KamerkringInloggen
Kamerstuk

Debat naar aanleiding van algemeen overleggen op 17 april 2011 en 17 mei 2011 over wijzigingen in de asielprocedures

26 mei 2011 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 882fdcfcdeff6944 · officiële bron

Tweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-426AsielproceduresAan de orde is het debat naar aanleiding van algemeenoverleggen op 17 april 2011 en 17 mei 2011 over wijzigin-gen in de asielprocedures.De voorzitter:Ik heet de minister voor Immigratie en Asiel welkom. Despreektijd bedraagt twee uur. De leden kennende, gaatdat beslist lukken.Het woord is aan de heer Voordewind.De heer Voordewind (ChristenUnie):Voorzitter. Wij hebben uitgebreid met de minister van ge-dachten gewisseld over de vraag hoe zijn besluit over deAfghaanse meisjes te interpreteren en over de vraag watde reikwijdte daarvan zou kunnen zijn. Bij mij zijn tweedingen blijven hangen. In de eerste plaats is dat de vraagin hoeverre het besluit van toepassing zou kunnen zijn opSomalische meisjes jonger dan 18 jaar in vergelijkbare si-tuaties als in Afghanistan. De minister heeft gezegd dat ereen moratorium is op het uitzenden van meisjes naar So-malië als er risico's zijn van genitale verminking. Het gaatdan om meisjes jonger dan 12 jaar. Dat staat ook in hetambtsbericht. De motie die ik ga indienen betreft de helegroep meisjes, in vergelijking met Afghaanse meisjes. Ditgaat dan tot 18 jaar.MotieDe Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de regering vanwege de noodzaak totaanpassing, de geïsoleerde positie en de inferieure statusvan vrouwen en meisjes in Afghanistan en de grote psy-chosociale druk die dit op verwesterde meisjes legt eenspecifiek beleid voor deze groep voert;constaterende dat de UNHCR meldt dat in Somalië meis-jes en vrouwen in de door Al Shabaab beheerste gebie-den moeten voldoen aan strenge kledingvoorschriften engedragsregels, dat in Somalië scholen zijn aangevallen,dat vrouwenbesnijdenis een wijdverbreide gewoonte is,dat in landelijke gebieden meisjes al in hun twaalfde le-vensjaar worden uitgehuwelijkt en dat in Somalië de sha-ria actief wordt toegepast;van mening dat de noodzaak tot aanpassing, de geïso-leerde positie en de inferieure status van vrouwen enmeisjes in Somalië net zo ernstig is als, zo niet ernstiger isdan in Afghanistan;verzoekt de regering, ook voor Somalië, waar de shariaactief wordt toegepast, de psychosociale druk voor meis-jes als gevolg van terugkeer, in welk kader tevens de ver-westersing een rol speelt, onderdeel te maken van hetlandgebonden beleid,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind,Gesthuizen en Dibi. Naar mij blijkt, wordt de indiening er-van voldoende ondersteund.Zij krijgt nr. 1422 (19637).De heer Voordewind (ChristenUnie):Mijn tweede motie is bedoeld om meer inzicht te krijgenin de vraag of wij een en ander met betrekking tot Afgha-nistan nu helemaal goed hebben ingekaderd. Ik heb zo-juist een motie ingediend over Somalië. Ik wil meer dui-delijkheid, en daarom pleit ik er in de vorm van een motievoor om te bezien of in andere landen zich soortgelijke si-tuaties voordoen.MotieDe Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de regering vanwege de noodzaak totaanpassing, de geïsoleerde positie en de inferieure statusvan vrouwen en meisjes in Afghanistan en de grote psy-chosociale druk die dit op verwesterde meisjes legt eenspecifiek beleid voor deze groep voert;overwegende dat ook in andere landen waar de sharia ac-tief wordt toegepast, vrouwen en meisjes zich genood-zaakt zien tot aanpassing en deze vrouwen en meisjes eengeïsoleerde positie en een inferieure status hebben, watvoor verwesterde meisjes bij terugkeer een grote psycho-sociale druk met zich mee kan brengen;verzoekt de regering, ook voor dergelijke landen een the-matisch ambtsbericht op te stellen, teneinde te kunnenbeoordelen of ook in deze landen de psychosociale drukvoor meisjes en jonge vrouwen als gevolg van terugkeer,in welk kader tevens de verwestersing een rol speelt, on-derdeel zou moeten uitmaken van het landgebonden be-leid,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Dibien Schouw. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan vol-doende ondersteund.Zij krijgt nr. 1423 (19637).Mevrouw Gesthuizen (SP):Voorzitter. Na het uitgebreide overleg dat wij met ministerLeers hebben gevoerd, blijf ik met een akelig gevoel zit-ten. Ik ben en blijf er namelijk van overtuigd dat, ondankshet feit dat de minister met zijn bericht over Afghaansemeisjes zijn goede wil toont, de huidige situatie vele asiel-zoekers in onzekerheid brengt. De regeling schept name-lijk onduidelijkheid voor asielzoekers en dat is iets wat wijnu juist pertinent niet willen. Ik kan niet anders conclude-ren dan dat er een gezochte oplossing is gekomen voorprobleem dat te veel pers en publiciteit trok. Het ging om GesthuizenTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-43een intelligente jonge vrouw, die in praatprogramma's lietzien dat zij een wezenlijke bijdrage kan leveren aan Ne-derland, als zij tenminste niet wordt teruggestuurd naareen totaal verwoest, gevaarlijk en zeer vrouwonvriendelijkland dat in oorlog is.Er zijn echter veel meer van dat soort jonge vrouwen.Er zijn veel meer van dat soort jonge mensen. Geen land,geen enkel geval en geen enkele situatie is exact hetzelf-de, maar zij kunnen wel in zo'n grote mate overeenkomendat verschillende beslissingen in een asielprocedure on-rechtvaardig en onverklaarbaar zijn, en dus onverdedig-baar.Ik dien zelf geen motie in. Wat ik heb gezegd, is echterwel de reden waarom ik verschillende moties die vandaagzijn ingediend en zullen worden ingediend mee heb on-dertekend.De heer Dibi (GroenLinks):Voorzitter. Ook de fractie van GroenLinks houdt een ake-lig gevoel over aan het debat dat wij met de minister heb-ben gevoerd. De conclusie die wij trekken, is dat de mi-nister niets anders kon doen dan Sahar laten blijven. Hijwilde dat ook, zoals bijna alle Nederlanders dat wilden.De groep Afghaanse meisjes mocht echter niet te grootworden, mede onder invloed van de gedoogpartner. Daar-om is gekozen voor een lelijk politiek compromis dat riektnaar willekeur. Die willekeur wil de fractie van GroenLinkseruit hebben. Daarom dien ik een motie in, met een aan-tal inspirerende citaten uit de beruchte brief van de heerKoppejan en mevrouw Ferrier.MotieDe Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat diegenen die van elders naar Nederlandzijn gekomen, alsmede hun kinderen en kindskindereneen positieve bijdrage kunnen leveren aan onze samenle-ving, mits zij zich daarvoor inzetten en daartoe ook ruim-hartig de kans krijgen;constaterende dat de psychosociale druk die gepaardgaat met aanpassing in het land van herkomst onder-deel is geworden van de afweging voor terugkeer van Af-ghaanse meisjes;overwegende dat de psychosociale druk die gepaard gaatmet aanpassing in het land van herkomst zich niet exclu-sief beperkt tot Afghaanse meisjes;overwegende dat de maatregelen van deze regering erniet toe mogen leiden dat mensen ongelijk behandeldworden;verzoekt de regering, in alle individuele gevallen die vol-doen aan dezelfde specifieke criteria die van toepassingzijn op Afghaanse meisjes, de psychosociale druk die ge-paard gaat met aanpassing in het land van herkomst, tebetrekken bij de afweging voor terugkeer,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Dibi, Schouw,Voordewind en Gesthuizen. Naar mij blijkt, wordt de in-diening ervan voldoende ondersteund.Zij krijgt nr. 1424 (19637).Mevrouw Sterk (CDA):Voorzitter. De minister was klip-en-klaar in het algemeenoverleg: gelijke gevallen moeten gelijk worden behan-deld. De basis daarvoor zijn de ambtsberichten. Indien no-dig zullen door hem bovendien op grond van nieuwe sig-nalen ambtsberichten op thema worden gevraagd. Wijhebben er het volste vertrouwen in dat de minister dat zaldoen, zoals hij dat ook heeft gedaan in de kwestie-Sahar.Toch hechten wij eraan helder te markeren dat dit moetgebeuren op basis van individuele toetsing, zoals wij al-tijd hebben bepleit. Wij zijn dus niet voor een categoriaalbeleid. Juist in die individuele toetsing kan immers eenafweging plaatsvinden over bijvoorbeeld homoseksuelevluchtelingen of jonge jongens. Daarom dien ik een motiein.MotieDe Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat in het asiel- en vreemdelingenbeleid, opbasis van ambtsberichten van het ministerie van Buiten-landse Zaken, nadrukkelijk rekening wordt gehouden metde positie van kwetsbare groepen;overwegende dat het nieuwe beleid inzake Afghaansemeisjes ziet op een specifieke groep met een specifiekprobleem in een specifiek land;overwegende dat de regering heeft aangegeven dat, in-dien er sprake is van een soortgelijke problematiek in an-dere landen, gelijke gevallen gelijk zullen worden behan-deld;verzoekt de regering, daarbij in alle gevallen uit te blijvengaan van individuele toetsing,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Sterk. Naar mijblijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.Zij krijgt nr. 1425 (19637).De heer Dibi (GroenLinks):Afgelopen vrijdag werd in Uitgesproken VARA een voor-beeld gegeven van wat er gebeurt met een gezin dat isuitgezet naar Irak. Je zag dat er sprake was van gedwon-gen huwelijken, aanrandingen op de markt en bomaan-slagen op 30 meter van waar zij zich bevonden. Geldt de-ze regeling nu ook voor Irakese kinderen of moet de mi-nister een nieuw actueel thematisch ambtsbericht opvra-gen? SterkTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-44Mevrouw Sterk (CDA):De heer Dibi vraagt nu wel een beetje het onmogelijkevan mij. Ik heb die uitzending niet gezien, dus ik kan nietbeoordelen wat er precies aan de hand was. Ik kan alleenzeggen wat ik net al heb gezegd, namelijk dat gelijke ge-vallen gelijk moeten worden behandeld. Als in Irak spra-ke is van een soortgelijke situatie, moet dat dus gelden. Inonze ogen heeft de minister dat klip-en-klaar toegezegd.Meer kan ik daar niet over zeggen op dit moment.De heer Dibi (GroenLinks):Dit is precies het probleem. Omdat de regeling zich be-perkt tot Afghanistan, krijgen wij elke keer weer de dis-cussie over het feit dat er in een ander land precies het-zelfde speelt. De heer Voordewind zal mevrouw Sterk mis-schien de situatie in Somalië voor de voeten werpen. Ikzie beelden uit Irak die verschrikkelijk zijn voor kinderendie acht jaar of langer in Nederland wonen. Vertrouwt me-vrouw Sterk erop dat de minister elke keer zelf het initi-atief zal nemen om een ambtsbericht op te vragen? Ofvindt zij, nu de volledige uitzending op 3 juni aanstaan-de zal volgen, dat de Kamer dat aan de minister moet vra-gen? Wij vinden dat de minister in ieder geval voor Iraken Somalië actuele ambtsberichten moet opvragen.Mevrouw Sterk (CDA):Volgens mij verschijnt er sowieso elk halfjaar een nieuwambtsbericht. Ik vertrouw erop, zoals ik heb aangegeven,dat als er nieuwe signalen zijn die het nodig maken dateen nieuw ambtsbericht moet worden aangevraagd, deminister dat ook doet. Dat heeft hij tenslotte ook gedaanin de zaak-Sahar. Ik kan het blijven herhalen, maar zo den-ken wij erover. In onze ogen is Irak op dit moment een an-der land dan Afghanistan. In Irak zijn er plekken die welveilig zijn. Het blijkt dat de situatie in Afghanistan echtvan een andere orde is.De heer Dibi (GroenLinks):De minister heeft op basis van de New York Times beslo-ten een nieuw ambtsbericht aan te vragen, omdat hij te-gengestelde berichten kreeg. Ik wijs op een uitzendingvan Uitgesproken VARA, waarin ook andere informatieover Irak wordt gegeven dan de informatie die het kabinetdaarover verstrekt. Mevrouw Sterk kan de uitzending te-rugkijken en anders de uitzending van 3 juni aanstaandeafwachten. Vindt zij dat als er nieuwe feite boven tafel ko-men over de veiligheidssituatie in Irak, dan hetzelfde geldtvoor Irakese kinderen als voor Afghaanse meisjes?Mevrouw Sterk (CDA):Ik begrijp dat het niet de New York Times, maar de BBCwas; dat misverstand heb ik zelf in de wereld geholpen.Volgens mij was er een botsing tussen wat de UNHCR zeien wat de BBC zei. Dat is een reden om er nog eens naarte kijken. Sowieso liggen aan ambtsberichten altijd sig-nalen van allerlei ngo's en de UNHCR ten grondslag. Ikneem aan dat de minister nieuwe informatie zal vragenals hij daartoe de noodzaak ziet, misschien wel naar aan-leiding van die uitzending.De heer Voordewind (ChristenUnie):Mevrouw Sterk zegt: gelijke monniken, gelijke kappen.Maar dan moeten wij de informatie wel naar boven ziente krijgen. Is zij ook bereid thematische ambtsberichtenop te vragen als wij heel duidelijke signalen krijgen dat desituatie vergelijkbaar is? Ik geef als voorbeeld de informa-tie die wij onlangs van UNHCR over Somalië hebben ge-kregen.Mevrouw Sterk (CDA):Deze discussie heb ik in het overleg uitgebreid gevoerdmet de heer Voordewind. Op dit moment mag iedereenuit Somalië in Nederland blijven omdat er een besluit-en vertrekmoratorium geldt. Bovendien is er in Somaliëeen gebied dat mogelijk een verblijfsalternatief kan zijn.Nogmaals, de situatie in Afghanistan is op dit momentvan een andere orde, zeker voor de groep waar wij het nuover hebben. Ik kan blijven herhalen – ik zeg het dus nogmaar een keer – dat wij vertrouwen hebben in de minis-ter, omdat hij heeft bewezen dat als het nodig is, hij daar-aan conclusies zal verbinden. Dat laat ik op dit momentaan de minister.De heer Voordewind (ChristenUnie):De CDA-fractie legt dus een motie aan de Kamer voor,maar zegt in feite tegen de minister dat hij maar moetzien wat hij met die motie doet, als hij aanleiding ziet omer iets mee te doen. Dat is geen sterk verhaal. De UNH-CR kwam vorige week met heel duidelijke signalen dat desituatie in Somalië vergelijkbaar is met die in Afghanis-tan. Dan moet de minister toch minstens bereid zijn daar-over een thematisch ambtsbericht aan te vragen? Me-vrouw Sterk zegt dat voor Somalië al een vertrekmorato-rium geldt. Ik wijs haar erop dat dit voor Noord-Somaliëniet het geval is en dat het alleen maar geldt voor meis-jes onder de 12 jaar voor zover het genitale verminkingbetreft. Er zit dus nog een gat tussen het beleid dat de mi-nister voert ten aanzien van Afghanistan en het beleid dathij voert ten aanzien van Somalië. Graag ontvangen wijvan mevrouw Sterk een reactie op dit punt.Mevrouw Sterk (CDA):Ik heb zojuist aangegeven dat het een ander land is danAfghanistan, omdat er wel een veilig gebied is. Alleenvoor een bepaalde groep bestaat daar een bepaalde drei-ging. Wij hebben daarvoor echter een beleid in Neder-land. Als men in dit land meldt dat men denkt bedreigd teworden door genitale verminking, of zelfs als men besne-den is, kan men aanspraak maken op een verblijfsvergun-ning. Voor de rest herhaal ik nogmaals dat wij vertrouwenhebben in de minister. Als hij denkt dat het nodig is eenextra ambtsbericht aan te vragen – er komen continu be-richten van organisaties – zal hij dat doen, anders zullendie berichten een plaats krijgen in het ambtsbericht datwij elk halfjaar ontvangen.De heer Spekman (PvdA):Ik ken mevrouw Sterk als iemand die niet zo snel eenoverbodige motie indient, maar in deze motie staat voor-al de tekst die eerder door de minister is uitgesproken.Mijn vraag aan mevrouw Sterk is: wat beoogt u nu eigen-lijk met deze motie?Mevrouw Sterk (CDA):Voorzitter. Zoals ik net heb gezegd, beoog ik ermee aan tegeven dat mijn fractie niet voor categoriaal beleid is. Ik ziede neiging in de Kamer om te zeggen: wij gaan die groepsowieso een verblijfsvergunning geven. Voor mijn frac-tie is cruciaal dat het moet gebeuren op basis van indivi-duele toetsing. Dat wil ik met deze motie nogmaals on-derstrepen. Voor haar is ook cruciaal dat juist de groepenwaarover de Kamer zich zorgen maakt, dus homoseksue- SterkTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-45le vluchtelingen, jonge jongens, maar ook meisjes uit an-dere landen, op basis van die individuele toetsing de mo-gelijkheid krijgen om uiteindelijk een verblijfsvergunningin Nederland te krijgen. Mijn fractie vindt het van belangom in deze discussie, die in Nederland zo gepolariseerdis, duidelijk te maken hoe zij daarin staat.De heer Spekman (PvdA):Nog een keer. Volgens mij schetst u nu gewoon het staan-de beleid, want dit gebeurt in ambtsberichten. Mijn vraagis dus nogmaals: wat beoogt u nu toe te voegen aan hetstaande beleid? Het categoriale beleid wordt afgeschaften is deels al afgeschaft door het vorige kabinet, waaru en ik zelf bij hebben gezeten. Wat voegt dit toe behal-ve een onderstreping van wat de minister heeft gezegd?Waarom hebt u deze motie nodig?Mevrouw Sterk (CDA):Ik vind het belangrijk dat de CDA-fractie in een in Neder-land zo gepolariseerd debat, dat we ook al maanden in deKamer voeren, nog eens uitspreekt hoe zij hierin staat. Ikvind het belangrijk om daarin aan te geven dat mijn frac-tie blij is dat de minister deze keuzes heeft gemaakt, maardat zij het ook van belang vindt dat dit soort dingen opbasis van individuele toetsing blijft gebeuren. In het de-bat in de Kamer heb ik gemerkt dat de oppositie de nei-ging heeft om toe te gaan naar een soort categoriaal be-leid, waarbij wij groepen uit Somalië, maar ook bijvoor-beeld uit Afghanistan of andere landen een verblijfsver-gunning gaan geven vanwege het feit dat zij onderdeelzijn van een bepaalde groep. De CDA-fractie vindt dat ditook juist op basis van een individuele toetsing kan. Datwil ik met deze motie onderstrepen.Mevrouw Gesthuizen (SP):Voorzitter. Ik moet mevrouw Sterk toch echt corrigeren,want dat is niet waar. Zij legt hiermee de schuld bij de op-positie, maar die wil volgens mij maar een ding: helder-heid, duidelijkheid en vooral ook informatie. Een aantalvan de moties die ik heb meeondertekend drukt uit dat wijgraag willen dat de minister laat zien waarom hij over be-paalde landen wel en over andere landen niet een thema-tisch ambtsbericht zou vragen. Ik begrijp niet waarom erde hele tijd een kronkeling is om er maar onderuit te ko-men dat er over nog meer landen een thematisch ambts-bericht kan worden aangevraagd.Mevrouw Sterk (CDA):Voorzitter. Ik begrijp niet helemaal wat mevrouwGesthuizen met dat laatste bedoelt.De voorzitter:U wilt een verheldering? Kunt u dat in een vorm van eenvraag gieten?Mevrouw Gesthuizen (SP):Voorzitter. Ik vraag mevrouw Sterk waar nu die kronke-ling vandaan komt om telkens maar te zeggen: wij willenvan al die andere landen eigenlijk liever niet weten watdaar precies aan de hand is, want dan hoeven we een enander niet met elkaar te vergelijken, terwijl de oppositiezegt: willen we het echt met elkaar kunnen vergelijken,dan moet er over een aantal andere landen een thema-tisch ambtsbericht gevraagd worden.Mevrouw Sterk (CDA):Voorzitter. Dit is er nu precies een illustratie van dat ie-dereen zijn eigen interpretatie van het debat heeft en vanwat daarin wordt gezegd. Ik zie geen enkele kronkeling inwat mijn fractie zegt. Zij zegt alleen dat zij er vertrouwenin heeft dat er, zo nodig, omdat de signalen zo dringendzijn, een thematisch ambtsbericht wordt gevraagd. Dat isook gebeurd in de zaak-Sahar. Ook wil mijn fractie dat ersowieso elk halfjaar een ambtsbericht wordt gevraagd. Ikzie niet in wat de kronkeling is. Dat is de interpretatie vanmevrouw Gesthuizen, hetgeen weer aangeeft dat ieder-een op zijn eigen manier in debat staat. Daarbij wil ik heteerlijk gezegd laten.Mevrouw Gesthuizen (SP):Voorzitter. Het is mooi als mevrouw Sterk iedereen zijn ei-gen interpretatie laat hebben. Laat zij dan ook iedereenzijn eigen woorden laten kiezen. Ik heb niet gepleit voorcategoriaal beleid. Dat doe ik bij dezen ook niet. Ik wilgraag informatie. Bovendien zie ik het CDA wel degelijkkronkelen en daarmee dus eigenlijk zeggen: wij willen hetgewoon niet weten, want dan worden we ook niet voormoeilijke beslissingen gesteld.De voorzitter:Dat lijkt mij een mededeling.Mevrouw Sterk (CDA):Maar ik wil tot slot opmerken dat mijn fractie er wel be-hoefte aan heeft om alles te weten als er reden is om be-leid aan te passen. Zij heeft er alleen vertrouwen in dat deminister het ons wil laten weten en dat de minister inder-daad zo'n ambtsbericht zal aanvragen. Sterker nog: wijhebben er vertrouwen in op basis van wat er in het ver-leden is gebeurd. De reden waarom wij hier nu zo overspreken is dat de minister dat extra ambtsbericht heeftgevraagd omdat er tegenstrijdige signalen waren. Dat lijktmij duidelijk. Zo denkt het CDA erover.De heer Spekman (PvdA):Voorzitter. Voor ik mijn moties indien, maak ik enkele op-merkingen vooraf. Ik wil nogmaals zeggen dat ik heel ge-lukkig ben dat Sahar en een aantal andere Afghaansemeiden hier mogen blijven met hun familieleden, dus methun broertjes, zusjes en ouders. Daar ben ik echt bijzon-der dankbaar voor. Ik complimenteer de minister met ditbesluit. Dat dit besluit anders misschien was afgedwon-gen door de rechter doet er niets aan af dat de ministerdit besluit heeft genomen en dat dit goed is voor dezegroep.Dit besluit is niet mijn besluit. Ik ben voor een heel an-dere koers. Dat heb ik hier meerdere malen uitgesproken.Daarom ben ik ook met collega Voordewind een wets-voorstel aan het schrijven met het volgende uitgangs-punt. Als kinderen hier al heel lang zijn en dat ligt medeaan een falende overheid, dan moeten wij de knoop door-hakken ten faveure van die kinderen. Dat betekent dat diekinderen hier mogen blijven. Het maakt niet uit of het eenjongetje is of een meisje. Het maakt ook niet uit of ze uitSomalië of uit Irak komen.Ik heb grote zorg naar aanleiding van de discussie overAfghanistan en deze regeling. Ik maak mij zorgen over demeiden die net iets ouder zijn. De minister heeft in het de-bat gezegd dat het wel een hard criterium is, maar ook SpekmanTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-46niet weer niet snoeihard. Het houdt niet meteen op bij degrens van 18 jaar, maar die grens mag ook wel iets over-schreden worden. Als je het ambtsbericht goed leest, zieje dat als je net meerderjarig bent je nog steeds hetzelfdegrote risico loopt dat je lijdt onder de grote psychosocialedruk. Vandaar de volgende motie.MotieDe Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het beleid voor verwesterde Afghaansekinderen geldt voor meisjes tussen de 8 en 18 jaar;overwegende dat de regering heeft aangegeven dat deleeftijdsgrens niet keihard is en dat er altijd een brede in-dividuele toetsing plaatsvindt;van mening dat uit het thema-ambtsbericht over Afgha-nistan blijkt dat ook net meerderjarige verwesterde meis-jes te maken kunnen krijgen met zware intimidatie en psy-chosociale druk tot aanpassing;verzoekt de regering om bij de uitvoering van het be-leid voor verwesterde Afghaanse kinderen aan het risicoop het ondergaan van onevenredige psychosociale druken het verliezen van de identiteit en het privéleven eenzwaarwegend belang toe te kennen in de beoordeling vanverblijfsaanvragen van verwesterde Afghaanse meisjesvan 18 tot 21 jaar die langer dan acht jaar in Nederlandverblijven,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Spekman,Gesthuizen, Dibi en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt deindiening ervan voldoende ondersteund.Zij krijgt nr. 1426 (19637).De heer Spekman (PvdA):Mijn volgende motie gaat over het tweede deel van hetdebat, namelijk de bewijslast.MotieDe Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de regering voornemens is, de bewijs-last voor vluchtelingen te verzwaren door henzelf aanne-melijk te laten maken dat zij geen binnenlands vluchtalter-natief hebben;overwegende dat Nederland met dit voorstel het risiconeemt dat vluchtelingen van wie is vastgesteld dat zij tevrezen hebben voor vervolging in hun land van herkomst,maar niet kunnen bewijzen dat zij nergens anders naartoehadden kunnen vluchten, worden uitgezet naar een landwaar zij vervolgd worden;van mening dat dit in individuele zaken strijd met men-senrechten kan opleveren en daarmee kan leiden tot eentoename van nieuwe aanvragen en beroepsprocedures;verzoekt de regering om bij de ex ante uitvoeringstoetsover het plan van de regering om de bewijslast van vluch-telingen te verzwaren, te betrekken in welke mate dat plankan leiden tot een toename van nieuwe verblijfs- en be-roepsprocedures en tot een toename van klachtprocedu-res bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens;verzoekt de regering tevens om in het kader van deze exante uitvoeringstoets te onderzoeken of de asielzoekervoldoende toegerust is om het wel of niet bestaan vaneen verblijfsalternatief te kunnen beoordelen, en of de Im-migratie- en Naturalisatiedienst (IND) vanwege zijn uitge-breide deskundigheid en landenkennis niet beter geschiktis om die beoordeling uit te voeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Spekman,Gesthuizen, Dibi en Voordewind. Naar mij blijkt, wordt deindiening ervan voldoende ondersteund.Zij krijgt nr. 1427 (19637).Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):Voorzitter. De collega's hebben al gememoreerd dat wijhier in twee vergaderingen uitgebreid over gesprokenhebben. Voor de fractie van de VVD was daarbij ontzet-tend belangrijk – en dit was ook de hoofdtitel van het de-bat – om te komen tot verkorting en versnelling van pro-cedures en vooral ook om een einde te maken aan sta-peling van procedures. Wij zijn er echt van overtuigd datdaar op volle kracht op doorgepakt moet worden om dis-cussies over verwestering en dergelijke in de toekomst tevoorkomen.Het is ook belangrijk om te vermelden dat de VVD hetgoed vindt dat niet opnieuw is gekozen voor de invoeringvan een categoriaal beleid. De zorgvuldige individueletoetsing is overeind gebleven. Gevallen zijn immers bij-na nooit gelijk. Verwestering op zich is geen verblijfstitelgeworden. Het gaat juist om de combinatie met een one-venredige psychosociale druk. Afgewogen met alle ande-re factoren kan die in bepaalde gevallen tot verblijfsrechtleiden. Sahar is daar het meest bekende voorbeeld van.Ik wil graag het pleidooi van mevrouw Sterk in die zinsteunen dat ook wij zeer hechten aan een zorgvuldige in-dividuele toetsing en ook wij niet aan categoriaal beleidwillen beginnen.De voorzitter:Ik zie dat de minister in staat en bereid is om meteen teantwoorden.Ik wil met de collega's maximaal drie interrupties perpersoon afspreken, aangezien wij hier om 18.30 uur aaneen ander debat beginnen. Anders redden wij dat niet.Minister Leers:Voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden zeer, nietalleen voor de inbreng van nu maar ook voor de intege- LeersTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-47re wijze waarop wij samen zijn opgetrokken in dit lastigedossier, al was het af en toe moeilijk. Het is een lastig dos-sier, waarin wij aan de ene kant wilden voldoen aan desituatie waarin meerdere meisjes zich bevinden, en aande andere kant niet in een situatie terecht wilden komenwaarin één gezicht dat in de media actief was, wel eenkans kreeg en andere niet.Wij hebben ruim overlegd. Wij hebben vijf uur met el-kaar gesproken. Ik heb omstandig uitgelegd dat het watmij betreft, gaat om specifiek beleid voor een specifiekegroep gebaseerd op – dat meen ik uit de grond van mijnhart – een specifieke situatie in het land van herkomst.Dat beleid voor Afghaanse meisjes heb ik geschreven inde overtuiging dat de situatie van die meisjes buitenge-woon is en dat in het bestaande beleid onvoldoende mo-gelijkheden bestonden om rekening te houden met dezesituatie. Ik ben daar uitgebreid op ingegaan. Ik wil dat nuniet allemaal overdoen.In het beleid voor deze Afghaanse meisjes speelt hetlange verblijf in Nederland een rol. Dat is een van de ele-menten die wij erbij betrokken hebben. Ik heb dat een rollaten spelen omdat deze meisjes straks na terugkeer enna aanpassing in een ontzettend moeilijke en kwetsbarepositie verkeren. De druk tot aanpassing is buitensporiggroot en uitzonderlijk in Afghanistan. Ik wil het nog éénkeer zeggen, maar wellicht kunnen wij elkaar niet overtui-gen: dat is geen vorm van willekeur maar een vorm vanlandenspecifiek beleid. Ik ben het helemaal eens met me-vrouw Van Nieuwenhuizen, die terecht stelde: individueletoetsing, geen categoriaal beleid. Dat is in een notendopde kern van dit beleid.Dank voor alle moties die zijn ingediend. Ik begin metde motie-Voordewind op stuk nr. 1422 over Somalië, me-de ingediend namens mevrouw Gesthuizen en de heerDibi. Ik begrijp dat er zorgen zijn over de situatie in Soma-lië. Die zorgen heb ik ook. Toch ontraad ik deze motie. Desituatie in Somalië is namelijk geheel anders dan die inAfghanistan. Er is geen sprake van een gelijke situatie. InSomalië verschilt de veiligheidssituatie in de verschillen-de delen van het land. In een deel van het land is de alge-mene veiligheidssituatie bijzonder ernstig, maar in anderedelen is die minder ernstig. Voor die specifieke situatie inSomalië hebben wij al specifiek beleid. Zo is in het speci-fieke beleid voor Somalische asielzoekers opgenomen datvan meisjes die het risico lopen op besnijdenis, niet wordtverwacht dat ze eerst om bescherming vragen bij de lo-kale Somalische autoriteiten. Op basis van het bestaandebeleid, dat dus ook specifiek beleid is, komen ze al snel inaanmerking voor een asielvergunning.Daarnaast is in dit specifieke beleid voor Somalischeasielzoekers de situatie in Mogadishu gekwalificeerd alseen uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c. Datweet u, mijnheer Voordewind, via u, voorzitter. Ik weet datik mij altijd tot de voorzitter moet wenden. Ik mag een lidniet rechtstreeks aanspreken.De voorzitter:Uw zelfcorrigerend vermogen is prima.Minister Leers:Dank u zeer. Ik heb dat inmiddels ook geleerd. Artikel 15cis daarbij aan de orde. Dat is een stevige beschermings-grond in onze asielprocedure. Voor heel zuid- en cen-traal-Somalië geldt een vertrekmoratorium, zoals de Ka-mer bekend is. Er vindt momenteel geen terugkeer plaatsdaar naartoe. Met die maatregelen kan mijns inziens involdoende mate recht worden gedaan aan de specifiekesituatie in Somalië. Er is geen aanleiding om nu tot aan-vullend beleid over te gaan, gelijkend op Afghanistan. De-ze motie ontraad ik dus.De heer Voordewind (ChristenUnie):Het klopt dat in het ambtsbericht staat dat er geen uitzet-ting uitgevoerd zal worden als er een groot risico is op ge-nitale verminking. Daar staat een leeftijd bij, namelijk tot12 jaar. In het geval van Afghanistan laat de minister deregeling van toepassing zijn tot 18 jaar. Kunnen we datniet gelijktrekken?Minister Leers:Dat is een nieuw element. Ik wil daar eens naar kijken. Ikken niet precies de achtergronden waarom wij ons be-perkt hebben tot die leeftijdscategorie. Ik zeg dit niet toe,maar ik ben wel bereid om daarnaar te kijken.Voorzitter. Ik kom bij de motie-Voordewind c.s. op stuknr. 1423, waarin de regering wordt verzocht om een the-matisch ambtsbericht op te stellen om de positie van ver-westerde meisjes en jongens beter te kunnen beoordelen.Ik wil het beeld wegnemen dat het feit dat we bijzonderbeleid hebben voor één specifieke groep, erop zou dui-den dat we geen zorgvuldig asielbeleid hebben als er nietergens een thematisch ambtsbericht aan ten grondslagligt. Ik ben het daar niet mee eens. Ik heb al vaker gezegddat er periodiek algemene ambtsberichten verschijnenover belangrijke asiellanden als Somalië, Irak en Iran. Indie ambtsberichten wordt de positie van vrouwen en min-derjarigen van de kwetsbare groepen al belicht. Op ba-sis van die ambtsberichten kan ik tot goede beleidskeuzeskomen waarbij ik ook recht kan doen aan specifieke om-standigheden. Als die aanleiding er is, zal ik niet dralenom nadere informatie te vragen. Voor andere landen zieik echter op dit moment geen aanleiding om informatiete vragen over de positie van verwesterde meisjes na te-rugkeer. Natuurlijk kunnen er bijzondere omstandighedenzijn. Dan zal ik zeker het initiatief nemen om ook in die ge-vallen aanvullende ambtsberichten op te vragen. Maar opdit moment zie ik niet hoe het landgebonden beleid voorAfghanistan nu aanleiding is om dat voor andere landenmeteen ook te gaan doen.De heer Voordewind (ChristenUnie):Het klopt dat de ambtsberichten hier voorheen aandachtaan hebben besteed. Daarbij werd altijd uitgegaan van ar-tikel 3 EVRM, namelijk de veiligheidspositie van de meis-jes of de vrouwen. Inmiddels heeft het kabinet het beleidgewijzigd en verbreed. De minister gaat er daarbij nietalleen van uit dat het om een veiligheidsprobleem zoumoeten kunnen gaan, maar ook de term "psychosocialedruk" is geïntroduceerd. Daarom vraag ik de minister, nuhij zelf deze nieuwe maatregel heeft voorgesteld, of ditelement, de psychosociale druk op de meisjes, meegeno-men kan worden in nieuwe ambtsberichten, nog even losvan de veiligheidssituatie. Als de minister dat kan toezeg-gen, kan ik de motie gewoon intrekken, want dan neemthij dat gewoon mee in de nieuwe ambtsberichten.Minister Leers:Ik denk niet dat we dit zo moeten doen. De situatie in Af-ghanistan was zodanig dat er bij terugkeer – daar heb-ben we het over – in bijzondere omstandigheden een zo-danige onevenredige psychosociale druk kan ontstaan,dat we die moeten meewegen. Daar had ik aanwijzingen LeersTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-48voor, althans daar waren tegengestelde berichten over.Dat heb ik destijds verwoord in het nieuwe beleid op ba-sis van een thematisch ambtsbericht. In principe ga ik ernog steeds van uit dat iemand die uitgeprocedeerd is, te-rug moet gaan en zich moet aanpassen. Ik heb in het de-bat met de Kamer gezegd: dat is nooit leuk, maar het iswel de lijn. Als het asielverhaal van iemand onvoldoen-de is bevonden en is gezegd dat hij niet kan blijven, moetdiegene terug en moet diegene zich aanpassen, hoezeerde omstandigheden daar ook anders zijn. Voordat ik daarde psychosociale druk in kan meenemen, moet ik wel eenaanwijzing hebben dat het een situatie betreft die zodanigzou zijn dat het tot onevenredigheid leidt.De heer Voordewind (ChristenUnie):De minister krijgt die aanwijzing niet als hij dat elementniet meeneemt in zijn ambtsberichten. Wanneer hij datwel meeneemt, ook in de verschillende rapporten die hijbetrekt bij het ambtsbericht en hij vraagt aan de ambassa-de in het betreffende land om ook hiernaar te kijken, dankunnen we ja of nee zeggen op de vraag of de regel vantoepassing is.Minister Leers:Dat is de verkeerde volgorde. Men dient terug te gaan,maar er kan blijken dat de omstandigheden in het landvan herkomst zodanig zijn dat sprake is van psychosoci-ale druk. Dat gaf dat ambtsbericht aan. Dan moet ik nietin elk ambtsbericht psychosociale druk als uitgangspuntstellen. Als er aanwijzingen zijn dat er in een land een ont-wikkeling gaande is of heeft plaatsgevonden die zoda-nig is dat er van verschillende kanten op gewezen wordtdat het een ernstige situatie zou kunnen zijn, ook voor de-genen die nog moeten terugkeren, dan zal ik niet dralendaar nadere informatie over te vragen. Dat heb ik al eer-der gezegd, ook in dit debat. Ik ben echter niet van planop voorhand in elk ambtsbericht of in elke afweging psy-chosociale druk als een zelfstandig element meenemen.De heer Dibi (GroenLinks):Het was een politiek besluit om een nieuw actueel the-matisch ambtsbericht te vragen. De situatie van school-gaande Afghaanse meisjes is in de loop van dit jaar ofvorig jaar echt niet wezenlijk anders geworden dan inde jaren daarvoor. Wat is volgens de minister nodig omdat te doen? Hij zegt zelf dat in de ambtsberichten allangmelding wordt gemaakt van vrouwen en minderjarigen.Dus ik ben op zoek naar het moment waarop de ministerdacht: en nu moet ik een nieuw bericht vragen. Mijn eer-ste vraag is dan: was het op basis van The New York Ti-mes of op basis van de BBC?Minister Leers:De heer Dibi brengt een volkomen verkeerde sfeer in de-ze discussie. Dat komt vooral doordat hij begint te zeggendat dit een politiek besluit was. Dat was het namelijk niet.Het was een bestuurlijk besluit; een besluit uit zorgvuldig-heid genomen, omdat er tegengestelde signalen warenover de situatie in Afghanistan. In een dergelijke situatiekan ik geen algemene afweging maken in het beleid tenaanzien van asiel. Om die reden heb ik daar zelfstandigtoe besloten, nog zelfs voordat er überhaupt sprake wasvan een uitspraak van een rechter.De heer Dibi (GroenLinks):Het regent tegenstrijdige berichten. Dat is altijd al zo bijambtsberichten. Er is altijd wel een organisatie of eenjournalist die een ander oordeel velt over de veiligheidssi-tuatie in een land dan in een ambtsbericht wordt gedaan.Ik stelde de vraag of de minister het bestuurlijke besluitheeft genomen op basis van The New York Times of opbasis van de BBC.Minister Leers:Ik zal nog één keer mijn best doen. Het is onzin om te zeg-gen dat een ambtsbericht altijd vol staat met tegenstrij-digheden. Dat is onzin. Een ambtsbericht geeft de actuelesituatie weer op het gebied van veiligheid, op het gebiedvan de maatschappelijke ontwikkelingen en op het gebiedvan "van alles en nog wat" in zo'n land. Die ontwikkelin-gen gebruik ik als een integer toetsingskader voor het be-leid om over te gaan tot asielverlening of tot uitzetting. Erkunnen tegenstrijdige berichten zijn over de ontwikkelin-gen in een land. En dat was het geval. Er was een berichtdat de Taliban wel de mogelijkheid zou creëren om meis-jes meer naar scholen te laten gaan en er was een berichtdat het juist de andere kant opging. Het was een zodani-ge structuurontwikkeling dat ik het noodzakelijk vond omdaar helderheid over te krijgen. Dat is gebeurd en niet watde heer Dibi suggereert.De voorzitter:De heer Dibi, heel kort.De heer Dibi (GroenLinks):Heel kort voor de derde keer, want ik heb geen antwoordgekregen op mijn vraag. Kwam het bericht uit The NewYork Times of van de BBC? Ik krijg nu tegenstrijdige be-richten over de situatie in Irak. Het gaat onder andere omeen gezin dat door deze minister is uitgezet. Kan de uit-zending van 3 juni van Uitgesproken VARA waarin de situ-atie daar opnieuw wordt beschreven aanleiding zijn vooreen nieuw thematisch ambtsbericht voor de minister enmogelijk een heroverweging van beleid? Dus twee vra-gen: New York Times of BBC en kan Uitgesproken VARAook aanleiding zijn voor een wijziging van beleid?De voorzitter:Dat is helder.Minister Leers:Voor mij is het niet helder. Ik ga hier niet aangeven of hetThe New York Times of de BBC was. Ik heb daar geenvoorkeur in. Ik heb gewoon vastgesteld dat er verschillen-de berichten bestaan.Er zijn vele internationale organisaties die hun opvat-ting hebben over de ontwikkelingen in bepaalde landen.Die opvattingen gebruiken wij bij het beoordelen van desituatie en om te bekijken of het noodzakelijk is om te ko-men tot een herijking van het beleid. Ik heb vanmiddagnog gesproken met Unicef. Ik heb Unicef uitgenodigd ommij op actuele ontwikkelingen in een land te wijzen, zodatik die kan betrekken bij de verdere uitwerking van het be-leid en ik Buitenlandse Zaken kan verzoeken om daarop inte gaan.Mijnheer Dibi, u liep weg terwijl ik tegen u aan het pra-ten was.De voorzitter:Ik zie de heer Spekman bij de interruptiemicrofoon staan. LeersTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-49De heer Dibi (GroenLinks):Voorzitter, ik stelde een andere vraag. Ik wil daar graageen antwoord op, want het is een belangrijk punt.De voorzitter:Mijnheer Dibi, u hebt van de minister een antwoord ge-kregen. Dat antwoord vindt u niet bevredigend, maar uzult het er wel mee moeten doen. Mij blijkt dat de heerSpekman een aanvullende vraag heeft.De heer Spekman (PvdA):Ik wil nog ingaan op de systematiek van de ambtsberich-ten. Ik heb alle ambtsberichten weer eens bekeken, ookdie over Irak, Somalië en Iran. In de meeste ambtsberich-ten wordt gesproken over bijvoorbeeld minderheidsgroe-pen, homo's en een aantal geloofsgroepen. Vaak komt hetonderwerp vrouwen in de ambtsberichten terug. Wie be-paalt welke groepen worden opgenomen in een ambtsbe-richt?Minister Leers:Ik heb ook tijdens het debat gezegd dat ik eraan hecht dateen ambtsbericht zo objectief en compleet mogelijk is.Het ministerie van Buitenlandse Zaken stelt de ambtsbe-richten op. Dat doet zij op basis van openbare bronnenen informatie van organisaties en instellingen. Daarmeewordt een zo goed mogelijk beeld verkregen van de actu-ele situatie en ontwikkeling in een land. Hierbij zullen allefacetten worden betrokken, ook de facetten waar de heerSpekman aan denkt.De heer Spekman (PvdA):Kan minister Leers zich voorstellen dat, als niet wordt ge-vraagd om expliciet op een bepaalde groep te letten, erook niet naar wordt gekeken? Ooit werd in een aantal lan-den helemaal niet gekeken naar de situatie van homosek-suelen. Tegenwoordig wordt hier terecht wel naar geke-ken; dat heeft consequenties voor het beleid. Op enig mo-ment kan er ineens iets gebeuren waardoor we vindendat wij in allerlei landen toch eens moeten gaan navragenhoe de situatie van die groep is. Herkent de minister datdit aan de orde is, bijvoorbeeld bij de situatie van homo-seksuelen?Minister Leers:Zeker. Dit is precies aan de orde wat betreft Afghanis-tan. Ik heb om een thematisch ambtsbericht hierover ge-vraagd. Niet het hele ambtsbericht over Afghanistan moetworden gewijzigd of herijkt, maar alleen het thema "depositie van schoolgaande meisjes". Daar is nader om ge-vraagd. Dat zou ik mij ook kunnen voorstellen bij anderethema's.De heer Spekman (PvdA):Ik begrijp dat wij op een gegeven moment andere vragenhebben gesteld bij de ambtsberichten. Dit is onder andereinzake homoseksuelen gebeurd in een aantal landen, ookop het moment dat er nog geen overduidelijke aanwijzin-gen waren. Op welk moment acht de minister het denk-baar dat hij zich ook gaat verdiepen in de situatie van bij-voorbeeld minderheidsgroepen of meisjes in andere lan-den? Dat is bij ambtsberichten op enig moment wel dege-lijk ook gebeurd inzake andere groepen in allerlei landen.Daarbij konden wij ook niet op voorhand zeggen of zichvoor hen een probleem voordeed, maar daar hadden wijwel min of meer aanwijzingen voor. De homoseksuelenzijn daar echt een goed voorbeeld van.Minister Leers:Ik zal het nog een keer zeggen, maar ik denk dat het deheer Spekman duidelijk is.Ik hecht er zeer aan dat de ambtsberichten objectief zijnen niet vanuit een bepaalde denkrichting zijn opgesteld. Ikhecht daarom ook zeer aan de eigen verantwoordelijkheidvan het ministerie van Buitenlandse Zaken op dit terrein.Ik stel het ministerie van Buitenlandse Zaken vragen overeen bepaalde ontwikkeling, en wel op basis van "terms ofreference". Dat moet niet door mij zijn geïnstigeerd. Uit-eindelijk heeft Buitenlandse Zaken daarbij een eigen ver-antwoordelijkheid. Ik kan mij wel voorstellen dat ik op ba-sis van indicaties – bijvoorbeeld door de berichtgeving ofop basis van ontwikkelingen die door grote internationa-le hulporganisaties worden voorzien – aan BuitenlandseZaken vraag om een nadere verdieping van een bepaaldthema. Ik sluit niet uit dat dit in de toekomst kan gebeu-ren.De voorzitter:Ik stel voor dat wij verdergaan met de bespreking van demotieMinister Leers:Dat wil ik graag doen, voorzitter.De motie op stuk nr. 19637, nr. 1424, die is ingedienddoor de heer Dibi en is meeondertekend door de ledenSchouw, Voordewind en Gesthuizen, wil ik ontraden. Hetuitgangspunt is dat bij afwijzing terugkeer aan de ordeis. Ik heb dat zo-even ook al gezegd. Men zal zich moetenaanpassen. In het beleid inzake Afghanistan heb ik daar-op voor minderjarige meisjes in individuele gevallen eenuitzondering gemaakt. Dat is gelegen in de afzonderlijkesituatie in Afghanistan. Een vergelijkbare situatie is naarmijn mening in andere landen niet aan de orde. Ik ontraaddaarom deze motie.De heer Dibi (GroenLinks):Deze motie probeert ervoor te zorgen dat elk ander kinddat voldoet aan precies dezelfde specifieke criteria alsschoolgaande Afghaanse meisjes, op eenzelfde behande-ling kan rekenen van de overheid. Ik kan mij niet voorstel-len waarom de minister dat zou willen ontraden, omdatdit volgens mij juist afstand neemt van willekeur.Minister Leers:Ja, u wilt alles gelijktrekken en alles met hetzelfde per-spectief bekijken, maar de situatie in Afghanistan is nueenmaal een uitzonderlijke situatie. Naar mijn overtuigingis deze anders dan die in andere landen. Om die redenheb ik daarvoor dat specifieke beleid ontwikkeld.De heer Dibi (GroenLinks):Het klopt dat de situatie in Afghanistan anders is dan inandere landen, maar daar gaat deze motie niet over endat is ook niet het beleid van deze minister. Deze ministerheeft een nieuw criterium geïntroduceerd, namelijk psy-chosociale druk die gepaard gaat met aanpassing in hetland van herkomst. Dat feit kan onderdeel worden van deafweging voor terugkeer, maar dat feit geldt niet alleenvoor Afghaanse kinderen. Dat geldt voor heel veel ande-re kinderen, in heel veel andere landen. Ik noem als voor-beeld Saudi-Arabië. Mijn oproep, die gedeeld wordt door LeersTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-50de woordvoerders van enkele andere fracties, is om er-voor te zorgen dat de afweging inzake psychosociale drukwaarvan nu sprake is bij het beleid voor Afghaanse meis-jes, voor iedereen geldt. Dan is er wel een individuele af-weging, dus geen categoriaal beleid, maar dan wegen wedat mee voor elk kind dat aan dezelfde criteria voldoet.Minister Leers:Nee, ik heb zo-even ook al uitgelegd dat het uitgangspuntniet is de psychosociale druk alleen, maar het teruggaanen zich weer aanpassen aan het land van herkomst. Datis het uitgangspunt in het algemeen en daar blijf ik vanuitgaan. We hebben in Nederland een zorgvuldige pro-cedure. Ik heb de heer Dibi toen met enige trots vertelddat deze volgens mij een van de beste is van Europa. Deheer Dibi moest lachen toen ik eraan toevoegde: zelfs wel-licht in de wereld. Dat meen ik uit de grond van mijn hart.Wij zijn zorgvuldig. Wij kijken goed en dan vallen er men-sen af die helaas geen asielvergunning krijgen; wiens ver-haal te dun is. Zij moeten terug en bij dat teruggaan magje verwachten dat men zich weer aanpast aan de situatie.Asielbeleid kan nooit bedoeld zijn om tot ontplooiing tekomen. Men zal terug moeten en bij dat teruggaan naarAfghanistan heb ik geoordeeld dat er een uitzonderlijkesituatie aan de orde is, die voor sommige groepen tot eenzodanige psychosociale druk kan leiden dat het niet even-redig is. De heer Dibi wil het element psychosociale druknu als een generiek element introduceren, maar dat benik niet van plan.De heer Dibi (GroenLinks):We hebben inderdaad redelijk zorgvuldig beleid, maar datwordt nu wel een stuk onzorgvuldiger dankzij deze minis-ter en dankzij de gedoogpartner. Mijn concrete vraag is ofeen ander kind dan een Afghaans kind, bijvoorbeeld eenIrakees kind, ook psychosociale druk kan ervaren bij aan-passing in het land van herkomst. Is dat denkbaar voor deminister of niet?Minister Leers:Maar zeker. Ik heb u gezegd dat zelfs u psychosociale drukkunt ervaren als gevolg van mijn optreden. Ook dat isdenkbaar. Het debat gaat over de vraag hoe je daarmeeomgaat en hoe je dat element in die uitzonderlijke situatieweegt. Er is een bijzondere situatie voor een bijzonderegroep in een bijzonder land aan de orde. Daar heb ik eenoplossing voor gevonden. Daarom ben ik het niet met ueens dat deze afbreuk doet aan het asielbeleid. Dat wordterdoor versterkt.Voorzitter. De motie-Sterk op stuk nr. 1425 vraagt mijom gelijke gevallen gelijk te behandelen. Dat is natuurlijkeen belangrijke vraag, waar ik overigens bij het overlegreeds ja op heb gezegd. Ik heb toen uitgebreid uitgelegddat naar mijn mening gelijke gevallen gelijk worden be-handeld, maar dat dit zich op dit moment niet voordoetin die uitzonderlijke situatie die ik onder ogen heb gezien.De positie van verwesterde Afghaanse meisjes is wat mijbetreft niet dezelfde als die van andere verwesterde groe-peringen. Het betreft een groep met een naar mijn over-tuiging echt te onderscheiden positie; vandaar specifiekbeleid voor een specifieke groep. Ik zeg zonder meer toedat ik hetzelfde soort beleid zal maken als daar aanleidingtoe is. Met andere woorden, de voorgelegde motie zie ikals een ondersteuning, maar ik laat graag het oordeel aande Kamer over.Dan kom ik bij de motie-Spekman c.s. op stuk nr. 1426,die mede is ingediend namens mevrouw Gesthuizen, deheer Dibi en de heer Voordewind. Ik moet wel uitkijken,want ik weet dat de heer Spekman bezig is met zijn initia-tiefwetsvoorstel. Ik waardeer zijn inzet en het feit dat wijop dit punt stevig de degens hebben gekruist. Ik zie ookde enorme betrokkenheid van de heer Spekman bij de-ze belangrijke zaak. Ik snap dat hij daarom zegt dat de be-leidswijziging niet beperkt moet worden tot meisjes tot18 jaar, maar dat ook de leeftijdscategorie tot 21 jaar erbijmoet worden betrokken. Ook deze meisjes hebben mo-gelijkerwijs een onevenredige psychosociale druk te ver-werken en verliezen hun identiteit en privéleven. Het pro-bleem is echter – dat heb ik ook tijdens het debat gezegd– dat iedere keuze haar begrenzing heeft. Iedere keuzeleidt weer tot nieuwe discussies. Het noemen van nieu-we leeftijdsgrenzen, zoals de heer Spekman doet, zal naarmijn overtuiging weer leiden tot nieuwe afbakeningen ennieuwe discussies over vrouwen die daar weer net bui-ten vallen. Daarom heb ik al eerder tegen de heer Spek-man gezegd – ik wil dat nog een keer bevestigen – dat erin onze afweging bij individuele gevallen ruimte zit omte concluderen dat een meisje dat net boven of net on-der die leeftijdsgrens zit niet per definitie wordt uitgeslo-ten van het beleid. Ik zeg er wel bij dat de andere elemen-ten dan zwaarder zullen tellen. Bij het niet halen van deleeftijdsgrens zal de bewijslast ten aanzien van de andereomstandigheden zwaarder worden meegerekend. Daartoeben ik bereid, maar wat betreft het verhogen van de leef-tijd ontraad ik deze motie.De heer Spekman (PvdA):Ik ben natuurlijk dankbaar voor iedere beweging die deminister maakt, maar ik heb deze leeftijd niet zomaar op-geschreven. Het blijft natuurlijk willekeurig, of het nu gaatom 18, 19 of 20 jaar. Dat blijft een discussie. Als de leef-tijd is vastgesteld, is het echter niet meer willekeurig. Van-daag is het einddebat. Ik heb deze leeftijd genoemd om-dat ik het ambtsbericht heb gelezen, net als de minister.Ik zie dat vrouwen en meiden die lang in het buitenlandhebben gewoond, worden gezien als een buitenstaan-der, zelfs als ze een boerka aandoen. Die druk speelt nogsteeds voor jonge meiden en jonge vrouwen. Dit wordtook verder uitgewerkt in het ambtsbericht. Daarom ver-zoek ik de minister uitdrukkelijk om ruimhartig te zijn metbetrekking tot de leeftijdsgroep van 18 tot 21 jaar. Er zijnmeiden in Nederland die in deze categorie zitten. Ik kenhen en de minister zal hen ook kennen. Ik zie niet in hoede meiden uit deze leeftijdscategorie, die hier echt thuiszijn, kunnen terugkeren zonder dat ze bedreigd wordendoor de psychosociale druk waarover dit ambtsbericht zouitdrukkelijk spreekt.Minister Leers:Ik kan eigenlijk alleen maar herhalen wat ik net heb ge-zegd. Die ruimte is er, zij het in beperkte mate. Het is geenkeiharde grens naar beneden of naar boven. We houdenrekening met de mogelijkheid dat we ook voor meisjesdie boven die leeftijdsgrens zitten dezelfde afweging moe-ten maken. Dan moeten andere elementen wel zwaardertellen. Anders zijn we niet eerlijk en zijn we niet aan hetafwegen. Dan behandelen we mensen binnen deze groepongelijk. LeersTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-51De heer Spekman (PvdA):Ik dank de minister voor dit antwoord, maar dan nogblijf ik zitten met de term "net erboven". Gaat het dan ommeisjes die 18 jaar en 1 maand oud zijn? Ik heb het daar-om bewust wat ruimer genomen. Ik hoor graag van deminister dat hij dit soort situaties individueel bekijkt enniet uitsluit dat een meisje van 21 er in principe voor inaanmerking kan komen. Misschien tellen de andere crite-ria dan zwaarder, maar ze kan er in principe voor in aan-merking komen.Minister Leers:In de afweging wordt er gekeken naar een samenhangendstelsel van elementen. Ik heb me hierin vooral gebaseerdop de ervaring en de kracht van onze IND. Hier werkenmensen die al vele jaren met dit bijltje hakken en in staatmoeten worden geacht die afweging te kunnen maken.Ik zeg nu niet dat de leeftijd 21 of 22 nog kan. Ik ben welbereid eens goed te kijken naar de afwegingen die menmaakt. Er is een speciale unit voor in het leven geroepen,die dit doet en hiernaar kijkt. Er is een aantal vaste crite-ria meegegeven en een aantal zachte criteria. Het zal in depraktijk moeten blijken hoe dat samenstel zich ontwikkelt.De harde criteria leeftijd en het aantal verblijfsjaren zijnhet uitgangspunt, maar wel zodanig dat je dat niet spij-kerhard vastnagelt. Ik ga u niet meer toezeggen, maar datdaar zorgvuldig naar gekeken wordt en dat die wegingzorgvuldig moet gebeuren, zeg ik op voorhand toe. Hetblijft een zaak van individuele afweging.Voorzitter. Ik ben toe aan de laatste motie. Deze be-treft niet zozeer de discussie over de Afghaanse meis-jes maar de herziening van de asielprocedures. De heerSpekman verzoekt de regering om af te zien van de ver-zwaring van de bewijslast. Ik zie dat de heer Spekman hethier niet mee eens is. Hij vraagt in ieder geval om het an-ders te doen dan het kabinet voorstelt. Ik ontraad de aan-neming van deze motie, omdat het kabinet ernaar streeftom in lijn met het regeerakkoord de EU-kwalificatiericht-lijn zodanig te wijzigen dat de bewijslast naar de asielzoe-ker verschuift waar het gaat om het aantonen van het be-staan van een binnenlands vluchtalternatief. Die wens isvooral ook ingegeven door de ontwikkeling in de Europe-se en nationale jurisprudentie. Daarin wordt een steedsbelangrijker rol toegekend aan de algemene situatie ineen land van herkomst. Als die algemene informatie overeen land reden is om zo'n vluchtalternatief aan te nemen,dan is het ook aan de individuele asielzoeker of vreemde-ling om naar voren te brengen dat dat voor zijn specifie-ke geval niet geldt. Juist hij of zij is het beste in staat omdeze omstandigheden die zien op de eigen persoon naarvoren te brengen. Dat is niet een vraagstuk waarover eenex ante uitvoeringstoets verder duidelijkheid kan geven. Ikgeloof daar niet in. Dit betreft een inhoudelijk beleidson-derdeel en een ex ante uitvoeringstoets ziet op de uitvoer-baarheid en de financiële vraagstukken.De voorzitter:Ik zie dat de heer Spekman wil interrumperen. Was dit degehele reactie op de motie?Minister Leers:Er zit nog een ander element in het dictum van de mo-tie, namelijk de toetsing in een ex ante uitvoeringstoetsvan het geheel. Dat lijkt me, eerlijk gezegd, ook niet zoverstandig. Als er een nieuw recht ontstaat, is het heelnormaal dat daarover in het begin een aantal juridischeprocedures wordt gevoerd. Die gaan we beslist krijgenover deze nieuwe aanpak. Dat is ook goed, want zo ont-staat vanzelf een jurisprudentie en zal naar mijn overtui-ging van een blijvende toename van procedures ook geensprake zijn. Een kortdurende toename van juridische pro-cedures om duidelijkheid te verkrijgen over nieuw rechtkan natuurlijk nooit een reden zijn om goede voornemensmaar ter zijde te schuiven. Wat mij betreft, komt er dusook daarover geen ex ante uitvoeringstoets.De heer Spekman (PvdA):Eerlijk gezegd ben ik echt ontzettend verbaasd. Ik hoopecht dat de Kamer en de collega's – ook degenen die demotie niet hebben ondertekend – deze motie aannemen.Een ex ante uitvoeringstoets is ervoor om de Kamer inde positie te brengen om het goede besluit te nemen.Nogmaals, het is totaal duidelijk dat ik geen voorstanderben van het voornemen in het regeerakkoord. Maar ik staopen voor argumenten. Ik wil dat er een onderzoek wordtgedaan naar een aantal elementen die belangrijk kunnenzijn in het proces van besluitvorming in deze Kamer. Nog-maals, als dat dan ontkracht wordt of als uit die ex anteuitvoeringstoets blijkt dat het onduidelijk is of dat het ant-woord niet te geven is, dan weten we dat ook. Het is vol-gens mij cruciaal voor zo'n belangrijk besluit dat 12.000mensen hier in Nederland zal raken, dat we dat terdegeonderzoeken. En het zou mij verbazen als wij dat niet wil-len. Dan beschouw ik het echt als toe redeneren naar deuitkomst.Minister Leers:Ik vind dat jammer. Er komt een ex ante uitvoeringstoetsmet betrekking tot de versnelling en de hele asielaanpak.Dat doen we sowieso. Dat heb ik toegezegd, want ik wilzelf ook weten wat het effect ervan is. De heer Spekmanvraagt om in het kader van deze ex ante uitvoeringstoetste onderzoeken of de asielzoeker voldoende toegerustis om het wel of niet bestaan van een verblijfsalternatiefte beoordelen. Dat is iets waarvan ik zeg: dat moeten wedaar niet bij betrekken. Dan moeten we bij iedere indivi-duele asielzoeker bekijken of hij of zij wel in staat is omaan te geven dat er een alternatief is.De heer Spekman (PvdA):Dit zal natuurlijk nog terugkomen, maar zo gaat het niet!In zo'n ex ante uitvoeringstoets wordt gewoon onderzochtof er überhaupt wel één asielzoeker is die het aanneme-lijk kan maken dat hij terug kan keren. Ik heb moeite methet feit dat het toch een heel reële vraag is om eens te kij-ken naar het kabinetsdoel. Dat is namelijk minder nieuweaanvragen, minder beroepsprocedures. Daar moet op ge-toetst worden in de ex ante toets. U veronderstelt dat hetalleen maar een kortdurende periode is. Het lijkt mij re-levant voor de hele Kamer om dat te willen weten. Dat isdus ook relevant voor de coalitie. En als niemand dat wilweten, dan verbaas ik mij daarover. Dan is het echt alleenmaar naar je toe redeneren.Minister Leers:Ik heb geen andere argumenten meer. Het lijkt mij nietverstandig om dat te doen. Het lijkt mij veel beter om tekijken naar de jurisprudentie die zich hierover vanzelf zalontwikkelen. Op basis daarvan zien wij wel wat de effec-ten zijn op het beleid. LeersTweede KamerAsielprocedures 26 mei 2011TK 8686-6-52De heer Dibi (GroenLinks):Een korte verhelderende vraag op een vorig punt. De mi-nister sprak over een speciale unit die bij de IND in het le-ven geroepen is om Afghaanse meisjes te beoordelen.Worden wij geïnformeerd als hun werk voltooid is en zoja, wanneer?Minister Leers:Nee, dat lijkt mij niet verstandig. Ik ga niet over alle ge-vallen en alle afwegingen rapporteren. Het betreft een in-dividuele afweging. Er zouden dan grote problemen ont-staan die dan weer gemeenschappelijk moeten wordengemaakt. Dat lijkt mij niet verstandig. Ik heb er vertrou-wen in dat de IND het goed doet en op dat vertrouwen ba-seer ik mij bij de uitwerking van het geheel.De heer Dibi (GroenLinks):Ik heb ook vertrouwen in de IND en ik wens die mensenveel succes en sterkte met deze moeilijke regeling. Op hetmoment dat zij klaar zijn, is het voor de Kamer wel inte-ressant om te weten om hoeveel meisjes het is gegaanen wat de belangrijkste overwegingen zijn geweest. Ik wilniet het dossier inzien van elk individueel geval, maar eenalgemene beschouwing over hun besluit lijkt mij op ter-mijn wel heel zinnig.Minister Leers:Ik heb u gezegd dat ik het niet apart ga bijhouden. Dat lijktmij niet verstandig. Daarmee zouden wij het beleid zo po-sitioneren dat het een bijzondere vlag zou krijgen en datwil ik niet. Ik heb al eerder aangegeven dat mij dat eenonverstandige ontwikkeling lijkt.De beraadslaging wordt gesloten.De voorzitter:Volgende week zullen de moties in stemming komen.De vergadering wordt van 18.05 uur tot 18.40 uur ge-schorst.Voorzitter: Verbeet

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.