Memorie van toelichting
Brontekst
Versie b67f6a2c77b9f834 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 835Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 vanhet Europees Parlement en de Raad van 13 juni2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/36/EUinzake de voorkoming en bestrijding vanmensenhandel en de bescherming vanslachtoffers daarvan (Implementatiewetherziene Europese richtlijn mensenhandel)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN 1. Inleiding Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 vanhet Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging vanRichtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensen-handel en de bescherming van slachtoffers daarvan (hierna: «de Herzie-ningsrichtlijn» of «de herziene Europese Richtlijn mensenhandel»). Deimplementatietermijn van de Herzieningsrichtlijn loopt af op 15 juli 2026(artikel 2, eerste lid, van de Herzieningsrichtlijn). Vóór die datum dientdeze richtlijn door de lidstaten op nationaal niveau te zijn omgezet. Eentransponeringstabel is in de bijlage bij deze memorie van toelichtingopgenomen.De implementatie van de Herzieningsrichtlijn leidt tot een enkeleaanpassing van de strafwetgeving. De opsomming van vormen vanuitbuiting die in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) isopgenomen – in welke bepaling mensenhandel strafbaar is gesteld –wordt uitgebreid met uitbuiting van draagmoederschap, uitbuiting vangedwongen huwelijken en uitbuiting van illegale adoptie. Deze vormenvan uitbuiting vallen ook nu al onder het bereik van deze bepaling. Datwordt met deze wijziging in de wet geëxpliciteerd. Daarnaast wordt hetbereik van de strafbaarstelling van – kort gezegd – het gebruikmaken vanseksuele diensten van een slachtoffer van mensenhandel verbreed tot hetgebruikmaken van niet-seksuele diensten van een slachtoffer vanmensenhandel. Daartoe wordt artikel 273g Sr aangepast.De Tweede en Eerste Kamer zijn tijdens de totstandkoming van dezerichtlijn geïnformeerd over de stand van zaken (zie onder meer Kamer-stukken II 2022/23, 22 112, nr. 3627 (BNC-fiche) en Kamerstukken II2023/24, 32 317, nrs. OM, 87 en 880). kst-36835-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 31 De Herzieningsrichtlijn wijzigt de al bestaande Richtlijn 2011/36/EU inzakede voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming vanslachtoffers daarvan uit 2011. Laatstgenoemde richtlijn voorziet in eenbreed kader voor de aanpak van mensenhandel, door minimumvoor-schriften vast te stellen voor onder andere de definitie van mensenhandelen de daarop gestelde sancties. Zij bevat ook gemeenschappelijkebepalingen ter versterking van de preventie van mensenhandel, evenalsover de bijstand aan slachtoffers en hun bescherming. Richtlijn2011/36/EU is in 2022 door de Europese Commissie geëvalueerd (zieSWD(2022) 427 final). Uit die evaluatie blijkt dat die richtlijn een gedegenen effectief instrument is om mensenhandel te voorkomen en tebestrijden, maar dat er aanleiding is deze op onderdelen aan te passen.Redenen hiervoor zijn onder meer dat de criminaliteitsvorm mensen-handel zich steeds vaker verbreedt tot andere vormen van uitbuiting danmensenhandel gericht op seksuele uitbuiting of arbeidsuitbuiting, datmensenhandel in toenemende mate wordt gepleegd met behulp van ofwordt gefaciliteerd door informatie- en communicatietechnologie, datRichtlijn 2011/36/EU niet voldoende bijdraagt aan het verminderen van devraag naar diensten van slachtoffers van mensenhandel en dat hiatenbestaan in de coördinatie van de bestrijding van mensenhandel,waaronder in het functioneren van nationale coördinatoren en soortgelijkemechanismen. Tegen deze achtergrond is de herziene Europese richtlijnmensenhandel tot stand gekomen, die met dit wetsvoorstel wordtgeïmplementeerd.Het kabinet staat voor een stevige bestrijding van mensenhandel. Dezeambitie is opgenomen in het regeerprogramma en vertaalt zich ondermeer in het Rijksbrede beleidsprogramma Samen tegen mensenhandel enhet verder brengen van het wetsvoorstel dat voorziet in de moderniseringen uitbreiding van de strafbaarstelling van mensenhandel (Kamerstukken36547; hierna ook: «wetsvoorstel 36547»). Het kabinet onderschrijft ook derelevantie van een krachtig strafrechtelijk instrumentarium in internati-onaal en Europees verband om mensenhandel en daaraan gerelateerdemisdrijven aan te pakken, zowel in de fysieke wereld als in het digitaledomein. Daarbij is van betekenis dat het vanwege het grensoverschrij-dende karakter van mensenhandel en daaraan gerelateerde strafbarefeiten niet altijd mogelijk is om een verdachte (alleen) in Nederland op tesporen, te vervolgen en te berechten, terwijl de gevolgen van diecriminaliteit wel in Nederland kunnen worden gevoeld. Samenwerkingmet andere lidstaten is dan ook nodig om deze vormen van criminaliteiteffectief aan te kunnen pakken. Het onderhavige implementatiewets-voorstel draagt daaraan bij.Afzonderlijk van onderhavig wetsvoorstel is het wetsvoorstel 36547 inprocedure gebracht. Dit wetsvoorstel – dat voortvloeit uit nationalebeleidsvorming – strekt ertoe de wettelijke regeling van mensenhandel endaarmee samenhangende gedragingen te vereenvoudigen alsmede destrafrechtelijke aansprakelijkheid op onderdelen te verruimen. Op hetmoment dat dat wetsvoorstel bij de Tweede Kamer werd ingediend,waren de onderhandelingen over de Herzieningsrichtlijn nog nietafgerond. Tegen die achtergrond wordt de implementatie van deHerzieningsrichtlijn – zoals gebruikelijk bij wijzigingen als gevolg van eenEU-rechtshandeling -afzonderlijk via het onderhavige wetsvoorstelgerealiseerd. De hier voorgestelde wijzigingen zijn om die reden ook vanbetekenis voor de aldaar voorgestelde bepalingen, in die zin dat zij de inwetsvoorstel 36547 opgenomen gemoderniseerde strafbaarstellingeneveneens aanvullen. Daarom bevat dit implementatievoorstel eensamenloopbepaling (Artikel II), die in het artikelsgewijze deel van dezetoelichting nader wordt besproken. Voor een goed begrip wordt in dememorie van toelichting en in de bijgevoegde transponeringstabel waarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 32 nodig ook verwezen naar de relevante bepalingen die in wetsvoorstel36547 zijn opgenomen, bijvoorbeeld in het geval de huidige wetsbepalingdie van toepassing is in dat wetsvoorstel een ander artikelnummer heeftgekregen.2. Hoofdlijnen van de Herzieningsrichtlijn De Herzieningsrichtlijn wijzigt, zoals gezegd, Richtlijn 2011/36/EU. In deeerste plaats zijn bestaande bepalingen aangevuld. Zo is deniet-limitatieve opsomming van specifieke vormen van uitbuitinguitgebreid met uitbuiting van draagmoederschap, uitbuiting vangedwongen huwelijken en uitbuiting van illegale adoptie (artikel 1,onderdeel 1, onder a, van de Herzieningsrichtlijn), is het toepassingsbereikvan het zogeheten «non-punishmentbeginsel» – op grond waarvan debevoegde nationale autoriteiten gerechtigd zijn slachtoffers van mensen-handel die als rechtstreeks gevolg daarvan tot criminele activiteiten zijngedwongen niet te vervolgen of te bestraffen ter zake van hun betrok-kenheid bij die begane feiten – verbreed tot «andere onwettige activi-teiten» (artikel 1, onderdeel 6, van de Herzieningsrichtlijn) en is de positievan de nationale coördinatoren voor de bestrijding van mensenhandelversterkt (artikel 1, onderdeel 16, van de Herzieningsrichtlijn). DeHerzieningsrichtlijn verplicht ook tot het treffen van extra maatregelen terbescherming van slachtoffers, waarbij er bijvoorbeeld extra aandachtmoet zijn voor minderjarigen en personen met een handicap (artikel 1,onderdelen 9, onder a, 12 en 13 van de Herzieningsrichtlijn), en tot hetinstellen van een of meer verwijzingsmechanismen voor – kort gezegd –de vroegtijdige opsporing en identificatie van slachtoffers (artikel 1,onderdeel 9, onder b, van de Herzieningsrichtlijn). In de tweede plaats zijnnieuwe bepalingen toegevoegd. Een voorbeeld daarvan is de verplichtingtot het strafbaar stellen van het opzettelijk gebruikmaken van diensten dieworden verleend door een slachtoffer van mensenhandel, indien datslachtoffer wordt uitgebuit om dergelijke diensten te verlenen en degebruiker van de diensten weet dat de persoon die de diensten verleenteen slachtoffer is van mensenhandel (artikel 1, onderdeel 15, van deHerzieningsrichtlijn, dat strekt tot invoeging van artikel 18bis in Richtlijn2011/36/EU). Doel hiervan is de vraag naar diensten die mensenhandelstimuleert tegen te gaan en terug te dringen (vgl. overweging 26 bij deHerzieningsrichtlijn). Een ander voorbeeld is de verplichting om eennationaal actieplan ter bestrijding van mensenhandel vast te stellen(artikel 1, onderdeel 17, van de Herzieningsrichtlijn, dat strekt totinvoeging van artikel 19ter in Richtlijn 2011/36/EU).3. Inhoud van het wetsvoorstel De Nederlandse wet- en regelgeving is al grotendeels in lijn met deherziene Europese richtlijn mensenhandel. Dit zal hierna in paragraaf 4van deze memorie nader worden toegelicht. Op een beperkt aantal puntenzal de wetgeving worden aangevuld. Zo wordt ter implementatie vanartikel 1, onderdeel a, van de Herzieningsrichtlijn de (niet limitatieve)opsomming van uitbuitingsvormen die in artikel 273f Sr is opgenomen,uitgebreid met uitbuiting van draagmoederschap, uitbuiting vangedwongen huwelijken en uitbuiting van illegale adoptie. Daarnaast wordthet bereik van de huidige strafbaarstelling van – kort gezegd – hetgebruikmaken van seksuele diensten van een slachtoffer van mensen-handel (artikel 273g Sr) verbreed tot het gebruikmaken van niet-seksuelediensten van een slachtoffer van mensenhandel. Daarmee wordt dezestrafbaarstelling volledig in lijn gebracht met de daartoe strekkendeverplichting tot strafbaarstelling van artikel 1, onderdeel 15, van deHerzieningsrichtlijn. Verder zal het Besluit internationale verplichtingenextraterritoriale rechtsmacht worden aangevuld met laatstgenoemdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 33 strafbaar feit, zodat is verzekerd dat Nederland over dit feit overeen-komstig artikel 1, onderdeel 10, van de Herzieningsrichtlijn rechtsmachtkan uitoefenen in de situatie dat het buiten Nederland is gepleegd door oftegen een Nederlander of een ingezetene van Nederland. Daarnaast zal,ter volledige implementatie van de uit de Herzieningsrichtlijn voort-vloeiende verplichtingen ten aanzien van – kort gezegd – de bijstand enondersteuning van slachtoffers van mensenhandel, het Besluit slacht-offers van strafbare feiten worden aangepast.Hierna zal per richtlijnbepaling worden beschreven op welke wijze devoorschriften uit de Herzieningsrichtlijn worden geïmplementeerd dan welreeds geïmplementeerd zijn. Hiervoor wordt eveneens verwezen naar detransponeringstabel die is opgenomen in de bijlage bij deze memorie vantoelichting.4. Inhoud van de Herzieningsrichtlijn en wijze van implementatie Artikel 2, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU bevat een niet-limitatieveopsomming van specifieke vormen van uitbuiting. Artikel 1, onderdeel1, onder a, van de Herzieningsrichtlijn wijzigt die bepaling, door deopsomming uit te breiden met: uitbuiting van draagmoederschap,uitbuiting van gedwongen huwelijken en uitbuiting van illegale adoptie.Deze vormen van uitbuiting vallen – indien aan alle voorwaarden voorstrafbaarheid wegens mensenhandel is voldaan – al onder het bereik vandat misdrijf (vgl. overweging 6 bij de Herzieningsrichtlijn en overweging11 bij Richtlijn 2011/36/EU). Vanwege de ernst van uitbuiting vanrespectievelijk draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegaleadoptie – die in Europees verband gestaag in aantal toenemen – zijn dezebijzondere uitbuitingsvormen nu in artikel 2, derde lid, van Richtlijn2011/36/EU geëxpliciteerd. Blijkens overweging 6 bij de Herzienings-richtlijn doet de richtlijn geen afbreuk aan de definities van huwelijk,adoptie, gedwongen huwelijk en illegale adoptie, of daarmee verbandhoudende strafbare feiten, indien het nationale of internationale rechtdaarin voorziet, en evenmin aan de nationale voorschriften over draag-moederschap.Alle specifieke vormen van uitbuiting die al in artikel 2, derde lid, vanRichtlijn 2011/36/EU waren opgenomen zijn uitdrukkelijk in artikel 273f,tweede lid, Sr vastgelegd. Ter implementatie van de Herzieningsrichtlijnworden uitbuiting van draagmoederschap, uitbuiting van gedwongenhuwelijken en uitbuiting van illegale adoptie toegevoegd aan dezebepaling onderscheidenlijk aan voorgesteld artikel 273f, vijfde lid, Sr zoalsopgenomen in wetsvoorstel 36547. Hiermee blijft de wettelijkeniet-limitatieve opsomming van specifieke vormen van uitbuitingaansluiten bij de omschrijving daarvan in de EU-richtlijn. Net als voor deEU-richtlijn geldt dat situaties van uitbuiting van draagmoederschap,uitbuiting van gedwongen huwelijken en uitbuiting van illegale adoptieook nu al onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandelkunnen vallen. Dit onderdeel van het wetsvoorstel legt – ter implementatievan artikel 1, onderdeel 1, onder a, van de Herzieningsrichtlijn – enkelexpliciet wettelijk vast dat uitbuiting zich in de context van deze specifiekepraktijken kan manifesteren en brengt geen verandering in de bestaandereikwijdte van de strafbaarstelling van mensenhandel. Voor het plegenvan mensenhandel blijft steeds vereist dat aan alle voorwaarden voorstrafbaarheid is voldaan (artikel 273f, eerste lid, Sr): het verrichten van eenbepaalde handeling, het opzettelijk aanwenden van een beïnvloedings-middel en het oogmerk van uitbuiting. Onder daarvoor geldendevoorwaarden kunnen ook andere wijzen van betrokkenheid strafbaar zijn,zoals in geval van uitlokking van (artikel 47, eerste lid, onder 2°, Sr) ofmedeplichtigheid aan mensenhandel (artikelen 48 en 49 Sr).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 34 Vooropgesteld wordt dat draagmoederschap op vrijwillige basis opzichzelf niet verboden is in Nederland. Bij mensenhandel met het oog opuitbuiting van draagmoederschap valt te denken aan het geval dat iemanduit winstbejag, bijvoorbeeld iemand die het doel heeft om het kind na degeboorte aan wensouders te verkopen, misbruik maakt van de situatie dateen vrouw in armoede leeft door haar over te halen om tegen betalingdraagmoeder te worden. In dat geval is opzettelijk een beïnvloedings-middel (misbruik van een kwetsbare positie) aangewend om het slacht-offer te bewegen tot draagmoederschap en wordt, met het doel daarvante profiteren, op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteiten persoonlijke vrijheid van de betrokken vrouw. Een kwetsbare positie –en aldus een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schept – mag in hetalgemeen worden verondersteld bij een zwakke financiële positie waarbijin het bijzonder valt te denken aan afkomst uit een land met een signi-ficant lager welvaartspeil. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden isde vrouw in een dergelijk geval immers in verminderde mate in staat toteen vrije wilsbepaling omtrent het draagmoederschap. Als iemand in zo’nsituatie wordt overgehaald om draagmoeder te worden, wordt misbruikgemaakt van een kwetsbare positie. Vereist is dat de dader zich bewust isgeweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkenewaaruit de kwetsbaarheid voortvloeit (vgl. Kamerstukken II 2023/24,36 547, nr. 3, p. 52–53).Daarmee ziet mensenhandel in de vorm van uitbuiting van draagmoeder-schap op andere en ernstiger gedragingen dan de situaties die wordenbestreken door de bestaande artikelen 151b en 151c Sr onderscheidenlijkde strafbepalingen die worden voorgesteld in het wetsvoorstel kind,draagmoederschap en afstamming (36 390). Eerstgenoemde artikelenhebben betrekking op – kort gezegd – het beroeps- of bedrijfsmatigbemiddelen bij draagmoederschap of bij de overdracht van het ouder-schap over een kind (artikel 151b en 151c Sr). Het wetsvoorstel kind,draagmoederschap en afstamming strekt tot introductie van eenstrafrechtelijk kader voor betalingen bij de overdracht van ouderschap endraagmoederschap. Betalingen voor de overdracht van ouderschap vaneen kind zijn in geen geval toegestaan (voorgesteld artikel 151ca Sr). Opgrond van het wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming is hettoegestaan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen vergoe-dingen te betalen aan een draagmoeder in Nederland. Het geven ofontvangen van vergoedingen voor draagmoederschap die de vastgesteldemaxima te boven gaan wordt strafbaar gesteld (voorgesteld artikel 442bSr).In het geval van huwelijksdwang wordt een persoon gedwongen om tetrouwen. Slachtoffers van zo’n gedwongen huwelijk zijn vaak kinderen ofjongvolwassenen. Degene die door het uitoefenen van psychische offysieke druk een ander dwingt om te trouwen, is strafbaar op grond vanartikel 284 Sr. Ook het opzettelijk een persoon buiten of naar Nederlandlokken met het oogmerk die persoon tot een huwelijk te dwingen isstrafbaar (artikel 285c Sr). Uit de parlementaire geschiedenis blijktexpliciet dat deze meer algemeen geformuleerde strafbepalingen – in lijnmet artikel 37 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake hetvoorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld(Trb. 2012, 233) – zich uitstrekken tot, kort gezegd, (voorbereiding van)gedwongen huwelijken (vgl. o.a. Kamerstukken II 2010/11, 32 840, nr. 3, p.5–7 en Kamerstukken II 2014/15, 34 039, nr. 3, p. 3–5). Ook het (voorbe-reiden van het) dwingen van een persoon tot het aangaan van eenreligieus huwelijk valt onder de strafbaarstelling van het misdrijf.Bij mensenhandel met het oog op uitbuiting van een persoon bijgedwongen huwelijken in de hiervoor bedoelde zin gaat het evenwel omsituaties waarin een gedwongen huwelijk de feitelijke context vormtwaarbinnen het slachtoffer wordt uitgebuit. Daarbij valt allereerst teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 35 denken aan gevallen waarin de uitbuiting van het slachtoffer nauwverbonden is met het sluiten van het gedwongen huwelijk, bijvoorbeeldsituaties waarin met gedwongen uithuwelijking omvangrijk economischvoordeel wordt behaald. Een voorbeeld daarvan is dat ouders hun kindmet gebruik van bedreiging of geweld dwingen met een door henuitgekozen partner te trouwen en zij daarvoor – van die partner of diensfamilie – een groot geldbedrag ontvangen. In algemene zin zullen de matevan dwang die is uitgeoefend op de uit te huwelijken persoon en deomvang van het te behalen economisch voordeel relevante beoordelings-factoren. Daarnaast kan worden gedacht aan gevallen waarin hetslachtoffer in de periode na de sluiting van het gedwongen huwelijk wordtuitgebuit. Bijvoorbeeld situaties waarin het slachtoffer door zijn of haarhuwelijkspartner tot dienstverlening wordt gedwongen, zoals hetverrichten van een veelheid van huishoudelijke werkzaamheden incombinatie met opgelegde vrijheidsbeperkingen, of het verlenen vanseksuele diensten. Voor de beoordeling van dergelijke gevallen kanworden aangesloten bij de beoordelingskaders die gelden ten aanzien vanmensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting onderscheidenlijkseksuele uitbuiting. In voorkomende gevallen wordt bij die beoordelingrekening gehouden met de minderjarige leeftijd van het slachtoffer (vgl.Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 12–17). Seksuele uitbuiting kanzich in de regel voordoen in situaties van seksueel contact tussen hetslachtoffer en een derde. Niet uitgesloten is echter dat het gaat omseksuele handelingen van het slachtoffer met de mensenhandelaar – in ditgeval de huwelijkspartner –, bijvoorbeeld wanneer dit seksueel contactplaatsvindt in een situatie van zodanige vrijheidsbeperkingen dat ditslachtoffer als een «seksslaaf» wordt behandeld door zijn of haarhuwelijkspartner (vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 54). Totslot wordt opgemerkt dat voor mensenhandel in de vorm van uitbuitingvan gedwongen huwelijken niet is vereist dat de dader zelf het slachtofferop een eerder moment tot het huwelijk – waarbinnen de uitbuitingplaatsvindt – heeft gedwongen. Deze vorm van mensenhandel kan zichbijvoorbeeld ook voordoen als het slachtoffer door derden, zoals ouders,familie of breder vanuit de gemeenschap, tot het huwelijk wasgedwongen.Met «illegale adoptie» wordt hier gedoeld op de situatie dat adoptieregel-geving – die onder andere is neergelegd in het Verdrag inzake debescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied vaninterlandelijke adoptie (Haags Adoptieverdrag) – in meer of mindere mateniet is nageleefd. Daarbij kan het gaan om gedragingen die op dit momentzelfstandig strafbaar zijn gesteld. Te denken valt aan het onzeker makenvan de afstamming van een kind, doordat adoptiefouders een pasgeborenbaby in strijd met de waarheid als hun eigen biologische kind aangeven(de zogeheten verduistering van staat; artikel 236 Sr).Bij mensenhandel met het oog op uitbuiting van illegale adoptie richt hetoogmerk zich op het uitbuiten van de biologische ouders of personen metouderlijk gezag dan wel het kind. Deze vorm van mensenhandel jegensbiologische ouders is bijvoorbeeld aan de orde in de situatie waarinpersonen die bemiddelen bij de totstandkoming van adoptie uit winst-bejag misbruik maken van een kwetsbare positie waarin de biologischeouders verkeren – bijvoorbeeld vanwege hun zwakke financiële positie ofde situatie dat zij illegaal in een land verblijven – om hen ertoe te brengenhun kind af te staan.In artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 2011/36/EU wordt mensenhandel in dekern gedefinieerd als het verrichten van een handeling (bijvoorbeeldwerven), het opzettelijk aanwenden van een beïnvloedingsmiddel(bijvoorbeeld misbruik van een kwetsbare positie) en het oogmerk om eenander uit te buiten. Artikel 1, onderdeel 1, onder b, van de Herzie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 36 ningsrichtlijn wijzigt artikel 2, vijfde lid, van Richtlijn 2011/36/EU. In hetgenoemde vijfde lid was al tot uitdrukking gebracht dat het vereiste dateen beïnvloedingsmiddel is aangewend (het «middelvereiste») niet geldtals mensenhandel betrekking heeft op een kind (ook wel: kinderhandel).Bij een «kind» gaat het om elke persoon beneden de leeftijd van achttienjaar (artikel 2, zesde lid, van Richtlijn 2011/36/EU). Artikel 1, onderdeel 1,onder b, van de Herzieningsrichtlijn voegt aan het genoemde vijfde lid toedat het middelvereiste wel geldt bij mensenhandel in de vorm vanuitbuiting van draagmoederschap, tenzij de draagmoeder een kind is.Deze richtlijnverplichting vergt geen aanpassing van de Nederlandsewetgeving. In de delictsomschrijvingen die zijn opgenomen in artikel 273fSr komt al tot uiting dat het middelvereiste wel geldt bij het generiekedelict mensenhandel, waaronder ook uitbuiting van draagmoederschapvalt (artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1°, Sr onderscheidenlijk 273f, eerstelid, van wetsvoorstel 36547), maar niet van toepassing is bij mensen-handel tegen kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar en dus –overeenkomstig het aangepaste artikel 2, vijfde lid, van Richtlijn2011/36/EU – niet in de situatie waarin de uitgebuite draagmoeder eenkind is (artikel 273f, eerste lid, onderdeel 2°, Sr onderscheidenlijk 273f,tweede lid, van wetsvoorstel 36547).Met artikel 1, onderdeel 2, onder a, van de Herzieningsrichtlijnwordt artikel 4, tweede lid, onderdeel d, van Richtlijn 2011/36/EUaangepast. Artikel 4 van Richtlijn 2011/36/EU schrijft minimale straf-maxima voor: het delict mensenhandel moet in het nationale rechtworden bedreigd met ten minste vijf jaar gevangenisstraf (eerste lid) enonder specifieke verzwarende omstandigheden met ten minste tien jaargevangenisstraf (tweede lid). Ten aanzien van de verzwarende situatie datin het kader van mensenhandel ernstig geweld is gepleegd of hetslachtoffer zeer ernstig letsel is toegebracht, verduidelijkt artikel 1,onderdeel 2, onder a, van de Herzieningsrichtlijn dat dit lichamelijk ofpsychologisch letsel omvat. Deze richtlijnverplichting vergt geenaanpassing van de Nederlandse wetgeving. Voor het generieke delictmensenhandel geldt al een wettelijk strafmaximum van twaalf jaargevangenisstraf (artikel 273f, eerste lid, Sr). Nog hogere wettelijkestrafmaxima zijn van toepassing in het geval mensenhandel gepaard gaatmet ernstig geweld of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft (artikel273f, derde lid, onderdeel 3°, en vierde lid, Sr onderscheidenlijk artikel273h, tweede lid, onderdeel a, onder 3°, en vierde lid, van wetsvoorstel36547). Hiermee liggen de Nederlandse wettelijke strafmaximaruimschoots boven de in Richtlijn 2011/36/EU opgenomen drempel-waarden, zodat is verzekerd dat situaties van mensenhandel waarbij hetslachtoffer zeer ernstig lichamelijk of psychologisch letsel is toegebrachtkunnen worden bestraft met een gevangenisstraf van ten minste tien jaar.Artikel 1, onderdeel 2, onder b, van de Herzieningsrichtlijn wijzigtartikel 4, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU, door daaraan een verzwa-rende omstandigheid toe te voegen die de rechter in beginsel bij eenveroordeling wegens mensenhandel moet kunnen meewegen. Tegen deachtergrond van de constatering dat een toenemend aantal strafbarefeiten in verband met mensenhandel door middel van informatie- encommunicatietechnologieën wordt gepleegd en het versterkende effectvan de verspreiding van aan uitbuiting gerelateerd materiaal (vgl.overweging 8 bij de Herzieningsrichtlijn), wordt als nieuwe verzwarendeomstandigheid opgenomen «het feit dat de dader, door middel vaninformatie- en communicatietechnologieën, beelden of video’s ofvergelijkbaar materiaal van seksuele aard waarbij het slachtofferbetrokken is heeft verspreid of de verspreiding ervan heeft vergemakke-lijkt». De lidstaten zijn niet verplicht in zo’n verzwarende omstandigheid tevoorzien wanneer in het nationale recht is bepaald dat deze gedraging alTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 37 als een afzonderlijk strafbaar feit is aangemerkt (vgl. overweging 11 bij deHerzieningsrichtlijn). In voorkomende gevallen kan de verdachte danimmers strafrechtelijk worden vervolgd voor het plegen van tweestrafbare feiten: mensenhandel en het verspreiden van seksueel beeldma-teriaal.De verplichting die voortvloeit uit artikel 1, onderdeel 2, onder b, van deHerzieningsrichtlijn is al correct en volledig in de Nederlandse wetgevingomgezet. Misbruik van seksueel beeldmateriaal is in Nederlandzelfstandig als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 254ba Sr. Die strafbaar-stelling omvat het opzettelijk seksueel beeldmateriaal van een andervervaardigen, terwijl die ander hiervoor niet vrijwillig toestemming heeftgegeven (eerste lid, onderdeel a), het beschikken over dergelijk beeldma-teriaal als diegene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ditbeeldmateriaal door of als gevolg van een onder a strafbaar gesteldehandeling is verkregen (eerste lid, onderdeel b) en het openbaar makenvan seksueel beeldmateriaal als diegene ofwel weet of redelijkerwijs moetvermoeden dat dit beeldmateriaal door of als gevolg van een onder astrafbaar gestelde handeling is verkregen (tweede lid, onderdeel a) ofwelweet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn (tweedelid, onderdeel b). Deelneming aan elk van deze gedragingen, bijvoorbeeldin de vorm van medeplichtigheid, is eveneens strafbaar (artikelen 47 en 48Sr). In voorkomende gevallen waarin de verdachte wordt veroordeeldwegens mensenhandel (artikel 273f Sr; maximumgevangenisstraf vantwaalf jaar) en het in samenhang daarmee misbruik maken van seksueelbeeldmateriaal (artikel 254ba Sr; maximumgevangenisstraf van een jaar(eerste lid) of twee jaar (tweede lid)), is sprake van meerdaadsesamenloop van strafbare feiten. In dat geval kan de rechter op grond vanartikel 57, tweede lid, Sr een maximale gevangenisstraf van respectievelijkdertien en veertien jaar opleggen en kan het misbruik van seksueelbeeldmateriaal dus door de rechter per saldo in strafverzwarende zinworden meegewogen. In het Nederlandse strafrecht geldt verder alsalgemeen uitgangspunt dat de rechter beschikt over een ruime straftoe-metingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de rechter binnen het wettelijkestrafmaximum dat op een bepaald strafbaar feit is gesteld, de vrijheidheeft om alle relevante omstandigheden – waaronder dus de verzwarendeomstandigheden die in artikel 4, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU zijnopgenomen – mee te wegen bij het bepalen van een passende straf in eenindividueel geval. Hiervoor is niet vereist dat dergelijke omstandighedenspecifiek in de wet worden neergelegd.Artikel 1, onderdeel 3, onderdelen a en b, van de Herzienings-richtlijn strekken tot invoeging van het nieuwe artikel 18bis (zie paragraaf2 van de memorie van toelichting en de toelichting op artikel 1, onderdeel15, van de Herzieningsrichtlijn) in het bestaande artikel 5, eerste tot enmet derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU, dat betrekking heeft op deaansprakelijkheid van rechtspersonen. Op dit punt is geen nadereimplementatiewetgeving nodig. Artikel 51 Sr waarborgt dat rechtsper-sonen strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer zijstrafbare feiten plegen en dus ook voor het in artikel 18bis van de richtlijnvervatte delict dat in de Nederlandse wetgeving wordt geïmplementeerddoor middel van het aangepaste artikel 273g Sr. Daarbij geldt dat hetopenbaar ministerie – naast het instellen van strafvervolging tegen eenrechtspersoon – ook strafvervolging kan instellen tegen natuurlijkepersonen voor hun betrokkenheid – als dader, medeplichtige of opdracht-of feitelijke leidinggever.Artikel 1, onderdeel 4, van de Herzieningsrichtlijn wijzigt artikel 6van Richtlijn 2011/36/EU. Het huidige artikel 6 verplicht de lidstaten ommensenhandel begaan door rechtspersonen te kunnen sanctioneren metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 38 doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties, waaronderstrafrechtelijke of niet-strafrechtelijke geldboetes. Daarnaast bevat diehuidige bepaling een opsomming van vijf optionele bijkomende sanctiesof maatregelen die de lidstaten ten aanzien van aansprakelijke rechtsper-sonen mogelijk kunnen maken. Daarbij wordt het aan de lidstaten gelatenom te kiezen (i) welke bijkomende sancties of maatregelen mogelijkworden gemaakt en (ii) of de mogelijk gemaakte sancties in het strafrechtof langs andere weg worden opgelegd. Artikel 6 van de richtlijn wordt opeen aantal punten gewijzigd.In de eerste plaats verbreedt artikel 1, onderdeel 4, van de Herzienings-richtlijn het toepassingsbereik van artikel 6 van Richtlijn 2011/36/EU totrechtspersonen die aansprakelijk zijn voor het in artikel 18bis van deHerzieningsrichtlijn omschreven strafbaar feit. Dit betekent dat lidstatenverplicht zijn om het opleggen van (strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke)geldboetes mogelijk te maken aan rechtspersonen die zich schuldighebben gemaakt aan – kort gezegd – het opzettelijk gebruikmaken vandiensten die worden verleend door een slachtoffer van mensenhandel.Deze verplichting vergt geen nadere implementatiewetgeving. Aanrechtspersonen kunnen passende geldboetes worden opgelegd (vgl.artikel 51 in verbinding met artikel 23 Sr). De genoemde verplichting uit derichtlijn worden daarmee in Nederland geïmplementeerd door middel vanbestaand recht.In de tweede plaats voegt artikel 1, onderdeel 4, van de Herzienings-richtlijn drie concrete maatregelen toe aan de opsomming van bijko-mende sancties of maatregelen in Richtlijn 2011/36/EU die de lidstatenmogelijk kunnen maken – dit onderdeel heeft dus een facultatief karakter –in het geval een rechtspersoon aansprakelijk is gesteld wegens mensen-handel of het opzettelijk gebruikmaken van diensten die worden verleenddoor een slachtoffer van mensenhandel (gewijzigd artikel 6, tweede lid,onder b, d en h, van Richtlijn 2011/36/EU). De eerste twee maatregelen diezijn toegevoegd zijn de uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering(onder b) en de intrekking van vergunningen en machtigingen vooractiviteiten die hebben geleid tot het plegen van het desbetreffendestrafbare feit (onder d). De Wet bevordering integriteitsbeoordelingendoor het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) voorziet al in bestuursrech-telijke mogelijkheden om de genoemde maatregelen te treffen tegenrechtspersonen die zich schuldig hebben gemaakt aan mensenhandel ofdaaraan gerelateerde strafbare feiten. Als een rechtspersoon dergelijkestrafbare feiten heeft begaan dan kan die omstandigheid op grond van deWet Bibob namelijk meewegen bij de beoordeling of een vergunning,subsidie, andere beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdrachtmoet worden geweigerd of ingetrokken (vgl. de artikelen 3, 5, 5a, 6 en 7van die wet). De derde en laatste toegevoegde maatregel houdt in dat,onverminderd de regels inzake de privacy en de bescherming vanpersoonsgegevens, wanneer sprake is van een algemeen belang derechterlijke beslissing die verband houdt met het gepleegde strafbare feiten de opgelegde sancties of maatregelen geheel of gedeeltelijk wordenbekendgemaakt. Op grond van het Besluit selectiecriteria uitsprakenda-tabank Rechtspraak.nl worden rechterlijke uitspraken waarbij rechtsper-sonen zijn veroordeeld wegens mensenhandel of daaraan gerelateerdestrafbare feiten zoveel als mogelijk online gepubliceerd op www.recht-spraak.nl, waarbij gegevens die de identiteit kunnen onthullen vannatuurlijke of rechtspersonen worden verwijderd. Daarmee wordenrechterlijke uitspraken, met inachtneming van de regels inzake de privacyen de bescherming van persoonsgegevens, zoveel als mogelijk bekendgemaakt als bedoeld in het nieuwe onderdeel h van het tweede lid vanartikel 6 van Richtlijn 2011/36/EU. De andere genoemde (in de richtlijn uit2011 al opgenomen) bijkomende sancties of maatregelen – de onderdelenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 39 a, c, e, f en g – zijn in Nederland ook ten aanzien van het nieuwopgenomen strafbare feit van artikel 18bis van de richtlijn langs strafrech-telijke, bestuursrechtelijke of civielrechtelijke weg mogelijk. Voor eennadere aanduiding van de desbetreffende wettelijke grondslagen wordtverwezen naar de transponeringstabel aan het slot van deze memorie vantoelichting.Als gevolg van Artikel 1, onderdeel 5, van de Herzieningsrichtlijnkomt artikel 7 van Richtlijn 2011/36/EU te vervallen. Die laatste bepaling isnamelijk achterhaald door Richtlijn (EU) 2024/1260 van het EuropeesParlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende ontneming enconfiscatie van vermogensbestanddelen, waarin minimumvoorschriftenzijn vastgelegd voor de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen enopbrengsten van misdrijven in strafzaken. Die richtlijn is ook vantoepassing op de strafbare feiten die onder Richtlijn 2011/36/EU vallen.Het schrappen van artikel 7 van Richtlijn 2011/36/EU behoeft geenimplementatie.Artikel 8 van Richtlijn 2011/36/EU draagt de lidstaten op om, in overeen-stemming met de grondbeginselen van hun rechtsorde, de nodigemaatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de bevoegde nationaleautoriteiten gerechtigd zijn slachtoffers van mensenhandel die alsrechtstreeks gevolg daarvan tot criminele activiteiten zijn gedwongen niette vervolgen of te bestraffen ter zake van hun betrokkenheid bij diebegane feiten. Artikel 1, onderdeel 6, van de Herzieningsrichtlijnverbreedt het toepassingsbereik van dit zogehetennon-punishmentbeginsel tot «andere onwettige activiteiten» dancriminele activiteiten die slachtoffers gedwongen hebben uitgevoerd alsrechtstreeks gevolg van mensenhandel. Met betrekking tot het huidigebereik van de richtlijnbepaling tot «criminele activiteiten» geldt hetvolgende. De officier van justitie beslist op grond van het opportuniteits-beginsel – en met inachtneming van toepasselijke strafuitsluitingsgronden– of en voor welk(e) feit(en) een vervolging tegen de verdachte wordtingesteld (artikel 167 Sv). Indien een slachtoffer van mensenhandel tot hetplegen van een strafbaar feit is gedwongen, terwijl hij in redelijkheid geenmogelijkheid had om anders te handelen, is sprake van straffeloosheid opgrond van de algemene strafuitsluitingsgrond overmacht (artikel 40 Sr). Insituaties waarin het non-punishmentbeginsel van toepassing is zal hetopenbaar ministerie dus al onder het huidige recht geen strafvervolginginstellen of – als de relevante omstandigheden pas later aan het lichtkomen – zal de rechter niet tot een veroordeling komen. Als gevolg vaneen daartoe strekkend amendement van de leden Van Nispen, Bikker enTseggai (Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 14) houdt wetsvoorstel36 547 in dat het non-punishmentbeginsel als specifieke strafuitsluitings-grond in de wet wordt verankerd (artikel 273f, negende lid, vanwetsvoorstel 36 547). Het genoemde beginsel kan van toepassing zijn bijverschillende uitbuitingsvormen, delictstypen en groepen slachtoffers. Inalgemene zin zal het worden toegepast in situaties die zich voordoen ingevallen waarin slachtoffers in de context van mensenhandel wordengedwongen strafbare feiten te plegen (criminele uitbuiting). Maar het isook mogelijk dat de toepassing van het beginsel in beeld kan komen ingevallen waarin sprake is van andere vormen van uitbuiting of anderetypen delicten. Daarbij valt te denken aan arbeidsmigranten die in hetkader van arbeidsuitbuiting worden gedwongen om te beschikken overvalse (identiteits)documenten. Ook in dergelijke gevallen kan de officiervan justitie onderscheidenlijk de rechter op basis van de omstandighedenvan het geval tot het oordeel komen dat het instellen van vervolging nietopportuun onderscheidenlijk bestraffing niet passend is. Ten aanzien vande toepassing van het beginsel door de officier van justitie geldt dat hetopenbaar ministerie het beleid daarover nader heeft uitgewerkt in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 310 Aanwijzing mensenhandel (Stcrt. 2022, 5901) en de Aanwijzing sepot engebruik sepotgronden (Stcrt. 2022, 16129). Deze aanwijzingen berusten opeen wettelijke grondslag (artikel 130, zesde lid, van de Wet op derechterlijke organisatie) en zijn bindend voor het openbaar ministerie.Bovendien wordt binnen het Versterkte Actieplan programma Samentegen mensenhandel ingezet op het creëren van brede bewustwording entevens het vergroten van de meldingsbereidheid. In het kader van beidetrajecten zal ook aandacht zijn voor training op het gebied van hetherkennen van slachtoffers waarbij het non-punishmentbeginsel mogelijkspeelt, zowel in het kader van criminele uitbuiting als bij andere vormenvan uitbuiting. Ter uitvoering van de motie-Ceder/Bikker (Kamerstukken II2024/25, 36 547, nr. 36) zal de toepassing van het non-punishmentbeginselin de praktijk jaarlijks worden gemonitord. In de Herzieningsrichtlijn is hetbeginsel uitgebreid tot «andere onwettige activiteiten» (zie hierover ookoverweging 14 van de richtlijn). Bij dergelijke activiteiten die in recht-streeks verband met mensenhandel kunnen staan, kan bijvoorbeeldworden gedacht aan administratieve overtredingen in het kader vansekswerk. Buiten het strafrechtelijk domein, in het kader van de bestuurs-rechtelijke handhaving, wordt aan het non-punishmentbeginsel invullinggegeven door de algemene wettelijke regel dat een bestuursorgaan geenbestuurlijke boete oplegt – dat wil zeggen: een bestraffende sanctie totbetaling van een geldsom – voor zover de overtreding niet aan deovertreder kan worden verweten (artikel 5:41 Algemene wet bestuurs-recht). Binnen dit kader kan de toepassing van hetnon-punishmentbeginsel ertoe leiden dat wanneer een slachtoffer vanmensenhandel onder dwang een overtreding begaat, aan diegene geenbestraffende sanctie wordt opgelegd. De Algemene wet bestuursrechtbepaalt in algemene zin onder welke voorwaarden een rechtsmiddel kanworden ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan waarbij weleen bestraffende sanctie is opgelegd, zodat in voorkomende gevallenlangs die weg kan worden opgekomen tegen het ten onrechte niettoepassen van het non-punishmentbeginsel. Onder meer in samen-werking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Centrumvoor Criminaliteitspreventie en Veiligheid wordt bezien hoe bij dehandhavende autoriteiten de bekendheid met hetnon-punishmentbeginsel kan worden bevorderd, zodat bestuursorganenrekening houden met dat beginsel in situaties waarin het opleggen vaneen bestuursrechtelijke bestraffende sanctie wordt overwogen.Artikel 1, onderdeel 7, onder a, van de Herzieningsrichtlijn strekttot invoeging van het nieuwe artikel 18bis in het bestaande artikel 9,eerste lid, van Richtlijn 2011/36/EU. Deze invoeging brengt mee dat hetdoen van aangifte of het indienen van een klacht geen voorwaarde magzijn voor de opsporing en vervolging van het in artikel 18bis omschrevenfeit, en dat de strafprocedure ook na intrekking van een door het slacht-offer afgelegde (belastende) verklaring moet kunnen worden voortgezet(eerste lid). Het genoemde artikel 18bis bevat een verplichting totstrafbaarstelling die in artikel 273g Sr wordt omgezet (zie hierna deartikelsgewijze toelichting op artikel I, onderdeel B). Dit is geen klacht-delict. Op grond van de geldende algemene strafvorderlijke uitgangs-punten – waaronder de exclusieve bevoegdheid die aan het openbaarministerie toekomt om te beslissen of strafvervolging wordt ingesteld(artikel 167 Sv) – geldt dat dit strafbaar feit ook ambtshalve, dus zonderaangifte, kan worden opgespoord en vervolgd. Het intrekken van een doorhet slachtoffer afgelegde verklaring staat niet in de weg aan het voort-zetten of instellen van een vervolging. Daarom vergt artikel 1, onderdeel 7,onder a, van de Herzieningsrichtlijn geen wetsaanpassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 311 Artikel 1, onderdeel 7, onder b, van de Herzieningsrichtlijn vultartikel 9, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU aan, door expliciet te makendat de personen, eenheden of diensten die verantwoordelijk zijn voor deopsporing en de vervolging van mensenhandel als bedoeld in de artikelen2 en 3 van Richtlijn 2011/36/EU, die met behulp van informatie- ofcommunicatietechnologie zijn gepleegd of gefaciliteerd, over de juistedeskundigheid en technische capaciteiten beschikken om specifiek diezaken beter te kunnen oppakken. Ook worden lidstaten aangemoedigd omaparte eenheden op te richten binnen hun wetshandhavingsdiensten enopsporingsautoriteiten.De vereiste deskundigheid en technische capaciteiten zijn binnen depolitie en het openbaar ministerie aanwezig. Binnen het openbaarministerie en de politie zijn er speciale teams en eenheden die zichspecifiek bezighouden met mensenhandelzaken. Bij de politie gaat het omde Teams Migratiecriminaliteit en Mensenhandel (TMM), die vallen onderde Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM).Iedere politie-eenheid beschikt over een AVIM en daarbinnen over eenTMM. Daarnaast beschikt de politie over technische specialisten meteigen gespecialiseerde opleidingen, die ook specifiek voor mensenhandel-onderzoeken worden ingezet. Binnen de mensenhandelopleiding voorrechercheurs (algemeen) is aandacht voor online opsporing van strafbarefeiten waaronder mensenhandel. Daarnaast kan de politie onder gezagvan het openbaar ministerie gebruikmaken van verschillende (digitale)opsporingsmiddelen voor het opsporen van mensenhandel. In dit kaderwordt ook verwezen naar de meest recente afspraken neergelegd in deVeiligheidsagenda 2023–2026, waarvan de doorontwikkeling van onlineopsporing – waaronder online opsporing van mensenhandel – deeluitmaakt (vgl. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/12/15/tk-bijlage-8-veiligheidsagenda-2023-2026). De politie en hetopenbaar ministerie zijn in overleg om te bewerkstelligen datvoornoemde opsporingsmethoden een bestendig onderdeel van de vasteopsporingspraktijk gaan uitmaken. Binnen de diverse opleidingspro-gramma’s van het openbaar ministerie wordt eveneens aandacht besteedaan opsporing en vervolging van delicten die zijn gepleegd met behulpvan informatie- of communicatietechnologie. Gedacht kan worden aanspecifieke cursussen die zien op de juridische kaders en de praktischetoepassingsmogelijkheden van digitale bijzondere opsporingsmiddelen en«open source investigations».Verder heeft de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie sinds 2023 eenspecialistische Afdeling Arbeidsuitbuiting. Sinds 2024 beschikt dezeafdeling over een eigen frontoffice waar signalen van mensenhandel in devorm van arbeidsuitbuiting (digitaal) kunnen worden gemeld. Ditfrontoffice is het loket voor ketenpartners. Signalen van arbeidsuitbuitingdie bij de Arbeidsinspectie binnenkomen, worden intern geregistreerd,verrijkt en beoordeeld om de vervolgactie te bepalen. Het merendeel vande strafrechtelijke onderzoeken die hieruit voortvloeien wordt uitgevoerddoor rechercheurs arbeidsuitbuiting van deze afdeling onder gezag vanhet Functioneel Parket van het openbaar ministerie. Hierbij worden ookdigitale opsporingstechnieken ingezet. De rechercheurs arbeidsuitbuitingnemen deel aan de mensenhandelopleiding van de politie, zodat zij in debasis beschikken over dezelfde kennis als de collega’s van een TMM.Onderzoek naar mensenhandel zal door de Koninklijke Marechausseeworden verricht wanneer dit specifiek plaatsvindt op de terreinen waartoezij haar politietaak heeft. In alle overige gevallen wordt de zaak zo spoedigmogelijk overgedragen aan de politie. De Koninklijke Marechaussee richtzich vooral op de bestrijding van mensensmokkel, maar ziet in dezeonderzoeken ook verwevenheid met mensenhandel. De KoninklijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 312 Marechaussee heeft gespecialiseerde rechercheteams voor het bestrijdenvan mensensmokkel. Binnen deze onderzoeken wordt naast met denationale partners ook veelvuldig met internationale partners samenge-werkt.Artikel 1, onderdeel 8, onder a en b, van de Herzieningsrichtlijnbrengt het in artikel 18bis van de richtlijn omschreven feit onder deregeling van rechtsmacht die is opgenomen in artikel 10, eerste en tweedelid, van Richtlijn 2011/36/EU. Het aangepaste eerste lid van artikel 10 vanRichtlijn 2011/36/EU verplicht Nederland ertoe rechtsmacht te vestigenover het genoemde strafbaar feit wanneer dat feit geheel of gedeeltelijkop zijn grondgebied is gepleegd (onder a) of is gepleegd door een eigenonderdaan (onder b). Het aangepaste tweede lid van artikel 10 vanRichtlijn 2011/36/EU bevat de verplichting om de Commissie op de hoogtete stellen wanneer rechtsmacht wordt gevestigd op basis van bepaaldeandere, in het artikellid genoemde gronden (onder a tot en met c). Dittweede artikellid heeft in zoverre een facultatief karakter, dat dit lid nietertoe verplicht om in de omschreven situaties in het nationale recht inrechtsmacht te voorzien.Het is wenselijk dat de Nederlandse strafwetgeving ter zake van mensen-handel en aanverwante misdrijven brede bescherming biedt aanslachtoffers. Tegen die achtergrond is ervoor gekozen de richtlijnbepa-lingen over rechtsmacht ten aanzien van het in artikel 18bis omschrevenfeit op dezelfde wijze te implementeren als – ter implementatie vanRichtlijn 2011/36/EU – ten aanzien van het delict mensenhandel is gedaan.Dit houdt het volgende in. In het in artikel 10, eerste lid, onderdeel a,genoemde geval kan Nederland al op grond van het territorialiteitsbe-ginsel rechtsmacht uitoefenen (artikel 2 Sr). Bij het in artikel 10, eerste lid,onderdeel b, genoemde geval gaat het om het vestigen van extraterrito-riale rechtsmacht op grond van het actief nationaliteitsbeginsel. Terimplementatie daarvan zal – in lijn met de keuze die ten aanzien van hetdelict mensenhandel is gemaakt – artikel 4, vierde lid, van het Besluitinternationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (hierna: BIVR)worden aangevuld met het via dit wetsvoorstel aangepaste artikel 273gSr. Hierdoor is verzekerd dat Nederland ongeclausuleerde rechtsmachtheeft over dit feit, indien het buiten Nederland is gepleegd door eenNederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- ofverblijfplaats heeft. Ten aanzien van de drie gevallen die zijn opgesomd inartikel 10, tweede lid, van Richtlijn 2011/36/EU geldt dat Nederland opgrond van de huidige wettelijke regeling al rechtsmacht kan uitoefenenwanneer een strafbaar feit is gepleegd ten voordele van een op zijngrondgebied gevestigde rechtspersoon (onderdeel b). Uit jurisprudentievan de Hoge Raad kan immers worden afgeleid dat een Nederlandserechtspersoon als een «Nederlander» wordt aangemerkt (HR 18 oktober1988, Nederlandse Jurisprudentie 1989, 496). Op dezelfde wijze zal een inNederland gevestigde buitenlandse rechtspersoon als «ingezetene»kunnen worden aangemerkt. Dit betekent dat Nederland rechtsmacht kanuitoefenen op grond van artikel 2 Sr (wanneer het feit geheel of gedeel-telijk is gepleegd in Nederland) of (wanneer het feit buiten Nederland isgepleegd) op grond van artikel 7 Sr en artikel 6 Sr in combinatie metartikel 4 van het BIVR. De onderdelen a en c van de genoemde richtlijnbe-paling zien op de situatie dat respectievelijk het strafbaar feit in hetbuitenland is gepleegd tegen een eigen onderdaan of een persoon die zijnvaste woon- of verblijfplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat(onder a) en door iemand die zijn vaste woon- of verblijfplaats op zijngrondgebied heeft (onder c). In deze situaties kan Nederland ten aanzienvan die feiten op grond van artikel 6 Sr in verbinding met artikel 4, vijfdelid, BIVR rechtsmacht uitoefenen. Laatstgenoemde bepaling zal wordenaangevuld met artikel 273g van het Wetboek van Strafrecht. Dit wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 313 nader toegelicht in het hiervoor al genoemde besluit waarmee het BIVRzal worden aangepast.Met artikel 1, onderdeel 9, onder a, van de Herzieningsrichtlijnwordt in artikel 11, eerste lid, van Richtlijn 2011/36/EU gespecificeerd datlidstaten moeten zorgen voor gespecialiseerde bijstand aan en onder-steuning van slachtoffers, die genderbewust, toegesneden op handicapsen kindvriendelijk is, zodat zij hun rechten kunnen uitoefenen zoalsbepaald in Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voorde rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers vanstrafbare feiten.Vooropgesteld wordt dat het Nederlandse beleid inzake de aanpak vanmensenhandel in de basis breed is opgezet en daarmee betrekking heeftop alle groepen slachtoffers van dit delict. Het algemene slachtofferbeleiddat bijstand aan en ondersteuning van slachtoffers van strafbare feitenwaarborgt, is in overeenstemming met Richtlijn 2012/29/EU. Die richtlijn isper 1 april 2017 in de Nederlandse rechtsorde geïmplementeerd, bij Wetvan 8 maart 2017 (Stb. 2017, 90) en de – op die implementatiewetgebaseerde – algemeen verbindende voorschriften die zijn opgenomen inhet Besluit slachtoffers van strafbare feiten. Slachtoffers hebben voor,tijdens en gedurende een passende periode na de strafprocedurekosteloos toegang tot slachtofferhulporganisaties (artikel 2, eerste lid,Besluit slachtoffers van strafbare feiten (hierna ook: Bssf)). Wat betreft depassende periode na de strafprocedure wordt in de praktijk in wissel-werking tussen medewerkers van slachtofferhulporganisaties en hetslachtoffer bezien welke ondersteuning nodig is na het strafproces; zowelgedurende de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel als daarna. Deslachtofferhulporganisaties geven de benodigde informatie, bijstand enondersteuning (artikel 3, eerste lid, Bssf), eventueel onder rechtstreeksedoorverwijzing naar relevante gespecialiseerde hulporganisaties zoalsinstellingen in de medische sector of organisaties voor maatschappelijkwerk (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, Bssf). De slachtofferhulporgani-saties schenken bijzondere aandacht aan bepaalde specifieke behoeftenvan slachtoffers, zo volgt uit artikel 3, tweede lid, Bssf. In deze laatstebepaling zal – ter verzekering van de toepassing van artikel 1, onderdeel 9,onder a, van de Herzieningsrichtlijn – worden geëxpliciteerd dat daarbijook rekening wordt gehouden met de genderidentiteit, handicap of leeftijdvan het slachtoffer. Deze wijziging zal worden opgenomen in een terimplementatie van de Herzieningsrichtlijn op te stellen algemenemaatregel van bestuur, waarmee niet alleen het Besluit slachtoffers vanstrafbare feiten, maar ook het BIVR (zie de toelichting bij artikel 1,onderdeel 8) zal worden aangevuld. Tijdens het voorbereidend onderzoeken het onderzoek ter terechtzitting kunnen bijzondere (beschermings-)maatregelen worden genomen als op grond van een individuelebeoordeling blijkt dat een slachtoffer specifieke beschermingsbehoeftenheeft (artikelen 10 tot en met 12 Bssf). Minderjarige slachtoffers wordenper definitie beschouwd als slachtoffers met specifieke beschermingsbe-hoeften, vanwege hun kwetsbaarheid voor secundaire en herhaaldevictimisatie, voor intimidatie en voor vergelding (artikel 13, eerste lid,Bssf). Ter bescherming van deze groep kwetsbare slachtoffers kunnengedurende de strafprocedure bijzondere maatregelen worden getroffen(artikel 14 Bssf). Ten slotte maakt ook de eerder genoemde Aanwijzingmensenhandel van het openbaar ministerie deel uit van de algemenejuridische context die de toepassing van de genoemde richtlijnbepalingverzekert. Daarin is onder andere vastgelegd dat slachtofferzorg eencentrale plaats inneemt bij de aanpak van mensenhandel. Het gaat daarbijniet alleen om het middels strafrechtelijke interventies recht doen aanslachtoffers, maar ook om een correcte bejegening en bescherming vanhet slachtoffer en om ondersteuning tijdens het strafrechtelijk onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 314 en de strafprocedure. Aanwijzingen als deze berusten, zoals hiervoor albeschreven, op een wettelijke grondslag (artikel 130, zesde lid, van de Wetop de rechterlijke organisatie) en zijn bindend voor het openbaarministerie. Dat is vanuit het oogpunt van rechtszekerheid een belangrijkewaarborg.Ter uitvoering hiervan hanteren de opsporingsinstanties onder andere de«Individuele Beoordeling» van slachtoffers. Deze werkwijze ondersteuntde opsporingsambtenaar om slachtoffers beter te beschermen tegenherhaald slachtofferschap, secundaire victimisatie, intimidatie envergelding, in het bijzonder bij slachtoffers met bijzondere beschermings-behoeften, zoals Richtlijn 2012/29/EU en de onderhavige Herzienings-richtlijn beogen. De Individuele Beoordeling houdt in dat bij slachtoffersdie aangifte komen doen vanaf het eerste persoonlijke contact met depolitie beoordeeld wordt of er een verhoogde kans is op herhaling ofsprake is van een andere kwetsbaarheid. In de vervolgingsfase zet hetopenbaar ministerie deze lijn door. Zo wordt de rechter-commissaris invoorkomende gevallen altijd verzocht om het slachtoffer – bijvoorbeeld inhet kader van het uitoefenen van het ondervragingsrecht door deverdediging – opnieuw te laten horen door (bij voorkeur dezelfde)gecertificeerde rechercheurs. Een en ander is erop gericht dat deprocedures veilig en in een vertrouwelijke setting worden doorlopen. Dezewerkwijze draagt ook bij het aan voorkomen van secundaire victimisatie inhet bijzonder bij slachtoffers met bijzondere beschermingsbehoeften,zoals deze richtlijn (en de voorloper) en Richtlijn 2012/29/EU inzake hetslachtofferbeleid beogen.In aanvulling op het bovenstaande zijn er ten aanzien van bepaaldegroepen extra voorzieningen. In de eerste plaats is er binnen het op17 juni 2024 gepubliceerde Versterkte Actieplan programma Samen tegenmensenhandel (Kamerstukken II 2023/24, 28 638, nr. 251) een actielijnopgenomen (actielijn 6) die als doel heeft om specifiek de positie vanminderjarige slachtoffers te versterken. Minderjarige slachtoffers ervarendrempels om hulp te zoeken vanuit bijvoorbeeld schaamte of wantrouwennaar instanties. Professionals die werken met jongeren die kwetsbaar zijnvoor uitbuiting ervaren knelpunten in de preventie, signalering, meldingen zorg voor slachtoffers. Daarom wordt binnen de genoemde actielijningezet op versterking van onderzoek (waarbij de positie van jongerenmet een licht verstandelijke beperking expliciet wordt meegenomen), hetcreëren van een totaalbeeld van de huidige aanpak, en wordt erverbinding gelegd met andere landelijke programma’s gericht op deaanpak van uitbuiting van minderjarigen. De beschreven actielijn versterktook de uitvoering van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten vanhet Kind (hierna: VN-Kinderrechtenverdrag) en het bijbehorende Facul-tatief Protocol (Trb. 2001, 63) dat ertoe verplicht minderjarige slachtoffersextra te beschermen tegen mensenhandel en uitbuiting. In dat verbandworden in alle juridische procedures de belangen van het kind meege-wogen en zoveel mogelijk vooropgesteld. In het kader van kindvriende-lijke rechtspraak is er specifiek aandacht voor de positie van het kind alsslachtoffer of als verdachte. Binnen de politie zijn gecertificeerderechercheurs werkzaam die zijn opgeleid om de veelal kwetsbareslachtoffers (of verdachten) van mensenhandel te horen. Indien er sprakeis van een extra kwetsbaar slachtoffer of kwetsbare verdachte (bijvoor-beeld een minderjarige of een persoon met een licht verstandelijkebeperking), dan wordt altijd contact gelegd met de gespecialiseerderechercheurs voor een studioverhoor. Dit zijn vakspecialisten die eenverdiepende opleiding hebben gevolgd voor het horen van dezekwetsbare groepen in een kindvriendelijke ruimte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 315 In de tweede plaats wordt onder coördinatie van en in samenwerking methet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gewerkt aan eennationale strategie om de positie van mensen met een beperking teverbeteren. Onderdeel daarvan is dat mensen met een beperkingbeschermd moeten worden tegen geweld, misbruik en uitbuiting.In de derde plaats werkt het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG) aanverschillende maatregelen om slachtoffers met een handicap beteretoegang tot hulp en ondersteuning te bieden. Een voorbeeld is hetvoorzien in een tolk voor doven en slechthorenden voor de hulptelefoonvoor slachtoffers. Deze maatregel is recentelijk ingevoerd. Ook wordtdoorlopend voorlichting gegeven aan slachtoffers, hun naasten enomstanders. Mensen met een beperking vormen een risicogroep. Daarommaken de wijze van omgang met en bejegening van slachtoffers met eenfysieke of verstandelijke beperking onderdeel uit van de landelijkgeldende CSG-kwaliteitscriteria die in de praktijk worden toegepast. Ookis er binnen de zogeheten themamaanden aandacht voor voorlichtingover seksueel misbruik bij mensen met een (licht) verstandelijkebeperking.Hierbij is verder relevant dat een groot deel van de slachtoffers vanmensenhandel een licht verstandelijke beperking (LVB) heeft, terwijl ditniet altijd wordt herkend. Het is met name voor professionals van belangdergelijke situaties te herkennen zodat er passende begeleiding enbehandeling kan worden gegeven. Er heeft daarom een project plaatsge-vonden bij de organisatie Koraal, gericht op deze doelgroep. Doel van ditproject is om de kennis van professionals rondom uitbuiting (specifiekcriminele uitbuiting) en LVB te vergroten en handelingsperspectieven tebieden. Daarvoor is kennis en kunde opgehaald uit focusgroepen metprofessionals, zijn gesprekken gevoerd met jongeren en ouders en is ergekeken naar relevant onderzoek. Uit de gesprekken zijn praktischehandvatten gekomen voor professionals rondom het signaleren vanuitbuiting bij LVB, gespreksvoering en het bieden van behandelingsmoge-lijkheden. De opgedane kennis en kunde is samengevat en geborgd in vrijtoegankelijke handreikingen voor professionals uit verschillendedomeinen die met personen met een LVB en (potentiële) slachtoffers vanuitbuiting in aanraking komen. Deze worden gedeeld op verschillendekennisplatformen. Ook worden er presentaties voor verschillendesectoren door het hele land gegeven en wordt geïnvesteerd in kennisnet-werken om deze kennis en kunde vast te houden en te blijven ontwik-kelen.Artikel 1, onderdeel 9, onder b en c, van de Herzieningsrichtlijnwijzigt het vierde en vijfde lid van artikel 11 van Richtlijn 2011/36/EU envoegt een nieuw lid 5bis in.Het gewijzigde artikel 11, vierde lid, van Richtlijn 2011/36/EU bevat deverplichting om bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen een ofmeerdere verwijzingsmechanismen in te stellen voor de vroegtijdigeopsporing en identificatie van, en bijstand en ondersteuning aan,geïdentificeerde slachtoffers, in samenwerking met relevante hulpverle-ningsorganisaties, en om een contactpunt voor de grensoverschrijdendedoorverwijzing van slachtoffers aan te wijzen. Een verwijzingsmecha-nisme moet een transparant, toegankelijk en geharmoniseerd kader zijn.In een dergelijk kader moeten de deelnemende bevoegde autoriteiten,maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden wordenaangewezen en moeten hun taken worden vastgesteld. Die verwijzings-mechanismen kunnen de vorm aannemen van een reeks vastgesteldeprocedures, richtsnoeren, samenwerkingsregelingen of protocollen(overweging 15 bij de Herzieningsrichtlijn). De taken van deze verwijzings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 316 mechanismen houden in ieder geval in dat er minimumnormen vastge-steld moeten worden voor de opsporing en vroegtijdige identificatie vanslachtoffers en dat de procedures voor dergelijke opsporing en identifi-catie aangepast worden aan de verschillende vormen van uitbuiting dieonder deze richtlijn vallen (vierde lid, onder a), dat slachtoffers wordenverwezen naar de meest geschikte ondersteuning en bijstand (onder b) endat samenwerkingsregelingen of -protocollen worden opgezet met deasielautoriteiten, zodat er bijstand, ondersteuning en bescherming wordtgeboden aan slachtoffers van mensenhandel die internationalebescherming behoeven of wensen aan te vragen (onder c). Verder wordtartikel 11, vijfde lid, van Richtlijn 2011/36/EU aangevuld met voorbeeldenvan geschikte en veilige opvang van slachtoffers van mensenhandel, zoalsopvanghuizen. In het toegevoegde lid 5bis krijgt die opvang nadereinvulling, in die zin dat wordt voorgeschreven dat deze in voldoendeaantallen beschikbaar moeten worden gesteld en goed toegankelijkmoeten zijn voor vermoedelijke en geïdentificeerde slachtoffers vanmensenhandel.Het Nederlandse juridische en beleidsmatige kader waarborgt dewerkzaamheid van verwijzingsmechanismen als bedoeld in het gewijzigdeartikel 11, vierde lid, van Richtlijn 2011/36/EU. Artikel 51aa, tweede lid, Svvormt de juridische grondslag voor een verwijzingsmechanisme. Opgrond van die bepaling draagt de betrokken opsporingsambtenaar – eenmedewerker van de politie, de Koninklijke Marechaussee of van eenbijzondere opsporingsdienst – zorg voor verwijzing van slachtoffers vanmensenhandel naar een instelling voor slachtofferhulp waar zij toeganghebben tot informatie, advies en ondersteuning. Wat betreft die instel-lingen gaat het in dit verband in het bijzonder om het Coördinatiecentrumtegen Mensenhandel (hierna: CoMensha) en Slachtofferhulp Nederland.Daarbij gaat het openbaar ministerie, dat het gezag heeft over deopsporing van mensenhandel, uit van een slachtofferpresumptie:uitgangspunt is dat het vermoedelijke slachtoffer van een strafbaar feiteen slachtoffer is totdat het tegendeel komt vast te staan (Aanwijzingslachtoffers in het strafproces (Stcrt. 2024, 4318)). De slachtofferhulporga-nisatie waarnaar het slachtoffer is verwezen, geeft de benodigdeinformatie, bijstand en ondersteuning (artikel 3, eerste lid, Bssf) –eventueel onder rechtstreekse doorverwijzing naar relevante gespeciali-seerde hulporganisaties zoals instellingen in de medische sector oforganisaties voor maatschappelijk werk (artikel 3, eerste lid, onderdeel b,Bssf) – zodat het slachtoffer de meest geschikte ondersteuning en bijstandkan worden gegeven. In het verlengde hiervan zal in het Besluit slacht-offers van strafbare feiten – ter volledige implementatie van het gewij-zigde artikel 11, vierde lid, van Richtlijn 2011/36/EU – in het genoemdebesluit een grondslag worden opgenomen, op basis waarvan CoMenshaformeel als contactpunt voor de grensoverschrijdende doorverwijzing vanslachtoffers wordt aangewezen. Waar het gaat om slachtoffers vanmensenhandel die internationale bescherming behoeven of deze wensenaan te vragen, bedoeld in het gewijzigde artikel 11, vierde lid, onderdeel c,van Richtlijn 2011/36/EU, bestaan er al samenwerkingsprotocollen. Er isbijvoorbeeld een procesbeschrijving die ziet op het overdragen vanpersonen vanuit de Categorale opvang slachtoffers mensenhandel naarhet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (locatie Ter Apel). Daarnaast ishet altijd mogelijk voor een slachtoffer van mensenhandel om asiel aan tevragen. Dit kan in samenwerking met de advocaat die een vermoedelijkslachtoffer van mensenhandel bijstaat. Hoe deze processen verlopen isgrotendeels vastgelegd in gepubliceerde en bindende beleidsregels diezijn opgenomen in Hoofdstuk B8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (B).Bij het hiervoor geschetste nationale verwijzingsmechanisme speeltCoMensha een cruciale rol bij de bescherming van slachtoffers vanmensenhandel. Zowel professionals, burgers als slachtoffers kunnen bijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 317 dit landelijk coördinatiecentrum terecht voor het melden van vermoedensvan uitbuiting en het aanmelden van (vermoedelijke) slachtoffers vanmensenhandel. CoMensha coördineert de eerste plaatsing van slacht-offers in opvanginstellingen of verwijst naar passende hulpverlening enzorg. Ook heeft CoMensha exclusieve plaatsingsbevoegdheid voor deeerste opvang van slachtoffers zonder rechtmatig verblijf in Nederlandmet het oog op de aan hen verleende bedenktijd voor het doen vanaangifte, in het geval van een geringste aanwijzing dat sprake is vanmensenhandel. Voor slachtoffers met multiproblematiek doet CoMenshade triage en coördinatie. Recentelijk is de informatie van de Wegwijzermensenhandel (voorheen de website vanuit de rijksoverheid die infor-matie verschafte over hoe om te gaan met mogelijke slachtoffersmensenhandel) geïntegreerd op de website van CoMensha. Dit betekentdat op de website van CoMensha informatie omtrent opvang, zorg enhulpverlening te vinden is. CoMensha beschikt ook over een telefonischehelpdesk. Als landelijk coördinatiecentrum geeft CoMensha verder inzichtin de aard en omvang van mensenhandel in Nederland op basis van deregistratie mede ten behoeve van de Nationaal Rapporteur Mensenhandelen Seksueel Geweld tegen Kinderen. In 2025 wordt gewerkt aan hetopzetten van één centraal informatiepunt waar slachtoffers, eerstelijnsprofessionals en burgers op een laagdrempelige en toegankelijke manierworden geïnformeerd en worden doorverwezen naar het juiste loket voorvragen over aangifte, hulp en opvang. In de periode 2025–2026 wordt hetcentraal informatiepunt doorontwikkeld naar een instrument van waaruit(vermoedelijke) slachtoffers van mensenhandel worden doorverwezennaar de juiste instantie. De vaste subsidieverstrekking door de overheidaan Comensha en Slachtofferhulp Nederland maakt dat de continuïteitvan deze voorzieningen voor de toekomst is geborgd.In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat in het kader van het specifiekebeleid inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en debescherming van slachtoffers binnen hulpverleningsinstanties, zorginstel-lingen, gemeenten en opsporingsinstanties veel aandacht is voor eenvroegtijdige en juiste signalering van slachtoffers van mensenhandel,zodat die slachtoffers de juiste bijstand en ondersteuning krijgen. Binnende bestaande protocollen, trainingen en cursussen wordt aandachtbesteed aan signalen van mensenhandel. Zo heeft het Centrum voorCriminaliteitspreventie en Veiligheid e-learnings voor baliemedewerkersen toezichthouders ontwikkeld om signalen van mensenhandel te lerenherkennen. CoMensha verzorgt diverse voorlichtings- en bewustwor-dingsbijeenkomsten, bedoeld voor betrokken organisaties en professi-onals. Daarnaast ondersteunt CoMensha gemeenten bij de ontwikkelingvan beleid ten aanzien van de aanpak van mensenhandel. Verder loopteen pilot met enkele gemeenten om te onderzoeken in hoeverre deDomein Overstijgende Informatie gestuurde Werkwijze (DIGW), die onderandere door de politie wordt gebruikt, ook toepasbaar is in het gemeen-telijk domein met het oog op signalering van mensenhandel. DIGW heeftbetrekking op data-gestuurde signalering. De inzichten uit deze pilotworden meegenomen in de analyse van de werkwijze in de aanpak vanmensenhandel. Dergelijke signalen moeten in alle gevallen wordenopgepakt door de opsporingsinstanties. Dat betekent dat wordt bekekenof er voldoende relevante aanknopingspunten voor opsporing zijn. Als dathet geval is, dienen deze in overleg met de officier van justitie te wordenonderzocht. Uitgangspunt is dat naar (rechts)personen die een aandeelhebben in het tewerkstellen en uitbuiten van slachtoffers van mensen-handel strafrechtelijk onderzoek wordt verricht (artikel 2.1 van deeerdergenoemde Aanwijzing mensenhandel). Voor vermoedelijkeslachtoffers van mensenhandel, zonder verblijfsrecht in Nederland, biedende opsporingsinstanties het slachtoffer al bij de geringste aanwijzing datsprake is van mensenhandel een bedenktijd aan, waarbij de Immigratie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 318 en Naturalisatiedienst (IND) het vertrek uit Nederland van dit slachtofferopschort (Vreemdelingencirculaire 2000 (B), Hoofdstuk B8 «Humanitairtijdelijk», paragraaf 3 «Slachtoffers en getuige-aangevers van mensen-handel»; hierna ook de B8/3-verblijfsregeling). Om deze aanpak teversterken wordt binnen actielijn 3 van het Versterkte Actieplanprogramma Samen tegen mensenhandel gewerkt aan een betereidentificatie van slachtoffers. Hiertoe wordt verkend of de vaststelling datiemand een slachtoffer van mensenhandel is en daarom in aanmerkingkomt voor de B8/3-verblijfsregeling, niet meer alleen kan worden gedaandoor de opsporingsdiensten, maar losgekoppeld kan worden van hetmogelijke opsporingsonderzoek.Daarnaast wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn om een passendaanbod van opvang en/of hulpverlening voor alle slachtoffers vanmensenhandel te creëren zodat voor elk slachtoffer de juiste opvangbeschikbaar is. Hierbij worden de in artikel 11, lid 5bis, van de richtlijngenoemde aspecten meegenomen. Met deze acties wordt ingezet op eenverbetering van het al bestaande beleid inzake de signalering en identifi-catie van slachtoffers, en ook de verwijzing van slachtoffers naar de meestgeschikte bijstand en ondersteuning.Op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deJeugdwet zijn gemeenten verantwoordelijk voor passende opvang,ondersteuning en nazorg voor slachtoffers van mensenhandel dierechtmatig in Nederland verblijven. Opvang en ondersteuning wordenafgestemd op de individuele omstandigheden en mogelijkheden van hetslachtoffer. De verantwoordelijkheid van de gemeente strekt zich niet uittot derdelanders zonder rechtmatig verblijf in Nederland die vermoedelijkslachtoffer zijn van mensenhandel. Voor die specifieke groep en hunkinderen voorziet de Categorale Opvang Slachtoffers Mensenhandel(COSM) gedurende de bedenktijd voor het doen van aangifte vanmaximaal drie maanden in een veilige opvangplek en passende onder-steuning van het slachtoffer. Aan slachtoffers van mensenhandel wordteen tijdelijke verblijfsvergunning verstrekt – waarmee sprake is vanrechtmatig verblijf – als zij van dit feit aangifte doen of anderszins aan hetstrafrechtelijk onderzoek medewerking verlenen.Op grond van het geschetste juridische kader en de aanvullende beleids-maatregelen die al zijn getroffen of op basis van het Versterkte Actieplanzullen worden getroffen, zal volledige toepassing worden gegeven aan dein artikel 1, onderdeel 9, onder b en c, van de Herzieningsrichtlijnopgenomen verplichtingen.Artikel 11, zesde lid, van Richtlijn 2011/36/EU verwijst naar enkelerichtlijnen die inmiddels zijn vervangen door verordeningen. Met artikel1, onderdeel 9, onder d, van de Herzieningsrichtlijn zijn dieverwijzingen geactualiseerd. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat de inartikel 11, vijfde lid, van Richtlijn 2011/36/EU bedoelde informatie diewordt verschaft aan slachtoffers van mensenhandel in voorkomend gevalinformatie behelst over de mogelijke bedenk- en hersteltijd overeen-komstig Richtlijn 2004/81/EG dan wel verlening van internationalebescherming overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1347 en Verordening(EU) 2024/1348. Deze informatieplicht wordt neergelegd in «Hoofdstuk 3Informatie over rechten en voorzieningen» van het Besluit slachtoffers vanstrafbare feiten.Met artikel 1, onderdeel 10, van de Herzieningsrichtlijn wordt eennieuw artikel 11bis ingevoegd in Richtlijn 2011/36/EU. Deze nieuwebepaling heeft het oog op slachtoffers van mensenhandel die mogelijkinternationale bescherming nodig hebben. Het eerste artikellid schrijftvoor dat er complementariteit en coördinatie is tussen de autoriteiten dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 319 betrokken zijn bij de bestrijding van mensenhandel en de asielautoriteiten.Het tweede lid van artikel 11bis bepaalt dat lidstaten ervoor moetenzorgen dat slachtoffers van mensenhandel hun recht om asiel aan tevragen kunnen uitoefenen, ook als zij hulp, ondersteuning enbescherming ontvangen als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel.De asielautoriteit in Nederland, de IND, werkt al goed samen met deautoriteiten die betrokken zijn bij de bestrijding van mensenhandel. Zoheeft de IND een meldstructuur voor signalen die duiden op slachtoffer-schap van mensenhandel. Dergelijke signalen in het kader van eenaanvraag tot het verlenen van asiel, worden gedeeld met partners dieverantwoordelijk zijn voor het identificeren van slachtoffers van mensen-handel. Waar het gaat om aanvragen voor een reguliere verblijfs-vergunning voor slachtoffers van mensenhandel, is er contact tussen deIND enerzijds en de politie (AVIM) en het openbaar ministerie anderzijds.Verder is er nauw contact tussen de IND en hulpverleningsinstanties(opvanghuizen en CoMensha). Voor de situatie waarin slachtoffers vanmensenhandel internationale bescherming behoeven of wensen aan tevragen bestaan er al samenwerkingsprotocollen. Daarvoor wordtverwezen naar de hiervoor opgenomen toelichting op artikel 1, onderdeel9, onder b en c, van de Herzieningsrichtlijn.De wijziging opgenomen in artikel 1, onderdeel 11, van de Herzie-ningsrichtlijn is louter technisch van aard. In artikel 12, eerste lid, vanRichtlijn 2011/36/EU wordt de verwijzing naar het inmiddels vervangenKaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in strafprocedures(Kaderbesluit 2001/220/JBZ) geactualiseerd door een verwijzing naar dehuidige Richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, deondersteuning en de bescherming van slachtoffers (Richtlijn 2012/29/EU)op te nemen. Dit vergt geen aanpassing van beleid of regelgeving.Aan artikel 13 van Richtlijn 2011/36/EU, dat algemene bepalingen bevatinzake bijstand, ondersteuning en bescherming van minderjarigeslachtoffers van mensenhandel, wordt met artikel 1, onderdeel 12, vande Herzieningsrichtlijn een derde lid toegevoegd. Dit nieuwe artikellidverplicht ertoe dat de procedures voor aangifte van een strafbaar feit uithoofde van deze richtlijn veilig zijn en, in overeenstemming met hetnationale recht, vertrouwelijk zijn en qua opzet en taalgebruik kindvrien-delijk zijn.Nederland voldoet met de bestaande praktijk rondom de bestrijding vanmensenhandel al aan deze verplichtingen. Zo werken er binnen de politiegecertificeerde rechercheurs die zijn opgeleid om de veelal kwetsbareslachtoffers (of verdachten) van mensenhandel te horen. Indien er sprakeis van een extra kwetsbaar slachtoffer of extra kwetsbare verdachte(bijvoorbeeld een minderjarige of een persoon met een licht verstande-lijke beperking) wordt altijd contact gelegd met de gespecialiseerdezedenrechercheurs voor een studioverhoor. Ook als in voorkomendegevallen rechercheurs van de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectiezijn betrokken, vindt het verhoor plaats in een speciale verhoorstudio enmet behulp van een verhoorspecialist. Ook in de vervolgingsfase wordt invoorkomende gevallen altijd verzocht om het slachtoffer – bijvoorbeeld inhet kader van het uitoefenen van het ondervragingsrecht door deverdediging – opnieuw te laten horen door (bij voorkeur dezelfde)gecertificeerde rechercheurs in een studio (zie al de toelichting op artikel1, onderdeel 9, onder a, van de Herzieningsrichtlijn, die is opgenomen indeze memorie van toelichting).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 320 Artikel 1, onderdeel 13, van de Herzieningsrichtlijn past artikel 14van Richtlijn 2011/36/EU – dat betrekking heeft op het bijstaan enondersteunen van minderjarige slachtoffers – op drie punten aan.In de eerste plaats wordt aan het eerste lid van die bepaling toegevoegddat er specifieke programma’s moeten worden ontwikkeld om hunovergang naar emancipatie en volwassenheid te ondersteunen en zoherhaald slachtofferschap te voorkomen, naast de al bestaandeverplichting om maatregelen te nemen om minderjarige slachtoffers vanmensenhandel op korte en lange termijn bij te staan en te steunen bij hunfysieke en psychosociale herstel. De verplichtingen die voortkomen uit dehuidige richtlijnbepaling zijn al omgezet binnen het centrale slachtoffer-beleid. In het Nederlandse slachtofferbeleid heeft ieder slachtoffer rechtop gratis hulp, advies en informatie. Hiervoor kunnen zij terecht bij ondermeer Slachtofferhulp Nederland, die juridische, praktische en emotionelehulp kan bieden. Slachtofferhulp Nederland heeft hierbij ook specialeaandacht voor jongeren via onder meer een uitgebreide online dienstver-lening. Als het gaat om minderjarige slachtoffers van mensenhandelkunnen zij gespecialiseerde (jeugd)hulp ontvangen. Er zijn verschillendeorganisaties met expertise op het gebied van onder andere minderjarigeslachtoffers mensenhandel, zoals Fier en Ster Huis. Deze organisatieshebben al speciaal voor deze doelgroep zorgprogramma’s ontwikkeld,waarvan de hiervoor genoemde elementen deel uitmaken. Tevens wordtdoor het Centrum Seksueel Geweld multidisciplinaire zorg op maataangeboden aan slachtoffers van geweld om herhaald slachtofferschap tevoorkomen.In de tweede plaats wordt artikel 14, tweede lid, van Richtlijn 2011/36/EUaangevuld. Op grond van de bestaande bepaling zijn lidstaten in bepaaldegevallen verplicht een voogd of vertegenwoordiger voor het minderjarigeslachtoffer aan te wijzen. Hieraan wordt toegevoegd dat lidstaten ervoormoeten zorgen dat er in het geval van een belangenconflict tussen devoogd of de vertegenwoordiger en het minderjarige slachtoffer, eenandere voogd of vertegenwoordiger aangewezen wordt. Daarbij geldt datindien er overeenkomstig deze richtlijn een voogd en/of een vertegen-woordiger voor het kind moet worden aangesteld, deze functies doordezelfde persoon of door een rechtspersoon, een instelling of eeninstantie mogen worden uitgeoefend (overweging 24 bij de Herzienings-richtlijn). De nieuwe verplichting is al in het geldende Nederlandse rechtgeïmplementeerd: indien de rechter dit bij een belangenconflict tussendegene(n) die het ouderlijk gezag heeft of de voogdij uitoefent enerzijdsen het minderjarige slachtoffer anderzijds in het belang van de minder-jarige noodzakelijk acht, benoemt de rechter ambtshalve of op verzoekvan een belanghebbende – waaronder de politie of de officier van justitie– een bijzondere curator om de minderjarige ter zake te vertegenwoor-digen (artikel 14, aanhef en onderdeel b, Bssf in verbinding met artikel1:250 in verbinding met artikel 247, tweede lid, van Boek 1 van hetBurgerlijk Wetboek).In de situatie dat er geen goede match is tussen de jeugdbeschermer vanNidos (de organisatie die jeugdbescherming voor vluchtelingen verzorgt)en een alleenstaande minderjarige asielzoeker (hierna: amv), kan de amvdit bij Nidos aangeven. In dat geval zal worden gezocht naar een anderejeugdbeschermer. Er is ook een mogelijkheid voor de amv om een klachtin te dienen bij Nidos over diens jeugdbeschermer. De amv kan daarnaastaltijd een (interne of externe) vertrouwenspersoon inschakelen. Voortswordt bij het in dienst nemen van elke jeugdbeschermer een door diepersoon aangevraagde Verklaring Omtrent Gedrag beschikbaar gesteldaan Nidos, om te kunnen achterhalen of de aspirant-jeugdbeschermergeen strafbare feiten heeft gepleegd en met minderjarigen kan werken. Inhet beschreven proces wordt aansluiting gezocht bij de Jeugdwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 321 In derde plaats wordt de in artikel 14, derde lid, opgenomen verwijzingnaar het vervallen kaderbesluit vervangen door een verwijzing naarRichtlijn 2012/29/EU. Dit behoeft geen aanpassing van beleid of regel-geving.De artikelen 17 (schadevergoeding van slachtoffers) en 18 (preventie) vanRichtlijn 2011/36/EU worden in Artikel 1, onderdeel 14, van deHerzieningsrichtlijn opnieuw vastgesteld.Artikel 17 schrijft nu al voor dat lidstaten ervoor dienen te zorgen datslachtoffers van mensenhandel toegang hebben tot regelingen voorschadevergoeding voor slachtoffers van geweldsmisdrijven. Artikel 1,onderdeel 14, van de Herzieningsrichtlijn voegt daaraan toe dat delidstaten ervoor kunnen kiezen (zij zijn hiertoe niet verplicht) overeen-komstig hun nationale wetgeving een nationaal fonds voor slachtoffers ofeen vergelijkbaar instrument op te zetten voor de schadevergoeding vanslachtoffers. In Nederland kan een slachtoffer zich behalve langs civiel-rechtelijke weg ook op basis van de algemene strafvorderlijke regelingmet een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen inhet strafproces (artikel 51f e.v. Sv). Bij een veroordeling kan de rechter (inaanvulling op de (gedeeltelijke) toewijzing van die vordering) eenschadevergoedingsmaatregel opleggen, waarmee aan de veroordeelde deverplichting wordt opgelegd een geldbedrag aan de staat te betalen tenbehoeve van het slachtoffer (artikel 36f Sr). Mensenhandel is bovendieneen «geweldsmisdrijf» in de zin van de Wet schadefonds geweldsmis-drijven. Dit brengt mee dat slachtoffers van mensenhandel daarnaast demogelijkheid hebben om bij het genoemde schadefonds een aanvraagdoen voor een financiële tegemoetkoming (artikel 3 van de Wet schade-fonds geweldsmisdrijven). Gelet op de hiervoor beschreven al bestaandemogelijkheden in Nederland is er geen aanleiding om een (aanvullend)nationaal fonds voor slachtoffers of een vergelijkbaar instrument op tezetten.Op basis van artikel 18, eerste lid, van Richtlijn 2011/36/EU hebbenlidstaten nu al de taak om maatregelen te nemen om de vraag die devoedingsbodem is voor alle vormen van uitbuiting te ontmoedigen en tedoen afnemen. Artikel 1, onderdeel 14, van de Herzieningsrichtlijn voegtdaaraan toe dat hierbij rekening moet worden gehouden met de speci-fieke kenmerken van de verschillende vormen van uitbuiting. Passendemaatregelen die daartoe kunnen worden getroffen zien bijvoorbeeld oponderwijs, opleiding en campagnes, aldus artikel 18, tweede lid, vanRichtlijn 2011/36/EU. In aanvulling daarop is opgenomen dat aandachtmoet uitgaan naar de online dimensie, waaronder de bevordering van dedigitale geletterdheid en vaardigheden. In het kader van deze maatregelenkan samengewerkt worden met de betrokken organisaties uit hetmaatschappelijk middenveld en andere betrokkenen, zoals de particulieresector. De maatregelen dienen genderbewust, toegesneden op handicapsen kindvriendelijk te zijn.Binnen het huidige beleid ten aanzien van de bestrijding van mensen-handel is reeds aandacht voor bewustwording van verschillendedoelgroepen. Dit vindt plaats binnen de opleidingen van verschillendeprofessionals (die onder andere werkzaam zijn in de asielketen, hetonderwijs of bij gemeenten) en via aparte bewustwordingscampagnes dieregelmatig georganiseerd worden door (lokale) overheden dan welniet-gouvernementele organisaties. Voorts wordt binnen Actielijn 1 vanhet al meermalen genoemde Versterkte Actieplan programma Samentegen mensenhandel ingezet op een brede bewustwording rond hetthema mensenhandel zodat mensenhandel eerder wordt gesignaleerd enkan worden voorkomen. Om de bewustwording van professionals,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 322 (potentiële) slachtoffers en burgers te vergroten zal een gerichte commu-nicatiestrategie worden opgezet met blijvende aandacht voor de rol vansocial media en met als doel om specifieke groepen (zoals bijvoorbeeldminderjarigen en personen met een licht verstandelijke beperking) tebereiken die in aanraking kunnen komen met mensenhandel. Onderdeelvan de communicatiestrategie is dat er een duidelijk handelingsper-spectief voor de doelgroep is, zoals over het melden van mensenhandelen waar informatie over mensenhandel kan worden gevonden. Decommunicatiestrategie richt zich in eerste instantie op eerstelijnsprofessionals en in tweede instantie op het bredere publiek. In decommunicatiestrategie wordt ook de samenwerking gezocht metbestaande campagnes. De communicatiestrategie zal zich richten opseksuele uitbuiting, arbeidsuitbuiting en criminele uitbuiting.Met artikel 1, onderdeel 15, van de Herzieningsrichtlijnwordentwee artikelen toegevoegd aan Richtlijn 2011/36/EU: de artikelen 18bis en18ter. Het genoemde artikel 18bis verplicht tot het strafbaar stellen van hetopzettelijk gebruikmaken van diensten die worden verleend door eenslachtoffer van mensenhandel als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn2011/36/EU, indien het slachtoffer wordt uitgebuit om dergelijke dienstente verlenen en de gebruiker van de diensten weet dat de persoon die dediensten verleent een slachtoffer is van mensenhandel. Op dit feit moetendoeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke straffenworden gesteld.In Nederland is de in artikel 18bis omschreven gedraging al strafbaar voorzover het gaat om het opzettelijk gebruikmaken van seksuele dienstver-lening door een slachtoffer van mensenhandel (artikel 273g Sr). Tervolledige implementatie van de genoemde richtlijnbepaling wordt diestrafbaarstelling verbreed tot andere soorten dienstverlening, zodat ookniet-seksuele dienstverlening onder de reikwijdte daarvan zal vallen. Destrafbaarstelling wordt nader toegelicht in het artikelsgewijze deel vandeze memorie van toelichting.Door invoeging van artikel 18ter in Richtlijn 2011/36/EU verplicht artikel 1,onderdeel 15, van de Herzieningsrichtlijn de lidstaten er verder toe omregelmatige en gespecialiseerde opleidingen aan professionals die incontact zullen komen met slachtoffers of potentiële slachtoffers vanmensenhandel, aan te bieden of het aanbieden van die opleidingen tebevorderen. Binnen het huidige beleid inzake de bestrijding van mensen-handel worden al veel professionals opgeleid om (potentiële) slachtoffersvan mensenhandel op te sporen, te identificeren, bij te staan, te onder-steunen en te beschermen. CoMensha, het landelijk coördinatiecentrumtegen mensenhandel, maakt door middel van de Mensenhandel Academyinzichtelijk welke opleidingen, trainingen en toolkits beschikbaar zijn voorprofessionals, om slachtoffers van mensenhandel beter te signaleren ente ondersteunen. Onderdelen van de Academy richten zich op specifiekedoelgroepen van professionals (bijvoorbeeld in de asielketen, hetonderwijs, bij gemeenten). Veel trainingen worden verzorgd doorniet-gouvernementele organisaties zoals FairWork (met het oog oparbeidsuitbuiting) en het Rode Kruis (met het oog op ongedocumenteerdeslachtoffers). Tussen de betrokken organisaties vindt afstemming plaatsover de inhoud van de trainingen en samenwerking in de uitvoering. Dealgemene website van CoMensha bevat veel informatie over en voorslachtoffers van mensenhandel. Deze is samengevoegd met de informatievan de Mensenhandel Academy. Alle relevante informatie is dan op éénplek voor eenieder beschikbaar. FairWork verzorgt trainingen in het kadervan preventie van arbeidsuitbuiting en het signaleren en ondersteunenvan mogelijke slachtoffers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 323 Binnen de politie worden eerstelijns professionals middels eene-learningmodule opgeleid voor het signaleren van mensenhandel. Meerverdiepend bestaat voor deze medewerkers de mogelijkheid om eenopleiding «Zicht op Mensenhandel» te volgen. De gespecialiseerderechercheurs van de teams die zich specifiek met de opsporing vanmensenhandel bezighouden, volgen een verplichte opleiding «OpsporingMensenhandel», waarna zij gecertificeerd zijn om informatieve- enaangiftegesprekken met slachtoffers van mensenhandel te voeren Dezeopleidingen worden eveneens gevolgd door gespecialiseerde recher-cheurs van de Afdeling Arbeidsuitbuiting van de Opsporingsdienst van deArbeidsinspectie. Daarnaast worden bij de Arbeidsinspectie ook dearbeidsinspecteurs getraind in het herkennen van signalen van arbeidsuit-buiting tijdens de uitoefening van hun werk. Dit gebeurt door middel vaneen e-learningsmodule.De Koninklijke Marechaussee heeft vanwege haar grensgerelateerde takeneen bijzondere positie in het melden van signalen van mensenhandel. Deeerstelijns opsporingsambtenaren krijgen via e-learning onderwijs overmensenhandel, terwijl ervaren opsporingsambtenaren een verdiepings-module over mensenhandel en de daarvoor geldende juridische kaderskunnen volgen. De medewerkers van de Koninklijke Marechaussee die deintake gesprekken voeren met mogelijke slachtoffers zijn specifiekopgeleid voor het herkennen van signalen van mensenhandel tijdens deuitvoering van grenspolitietaken en het aangaan van een informatiefgesprek en eventueel het opnemen van een aangifte. Om de benodigdespecialistische kennis bij de rechercheurs up-to-date te houden werkt deArbeidsinspectie samen met de politie en de Koninklijke Marechausse bijde ontwikkeling van een gezamenlijk leermiddel vanuit de Politieaca-demie. Om de kenbaarheid, kennis en het netwerk te vergroten, blijftgeïnvesteerd worden in kennisdeling en samenwerkingen met interna-tionale en nationale partners, zoals binnen het samenwerkingsverbandCEPOL, dat gericht op de training van Europese wetshandhavers.Ook aan rechters en officieren van justitie worden gespecialiseerdeopleidingen aangeboden. Zo is recent een cursus ontwikkeld voorofficieren van justitie in opleiding die gaat over het herkennen vansignalen van mensenhandel. Ieder arrondissementsparket heeft eengespecialiseerde mensenhandelofficier, die specialistischeSSR-opleidingen heeft gevolgd over mensenhandel. Deze specifiekeopleidingen staan open voor alle professionals van het OM en derechtspraak die te maken hebben met mensenhandel. De mensenhandel-officieren bieden periodiek aan om in gesprek te gaan met collega’s diebinnen de organisatie in aanraking komen met verdachten en/of slacht-offers van mensenhandel, met als doel het vergroten van de internebewustwording van en kennisoverdracht. Binnen de rechtspraak is er ookaandacht voor opleidingen en kennisverdieping voor rechters engerechtsjuristen. Zo worden er cursussen aanboden, gericht op bewust-wording van mensenhandelpraktijken in Nederland en op Europees eninternationaal niveau (basiscursus) en op kennisverdieping op het gebiedvan mensenhandel (verdiepende cursus). Het in complexe situatieskunnen toepassen van relevante wet- en regelgeving is daarbij eenleerdoel. Dat geldt ook voor het vergroten van de bewustwording op hetgebied van mensenhandel en de slachtoffers. Ook wordt er voor dezelfdedoelgroep ieder jaar een Themadag uitgevoerd waar telkens een anderonderwerp wordt uitgelicht.Artikel 1, onderdeel 16, van de Herzieningsrichtlijn zorgt ervoor datartikel 19 van Richtlijn 2011/36/EU wordt opgedeeld in drie leden. Heteerste lid stelt dat lidstaten een nationale coördinator of een soortgelijkmechanisme aanstellen ten behoeve van de bestrijding van mensen-handel en deze te voorzien van voldoende middelen. De nationalecoördinator dient samen te werken met alle relevante partijen binnen hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 324 mensenhandeldomein. In artikel 19, tweede lid, zoals opgenomen in deHerzieningsrichtlijn worden vervolgens de taken van de coördinatorbenoemd. Deze taken omvatten het monitoren van trends inzakemensenhandel, het meten van resultaten van de maatregelen door hetverzamelen van statistieken in nauwe samenwerking met relevanteorganisaties uit het maatschappelijk middenveld, en rapportage hiervan.De taak van de coördinator kan meer omvatten, te weten het opstellen vannoodplannen om ernstige noodsituaties te voorkomen, en het bevor-deren, coördineren en eventueel financieren van programma’s terbestrijding van mensenhandel. Het verschil met het oorspronkelijke artikel19 is dat daar de verplichting in stond om een nationaal rapporteur of eensoortgelijk mechanisme aan te stellen. Deze expliciete rol van de nationaalrapporteur is met het nieuwe artikel 19 komen te vervallen. Artikel 19,derde lid, van de Herzieningsrichtlijn laat de ruimte om de monitorings-en rapporteringstaken bij een onafhankelijk orgaan te beleggen en opdeze manier alsnog iemand aan te stellen in de onafhankelijke rol van eennationaal rapporteur.Om uitvoering te geven aan het nieuwe tweede lid van artikel 19 is inNederland de rol van de nationale coördinator belegd binnen hetMinisterie van Justitie en Veiligheid. De nationaal coördinator kan tenminste belast worden met de in die bepaling genoemde taken, welke zienop het opstellen van noodplannen en de bevordering, coördinatie en invoorkomend geval financiering van programma’s ter bestrijding vanmensenhandel. Deze rol wordt vervuld door de coördinerend bewinds-persoon bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid die namens hetkabinet spreekt op het dossier mensenhandel en die verantwoordelijk isvoor de coördinatie van het beleid inzake de bestrijding en voorkomingvan mensenhandel.Verder kent Nederland sinds 2000 het instituut van de NationaalRapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna:Nationaal Rapporteur). Ter implementatie van het oorspronkelijke artikel19 van Richtlijn 2011/36/EU is de positie van de Nationaal Rapporteurdestijds wettelijk verankerd in de Wet Nationaal rapporteur mensenhandelen seksueel geweld tegen kinderen. Op grond van artikel 5 van die wetheeft de Nationaal Rapporteur de taak om de ontwikkelingen in deomvang en kenmerken van mensenhandel en seksueel geweld tegenkinderen alsmede de effecten van genomen beleidsmaatregelen in deaanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen teonderzoeken. De Nationaal Rapporteur heeft ook de taak de regering teadviseren over de voorkoming en bestrijding van mensenhandel enseksueel geweld tegen kinderen, en hier periodiek over te rapporteren aande regering door toezending van zijn rapporten aan de Minister vanJustitie en Veiligheid. Gelet op deze structuur zullen de in artikel 19,tweede lid, genoemde taken die zien op monitoring, het meten vanresultaten, onder meer door het verzamelen van statistieken, enrapportage, belegd blijven bij de Nationaal Rapporteur (zie ook artikel 1,onderdeel 17 van de Herzieningsrichtlijn).Artikel 1, onderdeel 17, van de Herzieningsrichtlijn voegt artikel19bis (gegevensverzameling en statistieken) en artikel 19ter (nationaalactieplan ter bestrijding van mensenhandel) toe aan Richtlijn 2011/36/EU.Artikel 19bis bevat voorschriften over een systeem voor de registratie,productie en verstrekking van geanonimiseerde statistische gegevens omtoezicht te houden op de doeltreffendheid van de systemen van lidstatenvoor het bestrijden van de in Richtlijn 2011/36/EU bedoelde strafbarefeiten (eerste lid). De statistische gegevens omvatten, ten minste, opcentraal niveau beschikbare gegevens – die in bepaalde gevallen moetenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 325 worden uitgesplitst naar bijvoorbeeld registrerende organisatie, geslachtof leeftijdsgroep – over het aantal geïdentificeerde en vermoedelijkeslachtoffers van mensenhandel (tweede lid, onderdeel a), het aantalpersonen dat verdacht wordt van mensenhandel (onderdeel b), het aantalpersonen tegen wie vervolging is ingesteld wegens mensenhandel(onderdeel c), het aantal beslissingen tot vervolging (onderdeel d), hetaantal personen dat veroordeeld is wegens mensenhandel (onderdeel e),en het aantal rechterlijke uitspraken ten aanzien van mensenhandel(onderdeel f). Daarnaast dienen de lidstaten op nationaal niveaubeschikbare gegevens te verstrekken over het aantal in verband met hetartikel 18bis van de richtlijn bedoelde strafbaar feit verdachte, vervolgdeen veroordeelde personen (onderdeel g). Nederland voldoet al aan dezeverplichtingen. De genoemde gegevens kunnen uit bestaande politie- enjustitieregistraties worden gehaald en verstrekt aan de EuropeseCommissie (artikelen 15a en 22 van de Wet politiegegevens en deartikelen 15 en 39ga van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens).Ook worden de gegevens bijgehouden door CoMensha als het slacht-offers van mensenhandel betreft. Deze informatie wordt ten behoeve vanhet vaststellen van trends en ontwikkelingen aan de Nationaal rapporteurverstrekt. De hiervoor vermelde gegevens worden door de NationaalRapporteur, in nauwe samenwerking met de genoemde relevanteorganisaties, verzameld. De Nationaal Rapporteur zorgt voor deverstrekking van de benodigde geanonimiseerde statistische gegevensaan de Europese Commissie. De verplichting op grond van het derde lidvan het genoemde artikel 19bis om die statistische gegevens telkens tijdigbij de Europese Commissie in te dienen, behoeft naar haar aard geenimplementatie in wetgeving.Artikel 19ter vergt dat lidstaten een nationaal actieplan ter bestrijding vanmensenhandel vaststellen. Dit actieplan moet zijn afgestemd met denationale coördinatoren, de onafhankelijke organen en relevantebelanghebbenden die actief zijn op het gebied van de voorkoming en debestrijding van mensenhandel en dient om de vijf jaar geëvalueerd engeactualiseerd te worden. De actieplannen kunnen verschillendeelementen bevatten, zoals doelstellingen, prioriteiten en maatregelen terbestrijding van alle vormen van uitbuiting, ook voor minderjarigen.Daarnaast kunnen zij maatregelen bevatten die zien op preventie (zoalsonderwijs en bewustwordingscampagnes), verbetering van onderzoek, enversterking van vroegtijdige identificatie van en bijstand en beschermingaan slachtoffers. Ook kunnen procedures voor regelmatige monitoring enevaluatie van de uitvoering onderdeel zijn van de nationale actieplannen.Voor Nederland geldt dat op 17 juni 2024 het hiervoor al genoemdeVersterkte Actieplan programma Samen tegen mensenhandel, dat looptvan 2024 tot en met 2027, aan de Tweede Kamer is verzonden. In dithuidige actieplan komen de verschillende onderdelen die in artikel 19tervan Richtlijn 2011/36/EU genoemd worden, aan bod. Zo is het actieplanopgebouwd uit verschillende actielijnen die elk doelstellingen, prioriteitenen maatregelen bevatten. Binnen Actielijn 1 wordt ingezet op een bredebewustwording rond het thema mensenhandel zodat dit eerder wordtgesignaleerd en kan worden voorkomen. In het kader van Actielijn 3geïnvesteerd in een betere vaststelling van slachtofferschap enbescherming van slachtoffers. Ook zal er binnen het Versterkte Actieplanruimte zijn voor het evalueren van alle acties, als onderdeel van deopgavegericht werken aanpak die toegepast is gedurende de totstand-koming van dit actieplan. Aldus voldoet Nederland aan de verplichtingendie voortvloeien uit artikel 19ter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 326 Het in artikel 1, onderdeel 18, van de Herzieningsrichtlijnopgenomen gewijzigde artikel 20 verplicht de lidstaten om de taken vande Europese Commissie te faciliteren door middel van het aanleveren vande gevraagde informatie, bedoeld in het aangevulde artikel 19 van derichtlijn, zodat de Europese Commissie een gecoördineerde en geconsoli-deerde strategie kan opstellen. Dit artikel behoeft, in aanvulling op deomzettingsverplichtingen ten aanzien van de (nieuwe) artikelen 19, 19bisen 19ter (zie hiervoor), geen afzonderlijke implementatie.Artikel 1, onderdeel 19, en de artikelen 2 tot en met 4 van deHerzieningsrichtlijn behoeven naar hun aard geen implementatie. Debepalingen hebben betrekking op rapportering door de EuropeseCommissie, alsook op de inwerkingtreding en omzetting van de Herzie-ningsrichtlijn.5. Uitvoerings- en handhavingsconsequenties en financiëlegevolgen De Herzieningsrichtlijn noopt tot aanpassing van twee strafbaarstellingen.De voorgestelde aanpassing van de strafbaarstelling van mensenhandel(artikel 273f Sr) brengt geen verandering in de reikwijdte daarvan. Voortswordt de bestaande strafbaarstelling van – kort gezegd – het opzettelijkgebruikmaken van seksuele dienstverlening door een slachtoffer vanmensenhandel (artikel 273g Sr) verbreed tot andere soorten dienstver-lening, waarover in de hiervoor genoemde gevallen rechtsmacht moetkunnen worden uitgeoefend.Ten aanzien van deze aanpassingen heeft het openbaar ministerie latenweten beperkte uitvoeringsconsequenties te verwachten. De voorgesteldeverbreding van artikel 273g Sr kan leiden tot een beperkte toename vanstrafzaken, zij het dat – vanwege de beschikbare capaciteit en de huidigeprioriteitstelling van het openbaar ministerie – niet veel extra strafzakenworden verwacht. Ook speelt voor het openbaar ministerie mee dat hetmisdrijf van artikel 273g Sr niet altijd eenvoudig te bewijzen is en ook omdie reden in een beperkt aantal gevallen vervolging kan worden ingesteld.De Raad voor de rechtspraak en de Nederlandse Arbeidsinspectie gevenbeiden aan een structurele toename te verwachten van een beperkt aantalstrafzaken, hetgeen tot extra kosten zal leiden van respectievelijk 260.000euro en 320.000 euro. De politie geeft aan initiële kosten te zullen moetenmaken ten behoeve van bijvoorbeeld het aanpassen van werkinstructiesen informatiesystemen. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeentengeeft aan ondersteuning te behoeven om gemeenten te ondersteunen bijhet geven van training en bewustwordingsactiviteiten ten aanzien van deaangepaste strafbaarstellingen. CoMensha stelt eveneens te verwachtendat de aangepaste strafbaarstellingen extra training en bewustwordings-activitieiten behoeven die mogelijk kosten met zich meebrengen.Slachtofferhulp Nederland verwacht vooralsnog een beperkte toenamevan het aantal slachtoffers dat aanspraak zal maken op hulp en onder-steuning. De ingeschatte geringe incidentele uitvoeringsconsequentieszullen door Slachtofferhulp Nederland worden meegenomen in de algeplande activiteiten ter implementatie van wetsvoorstel 36547.Een eerste inschatting is dat de impact op de gehele strafrechtketenbeperkt zal zijn, gelet op de huidige capaciteit en prioriteitsstelling van debetrokken organisaties. Voorgesteld wordt om de initiële aanpassingen ophet gebied van bewustwording en aanpassing van systemen, samen tenemen met de aanpassingen die gedaan zullen worden in het kader vanhet al eerder genoemde wetsvoorstel 36457, zoals ook aangegeven doorbijvoorbeeld Slachtofferhulp Nederland. Zoals ook voorgesteld door hetopenbaar ministerie, de politie en Slachtofferhulp Nederland zal – inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 327 afstemming met alle betrokken organisaties – worden gemonitord of zicheventuele structurele uitvoeringseffecten en bijkomende kosten voordoen.Er is budget aanwezig om eventuele beperkte extra kosten te dekken, endeze zullen beter inzichtelijk zijn na een evaluatie. De beleidsmatigeaanpassingen die gedaan moeten worden, vallen binnen de bestaandeplannen voor het Versterkte Actieplan Samen tegen mensenhandel.Hiervoor is al budget vrijgemaakt. De eventuele extra budgettairegevolgen worden ingepast binnen de bestaande begrotingen.6. Adviezen Over een concept van dit wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijninhoudelijke adviezen ontvangen van het openbaar ministerie (OM), depolitie, de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegenKinderen (NRM), de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), SlachtofferhulpNederland (SHN), CoMensha en de Vereniging van NederlandseGemeenten (VNG). Het wetsvoorstel heeft de Raad voor de rechtspraakgeen aanleiding gegeven tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. DeKoninklijke Marechaussee, de Nederlandse Orde van Advocaten en deNederlandse Vereniging voor Rechtspraak hebben aangegeven af te zienvan de mogelijkheid consultatieadvies uit te brengen. De gegevensver-werking ter uitvoering van dit wetsvoorstel – dat voor een belangrijk deelgeen betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens – vindtplaats binnen de bestaande wettelijke kaders. Daarom is het conceptwets-voorstel niet voor advies voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens.De adviesorganen hebben waardevolle opmerkingen gemaakt bij hetconceptwetsvoorstel en de daarbij behorende concept-memorie vantoelichting. Deze adviezen hebben geleid tot enkele bijstellingen enaanvullingen van de memorie van toelichting. In enkele adviezen wordtingegaan op de gevolgen van de nieuwe wetgeving en beleidsmaatre-gelen voor uitvoeringsorganisaties en de randvoorwaarden voor eengoede uitvoering daarvan (politie, OM, NLA, CoMensha, NRM, VNG enSHN). De uitkomsten hiervan zijn opgenomen in paragraaf 5 van dememorie van toelichting. Hieronder worden de hoofdlijnen uit deontvangen adviezen besproken en wordt de wijze van verwerking hiervanin de memorie van toelichting nader toegelicht.Mensenhandel: uitbuiting van draagmoederschap, gedwongen huwelijkenen illegale adoptieVerschillende adviezen gaan in op de toevoeging van uitbuiting vandraagmoederschap, uitbuiting van gedwongen huwelijken en uitbuitingvan illegale adoptie aan artikel 273f, tweede lid, Sr onderscheidenlijk aanvoorgesteld artikel 273f, vijfde lid, zoals opgenomen in wetsvoorstel36547. In het bijzonder wordt gevraagd om verduidelijking en nadereafbakening van deze specifieke uitbuitingsvormen (OM, NRM, Comensha).In reactie hierop wordt vooropgesteld dat situaties van uitbuiting vandraagmoederschap, uitbuiting van gedwongen huwelijken en uitbuitingvan illegale adoptie ook nu al onder het bereik van de strafbaarstellingvan mensenhandel vallen, indien ook aan de overige delictsvereisten isvoldaan. Vanwege de ernst van deze specifieke uitbuitingsvormen – die inEuropees verband gestaag in aantal toenemen – zijn deze bijzondereuitbuitingsvormen nu in artikel 2, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EUgeëxpliciteerd. Dit onderdeel van het wetsvoorstel legt – ter implemen-tatie van artikel 1, onderdeel 1, onder a, van de Herzieningsrichtlijn – enkelexpliciet wettelijk vast dat uitbuiting zich in de context van deze specifiekepraktijken kan manifesteren en brengt geen verandering in de bestaandereikwijdte van de strafbaarstelling van mensenhandel. De wetgever kanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 328 slechts bij benadering antwoord geven op de vraag bij welke gedragingenen onder welke omstandigheden zo’n specifieke uitbuitingsvorm zichvoordoet, waarbij zich een grote variëteit aan situaties kan voordoen.Tegen deze achtergrond is – met als doel enige richting te geven aan derechtspraktijk – de toelichting op de beoogde implementatie van artikel 1,onderdeel 1, onder a, van de Herzieningsrichtlijn voorzien van enkeleindicatieve voorbeelden. Tegelijk is beoogd ruimte te laten aan derechtspraktijk om – binnen de wettelijke grenzen – de afbakening vansituaties die vallen onder het bereik van deze specifieke uitbuitingsvormenaan de hand van concrete gevallen te preciseren.Strafbaarstelling van het gebruik van diensten verleend door eenslachtoffer van mensenhandelTer volledige implementatie van artikel 1, onderdeel 15, van de Herzie-ningsrichtlijn verbreedt dit wetsvoorstel de reikwijdte van artikel 273g Srvan seksuele diensten tot alle soorten diensten. Op grond van diegewijzigde strafbepaling wordt strafbaar het opzettelijk gebruikmaken vandiensten van een persoon, terwijl diegene weet of ernstige reden heeft omte vermoeden dat die diensten het voorwerp zijn van mensenhandel of –wanneer de dienstverlener jonger is dan achttien jaar – kinderhandel. Depolitie is positief over de keuze om de verbrede strafbaarstelling – in lijnmet het huidige artikel 273g Sr – een schuldvariant te laten bevatten(«ernstige reden heeft om te vermoeden»). In verschillende adviezenwordt gevraagd om aan de hand van meer voorbeelden een nadere uitlegte geven aan het delictsbestanddeel «diensten» (NLA, NRM enComensha). In lijn met het consultatieadvies dat SHN in 2023 heeftuitgebracht over artikel 273g Sr als onderdeel van het wetsvoorstel datvoorziet in de modernisering en uitbreiding van de strafbaarstelling vanmensenhandel (Kamerstukken 36 547), adviseert de SHN om het verbredeartikel 273g Sr onder het bereik van het spreekrecht en het recht op eenkosteloze advocaat te brengen, alsmede een voorschot op het volledigebedrag van de toegekende schadevergoeding mogelijk te maken.Naar aanleiding van de adviezen is de artikelsgewijze toelichting op dewijziging van artikel 273g Sr aangevuld. Mede aan de hand van naderevoorbeelden is geëxpliciteerd dat aan het begrip «diensten» een ruimebetekenis moet worden gegeven. Voor een inhoudelijke reactie op desuggesties van de SHN wordt verwezen naar de nota naar aanleiding vanhet verslag bij wetsvoorstel 36547 (Kamerstukken II 36 547, nr. 6, p. 9–11)en het amendement van de leden Verkuijlen en Dral (Kamerstukken II2024/25, 36 547, nr. 22) bij wetsvoorstel 36547 dat inhoudt dat artikel 273gSr onder het bereik van het spreekrecht wordt gebracht. In aanvullingdaarop wordt opgemerkt dat deze adviespunten het bestek van ditimplementatiewetsvoorstel te buiten gaan (Aanwijzing 9.4 van deAanwijzingen voor de regelgeving).OverigMet het oog op de verbreding van het toepassingsbereik van hetnon-punishmentbeginsel tot «andere onwettige activiteiten» dancriminele activiteiten die slachtoffers gedwongen hebben uitgevoerd alsrechtstreeks gevolg van mensenhandel, is in het bijzonder gevraagd omverduidelijking van de toepassing van dit beginsel in het bestuursrech-telijk domein (NRM, politie, VNG en Comensha). Daarnaast is geadviseerdde werkzaamheid van bestaande verwijzingsmechanismen en de beoogdeverdere versterking daarvan, te verduidelijken (NRM, VNG en CoMensha).De NRM heeft aangegeven tevreden te zijn met de keuze om de rol vannationale coördinator voor de bestrijding van mensenhandel te beleggenbij de coördinerend bewindspersoon van het Ministerie van Justitie enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 329 Veiligheid. Ten aanzien van de verzameling van gegevens die op grondvan het nieuwe artikel 19bis van Richtlijn 2011/36/EU dient te wordenuitgevoerd, en de keuze om deze taak aan de NRM toe te vertrouwen,geeft de NRM aan dat zij dit graag expliciet terugziet in de memorie vantoelichting. Verder geeft de NRM in overweging om – ter implementatievan artikel 1, onderdeel 2, onder b, van de Herzieningsrichtlijn – misbruikvan seksueel beeldmateriaal als strafverzwarende omstandigheid op tenemen in de strafbepaling van mensenhandel.In reactie op laatstgenoemd adviespunt wordt opgemerkt dat er geenaanleiding is om misbruik van seksueel beeldmateriaal als strafverzwa-rende omstandigheid van mensenhandel aan te merken, omdat dezegedraging al zelfstandig als misdrijf strafbaar is gesteld in artikel 254ba Sr.Daarmee kan de persoon die wordt veroordeeld wegens mensenhandelen het in samenhang daarmee misbruik maken van seksueel beeldmate-riaal al zwaarder worden bestraft. Verwezen wordt ook naar de toelichtingbij artikel 1, onderdeel 2, in het algemeen deel van deze memorie. Naaraanleiding van de overige adviezen is de memorie van toelichtingaangevuld. Nader is ingegaan op de gevallen waarin en wijze waaropbinnen het bestuursrechtelijk domein door bestuursorganen rekeningmoet worden gehouden met het non-punishmentbeginsel in situatieswaarin het opleggen van een bestuursrechtelijke bestraffende sanctiewordt overwogen (toelichting op artikel 1, onderdeel 6, van de Herzie-ningsrichtlijn). De taken van de NRM bij de gegevensverzameling zijngeëxpliciteerd in de toelichting op artikel 1, onderdeel 17, van deHerzieningsrichtlijn. De werkzaamheid van bestaande verwijzingsmecha-nismen is nader toegelicht (toelichting op artikel 1, onderdeel 9, onder b,van de Herzieningsrichtlijn).ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING ARTIKEL I (Wetboek van Strafrecht)A (Wijziging artikel 273f)Dit onderdeel is hiervoor toegelicht in paragraaf 4 van de memorie vantoelichting.B (Wijziging artikel 273g)De beoogde verbreding van het bestaande artikel 273g Sr strekt totvolledige implementatie van de verplichting tot strafbaarstelling van hetopzettelijk gebruikmaken van diensten die worden verleend door eenslachtoffer van mensenhandel als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn2011/36/EU, indien het slachtoffer wordt uitgebuit om dergelijke dienstente verlenen en de gebruiker van de diensten weet dat de persoon die dediensten verleent een slachtoffer is van mensenhandel. De verplichting totstrafbaarstelling van deze gedraging is neergelegd in artikel 1, onderdeel15, van de Herzieningsrichtlijn, waarmee een nieuw artikel 18bis wordtingevoegd in Richtlijn 2011/36/EU. Doel is de vraag die mensenhandelstimuleert tegen te gaan en terug te dringen (vgl. overweging 26 bij deHerzieningsrichtlijn). Zoals hierna nog verder wordt toegelicht, richt debepaling zich op de (directe) gebruikers van de diensten die voorwerp zijnvan mensenhandel en daarmee bijvoorbeeld niet op (latere) klanten dieproducten kopen die onder omstandigheden van arbeidsuitbuiting zijngeproduceerd (vgl. overweging 26 bij de Herzieningsrichtlijn). Buiten diereikwijdte valt bijvoorbeeld de situatie dat een klant (online) kleding kooptin een kledingwinkel, wetende dat die kleding (in het buitenland) ondererbarmelijke arbeidsomstandigheden is gefabriceerd. De strafbaarstel-lingsverplichting strekt zich evenmin uit tot vormen van ketenaansprake-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 330 lijkheid, waarbij bijvoorbeeld ook afnemers van producten van een bedrijfbuiten Nederland – waar mogelijk sprake is van mensen- of kinderhandel– onder het toepassingsbereik van de beoogde strafbepaling zoudenkunnen vallen. In vormen van ketenaansprakelijkheid wordt voorzien in deEU-richtlijn inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op hetgebied van duurzaamheid (2024/1760). De EU-Verordening inzake eenverbod op met dwangarbeid vervaardigde producten op de markt van deUnie (2024/3015) verbiedt bedrijven om producten vervaardigd doordwangarbeid op de markt van de Europese Unie te plaatsen ofdaarvandaan uit te voeren.Met de aanpassing van artikel 273g Sr wordt strafbaar het opzettelijkgebruikmaken van diensten van een persoon, terwijl diegene weet ofernstige reden heeft om te vermoeden dat die diensten het voorwerp zijnvan mensenhandel of – wanneer de dienstverlener jonger is dan achttienjaar – kinderhandel. Dit houdt een verbreding in ten opzichte van dehuidige strafbaarstelling die zich toespitst op seksuele diensten die hetvoorwerp zijn van mensen- of kinderhandel. De formulering «diensten[die] het voorwerp zijn van» mensen- of kinderhandel sluit aan bij deformulering van de strafbaarstelling van voordeeltrekking (artikel 273fbvan wetsvoorstel 36547). Met de Wet strafbaarstelling misbruik prosti-tuees die slachtoffer zijn van mensenhandel is het bestaande artikel 273gSr op 1 januari 2022 in werking getreden. De huidige strafbepaling bevatbehalve een opzetvariant («weet») ook een schuldvariant («ernstige redenheeft om te vermoeden»). In lijn met die keuze van de wetgever wordt hettoepassingsbereik van die opzet- en schuldvariant verbreed tot anderevormen van uitbuiting dan seksuele uitbuiting, zodat met betrekking totalle uitbuitingsvormen dezelfde voorwaarden voor strafbaarheid geldenen aldus slachtoffers van mensenhandel dezelfde strafrechtelijkebescherming wordt geboden. Bij deze uniforme benadering past dat ookde verplichting tot strafbaarstelling uit de Herzieningsrichtlijn – met alsdoel de vraag die mensenhandel stimuleert tegen te gaan – ten aanzienvan de verschillende uitbuitingsvormen één lijn trekt op het punt van devoorwaarden voor strafbaarheid. Dat de verbreding van artikel 273g Srvoorziet in een wat ruimer beschermingsbereik dan de minimumver-plichting van die richtlijnbepaling (namelijk het strafbaar stellen van eenopzetvariant), is toegestaan. Dat die ruimte bestaat, wordt benadrukt inoverweging 26 van de Herzieningsrichtlijn. Het voorgestelde misdrijfwordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren ofgeldboete van de vierde categorie. De op het misdrijf gestelde gevange-nisstraf kan worden verhoogd indien het feit wordt begaan tegen eenpersoon beneden de leeftijd van achttien jaar (artikel 273g, tweede lid, Sronderscheidenlijk artikel 273h, tweede lid, onderdeel b, van wetsvoorstel36547). Hierna worden enkele delictsbestanddelen nader toegelicht.De term «diensten», die ook voorkomt in de strafbaarstelling vanmensenhandel, wordt noch in Richtlijn 2011/36/EU noch in de Herzienings-richtlijn gedefinieerd. Een ruime uitleg van die term ligt in de rede, geletop het doel van de strafbaarstellingsverplichting om de vraag diemensenhandel stimuleert tegen te gaan en terug te dringen. Met eenbreed beschermingsbereik kunnen slachtoffers van mensenhandel opadequate wijze worden beschermd. Bij het verlenen van diensten in de zinvan het voorgestelde artikel 273g Sr kan het bijvoorbeeld gaan om hetverrichten van een schoonheidsbehandeling (zoals massage of nagelver-zorging), het verrichten van werkzaamheden door een schilder, glazen-wasser, dakdekker, koerier, klusjesman of zorgverlener (steeds al dan nietin de hoedanigheid van zelfstandige zonder personeel) of vormen vanseksuele dienstverlening. Het verlenen van een enkelvoudige dienst kanvallen onder het bereik van de strafbaarstelling. Het «gebruikmaken» vandiensten van een persoon heeft betrekking op diensten die zelf hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 331 voorwerp zijn van mensen- of kinderhandel. In lijn met de strekking vande Herzieningsrichtlijn (vgl. de overwegingen 26 en 27) richt de strafbaar-stelling zich op situaties waarin direct wordt gebruikgemaakt vandienstverlening door een slachtoffer van mensen- of kinderhandel. Ditrechtstreekse verband is er bijvoorbeeld als iemand een door eenslachtoffer van mensenhandel gegeven schoonheidsbehandelingondergaat of als een prostituant seksueel contact heeft met een slacht-offer van mensenhandel. In dergelijke gevallen wordt rechtstreeksbijgedragen aan de vraag naar diensten die mensenhandel stimuleert (vgl.overweging 26).Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is steeds vereist dat iemand«opzettelijk» gebruikmaakt van een dienst die wordt verleend door eenpersoon, terwijl diegene «weet of ernstige reden heeft om te vermoeden»dat die dienst het voorwerp is van mensenhandel of kinderhandel. Hetdelictsbestanddeel «weet of ernstige reden heeft om te vermoeden»brengt mee dat moet worden bewezen dat degene die gebruikmaakt vaneen dienst weet (opzetvariant) of ernstige reden heeft om te vermoeden(schuldvariant) dat die dienstverlening het voorwerp is van mensenhandelof kinderhandel. De opzet- en de schuldvariant komen in beeld wanneeriemand, ondanks duidelijke signalen dat de beoogde dienstverleningmogelijk het voorwerp is van mensen- of kinderhandel, toch van diedienst gebruikmaakt. In beide varianten is voor strafbaarheid vereist datde bedoelde duidelijke signalen ook zijn opgemerkt door de persoon dievan de dienst gebruikgemaakt. In die concrete situatie ontstaat eenverificatieplicht. De strafbaarstelling verplicht er dus niet toe om steeds –zonder concrete aanleiding – actief te onderzoeken of sprake zou kunnenzijn van mensen- of kinderhandel. Dit betekent dat strafrechtelijkeaansprakelijkheid alleen in beeld komt in situaties waarin het evident isdat mogelijk sprake is van mensenhandel. Het onderscheid tussen deopzet- en schuldvariant is gelegen in de mentale houding van dedesbetreffende persoon ten opzichte van de waargenomen signalen. Deschuldvariant heeft een vangnetfunctie in voorkomende gevallen waarinde rechter de opzetvariant niet bewezen acht. De opzetvariant («weet»)doet zich voor bij een wezenlijk onverschillige mentale houding. Daarvanis sprake als wordt vastgesteld dat diegene zich op basis van bedoeldeduidelijke signalen bewust is geweest van de mogelijkheid dat dedienstverlening het voorwerp is van mensen- of kinderhandel en diemogelijkheid eenvoudigweg accepteert, voor lief neemt (zogehetenvoorwaardelijk opzet). De schuldvariant («ernstige reden heeft om tevermoeden») doet zich voor wanneer diegene die duidelijke signalen heeftopgemerkt, maar die signalen vervolgens verkeerd heeft ingeschat door –in plaats van op toereikende wijze te verifiëren of de dienstverleningvoorwerp is van mensen- of kinderhandel – er ten onrechte van uit te gaandat «het wel goed zal zitten». Ook dergelijke situaties van ernstigeonachtzaamheid en ernstige lichtzinnigheid vallen onder het bereik van debeoogde strafbaarstelling.Of de voor strafbaarheid vereiste duidelijke signalen aanwezig warenmoet worden beoordeeld op basis van de specifieke omstandigheden vanhet concrete geval (vgl. ook overweging 27 van de Herzieningsrichtlijn).Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om uiterlijke signalen die betrekkinghebben op het slachtoffer zelf, op de omstandigheden waaronder dediensten worden aangeboden of op omstandigheden die kunnen wordenbeschouwd als aanwijzingen dat een mensenhandelaar controle uitoefentover het slachtoffer. Bij signalen van mensenhandel die betrekkinghebben op het slachtoffer zelf valt te denken aan uiterlijke signalen dieduiden op mishandeling (bijvoorbeeld blauwe plekken of striemen), aanbepaald gedrag (zoals uitingen van angst, afkeer of verdriet) of hetontbreken van kennis bij het slachtoffer over de plaats waar hij of zij zichTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 332 bevindt. Voorbeelden van kenmerken die betrekking hebben op deomstandigheden waaronder de dienst wordt verleend, zijn devoorwaarden waaronder de diensten worden verleend (zoals onaccep-tabele arbeidsomstandigheden waaronder het slachtoffer de dienstverleent) en de omgeving waar de dienst wordt verleend (zoals achterafen aan het normale zicht onttrokken (woon)locaties). Tekenen van controlevan een mensenhandelaar over een slachtoffer kunnen bijvoorbeeld zijnde beperkte bewegingsvrijheid die de dienstverlener heeft (zoals niet ofnauwelijks pauzes of signalen dat de dienstverlener de locatie waar dedienst wordt verricht niet mag verlaten). Omdat voor strafbaarheid steedsis vereist dat er duidelijke signalen van mogelijke mensenhandel zijn diebovendien door de afnemer van de dienst moeten zijn waargenomen,waarbij de afnemer van de dienst over het algemeen slechts incidenteelen kortstondig in contact staat met de dienstverlenende persoon, zal hetdelict naar verwachting in de praktijk alleen in uitzonderlijke situaties inbeeld komen.De specifieke omstandigheden die in de praktijk aan de orde kunnen zijnen duidelijke signalen opleveren dat de beoogde dienstverlening mogelijkhet voorwerp is van mensen- of kinderhandel, kunnen per uitbuitingsvormeen eigen inkleuring hebben. In de totstandkomingsgeschiedenis van deWet strafbaarstelling misbruik prostituees die slachtoffer zijn vanmensenhandel (Stb. 2021, 467) – waarmee het huidige artikel 273g Sr isingevoerd – is aandacht uitgegaan naar duidelijke signalen van mensen-handel in de vorm van seksuele uitbuiting (Kamerstukken II 2014/15,34 091, nr. 5, p. 9–12; nr. 8, p. 10–13 en Kamerstukken I 2018/19, 34 091, E,p. 8–11). Daarin komt bijvoorbeeld naar voren dat – naast de omstandig-heden die in de vorige alinea zijn genoemd – bij signalen van mogelijkeseksuele uitbuiting ook specifiek kan worden gedacht aan de wijze waaropde klanten in contact worden gebracht met het slachtoffer, zoals desituatie dat een prostituant via een schakel van vage tussenpersonen naareen sekswerker wordt geleid (Kamerstukken II 2014/15, 34 091, nr. 5, p.10). Ten aanzien van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuitingwordt opgemerkt dat de omstandigheid dat een dienst ver beneden demarktconforme prijs wordt aangeboden een eerste indicatie is dat sprakeis van een arbeidsmisstand, maar dat die omstandigheid op zichzelfbeschouwd geen duidelijk signaal van mogelijke mensenhandel oplevert.In dergelijke gevallen zullen er steeds zwaarwegende bijkomendeomstandigheden moeten zijn, zodat bij elkaar opgeteld zich duidelijkesignalen opdringen dat de beoogde dienstverlening mogelijk voorwerp isvan mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting, en dus – als kanworden vastgesteld dat die omstandigheden door de beoogde afnemervan de dienst zijn opgemerkt – een verificatieplicht geldt. Daarbij valt tedenken aan de situatie dat een nagelstudio wordt bezocht, waarbij debeoogde afnemer van een nagelbehandeling zich ervan bewust is dat dienagelbehandeling ver beneden de marktconforme prijs wordt aange-boden en diegene daarnaast signalen heeft waargenomen die erop wijzendat de dienstverlener door de uitbater van de studio tot die dienstver-lening is gedwongen. Dit laatste zou kunnen blijken uit de wijze waarop dedienstverlener fysiek of verbaal wordt bejegend (zoals mishandeling ofbedreiging met geweld). Ook bij dienstverlening aan huis, zoals bij eenverbouwing, kan in uitzonderlijke gevallen sprake zijn van duidelijkesignalen van mogelijke mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting.Gedacht kan worden aan de situatie dat iemand in het kader van eenverbouwing ver beneden de marktconforme prijs werkzaamheden laatverrichten en diegene ziet dat de betrokken bouwvakkers zeer langewerkdagen maken, zij zeer angstig reageren op de opzichter en dieopzichter probeert te voorkomen dat de afnemer van de dienst contactkan maken met de bouwvakkers. Beide voorbeelden beogen te onder-strepen dat strafrechtelijke aansprakelijkheid alleen in beeld komt inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 333 situaties waarin het evident is dat mogelijk sprake is van mensenhandel.Daarbij verdient nog opmerking dat niet is uitgesloten dat sprake is vanarbeidsuitbuiting terwijl de dienst zelf tegen een marktconforme prijswordt aangeboden, bijvoorbeeld in het geval de betrokken dienstverlenersillegaal in Nederland verblijven en fors worden onderbetaald door hetbedrijf waarbij zij werkzaam zijn. Doorgaans zal de afnemer van dedesbetreffende dienst van dergelijke omstandigheden niet op de hoogtezijn en zal artikel 273g Sr daardoor buiten beeld blijven. In uitzonderlijkesituaties waarin die afnemer wel weet heeft van dergelijke omstandig-heden – bijvoorbeeld doordat de dienstverlener dit aan diegene heeftverteld – zal aan de hand van het hiervoor geschetste beoordelingskadermoeten worden getoetst of sprake is van strafbaarheid.ARTIKEL II (Samenloopbepaling)Dit artikel regelt de samenloop van dit wetsvoorstel met het wetsvoorsteltot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek vanStrafrecht BES en andere wetten in verband met de modernisering van destrafbaarstelling van mensenhandel en de introductie van de zelfstandigestrafbaarstelling van ernstige benadeling en van voordeeltrekking (Wetmodernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel) (36 547).Net als het onderhavige wetsvoorstel strekt ook dat voorstel tot wijzigingvan de artikelen 273f en 273g Sr. Tegen die achtergrond voorziet desamenloopbepaling in aanpassing van het onderhavige wetsvoorstel ofhet wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensen-handel, afhankelijk van welke regeling eerder in werking treedt.In de versie van het wetsvoorstel die ter advisering aan de Afdelingadvisering van de Raad van State is voorgelegd, was deze samenloopbe-paling ook betrokken op artikel 273f Sr, omdat alleen het onderhavigewetsvoorstel ertoe strekte aan de niet-limitatieve opsomming vanspecifieke vormen van uitbuiting toe te voegen: uitbuiting van draagmoe-derschap, uitbuiting van gedwongen huwelijken en uitbuiting van illegaleadoptie. In de periode dat dit wetsvoorstel voor advies aanhangig was, is– vanwege een daartoe strekkend amendement van de leden Wijen-Nassen Diederik van Dijk (Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 23) –wetsvoorstel 36547 dezelfde wetswijziging komen te bevatten. Naaraanleiding hiervan is het desbetreffende onderdeel van de samenloopbe-paling aangepast.ARTIKEL III (Inwerkingtredingsbepaling)Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel.ARTIKEL IVDe citeertitel luidt: Implementatiewet herziene Europese richtlijnmensenhandel.De Minister van Justitie en Veiligheid,F. van OostenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 334 Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 van het EuropeesParlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van Richtlijn2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensen-handel en de bescherming van slachtoffers daarvan (PbEU L2024/1712) (Implementatiewet herziene Europese richtlijnmensenhandel)TransponeringstabelAwb = Algemene wet bestuursrechtBssf = Besluit slachtoffers van strafbare feitenBIVR = Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmachtBW = Burgerlijk WetboekSr = Wetboek van StrafrechtSv = Wetboek van StrafvorderingWet Bibob = Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door hetopenbaar bestuurBepaling Richtlijn (EU) 2024/1712tot wijziging van Richtlijn2011/36/EUBepaling in implementatiewets-voorstel of bestaande Neder-landse wetgevingBeleidsruimteToelichtingArtikel 1, onderdeel 1, onder a(wijzigt artikel 2, derde lid)Artikel I, onderdeel A, en artikel IIvan dit wetsvoorstel.n.v.t.n.v.t.Artikel 1, onderdeel 1, onder b(wijzigt artikel 2, vijfde lid)Artikel 273f, eerste lid, onderde-len 1° en 2°, Sr onderscheidenlijkartikel 273f, eerste en tweede lid,van wetsvoorstel 36547.n.v.t.n.v.t.Artikel 1, onderdeel 2, onder a(wijzigt artikel 4, tweede lid,onderdeel d)Artikel 273f, eerste lid, derde lid,onderdeel 3°, en vierde lid, Sronderscheidenlijk artikel 273f,eerste lid, en artikel 273h, tweedelid, onderdeel a, onder 3°, envierde van wetsvoorstel 36547.n.v.t.n.v.t.Artikel 1, onderdeel 2, onder b(wijzigt artikel 4, derde lid)Artikelen 44, 47, 48, 57 en 254baSr.n.v.t.n.v.t.Artikel 1, onderdeel 3, onder a(wijzigt artikel 5, eerste lid)Artikel 51 Sr.n.v.t.n.v.t.Artikel 1, onderdeel 3, onder b(wijzigt artikel 5, tweede en derdelid)Artikelen 47, 48 en 51 Sr.n.v.t.n.v.t.Artikel 1, onderdeel 4 (wijzigtartikel 6)Artikelen 9, 14a tot en met 14c en23; artikelen 3, 3a, 5, 5a, 6 en 7Wet Bibob en artikel 2:20 e.v. BW.Deze bepaling heeft eenfacultatief karakter, in die zin dat(i) de sancties of maatregelen dieaan aansprakelijke rechtsperso-nen moeten kunnen wordenopgelegd ook niet- strafrechtelijkvan aard kunnen zijn en (ii) geenverplichting bestaat om tevoorzien in andere sancties ofmaatregelen dan de geldboete.De Nederlandse wetgevingvoorziet in de mogelijkheid om aanaansprakelijke rechtspersonenzowel een geldboete als anderestraffen of maatregelen op teleggen.Artikel 1, onderdeel 5 (schraptartikel 7)n.v.t.n.v.t.Deze bepaling behoeft naar haaraard geen implementatie.Artikel 1, onderdeel 6 (wijzigtartikel 8)Artikel 40 Sr; artikel 273f,negende lid, van wetsvoorstel36547; Artikel 167 Sv; artikel 5:41Awb; Aanwijzing sepot engebruik sepotgronden.Lidstaten kunnen deze bepalingimplementeren in overeenstem-ming met de grondbeginselenvan hun rechtsorde.Deze bepaling vergt geenaanpassing van nationalewetgeving. In paragraaf 4 van dememorie van toelichting isbeschreven hoe aan deze bepalinginvulling wordt gegeven.Artikel 1, onderdeel 7, onder a(vervangt artikel 9, eerste lid)Artikel I, onderdeel B, en artikel IIvan dit wetsvoorstel; artikel 273fSr en artikel 167 Sv.n.v.t.n.v.t.Artikel 1, onderdeel 7, onder b(wijzigt artikel 9, derde lid)n.v.t.n.v.t.Deze bepaling vergt geenaanpassing van nationalewetgeving. In paragraaf 4 van dememorie van toelichting isbeschreven hoe aan deze bepalinginvulling wordt gegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 335 Bepaling Richtlijn (EU) 2024/1712tot wijziging van Richtlijn2011/36/EUBepaling in implementatiewets-voorstel of bestaande Neder-landse wetgevingBeleidsruimteToelichtingArtikel 1, onderdeel 8, onder a(wijzigt artikel 10, eerste lid)Artikelen 2, 6 en 7 Sr in verbin-ding met artikel 4 BIVR.n.v.t.Ter implementatie van deHerzieningsrichtlijn zal via eenafzonderlijk implementatiebesluitartikel 4 BIVR worden aangevuldmet een verwijzing naar hetaangepaste artikel 273g Sr.Artikel 1, onderdeel 8, onder b(wijzigt artikel 10, tweede lid)Artikelen 2, 6 en 7 Sr in verbin-ding met artikel 4 BIVR.Deze bepaling bevat geenverplichting tot het vestigen vanrechtsmacht. Wel moet deCommissie in kennis wordengesteld wanneer rechtsmacht opgrond van een van de hiergenoemde gronden is gevestigd.Ter implementatie van deHerzieningsrichtlijn zal via eenafzonderlijk implementatiebesluitartikel 4 BIVR worden aangevuldmet een verwijzing naar hetaangepaste artikel 273g Sr.Daarmee zal de Nederlandsewetgeving voorzien in rechtsmachtin de gevallen genoemd in deonderdelen a, b en c van dezebepaling.Artikel 1, onderdeel 9, onder a(wijzigt artikel 11, eerste lid)Artikel 51aa, tweede en derde lid,Sv in verbinding met de artikelen2, eerste lid, 3, eerste lid, 10 toten met 16 Bssf; artikel 51ab Sv inverbinding met Hoofdstuk 3 Bssf;Aanwijzing mensenhandel.n.v.t.Ter implementatie van deHerzieningsrichtlijn zal via eenafzonderlijk implementatiebesluitin artikel 3 Bssf worden geëxplici-teerd dat bij de bijstand enondersteuning rekening wordtgehouden met de genderidentiteit,handicap of leeftijd van hetslachtoffer.Artikel 1, onderdeel 9, onder b(wijzigt artikel 11, vierde en vijfdelid)Artikel 51aa, tweede en derde lid,Sv in verbinding met Hoofdstuk 2Bssf; artikel 51ab Sv in verbin-ding met Hoofdstuk 3 Bssf;Aanwijzing mensenhandel;Aanwijzing slachtoffers in hetstrafproces.Deze bepaling geeft lidstatenbeleidsruimte wat betreft hetinstellen van ofwel één ofwelmeerdere verwijzingsmechanis-men en het kader waarbinnenhet instellen daarvan wordtgerealiseerd.Ter implementatie van deHerzieningsrichtlijn zal via eenafzonderlijk implementatiebesluitin Hoofdstuk 2 Bssf een grondslagworden opgenomen, op basiswaarvan een contactpunt voor degrensoverschrijdende doorverwij-zing van slachtoffers wordtaangewezen.Artikel 1, onderdeel 9, onder c(voegt in artikel 11, lid 5bis)n.v.t.n.v.t.Deze bepaling vergt geenaanpassing van nationalewetgeving. In paragraaf 4 van dememorie van toelichting isbeschreven hoe aan deze bepalinginvulling wordt gegeven.Artikel 1, onderdeel 9, onder d(wijzigt artikel 11, zesde lid)n.v.t.n.v.t.Ter implementatie van deHerzieningsrichtlijn zal via eenafzonderlijk implementatiebesluitin Hoofdstuk 3 Bssf de bedoeldeinformatieplicht worden opgeno-men.Artikel 1, onderdeel 10 (voegt inartikel 11bis)n.v.t.n.v.t.Deze bepaling vergt geenaanpassing van nationalewetgeving. In paragraaf 4 van dememorie van toelichting isbeschreven hoe aan deze bepalinginvulling wordt gegeven.Artikel 1, onderdeel 11 (vervangtartikel 12, eerste lid)n.v.t.n.v.t.Deze bepaling behoeft naar zijnaard geen implementatie.Artikel 1, onderdeel 12 (voegt aanartikel 13 een artikellid toe)n.v.t.Lidstaten kunnen deze bepalingimplementeren in overeenstem-ming met het nationale recht.Deze bepaling vergt geenaanpassing van nationalewetgeving. In paragraaf 4 van dememorie van toelichting isbeschreven hoe aan deze bepalinginvulling wordt gegeven.Artikel 1, onderdeel 13 (wijzigtartikel 14, eerste tot en met derdelid)Artikelen 1:241, 253q, 253r, 295en 302 BW; artikel 14, aanhef enonderdeel b, Bssf in verbindingmet de artikelen 1:247, tweedelid, en 250 BW; artikel 10Vreemdelingenwet 2000.Lidstaten kunnen het gewijzigdeeerste en tweede lid van artikel14 van de richtlijn op onderdelenimplementeren in overeenstem-ming met het nationale recht.Deze bepaling vergt geenaanpassing van nationalewetgeving. In paragraaf 4 van dememorie van toelichting isbeschreven hoe aan deze bepalinginvulling wordt gegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 336 Bepaling Richtlijn (EU) 2024/1712tot wijziging van Richtlijn2011/36/EUBepaling in implementatiewets-voorstel of bestaande Neder-landse wetgevingBeleidsruimteToelichtingArtikel 1, onderdeel 14 (wijzigt deartikelen 17 en 18)Artikel 36f Sr; artikel 51f Sv;artikel 3 van de Wet schadefondsgeweldsmisdrijven; artikel 6:162BW.Het gewijzigde artikel 17 van derichtlijn bevat de optie datlidstaten overeenkomstig hunnationale wetgeving eennationaal fonds voor slachtoffersof een vergelijkbaar instrumentopzetten voor de schadevergoe-ding van slachtoffers.In paragraaf 4 van de memorie vantoelichting is beschreven hoe aande gewijzigde artikelen 17 en 18van de richtlijn invulling wordtgegeven.Artikel 1, onderdeel 15 (voegt in deartikelen 18bis en 18ter)Artikel I, onderdeel B, en artikel IIvan dit wetsvoorstel.n.v.t.Voor zover deze bepalingbetrekking heeft op de invoegingvan artikel 18ter in Richtlijn2011/36/EU vergt deze geenaanpassing van nationalewetgeving. In paragraaf 4 van dememorie van toelichting isbeschreven hoe aan die bepalinginvulling wordt gegeven.Artikel 1, onderdeel 16 (wijzigtartikel 19)Wet Nationaal rapporteurmensenhandel en seksueelgeweld tegen kinderen.Het gewijzigde artikel 19 van derichtlijn geeft lidstaten beleids-ruimte wat betreft (i) detaakstelling van de nationalecoördinatoren voor de bestrij-ding van mensenhandel ofsoortgelijke mechanismen en (ii)het al dan niet oprichten vanonafhankelijke organen alsbedoeld in het derde lid van degenoemde bepaling.Deze bepaling vergt geenaanpassing van nationalewetgeving. In paragraaf 4 van dememorie van toelichting isbeschreven hoe aan deze bepalinginvulling wordt gegeven.Artikel 1, onderdeel 17 (voegt in deartikelen 19bis en 19ter)Artikelen 15 en 39ga Wetjustitiële en strafvorderlijkegegevens; artikelen 15a en 22Wet politiegegevens.Het nieuwe artikel 19ter, tweedelid, van de richtlijn geeft lidstatenbeleidsruimte wat betreft deelementen die de nationaleactieplannen ter bestrijding vanmensenhandel omvatten.Deze bepaling vergt geenaanpassing van nationalewetgeving. In paragraaf 4 van dememorie van toelichting isbeschreven hoe aan deze bepalinginvulling wordt gegeven.Artikel 1, onderdeel 18 (wijzigtartikel 20)n.v.t.n.v.t.Deze bepaling behoeft naar haaraard geen afzonderlijke implemen-tatie. Dit is toegelicht in paragraaf4 van de memorie van toelichting.Artikel 1, onderdeel 19 en deartikelen 2 tot en met 4n.v.t.Deze bepalingen behoeven naarhun aard geen implementatie. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 337
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.