KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

13 jan 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f19cb222ed477d1b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 677Wijziging van de Embryowet naar aanleiding vande derde wetsevaluatieNr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Inhoudblz.Publiekssamenvatting2De Embryowet in het kort2Wijziging is nodig door nieuwe wetenschappelijke ontwikkelin-gen2Inhoud van de wetswijziging3Hoofdstuk 1. Inleiding31.1.Aanleiding31.2.Aanjagers van nieuwe ontwikkelingen: celkerntransplan-tatie en geïnduceerde pluripotente stamcellen (iPS)51.3.In vitro geproduceerde geslachtscellen81.4.Mens-diercombinaties91.5.Embryo-like structures (ELS)11Hoofdstuk 2. Wijziging van de definitie van embryo122.1.Algemeen122.2.Potentie om uit te groeien tot een mens132.3.Verschillende manieren van tot stand brengen142.4.Voorgestelde definitie van embryo15Hoofdstuk 3. Randvoorwaarden voor wetenschappelijk onder-zoek met embryo’s203.1.Reproductieve doeleinden en onderzoeksdoeleinden203.2.Ongewijzigde randvoorwaarden voor onderzoek metembryo’s223.3.Veertiendagengrens233.4.Toetsing door de CCMO24Hoofdstuk 4. Overige wijzigingen254.1.Regulering van mens-diercombinaties254.2.Wetenschappelijk onderzoek met foetussen274.3.Handhaving294.4.Overige wijzigingen31Hoofdstuk 5. Aanbevelingen uit de wetsevaluatie die niet zijnovergenomen315.1.Tot stand brengen van embryo’s speciaal voor onder-zoeksdoeleinden315.2.Kiembaanmodificatie31 kst-36677-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 31 Hoofdstuk 6. Gevolgen van de voorgestelde wetswijziging336.1.Algemene gevolgen voor onderzoek met embryo’s enfoetussen336.2.Regeldrukgevolgen voor onderzoek met embryo’s346.3.Gevolgen voor toezicht, handhaving en rechtspraak35Hoofdstuk 7. Verhouding tot andere wetgeving357.1.Wet zeggenschap lichaamsmateriaal357.2.Wet op dierproeven377.3.Initiatiefwetsvoorstellen ter wijziging van de Embryowet38Hoofdstuk 8. Toetsing, consultatie en verwerkte adviezen388.1.Totstandkoming wetsvoorstel388.2.Uitvoerings-, toezichts- en handhavingstoetsen enspecifieke adviezen398.3.Openbare internetconsultatie43Artikelsgewijs46 Publiekssamenvatting De Embryowet in het kort In de Embryowet staan regels om te zorgen dat artsen en laborantenzorgvuldig omgaan met eicellen, zaadcellen en embryo’s. In deze wetwordt een balans getroffen tussen de beschermwaardigheid vanbeginnend menselijk leven en het belang van wetenschappelijkonderzoek. Op grond van de Embryowet is het bijvoorbeeld verboden omeen embryo tot stand te brengen met wetenschappelijk onderzoek alsdoel. Daarnaast is het verboden om een embryo buiten het menselijklichaam zich langer dan veertien dagen te laten ontwikkelen.Wijziging is nodig door nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen Begin 2021 is de derde evaluatie van de Embryowet uitgebracht. Naaraanleiding van deze evaluatie wordt de Embryowet op een paar puntengewijzigd. Uit de evaluatie bleek namelijk dat het doel van de wet steedsminder goed wordt bereikt. Dat komt omdat er steeds meer wetenschap-pelijke mogelijkheden zijn die niet voorzien waren toen de Embryowet totstand kwam.Toen de huidige Embryowet in werking trad was er eigenlijk maar éénmogelijkheid voor onderzoek met embryo’s. Het was toen mogelijk omembryo’s te maken door bevruchting van een eicel en een zaadcel in hetlab. De Embryowet verbood het maken van embryo’s uitsluitend vooronderzoeksdoeleinden. Er kon dus alleen onderzoek worden gedaan naarembryo’s die waren gemaakt voor vruchtbaarheidsbehandelingen (ivf).Niet alle embryo’s die worden gemaakt voor zo’n behandeling wordennamelijk gebruikt voor de zwangerschap. De embryo’s die over zijn,kunnen worden gedoneerd voor onderzoek.Onderzoekers zijn nu steeds meer in staat om zogenaamde embryomo-dellen te maken. Dit zijn structuren van cellen die erg lijken op embryo’smaar op een andere manier tot stand komen. Er zijn verschillende soortenembryomodellen, waarvan de belangrijkste worden gevormd met behulpvan stamceltechnologie. Hierbij wordt een gewone lichaamscel, bijvoor-beeld een huidcel, in het lab veranderd in een stamcel. Deze stamcel kanzich vervolgens tot allerlei soorten cellen ontwikkelen en kan daardoor alsbasis dienen voor een embryomodel. Door onderzoek met embryomo-dellen kan de vroege embryonale ontwikkeling worden bestudeerd. Zokan belangrijke kennis worden verkregen over vruchtbaarheid en erfelijkeaandoeningen zonder dat daarvoor «echte» embryo’s nodig zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 32 Het is onduidelijk wanneer een embryomodel zo erg op een embryobegint te lijken dat het volgens de Embryowet gezien moet worden alseen embryo. Daardoor is het niet duidelijk wanneer voor onderzoek meteen embryomodel dezelfde regels gelden als voor onderzoek met «echte»embryo’s. Er ontstaat zo een grijs gebied waarin zowel de wetenschappe-lijke vooruitgang als de beschermwaardigheid van beginnend leven in hetgeding kan komen. Onduidelijkheid kan zorgen voor terughoudendheid bijonderzoekers waardoor wetenschappelijke vooruitgang onnodig wordtbeperkt. Dit belemmert het verkrijgen van belangrijke kennis. Aan deandere kant kan onduidelijkheid ervoor zorgen dat onderzoekers debeschermwaardigheid van beginnend leven niet genoeg in acht nemen.Inhoud van de wetswijziging Met de voorgestelde wetswijziging wordt duidelijk afgebakend wanneereen embryomodel dezelfde bescherming verdient als een «echt» embryo.De genoemde medisch-ethische balans wordt hierdoor ook bereikt bijonderzoek met embryomodellen.Het belangrijkste onderdeel van het wetsvoorstel is de aanpassing van dedefinitie van embryo. De huidige definitie in de wet luidt: «embryo: cel ofsamenhangend geheel van cellen met het vermogen uit te groeien tot eenmens». Voor embryomodellen is niet te onderzoeken of ze kunnenuitgroeien tot mensen. Het is daardoor niet of nauwelijks te onderbouwenof deze embryomodellen onder de definitie vallen. Door de voorgesteldewetswijziging wordt in de definitie duidelijk gemaakt wanneer eenembryomodel als embryo wordt beschouwd. Uit de nieuwe definitie volgtdat embryomodellen die een intact embryo volledig nabootsen (kortweg:een intact embryomodel) onder de Embryowet vallen. Dit kan wordenbepaald door bij zo’n embryo te kijken naar de ontwikkeling van functiesdie essentieel zijn voor doorgaande ontwikkeling.Al vroeg in de embryonale ontwikkeling zijn beginstadia van «essentiëlefuncties» te onderscheiden. Bijvoorbeeld cellen die later het hart, het breinen de placenta zullen vormen. Het ontwikkelen van deze functies isnoodzakelijk voor doorgaande ontwikkeling tot een foetus en mens. Alszo’n functie ontbreekt kan een embryomodel zich misschien gedeeltelijkontwikkelen, maar is ontwikkeling tot een foetus uitgesloten. Nederlandseonderzoekers ontwikkelden bijvoorbeeld een embryomodel die deontwikkeling van een embryo slechts deels nabootst: de cellen die laterhet brein en hart moeten vormen ontbraken. Zo’n embryomodel isniet-intact en valt niet onder de nieuwe definitie in het wetsvoorstel vande Embryowet. Pas wanneer alle essentiële functies zich ontwikkelen iseen embryomodel intact en wordt het als embryo beschouwd volgens ditwetsvoorstel.Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1. Aanleiding De Embryowet is op 1 september 2002 in werking getreden en steltgrenzen aan handelingen met geslachtscellen en embryo’s.1 DeEmbryowet regelt gevoelige materie die raakt aan fundamentele waardenwaaraan niet door iedereen hetzelfde gewicht wordt toegekend. Met de inde Embryowet vastgestelde grenzen heeft de wetgever beoogd eenevenwicht te vinden tussen enerzijds het respect voor (beginnend)menselijk leven en anderzijds het belang van andere waarden, zoals de1Wet van 20 juni 2002, houdende regels inzake handelingen met geslachtscellen en embryo’s(Stb. 2002, 338).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 33 vooruitgang van de medische wetenschap en de kwaliteit en veiligheidvan de (toekomstige) (voortplantings)geneeskunde.2In 2020–2021 is de Embryowet in opdracht van het Ministerie vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport door ZonMW voor de derde keergeëvalueerd. De evaluatieonderzoekers concludeerden dat de Embryowetin algemene zin goed functioneert en dat de Centrale CommissieMensgebonden Onderzoek (CCMO) haar toetsende rol bij wetenschap-pelijk onderzoek met embryo’s en foetussen op adequate wijze vervult. Deevaluatie onderzocht ook de vraag of met een behoorlijke wetsuitvoeringook het kerndoel van de Embryowet – bescherming van (beginnend)menselijk leven en de menselijke waardigheid in een evenwichtigeafweging met andere belangen – wordt bereikt. Het evaluatieonderzoekwees uit dat dit in toenemende mate niet het geval is.Enerzijds hebben de evaluatieonderzoekers geconstateerd dat specifiekeonderdelen van de Embryowet te veel bescherming aan beginnendmenselijk leven bieden en te weinig rekening houden met anderebelangen, zoals het kunnen uitvoeren van belangrijk wetenschappelijkonderzoek.3 Anderzijds beschreven de onderzoekers een tweedeprobleem, namelijk dat «er momenteel handelingen met embryo’s enbijzondere menselijke cellen mogelijk zijn waarvan het onduidelijk is of dieonder de bescherming van de Embryowet vallen of zouden moetenvallen».4Deze wetsevaluatie is de directe aanleiding voor dit wetsvoorstel. In dewetsevaluatie zijn kort samengevat de volgende aanbevelingen gedaanmet directe gevolgen voor de Embryowet:5•Het aanpassen van de definitie van embryo zodat beter rekening wordtgehouden met de stand van de wetenschap. Bepaalde typenembryoachtige structuren (embryo-like structures; ELS) en bepaaldetypen mens-diercombinaties zouden onder de Embryowet moetenworden gebracht.•Het opheffen van het verbod op het doen ontstaan van embryo’s vooronderzoek.•Het uitvoeren van onderzoek naar de wenselijkheid en aanvaardbaar-heid van het opschuiven van de veertiendagengrens voor onderzoekmet embryo’s.•Het nemen van stappen om het categorische verbod op reproductievekiembaanmodificatie om te zetten in een voorwaardelijke toelating.•Reguleren dat in de toekomst al het onderzoek waarbij de toestand vande foetus naar verwachting wordt gewijzigd door de CCMO wordtgetoetst.•Het wegnemen van belemmeringen voor onderzoek met foetussen datmede is gericht op (het aantonen van) de meerwaarde van prenatalebehandeling boven behandeling na de geboorte.Bij brief van 17 oktober 2022 heeft de vorige regering een reactie gegevenop de aanbevelingen uit de evaluatie. Sindsdien is gewerkt aan eenwetswijziging op basis van de evaluatie, waarvan dit voorstel het resultaatis.2Kamerstukken II 2000/01, 27 423, nr. 3, p. 5.3Derde evaluatie Embryowet (W.J. Dondorp, M.C. Ploem, G. M.W.R. de Wert, M.C. de Vries enJ.K.M. Gevers); ZonMW, februari 2021; bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26,p. 193–194.4Derde evaluatie Embryowet (bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 194–195).5Derde evaluatie Embryowet (bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 197–206).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 34 De regering heeft niet de wens om alle aanbevelingen uit de derdewetsevaluatie over te nemen. Zo wordt de aanbeveling over het opheffenvan het verbod op het tot stand brengen van embryo’s voor onderzoeks-doeleinden niet overgenomen.Bij de uitwerking van dit wetsvoorstel heeft de regering voor de verschil-lende aanbevelingen telkens een afweging gemaakt of, en zo ja op welkemanier, invulling wordt gegeven aan de betreffende aanbeveling. Bij hetinvulling geven aan de voorgestelde wijzigingen is steeds geprobeerd omhet doel van de Embryowet zo goed mogelijk te bewaken. Er is voort-durend getracht een balans te vinden tussen verschillende belangen, zoalsde beschermwaardigheid van (beginnend) menselijk leven en hetwetenschappelijk onderzoek. Hierover moet worden opgemerkt dat inbepaalde mate rekening gehouden is met (toekomstige) ontwikkelingenop het gebied van de biotechnologie, maar dat anticiperen op toekom-stige ontwikkelingen echter grenzen kent. Gelet op de doorgaandewetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen zal het ook in detoekomst nodig zijn om te bekijken of voldoende recht wordt gedaan aande balans tussen de belangen, en of de gekozen ordening in deEmbryowet en aanpalende wetgeving volstaat.In deze memorie van toelichting wordt ingegaan op de wijzigingen dieworden voorgesteld op basis van de aanbevelingen uit de wetsevaluatie.Omdat veel van de aanbevelingen voortkomen uit nieuwe wetenschappe-lijke ontwikkelingen op het gebied van de embryologie en biotechnologie,zullen deze ontwikkelingen eerst in de volgende paragrafen van dithoofdstuk worden toegelicht. Vervolgens wordt ingegaan op de voorge-stelde aanpassingen. De belangrijkste wijziging wordt toegelicht inhoofdstuk 2: de aanpassing van de definitie van embryo. Dit betreft eenfundamentele wijziging waarin beide kernwaarden – de beschermwaar-digheid van (beginnend) menselijk leven enerzijds en het belang van devooruitgang van de medische wetenschap anderzijds – een plaats moetenkrijgen. Deze wijziging van de definitiebepaling kan niet los worden gezienvan de randvoorwaarden voor onderzoek met embryo’s. Deze randvoor-waarden zullen daarom worden aangepast en toegespitst op verschillendetypen embryo’s. Deze wijzigingen worden beschreven in hoofdstuk 3.Hoofdstuk 4 gaat in op de overige wijzigingen, al dan niet op basis van deaanbevelingen uit de wetsevaluatie. In dit hoofdstuk wordt ook ingegaanop de regulering van mens-diercombinaties en onderzoek met foetussen.Hoofdstuk 5 bevat een overzicht van de aanbevelingen die niet wordenopgevolgd met onderbouwing daarvan. Hoofdstuk 6 beschrijft degevolgen van de wijzigingen voor onder andere de onderzoekspraktijk. Inhoofdstuk 7 wordt de verhouding van het wetsvoorstel tot andere wettentoegelicht. Daarbij wordt onder meer ingegaan op de belangrijksteraakvlakken tussen het wetsvoorstel en het voorstel voor de Wetzeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl). Tot slot wordt in hoofdstuk 8ingegaan op de toetsing, consultatie en verwerkte adviezen.1.2. Aanjagers van nieuwe ontwikkelingen: celkerntransplantatie engeïnduceerde pluripotente stamcellen (iPS) Wetenschappelijke ontwikkelingen kunnen ertoe leiden dat de wettelijkedefinitie van embryo aanpassing behoeft. In de paragrafen 1.2 tot en met1.5 worden relevante wetenschappelijke ontwikkelingen uiteengezet dieinvloed hebben op hoe tegen embryo’s wordt aangekeken, en daarmee opde definitie van het begrip «embryo» in de Embryowet.In de aanloop naar de totstandkoming van de Embryowet in de jarennegentig van de vorige eeuw, was het conceptvoorstel voor een definitie«resultaat van samensmelting van menselijke geslachtscellen voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 35 geboorte».6 Al snel bleek deze definitie niet toekomstbestendig vanwegede mogelijkheid van celkerntransplantatie. Dit is een techniek waarbij dekern van een eicel wordt verwijderd en wordt vervangen door de kern uiteen lichaamscel, bijvoorbeeld de celkern van een huidcel. Hiermeeontstaat een kloon van het organisme waarvan de lichaamscel afkomstigis. Deze techniek is nooit op menselijke eicellen toegepast maar het isaannemelijk dat dit wel mogelijk is.CellenAlle organen en weefsels in het menselijk lichaam zijn opgebouwduit cellen. Een cel is omgeven door een celmembraan en bevatvloeistof (cytoplasma) waarin zich een celkern en meerderecomplexe structuren (organellen) bevinden. De celkern bevat 99,9%van ons erfelijk materiaal, ook wel het nucleair genoom genoemd.Dit nucleair genoom is opgebouwd in de vorm van chromosomendie bestaan uit strengen DNA. De overige 0,1% van het DNA bevindtzich in de mitochondriën.Lichaamscellen of somatische cellen zijn de cellen in ons lichaamwaar de meeste organen en weefsels uit zijn opgebouwd. Dit zijnbijvoorbeeld huidcellen en darmcellen. Geslachtscellen zijn eicellenen zaadcellen. Deze cellen bevatten slechts de helft van het DNAvergeleken met andere lichaamscellen. Pas wanneer een eicel en eenzaadcel samensmelten bij bevruchting is er weer sprake van eencompleet genoom. Dit is anders bij celkerntransplantatie omdat indat geval de kern van de lichaamscel 99,9% van het erfelijk materiaalbevat van degene van wie de celkern afkomstig is, waardoor sprakeis van klonen.De ontwikkeling van celkerntransplantatie was aanleiding om devoorgestelde definitie van embryo zo aan te passen dat embryo’s die opbasis van celkerntransplantatie tot stand zijn gekomen ook onder de6Derde Evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 74; zie ook:Kamerstukken II 1992/93, 23 016, nr. 2 en Kamerstukken II 1994/95, 23 016, nr. 7.Figuur 1: de cel11 Deze afbeelding is gebaseerd op de afbeelding in het Gezondheidsraad kernadvies Nr. 2019/14;De regulering van cybriden en chimaeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 36 definitie vallen.7 Om die reden is in de Embryowet gekozen voor de nunog steeds vigerende definitie.Vigerende definitie van embryo: «cel of samenhangend geheel van cellenmet het vermogen uit te groeien tot een mens».Een volgende wetenschappelijke ontwikkeling die van belang bleek vooronderzoek met embryo’s was de mogelijkheid van geïnduceerdepluripotente stamcellen. In 2006 is door de Japanse wetenschapperShinya Yamanaka beschreven hoe een «normale» lichaamscel (zie vooruitleg tekstkader) gereprogrammeerd kan worden zodat er een geïndu-ceerde pluripotente stamcel ontstaat: een iPS-cel. Pluripotente stamcellenhebben de potentie om zich door te ontwikkelen tot verschillendeceltypes. iPS-cellen gedragen zich daarmee hetzelfde als embryonalestamcellen, terwijl er geen embryo nodig is om iPS-cellen te verkrijgen.iPS-cellen spelen daarom een steeds een grotere rol bij het tot standbrengen van embryomodellen.«Normale» lichaamscelMet «normale» lichaamscel wordt in deze toelichting steeds eensomatische cel bedoeld: een lichaamscel die geen geslachtscel (eicelof zaadcel) is en zich doorgaans al heeft gedifferentieerd tot eengespecialiseerde cel. Voorbeelden van «normale» lichaamscellen zijnhartcellen, bloedcellen en zenuwcellen.StamcellenStamcellen zijn cellen die zich nog niet tot een gespecialiseerde celhebben ontwikkeld. Dit celtype heeft nog de potentie om zich tedifferentiëren tot bijvoorbeeld een huidcel of spiercel. Er zijnverschillende soorten stamcellen te onderscheiden. In het kader vande Embryowet zijn embryonale stamcellen de belangrijkstecategorie. Een embryonale stamcel kan worden verkregen uit eenembryo van enkele dagen oud, vlak na de bevruchting. Embryonalestamcellen zijn pluripotente stamcellen. Pluripotente stamcellenhebben potentie om zich tot alle soorten cellen te ontwikkelen. Dit integenstelling tot bijvoorbeeld bipotente stamcellen, die nog maar tottwee celtypen kunnen ontwikkelen. Tot welk celtype een embryonalestamcel zich ontwikkelt hangt af van verschillende factoren,waaronder contact tussen de cellen onderling in de vroege ontwik-keling.Geïnduceerde pluripotente stamcellenGeïnduceerde pluripotente stamcellen (iPS-cellen) zijn stamcellengevormd uit «normale» lichaamscellen zoals een huidcel. Eenlichaamscel kan in het lab worden gereprogrammeerd waardoor decel weer pluripotent wordt en zich bijna hetzelfde gaat gedragen alseen embryonale stamcel. De iPS-cel die is ontstaan door ditreprogrammeren kan zich dus weer tot allerlei verschillende celtypenontwikkelen. Tot welk celtype een pluripotente stamcel zichontwikkelt hangt af van een specifieke celbehandeling in het lab.Hierbij kan gedacht worden aan het toevoegen van bepaaldegroeifactoren aan iPS-cellen.7Derde Evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 2626, p. 74.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 37 Het gebruik van deze iPS-cellen speelt een belangrijke rol in meerdereonderzoeksrichtingen (hieronder toegelicht). Sommige onderzoeksrich-tingen zijn hierdoor in stroomversnelling gebracht. Daarnaast zijn er ookandere ontwikkelingen geweest waar bij de totstandkoming van deEmbryowet nog geen rekening kon worden gehouden. In de volgendeparagrafen wordt ingegaan op de volgende ontwikkelingen:•In vitro geproduceerde geslachtscellen•Mens-diercombinaties•Embryoachtige structuren (embryo-like structures; ELS)1.3 In vitro geproduceerde geslachtscellen Een ontwikkeling die in de nabije toekomst relevant kan worden is demogelijkheid om in vitro, dus buiten het menselijk lichaam, geslachts-cellen te maken uit (pluripotente) stamcellen of zelfs uit «normale»lichaamscellen. Dit heet in vitro gametogenese (IVG). Geslachtscellen, diein functie overeenkomen met in het menselijk lichaam geproduceerdegeslachtscellen, maar op deze «kunstmatige» manier gevormd worden,worden hierna aangeduid als IVG-geslachtscellen.In de Embryowet worden «geslachtscellen» gedefinieerd als «menselijkezaad en eicellen». Bij de totstandkoming van de Embryowet zijn hierondervanzelfsprekend alleen de in het menselijk lichaam geproduceerdegeslachtscellen geschaard. Echter, IVG-geslachtscellen voldoen ook aandeze definitie, nadat zij in vitro uit stamcellen of andere lichaamscellenzijn geproduceerd. De definitie zegt immers alleen iets over de aard vande cellen, niet over de wijze van totstandkoming ervan.Huidig onderzoek richt zich op IVG door gebruik te maken van iPS-cellen.Dit betekent dat het mogelijk zal kunnen worden om een lichaamscelzodanig te behandelen dat een iPS-cel ontstaat, om die vervolgens dooreen specifieke behandeling te laten differentiëren (doorontwikkelen) toteen geslachtscel. Deze uit een iPS-cel ontwikkelde geslachtscel wordt eeniPS-geslachtscel genoemd en is dus een voorbeeld van eenIVG-geslachtscel.Door middel van bevruchting van twee in vitro geproduceerde geslachts-cellen (zoals iPS-geslachtscellen) of een in vitro geproduceerdegeslachtscel met een geslachtscel die in vivo (in het menselijk lichaam) isgeproduceerd, kunnen in de toekomst mogelijk embryo’s tot standworden gebracht die het vermogen hebben om uit te groeien tot eenmens. Een embryo dat tot stand is gebracht uit in vitro geproduceerdeFiguur 2: geïnduceerde pluripotente stamcellenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 38 geslachtcellen zal niet te onderscheiden zijn van een embryo uit in vivogeproduceerde geslachtscellen.Deze techniek zou in de toekomst gebruikt kunnen worden voor reproduc-tieve doeleinden. Het zou bijvoorbeeld een oplossing kunnen bieden voormensen die door een ziekte geen eigen geslachtscellen produceren en eenkinderwens hebben. Daarnaast zou deze techniek gebruikt kunnen wordenvoor het maken van modellen voor embryo-onderzoek. Het kan danbijvoorbeeld gaan om onderzoek naar processen in een ontwikkelendembryo (ontwikkelingsbiologie) of de eerste aanleg van organen in eenembryo.1.4. Mens-diercombinaties In de vigerende Embryowet wordt het tot stand brengen van en hetuitvoeren van handelingen met mens-dier combinaties aan bandengelegd vanwege de menselijke waardigheid die in het geding kan zijn ende maatschappelijke gevoeligheid van dit type onderzoek. Het gaat hierbijom mengvormen van menselijke en dierlijke cellen of van menselijk endierlijk DNA. Er zijn verschillende typen van deze combinaties mogelijk,afhankelijk van de ontstaanswijze (zie voor een aantal varianten hettekstkader). In het kader van de voorgestelde wijziging van de Embryowetzijn twee type mens-diercombinaties relevant, namelijk chimaeren encybriden.Een chimaera is een entiteit die is samengesteld uit cellen van tweeverschillende «donoren», met andere woorden cellen die afkomstig zijnvan verschillende individuen of zelfs verschillende soorten.Als het gaat om embryo’s, dan zouden deze kunnen uitgroeien tot eenorganisme waarvan sommige cellen in het lichaam het genoom (DNA)hebben van de ene «donor» en andere cellen het genoom van de andere«donor». Wanneer zowel menselijke als dierlijke cellen zijn betrokken bijeen chimaera gaat het om een mens-diercombinatie. Het kan danbijvoorbeeld gaan om een embryo dat al tot een bepaald stadium isontwikkeld, waar stamcellen van een andere soort aan worden «toege-voegd». In de toekomst zal het wellicht ook mogelijk zijn om met een mixvan (pluripotente) stamcellen van verschillende soorten eenembryoachtige structuur tot stand te brengen (zie voor uitleg overembryoachtige structuren paragraaf 1.5). Ten tijde van het tot standkomen van de Embryowet twee decennia geleden, konden voor het totFiguur 3: voorbeeld hoe IVG-geslachtscel en IVG-embryo tot stand kan wordengebrachtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 39 stand brengen van chimaeren uitsluitend embryonale cellen wordengebruikt, omdat alleen die cellen pluripotente eigenschappen hadden. Metde voortschrijdende techniek is het inmiddels ook mogelijk om chimaerentot stand te brengen met iPS-cellen.Cybriden worden tot stand gebracht door de celkern van een «normale»menselijke lichaamscel in te brengen in een ontkernde eicel van eendierlijke soort. De cel die hieruit ontstaat bevat ongeveer 99,9% menselijkDNA en 0,1% dierlijk DNA en deelt zich vervolgens tot een meercelligeentiteit. Deze cybriden werden oorspronkelijk gezien als een alternatiefvoor «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s met als voordeel dat er geenmenselijke eicellen voor nodig zijn. Echter, de onderzoekstoepassingenzijn zeer beperkt omdat de cybriden zich niet of nauwelijks in vitro kunnendoorontwikkelen. Op dit moment bestaat er geen type cybride waarvan dekans aanwezig is dat deze uit kan groeien tot een mens.Van de nu bekende mogelijke toepassingen van mens-diercombinaties, isonderzoek waarbij menselijke organen in dieren worden gekweekt hetbelangrijkste. Hierbij moet worden opgemerkt dat de technologie nog nietzover is om dit in vivo mogelijk te maken. Denk hierbij aan een varkens-embryo waarin menselijke stamcellen worden geplaatst die een mense-lijke lever in het embryo ontwikkelen. Het gaat hierbij om zogenaamdehumane iPSC-chimaeren (hiPSC-chimaeren): chimaeren die humaneiPS-cellen bevatten. Het doel is dat het varken zich dan ontwikkelt als een«normaal» varken, maar met een menselijke lever. Deze menselijke leverzou dan vervolgens kunnen worden getransplanteerd naar een mens.ChimaerenEen chimaera is in de biologie een mengsel van twee soorten cellenmet elk verschillend genetisch materiaal binnen één organisme. Ditkan gaan om een mens, waarbij in een vroeg ontwikkelingsstadiumeen toevallige versmelting heeft plaatsgevonden van twee verschil-lende embryo’s tot een enkel embryo. Het kan bij een chimaera ookgaan om verschillende soorten waarbij een gedeelte van de cellenafkomstig is van de ene soort, en het overige gedeelte van eenandere soort, waarbij sprake kan zijn van een mens-diercombinatie.Humane iPSC-chimaerenEen iPSC-chimaera ontstaat door het inbrengen van humaneiPS-cellen in een dierlijk embryo, waardoor een dierlijk embryo metdeels menselijke cellen ontstaat. Deze chimaeren zijn relevant vooronderzoek naar de mogelijkheid van het kweken van menselijkeorganen in dieren.CybridenCybriden worden tot stand gebracht door de kern van een «normale»lichaamscel in te brengen in een ontkernde eicel van een dierlijkesoort (zie ook de uitleg over celkerntransplantatie). De hieruitontstane cel bevat ongeveer 99,9% menselijk DNA en 0,1% dierlijkDNA.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 310 1.5. Embryo-like structures (ELS) Een ontwikkeling die door het gebruik van iPS-cellen ook in een stroom-versnelling is geraakt, is de mogelijkheid om onderzoek te doen metzogenaamde embryoachtige-structuren (embryo-like structures; ELS). ELSzijn zichzelf organiserende structuren van (pluripotente) stamcellen die,nadat ze tot stand zijn gebracht, beschouwd kunnen worden als modelem-bryo’s die de driedimensionale ontwikkeling van een embryo geheel ofgedeeltelijk nabootsen.Een voordeel van deze technologie is dat er onderzoek gedaan kanworden naar processen die in een embryo plaatsvinden zonder datdaarvoor embryo’s door middel van bevruchting tot stand hoeven teworden gebracht. ELS-onderzoek biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid omonderzoek te doen naar de vorming van organen, afhankelijk van deontwikkelingsfase die nagebootst wordt. Dit kan relevante informatiegeven over hoe genetische afwijkingen de vroege ontwikkeling vanorganen beïnvloeden en waarom bepaalde organen al dan nietaangedaan zijn door een erfelijke ziekte. Ook kan de invloed van externefactoren op de ontwikkeling onderzocht worden. Dergelijk onderzoek kanmogelijk bijdragen aan het verbeteren van de slagingskans vanIVF-behandelingen en het voorkomen van ziekten.Overigens kan onderzoek met ELS, zoals ook aangegeven in de wetseva-luatie, het onderzoek met «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s nietvolledig vervangen.8 In de eerste plaats omdat de ontwikkeling vanaf hetmoment van de bevruchting naar de eerste ontwikkelingsstadia hiermeeniet nagebootst kan worden. Immers, op het moment dat de samenge-brachte stamcellen een zichzelf organiserende structuur vormen (kort nahet tot stand brengen van ELS), komen ELS al overeen met een embryodat al een aantal dagen is doorontwikkeld. Een voorbeeld hiervan zijnzogenaamde blastoids die lijken op embryo’s in het blastocyste stadium:een embryo dat al vijf dagen ontwikkeld is. Een ander voorbeeld zijngastruloids die lijken op embryo’s in het gastrulatie stadium, dat norma-liter plaatsvindt rond dag veertien. In de tweede plaats omdat er ookgecontroleerd moet worden of de tot stand gebrachte ELS daadwerkelijkeen embryo nabootsen. Desondanks bieden ELS de mogelijkheid om8Derde Evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 36.Figuur 4: cybriden en chimaeren11 Deze afbeelding is gebaseerd op de afbeelding in het Gezondheidsraad kernadvies Nr. 2019/14;De regulering van cybriden en chimaeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 311 waardevol onderzoek te doen naar de vroege ontwikkeling van eenembryo, zowel fundamenteel onderzoek als meer toegepast onderzoek.Daarnaast is het van belang om op te merken dat er verschillende typenELS zijn. De meeste typen ELS bootsen slechts een embryo gedeeltelijkna. Deze ELS missen namelijk voorlopercellen en structuren die essentieelzijn voor een complete embryonale ontwikkeling. Nederlandse onder-zoekers ontwikkelden bijvoorbeeld ELS die vroege ontwikkeling laten zienwaarbij de voorlopers voor brein- en hartstructuren ontbreken.9 Daarnaastvormen de extra-embryonale structuren zoals de placenta en dooierzakzich bij de meeste ELS niet. Bovendien is het mogelijk om, als er bijonderzoek interesse is in één specifiek proces, ELS genetisch zo teprogrammeren dat ontwikkelprocessen van structuren en organen waarhet onderzoek zich niet op richt, actief tegen te houden.In de toekomst zal het vermoedelijk ook mogelijk zijn om een type ELS totstand te brengen dat wel een intact10 embryo nabootst en dat zodanig opeen «klassiek» tot stand gebracht embryo lijkt, dat – als de omstandig-heden daarvoor juist zouden zijn – het niet uit te sluiten is dat dat dezezich kan ontwikkelen tot een mens. Deze potentie is echter niet proefon-dervindelijk te onderzoeken vanwege de ethische bezwaren die aandergelijk onderzoek zouden kleven. Bij deze ELS is er sprake van eensamenhangend geheel van cellen, maar of deze cellen het vermogenhebben om uit te groeien tot een mens is niet vast te stellen. Dit is enkel teberedeneren.Tot slot is het theoretisch ook mogelijk om aan ELS (die al dan niet eenintact «klassiek» embryo nabootsten), dierlijke stamcellen toe te voegenwaardoor mens-diercombinaties ontstaan.Hoofdstuk 2. Wijziging van de definitie van embryo 2.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt een voorstel gedaan voor een nieuwe wettelijkedefinitie van embryo en onderbouwd waarom hiervoor gekozen is.In de vigerende definitie van embryo is enkel het vermogen om uit tegroeien tot een mens een onderscheidend criterium. Dit betekent datandere uit cellen bestaande entiteiten geen embryo’s zijn volgens dezedefinitie. De regering is het met de evaluatieonderzoekers eens dat hetvermogen om uit te groeien tot een mens niet langer hét criterium kan zijnom te bepalen wat een embryo is, en wat niet.11 De vigerende definitiegeeft in de praktijk niet altijd genoeg duidelijkheid. Embryo’s die nietlevensvatbaar zijn vanwege bijvoorbeeld een genetisch defect, maar weleen verre ontwikkeling kunnen doormaken, lijken te worden uitgeslotenvan het toepassingsbereik van de Embryowet. Bovendien is het ondui-delijk hoe de definitie zich verhoudt tot nieuwe wetenschappelijkeontwikkelingen zoals ELS, waarvan het niet praktisch te onderzoeken is ofer sprake is van een vermogen om uit te groeien tot een mens. In lijn methet voorstel uit de derde wetsevaluatie van de Embryowet zal daarom dedefinitie worden aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de inhet vorige hoofdstuk beschreven wetenschappelijke ontwikkelingen.9Moris, et al. An in vitro model of early anteroposterior organization during humandevelopment. Nature 582, 410–415 (2020).10Met een intact embryo wordt een embryo bedoeld waarbij geen essentiële functies ontbrekendie horen bij de embryonale ontwikkeling. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 2.3.11Derde Evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 73–87.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 312 Conform de aanbeveling in de wetsevaluatie zal de focus van de definitievan embryo niet meer uitsluitend liggen op het vermogen om uit tegroeien tot een mens. Om te komen tot een scherpere afbakening van hetbegrip «embryo», wordt bij de formulering van dit begrip ook rekeninggehouden met de ontstaanswijze van verschillende typen embryo’s. Hetvermogen om uit te groeien tot een mens blijft echter wel leidend om tebepalen welke typen entiteiten onder de definitie van embryo zoudenmoeten vallen. Deze potentie hangt immers nauw samen met een van deuitgangspunten van de Embryowet, de bescherming van beginnendmenselijk leven.2.2 Potentie om uit te groeien tot een mens Om tot een afbakening te komen (welke entiteit is een embryo in de zinvan de Embryowet en welke niet) moet eerst helder zijn wat er met hetvermogen om uit te groeien tot een mens bedoeld wordt. In de ethischeliteratuur wordt onderscheid gemaakt tussen actieve potentialiteit(hieronder ook intrinsieke potentialiteit genoemd) en passieve potentia-liteit.12 Dit onderscheid wordt hieronder toegelicht.Vanuit individuele lichaamscellen kan een nieuwe entiteit gevormdworden die in theorie het vermogen heeft om uit te groeien tot een mens.Bijvoorbeeld door van lichaamscellen iPS-cellen te maken en hiermee ELStot stand te brengen, die een intact «klassiek» embryo nabootsen. Ditbetekent niet dat van die lichaamscellen gezegd kan worden dat ze hetvermogen hebben om uit te groeien tot een mens. Lichaamscellen hebbeneen «passieve» potentie omdat ze niet uit zichzelf (actief) het vermogenhebben om uit te groeien tot een mens. De lichaamscellen moetentussenstappen ondergaan waarin ze zodanig worden bewerkt dat eennieuwe entiteit ontstaat (van lichaamscel naar stamcel en dan naar ELS)met eigenschappen die niet van zichzelf aanwezig zijn in de oorspronke-lijke cel of cellen.Bij embryo’s gaat het echter om een actieve, oftewel intrinsieke, potentievan de entiteit. De entiteit moet, in de juiste omgeving en in aanwezigheidvan de juiste stimulatiefactoren, zelf kunnen uitgroeien tot een mens. Ookeen eicel heeft deze intrinsieke potentie niet, maar na samensmelten meteen zaadcel wel. Er ontstaat dan een nieuwe entiteit die de potentie heeftom alle embryonale structuren te ontwikkelen. Dit geldt ook voorIVG-geslachtscellen: een enkele IVG-geslachtscel heeft geen potentie omuit te groeien tot een mens, maar na samensmelten met een andereIVG-geslachtscel of een «normale» geslachtscel ontstaat een nieuweentiteit die deze potentie wel kan hebben.Intrinsieke potentialiteit veronderstelt een organisme dat een autonomeontwikkeling doormaakt, waarbij de identiteit bewaard blijft.13 Dezeautonome ontwikkeling reikt niet zo ver dat die los kan plaatsvinden vande omgeving. Er is een bepaalde mate van ondersteuning nodig om deintrinsieke potentie waar te maken. Zo zal een embryo dat buiten debaarmoeder tot stand wordt gebracht de juiste kweekvloeistof nodighebben om zich te kunnen ontwikkelen en zal deze tijdig in de baarmoedermoeten worden geplaatst om zich daadwerkelijk te kunnen ontwikkelentot een mens. De afwezigheid van deze externe factoren verandert niets12A. Pareira Daoud, W. Dondorp, A. Bredenoord, G. de Wert: Rapportage van wetenschappelijkeresultaten van ZonMW project «SyntheticS embryo’s: an ethical reflection»; bijlage bijKamerstukken II 2022/23, 30 486, nr. 30, p. 7.13A. Pareira Daoud, W. Dondorp, A. Bredenoord, G. de Wert: Rapportage van wetenschappelijkeresultaten van ZonMW project «Synthetic embryo’s: an ethical reflection»; bijlage bij Kamer-stukken II 2022/23, 30 486, nr. 30, p. 830, p. 8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 313 aan de intrinsieke potentie. Als een embryo niet tijdig in een baarmoederwordt geplaatst, zal de innesteling niet meer kunnen plaatsvinden en zalhet embryo niet meer uit kunnen groeien tot een mens (ook niet als dezeop een later moment alsnog in een baarmoeder wordt geplaatst). Hetwordt dan echter nog steeds beschouwd als hetzelfde embryo.Als in het kader van de definitie gesproken wordt over het vermogen omuit te groeien tot een mens, wordt steeds gedoeld op de potentie van eentype entiteit. Het gaat niet om de vraag of een individueel tot standgebrachte embryo levensvatbaar is en daadwerkelijk de potentie heeft omuit te groeien tot een mens. Bij «klassiek» tot stand gebrachte embryo’sgeldt immers ook dat niet elk individueel embryo zich kan of zal dooront-wikkelen tot een levensvatbaar foetus en kind. Het gaat dus om de vraagof een bepaald type entiteit (zoals een «klassiek» tot stand gebrachtembryo, een embryo uit IVG-geslachtscellen of ELS) in zijn algemeenheiddeze potentie heeft of verwacht wordt te hebben. Dit is afhankelijk van deontstaanswijze en de kenmerken van de entiteit.2.3 Verschillende manieren van tot stand brengen Op basis van de huidige techniek zijn er naast embryo’s die op «klassieke»wijze tot stand worden gebracht drie andere wijzen van tot stand brengenvan embryo’s mogelijk of binnen redelijke termijn te voorzien, zoals inhoofdstuk 1 is toegelicht. Het gaat dan om onderstaande technieken. Pertechniek wordt toegelicht hoe deze zich verhoudt tot de vigerendeEmbryowet.1.Celkerntransplantatie (zie paragraaf 1.2): Een embryo dat tot stand isgebracht op basis van celkerntransplantatie valt onder de huidigedefinitie van embryo. In theorie hebben deze entiteiten namelijk depotentie om uit te groeien tot een mens. Voor reproductieve doelein-den mogen deze entiteiten niet worden gebruikt, vanwege het verbodop reproductief klonen van individuen. Daarnaast geldt het verbod ophet tot stand brengen van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek.Deze twee verboden leiden er samen toe dat embryo’s op basis vancelkerntransplantatie niet tot stand mogen worden gebracht.2.Tot stand brengen van ELS (zie paragraaf 1.5): De vigerende Embryo-wet reguleert ELS onvoldoende. Voor ELS die een intact «klassiek»embryo nabootsen is het onduidelijk of deze wel of niet onder dedefinitie van embryo (kunnen) vallen. Op de hierboven vermeldeverboden (verbod op klonen en verbod op speciaal kweken) wordt inparagraaf 3.1 nader ingegaan.3.Bevruchting op basis van een of meer IVG-geslachtscellen (zieparagraaf 1.3): Op dit moment is de techniek nog niet zodanigontwikkeld dat bevruchting door een of meer IVG-geslachtscellenmogelijk is, maar dit is niet uit te sluiten in de toekomst. Het isvoorstelbaar dat dergelijke embryo’s niet te onderscheiden zullen zijnvan een embryo uit in vivo geproduceerde geslachtscellen. IVG-embryo’s zouden daarmee onder de huidige definitie van embryovallen. Met de vigerende Embryowet gelden dus dezelfde bepalingenals voor «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s, waaronder eenverbod om deze voor onderzoeksdoeleinden tot stand te brengen. Ergeldt geen verbod op het tot stand brengen van embryo’s metIVG-geslachtscellen voor reproductieve doeleinden. Dit is echter metde huidige stand van de techniek niet op redelijke termijn voorzien.Het maken van een chimaera door cellen toe te voegen aan een embryo,zoals toegelicht in paragraaf 1.4, wordt niet gezien als een manier van totstand brengen van embryo’s. Het gaat hierbij in principe om een menselijkembryo dat al tot stand gebracht is, waaraan ná het tot stand brengendierlijke stamcellen zijn toegevoegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 314 Door middel van bovenstaande drie technieken kan in theorie een embryotot stand worden gebracht. Echter, door middel van deze technieken zijner ook varianten te maken van typen entiteiten die niet het vermogenhebben uit te groeien tot een mens. Dit kan aan de hand van voorbeeldenworden geïllustreerd:1.Als celkerntransplantatie wordt gebruikt om een cybride tot stand tebrengen, is de kans dat de cybride zich tot een embryo ontwikkeltmomenteel nihil. Onderzoek met cybriden wijst uit dat deze entiteitenniet of nauwelijks in vitro doorontwikkelen.2.Als ELS de voorloperceltypen missen die nodig zijn voor de aanleg vanessentiële functies (bijvoorbeeld de bloedsomloop, breinfuncties ofextra-embryonale functies), kan geen enkele van dat type entiteit zichvoldoende verder ontwikkelen, ongeacht de omstandigheden. In dezegevallen is geen sprake van ELS die een intact «klassiek» embryonabootsten. De essentiële functies ontstaan niet en daarmee heeft dittype entiteit ook niet het vermogen om uit te groeien tot een mens.3.Ook bij embryo’s die in de toekomst mogelijk tot stand kunnen wordengebracht met één of meer IVG-geslachtscellen, zal het mogelijk zijn eenvariant tot stand te brengen die niet het vermogen heeft uit te groeientot een mens. Op dit moment wordt namelijk onderzoek gedaan naarde mogelijkheid om de IVG-geslachtcellen (of de lichaamscel waaruitdeze ontstaan is) genetisch te bewerken, zodat de entiteiten die daaruittot stand worden gebracht niet uit kunnen groeien tot een mens.Bijvoorbeeld door de genen uit te schakelen die belangrijk zijn voor hetsuccesvol doorlopen van ontwikkelingsstappen of voor de aanleg vancruciale organen.De hierboven genoemde voorbeelden hebben gemeen dat het telkens nietgaat om een embryo-model die een intact «klassiek» embryo nabootst.Vooral de laatste twee voorbeelden kunnen desondanks een relevantebijdrage leveren aan wetenschappelijke kennis over de embryonaleontwikkeling, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van (erfelijke aandoe-ningen in) specifieke orgaansystemen.Als entiteiten niet dezelfde essentiële functies ontwikkelen als eenembryo, waardoor ze niet het vermogen hebben uit te groeien tot eenmens, ligt het niet voor de hand om deze entiteiten in de Embryowet tereguleren. Het uitgangspunt is dat entiteiten alleen onder de voorgesteldedefinitie van embryo zullen vallen voor zover redelijkerwijs verwacht kanworden dat ze de structuren en voorloperceltypen ontwikkelen, dieessentieel zijn voor de ontwikkeling van een «klassiek» tot stand gebrachtembryo.2.4 Voorgestelde definitie van embryo Het zoeken naar houvast heeft na bestudering van de evaluatie ertoegeleid dat bevruchting een plek krijgt in de definitie. Het ontstaan van eenembryo door bevruchting is een concreet en relatief eenvoudig af tebakenen ontstaansproces. Het uitgangspunt dat embryo’s op verschil-lende wijzen kunnen ontstaan – en dat de beschermwaardigheid daar nietvan afhangt – wordt behouden. Door in de definitie het ontstaan van eenembryo door bevruchting te benoemen, is géén complete beschrijvinggegeven, maar wel een ijkpunt voor andere, minder eenvoudig teomschrijven ontstaanswijzen. Met andere woorden: door de entiteit diehet resultaat is van het proces van bevruchting als uitgangspunt te nemenis het mógelijk ook embryo’s onder de reikwijdte van de Embryowet tebrengen waarvan de kenmerken veel minder eenduidig zijn te beschrijven,namelijk door ze te relateren aan het «klassieke» embryo dat is ontstaandoor bevruchting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 315 Naast «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s zijn er drie entiteiten dievolgens de in paragraaf 2.3 geschetste redenering embryo’s zijn:1.Het resultaat van celkerntransplantatie (inclusief cybriden, mochtendeze ooit een intact «klassiek» embryo na kunnen bootsen).2.Het resultaat van bevruchting op basis van een of meer IVG-geslachtscellen dat een intact «klassiek» embryo nabootst.3.Een embryoachtige structuur (ELS) die een intact «klassiek» embryonabootst.De vraag is vervolgens wat het nabootsen van een intact «klassiek»embryo inhoudt. De afbakening van het begrip moet voldoende concreetzijn, zodat onderzoekers weten waar ze aan toe zijn. In de wetsevaluatiewordt erop gewezen dat het vermogen om uit te groeien tot een mensniet voldoende helderheid biedt omdat het niet altijd proefondervindelijkte onderzoeken is. Daarnaast is dit criterium te beperkend omdatniet-levensvatbare embryo’s lijken te worden uitgesloten. Daarom wordtin de wetsevaluatie voorgesteld om te spreken over een entiteit met eenmenselijk genoom die de ontwikkeling van een «klassiek» tot standgebracht embryo in alle stadia tot aan de geboorte repliceert.14 Degedachte hierachter is dat als een entiteit niet te onderscheiden is van een«klassiek» tot stand gebracht embryo, het ook dezelfde bescherming zoumoeten krijgen.Deze gedachte deelt de regering met de opstellers van de wetsevaluatie.De regering zal echter in het voorgestelde wetsvoorstel niet het criterium«alle stadia tot aan de geboorte repliceert» hanteren, om de volgenderedenen:•Met het in de wetsevaluatie geformuleerde criterium worden debezwaren uit diezelfde evaluatie niet geheel vermeden. Embryo’s dieniet levensvatbaar zijn, maar wel een verre ontwikkeling kunnendoormaken, worden mogelijk nog steeds uitgesloten van het toepas-singsbereik van de Embryowet. Ook blijft onduidelijk hoe de definitiezich verhoudt tot ELS, waarvan het niet praktisch te onderzoeken is ofer sprake is van eenzelfde ontwikkeling tot zo’n vergevorderd stadium.De vermelding «tot aan de geboorte» zou kunnen suggereren datonderzoekers en toetsingscommissies te ver vooruit moeten specule-ren over een ontwikkeling die in de praktijk niet zichtbaar zal zijn.•In ELS verlopen in de eerste fase na het samenbrengen van destamcellen, maar ook daarna, bepaalde ontwikkelingsprocessenanders dan in «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s. Dit hoeft echternog niets te zeggen over het ontwikkelingspotentieel, omdat de entiteitwel beschikt over dezelfde structuren en functies en mogelijk dus ookverdergaande ontwikkelingspotentieel heeft. Dit roept de vraag op ofgesproken kan worden van het repliceren van de gehele ontwikkeling.Met oog op bovenstaande wordt voorgesteld om als criterium niet «hetrepliceren van de ontwikkeling» te hanteren. In plaats daarvan wordtverwezen naar het ontstaan van dezelfde essentiële functies als bij een«klassiek» tot stand gebracht embryo. Ook wordt voorgesteld om dehypothetische vergelijking met een «klassiek» tot stand gebracht embryoniet te baseren op «de ontwikkeling tot de geboorte» maar op eenspecifieke periode in de vroege ontwikkeling van een embryo. Degedachte is echter hetzelfde als in de aanbeveling van de wetsevaluatie:als een entiteit niet te onderscheiden is van een «klassiek» tot standgebracht embryo, waardoor de verwachting bestaat dat deze entiteit zichuiteindelijk kan ontwikkelen als een «klassiek» tot stand gebracht embryo,dan valt die entiteit onder de definitie.14Derde evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II, 2020/21, 30 486, nr. 26, p.12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 316 De voorgestelde definitie voor embryo luidt als volgt:embryo:a.entiteit die het resultaat is van het samensmelten van een in hetmenselijk lichaam geproduceerde eicel met een of meer in hetmenselijk lichaam geproduceerde zaadcellen; ofb.entiteit met een menselijk nucleair genoom, waarvan redelijkerwijsverwacht kan worden dat, als ontwikkeling tot en met de gastrulatiezou plaatsvinden, dezelfde essentiële functies voor doorgaandeontwikkeling ontstaan als bij een entiteit als bedoeld onder a en die hetresultaat is van:1°.het samensmelten van een of meer in vitro geproduceerdegeslachtscellen met een of meer in het menselijk lichaam geprodu-ceerde geslachtscellen;2°.het samensmelten van in vitro geproduceerde geslachtscellen;3°.het samenbrengen van pluripotente stamcellen;4°.celkerntransplantatie; of5°.een andere wijze van tot stand brengen.Als de verwachting bestaat dat een entiteit bij ontwikkeling tot en met degastrulatie dezelfde essentiële functies ontwikkelt als een «klassiek» totstand gebracht embryo, dan kan worden gesteld dat het gaat om eenentiteit die een intact «klassiek» embryo nabootst. Deze entiteit wordt dandus aangemerkt als embryo. Hieronder worden de verschillendeelementen van onderdeel b nader toegelicht.«dezelfde essentiële functies voor doorgaande ontwikkeling ontstaan»Bij «het ontstaan van essentiële functies» gaat het om het ontstaan vanfuncties die in een «klassiek» tot stand gebracht embryo aanwezig zijn enin samenhang nodig zijn voor verdere doorontwikkeling tot – in theorie –een foetus. Voorbeelden van zulke functies zijn de circulatie, de neuralefuncties en de extra-embryonale functies. Het ontstaan van deze functieskan worden herkend aan het ontstaan van voorlopercellen, zoalsvoorlopercellen van hart-, brein- of placentacellen. Onder «essentiëlefuncties» worden ook extra-embryonale functies verstaan, omdatdoorontwikkeling zonder deze functies met de huidige stand van detechniek onmogelijk is. Hetzelfde geldt voor andere voorloperceltypen dieverantwoordelijk zijn voor aanleg van de verschillende (orgaan)functies:als deze niet aanwezig zijn zal weliswaar beperkte ontwikkeling mogelijkzijn waarbij een embryo gedeeltelijk wordt nagebootst, maar is er, zelfsonder optimale omstandigheden, geen doorgaande ontwikkeling mogelijktot aan een foetus of kind. Er is in dat geval ook geen sprake van hetnabootsen van een intact «klassiek» embryo.«als ontwikkeling tot en met de gastrulatie zou plaatsvinden»Tijdens de gastrulatie ontwikkelt het embryo zich tot een driedimensionalestructuur met drie gedifferentieerde kiemlagen, waaruit alle organen enweefsels van het embryo zich zullen ontwikkelen. Dit is een belangrijkstadium in de ontwikkeling van het embryo. Het verschijnen van de driekiemlagen op een anatomisch correcte manier is een duidelijk kernmerkvan een embryo dat zich op een normale manier ontwikkelt. Gedurendedit proces kunnen de voorlopers van verschillende essentiële functiesworden geïdentificeerd. Als de verwachting bestaat dat bepaalde ELS inde periode tot en met de gastrulatie dezelfde functies (inclusief deextra-embryonale functies) ontwikkelen als «klassiek» tot stand gebrachteembryo’s, dan is sprake van entiteiten die een intact «klassiek» embryonabootsten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 317 Met de verwijzing naar de gastrulatie wordt voorkomen dat onderzoekersof toetsingscommissies te ver vooruit moeten speculeren over eentheoretische ontwikkeling voorbij dit stadium, die in de praktijk nietzichtbaar zal zijn. Daarnaast voorkomt deze verwijzing dat entiteiten diepas in een vergevorderd stadium afwijken van een «klassiek» embryojuridisch niet als embryo worden aangemerkt. Dit is relevant omdat het inde toekomst wellicht mogelijk is om genetische defecten aan te brengenwaardoor ELS in een zeer laat stadium pas afwijken van «klassiek» totstand gebrachte embryo’s. Het zou dan bijvoorbeeld gaan om eengendefect dat late embryonale ontwikkeling blokkeert, maar niet tot uitingkomt gedurende de ontwikkeling in vitro. De regering is van mening dathet wenselijk is dat een dergelijke entiteit als embryo wordt aangemerkt.GastrulatieTijdens de gastrulatie ontwikkelt het embryo zich tot een driedimen-sionale structuur met drie gedifferentieerde kiemlagen (ectoderm,mesoderm en endoderm). Dit proces begint in «klassieke» embryo’songeveer rond dag veertien en start met de vorming van dezogenaamde primitiefstreep. De drie kiemlagen zullen later allebelangrijke orgaansystemen van het lichaam vormen: het ectodermmaakt het zenuwstelsel, het mesoderm de spieren en het endodermhet spijsverteringskanaal. De gastrulatie is een belangrijk stadium inde ontwikkeling van het embryo, omdat gedurende dit proces als hetware het lichaamsplan of de blauwdruk voor de verdere ontwikkelingontstaat.«waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat»Het is verboden, maar ook technisch niet mogelijk om een embryo zichlanger dan veertien dagen te laten ontwikkelen, wat betekent dat degastrulatie in de praktijk niet bereikt kan worden. Het gaat hierbij dus omeen verwachting: als van een type ELS redelijkerwijs verwacht wordt datdeze, bij doorgaande ontwikkeling tot en met de gastrulatie, dezelfdefuncties ontwikkelt als «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s ondervergelijkbare omstandigheden (dus in vitro), worden deze ELS aange-merkt als embryo. Dit hoeft niet proefondervindelijk uitgetest te worden.Van belang is de fictie: als een bepaalde entiteit in vitro daadwerkelijkvergeleken zou worden met een «klassiek» tot stand gebracht embryoonder vergelijkbare omstandigheden, en er geen wezenlijke verschillen tezien zijn of gemeten kunnen worden gedurende de ontwikkeling, wordt deentiteit gezien als een embryo. In de huidige praktijk (waarbij ontwikkelingtot en met de gastrulatie nog niet mogelijk is) gaat het er dus om dat er invitro tot aan het einde van de levensduur van de entiteit, geen wezenlijkeverschillen zijn in de essentiële functies die ontstaan.Als verwacht wordt dat de entiteit al in een eerder stadium zal afwijkenvan een «klassiek» tot stand gebracht embryo en dat dus de verwachtingbestaat dat de voorlopercellen van bepaalde essentiële functies niet zullenontstaan, valt de entiteit niet onder de definitie. De verwijzing naar degastrulatie brengt enkel tot uitdrukking tot en met wanneer eenverwachting moet worden opgemaakt, om te kunnen spreken van eenembryo. Uiteraard betekent dit niet dat er een beperkte tijdspanne bestaatwaarin de entiteit als embryo wordt gezien. Ook als de entiteit zich nogverder zou ontwikkelen voorbij dit stadium, blijft de entiteit die onder dezedefinitie valt, een embryo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 318 Daarnaast is van belang dat het gaat om een verwachting die hoort bij eentype entiteit. De verwachting wordt gevormd op basis van de wijze van totstand brengen en behandeling, waarbij ook gelet wordt op de stand vande wetenschap en techniek. Net als voor een «klassiek» tot stand embryohet geval is, zal elk individueel tot stand gebracht embryo als bedoeld inonderdeel b van de definitie niet exact dezelfde ontwikkeling doormaken.Door bepaalde afwijkingen of verschillen, zullen ook niet alle individueleexemplaren levensvatbaar zijn in de zin dat ze zich blijven ontwikkelen.Van een type entiteit kan de verwachting worden uitgesproken datdezelfde essentiële functies ontstaan als het type «klassiek» tot standgebracht embryo. Als een individueel tot stand gebracht exemplaar eenafwijking vertoont, waardoor het zich (ondanks deze verwachting) nietdoor ontwikkelt, wordt dat individuele exemplaar nog steeds gezien alseen embryo.In deze memorie van toelichting, en met name in de artikelsgewijzetoelichting, zullen «ELS die een intact «klassiek» embryo nabootsen»soms ook aangeduid worden als «embryo’s die tot stand zijn gebrachtdoor het samenbrengen van pluripotente stamcellen». Vanwege deontstaanswijze is dat namelijk hoe «ELS die een intact «klassiek» embryonabootsen» worden omschreven in het wetsvoorstel. Beide omschrij-vingen kunnen als uitwisselbaar worden beschouwd.Tot slot moet opgemerkt worden dat de verwijzing naar de gastrulatie inde definitie is ingegeven vanuit de wens om juridische helderheid tegeven en niet een oordeel impliceert over de beschermwaardigheid. Alshet in de toekomst mogelijk wordt om embryo’s zich langer dan veertiendagen te laten ontwikkelen, zal door de wetgever opnieuw moetenworden bezien of ELS die tot en met de gastrulatie dezelfde essentiëlefuncties ontwikkelen als een klassiek embryo maar daarna niet meer, welof niet onder het bereik van de Embryowet moeten (blijven) vallen.Ook voor de varianten die niet onder de Embryowet vallen omdat het typeniet dezelfde essentiële functies ontwikkelt als een «klassiek» tot standgebracht embryo en dus niet een intact embryo nabootst, kan hetwenselijk zijn om regels te stellen. Deze regulering zal (voornamelijk)plaatsvinden door middel van de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal, dienu nog als wetsvoorstel in behandeling is bij de Tweede Kamer.15 Hieropwordt in paragraaf 7.1 ingegaan.15Kamerstukken II 2020/21, 35 844, nr. 2 e.v.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 319 Hoofdstuk 3. Randvoorwaarden voor wetenschappelijk onderzoekmet embryo’s 3.1. Reproductieve doeleinden en onderzoeksdoeleinden In dit hoofdstuk worden de randvoorwaarden voor onderzoek metembryo’s behandeld. Embryo’s mogen momenteel in vitro alleen tot standworden gebracht voor reproductieve doeleinden (in het kader van eenIVF-traject). Onder strenge voorwaarden kunnen embryo’s die overblijvenna een IVF-behandeling worden gebruikt voor wetenschappelijkeonderzoeksdoeleinden. In deze paragraaf zal eerst worden ingegaan op derandvoorwaarden voor reproductieve doeleinden en daarna op derandvoorwaarden voor onderzoeksdoeleinden.Voor reproductieve doeleinden zullen, met de huidige stand van detechniek, alleen embryo’s mogen worden gebruikt die op «klassieke» wijzetot stand zijn gebracht. Andere manieren om een embryo tot stand tebrengen (celkerntransplantatie, ELS en IVG, zie ook hoofdstuk 1) kunnenen mogen wegens juridische en technische redenen (nog) niet wordengebruikt voor reproductieve doeleinden.•Als voor reproductieve doeleinden celkerntransplantatie wordtgebruikt om een embryo tot stand te brengen, is er sprake vanreproductief klonen. Er ontstaat dan namelijk een kloon van hetindividu waar de celkern van afkomstig is. Hiervoor geldt een verbod.•Als voor reproductieve doeleinden een embryo tot stand wordtgebracht uit pluripotente stamcellen, die verkregen zijn uit een individuSchema 1: vereenvoudigd overzicht onderdelen voorgestelde definitie11 Voor alle embryo’s in het schema geldt dat dezelfde regels van toepassing zijn als dierlijke stamcellen zijn toegevoegd en er dus sprake is van eenchimaera-embryo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 320 (dus ELS die een intact «klassiek» embryo nabootsten), is er ooksprake van reproductief klonen. Er ontstaat dan namelijk een kloon vande donor waar de pluripotente stamcellen van verkregen zijn. Dit isoverigens op dit moment nog niet mogelijk.•Als voor reproductieve doeleinden een embryo tot stand wordtgebracht met IVG-geslachtscellen van verschillende individuen is geensprake van reproductief klonen. Reproductieve toepassingen metIVG-geslachtscellen zijn voorlopig geen reële mogelijkheid,16 en er ismomenteel geen aanleiding om dit te verbieden in Embryowet.Voor onderzoeksdoeleinden mogen volgens de vigerende Embryowetalleen embryo’s die overgebleven zijn na een fertiliteitsbehandelinggebruikt worden. Een embryo mag niet speciaal tot stand wordengebracht ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek (het verbod opspeciaal kweken). Zoals hierboven aangegeven, zijn het altijd «klassiek»tot stand gebrachte embryo’s die voor reproductieve doeleinden wordengebruikt. Vanwege het huidige algehele verbod om embryo’s tot stand tebrengen speciaal voor wetenschappelijk onderzoek zouden de verschil-lende typen entiteiten van onderdeel b van de voorgestelde definitie geenvan allen gebruikt kunnen worden voor wetenschappelijk onderzoek. Dezeentiteiten zullen namelijk niet overblijven na een fertiliteitsbehandeling,hetzij omdat de techniek nog niet zo ver is (embryo’s uit IVG-geslachts-cellen), hetzij omdat het verbod op klonen niet zou toelaten dat ze voorreproductieve doeleinden worden gebruikt (ELS en celkerntransplantatie).In de praktijk zou dit een volledig verbod op embryomodellen die eenintact «klassiek» embryo nabootsen betekenen. De regering acht hetechter niet wenselijk om het tot stand brengen van ELS die een intact«klassiek» embryo nabootsen voor wetenschappelijke doeleinden teverbieden. Daarom wordt voorgesteld het verbod op het speciaal totstand brengen van embryo’s voor onderzoeksdoeleinden niet vantoepassing te laten zijn op ELS die een intact «klassiek» embryonabootsen. Op deze manier is het mogelijk om met dit type ELS medisch-wetenschappelijk onderzoek uit te voeren, mits voldaan wordt aan eenaantal randvoorwaarden.Een reden om een uitzondering te maken op voormeld verbod is dat ELSals alternatief voor onderzoek met «klassiek» tot stand gebrachteembryo’s kunnen dienen.17 Onderzoek met ELS die een intact «klassiek»embryo nabootsen kan inzichten bieden in de vroege ontwikkeling vanembryo’s die niet door middel van een ander type onderzoek zoudenkunnen worden verkregen. De medisch wetenschappelijke vooruitgang ende hieruit voortvloeiende mogelijke klinische toepassingen zoudenvolgens de regering te sterk worden beperkt wanneer het verbod op hetspeciaal tot stand brengen ook van toepassing zou zijn op ELS. Daarbijheeft de regering mee laten wegen dat zij onderzoek met ELS mindergevoelig acht dan onderzoek met «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s.Hiermee sluit de regering aan bij de denkwijze van burgers zoalsweergegeven in het Rathenau rapport «Gewicht in de schaal».18 Dit16De beoordeling of dergelijke toepassing veilig en effectief is zal primair bij de beroepsgroepliggen. De techniek is echter nog niet ver. Daarbij is, door het verbod op het speciaal tot standbrengen van embryo’s voor wetenschappelijke doeleinden, preklinisch onderzoek naar deeffectiviteit en veiligheid van deze techniek in Nederland niet volledig mogelijk.17Een concreet voorbeeld hiervan is een onderzoeksproject bij het Erasmus MC, het HubrechtInstitute en het RadboudUMC (Beyond the blastocyst: modeling human embryology with stemcells), waar vanuit embryonale stamcellen ELS worden gevormd die de ontwikkeling van eenintegraal (intact) embryo nabootsen vanaf het blastocyst stadium (vanaf 5 dagen). Dit typeonderzoek kan waardevolle informatie opleveren over onder andere de ontwikkeling van eenembryo vanaf dit stadium en mogelijk verder.18«Gewicht in de Schaal», Rathenau Instituut, 2020, specifiek pagina 37 en 38.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 321 rapport geeft onder andere weer hoe burgers staan tegenover mogelijkealternatieven voor onderzoek met restembryo’s. Hieruit blijkt datonderzoek met ELS19 de voorkeur heeft boven het gebruik van restem-bryo’s.Gegeven deze maatschappelijke ethische reflectie op de waarde vanwetenschappelijk onderzoek met ELS als alternatief voor «klassiek» totstand gebrachte embryo’s, meent de regering dat met de keuze om(uitsluitend) ELS uit te zonderen van het huidige verbod op speciaalkweken, tot een evenwichtige balans kan worden gekomen tussen debescherming van beginnend menselijk leven enerzijds en vooruitgang vande wetenschap anderzijds.Wat betreft de doeleinden waarvoor ELS in onderzoek gebruikt mogenworden, wordt aangesloten bij artikel 10, waarin is bepaald dat het moetgaan om de vaststelling van nieuwe inzichten op het terrein van demedische wetenschap.Bovenstaande betekent dat op het moment dat dit wetsvoorstel inwerking zou treden – naast embryo’s die op «klassieke» wijze tot stand zijngebracht voor fertiliteitsdoeleinden en daarna overblijven – enkel ELSgebruikt kunnen worden voor wetenschappelijk onderzoek met embryo’s.Schema 2: voorgestelde toegestane toepassingen van embryo’s onder de EmbryowetFertiliteitsbehandelingenWetenschappelijkonderzoek met embryo’sdie over zijn na eenfertiliteitsbehandelingWetenschappelijkonderzoek met tot standgebrachte embryo’s«Klassiek» tot standgebracht embryoToegestaan, IVF-behandelingenToegestaanNiet toegestaan wegensverbod op speciaalkwekenCelkerntransplantatieNiet toegestaan wegensverbod op klonenN.v.t.Niet toegestaan wegensverbod op speciaalkwekenIVGNiet verboden naar (nog)niet mogelijkNiet verboden, maar(nog) niet mogelijkNiet toegestaan wegensverbod op speciaalkwekenELSNiet toegestaan wegensverbod op klonenN.v.t.Toegestaan uitgezonderdvan verbod op speciaalkweken* Voor alle embryo’s in bovenstaand schema geldt dat dezelfde regels van toepassing zijn als dierlijke stamcellenzijn toegevoegd en er dus sprake is van een chimaera-embryo. 3.2 Ongewijzigde randvoorwaarden voor onderzoek met embryo’s Voor onderzoek met embryo’s geldt een aantal randvoorwaarden,waarvan de belangrijkste zijn:•Er is sprake van een ontwikkelgrens die bepaalt tot welk stadiumembryo’s in kweek zich door mogen ontwikkelen. Deze grens is nuvastgesteld op veertien dagen, uitgaande van embryo’s die op«klassieke» wijze tot stand zijn gebracht. De ontwikkelgrens wordtdaarom ook wel de veertiendagengrens genoemd.19In het onderzoek omschreven als «embryomodellen die zijn ontwikkeld op basis van eencombinatie van verschillende menselijke stamcellen uit volwassen cellen van een mens (zoalshuidcellen)».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 322 •De CCMO toetst als de daarvoor aangewezen medisch-ethischetoetsingscommissie het onderzoeksprotocol.•Het onderzoek moet deugdelijk zijn en kennis opleveren die van belangis voor de geneeskunde. Ook moeten er geen redelijke alternatievenbeschikbaar zijn voor het onderzoek met betreffende embryo’s(subsidiariteitseis). Deze aspecten zijn onderdeel van de toetsing doorde CCMO.Deze randvoorwaarden zullen (blijven) gelden voor onderzoek met alleembryo’s die onder de definitie vallen. Zoals hierboven geschetst zal hetin de praktijk gaan om «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s die zijnovergebleven van een fertiliteitsbehandeling en om ELS voor zover dezeonder de definitie van embryo vallen. Voor zover het niet mogelijk is omdezelfde bepalingen van toepassing te laten zijn voor ELS (zoals deveertiendagengrens) zullen deze op overeenkomstige wijze wordentoegepast. In de volgende paragraaf wordt dat toegelicht.3.3 Veertiendagengrens Het is verboden een embryo langer dan veertien dagen in kweek tehouden, geteld vanaf het moment van bevruchting.20 In de praktijk is hettot nu toe niet mogelijk menselijke embryo’s langer dan ten hoogste eenweek in kweek te houden. Het lijkt echter aannemelijk dat het binnenafzienbare tijd mogelijk is menselijke embryo’s langer in kweek te houden,zelfs voorbij de veertien dagen.De onderzoekers van de wetsevaluatie hebben twee aanbevelingengedaan met betrekking tot de veertiendagengrens als ontwikkelgrens voorembryo’s in het kader van wetenschappelijk onderzoek:1.Het vragen van advies aan de Gezondheidsraad over de wenselijkheiden aanvaardbaarheid van het opschuiven van deze veertiendagen-grens naar achtentwintig dagen. Deze aanbeveling is opgevolgd.212.Het vervangen van de veertiendagengrens door een formulering dieniet verwijst naar het aantal dagen van ontwikkeling maar naar eenspecifiek stadium van ontwikkeling, zoals het verschijnen van deprimitiefstreep.Deze tweede aanbeveling is ingegeven vanwege wetenschappelijkonderzoek met ELS. ELS zijn bij hun ontstaan equivalent aan een (deel vaneen) embryo dat al tot een bepaald stadium is ontwikkeld. Er wordennamelijk meerdere pluripotente stamcellen samengebracht en debevruchting en de eerste (vroege) ontwikkeling worden overgeslagen,zoals ook toegelicht in paragraaf 1.5. Veertien dagen na het tot standbrengen ervan zullen ELS die een intact «klassiek» embryo nabootsen(embryo’s volgens de voorgestelde definitie in onderdeel b) dus verderzijn ontwikkeld dan «klassieke» embryo’s. Over de vraag hoe dit vormge-geven kan worden, is – naast de vraag over de wenselijkheid en aanvaard-baarheid van het opschuiven van de veertiendagengrens – tevens adviesgevraagd bij de Gezondheidsraad.22De Gezondheidsraad heeft op 31 oktober 2023 advies over deze vragenuitgebracht. In dit advies wordt aanbevolen om de veertiendagengrens tevervangen door een achtentwintigdagengrens. Wegens de politiekegevoeligheid van dit onderwerp en de demissionaire status van hetkabinet ten tijde van de publicatie van het Gezondheidsraadadvies, is ditonderwerp bij gebrek aan tijdige besluitvorming hierover niet meege-20Artikel 24, onderdeel e, van de Embryowet.21Kamerstukken II 2022/23, 30 486, nr. 28, p. 9.22Kamerstukken II 2022/23, 30 486, nr. 28, p. 10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 323 nomen in het onderhavige wetsvoorstel. Met dit wetsvoorstel wordt deontwikkelgrens dus niet opgeschoven.Het advies over de formulering van de ontwikkelgrens voor ELS wordt welopgevolgd. De Gezondheidsraad adviseert om de ingeschatte ontwikkel-leeftijd bij het ontstaan van ELS af te trekken van de ontwikkelgrens diegeldt voor «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s.Naar aanleiding van dit advies wordt in artikel 24, onderdeel e,Embryowet verduidelijkt dat ELS zich niet langer dan veertien dagenmogen ontwikkelen vanaf het moment dat de samengebrachte cellen eenzichzelf organiserende structuur vormen met aftrek van de geschatteontwikkelingsleeftijd op datzelfde moment. De geschatte ontwikke-lingsleeftijd moet blijken uit het onderzoeksprotocol (artikel 3, eerste lid,Embryowet).Onderstaand voorbeeld geeft weer wat dit zou betekenen voor eenexperiment met ELS.GebeurtenisDag experimentCorresponderende dagembryonale ontwikkelingSamenbrengen pluripotentestamcellen–1/–2?Pluripotente stamcellenvormen een zichzelf organise-rend geheel06Experiment vordert ...1–77–13Ontwikkelgrens bereikt814 Dus vanaf dag 0, waarop de cellen een zichzelf organiserend geheelvormen en de corresponderende ontwikkelleeftijd op 6 dagen wordtingeschat, mag nog 14–6=8 dagen worden doorontwikkeld.3.4 Toetsing door de CCMO Een belangrijke randvoorwaarde bij onderzoek met embryo’s is demedisch-ethische toetsing van het onderzoeksprotocol waarin het(voorgenomen) onderzoek beschreven staat. Medisch-ethische toetsingvan wetenschappelijk onderzoek in het algemeen kan zowel decentraalplaatsvinden (door Medisch-Ethische Toetsingscommissies; METC’s) alscentraal (door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek; CCMO).Voor onderzoek met embryo’s, dat slechts in beperkte mate plaatsvindt, iservoor gekozen om gebruik te maken van de gebundelde expertise die deCCMO biedt. Er is een deskundige op het gebied van embryologie lid vande CCMO.23 Ook voor ELS die een intact «klassiek» embryo nabootsen isde CCMO de aangewezen commissie. Op deze manier blijft de samenhangin de toetsing voor alle onderzoeken met embryo’s gegarandeerd. Bijtwijfel over de vraag of bepaald onderzoek onder de Embryowet valt endus door de CCMO dient te worden getoetst, kan advies worden gevraagdaan de CCMO.Belangrijke toetsingscriteria zijn de volgende:24•Er is sprake van deugdelijk onderzoek dat zal leiden tot nieuweinzichten op het terrein van de medische wetenschap.23Artikel 14, tweede lid, Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen.24Artikel 10 Embryowet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 324 •Er zijn geen redelijke alternatieven voor het onderzoek met betreffendeembryo’s (subsidiariteitseis).De regering stelt voor deze criteria ook van toepassing te laten zijn oponderzoek met ELS die onder het bereik van de Embryowet vallen.Voordat ELS tot stand kunnen worden gebracht dient het onderzoekspro-tocol, dat beschrijft hoe deze tot stand worden gebracht en welkonderzoek hiermee uitgevoerd wordt, door de CCMO te worden beoor-deeld. De CCMO toetst of het deugdelijk onderzoek is dat van belang kanzijn voor de medische wetenschap en of dezelfde doelen niet bereiktkunnen worden op een andere wijze dan door onderzoek met embryo’s.Deze toetsing is nodig om een zorgvuldige praktijk te borgen. Het gaatimmers om onderzoek met embryo’s, er moet dus rekening wordengehouden met de beginselen van respect voor het menselijk leven en debeschermwaardigheid van het embryo. Er dient een zorgvuldige afwegingplaats te vinden of het belang van de wetenschappelijke vooruitgangvoldoende opweegt tegen het belang van de beschermwaardigheid vanbeginnend menselijk leven.Hoofdstuk 4. Overige wijzigingen 4.1 Regulering van mens-diercombinaties De discussie over regulering van bepaalde mens-diercombinaties loopt allanger. In het rapport van de tweede wetsevaluatie van de Embryowet uit2006 werd er al op gewezen dat iPS-cellen gebruikt kunnen worden omzogenaamde iPS-chimaeren tot stand te brengen, wat een ontwikkeling iswaarmee de opstellers van de Embryowet destijds geen rekening hebbenkunnen houden.25 Ook cybriden worden niet gereguleerd in deEmbryowet, terwijl deze bedoeld waren als mogelijk alternatief vooronderzoek met menselijke embryo’s. In deze paragraaf wordt devigerende regelgeving beschreven en een samenvatting gegeven van deadviezen over de regulering van mens-diercombinaties. Vervolgens wordtbeschreven hoe de voorgestelde Embryowet mens-diercombinatiesreguleert.Momenteel is het verboden om een uit menselijke en dierlijke dan welalleen menselijke embryonale cellen tot stand gebrachte chimaera zichlanger dan veertien dagen te laten ontwikkelen of in te brengen in eenmens of dier.26 Bij de totstandkoming van de Embryowet kondenchimaeren uitsluitend ontstaan door embryonale cellen bij elkaar tebrengen, omdat alleen die cellen pluripotente eigenschappen hadden. Metde voortschrijdende techniek is het momenteel ook mogelijk omchimaeren tot stand te brengen door iPS-cellen te combineren metdierlijke of menselijke embryo’s.Chimaeren die tot stand zijn gebracht met iPS-cellen vallen niet onder deeerder genoemde huidige verbodsbepalingen van de Embryowet omdatdaarin expliciet en uitsluitend wordt verwezen naar embryonale cellen. Ditbetekent dat deze verbodsbepalingen niet van toepassing zijn opchimaera-embryo’s die met iPS-cellen tot stand zijn gebracht. Hierom zijneerder over de mogelijke regulering van mens-diercombinaties adviezen25Kamerstukken II 2012/13, 30 486, nr. 4, p. 99.26Artikel 25 van de Embryowet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 325 gevraagd aan de Gezondheidsraad en aan de Afdeling Advisering van deRaad van State (hierna: Raad van State).27De Gezondheidsraad stelt voor om te komen tot een aparte regeling voormens-diercombinaties en andere controversiële biotechnologischeontwikkelingen.28 De Raad van State constateerde in 2019 dat het nog tevroeg is om nieuw biotechnologisch onderzoek volledig te reguleren,gelet op de onzekerheden en onvoorspelbaarheid van de ontwikkelingenen gelet op het beperkte onderzoek dat momenteel in Nederlandplaatsvindt. Ook adviseerde de Raad van State in de Embryowet voorlopigeen verbod op te nemen om cybriden, iPS-chimaeren en embryoachtigeentiteiten zich langer dan veertien dagen te laten ontwikkelen of eenverbod om deze entiteiten in een mens of dier in te brengen.29Sindsdien zijn er twee nieuwe ontwikkelingen: enerzijds de aanbevelingenuit de derde wetsevaluatie en anderzijds het voorstel voor de Wetzeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl) dat is ingediend bij de TweedeKamer.30 De Wzl zal waarborgen bieden met betrekking tot de zeggen-schap over lichaamsmateriaal en de toetsing van onderzoek. Ten tijde vande advisering door de Gezondheidsraad en de Raad van State en bij hettot stand komen van de derde wetsevaluatie kon met deze voorgenomenregelgeving nog geen rekening worden gehouden.De evaluatieonderzoekers stellen voor om mens-dierencombinaties,waarbij het menselijk aandeel van het DNA overheerst, via de Embryowette regelen.31 Voor de meeste typen mens-diercombinaties is dit al dehuidige praktijk. Het volgende voorbeeld verduidelijkt dit.Als er onderzoek wordt gedaan waarbij een menselijk embryo alsuitgangsmateriaal is genomen en het embryo wordt bewerkt door hettoevoegen van dierlijke stamcellen (embryonale stamcellen of iPS-cellen)of het inbrengen van dierlijke genen in het genoom, valt dit onderzoek alonder de Embryowet. Een embryo dat op deze manier wordt aangepast, isnog steeds een embryo. Dit geldt voor embryo’s onder zowel onderdeel aals b van de voorgestelde definitie. Het bewerken van het embryoverandert niets aan de status of aan de regels die erop van toepassingzijn. Zo begint het tellen voor de veertiendagengrens niet opnieuw na hetbewerken van het embryo. Alle waarborgen van de Embryowet die vantoepassing zijn op het menselijk embryo dat voor het onderzoek gebruiktwordt blijven onverminderd van toepassing op het aangepaste embryo(ook als dat een chimaera-embryo betreft). Het is daarom niet nodig omhiervoor de definitie van embryo aan te vullen, zoals voorgesteld in dewetsevaluatie.Rekening houdend met de ontwikkeling van iPS-cellen is het wel nodigeen aantal verbodsbepalingen aan te passen. De twee verbodsbepalingen(de ontwikkelgrens en het verbod ze in te brengen in mens of dier)moeten niet alleen van toepassing zijn op menselijke embryo’s waarindierlijke embryonale stamcellen zijn ingebracht, maar ook op menselijkeembryo’s waarin dierlijke iPS-cellen zijn gebracht (zie ook paragraaf 1.4).27«De regulering van cybriden en chimaeren», Nr. 2019/24, 17 juli 2019; Bijlage bij Kamer-stukken II 2019/20, 34 990, nr. 4. Voorlichting van de Afdeling Advisering van de Raad vanState betreffende de regulering van cybriden en chimaeren, 4 december 2019; Bijlage bijKamerstukken II 2020/21, 34 990, nr. 8.28«De regulering van cybriden en chimaeren», Nr. 2019/24, 17 juli 2019, pagina 34; Bijlage bijKamerstukken II 2019/20, 34 990, nr. 4.29Voorlichting van de Afdeling Advisering van de Raad van State betreffende de regulering vancybriden en chimaeren, 4 december 2019, pagina 1; Bijlage bij Kamerstukken II 2020/21,34 990, nr. 8.30Kamerstukken II 2020/21, 35 844, nr. 2.31Derde Evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 14.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 326 Als het gaat om dierlijke embryo’s waarin menselijke iPS-cellen zijngebracht (in paragraaf 1.4 aangeduid als hiPS-chimaeren), wordt deaanbeveling opgevolgd om deze entiteiten niet te reguleren via deEmbryowet omdat het aandeel dierlijk DNA overheerst.32 Hierbij is geensprake van een menselijk embryo maar van een dierlijk embryo en er zijnook geen embryonale cellen gebruikt. Regulering zal dus op andere wijzeplaatsvinden (zie daarvoor paragraaf 7.2).In paragraaf 2.3 is al toegelicht dat cybriden het resultaat zijn vancelkerntransplantatie. Wanneer het ooit technisch mogelijk is om eenbepaald type cybride tot stand te brengen die een intact «klassiek»embryo nabootst en daarmee de potentie heeft uit te groeien tot eenmens, valt dit type cybride automatisch onder onderdeel b van devoorgestelde definitie. Er kan dan worden gesproken van een cybride-embryo. Om deze reden verwijst de definitie naar «menselijk nucleairgenoom». Bij een cybride zou het mitochondriaal DNA buiten de celkern(dus buiten het nucleaire genoom) niet van menselijke oorsprong zijn,maar dat geeft geen aanleiding om de embryo’s een andere morele statustoe te kennen.In de wetsevaluatie wordt de aanbeveling gedaan om alle cybriden onderde reikwijdte van de Embryowet te brengen omdat het gaat ommens-diercombinaties waarbij het menselijk deel van het DNAoverheerst.33 Er is gekozen om dit niet te doen. Bij een cybride die geenintact «klassiek» embryo nabootst, is er geen sprake van beginnendmenselijk leven. De Embryowet, die tot doel heeft de bescherming vanbeginnend menselijk leven te waarborgen, is daarmee niet de aange-wezen plek om regels te stellen aan deze entiteiten. Bovendien zou hetreguleren van alle cybriden niet in lijn zijn met de voorgesteldeafbakening van andere typen embryo’s. Denk hierbij aan ELS die,afhankelijk van de mate waarin ze een intact «klassiek» embryonabootsen, wel of niet onder de Embryowet vallen.Onderzoek met cybriden die zich niet een intact «klassiek» embryonabootsen en dus buiten de Embryowet vallen, zal gereguleerd wordenvia de Wzl. Dit is het meest passend omdat bij het tot stand brengen vancybriden gebruik wordt gemaakt van «normaal» lichaamsmateriaal. Er isgeen sprake van het gebruik van (of tot stand brengen van) geslachts-cellen, embryonale cellen of embryo’s. Op deze manier worden cybridendus op dezelfde manier gereguleerd als andere entiteiten zoals ELS.4.2 Wetenschappelijk onderzoek met foetussen De Embryowet reguleert ook onderzoek met foetussen. Bij dit typeonderzoek kan onderscheid worden gemaakt tussen niet-invasiefonderzoek en invasief onderzoek. Een voorbeeld van niet-invasiefonderzoek is het toedienen van medicatie aan de moeder ten behoeve vande foetus, zoals het toedienen van medicatie voor foetale hartritmestoor-nissen. Bij invasief onderzoek wordt de foetus zelf direct behandeld. Eenvoorbeeld van een invasieve vorm van foetaal onderzoek is behandelingvan ernstige foetale bloedarmoede waarbij de foetus een bloedtransfusiekrijgt. Bij deze behandeling krijgt de foetus via het aanprikken van denavelstreng of levervene donorbloed toegediend.3432Derde Evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 200–202.33Derde Evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 200–202.34Derde Evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 58–59.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 327 Foetaal onderzoek moet volgens de vigerende Embryowet bijdragen aandiagnostiek en voorkoming of behandeling van ernstige aandoeningenvan de foetus en niet kunnen worden uitgesteld tot na de geboorte. Ook isin de Embryowet vastgelegd welk type onderzoek decentraal (door eenMETC) en welk type onderzoek centraal (door de CCMO) moet wordengetoetst. In de wetsevaluatie is geconcludeerd dat de vigerendeEmbryowet nu voldoende bescherming biedt aan de zwangere vrouw ende foetus. Tegelijkertijd biedt de vigerende Embryowet ruimte voorwetenschappelijk onderzoek. Echter kunnen in de toekomst mogelijkbelemmeringen ontstaan.35Een mogelijke belemmering die in de wetsevaluatie beschreven wordtgaat over de toetsing van niet-invasief observationeel onderzoek waarbijde toestand van de foetus niet opzettelijk wordt gewijzigd. Dit wordt onderde vigerende Embryowet getoetst door een METC, terwijl onderzoekwaarbij sprake is van invasieve handelingen of waarbij de toestand van defoetus opzettelijk wordt gewijzigd, wordt getoetst door de CCMO. Uit dewetsevaluatie is gebleken dat het niet altijd helder is of er sprake is van«opzettelijk wijzigen van de toestand van de foetus» en dat hierdooronduidelijkheid kan ontstaan over welke toetsingscommissie een studiedient te beoordelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor onderzoek met eengeneesmiddel met een beoogd effect op de moeder, bedoeld om debloedtoevoer naar de placenta te verbeteren.Voorgesteld wordt dat onderzoek naar foetussen en zwangerschapsonder-steunend weefsel altijd aan de CCMO wordt voorgelegd. Echter, vanwegede geringere risico’s zal het in sommige gevallen passender zijn dat eenlokale METC de beoordeling uitvoert. Wordt na verloop van tijd duidelijkwelk type onderzoek dit betreft, dan kan de CCMO besluiten dat soortenonderzoek waarbij de foetus niet wordt onderworpen aan invasievehandelingen of waarbij de toestand van de foetus naar verwachting nietwordt gewijzigd, in het vervolg door een METC te laten beoordelen. Doordeze wijziging gaat al het onderzoek met een foetus dus in eerste instantielangs de CCMO, conform de aanbevelingen in de wetsevaluatie. De CCMOkan op basis van haar ervaring bepaalde vormen van onderzoekaanwijzen waarvan beoordeling door de METC gepast is. Het zou danbijvoorbeeld kunnen gaan om een zorgevaluatie, waarin verschillendestandaardbehandelingen met elkaar vergeleken worden. Er is dan niet ofnauwelijks sprake van een hoger risico voor de zwangere vrouw of defoetus ten opzichte van reguliere zorg.Een tweede wijziging op het gebied van wetenschappelijk onderzoek metfoetussen heeft betrekking op prenatale behandelingen. Door devigerende Embryowet kan een prenatale behandeling waarvan wordtverwacht dat deze een meerwaarde heeft boven behandeling na degeboorte, niet goed worden onderzocht. De vigerende Embryowet bepaaltnamelijk dat onderzoek met foetussen alleen is toegestaan als debehandeling niet kan worden uitgesteld tot na de geboorte. Als debehandeling niet levensreddend is, kan deze in principe worden uitgesteldtot na de geboorte.Deze bepaling houdt er geen rekening mee dat het kan gaan om eenbehandeling die weliswaar niet levensreddend is, maar wel een betereffect kan hebben als deze prenataal wordt toegepast. Daarom zal,conform de aanbevelingen in de wetsevaluatie, ook worden toegestaanom prenatale behandelingen uit te voeren wanneer een behandeling nageboorte naar redelijke verwachting tot een minder goede prognose leidt.Die verwachting moet altijd worden getoetst door de CCMO. Hiermee35Derde Evaluatie Embryowet, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26, p. 204–206.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 328 blijft geborgd dat dit onderzoek alleen plaatsvindt als dat verantwoord enwetenschappelijk onderbouwd is.4.3 Handhaving Het toezicht op de naleving van de Embryowet is belegd bij de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ).36 De IGJ beschikt over de bevoegd-heden die Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aantoezichthouders toekent,37 maar niet over bestuursrechtelijke handha-vingsbevoegdheden. Handhaving van de vigerende Embryowet kan enkeldoor middel van strafrechtelijke sancties. Dat wil zeggen dat, na consta-tering van een vermoedelijk strafbaar feit door de toezichthouder (IGJ),het Openbaar Ministerie (OM) (na nader onderzoek) kan besluitenvervolging tegen een verdachte in te stellen en de rechter de verdachtekan veroordelen. Overtreding van voorschriften van de Embryowet kanleiden tot een strafrechtelijke geldboete of vrijheidsbenemende straf. DeMinister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op dit moment geenbevoegdheid om bij overtreding bestuurlijke sancties op te leggen.Het wetsvoorstel introduceert de bevoegdheid voor de Minister om eenbestuurlijke boete op te leggen bij bepaalde overtredingen van deEmbryowet. Het gaat dan om strafbaar gestelde feiten die overtredingenzijn op grond van Embryowet.38 Gedragingen die als misdrijf strafbaar zijngesteld39 blijven uitsluitend strafrechtelijk handhaafbaar. Voor diestrafbare feiten kan dus geen bestuurlijke boete worden opgelegd. Devigerende Mandaatregeling VWS voorziet er reeds in dat dezebevoegdheid door de IGJ in mandaat namens de Minister kan wordenuitgeoefend, zoals in het zorgdomein gebruikelijk is.Een van de redenen voor het voorstel om een bestuurlijke boete teintroduceren, is dat bij nadere bestudering van de strafbaar gesteldegedragingen niet elke gedraging als even ernstig kan worden aangemerkt,zodat niet altijd een strafrechtelijke sanctie gepast is. In de memorie vantoelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel uit 2002 wordt weliswaaruitgelegd waarom in het ene geval een gedraging strafbaar gesteld is alsmisdrijf, en in het andere geval als overtreding, maar niet waarom dezegedragingen strafrechtelijk zouden moeten worden gesanctioneerd. Denotie dat met het strafrecht aansluiting werd gezocht bij de – toengeldende – Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen isverouderd, nu ook in die wet bestuursrechtelijke handhavingsinstru-menten zijn geïntroduceerd.40 In feite wordt nu opnieuw aansluitinggezocht bij die wet door voor overtredingen van de Embryowet bestuurs-rechtelijke handhaving mogelijk te maken. Dit kan worden geïllustreerdmet het onderstaande voorbeeld.In de vigerende Embryowet is de verplichting opgenomen een protocolvast te stellen betreffende handelingen met geslachtscellen en embryo’s.Deze verplichting geldt voor het bestuur van een instelling waar buitenhet menselijk lichaam embryo’s tot stand worden gebracht of anderszinshandelingen met embryo’s worden verricht. Het is verplicht om over hetprotocol advies te vragen aan de CCMO. Ook voor het wijzigen enaanvullen van het protocol is een advies van de CCMO nodig. Stel nu datover een kleine wijziging van het protocol, bijvoorbeeld de actualisering36Artikel 29, eerste lid, van de Embryowet.37In artikel 29, tweede lid, van de Embryowet, is een uitzondering gemaakt op artikel 5:19 Awb,betreffende de bevoegdheid voertuigen te doorzoeken.38Artikel 28, tweede lid, van de Embryowet.39Artikel 28, eerste lid, van de Embryowet.40Artikel 33b van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 329 van verwijzingen, geen advies aan de CCMO wordt gevraagd. Het isuiteraard aan de toezichthouder om te bepalen of in zo’n situatie sprake isvan overtreding van deze bepaling,41 maar áls sprake is van overtredingdan is de IGJ verplicht de zaak voor te leggen aan het OM.42 Het OMbeslist over het al dan niet instellen van vervolging.In de ogen van de regering is het wenselijk om het bij minder ernstigegevallen mogelijk te maken dat de IGJ namens de Minister een bestuur-lijke boete kan opleggen. Een overtreding zoals in deze fictieve casusmoet weliswaar worden voorkomen en indien nodig worden gesanctio-neerd, maar het optimaal bevorderen van de naleving vraagt in de ogenvan de regering niet altijd om (de dreiging van) strafrechtelijke vervolging.Aangezien het niet in alle gevallen zal gaan om overtredingen die sterkemorele of ethische gevoelens in de samenleving oproepen, draagt demogelijkheid van bestuursrechtelijke sanctionering bij aan de evenre-digheid van het sanctiestelsel van de wet.Hoewel het criterium van een open of gesloten context niet meer alsuitgangspunt geldt, vormt het nog wel één van de relevante criteria bij dekeuze voor bestuursrechtelijke handhaving. In dit geval vormt de geslotencontext een belangrijk aanknopingspunt om bestuursrechtelijkehandhaving mogelijk te maken. Het aantal instellingen in Nederland waaronderzoek met embryo’s wordt gedaan en of embryo’s worden gebruiktvoor fertiliteitstoepassingen en daarmee onder deze wet valt is beperkt.Op dergelijke instellingen zijn ook andere wetten waar de IGJ toezicht ophoudt van toepassing, waardoor afhankelijk van de situatie sprake kan zijnvan overtreding van meerdere wetten. Als dit wetsvoorstel tot wet wordtverheven, wordt de mogelijkheid gecreëerd om in plaats van eenstrafrechtelijke sanctie een bestuurlijke boete op te leggen voor bepaaldeovertredingen. Een bestuurlijke boete is een besluit in de zin van de Awb,waartegen bezwaar en beroep openstaan.Bij gedragingen die een overtreding opleveren gaat het dus om een dualebevoegdheid: zowel de IGJ als het OM zijn bevoegd handhavend op tetreden respectievelijk tot vervolging over te gaan. De overtreding wordt inbeginsel afgedaan door de IGJ met een bestuurlijke boete, maar als ersprake is van verzwarende omstandigheden, kan diezelfde overtreding inde plaats daarvan strafrechtelijk worden gesanctioneerd. Het OM en deIGJ zullen op ad hoc basis of door middel van een convenant afsprakenmaken over de inzet van het punitieve bestuursrecht en strafrecht.43Het wordt niet wenselijk geacht om de mogelijkheid van strafrechtelijkesancties bij overtredingen te laten vervallen. De reden daarvoor is datindien een instelling gedragingen heeft verricht die zowel een misdrijf alseen overtreding opleveren, deze gedragingen desgewenst gezamenlijkmet een strafrechtelijke sanctie kunnen worden bestraft.In de voorgestelde wijziging worden de bepalingen waarvan het handelenin strijd daarmee thans geldt als een misdrijf niet aangepast wat betreft dehandhavingsmogelijkheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verrichtenvan onderzoek met een foetus waarvoor geen schriftelijke toestemming isgegeven door de zwangere vrouw. Evengoed als in 2002 is de regeringvan mening dat deze mogelijke vergrijpen zo ernstig en onethisch zijn datenkel een strafrechtelijke sanctionering de juiste reactie is.41Of aan de politie, mocht die onderzoek doen.42Artikel 162, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering.43Artikel 5:44, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 330 4.4 Overige wijzigingen Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in de voorgestelde Embryowetenkele taalkundige en/of wetstechnische verbeteringen aan te brengen.Het gaat om het aanpassen van de spelling van chimaera, het verbeterenvan de verwijzing naar de krachtens artikel 16 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen erkende commissie, hetsekseneutraal maken van enkele aanduidingen die zowel op mannen alsvrouwen betrekking kunnen hebben, het aanvullen van de verwijzingennaar het Wetboek van Strafrecht en het herstellen van enkele verschrij-vingen. In de artikelsgewijze toelichting worden deze wijzigingen nadergeduid, zie daarvoor de toelichting bij artikel I, onderdelen D, F, G, J, K, L,N, Q en R (artikelen 3a, 6, 7, 16, 17, 19, 21, 28 en opschrift paragraaf 7).Hoofdstuk 5. Aanbevelingen uit de wetsevaluatie die niet zijnovergenomen 5.1 Tot stand brengen van embryo’s speciaal voor onderzoeksdoeleinden Volgens de vigerende Embryowet mogen alleen embryo’s die zijnovergebleven na een fertiliteitsbehandeling gebruikt worden voorwetenschappelijk onderzoek. Omdat het hierbij altijd gaat om (ingevroren)embryo’s die al een aantal dagen oud zijn, zijn deze embryo’s niet geschiktom onderzoek te doen naar de vroege ontwikkeling (0–5 dagen) vanembryo’s en verschillende toepassingen. Voor onderzoek naar dezeallereerste ontwikkelingsfase zouden embryo’s primair ten behoeve vanonderzoek tot stand moeten worden gebracht. Het tot stand brengen vanembryo’s voor wetenschappelijke doeleinden is echter ethisch beladen.De aanbeveling uit de wetsevaluatie om het verbod op het speciaal totstand brengen van embryo’s volledig op te heffen, wordt om die redenniet overgenomen door deze regering.De regering is zich er van bewust dat het tot stand brengen van embryo’sof embryomodellen voor onderzoeksdoeleinden zeer relevante weten-schappelijke inzichten kan opleveren. Om echter tot een evenwichtigebalans te komen tussen de bescherming van beginnend menselijk levenenerzijds en vooruitgang van de wetenschap anderzijds, heeft de regeringervoor gekozen uitsluitend een uitzondering te maken op dit verbod voorELS die een intact «klassiek» embryo nabootsen, omdat uit eenmaatschappelijke ethische reflectie volgt dat onderzoek met dit type ELSminder gevoelig wordt geacht dan onderzoek met «klassiek» tot standgebrachte embryo’s. In het voorliggende wetsvoorstel wordt het verbodop het speciaal tot stand brengen dus niet van toepassing verklaard opELS die onder onderdeel b van de definitie vallen. Dit is nader toegelichtin paragraaf 3.1.5.2 Kiembaanmodificatie Kiembaanmodificatie betreft het aanpassen van het genetisch materiaal inkiembaancellen (geslachtscellen, dus eicellen of zaadcellen) waardoor deaanpassingen ook aan volgende generaties worden doorgegeven. Hetgaat hierbij om het aanpassen van DNA in een embryo of in geslachts-cellen. Op termijn is het denkbaar dat kiembaanmodificatie gebruikt wordtom het DNA aan te passen om zo ernstige erfelijke aandoeningen tevoorkomen. Er bestaat echter een wereldwijd moratorium op de klinischetoepassing (de reproductieve toepassing) van kiembaanmodificatie,vanwege de ethische kwesties die hierbij spelen en de vraagtekens diegeplaatst kunnen worden bij de veiligheid. Het verbod is opgenomen inde Europese verordening over geneesmiddelenonderzoek (EUTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 331 536/2014).44 Ook is het verbod opgenomen in het Europees Verdrag inzakede rechten van de mens en het Verdrag inzake de rechten van de mens ende biogeneeskunde van de Raad van Europa (Verdrag van Oviedo). Ditverdrag is overigens door Nederland niet geratificeerd.45Het uitvoeren van preklinisch onderzoek, dus kiembaanmodificatie inembryo’s die niet (meer) worden gebruikt voor het tot stand brengen vaneen zwangerschap, is onder de verdragen en de Europese verordeningwel toegestaan. Ook verbiedt de Embryowet het preklinisch onderzoeknaar kiembaanmodificatie niet. De opstellers van de wetsevaluatieonderstrepen het belang van preklinisch onderzoek om de veiligheid eneffectiviteit van kiembaanmodificatie te onderzoeken. Om voor ditonderzoek voldoende ruimte te geven, wordt aanbevolen om het absoluteverbod tot kiembaanmodificatie in de Embryowet om te zetten in eenvoorwaardelijk verbod.De onderzoekers uiten in de wetsevaluatie hun zorgen dat preklinischonderzoek belemmerd wordt door het verbod op de klinische toepassing.Enerzijds denken zij dat een categorisch verbod op reproductievekiembaanmodificatie de boodschap uitstraalt dat er geen reden is voorpreklinisch onderzoek naar de veiligheid en effectiviteit van klinischetoepassing. Anderzijds vragen de onderzoekers zich af of de CCMOonderzoeksprotocollen met embryo’s wel kan goedkeuren als er geenuitzicht op klinische toepassing is.Het verbod op de klinische toepassing in de Embryowet is echter nietbedoeld als een signaal dat er geen reden zou zijn voor preklinischonderzoek naar de veiligheid en effectiviteit van kiembaanmodificatie.Onder de juiste randvoorwaarden (waaronder voldoende bewijs dat detoepassing veilig en effectief is), lijkt de klinische toepassing vankiembaanmodificatie veelbelovend, mits goed gekeken wordt naar demogelijke gevolgen voor de betrokkenen en risico’s voor de samenleving.De CCMO zou een dergelijk preklinisch onderzoeksprotocol ook niet opvoorhand afwijzen omdat er geen wetenschappelijk nut zou zijn. Debevordering van kennis ten bate van aangeboren afwijkingen of toekom-stige behandelingen kan dergelijk onderzoek ook nu al rechtvaardigen.Hierbij moet opgemerkt worden dat dergelijk onderzoek niet plaatsvindt inNederland, omdat momenteel alleen gebruik kan worden gemaakt vanhumane restembryo’s die al een aantal dagen zijn doorontwikkeld, endaarom niet geschikt zijn voor dit type onderzoek (daarvoor zijn embryo’snodig direct na de bevruchting). Voor preklinisch onderzoek naarkiembaanmodificatie zouden embryo’s specifiek voor onderzoek gemaaktmoeten worden, hetgeen onder de vigerende Embryowet verboden is.De veilige en effectieve toepassing van klinische kiembaanmodificatie iser nog niet. Zolang niet bekend is op welke manier en in welke mate dezetechniek veilig kan worden toegepast, is het ook niet goed mogelijk af tebakenen onder welke omstandigheden het in de toekomst toegestaan zoukunnen worden. In samenhang met het feit dat het bestaande verbod opde klinische toepassing het preklinisch onderzoek niet verhindert, ziet dezeregering geen reden om het verbod in de Embryowet om te zetten in eenvoorwaardelijke toelating zoals voorgesteld in de wetsevaluatie.44Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekkingvan Richtlijn 2001/20/EG.45Dit is toegelicht in de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van20 maart 2015; Kamerstukken II 2014/15, 34 000 XVI, nr. 106.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de waardigheid van het menselijkwezen met betrekking tot de toepassing van de biologie en de geneeskunde: Verdrag inzake derechten van de mens en de biogeneeskunde, Oviedo, 4 april 1997, Trb. 1999, 58.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 332 Hoofdstuk 6. Gevolgen van de voorgestelde wetswijziging 6.1 Algemene gevolgen voor onderzoek met embryo’s en foetussen De vorige hoofdstukken samenvattend, worden de volgende wijzigingenvoorgesteld:1.De definitie van embryo wordt aangepast. Daarmee samenhangendworden verschillende bepalingen in de Embryowet toegespitst opnieuwe entiteiten die onder de definitie komen te vallen.2.Met de aanpassing van de definitie worden ELS en cybriden alsembryo beschouwd als kan worden verwacht dat, als ontwikkeling toten met de gastrulatie zou plaatsvinden, dezelfde essentiële functiesvoor doorgaande ontwikkeling ontstaan als bij een «klassiek» tot standgebracht embryo.3.Chimaera-embryo’s op basis van iPS-cellen worden hetzelfdegereguleerd als chimaera-embryo’s op basis van embryonale cellen.4.Regelgeving met betrekking tot onderzoek met foetussen wordt optwee punten aangepast.5.Overige wijzigingen, zoals de bevoegdheid een bestuurlijke boete op teleggen en enkele technische of taalkundige wijzigingen.Als gevolg van het aanpassen van de definitie van embryo zullen vooronderzoek met ELS, voor zover ze een intact «klassiek» embryonabootsen, dezelfde regels gaan gelden als voor onderzoek met embryo’s(1, 2), met uitzondering van het verbod op het speciaal kweken vooronderzoeksdoeleinden. Belangrijkste gevolg voor het veld is dat dit typeonderzoek voortaan getoetst moet worden door de CCMO. Dit heeft ookgevolgen voor de administratieve lasten waar in paragraaf 6.2 opingegaan wordt.Wat betreft de cybriden, is er al op gewezen dat de onderzoekstoepas-singen zeer beperkt zijn omdat de cybriden zich niet of nauwelijks in vitrodoor kunnen ontwikkelen. Hoewel oorspronkelijk de hoop was datdergelijk onderzoek een alternatief zou kunnen vormen voor «klassiek» totstand gebrachte embryo’s met als voordeel dat er geen menselijkeeicellen voor nodig zijn, blijken de cybriden daar voorlopig niet geschiktvoor te zijn. Mocht in de toekomst de wetenschap alsnog zo ver gevorderdzijn dat cybriden langer kunnen ontwikkelen dan in de huidige situatie endaarbij een intact «klassiek» embryo nabootsen, dan vallen deze entiteitenonder onderdeel b van de definitie. Cybride-embryo’s mogen niet totstand worden gebracht voor onderzoek in verband met het verbod opspeciaal kweken. Daarnaast mogen cybride-embryo’s, aangezien ze hetresultaat zouden zijn van celkerntransplantatie, niet worden gebruikt voorreproductieve doeleinden wegens het verbod op klonen en (net als andereembryo’s) niet worden geplaatst in een dier.De gevolgen van de aanpassingen over chimaeren (3) zijn relatief beperkt.Ze bieden helderheid voor onderzoeksgebieden die nu nog niet geregu-leerd zijn, maar hebben beperkt gevolgen voor de uitvoering vanonderzoeken. Onderzoek naar chimaeren focust zich namelijk vooral ophumane iPSC-chimaeren (paragraaf 1.4) en dit wordt niet onder deEmbryowet gereguleerd. Chimaeren worden alleen als embryobeschouwd er sprake is van een humaan embryo waarin dierlijkeiPS-cellen worden geplaatst (2, 3). Voor onderzoek met deze entiteiten(chimaera-embryo’s) zijn momenteel geen concrete toepassingenvoorzien. In de huidige situatie zou onderzoek met chimaera-embryo’s algetoetst moeten worden door de CCMO omdat het gaat om onderzoekmet humane embryo’s. Verder is het na de voorgestelde wetsaanpassingduidelijk dat deze chimaera-embryo’s zich niet langer dan veertien dagenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 333 door mogen ontwikkelen en dat het verboden is ze te plaatsen in mens ofdier, omdat het gaat om onderzoek met humane embryo’s.Ook voor de wijziging betreffende onderzoek met foetussen (4) zijn degevolgen zeer beperkt. In sommige gevallen zal onderzoek voortaan doorde CCMO worden beoordeeld in plaats van door een METC. Dit heeft geeninvloed op de administratieve lasten voor de onderzoekers en zal vooralduidelijkheid scheppen in het veld over welke commissie de beoordelingverricht. Daarnaast zal het met de inwerkingtreding van de voorgesteldeEmbryowet mogelijk worden om prenatale behandelingen uit te voerenwanneer een behandeling na geboorte naar redelijke verwachting tot eenminder goede prognose voor de foetus zou leiden. Hierbij zal het naarverwachting echter gaan om een zeer beperkt aantal onderzoeken (minderdan een protocol per jaar).Van de overige wijzigingen (5), is vooral de nieuwe bevoegdheid eenbestuurlijke boete af te geven van belang. De gevolgen hiervan op hetgebied van toezicht en handhaving worden toegelicht in paragraaf 6.3.6.2 Regeldrukgevolgen voor onderzoek met embryo’s In deze paragraaf wordt ingegaan op de gevolgen voor de administratievelasten voor embryo-onderzoek. De enige wijziging die hier invloed opheeft, is de aanpassing van de definitie van embryo. Doordat ELS die eenintact «klassiek» embryo nabootsen onder het bereik van de Embryowetworden gebracht, zijn er twee consequenties voor de regeldruk:•De verplichting om een onderzoeksprotocol op te stellen (gevolgenvoor de onderzoekers).•De medisch-ethische toetsing van het onderzoeksprotocol (gevolgenvoor de CCMO).Het opstellen van een onderzoeksprotocol is inherent aan het verrichtenvan wetenschappelijk onderzoek. De kosten kunnen daarom gedeeltelijkaangemerkt worden als bedrijfseigen kosten. Onder bedrijfseigen kostenworden handelingen verstaan die voortvloeien uit verplichtingen in deregelgeving, maar die bedrijven ook zonder deze regelgeving zoudenuitvoeren of al uitvoerden voordat deze regelgeving er was. Mogelijk dater bij het opstellen van het protocol sprake is van een extra tijdsinves-tering ten opzichte van de situatie zonder wettelijke eisen, omdatonderbouwd moet worden op welke manier aan de wettelijke toetsingscri-teria is voldaan. Daarnaast kunnen er tijdens de toetsing door detoetsende commissie vragen worden gesteld die beantwoord moetenworden, wat ook om extra tijdsinvestering vraagt. Hierom wordtuitgegaan van gemiddeld 4 uur extra tijdsinvestering door de wettelijkeeisen met betrekking tot het onderzoeksprotocol en het proces vantoetsing.Het aantal protocollen is vermoedelijk zeer beperkt. In de jaren 2020–2024heeft de CCMO 2 tot 4 beoordelingen van onderzoeksprotocollen per jaaruitgevoerd betreffende onderzoek met embryo’s. Als het mogelijk wordtom ELS tot stand te brengen, die een intact «klassiek» embryo nabootsen,zal dit aantal naar verwachting stijgen. Het zal voorlopig echter beperktblijven, ook omdat voor veel typen onderzoek het voldoende is om ELS totstand te brengen die niet een intact «klassiek» embryo nabootsen.Uitgaande van maximaal 10 extra beoordelingen per jaar met 4 uur extratijdsinvestering en een uurloon van € 54,– per uur komt dit neer op eentoename van de administratieve lasten van € 2.160,– in totaal (€ 216,– perbeoordeling) per jaar. De CCMO vraagt momenteel geen tarief voor detoetsing van onderzoeksprotocollen die onder de Embryowet vallen, dushier zijn wat dat betreft verder geen kosten aan verbonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 334 6.3 Gevolgen voor toezicht, handhaving en rechtspraak De voorgestelde aanpassing van de definitie van embryo heeft naast degevolgen voor de regeldruk ook gevolgen voor toezicht en handhaving, alzijn deze minimaal. De nieuwe entiteiten die onder het toepassingsbereikvan de Embryowet zijn gebracht, zullen onder het bereik van de huidigestrafbepaling vallen. Zoals besproken in hoofdstuk 6 komen mogelijk ietsmeer instellingen onder het bereik van de Embryowet te vallen omdatonderzoek met ELS en cybriden, die een intact «klassiek» embryonabootsen, onder de reikwijdte van de Embryowet komt te vallen. Dit typeonderzoek vindt plaats binnen het domein van de zorg, het zijn instel-lingen waar de IGJ al toezicht op houdt.Sinds de invoering van de Embryowet zijn er weinig tot geen overtre-dingen geconstateerd. Er zijn althans over de afgelopen jaren geenstrafdossiers bekend. Dat zou gelegen kunnen zijn in de afdoendeafschrikkende werking van de sancties. Waarschijnlijker draagt de houdingvan het veld hieraan bij, evenals de overlap van de essentie van deEmbryowet met bijvoorbeeld internationale richtlijnen. Publicatie vanonderzoek in gezaghebbende tijdschriften is alleen mogelijk als hetonderzoek voldoet aan die (ethische) richtlijnen.Op basis van de huidige praktijk is de verwachting dan ook dat ook dekomende decennia de kans op overtredingen van de Embryowet – endaarmee mogelijke bestuursrechtelijke handhaving dan wel strafrechte-lijke vervolging – minimaal is. Daarmee zijn de gevolgen voor zowel deIGJ als het OM dus ook minimaal. Hetzelfde kan gezegd worden voor derechtelijke macht. In het geval dat een geconstateerde overtredingbestuursrechtelijk wordt afgedaan, staat uiteraard bestuursrechtelijkerechtsbescherming open tegen dit boetebesluit. Omdat het beeld bestaatdat het onderzoek met embryo’s in Nederlandse instellingen zorgvuldigplaatsvindt, is de verwachting dat zelden tot nooit gebruik zal wordengemaakt van de bezwaar- en beroepsmogelijkheid. De voorgesteldewijziging zal daarom naar verwachting nauwelijks tot geen gevolgenhebben voor de bestuursrechtspraak. Om dezelfde reden is deverwachting dat niet meer zaken op grond van het wetsvoorstel voor destrafrechter worden gebracht.Hoofdstuk 7. Verhouding tot andere wetgeving 7.1 Wet zeggenschap lichaamsmateriaal Bij de regulering van entiteiten op basis van menselijke cellen die buitenhet bereik van de Embryowet vallen zal het voorstel van de Wet zeggen-schap lichaamsmateriaal (Wzl) een belangrijke rol spelen, als deze tot wetwordt verheven. Dit wetsvoorstel is toegelicht in het tekstkader.Wet zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl) in het kortIn het voorstel van de Wzl is voorzien dat eisen worden gesteld aande omgang met lichaamsmateriaal, bijvoorbeeld over de zeggen-schap en het beheer van lichaamsmateriaal, en de toetsing vanmedisch- of biologisch-wetenschappelijk onderzoek met lichaams-materiaal, waaronder ook cellijnen. Onder andere is het voorstel omte regelen dat alle uitgiftes van lichaamsmateriaal worden getoetst.Bij de toetsing wordt o.a. de wetenschappelijke onderbouwingbeoordeeld van het gebruik van lichaamsmateriaal, of aan de eisenmet betrekking tot informeren en benodigde toestemming voldaanis, en dat de omgang met nevenbevindingen (bij risico daarop)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 335 beschreven is (zie paragraaf 6.3 van de memorie van toelichting vande Wzl).46Om de administratieve lasten voor beheerders, gebruikers encommissies te beperken, voorziet de Wzl in de mogelijkheid dat eenbeheerder van lichaamsmateriaal in bepaalde gevallen zelf deuitgiftetoets uitvoert in plaats van een METC. In dit geval moet eenMETC een uitgifteprotocol van de beheerder positief hebbenbeoordeeld. Vervolgens is voor de onderzoeksprotocollen geenafzonderlijke beoordeling van een commissie nodig.De Wzl biedt de mogelijkheid het tot stand brengen van bepaaldetypen entiteiten aan te merken als sensitieve toepassing. Als eentoepassing als sensitief is aangewezen zijn strenge regels mogelijk inhet kader van toestemming en informatievoorziening aan de donorvan het oorspronkelijke lichaamsmateriaal. Ook biedt de Wzl demogelijkheid om bepaalde gebruiksdoelen voor lichaamsmateriaal– als dat bijvoorbeeld op basis van ethische reflectie of maatschap-pelijke dialoog gewenst blijkt – te verbieden (zie paragraaf 8.1 van dememorie van toelichting van de Wzl47).Als er menselijke cellen worden gebruikt voor het tot stand brengen vanbepaalde embryoachtige entiteiten die niet de potentie hebben uit tegroeien tot een mens (zoals ELS die niet een intact «klassiek» embryonabootsen, mens-diercombinaties met overwegend dierlijk genoom ofcybriden die zich niet kunnen doorontwikkelen), zal via de voorgesteldeWzl regulering plaatsvinden van de handelingen met de gebruiktemenselijke cellen. Dat betekent dat in elk geval de uitgifte van hetmateriaal getoetst moet worden, dat de zeggenschap over het materiaalgeborgd is en dat gereguleerd is op welke wijze de donor geïnformeerdwordt over dit type onderzoek.De Wzl zal op verschillende manieren raken aan de Embryowet. Allereerstis er de mogelijkheid om vanuit «normale» lichaamscellen iPS-cellen temaken die vervolgens gebruikt kunnen worden om embryo’s tot stand tebrengen die de potentie hebben om uit te groeien tot een mens. Dit kandoor IVG-geslachtscellen tot stand te brengen en deze te laten samen-smelten (zie paragraaf 1.3) of door ELS tot stand te brengen metiPS-cellen (zie paragraaf 1.5). Dit betekent dat handelingen met hetoorspronkelijk lichaamsmateriaal via de Wzl worden gereguleerd, maardat er na bewerking van dat materiaal geslachtscellen ontstaan of eenentiteit ontstaat die (al dan niet op grond van de voorgestelde wijzigingen)onder de reikwijdte van de Embryowet vallen.Zoals in paragraaf 1.3 al is toegelicht, gelden IVG-geslachtscellen namelijkals «geslachtscellen» in de zin van de Embryowet. Nu echter bij detotstandkoming van de wet de wetgever alleen de in het menselijklichaam geproduceerde geslachtscellen voor ogen had, zijn in hetwetsvoorstel enkele redactionele aanpassingen voorgesteld om debetreffende bepalingen meer passend te maken op IVG-geslachtscellen.Ten aanzien van de afbakening tussen de Wzl en de Embryowet geldt hetvolgende. De zeggenschap over het lichaamsmateriaal waarmee deIVG-geslachtscellen worden geproduceerd, wordt beheerst door de Wzl.Indien met dat lichaamsmateriaal IVG-geslachtcellen worden gemaakt dievervolgens worden bewaard (voor gebruik in toekomstig onderzoek ofvoor kwaliteitsdoeleinden) moet worden voldaan aan de bepalingen overgeslachtscellen in de Embryowet. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om46Kamerstukken II 2020/21, 35 844, nr. 3, blz. 53–54.47Kamerstukken II 2020/21, 35 844, nr. 3, blz. 56.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 336 bepalingen over terbeschikkingstelling en toestemming voor onderzoeks-doeleinden. Voor onderzoek waarbij wordt geëxperimenteerd met het totstand brengen van IVG-geslachtscellen uit pluripotente stamcellen zonderdat de geslachtscellen worden bewaard, is alleen de Wzl van toepassing.Het voornemen bestaat om een dergelijke toepassing onder de Wzl aan tewijzen als sensitieve toepassing. De zeggenschap over het lichaamsmate-riaal dat gebruikt wordt en de productie van de IVG-geslachtscellen wordtdus beheerst door de Wzl, maar een eenmaal geproduceerdeIVG-geslachtscel die wordt bewaard en gebruikt voor verder onderzoekvalt onder de Embryowet. De werkbaarheid van deze tweedeling zalworden geborgd door de eisen van de Wzl en de Embryowet zoveelmogelijk op elkaar af te stemmen. In voorkomende gevallen zullenonderzoekers vergelijkbare procedures moeten volgen rondom bijvoor-beeld de terbeschikkingstelling en het bewaren.Handelingen met «normale lichaamscellen» (dus: cellen die geengeslachtscellen zijn) vallen in principe onder het regime van de voorge-stelde Wzl. De regering is voornemens het tot stand brengen van eenonsterfelijke cellijn, zoals een iPS-cellijn, aan te wijzen als een sensitievetoepassing, waarvoor dus altijd toestemming nodig is.48 Ook al zou deiPS-cellijn mogelijk gebruikt kunnen worden om ELS tot stand te brengendie onder de Embryowet vallen, ligt het voor de hand om het gebruik vanlichaamsmateriaal voor het tot stand brengen van een iPS-cellijn onderhet regime van de voorgestelde Wzl te houden. Een iPS-cel is immersgeen embryo. Bovendien kan zowel het oorspronkelijk lichaamsmateriaalals de tot stand gebrachte cellijn voor meerdere toepassingen gebruiktworden die niets te maken hebben met de reikwijdte van de Embryowet.Als de genoemde iPS-cellijn gebruikt wordt voor onderzoek waarbij ELS,die een intact «klassiek» embryo nabootsten, tot stand worden gebracht,dan valt dat onderzoek echter onder de Embryowet. Als gevolg daarvan istoetsing door de CCMO nodig. Als de iPS-cellijn gebruikt wordt vooronderzoek waarbij ELS tot stand worden gebracht, die niet een intact«klassiek» embryo nabootsten, geldt het regime van de Wzl en is inprincipe toetsing door een METC aangewezen.7.2 Wet op dierproeven Zoals in de paragrafen 1.4 en 4.1 is toegelicht, is de meest relevantemens-diercombinatie een dierlijk embryo waarin menselijke cellenworden geplaatst ten behoeve van de ontwikkeling van een transplantatie-orgaan. Dit wordt echter niet onder de Embryowet gereguleerd omdat ergeen sprake is van een menselijk embryo. De regulering van dezeentiteiten valt grotendeels onder de Wet op dierproeven (Wod) omdat hetgaat om onderzoek met een dierlijk embryo.Wet op de dierproeven (Wod) in het kortHet welzijn van dieren tijdens wetenschappelijk onderzoek wordtbeschermd in de Wet op de dierproeven (Wod). De Wod is vantoepassing op alle gewervelde dieren en enkele ongewervelden. Opbasis van de Wod toetst de Centrale Commissie Dierproeven of hetnut en de noodzaak van dierproeven voldoende opwegen tegen het(geschatte) ongerief voor dieren en de vraag of er geen mogelijk-heden voor onderzoek zonder het gebruik van proefdieren zijn.Wetenschappelijk onderzoek met mens-diercombinaties kan onderde Wod vallen. De Wod is van toepassing vanaf het laatste derdedeel van normale foetale ontwikkeling. Deze wet is dus relevant bijbijvoorbeeld het verkrijgen van dierlijke embryo’s (als daarvoor48Kamerstukken II 2020/21, 35 844, nr. 3, blz. 29.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 337 invasieve ingrepen nodig zijn) en het plaatsen van een embryo ineen dier.Het gebruik van menselijke iPS-cellen voor dergelijk onderzoek zal wordengereguleerd onder de Wzl, zoals hierboven omschreven.7.3 Initiatiefwetsvoorstellen ter wijziging van de Embryowet Er zijn twee aangekondigde initiatiefwetsvoorstellen (van VVD en D66) terwijziging van de Embryowet.Het eerste voorstel is de Wijzigingswet afschaffing verbod op het doenontstaan van embryo’s. Dit voorstel heeft als doel om het door dewetgever als tijdelijk bedoelde verbod op het doen ontstaan van embryo’svoor onderzoek (artikel 24, onderdeel a van de Embryowet) op te heffen.Wel blijven strenge eisen gelden voor het gebruiken van deze embryo’svoor onderzoek. Redenen hiervoor zijn dat het in Nederland onder dehuidige wet niet mogelijk is om onderzoek te doen naar de eerstebeginfase van een embryo, terwijl die kennis heel waardevol is ombijvoorbeeld erfelijke ziektes te voorkomen en ivf-behandelingen teverbeteren. Het initiatiefwetsvoorstel is op 18 september 2023 bij deTweede Kamer ingediend49 en de Raad van State heeft op 14 februari2024 hierover advies uitgebracht.50 Dit initiatiefwetsvoorstel raakt aan deonderhavige voorgestelde wijzigingen van de Embryowet, in die zin datals het initiatiefwetsvoorstel door de Tweede en Eerste Kamer wordtaanvaard en in werking zou treden, alle typen embryo’s speciaal tot standmogen worden gebracht voor onderzoeksdoeleinden.Het tweede wetsvoorstel betreft pre-implantatie genetische tests (PGT) bijdragerschap. Dit voorstel is bedoeld om het mogelijk te maken voorwensouders om PGT toe te passen om dragerschap van een ernstigeerfelijke aandoening te voorkomen. Het selecteren van embryo’s is op ditmoment toegestaan als er een risico is dat het kind zelf ziek wordt. Het isechter niet toegestaan als het kind alleen drager van de ernstige erfelijkeaandoening kan worden. Dan wordt het weliswaar zelf waarschijnlijk niet(ernstig) ziek, maar kan het de aandoening later wel weer doorgeven aande eigen kinderen – die op hun beurt dus weer ziek kunnen worden. Hetinitiatiefwetsvoorstel is op 18 september 2023 bij de Tweede Kameringediend51 en de Raad van State heeft op 6 december 2023 hieroveradvies uitgebracht.52 Dit initiatiefwetsvoorstel raakt niet direct aan deonderhavige voorgestelde wijzigingen van de Embryowet.Hoofdstuk 8. Toetsing, consultatie en verwerkte adviezen 8.1. Totstandkoming wetsvoorstel De Embryowet is in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid,Welzijn en Sport door ZonMW geëvalueerd. Bij brief van 17 oktober 2022heeft de regering aangekondigd te werken aan een wetswijziging op basis49Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 2.50Advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State van 14 februari 2024 over hetvoorstel van wet van de leden Paternotte en Hermans tot wijziging van de Embryowet inverband met de afschaffing van het tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo’s voorwetenschappelijk onderzoek.51Kamerstukken II 2022/23, 36 417, nr. 2.52Advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State van 6 december 2023 over hetvoorstel van wet van de leden Paternotte en Hermans tot wijziging van de Embryowet en deWet op bijzondere medische verrichtingen in verband met het mogelijk maken van preïmplan-tatie genetische test op dragerschap bij ernstige erfelijke aandoeningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 338 van de evaluatie. De uitgangspunten voor opvolging van de verschillendeaanbevelingen uit de evaluatie staan in de brief uitgewerkt.53Bij het uitwerken van het wetsvoorstel zijn veldpartijen betrokken. Er zijndiverse inhoudelijke consultatiebijeenkomsten georganiseerd met onderandere ethici, embryologen en onderzoekers. Deze bijeenkomsten hebbentot veel informatie over de praktijk en achtergronden van het onder-zoeksveld geleid en bruikbare voorbeelden voor deze toelichtingopgeleverd. Uit de bijeenkomsten bleek ook dat er in het veld niet altijdovereenstemming is over hoe het beste invulling kan worden gegevenaan bepaalde aanbevelingen, bijvoorbeeld het formuleren van een nieuwedefinitie van het begrip embryo. Met de voorgestelde definitie is deson-danks geprobeerd om de verschillende visies van experts zo goedmogelijk te incorporeren. Daarnaast was er bij veldpartijen niet altijdbegrip voor het wel of niet opvolgen van specifieke aanbevelingen, ookgezien het feit dat in de wetsevaluatie wordt aangedrongen op hetintegraal overnemen van de aanbevelingen. Zoals in paragraaf 1.1toegelicht, is bij elke aanbeveling een afweging gemaakt of, en op welkemanier, invulling wordt gegeven aan de betreffende aanbeveling.8.2 Uitvoerings-, toezichts- en handhavingstoetsen en specifieke adviezen Op 15 mei 2023 is een conceptversie van het wetsvoorstel en detoelichting daarop aan diverse partijen voorgelegd voor een uitvoerings-,toezichts- en handhavingstoets of een advies op bepaalde aspecten vanhet voorstel. Deze toetsen en adviezen hebben geleid tot een aantalwijzigingen in zowel het wetsvoorstel als in de toelichting. Daar wordthieronder op ingegaan.Adviescollege toetsing regeldrukHet Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier nietgeselecteerd voor een formeel advies, omdat het beperkte gevolgen voorde regeldruk van onderzoekers heeft en die gevolgen toereikend in beeldzijn gebracht.OMHet College van procureurs-generaal wijst erop dat tot nu toe geenstrafrechtelijke vervolging heeft plaatsgevonden voor de misdrijven enovertredingen die strafbaar zijn gesteld in de Embryowet en verwachtdaarom weinig tot geen uitvoeringsconsequenties van de voorgesteldewijzigingen54.Wel heeft het College van procureurs-generaal verzocht om in detoelichting te verduidelijken hoe de bevoegdheden voor handhaving vande IGJ zich verhouden tot die van het openbaar ministerie (OM). Inparagraaf 4.3 is daarom verduidelijkt dat het gaat om een dualebevoegdheid: de handhavingsbevoegdheid die IGJ krijgt, komt naast dievan het OM, en niet in plaats van.Daarnaast heeft het College van procureurs-generaal verzocht om eeneventueel onderscheid tussen opzettelijk handelen en culpoos(verwijtbaar) handelen te verduidelijken in delictsomschrijving. Deregering ziet op dit moment geen aanleiding de delictsomschrijving op ditpunt aan te passen.In de strafbepaling wordt geen onderscheid gemaakt tussen opzettelijkhandelen en culpoos (verwijtbaar) handelen. In de onderzoekscontext,53Kamerstukken II 2022/23, 30 486, nr. 28.54Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 339 waarbij gewerkt wordt met onderzoeksprotocollen die vooraf getoetstworden, is het de vraag of een dergelijk onderscheid te maken is. Ooknalatig handelen (waarbij niet in lijn met onderzoeksprotocol wordtgehandeld) kan immers verwijtbaar zijn.Tot slot heeft het College van procureurs-generaal verzocht om in detoelichting te verduidelijken hoe de uitgangspunten van de Embryowetzich verhouden tot het internationaal beschermde recht op leven, zoals tevinden in artikel 2 EVRM en van artikel 3 Universele verklaring van derechten van de mens. De artikelen waarnaar verwezen worden zijn echterniet onverkort toepasbaar op het (beginnend) menselijk leven waar deEmbryowet op van toepassing is. Samengevat komt de jurisprudentie vanhet Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 2 EVRM eropneer dat het aan de lidstaten is om de beschermwaardigheid vanbeginnend menselijk leven in nationale wetgeving uit te werken. Met deEmbryowet heeft de wetgever daaraan uitvoering gegeven en daarbij eenevenwicht beoogd te vinden tussen enerzijds het respect voor(beginnend) menselijk leven en anderzijds het belang van anderewaarden. Ook bij het opstellen van het onderhavige wetsvoorstel isbeoogd om recht te blijven doen aan dat evenwicht.IGJDe IGJ is op basis van de uitgevoerde Toezicht en Handhaafbaarheids-toets tot de conclusie gekomen dat het wetsvoorstel en de memorie vantoelichting niet tot onoverkomelijke bezwaren leiden voor haar toezicht enhandhaving55. Wel is de IGJ van mening dat de Embryowet nog enkeleomissies bevat waarvan het wenselijk wordt geacht dat die wordengecorrigeerd. Hieronder wordt daarop ingegaan.De IGJ stelt voor om in artikel 2, eerste lid, Embryowet het «advies» dathet instellingsprotocol van de METC behoeft, te veranderen in«goedkeuring». Deze suggestie neemt de regering niet over. Uit dememorie van toelichting op het wetsvoorstel waarmee de Embryowet in2002 geïntroduceerd werd, volgt duidelijk dat beide adviesmomenten dieworden beschreven in artikel 2 als adviesmomenten bedoeld zijn en nietals goedkeuring.56 Noch de derde evaluatie van de Embryowet, nochandere ontwikkelingen of signalen, geven aanleiding om het advies vande METC te vervangen door een goedkeuring.Daarnaast stelt de IGJ voor om in artikel 2, tweede lid, Embryowet op tenemen dat het gaat om een «onderzoeksprotocol» in plaats van een«protocol». De suggestie om te verduidelijken om wat voor type protocolhet gaat is overgenomen in het wetsvoorstel, met dien verstande dat hetin het betreffende artikel gaat om een «instellingsprotocol».De IGJ stelt ook voor om in artikel 2, derde lid, Embryowet toe te voegendat het gaat om «de wijze en omstandigheden» waarop geslachtscellen enembryo’s worden bewaard in plaats van alleen «de wijze» waarop. «Dewijze» is een breed begrip waarmee bewaaromstandigheden, bewaarma-teriaal en andere omstandigheden worden bedoeld. Het heeft geenmeerwaarde om op niveau van de Embryowet specifieker op bepaaldeonderdelen van de bewaarwijze in te gaan, een en ander wordt aluitgewerkt in de instellingsprotocollen. Bovendien is de opsomming inartikel 2, derde lid, Embryowet niet limitatief, gezien de woorden «bevat inieder geval».57 Deze suggestie is daarom niet overgenomen. Tot slot stelt55Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer56Kamerstukken II, 2000/01, 27 423, nr. 3, p. 8 en 13.57Zie tevens de toelichting op dit artikel op p. 10 van Kamerstukken II 2000/01, 27 423, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 340 de IGJ voor om in artikel 6, derde en vierde lid, Embryowet nadrukkelijktot uitdrukking te brengen dat het gaat om een «schriftelijketoestemming» in plaats van «toestemming». Omdat het hier inderdaadom schriftelijke toestemming gaat is deze suggestie overgenomen.CCMODe CCMO geeft aan de uitbreiding van het begrip «embryo» en daarmeede reikwijdte van de Embryowet te onderschrijven58. Over de voorge-stelde definitie adviseert de CCMO om de verwijzing naar het concreteontwikkelstadium in de definitie59 te schrappen. De reden is dat het in deogen van de CCMO enerzijds onduidelijk is of een entiteit na dit tijdspuntnog steeds gezien wordt als embryo, en anderzijds wat het betekent voorindividuele embryo’s die, voordat dit stadium is bereikt, afwijkingenvertonen en zich niet doorontwikkelen. In paragraaf 2.4 is de toelichtinguitgebreid, zodat onder andere scherper wordt beschreven dat het gaatom een verwachting die betrekking heeft op typen entiteiten. Deverwachting ziet dus niet op elk individueel exemplaar binnen het type.Ook heeft de CCMO voorgesteld ELS en cybriden te reguleren inparagraaf 2, 3 en 4 van de Embryowet in plaats van in een aparteparagraaf, zoals was opgenomen in het conceptwetsvoorstel dat aan deCCMO was voorgelegd. Voor deze opzet was gekozen, omdat de formu-lering van de bepalingen op meerdere punten afwijkend was voor dezeentiteiten. Wat ELS betreft is het advies van de CCMO opgevolgd. Doorandere wijzigingen, zijn er in het huidige voorstel minder verschillentussen bepalingen voor ELS die een intact «klassiek» embryo nabootsenen «klassieke» embryo’s. Het reguleren van ELS in paragraaf 2, 3 en 4 inplaats van in een aparte paragraaf is daarmee het meest gepast. Voorcybriden die een intact «klassiek» embryo nabootsen blijven geen apartebepalingen meer over omdat deze in het wetsvoorstel nu volledig onderonderdeel b van de definitie van embryo zijn komen te vallen. Dit is verdertoegelicht aan het einde van dit hoofdstuk en in paragraaf 4.1. van dezetoelichting.De CCMO heeft verzocht te verduidelijken hoe de regering aankijkt tegenhet gebruik van embryo’s die in de toekomst mogelijk tot stand kunnenworden gebracht uit IVG-geslachtscellen, zowel wat betreft reproductievedoeleinden (waarvoor geen verbod geldt) als voor onderzoek. Inparagraaf 3.1 en 2.3 staat is dit verduidelijkt. Het uitgangspunt is dat voorIVG-embryo’s (die een intact «klassiek» embryo nabootsen) dezelfdebepalingen gelden als voor «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s. Ergeldt dus een verbod om deze embryo’s voor onderzoeksdoeleinden totstand te brengen. Deze embryo’s mogen wel voor reproductievedoeleinden tot stand worden gebracht maar dit is met de huidige standvan de techniek niet op redelijke termijn voorzien.60 Wat betreft demogelijkheid van preklinisch onderzoek met embryo’s die op deze maniertot stand zijn gebracht, merkt de CCMO overigens terecht op dat ditonderzoek in Nederland momenteel niet mogelijk is vanwege het verbodop het tot stand brengen van embryo’s voor wetenschappelijkedoeleinden.58Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer59In de aan de CCMO voorgelegde versie was deze verwijzing «de primitiefstreep». Dit is lateraangepast in «de gastrulatie».60De beoordeling of dergelijke toepassing veilig en effectief is zal primair bij de beroepsgroepliggen. De techniek is echter nog niet ver. Daarbij is, door het verbod op het speciaal tot standbrengen van embryo’s voor wetenschappelijke doeleinden, preklinisch onderzoek naar deeffectiviteit en veiligheid van deze techniek in Nederland niet volledig mogelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 341 Voorts heeft de CCMO geadviseerd om het voorgestelde toetsingscri-terium voor onderzoek met ELS en cybriden te herformuleren. In hetconceptwetsvoorstel zoals aan de CCMO voorgelegd waren de toetsings-criteria voor onderzoek niet volledig aangesloten op artikel 10, onderdeelb. Voor de toetsing van onderzoek met ELS was niet als voorwaardeopgenomen dat duidelijk moet zijn dat het onderzoek niet kan plaats-vinden «door onderzoek van minder ingrijpende aard». Deze keuze wasingegeven vanuit het idee dat deze toevoeging geen betekenis zouhebben voor onderzoek met ELS, vanwege de wijze van tot stand brengenvan ELS, waarbij er vaak niet voor gekozen kan worden om een beperkteraantal of een op het type onderzoek afgestemde hoeveelheid ELS totstand te brengen. De CCMO heeft er echter op gewezen, dat het voor deaanvaardbaarheid van voorgenomen onderzoek uit kan maken welk typeELS er tot stand wordt gebracht. Onderzoek met een type ELS dat minderontwikkeld is zou bijvoorbeeld van «minder ingrijpende aard» kunnen zijndan onderzoek met een type ELS dat verder ontwikkeld is, en daarom devoorkeur hebben. Op basis van dit advies is besloten het wetsvoorstel aante passen. Zowel op «klassieke» embryo’s als op ELS die een intact«klassiek» embryo nabootsen is voorgesteld om artikel 10, onderdeel bvolledig van toepassing te achten en ook de artikelsgewijze toelichting ishiermee in lijn gebracht.Daarnaast heeft de CCMO geadviseerd om de strengere zeggenschaps-regels (gerichte schriftelijke toestemming), die op basis van paragraaf 2van de Embryowet gelden voor embryo’s en geslachtcellen die gebruiktworden om een embryo tot stand te brengen, ook te laten gelden voorembryo’s die vallen onder onderdeel b van de voorgestelde definitie.Omdat bij bijvoorbeeld IVG-geslachtscellen en ELS het uitgangsmateriaal«normaal» lichaamsmateriaal is, gelden bij het ter beschikking stellen dezeggenschapsregels van de Wzl. Aan het voorstel van de CCMO wordttegemoet gekomen door de zeggenschapsregels van de Wzl voorsensitieve toepassingen en de Embryowet zoveel mogelijk op elkaar af testemmen, zoals toegelicht in paragraaf 7.1.Tot slot adviseert de CCMO om een notificatieplicht in te voeren vooronderzoek met ELS dat niet onder de reikwijdte van de Embryowet valt.Hierbij wordt verwezen naar de argumentatie van de wetsevaluatie,namelijk dat de CCMO overzicht houdt over de ontwikkelingen en datlastige afbakeningskwesties niet aan de individuele onderzoekersovergelaten zouden moeten worden.Omdat op basis van de Wzl, als deze tot wet verheven wordt, al hetonderzoek met lichaamsmateriaal getoetst wordt onder verantwoorde-lijkheid van de METC’s, zal de verantwoordelijkheid om te beoordelen ofer sprake is van onderzoek met ELS die al dan niet een intact «klassiek»embryo nabootsten, niet uitsluitend meer bij de onderzoeker zelf liggen.Mocht er sprake zijn van een lastige afbakeningskwestie, kan de METCadvies vragen aan de CCMO. Omdat voor zowel onderzoekers als deCCMO een notificatieverplichting op centraal niveau extra administratievelasten zou opleveren, is hier niet voor gekozen.61De Raad voor de rechtspraakDe Raad voor de rechtspraak onthoudt zich van advisering62. Het betrefteen ethisch wetenschappelijk onderwerp met nauwelijks impact op derechtspraak. Het wetsvoorstel leidt naar verwachting niet tot substantiëlewerklastgevolgen voor de rechtspraak.61Kamerstukken II 2022/23, 30 486, nr. 28, p. 7.62Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 342 Overige wijzigingenVan de gelegenheid is gebruik gemaakt om voor onderzoek met cybrideneen andere invulling te geven dan voorgesteld in de reactie van dezeregering op de derde evaluatie (brief van 17 oktober 2022)63 enopgenomen in de versie van dit voorstel die is voorgelegd aan deverschillende partijen voor de uitvoerings- en handhavingstoetsen enadviezen. Conform de aanbeveling uit de wetsevaluatie zijn in een eerdereversie van dit voorstel alle cybriden onder de reikwijdte van deEmbryowet gebracht. Dit is echter niet consistent gebleken met deuitgangspunten van de Embryowet en de wijze waarop ELS wordengereguleerd, zoals nader uitgelegd in paragraaf 4.1 van deze toelichting.Omwille van de consistentie is besloten dat alleen cybriden die onder dewettelijke definitie vallen, gereguleerd zullen worden in de wet. Dezewijziging heeft geen gevolgen voor de genoemde uitvoerende partijen.8.3 Openbare internetconsultatie Een concept van het wetsvoorstel met toelichting, zoals aangepast naaraanleiding van de uitvoerings-, toezichts- en handhavingstoetsen enspecifieke adviezen, is openbaar via internetconsultatie geconsulteerd. Dehoofdvraag van de internetconsultatie was of de wijziging genoegwaarborgen biedt voor onderzoek met embryo’s en embryomodellenzonder de wetenschappelijke vooruitgang onnodig te belemmeren. Eentweede vraag was of de definitie genoeg duidelijkheid biedt voorverschillende soorten embryomodellen. Er zijn in totaal 9 reactiesontvangen op de openbare internetconsultatie. Deze reacties warenafkomstig van burgers en (verenigingen van) onderzoekers en juristen.Algemene reactiesVerschillende reacties bevatten de oproep voor ruimere of juist striktereregelgeving voor onderzoek met embryo’s. De Embryowet stelt regelsvoor onderzoek die raken aan fundamentele waarden waaraan niet dooriedereen hetzelfde gewicht wordt toegekend. Met de Embryowet isbeoogd een evenwicht te vinden tussen het respect voor beginnendmenselijk leven en het belang van andere waarden, zoals de vooruitgangvan de medische wetenschap en de kwaliteit en veiligheid van de(voortplantings)geneeskunde. De wijzigingen in dit wetsvoorstel zijn medebedoeld om dit doel (meer) te bereiken en de reacties gaven geenaanleiding om het wetsvoorstel en toelichting hierop aan te passen.De definitie van embryoIn de consultatie is specifiek uitgevraagd of de gekozen definitie genoegduidelijkheid biedt voor verschillende soorten embryomodellen. Hieropzijn verschillende reacties ontvangen. De gekozen definitie riep vragen enzorgen op. Een aantal reacties gaan in algemene zin op de definitie in. Zobenoemt één reactie dat de definitie meer bescherming moet bieden aanal het menselijk leven. Een andere reactie stelt dat embryomodellenüberhaupt niet gelijk te stellen zijn aan embryo’s. Er wordt in meerderereacties benoemd dat onderdeel b van de definitie onvoldoende duide-lijkheid biedt. Meerdere reacties bevatten de waarschuwing dat eenonduidelijke definitie toetsing bemoeilijkt. In de consultatiereacties wordtmet name ingegaan op twee specifieke onderdelen van de oorspronkelijkgekozen definitie, te weten «de primitiefstreep» en «hetzelfde ontwikkelt».Naar aanleiding van deze reacties en een uitgebreidere consultatiebijeen-komst met veldpartijen is de definitie op een aantal punten aangepast.63Kamerstukken II 2022/23, 30 486, nr. 28, p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 343 De belangrijkste aanpassing is dat het criterium «hetzelfde ontwikkelt»wordt vervangen door «dezelfde essentiële functies ontwikkelt». Dezeaanpassing volgt zowel uit de reacties op de consultatie als uit eenuitgebreidere consultatiebijeenkomst met veldpartijen. Uit inbreng vanonderzoekers bleek dat gesteld kan worden dat embryomodellen,ongeacht het ontwikkelpotentieel, zich vanaf het tot stand brengen andersgedragen dan «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s. Het is mogelijk dater embryomodellen tot stand worden gebracht die een intact «klassiek»embryo nabootsen maar waarbij het onduidelijk is of kan wordengesproken van «hetzelfde ontwikkelt» bij een directe vergelijking met een«klassiek» tot stand gebracht embryo. Uit één van de reacties volgde ookeen concreet voorstel om de Embryowet op dit punt te verbeteren,namelijk door dit criterium te vervangen door de vorming van (voorloperstadia van) kritieke orgaansystemen met duidelijk gedefinieerde functio-naliteit. Dit advies is als uitgangspunt gebruikt bij de voorgesteldewijziging van de definitie, die in paragraaf 2.4 wordt toegelicht.Daarnaast is de verwijzing naar de primitiefstreep aangepast. Deze wordtvervangen door een verwijzing naar de gastrulatie. Belangrijk hierbij omte weten is dat de primitiefstreep het eerste visuele kenmerk is van hetstarten van de gastrulatie. De tijdspanne waarnaar wordt verwezen blijftdus nagenoeg hetzelfde. De belangrijkste reden voor deze wijziging is dateen verwijzing naar de gastrulatie (in combinatie met bovenstaandewijziging) meer duidelijkheid biedt voor gastruloids. Dit zijn ELS die, nadatze tot stand zijn gebracht, een embryo nabootsen dat zich in het stadiumvan de gastrulatie bevindt. Dit is op of voorbij het moment dat deprimitiefstreep verschijnt. Bij deze entiteiten verloopt de ontwikkeling inaanloop naar primitiefstreepontwikkeling anders dan bij «klassieke»embryo’s of wordt deze ontwikkeling (grotendeels) overgeslagen. Vooreen gastruloid kan dus moeilijk worden beoordeeld of deze zich «vanafhet moment van totstandkoming tot en met het stadium waarin eenprimitiefstreep verschijnt of zou kunnen verschijnen, hetzelfdeontwikkelt». Door de verwijzing naar de gastrulatie in combinatie met dehierboven omschreven wijziging is dit wel mogelijk. Voor een gastruloidkan in theorie worden beoordeeld of «als ontwikkeling tot en met degastrulatie zou plaatsvinden, dezelfde essentiële functies voordoorgaande ontwikkeling ontstaan».In verschillende reacties wordt opgemerkt dat het niet duidelijk is waaropde in de definitie geschetste verwachting kan worden gebaseerd. Het ismoeilijk een inschatting te maken omdat er nauwelijks vergelijkingsmate-riaal («klassiek» tot stand gebrachte embryo’s) in vitro beschikbaar is. Dedefinitie en toelichting zijn hierop niet aangepast. In hoofdstuk 2 van dememorie van toelichting wordt in dit kader beaamd dat de verwachtingnog niet proefondervindelijk te testen is. Hier wordt ook toegelicht dat hetgaat om een verwachting die hoort bij een type entiteit op basis van dewijze van tot stand brengen en behandeling.De veertiendagengrensTen aanzien van de veertiendagengrens wordt opgemerkt dat hetonduidelijk is vanaf welk moment dit berekend moet worden. Voor«klassiek» tot stand gebrachte embryo’s geldt de veertiendagengrensvanaf het moment van bevruchting. ELS komen kort na het tot standbrengen overeen met een embryo dat al minimaal een aantal dagenontwikkeld is. De Gezondheidsraad was reeds om advies gevraagd overde manier waarop een ontwikkelgrens voor ELS vorm kan wordengegeven. Dit advies is gedurende de internetconsultatiefase (najaar 2023)gepubliceerd. De Gezondheidsraad heeft in dit kader geadviseerd om bijhet tot stand brengen van ELS te kijken met welke ontwikkelingsleeftijd deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 344 desbetreffende structuur overeenkomt. Deze ontwikkelingsleeftijd wordtvervolgens afgetrokken van de ontwikkelgrens die geldt voor embryo’s dietot stand zijn gebracht door middel van bevruchting. Met de huidige grensvan veertien dagen zou dat erop neer komen dat wanneer ELS bij hetontstaan de kenmerken vertonen van een «klassiek» embryo 6 dagen nabevruchting, de resterende ontwikkelingstijd 8 dagen is. Op basis van ditadvies zijn het wetsvoorstel en toelichting aangepast.Overigens adviseert de Gezondheidsraad niet om de grens van veertiendagen te blijven hanteren maar om deze op te schuiven naar 28 dagen. Inreacties op de consultatie wordt tweemaal expliciet geadviseerd dit adviesop te volgen. Wegens de politieke gevoeligheid van dit onderwerp en dedemissionaire status van het kabinet ten tijde van de publicatie van ditadvies, is dit onderwerp bij gebreke van tijdige besluitvorming hieroverniet meegenomen in het onderhavige wetsvoorstel. Met dit wetsvoorstelwordt de ontwikkelgrens dus niet opgeschoven.Het verbod op speciaal kwekenEen aantal reacties gaan over het verbod op speciaal kweken vanembryo’s voor onderzoek. Er wordt gesteld dat dit verbod te veelbelemmeringen voor onderzoek opwerpt. Meer specifiek wordtopgeroepen om de uitzondering op het verbod op speciaal kweken voorELS die een intact «klassiek» embryo nabootsen ook te laten gelden voorembryo’s die tot stand worden gebracht met zogenaamdeIVG-geslachtscellen. Een dergelijke extra uitzondering zou de Embryowetconsistenter maken en onderzoek naar heel vroege embryonale ontwik-keling mogelijk maken, aangezien dit type onderzoek niet mogelijk is metELS, aldus de betreffende reacties.Als de techniek zo ver is dat IVG-geslachtscellen niet te onderscheiden zijnvan geslachtscellen die in het menselijk lichaam zijn geproduceerd, zouvoor een embryo dat tot stand is gebracht door IVG-geslachtcellen zowelde wijze van het tot stand brengen (door bevruchting) als de verderedoorontwikkeling hetzelfde zijn. Zoals toegelicht in paragraaf 5.1 ziet deregering onderzoek met ELS als minder gevoelig dan onderzoek met«klassiek» tot stand gebrachte embryo’s en sluit de regering hiermee aanbij de denkwijze van burgers zoals weergegeven in het Rathenau rapport«Gewicht in de schaal».64 Uit dit rapport blijkt dat onderzoek met ELS65 devoorkeur heeft boven het gebruik van restembryo’s, maar dit rapportbevat geen maatschappelijke ethische reflectie over IVG-embryo’s.Onderzoek met embryo’s uit IVG-geslachtscellen ligt tevens verder in detoekomst. Het kabinet zal daarom in dit wetsvoorstel geen uitzonderingopnemen op het verbod op speciaal kweken voor IVG-embryo’s die eenintact «klassiek» embryo nabootsen.Toezicht en handhavingOnderzoekers waarschuwen in reacties voor administratieve lasten. Erwordt benoemd dat de gekozen definitie beoordeling door de CCMOmoeilijker zou kunnen maken en dus zou kunnen vertragen. Er wordtvoorgesteld om het huidige format voor het onderzoeksdossier datvoorgelegd moet worden voor medisch-ethische toetsing aan te passenomdat de informatie die hierin wordt gevraagd grotendeels niet relevantis voor fundamenteel onderzoek. Het opstellen van dit format is aan de64«Gewicht in de Schaal», Rathenau Instituut, 2020, specifiek pagina 37 en 38.65In het onderzoek omschreven als «embryomodellen die zijn ontwikkeld op basis van eencombinatie van verschillende menselijke stamcellen uit volwassen cellen van een mens (zoalshuidcellen)».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 345 CCMO. Aangenomen kan worden dat de CCMO te zijner tijd zal kijkenwelke aanpassingen hiervoor nodig zijn. De reacties hebben geenaanleiding gegeven om aanvullende wijzigingen door te voeren in hetkader van toezicht en handhaving.Sekseneutrale persoonsaanduidingenEen aantal reacties bevatten positieve en negatieve uitlatingen over dewijziging van persoonsaanduidingen. Het gebruiken van sekseneutralepersoonsaanduidingen in regelgeving is in lijn met de Aanwijzing voor deregelgeving.66 Deze aanbevelingen zijn bedoeld om wetgeving duidelijkeren kwalitatief beter te maken. In het ter internetconsultatie voorgelegdevoorstel was deze aanwijzing op twee manieren doorgevoerd: hetvervangen van «hij» door «degene» en het vervangen van «(zwangere)vrouw» door «(zwangere) persoon». De eerste wijziging is van belangomdat «hij» in betreffende artikelen zowel op mannen als vrouwenbetrekking kan hebben. Over de tweede wijziging is in de periode na deinternetconsultatie geconcludeerd dat deze wijziging niet dwingendvoortvloeit uit de Aanwijzingen voor de regelgeving. Er is reden gezienom deze wijziging terug te draaien in de huidige versie.Mens-diercombinatiesIn enkele reacties wordt opgeroepen tot een totaal verbod op het creërenvan mens-diercombinaties. Zoals eerder benoemd stelt de Embryowetregels voor onderzoek die raken aan fundamentele waarden waaraan nietdoor iedereen hetzelfde gewicht wordt toegekend. Dat geldt ook voormens-diercombinaties. Het doel van deze wet is om een evenwicht tevinden tussen het respect voor beginnend menselijk leven en het belangvan andere waarden, zoals de vooruitgang van de medische wetenschapen de kwaliteit en veiligheid van de (voortplantings)geneeskunde. Devoorgestelde wijzigingen op het gebied van mens-diercombinaties zijnmede bedoeld om dit doel (meer) te bereiken, door dit type onderzoekmet passende waarborgen te omkleden. Op dit punt zijn daarom geenaanvullende wijzigingen doorgevoerd.Overige wijzigenIn de consultatieversie van de toelichting werd uitgelegd dat bepalingenvoor geslachtscellen ook van toepassing kunnen zijn opIVG-geslachtscellen. Zoals hiervoor is toegelicht, vallenIVG-geslachtscellen onder de begripsomschrijving van «geslachtscellen»en zijn daarmee alle bepalingen in de Embryowet over geslachtscellenook van toepassing op IVG-geslachtscellen. Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om een aantal bepalingen hierop aan te passen, aangezien dewetgever bij de totstandkoming van de Embryowet alleen de in hetmenselijk lichaam geproduceerde geslachtscellen voor ogen had.Artikelsgewijs Artikel IOnderdeel A (artikel 1)Met onderdeel A wordt artikel 1 van de Embryowet gewijzigd. Artikel 1bevat diverse begripsbepalingen. Met de eerste twee wijzigingsop-drachten worden de begripsbepalingen in alfabetische volgorde geplaatst,66Zie aanwijzing 3.8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 346 zonder lettering in deze opsomming te hanteren. De derde wijzigingsop-dracht behelst een technische aanpassing.De vierde wijzigingsopdracht bevat een van de belangrijkste voorgesteldewijzigingen van dit wetsvoorstel: de aanpassing van het begrip «embryo».Dit begrip bepaalt in grote mate het toepassingsbereik van de wet en isbepalend voor het onderzoek van wetenschappers. In hoofdstuk 2 van hetalgemeen deel van deze toelichting is uitgebreid besproken wat het doelis van deze wijziging en wat er, mocht dit wetsvoorstel tot wet wordenverheven en in werking treden, onder embryo moet worden verstaan.Hiervoor wordt volstaan met een verwijzing naar hoofdstuk 2. Hieronderwordt enkel nog ingegaan op woordkeuzes en afbakeningsvraagstukken.Het uiteen laten vallen van de begripsbepaling in een a-onderdeel en eenb-onderdeel heeft alles te maken met de leesbaarheid van de beschrijving.In onderdeel a is de ontstaanswijze opgenomen zoals die zowel bij eennatuurlijke bevruchting als bij kunstmatige bevruchting (bij in vitrofertilisatie) op dit moment plaatsvindt. Zoals in het algemeen deel vandeze memorie van toelichting is aangegeven, wordt dit ook wel aangeduidals een «klassiek» tot stand gebracht embryo. Volgens deze omschrijvingis een embryo een entiteit die het resultaat is van het samensmelten vaneen eicel die is geproduceerd in het menselijk lichaam, met een of meerzaadcellen die zijn geproduceerd in het menselijk lichaam. In feite hetembryo waaraan de «gemiddelde mens» onmiddellijk zal denken alsgevraagd wordt zich een embryo voor te stellen.Het gaat bij onderdeel a dus om geslachtscellen in vivo. Dat de geslachts-cellen in het menselijk lichaam moeten zijn geproduceerd, wil overigensniet zeggen dat alle ontwikkelstadia die een geslachtscel kan doorlopen inhet menselijk lichaam doorlopen moeten worden. Geproduceerd wil indeze context zeggen dat de cel in het menselijk lichaam is ontstaan, maardat sluit niet uit dat de betreffende cel daarna in vitro is (na)gerijpt.Overigens vindt bevruchting over het algemeen plaats door de samen-smelting van één eicel en één zaadcel, maar dat is niet altijd het geval.Hoewel zeldzaam, komt het voor dat twee zaadcellen tegelijkertijdsuccesvol een eicel bevruchten en dat daaruit een embryo ontstaat dat uitkan groeien tot een mens. Daarom wordt in de nieuwe definitie onderdeela gesproken van bevruchting door één of meerdere zaadcellen.Ter verduidelijking van onderdeel a wordt nog het volgende hieroveropgemerkt. Ten eerste geldt, net als onder de vigerende begripsbepaling,dat ieder ontwikkelingsstadium van een embryo, vanaf het ontstaan totaan een eventuele geboorte, onder de reikwijdte van de definitie valt.67Een foetus, al dan niet volgroeid, is een entiteit die het resultaat is vanbevruchting van een menselijke eicel door een of meer menselijkezaadcellen, evenals de net bevruchte en nog eencellige zygote dat is. Tentweede geldt dat een chimaera-embryo ook een embryo is. Inparagraaf 1.4 van het algemeen deel van de toelichting is ingegaan op watchimaeren zijn en in paragraaf 4.1 is toegelicht onder welke omstandig-heden zij geacht worden een embryo te zijn. Een menselijk embryoverandert niet van aard (het blijft een menselijk embryo) als er in een laterstadium een beperkt aantal dierlijke cellen (met het dierlijk genoom) aantoegevoegd zijn. Ook chimaera-embryo’s ontstaan uit een menselijk«klassiek» embryo en vallen dus onder onderdeel a van de voorgesteldedefinitie van embryo.67Kamerstukken II 2000/21, nr. 27 423, nr. 3, p. 50.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 347 In onderdeel b is het «klassiek» tot stand gebrachte embryo als hetvertrekpunt genomen waaraan andere soorten embryo’s kunnen wordengerelateerd. Onderdeel b ziet op andere wijzen van tot stand brengen,namelijk het samensmelten van in vitro geproduceerde geslachtscellen,het samenbrengen van pluripotente stamcellen en celkerntransplantatie(kloneren). Tot slot zou het nog kunnen gaan om een andere, nu nog nietbestaande techniek. Ook hier wordt volstaan met een verwijzing naarhoofdstuk 2 voor een toelichting op de voorgestelde omschrijving inonderdeel b.Ook hier geldt dat een embryo als bedoeld in onderdeel b een chimaera-embryo kan zijn. De (dierlijke) cellen waarmee de chimaera wordtgemaakt worden immers pas ná het ontstaan van een embryo aan hetembryo toegevoegd.Onderdeel A strekt niet tot aanpassing van de vigerende definitie van«geslachtscellen». Hieronder worden verstaan «menselijke zaad- eneicellen». Bij de totstandkoming van de wet zijn hieronder vanzelf-sprekend alleen geschaard de in het menselijk lichaam geproduceerdegeslachtscellen. Echter, in vitro geproduceerde geslachtscellen(IVG-geslachtscellen) voldoen ook aan deze definitie, nadat zij in vitro uitstamcellen of andere lichaamscellen zijn geproduceerd. De definitie zegtimmers alleen iets over de aard van de cellen, niet over de wijze vantotstandkoming ervan. Er is geen aanleiding gezien om de definitie hieropaan te passen. IVG-geslachtscellen zijn dus aan te merken als «geslachts-cellen» in de zin van de wet.Wat moet worden verstaan onder IVG-geslachtscellen, is in paragraaf 1.3van het algemeen deel van de toelichting aan bod gekomen. Voor deduidelijkheid wordt benadrukt dat de Embryowet niet van toepassing is ophet tot stand brengen van IVG-geslachtscellen; de Wzl zal daarop vantoepassing zijn. De Embryowet is wel van toepassing op het bewaren engebruiken van IVG-geslachtscellen (voor vervolgonderzoek of kwaliteits-doeleinden).Onderdeel B (artikel 2)Met onderdeel B wordt artikel 2 van de Embryowet gewijzigd. In de eerstedrie leden van artikel 2 wordt verduidelijkt dat het gaat om een «instel-lingsprotocol», in tegenstelling tot de «onderzoeksprotocollen» die inandere artikelen van de Embryowet worden genoemd. Met de wijzigings-opdracht van het derde lid wordt tevens geregeld dat de genoemdeaspecten waarover in ieder geval in het instellingsprotocol regels moetenworden gesteld alleen geldt, voor zover die aspecten in de instelling vantoepassing zijn. Deze wijziging is ingegeven door het feit dat onder«geslachtscellen» ook IVG-geslachtscellen vallen. Hierdoor kan bijvoor-beeld een aspect als «de wijze waarop de ovulatiestimulatie plaatsvindt»niet van toepassing zijn in een specifieke instelling, zodat het ook nietnodig is dat daarover in het instellingsprotocol regels over wordengesteld.Met de vierde wijzigingsopdracht wordt een lid toegevoegd dat bepaaltdat het artikel niet van toepassing is op instellingen waar uitsluitendembryo’s tot stand worden gebracht door het samenbrengen vanpluripotente stamcellen (ofwel ELS die een intact «klassiek» embryonabootsen) of anderszins handelingen met dergelijke embryo’s wordenverricht. De eisen die aan instellingen in artikel 2 worden gesteld zijn enkelrelevant voor embryo’s die voor reproductieve doeleinden wordengebruikt. ELS kunnen niet voor reproductieve doeleinden wordengebruikt. Zie ook paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de toelichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 348 Instellingen die embryo’s tot stand brengen voor reproductievedoeleinden en daarnaast ook ELS tot stand brengen of die daar anderszinshandelingen mee verrichten, vallen wel onder de verplichtingen vanartikel 2.Onderdeel C (artikel 3)Onderdeel C wijzigt artikel 3 van de Embryowet. Uit het voorgesteldeartikel 3, tweede lid, van deze wet volgt dat – in navolging van aanbe-veling 13 van de evaluatie – in beginsel alle voorgestelde onderzoekspro-tocollen, ook die betreffende wetenschappelijk onderzoek met foetussen,worden voorgelegd aan de centrale commissie (CCMO).68 Het derde lidkan daarom komen te vervallen en het vierde lid kan worden vernummerdtot het derde lid. De centrale commissie kan op enig moment op basis vande bevoegdheid van het derde lid (nieuw) bepalen dat bepaalde nietinvasieve soorten onderzoek met foetussen door een METC kunnenworden getoetst. Aan de omschrijving van dit soort onderzoek istoegevoegd dat het gaat om niet invasief onderzoek of onderzoek dat naarverwachting de toestand van de foetus niet wijzigt. Dat is een beter tebepalen onderscheid dan het onderscheid tussen onderzoek waarbij detoestand van de foetus wel of niet opzettelijk wordt gewijzigd. Zie hieroverparagraaf 4.2 van het algemeen deel van de toelichting.Onderdelen D, F, G, J, K, L en N (artikelen 3a, 6, 7, 16, 17, 19 en21)De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 3a, 6, 7, 16, 17, 19 en 21 vande Embryowet zijn van wetstechnische en taalkundige aard; aan deinhoud van deze artikelen wordt niets veranderd.Onderdelen D en L verbeteren de verwijzing in de artikelen 3a en 19 naarde krachtens artikel 16 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoekmet mensen erkende commissie.Onderdeel F wijzigt artikel 6. Voorgesteld wordt om in het derde en vierdelid te benoemen dat de uitdrukkelijke toestemming een uitdrukkelijkeschriftelijke toestemming moet zijn (zie paragraaf 8.2 van het algemeendeel van de toelichting, onder «IGJ»). Daarnaast wordt – in lijn metAanwijzing 3.8 van de Aanwijzingen voor de regelgeving – de aanduidingvan «betrokkene» sekseneutraal gemaakt, door onder andere «hij» tevervangen door «diegene». Een soortgelijke wijziging wordt doorgevoerdin artikel 7 (onderdeel G) en artikel 17, vijfde lid (onderdeel K).Met onderdeel J wordt voorgesteld om de formulering waarmee wordtverwezen naar bepaalde embryo’s in lijn te brengen met de formulering invergelijkbare artikelen.Tot slot wordt met onderdeel N in artikel 21, eerste lid, de aanduiding«minderjarig» geschrapt omdat uit de zinsnede «de leeftijd van zestienjaar nog niet bereikt [hebbend]» al volgt dat het om een minderjarigegaat. Hiermee wordt aangesloten bij de formuleringen die in de Wetmedisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen worden gehanteerd.68Derde evaluatie Embryowet (W.J. Dondorp, M.C. Ploem, G. M.W.R. de Wert, M.C. de Vries enJ.K.M. Gevers); ZonMW, februari 2021; bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 30 486, nr. 26,p. 206.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 349 Onderdeel D (artikel 5)Met dit onderdeel wordt in artikel 5, eerste lid, van de Embryowet dezinsnede «hun geslachtscellen» vervangen, omdat deze woordkeuzeminder goed aansluit bij IVG-geslachtscellen. Het gaat hier dus om eentechnische wijziging, die uitsluitend is ingegeven door het feit dat onder«geslachtscellen» ook IVG-geslachtscellen vallen.Onderdeel H (artikel 12)Met onderdeel H wordt een derde lid aan artikel 12 toegevoegd, waarin totuitdrukking komt dat het artikel niet van toepassing is op ELS die eenintact «klassiek» embryo nabootsen. Deze embryo’s kunnen namelijk nietter beschikking worden gesteld. Van het ter beschikking stellen vangeslachtscellen bij embryo’s die tot stand worden gebracht door hetsamenbrengen van pluripotente stamcellen, is dan ook geen sprake.Onderdeel I (artikel 14)Degene die het onderzoek uitvoert draagt er zorg voor dat onder meermedewerkers over de aard en het doel van het onderzoek zijn ingelicht.Artikel 14 regelt dat degene die het wetenschappelijk onderzoek uitvoert,er zorg voor draagt dat de persoonlijke levenssfeer van degenen van wiede geslachtscellen afkomstig zijn en van degenen die het embryo terbeschikking hebben gesteld, zoveel mogelijk wordt beschermd. OnderdeelI wijzigt artikel 14, waardoor de verplichting om de persoonlijke levens-sfeer te beschermen ook gaat gelden voor de persoonlijke levenssfeer vanpersonen die lichaamsmateriaal ter beschikking hebben gesteld waarmeede geslachtscellen zijn geproduceerd of embryo’s tot stand wordengebracht door het samenbrengen van pluripotente stamcellen. Als de Wzltot wet verheven zou worden en in werking zou treden (zie daaroverparagraaf 7.1 van het algemeen deel van deze toelichting), gelden opbasis van die wet waarborgen ter bescherming van de persoonlijkelevenssfeer van degenen die lichaamsmateriaal afgeven. Op het momentdat met dat (bewerkte) lichaamsmateriaal (met toestemming) ELS die eenintact «klassiek» embryo nabootsen worden gemaakt, wordt deEmbryowet van toepassing.Onderdeel M (artikel 20)Het eerste lid van artikel 20 wordt door onderdeel M gewijzigd omdaaraan toe te voegen dat het in die bepaling beschreven onderzoek meteen foetus ook mag worden uitgevoerd als het onderzoek weliswaar zoukunnen worden uitgesteld tot na de geboorte, maar dat over dat uitstel deverwachting is dat het tot een minder goede prognose voor de betref-fende foetus zou leiden. Het gaat daarbij om een redelijke verwachting,aangezien niet met zekerheid vast te stellen is hoe een dergelijkebehandeling voor de betreffende foetus daadwerkelijk zal uitpakken. Zieover deze prenatale behandelingen paragraaf 4.2.Onderdeel O (artikel 24)Onderdeel O wijzigt artikel 24, eerste lid (nieuw), onderdeel e, van deEmbryowet en voegt een tweede lid aan dit artikel toe.Het vigerende onderdeel e bevat het verbod om een embryo buiten hetmenselijk lichaam zich langer dan veertien dagen te laten ontwikkelen.Deze ontwikkelgrens is geschreven voor de «klassiek» tot stand gebrachteembryo’s. In paragraaf 3.3 van het algemeen deel van de toelichting isingegaan op het advies van de Gezondheidsraad van 31 oktober 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 350 Geadviseerd wordt om voor embryo’s die tot stand worden gebracht doorhet samenbrengen van pluripotente stamcellen (ELS) een grens op tenemen die overeenkomt met het ontwikkelingsstadium van een «klassiek»embryo op het moment van de ontwikkelgrens. Aan dat advies isnavolging gegeven door de voorgestelde aanpassing van onderdeel e.Deze bestaat nu uit twee subonderdelen, waarbij subonderdeel 1° deaangepaste ontwikkelgrens voor ELS bevat en subonderdeel 2° devigerende veertiendagengrens bevat voor de embryo’s die geen ELS zijn.Voor ELS geldt dat deze zich niet langer dan veertien dagen mogenontwikkelen vanaf het moment dat de samengebrachte cellen een zichzelforganiserende structuur vormen met aftrek van de geschatte ontwikke-lingsleeftijd op datzelfde moment. De geschatte ontwikkelingsleeftijdmoet blijken uit het onderzoeksprotocol (artikel 3, eerste lid, Embryowet).Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.3.Het nieuwe tweede lid van artikel 24 van de Embryowet regelt dedoeleinden waarvoor ELS, die een intact «klassiek» embryo nabootsen,gemaakt mogen worden en gebruikt mogen worden. In artikel 24,onderdeel a, van deze wet is het verbod op speciaal kweken opgenomenten aanzien van alle embryo’s. Dit verbod zal niet gelden voor embryo’sdie tot stand worden gebracht door het samenbrengen van pluripotentestamcellen. Dergelijke embryo’s mogen tot stand worden gebracht enworden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Zijn zij eenmaalgemaakt, dan blijven er na het uitvoeren van het wetenschappelijkonderzoek wellicht een aantal over. Deze overgebleven embryo’s mogenvervolgens worden gebruikt ten behoeve van kwaliteitsbewaking diedirect verband houdt met de diagnostische processen of behandel-processen in de fertiliteitszorg.Onderdeel P (artikel 25)Met onderdeel P wordt in artikel 25, onderdeel b, van de Embryowet eenaantal verduidelijkingen doorgevoerd. Door de wetenschappelijkeontwikkelingen, eerder in het algemeen deel van de toelichting besproken,is het niet langer vanzelfsprekend dat een chimaera-embryo gemaaktwordt op basis van embryonale cellen. Met andersoortige stamcellenkunnen ook embryo’s worden gemaakt, en daarmee ook chimaera-embryo’s (menselijke embryo’s met dierlijke stamcellen). Het woord«embryonale» komt daarom te vervallen. Tevens is verduidelijkt dat het inonderdeel b enkel gaat over chimaera-embryo’s die (deels) bestaan uitmenselijke cellen en niet over alle denkbare chimaeren, zoals dier-dierchimaeren. Tot slot is «tot stand gebrachte» vervangen door «bestaande»omdat «tot stand brengen» impliceert dat het embryo pas zou ontstaan nahet samenvoegen van de verschillende cellen, terwijl een chimaera-embryo in principe tot stand wordt gebracht door uit te gaan van eenembryo waaraan andere cellen worden toegevoegd. Er moet eerst sprakezijn van een embryo, voordat er een chimaera-embryo kan wordengemaakt. Het gaat dus om een entiteit die bestáát uit menselijke endierlijke dan wel alleen menselijke cellen.Onderdelen Q en R (opschrift paragraaf 7, artikel 28)De wijzigingen die zijn voorgesteld in de onderdelen Q en R zijn vanwetstechnische aard. In verband met de introductie van de bestuurlijkeboete wordt het opschrift van paragraaf 7 aangepast naar «Handhavings-bepalingen», zodat tot uitdrukking wordt gebracht dat er zowel strafrech-telijke als bestuursrechtelijke handhavingsbepalingen in deze paragraafstaan. In artikel 28 wordt telkens verduidelijkt dat het gaat om de vierdecategorie «als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek vanStrafrecht».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 351 Onderdeel S (artikel 28a (nieuw))Met onderdeel S wordt na artikel 28 een nieuw artikel ingevoegd, waarinaan de Minister de bevoegdheid wordt toegekend om een bestuurlijkeboete op te leggen bij bepaalde (lichtere) overtredingen van deEmbryowet. Voor het bestuurlijke boetemaximum wordt aangesloten bijde vierde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek vanStrafrecht, hetgeen ook de maximale strafrechtelijke geldboete is voorovertredingen van de Embryowet.Deze bevoegdheid kan gemandateerd worden aan de IGJ. Het voorgaandedoet uiteraard niet af aan de vervolgingsbevoegdheid van het OM. Zieparagraaf 4.3 van het algemeen deel van de toelichting.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V.P.G. KarremansTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 677, nr. 352

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 4bfcf405dab69222

14 okt 2026 · 7b82113e267e3dcb

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.