kwaliteitskader met een eenduidig civiel effect. Ik denk datdat echt belangrijk is. Een ander deel van de oplossing zit ’m in deinschaling van de opleidingen in ons Nederlandse kwalificatieframework – excuses voor het woord. Ook hier is het een manier om het niveau vaneen private opleiding of module in verhouding tot bijvoorbeeld een mbo-,hbo- of wo-opleiding inzichtelijk te maken. Maar geef me even wat tijd omdaar voldoende in te kunnen duiken. Als er dan een eenduidig advies ligt,kan ik daarover met u in gesprek gaan.Mevrouw Rooderkerk (D66):Allereerst veel dank voor de beantwoording van de Minister en dat debewindspersonen hier zo voortvarend mee aan de slag gaan. Aan de enekant is het prachtig dat we dit onderwerp met drie bewindspersonen sterkoppakken. Aan de andere kant toont het denk ik ook de versnipperingwaar we mee te maken hebben. Mijn vraag is dus: wie is nu de taal- enLLO-baas van dit kabinet? Ik denk dat het handig is om dat duidelijker tekrijgen. Mijn tweede vraag is of de Minister bij het uitwerken van al dezezaken ook zou willen letten op eenvoudig taalgebruik. Ik hoor allerleitermen als microcredentials en EPA’s, maar termen als deelcertificaat ofdigitaal certificaat zouden volgens mij al makkelijker zijn. Mijn vraag is dusom bij de uitvoering van dit programma te letten op versimpeling,versimpeling, versimpeling.Minister Letschert:Daar ga ik zeker mijn best voor doen. Mijn leercurve deze week is ook omdoor al dat jargon heen te gaan. Ik ga er dus echt op letten dat we gewoonTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16219 duidelijke taal gebruiken, zodat iedereen snapt waar we het over hebben:of je nou praktisch bent opgeleid, al langer afstand tot de arbeidsmarkthebt of hoogopgeleid bent. Ook ik als hoogopgeleide heb af en toe echtmoeite om de betekenis achter de term te snappen. U mag mij daar ookscherp op houden. Ik zou willen voorstellen dat de Minister van SZW decoördinerende rol krijgt, want dat is eigenlijk ook hoe we de portefeuilleverdelen. Ik wil het daarmee niet wegschuiven, maar uiteindelijk is decoördinerend Minister de Minister van SZW. Tegelijkertijd zitten we hierniet voor niks. Het is zo’n breed veld met zo veel ambities op de verschil-lende terreinen dat wij het ook wel heel leuk vinden om dit met z’n drieënte doen, als ik dat mag zeggen. Het is geen straf dat we hier zitten. Wegaan het met elkaar in interdepartementale ministeriële overleggen – diebestaan waarschijnlijk niet, maar bij dezen heb ik die geïntroduceerd – ookecht oppakken. Meneer Vijlbrief, mevrouw Tielen? Ja, hè?Minister Vijlbrief:Ik zou hier niet tegenin durven gaan.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Letschert:Ik had nog een vraag van JA21 over de modulaire leerpaden en hoe je dietoegankelijk maakt in het mbo-stelsel. Mbo-instellingen kunnen dearbeidsmarktrelevante onderdelen al inzetten voor bij- en omscholing.Eigenlijk kunnen we best wel heel veel leren van het mbo. Ik ga daarmaandag tijdens een werkbezoek bij een van onze mbo-opleidingen ooknaar kijken. Dat kan in een zogeheten «niet bekostigde derde leerweg». Ikdenk dat we als kabinet moeten bekijken hoe dat werkt binnen het mbo enhoe ook de hogescholen en universiteiten daarvan kunnen leren. Wijkunnen dan uiteindelijk als kabinet met voorstellen naar u komen. Ookhier komen wij voor de zomer op terug in onze reactie. Is dat voor uvoldoende? U kijkt nog enigszins vragend.De voorzitter:U kan ervan uitgaan dat, als ze dat niet voldoende vinden ...Minister Letschert:Dan komen ze erop terug.De voorzitter:Dan steken de collega’s de vinger wel op.Minister Letschert:Ja?De voorzitter:Het is een soort veredeld piepsysteem; dat komt goed.Minister Letschert:Oké. Ik moet niet naar de bodylanguage kijken. Ik had maandag tijdens dedebattraining trouwens wel geleerd dat dat geen teken was.(Hilariteit)Minister Letschert:Goed, meneer de voorzitter, dan ga ik naar mijn laatste blokje. Geef menog één week.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16220 Het komt ongetwijfeld goed.Minister Letschert:Die talentstrategie is wel echt een geweldig mooi onderwerp, zoals datook in het regeerakkoord staat. Het mooie is dat we hier vrij snel mee aande slag gaan met meerdere bewindspersonen via een taskforce nieuweeconomie. Gelukkig hebben wij ambtenaren die langer op hun plek zittendan de politici. Zij zijn al best wel ver: ze hebben over ministeries heenmet elkaar gepraat over hoe we die talentstrategie zo snel mogelijk vormkunnen geven en met de Kamer kunnen gaan bespreken. In die kabinets-brede talentstrategie die in het regeerakkoord staat, worden scherpekeuzes gemaakt over prioritering. In die talentstrategie gaat u voorstellenzien die zich richten op instrumenten voor onderwijs, arbeidsmarkt,productiviteit, gerichte migratie en fiscaliteit. Dat wordt gedaan insamenhang – dat is wel heel belangrijk – en is gericht op sectoren die hardnodig zijn voor de toekomst van Nederland. Ook dat zullen we dus weersamen doen. Nogmaals, we gaan daarvoor ook met de Minister van EZKaan tafel. We gaan niet alleen kijken naar het meer opleiden van jongerenen volwassenen voor de opgaven waar we voor staan, maar we gaan ookkijken naar het organiseren van wat we «slimmer werken» noemen, wegaan de fiscale regelingen tegen het licht houden en we gaan kijken naarhet gericht naar Nederland halen van vakkrachten buiten Nederland.LLO is natuurlijk ook onmisbaar in de talentstrategie om alle redenen dieu in uw introductie naar voren heeft gebracht. Ook hier zullen we deonderwijsinstellingen en uiteraard ook de sociale partners bij betrekkenom de talentstrategie verder vorm te geven. We gaan daarbij naarverschillende sectoren kijken. Er wordt vaak verwezen naar zorg endefensie, maar denk ook aan onderwijs en ICT.D66 vroeg: kijk niet alleen naar de ASML’s en de techsector. Nee,inderdaad, er zijn ook andere sectoren waarin sprake is van enormearbeidsmarktkrapte en waar grote uitdagingen leven. Dus die talentstra-tegie zal zich breder gaan richten op de sectoren waar die krapte hoog is.We hebben in het verleden al wel ervaring opgedaan met onder andere desectorale Ontwikkelpaden, waarmee je inzichtelijk maakt hoe werkendenen werkzoekenden kunnen instromen in sectoren en kunnen doorstromentussen sectoren.Dat was ook een vraag van de PVV: als je wilt doorstromen, hoe weet jedan waar je moet zijn? Er ligt al best wel wat klaar waar mensen naarkunnen kijken. Er is bijvoorbeeld de prachtige website llokatalysator.nl,een van de Groeifondsprojecten, waar je ook verhalen kunt lezen vanmensen die zich hebben omgeschoold. Ik ben dit weekend nog eens gaankijken en las bijvoorbeeld het verhaal van Ruud uit Hengelo, die vanuit dehoreca de bouw in is gegaan. Het ging ook over hoe hij begeleid is in deopleiding en modules die hij daarvoor nodig had. Er is dus al best welveel, maar, nogmaals, in de talentstrategie gaan we daar nog gerichter eneffectiever een visie voor vaststellen. Die komt voor de zomer uw kant op.De voorzitter:U heeft eerst een interruptie van de heer Claassen en daarna van de heerDe Beer.De heer Claassen (Groep Markuszower):De Minister zei dat er bepaalde domeinen zijn waar goed moet wordengekeken hoe mensen daarvoor worden opgeleid. Staat u mij toe dat ik hetzorgdomein daar even uithaal. Ik weet dat ik hier natuurlijk ook zit voorallerlei andere domeinen, maar ik wil als voorbeeld even het zorgdomeinerbij pakken. Het zorgdomein is wel apart, want het heeft niet alleen temaken met uw ministerie, maar ook met het Ministerie van VWS. Metname de vervolgopleidingen, en dus ook de erkenning, vallen onder VWS.Het checken of een opleiding voldoet, ligt bij het CZO. Bij OCW gaat datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16221 via de NVAO. Er ligt volgens mij een hele belangrijke opgave om in detoekomst de flexibilisering van leerpaden binnen het zorgonderwijs teverbeteren, maar ik zie dat de samenwerking tussen OCW en VWS echtbeter moet. Ik heb daar voorstellen voor gedaan, maar het komt nog nietvan de grond. Ik hoop dat het bij deze nieuwe Minister van Onderwijs welgaat gebeuren. Als je flexibilisering wil versnellen en responsief onderwijswil ontwikkelen, moeten in ieder geval de NVAO en het CZO betersamenwerken. Misschien moet er één entiteit zijn die gaat kijken naar dezorgopleidingen om dat te bereiken. In dit geval gaat het om de zorg,maar misschien geldt het ook wel voor andere sectoren. Ik ben benieuwdwat de visie van de nieuwe Minister van Onderwijs hierop is, want bij devorige Minister had ik te weinig tijd om het uit te leggen.De voorzitter:Ik denk dat de vraag duidelijk is.Minister Letschert:Het goede nieuws is dat ook die Minister van VWS in de taskforce nieuweeconomie zal zitten. Dat betekent dus ook dat we aan die tafel de zorgkunnen gaan bespreken die u nu met mij deelt. Ik zal dus zorgen dat weook aandacht hebben voor waar u de afgelopen periode tegenaan bentgelopen. Daar zullen we een antwoord op geven in de brief die uw kant opkomt.De heer De Beer (VVD):De talentstrategie klinkt heel veelbelovend. Er zitten een heel aantalelementen in die ingaan op vragen die ik eerder heb gesteld, bijvoorbeeld:«Hoe maak je nou de verbinding naar tekortsectoren? Hoe betrek je hetbedrijfsleven? Wat betekent dat voor het initiële onderwijs?» Ik zou inieder geval wel willen meegeven dat het niet alleen belangrijk is omverder in te zoomen op de tekortsectoren, maar ook om daar echt welscherpere keuzes in te durven maken. Met andere woorden, kijk niet hoewe in het veld nieuwe perken aanleggen naast de duizend bloemen die welaten bloeien, maar durf echt een aantal stevige keuzes te maken en hetgeld en de middelen veel gerichter in te zetten, waardoor bepaaldedoelgroepen – ik had het er daarstraks al over – een beter perspectiefhebben om deel te nemen aan te arbeidsmarkt en dat ook toekomstbe-stendig kunnen doen.Minister Letschert:Het is op die manier geformuleerd in het regeerakkoord, ook met woordenals «scherpe keuzes» en «doelgericht». Misschien kan ik uw vraaggebruiken als bruggetje naar de vraag van uw collega van het CDA: hoega je het samenwerken bevorderen tussen de verschillende partijen,onder andere in de triple helix en in de ecosystemen op de regionalearbeidsmarkten? De keuzes die wij als kabinet maken, moet je namelijkook wel met elkaar gaan maken. U ziet in het regeerakkoord terug dat wijwillen aanhaken bij bijvoorbeeld de regionale campussen, die al heelgoed met elkaar kiezen waar zij in die arbeidsmarktsectoren extra krachtwillen inzetten. Uiteindelijk kan je dat niet alleen vanuit Den Haag gaandoen. Als wij scherpe keuzes maken, dan gebeurt dat in overleg met al dieecosystemen. Dat is een vervelend woord, maar het gaat om hetsamenwerken van bedrijven, zowel mkb als grote bedrijven, onderwijs-instellingen, lokale overheden en regionale overheden, die die keuzes ookal met elkaar gemaakt hebben. Het kabinet moet zorgen dat je datversterkt en niet verzwakt. Dan moet je inderdaad niet duizend bloemenlaten bloeien, want dan komen we nergens. Dat is misschien meteen eenantwoord op uw vraag: de samenwerking tussen publieke en privatepartijen is cruciaal, ook in de talentstrategie. Daar zullen wij ook zeker naarkijken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16222 Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ook even over die talentstrategie. Op zich klinkt het voor mij een beetjeals sturen op studies, wat niet verkeerd is, maar dan ook op sectorenwaarvan ik denk: daar wordt nu niet echt in geïnvesteerd. Een voorbeeldis de zorg. Hoe rijmt dat met elkaar? We willen meer mensen in de zorg,maar we bezuinigen ook op de zorg, waardoor we het misschien ook wellastiger maken voor mensen om in de zorg te gaan werken. Hoe rijmt deMinister dat met elkaar?Minister Letschert:Ik denk dat we in de zorg moeten kijken hoe we kunnen zorgen dat de zorgtoegankelijk blijft, ook in de toekomst. In de zorg is momenteel eenenorme arbeidsmarktkrapte, die in de toekomst alleen maar groter wordt.Dan is er ook nog eens de dubbele vergrijzing, waar veel over gesprokenwordt. Ik denk dat we door middel van innovatie en digitale transfor-maties de zorg toegankelijk houden. Dat betekent bijvoorbeeld ook dat deonderwijssectoren en de onderzoekskant binnen de onderwijssectorenklaar moeten gaan staan, wat ze al voor een heel groot deel doen, om dietransformatie mede vorm te geven. Dat vindt ook nu al plaats op deregionale campussen. Kijk bijvoorbeeld naar de campussen in en omLeiden en Delft en in Limburg, waar health campussen zijn waar men metelkaar echt al veel verder aan het vooruitdenken is over de vraag: hoezorgen we nou dat we de juiste dingen doen? Het is niet helemaal eenantwoord op uw vraag, maar uiteindelijk moeten de keuzes die we maken,de interventies die we doen en het onderzoek dat we faciliteren er ook opgericht zijn om klaar te staan voor de uitdagingen van de toekomst. Datzou mijn eerste antwoord zijn op uw vraag.De heer Boomsma (JA21):Op 29 januari heeft de Europese Commissie een vijfjarenplan vastgesteldvoor asiel en migratie. Er zijn vijf prioriteiten. Legale migratieroutes zijneen van die prioriteiten, gezien de demografische veranderingen en dearbeidsmarkttekorten in Europa. Ik neem aan dat het kabinet daar eenreactie op gaat formuleren, maar ik denk dat het goed is om dat welhiermee in samenhang te zien. We moeten namelijk niet hebben dat ereen reactie komt als: we gaan kijken waar we mensen nodig hebben. Ikdenk dat het beter is om in eerste instantie in te zetten op het oplossenvan binnenlandse kwesties. Ziet het kabinet dat ook zo? Wordt datgecoördineerd? Hoe wordt dat afgestemd?Minister Letschert:Uiteraard wordt dat afgestemd, zowel in de ministerraad als in detaskforce nieuwe economie en in samenspraak met de taskforce asiel enmigratie. Wij gaan hier zeker ook met elkaar richting aan geven. Daar kuntu van op aan. Wij zeggen niet voor niets steeds: dit is een samenwerkings-kabinet. We werken samen met u, maar natuurlijk ook binnen het kabinet.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Letschert:Ik wil nog een paar vragen beantwoorden. Daarna geef ik graag, via devoorzitter, het woord...De voorzitter:Nou, ik neem het zo wel weer even over.Minister Letschert:Dit komt goed, mensen!Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16223 (Hilariteit)Minister Letschert:We kregen een vraag van D66 rondom de talentstrategie en of wij explicietaandacht hebben voor de technische en digitale vaardigheden, en ookspecifiek voor vrouwen. Uiteraard. Maar dat is een wel heel makkelijkantwoord. Iedereen weet dat technische en digitale vaardigheden vangroot belang zijn voor een enorm aantal van de uitdagingen waar we inNederland voor staan. Denk aan het energienet, het bouwen vanwoningen en onze veiligheid. Dat moet dus echt een speerpunt worden inde talentstrategie. Ook daarin wil je richting bepaalde doelgroepenproberen extra stimulering te bieden. Daar horen verschillendedoelgroepen bij. U heeft al eerder het brede draagvlak genoemd voormeer praktisch opgeleide mensen, of mensen met wat meer afstand tot dearbeidsmarkt. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het opleiden van vrouwenin technische beroepen. Ook hier zullen wij u verder over informeren.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank daarvoor, en ook voor dat daar de focus op komt te liggen. Ikhoop ook dat er nagedacht kan worden over maatregelen die verder gaandan meisjes vaker in aanraking laten komen met techniek. Dit is wat we aljaren doen, maar we zien nog steeds een enorm tekort. Mijn aanvullendevraag gaat over STEM-opleidingen. Het rapport-Wennink maakte ook hetpunt dat we juist bij STEM-opleidingen, dus de exacte wetenschappen,wiskunde, techniek en technologie, die we heel erg nodig hebben vooronze economie, numerus fixussen zien, terwijl we daar juist meerstudenten zouden willen hebben. Is het mogelijk om te onderzoeken omwelke opleidingen dat gaat, in hoeverre er inderdaad sprake is vannumerus fixussen op die STEM-opleidingen en wat we eraan zoudenkunnen doen om juist genoeg ruimte te bieden aan studenten? Want wehebben dat talent hard nodig.Minister Letschert:Ik ga zeker kijken naar de achterliggende oorzaken, dus daar kom ik opterug.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat klinkt als een toezegging. Dan vraag ik of dat ook in die brief voor dezomer kan worden meegenomen.Minister Letschert:Ja, zeker.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank.Minister Letschert:Dat is mijn eerste en enige toezegging.De voorzitter:Nou, dat was de brief!Minister Letschert:Ja, dus eigenlijk al twee.De voorzitter:Gaat u verder met uw vragen. Ik stel voor dat we de Minister het blokjeeven laten afmaken, zodat er nog ruimte is voor de andere twee bewinds-personen. Gaat u verder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16224 Minister Letschert:Ik heb er nog één en dan ben ik als het goed is door alle vragen heen. Ikvond het fijn aan uw vragen dat u ons uitdaagt om over de grens heen tekijken. U heeft naar Singapore, Engeland en Zweden verwezen. Ik denkdat het heel belangrijk is om op elk beleidsterrein waar wij op kortetermijn met plannen gaan komen, ook te bekijken wat er elders gebeurt,wat daar de best practices zijn en wat we daarvan kunnen leren. Dat gaanwe dus zeker doen. Ik wil nog wel noemen dat we in Nederland al bestwat gedaan hebben rondom overzichten met vaardigheden. Op dewebsites van Leeroverzicht, CompetentNL of, zoals ik net al noemde,LLO-Katalysator kunt u echt al heel veel voorbeelden vinden van welkevaardigheden passen bij welke beroepen en hoe je jezelf kunt bijscholenen omscholen. Er is dus al best wel veel.Daar wil ik het graag bij laten.De voorzitter:Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid.Minister Vijlbrief:Dank u, voorzitter. Dank aan de commissie voor alle vragen. Levenslangleren en levenslang ontwikkelen is typisch een onderwerp waar iedereenheel enthousiast over is. Het bestaat ook al heel lang. Ik loop al iets langermee. In 1995/1996 organiseerden wij vanuit Economische Zaken alcongressen over employability. Dat was toen het woord, want toenvertaalden we nog alles in het Engels; dat was toen nog modern. Dat gingeigenlijk al over levenslang leren. Het opvallende is... Iedereen begrijpt deurgentie en ziet dat arbeidsmarkt verandert et cetera, maar toen ikgisteravond alle brieven hierover zat te lezen, dacht ik: is dit een kwestievan door de bomen het bos niet zien, of zouden we hier het «woud derverwachting» van kunnen maken? Het woud der verwachting is een boekdat ik heel veel keren in mijn leven heb gelezen. Dat is een prachtig boekvan Hella S. Haasse; ik raad het jullie allemaal aan. Het gaat over deveertiende eeuw, maar dat is een heel ander onderwerp.Dit onderwerp is namelijk heel belangrijk maar de zaken zijn slechtgeorganiseerd. Het is gewoon niet goed georganiseerd. Je ruikt aan allekanten – ik hoor dat ook in de vragen die u stelt – dat er te veel instru-menten zijn en te veel partijen. Ik denk dus dat het heel goed is dat hetkabinet vanuit die taskforce nieuwe economie hier aandacht aan gaatgeven. Ik ga heel graag met u aan de slag om dit beter te organiseren.Voor een betere organisatie is het natuurlijk fijn dat er wat geld bij komt,100 miljoen. Ik was zelf aanwezig bij de formatie. Ik dacht bij de formatiewel: is 100 miljoen eigenlijk wel genoeg? Toen ik gisteravond beter gingkijken in de stukken, dacht ik: dat is toch niet zo’n gek idee van onsgeweest, want er gaat eigenlijk best wel veel geld in om. Het is eigenlijkniet het probleem dat het geld er niet is, maar het probleem is: hoeorganiseer je nou dat het geld op de juiste plekken terechtkomt? Daar wilik het graag met u over hebben.Ik wil een paar blokjes langslopen. Ik heb een algemeen blokje overlevenslang leren en de organisatie. Ik wil iets zeggen over de leerrekeningen de 100 miljoen. Aan het eind wil ik dan nog wat zeggen over de relatiemet de arbeidsmarkt en de arbeidsmarkthervorming.Ik begin even met «algemeen». Ja, het is dus heel belangrijk om ditonderwerp te verankeren in de Productiviteitsagenda. Het moet samen-hangen met wat de economie vraagt. Dat is eigenlijk door u allemaal aande orde gesteld. De heer De Beer van de VVD vroeg dat al. Hij zei: «Er isversnippering in het beleid. Hoe kun je er nou voor zorgen dat dit allemaalwat beter georganiseerd raakt?» Ik zie voor mijzelf die 100 miljoen en datontwikkelen van die individuele leerrechten toch eigenlijk als een soort«katalysator», weer een moeilijk woord. Ik zie het als een soort middel,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16225 een soort instrument om dat allemaal wat meer bij elkaar te brengen. Datzou ik graag willen bereiken.De heer De Beer vroeg namelijk ook of dit niet structureler en meerdoelgericht moet. Daar ben ik het ook mee eens. Ik loop te lang mee en ikheb te veel regelingen gezien. We hebben ooit startbudgetten gehad. Nuzitten we met SLIM. Het zijn altijd prachtige afkortingen, maar de vraag iseven of het allemaal wel werkt. En als het wel zou moeten werken, watbetekent dat dan?Ik reageer op vragen die u allemaal gesteld hebt. Mevrouw Raijer van dePVV vroeg dat ook. Het probleem is natuurlijk eigenlijk dat mensen zoalsikzelf en anderen vaak tijd hebben en ook de opleiding hebben om meeropleiding te volgen, terwijl juist mensen voor wie het nuttig zou zijn omdat levenslang leren te doen, dat niet doen omdat ze het te druk hebben,er niet aan toekomen of omdat ze sowieso niet graag leren. Hetzelfdespeelt natuurlijk bij de vraag waar het leren eigenlijk plaatsvindt. In hetmkb, waar het al heel druk is, zie je dat het heel moeilijk is. Ik kan meherinneren dat ik in de verkiezingscampagne op een zeker moment in eenarbeidsmarktdebat de vraag kreeg of er eigenlijk geen leerplicht ingevoerdzou moeten worden, een permanente leerplicht tijdens je carrière. Daarheb ik toen negatief op geantwoord. Ik ben een liberaal en ik houd nietvan plichten. Maar hierbij denk je wel: hoe kun je er nou voor zorgen, hoekun je de prikkels zo neerzetten dat je je gaat richten op degenen die hethet hardste nodig hebben?Dat brengt me eigenlijk toch even bij die 100 miljoen. Daarom staatdaarover in het regeerakkoord dat we ons gaan richten op tekortsectoren.Ik kom er straks nog even op terug wat dat dan precies zijn, maar dat iswel de gedachte bij dat geld. Daarom is nu de regeling SLIM preciesgericht op het mkb. Ik ben het erg met mevrouw Letschert eens dat wemoeten proberen om daar ook het mbo bij betrekken, want ik denk dat hetmbo in het verleden eigenlijk beter dan andere leervormen in staat isgeweest om de relatie te leggen. Dat even over het LLO-systeem.Er werd gevraagd naar een skills-platform. Er zijn al voorbeelden van;volgens mij noemde Minister Letschert die net ook al: leeroverzicht.nl,werk.nl en werkcentrum.nl. Als er meer nodig is, zijn we daar altijd toebereid. Ik geloof echter niet dat daar nu het grootste probleem zit. Ik wildit blokje even afronden met het volgende. Ik denk dus dat het in deorganisatie belangrijk is om zo veel mogelijk partijen bij elkaar te brengen,te coördineren en ook om stroomlijning aan te brengen in al diebudgetten en die dan te richten op diegenen die het het meeste nodighebben. Zo wil ik die LLO-brief die we voor de zomer gaan versturen,eigenlijk het liefst vormgeven.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank voor deze heldere beantwoording. De vraag over het skills-platform ging meer over die deelcertificaten. Als je een opleiding hebtgedaan, dan krijg je daar een certificaat voor. De vraag ging erover dat jedat gewoon goed, makkelijk vindbaar maakt, zodat iedereen het zelfmakkelijk kan vinden. Daar heb ik de andere Minister al wat over horenzeggen. Het zou, denk ik, zo mooi zijn dat als we dit echt met elkaar willengaan doen, we dit gewoon zo snel mogelijk beschikbaar maken. Ik weetdat met impulsen van het Groeifonds hier al mogelijkheden voor zijn. Wemoeten er ook voor zorgen dat deze gegevens van mensen veilig inNederland neergezet worden. Hoe eerder we de mensen echter toeganggeven tot zo’n eigen plek om je diploma’s te vinden, hoe meer je volgensmij ook goed en snel kunt gaan stimuleren.Minister Vijlbrief:Ik ben dat met mevrouw Rooderkerk eens, denk ik. Ik kijk even naar mijncollega: ik denk dat we het eens zijn. Het hoort ook heel erg bij hetvolgende. Ik kom daar zo meteen over te spreken bij dat hele idee van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16226 individuele leerrekening. Dan is het wel handig als je ergens bijhoudt watmensen geleerd hebben. Dat zal dus de gedachte zijn en daar ben ik hetdus mee eens. We moeten het er dan later over hebben hoe we datprecies vorm kunnen geven, maar hier ben ik het mee eens.Dat brengt mij bij mijn tweede blokje. Dat gaat eigenlijk over de indivi-duele leerrekening en de 100 miljoen. Die individuele leerrekening is ookzoiets waar iedereen het al heel lang over heeft. Ik heb zelf in hetvoorvorige kabinet gezeten; ik dacht dat de Minister van OCW daar toen almee bezig was. De gedachte is natuurlijk heel eerlijk en mooi. Mijngedachte is: «Ik ben gepromoveerd. Ik heb al een heleboel geld van debelastingbetaler opgemaakt en ik kan mezelf verder redden. Als ik mezelfwil bijscholen, betaal ik dat zelf wel.» Maar iemand die alleen lagereschool of mbo heeft gehad, heeft nog eigenlijk een heleboel geld in zijnpotje over. Het zou eerlijk zijn als we dat goed kunnen vormgeven. U hoortmij zeggen: dit is een prachtig wenkend perspectief. Maar dit is tegelij-kertijd natuurlijk echt wel heel moeilijk, zeker als je erbij bedenkt – ikhoorde een aantal leden van de commissie daarop hinten – dat je niet wiltdat mensen allerlei hobbydingen gaan doen en dingen die niet gericht zijnop de arbeidsmarkt. Je moet dus op de een of andere manier zoeken naarindividuele vrijheid en leerrechten en dat je zelf met je eigen potje aan deslag mag. Anderzijds wil je niet dat iedereen een cursus macramé gaatdoen, maar dat men dingen gaat doen die in de tekortsectoren nodig zijn.Dat is volgens mij onze grote uitdaging. Die 100 miljoen is daarvoor alseen soort vliegwiel beschikbaar.Mevrouw Tseggai vroeg – dat was ook terecht – naar het volgende. Jemoet bij de individuele leerrechten opletten dat je daar juist de mensendie geen automatische impuls hebben om te gaan leren, niet uit het oogverliest. Je zult hierin dus ook iets moeten organiseren. Maar het komtweer neer op dezelfde gedachte: je wilt een systeem hebben dat eerlijk is,dat iedereen hetzelfde budget en dezelfde kans geeft. Tegelijkertijd moethet wel gericht zijn op de sectoren waar het om gaat. Het moet er ook aanbijdragen dat mensen aan de slag kunnen blijven. Dat is de groteuitdaging. Ik durf nu echt niet te zeggen hoe we dat precies gaan doen.Ik weet wel het volgende, en ik denk dat de heer Boomsma daar net in zijninterruptie terecht naar vroeg. Hij zei: je wilt toch eigenlijk proberen om jevooral te richten op de tekortsectoren, en overigens wil je heel graagmensen in Nederland die nu in een uitkering zitten en geen uitzichthebben, aan het werk krijgen. Daar ben ik het zeer mee eens. Dat komt erdus ook nog een keer bij. Je moet dus al die dingen met elkaar verbinden.Als coördinerende op dit dossier voel ik me daar verantwoordelijk voor. Isdat geen «deadweight loss», vroeg de heer Boomsma ook. Dat is eenmoeilijk Engels woord voor belastinggeld dat in een bodemloze put wordtgegooid. Dat zijn de cursussen die je dus niet wilt. We hebben overigensop het departement met de SLIM-regeling wel wat ervaring opgedaan methet richten op tekortsectoren et cetera. De SLIM-scholensubsidie richt zichnu bijvoorbeeld op ... Ik ga de sectoren even noemen, want daar vroeg deheer Claassen net naar en ook de heer Boomsma. Waar richt die zich danop? Die richt zich op onderwijs, techniek, zorg, bouw en kinderopvang. Hijhaalde net de zorg aan. Maar ja, je moet dat dan wel doen parallel aan dediscussie naar aanleiding van Wennink over welke sectoren je eigenlijkbelangrijk wilt maken in Nederland. Die twee dingen gaan gelijk op. Ikweet dat ik het allemaal niet makkelijker maak, maar dit is toch de opgavedie wij met elkaar hebben.Ten slotte: de 100 miljoen in het regeerakkoord is echt bedoeld alsvliegwiel om dingen op te starten. Ik noem ook nogmaals de budgetten inde O&O-fondsen. We willen ook iets doen met de transitievergoeding: diewillen we meer inzetten voor «van werk naar werk» en voor scholing enveel minder voor een soort quasi-uitkering. Dat zal allemaal bij elkaarmoeten komen. Dat is nu even onbevredigend, want het komt allemaalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16227 nog in een brief voor de zomer, maar dan wordt het natuurlijk een helemooie brief.Mevrouw Armut (CDA):Ik ben bang dat het bij het vorige blokje hoorde, dus vergeeft u mij dat ikdaar toch even op terugkom. De Minister had het daarbij kort over deleerplicht en hij had het erover dat hij eigenlijk liever kijkt naar prikkels omte zorgen dat het aantrekkelijker wordt om dat te gaan doen. Dat snap ik,maar naast een verantwoordelijkheid van de werknemer is het natuurlijkook een verantwoordelijkheid van de werkgever. Ik noemde al dat hetsoms op de werkvloer wel zo is dat er geen ruimte wordt geboden voorbij- of omscholing, terwijl LLO dus wel een gezamenlijke verantwoorde-lijkheid is. Ik ben wel benieuwd of de Minister er nog op in kan gaan hoewe dan zorgen dat die leercultuur ook echt gevoeld wordt als eengedeelde verantwoordelijkheid van werknemer en werkgever en dat datop de werkvloer ook wordt versterkt.Minister Vijlbrief:Niet om de sfeer goed te houden, maar ik ben het hier van harte meeeens. Dit is inderdaad een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Het kloptinderdaad dat ook werkgevers hierbij soms tekortschieten. Het concen-treert zich altijd weer in dezelfde sectoren, waar het al druk is, zoals in desupermarkten. Ga daar meer Leven Lang Leren organiseren met flexibelecontracten, met mensen met een lage opleiding. Hoe ga je dat preciesdoen? Ik denk wel dat het echt cruciaal is dat ik hier in het kader vangesprekken, als die op gang komen, met sociale partners hele goedeafspraken over ga maken. Ik kom zo meteen ook terug op de vraag rondde bezuinigingen op de sociale zekerheid en op de vraag hoe die zichallemaal verhouden tot de zaken waar we het nu over hebben. Ik heb deafgelopen dagen weleens tegen mezelf gezegd: eigenlijk zou je willen datmensen niet meer werkloos worden. Je wilt eigenlijk dat mensen voordatze werkloos worden direct worden geholpen naar een andere baan. In eenkrappe arbeidsmarkt zoals wij die in Nederland hebben, zou dat moetenkunnen, maar daar hoort dus ook bij dat mensen dan geschoold zijn,zodat ze ook naar een andere baan toe kúnnen. Daar hoort dus ook eenverantwoordelijkheid van die werkgevers bij. Die O&O-fondsen, deopleidings- en ontwikkelingsfondsen, in de verschillende cao’s zijn ookvan werkgevers en werknemers samen. Het ís ook een gezamenlijkeverantwoordelijkheid.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Vijlbrief:Voorzitter. Dit is een naadloze brug naar mijn laatste onderwerp, de relatiemet de arbeidsmarkt. Hier hebben we weer zo’n groep: hoe zorg je noudat werknemers met flexcontracten zich ook scholen? Daar zijn we op hetogenblik met sociale partners over in gesprek. Dat is precies zo’nprobleem à la het probleem waar we het net al over hadden. Dat zalterugkomen in die brief, maar dat komt ook nadrukkelijk terug in degesprekken met sociale partners. Het was, denk ik, de heer De Beer dievroeg hoe je het nou ook voor niet-werkenden makkelijker maakt omactiever naar bijscholing te bewegen. Ook dat past weer in diezelfdefilosofie: we zullen dit via de regionale Werkcentra moeten bevorderen.Dan was er de vraag of je ook in de bijstand kunt korten als er geenvorderingen zijn. Ja, dat kan. In de Participatiewet zijn erre-integratieverplichtingen en die kunnen worden opgelegd, maar u hoorteen beetje aan mijn stem dat ik niet zo van deze afdeling ben. Ik geloof erzelf niet zo erg in dat mensen voor hun lol in uitkeringsregelingen hangen,dus ik ben hier niet zo van. Je kunt dit dus doen, maar ik denk dat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16228 verstandig is, nogmaals, om te zorgen dat mensen gewoon überhauptniet in die uitkering komen. Ik zou het liefst naar een systeem toe willendat in Scandinavische landen bestaat, waarbij mensen gewoon directworden opgepakt en naar nieuw werk worden gebracht. Dat kán ook ineen arbeidsmarkt die zo krap is als de onze.De voorzitter:Mevrouw Tseggai heeft een vraag voor de Minister.Minister Vijlbrief:Ja, ik hou even mijn mond.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Maar dat is toch precies waar die pot van 100 miljoen aanre-integratiemiddelen voor bedoeld was, waar ik het in mijn spreektekstover had?Minister Vijlbrief:Ja. Maar wij denken echt dat als je ook dat beter organiseert – daar komtdie 100 miljoen bezuiniging op de re-integratiemiddelen vandaan – je diemiddelen veel minder nodig hebt, omdat je je juist concentreert op hettraject daarvoor. Je moet dus zorgen dat mensen beter zijn opgeleidtijdens de job en dat als ze naar een andere baan moeten, dat min of meernaadloos gaat. Die re-integratiemiddelen zijn toch vaak middelen die jegaat inzetten omdat er al iets is met mensen. De filosofie van het kabinetis echt als volgt. Er was een halve vraag over de WW-duurverkorting. Alsde commissie het goed vindt, zou ik die maar even willen doorschuivennaar het begrotingsdebat Sociale Zaken volgende week, waaraan wedaarin ongetwijfeld heel veel tijd gaan besteden. De filosofie van hetkabinet is toch echt als volgt. Werklozen en werkloosheid zullen er altijdblijven, omdat mensen soms even zoeken, maar ik zou die zoektijd endaarmee die re-integratiebudgetten gewoon zo veel mogelijk terug willenbrengen. Dan heb ik liever dat we aan de voorkant geld besteden aanlevenslang leren en ontwikkelen, dan dat we middelen gaan gebruiken ommensen die al in een probleem zitten, terug te brengen naar de arbeids-markt. Dat is de achtergrond daarvan.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Maar wat gebeurt er dan met die groep die dus al een tijdje in de uitkeringzit, blijft dan mijn vraag.Minister Vijlbrief:Het is ook niet zo dat er helemaal geen re-integratiebudget overblijft. Dit iseen korting op het re-integratiebudget. Er blijven dus middelen voor, maarik blijf zeggen dat we juist proberen om die groep langzamerhand in tekrimpen door liever geld te besteden aan ontwikkelen, levenslang leren etcetera, dan dat we weer aparte budgetten voor re-integratie hebben. Bythe way, dit hangt natuurlijk ook samen met hoe je de WW preciesvormgeeft. Maar dan zijn we eigenlijk weer bij het andere debataangekomen.De heer Boomsma (JA21):Ja, maar je moet mensen ook niet aan hun lot overlaten in een uitkering.Dat is ook wel heel belangrijk. De Minister zei net dat hij niet van hetdepartement «korten op uitkering en dergelijke» is. Nee, natuurlijk niet.Dat wil je zo veel mogelijk voorkomen. Je moet het ook niet helemaaluitsluiten, maar het gaat erom dat je mensen wel blijft aanspreken op hunmogelijkheden, en dat als mensen in een uitkeringssituatie zitten en zekunnen werken aan hun basisvaardigheden omdat die verbeterd kunnenworden, je daar gezamenlijk naar kijkt. Dat gaat bijvoorbeeld omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16229 taalkennis, als ze onvoldoende Nederlands spreken. Je hoeft niet meteente korten op hun uitkering of daarmee te dreigen, maar je kunt tochzeggen: «Laten we een traject starten. Laten we afspraken maken. Wegaan hieraan werken. Wat kunnen we verbeteren? We gaan voor u eenskijken hoe dit verbeterd is.» Et cetera. Ik denk dat dat wel erg belangrijk isen dat het belangrijk is dat we dat niet helemaal los gaan laten, nu diebudgetten inderdaad verdwijnen. Ik hoop dat de Minister dat met onseens is, en dat dit voldoende aandacht krijgt en misschien kan wordenmeegenomen in die schitterende brief die ons is beloofd.De voorzitter:Die brief.Minister Vijlbrief:Ik sta bekend om hele korte antwoorden. Het hele korte antwoord zou hierkunnen zijn: ja. De heer Boomsma zegt het precies zoals ik het mijongeveer voorstel. Ik probeerde alleen net te zeggen dat ik niet zo van deafdeling ben die zegt dat het helpt om mensen te korten in hun uitkeringom ze op die manier een duwtje in de goede richting te geven, om hetmaar even heel plat te zeggen. Ik zit veel meer op wat hij net zei. MevrouwTseggai heeft gelijk dat er natuurlijk altijd mensen achterblijven en dat jedie moet helpen; dat begrijp ik. Ik probeer alleen te zeggen dat het in demoderne arbeidsmarkt zo zou moeten zijn dat als bedrijf a inkrimpt doorde invoering van AI en er mensen uit gaan – dat is helemaal niet onrealis-tisch – die mensen niet de kans moeten krijgen om op de een of anderemanier de band met de arbeidsmarkt kwijt te raken. Ik heb 25 jaar geledeneen proefschrift geschreven over werkloosheid en werkloosheidsuitke-ringen. Daaruit bleek dat zodra mensen langere tijd in een uitkering zitten,het steeds moeilijker wordt om daaruit te komen. Dat is heel logisch, wantwerkgevers gebruiken het natuurlijk als een signaalsysteem, zo van «o, erzal wel wat zijn», terwijl er helemaal niet iets hoeft te zijn. We zijn het dusgewoon totaal eens. En dit was helemaal geen kort antwoord, zeg ik tegenmezelf.De voorzitter:Nou, u heeft mijn gedachten ... Nee, hoor. Ik stel voor dat de Ministerverdergaat met de beantwoording in zijn laatste blokje, dat we dat evenafronden en dan kijken of er nog vragen overblijven.Minister Vijlbrief:Maar voorzitter, ik was er zo ongeveer wel, want en passant hebben wegesproken over de re-integratiebudgetten. Ik heb al iets gezegd over hetfeit dat we alle dingen willen samenvoegen. We willen dus graag datLLO-geld, dat O&O-fonds en de transitievergoeding samenvoegen, en zoproberen om met werkgevers en werknemers een systeem te maken datgoed kan werken. Dat is eigenlijk de afsluiting. De vraag van de heerBoomsma over arbeidsmigratie heb ik namelijk ook al beantwoord in eeninterruptie.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Helemaal goed, dank u wel. Dan gaan we over naar de StaatssecretarisOnderwijs en Emancipatie voor de antwoorden op de vragen die aan haarzijn gesteld.Staatssecretaris Tielen:Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de Kamerleden. Het is heel leuk omdit eerste debat als Staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie te doenover onder andere het begrip «laaggeletterdheid», want onderwijs enemancipatie hebben natuurlijk heel erg veel met elkaar te maken. DatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16230 hebben we ook teruggehoord in de vragen en de inbreng van deKamerleden.Toen ik nog Kamerlid was, ben ik een keer naar een congres geweest overde patiënt die moeite heeft met lezen en schrijven. Ik heb daar met eenaantal ervaringsdeskundigen gesproken over hoe ingewikkeld hetinderdaad is om als patiënt «beter te worden», bij wijze van spreken, alslezen en schrijven lastig is. Ook hier heb ik vanochtend met een aantalervaringsdeskundigen gesproken. Een aantal van hen zit op de tribune.Als het lastig is om te lezen, te schrijven en te rekenen, is het lastiger omwerk te vinden en te behouden en om formulieren in te vullen voorbijvoorbeeld de Belastingdienst of de gemeente. Het is ook minder leuk,want je kunt niet zelf lezen en voorlezen aan je kleinkinderen is veel fijnerals je zelf gewoon goed kunt lezen. Ik denk dus dat het heel belangrijk isdat we als overheid nadenken over mensen die hulp nodig hebben bijbeter leren lezen, schrijven en rekenen, en dat we ze daarbij helpen. Ik hebvanochtend tegen de mensen zelf gezegd dat ik het heel dapper vind datmensen bij zichzelf herkennen en ook voor zichzelf erkennen dat hetmoeilijk is. Ik wil iedereen die daarbij hulp gaat zoeken een complimentgeven. Dan moet er ook een overheid zijn die kan bijdragen aan kunnenlezen, rekenen en digitale formulieren invullen, omdat je daar gewoonblijer van wordt.Een aantal vragen ging over de ambitie van deze Staatssecretaris voor die«basisvaardigheden». Zo noemen we dat dan in jargon. U hoortmisschien aan mij dat ik het echt een heel belangrijk onderwerp vind. Erzijn 3 miljoen mensen in Nederland die daar echt moeite mee hebben endat zijn er natuurlijk veel te veel. Ik zou dus willen voorstellen om datsamen met een aantal gemeentes, maar ook onderwijsinstellingenenzovoorts op te pakken. Er is namelijk al veel over nagedacht deafgelopen jaren. Ik noem het maar eventjes «een niet al te dikke brief» metde volgende titel. Ik doe een suggestie – ik roep de mensen in het land ookop om als ze er een beter woord voor hebben dat te laten weten – om eensoort leer- en groeiplan taal, rekenen en digitaal voor volwassenen neer tezetten, zodat we op dat punt de komende jaren echt ambitie laten zien enaan de slag gaan om te zorgen dat dat getal van drie miljoen mensenlager wordt. Als ik met gemeentes, scholen enzovoort daarover hebgesproken, kom ik graag een keer terug op de vraag hoeveel lager.We doen nu al dingen. Onder andere GroenLinks-PvdA, Groep Markus-zower en CDA vroegen wat er dan gebeurt, even los van dat leer- engroeiplan dat er komt. Er wordt nu natuurlijk al met gemeentes en, onderandere, onderwijsinstellingen gewerkt aan het verbeteren van dat lerenlezen, schrijven en rekenen. We doen dat onder andere door te zorgen datdie kennis via het Expertisepunt Basisvaardigheden wordt gedeeld en datmensen daar toegang toe hebben. Samen met de Minister en hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bekijken we ook hoe wedat specifiek voor werkenden en werkzoekenden kunnen doen. Er werdnamelijk terecht door een van uw leden opgemerkt dat heel veel mensendie last hebben van moeilijk kunnen lezen en rekenen, inderdaad gewoonwerken. We moeten dus voor zowel werkenden als werkzoekendenbekijken hoe we hen kunnen helpen om beter te kunnen lezen, schrijvenen rekenen.We hebben een programma dat Leven Lang Ontwikkelen Collectief heet.Er werd net ook al naar verwezen. Vanuit het Groeifonds is geldbeschikbaar gesteld om daar ondersteuning aan te geven. Ik wil dit dusecht redelijk hoog op de prioriteitenlijst zetten. Welke cijfers daar dan bijhoren, daar kom ik graag een keer op terug. Meneer Claassen vroeg daaronder anderen naar. Hoe meten we dat? Er is een internationaalonderzoek met de afkorting PIAAC. Daarbij wordt wereldwijd onderzochthoe het gaat met de basisvaardigheden, oftewel het lezen en rekenen, vanvolwassenen. Daarin doet Nederland het helemaal niet zo gek, maar ikvind 3 miljoen toch veel te veel. Dat onderzoek wordt maar één keer in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16231 tien jaar gedaan. De volgende keer is in 2033, dus ik denk dat we moetenkijken hoe we daar in de tussentijd meer inzicht in kunnen krijgen.Mevrouw Raijer (PVV):Ik hoorde de Staatssecretaris zeggen dat er al veel wordt ontwikkeld voorlaaggeletterde mensen. 3 miljoen is inderdaad heel veel. Ik hoor niet vande Staatssecretaris hoe we deze mensen gaan bereiken. Je kunt wel heelveel groeifondsen opzetten en van alles op internet zetten, maar dezemensen zullen dat niet begrijpen. Ik wil van u weten welke kansen udaarin ziet.Staatssecretaris Tielen:Dat is een hele belangrijke. Ik noemde al de partners. Dat zijn bijvoorbeeldde scholen, maar ook de Stichting Lezen en Schrijven. Volgens mij zittendaarvan ook een aantal mensen op de tribune. Die denken daarin mee:hoe bereiken we mensen die voor zichzelf erkennen dat ze er iets meewillen of moeten en die stap willen zetten? Denk bijvoorbeeld ook aanbibliotheken. We hebben heel veel bibliotheken in Nederland waar ook hetTaalhuis zit. Dat is een organisatie die samen met bibliotheken kijkt naarhoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen in elke gemeente waar eenbibliotheek is, terechtkunnen met de vraag waar ze beter kunnen lerenlezen of rekenen. Mevrouw Raijer geeft aan dat we daarmee nog niet alle3 miljoen mensen hebben bereikt. Ik denk dat het altijd beter kan, en ikdenk ook dat het beter móét. Dat is een typisch onderdeel van het leer- engroeiplan voor lezen, rekenen en digitale vaardigheden voor volwassenen.Ik kom terug op de vraag hoe we dat voor elkaar gaan krijgen.De voorzitter:De heer Boomsma, en daarna de heer Claassen.De heer Boomsma (JA21):Hoe verklaart de Staatssecretaris het volgende? Wij doen het dus heelgoed in die PIAAC-studie, maar we hebben wel die 3 miljoen mensen metonvoldoende basisvaardigheden. Tegelijkertijd doen we het dus heelslecht op de PISA-score. Hoe verhouden die dingen zich tot elkaar?Staatssecretaris Tielen:Dat is best een ingewikkelde vraag. Het heeft onder andere met deonderzoeksmethodes te maken. Daar wil ik niet heel diep op ingaan. PISAwordt elke drie jaar gedaan. Dan wordt onder andere onder alle 15-jarigenbinnen de landen die dat PISA-onderzoek doen, gekeken naar hoe goed zijzijn in lezen, schrijven, rekenen, digitaal enzovoort. Bij PIAAC gaat het omalle volwassenen. Meneer Boomsma noemde net zelf al een percentage,dat denk ik goed berekend is, maar in andere landen is dat nog steedsmeer. Maar het heeft dus onder andere met de methodologie te maken. Ikzeg dit ook omdat we het als Nederland vaak fijn vinden om hoog in deinternationale lijstjes te staan, maar dit in mijn ogen geen excuus mag zijnom hier niet vol op in te zetten.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik wil even doorgaan op het antwoord dat op mevrouw Raijer werdgegeven. Het antwoord van de Staatssecretaris ging eigenlijk over hetidee dat mensen intrinsiek gemotiveerd zijn, omdat ze merken enwaarnemen dat ze er iets mee moeten. Maar we hebben natuurlijkook – daar had ik het in mijn bijdrage over – een doelgroep waar thuisgeen Nederlands wordt gesproken. Dat geldt bijvoorbeeld ook opbepaalde plekken in Limburg, waar ze persisterend het Limburgs dialectspreken. Dat is prima, overigens, maar er moet ook Nederlands gesprokenworden. Als de intrinsieke motivatie er niet is om thuis Nederlands tespreken, dan blijven we toch met een groot probleem zitten. MijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16232 vervolgvraag op het antwoord richting mevrouw Raijer is dan: hoe gaanwe die doelgroep bereiken? Want daar is natuurlijk ook een hele hoopwinst te halen.Staatssecretaris Tielen:Deze vraag nodigt bijna uit tot een wat uitgebreidere gedachtewisselinghierover, want er zitten heel veel aspecten aan.De heer Claassen (Groep Markuszower):U mag ook antwoorden in een brief.Staatssecretaris Tielen:Ja, ik neem het graag mee.De voorzitter:Meneer Claassen vindt dat het ook met een brief kan.Staatssecretaris Tielen:Ja, maar ik ga er toch een paar dingen over zeggen. Ik herken wat meneerClaassen zegt, maar dat is niet de hele groep. Twee derde van de mensendie we onder het kopje laaggeletterd zouden plaatsen, is autochtoon. Datkunnen inderdaad dan nog steeds mensen zijn die dialecten spreken.Meertaligheid op zichzelf heeft vaak een positieve invloed op taalontwik-keling. Dan kom je al bij de vraag hoe dat zit en hoe we op basisscholenen bij vroege en voorschoolse educatie omgaan met anderstaligen,inclusief mensen die dialect spreken. Ik denk dat meneer Claassendaarnaar verwijst. Dat is onderdeel van de vraag hoe we omgaan metlees-, reken- en digitale vaardigheid op de basisscholen en in hetvoortgezet onderwijs. We zijn begonnen met de verbetering daarvan methet Masterplan basisvaardigheden. Als meneer Claassen dat goedvindt,kan ik de toezegging doen dat ik hierover een aparte alinea opneem in debrief over dat leer- en groeiplan lezen, rekenen en digitaal voorvolwassenen.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Tielen:Onder andere D66 vroeg of het simpeler kan, zodat mensen makkelijkerterechtkunnen bij aanbod om beter te leren lezen en rekenen. Gemeentenzijn daar verantwoordelijk voor. Zij werken veel samen met onderwijs-instellingen en opleidingsscholen om dat aanbod aan te kunnen bieden.Zij krijgen daar ook geld voor vanuit de schatkist. Maar we zien ook dat erwel verschillen zijn tussen regio’s. We hebben daar onder andere hetExpertisepunt Basisvaardigheden voor, waar ik al naar verwees. Ik vindhet niet erg dat er regionale verschillen zijn, want Zuid-Limburg moet daarmisschien anders mee aan de slag dan Noord-Holland. Tegelijkertijd wil jewel dat het aanbod overal toegankelijk en van goede kwaliteit is en dat hetmensen daadwerkelijk vooruithelpt. Ik wil dus ook graag in het kader vandat leer- en groeiplan kijken hoe we die verschillen tussen regio’s als hetgaat om kwaliteit en toegankelijkheid in ieder geval zo klein mogelijkkunnen maken.Volgens mij waren dat alle vragen die ik hierover gekregen heb. Maar aande interrupties te zien, heeft niet iedereen zijn antwoord gekregen.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk, met haar laatste interruptie.Mevrouw Rooderkerk (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16233 Dat komt goed uit. Veel dank aan de Staatssecretaris voor de beant-woording. Ik zie uit naar de brief. Ik heb nog een ander linkje dat ik denkhier te kunnen leggen. De Staatssecretaris gaat natuurlijk ook overleraren. We gaan met dit coalitieakkoord heel veel investeren in deontwikkeling van leraren. Ik kan me voorstellen dat dat ook heel erg raaktaan wat we op het gebied van LLO doen. Als we basisvaardigheden willenverbeteren, begint dat bij betere leraren. Ziet de Staatssecretaris dus ookkans om specifiek aandacht te hebben voor deze groep, zodat lerarenzichzelf daadwerkelijk kunnen ontwikkelen en er ook een plek is voor decertificaten die ze daarmee halen? Dan kunnen we ook aantonen dat zebezig zijn met hun ontwikkeling en kunnen we dat ook weer verwerken inde aanpak die in het akkoord staat, zodat ze doorgroeimogelijkheden enontwikkelkansen krijgen wanneer ze dit soort bijscholing doen. Is het dusmogelijk om daar echt een aanpak voor op te nemen?Staatssecretaris Tielen:Ik herken heel goed wat mevrouw Rooderkerk zegt. Ik voel daar ook heelveel bij. Ik wil daar ook echt wel mee aan de slag. Overigens denk ik dathet breder is en niet alleen bij leraren ligt. Het gaat ook om de aandachtvoor taal en rekenen onderling en met elkaar. Volgens mij is er over eenpaar weken een debat over leraren. We kunnen er daar dus nog watverder over doorgaan. Dit geeft mij wel de gelegenheid om te zeggen datik niet in m’n eentje ergens op een kamertje zo’n lerarengroeiplan gazitten typen, om het maar zo te zeggen. We moeten juist met degemeenten, met partners als Stichting Lezen en Schrijven, met ervarings-deskundigen en inderdaad ook met docenten van de verschillende typenonderwijs in gesprek gaan over wat werkt en hoe je ervoor zorgt datiedereen die daar een rol in heeft ook maximaal mee kan doen en zich kanontwikkelen.Mevrouw Armut (CDA):We hebben het in het debat gehad over de drempel die mensen ervarenom zich te laten bij- of omscholen. Die stap is eigenlijk nog groter voormensen die laaggeletterd zijn. Als mensen zo moedig zijn om die stap tenemen, wil je niet dat ze vastlopen, bijvoorbeeld omdat ze het vak Engelsnet niet halen of omdat de wijze van scholing niet aansluit op hun leerstijl.Ik vraag mij af of de Staatssecretaris dit herkent en of zij de noodzaak zietom hier speciale aandacht voor te hebben. Het zou zo zonde zijn als weom deze redenen mensen kwijtraken in dat deel van het onderwijs.Staatssecretaris Tielen:Ja, dat herken ik heel erg. Je hebt bij wijze van spreken 3 miljoenverschillende methoden die wel of niet aansluiten. Dat vergt ook eenbeetje maatwerk. Tegelijkertijd is het aanbod modulair en flexibel. Denkaan begeleiding die past bij degene die erom vraagt. Tegelijkertijd leidthet tot versnippering. Dat is, denk ik, het dilemma waar we het dekomende paar weken of maanden met elkaar over moeten hebben. Hoezorg je er aan de ene kant voor dat het aanbod aansluit bij wat mensennodig hebben en waar mensen het beste mee vooruitkomen? En hoe zorgje er aan de andere kant voor dat het herkenbaar en eenduidig is voormensen, zonder dat het te veel versnippert? Dat is een beetje het dilemmawaar wij met elkaar mee aan de slag moeten, denk ik.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Armut.Mevrouw Armut (CDA):Dat snap ik. Je wilt niet dat het verder versnippert. Maar als we kijken naarhet reguliere onderwijs, zie je dat we ook te maken hebben met differen-tiëren. Dan zie je het ook wanneer iemand misschien wat extra onder-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16234 steuning nodig heeft. Ik denk dat het helpt als de leraren het in dat gevalherkennen en als ze weten waar ze mee te maken hebben. Het is voorlaaggeletterden toch een andere manier van leren dan wat je in hetreguliere onderwijs ziet. Het is niet zozeer een vraag, maar eentoevoeging.Staatssecretaris Tielen:Ik denk dat het een waardevolle toevoeging is ten aanzien van de manierwaarop we de aanpak neer gaan zetten. Ik denk dat mevrouw Armut heelterecht opmerkt dat je niet te veel – hoe moet je dat zeggen? – een nietpassende methode moet neerzetten, maar wel passende voortgangs-normen. Ik bedoel dat mensen, als ze zo’n traject doorgaan, echt beterlezen en schrijven en zich zekerder voelen met de taal.De voorzitter:Dank u wel. Dan komen we daarmee aan het einde van de eerste termijnvan het kabinet. Ik heb geprobeerd om daar zo veel mogelijk ruimte voorte houden gezien het aantal vragen dat in de eerste termijn van de Kamerwas gesteld. Volgens mij is dat aardig gelukt. Dan gaan we direct overnaar de tweede termijn van de Kamer. U heeft maximaal 1 minuut en 20seconden om de woorden te spreken die u kwijt wilt aan de commissie.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de uitgebreidebeantwoording. Ik merk natuurlijk ook dat het echt een nieuwe start is endat sommige dingen nog wat meer vorm moeten krijgen. Ik kijk zeer uitnaar de brief, inmiddels met enorme verwachtingen. Daarna zou ik ditdebat graag snel willen vervolgen.Ik zou ook nog graag een tweeminutendebat willen aanvragen om watmeer richting vanuit de Kamer mee te geven.Daarmee is mijn tweede termijn ten einde.De voorzitter:Dat is genoteerd. Dat gaan wij doorgeleiden. De heer Claassen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Nog een laatste mijmering van mijn kant. We hebben het gehad over dearbeidsmarkt. Er zijn problemen op de arbeidsmarkt. We moeten er meermensen naartoe krijgen die flexibel inzetbaar zijn. Dat vraagt om flexibelopleiden. Als je flexibel opleidt, waarbij gevarieerd kan worden, leidt dattot flexibele medewerkers, die flexibel inzetbaar zijn. Maar het vraagt ookom responsief onderwijs. Het onderwijs moet responsief zijn als het gaatom wat er gebeurt in de samenleving. Dat vraagt om responsieveonderwijsteams; dat heeft onderzoek ook aangetoond. Vandaag ismisschien wat onderbelicht dat docententeams zich ook zullen moetengaan ontwikkelen en nadenken over wat responsief onderwijs is en watflexibilisering betekent voor het professionele gedrag van de docent. Ikhoop dat de vraag wat het betekent voor het docentencorps in Nederlandook een plekje krijgt in de plannen die we vandaag besproken hebben enin alle brieven die we over de plannen gaan krijgen.De voorzitter:Dank u wel. Het woord is aan de heer De Beer.De heer De Beer (VVD):Voorzitter, dank u wel. Ik ben heel blij met de reacties en de antwoordenvanuit het kabinet. Ik ben met name zeer geïnteresseerd in de talentstra-tegie. De woorden van Minister Vijlbrief vallen bij mij ook in goede aarde.Ik ben in het verleden elf jaar voorzitter geweest van de arbeidsmarktregioZuid-Limburg. Ik erken aan de ene kant de kracht van de regio, maar ikTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16235 weet ook hoe ingewikkeld het soms is om partijen goed bij elkaar tebrengen. Ik heb altijd gedacht: als wij aan de vergadertafel eigenlijk nietaan elkaar uitgelegd krijgen waar we mee bezig zijn, dan kunnen we datbuiten het huis al helemaal niet. Het helpt als wij vanuit Den Haag daargoede handvatten geven en duidelijk zijn over onze beleidslijnen, want alde regelingen die in het verleden ook over de regio’s zijn uitgestort,hebben uiteindelijk maar heel weinig impact gehad. Ik zou dus zeggen: wekijken uit naar de nieuwe strategie en het nieuwe beleid, en maak vooralscherpe keuzes.De voorzitter:Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank ook namens mij. Als ik terugkijk op dit debat, hoor ik volgensmij een duidelijke oproep tot een simpel systeem en duidelijke taal. Ikhoorde daarover ook veel in de woorden van het kabinet. Zojuist kondigdede Staatssecretaris volgens mij ook een masterplan basisvaardighedenvoor volwassenen aan. Dat vinden wij een heel goed idee en daar kijkenwij naar uit. In reactie op mijn vraag gaf zij ook aan voor leraren aan deslag te gaan en over de ontwikkelingen met leraren in gesprek te willen.Dat is ook precies de inhoud van de motie van onze hand die deze week isaangenomen. Ik ben dus blij dat daar meteen uitwerking aan wordtgegeven. Ik ben ook heel erg benieuwd naar de projecten van hetGroeifonds, die ook zijn genoemd. Ik hoop ook dat wij goed op de hoogtekunnen worden gehouden over de uitkomsten daarvan, want daar kijk ikheel erg naar uit. Wat mij betreft verdient de Minister na vandaag ookzeker een deelcertificaat voor debattraining.(Hilariteit)De voorzitter:Dat gaan we doorgeven. Het woord is aan de heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Dank, voorzitter. Ik weet het niet, maar misschien is het wel eenmicrocredential?(Hilariteit)De heer Boomsma (JA21):Ik vind die term zelf niet zo geschikt: «Kijk eens, ik ben heel trots opmezelf. Ik heb een microcredential.» Ik zou zelf dus voor een ander woordkiezen, maar dat terzijde. Dank voor de beantwoording. Minister Vijlbriefzei: ik ben een liberaal, dus ik houd niet van plichten. Dat vind ik weljammer, want ik denk dat het morele universum niet alleen uit rechtenbestaat, maar ook uit plichten en deugden. Een recht zonder plicht isnatuurlijk eigenlijk vrij weinig. Plichten gaan er altijd aan vooraf. Een rechtmoet namelijk ook worden erkend door anderen die dan een plichtervaren. Ik ben het wel met hem eens dat dat niet per se plichten zijn diede overheid oplegt. Ik vind de term «leerrechten» in die zin ook wel lastig,want alles wat je als recht formuleert, nodigt er ook toe uit dat mensenhun gedrag kunnen aanpassen om daar dan gebruik van te maken. Het isjuist zo belangrijk om ervoor te zorgen dat dit hele LLO vraaggestuurdwordt. Maar goed.Ik ben ook blij met het masterplan voor basisvaardigheden. Ik denk dat datheel belangrijk wordt. Ik zou het kabinet er ook toe willen oproepen omdat wel smart te maken. Neem dus ook wel echt concrete doelstellingenop. We zitten nu met die 3 miljoen. Wat is het streven? Waar kunnen weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16236 het kabinet dan op afrekenen? Dat geldt eigenlijk ook voor al die anderedomeinen. Dat gezegd hebbende, zien we daarnaar uit.De voorzitter:Helemaal goed, dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Raijer.Mevrouw Raijer (PVV):Dank u wel, voorzitter. Ook ik wil u allen bedanken voor de antwoordendie zijn gegeven. Wij zien ook graag de stukken die naar ons toe komen,tegemoet. Ik zou wel nog aan u willen meegeven om vooral het mbo bijdit hele verhaal te betrekken, want zij zijn toch wel een belangrijkeschakel. Verder kan ik me heel makkelijk aansluiten bij wat mijnvoorgangers hebben gezegd.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Armut.Mevrouw Armut (CDA):Dank, voorzitter. Ook vanuit mij hartelijk dank aan de bewindspersonenvoor de beantwoording. Ook wij kijken heel erg uit naar de verdereuitwerking en in het bijzonder naar de individuele leerrechten.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dat was de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik hebgeen concrete vragen meer gehoord, dus ik stel voor dat we even vijfminuten schorsen en dat we daarna ... O, ik hoor dat er niet geschorsthoeft te worden. Dat is vreugdevol. Ik vind u nu al echt geslaagd met z’ndrieën. Dan geef ik als eerste het woord aan de Minister.Minister Letschert:Heel veel dank. Als alle debatten op al mijn domeinen zo gaan zijn, danteken ik.(Hilariteit)Minister Letschert:Heel veel dank voor jullie enorm goede suggesties. Ik denk dat ons dat inde tweede week van ons bestaan hier echt gaat helpen om de brief die wijgaan vormgeven zo smart mogelijk en concreet te maken. Al jullie ideeëndaarbij zijn heel behulpzaam, dus veel dank!De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid.Minister Vijlbrief:Ik heb aan deze prachtige woorden helemaal niets toe te voegen. Dankaan de commissie voor alle goede ideeën. Wij beschouwen het als eenopdracht om een smart-brief te gaan schrijven. We gaan ons best doen.De voorzitter:Heerlijk al die afkortingen! Het woord is aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Tielen:Dank. Het was een leuk debat, omdat het ook gewoon over iets heelbelangrijks gaat. Een aantal van uw Kamerleden verwees naar wat ik hadgezegd met de term «masterplan basisvaardigheden», maar ik had hetheel bewust het leer- en groeiplan taal, rekenen en digitaal voor volwas-senen genoemd. Ik denk dat we echt goed moeten kijken naar hoe we taalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16237 goed gebruiken in dit soort dingen. Ik weet nog niet of ik kan beloven dathet helemaal in makkelijke taal is, maar ik ga wel mijn best doen. Omdat ikwel wat tijd nodig heb om daar met een aantal anderen, onder anderegemeentes, scholen, ervaringsdeskundigen, enzovoorts, enzovoorts, overte praten, verwacht ik – en dat had ik nog niet gezegd – dat het voor debegrotingsbehandeling van Onderwijs bij u komt. Dat heet dan geloof ikhet «vroege najaar».De voorzitter:Heel goed. Dank u wel. Dan dank ik u voor uw aanwezigheid en voor debeantwoording in de tweede termijn. We komen bijna aan het einde vanhet debat, maar niet nadat ik in ieder geval een aantal toezeggingennoem. Het zijn er toch weer meer geworden dan u misschien gedacht had.Hierbij toch nog een paar toezeggingen:–De Kamer ontvangt voor de zomer een gezamenlijke beleidsreactieover Leven Lang Ontwikkelen en laaggeletterdheid, waarin in iedergeval wordt ingegaan op hoe de wettelijke taak van LLO wordtvormgegeven voor publieke instellingen, en op de samenwerkingtussen OCW en VWS op het gebied van zorgopleidingen.De bovenstaande twee zaken zijn specifiek genoemd.–Voor de zomer komt er een brief over de taskforce talentstrategie.–Voor de zomer komt er een brief over de oorzaken van numerus fixusbij STEM-opleidingen.We moeten echt wel iets aan die termen gaan doen, want als ik het zovoorlees ...-In de volgende jaarlijkse voortgangsrapportage Leven Lang Ontwikke-len worden ook de civiele effecten en het kwaliteitskader voormicrocredentials meegenomen.–Dan heb ik nog een toezegging over een brief over het leer- engroeiplan taal, rekenen en digitaal voor volwassenen. Is dat correct zo?Ik hoor de Staatssecretaris het bevestigen.–Voor de begrotingsbehandeling ontvangt de Kamer het leer- engroeiplan taal, rekenen en digitaal voor volwassenen. De Staatssecre-taris zal daarin onder andere ingaan op de doelgroep anderstaligen.Dat heb ik genoteerd aan toezeggingen. Ik zie aan mijn rechterzijde dat datakkoord is.Er is een tweeminutendebat aangevraagd door GroenLinks-Partij van deArbeid. Dat geleiden we door. De eerste spreker van de zijde van deKamer zal mevrouw Tseggai zijn.Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit debat. Ik dank decollega’s voor hun inbreng. Ik dank het kabinet voor hun bijdrage. Ik dankde mensen op de publieke tribune en de mensen thuis voor de belang-stelling. Daarmee sluit ik deze vergadering.Sluiting 12.37 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 012, nr. 16238
Gerelateerde bronnen
- Leven Lang Ontwikkelen en laaggeletterdheid
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 4 maart 2026, over Leven Lang Ontwikkelen en laaggeletterdheid
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.