Beleidsreactie op het Inspectierapport ‘Terrorismelijsten en (internationale) informatiedeling door de politie’
Brontekst
Versie bd74a051d861be4c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 628Politie29 754TerrorismebestrijdingNr. 1321 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 1 april 2026Met deze brief bied ik uw Kamer het rapport ‘Terrorismelijsten en(internationale) informatiedeling door de politie’ van de Inspectie Justitieen Veiligheid (hierna: inspectie) aan. Dit rapport betreft een validatieon-derzoek van de inspectie naar een intern door de politie opgesteldfeitenrelaas over de kenmerken en mogelijke complicaties rondom hetgebruik van de Landelijk Overzicht Politie Jihadgang (LOP-J) lijst tot 2018en een bestuurlijke rapportage van de politie over de eigen werkpro-cessen rond het gebruik van terrorismelijsten en bijbehorende (interna-tionale) informatiedelingen vanaf 2018. Het gaat dus om een validatieon-derzoek van de inspectie naar twee interne politie documenten: eenfeitenrelaas en een bestuurlijke rapportage.Samenvatting rapportIn 2023 verschenen verschillende mediaberichten over Nederlandseburgers die vermoedden dat de problemen die zij ondervonden bij reizennaar het buitenland te maken zouden kunnen hebben met het delen vangegevens door de Nederlandse autoriteiten met het buitenland. Deinspectie is naar aanleiding hiervan in september 2023 gestart met eenoriëntatie naar de werkwijze van de politie bij het opstellen van lijsten vanpersonen die een risico vormden in het kader van terrorisme en radicali-sering en het delen van informatie over deze personen met hetbuitenland.Door de korpsleiding van de politie is in 2023 een interne opdrachtgegeven om te komen tot een feitenrelaas over de periode van 2012 tot2018 en een bestuurlijke rapportage over de periode erna. De Inspectieheeft haar toezicht gericht op deze door de politie uitgevoerde opdrachtenvan de korpsleiding met als hoofdvraag:In hoeverre is het eigen onderzoek van de politie naar het werkproces vande terrorismelijsten en de bijbehorende internationale gegevensdelingenzorgvuldig en navolgbaar? kst-29628-1321ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 628, nr. 13211 De inspectie komt, zoals zij zelf aangeeft, tot een kritisch oordeel die zijrelateert aan de onderzoeksmethodologie die door de politie is gebruikt.De inspectie is van mening dat met name het feitenrelaas geen volledigeweergave geeft van de problematiek die zichtbaar is in de onderliggendestukken. Daarnaast concludeert de inspectie voor beide onderzoeken datinformatie ontbreekt over de gehanteerde onderzoeksmethoden, dat nietalle onderzoeksvragen/thema’s uit de opdracht zijn beantwoord en dat deconclusies niet altijd volgen uit de beschreven bevindingen. Over deaanbevelingen in de bestuurlijke rapportage is de inspectie overwegendpositief en die kan zij goed volgen.De inspectie vindt het belangrijk dat de politie kritisch naar haar eigenhandelen kijkt. De inspectie vindt het goed dat de politie haar werkpro-cessen in 2018 heeft aangepast, maar ziet een reflectie op het werkprocesvan voor 2018 en de risico’s die dit mogelijk met zich mee heeft gebracht,onvoldoende terug. Tegelijkertijd benadrukt de inspectie dat zij geenonderzoek heeft gedaan naar in hoeverre personen in de periode2012–2018 terecht op een lijst hebben gestaan en/of gegevens inindividuele gevallen terecht zijn gedeeld. Daarnaast benadrukt deinspectie dat de politie niet de enige organisatie is die informatie overpersonen in het kader van CTER met het buitenland kan delen. Ook merktde inspectie daarbij op dat er personen waren in Nederland die bereidwaren tot het plegen van aanslagen en/of het uitreizen naar strijdge-bieden; in die context werd grote druk op de politie uitgeoefend omjihadgang tegen te gaan en terroristische aanslagen te voorkomen.De inspectie doet twee aanbevelingen aan de Korpschef:1.Continueer het uitvoeren van eigen onderzoek naar interne werkpro-cessen en professionaliseer hierbij de kwaliteit, validiteit, betrouwbaar-heid en onafhankelijkheid van dergelijke onderzoeken.2.Onderzoek of het huidige werkproces van de politie omtrent interna-tionale gegevensdelingen in het kader van CTER (op andere wijze danvia signaleringen) met voldoende waarborgen is omkleed.Reactie op het rapportIk dank de inspectie voor het onafhankelijke uitgevoerde validatieon-derzoek. Omdat de aanbevelingen verschillend van aard zijn, is ervoorgekozen om een afzonderlijke reactie per aanbeveling te geven.Reactie aanbeveling 1De inspectie benadrukt in haar validatieonderzoek dat zij het belangrijkvindt dat de organisaties die zij onderzoekt in staat zijn om de eigenwerkprocessen waar nodig kritisch te beoordelen en bij te stellen. Dezeboodschap van de inspectie onderschrijf ik. Dergelijke zelfreflectie en hetbijbehorende lerend vermogen zijn essentieel voor de continue verbe-tering van de organisatie en dienen te worden gestimuleerd.Het gebeurt met enige regelmaat dat politie reflecteert op een incident ofmanier van werken, bijvoorbeeld naar aanleiding van een impactvolincident. Het opstellen van een feitenrelaas over de periode van 2012 tot2018 was een opdracht van de korpsleiding, met als doel om op hoofd-lijnen meer duidelijkheid te verschaffen over de LOP-J lijst en mogelijkecomplicaties. De werkgroep die zich heeft gebogen over de periode na2018 had als doel het duiden van de problematiek rondom reisbeper-kingen van Nederlandse burgers en de rol van politie hierin, om zo bij tedragen aan bewustwording en waar mogelijk het doen van verbetervoor-stellen. In beide gevallen was er dus geen sprake van een formeelonderzoekstraject met bijvoorbeeld verantwoording over de gehanteerdeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 628, nr. 13212 onderzoeksmethode. Dit verschil van opvatting over hoe een dergelijkeopdracht van de korpsleiding geïnterpreteerd en uitgevoerd zou moetenworden, heeft waarschijnlijk bijgedragen aan het kritische oordeel van deinspectie.Voor dergelijke onderzoeken bestaat binnen politie momenteel geenstandaardwerkwijze. Incidenten of werkwijzen kunnen zeer uiteenlopen inaard en omvang. Het ontwikkelen van handvatten voor het doen van ditsoort onderzoek, waarbij recht wordt gedaan aan de diversiteit aanonderwerpen, kan het lerend vermogen van de politie verbeteren. In datlicht verwelkom ik de eerste aanbeveling van inspectie waarbij zijoproepen om dit verder te professionaliseren. De korpsleiding heeft mijlaten weten dat zij de uitgestoken hand van inspectie om hierin samen opte trekken heeft aangegrepen en dat de eerste gesprekken hieroverinmiddels zijn gevoerd.Reactie aanbeveling 2De tweede aanbeveling betreft het huidige werkproces van de politieomtrent internationale gegevensdelingen in het kader van CTER. Eerst zalde context geschetst worden, daarna zal kort worden ingegaan op hetvalidatieonderzoek van de inspectie en vervolgens op het huidigewerkproces en de waarborgen in dit proces.Terrorisme stopt niet bij de landsgrenzen. Internationale samenwerking isdaarom onmisbaar voor een effectieve aanpak van terrorisme in het kadervan onze nationale veiligheid. In de periode vanaf 2012 stonden de politieen andere overheidspartners onder grote druk om te voorkomen dat erterroristische aanslagen in of tegen Nederland zouden plaatsvinden. Depolitie werkt bij deze werkzaamheden onder gezag van het OpenbaarMinisterie en ook was in deze tijd veel afstemming met het Ministerie vanJustitie en Veiligheid over de werkwijze. Het dreigingsniveau werd inmaart 2013 ingeschaald als substantieel, wat wil zeggen dat de kanshierop als reëel werd geacht. Een van de onderliggende factoren van hetdreigingsniveau waren jihadistische uitreizigers naar en de terugkeerdersuit de jihadistische strijdgebieden. Zoals ook eerder aangegeven richtingde Kamer1 werd in deze periode door de politie gebruik gemaakt van eendynamisch overzicht waarmee op landelijke niveau overzicht en inzichtontstond van de uitreisproblematiek. Dit werkdocument stond bekend alsde LOP-J lijst, een werkwijze die inmiddels al sinds 2018 niet meer wordtgehanteerd.In de conclusie van de inspectie hebben zij aangegeven dat zij kritisch zijnover de volledigheid van het feitenrelaas, maar de aanbevelingen uit debestuurlijke rapportage goed te kunnen volgen. Het feitenrelaas gingspecifiek over de periode tot 2018 en de bestuurlijke rapportage over deperiode vanaf 2018. Zoals ook aangegeven in de beleidsreactie op hetOmbudsmanrapport over dezelfde casuïstiek, waren uitreizigers destijdsnog een nieuw fenomeen. Er waren nog geen standaard protocollen ofwerkafspraken aanwezig en de informatie was nog erg versnipperd2.Zoals de inspectie aangeeft in haar rapport, zijn vanwege de wettelijkebewaartermijnen veel gegevens inmiddels vernietigd. Dit maakt dat dewerkwijze en de consequenties voor individuele burgers niet volledig tereconstrueren zijn. De politie heeft aan mij aangegeven dat de inspectietijdens het validatieonderzoek alle beschikbare informatie heeft in kunnenzien die is gebruikt voor beide opdrachten, met inachtneming vanspecifieke wettelijke beperkingen.1Kamerstuk 29 628, nr. 1193 (bijlage moties, toezeggingen en aanvullende verzoeken)2Kamerstukken II 2024/25, 29 754, nr. 733 en Kamerstukken II 2024/25, 29 628, nr.1277Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 628, nr. 13213 De zorgvuldige behandeling van gegevens van individuele Nederlandseburgers door de politie is voor mij van groot belang. De inspectieconcludeert dat met name in het werkproces voor 2018 risico’s zaten.Zoals eerder met uw Kamer gedeeld in de beleidsreactie op het Ombuds-manrapport naar de wijze waarop de overheid omgaat met registraties ensignaleringen bij contraterrorisme, extremisme en radicalisering (CTER)en de mogelijke gevolgen van zo’n registratie of signalering voor deburger, is de werkwijze van destijds op diverse punten aangepast,geprofessionaliseerd en zijn waarborgen ten aanzien van deze processenverbeterd. Ook zijn er naar aanleiding van het Ombudsmanrapport nogextra aanscherpingen geweest waar ik uw Kamer eerder over hebgeïnformeerd3.Uw Kamer is in het tweede Halfjaarbericht politie 2023 geïnformeerd overde huidige werkwijze van de politie in de bestrijding van terrorisme,extremisme en radicalisering. Hierin staat beschreven hoe de politie kankomen van een eerste registratie in het kader van de dagelijkse politietaaktot een internationale signalering of het plaatsen van iemand op dehuidige afstemmingslijst, en welke waarborgen er in dit proces zijn. Depolitie kent verschillende kanalen voor de het delen van informatie metbuitenlandse diensten en autoriteiten. Dit zijn het Schengen Informatie-systeem (hierna: SIS) via Bureau SIRENE, Europol, INTERPOL en viadaartoe aangestelde verbindingsofficieren (ook wel: Liaisons-officers).Deze kanalen kennen elk hun eigen waarborgen en wettelijke grondslag4.Voor de politie geldt dat er sinds 2018 een landelijk uniform werkproces isingericht en dat de procedures rond internationale informatie-uitwisselingen signaleringen zijn aangescherpt. Het OM toetst per individuele casus ofinformatie-uitwisseling met het buitenland of een internationale signa-lering noodzakelijk en proportioneel wordt geacht.Het werkproces voor signaleringen is verbeterd, in afstemming metrelevante instanties, waardoor een verplichte individuele afweging op hetgebied van proportionaliteit en subsidiariteit moet worden gegeven bij deaanvraag van een signalering. Om aanvragers te begeleiden op ditgebied, zijn aanvullende richtlijnen opgesteld die helpen bij het makenvan een degelijke onderbouwing. Met deze verbetering wordt eenzorgvuldige afweging gemaakt op het gebied van subsidiariteit enproportionaliteit ten aanzien van de rechten van burgers. Eerdereaanpassingen in dit werkproces hebben onder andere geleid tot meerbewustwording over bijvoorbeeld de duur van een signalering en eenbetere herleidbaarheid van gegevens.Ook zal periodiek bij de politie een analyse gemaakt worden van alle opdat moment lopende art 36.3 signaleringen5. Hoewel deze analysearbeidsintensief is, kan deze van grote meerwaarde zijn omdat het kandienen als input voor interne kwaliteitsmonitoring over signaleringen.Daarnaast hebben de politie en KMar opnieuw een kwaliteitsoverlegingesteld, waarin wordt gesproken over vastlegging van het themare-gister CTER, het werkproces en opschoningen. Het themaregister CTER6 is3Kamerstukken II 2025/2026, 29 628, nr. 1302 (bijlage moties, toezeggingen en aanvullendeverzoeken)4Kamerstuk 29 628, nr. 1193 (bijlage moties, toezeggingen en aanvullende verzoeken)5Dit zijn signaleringen van personen met het oog op onopvallende controles, onderzoekscon-trole of gerichte controles met het oog op de voorkoming, de opsporing, het onderzoek of devervolging van strafbare feiten, met het oog op de tenuitvoerlegging van een strafrechtelijkvonnis en ter voorkoming van gevaar voor de openbare veiligheid. Zie voor een uitgebreideuitleg de Verordening (EU) nr. 2018/1862.6art. 10, lid 1, onder b WpgTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 628, nr. 13214 een afgeschermde ICT-omgeving van de politie waarin informatie isopgenomen die als relevant is beoordeeld ter bestrijding van terrorisme,extremisme en radicalisering. De politie heeft mij laten weten dat depolitie mede naar aanleiding van het Ombudsmanrapport het systeemvoor periodieke controles van het themaregister CTER opnieuwvormgeeft. Een uitgebreide uitleg over het themaregister is terug tevinden in het tweede halfjaarbericht politie 20237.Daarnaast dient de politie zelf, als verwerkingsverantwoordelijke, tetoetsen of de informatiedeling en de signalering rechtmatig is op grondvan de gegevensbeschermingswetgeving zoals is vastgelegd in de Wetpolitiegegevens (Wpg) (zie o.a. artikelen 15, 15a en 17a van de Wpg). Ookvoor de verwerking en verwijdering van gegevens, waaronder voor hetopheffen van een signalering, zijn er wettelijke kaders en richtlijnenvastgelegd ter bescherming van de burger. De politie heeft bij mijaangegeven dat dit is ingericht en dat ook uit het feitenrelaas blijkt datsignaleringen ook weer worden opgeheven.Ik hecht er waarde aan nogmaals te benadrukken dat de werkwijze tenopzichte van de start van de opkomst van CTER als fenomeen isaangepast, geprofessionaliseerd en waarborgen ten aanzien van dezeprocessen zijn verbeterd. Ik vind het van belang dat de politie juist bij ditsoort gevoelige processen blijft reflecteren op mogelijke risico’s en waarmogelijk maatregelen neemt om deze te mitigeren.De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. van Weel7Kamerstuk 29 628, nr. 1193 (bijlage moties, toezeggingen en aanvullende verzoeken)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 628, nr. 13215
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.