Verslag van een schriftelijk overleg over de Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) (Kamerstuk 30371-59) en de reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026 (Kamerstuk 32279-268)
Brontekst
Versie 76e784e5b22cda3d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 279Zorg rond zwangerschap en geboorte30 371Evaluatie Wet afbreking zwangerschapNr. 271 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 26 maart 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de Jaarrapportage 2024 van de Wetafbreking zwangerschap van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)(Kamerstuk 30 371, nr. 59) en de reactie op AVOZ-studie en beleidonbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026 (Kamerstuk32 279, nr. 268)De vragen en opmerkingen zijn op 28 januari 2026 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 20 maart 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Meijerink kst-32279-271ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 2711 Inhoudsopgaveblz.I.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie0Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie0Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie0Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie0Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie0Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie0Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie0Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie0II.Reactie van de Minister0 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de Jaarrap-portage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Reactie op AVOZ-studie en beleidonbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026.De leden van de D66-fractie hebben daarnaast vernomen dat nog maarweinig huisartsen de abortuspil voorschrijven, terwijl dit een belangrijkeen laagdrempelige vorm van abortuszorg is. Uit recente cijfers blijkt datslechts ongeveer 3,5% van de huisartsen de verplichte nascholing heeftgevolgd en daarmee bevoegd is om de abortuspil voor te schrijven. Dezeleden vragen de Staatssecretaris welke stappen worden gezet om dezevorm van zorg breder beschikbaar te maken binnen de huisartsenpraktijk.Hoe wordt ingezet op het vergroten van deelname aan de nascholing, hetwegnemen van administratieve lasten en het verbeteren van samen-werking in de keten, zodat vrouwen sneller en dichterbij huis toegangkrijgen tot deze zorg?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deJaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Zij hebben daarbij geen vragen ofopmerkingen.Daarnaast hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van deReactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenstezwangerschappen vanaf 2026. De leden hebben met instemmingkennisgenomen dat ook de AVOZ-studie bevestigt dat «het niet zinvol enniet passend is om de keuze voor een abortus terug te brengen tot eenrijtje redenen». Dit sluit nadrukkelijk aan bij het standpunt dat de ledenvan de VVD-fractie hierover hebben ingenomen. De leden van deVVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Aanpakonbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en zien in de driebeschreven pijlers een brede aanpak vanuit de Staatssecretaris. Zijsteunen de Staatssecretaris in deze brede aanpak.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 2712 Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen vanenerzijds de jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap(Wafz) van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de daarbijbehorende kabinetsreactie en anderzijds de reactie op de AVOZ-studieen beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Zijhebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er in 2024 659 keer eenafbreking geregistreerd werd voor een vrouw met woonplaats«onbekend», ten opzichte van 2023 waar dit aantal 47 bedroeg. Zij lezendat de oorzaak van deze stijging niet bekend is. Wat zouden, theoretischgezien, mogelijke oorzaken kunnen zijn van deze stijging en valt hierin eenverband te signaleren met het aantal vrouwen dat recht heeft op eenvergoeding van de behandeling?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook kennisgenomen vande aanbevelingen uit het AVOZ-rapport en hebben in het bijzonderbehoefte aan extra duiding van het kabinet over de genoemde barrièreswat betreft breed toegankelijke anticonceptiezorg en welke rol zij voorzichzelf hierin ziet. Zou het kabinet nadere toelichting kunnen geven op ditpunt?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstig zorgen overdesinformatie over onbedoelde zwangerschappen en abortuszorg. Zijhebben gelezen dat op dit moment daar onderzoek naar wordt gedaandoor Rutgers. Zou nader toegelicht kunnen worden wat de exacte scope isvan dit onderzoek? Zou nader toegelicht kunnen worden in hoeverre ditonderzoek voldoende zal zijn om volledig inzicht te krijgen in deverspreiding van desinformatie en de geldstromen die hiermee gepaardgaan?Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben enkele vragen. Zijn er cijfersbeschikbaar over de toepassing van «natuurlijke anticonceptie» (waarbijbijvoorbeeld met temperatuurmetingen de cyclus wordt gevolgd)? Is hiereen relatie met het aantal zwangerschapsafbrekingen?Ook vragen deze leden: wat zijn de (wezenlijke) inhoudelijke verschillentussen de oude «Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap»(2023–2025) en de nieuwe? Waarom is pijler 1 «Voorkomen van eenonbedoelde en/of ongewenste zwangerschap» veranderd in «Regie opkinderwens»?In de «Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap» (2023–2025)stond onder pijler 1: «Het voorkomen en terugdringen van het aantalonbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen is een belangrijk doelbinnen deze aanpak.» De leden van de PVV-fractie vragen op welkemanier hieraan de afgelopen jaren vorm is gegeven. Is deze aanpak terugte zien in het aantal zwangerschapsafbrekingen?Voornoemde leden vragen verder hoe wordt vormgegeven aan hettegengaan van onjuiste gezondheidsinformatie over anticonceptie.Wat wordt bedoeld met: «om een realistischer beeld van onbedoeldeen/of ongewenste zwangerschap uit te dragen»?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 2713 Hoe wordt vormgegeven aan de gespreksleidraad en e-learnings voorhuisartsen over onbedoelde zwangerschap? Welke veranderingen/verbeteringen ten opzichte van de huidige praktijk worden voorzien? Ishierbij aandacht voor zowel het voorkómen van als het omgaan metonbedoelde en/of ongewenste zwangerschap?Hoe vaak is het «Landelijk informatiepunt onbedoelde zwangerschap» perjaar sinds de oprichting geraadpleegd? Hoe vaak is daarbij doorverwezennaar de «keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap»?In de «Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap» (2023–2025)stond: «In samenwerking met Fiom werken we aan het vergroten van debekendheid van het informatiepunt.» Is dat inmiddels gebeurd? Zo ja, opwelke manier, en is dat in de hierboven gevraagde cijfers overraadpleging terug te zien?Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieJaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ)De leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik omenkele aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen over dejaarrapportage. De inspectie stelt dat het opvallend is dat abortusklinieken659 keer «onbekend» opgaven, als antwoord op de vraag over dewoonplaats van vrouwen met een zwangerschapsafbreking. Vorige jarenwas dat aanzienlijk minder vaak het geval. Kan het kabinet aangeven hoevaak dit vorig jaar gebeurde en kan het kabinet verder duiden hoe ditkomt?Het aantal vrouwen dat niet voor een nacontrole in een abortuskliniekkomt stijgt de afgelopen jaren van 5% in 2022, tot 9% in 2023 en 20%2024. De leden van de CDA-fractie vinden dit een zorgelijke ontwikkeling.Kan het kabinet verklaren waarom het aantal vrouwen dat niet opnacontrole komt stijgt? Kan het kabinet vervolgens aangeven watabortusklinieken kunnen doen om het aantal vrouwen dat op nacontrolekomt te verhogen?Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenstezwangerschappen vanaf 2026Uit de studie blijkt dat onbedoelde zwangerschappen juist vakervoorkomen bij mensen met een stabiele relatie, die soms al kinderenhebben. Veel mensen zijn ontevreden over anticonceptiemethoden enstellen anticonceptiekeuzes uit. Dat mensen ontevreden zijn overanticonceptiekeuzes en het uitstellen vinden de leden van de CDA-fractieeen zorgelijke ontwikkeling. Komt het uitstellen van bepaalde anticoncep-tiekeuzes vaker voor bij bepaalde leeftijdsgroepen of ziet men dat overalterug? Kan het kabinet hier wat meer toelichting op geven?Een belangrijk verbeterpunt is de vergroting van bekendheid vankeuzehulpverlening. Dat delen deze leden en zij willen dat het kabinet allesin het werk stelt deze bekendheid te vergroten. Welke maatregel denkt hetkabinet dat het meest zal bijdragen aan meer bekendheid met keuzehulp-verlening?Het kabinet stelt dat er jaarlijks 6 miljoen euro beschikbaar is en dat er eenaantal activiteiten anders wordt ingericht. Het thema Gezonde Relaties enSeksualiteit wordt weer een regulier onderdeel van de Gezonde School-aanpak, in plaats van de tijdelijke stimuleringsregeling voor scholen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 2714 Daarnaast wordt de monitoring versoberd. Dat maakt het starten metnieuwe activiteiten mogelijk. De leden van de CDA-fractie kunnen zichvoorstellen dat er keuzes moeten worden gemaakt maar vragen inhoeverre de monitoring wordt versoberd en wat er vervolgens wel of nietwordt geregistreerd.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Jaarrap-portage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Reactie op AVOZ-studie en beleidonbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Deze ledenhebben geen vragen aan de Staatssecretaris.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met zorg kennisgenomen van deJaarrapportage 2024, de kabinetsreactie op de AVOZ-studie en het nieuwebeleid ten aanzien van onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappenvanaf 2026. Zij hebben hierover een groot aantal vragen.Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ)Uit de Jaarrapportage van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) blijktdat het aantal abortussen in 2024 op ongeveer hetzelfde, hoge niveau isgebleven als in 2023. De leden van de SGP-fractie vinden het zorgelijk dateen inhoudelijke toelichting hierop opnieuw ontbreekt. Net zoals invoorgaande jaren geeft de Staatssecretaris in haar brief immers aan datde IGJ-jaarrapportage alleen kerncijfers presenteert, maar geen duidingbij die cijfers biedt. Het is daarom volgens haar niet mogelijk omconclusies te trekken over mogelijke oorzaken van (veranderingen in) hetaantal zwangerschapsafbrekingen of andere kerncijfers.Het is geen geheim dat de leden van de SGP-fractie met het kabinet vanmening verschillen over de wenselijkheid van het vastleggen van meerinformatie over de factoren en/of motieven die een rol spelen bij abortus.Hoe wenselijk vindt de Staatssecretaris het echter zelf dat de IGJ of zijzelfnooit in de gelegenheid zijn tot een nadere duiding van veranderingen inhet aantal abortussen of ten aanzien van andere kerncijfers? Heeft zij diebehoefte, en zo nee, waarom niet? Kan zij aangeven hoe de IGJ (of zijzelf)in staat zou kunnen worden gesteld om de kerncijfers wél te duiden?Welke informatie heeft de IGJ hiervoor nodig?Kan de Staatssecretaris aangeven welke kwantitatieve of kwalitatieveinformatie abortusklinieken op dit moment überhaupt registreren? Welkeinformatie zijn zij verplicht om te registeren en te rapporteren aan de IGJ?Welke informatie wordt door abortusartsen geregistreerd, zonder dat zijdat verplicht zijn, maar enkel vanuit het oogpunt van goede hulpverleningaan vrouwen?De leden van de SGP-fractie maken uit «Tabel C: Abortusratio» op dat hetaantal abortussen per 1.000 levendgeborenen in de afgelopen decenniafors is gestegen. In ongeveer dertig jaar tijd is dit nagenoeg verdubbeldvan 110 per 1.000 levendgeborenen in 1995 naar 215 per 1.000 levendge-borenen in 2024. Wat vindt de Staatssecretaris hiervan? Is zijn van meningdat dit een wenselijke ontwikkeling is? Deelt zij de zorg van de leden vande SGP-fractie over het feit dat 1 op de 6 zwangerschappen inmiddelseindigt in een abortus? Hoe verklaart zij dat slechts 1 op de 10 Neder-landers hiermee bekend is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 2715 De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat de «Richtlijn behan-deling van vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan»(Nederlands Genootschap van Abortusartsen, 2012) wordt herzien. Hoeverloopt dit proces en wanneer wordt de nieuwe richtlijn verwacht?De leden van de SGP-fractie vragen naar de uitvoering van de aange-nomen motie De Korte-Bikker (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 174) die verzochtom de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap binnen twee jaar testarten. Is de Staatssecretaris voornemens om, mede gelet op hetaanhoudend hoge aantal abortussen, nog dit jaar opdracht te geven tot devoorbereidingen van deze evaluatie zodat begin 2027 direct met deevaluatie gestart kan worden? Is zij bereid om de Kamer in gelegenheid testellen om voorafgaand aan de evaluatie eventuele aandachtspunten ofvragen mee te geven?De leden van de SGP-fractie lazen in Trouw de suggestie dat het gestegenaantal abortussen te maken had met een aanpassing van de definitie vanabortus. Volgens de IGJ was in 2023 inderdaad sprake was van eendefinitiewijziging, maar werden overtijdbehandelingen zowel vóór als nadie wijziging meegerekend als abortussen. Deze wijziging kon volgens deInspectie daarom geen invloed hebben op het aantal abortussen. Dedefinitiewijziging is geen verklaring voor de stijging van het aantalabortussen. Kan de Staatssecretaris dit bevestigen?De leden van de SGP-fractie constateren dat in 2024 659 keer een abortuswerd geregistreerd voor een vrouw met woonplaats «onbekend». In 2023was dat aantal slechts 47. Het is volgens de Staatssecretaris niet bekendwat de oorzaak van de stijging is. De leden van de SGP-fractie vragen haarom hierover in gesprek te gaan met de abortusklinieken om een nadereduiding te krijgen. Het gaat immers om een immense stijging in één jaartijd. Kan de Staatssecretaris de Kamer hierover informeren?De leden van de SGP-fractie merken op dat het aantal herhaalabortussenonverminderd hoog blijft. Ongeveer een derde van de vrouwen heeftmeerdere keren een abortus gehad. Kan de Staatssecretaris toelichtenwelk beleid zij voert om het aantal herhaalde abortussen tegen te gaan?De leden van de SGP-fractie constateren dat het afschaffen van de vasteberaadtermijn de abortuspraktijk in Nederland wezenlijk heeft veranderd.Sinds het afschaffen van de bedenktermijn wordt in driekwart van degevallen bij het eerst bezoek aan de arts direct overgegaan tot abortus. In77,2% van de gevallen geldt dus een bedenktijd van nul dagen. Zijherinneren de Staatssecretaris eraan dat hierover tijdens de parlementairebehandeling van het initiatiefvoorstel om de bedenktermijn af te schaffenreeds is gesproken. Zo stelde bijvoorbeeld het lid Hijink (SP) hierover devolgende vraag: «(...) Dat moment van nul minuten, de nulminutenberaad-termijn, is wat mij betreft misschien toch wel het lastigste punt in de wetvan de indieners. Dat is aan de orde wanneer een vrouw binnenkomt ineen kliniek en in het gesprek met de arts zegt dat ze nul minuten genoegvindt. Ik heb ook begrepen dat de indieners zeggen: uiteindelijk is het aande vrouw om het eindoordeel te geven over hoelang die beraadtermijnmoet zijn. Wat doen we dan in die situaties waarbij er, op wat voor manierdan ook, toch sprake is van een vorm van dwang? Hoe wordt danvoorkomen dat er toch een overhaaste beslissing wordt genomen?»(Handelingen II 2021–2022, 45-6-14). De leden van de SGP-fractie vragende Staatssecretaris om hierop te reageren. Hoe weten we zeker dat bijdeze ruim 77% geen sprake is van een vorm van dwang of een overhaastebeslissing?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 2716 De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris met name om eennadere duiding hoe invulling wordt gegeven aan artikel 3, eerste lid Wafz,waarin staat: «De arts en de vrouw kunnen, met in achtneming van deeisen met betrekking tot hulpverlening en besluitvorming, bedoeld inartikel 5, in gezamenlijk overleg een termijn vaststellen die voorafgaat aande afbreking van de zwangerschap.»De leden van de SGP-fractie vinden het opvallend dat niet alleen de «piek»na vijf dagen bedenktijd is verdwenen. Het afschaffen van de verplichtebedenktermijn heeft ook geleid tot het verdwijnen van veel langebedenktijden. Waar in 2022 nog 25,8% van de vrouwen meer dan 10dagen bedenktijd nam, is dit in 2024 teruggelopen tot slechts 4,1%. Hoereflecteert de Staatssecretaris hierop? Wat is haar verklaring hiervoor?Hoe verklaren abortusartsen dit zelf? Vindt de Staatssecretaris dit eenwenselijke ontwikkeling? Hoe kijkt zij hiernaar in het licht van uitsprakenvan de initiatiefnemers, die gedurende de wetsbehandeling betoogdendat de lengte van de bedenktermijn iedere keer zal afhangen van despecifieke situatie van de vrouw?Overigens vragen de leden van de SGP-fractie of de Staatssecretaris deverschillen kan toelichten tussen de cijfers van 2022 in Tabel O «Tijds-verloop» in de Jaarrapportage 2024 en de cijfers van 2022 in de jaarrap-portage 2022 in Tabel P «Aantal dagen beraadtermijn». Hoewel het overdezelfde praktijk lijkt te gaan, worden er compleet andere cijfers gepresen-teerd (zelfs als het onderscheid tussen overtijdbehandelingen enabortussen in acht wordt genomen). Wat is de uitleg voor de verschillenhiertussen?De leden van de SGP-fractie vragen verder naar de stand van zaken metbetrekking tot de uitvoering van de aangenomen motie-Van Dijk c.s. overeen onderzoek naar de afschaffing van de verplichte bedenktijd(Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 168). Heeft de Staatssecretaris dit onderzoekinmiddels opgepakt? Kan zij de onderzoeksopzet met de Kamer delen?Het valt de leden van de SGP-fractie op dat het aantal instrumenteleabortussen zeer sterk is toegenomen en het aantal abortussen waarbijsprake is van een combinatie van medicamenteuze en instrumentelehandelingen sterk is afgenomen (Tabel P: Behandelmethode). Het aantalinstrumentele abortussen is gestegen van 1.568 (4,4%) in 2022, 5.140(13,1%) in 2023 naar 8.647 (21,9%) in 2024. Wat is de verklaring hiervoor?Ligt hier een wijziging van de abortuspraktijk door klinieken aan tengrondslag?De leden van de SGP-fractie constateren dat het aantal complicaties tengevolge van abortus de afgelopen jaren significant is toegenomen. Hetgaat dan in het overgrote deel van de gevallen om veel bloedverlies (meerdan een halve liter) of een incomplete abortus. De leden van deSGP-fractie hebben hiervoor de cijfers van de afgelopen vijf jaar metelkaar vergeleken. In 2024 ging het om 3,6% van het aantal abortussen(1420 keer complicaties). In 2023 ongeveer betrof het 2,9% van het aantalabortussen (1143 keer), in 2022 2,6% (945 keer), in 2021 (857 keer) en in2020 ging het om 2,7% van de gevallen (834 keer). Hoe verklaart deStaatssecretaris deze stijging? Vindt zij dit een onwenselijke ontwikkelingen zo ja, wat wil zij eraan doen? Worden vrouwen voorafgaand aan hunabortus geïnformeerd over het risico op complicaties?Overigens is de registratie van complicaties niet verplicht conform deWafz en geeft de registratie in de jaarrapportage dus geen volledig beeld.De leden van de SGP-fractie vragen of de IGJ een indruk heeft hoeaccuraat de door hen gepresenteerde cijfers ten aanzien van complicatiesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 2717 zijn. Aangezien het aantal complicaties significant toeneemt, overweegtde Staatssecretaris om regelgeving rondom registratie aan te scherpen?Waarom is het überhaupt niet verplicht om te registreren?Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenstezwangerschappen vanaf 2026De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van deelrapportenvanuit de AVOZ-studie, de reactie van de Staatssecretaris hierop en hetnieuwe beleid ten aanzien van onbedoelde en/of ongewenste zwanger-schappen.De leden van de SGP-fractie benadrukken dat zij zich terdege beseffen dathet thema abortus in de maatschappij een gevoelig thema is. Het raaktaan diepe menselijke gevoelens en ervaringen. Veel vrouwen verkeren ineen moeilijke situatie, als zij onbedoeld zwanger zijn. Vaak lijkt abortus deenige uitweg. Om deze reden hechten de leden van de SGP-fractie eraanom zorgvuldig te zijn in hun woordkeuze. Zij willen niemand onheusbejegenen of kwetsen. Daarbij wil de leden van de SGP-fractie niemandveroordelen, ook geen vrouwen die een abortus hebben ondergaan. Zijhebben een standpunt over abortus en niet over de vrouwen die eenabortus ondergaan.Abortus is een maatschappelijke kwestie waarover verschillend wordtgedacht. De Wet afbreking zwangerschap geeft de beschermwaardigheidvan het ongeboren leven nadrukkelijk een plaats. Een abortus doodt, hoemen het wendt of keert, een ongeboren leven. Het is daarom volstrektlegitiem om vragen te stellen bij de gegroeide abortuspraktijk inNederland en te pleiten voor het voorkomen of het verminderen van hetaantal abortussen. Het doet de leden van de SGP-fractie ronduit verdrietdat deze noties in de brief van de Staatssecretaris compleet ontbreken. Zijvragen de Staatssecretaris om te verantwoorden waarom de beschermingvan het ongeboren leven geen enkele plek meer lijkt te hebben in haarbeleidsvoornemens, terwijl dit één van de pijlers van de abortuswetbetreft.Het rapport «Dit is mijn verhaal» keurt het vragen naar redenen voorabortus af en pleit voor vragen naar behoeften: «Wat heb je nodig». Deleden van de SGP-fractie betreuren het dat de Staatssecretaris dit volledigomarmt. Hoe waarborgt zij dat er voldoende zicht blijft op maatschappe-lijke oorzaken en structurele problemen die ten grondslag liggen aanonbedoelde zwangerschap en/of abortus? Het rapport stelt dat stijgendeabortuscijfers moeilijk causaal te duiden zijn. Acht de Staatssecretaris ditvoldoende reden om af te zien van verdiepend onderzoek naar oorzakenvan de stijging van het aantal abortussen? Hoe worden de aanbevelingenuit dit rapport gewogen ten opzichte van het eerdere beleidsdoel om hetaantal abortussen terug te dringen?De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat de onderzoekers van «Dit ismijn verhaal» ambivalent zijn over het überhaupt onderzoeken enbevragen van de motieven of factoren die een rol spelen bij een abortus.In de conclusie van het onderzoek overwegen zij: «Uiteindelijk maakt hetniet uit welke motieven men heeft, zolang iemand een eigen en welover-wogen keuze heeft kunnen maken. Het is geheel en al aan de zwangere inkwestie, welke keuze die maakt. Er is hiervoor dan ook geen verant-woording nodig.» (p. 12) De leden van de SGP-fractie vatten dit op als eenpolitieke uitspraak die aantoont hoe verschillend er gedacht kan wordenover de abortuspraktijk en op z’n minst vragen oproept over de mate vanwetenschappelijke nieuwsgierigheid waarmee het betreffende onderzoektot stand is gekomen. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar? Is zij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 2718 ermee eens dat deze uitspraak van de onderzoekers niet gestoeld is op hetonderzoek dat zij hebben verricht, maar voortvloeit vanuit hun ideolo-gische visie op de autonomie van de vrouw en de beschermwaardigheidvan het ongeboren leven?De leden van de SGP-fractie verwijzen verder naar de twee wetsevaluatiesvan de Wet afbreking zwangerschap, waarin verschillende «redenen» vooreen abortus worden besproken, waarbij ook aandacht wordt gegeven aande «belangrijkste reden». Twee voorbeelden: in de eerste wetsevaluatiewordt geconstateerd dat relatief veel vrouwen aangaven dat financiëleredenen de belangrijkste reden voor een abortus was; en uit de tweedewetsevaluatie volgt dat in 19% van de gevallen «Mijn gezin is compleet»de belangrijkste reden vormt voor een abortus. Dit maakt naar het oordeelvan de leden van de SGP-fractie het uitlichten van de hoofdreden voorabortus legitiem. Is de Staatssecretaris van mening dat deze informatie inde wetsevaluaties nu haar waarde heeft verloren?De leden van de SGP-fractie wijzen er verder op dat de onderzoekers in«Dit is mijn verhaal» telkens benadrukken dat de besluitvorming rondomabortus complex is. Tegelijkertijd vermelden de onderzoekers: «Maar voorveel personen is de besluitvorming helemaal niet complex. Het besluit kanheel ongecompliceerd zijn, als absoluut duidelijk is voor de betrokkene datde zwangerschap moet worden afgebroken. De uitdrukking «het iscomplex» (...) doet géén recht aan de ervaring van alle personen. Voorvelen is het namelijk direct duidelijk wat er moet gebeuren, voor hen ishet niet complex (...)» (p. 68) De leden van de SGP-fractie vragen deStaatssecretaris hierop te reageren. Erkent zij dat praten over complexiteitook een gemakkelijke manier kan zijn om de discussie over abortus teonderdrukken?Het rapport «Het begint met luisteren» spreekt over het «destigmatiseren»van onbedoelde zwangerschap en abortus. De Staatssecretaris neemt ditnu over als beleidsdoel. De leden van de SGP-fractie vragen hoe zij wilvoorkomen dat hiermee ook normvervaging optreedt rond seksualiteit,verantwoordelijkheid en gezinsvorming. In hoeverre wordt in beleid nogexpliciet uitgegaan van het belang van stabiele relaties en gezinnen alsbeschermende factor tegen abortus? Ook vragen de leden van deSGP-fractie hoe voorkomen wordt dat door abortus te «destigmatiseren»de ernst en impact van het beëindigen van de zwangerschap wordtgebagatelliseerd.De leden van de SGP-fractie constateren dat de focus van het beleid doorde Staatssecretaris wordt verlegd naar het vergroten van de reproductieveregie en autonomie van vrouwen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoede beschermwaardigheid van het ongeboren leven geborgd is in haaraanpak? De nadruk ligt sterk op reproductieve autonomie. Hoe wordt inhet beleid het evenwicht bewaakt tussen autonomie enerzijds enverantwoordelijkheid voor nieuw leven anderzijds?De leden van de SGP-fractie maken uit de beslisnota op dat Fiom enRutgers jaarlijks 250.000 euro extra krijgen voor de publiekscampagne«voor realistischer beeldvorming en destigmatisering rond onbedoeldezwangerschap». Kan de Staatssecretaris toelichten wat deze activiteitenprecies gaan behelzen? Hoe wordt voorkomen dat het kabinet aan burgersgaat voorschrijven hoe zij moeten denken over thema’s als zwangerschap,relatievorming en seksualiteit? Uit de beslisnota blijkt dat dit bedrag wordttoegevoegd aan de instellingssubsidie van Fiom en Rutgers. Kan deStaatssecretaris toelichten of deze extra middelen voldoen aan devoorwaarden die gelden voor instellingssubsidies in de Kaderregelingsubsidies OCW, SZW en VWS?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 2719 De Staatssecretaris maakt een prioriteit van de toegang tot anticonceptie.Hoe voorkomt zij daarmee de suggestie wordt gewekt dat anticonceptiealtijd probleemloos en waardenvrij is? In hoeverre wordt aandachtbesteed aan natuurlijke methoden of onthouding als reële keuze? In debrief wordt gesproken over extra middelen voor een publiekscampagneover het gebruik van voorbehoedsmiddelen. Neemt het Ministerie vanVWS zelf het initiatief voor deze publiekscampagne of gaat een andereorganisatie dit doen?De leden van de SGP-fractie juichen het toe dat er meer oog komt voor derol van de vader van het ongeboren kind en/of partner van de vrouw. Zijvragen de Staatssecretaris in hoeverre de rol van (toekomstig) vaderschappositief en normatief benaderd wordt in beleid en zorg. Wordt overwogenom mannen nadrukkelijker te betrekken in preventiebeleid, niet alleen watbetreft de medische zorg, maar ook relationeel en moreel? Kan deStaatssecretaris aangeven welke interventies er reeds beschikbaar zijnvoor hulp aan mannen?De leden van de SGP-fractie lezen dat het thema Gezonde Relaties enSeksualiteit weer een regulier onderdeel wordt van de Gezonde School-aanpak, in plaats van de tijdelijke stimuleringsregeling voor scholen. Zijvragen waarom de Staatssecretaris de aangenomen de motie-Stoffer c.s.(Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 105) niet uitvoert, waarin werd verzocht om desubsidie voor relationele en seksuele vorming ook beschikbaar te stellenzonder de verplichtingen van het programma Gezonde School.Betekent het dat de verplichting voor scholen om eerst een specialeGezonde Schoolcoördinator aan te stellen en te laten trainen voordat zijlespakketten konden inkopen, is komen te vervallen? Betekent dezewijziging dat scholen nu verplicht worden om gebruik te gaan maken vanhet overige aanbod van de Gezonde School, óók als zij eigenlijk alleenmaar lesmethoden op het gebied van seksualiteit en relaties wildeninkopen?De leden van de SGP-fractie vragen waarom het budget dat nodig is voorde begeleiding door coördinatoren niet direct wordt ingezet om meerscholen de mogelijkheid te bieden een erkende methode af te nemen enhierover direct contact te hebben met de aanbieders over implementatie.Deze leden constateren dat het aantal begeleidingsuren is gehalveerd,maar dat van het stimuleringsbudget slechts een kwart overblijft. Kan deStaatssecretaris aangeven waarop deze berekening berust en hoe het inhet licht van de motie-Stoffer te rechtvaardigen is dat juist nog sterker inhet budget van scholen wordt ingegrepen in plaats van in het aantalverplichte uren begeleiding?Verder vragen de leden van de SGP-fractie hoe de Staatssecretarisreageert op de bevinding uit het onderzoek van DUO onderwijsonderzoekuit maart 2025 dat de bekendheid van organisaties en initiatieven bijscholen sterk kan variëren (p. 20). Wat doet de Staatssecretaris eraan omte bevorderen dat de verschillende initiatieven op gelijkwaardige wijzedoor (de coördinatoren van) de GGD onder de aandacht worden gebracht,in ieder geval wanneer deze een erkenning hebben gekregen? Is zij ermeebekend dat sommige methoden aangeven zelden tot nooit een doorver-wijzing van scholen door de GGD mee te maken? Hoe bevordert zij degelijke kansen van aanbieders?Ook vragen de leden van de SGP-fractie in hoeverre de GGD in staat is omscholen ten aanzien van alle methoden adequaat te ondersteunen bij deimplementatie in de organisatie en het toepassen van de visies waarop deverschillende methoden gebaseerd zijn. Onderkent de Staatssecretaris datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27110 het vanuit de «whole school approach» juist erg belangrijk kan zijn datscholen in direct contact met de aanbieder de integrale implementatiekunnen verrichten?Voor het overige vragen de leden van de SGP-fractie vragen de Staatsse-cretaris welke aanbevelingen uit het AVOZ-onderzoek zij niet overneemt,en waarom.De leden van de SGP-fractie constateren dat de Staatssecretaris van planis om de Kamer niet langer periodiek te informeren over de aanpak, maaralleen als er sprake is van relevante ontwikkelingen, aanpassingen enveranderingen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwanger-schap. Om zicht te houden op de voortgang en resultaten van de aanpakvragen de leden van de SGP-fractie of zij dit wil heroverwegen. Is zijbereid om de Kamer (op zijn minst) jaarlijks te informeren over de standvan zaken?Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen over de jaarrapportage 2024 van de Wet Afbrekingzwangerschap van de IGJ en de reactie op de AVOZ-studie en beleidonbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026.De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het zeer verdrietig dat in 202439.438 keer abortus is uitgevoerd. Dat dit aantal jaar op jaar stijgt vindendeze leden zorgelijk. Hoe men ook denkt over abortus, het gaat altijd omeen intens en verdrietig dilemma van de vrouw. De leden hebben al inaparte schriftelijke vragen hun vragen over de cijfers over 2024 gesteldaan de Staatssecretaris. Aanvullend vragen de leden van de ChristenUnie-fractie op welke manier wél conclusies getrokken kunnen worden overcausale verbanden tussen ontwikkelingen zoals gevoeligere zwanger-schapstesten en veranderingen in abortuscijfers. Hoe voert de Staatsse-cretaris in dit licht de aangenomen motie De Korte-Bikker (Kamerstuk36 600 XVI, nr. 174) uit?Ten aanzien van de kabinetsreactie op de AVOZ-studie en het beleidonbedoelde en ongewenste zwangerschappen vanaf 2026 merken deleden van de ChristenUnie-fractie op dat de aanbeveling om mannenmeer mee te nemen rond de geboorte herkenning oproept. Zij moedigenhet dan ook aan dat organisaties zoals Fiom en de kraamzorg dit verderoppakken. Op welke manier houdt de Staatssecretaris bij welke verbete-ringen op dit vlak plaatsvinden, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de AVOZ-studie dat dekeuzehulp bij een onbedoelde zwangerschap beter bekend zou moetenworden. Deze leden lezen dat deze aanbeveling wordt opgevolgd dooréén helder contactpunt te creëren én deze plek te promoten. Is hetvergroten van de bekendheid van de keuzehulp een expliciete doelstellingbij het creëren van dit punt? Zo nee, wil de Staatssecretaris dit eraantoevoegen? Zo nee, waarom niet?Ten aanzien van het nieuwe beleid per 2026 vragen de leden van deChristenUnie-fractie waarom de Staatssecretaris ervoor heeft gekozen ditnieuwe beleid te formuleren in een demissionaire periode. Vond zij ditonderwerp niet dusdanig dat het beter bij een nieuw kabinet past omhierop nieuw beleid te ontwikkelen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27111 De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het zorgelijk dat er wordtbezuinigd op de monitoring van de Aanpak. Hoe gaat die eruitzien enwaarin verschilt die van de monitoring tot nu toe? De leden lezen dat deKamer na april 2026 geen reguliere monitor van het RIVM meer ontvangtmaar slechts geïnformeerd wordt als er sprake is van relevante ontwikke-lingen, aanpassingen en veranderingen binnen de Aanpak. Deze ledenvinden dat te beperkt. Blijft het RIVM wel monitoren? Anders kan deStaatssecretaris niet bijhouden of haar beleid effect heeft. En als het RIVMtoch monitort, is het dan niet redelijk om de Kamer hierover te infor-meren? Waarom maakt de Staatssecretaris deze keuze?De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de doelstelling vanhet terugdringen van het aantal abortussen zoals geformuleerd dooreerdere kabinetten wordt losgelaten en wordt ingewisseld voor hetvergroten van de regie op de kinderwens. Deze leden betreuren dat tenzeerste. De pijler «voorkomen van een onbedoelde en/of ongewenstezwangerschap» is herformuleerd naar «regie op kinderwens». Welke inzetwordt stopgezet met deze herformulering, zo vragen de leden van deChristenUnie-fractie. Deze leden erkennen dat het veroordelen enstigmatiseren van onbedoelde zwangerschappen niet bijdraagt aan eengoede en zorgzame begeleiding. Dat betekent wat deze leden betreft nietdat een beleidsdoel niet kan zijn om het aantal abortussen te vermin-deren. Erkent de Staatssecretaris dit?Wordt er met deze aanpak nog ingezet op het vergroten van de toegangtot anticonceptie aan kwetsbare groepen, met name door financiëledrempels weg te nemen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie aandacht voor depositie van arbeidsmigranten die onbedoeld zwanger raken. Is deStaatssecretaris bekend in welke mate zij keuzevrijheid hebben om hunzwangerschap uit te dragen? Deze leden kunnen zich voorstellen dat dearbeidspositie, de huisvesting, bekendheid met het zorglandschap en deondersteuningsmogelijkheden er niet aan bijdragen dat de vrouw zich vrijvoelt en daadwerkelijk voldoende weet om de zwangerschap uit tedragen. Is de Staatssecretaris bereid in beeld te brengen hoe hun positieis en hoe preventie en hulpverlening voor hen verbeterd kunnen worden,zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de stukken enhebben hier nog een aantal vragen en opmerkingen over.De leden van de SP-fractie lezen dat de Staatssecretaris meerjarig wilinzetten op «het promoten van het condoom». Tegelijkertijd weigert hetkabinet al lange tijd om anticonceptie, waaronder condooms, gratisbeschikbaar te maken. Is de Staatssecretaris het ermee eens dat het gratismaken van anticonceptie één van de beste maatregelen is om deze tepromoten?De leden van de SP-fractie constateren daarnaast dat toegang totabortuszorg slecht is geregeld voor vrouwen zonder verzekering.Abortuszorg is bijvoorbeeld uitgezonderd van de regelingen vooronverzekerden van het CAK. Is de Staatssecretaris bereid om abortuszorgniet langer uit te zonderen van deze regelingen?De leden van de SP-fractie vragen aandacht voor de crisis die momenteelbestaat in de kraamzorg. Steeds meer gezinnen krijgen niet meer dekraamzorg die zij nodig hebben, terwijl zorgverleners de sector verlatenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27112 vanwege de slechte arbeidsvoorwaarden. Ziet de Staatssecretaris in dat zijmoet ingrijpen om deze crisis op te lossen, omdat het onrealistisch is omte verwachten dat de zorgverzekeraars die deze hebben veroorzaakt dezeook zelf gaan oplossen? Zo ja, wat gaat de Staatssecretaris hieraan doen?Zo nee, waarom denkt de Staatssecretaris dat afwachten hier een goedestrategie zou zijn?II. Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de Jaarrap-portage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Reactie op AVOZ-studie en beleidonbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026.De leden van de D66-fractie hebben daarnaast vernomen dat nog maarweinig huisartsen de abortuspil voorschrijven, terwijl dit een belangrijkeen laagdrempelige vorm van abortuszorg is. Uit recente cijfers blijkt datslechts ongeveer 3,5% van de huisartsen de verplichte nascholing heeftgevolgd en daarmee bevoegd is om de abortuspil voor te schrijven. Dezeleden vragen de Staatssecretaris welke stappen worden gezet om dezevorm van zorg breder beschikbaar te maken binnen de huisartsenpraktijk.Hoe wordt ingezet op het vergroten van deelname aan de nascholing, hetwegnemen van administratieve lasten en het verbeteren van samen-werking in de keten, zodat vrouwen sneller en dichterbij huis toegangkrijgen tot deze zorg?De scholing over het voorschrijven van de abortuspil in de huisartsen-praktijk wordt op verschillende manieren bij huisartsen onder de aandachtgebracht door de beroepsgroep, Fiom en maatschappelijke organisaties.Bijvoorbeeld via online kanalen of tijdens studiedagen. Zo organiseert dehuisartsen expertgroep voor seksuele gezondheid (SeksHAG) fysiekeopleidingsmomenten in aanvulling op de online scholing. Huisartsen enapothekers werken doorlopend aan het verbeteren van samenwerking inde keten, bijvoorbeeld door abortuszorg te agenderen tijdens regionaleoverleggen (farmacotherapeutische overleggen; FTO’s).De administratieve lasten zijn bij de aanvang van dit aanbod in januari2025 zo goed als mogelijk beperkt. Bijvoorbeeld door de subsidieaanvraagte laten verlopen via de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie(SNPG), waardoor niet elke huisarts en apotheker afzonderlijk eensubsidieaanvraag en verantwoording hoeft in te dienen. Veel huisartsenwaren al bekend (en tevreden) met declareren bij de SNPG in het kadervan de financiering van griep- en pneumokokkenvaccinaties. De finan-ciering kan niet op een minder administratief belastende manier wordeningericht. Abortuszorg valt niet onder de Zorgverzekeringswet, wat eensubsidieregeling (en dus een aparte financieringsstroom) noodzakelijkmaakt. De administratieve lasten die worden veroorzaakt door deregistratie bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kunnen nietworden weggenomen vanwege de wettelijke verplichting die hieraan tengrondslag ligt.Het is voor het kabinet geen doel op zich ervoor te zorgen dat zo veelmogelijk huisartsen de scholing volgen en abortuszorg aanbieden. Hetgaat om aanvullende zorg. Huisartsen mogen dus zelf kiezen of ze dit welof niet willen aanbieden. Bij deze keuze kunnen uiteenlopende factoreneen rol spelen, zoals beschikbare tijd, administratieve belasting, eigeninteresse of vraag in hun patiëntpopulatie. Er wordt niet geregistreerdwaarom huisartsen ervoor kiezen om (geen) abortuszorg aan te bieden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27113 Dat een groot deel van de huisartsen de scholing niet heeft gevolgd,betekent overigens niet dat deze huisartsen hier al een actieve keuze overhebben gemaakt. De wetswijziging waardoor huisartsen abortuszorgmogen aanbieden is pas een jaar in werking. Het kost tijd huisartsen teinformeren en te scholen. Soms is het er simpelweg nog niet vangekomen om de scholing te volgen. Sommige huisartsenpraktijken kiezener bewust voor om één huisarts hiertoe op te leiden. Het aantal huisartsendat de scholing heeft afgerond neemt nog steeds gestaag toe. Halverwegemaart 2026 waren dit 620 huisartsen. Ook de toenemende bekendheidonder vrouwen zal hieraan bijdragen. De verwachting is dat hoe vakervrouwen de vraag over abortuszorg aan de huisarts stellen, hoe meerhuisartsen hierop zullen reageren door de scholing te volgen.Tijdens het commissiedebat Vrouwengezondheid op 10 februari 2026,heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd te zullen proberen duiding tegeven aan de cijfers rondom deelnames van huisartsen aan de scholingdie nodig is voor het voorschrijven van de abortuspil.1 Bovenstaandantwoord bevat de duiding die het kabinet op dit moment kan geven.Hiermee beschouwt het kabinet de toezegging als afgedaan.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deJaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Zij hebben daarbij geen vragen ofopmerkingen.Daarnaast hebben de leden van de VVD-fractie kennisgenomen van deReactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenstezwangerschappen vanaf 2026. De leden hebben met instemmingkennisgenomen dat ook de AVOZ-studie bevestigt dat «het niet zinvol enniet passend is om de keuze voor een abortus terug te brengen tot eenrijtje redenen». Dit sluit nadrukkelijk aan bij het standpunt dat de ledenvan de VVD-fractie hierover hebben ingenomen. De leden van deVVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Aanpakonbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en zien in de driebeschreven pijlers een brede aanpak vanuit de Staatssecretaris. Zijsteunen de Staatssecretaris in deze brede aanpak.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen vanenerzijds de jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap(Wafz) van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de daarbijbehorende kabinetsreactie en anderzijds de reactie op de AVOZ-studieen beleid onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Zijhebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er in 2024 659 keer eenafbreking geregistreerd werd voor een vrouw met woonplaats«onbekend», ten opzichte van 2023 waar dit aantal 47 bedroeg. Zij lezendat de oorzaak van deze stijging niet bekend is. Wat zouden, theoretischgezien, mogelijke oorzaken kunnen zijn van deze stijging en valt hierin eenverband te signaleren met het aantal vrouwen dat recht heeft op eenvergoeding van de behandeling?1TZ202602-059Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27114 Uit de jaarrapportage over de abortuscijfers van 2024 van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ) blijkt dat het herkomstland van vrouwen659 keer als «onbekend» werd geregistreerd. In voorgaande jaren was dataanzienlijk minder vaak het geval. Zoals mijn ambtsvoorganger recentheeft toegelicht in de antwoorden op Kamervragen van het lid Bikker,2 ishet Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) bevraagd overdeze stijging. Het NGvA vermoedt dat de stijging mogelijk is veroorzaaktdoordat enkele klinieken hun registratiesystemen hebben vernieuwd in2024. In de beginperiode van het werken met dit nieuwe systeem waren erenkele technische problemen en onduidelijkheden die inmiddels zijnopgelost.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook kennisgenomen vande aanbevelingen uit het AVOZ-rapport en hebben in het bijzonderbehoefte aan extra duiding van het kabinet over de genoemde barrièreswat betreft breed toegankelijke anticonceptiezorg en welke rol zij voorzichzelf hierin ziet. Zou het kabinet nadere toelichting kunnen geven op ditpunt?Anticonceptiegebruik wordt volgens de onderzoekers van de AVOZ-studiebelemmerd door onduidelijkheid over waar men voor deze zorg terechtkan, financiële drempels, opzien tegen een gesprek met een zorgverlenerdie beperkt de tijd heeft, (angst voor) pijn bij de plaatsing van een spiraalen het tot op heden ontbreken van pijnbestrijding bij de huisarts. Deonderzoekers van de AVOZ-studie constateren dat de randvoorwaardenvoor toegankelijke anticonceptiezorg verbeterd kunnen worden. Dat kanvolgens hen door het verduidelijken van verschillende routes naar zorg enhet verlagen van (financiële) drempels, het breder beschikbaar stellen vandeze zorg bij verschillende zorgverleners en het ontschotten van anticon-ceptiezorg bij diverse zorgspecialisten.Er zijn, om anticonceptie te kiezen en te krijgen, meerdere routes richtingverschillende zorgverleners mogelijk. Zorg in de eerste lijn van de huisartsen verloskundige kent doorgaans3 eenzelfde bekostiging: het consult ende plaatsing is voor iedereen kosteloos en gaat niet van het eigen risicoaf. Het middel zelf moet soms wel worden betaald, afhankelijk van leeftijden eventuele aanvullende verzekering. Een consult en de zorg in detweede lijn (gynaecoloog) kan alleen met een verwijzing en gaat wel vanhet eigen risico af. Er zijn dus inderdaad (financiële) verschillen, maar diehebben ook een functie. In het Nederlandse zorgstelsel is eerstelijnszorglaagdrempelig toegankelijk en geldt voor tweedelijnszorg het eigen risico,zodat mensen op tijd zorg zoeken maar specialistische zorg alleen wordtingezet wanneer dat echt nodig is. Anticonceptiezorg kan en moet zoveelmogelijk in de eerste lijn plaatsvinden.Het is heel voorstelbaar dat iemand als gevolg van alle verschillenderoutes en opties door de bomen het bos niet meer ziet. Om dit op telossen stellen de onderzoekers voor anticonceptiezorg te concentreren incentra voor seksuele en reproductieve gezondheid. Dit zou vragen om eengrote stelselwijziging. Het kabinet kijkt eerst naar verbetermogelijkhedenbinnen het bestaande stelsel. Zo zal expertisecentrum Rutgers op de eigenkanalen zorgen voor nog betere informatie over de verschillende2Kamerstukken II 2025/26, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3503Bij verloskundige zorg, zoals geduid door het Zorginstituut, is het eigen risico niet vantoepassing. Het plaatsen van een spiraal bij de verloskundige valt echter niet onder de definitievan verloskundige zorg van het Zorginstituut. Dat betekent dat het eigen risico bij spiraal-plaatsing door de verloskundige in principe van toepassing is. Zorgverzekeraars kunnen erechter voor kiezen om het eigen risico niet toe te passen op het plaatsen van een spiraal doorde verloskundige. In de praktijk doen (bijna) alle zorgverzekeraars dit en betalen mensen geeneigen risico voor spiraalplaatsing bij de verloskundige.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27115 mogelijkheden, de zorgverleners en de kosten van het middel en deplaatsing.Mijn ambtsvoorganger heeft de specifieke onderzoeksresultaten enaanbevelingen over anticonceptiezorg besproken met verschillendeorganisaties en beroepsgroepen.4 In de brief van 24 november 20255 staatdat het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) heeft aangegevendiverse nieuwe wetenschappelijke inzichten, waaronder dezeAVOZ-studie, mee te wegen in de herziening van zijn anticonceptie-richtlijn. Deze richtlijn wordt niet alleen door huisartsen maar ook doorabortusartsen, verloskundigen en gynaecologen gevolgd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich ernstig zorgen overdesinformatie over onbedoelde zwangerschappen en abortuszorg. Zijhebben gelezen dat op dit moment daar onderzoek naar wordt gedaandoor Rutgers. Zou nader toegelicht kunnen worden wat de exacte scope isvan dit onderzoek? Zou nader toegelicht kunnen worden in hoeverre ditonderzoek voldoende zal zijn om volledig inzicht te krijgen in deverspreiding van desinformatie en de geldstromen die hiermee gepaardgaan?Het kabinet deelt deze zorgen over de verspreiding van mis- en desinfor-matie over onbedoelde zwangerschappen en abortuszorg. Het project datRutgers en Fiom momenteel in opdracht van het Ministerie van VWSuitvoeren, heeft als doel inzicht te krijgen in de aard, omvang en impactvan mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschapen abortuszorg. Daarbij wordt onderzocht op welke manieren dezeinformatie wordt verspreid, wie hierbij betrokken zijn, welke doelgroepenhier het meest mee in aanraking komen en wat de gevolgen hiervan zijn.Ook wordt gekeken naar effectieve manieren om mis- en desinformatietegen te gaan, bijvoorbeeld door middel van pre- en debunking.6 Descope van het onderzoek omvat het identificeren van belangrijkeverspreiders en verspreidingsmechanismen van mis- en desinformatie opdeze onderwerpen. Het in kaart brengen van eventuele geldstromen diemet de verspreiding van mis- en desinformatie gepaard gaan, valt echterbuiten de scope van dit onderzoek.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben enkele vragen. Zijn er cijfersbeschikbaar over de toepassing van «natuurlijke anticonceptie» (waarbijbijvoorbeeld met temperatuurmetingen de cyclus wordt gevolgd)?Het gebruik van de vruchtbare dagen methode of «natuurlijke methoden»wordt niet standaard gemonitord. In 2024 heeft Rutgers onderzoekverricht naar het gebruik van natuurlijke methoden om een zwangerschapte voorkomen. Dit was een eenmalig vragenlijstonderzoek7, waar geentrends uit kunnen worden afgeleid. Het onderzoek laat zien in welke mateseksueel actieve vrouwen (18 tot en met 29 jaar) natuurlijke methoden4Fiom, Rutgers, Nederlandse vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), KoninklijkeNederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV), Nederlandse Genootschap vanAbortusartsen (NgvA), de Huisarts Adviesgroep Seksuele Gezondheid (SeksHAG), Kennis-centrum Kraamzorg (KCKZ) en brancheorganisatie Bo Geboortezorg.5Kamerstukken II 2025/26, 32 279, nr. 268.6Prebunking is een «preventieve» manier van het tegengaan van mis- en desinformatie doormensen onjuiste informatie te leren herkennen. Debunking is het weerleggen of ontkrachtenvan mis- en desinformatie.7«Het gebruik van natuurlijke methoden om een zwangerschap te voorkomen», Rutgers,https://rutgers.nl/wp-content/uploads/2024/01/DEFINITIEF-rapport-natuurlijke-methoden.pdf(januari 2024)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27116 gebruiken, hoe ze deze gebruiken, welke methode ze gebruiken, wat debelangrijkste redenen zijn voor het gebruik van deze methode en met wieof wat ze tot deze keuze zijn gekomen. 14% van de in totaal 1.648 vrouwendie een vragenlijst invulden, gaf aan natuurlijke methoden te gebruikenom een zwangerschap te voorkomen.Is hier een relatie met het aantal zwangerschapsafbrekingen?Een causale relatie tussen de toepassing van bepaalde anticonceptieme-thoden en (veranderingen in) de abortuscijfers is niet aan te tonen. Er zijnmeerdere brede maatschappelijke ontwikkelingen die kunnen samen-hangen met de ontwikkeling van de abortuscijfers. Denk aan verande-ringen in anticonceptiegebruik, sociaaleconomische factoren en perspec-tieven op ouderschap en kinderwens.Ook vragen deze leden: wat zijn de (wezenlijke) inhoudelijke verschillentussen de oude «Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap»(2023–2025) en de nieuwe? Waarom is pijler 1 «Voorkomen van eenonbedoelde en/of ongewenste zwangerschap» veranderd in «Regie opkinderwens»? In de «Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwanger-schap» (2023–2025) stond onder pijler 1: «Het voorkomen en terugdringenvan het aantal onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen is eenbelangrijk doel binnen deze aanpak.» De leden van de PVV-fractie vragenop welke manier hieraan de afgelopen jaren vorm is gegeven. Is dezeaanpak terug te zien in het aantal zwangerschapsafbrekingen?De volgende activiteiten lopen ongewijzigd door in de nieuwe aanpak:•de extra anticonceptiecounseling in de abortusklinieken;•het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschapen psychosociale hulp na abortus;•begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie;•gespreksleidraad en e-learnings voor huisartsen over onbedoeldezwangerschap;•het onderzoeksprogramma van ZonMw.De volgende activiteiten zijn aangepast:•het thema relaties en seksualiteit is een regulier thema gewordenbinnen de Gezonde School aanpak. Voorheen was er een apartstimuleringsprogramma;•het doel om (meer) verbinding te leggen met het actieprogrammaKansrijke Start is bereikt en dit is daarom niet langer als beleidsdoelopgenomen. De interventie Nu Niet Zwanger komt wel explicieter in dehuidige aanpak terug;•de monitoring wordt belegd bij Fiom in plaats van bij het RIVM en hetaantal indicatoren wordt ingeperkt.De volgende activiteiten zijn nieuw:•activiteiten ter bevordering van condoomgebruik;•project om de gevolgen van onjuiste (medische) informatie overabortus en onbedoelde zwangerschap tegen te gaan;•collectieve publiekscommunicatie en informatie voor publiek, politiek,beleidsmakers en professionals via de expertisecentra voor seksueleen reproductieve gezondheid (Fiom en Rutgers). Voor het uitdragenvan een realistischer beeld van onbedoelde en/of ongewenstezwangerschap en om stigma’s en taboes te doorbreken zijn extramiddelen beschikbaar gesteld. Datzelfde geldt voor het beter toerustenvan (zorg)professionals die het thema in hun werk tegenkomen;•het landelijk informatiepunt onbedoelde zwangerschap blijft bestaanmaar wordt, om de vindbaarheid en effectiviteit te vergroten,ondergebracht bij Fiom.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27117 De titel van pijler 1 is aangepast. Dit is een direct gevolg van één van deuitkomsten uit de AVOZ-studie. De onderzoekers concluderen dat de term«preventie van onbedoelde zwangerschap» impliceert dat een onbedoeldezwangerschap op zichzelf problematisch is en voorkomen kan en moetworden, terwijl dit niet uit het onderzoek blijkt. Om deze reden is de titelvan pijler 1 aangepast naar een meer positieve bewoording over wat hetkabinet wil bereiken, namelijk het vergroten van de regie die mensen ophun (eventuele) kinderwens hebben.Een causale relatie tussen de activiteiten in de Aanpak ongewenste en/ofonbedoelde zwangerschap en (veranderingen in) de abortuscijfers is nietaan te tonen. Er zijn meerdere brede maatschappelijke ontwikkelingendenkbaar die kunnen samenhangen met de ontwikkeling van de abortus-cijfers. Denk aan veranderingen in anticonceptiegebruik, sociaalecono-mische factoren en perspectieven op ouderschap en kinderwens.Voornoemde leden vragen verder hoe wordt vormgegeven aan hettegengaan van onjuiste gezondheidsinformatie over anticonceptie.Het tegengaan van onjuiste gezondheidsinformatie over anticonceptiekrijgt vorm via de inzet van de expertisecentra op het gebied van seksueleen reproductieve gezondheid; Fiom en Rutgers. Zij voorzien zowel hundoelgroepen als de beroepsprofessionals die ook met deze doelgroepenwerken van betrouwbare informatie over anticonceptie. Daarnaast werkenFiom en Rutgers gezamenlijk aan een project dat zich richt op het effectieftegengaan van online mis- en desinformatie over anticonceptie,onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 1 van dit project omvatteeen verkenning naar de aard, omvang en impact van mis- en desinfor-matie over anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg(welke doelgroepen komen hier het meest mee in aanraking en wat zijnhiervan de gevolgen, wat zijn effectieve manieren om mis- en desinfor-matie tegen te gaan?). Fase 2 van het project bestaat uit het testen vaneen aantal interventies gericht op het tegengaan van online mis- endesinformatie. De resultaten daarvan worden eind november 2026verwacht. Dan zullen Fiom en Rutgers ook de resultaten van deverkenning en «lessons learned» delen met andere partijen.Wat wordt bedoeld met: «om een realistischer beeld van onbedoeldeen/of ongewenste zwangerschap uit te dragen»?Uit het AVOZ-onderzoek «Het begint met luisteren» blijkt dat mensen eennegatief beeld hebben van onbedoelde zwangerschap en abortus en overdegenen die dit overkomt. Mensen die zelf met een onbedoelde zwanger-schap te maken krijgen, moeten hun eigen beeld vaak bijstellen. Deonderzoekers noemen het opvallend dat mensen die onbedoeld zwangerraken of iemand onbedoeld zwanger maken vaak aangeven of latenmerken dat ze zich schamen, en zich dom of stom voelen. Ook voelenmensen zich soms schuldig wanneer ze juist niet zoveel problemenervaren als zij bijvoorbeeld gekozen hebben voor een abortus, enverwachten zij hierop te worden aangekeken. Dit kan volgens de onder-zoekers worden tegengegaan door eerlijke, realistische informatie enmedia-uitingen, waarin een grote diversiteit aan ervaringen in alle lagenvan de bevolking aan bod komen. Het kabinet heeft expertisecentraRutgers en Fiom daarom gevraagd de komende jaren extra in te zetten opactiviteiten om een realistischer beeld van onbedoelde zwangerschap enabortus uit te dragen.Hoe wordt vormgegeven aan de gespreksleidraad en e-learnings voorhuisartsen over onbedoelde zwangerschap? Welke veranderingen/verbeteringen ten opzichte van de huidige praktijk worden voorzien? IsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27118 hierbij aandacht voor zowel het voorkómen van als het omgaan metonbedoelde en/of ongewenste zwangerschap?De e-learning voor de huisartsenpraktijk is ontwikkeld door de huisartsenexpertgroep voor seksuele gezondheid (SeksHAG), Fiom en Rutgers. Zijzorgen er sindsdien voor dat de scholing actueel blijft. De e-learning isgebaseerd op de Leidraad huisartsenzorg bij een ongewenste zwanger-schap8 en is opgebouwd uit vier afzonderlijk te volgen modules:keuzehulp, nazorg, abortuspil en preventie van (herhaalde) onbedoeldezwangerschap. Er is geen aparte gespreksleidraad ontwikkeld omdathierin al voorzien wordt in de Leidraad huisartsenzorg bij een ongewenstezwangerschap. In de scholing is aandacht voor onder meer het besluitvor-mingsproces, het juridisch kader, diagnostiek, de behandeling (waaronderde abortuspil), preventie en nazorg.Hoe vaak is het «Landelijk informatiepunt onbedoelde zwangerschap» perjaar sinds de oprichting geraadpleegd? Hoe vaak is daarbij doorverwezennaar de «keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap»?In onderstaande tabel is weergegeven hoe vaak het Landelijk informa-tiepunt onbedoelde zwangerschap sinds de oprichting via chat oftelefonisch is geraadpleegd. Websitebezoek is hierbij buiten beschouwinggelaten. Ook is weergegeven hoe vaak er is doorverwezen naar eenkeuzehulpverlener.Aantal keer geraadpleegdAantal doorverwijzingen keuzehulp2020 (aug-dec)214272021758188202278722920231.22741320241.40425820251.791301 Bovenstaande cijfers geven niet één op één de vraag weer van mensendie met een onbedoelde zwangerschap te maken hebben, omdat dezemensen ook contact kunnen opnemen met Fiom of één van de uitvoe-rende hulpinstanties voor keuzehulp of abortuszorg.In de «Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap» (2023–2025)stond: «In samenwerking met Fiom werken we aan het vergroten van debekendheid van het informatiepunt.» Is dat inmiddels gebeurd? Zo ja, opwelke manier, en is dat in de hierboven gevraagde cijfers overraadpleging terug te zien?Ja, dit is gebeurd. Fiom heeft geïnvesteerd in extra promotie van hetinformatiepunt. De online promotie door adverteren op basis vanzoekwoorden (SEA) heeft geleid tot een toename van het aantal website-bezoeken. Sinds de start in 2020 is het aantal bezoeken van 25.000 naarruim 60.000 per jaar gestegen, waarbij de online promotie van hetinformatiepunt voor gemiddeld 50% van de bezoeken zorgt. Debezoekduur is bovendien lang genoeg om aan te nemen dat bezoekers deinhoud gericht bekijken. Het aantal keer dat het informatiepunt per chat oftelefoon wordt geraadpleegd is de afgelopen jaren steeds gestegen. Eenverband tussen deze stijging en de extra promotie is niet direct te leggen,8«Leidraad Huisartsenzorg bij een ongewenste zwangerschap», SeksHAG, Fiom en Rutgers,https://sekshag.org/wp-content/uploads/2024/10/2024-09-Leidraad-huisartsenzorg-bij-een-ongewenste-zwangerschap_DEF.pdf (september 2024)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27119 omdat er bij gebruikers niet wordt uitgevraagd hoe zij het informatiepunthebben gevonden.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieJaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ)De leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik omenkele aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen over dejaarrapportage. De inspectie stelt dat het opvallend is dat abortusklinieken659 keer «onbekend» opgaven, als antwoord op de vraag over dewoonplaats van vrouwen met een zwangerschapsafbreking. Vorige jarenwas dat aanzienlijk minder vaak het geval. Kan het kabinet aangeven hoevaak dit vorig jaar gebeurde en kan het kabinet verder duiden hoe ditkomt?Uit de jaarrapportage over de abortuscijfers van 2024 van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ) blijkt dat het herkomstland van vrouwen659 keer als «onbekend» werd geregistreerd. Voorgaande jaren was dataanzienlijk minder vaak het geval. In 2023 werd het herkomstland van devrouw 47 keer als «onbekend» geregistreerd. Zoals mijn ambtsvoorgangerrecent heeft toegelicht in de antwoorden op Kamervragen van het lidBikker,9 is het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA)bevraagd over deze stijging. Het NGvA vermoedt dat de stijging mogelijkis veroorzaakt doordat enkele klinieken hun registratiesystemen hebbenvernieuwd in 2024. In de beginperiode van het werken met dit nieuwesysteem waren er enkele technische problemen en onduidelijkheden dieinmiddels zijn opgelost.Het aantal vrouwen dat niet voor een nacontrole in een abortuskliniekkomt stijgt de afgelopen jaren van 5% in 2022, tot 9% in 2023 en 20%2024. De leden van de CDA-fractie vinden dit een zorgelijke ontwikkeling.Kan het kabinet verklaren waarom het aantal vrouwen dat niet opnacontrole komt stijgt? Kan het kabinet vervolgens aangeven watabortusklinieken kunnen doen om het aantal vrouwen dat op nacontrolekomt te verhogen?Op grond van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) moet nazorgbeschikbaar zijn na een abortus. Abortushulpverleners bespreken demogelijkheden voor nazorg altijd met vrouwen. Dat blijkt ook uit de laatsteevaluatie van de Wafz.10 Zoals mijn ambtsvoorganger recent heefttoegelicht in de antwoorden op Kamervragen van het lid Bikker,11 isnacontrole niet in alle gevallen medisch noodzakelijk volgens het NGvA.Aan iedereen wordt een nacontrole aangeboden, maar de behoefte aannazorg verschilt van vrouw tot vrouw. In abortusklinieken krijgen vrouwenduidelijke instructies over wanneer een controle wél nodig is. Zij kunnenbij zorgen altijd contact opnemen met de kliniek, die 24 uur per dagbereikbaar is. Wanneer een vrouw afziet van een nacontrole is dat meestalomdat het herstel goed verloopt. Het NGvA ziet geen negatieve gevolgenvan de stijging van het aantal vrouwen dat afziet van de mogelijkheid omeen nacontrole te ondergaan.Het kabinet vindt het belangrijk dat, conform de Wafz, vrouwen demogelijkheid hebben gebruik te maken van nazorg en dat de opties methen zijn besproken. Of de vrouw vervolgens gebruik wil maken van9Kamerstukken II 2025/26, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 35010Kamerstukken II 2019/20, 30 371, nr. 42.11Kamerstukken II 2025/26, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 350.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27120 nazorg is aan haarzelf, in overleg met haar arts. Het kabinet zal daaromniet aansturen op het uitvoeren van meer nacontroles.Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenstezwangerschappen vanaf 2026Uit de studie blijkt dat onbedoelde zwangerschappen juist vakervoorkomen bij mensen met een stabiele relatie, die soms al kinderenhebben. Veel mensen zijn ontevreden over anticonceptiemethoden enstellen anticonceptiekeuzes uit. Dat mensen ontevreden zijn overanticonceptiekeuzes en het uitstellen vinden de leden van de CDA-fractieeen zorgelijke ontwikkeling. Komt het uitstellen van bepaalde anticoncep-tiekeuzes vaker voor bij bepaalde leeftijdsgroepen of ziet men dat overalterug? Kan het kabinet hier wat meer toelichting op geven?Het AVOZ-onderzoek heeft niet specifiek onderzocht of het uitstellen vananticonceptiekeuzes vaker voorkomt in bepaalde leeftijdsgroepen. Deresultaten waar in de vraag naar wordt verwezen, zijn afkomstig uit dekwalitatieve analyses op basis van interviews met deelnemers aan hetonderzoek. Uit deze gesprekken kwam naar voren dat het uitstellen vanhet zoeken naar passende anticonceptie vaak samenhing met ingrijpendelevensveranderingen, zoals de postpartumperiode, het beëindigen vaneen relatie of juist het aangaan van een nieuwe vaste relatie. Door dezeveranderingen ontstond regelmatig behoefte aan een ander typeanticonceptie dan men eerder gebruikte. Tegelijkertijd zorgden deomstandigheden en de emotionele of praktische drukte in die periodeervoor dat het actief oriënteren op een nieuw anticonceptiemiddel werduitgesteld. Daarbij speelden eerdere negatieve ervaringen met anticon-ceptie, zoals bijwerkingen of teleurstellende resultaten, een versterkenderol. Deze ervaringen maakten dat deelnemers terughoudend warenopnieuw een keuze te maken, waardoor de beslissing voor een nieuw ofander anticonceptiemiddel werd uitgesteld.Hoewel er geen kwantitatieve analyse is uitgevoerd naar verschillentussen leeftijdsgroepen, viel in de interviews op dat het vaak ging ommensen die in de loop van hun leven al verschillende anticonceptieme-thoden hadden geprobeerd. Dit suggereert dat het uitstel niet zozeersamenhangt met leeftijd op zich, maar mogelijk met eerdere ervaringenen veranderende behoeften in verschillende levensfasen.Een belangrijk verbeterpunt is de vergroting van bekendheid vankeuzehulpverlening. Dat delen deze leden en zij willen dat het kabinet allesin het werk stelt deze bekendheid te vergroten. Welke maatregel denkt hetkabinet dat het meest zal bijdragen aan meer bekendheid met keuzehulp-verlening?Dit jaar wordt het gehele aanbod van het Landelijk informatiepuntonbedoelde zwangerschap (website, telefoon- en chatdienst) onderge-bracht bij de kanalen van Fiom. Fiom creëert hiermee één heldercontactpunt én gaat deze plek dit jaar (online) extra promoten. Dezepromotie komt ook de bekendheid van de keuzehulp en psychosocialehulp na abortus ten goede. Daarnaast voeren de aanbieders vankeuzehulp hun eigen promotie in het eigen werkgebied. Fiom stelthiervoor standaardmateriaal beschikbaar dat passend kan wordengemaakt aan de lokale situatie.Het kabinet stelt dat er jaarlijks 6 miljoen euro beschikbaar is en dat er eenaantal activiteiten anders wordt ingericht. Het thema Gezonde Relaties enSeksualiteit wordt weer een regulier onderdeel van de Gezonde School-aanpak, in plaats van de tijdelijke stimuleringsregeling voor scholen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27121 Daarnaast wordt de monitoring versoberd. Dat maakt het starten metnieuwe activiteiten mogelijk. De leden van de CDA-fractie kunnen zichvoorstellen dat er keuzes moeten worden gemaakt maar vragen inhoeverre de monitoring wordt versoberd en wat er vervolgens wel of nietwordt geregistreerd.In de nieuwe Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap12 laathet kabinet zien welke activiteiten behouden blijven en welke nieuw zijn.De monitor van het RIVM stopt in zijn huidige vorm, mede omdat eengroot deel van de data niet meer relevant is en of aansluit bij de aanpak.Dit betreft bijvoorbeeld alle gedetailleerde indicatoren over het stimule-ringsprogramma Gezonde Relaties en Seksualiteit dat in 2025 afliep. Fiominventariseert momenteel welke indicatoren uit de eerdere MonitorOnbedoelde Zwangerschap van het RIVM met ingang van volgend jaar opde website van Fiom wordt gepubliceerd. Cijfers over bijvoorbeeld dekeuzehulpverlening werden al verzameld door Fiom. Andere, meeralgemene cijfers over onbedoelde zwangerschap zal Fiom uit secundairebronnen verzamelen.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Jaarrap-portage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en Reactie op AVOZ-studie en beleidonbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026. Deze ledenhebben geen vragen aan de Staatssecretaris.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met zorg kennisgenomen van deJaarrapportage 2024, de kabinetsreactie op de AVOZ-studie en het nieuwebeleid ten aanzien van onbedoelde en/of ongewenste zwangerschappenvanaf 2026. Zij hebben hierover een groot aantal vragen.Jaarrapportage 2024 van de Wet afbreking zwangerschap van de InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ)Uit de Jaarrapportage van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) blijktdat het aantal abortussen in 2024 op ongeveer hetzelfde, hoge niveau isgebleven als in 2023. De leden van de SGP-fractie vinden het zorgelijk dateen inhoudelijke toelichting hierop opnieuw ontbreekt. Net zoals invoorgaande jaren geeft de Staatssecretaris in haar brief immers aan datde IGJ-jaarrapportage alleen kerncijfers presenteert, maar geen duidingbij die cijfers biedt. Het is daarom volgens haar niet mogelijk omconclusies te trekken over mogelijke oorzaken van (veranderingen in) hetaantal zwangerschapsafbrekingen of andere kerncijfers.Het is geen geheim dat de leden van de SGP-fractie met het kabinet vanmening verschillen over de wenselijkheid van het vastleggen van meerinformatie over de factoren en/of motieven die een rol spelen bij abortus.Hoe wenselijk vindt de Staatssecretaris het echter zelf dat de IGJ of zijzelfnooit in de gelegenheid zijn tot een nadere duiding van veranderingen inhet aantal abortussen of ten aanzien van andere kerncijfers? Heeft zij diebehoefte, en zo nee, waarom niet? Kan zij aangeven hoe de IGJ (of zijzelf)in staat zou kunnen worden gesteld om de kerncijfers wél te duiden?Welke informatie heeft de IGJ hiervoor nodig?12Kamerstukken II 2025/26, 32 279, nr. 268Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27122 De volgende evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) zal inbrede zin aandacht besteden aan factoren en ontwikkelingen die kunnensamenhangen met het ontstaan van onbedoelde zwangerschappen en deontwikkeling van het aantal abortussen. Het kabinet zal dit meegeven alsaandachtspunt aan de evaluatoren, en geeft zo opvolging aan deaangenomen motie van de leden De Korte (NSC) en Bikker (CU).13 Dit isde enige vorm van duiding die het kabinet kan bieden: een causaalverband tussen specifieke ontwikkelingen en het aantal abortussen is nietaantoonbaar, en het uitvragen of registreren van individuele motievenvoor een abortus is niet zinvol en niet wenselijk. In eerdere antwoordenop Kamervragen heeft mijn ambtsvoorganger deze invulling van deaangenomen motie nader toegelicht.14Het kabinet ziet geen rol voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd(IGJ) bij de duiding van deze cijfers. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteiten veiligheid van de zorg en op de naleving van wet- en regelgeving doorabortusklinieken. Het duiden van trends of het analyseren van motievenvan vrouwen past niet bij deze toezichthoudende rol.Kan de Staatssecretaris aangeven welke kwantitatieve of kwalitatieveinformatie abortusklinieken op dit moment überhaupt registreren? Welkeinformatie zijn zij verplicht om te registeren en te rapporteren aan de IGJ?Welke informatie wordt door abortusartsen geregistreerd, zonder dat zijdat verplicht zijn, maar enkel vanuit het oogpunt van goede hulpverleningaan vrouwen?De gegevens die abortusklinieken verplicht moeten registreren enrapporteren aan de IGJ volgen uit artikel 11, eerste lid van de Wafz. Opbasis van dit artikel zijn registratieformulieren opgesteld, die verschillendevragen bevatten over de vrouw en de behandeling.15 Zo worden gegevensgeregistreerd over de leeftijd van de vrouw, haar burgerlijke staat enwoonplaats, haar eerdere zwangerschappen en zwangerschapsafbre-kingen en het aantal kinderen waar zij zorg voor draagt. Ook wordtgevraagd naar het tijdsverloop tussen het eerste gesprek en de behan-deling, de zwangerschapsduur, de doorverwijzer, overleg met andereprofessionals, prenatale diagnostiek, de behandelmethode, pijnstilling,complicaties, anticonceptie en nacontrole.Abortusartsen kunnen uiteraard ook andere (medische) gegevensregistreren in het dossier van de vrouw. Het is aan de arts om te beoor-delen welke gegevens relevant zijn om te registreren voor goede zorg enhulpverlening, afhankelijk van de specifieke situatie.De leden van de SGP-fractie maken uit «Tabel C: Abortusratio» op dat hetaantal abortussen per 1.000 levendgeborenen in de afgelopen decenniafors is gestegen. In ongeveer dertig jaar tijd is dit nagenoeg verdubbeldvan 110 per 1.000 levendgeborenen in 1995 naar 215 per 1.000 levendge-borenen in 2024. Wat vindt de Staatssecretaris hiervan? Is zijn van meningdat dit een wenselijke ontwikkeling is? Deelt zij de zorg van de leden vande SGP-fractie over het feit dat 1 op de 6 zwangerschappen inmiddelseindigt in een abortus? Hoe verklaart zij dat slechts 1 op de 10 Neder-landers hiermee bekend is?1613Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVI, nr. 174.14Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1795.15De registratieformulieren zijn vindbaar via https://wetten.overheid.nl/BWBR0049004/2025-01-0116Rd.nl, 8 november 2025, «Een op de zes zwangerschappen eindigt in abortus, veel Neder-landers denken dat dit minder is».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27123 Voor het kabinet staan niet de aantallen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteiten toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Vrouwen in Nederlandkunnen in vrijheid beslissen over hun zwangerschap en hebben toegangtot abortuszorg van hoge kwaliteit. Het kabinetsbeleid richt zich op hetbehouden van goede en toegankelijke abortuszorg én op het versterkenvan de regie van mensen op hun kinderwens.De abortuscijfers worden jaarlijks gepubliceerd en zijn voor iedereentoegankelijk via de website van de IGJ.17 Afgelopen jaren was er altijdmedia-aandacht voor deze cijfers naar aanleiding van de publicatie.Desondanks is het niet verwonderlijk dat veel mensen niet bekend zijnmet de exacte abortuscijfers. Niet iedereen volgt dergelijke ontwikke-lingen met dezelfde interesse. Het kabinet acht het vooral belangrijk datiedereen die daar behoefte aan heeft, toegang heeft tot betrouwbareinformatie over abortus. Mede daarom heeft het kabinet de kennisinsti-tuten Rutgers en Fiom gevraagd de komende jaren meer in te zetten oprealistische beeldvorming en destigmatisering, onder meer via publieks-communicatie.18De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat de «Richtlijn behan-deling van vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan»(Nederlands Genootschap van Abortusartsen, 2012) wordt herzien. Hoeverloopt dit proces en wanneer wordt de nieuwe richtlijn verwacht?Het klopt dat het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA)momenteel werkt aan de herziening van de behandelrichtlijn. Dewerkzaamheden om tot een herziene richtlijn te komen bestaan onderandere uit literatuuronderzoek en consultatie van de leden van het NGvA,wetenschappelijke verenigingen en andere beroepsgroepen (vanbijvoorbeeld gynaecologen en huisartsen). Het NGvA zal naar allewaarschijnlijkheid in 2026 de afrondende werkzaamheden voor dezerichtlijn verrichten.De leden van de SGP-fractie vragen naar de uitvoering van de aange-nomen motie De Korte-Bikker (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 174) die verzochtom de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap binnen twee jaar testarten. Is de Staatssecretaris voornemens om, mede gelet op hetaanhoudend hoge aantal abortussen, nog dit jaar opdracht te geven tot devoorbereidingen van deze evaluatie zodat begin 2027 direct met deevaluatie gestart kan worden? Is zij bereid om de Kamer in gelegenheid testellen om voorafgaand aan de evaluatie eventuele aandachtspunten ofvragen mee te geven?Ja, het kabinet is van plan om dit jaar ZonMw opdracht te geven voor hetuitzetten van de evaluatie van de Wafz. De daadwerkelijke evaluatie zalgedaan worden door een onafhankelijke, multidisciplinaire onderzoeks-groep. Het onderzoek start begin 2027 en het rapport zal naar verwachtingbegin 2028 opgeleverd worden.De Eerste en Tweede Kamer hebben reeds aandachtspunten voor dewetsevaluatie meegegeven, waarbij is toegezegd aan de Kamers om dezeover te nemen. De evaluatie zal in moeten gaan op:•De mogelijke effecten van en ervaringen met de implementatie van detwee initiatiefwetsvoorstellen, namelijk het afschaffen van deverplichte minimale beraadtermijn en de implementatie van abortus-zorg via de huisarts. Hierbij werden twee aandachtspunten nader17De abortuscijfers zijn vindbaar via https://www.igj.nl/over-ons/hoe-we-werken/toezicht-in-cijfers/cijfers-zwangerschapsafbreking18Kamerstukken II 2025/26, 32 279, nr. 268.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27124 genoemd: invloed op het keuzeproces en de begeleiding door dehuisarts.•De vraag of de kwaliteit, financiering en toegankelijkheid van abortus-zorg voldoende gewaarborgd zijn.•Factoren en ontwikkelingen die in brede zin kunnen samenhangen methet ontstaan van onbedoelde zwangerschappen en de ontwikkelingvan het aantal abortussen.In de opdrachtbrief aan ZonMw zullen deze aandachtspunten naderworden toegelicht. Het kabinet wil daarbij voldoende ruimte houden voorde evaluatoren en ervoor waken dat het lijstje aandachtspunten en vragenonnodig lang en sturend wordt.De leden van de SGP-fractie lazen in Trouw de suggestie dat het gestegenaantal abortussen te maken had met een aanpassing van de definitie vanabortus.19 Volgens de IGJ was in 2023 inderdaad sprake was van eendefinitiewijziging, maar werden overtijdbehandelingen zowel vóór als nadie wijziging meegerekend als abortussen. Deze wijziging kon volgens deInspectie daarom geen invloed hebben op het aantal abortussen. Dedefinitiewijziging is geen verklaring voor de stijging van het aantalabortussen. Kan de Staatssecretaris dit bevestigen?Ja, dit klopt. In 2023 is in een Kamerbrief verduidelijkt dat de overtijdbe-handeling onder de Wet afbreking zwangerschap valt.20 In de jarendaarvoor werd daar door sommigen aan getwijfeld. Ondanks die discussiewerden overtijdbehandelingen altijd geregistreerd door abortusklinieken.Deze behandelingen maakten dus altijd onderdeel uit van de totaleabortuscijfers. De verduidelijking van de juridische status van overtijdbe-handelingen kan dus niet worden aangewezen als verklaring voor destijging van het aantal abortussen.De leden van de SGP-fractie constateren dat in 2024 659 keer een abortuswerd geregistreerd voor een vrouw met woonplaats «onbekend». In 2023was dat aantal slechts 47. Het is volgens de Staatssecretaris niet bekendwat de oorzaak van de stijging is. De leden van de SGP-fractie vragen haarom hierover in gesprek te gaan met de abortusklinieken om een nadereduiding te krijgen. Het gaat immers om een immense stijging in één jaartijd. Kan de Staatssecretaris de Kamer hierover informeren?Uit de jaarrapportage over de abortuscijfers van 2024 van de IGJ blijkt dathet herkomstland van vrouwen 659 keer als «onbekend» werd geregis-treerd. Voorgaande jaren was dat aanzienlijk minder vaak het geval. Zoalsmijn ambtsvoorganger recent heeft toegelicht in de antwoorden opKamervragen van het lid Bikker,21 is het NGvA bevraagd over dezestijging. Het NGvA vermoedt dat de stijging mogelijk is veroorzaaktdoordat enkele klinieken hun registratiesystemen hebben vernieuwd in2024. In de beginperiode van het werken met dit nieuwe systeem waren erenkele technische problemen en onduidelijkheden die inmiddels zijnopgelost.De leden van de SGP-fractie merken op dat het aantal herhaalabortussenonverminderd hoog blijft. Ongeveer een derde van de vrouwen heeftmeerdere keren een abortus gehad. Kan de Staatssecretaris toelichtenwelk beleid zij voert om het aantal herhaalde abortussen tegen te gaan?19Trouw.nl, 2 december 2025, «Stijging abortussen niet met een verklaring te vangen».20Kamerstukken II 2022/23, 30 371 nr. 52.21Kamerstukken II 2025/26, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 350.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27125 Voor het kabinet staan niet de aantallen, maar de zorgvuldigheid, kwaliteiten toegankelijkheid van abortuszorg centraal. Het is voor het kabinet geendoel op zich om (herhaal)abortussen tegen te gaan. Het kabinetsbeleidricht zich op het behouden van goede en toegankelijke abortuszorg en ophet versterken van de regie van mensen op hun kinderwens. Vrouwen inNederland kunnen gelukkig in vrijheid beslissen over hun zwangerschapen hebben toegang tot abortuszorg van hoge kwaliteit.In de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap22 staan deverschillende activiteiten van het kabinet om de regie van mensen op hunkinderwens te versterken. Deze activiteiten zijn gericht op een brededoelgroep, ook op mensen die al eens te maken kregen met eenonbedoelde zwangerschap of abortus. Bijvoorbeeld de extra anticoncep-tiecounseling en gratis langdurige anticonceptie die abortusklinieken aaneen deel van de vrouwen kunnen aanbieden. Ook het programma Nu nietzwanger werkt nauw samen met abortusklinieken.De leden van de SGP-fractie constateren dat het afschaffen van de vasteberaadtermijn de abortuspraktijk in Nederland wezenlijk heeft veranderd.Sinds het afschaffen van de bedenktermijn wordt in driekwart van degevallen bij het eerst bezoek aan de arts direct overgegaan tot abortus. In77,2% van de gevallen geldt dus een bedenktijd van nul dagen. Zijherinneren de Staatssecretaris eraan dat hierover tijdens de parlementairebehandeling van het initiatiefvoorstel om de bedenktermijn af te schaffenreeds is gesproken. Zo stelde bijvoorbeeld het lid Hijink (SP) hierover devolgende vraag: «(...) Dat moment van nul minuten, de nulminutenberaad-termijn, is wat mij betreft misschien toch wel het lastigste punt in de wetvan de indieners. Dat is aan de orde wanneer een vrouw binnenkomt ineen kliniek en in het gesprek met de arts zegt dat ze nul minuten genoegvindt. Ik heb ook begrepen dat de indieners zeggen: uiteindelijk is het aande vrouw om het eindoordeel te geven over hoelang die beraadtermijnmoet zijn. Wat doen we dan in die situaties waarbij er, op wat voor manierdan ook, toch sprake is van een vorm van dwang? Hoe wordt danvoorkomen dat er toch een overhaaste beslissing wordt genomen?»(Handelingen II 2021–2022, 45-6-14). De leden van de SGP-fractie vragende Staatssecretaris om hierop te reageren. Hoe weten we zeker dat bijdeze ruim 77% geen sprake is van een vorm van dwang of een overhaastebeslissing? Wat doen we dan in die situaties waarbij er, op wat voormanier dan ook, toch sprake is van een vorm van dwang? Hoe wordt danvoorkomen dat er toch een overhaaste beslissing wordt genomen?Op grond van de Wafz zijn artsen verplicht na te gaan of de vrouw haarverzoek tot een abortus weloverwogen en vrijwillig doet. Uit de laatsteevaluatie van de wet blijkt dat abortusartsen altijd nagaan of sprake is vaneen weloverwogen en vrijwillig genomen besluit.23 Het NGvA benadrukthet belang hiervan in de beroepsrichtlijn.24 Deze richtlijn bevat verschil-lende aanbevelingen voor het toetsen van de vrijwilligheid, bijvoorbeeldde aanbeveling om elke vrouw minimaal één keer alleen te sprekenzonder (ex)partner, familie of naasten. De (duur van de) beraadtermijnstaat los van de beoordeling van de vrijwilligheid van het verzoek. HetNGvA geeft aan dat de meeste vrouwen hun beslissing al hebbengenomen voorafgaand aan hun bezoek aan de kliniek. Het nadenken ofberaden over een besluit begint niet pas in de spreekkamer van de arts.Mocht er reden zijn om te twijfelen of het besluit weloverwogen en22Kamerstukken II 2025/26, 32 279, nr. 268.23Kamerstukken II 2019/20, 30 371, nr. 42.24Richtlijn «Begeleiding bij het overwegen van een zwangerschapsafbreking» (2022) van hetNederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27126 vrijwillig is, wordt meer tijd aangeboden of geadviseerd om een keuze-hulpgesprek te overwegen.De leden van de SGP-fractie vragen de Staatssecretaris met name om eennadere duiding hoe invulling wordt gegeven aan artikel 3, eerste lid Wafz,waarin staat: «De arts en de vrouw kunnen, met in achtneming van deeisen met betrekking tot hulpverlening en besluitvorming, bedoeld inartikel 5, in gezamenlijk overleg een termijn vaststellen die voorafgaat aande afbreking van de zwangerschap.»De flexibele beraadtermijn komt tot stand na overleg tussen de arts en devrouw. Het NGvA adviseert zorg op maat, met een flexibele beraadtermijndie past bij de behoefte van de vrouw om tot een weloverwogen besluit tekomen.25 Vóór 2023 gold al een flexibele beraadtermijn voor zwanger-schapsafbrekingen tot en met 16 dagen na het uitblijven van demenstruatie. Abortusartsen hadden dus al ervaring met het overleggenover een flexibele beraadtermijn.De leden van de SGP-fractie vinden het opvallend dat niet alleen de «piek»na vijf dagen bedenktijd is verdwenen. Het afschaffen van de verplichtebedenktermijn heeft ook geleid tot het verdwijnen van veel langebedenktijden. Waar in 2022 nog 25,8% van de vrouwen meer dan 10dagen bedenktijd nam, is dit in 2024 teruggelopen tot slechts 4,1%. Hoereflecteert de Staatssecretaris hierop? Wat is haar verklaring hiervoor?Hoe verklaren abortusartsen dit zelf? Vindt de Staatssecretaris dit eenwenselijke ontwikkeling? Hoe kijkt zij hiernaar in het licht van uitsprakenvan de initiatiefnemers, die gedurende de wetsbehandeling betoogdendat de lengte van de bedenktermijn iedere keer zal afhangen van despecifieke situatie van de vrouw?De IGJ rapporteert over het tijdsverloop tussen het eerste gesprek meteen arts en de daadwerkelijke behandeling. Vóór 2023 gold een verplichteminimale beraadtermijn van vijf dagen. De beraadtermijn ging in vanafhet moment dat een vrouw haar verzoek met een (huis)arts hadbesproken. Als een vrouw na vijf dagen direct bij een abortuskliniek werdbehandeld, bedroeg de geregistreerde termijn vijf dagen. Als een vrouwpas later naar een abortuskliniek kon (of wilde) komen voor haarbehandeling, werd een langere termijn geregistreerd. Een geregistreerdtijdsverloop van >10 dagen betekende niet persé dat een vrouw na deverplichte vijf dagen nog een aantal dagen extra wilde nadenken. In depraktijk was dit tijdsverloop volgens het NGvA vaak een optelsom van deverplichte minimale beraadtermijn en een agenda-technische termijn.Sinds 2023 geldt geen verplichte minimale beraadtermijn meer. Vrouwengaan nu vaak direct naar een abortuskliniek en bepalen daar samen metde arts het behandelmoment. In de IGJ-rapportage is hierdoor zowel de«piek» op dag vijf als een deel van de langere tijdsverlopen verdwenen.Het NGvA ziet dat het geregistreerde tijdsverloop nu vooral wordt bepaalddoor de agenda’s van de vrouw en kliniek, en in mindere mate door determijn die vrouwen na hun eerste bezoek aan de kliniek nodig hebbenom na te denken over hun keuze. Het NGvA geeft aan dat de meestevrouwen hun beslissing al hebben genomen voorafgaand aan hun bezoekaan de kliniek.De afname van de lange tijdsverlopen impliceert dat een substantieel deelvan de vrouwen die voorheen 10 dagen of langer hebben gewacht tot hunabortus, dit niet deed uit behoefte aan 10 dagen beraadtijd, maar omdat25Richtlijn «Begeleiding bij het overwegen van een zwangerschapsafbreking» (2022) van hetNederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27127 het systeem van verplichte beraadtermijn in combinatie met de afspraak-planning dit tijdsverloop veroorzaakte.De huidige praktijk past bij de intentie van de aangenomen initiatiefwet:de vrouw beslist nu, in overleg met haar arts, welke beraadtermijn past bijhaar situatie.Overigens vragen de leden van de SGP-fractie of de Staatssecretaris deverschillen kan toelichten tussen de cijfers van 2022 in Tabel O «Tijds-verloop» in de Jaarrapportage 2024 en de cijfers van 2022 in de jaarrap-portage 2022 in Tabel P «Aantal dagen beraadtermijn». Hoewel het overdezelfde praktijk lijkt te gaan, worden er compleet andere cijfers gepresen-teerd (zelfs als het onderscheid tussen overtijdbehandelingen enabortussen in acht wordt genomen). Wat is de uitleg voor de verschillenhiertussen?Om de vraag van de SGP-fractie goed te kunnen duiden staat hierondereen versimpelde weergave van de twee tabellen. De cijfers zijn in beidetabellen verschillend weergegeven. In de Jaarrapportage 2022 (Tabel P)zijn de percentages apart weergegeven voor abortussen tot en met 16dagen na de laatste menstruatie (destijds overtijdbehandelingengenoemd) en voor overige abortussen – elk als percentage van hun eigengroep. In de Jaarrapportage 2024 (Tabel O) zijn de cijfers gepresenteerdals percentage van het totaal aantal abortussen. De percentages zijn dusberekend over verschillende noemers, wat de schijnbare verschillenverklaart.Aantal dagenTabel OJaarrapportage 2024Cijfers over 2022Tabel PJaarrapportage 2022Cijfers over 2022OTB%Afbrekingen excl.OTB%019,050,22,611,73,40,921,32,50,631,53,00,641,12,10,652,33,21,8616,96,322,6712,88,015,387,65,18,995,43,26,6104,52,85,5>1025,810,234,0 De leden van de SGP-fractie vragen verder naar de stand van zaken metbetrekking tot de uitvoering van de aangenomen motie-Van Dijk c.s. overeen onderzoek naar de afschaffing van de verplichte bedenktijd(Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 168). Heeft de Staatssecretaris dit onderzoekinmiddels opgepakt? Kan zij de onderzoeksopzet met de Kamer delen?De genoemde motie roept op te onderzoeken of het afschaffen van deverplichte bedenktijd per 1 januari 2023 heeft bijgedragen aan de verderetoename van het aantal abortussen en wat de invloed hiervan is op dekeuze van vrouwen om hun zwangerschap af te breken. Het kabinet geeftopvolging aan deze motie met de volgende evaluatie van de Wafz. In dezeevaluatie zal in brede zin aandacht worden besteed aan factoren enontwikkelingen die kunnen samenhangen met het ontstaan vanonbedoelde zwangerschappen en de ontwikkeling van het aantalabortussen. Ook de gevolgen van het afschaffen van de verplichteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27128 minimale beraadtermijn zullen worden onderzocht in deze evaluatie. Mijnambtsvoorganger heeft eerder aan de Kamer toegezegd deze punten meete geven aan de evaluatoren bij de opdrachtverlening voor de evaluatie.26Het valt de leden van de SGP-fractie op dat het aantal instrumenteleabortussen zeer sterk is toegenomen en het aantal abortussen waarbijsprake is van een combinatie van medicamenteuze en instrumentelehandelingen sterk is afgenomen (Tabel P: Behandelmethode). Het aantalinstrumentele abortussen is gestegen van 1.568 (4,4%) in 2022, 5.140(13,1%) in 2023 naar 8.647 (21,9%) in 2024. Wat is de verklaring hiervoor?Ligt hier een wijziging van de abortuspraktijk door klinieken aan tengrondslag?Zoals mijn ambtsvoorganger recent heeft toegelicht in de antwoorden opKamervragen van het lid Bikker27 is het totaal aantal instrumenteleabortussen niet toegenomen ten opzichte van 2023, maar ongeveer gelijkgebleven. Bij een instrumentele abortus kan namelijk worden gekozenvooraf medicatie toe te dienen. Een instrumentele abortus met zo’nmedicamenteuze voorbehandeling wordt geregistreerd als combinatiebe-handeling. De instrumentele behandeling en de combinatiebehandeling inde jaarrapportage zijn dus geen verschillende soorten abortusbehande-lingen, maar variaties binnen de instrumentele behandeling. In 2023waren er in totaal 23.232 instrumentele abortussen waarvan 18.092 metvoorbehandeling. In 2024 waren er in totaal 23.077 instrumenteleabortussen waarvan 14.430 met voorbehandeling. De keuze tussen wel ofgeen voorbehandeling wordt in samenspraak met de arts gemaakt enhangt af van de medische voorgeschiedenis, eventuele contra-indicaties(zoals recente keizersneden) en de voorkeur van de vrouw.De leden van de SGP-fractie constateren dat het aantal complicaties tengevolge van abortus de afgelopen jaren significant is toegenomen. Hetgaat dan in het overgrote deel van de gevallen om veel bloedverlies (meerdan een halve liter) of een incomplete abortus. De leden van deSGP-fractie hebben hiervoor de cijfers van de afgelopen vijf jaar metelkaar vergeleken. In 2024 ging het om 3,6% van het aantal abortussen(1420 keer complicaties). In 2023 ongeveer betrof het 2,9% van het aantalabortussen (1143 keer), in 2022 2,6% (945 keer), in 2021 (857 keer) en in2020 ging het om 2,7% van de gevallen (834 keer). Hoe verklaart deStaatssecretaris deze stijging? Vindt zij dit een onwenselijke ontwikkelingen zo ja, wat wil zij eraan doen? Worden vrouwen voorafgaand aan hunabortus geïnformeerd over het risico op complicaties?De complicatiecijfers staan elk jaar in de samenvattende tabel van dejaarrapportage van de IGJ. De percentages die de SGP-fractie noemt,komen hiermee niet geheel overeen. De percentages zijn: 2,5% (2020),2,6% (2021), 2,5% (2022), 2,8% (2023) en 2024 (3,3%). Het NGvA geeft aandat, door de aard van de registratie, geen goede conclusies kunnenworden verbonden aan deze cijfers. De aard van de registratie staat naderuitgelegd in het antwoord op de volgende vraag.26Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1795 en behandeling initiatief-voorstel afschaffen verplichte minimale beraadtermijn (handelingen vindbaar via https://www.eerstekamer.nl/handelingen/ek/20220614/afschaffing_minimale_beraadtermijn)27Kamerstukken II 2025/26, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 350.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27129 Vrouwen worden voorafgaand aan hun abortus geïnformeerd over hetrisico op complicaties. In de behandelrichtlijn van het NGvA staat dat devrouw dient te worden geïnformeerd over het risico op complicaties bijverschillende behandelwijzen.28Overigens is de registratie van complicaties niet verplicht conform deWafz en geeft de registratie in de jaarrapportage dus geen volledig beeld.De leden van de SGP-fractie vragen of de IGJ een indruk heeft hoeaccuraat de door hen gepresenteerde cijfers ten aanzien van complicatieszijn. Aangezien het aantal complicaties significant toeneemt, overweegtde Staatssecretaris om regelgeving rondom registratie aan te scherpen?Waarom is het überhaupt niet verplicht om te registreren?Op basis van artikel 11, eerste lid van de Wafz moeten jaarlijks gegevensover de geleverde abortuszorg worden aangeleverd bij de IGJ. Ook deeventueel opgetreden bijzonderheden bij zwangerschapsafbrekingenvallen onder deze rapportageplicht. Dit wordt nader uitgewerkt in hetmodelformulier besluit afbreking zwangerschap.29 In het modelformulierstaan vragen over complicaties en over doorverwijzingen als gevolg vanopgetreden complicaties. Zoals de IGJ ook vermeldt in de jaarlijkserapportage, manifesteren complicaties zich echter vaak pas enkele dagentot weken na de behandeling. Een abortuskliniek heeft op het moment vanregistreren niet altijd zicht op complicaties die zich op een later momentelders – bijvoorbeeld bij de huisarts of in het ziekenhuis – hebbengeopenbaard. Complicaties die wel bekend zijn op het moment vanregistreren, worden opgenomen in het formulier. Voor zover mogelijkworden de complicaties dus geregistreerd.Het NGvA benadrukt dat abortuszorg zeer veilig is en dat het complicatie-risico klein is. De inspanningen om abortuszorg verder te verbeteren zijnniet gebaat bij een uitgebreidere wettelijk verplichte registratie vangegevens. Klinieken hebben samenwerkingsafspraken met ziekenhuizenafgesloten en houden onderling contact over het optreden van compli-caties. Huisartsen en ziekenhuizen die vrouwen helpen met complicatiesdoen hiervan melding bij de abortuskliniek waar de vrouw een zwanger-schapsafbreking heeft ondergaan. De abortuszorg in Nederland is veiligen kwalitatief hoogstaand, en het huidige beleid rondom complicatiesvolstaat. Het kabinet ziet daarom geen reden om aanvullende maatregelente treffen.Reactie op AVOZ-studie en beleid onbedoelde en/of ongewenstezwangerschappen vanaf 2026De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van deelrapportenvanuit de AVOZ-studie, de reactie van de Staatssecretaris hierop en hetnieuwe beleid ten aanzien van onbedoelde en/of ongewenste zwanger-schappen.De leden van de SGP-fractie benadrukken dat zij zich terdege beseffen dathet thema abortus in de maatschappij een gevoelig thema is. Het raaktaan diepe menselijke gevoelens en ervaringen. Veel vrouwen verkeren ineen moeilijke situatie, als zij onbedoeld zwanger zijn. Vaak lijkt abortus deenige uitweg. Om deze reden hechten de leden van de SGP-fractie eraanom zorgvuldig te zijn in hun woordkeuze. Zij willen niemand onheusbejegenen of kwetsen. Daarbij wil de leden van de SGP-fractie niemand28Richtlijn «Behandeling van vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan» (2015) vanhet Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA)29De registratieformulieren zijn vindbaar via https://wetten.overheid.nl/BWBR0049004/2025-01-01Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27130 veroordelen, ook geen vrouwen die een abortus hebben ondergaan. Zijhebben een standpunt over abortus en niet over de vrouwen die eenabortus ondergaan.Abortus is een maatschappelijke kwestie waarover verschillend wordtgedacht. De Wet afbreking zwangerschap geeft de beschermwaardigheidvan het ongeboren leven nadrukkelijk een plaats. Een abortus doodt, hoemen het wendt of keert, een ongeboren leven. Het is daarom volstrektlegitiem om vragen te stellen bij de gegroeide abortuspraktijk inNederland en te pleiten voor het voorkomen of het verminderen van hetaantal abortussen. Het doet de leden van de SGP-fractie ronduit verdrietdat deze noties in de brief van de Staatssecretaris compleet ontbreken. Zijvragen de Staatssecretaris om te verantwoorden waarom de beschermingvan het ongeboren leven geen enkele plek meer lijkt te hebben in haarbeleidsvoornemens, terwijl dit één van de pijlers van de abortuswetbetreft.In de Wafz is een balans getroffen tussen het zelfbeschikkingsrecht van devrouw en de beschermwaardigheid van het ongeboren leven. Bij detotstandkoming van deze wet zijn deze waarden zorgvuldig tegen elkaarafgewogen. Uit de laatste evaluatie van de Wafz blijkt dat het juridischkader goed functioneert en dat het getroffen evenwicht bij de uitvoeringvan de wet een belangrijke rol vervult.30Waar relevant sluit de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwanger-schap31 uiteraard aan op de balans tussen het zelfbeschikkingsrecht vande vrouw en de beschermwaardigheid van het ongeboren leven in deWafz. Zo komen in de keuzehulpverlening alle vier de opties bij eenonbedoelde zwangerschap aan bod: het uitdragen van de zwangerschapen zelf opvoeden, pleegzorg, afstand ter adoptie en abortus. Het doel vande aanpak is echter veel breder dan het doel van de Wafz. De aanpak richtzich op het versterken van de regie van mensen op hun kinderwens, hetbieden van betrouwbare informatie en het ondersteunen van vrouwen enpartners bij een onbedoelde zwangerschap. Daarbij staan autonomie enzelfbeschikking van vrouwen en hun eventuele partners centraal.Het rapport «Dit is mijn verhaal» keurt het vragen naar redenen voorabortus af en pleit voor vragen naar behoeften: «Wat heb je nodig». Deleden van de SGP-fractie betreuren het dat de Staatssecretaris dit volledigomarmt. Hoe waarborgt zij dat er voldoende zicht blijft op maatschappe-lijke oorzaken en structurele problemen die ten grondslag liggen aanonbedoelde zwangerschap en/of abortus? Het rapport stelt dat stijgendeabortuscijfers moeilijk causaal te duiden zijn. Acht de Staatssecretaris ditvoldoende reden om af te zien van verdiepend onderzoek naar oorzakenvan de stijging van het aantal abortussen? Hoe worden de aanbevelingenuit dit rapport gewogen ten opzichte van het eerdere beleidsdoel om hetaantal abortussen terug te dringen?Dit kabinet onderschrijft het belang van blijvende aandacht voor demaatschappelijke en structurele factoren die kunnen bijdragen aan hetontstaan van onbedoelde zwangerschappen. Mede daarom zal er in devolgende evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) in bredezin aandacht worden besteed aan factoren en ontwikkelingen die kunnensamenhangen met het ontstaan van onbedoelde zwangerschappen en deontwikkeling van het aantal abortussen. Het kabinet zal dit meegeven alsaandachtspunt aan de evaluatoren, en geeft zo opvolging aan de30Kamerstukken II 2019/20, 30 371, nr. 42.31Kamerstukken II 2025/26, 32 279, nr. 268.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27131 aangenomen motie van de leden De Korte (NSC) en Bikker (CU).32 Dit isde enige vorm van duiding die het kabinet kan bieden: een causaalverband tussen specifieke ontwikkelingen en het aantal abortussen is nietaantoonbaar, en het uitvragen of registreren van individuele motievenvoor een abortus is niet zinvol en niet wenselijk. In eerdere antwoordenop Kamervragen heeft mijn ambtsvoorganger deze invulling van deaangenomen motie nader toegelicht.33Het kabinet blijft inzetten op het vergroten van de regie op kinderwens, viade aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap. Het is voor ditkabinet geen doel op zich om het aantal abortussen terug te dringen. Hetuitgangspunt is en blijft tijdige toegang tot zorgvuldige, toegankelijke enkwalitatief goede hulpverlening, waarbij ruimte is voor een weloverwogenkeuze.De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat de onderzoekers van «Dit ismijn verhaal» ambivalent zijn over het überhaupt onderzoeken enbevragen van de motieven of factoren die een rol spelen bij een abortus.In de conclusie van het onderzoek overwegen zij: «Uiteindelijk maakt hetniet uit welke motieven men heeft, zolang iemand een eigen en welover-wogen keuze heeft kunnen maken. Het is geheel en al aan de zwangere inkwestie, welke keuze die maakt. Er is hiervoor dan ook geen verant-woording nodig.» (p. 12) De leden van de SGP-fractie vatten dit op als eenpolitieke uitspraak die aantoont hoe verschillend er gedacht kan wordenover de abortuspraktijk en op z’n minst vragen oproept over de mate vanwetenschappelijke nieuwsgierigheid waarmee het betreffende onderzoektot stand is gekomen. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar? Is zij hetermee eens dat deze uitspraak van de onderzoekers niet gestoeld is op hetonderzoek dat zij hebben verricht, maar voortvloeit vanuit hun ideolo-gische visie op de autonomie van de vrouw en de beschermwaardigheidvan het ongeboren leven?Het AVOZ-onderzoek is tot stand gekomen door een opdracht van hetkabinet Rutte IV, als onderdeel van de Aanpak onbedoelde en/ofongewenste zwangerschap. Het kabinet hecht eraan dat onderzoek dat inopdracht van de overheid wordt uitgevoerd, methodologisch zorgvuldig,transparant en onafhankelijk tot stand komt. Het kabinet ziet geen enkeleaanleiding om te concluderen dat de onderzoekers in dit onderzoekonvoldoende wetenschappelijke nieuwsgierigheid of zorgvuldigheidzouden hebben betracht.De onderzoekers spreken zelf van voortschrijdend inzicht. Zij hebben inhun eigen onderzoek namelijk wel gevraagd naar redenen voor abortus,zelfs met een afvinklijst, maar zagen in de analyse hiervan dat ditdubbelzinnige informatie opleverde. Dit bleek ook uit hun scoping reviewvan de internationale literatuur.34 Zij kwamen tot de bevinding dat watdaadwerkelijk een rol speelt in het besluitvormingsproces, niet plat teslaan is tot één of enkele reden(en). De onderzoekers beschreven ook dathet vragen naar redenen nu juist een neiging oproept bij vrouwen om zichte verantwoorden, waarmee de antwoorden minder betrouwbaar kunnenworden en sociaal wenselijk. De passage «Het is geheel en al aan dezwangere in kwestie, welke keuze deze maakt. Er is hiervoor dan ook geenverantwoording nodig» verwijst naar hoe het nu in Nederland wettelijkgeregeld is. Een zwangere vrouw die een abortus wil, hoeft hiervoor geen32Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVI, nr. 174.33Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1795.34Beumer, W.Y., Reilingh, A.Y.A.M., Dalmijn, E., Roseboom, T.J., van Ditzhuijzen, J. (2025).Motivations for abortion or continuation of an unwanted pregnancy: A scoping review of theglobal literature. Perspectives on Sexual and Reproductive Health.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27132 redenen op te geven, er is geen verantwoording nodig over het besluit.Een belangrijk uitgangspunt van de Wafz is dat de vrouw zelf bepaalt watvoor haar een noodsituatie is.De leden van de SGP-fractie verwijzen verder naar de twee wetsevaluatiesvan de Wet afbreking zwangerschap, waarin verschillende «redenen» vooreen abortus worden besproken, waarbij ook aandacht wordt gegeven aande «belangrijkste reden».35 Twee voorbeelden: in de eerste wetsevaluatiewordt geconstateerd dat relatief veel vrouwen aangaven dat financiëleredenen de belangrijkste reden voor een abortus was;36 en uit de tweedewetsevaluatie volgt dat in 19% van de gevallen «Mijn gezin is compleet»de belangrijkste reden vormt voor een abortus.37 Dit maakt naar hetoordeel van de leden van de SGP-fractie het uitlichten van de hoofdredenvoor abortus legitiem. Is de Staatssecretaris van mening dat dezeinformatie in de wetsevaluaties nu haar waarde heeft verloren?De eerste en tweede wetsevaluatie bevatten inderdaad een enquête voorvrouwen, waarin zij onder andere werden gevraagd naar hun redenen omeen abortus te overwegen. In de tweede wetsevaluatie werd hierbij dekanttekening geplaatst dat de respons laag was en dat op basis van dezecijfers geen harde conclusies kunnen worden getrokken. Ook werd in dezeevaluatie benadrukt dat vrouwen gemiddeld ongeveer drie redenenopgeven en dat er in veel gevallen sprake is van een samenspel van(uiteenlopende) redenen. In beide wetsevaluaties hebben de bevindingenover redenen niet geleid tot eenduidige conclusies of aanbevelingen.De AVOZ-studie heeft opnieuw bevestigd dat de keuze voor een abortuseen complex samenspel is van omstandigheden en factoren. De onder-zoekers concludeerden dat het maken van lijstjes redenen geen recht doetaan de ervaring en de realiteit, en dat het niet zinvol is om te vragen eenkeuze te maken uit een rijtje redenen of om de belangrijkste reden tebenoemen. De komende wetsevaluatie zal, in lijn met de meest recenteinzichten hieromtrent, niet gericht zijn op individuele redenen voorabortus. Wel zal het kabinet de evaluatoren vragen om in brede zinaandacht te besteden aan factoren en ontwikkelingen die kunnensamenhangen met het ontstaan van onbedoelde zwangerschappen en deontwikkeling van het aantal abortussen.De leden van de SGP-fractie wijzen er verder op dat de onderzoekers in«Dit is mijn verhaal» telkens benadrukken dat de besluitvorming rondomabortus complex is. Tegelijkertijd vermelden de onderzoekers: «Maar voorveel personen is de besluitvorming helemaal niet complex. Het besluit kanheel ongecompliceerd zijn, als absoluut duidelijk is voor de betrokkene datde zwangerschap moet worden afgebroken. De uitdrukking «het iscomplex» (...) doet géén recht aan de ervaring van alle personen. Voorvelen is het namelijk direct duidelijk wat er moet gebeuren, voor hen ishet niet complex (...)» (p. 68) De leden van de SGP-fractie vragen deStaatssecretaris hierop te reageren. Erkent zij dat praten over complexiteitook een gemakkelijke manier kan zijn om de discussie over abortus teonderdrukken?Nee, het kabinet herkent niet dat het spreken over complexiteit bedoeld isom de discussie over abortus te onderdrukken. Door de complexiteit vanhet onderwerp te benoemen, wordt recht gedaan aan de grote verschei-35M.R.M. Visser e.a., Evaluatie Wet afbreking zwangerschap, Den Haag: ZonMw, 2005, p. 83;M.C. Ploem e.a., Tweede evaluatie Wet afbreking zwangerschap, Den Haag: ZonMW, 2020,p. 93.36Visser e.a. 2005, p. 83.37Ploem e.a. 2020, p. 93.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27133 denheid aan ervaringen en omstandigheden waarin personen tot eenbesluit over abortus komen. Voor sommigen is dit besluitvormingsprocesheel helder en snel en voor anderen kan dit een langer proces zijn metmeer twijfel. Dat betekent niet dat het niet emotioneel zwaar ofingewikkeld kan zijn, of mensen nu snel of langzaam besluiten. Hetbesluitvormingsproces is complex in die zin dat iedereen het anderservaart en dat er daarom geen generieke uitspraak over kan wordengedaan.Het woord «complex» wordt ook door de onderzoekers gebruikt in decontext van het individuele keuzeproces. Dit is volgens de onderzoekersvaak een complex samenspel van verschillende factoren en motieven. Datbetekent dat het moeilijk is om te duiden waarom een vrouw in eenspecifieke situatie wel of niet voor een abortus kiest – dáár zit decomplexiteit. Dit zegt niks over de mate waarin de betreffende vrouw dekeuze als complex of moeilijk ervaart. Er kan sprake zijn van eensamenspel van heel veel factoren en motieven (complex om te duiden),die maken dat het voor de vrouw in één keer duidelijk is dat zij eenabortus wil of de zwangerschap wil uitdragen.Het rapport «Het begint met luisteren» spreekt over het «destigmatiseren»van onbedoelde zwangerschap en abortus. De Staatssecretaris neemt ditnu over als beleidsdoel. De leden van de SGP-fractie vragen hoe zij wilvoorkomen dat hiermee ook normvervaging optreedt rond seksualiteit,verantwoordelijkheid en gezinsvorming. In hoeverre wordt in beleid nogexpliciet uitgegaan van het belang van stabiele relaties en gezinnen alsbeschermende factor tegen abortus? Ook vragen de leden van deSGP-fractie hoe voorkomen wordt dat door abortus te «destigmatiseren»de ernst en impact van het beëindigen van de zwangerschap wordtgebagatelliseerd.Het kabinet vindt dat mensen zelf gaan over hun seksuele, relationele enreproductieve leven. Het kabinet vindt de ene relatievorm niet geschikterof beter dan de andere vorm. In het beleid zal het belang van een stabielerelatie of gezin niet expliciet uitgedragen worden. Onbedoelde zwanger-schappen en zwangerschapsafbrekingen komen ook voor in relaties engezinnen waar al kinderen zijn. Bijna de helft van de vrouwen die kiestvoor een zwangerschapsafbreking heeft al één of meer kinderen.38 Ditkabinet zet in op het uitdragen van een realistischer beeld van eenonbedoelde zwangerschap én de keuze die hierover in vrijheid wordtgemaakt; zowel een keuze voor het uitdragen als voor het afbreken vaneen zwangerschap. Dit zal hopelijk bijdragen aan minder schaamte enschuldgevoel bij de mensen die met een onbedoelde zwangerschap temaken krijgen.De leden van de SGP-fractie constateren dat de focus van het beleid doorde Staatssecretaris wordt verlegd naar het vergroten van de reproductieveregie en autonomie van vrouwen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoede beschermwaardigheid van het ongeboren leven geborgd is in haaraanpak? De nadruk ligt sterk op reproductieve autonomie. Hoe wordt inhet beleid het evenwicht bewaakt tussen autonomie enerzijds enverantwoordelijkheid voor nieuw leven anderzijds?De beschermwaardigheid van ongeboren leven wordt primair geborgd inde Wet afbreking zwangerschap (Wafz). In de Wafz is een balans getroffentussen het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw en de beschermwaar-38«Bijlage Jaarrapportage 2024 Wet afbreking zwangerschap (Wafz)», Inspectie Gezond-heidszorg en Jeugd, https://www.igj.nl/documenten/2025/10/23/jaarrapportage-wet-afbreking-zwangerschap-2024 (23 oktober 2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27134 digheid van het ongeboren leven. Bij de totstandkoming van de Wafz zijndeze waarden zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. Uit de laatste evaluatievan de Wafz blijkt dat het juridisch kader goed functioneert en dat hetgetroffen evenwicht bij de uitvoering van de wet een belangrijke rolvervult.39Het doel van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap isbreder dan het doel van de Wafz. De aanpak richt zich op het versterkenvan de regie van mensen op hun kinderwens, het bieden van betrouwbareinformatie en het ondersteunen van vrouwen en partners bij eenonbedoelde zwangerschap. Daarbij staan autonomie en zelfbeschikkingvan vrouwen en hun eventuele partners centraal.De leden van de SGP-fractie maken uit de beslisnota op dat Fiom enRutgers jaarlijks 250.000 euro extra krijgen voor de publiekscampagne«voor realistischer beeldvorming en destigmatisering rond onbedoeldezwangerschap». Kan de Staatssecretaris toelichten wat deze activiteitenprecies gaan behelzen? Hoe wordt voorkomen dat het kabinet aan burgersgaat voorschrijven hoe zij moeten denken over thema’s als zwangerschap,relatievorming en seksualiteit? Uit de beslisnota blijkt dat dit bedrag wordttoegevoegd aan de instellingssubsidie van Fiom en Rutgers. Kan deStaatssecretaris toelichten of deze extra middelen voldoen aan devoorwaarden die gelden voor instellingssubsidies in de Kaderregelingsubsidies OCW, SZW en VWS?De expertisecentra Fiom en Rutgers werken op dit moment hun plannenvoor deze publiekscommunicatie uit. De extra middelen die aan deinstellingssubsidies zijn toegevoegd voldoen aan de Kaderregelingsubsidies OCW, SZW en VWS.Het kabinet schrijft geenszins voor hoe mensen hun seksuele en reproduc-tieve keuzes maken. Het staan voor seksuele en reproductieve autonomiebetekent juist dat alle keuzes er mogen zijn. De verschillende expertise-centra zijn er voor iedereen.De Staatssecretaris maakt een prioriteit van de toegang tot anticonceptie.Hoe voorkomt zij daarmee de suggestie wordt gewekt dat anticonceptiealtijd probleemloos en waardenvrij is? In hoeverre wordt aandachtbesteed aan natuurlijke methoden of onthouding als reële keuze? In debrief wordt gesproken over extra middelen voor een publiekscampagneover het gebruik van voorbehoedsmiddelen. Neemt het Ministerie vanVWS zelf het initiatief voor deze publiekscampagne of gaat een andereorganisatie dit doen?Het gebruik van anticonceptie is een persoonlijke keuze die mensenmaken op basis van hun eigen overtuigingen en situatie. In het beleid vanhet kabinet en de informatievoorziening over anticonceptie wordt dan ookaandacht besteed aan autonomie en keuzevrijheid.Rutgers voorziet in betrouwbare informatie over anticonceptie, vrucht-baarheid, kinderwens en zwangerschap. Op websites zoals seksualiteit.nlen zanzu.nl staat informatie over alle soorten methoden om een zwanger-schap te voorkomen. Dit is inclusief vruchtbare dagen-methoden enperiodieke onthouding, ook bekend als natuurlijke methoden. Rutgersheeft aangegeven dat op hun website binnenkort meer informatie wordtopgenomen over onthouding als keuzeoptie, omdat hier nu nog nietzoveel over te vinden is. Op de websites, op sociale media en inmaterialen worden verschillende aspecten van anticonceptiemethodentoegelicht: de betrouwbaarheid, voor- en nadelen, mogelijke bijwerkingen39Kamerstukken II 2019/20, 30 371, nr. 42.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27135 en kosten. Ook wordt antwoord gegeven op een aantal veel gesteldevragen over anticonceptie.Daarnaast zet het kabinet de komende jaren in op condoompromotie metgedragsveranderende interventies die het gebruik stimuleren en drempelswegnemen. In samenwerking met het Ministerie van Algemene Zaken(Dienst Publiek en Communicatie) en een brede groep stakeholders wordtmomenteel verkend welke interventies hiervoor het meest geschikt zijn,zodat deze vanaf eind 2026 kunnen worden geïmplementeerd.De leden van de SGP-fractie juichen het toe dat er meer oog komt voor derol van de vader van het ongeboren kind en/of partner van de vrouw. Zijvragen de Staatssecretaris in hoeverre de rol van (toekomstig) vaderschappositief en normatief benaderd wordt in beleid en zorg. Wordt overwogenom mannen nadrukkelijker te betrekken in preventiebeleid, niet alleen watbetreft de medische zorg, maar ook relationeel en moreel? Kan deStaatssecretaris aangeven welke interventies er reeds beschikbaar zijnvoor hulp aan mannen?Aandacht voor de belangrijke rol van partners en vaders is er binnen deAanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap altijd geweest, inbijna alle activiteiten. Het kabinet staat voor vrije keuzes en reproductieveautonomie en spoort mensen aan na te denken over het al dan nietbestaan van een kinderwens. Is die wens er (nog) niet, dan wordt mensenaangeraden om zichzelf tegen een zwangerschap te beschermen. Ook, enmisschien wel vooral, jongens en mannen. Normatiever dan dit wordt hetbeleid van dit kabinet niet. Uiteindelijk zijn mensen zelf verantwoordelijkvoor hun afwegingen en keuzes.De volgende activiteiten zijn ook gericht op jongens, mannen en(aanstaande) vaders: condoompromotie, informatievoorziening enpubliekscommunicatie via de kennisinstituten, het tegengaan van degevolgen van onjuiste medische informatie, seksuele en relationelevorming via de Gezonde School, Programma Nu Niet Zwanger, Landelijkinformatiepunt onbedoelde zwangerschap, keuzehulp en psychosocialehulp na abortus. Tot slot richt veel van het onderzoek binnen het ZonMw-programma zich (ook) op jongens en mannen.De leden van de SGP-fractie lezen dat het thema Gezonde Relaties enSeksualiteit weer een regulier onderdeel wordt van de Gezonde School-aanpak, in plaats van de tijdelijke stimuleringsregeling voor scholen. Zijvragen waarom de Staatssecretaris de aangenomen de motie-Stoffer c.s.(Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 105) niet uitvoert, waarin werd verzocht om desubsidie voor relationele en seksuele vorming ook beschikbaar te stellenzonder de verplichtingen van het programma Gezonde School.De motie Stoffer c.s. verzoekt de regering de subsidie voor relationele enseksuele vorming ook beschikbaar te stellen als scholen die erkendeprogramma’s willen gebruiken zonder de verplichtingen van hetprogramma Gezonde School.40 In de brief aan de Kamer van 14 april202541 wordt deze motie besproken. Zoals mijn ambtsvoorganger aangafin deze brief, is het gebruikelijk bij subsidies dat voorwaarden zijnverbonden aan de toekenning hiervan. Deze voorwaarden zijn bewustgekozen om te borgen dat scholen structureel en schoolbreed werken aanrelationele en seksuele vorming in plaats van het aanbieden van losselessen. Scholen zijn overigens niet verplicht deel te nemen aan hetprogramma Gezonde School en kunnen zelf kiezen hoe zij lessen over40Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 105.41Kamerstukken II 2024/25, 32 279, nr. 263.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27136 relationele en seksuele vorming invullen en welke ondersteuning zijwensen. Scholen kunnen materiaal kiezen dat past bij hun visie.Betekent het dat de verplichting voor scholen om eerst een specialeGezonde Schoolcoördinator aan te stellen en te laten trainen voordat zijlespakketten konden inkopen, is komen te vervallen? Betekent dezewijziging dat scholen nu verplicht worden om gebruik te gaan maken vanhet overige aanbod van de Gezonde School, óók als zij eigenlijk alleenmaar lesmethoden op het gebied van seksualiteit en relaties wildeninkopen?De verplichting van het aanstellen van een Gezonde School-Coördinator(GSC), die zorgt voor schoolbreed en structureel werken, blijft bestaan.Alleen de verplichte scholing voor deze GSC vervalt. Scholen zijn nietverplicht gebruik te maken van het volledige aanbod van Gezonde Schoolen kunnen zich uitsluitend richten op lesmethoden op het gebied vanrelaties en seksualiteit.De leden van de SGP-fractie vragen waarom het budget dat nodig is voorde begeleiding door coördinatoren niet direct wordt ingezet om meerscholen de mogelijkheid te bieden een erkende methode af te nemen enhierover direct contact te hebben met de aanbieders over implementatie.Deze leden constateren dat het aantal begeleidingsuren is gehalveerd,maar dat van het stimuleringsbudget slechts een kwart overblijft. Kan deStaatssecretaris aangeven waarop deze berekening berust en hoe het inhet licht van de motie-Stoffer te rechtvaardigen is dat juist nog sterker inhet budget van scholen wordt ingegrepen in plaats van in het aantalverplichte uren begeleiding?Het Stimuleringsprogramma Gezonde Relaties en Seksualiteit was eentijdelijke extra impuls voor dit thema. Sinds 2019 heeft dit programmascholen gestimuleerd en ondersteund bij het versterken van hun beleid enonderwijs op het gebied van relaties en seksualiteit. Het is succesvolgeweest: circa 2000 scholen hebben deelgenomen. Het thema Relaties enSeksualiteit is nu weer een vast onderdeel van de Gezonde School. Datbetekent dat voor dit thema dezelfde voorwaarden (budget, begelei-dingsuren, etc.) gelden als voor de andere thema’s binnen de GezondeSchool. Dat geldt dus ook voor de begeleiding door Gezonde School-adviseurs (GSA) vanuit de lokale GGD. Deze adviseurs ondersteunenscholen om op een samenhangende en duurzame manier vorm te gevenaan het thema relaties en seksualiteit. In de praktijk blijkt dat dezebegeleiding voor veel scholen van meerwaarde is geweest. Dezebegeleiding is overigens niet verplicht. Scholen kunnen hierin dus eeneigen afweging maken. De middelen die beschikbaar waren voor hetStimuleringsprogramma worden nu deels ingezet voor andere activiteitenzoals het stimuleren van condoomgebruik onder jongeren.Verder vragen de leden van de SGP-fractie hoe de Staatssecretarisreageert op de bevinding uit het onderzoek van DUO onderwijsonderzoekuit maart 2025 dat de bekendheid van organisaties en initiatieven bijscholen sterk kan variëren (p. 20). Wat doet de Staatssecretaris eraan omte bevorderen dat de verschillende initiatieven op gelijkwaardige wijzedoor (de coördinatoren van) de GGD onder de aandacht worden gebracht,in ieder geval wanneer deze een erkenning hebben gekregen? Is zij ermeebekend dat sommige methoden aangeven zelden tot nooit een doorver-wijzing van scholen door de GGD mee te maken? Hoe bevordert zij degelijke kansen van aanbieders?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27137 Dat de bekendheid over de verschillende organisaties, initiatieven enlespakketten verschilt tussen scholen kan verschillende redenen hebben.Hier gaat het DUO-onderzoek niet op in. Een reden zou kunnen zijn datverschillende initiatieven op verschillende manieren gepromoot worden.Zo zijn Paarse Vrijdag en de Week van de Lentekriebels inmiddels eenbegrip onder scholen, mede door de media-aandacht van afgelopen jaren.Het lespakket «Kriebels in je buik» was heel lang het enige pakket voor hetbasisonderwijs op dit terrein en is daardoor nog steeds het meestbekende lespakket. De afgelopen jaren zijn er andere lespakketten bijgekomen, zodat er voor scholen iets te kiezen valt en zij een lespakketkunnen gebruiken dat past bij de visie van de school en de omgeving. Datis een goede ontwikkeling.Er zijn in de afgelopen jaren inderdaad signalen binnengekomen vanpartijen die vonden dat de GGD’en de verschillende interventies voorrelationele en seksuele vorming niet gelijkwaardig onder de aandachtbrachten bij scholen. Naar aanleiding hiervan hebben onder regie van hetMinisterie van VWS twee bijeenkomsten plaatsgevonden met verschil-lende interventie-eigenaren, de Gezonde School en GGD GHORNederland. In deze bijenkomsten zijn de ervaren knelpunten besproken enzijn gezamenlijke afspraken gemaakt om in de praktijk beter samen tewerken. De verschillende partijen spreken elkaar nu laagdrempelig engeven signalen direct aan elkaar door zodat hierop geacteerd kan worden.Ook is er vanuit de Gezonde School een bijeenkomst georganiseerd voorGGD’en waar alle interventie-eigenaren een presentatie hebben gegevenover hun interventies en/of lespakketten. Door op deze manier bredeaandacht te vragen voor alle interventies in het scholingsaanbod wordengelijke kansen voor interventie-eigenaren bevorderd.Momenteel ontwikkelt Gezonde School een filmpje «Gezonde School-activiteiten uitgelegd», over alle erkende interventies. In maart en eindvan het jaar worden de menukaarten met alle activiteiten voor GezondeSchool-adviseurs geüpdatet. Ook wordt er aandacht besteed aan hetwerken met Gezonde School-activiteiten, o.a. in de trainingen voorbeginnend en ervaren Gezonde School-adviseurs.Ook vragen de leden van de SGP-fractie in hoeverre de GGD in staat is omscholen ten aanzien van alle methoden adequaat te ondersteunen bij deimplementatie in de organisatie en het toepassen van de visies waarop deverschillende methoden gebaseerd zijn. Onderkent de Staatssecretaris dathet vanuit de «whole school approach» juist erg belangrijk kan zijn datscholen in direct contact met de aanbieder de integrale implementatiekunnen verrichten?Het staat scholen vrij om direct contact te onderhouden met de aanbiedervan een erkende interventie ten behoeve van de implementatie. Dezeruimte sluit aan bij de uitgangspunten van de whole school approach,waarbij integrale implementatie binnen de schoolorganisatie centraalstaat.Wat betreft de rol van de Gezonde School-adviseur van de GGD: in depraktijk, en ook uit onderzoek van de Universiteit Maastricht,42 blijkt datdeze adviseur een belangrijke succesfactor is voor een effectieve enduurzame implementatie van de Gezonde School-aanpak. De GGD vervulthierbij tevens een wettelijke taak op grond van de Wet publiekegezondheid.42«Onder welke condities doet Gezonde School ertoe? Eindrapport», Maastricht University /ZonMw, https://www.maastrichtuniversity.nl/file/eindrapport-onder-welke-condities-doet-gezonde-school-ertoepdf (2023)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27138 Voor het overige vragen de leden van de SGP-fractie vragen de Staatsse-cretaris welke aanbevelingen uit het AVOZ-onderzoek zij niet overneemt,en waarom.Samen met de verschillende betrokken organisaties en beroepsgroepenzijn alle aanbevelingen uit het AVOZ-onderzoek besproken. De meesteaanbevelingen zijn gericht aan het (zorg)veld. De verschillende organi-saties en beroepsgroepen pakken de aanbevelingen op zoals beschrevenin de brief van mijn ambtsvoorganger.43 Het kabinet juicht het toe dat hetveld hierin voortvarend zijn verantwoordelijkheid neemt. Aanbevelingendie vragen om grootschalige stelselwijzigingen neemt het kabinet nietover. De onderzoekers stellen bijvoorbeeld voor om anticonceptiezorg teconcentreren in centra voor seksuele en reproductieve gezondheid. Hetkabinet kijkt eerst naar verbetermogelijkheden binnen het bestaandestelsel. Zo zal expertisecentrum Rutgers de komende maanden zorgenvoor nog betere informatie over de verschillende mogelijkheden op hetgebied van anticonceptie, de zorgverleners waar mensen hiervoor terechtkunnen en de kosten van (de plaatsing van) anticonceptiemiddelen.De leden van de SGP-fractie constateren dat de Staatssecretaris van planis om de Kamer niet langer periodiek te informeren over de aanpak, maaralleen als er sprake is van relevante ontwikkelingen, aanpassingen enveranderingen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwanger-schap. Om zicht te houden op de voortgang en resultaten van de aanpakvragen de leden van de SGP-fractie of zij dit wil heroverwegen. Is zijbereid om de Kamer (op zijn minst) jaarlijks te informeren over de standvan zaken?Het kabinet begrijpt de behoefte van de leden van de SGP-fractie om zichtte houden op de voortgang en resultaten van de aanpak, maar wil ook hetaantal rapportages en brieven aan de Kamer beperken. Daarom zal hetkabinet in Kamerbrieven over het beleid op het gebied van de seksuelegezondheid voortaan ook ingaan op de belangrijkste ontwikkelingenbinnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen over de jaarrapportage 2024 van de Wet Afbrekingzwangerschap van de IGJ en de reactie op de AVOZ-studie en beleidonbedoelde en/of ongewenste zwangerschappen vanaf 2026.De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het zeer verdrietig dat in 202439.438 keer abortus is uitgevoerd. Dat dit aantal jaar op jaar stijgt vindendeze leden zorgelijk. Hoe men ook denkt over abortus, het gaat altijd omeen intens en verdrietig dilemma van de vrouw. De leden hebben al inaparte schriftelijke vragen hun vragen over de cijfers over 2024 gesteldaan de Staatssecretaris. Aanvullend vragen de leden van de ChristenUnie-fractie op welke manier wél conclusies getrokken kunnen worden overcausale verbanden tussen ontwikkelingen zoals gevoeligere zwanger-schapstesten en veranderingen in abortuscijfers. Hoe voert de Staatsse-cretaris in dit licht de aangenomen motie De Korte-Bikker (Kamerstuk36 600 XVI, nr. 174) uit?Abortus is niet altijd een intens en verdrietig dilemma van de vrouw.Sommige vrouwen weten duidelijk wat ze willen, anderen ervaren het alseen worsteling tussen gevoel en verstand. Uiteindelijk zijn de meeste43Kamerstukken II 2025/26, 32 279, nr. 268.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27139 vrouwen tevreden over hun keuze voor abortus, en is de overheersendeemotie achteraf opluchting.44De volgende evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) zal inbrede zin aandacht besteden aan factoren en ontwikkelingen die kunnensamenhangen met het ontstaan van onbedoelde zwangerschappen en deontwikkeling van het aantal abortussen. Het kabinet zal dit meegeven alsaandachtspunt aan de evaluatoren, zoals eerder toegezegd aan de Kamer,en geeft zo opvolging aan de aangenomen motie van de leden De Korte(NSC) en Bikker (CU).45 Dit is de enige vorm van duiding die het kabinetkan bieden: een causaal verband tussen specifieke ontwikkelingen en hetaantal abortussen is niet aantoonbaar, en het uitvragen of registreren vanindividuele motieven voor een abortus is niet zinvol en niet wenselijk. Ineerdere antwoorden op Kamervragen heeft mijn ambtsvoorganger dezeinvulling van de aangenomen motie nader toegelicht.46Ten aanzien van de kabinetsreactie op de AVOZ-studie en het beleidonbedoelde en ongewenste zwangerschappen vanaf 2026 merken deleden van de ChristenUnie-fractie op dat de aanbeveling om mannenmeer mee te nemen rond de geboorte herkenning oproept. Zij moedigenhet dan ook aan dat organisaties zoals Fiom en de kraamzorg dit verderoppakken. Op welke manier houdt de Staatssecretaris bij welke verbete-ringen op dit vlak plaatsvinden, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.In het kader van de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschapis er jaarlijks contact tussen het ministerie en een klankbordgroep vanveldpartijen en beroepsverenigingen. Hierin zijn ook de NederlandseVereniging voor Gynaecologie en Obstetrie (NVOG), Koninklijke Neder-landse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) en de LandelijkeHuisartsen Vereniging (LHV) vertegenwoordigd. Ook de brancheorgani-satie voor kraamverzorgenden is gevraagd aan te sluiten en dezeuitnodiging is enthousiast ontvangen. In de klankbordgroep wordt devoortgang op doelen en afspraken besproken. Met organisaties die veelactiviteiten binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwanger-schap uitvoeren, zoals Rutgers of Fiom, is veel vaker en intensief contact.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de AVOZ-studie dat dekeuzehulp bij een onbedoelde zwangerschap beter bekend zou moetenworden. Deze leden lezen dat deze aanbeveling wordt opgevolgd dooréén helder contactpunt te creëren én deze plek te promoten. Is hetvergroten van de bekendheid van de keuzehulp een expliciete doelstellingbij het creëren van dit punt? Zo nee, wil de Staatssecretaris dit eraantoevoegen? Zo nee, waarom niet?Ja, het vergroten van de bekendheid van keuzehulp en psychosociale hulpna abortus is een expliciet doel van de Aanpak onbedoelde en/ofongewenste zwangerschap.Ten aanzien van het nieuwe beleid per 2026 vragen de leden van deChristenUnie-fractie waarom de Staatssecretaris ervoor heeft gekozen ditnieuwe beleid te formuleren in een demissionaire periode. Vond zij ditonderwerp niet dusdanig dat het beter bij een nieuw kabinet past omhierop nieuw beleid te ontwikkelen?44Rocca, C. et al. (2020) Emotions and decision rightness over five yearsfollowing an abortion: An examination of decision difficulty and abortion stigma. SocialScience & Medicine, 248, 112704. https://doi.org/10.1016/j.socscimed.2019.11270445Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVI, nr. 174.46Kamerstukken II 2024/25, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1795.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27140 Op 14 april 2025 heeft de toenmalige Staatssecretaris Jeugd, Preventie enSport de Kamer namens het destijds missionaire kabinet geïnformeerd47over de aanstaande wijzigingen per 2026. De in november 2025 gepresen-teerde Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap48 is in lijnmet deze eerdere brief.De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het zorgelijk dat er wordtbezuinigd op de monitoring van de Aanpak. Hoe gaat die eruitzien enwaarin verschilt die van de monitoring tot nu toe? De leden lezen dat deKamer na april 2026 geen reguliere monitor van het RIVM meer ontvangtmaar slechts geïnformeerd wordt als er sprake is van relevante ontwikke-lingen, aanpassingen en veranderingen binnen de Aanpak. Deze ledenvinden dat te beperkt. Blijft het RIVM wel monitoren? Anders kan deStaatssecretaris niet bijhouden of haar beleid effect heeft. En als het RIVMtoch monitort, is het dan niet redelijk om de Kamer hierover te infor-meren? Waarom maakt de Staatssecretaris deze keuze?De monitor van het RIVM stopt inderdaad in zijn huidige vorm, medeomdat een groot deel van de data niet meer relevant is en/of aansluit bijde huidige aanpak. Zoals alle gedetailleerde indicatoren over hetStimuleringsprogramma Gezonde Relaties en Seksualiteit dat in 2025afliep. Fiom inventariseert momenteel welke indicatoren uit de eerdereMonitor Onbedoelde Zwangerschap van het RIVM met ingang vanvolgend jaar op de website van Fiom zullen worden gepubliceerd. Cijfersover bijvoorbeeld de keuzehulpverlening werden al verzameld door Fiom.Andere, meer algemene cijfers over onbedoelde zwangerschap zal Fiomuit secundaire bronnen verzamelen.Omdat het kabinet het aantal rapportages en brieven aan de Kamer wilbeperken, zal ik in Kamerbrieven over seksuele gezondheid voortaan ookingaan op de belangrijkste ontwikkelingen binnen de Aanpak onbedoeldeen/of ongewenste zwangerschap.De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de doelstelling vanhet terugdringen van het aantal abortussen zoals geformuleerd dooreerdere kabinetten wordt losgelaten en wordt ingewisseld voor hetvergroten van de regie op de kinderwens. Deze leden betreuren dat tenzeerste. De pijler «voorkomen van een onbedoelde en/of ongewenstezwangerschap» is herformuleerd naar «regie op kinderwens». Welke inzetwordt stopgezet met deze herformulering, zo vragen de leden van deChristenUnie-fractie. Deze leden erkennen dat het veroordelen enstigmatiseren van onbedoelde zwangerschappen niet bijdraagt aan eengoede en zorgzame begeleiding. Dat betekent wat deze leden betreft nietdat een beleidsdoel niet kan zijn om het aantal abortussen te vermin-deren. Erkent de Staatssecretaris dit?De herformulering van «voorkomen van onbedoelde zwangerschap» naar«regie op kinderwens» betekent geen verandering in de beleidsinzet: deinzet op voorlichting, anticonceptiecounseling en seksuele vorming wordtonverminderd voortgezet. De keuze voor een nieuwe titel van de eerstepijler is een direct gevolg van één van de uitkomsten uit de AVOZ-studie.De onderzoekers concluderen dat de term «preventie van onbedoeldezwangerschap» impliceert dat een onbedoelde zwangerschap op zichzelfproblematisch is en voorkomen kan en moet worden, terwijl dit niet uithet onderzoek blijkt. Om deze reden is de titel van pijler 1 aangepast naareen meer positieve bewoording over wat het kabinet wil bereiken.47Kamerstukken II 2024/25, 32 279, nr. 263.48Kamerstukken II 2025/26, 32 279, nr. 268.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27141 Voor het kabinet staan de zorgvuldigheid, kwaliteit en toegankelijkheidvan abortuszorg centraal. Vrouwen in Nederland kunnen in vrijheidbeslissen over hun zwangerschap en hebben toegang tot abortuszorg vanhoge kwaliteit. Het kabinetsbeleid richt zich op het behouden van goedeen toegankelijke abortuszorg en op het versterken van de regie vanmensen op hun kinderwens. Het is voor dit kabinet geen doel op zich omhet aantal abortussen te verminderen.Wordt er met deze aanpak nog ingezet op het vergroten van de toegangtot anticonceptie aan kwetsbare groepen, met name door financiëledrempels weg te nemen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.Binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap wordtingezet op het vergroten van de toegang tot anticonceptie. Allereerst doorhet bieden van betrouwbare informatie over anticonceptiemethoden aanverschillende doelgroepen. Via het programma Nu Niet Zwanger wordtondersteuning geboden aan mensen in een kwetsbare positie bij hetmaken van een weloverwogen keuze over hun kinderwens, en het gevenvan opvolging aan die keuze. Wanneer wordt gekozen voor anticonceptie,krijgen mensen hulp bij het organiseren en indien nodig bij het finan-cieren daarvan. Daarnaast kunnen abortusklinieken een deel van huncliënten een aanvullend anticonceptieconsult aanbieden. Dit biedt eenmoment om passende anticonceptie te bespreken en, waar gewenst,direct te starten. De plaatsing van een spiraal na een abortus is kosteloos,en klinieken kunnen aan vrouwen in een meer kwetsbare situatie hetanticonceptiemiddel ook gratis aanbieden.Tot slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie aandacht voor depositie van arbeidsmigranten die onbedoeld zwanger raken. Is deStaatssecretaris bekend in welke mate zij keuzevrijheid hebben om hunzwangerschap uit te dragen? Deze leden kunnen zich voorstellen dat dearbeidspositie, de huisvesting, bekendheid met het zorglandschap en deondersteuningsmogelijkheden er niet aan bijdragen dat de vrouw zich vrijvoelt en daadwerkelijk voldoende weet om de zwangerschap uit tedragen. Is de Staatssecretaris bereid in beeld te brengen hoe hun positieis en hoe preventie en hulpverlening voor hen verbeterd kunnen worden,zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.Het kabinet is bekend met deze zorgelijke signalen. Overigens beperkt dekeuzevrijheid van deze vrouwen zich niet tot een keuze over het al dan nietuitdragen van een zwangerschap. Het gaat er bij deze groep ook om ofmen de vrijheid en mogelijkheden heeft om het kind bij zich te houden enop te voeden, mocht dit de wens zijn. Samen met het Ministerie vanSociale Zaken en Werkgelegenheid, het Ministerie van Justitie enVeiligheid, Fiom en Nu Niet Zwanger, wordt momenteel verkend watnodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten opde behoeften van zwangere arbeidsmigranten.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de stukken enhebben hier nog een aantal vragen en opmerkingen over.De leden van de SP-fractie lezen dat de Staatssecretaris meerjarig wilinzetten op «het promoten van het condoom». Tegelijkertijd weigert hetkabinet al lange tijd om anticonceptie, waaronder condooms, gratisbeschikbaar te maken. Is de Staatssecretaris het ermee eens dat het gratismaken van anticonceptie één van de beste maatregelen is om deze tepromoten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27142 Uit de Monitor Seksuele Gezondheid blijkt dat 2% van de mensen tussende 18 en 49 jaar anticonceptie te duur vindt, onder jongeren is dit 6%.49Kosten lijken daarmee in algemene zin geen dominante reden om geenanticonceptie te gebruiken. De meest genoemde redenen zijn dat vrouwengeen hormonen wil gebruiken, niet zwanger denken te kunnen worden ofjuist zwanger willen worden, last hebben van bijwerkingen van deanticonceptie, of geen risico op zwangerschap lopen (geen seks metmannen). Daarnaast laat onderzoek zien dat het beëindigen van eenrelatie vaak gepaard gaat met het stoppen of wisselen van anticonceptie-methode. Voor vrouwen die geen hormonale anticonceptie willengebruiken of bijwerkingen ervaren, vormen condooms een passendalternatief.Tegelijkertijd zijn er inderdaad aanwijzingen dat juist bij condooms deprijs wel een rol kan spelen. Uit een grootschalig Belgisch onderzoek uit2024 blijkt dat voor 31% van de jongeren de prijs van een condoom eenbelemmering vormt voor gebruik.50 Deze inzichten neemt het kabinet meein de inventarisatie van effectieve interventies om condoomgebruik tebevorderen. De inzet van het kabinet voor de komende jaren richt zich nietuitsluitend op het vergroten van de beschikbaarheid van condooms, maarnadrukkelijk ook op gedragsveranderende interventies die het gebruikstimuleren en drempels wegnemen. In samenwerking met het Ministerievan Algemene Zaken (Dienst Publiek en Communicatie) en een bredegroep stakeholders wordt momenteel verkend welke interventies hiervoorhet meest geschikt zijn, zodat deze vanaf eind 2026 kunnen wordengeïmplementeerd.De leden van de SP-fractie constateren daarnaast dat toegang totabortuszorg slecht is geregeld voor vrouwen zonder verzekering.Abortuszorg is bijvoorbeeld uitgezonderd van de regelingen vooronverzekerden van het CAK. Is de Staatssecretaris bereid om abortuszorgniet langer uit te zonderen van deze regelingen?Abortusbehandelingen worden vergoed voor vrouwen die verzekerd zijnvolgens de Wet langdurige zorg (Wlz). In principe is dit iedereen die vastin Nederland woont of werkt. Abortus valt niet onder de Zorgverzeke-ringswet (Zvw) en wordt daarom vergoed via subsidieregelingen.Voor asielzoekers en Oekraïense vluchtelingen zijn aparte regelingen: deRegeling Medische zorg Asielzoekers (RMA) en de Regeling Medischezorg Oekraïense Ontheemden (RMO). Abortuszorg maakt onderdeel uitvan deze regelingen, dus voor deze groepen is een abortus ook gratis.Medische zorg voor andere onverzekerden wordt vergoed via de RegelingOnverzekerbare Vreemdelingen (OVV) of de Subsidieregeling medischnoodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV). Beide regelingen zijngekoppeld aan het basispakket van de Zvw. Omdat abortus niet in hetbasispakket zit, kan het ook geen onderdeel zijn van de OVV of de SOV.Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de situatie waar deze groepvrouwen zich in bevindt bijzonder lastig is, maar kan deze regelingen ombovengenoemde reden niet uitbreiden. Gelukkig zijn er ook voor dezegroep mogelijkheden om goedkoper of kosteloos abortuszorg teontvangen. Klinieken hebben de mogelijkheid om een lager tarief voor debehandeling te vragen. Ook kunnen klinieken de uit gesubsidieerdeabortuszorg opgebouwde financiële buffers gebruiken voor de behande-49«Monitor Seksuele Gezondheid», RIVM, https://www.rivm.nl/leefstijlmonitor/onderzoeksbeschrijvingen-monitor-seksuele-gezondheid50«Het Groot Condoomonderzoek: condoomgebruik in Vlaanderen», Sensoa, https://www.sensoa.be/het-groot-condoomonderzoek-condoomgebruik-vlaanderenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27143 lingen voor vrouwen die dit zelf niet kunnen bekostigen. Bovendien zijn ermaatschappelijke organisaties die vrouwen helpen met het financierenvan een abortusbehandeling.In dit kader is ook de recente mededeling van de Europese Commissie ophet burgerinitiatief «My Voice My Choice» relevant. De Commissie heeft indeze mededeling verduidelijkt dat EU-lidstaten uit het Europees SociaalFonds Plus (ESF+) kunnen putten om de toegang tot abortuszorg voorvrouwen in kwetsbare situaties te verbeteren. Het ESF+ fonds ligt op hetterrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het isnog onduidelijk of en hoe deze nieuwe financieringsmogelijkheid kanworden benut. De Kamer wordt dit voorjaar nog schriftelijk geïnformeerdover het kabinetsstandpunt over deze mededeling van de EuropeseCommissie.De leden van de SP-fractie vragen aandacht voor de crisis die momenteelbestaat in de kraamzorg. Steeds meer gezinnen krijgen niet meer dekraamzorg die zij nodig hebben, terwijl zorgverleners de sector verlatenvanwege de slechte arbeidsvoorwaarden. Ziet de Staatssecretaris in dat zijmoet ingrijpen om deze crisis op te lossen, omdat het onrealistisch is omte verwachten dat de zorgverzekeraars die deze hebben veroorzaakt dezeook zelf gaan oplossen? Zo ja, wat gaat de Staatssecretaris hieraan doen?Zo nee, waarom denkt de Staatssecretaris dat afwachten hier een goedestrategie zou zijn?Het is van belang dat de toegankelijkheid en continuïteit van de kraamzorggeborgd zijn, zodat zij kan blijven bijdragen aan een goede start voorouder(s) en kind. In de Kamerbrief van 3 maart 202651 heeft het kabinet deKamer, in lijn met de motie van de leden Dobbe en Van Dijk,52 geïnfor-meerd over de maatregelen.Het kabinet herkent dat de toegang tot kraamzorg onder druk staat.Zorgaanbieders en zorgverzekeraars werken daarom samen aan hetverbeteren van de toegankelijkheid en toekomstbestendigheid van dekraamzorg, onder meer via convenanten, een toekomstvisie en eenversnellingsagenda. Daarnaast is een transformatieplan opgesteld,waarvoor € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar is gesteld.De uitdagingen in de kraamzorg maken deel uit van een breder vraagstuk.Een belangrijke sleutel om de krapte het hoofd te bieden, is het realiserenvan passende zorg. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken datpassende zorg de norm wordt. Verder zijn er in het Aanvullend Zorg- enWelzijnsakkoord afspraken gemaakt om het arbeidsmarkttekort tebeperken en de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen. De daarbijingezette instrumenten bieden ook aanknopingspunten voor de kraam-zorgsector. Omdat de huidige instroom van kraamverzorgenden onvol-doende is om de structurele uitstroom te compenseren, zal het kabinet dekomende maanden verkennen of verbeteringen in de opleidingsstructuurkunnen bijdragen aan meer (jonge) instroom.Verder zal, mede op basis van het onderzoek van het ZorginstituutNederland en het RIVM naar verschillen in kraamzorggebruik, vervolgon-derzoek gedaan worden naar de zorgbehoefte van kraamgezinnen enmogelijke drempels in toegankelijkheid. Dit inzicht is namelijk essentieelom te kunnen sturen.51Kamerstukken II 2025/26, 32 279, nr. 270.52Kamerstukken II 2024/25, 29 689, nr. 1309.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 279, nr. 27144
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.