Memorie van toelichting
Brontekst
Versie 8a9cbcd55c74e0c6 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 582Wijziging van de Participatiewet, de Wetinkomensvoorziening en oudere en gedeeltelijkarbeidsongeschikte gewezen werklozewerknemers en de Wet inkomensvoorzieningoudere en gedeeltelijk arbeidsongeschiktegewezen zelfstandigen in verband met het oponderdelen in balans brengen van deze wettentussen bestaanszekerheid, re-integratie enhandhaving (Participatiewet in balans)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Inhoudsopgaveblz.ALGEMEEN DEEL31.INLEIDING31.1Inleiding31.2Aanleiding41.3Overzicht maatregelen101.4Betrokken partijen141.5Leeswijzer162.DOELEN EN UITGANGSPUNTEN162.1Inleiding162.2Opzet van het programma162.3Doelen van dit wetsvoorstel202.4Bijbehorende dilemma’s en risico’s242.5Samenhang met andere trajecten253.RECHTSZEKERHEID, DOELMATIG VANGNETKARAKTERVAN DE BIJSTAND EN RUIMTE VOOR DE UITVOERING273.1Inleiding273AMAATSTAFBEPALINGEN303.2Harmonisatie aanvullende bijstand voorjongeren tot 21 jaar (artikel 20 Pw)313.3Giften (artikel 31, tweede lid, onderdeel m, enartikel 39, eerste lid, Pw)333BBEGRIPPEN BETER IN OVEREENSTEMMINGMET MAATSCHAPPELIJKE BELEVING393.4Vermogen (artikel 34 Pw)393CEXPLICIETE «KAN»-BEPALINGEN433.5Maatwerkmogelijkheid bij de vierwekenzoekter-mijn voor jongeren tot 27 jaar in kwetsbaresituaties (artikel 41, elfde lid, Pw)443.6Afwijken van het principe aanvraagdatum isingangsdatum: bijstand met terugwerkendekracht (artikel 44, vijfde lid, Pw)463DALGEHELE CODIFICATIE VAN JURISPRUDENTIE47 kst-36582-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 31 3.7Gezamenlijke huishouding (artikel 3, vierde lid,Pw)483.8Bijstandsnorm (alleenwonende) alleenstaandebijstandsgerechtigde met niet-rechthebbendepartner (artikel 24 Pw)483.9Bijstandsnorm alleenstaande ouder zonderALO-kop (artikel 24a, Pw)503.10Onverwijld de mogelijkheid bieden tot hetindienen van een aanvraag na melding(artikel 41, twaalfde lid, Pw)523.11Gelijkstelling aanvraag bijstand, Bbz, IOAW ofIOAZ (artikel 43, zesde lid, Pw)534.STIMULANS TOT RE-INTEGRATIE, PASSEND BIJ DEHETEROGENE DOELGROEP544.1Inleiding544AVERRUIMING VAN DE BIJVERDIENGRENZEN554.2Verruiming van de bijverdiengrenzen (nieuwartikel 34a Pw)554BVERHOGING BESTAANSZEKERHEID VOOR DEBIJVERDIENENDE BIJSTANDSGERECHTIGDE624.3Inleiding624.4Versoepelen aanvraagprocedure (artikelen 17 en43a Pw)654.5(Automatisch) verrekenen van inkomsten uitarbeid op basis van gegevens uit de Polisadmi-nistratie (artikel 31, tweede lid, onder g enartikel 32, tweede en vijfde lid, Pw)694.6Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag,keuzebudget en eindejaarsuitkering (artikel 32Pw)805.1Inleiding en probleemschets865.2Een generieke participatieplicht en maatschap-pelijke participatie (artikelen 9, 18, 18b Pw)875.3Ruimte voor het eigenstandig vormgeven vanmaatschappelijke participatie (artikel 9, achtstelid, Pw)915.4Ondersteuning bij maatschappelijke participatie(artikelen 8a en 10 Pw)925.5Verruiming tijdelijke ontheffingen (artikel 9,tweede lid, Pw)935.6Een gedifferentieerd maatregelenbeleid(artikelen 18 en 18b Pw)935.7Ruimte voor mantelzorg (artikel 3, tweede lid,en artikel 33, zesde lid, Pw)945.8Verbreding van het experimenteerartikel(artikel 83 Pw)996.IOAW, IOAZ EN BBZ1026.1Inleiding1026.2Toegang tot de IOAZ indien het bedrijf ofzelfstandig beroep tot maximaal drie maandenterug is beëindigd1026.3De IOAW en IOAZ1046.4Het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen2004 (Bbz)1117.REGELDRUK1167.1Inleiding1168.FINANCIËLE GEVOLGEN1218.1Inleiding1218.2Budgettaire gevolgen per individuele maatregel1218.3Totale budgettaire gevolgen126Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 32 8.4Beleidskeuze uitgelegd: onderbouwingdoeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie1269.UITVOERING, MONITORING EN EVALUATIE1299.1Inleiding1299.2Uitvoering1299.3Monitoring1309.4Evaluatie13110.CONSULTATIE13110.1Uitvoeringstoets Vereniging van NederlandseGemeenten134010.2Uitvoeringstoets SVB14110.3Bestuurlijk advies VNG en Divosa14610.4Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)14910.5Advies Landelijke Cliëntenraad15110.6Advies Nederlandse Arbeidsinspectie15210.7Advies Raad voor de Rechtspraak15210.8Adviesrapport Expertgroep15410.9Internetconsultatie15911.OVERIGE17311.1Inleiding17311.2Verhouding tot andere wetgeving17311.3Misbruik en oneigenlijk gebruik17511.4Doenvermogen18111.5Effecten op gendergelijkheid18511.6Gegevensuitwisseling18511.7Rechtsbescherming18711.8Implementatietraject18812.OVERGANGSRECHT18913.INWERKINGTREDING190II.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING190 Algemeen deel 1. Inleiding 1.1 Inleiding Dit wetsvoorstel, genaamd Participatiewet in balans, wijzigt de Participa-tiewet (hierna: Pw of Participatiewet), de Wet inkomensvoorziening enoudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen werklozewerknemers (hierna: IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere engedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ).Voorgesteld wordt deze wetten op onderdelen in balans te brengen tussenbestaanszekerheid, re-integratie en handhaving. Als het moeilijk is om opeigen kracht te participeren in de samenleving biedt de Participatieweteen stevig vangnet. Vaak gaat dat goed, maar soms pakt de wet niet uitzoals bedoeld. Dat blijkt uit verschillende beleidsanalyses en signalen uitde praktijk.1 De wet wordt soms als «hard» ervaren door een samenspelvan complexiteit, beperkt ervaren ondersteuning en strenge handhaving.Met het programma Participatiewet in balans wil de regering de ervarenhardheid wegnemen door vertrouwen en menselijke maat als centralebegrippen te verankeren in (de uitvoering van) de wet, en de wet enuitvoering eenvoudiger maken. De realisatie hiervan vraagt ook om eencultuurverandering. Hiervoor zijn verschillende interventies nodig. Ditwetsvoorstel is onderdeel van de eerste stappen om tot deze cultuurver-andering te komen, door:1Kamerstukken II 2021/22, 34 352, nr. 253.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 33 i.De regels en ondersteuning van de Participatiewet laten aansluiten opde mogelijkheden en omstandigheden van de mensen voor wie zebedoeld zijn;ii.Het vergroten van de rechtszekerheid, zowel qua rechten als plichten;eniii.Het creëren van meer handelingsruimte voor de uitvoerend professio-nal.Door een samenhangend pakket van ruim twintig maatregelen in ditwetsvoorstel biedt de regering de uitvoeringsprofessional op korte termijnmeer ruimte om te doen wat nodig is om mensen goed te ondersteunen.In eerste instantie om hen aan het werk te helpen, en als dat (nog) niet kante zorgen voor een toereikend inkomen en andere vormen van partici-patie.1.2 Aanleiding Rond 400.000 mensen zijn in hun dagelijkse leven afhankelijk vanalgemene bijstand.2 De Participatiewet is net als zijn voorgangers eenvangnetregeling. De wet is bedoeld om mensen inkomensondersteuningte bieden en weer (gedeeltelijk) aan het werk te helpen. Naast de steun diemensen ontvangen vanuit de regeling, ervaren ze ook problemen. Alsoorzaak voor de ervaren problemen wordt vaak verwezen naar de wet zelfof de daarmee samenhangende uitvoering. De uitwerking wordt dan als«hard» omschreven. Het gevoel overheerst dat de overheid in dezesituaties vooral op de regels let, en weinig oog heeft voor mensen in debijstand en de problemen waarmee zij kampen. Dit kwam niet alleen uitgesprekken met bijstandsgerechtigden naar voren, maar ook metuitvoerenden en experts. Ook bij de uitvoerend professionals zijn ertekenen dat het knelt. Verschillende gemeenten zoeken daarom ook deranden van de wet op of gaan er deels zelfs overheen, juist om de wet vanhaar scherpe kanten te ontdoen. Anderzijds zien we een hoge mate vanhandelingsverlegenheid om maatwerk toe te passen, ook wanneer de wetdaar wel ruimte voor biedt. Begin 2021 kwam dit signaal – naar aanleidingvan de gesprekken die zijn gestart door «boodschappenaffaire»3 –duidelijk naar voren.4 In deze periode werd ook steeds meer bekend overde diepe sporen die de kinderopvangtoeslagenaffaire heeft nagelaten inhet leven van vele burgers. Dit alles heeft ertoe geleid dat de overheid zichresponsiever is gaan opstellen en oog heeft voor bredere signalen, overde onredelijke en onwenselijke effecten van wetgeving en de uitvoeringdaarvan. Daarom stelt de regering dit wetsvoorstel voor.De regering ziet het als kerntaak om alle Nederlanders bestaanszekerheidte garanderen. Deze opdracht vloeit voort uit artikel 20 van de Grondwet.Nederland kent een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid, met debijstand als laatste vangnet; financiële ondersteuning voor wie (tijdelijk)niet zelf in het levensonderhoud kan voorzien. Sinds 2015 regelt deParticipatiewet dit vangnet. Ook regelt deze wet net als haar voorgangersondersteuning van mensen om weer zelfstandig in hun bestaan te gaanvoorzien. Daarbij is de Participatiewet sinds 2015 ook van toepassing opeen nieuwe doelgroep: mensen met arbeidsbeperkingen die, eventueelmet begeleiding, in staat zijn te werken.2CBS, december 2021. Inclusief de AIO betreft het aantal 473.000 mensen. Gemeenten verlenenalgemene bijstand aan personen onder de AOW-gerechtigde leeftijd. De SVB doet dat voorpersonen boven de AOW-gerechtigde leeftijd in de vorm de AIO. Het gaat bij de AIO omongeveer 59.000 personen.3CRvB 23 augustus2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918.4Idem 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 34 De Participatiewet en haar voorgangers hebben de afgelopen jaren veelmensen ondersteund. De Participatiewet bereikt in veel gevallen wat dewetgever heeft bedoeld. Ook vanuit Europees perspectief heeft Nederlandeen adequate armoedebescherming: iemand in Nederland met bijstand(inclusief aanvullende regelingen en toeslagen) valt niet onder de officiëlearmoedegrens (60 procent van het gemiddelde inkomen in het land).5Toch zijn er ook duidelijke signalen dat de wet op onderdelen knelt.Signalen vanuit de uitvoering, onderzoeken, uit vele nieuwsberichten enhet publieke en politieke debat. Deze hebben zoals gezegd geleid totzorgen over «hardheden» in de Participatiewet. Het gevoel overheerst datde overheid vooral op de regels let en weinig oog heeft voor de mensachter de uitkering of de complexe problemen waar deze mee kampt.In het rapport «Hardvochtige effecten op burgers door knelpunten in(uitvoering) wet- en regelgeving binnen de sociale zekerheid» wordtopgemerkt dat het sociale zekerheidsbeleid de afgelopen jaren steedsvaker gestoeld is op wantrouwen.6 Wantrouwen als uitgangspunt kanertoe leiden dat de overheid mensen op een onprettige manier bejegenten dat mensen zich vervolgens bij voorbaat als fraudeur behandeldvoelen. De regering vindt dit een zorgelijke ontwikkeling en trekt zich ditaan. Het vertrouwen tussen burger en overheid vormt in de ogen van deregering de basis voor het goed functioneren van de democratischerechtstaat, waarin de rechten en plichten van een individuele burgeruiteindelijk het uitgangspunt dienen te zijn. Dit geldt zeker ook voor dezewet die bedoeld is voor mensen die zich (tijdelijk) in een kwetsbare positiebevinden.Beleidsanalyse: Participatiewet uit balansNaar aanleiding van bovenstaande zorgen heeft het vorige kabinet in 2021een traject gestart tot verbetering van de Participatiewet.7 Binnen dittraject is de Participatiewet in lijn met het coalitieakkoord gewogen opeenvoud, menselijke maat en uitvoering.8 De insteek van dit traject raaktaan een overkoepelende ambitie van de regering: werken vanuitvertrouwen en ruimte bieden voor maatwerk.9 Het mag bijvoorbeeld nietzo zijn dat de overheid mensen die onbedoeld een fout maken direct alsfraudeur bestempelt.10 In de uitvoering moet ruimte zijn om te voorkomendat de gevolgen van overheidsingrijpen voor mensen onevenredig grootzijn. Professionals dienen waar mogelijk meer beslisruimte te krijgen in deuitvoering. Het traject is opgepakt als een brede maatschappelijke opgave.Samen met (oud-)bijstandsgerechtigden, gemeenten, de SocialeVerzekeringsbank (hierna: SVB) en andere bijstandsgerechtigde partijenzijn ervaren hardheden en knelpunten geïnventariseerd, achterliggendeoorzaken geanalyseerd en oplossingsrichtingen geformuleerd. Hierbij zijnook twee nieuwe onderzoeken11 en bestaande juridische- en wetenschap-pelijke inzichten betrokken.5Commission staff working document, Proposal for a council recommendation on adequateminimum income ensuring active inclusion, SWD (2022), 313 final, Brussel 28 september 2022,te raadplegen via https://eur-lex.europe.eu/legal-content/EN/ALL/?uri:COM2022:490:FIN6Hardvochtige effecten op burgers door knelpunten in (uitvoering) wet- en regelgeving binnende sociale zekerheid, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 26 448, nr. 685.7Kamerstukken II, 2020/21, 34 352, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 34 352, nr. 213.8Coalitieakkoord Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst van 15 december 2021,p. 1.9Coalitieakkoord Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst van 15 december 2021,p. 24.10Kamerstukken II 2020/21, 17 050, nr. 596.11«Rapport inventarisatie verbeterpunten Participatiewet» en «Aandacht voor vertrouwen enoog voor de menselijke maat binnen de Participatiewet», bijlage bij Kamerstukken II 2021/22,34 352 en 35 394, nr. 230.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 35 De regering is erkentelijk voor de inbreng van alle betrokken partijen. Ditheeft geleid tot een zeer uitgebreide beleidsanalyse over de hardheden inde Participatiewet; het rapport Participatiewet in Balans.12 De conclusievan de beleidsanalyse is helder: de Participatiewet is momenteel uitbalans. Door verschillende ontwikkelingen is er op dit moment sprakevan:a.een complex ingerichte bestaanszekerheid;b.een als beperkt ervaren ondersteuning; enc.een vaak als disproportioneel ervaren sanctieregime.Hierdoor verkeren mensen in onzekerheid en komen zij moeilijker weeraan het werk. Verder ervaren zij in hun contact met de overheidwantrouwen. Het toont het beeld van een wet die de menselijke maat uithet oog verloren is. De regering stelt in dit wetsvoorstel een pakket aanmaatregelen voor om op korte termijn een eerste stap te zetten in hetterugbrengen van de balans in de Participatiewet. Voordat wordt ingegaanop de doelstelling van dit wetsvoorstel en de concrete maatregelen die deregering voorstelt, gaat deze memorie van toelichting eerst nader in oponderdelen van de bovengenoemde drie centrale problemen die ditwetsvoorstel adresseert. Voor de volledige beleidsanalyse wordtverwezen naar het rapport Participatiewet in balans: uitkomsten beleids-analyse.131.2.1 De complexe inrichting van het stelsel van sociaal minimum Ten aanzien van bestaanszekerheid is sprake van:–Een complexe bestaanszekerheid die veel afhankelijkheden kent;–Een vangnetkarakter – in de vorm van complementariteit – dat oponderdelen een (te) strikte uitleg heeft gekregen.Complexiteit van het stelsel van sociaal minimumDe Nederlandse sociale zekerheid is complex en kent veel afhankelijk-heden. Het sociaal minimum is opgebouwd uit verschillende onderdelen.Naast de algemene bijstand zijn er bijvoorbeeld toeslagen, de eventuelekwijtschelding van gemeentelijke- en waterschapsbelastingen, debijzondere bijstand voor uit bijzondere omstandigheden voortvloeiendenoodzakelijke kosten van levensonderhoud en het gemeentelijk minima-beleid. Al die onderdelen kennen vanuit hun eigen beleidslogica huneigen regels rond inkomen en, in bepaalde gevallen, ook woon- ofleefsituatie. Zo werken toeslagen met een toetsingsinkomen op jaarbasisen werkt bijstand met het inkomen waarover bijstandsgerechtigde in dedesbetreffende maand kan beschikken. Een inkomensterugval kandaardoor betekenen dat iemand recht op bijstand krijgt. Maar dit hoeftniet in te houden dat daaraan ook een maximaal recht op toeslagen of eenkwijtschelding van gemeentelijke belastingen gekoppeld is.Deze complexiteit vraagt veel van het denk- en doenvermogen vanmensen. Mensen die zich bovendien vaak in een kwetsbare positiebevinden en niet altijd beschikken over het benodigde doenvermogen.Binnen de Participatiewet zorgt het stelsel van verplichtingen enhandhaving nog eens voor extra complexiteit. Het is ingewikkeld om tevoldoen aan de veelheid van verplichtingen in de bijstand. Verplichtingendie soms niet aansluiten bij de belevingswereld van mensen.12Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22,34 352, nr. 253.13Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22,34 352, nr. 253.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 36 Strikte complementariteitOok het strikte beginsel van de zogenaamde «complementariteit»,waarvan de Participatiewet uitgaat, draagt bij aan de complexiteit van debijstand. De bijstand is immers een laatste vangnet voor mensen die zelfniet in staat zijn om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Comple-mentariteit wil zeggen dat de bijstand de «middelen» waarover iemandredelijkerwijs kan beschikken, aanvult tot een inkomen op sociaalminimumniveau voor zijn leefsituatie (leeftijd en leefvorm). Zo wordtverantwoord met belastinggeld omgegaan. De bijstand werkt daarbij meteen breed geformuleerd inkomensbegrip en een strikte invulling van decomplementariteit. Dat houdt in dat in beginsel elk middel waaroverbelanghebbende kan beschikken mee kan tellen bij de bepaling van dehoogte van en het recht op de bijstand.De beleidsanalyse laat zien dat het uitgangspunt van de complementa-riteit (het vangnetkarakter) van de bijstand op begrip kan rekenen bijzowel bijstandsgerechtigden als professionals in de uitvoering. Bijbijstandsverlening gaat het om publieke middelen, die daar waar dit nietnodig is, ook niet verstrekt moeten worden. Het is vooral de huidige zeerstrikte uitleg waar bijstandsgerechtigden vraagtekens bij plaatsen. Datinkomen uit arbeid moet worden gemeld, snappen ze. Maar als hetbijvoorbeeld gaat om door een familielid verstrekte boodschappen temelden, is dat begrip er niet.De strikte uitleg van de complementariteit betekent dat elke storting op derekening en elke verhuisbeweging op het adres van bijstandsgerechtigdeeen rechtmatigheidsvraag oproept. Dat lijkt ook door te werken in decontacten tussen bijstandsgerechtigden en de overheid. De focus lijkt teliggen op de vraag: heeft u (wel) aan de wet voldaan? Het daarbij horendeonderzoek kan vrij diep treden in de privésfeer van de bijstandsgerech-tigde: waar komt die storting vandaan? Hoe vaak verblijft deze persoon opuw adres? Deze grondhouding bij de bijstandsverlening voedt wederzijdswantrouwen. Niet de ondersteuningsbehoefte, maar de rechtmatigheidvan de verstrekking lijkt in onderlinge contacten de boventoon te voeren,blijkt uit de beleidsanalyse.1.2.2 De als te beperkt ervaren ondersteuning Qua ondersteuning is sprake van:–Een participatieopdracht met een focus op (terugkeer naar) betaaldwerk, waardoor voor een grote groep mensen perspectief ontbreekt;–Meerdere praktische belemmeringen om deze «arbeidsinschakeling»voor bijstandsgerechtigden aantrekkelijk te maken.Sterke focus op arbeidsinschakelingEen belangrijk uitgangspunt van de Participatiewet is dat de mensen dieeen uitkering ontvangen betaald werk kunnen en willen verrichten. Mitsdat onder de juiste omstandigheden gebeurt. Met als gevolg dat mensenvolledig uit de bijstand stromen. Voor een deel van de doelgroep is ditechter niet weggelegd. Uit de beleidsanalyse blijkt dat er een te grotefocus is op arbeidsvermogen en arbeidsinschakeling bij de uitvoering vande wet. Daardoor gaat er slechts beperkt aandacht naar de mensen zonderof met een verminderd perspectief op werk. De groep voor wie arbeidsin-schakeling op korte termijn geen reëel perspectief is, zoals mensen zonderarbeidsvermogen of mensen die al lang in de bijstand zitten, raakt dikwijlsbuiten beeld. Met hen vinden er nog maar sporadisch gesprekken plaats.Deze groep bijstandsgerechtigden heeft – zeker in eerste instantie – eenheel ander soort ondersteuning nodig. Deze bijstandsgerechtigden gevenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 37 aan zich aan hun lot overgelaten te voelen en ook niet de ruimte teervaren hun lot in eigen handen te kunnen nemen. Bij hen bestaat hetgevoel – soms ook gevoed door het handelen van de gemeente – dat hetvolgen van een opleiding of het verrichten van vrijwilligerswerk alleenmogelijk is met toestemming van de gemeente. Het zijn extra obstakelsdie eigen initiatief belemmeren, waardoor enig toekomstperspectief nogverder wegvalt.Meerdere praktische belemmeringen om deze «arbeidsinschakeling» voorbijstandsgerechtigden aantrekkelijk te makenOngeveer 70 procent van alle bijstandsgerechtigden zit langer dan tweejaar in de bijstand. Zij hebben vaak een langere aanloop nodig om tekunnen uitstromen naar arbeid, met als tussenstap deeltijdwerk. De wetmaakt deze tussenstap op dit moment niet gemakkelijk. Ook hierbij is eenandere soort ondersteuning nodig. Bij het zetten van de stap van uitkeringnaar (deeltijd) werk valt de zekerheid van een uitkering weg en ervarenmensen vaak knelpunten en onzekerheden over inkomen. Wat betekent ditvoor het totaalinkomen: arbeidsinkomen plus eventuele aanvullendebijstand? Wat is de doorwerking in het recht op toeslagen en gemeente-lijke ondersteuningsregelingen? Wordt het flexibel en/of tijdelijk contractverlengd? Krijg ik als dit niet gebeurt wel snel genoeg weer een passendeuitkering? Deze onzekerheden kunnen ervoor zorgen dat mensen uit angstde stap naar betaald werk niet durven zetten, of dat mensen financieel inde knel komen als ze de stap wel zetten.Dit effect wordt nog eens versterkt als het gaat om een deeltijdbaan. Voorsommige mensen is een deeltijdbaan het maximaal haalbare. Uit debeleidsanalyse blijkt dat veel mensen die deeltijd werken en daardooraanvullend bijstand ontvangen, financiële onzekerheid ervaren. Het gaatom concrete financiële problemen. Door inkomstenverrekening gaansommige mensen er op maandbasis op achteruit zodra ze in deeltijd gaanwerken naast hun uitkering. Een ander probleem vormt de vakantiebijslagen andere reserveringen. De gereserveerde vakantiebijslag en anderereserveringen in het kader van een keuzebudget (zoals IKB) wordenmaandelijks op de uitkering in mindering gebracht, terwijl bijstandsge-rechtigde er pas in de maand van uitbetaling over kan beschikken. Bijvakantiebijslag is dat veelal de maand mei of juni. Daarnaast lopen ook detijdpaden van verschillende inkomstenbronnen (salaris, bijstand entoeslagen) veelal niet synchroon. Hierdoor komt het voor dat mensenzodanige schommelingen in hun inkomsten (loon en bijstand) hebben datze hun maandelijkse lasten niet of nauwelijks kunnen betalen. Dit geheelstimuleert mensen niet of belemmert hen om gedeeltelijk uit te stromen.Lukt het niet op de arbeidsmarkt dan is een terugval in de bijstand altijdeen optie. Veel mensen vinden dit (te) lastig omdat het aanvragen vanbijstand voor hen tijdrovend en ingewikkeld is.Uit de scans parttime werk van Divosa blijkt dat meer dan de helft van demensen die in deeltijd werkt, de aanvullende uitkering niet op tijduitbetaald krijgt.14 Anderen krijgen te maken met terugvorderingen enherberekeningen omdat niet het juiste bedrag is uitbetaald. Daarnaastgaat (deeltijd) werken vaak samen met problemen met de inkomstenver-rekening. Zoals minder geld beschikbaar hebben voor boodschappen,rekeningen of vaste lasten niet kunnen betalen of geld moeten lenen bijfamilie of vrienden.14Dit onderzoek is gedaan door Muzus: Kistenmaner, S., Salomé, L. (2019). Ervaringen enklantbeleving van Surplus. Muzus, Delft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 38 1.2.3 Het strenge sanctieregime Qua sanctieregime is sprake van verplichtingen die veel vragen van hetdoenvermogen van mensen om wie het gaat en zodanig gespecificeerdzijn vormgegeven dat ze niet goed bruikbaar zijn voor uitvoerders;Complexe verplichtingenDe Participatiewet kent naast rechten ook verplichtingen. Als eenbijstandsgerechtigde zich niet aan deze verplichtingen houdt, kunnen ersancties en terugvorderingen volgen. De keuze van de wetgever voor eensystematiek van rechten en plichten met een handhavings- en sanctie-regime, terug- en invordering is niet vreemd. Maatschappelijk gezienwordt verwacht dat teveel verstrekte uitkering teruggevorderd wordt,omdat het gemeenschapsgeld betreft.15 Voor het draagvlak in desamenleving is het van cruciaal belang dat alleen mensen die het echtnodig hebben en er recht op hebben bijstand ontvangen. Uit onderzoekblijkt dat de meeste bijstandsgerechtigden zich aan de regels houden. Uitonderzoek blijkt dat zowel te strenge als te lichte handhavingsmiddelenzorgen voor erosie van het draagvlak.Steeds meer professionals zien in de uitvoering dat de wetgever door dejaren heen steeds meer verplichtingen in de wet is gaan specificeren. Ditgeldt bijvoorbeeld voor de taaleis16, de tegenprestatie17 en de geünifor-meerde verplichtingen18. Hierdoor is een hele lijst aan standaardverplich-tingen ontstaan, die niet altijd toepasbaar is in de individuele situatie vanbijstandsgerechtigde,19 zeker niet wanneer arbeidsinschakeling nu of opden duur geen reëel perspectief vormt. Dit verhoogt de complexiteit. Hetlijkt er mede debet aan te zijn dat 60 procent van de bijstandsgerechtigdenzich vrijgesteld acht van de geldende arbeidsverplichtingen20, terwijl hetfeitelijke aantal ontheffingen, op grond van artikelen 9, tweede en vijfdelid, en 9a Pw, van die verplichtingen veel lager ligt. Namelijk ongeveer10 procent.21 Bij deze verplichtingen geldt bovendien dat de wet stevigeverlagingen van de bijstandsuitkering voorschrijft als mensen dezeverplichtingen niet nakomen. Bij de evaluatie van de Participatiewet werdin dat kader al aangegeven dat de uitvoering er vaak voor kiest alsnoggeen verlaging op te leggen.22 Bijstandsgerechtigden verwachten dat zijbegripvol bejegend worden en dat een sanctie past bij (de zwaarte van) deovertreding.23 De uitvoering laat verlaging achterwege, omdat de wettelijkvoorgeschreven verlagingen als te ontwrichtend worden ervaren envanuit die optiek niet het grotere belang dienen. De stevigheid waarmeeverplichtingen sinds 2013 in de wetgeving zijn verankerd, lijkt dus niet te15Zo blijkt uit de Omgevingsanalyse SZW, zie bijvoorbeeld de rapportage over het najaar van2021 (Opiniepeiling Omgevingsanalyse SZW najaar 2021 | Rapport | Rijksoverheid.nl) of derapportage over het voorjaar van 2022 (Opiniepeiling Omgevingsanalyse SZW voorjaar 2022 |Rapport | Rijksoverheid.nl), onderzoek dat heeft geleid tot de Meerjarige Handhavingskoers2022–2025, Kamerstukken II, 17 050, nr. 602 en uit het onderzoek naar burgerperspectief (Hetburgerperspectief op de herijking van het handhavingsbeleid in de sociale zekerheid | Rapport| Rijksoverheid.nl).16Artikel 18b Pw.17Artikel 9, eerst lid, sub c, Pw.18Artikel 18, vierde lid, Pw.19Zie pagina 18 van Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, bijlage bij Kamer-stukken II 2021/22, 34 352, nr. 25320Klantonderzoek evaluatie Participatiewet, p.27, bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 64 352,nr. 185,.21CBS Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) B1 – 2022Q3 – N, werkblad N13, te raadplegen viaBijstand, derde kwartaal 2022 (cbs.nl).22Eindevaluatie van de Pw, Sociaal en Cultureel Planbureau Den Haag, november 2019.23Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, «Tussen Staat en Menselijke Maat», november2021.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 39 passen bij de uitvoeringspraktijk. Daarbij is het van belang om teerkennen dat het opleggen van een financiële sanctie een grote impactkan hebben op het leven van een bijstandsgerechtigdebetrokkene. Dit kangerechtvaardigd zijn, maar de overheid is het aan de bijstandsgerechtigdeverschuldigd om een bewuste keuze te maken in het handhavingsin-strument (hierna ook: de sanctie) dat gehanteerd wordt. Dit kan geenautomatisme zijn. In de praktijk trachten uitvoerders om zo veel mogelijkpassend te handhaven, maar het huidige regime wordt daarbij alsknellend ervaren. Bestuursorganen en gemeenten vragen om meer ruimteom een beslissing te kunnen nemen die recht doet aan de situatie die zijtreffen.241.3 Overzicht maatregelen Zoals aangegeven bevat dit wetsvoorstel een samenhangend pakket vanruim twintig maatregelen. Deze maatregelen worden in hoofdstuk 3 tot enmet 5 nader toegelicht. Gezien de omvang van het aantal maatregelen, isonderstaande tabel opgenomen dat een kort overzicht biedt van deinhoud van deze maatregelen.§OnderwerpKernBurgerperspectief3.2Harmonisatie aanvullendebijstand jongerennormDe aanvulling op dejongmeerderjarigen-norm(18–21 jaar) wordt in beginsel gelijkvoor alle gemeenten. Dit betekentdat gemeenten aanvullend634 euro aan jongeren kunnengeven wanneer ze redelijkerwijsgeen steun van hun ouders krijgen.Wanneer blijkt dat dit bedrag nietvoldoende is, kan de gemeente hetbedrag verhogen. Als blijkt dat hetbedrag te hoog is, kan degemeente het verlagen.De jongmeerderjarigen krijgen meerzekerheid dat de bijstand die zijontvangen voldoende is omnoodzakelijke kosten te kunnenbetalenDe grote verschillen tussengemeenten worden hiermee zoveelmogelijk verkleind.3.3GiftenIntroductie van een standaardgiftenvrijlating van € 1.200 perjaar.Niet iedere gift moet meer wordengemeld bij de gemeenten. Meldingis alleen nodig, als het totaal aantalgiften boven de € 1.200 per jaaruitkomt. De giften die wordenontvangen, moeten wordenbijgehouden door de bijstandsge-rechtigde zelf.3.4VermogenWanneer een burger een bijstands-uitkering aanvraagt, wordt gekekennaar het totale vermogen. Dit blijftook gedurende de loop van debijstand het uitgangspunt.Dus vermogen = totale vermogen– schulden.Voortaan wordt er rekeninggehouden met zowel het huidigevermogen en de huidige schulden.Melding (in het kader van deinlichtingenplicht) is alleen nodigwanneer toenamen in bezit leidentot een vermogen boven degeldende vermogensgrens enmoeten dus door de bijstandsge-rechtigde zelf worden bijgehouden.24Signaleringsbrieven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 310 §OnderwerpKernBurgerperspectief3.5Vierwekenzoek-termijnjongeren tot 27 jaarDe vierwekenzoektermijn blijft vankracht. De gemeente krijgt wel demogelijkheid om in knellendesituaties geen gebruik te makenvan de vierwekenzoektermijn.Als er een uitzondering wordtgemaakt op de vierwekenzoekter-mijn, kan de jongere meteen eenbijstandsuitkering krijgen.3.6Bijstand met terugwer-kende krachtDe gemeente krijgt de mogelijk-heid om een bijstandsuitkering metterugwerkende kracht te verstrek-ken. Dit kan de gemeente doen alsde individuele omstandighedendaarom vragen. De maximalelengte is tot en met 3 maandenterug.Indien nodig, kan de bijstandworden verleend voor de periodedirect voorafgaand aan het momentwaarop een burger bijstand heeftaangevraagd. Dit kan schuldenvoorkomen / financiële problemenverkleinen.3.7Gezamenlijke huishoudingUit jurisprudentie volgt datartikel 3, vierde lid, onderdeel a,Pw op onderdelen in strijd is methet Internationaal Verdrag inzakeburgerrechten en politieke rechten.Die strijdigheid wordt weggeno-men.Dit heeft geen gevolgen voor debijstandsgerechtigden, omdatgemeenten de jurisprudentie van deCRvB al volgen.3.8Bijstandsnorm voor henmet niet-rechthebbendepartnerDe bijstandsuitkering voor eenbijstandsgerechtigde met eenpartner die geen recht heeft opbijstand wordt verhoogd. Als departner inkomsten heeft, wordendeze verrekenend.Deze groep krijgt standaardhetzelfde bedrag aan bijstand alsalleenstaanden.3.9Bijstandsnorm alleen-staande ouder zonderALO-kopEen bijstandsgerechtigde met eenniet-rechthebbende partner(bijvoorbeeld omdat deze in hetbuitenland of in de gevangenisverblijft) en met in Nederlandwonende kinderen, heeft geenrecht op extra kindgebondenbudget. Dit komt door verschil-lende partnerbegrippen inverschillende wetten. In jurispru-dentie is bepaald dat het bedragvan de bijstandsuitkering in dezesituaties wordt verhoogd. Ditwordt nu ook vastgelegd in de wet.Als de niet-rechthebbende partnerinkomsten heeft, kunnen dezeverrekend worden met de bijstandvan de bijstandsgerechtigde.De bijstandsgerechtigde met eenniet-rechthebbende partner die welkinderen heeft in Nederland, kanrecht hebben op een hogerebijstandsuitkering.3.10Onmiddellijk indienenaanvraagVaak kunnen burgers meteen eenbijstandsaanvraag indienen alshier een melding voor wordtgemaakt bij de uitvoeringsorgani-satie of gemeente. Voor de enkelesituaties waar dat nog niet zo is,wordt geregeld dat zodra er eenmelding wordt gedaan, het meteenmogelijk moet zijn om eenuitkering aan te vragen.Burgers hoeven niet langer tewachten voor het aanvragen vaneen bijstandsuitkering. Dit wordtmogelijk zodra een melding isgedaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 311 §OnderwerpKernBurgerperspectief3.11Gelijkstelling diverseaanvragenVoorgesteld wordt om deaanvraagdatum van de eerstaangevraagde uitkering (bijstand,Bbz, IOA, IOAZ) bij een gemeenteals meldingsdatum voor eenbijstandsaanvraag te hanteren.Als een burger per ongeluk deverkeerde uitkering aanvraagt inplaats van een bijstandsuitkering,wordt de datum van de eerste(verkeerde) aanvraag gebruikt.Hierdoor loopt de burger geenuitkering mis in de tijd tussen deverschillende aanvragen.4.2Verruiming van debijverdiengrenzenDe verschillende vrijlatingsregelin-gen worden hetzelfde gemaakt inéén vrijlating. De vrijlatingbedraagt 15% voor de periode van1 jaar.De gemeente kan besluiten devrijlating te verlengen als men nietmeer uren kan werken wegensindividuele omstandigheden. Destructurele vrijlating voor mensenmet een medische uren beperkingblijft behouden.Er komt één bijverdienregeling,waardoor duidelijker wordt welkdeel van de bijverdiensten eenbijstandsgerechtigden mogenhouden. Het doel is om werkenvanuit de bijstand of in combinatiemet een bijstandsuitkeringaantrekkelijker te maken door deovergang tussen uitkering en werkmakkelijker te maken en het hebbenvan werk én uitkering te versoepe-len.4.4Versoepelen aanvraagpro-cedureDe aanvraagprocedure wordtvereenvoudigd:1) Het wordt mogelijk om bijstandtoe te kennen op basis van DigiD.Hierdoor kan de hele aanvraagdigitaal plaatsvinden.2) Identificatie mag voortaan ookop basis van een rijbewijs3) Bijstandsgerechtigden die uit debijstand zijn gestroomd en binnen12 maanden weer instromenkunnen gebruik maken van eenverkorte aanvraagprocedure,waarbij gegevens van eerdereaanvragen gebruikt mogenworden.Het aanvraagproces voor eenbijstandsuitkering wordt vereenvou-digd.4.5(Automatisch) verrekenenop uniforme wijzeDoor een uniforme wijze van hetberekenen van het netto-inkomenvoor te schrijven, wordt (automa-tisch) verrekenen op basis van degegevens uit de polisadministratiemogelijk gemaakt. Ook wordt hettransactiestelsel verduidelijkt.Het loonstrookje hoeft niet meer inalle gevallen maandelijks te wordenaangeleverd. Dit vermindert delastendruk en kan het proces in veelgevallen bespoedigen. Door dezemaatregel wordt de inkomensonze-kerheid verkleind.4.6Vereenvoudiging verreke-nenEr komt regelgeving waarin destandaardwijze voor het verreke-nen van de eindejaarsuitkering,vakantiebijslag en keuzebudgetwordt opgenomen. Dit maakt hetverrekenproces eenduidiger. Ookwordt voorkomen dat bijstandsge-rechtigden met inkomen naast debijstand door het verrekenen vandit inkomen op maandbasis onderde bijstandsnorm terechtkomen.Door het verreken van vakantiegeld,eindejaarsuitkering en keuzebudgetop een standaardwijze wordt zoveelmogelijk uniformiteit geborgd en ishet makkelijker uit te leggen. Ookwordt de inkomenszekerheidhierdoor bevorderd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 312 §OnderwerpKernBurgerperspectief4.7BufferbudgetMet het bufferbudget wordt eennieuw maatwerkinstrumentgeïntroduceerd om de financiëleproblemen – die ontstaan door hetverreken van inkomsten – op tevangen en het bijstandsniveau tekunnen garanderen.Het bufferbudget bedraagtmaximaal € 1.000 per jaar enwordt toegekend en beheerd doorde gemeenten.Het college krijgt de mogelijkheidom een bufferbudget toe te kennenin een individueel geval als andereinstrumenten zijn uitgeput of nietkunnen worden toegepast.Er komt een budget dat schomme-lingen door het verrekenen vaninkomen kan opvangen. Dit leidt totmeer financiële zekerheid op hetmoment dat een bijstandsgerech-tigde naast de uitkering werkt enstimuleert daarmee de arbeidsin-schakeling.5.2Generieke participatieplichtDe gemeenten krijgen de mogelijk-heid om de participatieplicht perpersoon verder aan te vullen metspecifieke verplichtingen diegepast zijn gelet om de omstandig-heden en mogelijkheden van hetindividu.De specifieke verplichtingen die nuin de wet zijn opgenomen wordengeschrapt.De bijstandsgerechtigde heeft eenparticipatieplicht. Dit houdt in datiemand naar vermogen algemeengeaccepteerd arbeid moet verkrij-gen, accepteren, behouden engebruik te maken van een door degemeente aangeboden (re-integratie) voorziening. Indienarbeidsinschakeling nog nietmogelijk is, is de persoon verplichtnaar vermogen maat-schappelijk te participerenZo nodig kan de gemeente extraverplichtingen opleggen. Dit wordtaan de bijstandsgerechtigdeduidelijk gemaakt.Standaard specifieke verplichtingen,zoals het bereid moeten zijn om drieuur te reizen voor werk, komen tevervallen.5.3–5.5Maatschappelijke participa-tieMaatschappelijke participatie isonderdeel van de generiekeparticipatieplicht. Een bijstandsge-rechtigde krijgt het recht ommaatschappelijke participatie zelfvorm te geven. Daarnaast kunnenzij ondersteuning krijgen bij dezevormgeving.Gemeenten ontwikkelen beleid metbetrekking tot maatschappelijkeparticipatie.Bijstandsgerechtigden die niet(direct) kunnen werken, krijgenmeer ruimte om hun maatschappe-lijke participatie zelf vorm te geven.Tegelijkertijd kunnen zij ook eenaanspraak maken op ondersteu-ning, conform het gemeentelijkbeleid.5.6MaatregelenbeleidEr komt een maatregelenbesluitwaarin gemeenten meer ruimtekrijgen om bij het opleggen vanmaatregelen rekening te houdenmet de individuele omstandighe-den. De standaard-verlagingen dieop dit moment in de wet zijnopgenomen komen te vervallen.Als een bijstandsgerechtigde nietaan de verplichtingen voldoet, kaneen meer passende maatregelenopgelegd worden. De automatisch«harde» maatregelen komen tevervallen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 313 §OnderwerpKernBurgerperspectief5.7Ruimte voor mantelzorgEr wordt in de wet opgenomen datmantelzorg geen op loon tewaarderen arbeid is en dat – alsmen samenwoont vanwege deintensieve mantelzorg die wordtverleend – dit niet als gemeen-schappelijk huishouden kanworden gezien.Mantelzorgers kunnen mantelzorgverlenen zonder te hoeven vrezenvoor de gevolgen voor de uitkering.5.8Verbreden experimenteer-artikelExperimenten mogen in hetvervolg ook gericht zijn opmaatschappelijke participatie,loonkostensubsidie en permanenteontheffingen. Daarnaast wordt detotale looptijd van experimentenverruimd naar 5 jaar.Dit heeft niet direct gevolgen. Alseen gemeente een experiment wiluitvoeren, krijgt zij hier meer ruimtevoor. Als dit de gemeente is waar debijstandsgerechtigde woont,kunnen zij mogelijk deelnemen aanhet experiment.6.2Aanpassing toegangseisIOAZZelfstandigen van 55 jaar en ouderdie tot drie maanden voor deaanvraag van IOAZ hun bedrijf ofberoep beëindigd hebben, kunnenalsnog toegang krijgen tot de IOAZals zij ook aan de andere vereistenvoldoen.Oudere gewezen zelfstandigen diezich eerst hebben gericht op hetbeëindigen van het bedrijf ofberoep en daarna pas een aanvraagdoen voor IOAZ, krijgen alsnog degelegenheid om IOAZ aan tevragen. 1.4 Betrokken partijen Bij zowel het traject voorafgaand aan de totstandkoming van hetwetsvoorstel als bij de uitwerking van de individuele maatregelen zijnvoortdurend verschillende belanghebbende partijen betrokken. Dit in devorm van onder andere rondetafelgesprekken25, stakeholdersdagen,focusgroepen met ervaringsdeskundigen, beleidstafels en een informelepre-toets. Hier maakte onder meer de Vereniging Nederlandse Gemeenten(hierna: VNG), gemeenten, de SVB, (oud-)bijstandsgerechtigden,beroepsverenigingen van de uitvoering, cliëntenvertegenwoordigers,sociale partners, juridisch experts en onderzoekers onderdeel van uit.Uiteraard zijn ook de mensen op wie deze wet van toepassing is, de(oud-)bijstandsgerechtigden, bij het vormgeven van dit wetsvoorstelbetrokken. Daarnaast zijn vanwege de integrale blik ook andere departe-menten betrokken. Samen met allerlei belanghebbende partijen rondomde Participatiewet is het wetsvoorstel, onder andere op de aspecten vande uitvoerbaarheid, het burgerperspectief, M&O-risico’s en financiëlegevolgen getoetst.De SVB voert de bijstand in de vorm van de Aanvullende Inkomensvoor-ziening Ouderen (hierna: AIO) uit. De SVB heeft daarom deelgenomen aande informele pre-toets (zie onder «betrokkenheid gemeenten») en heefteen uitvoeringstoets uitgevoerd op dit wetsvoorstel. In paragraaf 10.2wordt hier nader op ingegaan. Daar waar in dit wetsvoorstel wordtgesproken over «gemeenten» of «de gemeente» wordt ook de SVBbedoeld, tenzij expliciet anders vermeld.25Kamerstukken II 2020/21, 34 352, nr. 213.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 314 Betrokkenheid gemeenten26Het wetsvoorstel verandert de situatie voor mensen die werken met ofeen beroep doen op de Participatiewet. De uitvoering van de Participa-tiewet is gedecentraliseerd naar de gemeenten. Het college van burge-meesters en wethouders is belast met de uitvoering van de Participa-tiewet en legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Degemeenteraad stelt daarnaast verordeningen vast. In dit wetsvoorstelwordt in dit verband steeds verwezen naar «de gemeente» of«gemeenten». De gemeenten zijn – net als bij de beleidsanalyse – vanafde start betrokken bij de vormgeving van dit wetsvoorstel. Gemeentenhebben daarbij de mogelijkheid gehad om zich in een vroegtijdig stadiumuit te spreken over de beleidsvoornemens en deze zo nodig bij te sturen,zowel aan beleidstafels, als via de informele pre-toets en de uitvoerings-toets.Met dit wetsvoorstel worden geen nieuwe taken bij gemeenten belegd.Het wetsvoorstel is bedoeld om de Participatiewet beter te latenaansluiten op de mogelijkheden en omstandigheden van de mensen voorwie ze zijn bedoeld en de uitvoering meer ruimte te geven om te kunnendoen wat in het individuele geval nodig is. Hierdoor wordt de weteenvoudiger en passender (zie voor de uitgangspunten en doelen van ditwetsvoorstel verder hoofdstuk 2). Daarom zijn de huidige taken op puntenaangepast.De gemeenten zijn zoals aangegeven vanaf de start betrokken bij ditwetsvoorstel. In juni 2022 heeft de regering aangekondigd welkemaatregelen uit de beleidsanalyse27 nader worden uitgewerkt. Dezeuitwerking heeft plaatsgevonden in de periode van september tot en metdecember 2022 aan verschillende beleidstafels en via meerdere sessies.Onder meer de volgende partijen namen deel aan deze tafels: diversegemeenten, VNG, Divosa, SVB, Inlichtingenbureau, Stimulansz, LandelijkeCliëntenraad (hierna: LCR), Wij zijn Mind, PBLQ, Cedric, Studeren enwerken op maat, CNV, MIND, Sterk uit Armoede, SAM en diverse directievanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna:SZW). De gemeenten die zijn aangesloten vormen een goede vertegen-woordiging van kleine, middelgrote en grote gemeenten.Samen met de VNG is voorafgaand aan de formele uitvoeringstoets eeninformele pre-toets vormgegeven. Tijdens deze pre-toets is het conceptwetsvoorstel, de voorgenomen maatregelen en een overzicht metfinanciële gevolgen doorgesproken (februari 2023). Dit is gebeurd aan5 tafels met elk een eigen expertise: uitvoering, financiën, juridisch,burgerperspectief en naleving. Aan de tafels namen onder anderedeelnemers uit gemeenten, SZW, LCR, Divosa, jongerenpanel Armoede enSchulden en diverse andere organisatie deel. De opbrengst van dezepre-toets is meegenomen in het verder vormgeven van het wetsvoorstel.In de formele uitvoeringstoets is de VNG nader ingegaan op de uitvoer-baarheid, handhaafbaarheid en de financiële gevolgen van ditwetsvoorstel. De financiële gevolgen zijn nog niet volledig in kaart tebrengen omdat de lagere regelgeving nog moet worden opgesteld.Daarom is met de partijen afgesproken dat de financiële impact van demaatregelen nader in kaart worden gebracht bij het opstellen van de26Deze paragraaf gaat nader in op de uitgangspunten en normen van Uitvoerbaarheidstoetsdecentrale overheden en Normenkader interbestuurlijke verhoudingen. De financiële kadersvan dit wetsvoorstel worden besproken in hoofdstuk en op implementatie wordt naderingegaan in paragraaf 11.7.27Kamerstukken II 2021/22, 34 352, nr. 253.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 315 amvb’s en dat de partijen daar goed bij betrokken zullen worden. Inparagraaf 10.1 wordt nader ingegaan op deze uitvoeringstoets.Het programma Participatiewet in balans bestaat uit drie sporen. Ditwetsvoorstel betreft het eerste spoor. Bij de aanvang van het opstellenvan dit wetsvoorstel was de Uitvoerbaarheidstoets decentrale overhedennog niet geïntroduceerd. De uitgangspunten die centraal staat in dezetoets, zijn in acht genomen bij het uitwerken van dit wetsvoorstel, zoalshierboven toegelicht. Bij spoor 2 – de meer fundamentele herziening vande Participatiewet – is het beleidskompas en daarmee de recent geïntro-duceerde UDO vanaf de start gevolgd en nageleefd. In dit spoor zal aan dehand van de beleidstheorie en de beleidsopties worden ingegaan op derol die is weggelegd voor de decentrale overheden. Spoor 3 bevat geenwetswijziging. In dit spoor wordt via co-creatie gewerkt aan een cultuur-omslag. Zie voor meer informatie over het programma paragraaf 2.2.1.5 Leeswijzer Deze memorie van toelichting bestaat uit diverse hoofdstukken. Inhoofdstuk 2 worden de doelen en uitgangspunten van dit wetsvoorsteluiteengezet. In hoofdstukken 3 tot en met 5 worden de voorgesteldemaatregelen verder toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op demaatregelen uit dit wetsvoorstel die raken aan rechtszekerheid, op dedoelmatigheid van het vangnetkarakter van de bijstand en de ruimte voorde uitvoering voor de uitvoerders van de wet. Vervolgens hoofdstuk 4worden de maatregelen besproken die een stimulans zijn voor dere-integratie en waarbij rekening wordt gehouden met de heterogenedoelgroep. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op maatregelen die eenbreder perspectief op participatie bewerkstelligen, met daarbij passende,reële verplichtingen en een gedifferentieerd handhavingsbeleid.In de daarop volgende hoofdstukken wordt achtereenvolgend ingegaanop de aanverwante regelgeving (hoofdstuk 6), de regeldruk (hoofdstuk 7),de financiële gevolgen (hoofdstuk 8) en de monitoring en evaluatie(hoofdstuk 9). In hoofdstuk 10 wordt ingegaan op de reacties die zijnontvangen tijdens de consultatie van dit wetsvoorstel. Daarna wordtaandacht besteed aan het misbruik en oneigenlijk gebruik, de doenvermo-gentoets, de gegevensuitwisseling die plaatsvindt door de invoering vandit wetsvoorstel, gendertoets, de rechtsbescherming en implementatie.Tot slot wordt in hoofdstuk 12 ingegaan op het overgangsrecht. In deel IIvan deze memorie is een artikelsgewijze toelichting opgenomen.2. Doelen en uitgangspunten 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt allereerst ingegaan op de doelen en opzet hetprogramma Participatiewet in balans. Dit is noodzakelijk om vervolgensde doelen en uitgangspunten van dit wetsvoorstel toe te lichten. Tot slotwordt ingegaan op andere trajecten die raken aan dit wetsvoorstel.2.2 Opzet van het programma Het vorige hoofdstuk beschrijft op welke punten we de Participatiewetkunnen verbeteren. Het doel van de regering is om de Participatiewetweer in balans te brengen. Er moet meer evenwicht komen tussen de driekernelementen van de Participatiewet: bestaanszekerheid, participatie enhandhaving. Dat evenwicht kunnen we bereiken door de mens centraal tezetten en uit te gaan van vertrouwen. Daarnaast is vereenvoudigingbelangrijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 316 BestaanszekerheidWerk en bestaanszekerheid zijn belangrijke pijlers van de Nederlandsesamenleving. Iedereen moet de kans krijgen om mee te doen en zich teontwikkelen. Als het tegenzit en iemand kan even niet in zijn eigenbestaan voorzien, dan is er de bijstand. Die bijstand moet zorgen voorinkomenszekerheid en stabiliteit. Het is een vangnet dat we met elkaarhebben gerealiseerd. Een ingenieus vangnet, dat bestaat uit een stelselvan voorzieningen. Het is een groot goed in ons land, maar toch moet datingenieuze stelsel eenvoudiger. In de uitvoering staan onze systemen tevaak in de weg. Er moet meer ruimte zijn voor de menselijke maat. Alleenzo werken onze wetten en regels voor wie ze bedoeld zijn. En wordt deoverheid weer toegankelijker voor mensen die steun nodig hebben.ParticipatieDeelnemen aan de samenleving én aan elkaars leven is belangrijk. Somshebben mensen begeleiding nodig, soms juist ruimte om zelfstandig teparticiperen. Wie steun nodig heeft, moet daarop kunnen rekenen.Daarnaast wordt eigen initiatief verwacht om stappen te zetten. Daarbijhouden we wel rekening met wat iemand kan.Als we de balans willen terugbrengen in de Participatiewet, dan moetenwe onze blik verruimen en naar de hele maatschappij kijken. Naar anderevormen van zorg en ondersteuning. We moeten niet denken vanuit onzesystemen, maar vanuit mensen.HandhavingDe bijstand wordt betaald uit belastingopbrengsten. Dat is geld van onsallemaal. De bijstand is dan ook een bestaansvoorziening op het niveauvan sociaal minimum. Waar mogelijk stimuleert de bijstand mensen omaan het werk te gaan, om te voorkomen dat mensen nodeloos in debijstand blijven hangen. Aan de bijstand zitten de nodige verplichtingenvast. En er is een strikte handhaving op de naleving daarvan. Als regelsniet worden nageleefd is een passende reactie op zijn plaats. Bij misbruikmoet streng opgetreden worden. Dat is belangrijk. Zo blijft er draagvlakvoor deze bestaansvoorziening die uit belastinggeld wordt betaald. Maarhoe belangrijk die naleving van regels ook is, de regels zelf moeten niethet belangrijkst worden. De regels zijn er voor mensen en niet andersom.Alleen op die manier ervaren mensen een overheid die niet uitgaat vanwantrouwen, maar van vertrouwen. En hebben we een systeem waariniedereen zich gezien en gekend voelt. Zo werkt het vangnet goed vooriedereen.De regering streeft vanuit bovenstaande met het programma Participa-tiewet in balans de volgende doelen na:1.De wet biedt een passend perspectief op werk en participatie;2.De wet (rechten en plichten) is begrijpelijk en goed na te leven;3.Mensen voelen zich ondersteund door de wet als het gaat omparticipatie en inkomen;4.De wet biedt een doelmatig vangnet: zeker en voorspelbaar;5.De wet biedt een toereikend inkomen; en,6.De wet sluit goed aan bij de brede vormgeving sociaal domein en hetinkomensstelsel.Naar aanleiding van de beleidsanalyse, is het programma Participatiewetin balans opgezet. Met dit programma wordt gewerkt aan het bieden vanvoldoende en een zeker bestaansminimum en het stimuleren vanbijstandsgerechtigde om deel te nemen aan de samenleving. DaarbijTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 317 wordt rekening gehouden met de individuele mogelijkheden en persoon-lijke omstandigheden. Daarom wordt gewerkt aan een nieuwe wet dieeenvoudiger is, beter begrijpbaar is en passende ondersteuning biedt metheldere rechten en plichten.Dit vraagt ook om een cultuuromslag. Zowel in de Participatiewet zelf alsde manier waarop die wordt uitgevoerd. Voor die omslag zijn verschil-lende stappen nodig. Een belangrijke rol is weggelegd voor de uitvoerendprofessional bij gemeenten en de aansturing daarvan op Rijks- engemeenteniveau. Binnen de gemeentelijke organisatie speelt daarbij ookde ruimte voor zelf op te stellen beleidsregels en hoe daar invulling aan tegeven. De uitvoering is daarbij afhankelijk van het wettelijk kader. DeParticipatiewet moet de gestelde ambitie faciliteren. Aan deze randvoor-waarde wordt nu nog niet voldaan. Daarom moet de wet, waar nodig,worden aangepast. Sommige ambities overstijgen het afgebakendeterrein van de Participatiewet en vragen om een bredere blik vanuit hetstelsel van de sociale zekerheid, zorg en ondersteuning. Daarnaast vragensommige vraagstukken vanwege de complexiteit en afhankelijkheden, omeen langere adem of worden deze in (samenhang met) andere trajectenverder vormgegeven.De verschillende onderdelen zijn complementair aan elkaar. Allen zijnnodig om de balans in de (uitvoering van de) Participatiewet doeltreffenden effectief te herstellen.De regering zet in op de volgende drie sporen:2.2.1 Spoor 1: het voorliggende wetsvoorstel Dit wetsvoorstel vormt spoor 1: een samenhangend pakket aan maatre-gelen waarmee de regering een stevige stap wil zetten naar eenuitvoering van de Participatiewet waarbinnen vertrouwen en de mense-lijke maat kernwaarden zijn. Daarnaast is er aandacht voor vereenvou-diging. Het wetsvoorstel bevat wijzigingen die relatief snel realiseerbaarzijn, met inachtneming van het beschikbare budgettaire kader. Debeoogde cultuurverandering vraagt echter nog meer. Hiervoor zijn ook desporen 2 en 3 noodzakelijk.2.2.2 Spoor 2: heroverweging van de beleidsuitgangspunten Iedereen moet kunnen beschikken over een toereikend en zeker bestaans-minimum. Mensen moeten daarnaast gestimuleerd en ondersteundworden om naar vermogen deel te nemen aan de samenleving. Om dit tebereiken is een omslag én een ander mensbeeld nodig in beleid enuitvoering: van denken in systemen naar wat mensen nodig hebben enwerken vanuit waarden als vertrouwen, eenvoud en menselijke maat.Rekening houdend met individuele mogelijkheden en omstandigheden.De wet- en regelgeving en de uitvoering daarvan moeten hier dienend aanzijn. Dit vergt een fundamentele herziening van de Participatiewet. Datkost tijd en moet zorgvuldig gebeuren. Mede om die reden heeft deregering ervoor gekozen om voor de korte en middellange termijn eensamenhangend pakket van ruim twintig maatregelen voor te stellen die deprofessional op korte termijn meer ruimte bieden om te doen wat nodig isom mensen te ondersteunen. Voor de langere termijn wordt gewerkt aaneen fundamentele herziening van de Participatiewet (spoor 2), waarbijopnieuw wordt gekeken naar de doelen en uitgangspunten van de wet ende samenhang met het bredere stelsel van inkomensondersteuning. In deTweede Kamer is een breed gesteunde motie aangenomen waarin deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 318 Kamer uitspreekt «dat de voorgenomen aanpassing van de hardheden inde Participatiewet doorgang moet vinden»28Het uitgangspunt bij de fundamentele herziening is de probleemanalysedie is opgesteld op basis van wetenschappelijk onderzoek, gesprekkenmet gemeenten, ervaringsdeskundigen en andere relevante partijen in hetveld. Hieruit blijkt onder andere dat de bijstand niet voor iedereentoereikend is, moeilijk uitvoerbaar is en dat de strikte complementariteitvoor (extra) complexiteit, onvoorspelbaarheid en hardvochtige effectenkan zorgen. Daarnaast blijkt dat lang niet iedereen (direct, volledig)betaald aan het werk kan en dat in de ondersteuning van mensen scherpekeuzes gemaakt moeten worden.De wet wordt mede vanuit het perspectief van mensen die er een beroepop doen en gemeenten opnieuw opgebouwd. De volgende vragenworden beantwoord: wat zijn de mogelijke doelen van een nieuwe wet,welke uitgangspunten en aannames passen daarbij en welke instru-menten kunnen het best worden ingezet om deze doelen te bereiken? Hoepassen deze bij de verschillende doelgroepen zoals ouderen, jongeren engedeeltelijk arbeidsgeschikten, en hoe verhoudt de wet zich tot hetbredere stelsel van de sociale zekerheid en het sociaal domein? Deprobleemanalyse laat zien dat de wet aan kracht kan winnen door meer tegaan werken vanuit vertrouwen, vanuit inzichten over wat mensen echthelpt. De plek van de Participatiewet als laatste vangnet in de socialezekerheid die voorziet in een noodzakelijk bestaansminimum blijftbehouden. Ook wordt niet losgelaten dat de wet doelmatig moet zijn endat mensen zich gestimuleerd voelen te gaan werken als dat mogelijk is.Dit blijven ook binnen een nieuwe wet belangrijke principes. De matewaarin is een politieke keuze.Deze politieke keuzes over de toekomst en de vormgeving van deParticipatiewet zijn aan een nieuw kabinet en de Tweede Kamer. Onder-tussen gaan de voorbereidingen voor het opbouwen van een nieuwe wetdoor: er wordt verder gewerkt aan een nieuwe beleidstheorie en aanconcrete beleidsopties om de inkomensondersteuning te verbeteren enom in kaart te brengen hoe mensen beter ondersteund kunnen wordennaar participatie (werk waar dat kan, maar ook andere vormen partici-patie, als werk (nog) niet mogelijk is). Specifiek wordt nagedacht overopties om mensen zonder of met beperkt arbeidsvermogen beter teondersteunen.Daarbij wordt een afwegingskader opgesteld waarin de waarden voor eennieuwe Participatiewet een plek hebben, zodat een nieuw kabinetvoortvarend een goede afweging kan maken om tot een nieuwe balans tekomen. Het streven is om de Tweede Kamer eind 2024 te informeren overde mogelijke pakketten van beleidsopties, waarmee een fundamenteleherziening van de Participatiewet gerealiseerd kan worden.2.2.3 Spoor 3: versterken vakkundigheid uitvoering Voor balans in de Participatiewet is ook een cultuurverandering binnen deuitvoering noodzakelijk. Wettelijke regels en vakkundige professionals diewerken bij de gemeente aan de uitvoering van de Participatiewet zijncomplementair. De beoogde beweging binnen de Participatiewet vraagteen cultuurverandering in de uitvoering: van controle naar dienstver-lening. De focus in contact tussen mensen en professionals moetverschuiven van rechtmatigheid naar de ondersteuningsbehoefte. Ditvraagt om een ander toetsingskader, waarbij niet de vraag is of ingezette28Kamerstukken II 2023/24, 34 352, nr. 316Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 319 instrumenten in lijn zijn met wat de wet voorschrijft (een rechtmatigheids-vraag), maar of de ingezette instrumenten in lijn zijn met het beoogdedoel (een effectiviteitsvraag). Dit verlangt een verdere professionalise-ringsslag op verschillende niveaus. Veel gemeenten hebben deze alingezet, in lijn met de aandacht de regering voor het Werk aan Uitvoering.De cultuuromslag wordt versterkt door spoor 3 van het programmaParticipatiewet in balans, waarbij de regering samen met de beroeps-groep een instrumentarium wil ontwikkelen voor de professionals.2.2.4. Caribisch Nederland Via het principe «comply or explain» is bezien of deze wetgeving vantoepassing kan worden verklaard in Caribisch Nederland en of differen-tiatie nodig en wenselijk is.29 Net als bij de bijstand in EuropeesNederland kan het veranderen van onder meer de menselijke maat envertrouwen bij de onderstand in Caribisch Nederland wenselijk zijn.Daarom brengt de regering de benodigde wijzigingen in het Besluitonderstand BES in kaart. Naar verwachting worden hierbij ook anderewijzigingen van de onderstand meegenomen. De benodigde wijzigingenin de onderstand worden in een apart traject uitgewerkt, omdat deonderstand een andere wettelijke basis kent dan de Participatiewet en debetreffende regelgeving is uitgewerkt bij amvb.2.3 Doelen van dit wetsvoorstel Dit wetsvoorstel geeft uitvoering aan spoor 1 en bevat maatregelen die opde korte en middellange termijn realiseerbaar zijn. De regering wil met ditwetsvoorstel een eerste stap zetten in het herstellen van de balans in deParticipatiewet door de mens meer centraal te stellen en uit te gaan vanvertrouwen. Daarnaast is vereenvoudiging een belangrijk uitgangspunt.Het is van belang om stil te staan bij wat onder deze begrippen wordtverstaan, tot welke doelen dit leidt voor dit wetsvoorstel en op welke wijzehier invulling aan wordt gegeven bij de uitwerking van de voorgesteldewetswijzigingen.In dit wetsvoorstel worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd:Menselijke maatIn de bijstandsverlening houdt de overheid rekening met de individueleomstandigheden, belangen en het doenvermogen van bijstandsgerech-tigden.Vertrouwen• Vertrouwen van de overheid in de bijstandsgerechtigden: de meestebijstandsgerechtigden hebben de juiste intenties;• Vertrouwen van de Rijksoverheid in de gemeente en SVB: de professio-nal maakt de juiste afweging;• Vertrouwen van de bijstandsgerechtigden in de overheid: Balans in deParticipatiewet draagt bij aan het herstel hiervan.VereenvoudigingBeleid dat bijdraagt aan een bijstandsregeling die voor bijstandsgerechtig-den voorspelbare en zekere gevolgen heeft en zo ervaren wordt.11 Dit sluit aan bij de definitie gehanteerd in het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) vereenvoudiging sociale zekerheid. Vereenvoudiging isgeen doel op zichzelf, maar het moet bijdragen aan de werking en doelmatigheid van de regeling en het bredere stelsel. Deze begrippen vormen de richtinggevende beginselen bij het uitwerkenvan de maatregelen. Het gaat er om dat de bijstandsgerechtigden demenselijke maat, het vertrouwen en de vereenvoudiging straks daadwer-kelijk ervaart. De doelen van dit wetsvoorstel zijn als volgt:29Kamerstukken II 2019/20, 35 300 IV, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 320 1.De regels en ondersteuning van de Participatiewet laten aansluiten opde mogelijkheden en omstandigheden van de mensen voor wie zebedoeld zijn: eenvoudig en passend;2.Het vergroten van de rechtszekerheid, zowel qua rechten als plichten:uniform waar het kan, differentiatie waar nodig; en3.Het creëren van meer handelingsruimte voor de uitvoerend professio-nal.2.3.1. De regels en ondersteuning van de Participatiewet laten aansluitenbij de mogelijkheden en omstandigheden van de mensen voor wie zebedoeld zijn: eenvoudig en passend Het uitgaan van menselijke maat zorgt ervoor dat de bijstandsgerechtigdehet gevoel heeft dat de Participatiewet een regeling is die werkt vanuituitgangspunten die daadwerkelijk op diegene van toepassing zijn. Om demenselijke maat in een wet te verankeren is het dus essentieel dat deeronder liggende beleidspremisses aansluiten bij de doelgroep van dewet. Is dat laatste niet het geval dan is het gat tussen wet en doelgroep tegroot. De uitvoering mist dan het instrumentarium om de doelgroeppassend te bedienen en de bijstandsgerechtigde voelt zich niet erkent ofgezien in zijn ondersteuningsbehoeften.Met dit wetsvoorstel wordt onderkend dat de Participatiewet eenheterogene doelgroep kent en door middel van de voorgestelde wijzi-gingen wordt de wet beter op de praktijk aangesloten. Arbeidsinscha-keling staat nog steeds voorop. Ook als voor sommige mensen de wegernaartoe langer is, of deeltijd werk een eerste passende tussenstap is.Maar tegelijkertijd ziet de regering dat sommige mensen duurzaam zijnaangewezen op deeltijd werk of dat arbeidsinschakeling überhaupt geenrealistisch perspectief is. Voor deze groep is de bijstand niet tijdelijk en iseen breder perspectief op participatie passend. In dit verband zijn ook dehuidige verplichtingen die daar wel op geënt zijn niet reëel, zij staan te vervan de bijstandsgerechtigde af.31 Hierdoor heeft een grote groep mensennu veelal het gevoel dat de achterliggende gedachte van de wet niet ophen van toepassing is. Tegelijkertijd bestaat er echter wel een grotebehoefte aan perspectief en deelname aan de maatschappij.Uitgangspunt van de Participatiewet blijft arbeidsinschakeling voor wiedat kan, maar voor de mensen die daar (nog) niet toe in staat zijn ligt defocus (eerst) op andere activiteiten. Het is belangrijk dat re-integratie diewél binnen de mogelijkheden ligt, zoveel mogelijk wordt gestimuleerd. Derandvoorwaarden hiervoor moeten op orde zijn. Dit wetsvoorstel zetdaarom in op maatregelen die re-integratie stimuleren, door onder anderedeeltijd werken meer te laten lonen en belemmeringen rondom arbeidsin-schakeling zoveel mogelijk weg te nemen. Dit wordt uitgewerkt inhoofdstukken 4A en 4B.Voor een ander deel van de doelgroep is de weg naar arbeidsinschakelinglanger of is dit niet realistisch. Voor deze groep mensen is het belangrijkdat andere vormen van participatie dan arbeid een meer gelijkwaardigepositie krijgen binnen de Participatiewet. Maatschappelijke participatie enhet gevoel tot nut te zijn, verstevigen iemands netwerk en eigenwaarde.31Uit de beleidsanalyse volgt dat er een grote hoeveelheid aan standaardverplichtingen isontstaan (geüniformeerd en niet-geüniformeerd), die – zeker wanneer arbeidsinschakelinggeen reëel perspectief vormt – niet toepasbaar zijn in de individuele situatie van bijstandsge-rechtigde. Dit verhoogt de complexiteit en lijkt mede debet aan het feit dat 60 procent van dedoelgroep zich ook vrijgesteld acht van de geldende arbeidsverplichtingen. Zie pagina 18 vanParticipatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22,34 352, nr. 253Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 321 Dat resulteert uiteindelijk in een beperkter beroep op ondersteuningvanuit de overheid. De regering zet daarom met dit wetsvoorstel in opmaatregelen die een breder perspectief bieden op participatie endifferentiatie aanbrengen in het beleid. Deze worden uitgewerkt inhoofdstuk 5.2.3.2. Het vergroten van de rechtszekerheid, zowel qua rechten alsplichten: uniform waar het kan, differentiatie waar nodig Vertrouwen vraagt daarnaast om wetgeving die zekerheid biedt, zowel inrechten als in plichten. Zodat de bijstandsgerechtigde weet waar hij aantoe is. Qua rechten moet de wet daar waar mogelijk rechtszekerheidbieden, terwijl bij de beschrijving van verplichtingen het uitgangspunt datmensen de regels willen naleven leidend moet zijn. De wet moet dan ooknormen bevatten die duidelijk en herkenbaar zijn.Voor wat betreft de rechten is het voor de bijstandsgerechtigde belangrijkom te kunnen rekenen op een minimaal inkomen om in het levenson-derhoud te voorzien. Ongeacht de uiteenlopende individuele omstandig-heden die spelen, die ook om een variatie aan passende financiëleondersteuning vragen. De bijstandsgerechtigde moet hierbij niet te veelafhankelijk zijn van de vraag of de uitvoering wel of niet maatwerk levert.Al dan niet mede afhankelijk van de proactieve opstelling van deuitvoerend professional in kwestie of het daaraan ten grondslag liggendeindividuele gemeentelijk beleid. Bovendien is niet iedere bijstandsgerech-tigde in staat om een financieel nijpende situatie of bijzondere omstandig-heden tijdig aan te kaarten, om zo de toepassing van maatwerk in gang tezetten. Knelt wetgeving bovendien op te veel plekken, dan staat het(steeds grotere) beroep op maatwerk op gespannen voet met de in deuitvoering aanwezige capaciteit. Met in achtneming van de richtingge-vende beginselen kan dit wetsvoorstel een stap in de goede richtingzetten door met maatregelen de rechtszekerheid en de voorspelbaarheidvan het huidige vangnet van de bijstand te vergroten. Dit kan wordengedaan door de bijstandsgerechtigde in bepaalde situaties de zekerheid tebieden van een bepaald inkomen of een individuele beoordeling. Ditdraagt bij aan een eenduidige uitvoeringspraktijk. Tegelijkertijd is er ookde wens om juist ruimte te laten om in te spelen op vooraf niet teidentificeren specifieke situaties. Dit wetsvoorstel zet daarom in opmaatregelen van verschillende niveaus: algehele codificatie, zogenaamde«maatstafbepalingen» en «kan-bepalingen». Daarnaast wordt meerzekerheid geboden door de wet beter in overeenstemming te brengen metde maatschappelijke beleving. Dit alles wordt uitgewerkt in hoofdstuk 3.Daarnaast vraagt oog voor heterogeniteit van de doelgroep, ook omdifferentiatie binnen de verplichtingen en de handhaving daarvan.Bijstandsgerechtigden mogen van de overheid verwachten dat zij de(arbeids-, re-integratie- en/of participatie)verplichtingen verder specifieertals zij wil dat een bijstandsgerechtigde op een specifieke wijze invullinghieraan geeft. De uitvoering moet toegerust zijn om dit te kunnen doen.Bij de beschrijving van de verplichtingen moet voorts – vanuit hetoogpunt van vertrouwen – de nalevingsbereidheid van de bijstandsge-rechtigde het uitgangspunt zijn. Vertrouwen houdt in dit kader in: naastelkaar staan, in plaats van tegenover elkaar. Wie steun nodig heeft, moetdaarop kunnen rekenen. Tegelijkertijd mag worden verlangd dat depersoon die hulp krijgt ook zélf actie onderneemt en initiatief toont,rekening houdend met zijn of haar denk- en doenvermogen. De maatre-gelen in hoofdstuk 5 geven hier vorm aan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 322 2.3.4. Het creëren van meer handelingsruimte voor de uitvoerendprofessional Tenslotte moet uitgaan van vertrouwen zich ook vertalen in eenvertrouwen in het oordeel van de uitvoerend professional. Op dit momentervaren professionals in de uitvoering soms onvoldoende ruimte voormaatwerk bij de uitvoering van de Participatiewet. Soms komt dit dooreen te enge interpretatie van de ruimte die wet- en regelgeving nu albiedt. Soms komt dit door een gebrek aan andere belangrijke randvoor-waarden in de uitvoering. Zoals kennis en deskundigheid, voldoendepersonele capaciteit en middelen. Dit kan leiden tot handelingsverle-genheid in de uitvoering of het (te) strikt toepassen van regels en beleid.Op grond van de Participatiewet is het een taak van gemeenten om debijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op deomstandigheden, mogelijkheden en middelen van bijstandsgerechtigden.Zo biedt artikel 18, eerste lid, Pw in individuele gevallen de mogelijkheidom maatwerk te leveren. Dit artikel luidt: «De gemeente stemt de bijstanden de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden,mogelijkheden en middelen van de bijstandsgerechtigde». Op basis vandit artikel is het mogelijk om in een individuele situatie de hoogte van debijstand naar beneden of naar boven af te stemmen, en de verplichtingentoe te spitsen op de individuele situatie. Dit is het zogenaamde individuali-seringsbeginsel.Maar de wet biedt op meer onderwerpen expliciet ruimte voor maatwerk.Bijvoorbeeld voor het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand32 ende discretionaire bevoegdheid van de gemeente die in artikel 28 Pw isvastgesteld als het gaat om de uitkering van schoolverlaters.Of de ruimte die de wet biedt in de praktijk ook wordt gebruikt ommaatwerk toe te passen, hangt vooral van andere factoren af. In de eersteplaats heeft de bijstandsgerechtigde een belangrijke verantwoordelijkheidom informatie over zijn of haar leefsituatie tijdig met de gemeente tedelen. Want alleen dan kan de gemeente hier op een passende manier opacteren. Daarnaast benoemen gemeenten dat de beschikbaarheid vanvoldoende middelen voor de uitvoering van de Participatiewet één van debelangrijkste randvoorwaarden is. Maatwerk kost tijd en capaciteit.Maatwerkoplossingen zijn soms oplossingen die niet voor de hand liggenen waarvoor de financiering vaak niet eenvoudig kan worden georgani-seerd. Ook spelen de organisatiekenmerken van de uitvoerder eenbelangrijke rol. Het gaat hierbij om aspecten als de aandacht voormaatwerk in de visie en het dienstverleningsconcept en de wijze waaroptegen responsiviteit aangekeken wordt. Maar ook om de mogelijkespanning tussen maatwerk enerzijds en (het denken over) rechtmatigheid,rechtsgelijkheid, precedentwerking en fraudebestrijding anderzijds. Ditalles kan leiden tot:•Een sterke gerichtheid op rechtmatigheid (waardoor er handelingsver-legenheid is ontstaan om de ruimte te pakken die de wet biedt)tijdigheid, snelheid van beslissen bij gemeenten en het voorkomen vanprecedenten. Dit werkt het nauw volgen van (soms zeer gedetailleerde)werkinstructies en angst voor fouten in de hand waardoor eigenafwegingen uit de weg worden gegaan.•Een hoge productiedruk. Hierdoor kan tijd en aandacht voor hetpersoonlijk contact met bijstandsgerechtigden en de ruimte voormaatwerk als beperkt worden ervaren.32Artikel 35 Pw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 323 •Daarnaast moeten de keuzes over maatwerk passen binnen definanciële kaders waarbinnen gemeenten werken en spelenpersoneelstekorten een belangrijke rol.Om bij de uitvoering van de Participatiewet maatwerk toe te passen, kande regering geen limitatieve opsomming geven van gevallen waarinmaatwerk mogelijk is. Dit zou geen recht doen aan de opvatting dat bijmaatwerk – als dit nodig is – de individuele situatie van een bijstandsge-rechtigde leidend moet zijn. In dit wetsvoorstel schetst de regering kaderswaarbinnen ruimte wordt geboden om besluiten te nemen in overeen-stemming met de Participatiewet. Hiermee wil de regering de uitvoerendprofessionals in staat stellen om in te spelen op dilemma’s en afwegingendie zich voordoen. Dit past ook goed bij de decentrale wijze waarop deParticipatiewet wordt uitgevoerd. Hierbij dient wel continue een weginggemaakt te worden tussen ruimte voor handelen en het risico vanwillekeur of onzekerheid.2.4 Bijbehorende dilemma’s en risico’s In de uitwerking van de maatregelen vanuit de richtinggevende begin-selen, en eerder bij de totstandkoming van de beleidsanalyse, komendiverse dilemma’s en risico’s naar voren:1) Menselijke maat is niet gelijk aan maatwerkDe «menselijke maat» wordt vaak direct in verband gebracht met«maatwerk». Ook in dit wetsvoorstel wordt onderkend dat de menselijkemaat ruimte verlangt om te kunnen inspelen op individuele situaties, watresulteert in meer ruimte voor maatwerk. De menselijke maat verlangtmeer. Maatwerk komt vaak «achteraf»: de geijkte route is niet passend duswordt een alternatieve oplossing gezocht. Het is een uitzondering op deregel. De menselijke maat moet aan de voorkant al geborgd zijn. Dit doorwetgeving, beleid en processen zo in te richten dat er ruimte is omrekening te houden met de individuele omstandigheden, belangen en hetdoenvermogen van bijstandsgerechtigden. Het hoort niet afhankelijk tezijn van bijvoorbeeld de professionaliteit of capaciteit in de uitvoering ofde aanwezige assertiviteit bij de bijstandsgerechtigde. Daarom wil deregering de menselijke maat verankeren in de wet zelf.2) De balans tussen benodigde ruimte en het risico op willekeurHet bieden van een handelingskader aan de uitvoering, raakt ook aan hetvraagstuk dat het bieden van meer ruimte risico’s met zich meebrengt tenaanzien van rechtszekerheid. Maatwerk en «kan»-bepalingen kennen hetrisico van willekeur. Als maatwerk zonder verdere doordenking wordttoegepast, ontstaat het risico om willekeurig maar wat te doen. Als dit metgoede onderbouwing wordt toegepast, ontstaat ruimte voor (bedoelde)ongelijke uitkomsten. Hierbij moeten uiteraard de algemene beginselenvan behoorlijk bestuur in acht worden genomen.33De Participatiewet geeft de kaders en zorgt ervoor dat gemeenten binnende kaders van de beleidsvrijheid hebben om beleidskeuzes te maken. Inde uitvoering kunnen er binnen de kaders van de wet verschillen tussengemeenten ontstaan. Gemeenten hebben beleidsvrijheid nodig ommaatwerk te leveren en instrumenten efficiënt in te zetten. Niet allebijstandsgerechtigden hebben immers dezelfde aanpak of ondersteuningnodig. Gemeenten leggen hun beleidskeuzes vast in verordeningen. In33Hendrikx et al., Maatwerk als standaard?, Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, DenHaag 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 324 deze verordeningen staat hoe ze de instrumenten gaan inzetten.Gemeenten moeten (vertegenwoordigers van) cliënten betrekken bij hetopstellen van de verordeningen. De gemeenteraad stelt de verordeningenvast. Daardoor is de keuze democratisch gelegitimeerd en is het ook voorde burgers duidelijk welke beleidskeuzes gemeenten hebben gemaakt.34Om te voorkomen dat bij iedere bepaling het risico op willekeur ontstaat,is de ene keer iets centraal geregeld vanuit het oogpunt van rechtsze-kerheid. De andere keer moet juist het afwegingskader decentraal wordenbelegd, omdat de gemeente en/of de SVB het beste de inschatting kanmaken wat nodig is bij de bijstandsgerechtigde. Daarbij moet wordenbenadrukt dat een «kan»-bepaling niet alleen een bevoegdheid, maar ookeen verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Een «kan»-bepalingstandaard beleidsmatig invullen met een «ja» of «nee» doet geen rechtaan de bedoeling waarmee dit wetsvoorstel ruimte creëert. De ruimte diewordt gemaakt wordt vergezeld van een beroep op de uitvoering om hierbeleid op te ontwikkelen, met een voor bijstandsgerechtigden goedinzichtelijk afwegingskader.2.5 Samenhang met andere trajecten Tijdens de totstandkoming van dit wetsvoorstel lopen er ook andererelevante trajecten35 en onderzoeken36 rondom de Participatiewet en dehandhaving binnen de bredere sociale zekerheid. Deze trajecten raken deervaren hardheden en ondersteunen daarmee mede de oplossingsrich-tingen in dit wetsvoorstel.Andere trajecten37 of onderzoeken38 zijn al afgerond. Een voorbeeldhiervan is het al aangenomen wetsvoorstel Breed Offensief39, dat zichricht op meer kansen op werk voor mensen met een arbeidsbeperking inde Participatiewet. De aanpassing van de kostendelersnorm, zoalsafgesproken in het coalitieakkoord40, is op 1 januari 2023 in werkinggetreden. Hiermee zijn al mooie stappen gezet.Het programma Participatiewet in balans, en hier concreet ditwetsvoorstel, wordt in samenhang met de genoemde trajecten opgepakt,en ook met de wetsvoorstellen Handhaving sociale zekerheid, Versterkingwaarborgfunctie Algemene wet bestuursrecht en Maatwerk bij terugvor-dering. Deze wetsvoorstellen bevinden zich nog in de voorbereidende faseen zijn nog niet ingediend bij het parlement.34Kamerstukken I 2014–15, 33 161, E.35Project Simpel Switchen (Kamerstukken II, 2022/23, 34 352, nr. 265 en www.simpel-switchen.nl), Programma Werk aan Uitvoering (WAU) (Kamerstukken II 2021/22, 29 362,nr. 308.), Herijking van het handhavingsinstrumentarium (Kamerstukken II 2021/22, 17 050,nr. 601), Wijzigingen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – Bestuursrecht op maat(Kamerstukken II 2020/21, 35 510, nr. 60), Vereenvoudiging WW (Kamerstukken II 2021–22,26 448, nr. 667).36Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) vereenvoudiging sociale zekerheid, bijlage bijKamerstukken II 2021/22, 35 975, nr. 1, en Een zeker bestaan; Naar een toekomstbestendigstelsel van het sociaal minimum, Rapport I en II, bijlagen bij Kamerstukken II 2022/23,36 200 XV, nr. 95 en 36 410 XV, nr. 6.37Initiatiefwetsvoorstel «Initiatiefwet vergroten beslissingsruimte gemeenten bij terugvorderingbijstand» (Kamerstukken II, 2021/22, 34 352 / 35 394, nr. 230), Eindrapport van de CommissieRegulering van Werk «In wat voor land willen wij werken?» (Kamerstukken II 2019/20, 29 544,nr. 970), Eindrapport Tijdelijke commissie uitvoeringsorganisaties «Klem tussen balie enbeleid», Verslag Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag «ongekendonrecht».38Onafhankelijk onderzoek naar hardvochtigheden in SZW-regelgeving n.a.v. de Motie Omtzigt(Kamerstukken II 2021/22, 29 362 en 26 448, nr. 309),39Kamerstukken II 2019/20, 35 394.40Coalitieakkoord Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst van 15 december 2021,p. 28.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 325 2.5.1 Wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid41 Dit wetsvoorstel heeft tot doel om bij de handhaving rondom uitkeringenen andere sociale regelingen een passende sanctie op te kunnen leggen,in plaats van een systeem dat standaard uitgaat van het opleggen van eenboete. Daarbij wordt meer ruimte geboden om aan te sluiten bij depersoonlijke omstandigheden van burgers. Zo komen er meer mogelijk-heden om te waarschuwen of geen sanctie op te leggen en zijn er tegelijkvoldoende mogelijkheden om daadwerkelijk misbruik aan te kunnenpakken. Ook zorgt de wet ervoor dat uitkeringsinstanties en gemeentenvoortaan hetzelfde kader hanteren, waardoor mensen beter weten waar zijaan toe zijn.De Participatiewet kent nu stevige, landelijk genormeerde standaardverla-gingen van de bijstandsuitkering bij het niet nakomen van arbeids-, enre-integratieverplichtingen. Dit wordt door zowel gemeenten als bijstands-gerechtigden veelal als te strikt en disproportioneel ervaren. Daaromwordt het systeem van verlagingen aangepast, zodat meer ruimte voorgemeenten bestaat bij afstemming op de individuele omstandigheden bijhet opleggen van maatregelen. Dit gebeurt op gecoördineerde wijze voorhet bredere stelsel van sociale zekerheid met het genoemde wetsvoorstel.Datzelfde geldt voor de handhaving van de inlichtingenplicht en hettoepasselijke instrumentarium bij niet naleving daarvan. Met het nieuwesysteem wordt meer uitgegaan van vertrouwen. Het uitgangspunt isdaarbij dat de meeste mensen die met handhaving in aanraking komenniet moedwillig misbruik maken van het systeem, maar vanwege andereredenen een overtreding begaan. De sancties die daarbij wordenopgelegd, moeten vervolgens beter passen bij de aard van deovertreding. Zo wordt gebruik van het handhavingsinstrumentariumeffectiever en zorgt sanctionering van beperkte schendingen niet voordisproportionele bijeffecten, zoals bijvoorbeeld escalatie van schuldenpro-blematiek.Het voorliggende wetsvoorstel voorziet in een grondslag voor eenalgemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) waarin regels gesteldkunnen worden ten aanzien van het verlagen van de bijstand als verplich-tingen niet worden nagekomen (zie verder paragraaf 5.6). Het voorlig-gende wetsvoorstel bevat geen wijzigingen betreffende de handhavingvan de inlichtingenplicht. Op dit punt is dus geen sprake van overlap.Uitgangspunt is dat het voorliggende wetsvoorstel en het wetsvoorstelzoveel mogelijk gelijktijdig in werking treden op de punten waarop datgewenst is. Mocht een van de twee wetsvoorstellen een sneller trajectdoorlopen, dan wordt te zijner tijd bezien wat dit betekent voor deinwerkingtreding en implementatie van onderdelen van een van dewetsvoorstellen.2.5.2 Wetsvoorstel Versterking waarborgfunctie Algemene wet bestuurs-recht42 Het wetsvoorstel bevat aanpassingen die beogen de menselijke maat inhet bestuurs(proces)recht te vergroten en de overheid meer «responsief»te maken. Aan de Awb ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het bestuurrekening houdt met de belangen en zienswijzen van de burger tenopzichte van de overheid. Met dat doel creëert de Awb waarborgen voorde zogeheten ongelijkheidscompensatie van de burger ten opzichte vande overheid. De afgelopen jaren is het vertrouwen in het optreden van de41Overheid.nl | Consultatie Wetsvoorstel Handhaving Sociale Zekerheid (internetconsultatie.nl).42Kamerstukken II 2022/23, 2023D01832.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 326 overheid onder druk komen te staan. Dit bleek met name bij de kinderop-vangtoeslagaffaire.De wijzigingen in het wetsvoorstel Versterking waarborgfunctie Awbhebben tot doel de waarborgfunctie van de Awb te versterken. Hetwetsvoorstel bevat daartoe verschillende voorstellen die tot doel hebbende dienstverlening door de overheid te verbeteren, het maatwerk en demenselijke maat te versterken en laagdrempelige geschillenbeslechting tebevorderen. Het wetsvoorstel beoogt met de voorstellen bij te dragen aaneen overheid die betrouwbaar, dienstbaar en rechtvaardig is. Van belangis dat de Awb functioneert in wisselwerking met de wetten en regels zoalsdie van de Participatiewet. Benadrukt wordt dat de bijzondere of sectoralewetgeving zelf op orde moet zijn. Een meer mensgerichte Awb versterktde waarborgfunctie van de Awb voor mensen in hun relatie met deoverheid en versterkt de rechtsbescherming, maar kan niet als vangnetdienen voor niet goed doordachte, te strenge of niet uitvoerbare regel-geving. De regels -waaronder de Participatiewet- dienen zelf te voldoenaan de menselijke maat.Een beoogde inwerkingtredingstermijn van het wetsvoorstel Versterkingwaarborgfunctie Awb is er nog niet. De internetconsultatie van ditwetsvoorstel is in februari 2024 gestart. De regering zal, in het kader vande toekomstige implementatie en uitvoerbaarheid door de betrokkeninstanties, regelmatig contact hebben met de uitvoering, waarbij steedszal worden bezien vanuit het perspectief van zowel de uitvoerder als deburger hoe de diverse maatregelen op elkaar inwerken.2.5.3 Initiatiefwetsvoorstel Maatwerk bij terugvordering43: Dit initiatiefwetsvoorstel beoogt gemeenten, het UitvoeringsinstituutWerknemersverzekeringen (hierna: UWV) en de SVB meer mogelijkhedente geven op basis waarvan afgezien kan worden van de terugvorderingvan een uitkering. Het doel van dit wetsvoorstel is onder meer ruimte voormaatwerk te creëren, door de beslissingsruimte voor gemeenten bij eenterugvordering te vergroten. In het voorliggende wetsvoorstel is een vandoelstellingen om tot een Participatiewet te komen die meer uitgaat vande menselijk maat (de ruimte voor maatwerk in het initiatiefwetsvoorstel).De terugvorderingsproblematiek wordt echter niet in onderhavigwetsvoorstel geadresseerd. Het initiatiefwetsvoorstel wijzigt geenbepalingen die ook door het voorliggende wetsvoorstel worden gewijzigd.Van enige samenloop is daardoor geen sprake. Op het moment dat zowelhet initiatiefwetsvoorstel en het onderhavige wetsvoorstel wordenaangenomen en in dezelfde periode inwerkingtreden, zal er aandacht zijnvoor het werk dat op de uitvoeringsorganisaties afkomt en worden bezienof dit iets vraagt van de termijn van inwerkingtreding en/of in deondersteuning van deze organisaties.3. Rechtszekerheid, doelmatig vangnetkarakter van de bijstanden ruimte voor de uitvoering 3.1 Inleiding Dit hoofdstuk agendeert twee elementen van de probleemanalyse zoalsdeze in het rapport «Participatiewet in balans» zijn opgenomen. Ten eerstegaat het om de complexiteit van het huidige stelsel van het sociaalminimum. Ten tweede is er aandacht voor de (te) strikte complementa-riteit. Op de probleemanalyse wordt nader ingegaan in deze paragraaf. Inde navolgende paragrafen wordt ingegaan op de maatregelen die de43Overheid.nl | Consultatie Wet maatwerk bij terugvordering (internetconsultatie.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 327 regering voorstelt om de rechtszekerheid voor bijstandsgerechtigden tevergroten een de complexiteit te verminderen.3.1.1 Complexiteit van het stelsel van het sociaal minimum Het stelsel van het sociaal minimum is opgebouwd uit verschillendeonderdelen. Naast de algemene bijstand, zijn er de landelijke toeslagen enlokale regelingen, zoals kwijtschelding van gemeentelijke- en water-schapsbelastingen, de bijzondere bijstand voor uit bijzondere omstandig-heden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en daarnaastnog het gemeentelijk minimabeleid. Al die onderdelen kennen hun eigenregels met betrekking tot het inkomen en in bepaalde gevallen ook dewoon- of leefsituatie. Bovendien hanteren de verschillende onderdelenverschillende begrippen. Ook daardoor ontstaan dus verschillen inrechten op verschillende voorzieningen. Dat maakt het stelsel van hetsociaal minimum op onderdelen fragiel. Iemands feitelijke situatie op eenbepaald moment of een bepaalde periode gedurende een jaar kan vragenom maximale ondersteuning, terwijl door verschillen in ijkmomenten,andere inkomensbegrippen of een andere duiding van de leefsituatie diemaximale ondersteuning op dat moment op onderdelen kan ontbreken.Het ondervangen van die complexiteit vraagt om een brede herover-weging van het stelsel van het sociaal minimum. Een heroverweging diede scope van dit wetsvoorstel te buiten gaat. Het huidige wetsvoorstelricht zich immers op de Participatiewet als onderdeel van het stelsel vanhet sociaal minimum. Dat houdt in dat binnen het kader van het huidigewetsvoorstel is gekeken naar de mogelijkheden om bijstandsgerechtigden– als het gaat om hun aanspraak op een uitkering in het kader van deParticipatiewet – waar mogelijk meer rechtszekerheid te bieden. Hetvraagstuk rond de geconstateerde complexiteit, als mede het vraagstukrond de toereikendheid van de hoogte van het sociaal minimum en dealgemene bijstand in het bijzonder, is daarmee niet van tafel. Dit vraagtechter om de al aangehaalde bredere heroverweging van het huidigestelsel van het sociaal minimum. Een heroverweging die onder meer metde uitkomsten van de Commissie sociaal minimum zal worden gevoed enbinnen spoor 2 van het Programma Participatiewet in Balans verder zalworden vormgegeven.3.1.2 (Te) strikte complementariteit Wat betreft het complementaire (aanvullende) karakter van de bijstandgeldt dat de bijstand een vangnetuitkering is voor mensen die zelf niet instaat zijn om in hun levensonderhoud te voorzien. Iedereen wordtverondersteld zelf in zijn onderhoud te kunnen voorzien door middel vanbetaald werk. Vandaar dat «complementariteit» een belangrijkuitgangspunt binnen de Participatiewet is; de bijstand vult de «middelen»waarover iemand redelijkerwijs kan beschikken aan tot een inkomen ophet sociaal minimumniveau voor zijn leefsituatie (leeftijd en leefvorm). Debijstand werkt daarbij met een breed geformuleerd inkomensbegrip eneen strikte invulling van de complementariteit. Dat houdt in dat inbeginsel elk middel waarover bijstandsgerechtigde kan beschikken bij debepaling van de hoogte van en het recht op de bijstand betrokken kanworden.Ook met dit wetsvoorstel blijft de complementariteit (het vangnetkarakter)van de bijstand gelden. Bij bijstandsverlening gaat het om publiekemiddelen, die daar waar dit niet nodig is, ook niet verstrekt moetenworden. Een te strikte vorm echter:a.maakt mensen onnodig afhankelijk van de overheid, doordat elke vormvan incidentele ondersteuning vanuit het netwerk verrekend wordt,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 328 waardoor zij volledig op de overheid zijn aangewezen voor aanvul-lende ondersteuning;b.creëert een situatie waarbinnen elke storting op de rekening en elkeverhuisbeweging op het adres van bijstandsgerechtigde meteen eenrechtmatigheidsvraag oproept, met soms diep in de privacy vanbijstandsgerechtigde ingrijpende onderzoeken; enc.vormt een cultuur waarbinnen de focus meer lijkt te liggen op devraag: «heeft u (wel) aan de wet voldaan», dan op: «wat heeft u nodig»en ervoor te zorgen dat bijstandsgerechtigde weer zo optimaalmogelijk in de samenleving kan participeren.De regering wil een te scherpe uitleg van de complementariteit in detoekomst voorkomen. Juist vanwege de hierboven geschetste nadeligeneveneffecten, die ook een voedingsbodem vormen voor wederzijdswantrouwen tussen bijstandsgerechtigde en overheid.Maatregelen ter bevordering van de rechtszekerheidBinnen de huidige uitvoeringspraktijk zijn verschillende situaties teonderkennen waarbinnen ofwel het ministerie, ofwel de Rechtspraak doormiddel van jurisprudentie, gemeenten vraagt maatwerk te leveren. Aandeze oproep geeft de gemeente in het merendeel van de gevallen ookgevolg. Dat laat onverlet dat een bijstandsgerechtigde in deze situatieenige tijd in het ongewisse verkeert over de uitkomst.Het huidige wetsvoorstel beoogt voor de bijstandsgerechtigde meerrechtszekerheid te bieden, onder meer door deze oproepen waar mogelijkte codificeren. Dit houdt in dat het wordt vastgelegd in de wet. Het blijftgaan om situaties die veelal om een individuele beoordeling vragen, watbetekent dat zaken niet volledig in de wet kunnen worden genormeerd. Bijde verdere uitwerking is steeds gekeken hoe de behoefte aan rechtsze-kerheid enerzijds, en de noodzaak tot ruimte voor maatwerk anderzijds hetbeste met elkaar in evenwicht kunnen worden gebracht. Hierdoor zijn bijde uitwerking verschillende varianten van codificatie ontstaan.Daarbinnen zijn vier kernvormen te onderscheiden: maatstafbepalingen,begripsaanpassingen, «kan»-bepalingen en codificatie van jurisprudentie.A. MaatstafbepalingenHet wetsvoorstel biedt in deze situaties een maatstaf voor de uitvoering.Dit houdt in dat de bijstandsgerechtigde die zich in de desbetreffendesituatie bevindt, er vanuit mag gaan dat er op de beschreven wijzeuitvoering aan de wet wordt gegeven. Binnen deze vorm van bepalingenzijn twee varianten te onderkennen. Een «in beginsel»-variant die deuitvoering ook de bevoegdheid geeft om – in specifieke situaties – tennadele van de bijstandsgerechtigde van de maatstaf bepaling af te wijken.Een voorbeeld hiervan is het voorstel tot harmonisatie van de jongeren-normen. Daarnaast is er een «in ieder geval»-variant, waarbinnen degemeente de mogelijkheid heeft om in individuele situaties ruimhartigerop te treden, maar zij in ieder geval op de beschreven wijze dienen tehandelen.B. Begrippen beter in overeenstemming met maatschappelijke belevingDoel is meer rechtszekerheid te bieden door begrippen beter in overeen-stemming te brengen met de maatschappelijke beleving. Dit geldtbijvoorbeeld voor de wijze waarop binnen het huidige wettelijke kadermet vermogen wordt omgegaan die afwijkt van de maatschappelijkebeleving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 329 C. Expliciete «kan»-bepalingenHet huidige wetsvoorstel introduceert een aantal «kan»-bepalingen. Doelvan deze «kan»-bepalingen is om gemeenten (maatwerk)ruimte te geven.Hiermee kunnen zij inspelen op situaties waarbij de bestaanszekerheid inhet geding is of in bredere zin de wet de bredere inzet vanuit het sociaaldomein frustreert. Het gaat dan om bepalingen waarin de gemeenteexpliciet de bevoegdheid wordt gegeven om in situaties die daaromvragen van de algemene regel af te wijken. Achter die bevoegdheid gaatde erkenning schuil dat er situaties kunnen optreden waarin de basisregelknelt, maar dat die situaties niet in algemene regels zijn te vervatten. Deregering benadrukt nogmaals dat die erkenning ook inhoudt dat degemeente die bevoegdheid niet met een standaard ja of nee kan invullen.Dit behelst dus impliciet een opdracht voor de gemeente om waar nodigbeleidsregels op te stellen waarbinnen gewogen kan worden of despecifieke situatie om maatwerk vraagt. Daarnaast gaat dit wetsvoorstelnadrukkelijk uit van vertrouwen. Niet alleen vertrouwen in de bijstandsge-rechtigde, maar ook in de gemeenten om invulling te geven aan de ruimtedie wordt geboden. Denk hierbij aan hier voorgestelde mogelijkheid omde vierwekenzoektermijn buiten toepassing te laten. Zo’n afwegingskadergeeft de bijstandsgerechtigde – zij het beperkt – dan ook enige mate vanrechtszekerheid zodat hij zicht heeft op redenen om in zijn situatie van debasisregel af te wijken.Benadrukt dient te worden dat het bij bovenstaande specifiek niet gaat omde op verschillende plekken in de wet al opgenomen hardheidsclausules.Ook die bepalingen zijn geformuleerd als «kan»-bepaling (de gemeentekan indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn afzien van). Maardaar gaat het juist om uitzonderlijke, bij het opstellen van de regelgevingonvoorziene, situaties. Dit gaat om situaties waarbinnen een (ongeclausu-leerde) toepassing van de wet onevenredig hard voor bijstandsgerech-tigde kan uitpakken. Dit zijn dus uitzonderingsgevallen die steeds op huneigen individuele merites dienen te worden beoordeeld.Algehele codificatieAlgehele codificatie houdt in dat het gevraagde maatwerk zoveel mogelijkeenvormig in het huidige wetsvoorstel is vastgelegd. Dit biedt zekerheidvoor zowel gemeente als bijstandsgerechtigde en speelt met name bij decodificatie van jurisprudentie. Het gaat dan om situaties die vanuit destaande rechtspraak generiek zijn te beschrijven. Denk hierbij aan deopgehoogde norm voor de bijstandsgerechtigde met eenniet-rechthebbende partner. En ook aan de extra aanvulling voor debijstandsgerechtigde alleenstaande ouder, die geen recht heeft op dezogenaamde ALO-kop voor het kindgebonden budget.In de navolgende sub-hoofdstukken (3A tot en met 3D) zullen dezeverschillende maatregelen worden besproken.3A MaatstafbepalingenOp een aantal aspecten biedt de Participatiewet de uitvoering in beperktemate kaders. Denk bijvoorbeeld aan de regeling rond giften. Deze kunnenop grond van de huidige regeling buiten beschouwing worden gelatenvoor zover zij uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn(artikel 31, tweede lid, onder m, Pw). Iets vergelijkbaars geldt ook voorbijvoorbeeld de aanvullende bijzondere bijstand voor jongeren tot 21 jaar(artikel 12 Pw) waar dan «voor zover de noodzakelijke kosten van hetbestaan uitgaan boven de bijstandsnorm» het criterium is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 330 De ruimte die deze bepalingen aan de uitvoering geven is wenselijk, nuhet hierbij steeds om een veelheid van omstandigheden gaat die debeoordeling inkleuren. Bij de beoordeling of een gift uit oogpunt vanbijstandsverlening verantwoord is, speelt de hoogte van de gift natuurlijkeen belangrijke rol, maar daarnaast spelen ook aspecten zoals periodi-citeit, doel en mate waarin bijstandsgerechtigde gehouden is de gift voordit doel in te zetten. Een gift van € 2.000,- ter vrije besteding heeft eenandere lading dan een gift van een zelfde bedrag om bijvoorbeeld eenescalatie van schulden te voorkomen.Toch is het ook hier wenselijk gebleken om een sterkere kadering in dewet op te nemen. Enerzijds voor de uitvoering, zodat niet bij al dezesituaties maatwerk wordt gevraagd, en anderzijds ook voor de bijstands-gerechtigde om meer rechtszekerheid te bieden. Dit neemt niet weg dathet nog steeds om situaties gaat waarbij van de gemeente indien nodigmaatwerk kan worden gevraagd. Daarom is gekozen voor de vorm vanmaatstafbepalingen (zie voor meer uitleg paragraaf 3.1).3.2 Harmonisatie aanvullende bijstand voor jongeren tot 21 jaar (artikel 20Pw) Voorgesteld wordt om de norm voor aanvullende bijstand voor jongerentot 21 jaar te harmoniseren en deze aanvullende norm via de algemenebijstand te verstrekken in plaats van via de bijzondere bijstand.Voor jongeren van 18 tot 21 jaar geldt dat zij voor hun levensonderhoudeen beroep kunnen doen op de ouderlijke onderhoudsplicht. De bijstands-normen voor deze groep jongeren, opgenomen in artikel 20 Pw, zijn opdeze onderhoudsplicht afgestemd en in dit kader gekoppeld aan dekinderbijslagnormen. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij dejongere geen beroep kan doen op de ouderlijke onderhoudsplicht. Ofwelomdat de ouders niet over de middelen beschikken, ofwel omdat dejongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht richting zijn ouders niet tegelde kan maken. Denk bij dit laatste aan een ernstig verstoorde relatiemet de onderhoudsplichtige ouders of wanneer de ouders niet in beeldzijn. In die situatie is het aan de gemeente om te bepalen of en in welkemate sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan die uitgaanboven de voor de jongere geldende bijstandsnorm. Voor deze hogerenoodzakelijke kosten dient de gemeente dan bijzondere bijstand teverstrekken (artikel 12 Pw).De huidige regeling vraagt een vergaand onderzoek van de gemeente44dat diep in de privacy van de jongere treedt en biedt deze jongere maarzeer beperkt rechtszekerheid. De uitkomst en daarmee de hoogte van dedaadwerkelijke aanvulling op de algemene bijstand is voor de jongere inbeginsel ongewis. Gemeenten hebben wel min of meer vaste normenvoor de aanvullende bijzondere bijstand in hun beleid opgenomen, maardeze zijn (a) moeilijk tot niet vindbaar voor de jongere en (b) verschillenqua hoogte soms aanzienlijk tussen de verschillende gemeenten. Vanmeerdere zijden wordt daarom aangedrongen op harmonisatie.Daarnaast hebben gemeenten ook aangegeven dat het meer voor de handligt om in de beschreven situaties hogere algemene bijstand teverstrekken in plaats van aanvullende bijzondere bijstand, nu deverstrekking dient ter dekking van algemeen noodzakelijke kosten van hetbestaan. De regering erkent dat het om algemeen noodzakelijke kostenvan het bestaan gaat en dat de algemene bijstand hiervoor het juiste44Zie onder meer de uitspraak van CRvB van 10 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2510 en CRvBvan 27 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8840.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 331 instrument is. Daarom regelt dit wetsvoorstel, naast de harmonisatie vande aanvullende norm, ook de overheveling van de aanvullende norm vande bijzondere bijstand naar de algemene bijstand. Hierdoor komtartikel 12, Pw, te vervallen en is artikel 20, Pw, gewijzigd ten behoeve vandeze overheveling.In dit wetsvoorstel wordt de norm geharmoniseerd, waarbij ruimte blijftom af te wijken indien noodzakelijk. Daarbij is een aantal kaders in achtgenomen:a.de optelsom van algemene bijstand en aanvullende algemene bijstanddient niet uit te komen op een totaal bedrag dat hoger ligt dan debijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder in een vergelijk-bare situatie, zowel als alleenwonende, als ook als kostendeler(artikelen 21 en 22a Pw);b.de optelsom van algemene bijstand en aanvullende algemene bijstandkan als norm niet hoger liggen dan het voor bijstandsgerechtigdegeldende wettelijk minimum jeugdloon. Een totale bijstand (algemenebijstand plus aanvullende algemene bijstand) die hoger ligt dan hetwettelijk minimumloon neemt een belangrijke prikkel voor werkaan-vaarding weg. Dit vindt de regering onwenselijk;c.de uiteindelijk te verstrekken aanvullende algemene bijstand moetkunnen worden aangepast indien de jongere over duidelijk hogere oflagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan beschikt. Dewoonsituatie van bijstandsgerechtigde kan daarbij bepalend zijn. Is dejongere nog thuiswonend of heeft hij een woning met beperkte lasten(bijvoorbeeld anti-kraak) dan zou de aanvullende algemene bijstanddaarop afgestemd moeten kunnen worden. Andersom geldt ook dat deaanvullende algemene bijstand opgehoogd dient te kunnen worden,indien de jongere genoodzaakt is om op een adres te verblijvenwaaraan hogere woonlasten zijn verbonden dan dat hij reëel vanuit de(algemene plus bijzondere) bijstand kan voldoen. De gemeente moetin die situaties de mogelijkheid hebben – en in situaties waarbij hierevident sprake van is, zich ook daadwerkelijk gehouden achten – omde bijzondere bijstand op te hogen tot een toereikend niveau,bijvoorbeeld tot het niveau voor een 21-jarige alleenstaande.45 Dezeafstemming is en blijft mogelijk op grond van artikel 18, eerste lid, Pw.Rekening houdend met bovengeschetste kaders is gekozen voor eenmaatstafbepaling. Er kan afgeweken worden van de norm als de situatiedaar om vraagt. Bijvoorbeeld omdat sprake is van aanmerkelijk hogere ofjuist lagere kosten. Maar anderzijds geeft de in het wetsvoorstel geharmo-niseerde norm bijstandsgerechtigde zekerheid dat hij in zijn situatie inbeginsel mag rekenen op bijstand ter hoogte van dit bedrag als uitonderzoek van de gemeente blijkt dat aanvullende algemene bijstandnoodzakelijk is. Op die manier is de harmonisatie geborgd, zonder datmaatwerk daar waar noodzakelijk verloren gaat.Voor de hoogte van het bedrag is zowel gekeken naar de hoogte van hetwettelijk minimum jeugdloon voor een 18-jarige (€ 967,20 bruto permaand, geldend als norm op 1 januari 2023), als de hoogte van de her inte voeren basisbeurs voor uitwonende studenten plus aanvullende beurs(ca. € 675,00 voor hoger onderwijs).46 Indien de combinatie van algemeneen aanvullende algemene bijstand een beduidend hogere norm zougenereren dan voor een studerende zou dit – ondanks het verdergunstigere regime van de studiefinanciering – immers een onwenselijke45Een en ander vergelijkbaar met de huidige situatie. Zie Kamerstukken II 2017/18, 34 775 XV,nr. 88, Antwoord 222.46Dit betreft een ca. bedrag nu de regeling nog niet is vastgesteld. Een aanvullende beurs isvoorzien voor studenten waarvan de ouders niet meer verdienen dan € 70.000 op jaarbasis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 332 prikkel kunnen creëren. Tevens is gekeken naar het bedrag dat gemeentengemiddeld genomen aanvullen vanuit de bijzondere bijstand.47 Op basishiervan is, in overleg met gemeenten, uiteindelijk gekozen voor eennormbedrag waardoor de optelsom van algemene bijstand plusaanvulling op basis van het voorgestelde normbedrag terecht komt opeen waarde vergelijkbaar met 90% van het netto inkomen van een18-jarige op basis van wettelijk minimum jeugdloon met een 36-urigewerkweek (€ 929,68, inclusief vakantiebijslag).Het voorgestelde normbedrag voor aanvullende algemene bijstand is éénvast bedrag, te weten € 634,48 netto per maand (peildatum: 1 januari2023). Gemeenten kunnen hiervan afwijken met dien verstande dat hettotale bedrag aan algemene bijstand inclusief de aanvulling nooit hogerkan zijn dan de bijstandsnorm voor personen van 21-jaar en ouder in eenvergelijkbare situatie.IndexatieDe regering heeft besloten dit bedrag tweejaarlijks te indexeren (op1 januari en 1 juli), gelijktijdig met het wettelijke minimumuurloon en debijstandsnormen. De vaste aanvullende jongerennorm kunnen gemeententerugvinden in de normenbrief die ieder halfjaar gepubliceerd wordt.De aanvullende jongerennorm wordt als volgend geïndexeerd:–elk halfjaar wordt het geïndexeerde netto wettelijk jeugdminimumloon,inclusief vakantiebijslag, van een 18-jarige bij een 36-urige werkweekberekend;–hiervan wordt de 90% (zoals opgenomen in de berekening) berekend;–van dit bedrag wordt de geïndexeerde jongerennorm afgetrokken.–het bedrag dat overblijft is de vaste aanvullende jongerennorm.3.3 Giften (artikel 31, tweede lid, onderdeel m, en artikel 39, eerste lid,Pw) Voorgesteld wordt aan artikel 31, tweede lid, onderdeel m, Pw eenvrijlatingsbedrag van € 1.200 per kalenderjaar toe te voegen. Hiermeewordt een norm gesteld op basis waarvan het totaal aan giften tot in iedergeval € 1.200 per kalenderjaar wordt vrijgelaten.De problematiek rond giften moet binnen het verhaal van een strikteuitleg van de complementariteit – het vangnetkarakter – van de bijstandworden geplaatst. Voor giften en andere (onkosten-)vergoedingen geldt alsinds het ontstaan van de bijstandswetgeving dat deze buitenbeschouwing kunnen worden gelaten voor zover deze naar het oordeelvan de gemeente uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn(artikel 31, tweede lid, onderdeel m, Pw).Door giften niet in aanmerking te nemen als middelen – zo alsopgenomen in de memorie van toelichting bij invoering van de nieuweAlgemene bijstandswet (hierna: nAbw) in 199648 – «wordt voorkomen dathet bestaan van de ABW (de toenmalige bijstandswet) als algemenevoorziening van overheidswege een ontmoediging vormt voor de47Daarbij zij opgemerkt dat een aantal gemeenten heeft aangegeven – naast de zelf geformu-leerde normbedragen – regelmatig op te hogen tot de norm voor een 21-jarige alleenstaande.Zoals eerder aangegeven is het ook het oogmerk van de voorgestelde regeling dat daar waarde jongere noodzakelijke kosten heeft die duidelijk in onvoldoende mate vanuit de voorge-stelde norm kunnen worden voldaan, het bedrag in lijn wordt gebracht met de hoogte van denoodzakelijk geachte uitgaven. Dat kan dan alsnog resulteren in een ophoging tot aan de21-jarigen norm.48Kamerstukken II 1991/92, 22 545, nr. 3, p. 146.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 333 vrijgevigheid van instellingen of personen. Bovendien wordt zodoende debijstandsgerechtigde het materiële en immateriële voordeel van dievrijgevigheid gegund, zoals ook degenen die niet op bijstand aangewezenzijn van een gift kunnen profiteren. Gezien het minimumbehoefte-karaktervan de bijstandswet kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Bij de beoor-deling of een gift uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is,speelt zowel de hoogte als de bestemming van de gift een rol. Als de gifteen zodanige hoogte heeft dat het zonder meer buiten beschouwing latendoor cumulatie met de bijstand tot een bestedingsniveau leidt dat nietverenigbaar is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is, ligt het inde rede de gift wel in aanmerking te nemen. Wat betreft de bestemming ismet name van belang de vraag of de gift betrekking heeft op kosten dieworden geacht in de algemene bijstand te zijn begrepen. Is dit inderdaadhet geval, of heeft de gift geen specifieke bestemming zodat deze ter vrijebesteding staat, dan kan dit aanleiding zijn de gift niet buitenbeschouwing te laten. Is de gift daarentegen bestemd voor specifiekekosten waarmee de belanghebbende wordt geconfronteerd en die nietkunnen worden geacht in de algemene bijstand te zijn begrepen, dan zaler doorgaans geen bezwaar zijn deze buiten beschouwing te laten.»Bovenstaande is nog steeds van toepassing binnen de huidige Participa-tiewet, maar is in het laatste decennium onder druk komen te staan.Zowel binnen de uitvoering van de wet, als in de jurisprudentie is een lijnontstaan waarbinnen sneller dan voorheen bijstandsrechtelijke conse-quenties aan ontvangsten worden gekoppeld. De ratio dat bijstand enkelaanvult voor zover bijstandsgerechtigde niet zelf redelijkerwijs overmiddelen kan beschikken, heeft een striktere uitleg gekregen, waardoorhet vangnetkarakter is versterkt. Die ontwikkeling is mede door dewetgever geïnitieerd en lag ook onder meer ten grondslag aan deintroductie van de kostendelersnorm.49In de jurisprudentie komt deze striktere uitleg ook tot uiting. Tot 2017huldigde de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) de lijn dat eruitsluitend sprake was van inkomen als betalingen een terugkerend ofperiodiek karakter hadden.50 Beperkte incidentele giften, die veelal devorm hebben van een kasstorting of bijschrijving op de bankrekening vaneen bijstandsgerechtigde, hadden daardoor vrijwel nooit directe bijstands-rechtelijke gevolgen. In haar uitspraak van 7 maart 2017 is de CRvB echtervan deze lijn afgestapt. 51 De CRvB overweegt aldaar dat:a)ook eenmalig ontvangen bedragen die naar hun aard met inkomstenuit arbeid of uitkering overeenkomen, als inkomen in aanmerkingkunnen worden genomen;b)dat de bron van een ontvangst bepalend is voor de vraag of het gaatom bedragen die naar hun aard met inkomsten uit arbeid of uitkeringovereenkomen;c)dat bij een kasstorting of een bijschrijving de bron van de ontvangstonduidelijk is en dus in beginsel mag worden aangenomen dat het ominkomen gaat; end)het vervolgens aan bijstandsgerechtigde is om aannemelijk te makendat geen sprake is van inkomen.Slaagt bijstandsgerechtigde – binnen het kader van deze jurisprudentie –er niet in om aannemelijk te maken dat er geen sprake is van inkomen,dan kunnen de ontvangsten worden aangemerkt als over de maand vanontvangst genoten inkomen. Deze worden op de bijstand in minderinggebracht of teruggevorderd. Deze strikte insteek leidt ertoe dat onder-49Kamerstukken II 2013–14, 33 801, nr. 3, p.1.50Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872.51Uitspraak van CRvB van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 334 steuning vanuit het netwerk van de bijstandsgerechtigde (lees: giften), insommige situaties resulteert in een terugvordering van bijstand, waardoorbijstandsgerechtigde spreekwoordelijk van de regen in de drup terechtkomt.Opgemerkt zij wel dat de aangehaalde jurisprudentie aangeeft wat binnende kaders van de wet kan, niet wat moet. Het is, met andere woorden, nietzo dat de wet voorschrijft dat elke kasstorting of bijschrijving waarvan deherkomst niet zonder meer duidelijk is, als inkomen moet wordenaangemerkt. Verschillende gemeenten hebben echter aangegeven dejurisprudentie wel als een wat moet te ervaren. Het niet melden van eenkasstorting of bijschrijving levert volgens deze gemeenten als gevolgdaarvan in beginsel een schending van de inlichtingenplicht op metmogelijk een hoge terugvordering en zelfs boete tot gevolg. Het daarbijhorende onderzoek kan daarnaast diep in de privésfeer van bijstandsge-rechtigden treden. En het vergt van bijstandsgerechtigden het kunnenaanleveren van een sluitende en verifieerbare administratie.Deze strikte interpretatie van het vangnetkarakter heeft tot gevolg datbijschrijvingen, zoals een betaalverzoek of kasstorting, een inlichtingen-verplichting tot gevolg heeft en een rechtmatigheidsvraag kunnenoproepen. Daardoor lijkt het gesprek tussen bijstandsgerechtigde engemeente zich vooral te focussen op de vraag of bijstandsgerechtigde niette veel heeft ontvangen. Dat creëert wederzijds wantrouwen enbelemmert de dialoog over ondersteuningsbehoefte (bij bijstandsgerech-tigde) en ondersteuningsmogelijkheden (vanuit de gemeente), die juistvanuit de Participatiewet gevoerd zou moeten worden.Doel van de voorgestelde maatregel om giften in ieder geval tot € 1.200vrij te laten, is om ook op dit vlak de wet weer beter in balans te brengen.Een focus op rechtmatigheid hoort bij de wet. Het maatschappelijkdraagvlak voor de sociale zekerheid is immers in hoge mate gebaseerd ophet feit dat misbruik en oneigenlijk gebruik waar mogelijk voorkomenwordt. Maar daartegenover staat ook dat aan bijstandsgerechtigden – juistomdat zij zich veelal in een financieel kwetsbare positie bevinden – binnenwettelijke kaders de mogelijkheid moet worden geboden om van deondersteuning binnen hun netwerk gebruik te kunnen maken. En dat zij opeen vergelijkbare wijze gebruik moeten kunnen maken van binnen hetintermenselijk verkeer gebruikelijke betalingsvormen (denk aan eenbetaalverzoek) zonder dat dit direct bijstandsrechtelijke een inlichtingen-plicht en vragen rond rechtmatigheid oproept.Om dit doel te bereiken wil de regering – in lijn met de door een bredeKamermeerderheid gesteunde motie van Jasper van Dijk (SP)52 – eenvrijlating voor giften ter hoogte van € 1.200 per kalenderjaar in de wetopnemen. Door te werken met deze giftenvrijlating wordt de gedachterond giften in relatie tot bijstandsverlening, zoals hierboven via dememorie bij de nAbw weergegeven, expliciet tot uiting gebracht in dewettekst zelf. De bijstandsgerechtigde wordt enerzijds het voordeelgegund van vrijgevigheid, zoals ook degenen die niet op bijstandaangewezen zijn van een gift kunnen profiteren. Anderzijds wordt, geletop het minimumbehoefte-karakter, de vrijlating beperkt tot € 1.200. Eengrensbedrag biedt de bijstandsgerechtigde, meer dan de huidigeabstracte formulering, rechtszekerheid. Voor giften die cumulatief bovende vrijlatingsgrens terecht komen, geldt dat zij voor het meerdere inbeginsel als middelen moeten worden aangemerkt. Op individuele basiskan de gemeente echter ook hogere giften buiten beschouwing latenindien deze – met name in verband met hun doel – nog verantwoord zijn52Kamerstukken II 2020/21, 24 515, nr. 580.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 335 met het oog op bijstandsverlening. Een gift ter vrije besteding zal in datkader eerder op gespannen voet staan met bijstandsverlening dan een giftom bijvoorbeeld een bepaalde schuld te kunnen aflossen of in eenbepaalde maand vaste lasten te kunnen betalen. Het staat de gemeentenvrij om door middel van beleidsregels verder invulling te geven aan dewijze waarop giften worden betrokken bij de bijstandsverlening.Van de bijstandsgerechtigde wordt dus verwacht dat wordt bijgehoudenwelke giften worden ontvangen, ook voor giften onder de € 1.200. Dat isniet anders dan de bestaande praktijk. Op dit moment wordt van eenbijstandsgerechtigde gevraagd dat elke gift, hoe klein ook, wordt gemeld.De regering stelt op dit punt voor om alleen giften die cumulatief bovende € 1.200 uitkomen te melden. Dit betekent dat de bijstandsgerechtigdezelf moet bijhouden welke giften worden ontvangen en wanneer dezeboven de € 1.200 uitkomen en dus gemeld moeten worden. Dit past bij debeweging die dit wetsvoorstel maakt om meer uit te gaan vanvertrouwen. De inlichtingenplicht blijft onverkort gelden. Dat dit eenberoep doet op het doenvermogen een gegeven. Daarop wordt insubparagraaf 3.3.2 nader ingegaan.Gift: vermogen of inkomen?De Participatiewet hanteert het zogenaamde middelenbegrip. Hetmiddelenbegrip maakt onderscheid tussen middelen die als inkomenkunnen worden aangemerkt en middelen die tot het vermogen moetenworden gerekend. Voor middelen die tot het vermogen worden gerekendgeldt het bepaalde in artikel 34 Pw. Dit artikel bepaalt onder meer datvermogen van een bijstandsgerechtigde tot de vermogensvrijlatingsgrensniet in aanmerking wordt genomen.Giften kunnen allerlei verschijningsvormen hebben. Enerzijds zijn er giftenin de vorm van geld, goederen voor het dagelijkse levensonderhoud ofbetalingen van vaste lasten, anderzijds ook in de vorm van duurzamegebruiksgoederen (een wasmachine of fiets).De voorgestelde giftenvrijlating ziet op middelen, en geldt dus zowel voorgiften die als inkomen, als giften die als vermogen kunnen wordenaangemerkt. Of een gift als inkomen of als vermogen moet wordenaangemerkt, speelt pas indien het totaal aan giften binnen een kalen-derjaar de vrijlatingsgrens overschrijdt. Wordt een gift aangemerkt alsvermogen dan zal moeten worden bezien of het totale vermogen vanbijstandsgerechtigde door het bedrag waarmee de gift de € 1.200 grensontstijgt, boven de voor bijstandsgerechtigde geldende vermogensvrij-lating uitkomt. Is dit laatste het geval dan zal de bijstand moeten wordenbeëindigd. Is daarentegen sprake van een gift die als inkomen kan wordengekwalificeerd, dan betreft dit inkomen in de maand van ontvangst en zaldit alsnog op de verstrekte bijstand in mindering moeten wordengebracht. In uitzonderingsgevallen zal ook een combinatie van giften dieals vermogen, als giften die als inkomen kunnen worden aangemerktkunnen spelen. Zo’n situatie vraagt om een individuele afweging van degemeente, waarbij zij zal moeten bezien of bijstandsgerechtigde door hettotaal aan giften nog in een situatie verkeert die verantwoord is met hetoog op bijstandsverlening.Of een gift als vermogen of als inkomen moet worden aangemerkt, is inbeginsel afhankelijk van de mate waarin de gift het directe bestedings-niveau van de bijstandsgerechtigde beïnvloedt. Giften in de vorm vangeld of bijdragen in het levensonderhoud hebben een direct effect op hetbestedingsniveau en vallen daarom in beginsel binnen het inkomens-begrip. Dat geldt in veel mindere mate voor giften in de vorm vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 336 duurzame gebruiksgoederen. Deze zullen in beginsel als vermogenkunnen worden gekwalificeerd.De beoordeling of een gift als middel wordt aangemerkt en onder devrijlatingsgrens van de Participatiewet valt, staat los van de fiscalebeoordeling van die gift. Dat giften kleiner dan € 1.200 in het kader van debijstandsverlening buiten beschouwing kunnen blijven, staat daarom losvan de vraag of de gift op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 alsbelastbaar inkomen voor box 1 moet worden aangemerkt en of inaanmerking moet worden genomen als vermogen voor de grondslag vanbox 3 en is vrijgesteld van een heffing op grond van de Successiewet.Voorts staat de vrijlatingsgrens in de Participatiewet los van de vraag ofde gift (zowel die als vermogen als die als inkomen kan worden aange-merkt) buiten beschouwing kan blijven bij de beoordeling van een verzoekom kwijtschelding of uitstel van betaling over een (rijks)belastingschuld.Decentrale overheden volgen het kwijtscheldingsbeleid dat geldt voorrijksbelastingen. Dit betekent dat de vrijlatingsgrens in de Participatiewetdus ook losstaat van de vraag of de gift buiten beschouwing kan blijvenbij de beoordeling van een kwijtscheldingsverzoek van lokale heffingen.Giften in naturaTen overvloede, met dit wetsvoorstel wordt geen wijziging aangebracht inde omgang met giften in natura. Als een bijstandsgerechtigde eenbepaald product, zoals boodschappen, (incidenteel) ontvangt alsschenking of deze producten voor de bijstandsgerechtigde (incidenteel)worden betaald, dan kan de bijstandsgerechtigde er niet langer vrijelijkover beschikken. En dan vallen de schenkingen dus niet binnen hetmiddelenbegrip, tenzij de geschonken goederen in redelijkheid weer tegelden gemaakt kunnen worden. In de rechtspraak worden deze giften innatura aangemerkt als besparingsbijdrage, voor zover zij betrekkinghebben op de kosten die tot de algemene noodzakelijke kosten van hetbestaan behoren. Als er sprake is van substantiële bijdragen, is degemeente gehouden de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, Pwhierop af te stemmen.53, 54 Dit wetsvoorstel beoogt geen wijziging vandeze lijn.3.3.1 Hoogte van de vrijlatingsgrens Gekozen is voor een bedrag van € 1.200 per kalenderjaar. Dit bedrag staatin een redelijke verhouding tot de algemene bijstandsnorm (€ 1.195,66voor een alleenstaande – norm 1.1.23), de bij dit wetsvoorstel te introdu-ceren inkomstenvrijlating (15% gedurende 1 jaar) en de vrijgelatenkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk (€ 1.900,0055 – norm 1.1.23).Daarbij is ook gekeken naar de gemiddelde hoogte van giften binnen dedoelgroep. Het bedrag zal – vergelijkbaar met de vrij te laten kostenver-goeding voor vrijwilligerswerk – periodiek worden bijgesteld. Uit devoorgestelde wijziging van artikel 39 Pw volgt dat de grens ieder jaaropnieuw wordt geïndexeerd aan de hand van de procentuele stijging vande consumentenprijsindex. Daarbij is het streven om steeds te werkenmet bedragen met een sterk communicatieve waarde (lees: een rondbedrag). Dit zowel om de rechtszekerheid voor de bijstandsgerechtigde als53Zie in dit kader: CRvB 23 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918, CRvB 11 september 2012,ECLI:NL:CRVB:2012:BX8450, CRvB 4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:705 en CRvB13 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5004.54Voor nadere informatie over de omgang met voedselpakketten van de voedselbank wordtverwezen naar Gemeentenieuws 2021-06.55Dit bedrag ligt hoger, maar gedachte achter dit bedrag is dat de vrijwilliger hier onkostenverbonden aan zijn vrijwilligerswerk mee dekt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 337 de naleefbaarheid van de regeling te bevorderen. Daarom wordtvoorgesteld om het bedrag voor giften bij de indexatie naar boven toe afte ronden op een bedrag dat een veelvoud is van € 50.Het gaat om een giftenvrijlating, wat inhoudt dat het totaal aan giften toteen bedrag van € 1.200 per kalenderjaar niet tot de middelen wordtgerekend. Omdat het totaal aan giften tot dit grensbedrag niet alsmiddelen wordt aangemerkt, zijn zij tot dit bedrag niet van invloed op hetrecht op bijstand. Gemeenten die op dit moment al werken met eenvrijlatingsgrens, geven aan dat de heldere grens ook de naleving lijkt tebevorderen. Binnen het huidige stelsel dient de bijstandsgerechtigde inbeginsel elke gift aan de gemeente te melden, waarbij het dan vervolgensaan de gemeente is om te beoordelen of de hoogte van de gift verant-woord is met het oog op bijstandsverlening. De praktijk laat zien dat giftenvrijwel nooit worden gemeld, mede omdat het huidige wettelijke kadergeen helderheid geeft met betrekking tot de vraag of aan de gift bijstands-rechtelijke consequenties zullen worden verbonden. De voorgestelde€ 1.200-grens biedt die helderheid wel. Ongeacht het feit dat giften tot€ 1.200 niet onder de actieve inlichtingenplicht van de bijstandsgerech-tigde vallen, staat het gemeenten daarnaast vrij om de bijstandsgerech-tigde te vragen inzicht te geven in de door hem ontvangen giften. Ook kanzij in meer algemene zin van hem vragen om giften die een aanmerkelijkewaarde hebben (denk aan bijvoorbeeld € 600 of meer) te melden. Op diemanier kan de gemeente ook samen met bijstandsgerechtigde betervoorkomen dat op een later moment onbedoeld sprake is van eenschending van de inlichtingenplicht of dat aan het einde van het kalen-derjaar pas blijkt dat onverhoeds de vrijlatingsgrens is overschreden.3.3.2 Vertrouwen vraagt lef DoenvermogenDe regering is zich er van bewust dat – zeker wanneer sprake is vanmeerdere beperkte giften door het jaar heen – hiermee een beroep wordtgedaan op het doenvermogen van de bijstandsgerechtigde. Het is aanhem om bij te houden dat hij het grensbedrag binnen het kalenderjaarniet overschrijdt en dat hij dit meldt zodra dit wel het geval is. Bij de keuzevoor de hoogte van de vrijlating heeft de regering daarom ook zwaar latenmeewegen dat bij het merendeel van de giften die bijstandsgerechtigdenontvangen het bedrag van € 1.200 niet in beeld komt. De voorgesteldewijziging geeft de bijstandsgerechtigde het comfort dat kleine giften nietgemeld hoeven te worden. Enkel wanneer het totaal aan giften boven de€ 1.200 uitkomt, moet de bijstandsgerechtigde signaleren dat meldinggemaakt moet worden. Bij twijfel kan een bijstandsgerechtigde uiteraardcontact opnemen met de gemeente. Het vraagt van gemeente ook dat zijhier in contacten met bijstandsgerechtigde op wijzen. Dit vertrouwen datde bijstandsgerechtigde wordt gegeven, vraagt in zekere zin lef van deuitvoering. Lef om die ruimte te bieden, maar ook informatie teverschaffen waar nodig.Er is gekozen voor een bedrag per kalenderjaar (van 1 januari–31 december) en niet bijvoorbeeld vanaf datum eerste gift. Opgemerkt zijdaarbij nog dat het gaat om een totaalbedrag voor het desbetreffendekalenderjaar, ongeacht of bijstandsgerechtigde slechts een deel van hetkalenderjaar bijstandsafhankelijk is geweest. De regering heeft hiervoorgekozen omdat juist bij een (plotselinge) bijstandsafhankelijkheidondersteuning vanuit het netwerk voor bijstandsgerechtigde zeer welkomkan zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 338 Het creëren van een giftenvrijlating tot € 1.200 betekent niet dat elkebijschrijving of kasstorting – voor zover het grens bedrag niet wordtoverschreden – onder de noemer giften kan worden weg geboekt. Dealgemene gedachte achter de complementariteit van de bijstandsver-lening blijft zonder meer geldend. Dat houdt dus ook in dat – in lijn metboven beschreven jurisprudentie – van bijstandsgerechtigde mag wordenverlangd dat hij inzichtelijk maakt wat de reden is achter kasstortingen enbijschrijvingen waarbij die bron onduidelijk is. De regering acht hetdaarbij wenselijk dat het belang van de balans tussen een rechtmatigeverstrekking en de borging van de privésfeer van de bijstandsgerechtigdein ogenschouw wordt genomen. Een praktijk waarin elke betaalverzoek ofbijschrijving direct een rechtmatigheidsvraag oproept, is weinig toege-spitst op de mate waarin binnen het huidige maatschappelijke verkeer vankleinere digitale betalingsverzoeken gebruik wordt gemaakt.HandhavingDe huidige praktijk houdt in dat de bijstandsgerechtigde gehouden is elkegift te melden. Het is aan de gemeente om bij elke melding afzonderlijk tebeoordelen in hoeverre die gift verantwoord is met het oog op bijstands-verlening. In de praktijk gebeurt dit niet. Giften worden incidenteel doorde bijstandsgerechtigde gemeld of komen via een heronderzoek in beeld.Aan die praktijk verandert het huidige wetsvoorstel niets. Meldt bijstands-gerechtigde de gift dan zal de gemeente met bijstandsgerechtigde moetenbezien of hiermee de € 1.200 grens voor het desbetreffende kalenderjaarwordt overschreden. Is dit niet het geval, dan informeert de gemeentebijstandsgerechtigde over vanaf welk bedrag giften alsnog onder deinlichtingenplicht vallen voor dit jaar. Wordt de € 1.200 grens weloverschreden dan is het meerdere in beginsel aan te merken als middel.Het is dan aan de gemeente om te beoordelen of hieraan bijstandsrechte-lijke consequenties verbonden moeten worden. Dat zal afhangen van hetfeit of de gift als inkomen of als vermogen moet worden aangemerkt.Daarnaast kan de gemeente oordelen dat de hogere gift – gezien het doelwaarmee de gift is gedaan – alsnog verantwoord is met het oog opbijstandsverlening. Deze procedure is niet heel anders wanneer degemeente kennis krijgt van de gift via een (her)onderzoek. De gemeentezal dan in beginsel alsnog het desbetreffende kalenderjaar onderzoekenop eventuele andere giften en op basis daarvan vast moeten stellen of de€ 1.200 grens is overschreden.3B Begrippen beter in overeenstemming met maatschappelijkebelevingMet het wetsvoorstel wordt ook van de gelegenheid gebruik gemaakt omdaar waar mogelijk begrippen binnen de Participatiewet beter in overeen-stemming te brengen met de maatschappelijke beleving. Begrippenworden veelal gebruikt binnen een juridische context en lopen daardoorin sommige situaties niet één op één met hoe zij in de maatschappijworden beleefd. Dat creëert onduidelijkheid waarom bijvoorbeeld iets bijaanvraag wel wordt meegenomen bij de vermogensvaststelling en daarnaniet meer. Als het gaat om het vermogensbegrip en ook de eerder albesproken giften is het wenselijk in dit kader kleine aanpassingen teplegen.3.4 Vermogen (artikel 34 Pw) Voorgesteld wordt om bij vaststelling van het vermogen niet langer uit tegaan van de zogenaamde «vermogensaanwasruimte», maar van hetdaadwerkelijk vermogen van een bijstandsgerechtigde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 339 3.4.1 Huidige praktijk Artikel 34 Pw regelt de vermogenstoets. De vermogenstoets kan op tweemomenten plaatsvinden: (1) bij de beoordeling van de aanvraag van debijstand en (2) bij vermogensmutaties. Bij aanvang van de bijstand wordtaltijd het vermogen getoetst. De waarde van de bezittingen waarover dealleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken wordtverminderd met de aanwezige schulden. Oftewel: vermogen = bezit minusschuld (artikel 34, eerste lid, Pw).In de Participatiewet wordt een klein vermogen toegestaan. Bij aanvangvan de bijstand geldt daarom een vermogensvrijlating. Niet als vermogenwordt in aanmerking genomen het bij aanvang van de bijstand aanwezigevermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijndegrens van het vrij te laten vermogen (artikel 34, tweede lid, onderdeel b,Pw jo. artikel 34, derde lid, Pw).Indien het vastgestelde vermogen uitkomt boven deze vrijlating, bestaater geen recht op bijstand en moet de bijstandsgerechtigde eerst hetvermogen boven de toepasselijke vrijlating aanwenden om in denoodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Valt het vastgesteldevermogen onder de vrijlatingsgrens, dan is er sprake van bijstandsrecht.Na de vaststelling van het vermogen, worden gedurende de bijstandsaf-hankelijkheid echter enkel toenames in bezittingen in aanmerkinggenomen. Nieuwe schulden hebben met andere woorden geen invloed ophet in aanmerking te nemen vermogen, zolang de bijstand voortduurt.In de praktijk houdt dit in dat de gemeente bij bijstandsaanvraag eenmaligde ruimte bepaalt in hoeverre het vermogen gedurende de bijstand nogkan groeien. Dit wordt het «resterend vrij te laten vermogen» of de«vermogensaanwasruimte» genoemd. De vermogensaanwasruimte isgelijk aan de toepasselijke vermogensvrijlating minus het bij bijstandsaan-vraag aanwezige positieve vermogen (artikel 34, derde lid, Pw). Is enkelsprake van negatief vermogen dan is de vermogensaanwasruimte gelijkaan de toepasselijke vermogensvrijlating.VoorbeeldJ. vraagt bijstand aan. Hij heeft nog een klein spaartegoed van € 2.000 alsbezit. Er zijn geen schulden. De voor hem geldende vermogensvrijlating is€ 6.000. De vermogensaanwas ruimte is voor J. daarom € 4.000.Bij een eventuele toename van bezittingen wordt het vermogen vanbijstandsgerechtigde – zolang sprake is van een doorlopend bijstands-recht – niet opnieuw vastgesteld, maar er wordt enkel gekeken of detoename aan bezittingen nog binnen de gestelde grenzen is gebleven.VoorbeeldJ. ontvangt een prijs in een loterij van € 1.000. J’s vermogensaanwas-ruimte was (zie vorige voorbeeld) € 4.000. Door de prijs wordt deze ruimteopnieuw vastgesteld op € 3.000. De vermogensaanwasruimte wordt nietoverschreden en de bijstandsverlening kan dus worden voortgezet.Overschrijdt de bijstandsgerechtigde door een eventuele toename in bezitde vermogensaanwasruimte dan eindigt het bijstandsrecht. De bijstands-gerechtigde wordt vervolgens geacht vanuit zijn vermogen in zijnlevensonderhoud te voorzien. Pas wanneer hij voldoende op zijnvermogen heeft ingeteerd, komt hij weer voor bijstandsverlening inaanmerking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 340 VoorbeeldJ. ontvangt in plaats van € 1.000, € 10.000 als prijs in een loterij. J’svermogensaanwasruimte was € 4.000 (zie het eerste voorbeeld). Door deprijs is zijn groei aan bezittingen groter dan de aanwasruimte, namelijk€ 6.000. De bijstand kan worden beëindigd. J. kan een nieuwe aanvraagindienen zodra zijn daadwerkelijke vermogen lager is dan de geldendevermogensvrijlating. Op zichzelf is dit een helder systeem waarbinnen vande uitvoering enkel actie wordt gevraagd indien sprake is van eentoename in bezittingen. Alleen vindt er geen tussentijdse saldering meteventuele schulden plaats. Dat kan ertoe leiden dat iemand – ondanks eentoename in bezittingen – feitelijk over een vermogen onder de vermo-gensgrens beschikt. De wet schrijft dan voor dat de bijstand moet wordenbeëindigd, terwijl bijstandsgerechtigde nog steeds in bijstandsbehoe-vende omstandigheden verkeert.VoorbeeldJ. uit het eerdere voorbeeld is gedurende de bijstandsverlening enkelekleinere leningen aangegaan (van € 6.000) en daarnaast heeft hij de bijbijstandsaanvang bij de vermogensvaststelling in aanmerking genomen€ 2.000 moeten inzetten voor enkele vervangingsuitgaven. Wanneer hij nude eerder genoemde € 10.000 ontvangt, overschrijdt hij met de huidigewijze van het vermogen vaststellen weliswaar de voor hem geldendevermogensaanwasruimte, maar in feite heeft hij na saldering met deopenstaande schulden (van € 6.000) nog slechts € 4.000 aan vermogenover. Ruim onder de voor hem geldende vermogensgrens.De bovenbeschreven situatie houdt in bijstandsrechtelijke termen in datJ’s recht op bijstand beëindigd dient te worden en dat er op de 31ste dagna de beëindiging (ex. artikel 45, derde lid, onder a, Pw) een nieuwbijstandsrecht kan ontstaan met een daarbij horende nieuwe vermogens-vaststelling.563.4.2 Voorgestelde wijziging Bovenstaande voorbeelden laten zien hoe de wijze waarop met vermogenwordt omgegaan binnen de Participatiewet op bepaalde punten afwijktvan de maatschappelijke beleving en waar dit tot knelpunten kan leiden.Uit de beleidsanalyse volgt tevens dat de huidige systematiek ondoor-zichtig is.57 De regering acht dit onwenselijk en stelt daarom voor om nietlanger met de zogenaamde vermogensaanwasruimte te werken, maarjuist steeds het daadwerkelijke vermogen van bijstandsgerechtigde tenemen voor de bepaling of het recht op bijstand gecontinueerd kanworden. Bij het vaststellen van het daadwerkelijk vermogen wordt nietalleen gekeken naar de aanwas van het vermogen maar ook naar deschulden van de bijstandsgerechtigde.Het daadwerkelijke vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van debijstand. Slechts op het moment dat er melding wordt gemaakt van eenvermogenstoename of er een vermoeden is van een vermogenstoename,is er aanleiding om het daadwerkelijke vermogen opnieuw te onder-zoeken. Dit is in overeenstemming met de huidige praktijk. Ditwetsvoorstel beoogd daar niets in te wijzigen.56Zie in dit kader ook CRvB 20 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:792.57Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22,34 352, nr. 253Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 341 Voorbeeld nieuwe situatieJ. uit het eerdere voorbeeld is gedurende de bijstandsverlening enkelekleinere leningen aangegaan (van € 6.000) en daarnaast heeft hij de bijbijstandsaanvang bij de vermogensvaststelling in aanmerking genomen€ 2.000 moeten inzetten voor enkele vervangingsuitgaven. Wanneer hij nude eerder genoemde € 10.000 ontvangt, heeft hij in feite na saldering metde openstaande schulden (van € 6.000) nog slechts € 4.000 aan vermogenover. Op basis van de nieuwe vermogensvaststelling blijkt dat zijnvermogen onder de voor hem geldende vermogensgrens blijft, waardoorhet recht op bijstand blijft bestaan.De op dit moment al geldende vermogensvrijlatingen blijven ongewijzigd.In de praktijk betekent dit vooral dat een vermogenstoename die hetgevolg is van sparen gedurende de bijstandsafhankelijkheid niet moetworden meegenomen bij de uiteindelijke vermogensvaststelling. Blijkt opeen bepaald moment gedurende de bijstandsverlening sprake van eenvermogen boven de vermogensgrens en stelt bijstandsgerechtigde zichop het standpunt dat dit het gevolg is van spaarzaamheid, dan is het aanhem om dit aannemelijk te maken. De regering wijst erop dat in de relatiefbeperkt voorkomende situaties sprake is van vermogenstoename doorsparen, de gemeente ook – zoals zij dit ook binnen het huidige systeemdoet – kan terugvallen op tussentijdse vermogensvaststellingen. Op diemanier kan de gemeente voorkomen dat zou – in deze situaties – na enigtijdsverloop sprake zijn van een vermogen boven de vermogensgrens, deuiteindelijke vaststelling van het in aanmerking te nemen vermogen eenuitgebreid onderzoek vraagt.3.4.3 Wijziging in de uitvoering Dit voorstel vraagt om een wijziging in de uitvoering. Binnen de huidigeregelgeving is het wenselijk dat bij aanvang wordt ingezet op een zoaccuraat mogelijke vermogensvaststelling, nu dit gevolgen heeft voor devermogensaanwasruimte die geldt voor de gehele bijstandsperiode.Binnen het voorgestelde systeem is het in principe voldoende om vast testellen dat het actuele vermogen onder de wettelijk vastgesteldevermogensgrens ligt (norm 1.1.2023: alleenstaande € 7.605 en gehuwden€ 15.210). Daarbij is het wenselijk om het actuele vermogen – zij het niettot op de euro nauwkeurig – vast te stellen, om enerzijds bij een volgendonderzoek een eventuele vermogens toe- of afname te kunnenwaarnemen en anderzijds bijstandsgerechtigde ook te kunnen informerenwanneer een vermogenstoename in de toekomst bijstandsrechtelijkegevolgen kan hebben.Het nieuwe systeem vraagt dat bij een vervolgonderzoek niet enkel wordtgekeken naar eventuele toename aan bezittingen, maar dat bredergekeken wordt naar de ontwikkeling van het vermogen als geheel.Wederom niet tot op de euro nauwkeurig; voldoende is dat vastgesteldwordt of het vermogen onder de dan geldende vermogensgrenzen ligt.Met name de ontwikkeling van het vermogen bij heronderzoekengedurende de bijstandsverlening zal meer aandacht vragen. De regeringvindt dit een wenselijke ontwikkeling, omdat op deze wijze ook eenontluikende schuldenproblematiek vanuit een (duidelijke) vermogens-afname, sneller in beeld kan komen. De bijstandsgerechtigde kan door demedewerker van de gemeente gewezen worden op hulpverlening en hoehij dit aan kan vragen. Eerdere signalering kan daarmee tot een tijdigeinzet van dienstverlening op dit vlak leiden. Het zal effectiviteit van degeboden dienstverlening ten goede komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 342 Voor de bijstandsgerechtigde geldt dat door de voorgestelde regelingdiegene in beginsel toenamen in bezit niet meer hoeft te melden in hetkader van de inlichtingenplicht, als deze niet leiden tot een vermogenboven de geldende vermogensgrens. Dat vraagt van de bijstandsgerech-tigde dat diegene zelf bewaakt dat zijn vermogen die vermogensgrens nietoverschrijdt. Daarbij zij opgemerkt dat slechts bij een beperkt deel van debijstandspopulatie sprake is van enige vorm van vermogen (< 30%).58Voor het grootste deel van de bijstandspopulatie geldt dus dat sprakemoet zijn van een aanzienlijke toename voordat bijstandsrechtelijkeconsequenties zouden kunnen gaan spelen. Te weten een toename vanmeer dan € 4.000 bij een alleenstaande en meer dan € 10.000 bijgehuwden.Het past bij het binnen het Wetsvoorstel versterking waarborgfunctie Awbgeëxpliciteerde dienstbaarheidsbeginsel te kijken hoe het beleid en deuitvoering zo ingericht kunnen worden dat de belangen van de burgeroptimaal tot hun recht komen. Dienstbaarheid moet een grondhoudingzijn van het bestuursorgaan. Daarin past ook dat de gemeente debijstandsgerechtigde inzicht verschaft aan welke mate van toename vanbezittingen bijstandsrechtelijke gevolgen verbonden zijn59. Voor hetmerendeel van de bijstandspopulatie geldt dat hen kan worden geadvi-seerd om bij aanzienlijke toenames in het vermogen (op basis van dehuidige normen ca. € 5.000 tot € 10.000 of hoger) contact met degemeente te zoeken, om mogelijk schending van de inlichtingenplicht enlatere terugvorderingen te voorkomen. Voor de bijstandsgerechtigde dieechter over enig vermogen beschikt, en bij wie de vermogensgrens dussneller wordt bereikt, vraagt dit extra aandacht. Naar het oordeel van deregering is het beroep op het doenvermogen door deze wijzigingbeperkter dan de op grond van de huidige verplichting om elke toenamein bezit – voor zover binnen de bijstand in aanmerking te nemen – aan degemeente te melden.3C Expliciete «kan»- bepalingenDe binnen dit sub-hoofdstuk te behandelen maatregelen hebben allen totdoel om de uitvoering meer handelingsruimte te bieden in situatieswaarin de wettelijke kaders knellen. Op dit moment ervaren gemeentensoms onvoldoende ruimte voor maatwerk bij de uitvoering van deParticipatiewet. Soms is dit gelegen in de strakke normering binnen dewet zelf. Soms komt dit door een te enge interpretatie van de ruimte diewet- en regelgeving wel al biedt. En soms komt dit ook door een gebrekaan andere belangrijke randvoorwaarden in de uitvoering. Zoals kennis endeskundigheid, voldoende personele capaciteit en middelen. Dit kanleiden tot handelingsverlegenheid in de uitvoering of het (te) strikttoepassen van regels en beleid. In uiterste gevallen kan dit een belem-mering zijn voor de hoofddoelen die de regering voor ogen heeft met deParticipatiewet.De regering wil dat mensen die een beroep doen op de Participatiewetzich door gemeenten gezien, gehoord en geholpen voelen op eentoegankelijke, responsieve en mensgerichte manier. Hiervoor is en blijftde wet en het beleid dat hieruit volgt de hoofdregel. Maar maatwerk hoortdaar evenzo bij. Met maatwerk wordt dan bedoeld: het onderkennen vanbijzondere situaties die tot een onbedoelde benadeling van de bijstands-58Recente gegevens zijn niet beschikbaar. Bij onderzoek van de Inspectie van SZW in 2007 bleekmeer dan 70% van de aanvragers over geen enkel vermogen te beschikken. Signaal is dat ditpercentage in het afgelopen decennium alleen maar is gestegen.59De gehoudenheid van gemeenten tot deugdelijke informatievoorziening is overigens nietnieuw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 343 gerechtigde (kunnen) leiden en in dat individuele geval de ruimte in deregels benutten en handelen naar de bedoeling van de regel.Om dit maatwerk beter te faciliteren kiest de regering er in ditwetsvoorstel voor om de huidige individualiseringsbepaling (artikel 18,eerste lid, Pw) steviger te positioneren en op een aantal punten eennieuwe «kan»-bepaling te introduceren. Het gaat dan om een «kan»-bepaling bij elementen van de wet waarbij de uitvoering nu weinig totgeen ruimte voelt om maatwerk te kunnen bieden. Met dit wetsvoorstelwordt de ruimte geboden aan professionals, daar waar het nu oponderdelen knelt. De introductie van de kan-bepalingen zijn voornamelijkom staande praktijk te codificeren. Voor de volledigheid wordt opgemerktdat het niet de bedoeling is dat gemeenten bij iedere bijstandsgerechtigdezoekt naar maatwerk, het gaat om een passende handelingsperspectiefvoor de professional in casuïstiek waar dit voor handen ligt.De zogenoemde «kan»-bepalingen bieden gemeenten ruimte om binnende uitvoering van de wet rekening te houden met specifieke omstandig-heden. Ze komen voort uit het besef dat zich binnen de uitvoeringspraktijksituaties voor kunnen doen waarbinnen de basisregel knelt, maar dat diesituaties niet in meer algemene – in wetgeving op te nemen – regels zijnte vervatten. Het besef dat die situaties spelen, houdt ook in dat van degemeente mag worden verwacht dat zij van deze «kan»-bepaling gebruikmaken en deze bevoegdheid niet met een standaard «ja» of «nee»invullen. Daar waar de rechtszekerheid van de betrokken bijstandsgerech-tigden in het geding is, mag daarbij van het college ook worden verwachtdat zij op de invulling van de «kan»-bepaling beleid ontwikkelen en ditkenbaar maken. Het duidelijkst speelt dit daar waar de hoogte van debijstand in het geding is.3.5 Maatwerkmogelijkheid bij de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot27 jaar in kwetsbare situaties (artikel 41, elfde lid, Pw) Voorgesteld wordt om het mogelijk te maken dat het college in eenindividueel geval de vierwekenzoektermijn voor jongeren niet toepast.Wanneer iemand een bijstandsuitkering wil aanvragen, dient dit bij demeeste gemeenten te gebeuren via werk.nl bij het UWV (artikel 41, eerstelid, Pw). Voor jongeren tot 27 jaar geldt daarbij dat zij een melding krijgendat zij eerst vier weken zelf moeten zoeken naar werk en/of scholing. Zijmoeten de zoektermijn zelf invullen (artikel 7, derde lid, Pw). Dit geldt ookvoor jongeren die tijdens de zoektermijn 27 jaar worden (artikel 41, vierdelid, Pw). Jongeren moeten kunnen aantonen dat zij deze verplichting zelfactief hebben vormgegeven.Het is destijds door de wetgever bedoeld om jongeren tot 27 jaar meerbewust te maken van hun verantwoordelijkheid om aan het werk tekomen60 en het minder vanzelfsprekend te maken dat direct een beroepkan worden gedaan op bijstand met financiële afhankelijkheid tot gevolg.Het uitgangspunt blijft, ook bij de voorgestelde wijziging, onverminderddat van een naar het oordeel van het college zelfredzame jongere magworden verwacht dat hij zijn mogelijkheden om via werk of opleidingverder in zijn toekomst te investeren intensief onderzoekt, voordat hijbijstand aanvraagt.Bij zelfredzame jongeren benadrukt de vierwekenzoektermijn dat zij juistdoor het volgen van een opleiding of door deelname aan het arbeids-proces moeten werken aan hun toekomst. Als het echter gaat om60Zie ook: Kamerstukken I 2022/2023, 35 394, D.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 344 jongeren in een kwetsbare positie is het wenselijk dat het college deaanvraag in behandeling te neemt, zodat het college maatwerk kan biedenom te voorkomen dat zij buiten beeld raken van de gemeente of dat zijdieper in de problemen komen. Uitgangspunt hierbij is dat gemeenten opindividueel niveau een afweging maken of het buiten beschouwing latenvan de vierweken zoektermijn gewenst is.De regering wil met de voorgestelde wijziging ruimte aan het collegegeven om de vierwekenzoektermijn voor kwetsbare jongeren buitenbeschouwing te laten, vanuit het besef dat de aan de maatregel tengrondslag liggende beleidspremisse onder omstandigheden nietdoelmatig is en zelfs juist contraproductief kan uitpakken. Het is aan hetcollege om aan deze afweging nader invulling te geven en daarin ook haarinzet op andere onderdelen binnen het sociaal domein te betrekken, denkhierbij aan Jeugdzorg of schuldhulpverlening. Bij kwetsbare jongeren kanonder meer, maar dus niet uitsluitend, gedacht worden aan jongeren in devolgende situaties61:–jongeren die in een inrichting verblijven of recht hebben op opvang alsbedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015),–jongeren die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding in eeninrichting verbleven of recht hadden op opvang als bedoeld in deWmo 2015,–jongeren die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding bij eenpleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in de Jeugdwet,–jongeren voor wie uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding eenkinderbeschermingsmaatregel gold die werd uitgevoerd door eengecertificeerde instelling als bedoeld in de Jeugdwet, en–jongeren die niet zijn ingeschreven als ingezetene in de basisregistratiepersonen of die zonder woonadres, maar met een briefadres zijningeschreven in de basisregistratie personen.Het is – in bovengenoemde situaties maar ook in het geval een jongerezich niet in een van bovengenoemde situaties bevindt – aan de gemeenteom in het individuele geval te bepalen of de zoektermijn buitentoepassing wordt gelaten.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de jongeren die uiterlijk eenjaar voorafgaand aan de melding ingeschreven hebben gestaan bij hetpraktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs en jongeren diemedisch urenbeperkt zijn of behoren tot de doelgroep loonkostensubsidiereeds uitgezonderd zijn van de vierwekenzoektermijn. De regering is zichervan bewust dat de voorgestelde nuancering van de vierwekenzoek-termijn ook iets vraagt van de huidige ICT-infrastructuur. Als de jongerezich nu voor bijstand meldt, biedt werk.nl pas na vier weken gelegenheiddaadwerkelijk een aanvraag in te dienen. Binnen het implementatietrajectzal moeten worden bekeken, hoe jongeren daar waar nodig toch direct demogelijkheid hebben om een aanvraag in te dienen. Daarbij geldt voorjongeren die niet staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen(hierna: BRP) (denk aan dak- en thuisloze jongeren) nu al dat zij zichrechtstreeks bij de gemeente moeten (kunnen) melden. Bij deze fysiekemelding kan dan worden bezien of inzet van de vierwekenzoektermijn indeze wenselijk is.61Dit zijn de groepen die tijdens de covid-19-pandemie uitgezonderd zijn geweest van devierwekenzoektermijn, zie ook Kamerstukken II, 2020/2021, 35 557, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 345 3.6 Afwijken van het principe aanvraagdatum is ingangsdatum: bijstandmet terugwerkende kracht (artikel 44, vijfde lid, Pw) Voorgesteld wordt om een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht tekunnen verlenen als individuele omstandigheden daartoe noodzaken.Het komt voor dat aanvragers van een bijstandsuitkering al één of enkelemaanden nauwelijks inkomsten hebben ontvangen voordat ze eenbijstandsuitkering aanvragen. Denk enerzijds aan situaties waarbij iemanddoor een flexibel arbeidscontract pas achteraf voldoende zicht heeft op dehoogte van zijn inkomen in de afgelopen maand. Of aan personen diedoor een crisissituatie extra belast zijn en zich daardoor te laat tot degemeente wenden. Hierdoor kunnen mensen financieel ernstig in de knelkomen.De huidige regeling werkt vanuit het principe dat de aanvraagdatum gelijkis aan de ingangsdatum. Het uitkeringsrecht kan in beginsel niet eerder62ingaan dan de datum van eerste melding. In de rechtspraak worden hierwel – als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen – uitzonderingenop gemaakt. Bij bijzondere omstandigheden moet dan worden gedachtaan situaties waarbij iemand op basis van onjuiste informatie van eenmedewerker heeft afgezien van het indienen van een aanvraag63, ofwanneer iemand om medische redenen niet is aan te rekenen dat hij erniet in heeft voorzien dat iemand zijn belangen heeft behartigd (lees: voorhem een melding heeft gemaakt)64 of als iemand zelf niet voldoende in degelegenheid is gesteld om een melding te maken.65Het gaat bij bijzondere omstandigheden steeds om zeer uitzonderlijkesituaties. Gemeenten hebben aangegeven dat zij de huidige wettelijkeregeling als te strikt ervaren. Zij wijzen erop dat de huidige regeling insommige situaties zijn doel voorbijschiet. Bijstandsgerechtigden blijvenachter met aanzienlijke schulden of worden in feite gestraft voor het feitdat zij hun bijstandsaanvraag hebben uitgesteld in de hoop met hunhuidige dienstverband toch voldoende inkomsten te verwerven.De regering acht dit onwenselijk. Voorgesteld wordt daarom gemeentende bevoegdheid te geven om als de individuele omstandigheden daaromvragen de bijstand tot maximaal drie maanden eerder dan meldings-datum toe te kennen (wijziging van artikel 44, vijfde lid, Pw). Dezebevoegdheid geldt aanvullend op de hierboven beschreven jurisprudentieom bij bijzondere omstandigheden van het principe meldingsdatum isingangsdatum af te wijken. Bij die bijzondere omstandigheden geldtoverigens geen beperking in de tijd. Dat blijft zo.Door gemeenten de bevoegdheid en beoordelingsvrijheid te geven om insituaties die daarom vragen de bijstand eerder dan meldingsdatum toe tekennen, kan bestaansonzekerheid worden weggenomen en wordenvoorkomen dat mensen onnodig in de schulden terecht komen. Ook zijner signalen dat zorgen over inkomen een snelle doorstroom naar werkverhindert. Door deze zorg weg te nemen wordt werken extra gestimu-leerd. De regering is van mening dat in situaties zoals de hierbovengenoemde het bieden van bestaanszekerheid dient te prevaleren boven62Een ingangsdatum na meldingsdatum behoort ook tot de mogelijkheden. Denk aan de situatiedat burgers zich al melden voordat een daadwerkelijk recht ontstaat. Bijvoorbeeld vooraf-gaand aan een aflopend WW-recht.63CRvB 15 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2362.64CRvB 21 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0568.65CRvB 9 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1284 en CRvB 10 december 2013,ECLI:NL:CRVB:2013:2757.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 346 het principe dat de meldingsdatum gelijk is aan de ingangsdatum.Randvoorwaarde blijft daarbij wel steeds dat vastgesteld kan worden datbijstandsgerechtigde in de voorgaande periode in bijstandsbehoevendeomstandigheden verkeerde.Het criterium «individuele omstandigheden» gaat verder dan secwenselijk en vraagt om een individuele invulling. Denk hierbij bijvoor-beeld aan het feit dat bijstandsgerechtigde door de late meldingaantoonbaar aanzienlijke schulden of betalingsachterstanden heeftopgelopen. Hierbij kan een rol spelen dat bijstandsgerechtigde in deperiode die aan de melding is voorafgegaan, alles op alles heeft gezet omvolledig zelfstandig in zijn bestaan te kunnen voorzien. Ook kan bijstands-gerechtigde overvraagd zijn door een crisissituatie, waardoor hem een telate melding of eerdere buiten behandelingstelling niet kan wordenverweten. Te denken valt ook aan situaties die zich kunnen voordoentijdens of na een oproepcontract, na detentie of een echtscheiding, ofbijvoorbeeld bij pensionering, in relatie tot de AIO. Daarnaast kan ookworden gedacht aan situaties waarbij een aanvraag voor een passende entoereikende voorliggende voorziening66 is afgewezen of een eerderebijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld.Bij het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht wordt uitgegaanvan het moment waarop het recht op bijstand is ontstaan tot maximaaldrie maanden terug. Uit de gesprekken met gemeenten bleek dat eenaantal gemeenten al tot toekenning van bijstand voorafgaande aan demeldingsdatum overgaat als de individuele situatie daarom vraagt. Deuitvoeringspraktijk van deze gemeenten laat ook zien dat de periode vanmaximaal drie maanden voor terugwerkende kracht voldoende wordtgeacht om mensen tot een stabiel inkomen te helpen.Kortom, het door de regering voorgestelde «individuele omstandigheden»is breder dan bijzondere omstandigheden. Het college heeft de beoorde-lingsvrijheid om te bepalen of de individuele omstandigheden nopen tothet verstrekken van bijstand met terugwerkende kracht. De individueleomstandigheden kunnen zowel zien op omstandigheden die in oorzakelijkverband met de late melding staan, als omstandigheden die betrekkinghebben op de (ernstige) gevolgen van de late melding of een combinatievan deze omstandigheden. Daarbij geldt wel dat de terugwerkende krachtin dit kader slechts voor drie maanden mogelijk is. Dit in tegenstelling tothet toepassen van terugwerkende kracht voor langere in het kader vanbijzondere omstandigheden.3D Algehele codificatie van jurisprudentieBij de in deze paragraaf beschreven maatregelen gaat het steeds omcodificatie van jurisprudentie. Met de voorgestelde codificatie wil deregering een duidelijk handelingskader voor de uitvoering scheppen en debijstandsgerechtigde, die in de desbetreffende situatie verkeerd, rechtsze-kerheid bieden.Vanuit uitvoerings- of rechtszekerheidsoptiek is er op bepaalde puntenvoor gekozen om van de jurisprudentie af te wijken. Daar waar hier sprakevan is, zal dit in de toelichting worden geëxpliciteerd.66Bijvoorbeeld de Werkeloosheidswet of Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 347 3.7 Gezamenlijke huishouding (artikel 3, vierde lid, Pw) Voorgesteld wordt om artikel 3, vierde lid, onderdeel a, Pw in lijn tebrengen met de stand van de rechtspraak. In artikel 3, vierde lid, Pw zijnvier situaties genoemd op grond waarvan aangenomen kan worden dat ersprake is van een gemeenschappelijk huishouden. Uit jurisprudentie vande CRvB volgt dat onderdelen a en d van het vierde lid in strijd zijn metartikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politiekerechten.67 Dit omdat er een onrechtvaardig onderscheid wordt gemaakttussen gehuwden en personen die een gezamenlijk huishouden voeren.In onderdeel a is geregeld dat personen die met elkaar gehuwd zijngeweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraagvan bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aange-merkt, worden gezien als gehuwden. Gehuwden en personen die eengezamenlijke huishouding voeren, moeten gelijk behandeld worden.Daarom wordt voorgesteld om voor ex-gehuwden de beperking tot tweejaar ook te laten gelden.Daarnaast geldt op basis van jurisprudentie een temporele beperking voorhet onweerlegbaar rechtsvermoeden. Deze temporele beperking is niet inde wet verankerd. Dit is onwenselijk. De regering kiest er daarom voor om– in lijn met de jurisprudentie – in situaties dat gescheiden echtelieden opeenzelfde adres verblijven, enkel – op basis van een onweerlegbaarrechtsvermoeden – een gezamenlijke huishouding aan te nemen, als hethuwelijk minder dan 2 jaar geleden is beëindigd.3.8 Bijstandsnorm (alleenwonende) alleenstaande bijstandsgerechtigdemet niet-rechthebbende partner (artikel 24 Pw) Voorgesteld wordt de norm voor de niet-kostendelende bijstandsgerech-tigde van 21 jaar of ouder met een niet-rechthebbende partner vast testellen op het niveau van de alleenstaandennormen. Die normen zijnongeveer 70% van de gehuwdennorm.Er zijn situaties denkbaar waarbij de bijstandsgerechtigde gehuwd is, ofeen gezamenlijke huishouding heeft, met een persoon die in het kader vande Participatiewet moet worden aangemerkt als niet-rechthebbende. Eenniet-rechthebbende is iemand die op basis van de volgende artikelen geenrecht heeft op algemene bijstand: artikel 11 Pw(niet met Nederlandergelijkgestelde), artikel 13 Pw (onder meer gedetineerd, langer in hetbuitenland verblijvend, studerend) of artikel 15 Pw (passende en toerei-kende voorliggende voorziening).Artikel 24 Pw regelt op dit moment dat de bijstandsgerechtigde die inboven beschreven situatie verkeert en op wie niet de kostendelersnormvan toepassing is recht heeft op 50% van de gehuwdennorm. Dit betekentdat de bijstandsgerechtigde zelf met ca. € 220 per maand (norm 1.1.2023)minder moet rondkomen dan een alleenwonende alleenstaande. Hetartikel heeft deze vorm in 2016 aangenomen, na introductie van dekostendelersnorm. De gedachte daarbij was dat de bijstandsgerechtigdedie zijn kosten kan delen met een weliswaar niet-rechthebbende partner inbeginsel dezelfde norm dient te hebben als een persoon die samenwoontmet een kostendelende medebewoner. Het ging daarbij wel specifiek om«in beginsel». De memorie van toelichting bij het toenmalige wetsvoorstelbenadrukt dat «De individuele situatie van gehuwden met eenniet-rechthebbende partner onderling sterk kan verschillen. (...) Dit maaktdat bij toepassing van artikel 24 altijd goed gekeken moet worden naar de67Zie onder meer CRvB 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:218.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 348 individuele situatie. Indien nodig heeft de gemeente op basis vanartikel 18 de mogelijkheid om in individuele gevallen de algemenebijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden enmiddelen van de bijstandsgerechtigde.»68Voor de niet-kostendelende bijstandsgerechtigde met eenniet-rechthebbende partner betekende de toenmalige wetswijziging eenaanzienlijke inkomensachteruitgang, tenzij de niet-rechthebbende partnerover inkomen beschikte. Dit was een reden voor de CRvB om expliciet vande gemeente te verwachten dat zij zelfstandig onderzoekt of in dedesbetreffende situaties de bijstand niet op basis van de individualise-ringsbepaling (artikel 18 Pw) opgehoogd dient te worden.69 Uit dejurisprudentie volgt dat de gemeente daarbij alle relevante omstandig-heden, mogelijkheden en middelen van bijstandsgerechtigde moetenonderzoeken, om op basis daarvan vast te stellen of artikel 24 Pw in hetgeval van bijstandsgerechtigde niet leidt tot een voor hem financieelschrijnende situatie.Een dergelijk onderzoek vraagt veel van de gemeente en grijpt diep in opde privacy van de bijstandsgerechtigde. Daarnaast mist de term «schrij-nende situatie» juridische inkadering, waardoor de nodige rechtszekerheidvoor de bijstandsgerechtigde ontbreekt. De regering wil deze situatieveranderen en stelt daarom voor om de norm voor de niet-kostendelendebijstandsgerechtigde van 21 jaar of ouder met een niet-rechthebbendepartner gelijk te stellen met de alleenstaanden norm. Daarmee wordt debijstandsgerechtigde een norm geboden die hem eigenstandig in staatstelt om in zijn bestaan te voorzien en is een zelfstandig onderzoek nietlanger standaard noodzakelijk.Daarbij blijft het bepaalde in artikel 32, derde lid, Pw onverkort vantoepassing. Dit houdt in dat, als de niet-rechthebbende partner overinkomen beschikt, dit inkomen op de verleende bijstand in mindering kanworden gebracht. Dit is het geval als de optelsom van bijstand plus hetinkomen van de gehuwden tezamen, hoger ligt dan de norm van tweerechthebbende gehuwden in een vergelijkbare situatie.Voorbeeld – gehuwdennorm (fictief) € 1.500D. is niet kostendelend en heeft een niet-rechthebbende partner E. meteen inkomen van € 600,00 per maand. De voor D. geldende bijstandsnormbedraagt op basis van het voorgestelde artikel 24 Pw (70% van € 1.500 =)€ 1.050. Zou D. deze norm onverkort ontvangen dan zouden D. en E. intotaal (norm € 1.050 + inkomen E. € 600 =) € 1.650 ontvangen. Hetaangehaalde artikel 32, derde lid, Pw bepaalt hier echter dat het bedragwaarmee de optelsom van bijstand en inkomen de gehuwdennormoverstijgt op de bijstand van D. in mindering moet worden gebracht. Deoptelsom van bijstand en inkomen (€ 1.650) ligt € 150 boven de gehuw-dennorm. Reden waarom de uiteindelijke bijstand van D. dus gelijk is aan(€ 1.050 – € 150 =) € 900.De voorgestelde wetswijziging (ophoging van de norm tot ongeveer 70%)geldt enkel voor de bijstandsgerechtigde van 21 jaar of ouder. Voorjongmeerderjarigen geldt een andere normensystematiek. Zo bedraagt denorm voor een alleenstaande bij de groep van 21 jaar en ouder 70% vande gehuwdennorm, terwijl de norm van een alleenstaande jongmeerder-jarige in beginsel 50% is van de norm voor gehuwden zonder kinderen.Daarnaast heeft de gemeente bij jongmeerderjarigen zonder meer de68Kamerstukken II 2014/15, 34 273, nr. 3, p. 7–8.69Zie onder meer CRvB 10 december 2020, ECLI:CRVB:2020:3157.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 349 opdracht de norm aan te vullen via de bijzondere bijstand (artikel 12 Pw)voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven debijstandsnorm en de jongmeerderjarige hiervoor geen beroep op deonderhoudsplicht van zijn ouders kan doen.De voorgestelde wetswijziging heeft ook gevolgen als gehuwdenbijstandsgerechtigden zijn en een AIO ontvangen. Het betekent bijvoor-beeld dat bij overschrijding van de vakantieduur, waardoor het recht opbijstand voor een van de partners vervalt, de norm van ongeveer 70% vantoepassing zal zijn.Voorbeeld – verval recht op bijstandH. en C. zijn gehuwd en hebben recht op een bijstandsuitkering. H. heeftde pensioengerechtigde leeftijd bereikt, C. nog niet. De gehuwdenontvangen een aanvullende inkomensvoorziening ouderen. H. mag, geletop de leeftijd, maximaal 13 weken in het buitenland verblijven per jaar, C.maximaal vier weken. H. en C. besluiten 10 weken in het buitenland teverblijven. Hierdoor verliest C. haar recht op bijstand. H. ontvangt dealleenstaandenorm met een aanvullende inkomensvoorziening ouderen.3.9 Bijstandsnorm alleenstaande ouder zonder ALO-kop (artikel 24a, Pw) Voorgesteld wordt om de bijstandsnorm voor een alleenstaande oudermet een huwelijkspartner die niet tot de kring der rechthebbendenbehoort (een niet-bijstandsgerechtigde partner) op te hogen metmaandelijks maximaal 1/12 van het extra bedrag voor alleenstaandeouders binnen het kindgebonden budget, de zogenaamde alleenstaandeouderkop (artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget).Het ophogen van de norm is codificatie van een vaste lijn in de jurispru-dentie. Voor de bijstandsgerechtigde alleenstaande ouder die geen rechtheeft op de alleenstaande ouderkop (hierna: ALO-kop), volgt uit jurispru-dentie dat er sprake is van een zeer bijzondere situatie als bedoeld inartikel 18, eerste lid, Pw.In 2015 is de ALO-kop ingevoerd in de Wet op het kindgebonden budget(hierna: Wkb), met de Wet hervorming kindregelingen (hierna: Whk).Tegelijkertijd is daarmee ook de bijstandsnorm voor een alleenstaandeouder, ter hoogte van 90% van de gehuwdennorm komen te vervallen.Sindsdien ontvangen alleenstaanden in de bijstand 70% van de gehuw-dennorm. De ALO-kop is geïntroduceerd om financiële belemmeringenvoor alleenstaande ouders om vanuit de bijstand aan het werk te gaanweg te nemen, zonder grote nadelige koopkrachteffecten. Hierdoor iswerken lonender geworden.Het kindgebonden budget is een toeslag, die valt onder de Algemene wetinkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). De Awir-criteria voor hetvaststellen van partnerschap (en dus in spiegelbeeld ook diegene die geenpartner heeft – de alleenstaande ouder) wijken af van die voor de Pw enandere minimumwetten. In de Pw (en in andere minimumwetten) zijn demateriële omstandigheden doorslaggevend voor het vaststellen van debehoefte aan ondersteuning en draagkracht. In de Awir is gekozen voorobjectieve, formele criteria die in het uitvoeringsproces goed te automati-seren zijn. Mensen zijn toeslagpartner van elkaar als zij gehuwd zijn,fiscaal partners zijn, samen een kind hebben, samenwonen met het kindvan één van beiden (samengestelde gezinnen), samen een koophuishebben en/of pensioenpartner van elkaar zijn. Bij het invoeren van deALO-kop was reeds voorzien dat daardoor een groep ouders, dievoorheen in de bijstand werden aangevuld tot 90% van de gehuw-dennorm, geen recht hebben op de ALO-kop. Het betreft een zeer kleineTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 350 groep, onder andere zijn dit gehuwde statushouders met kinderenwaarvan de partner nog moet nareizen. Zij zijn materieel alleenstaand.In deze situatie overweegt de CRvB dat: de wetgever zich bewust was vanhet feit dat er alleenstaande ouders zijn die in het kader van de bijstandworden aangemerkt als alleenstaande ouder, maar per 1 januari 2015 nietin aanmerking komen voor de ALO-kop. De reden om die groep nietalsnog onder de werkingssfeer van de Whk te brengen is niet zozeergelegen in het feit dat de wetgever meende dat deze groep niet inaanmerking zou moeten komen voor een toeslag, maar in meer praktischeoverwegingen. De Belastingdienst is niet in staat de in dat gevalbenodigde individuele beoordeling te verrichten. Ook voor deze groeppersonen kan een aanvullende inkomensondersteuning blijkens dewetsgeschiedenis aangewezen kan zijn. Die beoordeling moet blijkens dewetsgeschiedenis plaatsvinden binnen het kader van de bijstandswet-geving, nu de Participatiewet (PW). Gelet hierop kan voor deze groeppersonen de ALO-kop geen passende en toereikende voorliggendevoorziening worden geacht die aan bijstandverlening in de weg staat.70Als de belanghebbende onvoldoende bestaansmiddelen heeft en onderhet bestaansminimum leeft door het mislopen van de ALO-kop,beschouwt de CRvB het gemis aan de ALO-kop als een zeer bijzonderesituatie op grond waarvan met toepassing van artikel 18, eerste lid, Pw, debijstand kan worden afgestemd op de individuele situatie van belangheb-bende.71 Artikel 18, eerste lid, Pw, betreft de individualiseringsbepaling.Omdat de ALO-kop ziet op algemeen noodzakelijke kosten van hetbestaan, is individualiseren van de algemene bijstand de aangewezenroute en niet het verlenen van bijzondere bijstand.72De regering acht het wenselijk dat deze vaste lijn binnen de jurisprudentiewordt gecodificeerd. De uitvoering krijgt op deze wijze een duidelijkhandelingskader en de bijstandsgerechtigde wordt de noodzakelijkerechtszekerheid geboden.De voorgestelde regeling komt erop neer dat een bijstandsgerechtigdemet een of meerdere rechtmatig in Nederland verblijvende kinderen dieaan de bijstandsgerechtigde ten laste komen (artikel 4, eerste lid, onder e,Pw), en een Awir-partner heeft die geen recht heeft op algemene bijstand,in aanmerking komt voor ophoging van de bijstandsnorm met maande-lijks maximaal 1/12 van de ALO-kop. De keuze om de ophoging van debijstandsnorm voor deze groep aan te laten sluiten bij de ALO-kop isgebaseerd op:–alleenstaande ouders die de (compensatie van de) ALO-kop via debijstand ontvangen, ontvangen dezelfde compensatie als de alleen-staande ouders die de ALO-kop via Dienst Toeslagen ontvangen. Deleefsituatie van beide alleenstaande ouders komt overeen, ondanks datde bijstandsgerechtigde ouder een Awir-partner heeft;–het sluit aan bij de bestaande jurisprudentie dat bij het afstemmen vande bijstand aansluiting gezocht dient te worden bij het per die datumgeldende bedrag van de ALO-kop;–het algemene doel van de ALO-kop is een tegemoetkoming in hetlevensonderhoud van eenoudergezinnen;70Zie onder meer CRvB 9 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:138071Zie onder meer CRvB 16 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2301.72Zie onder meer CRvB 6 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1600, CRvB 4 september 2018,ECLI:NL:CRVB:2018:2841 en 9 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1380.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 351 –uit recent onderzoek blijkt dat de hoogte van de ALO-kop voldoende isom het inkomen van alleenstaande ouders in de bijstand boven hetbestaansminimum te doen uitkomen.73Op deze maatregel blijft artikel 32, derde lid, Pw, over eventueel inkomenvan de niet-rechthebbende partner, van toepassing. Dat betekent dat alsde niet-rechthebbende partner over inkomen beschikt, dit op debijstandsnorm van de rechthebbende partner in mindering wordtgebracht, voor zover de optelsom van bijstand en beider inkomen hoger isdan de gehuwdennorm.Minimum bestaansvoorzieningDe Pw is een minimum bestaansvoorziening. De compensatie die op devoorgestelde wijze wordt geboden voor het gemis van de ALO-kop zietdaarom enkel op personen van wie het eigen inkomen lager is dan devoorgestelde opgehoogde bijstandsnorm (maandelijks maximaal 1/12deel van de ALO-kop). Bij een hoger inkomen beschikken de rechtmatig inNederland verblijvende gezinsleden over inkomen boven het bestaansmi-nimum. Een aanvulling vanuit de Pw is dan niet passend.3.10 Onverwijld de mogelijkheid bieden tot het indienen van een aanvraagna melding (artikel 41, twaalfde lid, Pw) Voorgesteld wordt om te bepalen dat degene die een melding doet voorbijstand, meteen de mogelijkheid krijgt om ook een aanvraag voor debijstand in te dienen.In de jurisprudentie duiken verschillende malen signalen op vangemeenten of uit gemeenschappelijke regelingen, waarbij de uitvoerings-organisatie de persoon die zich meldt voor een uitkering niet onverwijld inde gelegenheid stelt om een aanvraag in te dienen.74 Bijstandsgerech-tigde wordt soms pas geruime tijd na melding in de gelegenheid gesteldeen aanvraag te doen. Dit creëert een extra mate van bestaansonze-kerheid bij diegene. Bij de uiteindelijke aanvraag gaat namelijk pas de vierweken termijn voor bevoorschotting (artikel 52, eerste lid, Pw) en dewettelijk geldende afhandelingstermijn (artikel 4:13 Awb) lopen.De wet – en ook de melding bij werk.nl – gaat uit van het systeem datbijstandsgerechtigde direct na melding in de gelegenheid wordt gesteldom een aanvraag in te dienen. In de wet wordt hierop specifiek éénuitzondering gemaakt voor personen onder de 27 jaar, bij wie dezogenaamde vierwekenzoektermijn kan gelden (zie ook paragraaf 3.5). Datis geregeld in het nieuwe elfde lid van artikel 41 Pw. Voor alle anderegevallen blijft onverkort gelden dat meldingsdatum en aanvraagdatum inbeginsel gelijk vallen, tenzij bijstandsgerechtigde er zelf voor kiest zijnaanvraag later in te dienen, bijvoorbeeld omdat hij pas op een latertijdstip bijstandsafhankelijk wordt. De voorgestelde bepaling expliciteertdit uitgangspunt. Als gemeenten ervoor gekozen hebben om een eigenaanvraagproces – los van werk.nl – in te richten, zullen zij bijstandsgerech-tigde ook in die situatie direct in de gelegenheid moeten stellen om eenaanvraag in te dienen.73Doelen en Effectiviteit van de alleenstaande ouderkop in het kindgebonden budget, rapport.SEO – Economisch onderzoek. Amsterdam, mei 2023. *doelen en effectiviteit van de ALleen-staande ouderkop in het kindgebonden budget (overheid.nl)74Zie onder meer: CRvB 11 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2269 en CRvB 8 augustus 2022,ECLI:NL:CRVB:2022:1821.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 352 De bijstandsgerechtigde wordt aldus de rechtszekerheid geboden dat hij– als hij in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert en hij zijn vollemedewerking verleent – binnen vier weken na melding een voorschotmag verwachten (op grond van artikel 52, eerste lid, Pw) en binnen eenredelijke termijn een besluit op zijn aanvraag. Indien discussie komtontstaat over of een bijstandsgerechtigde in staat is gesteld om onver-wijld een aanvraag in te dienen, ligt de bewijslast bij de gemeente.3.11 Gelijkstelling aanvraag bijstand, Bbz, IOAW of IOAZ (artikel 43, zesdelid, Pw) Voorgesteld wordt om de aanvraagdatum van de eerst aangevraagdeuitkering bij een gemeente als meldingsdatum voor een bijstandsaan-vraag te hanteren. Het gaat daarbij steeds om bij de gemeente (of debuurgemeente die belast is met de uitvoering van het Bbz) ingediendeaanvragen. Bij veel gemeenten is dit ook al een vaste uitvoeringspraktijk.Met het huidige voorstel wordt deze uitvoeringspraktijk in de wetverankerd.Van de aanvrager wordt verwacht dat hij een juiste inschatting maakt vanzijn eventuele recht op uitkering op grond van de Pw, Besluit bijstandver-lening zelfstandigen 2004 (hierna: Bbz), IOAW of IOAZ. Blijkt zijninschatting niet juist, dan moet een andere uitkering worden aange-vraagd. Hierbij loopt de aanvrager dan het risico dat hij door zijninschattingsfout enkele weken tot meer dan één maand aan onder-steuning misloopt. Dit komt doordat de aanvraagdatum van de «juiste»uitkering uiteindelijk als ingangsdatum voor zijn uitkering wordtgenomen. De regering acht dit onwenselijk en stelt daarom deze wijzigingvoor.Voorbeeld:Er zijn situaties dat iemand zich in eerste instantie bij de gemeente meldtvoor een aanvraag voor Bbz in plaats van voor de bijstand. Voor debehandeling van een Bbz-aanvraag geldt een afhandelingstermijn van13 weken. Wordt zijn aanvraag afgewezen, dan zal hij alsnog eenbijstandsaanvraag moeten indienen. Als de aanvraagdatum van debijstandsuitkering als uitgangspunt wordt genomen, heeft de aanvragerenige tijd geen ondersteuning.Het gaat hier enkel om de meldingsdatum en dus om de mogelijkeingangsdatum van de uitkering. De aan de aanvraagdatum gekoppeldeafhandelingstermijn gaat pas lopen vanaf datum bijstandsaanvraag. Ditgeldt evenzo voor de voorschotregeling. Daarbij zij opgemerkt dat dehierin opgenomen vierwekentermijn een maximumtermijn vertegen-woordigd. Gezien het feit dat de aanvrager in afwachting van zijn eerdereaanvraag wellicht al geruime tijd geen inkomen heeft mogen ontvangen,mag van gemeenten worden verwacht dat zij hier eerder dan degenoemde vier weken tot bevoorschotting overgaan om betalingspro-blemen bij bijstandsgerechtigde te voorkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 353 4. Stimulans tot re-integratie, passend bij de heterogenedoelgroep 4.1 Inleiding In meerdere onderzoeken75 en ook in gesprekken met de uitvoering wordtbenadrukt dat de bijstandspopulatie zeer divers is. De huidige uitgangs-punten van de wet zijn maar op een deel van de doelgroep vantoepassing. Om de menselijke maat in de wet te verankeren is hetessentieel dat de uitgangspunten van de wet aansluiten bij de doelgroepvan de wet. Is dat laatste niet het geval dan is ontstaat er een gat tussenwet en te bedienen doelgroep. De uitvoering mist dan het instrumen-tarium om de doelgroep passend te bedienen. Dat kan ertoe leiden dat debijstandsgerechtigde zich niet erkend of gezien voelt in zijn ondersteu-ningsbehoefte.De huidige wet is in hoge mate gericht op volledige uitstroom richtingarbeid. Uitgangspunt is dat de bijstand een tijdelijk vangnet is. Het is aande bijstandsgerechtigde, eventueel met ondersteuning vanuit degemeente, om zo snel mogelijk weer zelfstandig in zijn bestaan tevoorzien. Voor een groot deel van de bijstandspopulatie is volledigeuitstroom naar arbeid, zeker op korte termijn, echter geen reëelperspectief. Het gaat dan naar verwachting om een groot deel van dedeelpopulatie die al geruime tijd op bijstand is aangewezen: 70% van detotale doelgroep meer dan 2 jaar en 55% van de totale doelgroep meerdan 10 jaar.Met de in dit en het volgende hoofdstuk voorgestelde wetswijzigingen, wilde regering werken aan een wet die qua beleidspremisses meer rechtdoet aan de diversiteit van de doelgroep. Daarbij blijft het streven ombijstandsgerechtigden, als zij op bijstand zijn aangewezen, zo snelmogelijk weer duurzaam zelfstandig in hun eigen bestaan te latenvoorzien. Maar daarbij wil de regering ook werken vanuit het besef dat ditvoor een aanzienlijk deel van de bijstandspopulatie een lange weg is,waarbij in veel gevallen ook andere vormen van participatie al stimuleringverdienen. Dit is in lijn met de oproep van de Sociaal-Economische Raadin haar rapport «Werken zonder armoede»76, om (deeltijd) werkenlonender te maken. De ombudsman geeft een soortgelijk signaal af intwee recente rapporten.77Werken in deeltijd kan een belangrijke eerste stap vormen richtingvolledige uitstroom. Op dit moment lijkt de wet deeltijdarbeid echtereerder te ontmoedigen dan te stimuleren. Eventueel verworven inkomenwordt volledig op de uitkering gekort. Daarbij wordt meteen ook degereserveerde vakantiebijslag in mindering gebracht, waardoor dewerkende bijstandsgerechtigde per maand feitelijk minder overhoudt dande bijstandsgerechtigde die niet werkt. Dit wordt weliswaar gecompen-seerd in de maand dat de vakantiebijslag tot uitbetaling komt, maarcreëert de nodige bestaansonzekerheid voor de werkende bijstandsge-rechtigde. Daarbij wordt inkomen meestal achteraf op de bijstand inmindering gebracht waardoor bij inkomensfluctuaties, situaties kunnenontstaan waarbij de bijstandsgerechtigde een maand met aanmerkelijk75Zie onder meer SEOR, Eindrapport Cohortstudie Participatiewet, Rotterdam: SEOR BV, 18 mei2022.76Het rapport stelt dat mensen die deeltijd werken, en vooral degenen die wisselende inkomstenhebben, het risico lopen financiële problemen te krijgen door bepalingen van de Participa-tiewet en de uitvoering daarvan door gemeenten.77Meedoen zonder beperkingen en Watertrappelen in de bijstand, bijlagen bij Kamerstukken II2022–23, 26 448, nr. 714.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 354 minder middelen moet rondkomen dan andere maanden. Om met dewoorden van een van de ervaringsdeskundigen van de focusgroepen tespreken: «bijstand en werken is sores».Met de in dit hoofdstuk voorgestelde maatregelen wil de regering de stapnaar deeltijdarbeid – werken naast de bijstand – stimuleren. Ditwetsvoorstel draagt daaraan bij door de volgende maatregelen:A. Verruiming van de bijverdiengrenzenIn dit hoofdstuk zijn maatregelen opgenomen om de inkomensvrijlatingendie de wet nu kent te harmoniseren en te verruimen.B. Verhoging bestaanszekerheid voor de bijverdienende bijstandsgerech-tigdeIn dit hoofdstuk is een deel van de maatregelen gericht op aanpassingenvan het verrekenproces. Dit moet enerzijds voorkomen dat de bijverdie-nende bijstandsgerechtigde er – zoals nu het geval is – op maandbasis opachteruitgaat en hem anderzijds meer bestaanszekerheid gaan bieden.Een ander deel van de maatregelen is er juist op gericht om herinstroomin de bijstand na een periode van werk te vereenvoudigen. Ook hier gaathet er weer om de werkende – in dit geval oud-bijstandsgerechtigde –meer bestaanszekerheid te bieden, mochten de verkregen urenuitbreidingof de extra werkzaamheden van tijdelijke aard blijken te zijn. Tenslotteintroduceert dit wetsvoorstel het zogenaamde bufferbudget. Dit budgetkan de gemeente inzetten als sprake is van een duidelijk fluctuerendinkomen. Met het bufferbudget kan het te kort aan middelen in sommigemaanden, dat door de combinatie van aanvullende bijstand en fluctu-erend inkomen wordt gecreëerd, worden ondervangen.Het gaat om een totaalpakket, vanuit het besef dat alleen een (beperkt)financieel voordeel (bijvoorbeeld via een vrijlating of premie) welre-integratie kan stimuleren, maar door andere belemmeringen zijnbeoogde effect kan missen. Bij gemeenten ligt de opdracht om devoorgestelde maatregelen in samenhang te bezien en als dusdanig ook tegebruiken om zo de effectiviteit van hun inzet op arbeidsinschakeling– voor wie mogelijk – te optimaliseren.Dit hoofdstuk bevat maatregelen die re-integratie stimuleren en meerfinanciële zekerheid bieden bij de stap naar (deeltijd) arbeid. In dehoofdstukken 4A en 4B worden deze maatregelen besproken.4A Verruiming van de bijverdiengrenzen4.2 Verruiming van de bijverdiengrenzen (nieuw artikel 34a Pw) Voorgesteld wordt om voor alle bijstandsgerechtigden tussen de 18 jaaren de AOW-gerechtigde leeftijd één bijverdienregeling te introducerenvoor de duur van één jaar. Ook wordt het mogelijk om de regeling teverlengen voor mensen voor wie het wegens individuele omstandighedenniet of nauwelijks mogelijk is om meer uren te gaan werken (nieuwartikel 34a Pw). Dit sluit aan bij de in het coalitieakkoord78 afgesprokenmaatregel om de bijverdienregeling in de Participatiewet te verruimen omwerken meer lonend te maken voor mensen die (deeltijd) werken metaanvulling vanuit de bijstand. Hieronder wordt deze wijziging toegelicht.78Coalitieakkoord Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst van 15 december 2021,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 355 4.2.1 Huidige relevante vrijlatingen De algemene bijstand in de Participatiewet heeft als vangnet van desociale zekerheid een complementair karakter. Daarom worden – ondervoorbehoud van een aantal uitzonderingen – alle vermogens- eninkomensbestanddelen tot de middelen gerekend waarover bijstandsge-rechtigde beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Voor een deel van debijstandspopulatie is de directe stap naar volledige uitstroom te groot.Deeltijdarbeid kan een waardevolle tussenstap zijn. Dat deeltijdarbeid dekans dat bijstandsgerechtigde uiteindelijk volledig uitstroomt door arbeidbevordert, tonen immers ook de cijfers aan. Bijstandsgerechtigden dieparttime werken of (in tenminste één maand) parttime werk hebbengedaan naast hun bijstandsuitkering, stromen bijna drie keer zo vaak uitnaar werk dan personen die geen parttime werk hebben verricht.79Deeltijdarbeid draagt met andere woorden duidelijk bij aan de arbeidsin-schakeling.De wet kent op dit moment een veelheid aan bijverdienregelingen in devorm van inkomstenvrijlatingen:•De algemene tijdelijke gedeeltelijke inkomstenvrijlating80Het gaat om 25% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 215,– permaand.81 Deze vrijlating geldt voor een periode van maximaal6 maanden.82 Voorwaarde is dat de werkzaamheden naar het oordeelvan de gemeente bijdragen aan de arbeidsinschakeling van debijstandsgerechtigde. Deze vrijlating geldt niet voor personen jongerdan 27 jaar;•De tijdelijke inkomstenvrijlating alleenstaande ouder83Het gaat om 12,5% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 134,35per maand. Deze vrijlating geldt voor een periode van maximaal30 aaneengesloten maanden. Ook deze vrijlating geldt niet voorpersonen jonger dan 27 jaar;•De structurele inkomstenvrijlating medisch uren beperkt84Het gaat om 15% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 136,26per maand. De gemeente moet op grond van een advies van UWVhebben vastgesteld dat de bijstandsgerechtigde een medischeurenbeperking heeft. Deze vrijlating is structureel en is ook vantoepassing op bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar;•De tijdelijke inkomensvrijlating bij werken met loonkostensubsidie85Het gaat om 15% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 155,56per maand. Deze vrijlatingsregeling is specifiek van toepassing opinkomsten uit werkzaamheden die met toepassing van loonkostensub-sidie worden verricht. Het gaat om een tijdelijke vrijlating met demogelijkheid van verlenging van deze vrijlatingsduur wanneer er naarhet oordeel van de gemeente in de persoon gelegen omstandighedenzijn, die uitbreiding van de uren (vrijwel) onmogelijk maakt. Dezevrijlating is ook van toepassing op bijstandsgerechtigden jonger dan27 jaar.79Divosa, Factsheet parttime werk in de bijstand, 1 mei 2019, raadpleegbaar via: https://www.divosa.nl/factsheet-parttime-werk-de-bijstand80Artikel 31, tweede lid, onderdeel n, Pw.81Genoemde bedragen zijn steeds naar stand 1 januari 2020.82De maximale termijn geldt niet voor bijstandsontvangers boven de pensioengerechtigdeleeftijd. Zij ontvangen dan bijstand in de vorm van AIO en zij kunnen voor een onbegrensdeperiode bijverdienen, waarvan dan 25% tot aan het maximale maandbedrag wordt vrijgelaten.83Artikel 31, tweede lid, onderdeel r, Pw.84Artikel 31, tweede lid, onderdeel y, Pw.85Artikel 31, tweede lid, onderdelen z en aa, PwTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 356 Naast bovenstaande vrijlatingsregelingen kent de wet ook nog demogelijkheid om via een zogenaamde stimuleringspremie86 de werkaan-vaarding te bevorderen. De gemeente kan een- of tweemaal per jaar dezepremie verstrekken. De totale premie kan jaarlijks maximaal € 2.570bedragen. Vrijlating en premie kunnen los van elkaar worden ingezet. Devrijlating wordt belast.87 De premie is onbelast voor zover niet structureelingezet en niet gecombineerd met een vrijwilligersvergoeding.88 Voor depremie geldt op dit moment dat deze voor personen jonger dan 27 jaar alsuitzondering op de vrijlatingen is opgenomen. De premie wordt dusmeegerekend bij de middelen van de personen jonger dan 27 jaar(artikel 31, vierde lid, Pw (nieuw)).4.2.2 Het beoogde doel van de verruiming van de bijverdiengrenzen Het doel is om werken vanuit de bijstand of in combinatie met eenbijstandsuitkering aantrekkelijker te maken door de overgang tussenuitkering en werk makkelijker te maken en het hebben van werk énuitkering te versoepelen. Participatie zorgt voor sociale, economische enfinanciële zelfstandigheid en draagt bij aan het gevoel van eigenwaardeen goede gezondheid. Daarom vindt de regering het belangrijk om werkenvanuit een bijstandsuitkering al dan niet parttime te stimuleren. Dit wordtgedaan door de duur van de bijverdienregeling te verlengen, in plaats vanhet bedrag te verhogen, omdat vaak wordt aangegeven dat een langereperiode van inkomenszekerheid meer wordt gewaardeerd dan een tijdelijkhoger inkomen.Met het voorstel in het nieuwe artikel 34a Pw worden de huidige viervrijlatingen geharmoniseerd tot één bijverdienregeling. Daarmeevervallen de vrijlatingen uit artikel 31, tweede lid, Pw. Dat bevordert deuitvoerbaarheid en creëert ook meer duidelijkheid voor de bijstandsge-rechtigde.Die harmonisering heeft betrekking op verschillende onderdelen:•Bij vrijlating van inkomen kan 15% van het netto inkomen uit arbeid inde desbetreffende maand (exclusief de reservering voor vakantiebij-slag of keuzebudget), buiten beschouwing worden gelaten. Naast hetreguliere inkomen uit arbeid, vallen ook inkomensbestanddelen zoalsgratificaties, dertiende maand, bonussen e.d. onder inkomen uit arbeiden dus óók onder de vrijlatingsregeling op het moment van uitbeta-ling.•Er is geen specifiek maximum aan de bijverdienregeling gekoppeld.Maar indien bijstandsgerechtigde over een inkomen beschikt boven debijstandsnorm, is diegene, door het hoger inkomen, niet langerbijstandsafhankelijk (geen bijstandsrecht) en kan dus ook geen sprakemeer zijn van op de bijstand in mindering te brengen inkomen of bijverrekening buiten beschouwing te laten inkomen.89•De bijverdienregeling geldt voor 12 aaneengesloten maanden en kenteen eenduidig afwegingskader voor eventuele verlenging, met dienverstande dat de structurele regeling (op dit moment in de vorm vaneen vrijlating) voor medisch uren beperkten behouden blijft.86Artikel 31, tweede lid, onderdeel j, Pw.87Door de vrijlating wordt meer bijstand verstrekt. Over het meerdere is de gemeentebelastingplichtig.88Zie Rekenregels en handleiding loonheffing over bijstandsuitkeringen 2022, Belastingdienst,p. 6.89Rekening houdend met de huidige normen, betekent dit dat een alleenwonende alleenstaandemax 15% van € 1.135,88 = € 170,38 per maand aan vrijlating kan ontvangen. Met dienverstande dat dit bedrag hoger kan uitvallen in de maand dat de reservering vakantiebijslagbinnen de uitkering wordt uitbetaald.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 357 •De bijverdienregeling geldt – evenals de mogelijkheid van het buitenbeschouwing laten van een stimuleringspremie – voor alle bijstands-gerechtigden van 18 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioenge-rechtigde leeftijd. Voor personen die pensioengerechtigd zijn blijft dehuidige 25%-regeling binnen de AIO behouden.904.2.3 Omvang doelgroep De doelgroep die in aanmerking komt voor de bijverdienregeling isiedereen die een inkomen uit arbeid heeft dat niet uitstijgt boven detoepasselijke bijstandsnorm en dus complementair aan loon eenbijstandsuitkering ontvangt. Ongeveer 8% van de mensen met eenbijstandsuitkering ontvangt op dit moment bijstand aanvullend opinkomen uit arbeid. De bijverdienregeling kan ook worden ingezet alsiemand al deeltijd werkt op het moment dat diegene de bijstandinstroomt. Bijvoorbeeld na een scheiding of het overlijden van de partner.De regeling geldt in beginsel voor 12 aaneengesloten maandenHet voorstel is de regeling wettelijk mogelijk te maken voor de duur van12 aaneengesloten maanden. Dit is een verdubbeling van de duur tenopzichte van de huidige vrijlating. Zij het dat de huidige vrijlating demogelijkheid biedt om zes maanden te spreiden. Omdat de voorgestelderegeling een verlengingsmogelijkheid kent, acht de regering het onwen-selijk om de huidige spreidingsmogelijkheid te behouden.Het is uiteindelijk aan de gemeente om te beoordelen of in de individuelesituatie de deeltijdarbeid aan de arbeidsinschakeling bijdraagt. Zoalseerder aangegeven ondersteunen de aanwezige cijfers het uitgangspuntdat deeltijdarbeid de arbeidsinschakeling bevordert. De situatie kan zichechter voordoen dat sprake is van bijvoorbeeld een te beperkte bijdrage.Denk aan de situatie dat de bijstandsgerechtigde gezien zijn mogelijk-heden meer arbeid zou kunnen verrichten, dan via de door hem gekozendeeltijdarbeid. In die gevallen zou toepassing van de bijverdienregelingaverechts werken. Op gelijke wijze is de gemeente niet gehouden deregeling toe te passen op niet of te laat gemelde inkomsten.91Na start van de bijverdienregeling geldt deze in beginsel voor dedaaropvolgende 12 maanden. Ook als iemand in die periode verschillendedienstbetrekkingen heeft of zelfs onderbrekingen zonder dienstbetrekking.Het staat de gemeente echter ook vrij om de regeling bij einde dienstbe-trekking te beëindigen en bij start van een nieuwe dienstbetrekkingopnieuw in overweging te nemen of toepassing van de bijverdienregelinghet juiste instrument is. Na afloop van de 12 maanden kan de gemeentede regeling ook verlengen, als de gemeente oordeelt dat dit bijdraagt aande arbeidsinschakeling (zie verder mogelijkheid tot verlengen van debijverdienregeling).Mogelijkheid tot verlengen van de bijverdienregelingDe gemeente kan de bijverdienregeling verlengen, zolang nodig voor dearbeidsparticipatie, wanneer de gemeente vaststelt dat iemand zijn uren,wegens individuele omstandigheden, binnen afzienbare termijn nietzodanig kan uitbreiden dat iemand de bijstand uitstroomt. Deze verle-ningsmogelijkheid is gelijk aan de verlengingsmogelijkheid die nu geldtvoor mensen die werken met een loonkostensubsidie. Bij deze individueleomstandigheden kan gedacht worden aan mensen met bijvoorbeeld90Artikel 31, tweede lid, onderdeel n, Pw.91Zie onder meer: CRvB 11 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1803.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 358 langdurige mantelzorgtaken, een verslavingsachtergrond, multiproble-matiek of sociaaleconomische factoren gelegen in de persoon zelf.De gemeente kan de regeling tussentijds beëindigen als zij van oordeel isdat de regeling niet (meer) bijdraagt aan gedeeltelijke arbeidsparticipatieof arbeidsinschakeling van bijstandsgerechtigde.Verbreden van de doelgroep met jongeren van 18 tot 27 jaarDe regering wil de bijverdienregeling voortaan ook openstellen voorjongeren van 18 tot 27 jaar. Zij komen op dit moment alleen voor eeninkomstenvrijlating in aanmerking als zij een medische uren beperking(MUB) hebben of werken met loonkostensubsidie. Insteek blijft dat defocus bij jongeren primair moet liggen op het benutten van de mogelijk-heden op regulier bekostigd onderwijs, waaronder het behalen van eenstartkwalificatie en werk, en niet bij het aanvragen van een bijstandsuit-kering. Er bestaat echter een groep jongeren waarvoor dit geenmogelijkheid is en waarbij belemmeringen spelen bij het verwerven vaninkomen. Juist voor deze groep kan de bijverdienregeling een instrumentzijn om belemmeringen weg te nemen.Percentage van 15%Voorgesteld wordt om te komen tot één standaardpercentage van 15%.Zoals eerder aangegeven geldt er anders dan nu geen maximumbedrag.Voorwaarde voor de bijverdienregeling is dat bijstandsgerechtigdebijstandsafhankelijk is, wat inhoudt dat het inkomen – als de bijverdienre-geling niet van toepassing is – lager is dan de voor hem geldendebijstandsnorm. De regeling kan in die zin maximaal 15% bedragen van devoor de bijstandsgerechtigde geldende bijstandsnorm. Zonder maximum-bedrag blijft een prikkel tot meer uren werken bestaan totdat iemanduitstroomt.Door het percentage van 15% heeft de bijverdienregeling niet of nauwe-lijks effect op de toeslagen van de bijstandsgerechtigde. Toeslagen zijninkomensafhankelijk. Hoe hoger het inkomen, hoe lager het recht optoeslagen. Iemand die gedurende het kalenderjaar een inkomen opbijstandsniveau heeft, heeft recht op de maximaal aan hem toekomendetoeslagen. Ligt het inkomen iets boven bijstandsniveau dan kan deinkomenstoename zich op een bepaald punt (de afbouwgrens) vertalen ineen (beperkte) afname van het recht op toeslagen. De afbouw vantoeslagen (met name de huurtoeslag) kan een belemmering zijn voor dearbeidsinschakeling van mensen die willen werken vanuit de bijstand.Door de bijverdienregeling met een percentage van 15% vorm te geven,blijft het totale inkomen van bijstandsgerechtigden onder de afbouw-grens. Hierdoor wordt voorkomen dat de stijging van het besteedbaarinkomen door toepassing van de bijverdienregeling, wordt afgevlakt dooreen daling in het recht op toeslagen. Zo blijft de regeling een echtestimulans tot meer participatie op de arbeidsmarkt. In de brief van25 januari 202392 is ook cijfermatig uiteengezet waarom – indachtig deeffecten op toeslagen – niet voor een hoger percentage is gekozen.De regering heeft specifiek gekozen voor een langere bijverdienregelingvan 15% in plaats van de huidige vrijlating met een hoger percentage.Stabiliteit in inkomen is voor mensen belangrijker dan een tijdelijk hogerinkomen. Dat blijkt ook uit gesprekken met gemeenten. De langere termijncreëert meer inkomenszekerheid voor bijstandsgerechtigden.92Kamerstukken II 2022–23, 34 352, nr. 276.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 359 Het percentage van 15% staat ook in verhouding tot mensen die geenuitkering ontvangen en tegen het wettelijk minimumloon werken (dezogenaamde alleenverdiener). Voorkomen wordt dat iemand die deeltijdwerkt met aanvullende bijstand netto beter af is dan iemand die op WMLniveau hetzelfde aantal uren maakt. Zo blijft de prikkel tot arbeidsinscha-keling behouden. Voor het draagvlak in de samenleving vindt de regeringhet van belang om de balans te blijven behouden tussen het laten lonenvan parttime werk naast de uitkering en het behouden van de prikkel totvolledige uitstroom uit de bijstand.Het 15% percentage dient toegepast te worden op het netto inkomen vanbijstandsgerechtigde in de desbetreffende maand, exclusief een eventuelereservering voor vakantiebijslag of keuzebudget. Zodra de vakantiebijslagof het keuzebudget tot uitbetaling komt kan hiervan alsnog 15% buitenbeschouwing worden gelaten. Dit is in lijn met de verderop beschrevenmaatregelen tot harmonisering van de verrekening systematiek en hetmogelijk maken van automatisch verrekenenBijverdienregeling voor mensen met een medische urenbeperkingDe huidige vrijlating voor mensen met een medische urenbeperkingwordt – zij het als bijverdienregeling – gehandhaafd en wordt navaststelling van een medische urenbeperking structureel toegekend.Mensen met een medische urenbeperking zijn vanwege medischebelemmeringen alleen in staat tot werken in deeltijd. Mensen met eenmedische urenbeperking die in deeltijd werken, kunnen daardoor eeninkomen hebben dat lager is dan de bijstandsnorm. Als zij en/of hunpartner niet beschikken over de eigen middelen, zoals vermogen, kunnenze in aanmerking komen voor aanvullende bijstand. Het complementairekarakter van de bijstand brengt met zich mee dat bij een toename vaninkomen de aanvullende bijstand afneemt. Voor iedereen moet werkenstructureel lonen, ook voor mensen met een medische urenbeperking. Omdie reden kiest de regering ervoor om bij mensen met een medischeurenbeperking de bijverdienregeling gelijk aan de huidige vrijlating vormte geven.Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)Bij personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd die bijstand in de vormvan AIO ontvangen (AIO-gerechtigden) wordt nu 25% van de inkomstenuit arbeid in de middelentoets vrijgelaten. Dit percentage blijftongewijzigd. Om twee redenen kiest de regering ervoor dit percentageniet aan te passen. In de eerste plaats gelden de voordelen van dehierboven voorgestelde verlenging van de periode niet voorAIO-gerechtigden, omdat de bijverdienregeling voor hen binnen dehuidige regelgeving al structureel is. Ten tweede werken de toeslagenvoor mensen boven de pensioengerechtigde leeftijd zodanig dat hetpercentage van 25% in combinatie met het wettelijk vastgesteldemaximum hier niet zorgt voor verminderd recht op toeslagen. In desituaties waarin het inkomen van gepensioneerden aangevuld wordt doorde AIO, ligt het toetsingsinkomen onder de afbouwgrenzen voortoeslagen. Met andere woorden, door het percentage voor de AIOongewijzigd te laten, blijven voor ouderen met een AIO-uitkering debestaande mogelijkheden behouden om met betaalde arbeid naast eenAIO-uitkering actief te zijn op de arbeidsmarkt. In situaties van mensenmet een AIO-uitkering met een jongere partner heeft het percentage ookgeen effect op de toeslagen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 360 OvergangsrechtHet wetsvoorstel voorziet in twee situaties in overgangsrecht:a.Als de bijstandsgerechtigde bij inwerkingtreding van het huidigewetsvoorstel nog recht heeft op een inkomstenvrijlating (ad 25%) voorde duur van maximaal 6 maanden, blijft dit recht bestaan tot uiterlijk1 jaar na inwerkingtreding.b.Indien de bijstandsgerechtigde bij inwerkingtreding van het huidigewetsvoorstel nog recht heeft op de inkomstenvrijlating als alleen-staande ouder (ad 15%), wordt deze vrijlating omgezet in de huidigebijverdienregeling, met dien verstande dat de bijverdienregeling inieder geval behouden blijft voor de restant duur van de vrijlating (max.30 maanden)4.2.4 Gevolgen Stimulans tot arbeidsinschakelingDoor de verruiming van bijverdienregeling op deze manier in te richtenontstaat er over de hele linie een verruiming en dus een stimulans omvanuit de uitkering te gaan werken en mogelijk meer te gaan werken. Devolgende tabel geeft dit schematisch weer:Onderstaande tabel biedt een overzicht van de voorgestelde regeling ende verschillen ten opzichte van de huidige situatie93:ArmoedevalOok is er gekeken naar het moment waarop er een armoedeval ontstaat.Het blijft een gegeven dat het instrument bijverdienregeling ertoe leidt datin bijna alle gevallen er een armoedeval ontstaat als de regeling niet meerwordt ingezet. Hoe hoger het bedrag van de regeling, hoe harder dearmoedeval als de bijverdienregeling stopt. Dit gebeurt als de regelingbeëindigd wordt en iemand in de bijstand blijft, maar ook als iemanduitstroomt en een netto inkomen verwerft om en nabij de voor hemgeldende bijstandsnorm. Door te werken met een lager percentage danbinnen de huidige regeling wordt bij wegvallen van de bijverdienregelingde armoedeval beperkt. Voor het opvangen van een eventuele armoe-deval bij uitstroom uit de bijstand bestaat daarnaast de mogelijkheid voorgemeenten om een stimuleringspremie in te zetten.93Zie de «Normenbrief 1 januari 2022», gepubliceerd op Riiksportaal.nl op 7 december 2021. Demaximum vrij te laten bedragen worden om het half jaar aangepast via een normenbriefbijstand. De bedragen in tabel 1 opgenomen gelden sinds 1 januari 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 361 4B Verhoging bestaanszekerheid voor de bijverdienendebijstandsgerechtigde4.3 Inleiding Dit hoofdstuk bevat de maatregelen die bijdragen aan het oplossen van de(financiële) problemen waar bijstandsgerechtigden mee te maken kunnenkrijgen als ze deeltijd gaan werken en hun inkomsten uit werk wordenaangevuld met de bijstand: het verrekenen. De maatregelen betreffen hetmogelijk maken van (automatisch) verrekenen van inkomsten uit arbeidop basis van in de Polisadministratie beschikbare gegevens94, heteenduidiger verrekenen van de vakantiebijslag95, de eindejaarsuitkeringen het keuzebudget96. Ook bevat dit hoofdstuk de maatregel versoepelenvan de aanvraagprocedure97. Om de stap van de uitkering naar een(deeltijd) baan te durven zetten, is het belangrijk om te weten dat hetmogelijk is om makkelijk terug te kunnen vallen in de bijstand, mocht datnodig zijn. De regering vindt het van belang om mensen met eenbijstandsuitkering te stimuleren om te participeren in de samenleving, bijvoorkeur via een betaalde baan. Het is echter niet voor iedereen mogelijkom genoeg te verdienen om uit de bijstand te stromen, sommigen blijvenaangewezen op een deeltijdbaan aangevuld met inkomen uit de bijstands-uitkering. Ongeveer 8% van de bijstandsgerechtigden werkt nu naast debijstand98, dit percentage zou hoger kunnen en moeten zijn op basis vanervaringen van gemeenten die actief inzetten op het stimuleren vandeeltijd werk.99Bij het zetten van de stap van een bijstandsuitkering naar (deeltijd) werkervaren mensen vaak knelpunten en onzekerheden. Dit kan ervoor zorgendat mensen de stap niet (durven te) zetten, of dat mensen financieel in deknel komen als ze de stap wel zetten. Deze knelpunten100 zijn naar vorengekomen in het project Simpel Switchen in de Participatieketen.101 Ook deombudsman wijst op deze knelpunten.102 Uit de scans parttime werk vanDivosa103 blijkt dat meer dan de helft van de mensen die in deeltijdwerken de aanvullende uitkering niet op tijd uitbetaald krijgt. Anderemensen krijgen te maken met terugvorderingen en herberekeningenomdat niet het juiste bedrag is uitbetaald. Weer een ander deel krijgt deuitkering achteraf betaald, maar moet wisselingen in het inkomendaarmee zelf financieel overbruggen.94Aanpassing artikel 31, tweede lid, onder g, artikel 32, tweede lid en vijfde lid, onder a, Pw.95Artikel 32, vijfde lid, onder b, Pw.96Artikel 32, vijfde lid, Pw.97Artikelen 17 en 43a Pw.98Divosa, Factsheet parttime werk in de bijstand, 1 mei 2019, raadpleegbaar via: https://www.divosa.nl/factsheet-parttime-werk-de-bijstand99Uit de evaluatie van het stimuleringsproject parttime werk van de gemeente Wageningen blijktbijvoorbeeld dat het project een stijging van het aantal werkende bijstandsgerechtigde heeftopgeleverd van 11% (landelijk is dit rond de 8%) naar 15,7% in de tweede helft van 2021. Ziegemeente Wageningen, Stimuleringsproject Parttime werk – Evaluatie en advies vervolg, juni22, raadpleegbaar via https://wageningen.raadsinformatie.nl/document/11860935/2#search=%22parttime%20werk%22.100Knelpunten zoals onder andere de complexe verrekensystematiek met financiële onzekerheidtot gevolg, werken loont niet, de complexiteit en doorlooptijden van de aanvraagprocedurevoor de bijstand, geen inzicht in de financiële gevolgen van aan het werk gaan.101Kamerstukken II 2018/19, 34 352, nr. 142; 2019/20, 34 352, nr. 188; 2020/21, 34 352, nr. 198;2020/21, 34 352, nr. 218; 2022/23, 34 352, nr. 265102Meedoen zonder beperkingen en Watertrappelen in de bijstand, bijlagen bij Kamerstukken II2022–23, 26 448, nr. 714.103Dit onderzoek is gedaan door Muzus: Kistenmaner, S., Salomé, L. (2019). Ervaringen enklantbeleving van Surplus. Muzus, Delft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 362 Ook uit het rapport «Als verrekenen een beperking is»104 blijkt dat(deeltijd) werken vaak samengaat met problemen met de inkomstenverre-kening door UWV of de gemeente. Voor 61 procent van de werkenderespondenten (met een arbeidsbeperking) zijn dat hele concrete financiëleproblemen. Zoals minder geld beschikbaar hebben voor boodschappen,rekeningen of vaste lasten niet kunnen betalen of geld moeten lenen bijfamilie of vrienden. Uit het onderzoek blijkt dat 92 procent van dewerkende respondenten onzekerheid en angst ervaart door problemenmet de inkomstenverrekening en aangeven «last te hebben van deonduidelijkheid». Dat blijft niet zonder gevolgen: een derde van dedeelnemers aan het onderzoek wil door deze problemen nog wel werkenmaar niet voor meer uren of voor meer loon uit angst voor een instabielefinanciële situatie.Als gevolg van inkomensverrekening gaan sommige mensen met eenbijstandsuitkering er (op maandbasis) ook op achteruit zodra ze deeltijdgaan werken naast hun uitkering. Dit probleem ontstaat omdat degemeente op grond van het huidige artikel 32, tweede lid, Pw inkomentoerekent naar de maand waar het inkomen betrekking op heeft. Hierdoorkomt het voor dat mensen zodanige schommelingen in hun inkomen(loon en bijstand) hebben dat ze hun maandelijkse lasten niet kunnenbetalen. Gemeenten zijn daarbij afhankelijk van het aanleveren vanloonstroken door de bijstandsgerechtigde zodat de juiste verrekening vandit inkomen met de bijstandsuitkering gedaan kan worden. Werkendemensen met een aanvullende bijstandsuitkering zijn op hun beurt weerafhankelijk van het moment waarop de loonstrook beschikbaar wordtgesteld door de werkgever. Een maandinkomen onder de bijstandsnormkan ook worden veroorzaakt doordat de reservering van vakantiebijslagen/of eindejaarsuitkering meteen met de bijstand wordt verrekend.Wanneer de vakantiebijslag of eindejaaruitkering tot uitbetaling komtheeft de bijstandsgerechtigde een extra voordeeltje (nu deze in de maandvan uitbetaling dan niet meer met de bijstand verrekend hoeft te worden),maar in de andere maanden houdt hij minder over dan de bijstandsge-rechtigde die niet naast de bijstand werkt. Ook kan er door de werkgevereen nabetaling plaatsvinden die alsnog verrekend moet worden waardooreen vordering ontstaat van de gemeente bij de bijstandsgerechtigde.VoorbeeldIn dit voorbeeld is W. per maart gaan werken, het salaris wordt steedsrond de 25ste van de maand uitbetaald. Aanvullend ontvangt W. bijstand,in dit voorbeeld rond de 10de van de maand. Uitbetalingsdata verschillenper gemeente.Op 10 maart heeft W. de uitkering voor maart ontvangen (€ 1.000) en op25 maart is ook het eerste salaris uitgekeerd (€ 200). W. beschikt daardoorvoor maart in totaal over € 1.200. De € 200 wordt gekort op de bijstandover april (€ 800), maar die maand heeft hij ook € 800 aan inkomen. W.beschikt daardoor voor april in totaal over € 1.600. Het inkomen van € 800uit april wordt gekort over de maand mei, waardoor W. dan slechts € 200aan bijstand ontvangt. Die maand kan W. echter ook minder uren makenbij zijn werkgever (inkomen over mei: € 400), waardoor W. plots slechts€ 600 overhoudt om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Door deinkomensdaling zakt W. dus onder het bestaansminimum. De maand ernazorgt urenuitbreiding juist ervoor dat W. uit kan stromen, maar W. krijgtnog wel een uitkering op 10 juni (€ 600). De gemeente kan nu pas achterafde rekening opmaken. W. had in feite over de maanden maart t/m junirecht op € 1.600 (maart € 800, april € 200, mei € 600 en juni € 0)104Als verrekenen een beperking is, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 34 352, nr 208.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 363 uitkering, maar heeft € 2.600 ontvangen. Reden waarom hij na uitstroomalsnog met een vordering van te veel ontvangen bijstand van € 1.000 temaken krijgt.Bovenstaand voorbeeld laat zien hoe iemand door fluctuerend deeltijdinkomen enerzijds geen zekerheid heeft over het totaal inkomen in eenbepaalde maand en anderzijds uiteindelijk getroffen kan worden doorterugvorderingen, die voor hem soms niet helemaal verklaarbaar zijn (hijheeft immers altijd tijdig zijn inkomen doorgegeven).In onderstaand kader zijn de meest voorkomende problemen bij hetverrekenen van deeltijd inkomen samenvattend opgesomd.De meest voorkomende problemen die veroorzaken dat mensendoor verrekenen op maandbasis een inkomen ontvangen onder debijstandsnorm105:1.Maandelijkse schommelingen met incidenteel inkomen onder debijstandsnorm. Wanneer het salaris van mensen schommelt,bijvoorbeeld doordat men uitzendwerk of ander flexibel werkverricht, kan dit in combinatie met de inkomensverrekening doorde gemeente ertoe leiden dat men de ene maand een inkomenheeft dat boven de bijstandsnorm ligt en de volgende maand eeninkomen onder de bijstandsnorm (zie het eerdere voorbeeld).2.Structureel inkomen onder de bijstandsnorm (1). Omdat devakantiebijslag en een eventuele eindejaarsuitkering veelal alworden verrekend als het recht daarop wordt opgebouwd, en nietwanneer het daadwerkelijk wordt uitgekeerd, komen mensen metvakantiebijslag en/of een eindejaarsuitkering106 op maandbasisstructureel onder de bijstandsnorm. In december (eindejaarsuit-kering) en mei (vakantiebijslag) wordt dit weer rechtgetrokken.Per jaar ontvangen mensen 12 keer de bijstandsnorm, maar opde maand gezien kan hun inkomen dus meer of minder zijn.3.Structureel inkomen onder de bijstandsnorm (2). De meestemensen krijgen door hun werkgever per maand betaald, maar erzijn ook mensen die wekelijks of vierwekelijks betaald krijgen.Vaak rekenen gemeenten het inkomen van die (vier) weken omnaar de maand. Dat betekent dat in de eerste 11 maanden steedsmeer inkomen wordt verrekend dan daadwerkelijk wordtontvangen. In maand 12 wordt dit rechtgetrokken, doordat degemeente maar één maand verrekent en de inwoner voor tweeperiodes (8 weken) krijgt uitbetaald.1074.De uitkering wordt later betaald. Bij gemeenten die op de maandverrekenen kan de uitkering worden geblokkeerd totdat deloonstrook binnen is: hierdoor kan de uitkering later komen enmoeten mensen, zeker bij aanvang van het werk maar ookwanneer hun werkgever onverhoopt later is met het inleverenvan salarisgegevens, een paar weken met minder inkomenoverbruggen.5.Een vordering op het moment dat iemand door werk de uitkeringverlaat. Vaak is het zo dat de gemeente het salaris van de vorigemaand verrekent met de uitkering van de huidige maand. Ditheeft als gevolg dat als iemand de uitkering verlaat omdat hij/zijmeer uren gaat werken, er nog een maand aan salarisinkomstenverrekend moeten worden (zie het eerdere voorbeeld). Iemandheeft op dat moment een openstaande schuld bij de gemeente.105Kamerstukken II 2019/20, 34 352, nr. 188.106Mensen die geen vakantiebijslag opbouwen en die ook geen dertiende maand hebben,hebben deze problemen niet.107Als verrekenen een beperking is, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 34 352, nr 208, p. 34.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 364 Het «extra» inkomen die men heeft gehad die daartegenoverstaan heeft men echter gekregen in de eerste maand dat menbegon met deeltijd werk, vaak lang geleden.6.Correcties op het inkomen achteraf. Steeds vaker komt het voordat werkgevers (een deel van) het inkomen achteraf betalen.Denk aan uren overwerk die twee of drie maanden later wordenuitbetaald, of werkgevers die het loon over februari pas eindmaart uitbetalen. Hierdoor kan het inkomen in februari alleen uitaanvullende bijstand bestaan, en daarmee onder het bestaansmi-nimum terechtkomen. Geen enkele uitvoeringsmethode vangemeenten kan hiervoor compenseren, maar het ligt vaak ookbuiten de invloedssfeer van de inwoner zelf.DoelHet doel van de maatregelen in dit hoofdstuk is om de overgang tussenuitkering en werk te versoepelen en de combinatie van werk én uitkeringvoor mensen makkelijker te maken. Hiermee wordt participeren in desamenleving via deeltijd werk voor bijstandsgerechtigden gestimuleerden de kans op volledige uitstroom vergroot. Participatie zorgt voor sociale,economische en financiële zelfstandigheid en draagt bij aan het gevoelvan eigenwaarde. Het vergemakkelijken van de combinatie van werkuitkering is analoog van toepassing indien sprake is van een combinatievan verschillende uitkeringen. Ook in dat geval gelden de regels die hierzijn beschreven over verrekenen.4.4 Versoepelen aanvraagprocedure (artikelen 17 en 43a Pw) Voorgesteld wordt om de aanvraagprocedure voor een bijstandsuitkeringte versoepelen door het digitaal toekennen van de bijstandsaanvraag opbasis van DigiD mogelijk te maken en toe te staan dat een aanvrager zichidentificeert op basis van een rijbewijs (artikel 17, derde lid, Pw).Daarnaast wordt voorgesteld om een verkorte aanvraagprocedure in terichten voor her-intreders (artikel 43a Pw).Om de stap van de uitkering naar een (deeltijd) baan te durven zetten, ishet belangrijk om te weten dat het mogelijk is om eenvoudig weer terugte vallen in de bijstand, mocht dat nodig zijn. Daardoor ontstaat er geenfinanciële onzekerheid. Door de huidige arbeidsmarkt met relatief veelflexibele en tijdelijke contracten, komt het vaker voor dat mensen tijdelijkterug moeten vallen op een bijstandsuitkering.108 Terugval in de bijstandis altijd mogelijk (bijstand is immers een vangnet). Echter, het aanvragenvan een bijstandsuitkering is voor veel mensen een tijdrovend eningewikkeld proces. De beslistermijn voor gemeenten voor de aanvraag isacht weken, voor jongeren duurt dit zelfs langer in verband met devierwekenzoek termijn. Dit leidt voor de bijstandsgerechtigde vaak,ondanks eventuele voorschotten109, tot een lange periode vanonzekerheid. Zo’n terugvalmoment voelt vaak heel instabiel. Dit heeft alsrisico dat mensen de stap naar werk niet altijd (opnieuw) zullen zetten.Ook de Nationale ombudsman wijst op dit ontmoedigingsrisico.110108Van de mensen die uitstromen uit de uitkering valt 20% binnen een jaar weer terug op debijstand. Na drie jaar is dit opgelopen tot 31%. Dit volgt uit de Benchmark 2013–2017,Herinstroom en parttime werk vanuit de Bijstand, Divosa, BMC en Stimulansz.109De wet verplicht om binnen vier weken een voorschot te verstrekken (artikel 52 Pw). Als degemeente deze verplichting niet nakomt kan de gedeputeerde staten onverwijld bijstandtoekennen (artikel 81 Pw).110Meedoen zonder beperkingen, bijlage bij Kamerstukken II 2022–23, 26 448, nr. 714.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 365 4.4.1 Doel Door gemeenten de mogelijkheid te geven om de aanvraagprocedure vande bijstand te versoepelen, kunnen belemmeringen om de stap naar werkte zetten vanuit een bijstandssituatie worden weggenomen. Als mensensneller inkomenszekerheid hebben, kunnen zij hun aandacht ook snellerweer verleggen naar (het zoeken van) werk. Gemeenten hebben daar ookbehoefte aan: zij willen mensen zo snel mogelijk na instroom in debijstand weer kunnen bemiddelen naar werk. Door de aanvraagprocedurete vereenvoudigen en te versnellen, onder andere voor personen dievanwege tijdelijke arbeid kortdurend bijstandsonafhankelijk zijn geweest,wordt een extra administratieve drempel om (kortdurend) werk teaanvaarden weggenomen.De afgelopen jaren is in het project Simpel Switchen in de Participatie-keten gewerkt aan het versoepelen van de aanvraagprocedure. Als gevolgdaarvan is de toolkit Snelle Aanvraag-Snel Besluit111 opgeleverd.Daarmee worden gemeenten ondersteund om hun aanvraagprocedurezodanig in te richten dat zo snel mogelijk bijstand ontvangen kan worden,zonder de rechtmatigheid en de zorgvuldigheid van de beslissing aan tetasten. Er is echter vanuit Simpel Switchen door het Rijk en de uitvoe-rende organisaties ook gezamenlijk geconstateerd dat sommige aspectenvan de benodigde versnelling aanpassing van wet- en regelgeving vergen.4.4.2 Voorgestelde wetswijzigingen Voorgesteld wordt de Participatiewet aan te passen aan de hand van devolgende drie maatregelen. Daarnaast hecht de regering er belang aanom te benadrukken wat al mogelijk is (onderdeel 3).1. Digitaal toekennen van de bijstandsaanvraag op basis van DigiDmogelijk maken (artikel 17, derde lid, Pw)Voor de uitvoering van de huidige wet stelt de gemeente de identiteit vande bijstandsaanvrager vast aan de hand van een paspoort, een identiteits-kaart, een vreemdelingendocument of een paspoort van een anderelidstaat van de EU/EER voor zover bijstandsgerechtigde de nationaliteitvan deze lidstaat heeft. Het is al mogelijk om de bijstandsaanvraag via dedigitale weg in te dienen en daarvoor in te loggen met DigiD. Dit blijftonveranderd.Met het voorstel wordt het mogelijk voor gemeenten om de aanvraagpro-cedure volledig digitaal te laten verlopen waarbij de bijstandsgerechtigdezichzelf kenbaar maakt via DigiD, vergelijkbaar met een belastingaangifte.Dit betekent dat niet alleen de indiening maar ook de toekenning van eenbijstandsaanvraag mogelijk is op basis van DigiD, zonder dat nog eenfysieke identificatie (via paspoort of identiteitskaart) noodzakelijk is.Hierdoor wordt een aanzienlijke versnelling in het aanvraagprocesgecreëerd. Hierbij is de afweging dat de voordelen van een digitaaltoekenningsproces voor zowel de bijstandsaanvrager als de gemeentezwaarder wegen dan het risico dat ontstaat door het afzien van eenidentiteitscontrole aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeldin artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identifica-tieplicht. Door DigiD met betrouwbaarheidsniveau «substantieel» tevereisen wordt geborgd dat een identiteitscheck is gekoppeld aan degebruikte DigiD. Dit laat onverlet dat de gemeente voor de uitvoering vande taken van de Participatiewet, zowel als het gaat om de controle van de111«Toolkit snelle aanvraag – Snel besluit», raadpleegbaar, https://www.divosa.nl/publicaties/toolkit-snelle-aanvraag-snel-besluit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 366 rechtmatigheid, als de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling deidentiteit van de bijstandsgerechtigde kan controleren.112DigiD heeft verschillende betrouwbaarheidsniveaus: basis, midden,substantieel en hoog.113 Voor het toekennen van een bijstand op basisvan DigiD wordt minimaal het betrouwbaarheidsniveau «substantieel»vereist. In het wetsvoorstel wordt daarom verwezen naar de Regelingvoorziening Wdo, waarin is bepaald dat het DigiD moet betreffen met eensubstantieel betrouwbaarheidsniveau114. Betrouwbaarheidsniveausubstantieel betekent dat gebruikers met de DigiD app een éénmaligeID-check van een paspoort, rijbewijs of identiteitskaart kunnen toevoegen.Hierna is de DigiD app geschikt om in te loggen op niveau substantieel,ook op diensten waarvoor een lager niveau vereist wordt.Voor betrouwbaarheidsniveau substantieel wordt in dit geval gekozenomdat de gegevens die de aanvrager moet indienen (bijzondere)persoonsgegevens betreffen en misbruik zoveel mogelijk moet wordenvoorkomen. Dit niveau is vergelijkbaar met controle van een identiteits-bewijs aan de balie. Het hoogste niveau wordt niet nodig geacht omdat degemeente gedurende het vervolgproces de mogelijkheid heeft om bijtwijfel of vermoeden van misbruik de identiteit te verifiëren aan de handvan een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met3°, van de Wet op de identificatieplicht. Het gebruik van DigiD bij hettoekennen van een bijstandsaanvraag brengt een minimaal risico vanonrechtmatige toekenning en een terugvordering met zich mee.Het blijft mogelijk om een bijstandsaanvraag niet digitaal in te dienen oftoe te kennen, bijvoorbeeld voor mensen die niet in het bezit zijn vanDigiD of beschikken over DigiD met een lager betrouwbaarheidsniveau. Indat geval stelt de gemeente de identiteit vast aan de hand van eendocument als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van deWet op de identificatieplicht.2. Identificatie door middel van een geldig rijbewijs (artikel 17, derde lid,Pw)Voorgesteld wordt dat een aanvrager zich straks ook kan identificeren meteen rijbewijs. Op basis van de Wet op de Identificatieplicht kan iemandzich – naast de al in de Participatiewet opgenomen mogelijkheden(paspoort, identiteitsbewijs, vreemdelingendocument) – ook door middelvan een geldig rijbewijs identificeren. Het gaat dan om een rijbewijs datop basis van Nederlandse wetgeving is afgegeven door het bevoegdgezag en om rijbewijzen die zijn afgegeven door het bevoegd gezag vaneen andere EU-lidstaat of lidstaat van de EER.Tot op heden is er steeds voor gekozen om deze vorm van identificatieniet van toepassing te verklaren voor de Participatiewet. Een rijbewijsgeeft namelijk geen inzicht in de nationaliteit van de bijstandsgerechtigde,terwijl nationaliteit van belang is voor de vaststelling van het recht opbijstand.115 Voor het recht op bijstand is immers vereist dat de aanvragerrechtmatig in Nederland verblijft.112Artikel 17, vierde lid, Pw.113«Hoe werkt DigiD?», https://logius.nl/domeinen/toegang/digid/hoe-werkt-het.114De Regeling voorzieningen Wdo spreekt van de betrouwbaarheidsniveaus laag, substantieelen hoog. DigiD onderscheidt het betrouwbaarheidsniveau laag in de niveaus basis enmidden.115Artikel 11 Pw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 367 In de gesprekken met gemeenten is meermaals het signaal afgegeven datde versmalde identificatiemogelijkheden onder meer het aanvraagprocesbemoeilijken. Het beschikken over een geldig rijbewijs heeft zeker binnende doelgroep met een beperkte financiële spankracht een hogere prioriteitdan het beschikken over een geldig paspoort of een geldige identiteits-kaart. Zeker wanneer iemand zich niet begeeft in landen waarvoor eenpaspoort/identiteitsbewijs vereist is. Dat een aanvrager zich nu voor eenbijstandsaanvraag uitsluitend kan identificeren met een geldig paspoort ofidentiteitsbewijs komt dan ook vaak als een verrassing. Het vraagt omnieuwe investeringen (aanschaf of verlenging van een paspoort ofidentiteitsbewijs) in een periode dat veelal geen of slechts beperktinkomen beschikbaar is.Dat het rijbewijs geen inzicht geeft in de nationaliteit van bijstandsgerech-tigde, is te ondervangen door de via andere bronnen beschikbareinformatie (met name via de BRP) te raadplegen. Roept die informatietwijfel over de nationaliteit of de verblijfsstatus van bijstandsgerechtigdeop, dan kan de gemeente alsnog van bijstandsgerechtigde documentenvragen die meer duidelijkheid over zijn verblijfsstatus geven. Datvoorkomt echter dat een grotere groep gehouden is om alleen voor hetindienen van een bijstandsaanvraag en de daarbij horende identificatie,een identiteitsbewijs aan te schaffen.3. Verduidelijken gebruik gegevens uit administraties: wat kan er al?Om de bijstandsaanvraag zo snel mogelijk te kunnen beoordelen is hetvan belang dat de gemeente bij de beoordeling gebruik maakt vangegevens die al tot haar beschikking staan in administraties zoals dePolisadministratie, de BRP en de administratie van de RDW. In artikel 53aPw is opgenomen dat de gemeente gegevens en bewijsstukken niet bij debijstandsgerechtigde opvraagt als deze gegevens en bewijsstukkenverkregen kunnen worden uit de Polisadministratie, de verzekerdenadmi-nistratie, de BRP of andere administraties die bij amvb kunnen wordenaangewezen.De regering wenst te benadrukken dat (het beoordelen van) eeningediende bijstandsaanvraag grond is voor gebruik van gegevenskop-peling met administraties zoals genoemd in Bijlage II regeling SUWI in hetkader van noodzakelijke eenmalige gegevensuitvraag. Hierdoor hoevenbijstandsgerechtigden informatie niet dubbel aan te leveren. Ook hoevenhierdoor minder documenten te worden opgevraagd bij de bijstandsaan-vrager en kan een veel groter deel van de aanvragen snel en digitaalworden toegekend, in overeenstemming met de Toolkit Snelle AanvraagSnel Besluit.1164. Mogelijkheid voor verkorte aanvraagprocedure voor herinstromers(nieuw artikel 43a Pw)Voorgesteld wordt de aanvraagprocedure voor herinstromers in debijstand te versnellen. Daarom wordt een nieuw artikel 43a Pw voorge-steld. Met deze maatregel wil de regering gemeenten faciliteren om eenverkorte aanvraagprocedure in te zetten. Daarbij denkt de regering metname aan mensen die vanuit tijdelijke arbeidscontracten herinstromen.Maar de gemeente heeft de vrijheid om een verkorte procedure ook voorandere groepen herinstromers in te zetten.116«Toolkit snelle aanvraag – Snel besluit», https://www.divosa.nl/publicaties/simpel-switchen-toolkit-snelle-aanvraag-snel-besluit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 368 In de huidige arbeidsmarkt komt het vaak voor dat mensen met eentijdelijk contract uit de bijstand stromen. Uit cijfers blijkt dat ongeveer 25%van de mensen die de bijstand instromen herinstromers zijn.117 Eenherinstromer is iemand die binnen een jaar na uitstroom opnieuw eenbijstandsuitkering ontvangt. Bijvoorbeeld als iemand werk vindt op basisvan een arbeidscontract van zes maanden. Als het contract niet wordtverlengd en het niet gelukt is om een andere baan te vinden kan iemandnog twee maanden in aanmerking komen voor een WW-uitkering en moethij binnen het jaar weer een bijstandsaanvraag indienen. De administra-tieve belasting voor de bijstandsgerechtigde maar ook de gemeente isdan fors, terwijl de kans aanwezig is dat de meeste gegevens van dezepersoon niet zijn veranderd of in de beschikbare administraties voor degemeente toegankelijk zijn. Denk daarbij aan gegevens over lopendeuitkeringen, hoogte van huur of hypotheek, medebewoners en spaargeld.Voorstel is daarom om aan de wet een artikel 43a Pw toe te voegen. Voorgemeenten wordt de mogelijkheid opgenomen om een verkorteaanvraagprocedure in te richten en toe te passen als mensen binnen12 maanden na uitstroom uit de bijstand opnieuw een bijstandsuitkeringaanvragen. Bij een verkorte aanvraagprocedure kan de gemeente gebruikmaken van de gegevens die bekend zijn uit de eerdere bijstandsperiodeals hierin geen wijzigingen zijn opgetreden. De gemeente verifieert degegevens in de beschikbare administraties en zo nodig bij de aanvrager ofde gegevens actueel en bruikbaar zijn.Deze maatregel maakt het mogelijk voor gemeenten om de aanvraag teversnellen doordat gegevens over de voorgaande uitkeringsperiodekunnen worden bewaard en gebruikt. Hierdoor hoeven mensen alleeninformatie aan te leveren over eventuele mutaties in de tussenliggendeperiode (bijvoorbeeld in het geval van een verhuizing, scheiding ofgezinsuitbreiding).De gemeente mag deze gegevens bewaren zolang dit noodzakelijk is voorde uitvoering van de taak, in dit geval de uitvoering van de Participatieweten het borgen van het bestaansminimum van mensen. Door dezemaatregel is voor 25% van de bijstandsaanvragen een aanzienlijkeversnelling mogelijk en een verlichting van de administratieve lasten vande bijstandsaanvrager en de gemeente. Er is gekozen voor een termijnvan 12 maanden. Enerzijds omdat dit lang genoeg is voor mensen metkorte contracten en daarna nog enkele maanden WW. Anderzijds omdatdit een redelijke termijn is om aan te nemen dat de gegevens van debijstandsgerechtigde nog actueel genoeg zijn om te kunnen gebruikenvoor het beoordelen van de nieuwe bijstandsaanvraag.4.5 (Automatisch) verrekenen van inkomsten uit arbeid op basis vangegevens uit de Polisadministratie (artikel 31, tweede lid, onder g enartikel 32, tweede en vijfde lid, Pw) Voorgesteld wordt dat gemeenten het inkomen van een bijstandsgerech-tigde kunnen verrekenen met behulp van gegevens uit de Polisadminis-tratie, zodat de bijstandsgerechtigde in de regel geen loonstroken hoeftaan te leveren. De Polisadministratie is een register, beheerd door hetUWV, waarin de meeste Nederlandse inkomensgegevens wordenopgeslagen.Het verrekenen van inkomen uit arbeid of uit (andere) uitkering met debijstandsuitkering is voor gemeenten een intensief administratief proces.In de huidige situatie vormt de loonstrook de basis voor de inkomensver-117Factsheet Participatiewet mei 2022, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 34 352, nr. 254.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 369 rekening, sommige gemeenten sturen de bijstandsgerechtigde ook eeninkomstenformulier toe dat ze moeten invullen. De bijstandsgerechtigdelevert de loonstrook in bij de gemeente (per post, digitaal of aan de balie)en de gemeente verwerkt de gegevens op de loonstrook. Op basis van deloonstrook en eventueel het inkomstenformulier bepaalt de gemeentewelk deel van het salarisbedrag moet worden verrekend met de uitkering.Daarvoor houdt de gemeente rekening met de salarisperiode, detoepassing van loonheffingskorting, reserveringen en losse vergoedingenen/of beloningen. Gemeenten maken bij het verrekenen eigen keuzes,bijvoorbeeld over hoe de eindejaarsuitkering en het keuzebudget wordenverrekend, of hoe omgegaan moet worden met bepaalde (on)belastevergoedingen, zoals de uitruil van reiskostenvergoeding. Dit kan ervoorzorgen dat er verschillen ontstaan tussen gemeenten. In het kader van derechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de bijstandsgerechtigde, maarook voor een overzichtelijk en eenduidig verrekenproces binnengemeenten is het wenselijk om het verrekenproces zoveel mogelijk teuniformeren.In 2019 en 2020 heeft een werkgroep van acht gemeenten118 in samen-werking met het Inlichtingenbureau119 een pilot uitgevoerd, waarinuitgebreid is onderzocht of het mogelijk is om voor de verrekening vaninkomen met de bijstandsuitkering volledig uit te gaan van informatie uitde Polisadministratie. In de Kamerbrief «Opvolging rapport als verrekeneneen beperking is» heeft de Minister van SZW toegezegd om «Op basis vande uitkomsten van de pilot van het Inlichtingenbureau te onderzoeken ofen hoe wet- en regelgeving kan worden aangepast zodat gemeenten optermijn automatisch kunnen verrekenen op basis van de Polisadminis-tratie (in plaats van loonstroken) en dat ook meer uniform kunnen doen.»In de voortgangsbrieven van het project Simpel Switchen in de Participa-tieketen aan de Tweede Kamer is gemeld dat gemeenten voortaan voorhet verrekenen gebruik kunnen maken van de gegevens uit de Polisadmi-nistratie zoals het UWV dat al kan, zodat de bijstandsgerechtigde in deregel geen loonstroken meer hoeft in te leveren.120Met dit wetsvoorstel wordt mogelijk dat gemeenten het inkomen van eenbijstandsgerechtigde kan verrekenen met behulp van gegevens uit dePolisadministratie. Daardoor hoeft de bijstandsgerechtigde in beginselgeen loonstroken meer aan te leveren. Hiervoor kan gebruik wordengemaakt van het product Ondersteuning Inkomstenverrekening Bijstand(hierna: OIB) dat door het Inlichtingenbureau naar aanleiding vanbovengenoemde pilot is ontwikkeld. Ongeveer de helft van de gemeentenneemt op dit moment het product OIB af bij het Inlichtingenbureau. Hetbestand wordt dan vaak door gemeentemedewerkers gebruikt voor en tercontrole van de inkomensverrekening. Door verrekenen op basis vangegevens uit de Polisadministratie mogelijk te maken, kan met behulp vande gegevens uit het product OIB ook automatisch verrekend wordenzonder tussenkomst van een medewerker van de gemeente. Dat betekenteen administratieve ontlasting van bijstandsgerechtigde en gemeente eneen sneller verrekenproces.118Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag, Enschede, Drechtsteden, Leeuwarden enZaanstad.119Het Inlichtingenbureau is in 2001 opgericht door het Ministerie van SZW en de VNG. Deoprichting had als doel om de uitwisseling van (persoons)gegevens tussen gemeenten enoverheidsinstanties eenvoudiger te maken. Waar gemeenten voorheen zelf informatie bijdeze instanties moesten ophalen om hun taken uit te kunnen voeren, doet het Inlichtingen-bureau dit sindsdien voor hen. Dit scheelt gemeenten veel tijd en geld, omdat het aanleverenvan informatie nu via één informatieknooppunt loopt: het Inlichtingenbureau.120Kamerstukken II 2019/20, 34 352, nr. 188.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 370 Om dit mogelijk te maken zijn de volgende aanpassingen noodzakelijk omgebruik te kunnen maken van de in de Polisadministratie aanwezigeinformatie:–Het netto-inkomen op uniforme wijze vaststellen (artikel 32, vijfde lid,Pw (paragraaf 4.5.3));–Het transactiesysteem op onderdelen aan te passen (artikel 32, tweedelid, Pw (paragraaf 4.5.4)); en–Het niet verrekenen van onbelaste vergoedingen opnemen (aanpas-sing artikel 31, tweede lid, onder g, Pw (paragraaf 4.5.5)).Dit leidt tot technische vereenvoudigingen om niet alleen verrekenen opbasis van de gegevens uit de Polisadministratie mogelijk te maken, maarook om tot een eenduidige wijze van inkomensverrekening te komen. Ditmet het oog op het uniformeren van het verrekenproces voor allebijstandsgerechtigden, het terugdringen van de administratieve last voorde bijstandsgerechtigde en gemeente en het vergroten van de bestaansze-kerheid. Ook wordt het aantal verrekeningen en correcties achterafverminderd en wordt het risico dat inkomen helemaal buiten beeld blijftverkleind, bijvoorbeeld bij wisselend inkomen.De Polisadministratie en SuwinetDe Polisadministratie is zoals gezegd een register dat wordt beheerd doorUWV. In dit register worden de meeste Nederlandse inkomensgegevensopgeslagen. Hieronder vallen de arbeidsvergoedingen van werkgeversaan werknemers, maar ook bijvoorbeeld sociale uitkeringen, lijfrentes enpensioenen. Al deze gegevens worden ontleend aan de gegevens uit deloonaangifte. Niet in de Polisadministratie opgenomen zijn inkomen alszelfstandige, alimentatiebetalingen en buitenlands inkomen. Voor dezevormen van inkomen blijft gelden dat de bijstandsgerechtigde degemeente dient te informeren over dit inkomen en dat deze dus ook dooreen medewerker van de gemeente moeten worden verwerkt.De Polisadministratie wordt gebruikt voor het berekenen van de hoogtevan uitkeringen. Op verzoek wisselt UWV via de Gegevensservice ookinformatie uit met verschillende organisaties. Denk aan de Belasting-dienst, het Ministerie van SZW, zorgverzekeraars, de SVB, de Gemeente-lijke Sociale Diensten en de Pensioenfondsen.121Suwinet is het systeem waarin gemeenten met overheidsinstantiesinformatie over burgers delen. Suwinet wordt beheerd door het BureauKeteninformatisering Werk en Inkomen, organisatieonderdeel van UWV.Via Suwinet worden ook gegevens vanuit de Polisadministratie gedeeld.Een gemeente heeft gegevens nodig van andere partijen voor deuitvoering van de Participatiewet, IOAW of IOAZ. Voor de uitvoering vandeze taak bestaat een wettelijke grondslag tot het raadplegen vangegevens.122 Partijen wisselen deze gegevens met elkaar uit viaSuwinet.1234.5.1 Werkwijze Verrekenen op basis van OIB gaat als volgt:•De werkgever of uitkeringsinstantie doet binnen de wettelijkeaangiftetermijn aangifte loonheffingen bij de Belastingdienst. Dit houdt121Voor meer informatie over gegevensstromen bij de overheid: https://www.loonaangifteketen.nl/de-loonaangifteketen/de-gegevensstroom/de-gegevens-in-de-loonaangifte.122Artikel 64 Pw en artikel 45 IOAW en IOAZ.123Artikel 62 Wet SUWI.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 371 in dat uiterlijk voor het einde van de maand volgend op het loontijdvakaangifte gedaan moet zijn. Deze informatie wordt vrijwel directopgenomen in de Polisadministratie die wordt beheerd door het UWV.•Het Inlichtingenbureau vraagt het inkomen uit arbeid, uitkering ofpensioen van bijstandsgerechtigde op bij het UWV.•Het brutoinkomen worden door het Inlichtingenbureau op basis van dein de Polisadministratie aanwezige informatie omgerekend naarnetto-inkomen.•Het Inlichtingenbureau levert nieuwe en/of gewijzigde loon- ofuitkeringsinformatie zo snel mogelijk door aan de betreffendegemeente.•Nu kent OIB een maandelijkse uitleverfrequentie. In 2024 gaat hetInlichtingenbureau OIB-signalen ook leveren via een webservicewaardoor een gemeente direct over inkomensgegevens kan beschik-ken als de werkgever aangifte heeft gedaan.•De gemeente verrekent het partiele inkomen (geautomatiseerd). Degemeente informeert de bijstandsgerechtigde over de verrekening. Bijtwijfel, ontbrekende gegevens, niet-tijdige gegevens of ter controle kande gemeente een loonstrook opvragen. Ook de bijstandsgerechtigdekan indien nodig op basis van de loonstrook vragen om een correctieof nacalculatie.4.5.2 Voordelen voor bijstandsgerechtigde en gemeenten Verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie levert zowelvoor de bijstandsgerechtigde als voor de gemeenten voordelen op.Voordelen voor bijstandsgerechtigden•Meer inkomenszekerheid: correcties en veranderingen in het loon zijn,met terugwerkende kracht tot maximaal zes maanden in het verleden,snel in beeld bij de gemeente, waardoor de gemeente sneller kanacteren op een gewijzigde situatie en terugvorderingen kan verminde-ren. De inkomenszekerheid ontstaat ook door het accurater verreke-nen. Soms doen werkgevers bijvoorbeeld meerdere correcties overéén maand. De Polisadministratie bevat altijd de versie die uiteindelijkook de Belastingdienst gebruikt.•De bijstandsgerechtigde hoeft in beginsel maandelijks geen loonstro-ken meer in te leveren. De gemeente hoeft daarom geen herstelmel-dingen meer te versturen of uitkeringen te blokkeren. Het aanleverenvan een loonstrook aan de gemeente kan nog nodig zijn, bijvoorbeeldbij twijfel vanuit de bijstandsgerechtigde over de juistheid van hetverrekende bedrag of als verrekenen op basis van de loonstrook doorde gemeente noodzakelijk is.•De druk voor het tijdig aanleveren van de loonstrook ligt niet langer bijde bijstandsontvanger, die daarvoor afhankelijk was van het momentvan beschikbaar stellen van een loonspecificatie door de werkgever.Dit is al helemaal relevant als de gemeente de uitkering pas uitbetaaltna ontvangst van de inkomensspecificatie (op de maand verrekenen).•Een boete, omdat (wijzigingen op) inkomsten niet (tijdig) doorgegevenzijn, zal minder voorkomen. Deze kan nog wel voorkomen op hetmoment dat de gemeente geen looninformatie uit het systeem kanhalen en deze dus bij de bijstandsontvanger opvraagt, bijvoorbeeld deinkomsten uit arbeid van een zelfstandig ondernemer.Voordelen voor gemeenten•Verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie betekenteen tijdsbesparing voor gemeenten omdat ontvangen loonspecificatiesTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 372 niet meer hoeven te worden verwerkt. Dit resulteert in lagere adminis-tratieve lasten.•Er zijn minder stappen in het proces van aanleveren van de informatie,waardoor de kans op fouten kleiner wordt. Een handmatig proces isfoutgevoeliger. De gemeente beschikt op deze manier altijd over deactuele looninformatie en gebruikt dezelfde gegevens als UWV en deBelastingdienst. Door gebruik van de gegevens uit de Polisadministra-tie zullen minder herberekeningen en terugvorderingen nodig zijnomdat correcties en veranderingen die met terugwerkende kracht doorde werkgever worden doorgevoerd via de polisgegevens sneller inbeeld komen.•Het gebruik van de polisgegevens levert een completer beeld op vanalle neveninkomsten uit arbeid, pensioen en uitkering.•Harmonisatie van werkwijzen en inkomensbegrippen tussen (mede-werkers van) gemeenten onderling zorgt voor een meer consistentewijze van verrekening. Zie ook paragraaf 4.5.3 over het vaststellennetto-inkomen op uniforme wijze.•Het wordt hiermee mogelijk om automatisch te verrekenen op basisvan de gegevens uit de Polisadministratie, dit levert uiteindelijk eenflinke besparing in administratieve lasten op.De huidige manier van verrekenen op basis van loonstroken levert in veelsituaties geen tijdige verrekening op omdat de loonstrook niet in hetzelfdeloontijdvak is ontvangen, ingestuurd en verwerkt door de gemeente.Gemeenten passen hun wijze van inkomensverrekening daar vaak opaan.124Sommige gemeenten gebruiken de feitelijke looninformatie over hetlopende tijdvak, en betalen daarom de uitkering vaak pas meerdere dagenna het aflopen van de maand uit. Deze manier van werken leidt ofwel totvertraagde uitbetalingen, ofwel tot correcties en/of herberekeningen.De pilot van het Inlichtingenbureau laat zien dat 40% van de werkgeversbinnen het huidige tijdvak loonaangifte doet, en 95% binnen 6–7 weken nastart van het tijdvak. Dat betekent dat voor 40% van de verrekeningen delooninformatie net zo snel beschikbaar is in de Polisadministratie als datde salarisstrook beschikbaar is bij de werknemer. Voor deze doelgroepbetekent het verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratieeen aanzienlijke versnelling, beschikbare gegevens kunnen direct wordenverwerkt en hoeven niet eerst te worden verzameld.Ook volgt hieruit dat het Inlichtingenbureau op basis van de gegevens uitde Polisadministratie voor ongeveer 95% van de gevallen een netto-inkomen kan berekenen. Verrekenen op basis van gegevens uit dePolisadministratie maakt deze loongegevens beschikbaar voorgemeenten, en verlaagt daarmee de administratieve druk voor bijstands-gerechtigden. Verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratieis dus voor 95% van de verrekeningen mogelijk, maar niet altijd in hetlopende tijdvak.Hoe dit in de praktijk uitwerkt, hangt ook af van welke wijze van verre-kenen een gemeente gebruikt en kan dus per gemeente verschillen.Gemeenten zullen dus voor een deel van de werkende bijstandsgerech-tigden op de huidige manier moeten blijven verrekenen. Dit kan komendoordat mensen inkomen hebben dat niet in de Polisadministratievermeld staan, zoals inkomen uit arbeid als zelfstandige. Dit heeft ook temaken met de snelheid waarmee loonaangifte wordt gedaan door124Er zijn verschillende manieren om inkomsten te verrekenen, zie ook «Werkwijzer verrekeningparttime inkomsten», https://www.divosa.nl/werkwijzer-verrekening-parttime-inkomsten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 373 werkgevers en de gegevens beschikbaar zijn in de Polisadministratie. Hetkan daarom voorkomen dat in bepaalde situaties verrekening op basis vaninkomensspecificaties noodzakelijk is om tot een goede inkomensverre-kening te komen.Vertraagde uitbetaling van de bijstandsuitkering door gebruik vangegevens uit de Polisadministratie kan voor de bijstandsgerechtigde, metname in de eerste maand(en) na de start van het werk, vervelend zijn. Alsdit niet te vermijden is, kunnen gemeenten in overleg met de bijstandsge-rechtigde de premie tot arbeidsinschakeling inzetten of (indien dat geenoptie is) het bufferbudget (zie paragraaf 4.7) om deze overgang teverzachten.Om tot een uniforme wijze van verrekenen te komen en verrekenen opbasis van gegevens uit de Polisadministratie en hiermee ook automatischverrekenen mogelijk te maken worden onderstaande aanpassingengedaan (paragraaf 4.5.3 tot en met 4.5.6). Hiermee ontstaan een uniformverrekenproces en administratieve voordelen voor bijstandsgerechtigdenen gemeenten. Voor een flink deel van de verrekeningen betekent dit eenversnelling en kan het aandeel automatisch te verrekenen inkomen voorgemeenten naar verwachting uitkomen op de helft tot driekwart van demensen voor wie verrekend moet worden. Voor de resterende groep blijfthet noodzakelijk om de loonstrook als bron te gebruiken voor hetverrekenen, waarbij de uniformiteit van het verrekenproces wordt bereiktdoordat onderstaande maatregelen ook gelden voor de wijze vanverrekenen op basis van loonstroken.4.5.3 Vaststellen netto-inkomen op uniforme wijze (artikel 32, tweede envijfde lid, Pw) Gemeenten stellen nu het te verrekenen netto-inkomen vast aan de handvan de gegevens op de loonstrook. Om verrekening op basis vangegevens uit de Polisadministratie mogelijk te maken en het verreken-proces te uniformeren moet een uniforme manier van het berekenen vanhet netto-inkomen worden vastgesteld.Deze voorgestelde maatregel houdt in dat gemeenten verplicht zijn hetnetto-inkomen vast te stellen op een bij regeling vast te stellen wijze. Dewijze om het netto-inkomen vast te stellen geldt zowel voor verrekenen opbasis van gegevens uit de Polisadministratie als voor verrekenen op basisvan aangeleverde loonstroken. Het netto verrekenbaar inkomen wordtgebaseerd op het brutoinkomen (belastbaar inkomen), waarop deingehouden loonheffingen en de heffing Werkhervatting GedeeltelijkArbeidsgeschikten, heffing Werkhervattingskas (hierna: WGA/ WHK) inmindering worden gebracht.In de regeling wordt onder andere vastgelegd dat de WGA/WHK heffingop een uniforme wijze wordt verrekend. Werkgevers kunnen deWGA/WHK heffing deels doorbelasten aan werknemers voor maximaal50%. Bij het bepalen van het te verrekenen inkomen corrigerengemeenten het te verrekenen inkomen met deze WGA/WHK-heffing: dezewordt niet verrekend en dus van het brutoloon afgehaald. Dezecomponent is geen onderdeel van de Polisadministratie dus onder anderedaarvoor is het nodig dat bijstandsgerechtigden hun loonstrook inleveren.Deze administratieve druk voor zowel de bijstandsgerechtigde als degemeenten kan worden teruggebracht door te verrekenen met eenstandaardpercentage. Daarbij wordt het niet verrekende bedrag aanWGA/WHK-heffing niet meer individueel bepaald, maar vervangen dooreen generiek standaardpercentage dat jaarlijks wordt vastgesteld. Ook alseen verrekening plaatsvindt op basis van de gegevens op de ingeleverdeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 374 loonstrook, betekent dit een vereenvoudiging van het verrekenprocesvoor de gemeente doordat het standaardpercentage WGA/WHA-heffing inde systeemberekening wordt meegenomen.Deze wijziging is een harmonisatie met de werkwijze van UWV, waareveneens een standaardpercentage wordt gebruikt voor de verrekeningvan inkomsten met bijvoorbeeld de WW of de Wajong. Voor de jaarlijksevaststelling van het standaardpercentage wordt een werkwijze gekozenanaloog aan de werkwijze van UWV. UWV stelt elk jaar het gemiddeldeheffingspercentage vast. Voor de onderhavige berekening wordt hetpercentage vastgesteld op drie keer het gemiddelde heffingspercentage.Door uit te gaan van drie keer het gemiddelde heffingspercentage,worden bijstandsgerechtigden door deze rekenwijze niet financieelbenadeeld en heeft een eventueel verschil tussen de daadwerkelijkeingehouden WGA/WHK heffing op individueel niveau en het nieuwestandaardpercentage geen gevolgen voor de afbouw van de toeslagen.Het hanteren van één standaard percentage voor alle deeltijd werkendenvergroot de uitvoerbaarheid voor gemeenten, ook wanneer zij voor deverrekening geen gebruik maken van de gegevens uit de OIB-bestanden.Mocht in een uitzonderlijk geval door het hanteren van een standaardper-centage een nadelig financieel gevolg voor de bijstandsgerechtigdeontstaan doordat de werkgever een hoger percentage WGA/WHK-heffingdoorberekent, kan de bijstandsgerechtigde zich wenden tot de gemeente.Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat deze systematiek een negatieffinancieel gevolg heeft voor de bijstandsgerechtigde.4.5.4 Verduidelijken transactiesysteem (artikel 32, tweede lid, Pw) In de Participatiewet zijn in artikel 32, eerste en tweede lid, Pw bepalingenopgenomen waaruit volgt dat inkomen wordt verrekend als zij betrekkinghebben op de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Ookvolgt daaruit dat inkomen uit een bepaalde periode met de bijstandsuit-kering van die betreffende periode moeten worden verrekend. Ditzogenoemde transactiesysteem bepaalt dat gemeenten inkomen zoveelmogelijk moeten toerekenen aan de periode waarop ze betrekkinghebben. Tegelijkertijd mag inkomen alleen worden verrekend (ofteruggevorderd) als die ook echt zijn ontvangen.125 Deze bepalingenkunnen soms tegenstrijdig aan elkaar zijn en zorgen voor interpretatiever-schillen in de huidige uitvoeringspraktijk.Het huidige transactiesysteemVoor de manier waarop bij bijstandsverlening rekening moet wordengehouden met voor, tijdens of na de bijstandsverlening verkregeninkomen geldt – zoals boven aangehaald – het transactiesysteem. Dittransactiesysteem is in de huidige situatie opgebouwd vanuit een aantalregels:•Inkomen wordt alleen in aanmerking genomen voor zover debijstandsgerechtigde erover beschikt of redelijkerwijs kan beschik-ken.126Deze regel houdt in dat alleen nadat de bijstandsgerechtigde hetinkomen ook daadwerkelijk heeft ontvangen (of hier redelijkerwijs overkan beschikken), dit op de bijstand in mindering kan worden gebracht.Deze regel is essentieel voor de bestaanszekerheid van de bijstandsge-rechtigde. Het in mindering brengen van inkomen waarover debijstandsgerechtigde niet of niet volledig beschikt, brengt eenbijstandsgerechtigde onder het bestaansminimum. Het verhoogt125Artikel 31, eerste lid, Pw.126Artikel 31, eerste lid, Pw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 375 daarmee het risico dat de bijstandsgerechtigde in de desbetreffendemaand niet over voldoende inkomen beschikt om in het levensonder-houd te kunnen voorzien.•Inkomen wordt alleen in aanmerking genomen voor zover hetbetrekking heeft op de periode waarover een beroep op bijstand wordtgedaan127Meestal zal het inkomen dat iemand tijdens de bijstandsafhankelijkheidverwerft, betrekking hebben op de bijstandsperiode. Maar inkomen datiemand tijdens de bijstandsperiode ontvangt, kan ook betrekkinghebben op de periode voor bijstandsaanvraag. Denk bijvoorbeeld aanvakantiebijslag die is opgebouwd in de periode voordat iemandbijstand ontvangt. Deze betaling moet dan niet als inkomen op debijstand in mindering worden gebracht omdat zij ziet op een periodedie voor bijstandsverlening is gelegen. Ook kan iemand inkomenontvangen na bijstandsbeëindiging, dat uiteindelijk wel betrekkingheeft op de bijstandsperiode. Denk aan een gedurende de bijstand(deels) opgebouwd keuzebudget of de hierboven onder «voorbeeld bijwerkaanvaarding» beschreven situatie. Dit inkomen zal dan alsnog bijde bijstandsverlening moeten worden betrokken, wat uiteindelijk zalresulteren in een terugvordering van achteraf te veel verstrektebijstand.•Achteraf over een voorgaande periode ontvangen inkomen wordttoegerekend naar de periode waarin dit is verworven128De regel is dat het inkomen waarover bijstandsgerechtigde (redelijker-wijs) beschikt in mindering wordt gebracht op de bijstand (zie onder a).Dit principe heeft als uitgangspunt dat inkomen wordt uitbetaald in demaand van verwerving. Als op het moment van uitbetaling (hetmoment dat bijstandsgerechtigde redelijkerwijs over het inkomen kanbeschikken) blijkt dat het uitbetaalde inkomen in een eerdere periode isverworven, dan moet dit toegerekend worden aan die eerdere periode.Dit betekent veelal dat bijstandsgerechtigde over die eerdere maand teveel bijstand heeft ontvangen. De te veel ontvangen bijstand kanworden verrekend met een latere verstrekking. Mocht verrekeningbinnen zes maanden na ontvangst129 niet mogelijk blijken, dan kan ditalsnog resulteren in een terugvordering.VoorbeeldF. heeft in maart € 800 aan inkomen ontvangen en ontvangt in april nogeen nabetaling van toen gemaakte overuren van € 400. Uitgaande vaneen fictieve bijstandsnorm van € 1.100 heeft F. in de maand maart intotaal € 300 te veel aan bijstand ontvangen (regel c). Deze € 300 kunnenvervolgens in de maand dat F. daadwerkelijk over het met de overurenverworven inkomen beschikt (april) met de bijstand worden verrekend(regel a). Andere voorbeelden zijn de hierboven beschreven situaties bijvier wekelijkse inkomsten en bij werkaanvaarding.Verduidelijking transactiesysteemBovenbeschreven regels van het huidige transactiesysteem laten decomplexiteit zien rond de toerekening van inkomen. Streven van deregering is om deze regels te vereenvoudigen en met de vereenvoudigingeraan bij te dragen dat bijstandsgerechtigden maandelijks over hetbestaansminimum kunnen beschikken. Hiermee wordt voorkomen datinkomen dat nog niet is ontvangen al verrekend kan worden met debijstandsuitkering en wordt het verrekenen op basis van gegevens uit de127Artikel 32, eerste lid, onder b, Pw.128Artikel 32, tweede lid, Pw.129Artikel 58, vierde lid, Pw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 376 Polisadministratie en de andere maatregelen mogelijk gemaakt. Daaromwordt voorgesteld om artikel 32, tweede lid, Pw op onderdelen tewijzigen.Om dat te realiseren stelt de regering de volgende aanpassingen voor opbasis van de volgende regels:•Hoofdregel 1: Inkomen wordt met de bijstand verrekend in de periodedat hierover daadwerkelijk (redelijkerwijs) kan worden beschikt.Door deze hoofdregel is niet langer de verwervingsperiode, maar deperiode bepalend dat daadwerkelijk (redelijkerwijs) kan wordenbeschikt over het inkomen. Gedurende de bijstandsafhankelijkheidwordt zo gegarandeerd dat de bijstand het inkomen maandelijksaanvult tot het niveau van het bestaansminimum.Dit betekent dat inkomen wordt verrekend met de bijstandsuitkeringvan de maand waarin daadwerkelijk (redelijkerwijs) over dit inkomenkan worden beschikt. Hiermee wordt het uitgangspunt dat volgt uitartikel 31, eerste lid, Pw verduidelijkt. Inkomen wordt alleen inaanmerking genomen voor zover de bijstandsgerechtigde eroverbeschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit kan gaan om deeindejaarsuitkering, keuzebudget of vakantiebijslag, maar ookbijvoorbeeld om nabetalingen van loon of een dertiende periode.VoorbeeldV. ontvangt in januari € 400 aan inkomen. Bij een fictieve bijstands-norm van € 1.000, bedraagt V.’s aanvullende bijstand in januari € 600.In februari ontvangt V. € 700 aan inkomen, waarvan € 200 eennabetaling is over januari. Gekeken wordt naar wat V. in februari aaninkomen heeft ontvangen (€ 700) en dus bedraagt de aanvullendebijstand: € 300.•Hoofdregel 2: Inkomen wordt enkel in aanmerking genomen voorzover het betrekking heeft op de bijstandsperiode.Artikel 32, eerste lid, onder b, Pw blijft ongewijzigd. Uit deze hoofdre-gel volgt dat gedurende de bijstandsperiode ontvangen inkomen datbetrekking heeft op de periode voorafgaand aan bijstandsverlening,buiten beschouwing wordt gelaten. Artikel 32, eerste lid, onder b, Pwdoet nadrukkelijk niet af aan de hoofdregel in de aanhef van artikel 32Pw dat inkomen in aanmerking wordt genomen naar de periodewaarin de belanghebbende hierover beschikt of redelijkerwijs kanbeschikken.Zoals nu gebruikelijk is, zal inkomen uit de periode van voor debijstandsverlening tot het vermogen van de bijstandsgerechtigdeworden gerekend.VoorbeeldR. ontvangt sinds 1 maart een bijstandsuitkering. In april worden zijn infebruari gemaakte overuren alsnog uitbetaald ad € 800. Deze € 800ziet op inkomen dat buiten de bijstandsperiode is verworven,waardoor dit bedrag niet als inkomen in aanmerking wordt genomen.De verkregen € 800 dient te worden aangemerkt als vermogen.•Afwijkende regel 1: Inkomen dat is ontvangen in een periode dat ergeen bijstandsrecht (meer) is, wordt alsnog in aanmerking genomenals het in de bijstandsperiode is verworven, maar pas nadat hierdaadwerkelijk (redelijkerwijs) over kan worden beschikt. Het inkomenwordt in aanmerking genomen naar de periode waarop dit inkomenbetrekking heeft.Dit uitgangspunt wordt aan artikel 32, tweede lid, Pw toegevoegd. Dete veel verstrekte bijstand kan met latere bijstandsverlening wordenverrekend (denk aan het voorbeeld vier weken betaling) of alsverrekening binnen zes maanden na ontvangst niet mogelijk is,worden teruggevorderd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 377 VoorbeeldB. ontvangt maandelijks € 600 aan inkomen uit arbeid, daarnaast issprake van een maandelijkse opbouw van een keuzebudget. Hetmaandelijks inkomen wordt elke maand vanuit de bijstand (uitgaandevan een fictieve norm van € 1.000) met € 400 aangevuld. Vanaf demaand juli gaat B. meer uren werken en ontvangt B. maandelijksinkomen uit arbeid ter hoogte van € 1.100. B. ontvangt vanaf demaand juli geen aanvullende bijstand meer. In november komt hetkeuzebudget tot uitbetaling. Het uitbetaalde keuzebudget (€ 600) isgedeeltelijk in een periode van bijstandsverlening verworven. Daaromwordt het bedrag, voor zover dit betrekking heeft op de periode tot enmet de maand juni, in of na november, de maand van uitbetaling vanhet keuzebudget, alsnog in aanmerking genomen als gedurende debijstand verworven inkomen.•Afwijkende regel 2: Betalingen die bedoeld zijn als inkomen voor detoekomst en dus niet alleen voor de maand van ontvangst, wordentoegerekend naar de periode waar zij voor bedoeld zijn.Aan artikel 32, tweede lid, Pw wordt toegevoegd dat inkomen datwordt ontvangen en betrekking heeft op een toekomstige periode, inaanmerking genomen wordt naar de periode van bijstand die volgt naontvangst van dit inkomen. Het gaat hier vaak om situaties dat debijstandsgerechtigde een bedrag in een keer heeft ontvangen terafkoop van een periodieke aanspraak op inkomen. Denk bijvoorbeeldaan een afgekochte alimentatieverplichting of een afgekocht pensioen-recht.VoorbeeldQ’s partner koopt zijn alimentatieplicht af met een eenmalige betalingvan € 16.000. In beginsel zou Q’s partner nog 2 jaren alimentatieplich-tig zijn. De € 16.000 zijn met andere woorden bedoeld voor hetlevensonderhoud in de komende 2 jaren. Reden waarom maandelijks€ 666 op Q’s uitkering in mindering moet worden gebracht, als de voordie maanden al ontvangen alimentatie.Zoals hierboven beschreven kan de bijstandsgerechtigde in één keer eenbedrag ontvangen dat hoger is dan de bijstandsnorm in een maand. Deaanpassing van artikel 32, tweede lid, Pw betekent dat inkomen voor zovermogelijk verrekend wordt met de maand waarin het inkomen isontvangen; de bijstandsgerechtigde ontvangt in die maand geenaanvullende bijstandsuitkering. De gemeente hoeft de bijstandsuitkeringniet te beëindigen als de persoon in de maanden daarna weer inaanmerking komt voor bijstand, de gemeente kan er bijvoorbeeld voorkiezen om de uitkering op 0 te laten doorlopen. In dit soort situaties gaathet om eerder opgebouwd inkomen of inkomen dat betrekking heeft opeen toekomstige periode. Het inkomen is niet daadwerkelijk in dedesbetreffende maand verworven. Als er door verrekening geen recht opbijstand is, leidt dat niet tot beëindiging van de bijstand. Het restant vanhet inkomen kan de gemeente verrekenen over ten hoogste zes daarop-volgende maanden.130Als het middelen betreffen die als vermogen moeten worden aangemerkt,zoals bijvoorbeeld een erfenis, blijven de geldende regels ten aanzien vanvermogen van kracht.De aanpassingen zoals voorgesteld in deze paragraaf gelden niet tenaanzien van de AIO, nu door SVB in de Uitvoeringstoets nadrukkelijk isgesteld dat deze werkwijze voor SVB onuitvoerbaar is, en ook dat dedoelgroep van de SVB de problematiek die met deze verduidelijking wordtweggenomen, niet lijkt te ervaren. Voor de AIO blijven de uitgangspunten130Op basis van artikel 58, vierde lid, Pw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 378 zoals genoemd onder het kopje «het huidige transactiestelsel» dan ookonverkort van kracht. Hiervoor wordt een nieuw lid aan artikel 47d Pwtoegevoegd.4.5.5 Niet verrekenen van onbelaste vergoedingen (aanpassing artikel 31,tweede lid, onder g, Pw) Werkgevers betalen allerlei onbelaste vergoedingen uit zoals eentelefoonvergoeding, postbezorgersvergoeding, fietsvergoeding ofreiskostenvergoeding. Insteek is dat onbelaste vergoedingen niet wordenverrekend met de uitkering. Dit is echter niet vastgelegd in de wet,waardoor het nu nog voor kan komen dat gemeenten zelf een beoordelingmaken of een onbelaste vergoeding echt nodig is voor het uitoefenen vande functie, en sommige vergoedingen wel verrekenen en sommige niet.Hierdoor ontstaan verschillen die onwenselijk zijn.Het is wenselijk om onbelaste vergoedingen verstrekt door de werkgeverop een eenduidige wijze te verrekenen. De Belastingdienst oordeelt dat bijonbelaste vergoedingen geen sprake is van inkomen. Het ligt in de redeom binnen de Participatiewet ook deze keuze te maken. Daarom wordt deParticipatiewet aangepast zodat onbelaste vergoedingen die door dewerkgever worden verstrekt in geen enkel geval door gemeenten wordenverrekend. Het principe van een onbelaste vergoeding is immers dat dewerkgever bepaalde kosten vergoedt die men moet maken om de functiete kunnen uitoefenen. Hiertoe wordt artikel 31, tweede lid, onder g, Pwgewijzigd zodat onkostenvergoedingen niet tot de middelen behoren,tenzij deze tot het fiscaal loon worden gerekend.Bovendien zijn onbelaste vergoedingen (behalve de reiskostenver-goeding) niet zichtbaar in de Polisadministratie. Ook voor het goedkunnen uitvoeren van het verrekenen op basis van gegevens uit dePolisadministratie is het nodig dat in de Participatiewet wordt verduidelijktdat onbelaste vergoedingen, waaronder de uitruil van reiskostenver-goeding, in de verrekening in alle gevallen buiten beschouwing moetenworden gelaten.4.5.6 Inkomensgegevens uit Polisadministratie: inlichtingenplicht enmedewerkingsplicht Bij het (automatisch) verrekenen van inkomen van de bijstandsgerech-tigde met de bijstandsuitkering, baseert de gemeente zich op gegevens uitde Polisadministratie. Dit volgt uit artikel 53a Pw, uitgewerkt in artikel 5.2aen bijlage II van het Besluit Suwi. In beginsel levert de bijstandsgerech-tigde dan geen loonstroken meer in. Desgevraagd zal diegene dat nog welmoeten doen op grond van de medewerkingsplicht (artikel 17, 2e lid),bijvoorbeeld als de gegevens uit de Polisadministratie niet of onvol-doende (tijdig) beschikbaar zijn.Uiteraard blijft het melden dat een bijstandsgerechtigde aan het werkgaat, onder de inlichtingenplicht vallen.Dit vergt goede communicatie van de gemeente naar de bijstandsgerech-tigde wanneer de inlichtingen- en medewerkingsplicht geldt en wanneeren voor welke gegevens niet. Dit wordt in spoor 3 van het programmaParticipatiewet in balans meegenomen. Hierbij wordt ook verwezen naarde «toolkit parttime werk»131 waarmee gemeenten de processen rondparttime werk zo kunnen inrichten dat de inkomensstabiliteit van131«Toolkit parttime werk zonder drempels», https://www.samenvoordeklant.nl/tools/toolkit-parttime-werk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 379 bijstandsgerechtigden die de stap naar parttime werk zetten zoveelmogelijk gewaarborgd is. Ook het «werkblad goed geregeld gesprek»132,aan de hand waarvan gemeente en de bijstandsgerechtigde met elkaar ingesprek kunnen gaan over de stap om te gaan werken naast de uitkering,is hierbij nuttig.4.6 Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget eneindejaarsuitkering (artikel 32 Pw) Uit het huidige transactiesysteem (zie par. 4.5.4) volgt dat gemeenteninkomen zoveel mogelijk moeten toerekenen aan de periode waarop zebetrekking hebben. Tegelijkertijd mag inkomen alleen worden verrekend(of teruggevorderd) als hier ook redelijkerwijs over wordt beschikt. Ditzorgt ervoor dat gemeenten, zoals al beschreven, op verschillendemanieren omgaan met het verrekenen van vakantiebijslag, eindejaarsuit-kering en het keuzebudget.4.6.1 Vakantiebijslag verrekenen (artikel 32, vijfde lid, onderdeel c, Pw) Voorgesteld wordt om de verrekening van de vakantiebijslag te standaar-diseren. Door de wijze van het verrekenen van vakantiebijslag aan tepassen, wordt het voor de bijstandsgerechtigde en de gemeenteeenvoudiger te begrijpen en uit te leggen. Zo lopen mensen niet het risicodat zij op maandbasis op achteruit gaan doordat de (maandelijksgereserveerde) vakantiebijslag van de werkgever of uitkeringsinstantiealvast verrekend wordt met de uitkering terwijl die feitelijk nog niet isontvangen. Door deze manier van verrekenen te standaardiseren ontstaatmeer rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de bijstandsgerechtigde.Daarom wordt voorgesteld om in artikel 32, vijfde lid, onderdeel c, Pw eengrondslag op te nemen voor het bij regeling vaststellen van de wijzewaarop omgegaan moet worden met de verrekening van opgebouwdvakantiebijslag bij de werkgever. Gemeenten zijn gehouden op deze wijzevakantiebijslag te verrekenen. De standaardwerkwijze houdt in dat hetnetto-inkomen in een periode wordt verrekend met het recht op bijstandexclusief vakantiebijslag in dezelfde periode. Eventueel opgebouwd rechtop vakantiebijslag over dit inkomen wordt verrekend met de reserveringvakantiebijslag over de bijstandsuitkering. Dit waarborgt debijstandsnorm zonder vakantiebijslag als het bestaansminimum, en geeftmeer duidelijkheid en transparantie over de wijze van verrekening bij deeindafrekening van vakantiebijslag in mei/juni. In de regeling wordtuitgewerkt dat deze voorgestelde wijze van verrekening, gelet op hetbelang van het bieden van financiële zekerheid voor de bijstandsgerech-tigde, niet mag leiden tot een nadelig financieel gevolg. Mocht hiervan ineen incidenteel geval toch sprake zijn, kan de bijstandsgerechtigde zichwenden tot de gemeente.4.6.2 Eindejaarsuitkering en keuzebudget verrekenen (artikel 32, vijfde lid,onderdeel c, Pw) Uit de voorgestelde aanpassing van artikel 32, tweede lid, Pw volgt dat dehoofdregel is dat de eindejaarsuitkering en het keuzebudget wordenverrekend in de periode waarin ze worden uitbetaald.Net als voor vakantiebijslag wordt voorgesteld een grondslag op tenemen voor een bij regeling vast te stellen standaardwijze van verrekenenvan het keuzebudget. Anders dan vakantiebijslag, wordt het keuzebudget132«Een goed geregeld gesprek over inkomen en uitkering», https://www.goed-geregeld-gesprek.nl/#/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 380 niet volledig tot de middelen gerekend. Immers, een keuzebudget kandoor de bijstandsgerechtigde ook worden ingezet voor bijvoorbeeld eenopleiding of extra vakantiedagen, dat deel van het keuzebudget wordt nietaangemerkt als belastbaar loon en dus niet verrekend met de bijstand.Waar wordt gesproken over keuzebudget geldt dit ook voor soortgelijkecafetariaregelingen133.Vakantiebijslag is een wettelijk recht. Als iemand alleen keuzebudgetontvangt en geen vakantiebijslag betekent dit dat de vakantiebijslagonderdeel uitmaakt van het keuzebudget. Om te voorkomen dat voor debijstandsgerechtigde te grote schommelingen in inkomen ontstaan,doordat bij uitbetaling van het keuzebudget het bedrag te groot is, wordtde eerste 8% over het brutoloon dat aan keuzebudget wordt opgebouwdverrekend volgens de nieuwe systematiek voor het verrekenen vanvakantiebijslag (zie hierboven). Dat betekent dat 8% over het brutoloondat aan keuzebudget wordt opgebouwd verrekend wordt met dereservering van de vakantiebijslag over de bijstandsuitkering. Deuitwerking hiervan wordt meegenomen in de regeling over de standaard-werkwijze van de vakantiebijslag zoals hiervoor beschreven. Het restantvan het gedeelte van het keuzebudget dat tot de middelen behoort wordtverrekend met de lopende uitkering op het moment dat het wordtuitgekeerd.Ook zal in de regeling nader worden uitgewerkt dat bij het verrekenen opbasis van de gegevens uit de Polisadministratie en het (automatisch)verrekenen voor het verrekenen van het keuzebudget gebruik wordtgemaakt van gegevens die in de polis staan met betrekking tot hetarbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB).VoorbeeldB. is alleenstaand en heeft een baan. Van januari 2022 tot en met juni 2022verdient hij hiermee een inkomen boven de bijstandsnorm. Over dezemaanden bouwt hij in totaal € 540 aan eindejaarsuitkering op (netto€ 495). Vanaf juli 2022 is zijn inkomen lager dan de bijstandsnorm. Hijverdient € 500 per maand, en bouwt hierover € 30 per maand eindejaars-uitkering op (netto is dat ongeveer € 27). In november 2022 wordt deeindejaarsuitkering uitbetaald. B. ontvangt in totaal € 690 bruto aaneindejaarsuitkering, netto ongeveer € 630.Huidige situatieIn de huidige situatie zou B. in de maanden juli t/m november eenbijstandsuitkering hebben die ongeveer € 27 onder bijstandsniveauuitkomt, omdat de reservering van de eindejaarsuitkering elke maandwordt verrekend met de uitkering. De eindejaarsuitkering wordt dan innovember niet meer verrekend.Voorgestelde situatieB. komt hier niet op maandbasis onder bijstandsniveau, omdat deeindejaarsuitkering niet maandelijks wordt verrekend, maar op hetmoment van uitbetalen. Op het moment van uitbetalen in november (dit isook zichtbaar in de OIB-bestanden) geldt dat € 495 netto wordt vrijgelaten(want dit heeft betrekking op de periode vóór het recht op bijstand), en erwordt een bedrag van € 135 verrekend. Als de aanvullende uitkering niethoog genoeg is om dit bedrag te verrekenen, dan kan de gemeente hetresterende bedrag verrekenen in de daaropvolgende maand of maanden133Handboek Loonheffingen 2024, paragraaf 4.15Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 381 met de lopende uitkering. In de voorgestelde situatie kan de gemeentedan in december besluiten om, als B. in december door deze verrekeningonder het bijstandsniveau terecht komt, dat te compenseren vanuit hetbufferbudget (zie paragraaf 4.7).Ook zal bij regeling worden bepaald hoe wordt omgegaan met technischemankementen bij het verrekenen op basis van de polisadministratie, zodatdit niet ten koste gaat van de bijstandsgerechtigde.Ook de voorstellen in deze paragraaf vergen goede communicatie van degemeente naar de bijstandsgerechtigde: wat gebeurt er als iemand gaatwerken naast de uitkering? Hoe vindt het verrekenproces plaats en welkegevolgen heeft dit voor de bijstandsgerechtigde?Tot slot wordt opgemerkt dat deze wijziging niet geldt voor de AIOvanwege de afwijkende werkwijze van de SVB.4.7 Invoering bufferbudget (artikel 34b Pw) Voorgesteld wordt om een bufferbudget in te voeren. Met een buffer-budget kunnen gemeenten voorkomen dat mensen met een combinatievan uitkering en inkomsten uit arbeid op maandbasis onder debijstandsnorm komen. Het bufferbudget bedraagt maximaal € 1.000 perjaar, wordt beheerd door de gemeente en op individueel niveau ambts-halve ten behoeve van de bijstandsgerechtigde gereserveerd.4.7.1. Probleemanalyse en nut & noodzaak bufferbudget De stap van een uitkering naar deeltijdwerk is een stap die voor mensengepaard kan gaan met onzekerheid en financiële stress. Voor sommigen isdeze onzekerheid de grootste belemmerende factor, voor anderen leidt dewijze van verrekening van inkomsten met de bijstand daadwerkelijk totfinanciële problemen, zie ook paragraaf 4.3.Hierdoor wordt voor 65%134 van de deeltijd werkenden een flink deel vande knelpunten opgelost. Ook de nieuwe bijverdienregeling bij arbeidsin-komsten zorgt ervoor dat mensen meer ruimte hebben in hun maandin-komen om kleinere schommelingen op te kunnen vangen. De premie voorarbeidsinschakeling kan worden ingezet voor eenmalige grote hiaten ininkomen, bijvoorbeeld als bij de uitstroom uit de uitkering een vorderingopenstaat door de wijze van verrekenen. Tot slot hebben gemeenten ookandere instrumenten voorhanden om nadelige financiële effecten op tevangen, denk aan het kwijtschelden van een vordering (artikel 58, achtstelid, Pw) of het verstrekken van bijzondere bijstand voor verwervingskostenen het gespreid verrekenen over maximaal een periode van 6 maanden(artikel 58, vierde lid, Pw). Er blijft echter een kleine groep over die metbovenstaande instrumenten niet geholpen is. Voor die groep is hetbufferbudget bedoeld.De noodzaak tot inzet van het bufferbudget kan per bijstandsgerechtigdeverschillen en hangt af van iemands individuele situatie, maar ook van demanier waarop de gemeente inkomsten verrekent. Het bufferbudget kanworden ingezet om inkomenshiaten die ontstaan door het verrekenen vaninkomen met de bijstandsuitkering op te vangen. Dit kan bijvoorbeeld aande orde zijn als het inkomen van mensen maandelijks schommelt, een134Uit de factsheet parttime werk van Divosa (1 mei 2019, raadpleegbaar via: https://www.divosa.nl/factsheet-parttime-werk-de-bijstand) is af te leiden dat bij 35% van dedoelgroep sprake is van stabiele en/of langdurige inkomsten, waarbij de problematiek waarhet bufferbudget voor bedoeld is daarom niet of nauwelijks te verwachten is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 382 uitkering te laat wordt betaald door te late loongegevens vanuit dewerkgever of door correcties op het inkomen achteraf door bijvoorbeeldoverwerkuren. Ook kan het bufferbudget – als andere mogelijkheden omeventuele financiële problemen als gevolg van een vordering teverzachten niet toepasbaar zijn – worden ingezet om vorderingen dieontstaan door het verrekenen van inkomen dat al is ontvangen tevereffenen. De vordering wordt dus niet kwijtgescholden, maar voldaanvanuit het bufferbudget.4.7.2. Het bufferbudget nader toegelicht Wat is het bufferbudget?Het bufferbudget is een extra instrument dat wordt toegevoegd aan deParticipatiewet en kan worden ingezet door de gemeente. Het budget vanmaximaal € 1.000 per jaar wordt beheerd door de gemeente en wordt opindividueel niveau ambtshalve ten behoeve van de bijstandsgerechtigdegereserveerd. De gemeente kan het bufferbudget voor de duur van12 maanden reserveren op het moment dat daar naar het oordeel van degemeente noodzaak toe is.De gemeente neemt een besluit bij het ambtshalve reserveren van hetbufferbudget. Het is dus niet zo dat het bufferbudget eenmalig in één keeruitbetaald wordt aan de bijstandsgerechtigde. Het budget is dus geengeneriek instrument. Er kunnen daardoor verschillen in de uitvoeringontstaan. Het instrument heeft een specifiek doel en het is aan gemeentenom het instrument toe te passen in de gevallen dat het nodig is.Het bedrag van € 1.000 is een maximumbedrag. Gemeenten kunnen aande hand van de individuele situatie van een bijstandsgerechtigde hetbufferbudget lager vaststellen. Het bufferbudget kan in ongelijke delenperiodiek uitgekeerd worden. Hiermee draagt het bij aan het stimulerenvan de arbeidsinschakeling én het voorkomen dat bijstandsgerechtigdenop maandbasis onder het bestaansminimum terecht komen en daardoorfinancieel in de problemen komen. Het bufferbudget kan niet wordenteruggevorderd, dat is in het kader van het creëren van financiëlestabiliteit niet wenselijk.Het bufferbudget wordt niet standaard ingezet bij de aanvaarding vandeeltijd werk, maar alleen in die gevallen wanneer de noodzaak van hetbufferbudget door de gemeente wordt vastgesteld. Het bufferbudget moetgezien worden als een instrument dat ingezet wordt als andere instru-menten, zoals de vrijlating en de premie voor arbeidsinschakeling, zijnuitgeput, niet kunnen worden toegepast of het probleem niet oplossen inde individuele situatie. Dit houdt in dat andere instrumenten of oplos-singsrichtingen voorliggend zijn aan het bufferbudget. Zo kan bijvoor-beeld de premie voor arbeidsinschakeling worden ingezet voor eenmaligegrote hiaten in inkomen. Dit moet wel gaan om eenmalige hiaten, depremie voor arbeidsinschakeling mag niet structureel worden ingezet enkan niet meer dan twee betalingen per jaar kennen. De inzet van hetbufferbudget is niet vergelijkbaar met de bijzondere bijstand. Bijzonderebijstand kan immers worden verleend als iemand niet beschikt over demiddelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voort-vloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, waarin de algemenebijstand niet voorziet.Het bufferbudget wordt als instrument toegevoegd aan de Participatiewetin een nieuw artikel 34b Pw en maakt onderdeel uit van de gebundeldeuitkering die gemeenten ontvangen van het Rijk zoals bedoeld in artikel 69Pw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 383 Voor de SVB is deze maatregel niet van toepassing. Bij de verrekeningdoor de SVB is er niet of nauwelijks sprake van ongewenste inkomens-schommelingen waardoor de SVB dit instrument niet nodig acht.Voor wie is het bufferbudget?Het bufferbudget is niet als generiek instrument bedoeld. Het kan door degemeente worden toegepast om een stabiel inkomen te creëren bijmensen die inkomen uit arbeid ontvangen en een bijstandsuitkering. In deuitvoeringspraktijk is niet altijd op voorhand te zeggen welke in deeltijdwerkende bijstandsgerechtigde te maken zal krijgen met inkomsten-schommelingen en/of onvoorziene verrekeningen van inkomsten met debijstand. Er zal daarnaast een groep zijn die deze schommelingen zelf opkan vangen. De inschatting van gemeenten is daarom dat het buffer-budget maar een beperkte groep betreft. Op basis van de verschillendeschattingen die worden genoemd volgt de verwachting dat het gaat omongeveer een kwart van de in deeltijd werkende bijstandsgerechtigden.Wanneer en voor wie het bufferbudget nodig is, hangt onder andere afvan het moment waarop de werkgever het salaris betaalt en loonaangiftedoet/de loonstrook verstrekt, de methode van verrekenen van degemeente135 en de aard van het werk. Gemeenten geven aan dat hetstabiel verrekenen vooral in de knel komt bij seizoenswerk, oproep- enuitzendcontracten.136 Ook de eerste periode na indiensttreding is eenstabiele verrekening niet altijd direct te realiseren.De gemeente beoordeelt wie in aanmerking komt voor een bufferbudgeten of er noodzaak is om het bufferbudget in te zetten. Het bufferbudgetwordt niet generiek ingezet, de gemeente kan het bufferbudget inzettenals individuele omstandigheden daartoe nopen bij:Bijstandsgerechtigden die inkomen uit arbeid ontvangen en daarnaast eenaanvullende bijstandsuitkering, waarbij er financiële instabiliteit in hetinkomen is ontstaan of dreigt te ontstaan als gevolg van de inkomstenver-rekening;Waarbij het inkomen waarover de bijstandsgerechtigde beschikt ofredelijkerwijs kan beschikken in het tijdvak van een maand lager is dan devoor deze bijstandsgerechtigde geldende bijstandsnorm; enHet bufferbudget naar het oordeel van de gemeente bijdraagt aan destimulering van het deeltijd (blijven) werken en/of de arbeidsinschakelingvan deze persoon.Hiermee is het bufferbudget een flexibele maatwerkregeling waarmeegemeenten in de uitvoeringspraktijk snel kunnen handelen wanneergenoemde situaties ontstaan die voor financiële problemen zorgen.Hoewel het bufferbudget bestaanszekerheid beoogt, kan dit niet in allegevallen een zekerheid vooraf zijn omdat niet altijd op voorhand duidelijkis dat inzet vanuit het bufferbudget nodig is. Dit vergt maatwerk vangemeenten.135Voor een nadere toelichting op de verschillende methoden van inkomstenverrekeningverwijzen we naar onder andere de Handreiking Inkomstenverrekening (Divosa), AlsVerrekenen een Beperking is (Muzus/ Optimalistic) en het rapport Werkende Armen (SER).136Uit de Factsheet uitzendmonitor: De waarde van flexwerk blijkt dat dit juist vaak het type werkis waarop mensen na een lange periode van uitkeringsafhankelijkheid weer (deeltijd)instromen in de arbeidsmarkt. Juist in deze eerste stap van uitkering naar werk is financiëlestabiliteit van belang. Het bufferbudget kan hieraan bijdragen. ABU, Feiten en cijfers 2020: Dewaarde van uitzendwerk, mei 2022. Raadpleegbaar via: ABU-Factsheet-Uitzendmonitor-De-waarde-van-uitzendwerk-mei-2022.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 384 Voorbeelden waar het bufferbudget voor kan worden ingezet:Voorbeeld 1Door een nabetaling van de werkgever (bijvoorbeeld na betaald overwerk,of bij uitbetaling één of twee maanden achteraf) heeft de gemeente eenextra bedrag te verrekenen over de voorgaande maanden. Dat betekentdat de bijstandsgerechtigde de komende maanden een extra verrekeningkrijgt, waardoor die maanden het inkomen lager is dan het bestaansmi-nimum. De gemeente kan in overleg met de bijstandsgerechtigde eenbufferbudget reserveren, zodat het te verrekenen bedrag in één keer kanworden verrekend met deze buffer en het bestaansminimum voor debijstandsgerechtigde gegarandeerd blijft. Dit past binnen het maatwerkdat gemeenten kunnen bieden.Voorbeeld 2Een inkomensconsulent spreekt een bijstandsgerechtigde die begint metwerken op een oproepcontract. De verwachting is dat de uren sterkwisselen. De consulent weet dat de betreffende werkgever regelmatigoveruren achteraf uitbetaalt, en kent daarom een bufferbudget toe.Daarmee heeft de bijstandsgerechtigde de garantie van een stabielinkomen.Voorbeeld 3Een medewerker van de uitkeringsadministratie stelt na een aantalmaanden vast dat over de voorliggende periode een hoger bedragverrekend had moeten worden (bijvoorbeeld 3 x € 50,– = € 150). Dit moetingelopen worden. Dat kan betekenen dat de gemeente de daaropvol-gende maanden maandelijks € 50,– in mindering brengt op de bijstands-uitkering, maar als iemand daardoor een maandinkomen krijgt onder hetbestaansminimum, dan kan de medewerker besluiten een bufferbudget tereserveren en deze verrekening op te vangen met het bufferbudget alsblijkt dat de bijstandsgerechtigde daardoor financieel in de problemenkomt.4.7.3. Bufferbudget: de regeling Toepassing bufferbudgetHet bufferbudget betreft een budget dat belast wordt via een eindheffing.Dat betekent dat gemeenten belasting afdragen over het bufferbudget enniet de bijstandsgerechtigde, waardoor het bufferbudget voor debijstandsgerechtigde geen gevolgen heeft voor het belastbaar inkomen ende afbouw van toeslagen. Dit draagt bij aan het creëren van financiëlezekerheid voor de bijstandsgerechtigde.Indien en voor zover de gemeente het bufferbudget in individuelegevallen inzet om het inkomen van de bijstandsgerechtigde in eenbepaalde maand aan te vullen tot aan het bestaansminimum, gelden deregels van beslaglegging op gelijke wijze als bij de algemene bijstand.Opgemerkt wordt wel dat een eventueel beslag op (een deel van) hetbufferbudget pas aan de orde kan zijn nadat het bufferbudget is uitbetaaldaan de bijstandsgerechtigde.Ook betekent bovenstaande dat de beslagvrije voet ex. artikel 475c, eerstelid, onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onverkortvan toepassing is. Het bufferbudget is er niet puur voor bedoeld omeventueel beslag (dat gelegd kan worden op het inkomen dat uitstijgtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 385 boven 95% van de geldende bijstandsnorm) te compenseren. Wel kan hetvoorkomen dat sprake is van samenloop tussen de uitbetaling van hetbufferbudget en het leggen van beslag.Bijverdienregeling van arbeidsinkomen en het bufferbudgetBijstandsgerechtigden voor wie een bufferbudget gereserveerd wordt,kunnen in diezelfde periode in aanmerking komen voor de bijverdienre-geling bij arbeidsinkomsten en andersom. Beide instrumenten kunnengelijktijdig worden toegepast, afhankelijk van de individuele situatie vande bijstandsgerechtigde en de keuze van de gemeente met betrekking totdie situatie. De twee instrumenten dienen allebei het doel om bijstandsge-rechtigden te stimuleren om te gaan werken, maar op een andere manier.Het is aan gemeenten om in samenspraak met de bijstandsgerechtigde tebezien welke instrumenten in het individuele geval passen bij de situatie.Het bufferbudget wordt ingezet als andere instrumenten niet toepasbaarzijn in de individuele situatie of het probleem niet oplossen. Het buffer-budget vult in een maand aan tot maximaal de geldende bijstandsnorm,zo blijft een stimulans tot uitstroom bestaan. Op jaarbasis zal de bijstands-gerechtigde, net zoals bij de bijverdienregeling het geval is, meerontvangen dan personen die niet participeren op de arbeidsmarkt.Inrichting van het bufferbudgetVoor de uitvoering van het bufferbudget is een inrichting in de administra-tieve systemen nodig, waarmee de gemeente kan vastleggen voor welkebijstandsgerechtigden het bufferbudget is gereserveerd, welk saldo isgebruikt en aan de hand waarvan de eindheffing kan worden berekend enop welk moment de eindheffing wordt toegepast: per kalenderjaar of inhet aangiftetijdvak waarin de uitbetaling is gedaan.5. Een breder perspectief op participatie, met daarbij passende,reële, verplichtingen en gedifferentieerde handhaving 5.1 Inleiding en probleemschets In hoofdstuk 1 is beschreven dat belangrijk uitgangspunt van de Participa-tiewet is dat de mensen die een uitkering ontvangen betaald werk kunnenen willen verrichten, met uitstroom uit de bijstand als gevolg. Dat schuurtmet de realiteit, waarbinnen – zo laat onder meer onderzoek van Beren-schot zien – 50% van de bijstandsgerechtigden behoefte heeft aan sociaalmaatschappelijke ondersteuning137 en 70% te maken heeft met eenbijstandsafhankelijkheid van meer dan 2 jaar. Het Sociaal CultureelPlanbureau constateert op basis van onderzoek138 dat een brede blik opbijstand nodig is die zich niet alleen richt op de uitstroom naar betaaldwerk. Het bureau merkt op dat volgens gemeenten en bijstandsgerech-tigden zelf een deel van de bijstandsgerechtigden met ondersteuning aanhet werk kan, maar dat voor een aanzienlijk deel betaald werk door eenstapeling van problematiek vaak geen reëel perspectief, zelfs niet op dehuidige krappe arbeidsmarkt.139.Om de menselijke maat in een wet te verankeren is het essentieel dat deeronder liggende beleidspremisses aansluiten bij de doelgroep van dewet. Is dat laatste niet het geval, dan sluit ook het instrumentarium om de137Berenschot, Ondersteuning en dienstverlening aan langdurig bijstandsgerechtigden (6 april2021), par. 3.2.1.138Sociaal Cultureel Planbureau: Een brede blik op bijstand; juni 2023139Nederlandse Arbeidsinspectie 2022; SZW 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 386 doelgroep passend te bedienen niet aan. Mensen voelen zich daardoorvaak niet erkend in hun ondersteuningsbehoeften.De Participatiewet kent een groot aantal algemeen geldende verplich-tingen, die allen zijn gericht op directe arbeidsinschakeling. Naast degenerieke verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen,aanvaarden en behouden, kent de Participatiewet ook nog andere meerspecifieke verplichtingen, zoals het bereid zijn om tot 3 uur per dag tereizen om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en te behoudenen het bereid zijn om te verhuizen om een arbeidsovereenkomst vanminimaal 1 jaar te kunnen aanvaarden of behouden, welke zijnopgenomen in artikel 18 Pw en leiden tot een verlaging van de bijstand bijhet niet voldoen eraan. Deze verplichtingen zijn streng en knellend envoor degenen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vaak niet reëel.En hoewel wel algemeen geldend, worden zij door het merendeel van dedoelgroep – 60% – niet als op hen van toepassing ervaren.De op arbeidsinschakeling gerichte generieke en specifieke verplichtingenmissen hierdoor hun effect op een groot deel van de bijstandspopulatieen zijn moeilijk uitvoerbaar door de gemeenten. Met de in dit hoofdstukvoorgestelde maatregelen wil de regering – de heterogene samenstellingvan de doelgroep van de Participatiewet indachtig – werken aan een wetwaarin meer rekening wordt gehouden met ieders mogelijkheden, zekerwat betreft een significant deel van de bijstandspopulatie voor wie de wegnaar arbeidsinschakeling lang is.De voorstellen uit dit hoofdstuk moeten worden gezien als een samen-hangend pakket. Deze voorstellen leiden er toe dat knellende bepalingenuit de Participatiewet worden geschrapt. Beoogd wordt dat de wet straksprofessionals bij gemeenten duidelijkheid en ruimte biedt voor differen-tiatie in participatievormen, met oog voor de aan bijstand verbondenverplichtingen en een meer gedifferentieerd en passend maatregelen-regime. Daarbij beoogt de regering ook bijstandsgerechtigden, vooral henvoor wie arbeidsinschakeling niet direct aan de orde is, meer ruimte tebieden om hun de maatschappelijke participatie zelf vorm te geven.In de volgende paragrafen licht de regering de maatregelen nader toe. Inparagraaf 5.2 wordt de introductie van een generieke participatieplichttoegelicht. Vervolgens wordt in paragraaf 5.3 ingegaan op de ruimte voorhet eigenstandig vormgeven van maatschappelijke participatie en inparagraaf 5.4 op de ondersteuning die daarbij geboden kan worden. Inparagraaf 5.5 wordt ingegaan op het ontheffingenkader. In paragraaf 5.6wordt nader ingegaan op een gedifferentieerd maatregelenbeleid. Daarnawordt in paragraaf 5.7 ingegaan op de wijzingen van de Participatiewet inverband met de ruimte voor mantelzorg. Tot slot wordt in paragraaf 5.8ingegaan op de verbreding van het experimenteerartikel.5.2 Een generieke participatieplicht en maatschappelijke participatie(artikelen 9, 18, 18b Pw) 5.2.1 Generieke participatieplicht Gelet op het voorgaande, wordt voorgesteld om in de wet alleen vast tehouden aan de generieke participatieplicht. Voorgesteld wordt om de inartikel 18 van de wet opgenomen maatregelen ten aanzien van het nietvoldoen aan de in die bepaling opgenomen specifieke arbeidsverplich-tingen, de bepalingen omtrent de taaleis, opgenomen in artikel 18b, Pw ende verplichting tot een tegenprestatie, opgenomen in artikel 9, eerste lid,onderdeel c, Pw (en daarmee samenhangende bepalingen)te latenvervallen. Uit de beleidsanalyse die aan voorliggend wetsvoorstel tenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 387 grondslag ligt en uit onderzoek van de Inspectie SZW (2017) blijkt dat dezezeer gedetailleerde verplichtingen niet altijd realistisch zijn en het leverenvan maatwerk compliceren.140 In hun reactie op dit onderzoekbenadrukken zowel de VNG als Divosa de behoefte aan handelings- enbeleidsruimte op dit gebied. De regering komt met de voorliggendewijzigingen tegemoet aan die behoefte.De generieke participatieplicht houdt in dat de bijstandsgerechtigdebetaald werk moet zien te behouden, verkrijgen en aanvaarden, aange-boden voorzieningen in het kader van re-integratie moet aanvaarden en,indien arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, naar vermogenmaatschappelijk te participeren (artikel 9, eerste lid, Pw). Deze verplich-tingen zijn van rechtswege verbonden aan de bijstand. Een in eengemeentelijk besluit begrepen mededeling met betrekking tot de vanrechtswege verbonden verplichtingen kan niet worden gezien als een oprechtsgevolg gericht besluit.141 Het uitgangspunt van de wet is – ook nual – dat de gemeenten de bijstand en de daaraan verbonden verplich-tingen afstemmen op de omstandigheden en mogelijkheden (enmiddelen) van de individuele bijstandsgerechtigde. Het nader invullen vandeze verplichtingen ten aanzien van de bijstandsgerechtigde is een besluitin de zin van de Awb.Hoofddoel van de Participatiewet is en blijft arbeidsinschakeling. Van eenieder die bijstand ontvangt en kan werken, mag onverminderd wordenverwacht dat hij er alles aan doet om via werk zelf in zijn bestaan tevoorzien, hetzij zelfstandig, hetzij met behulp van de gemeente. Maar ookvan bijstandsgerechtigden die de afstand tot de arbeidsmarkt niet op kortetermijn kunnen overbruggen, mag worden verwacht dat zij al dan niet methulp van de gemeente, naar eigen kunnen, in de maatschappij partici-peren. Participatie in de maatschappij draagt bij aan een gevoel vaneigenwaarde, voorkomt vereenzaming en bevordert een algemeenwelbevinden, ook als arbeidsparticipatie nog niet mogelijk is.De generieke participatieplicht werkt daarbij vanuit de beleidspremissedat maatschappelijke participatie, iemands welbevinden bevordert en datwelbevinden een van de meer bepalende elementen is om tot een zooptimaal mogelijke participatie te komen. Dit komt naar voren inpromotieonderzoek van János Betkó.142 Onderzoek van onder meer deErasmus Universiteit naar activering van langdurig werklozen benadruktdit ook.143De regering wil met het huidige wetsvoorstel werken aan een meergelijkwaardige positie van andere vormen van participatie dan arbeid,zoals bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. Dat vertaalt zich zoals bovenbeschreven in een brede algemene participatieverplichting. Van belang isdat de gemeente en betrokkene goed contact met elkaar hebben op basisvan vertrouwen. En dat duidelijkheid bestaat over de rechten en plichtenen de invulling daarvan, zodat ook de wederzijdse verwachtingen duidelijkzijn en teleurstellingen kunnen worden voorkomen.140Handhaving arbeidsverplichtingen, Inspectie SZW, bijlage bij Kamerstukken II 2017/18,34 352, nr. 64.141CRvB 12 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT5884142J. Betko, Effects of Welfare Policies based on autonomy and unconditionality, a socialexperiment with social assistance recipients (Nijmegen, 2023).143Bastiaans c.s. Activating the Long-Term Inactive: Labor Market and Mental Health Effects.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 388 5.2.2 Maatschappelijke participatie De regering stelt voor om het begrip sociale activering te vervangen doormaatschappelijke participatie. Met deze wijziging beoogt de regeringbijstandsgerechtigden en gemeenten meer ruimte te bieden voor hetvormgeven en nader invullen van de verplichtingen binnen de generiekeparticipatieplicht. Tegenover die verplichtingen staat dat de bijstandsont-vanger de ruimte krijgt om de op hem rustende verplichting totmaatschappelijke participatie eigenstandig vorm te geven. Daarnaastregelt voorliggend wetsvoorstel aanspraak op ondersteuning bij hetvormgeven van maatschappelijke participatie, wanneer bijstandsgerech-tigde daaraan behoefte heeft. Deze bredere aanspraak op ondersteuningwordt gecombineerd met een opdracht aan de gemeente om hier in eenverordening beleid op te ontwikkelen.Het begrip maatschappelijke participatie benadrukt dat participatie brederis dan enkel activiteiten die (direct) gericht zijn op arbeidsinschakeling.Maatschappelijke participatie wordt gedefinieerd als het verrichten vanonbeloonde activiteiten, gericht op deelname aan het maatschappelijkleven. Het beslaat een breed palet aan activiteiten. De activiteiten kunnenbestaan uit het verrichten van mantelzorg of een vorm van vrijwilli-gerswerk, maar het kan ook bestaan uit het deelnemen aan activiteiten ineen wijk of buurt, bijvoorbeeld om uit een sociaal isolement te komen.Ook een cursus of training kan deel uitmaken van de activiteiten in hetkader van maatschappelijke participatie, bijvoorbeeld taalonderwijs in hetkader van inburgering en zo werken aan de ontwikkeling van hunzelfstandige deelname aan de maatschappij, met als uiteindelijk resultaatdeelname aan de arbeidsmarkt. Het is uitdrukkelijk de bedoeling om ditbegrip niet te sterk in te kaderen. Dit geeft de praktijk en de bijstandsge-rechtigde – vanuit goed vertrouwen – de ruimte om de maatschappelijkeparticipatie in te vullen.Van bijstandsgerechtigden mag worden verwacht dat zij zo optimaalmogelijk participeren binnen de maatschappij. Vanuit het perspectief vande samenleving is zelfstandig in je bestaan voorzien de meest optimalevorm. Daarom blijft de prioriteit – ook met de introductie van maatschap-pelijke participatie binnen de generieke participatieplicht – liggen bijarbeidsinschakeling, maar wel vanuit het besef dat dit voor een grotedeelpopulatie binnen de bijstand (tijdelijk en soms duurzaam) geen reëelperspectief is. Maatschappelijke participatie is in sommige situaties hetmaximaal haalbare en (nog) niet op arbeidsinschakeling gericht. Doormiddel van maatschappelijke participatie kunnen mensen, ook zij met eengrote afstand tot de arbeidsmarkt, op een andere manier een zinvollebijdrage leveren aan de maatschappij. Maatschappelijke participatie kandus zowel voor mensen, die op kortere termijn of op de wat langere duurwel zouden kunnen werken, van toegevoegde waarde zijn op de routenaar betaald werk. In de paragrafen 5.3 en 5.4 wordt nader ingegaan ophet recht op eigenstandig vormgeven van maatschappelijke participatieen het recht op ondersteuning daarbij.5.2.3 Nader invullen verplichtingen Het is aan de gemeente om zich een beeld te vormen van de mogelijk-heden van bijstandsgerechtigde om te werken – nu, op den duur of nooit –of om anderszins te participeren. Dat is op zich geen nieuw gegeven. Hetis staand beleid dat de gemeente de aan bijstand verbonden verplich-tingen afstemt op de mogelijkheden en omstandigheden van de bijstands-gerechtigde (artikelen 9 en 18, eerste lid, Pw).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 389 Daarbij kan de gemeente in een individuele situatie de afweging makendat bijvoorbeeld de verplichting om mee te doen aan eenre-integratievoorziening of om maatschappelijk te participeren tijdelijkvoorgaat boven de verplichting om te solliciteren. Benadrukt moetworden dat maatschappelijke participatie als re-integratievoorziening doorde gemeente kan worden aangeboden, waaraan mitsdien moet wordenmeegewerkt. Maar maatschappelijke participatie kan als onderdeel van degenerieke participatieplicht ook een eigenstandige verplichting zijn voormensen die nog niet aan arbeidsinschakeling toe zijn. Zorgvuldigecommunicatie van gemeenten met een bijstandsgerechtigde over de vantoepassing zijnde verplichtingen is essentieel. Alleen als een bijstandsge-rechtigde weet wat van hem wordt verlangd, kan de gemeente hem daaraan houden en eventueel erop aanspreken als bijstandsgerechtigde zijnverplichtingen niet nakomt.Zoals eerder benoemd, dient het college bij het afstemmen van deverplichtingen, rekening te houden met de omstandigheden en mogelijk-heden van de bijstandsgerechtigde (artikelen 9 en 18, eerste lid, Pw).Zodoende kunnen activiteiten worden afgesproken met de bijstandsge-rechtigde die reëel zijn en kunnen verplichtingen worden opgelegd dieook kunnen worden nagekomen. Het nader invullen van de generiekeparticipatieplicht geeft gemeenten de ruimte om met bijstandsgerech-tigden, waar nodig, afspraken te maken over hun activiteiten, wat zij vande gemeente kunnen verwachten en wat andersom de gemeente van debijstandsgerechtigden verwacht. De effectiviteit van de opgelegdeverplichtingen wordt hiermee naar verwachting vergroot. Ook draagt ditbij aan wederzijds vertrouwen en commitment. Voor de volledigheidwordt opgemerkt dat het nader invullen van de generieke participatie-plicht achterwege kan blijven als de gemeente meent dat daar gezien deomstandigheden en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde geenaanleiding voor is. Het is goed denkbaar dat de gemeente van oordeel isdat voor een bijstandsgerechtigde volstaat deze te houden aan dewettelijke eis tot het verkrijgen, aanvaarden en behouden van arbeidzonder daarbij gespecificeerde verplichtingen te stellen. In een anderesituatie kan een gemeente het nodig vinden om concrete afspraken temaken over bijvoorbeeld het aantal te verrichten sollicitaties per week of– indien de bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal onvoldoendebeheerst – de verplichting om te zorgen voor een passende taalbe-heersing.Door de bovengenoemde wijzigingen ontstaat geen nieuwe taak voorgemeenten. Gemeenten krijgen extra ruimte de verplichtingen nader in tevullen en de verplichtingen meer passend te handhaven. Het is aangemeenten om dat vorm te geven binnen de budgettaire kaders waaroverzij de beschikking hebben en waarover op lokaal niveau besluitvormingplaatsvindt. De wijzigingen bieden in samenhang dus meer mogelijk-heden om, in de gesprekken die de gemeenten al voeren met bijstandsge-rechtigden, meer toegesneden verplichtingen op te leggen, zodatbijstandsgerechtigden beter invulling kunnen geven aan de op hemrustende verplichtingen en mocht dat onverhoopt toch niet altijd het gevalzijn dan zal de gemeente beter passend kunnen optreden (zie verderparagraaf 5.6). Naast maatschappelijke participatie al dan niet op eigeninitiatief (zie ook paragraaf 5.3), kan de gemeente maatschappelijkeparticipatie ook als een voorziening in het kader van iemands re-integratieaanbieden (artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Pw). Maatschappelijkeparticipatie is dan onderdeel van de arbeidsinschakeling, het kan eeneerste stap zijn op weg naar werk. De bijstandsgerechtigde is danverplicht mee te werken aan deze voorziening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 390 5.3 Ruimte voor het eigenstandig vormgeven van maatschappelijkeparticipatie (artikel 9, achtste lid, Pw) Maatschappelijke participatie kan door de gemeente als eenre-integratievoorziening worden aangeboden. Bijstandsgerechtigden zijnverplicht hieraan mee te werken. Daarnaast kan een bijstandsgerechtigdedie nog niet aan arbeidsinschakeling toe is de generieke participatieplichtinvullen met maatschappelijke participatie. De gemeente kan dit afsprekenmet betrokkene en aanbieden, maar betrokkene kan ook zelf het initiatiefnemen. Voorgesteld wordt om de bijstandsgerechtigden het recht tegeven om maatschappelijke participatie zelf vorm te geven. Het wettelijkkader van de Participatiewet gaat primair uit van arbeidsvermogen enarbeidsinschakeling. Daardoor gaat momenteel te weinig aandacht uitnaar mensen zonder (direct) perspectief op betaald werk. De mensen voorwie arbeidsinschakeling niet of op korte termijn niet aan de orde is, rakendikwijls buiten beeld en worden slechts sporadisch gesproken.144 Zijvoelen zich niet gezien of gehoord en voelen ook niet de ruimte om zelfinitiatieven te nemen om maatschappelijk te participeren, zoals bijvoor-beeld het volgen van een cursus, het verrichten van vrijwilligerswerk ofhet verlenen van mantelzorg. Dit heeft ook te maken met wederzijdsgebrek aan vertrouwen tussen de overheid en de mensen om wie het gaat(zie ook paragraaf 1.2).De focus op arbeidsinschakeling, de arbeids- enre-integratieverplichtingen van de Participatiewet zoals die op dit momentluiden en worden toegepast, en het regime van maatregelen bij het nietnakomen van de verplichtingen door de bijstandsgerechtigde,weerhouden de bijstandsgerechtigde ervan om dergelijke initiatieven tenemen. Of er moet door de gemeente – zoals ingeval van zorgtaken –expliciet tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting worden verleend.Het uit eigen beweging zetten van deze stappen kan mensen echter juistperspectief geven, inspiratie en energie, waardoor mensen soms (optermijn) ook de stap kunnen zetten richting arbeidsmarkt. Het recht om demaatschappelijke participatie zelf vorm te geven is daarom verankerd inhet voorgestelde artikel 9, achtste lid, Pw. Dit recht bestaat mits het geenbelemmering vormt voor arbeidsinschakeling of verdringing op dearbeidsmarkt.Het is uiteindelijk de gemeente die beoordeelt of de zelf geïnitieerde vormvan participatie voldoet aan de wettelijke criteria. Zoals gezegd mag geensprake zijn van het belemmeren van arbeidsinschakeling of vanverdringing. De gemeente zal handhavend moeten optreden als blijkt datde mogelijkheden en omstandigheden van een bijstandsgerechtigde hemniet in de weg staan om betaald werk te verrichten, maar hij niettemin dezelf geïnitieerde vorm van maatschappelijke participatie blijft uitoefenen.Binnen het creëren van een meer gelijkwaardige positie van anderevormen van participatie passen ook de voorstellen over mantelzorg.Mantelzorg is van grote waarde voor de samenleving. Vanuit hetperspectief van de Participatiewet blijft arbeidsinschakeling natuurlijk vanhet hoogste belang, maar daar waar dit de arbeidsinschakeling nietbelemmert of arbeidsinschakeling (tijdelijk) buiten beeld is, moetvoorkomen worden dat bijstandsgerechtigden drempels ervaren als zij demaatschappelijke participatieplicht door middel van mantelzorg willeninvullen. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 5.7.144Nederlandse Arbeidsinspectie: Spiegel bestaanszekerheid 2022, bijlage bij Kamerstukken II2022/23, 36 200 XV, nr. 89.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 391 5.4 Ondersteuning bij maatschappelijke participatie (artikelen 8a en 10Pw) Voorgesteld wordt om de mensen die deel uitmaken van de doelgroepvan de Participatiewet een aanspraak te geven op ondersteuning bijmaatschappelijke participatie (artikel 10 Pw), al dan niet gericht oparbeidsinschakeling. De gemeenten kunnen maatschappelijke participatieaanbieden als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling in het kadervan de re-integratieverplichting, maar ook mensen voor wie arbeidsin-schakeling nog niet mogelijk is ondersteunen naar maatschappelijkeparticipatie (artikel 7, eerste lid, Pw). De gemeenten moeten hun beleidhiervoor vastleggen in een verordening (artikel 8a Pw).Een bijstandsgerechtigde kan zelf vorm geven aan maatschappelijkeparticipatie. Complementair daaraan creëert dit wetsvoorstel ook eenaanspraak op ondersteuning hierbij, wanneer betrokkene niet zelfstandigin staat is om hier invulling aan te geven. Ondersteuning hoeft niet altijdin te houden dat gemeenten activiteiten of voorzieningen aanbieden. Hetkan ook betekenen dat mensen over een drempel worden geholpen omzelf in beweging te komen of dat zij door de gemeente worden gewezenop bestaande initiatieven en activiteiten waar de persoon aan kandeelnemen.De gemeenten krijgen in verband hiermee de opdracht om bij verordeningregels te stellen ten behoeve van het ondersteunen bij maatschappelijkeparticipatie. Niet alleen voor die situaties waarin de bijstandsgerechtigdehiertoe zelf het initiatief neemt, maar ook voor die situaties waarin degemeente de bijstandsgerechtigde een aanbod doet van maatschappelijkeparticipatie. Bij dit laatste kan de gemeente in de verordening bijvoor-beeld – vergelijkbaar met de huidige tegenprestatie – tot uitdrukkingbrengen op welke wijze zij uiting wil geven aan het aspect wederke-righeid. Daarnaast kan bijvoorbeeld ook worden vastgelegd hoe degemeente binnen de vormgeving van de maatschappelijke participatieeen relatie legt met de Wmo 2015. De beleidsdoelstellingen van deParticipatiewet en de Wmo 2015 liggen in elkaars verlengde en versterkenelkaar. Door de uitvoering van zowel de Participatiewet als de Wmo 2015op lokaal niveau kan integraal sociaal beleid worden gevoerd.145Doordat gemeenten dit in hun verordening moeten vastleggen, wordt oplokaal niveau aan de bijstandsgerechtigde duidelijkheid geboden over watdeze van de gemeente kan verwachten. De besluitvorming hierover vindtbinnen het lokale democratische bestel plaats. Het is voor de mensen omwie het gaat van belang dat zij of hun vertegenwoordigers wordenbetrokken bij de vormgeving van dat beleid. In verband hiermee wil deregering expliciet de aandacht van gemeenten vestigen op artikel 47 Pwwaarin het betrekken van cliënten bij het ontwikkelen van beleid isvoorgeschreven. Doordat gemeenten het beleid op decentraal niveaukunnen uitwerken kan een goede balans worden gecreëerd tussenambities en de beschikbare middelen daarvoor. Een gedecentraliseerdstelsel brengt met zich mee dat de besluitvorming van de ene gemeenteover ondersteuning kan afwijken van de andere gemeente. Dat is op zichlegitiem.Om de verdere beleidsvorming op het terrein van maatschappelijkeparticipatie te ondersteunen, acht de regering het ook wenselijk om demogelijkheden tot experimenteren binnen dit kader te verbreden. Hieropwordt nader ingegaan in paragraaf 5.8.145Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 110Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 392 5.5 Verruiming tijdelijke ontheffingen (artikel 9, tweede lid, Pw) Voorgesteld wordt om gemeenten de mogelijkheid te bieden om eenbijstandsgerechtigde tijdelijk te ontheffen van de arbeidsverplichting, deverplichting om mee te werken aan re-integratie alsook van deverplichting tot maatschappelijke participatie (artikel 9, tweede lid, Pw).Bij het toespitsen van de verplichtingen op een individuele bijstandsge-rechtigde is het nodig dat een gemeente diegene ook tijdelijk kanontheffen van een of meer verplichtingen binnen de generieke participa-tieplicht, als er dringende redenen zijn. De wet omschrijft dat het hebbenvan zorgtaken onder voorwaarden een dringende reden kan zijn. Dedringende reden kan ook te maken hebben met andere in de persoon ofzijn persoonlijke situatie gelegen redenen. Ook een medische belem-mering kan in een individuele situatie een reden zijn om een bijstandsge-rechtigde tijdelijk te ontheffen van één of meer verplichtingen binnen degenerieke participatieplicht. Voor een juiste individuele beoordelingverdient het aanbeveling dat gemeenten zich zoveel mogelijk latenadviseren door onafhankelijk externe deskundigen. Dat geldt ook voor determijn van de tijdelijke ontheffing. Het opleggen van verplichtingenwaarvan duidelijk is dat de bijstandsgerechtigde die (nog) niet kannakomen is niet effectief. Wanneer er een kans is dat diegene op (langere)termijn aan het werk gaat, blijft hij of zij in het algemeen wel gehoudennaar vermogen maatschappelijk te participeren. Dit hoeft in beginsel niette knellen gelet op de ruime interpretatie van het begrip maatschappelijkeparticipatie en de mogelijkheid hieraan eigenstandig vorm te geven.Maatschappelijke participatie kan op een lichte wijze worden ingevuld.Toch zijn er situaties denkbaar dat zelfs dat tijdelijk teveel gevraagd is. Demenselijke maat is ook bij het verlenen van tijdelijke ontheffingen denorm. Naast de mogelijkheid om een bijstandsgerechtigde tijdelijk teontheffen van de arbeidsverplichting wordt het mogelijk om betrokkenetijdelijk te ontheffen van de re-integratieverplichting en van deverplichting tot maatschappelijke participatie. De professional bij degemeente staat dichtbij de bijstandsgerechtigde en kan hierin de juisteafweging maken.5.6 Een gedifferentieerd maatregelenbeleid (artikelen 18 en 18b Pw) Voorgesteld wordt een gedifferentieerd maatregelenbeleid in te voeren.Daarom wordt voorgesteld om in artikel 18 Pw enkele leden te schrappenen een grondslag op te nemen voor een amvb waarin nadere regelsgesteld kunnen worden ten aanzien van het verlagen van de bijstand alsverplichtingen niet worden nagekomen.Oog voor heterogeniteit van de doelgroep, vraagt ook om differentiatiebinnen de handhaving van de inspanningsverplichtingen. De Participa-tiewet kent nu in artikel 18, vierde tot en met achtste lid, Pw en artikel 18bPw stevige, landelijk genormeerde standaardverlagingen van debijstandsuitkering bij het niet nakomen van arbeids-, enre-integratieverplichtingen. Dit zijn de zogenaamde geüniformeerdeverplichtingen. Dit wordt door zowel gemeenten als bijstandsgerech-tigden veelal als te strikt en disproportioneel ervaren. Bij de evaluatie vande Participatiewet werd in dat kader al aangegeven dat de gemeente ervaak voor kiest alsnog geen verlaging op te leggen omdat die teontwrichtend is en niet het grotere belang dient.Ook maatschappelijk is er sinds enige tijd een veranderde kijk opschulden, uitkeringen en handhaving. Eerder werden schuldenproble-matiek en het belanden in een uitkering als de bijstand gezien als iets watiemand kan voorkomen. Tegenwoordig is er meer begrip en aandachtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 393 voor de omstandigheden dat iemand (al dan niet tijdelijk) in de problemenkan komen. Ook de rol van de overheid en de soms ingewikkeldewetgeving worden hierin steeds meer belicht. Daarnaast komt er steedsmeer aandacht voor de mate van zelfredzaamheid en het doenvermogenvan bijstandsgerechtigden.Deze inzichten en veranderde kijk vragen om een gedifferentieerder beleidwaarop uitkeringen worden verlaagd bij het niet nakomen van verplich-tingen. Dit is – na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel – mogelijk in eenamvb. Het maatregelenbeleid onder de Pw, IOAW en IOAZ wordtopgenomen in het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. Daarbijworden de verplichtingen, in lijn met de in dat besluit gehanteerdesystematiek, ingedeeld in een viertal naar zwaarte oplopende categorieën.Naarmate een verplichting in een hogere categorie is ingedeeld, wordteen maatregel van een hogere categorie opgelegd. De categorieën kenneneen onder- en een bovengrens. In beginsel zal de gemeente een maatregelmoeten opleggen wanneer niet aan de verplichtingen wordt voldaan (engeen sprake is van afwezigheid van verwijtbaarheid of dringende reden).Echter, het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om in het genoemdebesluit te bepalen dat voor bepaalde categorieën verplichtingen door degemeente kan worden afgezien van het opleggen van een maatregel. Deregering is voornemens dit in ieder geval mogelijk te maken voor deeerste twee van de vier categorieën en onderzoekt nog of dit ook voor dederde en de vierde categorie wenselijk is in het kader van het naderuitwerken van het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid. Dewijzigingen die in dit voorstel zijn opgenomen zullen zo nodig naderworden afgestemd op het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid (zieook paragraaf 2.5).De wetgever is niet in staat alles uitputtend te regelen. Bovendien kennende Participatiewet (als laatste vangnet) en de aanverwante regelgevingook unieke, eigenstandige verplichtingen, die niet in alle socialezeker-heidswetten zitten. Daarom geeft een verordening (of in het geval van deSVB een beleidsregel) ruimte tot nadere invulling binnen de kaders van dewet en de amvb. De verplichting tot het opstellen van een verordeningblijft bestaan ten behoeve van deze nadere invulling van de genoemdekaders. Daarnaast is het niet goed mogelijk om een maatregel ten aanzienvan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorzieningin het bestaan in een categorie in te delen. Ook dit is een onderwerp datnader bij verordening uitwerking blijft vragen.5.7 Ruimte voor mantelzorg (artikel 3, tweede lid, en artikel 33, zesde lid,Pw) Mantelzorgers zijn in de ogen van de regering van onschatbare waardevoor de mensen aan wie zij ondersteuning en zorg verlenen. Ze zijndaarmee ook essentieel voor de samenleving als geheel. Mantelzorgershelpen een familielid, vriend of buurtgenoot met praktische dagelijksedingen, zoals koken, boodschappen doen of schoonmaken. Zij helpen bijhet douchen, zien erop toe dat de medicijnen worden geslikt, regelen deadministratie en doktersafspraken of nemen andere vormen van informelezorg voor hun rekening. Het is onbaatzuchtige en onmisbare zorg die vaakvoortkomt uit een bepaalde mate van plichtsbesef. Dankzij de miljoenenmensen die voor hun naaste zorgen, kunnen veel mensen langer thuisblijven wonen, in de eigen, vertrouwde omgeving. En helpen we elkaar alshet tegenzit of er beperkingen zijn.De regering constateert dat bijstandsverlening en mantelzorg soms opgespannen voet met elkaar staan. Zo kan op grond van de huidigeParticipatiewet de verleende mantelzorg in sommige gevallen als op geldTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 394 waardeerbare arbeid worden aangemerkt.146 Daarmee kan het voorbijstandsgerechtigde mantelzorgers een korting op de uitkering tot gevolghebben. Ook kan het gebruiken van een «en/of rekening» door eenbijstandsgerechtigde die mantelzorg verleent, gevolgen hebben voor hetrecht op bijstand. Dit omdat bij een en/of rekening ervan wordt uitgegaandat de mantelzorger in ieder geval redelijkerwijs kan beschikken over hettegoed (behoudens tegenbewijs), zodat dit tot zijn middelen wordtgerekend.147 Daarnaast kan mantelzorg een dermate intensief karakterkrijgen dat de mantelzorger een groot deel van de tijd bij de hulpbehoe-vende verblijft of zelfs bij de hulpbehoevende intrekt. Als een mantel-zorger meer dan de helft van de week woont bij de persoon die hij/zijverzorgt, kan dit – als die niet onder een van de uitzonderingen vanartikel 3 Pw valt – consequenties hebben voor het recht op bijstand omdatde bijstandsgerechtigde wordt aangemerkt als gehuwd/samenwonendmet de mantelzorgbehoeftige. Deze regels worden als te star ervaren.De regering wil met dit wetsvoorstel meer ruimte creëren voormantelzorg. Hoofdzakelijk door:1.In de wet mogelijk te maken dat ongehuwden (of daarmee gelijkge-stelde) samenwonenden, samen kunnen wonen zonder dat zij vallenonder het begrip gezamenlijke huishouding. Deze uitzondering op hetgezamenlijke huishoudingsbegrip geldt alleen wanneer sprake is vaneen zorgbehoefte en deze zorgbehoefte zo intensief is dat deze leidt tothet samenwonen door een bijstandsgerechtigde.2.In de wet op te nemen dat mantelzorg niet kan worden gezien als oploon te waarderen arbeid.Hiervoor worden de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 33 Pwaangepast.5.7.1 Mantelzorg en een gezamenlijke huishouding (artikel 3, tweede lid,Pw) Wanneer er naar aanleiding van een zorgbehoefte sprake is vanmantelzorg, kan het nodig zijn dat de mantelzorger een groot deel van detijd bij de hulpbehoevende verblijft of zelfs bij de hulpbehoevende intrektof andersom. Als ook sprake is van wederzijdse zorg, kan dit gevolgenhebben voor het recht op bijstand, omdat dan wordt aangenomen datsprake is van een gezamenlijke huishouding.148 Van belang daarbij is datop basis van de jurisprudentie ook wederzijdse zorg kan worden aange-nomen, wanneer de zorg – zoals bij verzorgingsbehoeftigheid – in hogemate eenzijdig is.Voorgesteld wordt om het tweede lid, onderdeel a, Pw op twee onder-delen te wijzigen. Ten eerste, als een zorgbehoefte zo intensief is (ziehieronder) dat deze leidt tot het samenwonen door een bijstandsgerech-tigde, wordt dit niet aangemerkt als gezamenlijke huishouding. Dit isuitsluitend het geval wanneer er sprake is van een zorgbehoefte en alsgevolg hiervan een intensieve vorm van mantelzorg nodig is enuitsluitend gedurende de periode dat die zorg wordt verleend. Dezesituatie geldt, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap.146ECLI:NL:RBMNE:2022:4718. Zie voor een tegengesteld oordeel: ECLI:NL:RBSGR:2006:AY7998.147ECLI:NL:CRVB:2015:4542.148Dat sprake is van mantelzorg, doet niet ter zake. Dit is het geval omdat bij de beoordeling vande vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, de tussen de betrokkenen bestaanderelatie, hun subjectieve gevoelens daaromtrent en het motief voor het voeren van degezamenlijke huishouding buiten beschouwing moeten blijven: ECLI:NL:CRVB:2016:3585.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 395 Voor de definitie van zorgbehoefte verwijst de regering naar de huidigelijn in de jurisprudentie. Een zorgbehoefte wordt aangenomen als deverzorgingsbehoeftige door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke ofgeestelijke stoornis:•ofwel in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting;•ofwel duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meestealgemene dagelijkse levensverrichtingen; of,•ofwel duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijkgevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.149Het is van belang te benadrukken dat deze genoemde voorwaarden nietcumulatief, maar alternatief zijn. Voor de volledigheid wordt opgemerktdat mantelzorg in welke vorm dan ook (intensief of niet) een dringendereden kan zijn op basis waarvan het college ontheffing verleent van dearbeidsverplichting (artikel 9, tweede lid, Pw).Per geval zal het college dienen te beoordelen of er sprake is van eenzorgbehoefte die dermate intensief is, dat een uitzondering op degezamenlijke huishouding gerechtvaardigd is. Wanneer dit het geval is,wordt het inkomen en eventueel vermogen van zowel de zorgbehoeftigeals de mantelzorger niet meegerekend bij het bepalen van het recht opbijstand voor degene die de zorg verleent dan wel zorg ontvangt. Deregering acht dit gerechtvaardigd gelet op het grote belang dat zij hechtaan het verlenen van mantelzorg. Dit is een onmisbare vorm van zorg inonze samenleving. Bovendien geldt dat het begrip zorgbehoefte, zoalsdeze al wordt toegepast in de rechtspraak, strikte voorwaarden kent. Indrie limitatief opgesomde situaties is er sprake van een zorgbehoefte diedermate intensief is dat dit een uitzondering op de gezamenlijkehuishouding rechtvaardigt voor de periode dat deze zorg wordt verleend.De verwachting is dat deze uitzondering slechts in een beperkt aantalgevallen van toepassing is. De bovenstaande uitzondering geldt niet alsmensen al langer hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en blijk gevenzorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdragein de kosten van de huishouding dan wel anderszins en er plots eenzorgbehoefte speelt. Op dat moment is de zorgbehoefte niet de aanleidingvoor het samenwonen. Zij woonden immers voor het ontstaan van dezorgbehoefte al samen en er is sprake van wederzijdse zorg.De voorgestelde wijziging komt tegemoet aan een aantal uitspraken vande CRvB150 en de Hoge Raad151, waarin het onderscheid tussen debehandeling van tweedegraads bloedverwanten en andere ongehuwdsamenwonenden als één van hen zorg behoeft, als een verbodenonderscheid is aangemerkt. Dit omdat het onderscheid in strijd is met hetverbod van discriminatie. Bij de eerste groep blijft gelijkstelling met eengehuwde namelijk achterwege, zodat de betrokkene aanspraak kan makenop bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij de andere groepwordt de betrokkene wel als gehuwde aangemerkt en wordt rekeninggehouden met de middelen van beide personen tezamen. Het voorstel isom dit onderscheid met deze wijziging te beëindigen. Daarbij is hetvoorstel geënt op mantelzorg, maar kan dit analoog worden toegepast opde incidentele situatie dat de inwonende verzorger professionele – vanuiteen PGB gefinancierde – hulp biedt. Dit voorstel verwerkt in die zin ook demeest recente uitspraak van de CRvB 24 januari 2023 in de wet.152149Zie CRvB 21 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2032.150Zie meest recent: CRvB 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:218.151ECLI:NL:HR:2017:3081152CRvB 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:218.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 396 In 2019 is door de toenmalige regering een wetsvoorstel ingediend, dat deuitzondering voor zorgbehoeftige tweedegraads familieleden uit de wetschrapte. Het wetsvoorstel is door de Eerste Kamer verworpen. Andersdan het eerdere voorstel kiest de regering er nu voor om in gevallenwaarbij het delen van een hoofdverblijf zijn aanleiding vindt in mantelzorgnaar aanleiding van een zorgbehoefte, geen gezamenlijke huishoudingaan te nemen.Het voorstel wijkt op twee onderdelen af van de huidige wet:a.De voorwaarde dat sprake moet zijn van een tweedegraads familie-band vervalt en de voorwaarde dat er sprake moet zijn van bloedver-wantschap; enb.De mantelzorg, waarvoor de zorgbehoefte aanleiding is, is bepalendvoor de vraag of de uitzondering van toepassing is.Doel en gevolgenDoor de uitzondering op het gezamenlijke huishoudingbegrip in te voerenwil de regering meer mogelijkheden creëren voor het bieden ofontvangen van mantelzorg vanuit de bijstand. Hierdoor zullen mantel-zorgers beter worden gefaciliteerd om hun maatschappelijk belangrijkezorgtaken uit te voeren en zijn er meer mogelijkheden voor hulpbehoe-venden om zo prettig als mogelijk langer thuis te blijven wonen. De hierboven beschreven uitzondering heeft geen invloed op de kostende-lersnorm.Omvang doelgroepDe regering heeft samen met gemeenten en SVB gepoogd de omvangvan bovengenoemde groep samenwonende mantelzorgers en mantel-zorgbehoevenden in kaart te brengen. Omdat het hier om zeer geringeaantallen gaat, is het niet mogelijk om een inschatting te kwantificeren. Deinschatting is dat het bij grote gemeenten om enkele gevallen per jaargaat. Voor de inschatting van de budgettaire gevolgen is rekeninggehouden met ruim 600 extra uitkeringen.Werken aan arbeidsinschakelingWanneer mensen naar aanleiding van de zorgbehoefte een intensievevorm van mantelzorg verlenen en daarbij bijstand ontvangen, is dit nietper definitie reden om ontheven te worden van de arbeidsverplichting. Deregering acht arbeidsparticipatie van groot belang. Door deelname aanarbeid kan de mantelzorger niet alleen voorzien in het eigen inkomenmaar blijft diegene ook actief in de samenleving. Dat draagt bij aan eenbetere welbevinding en toekomstperspectief, bijvoorbeeld als mantelzorgniet meer of in mindere mate aan de orde is. Daarom vindt de regeringhet wenselijk dat ook deze mantelzorgers in de eerste instantie werkenaan hun arbeidsinschakeling. Alleen als er dringende redenen zijn diemaken dat arbeidsinschakeling niet aan de orde is, kunnen gemeententijdelijk ontheffing van de arbeidsverplichting bieden. Intensieve zorgtakenkunnen een dringende reden zijn. De huidige Participatiewet gaat hier opdit moment al van uit. Dit uitgangspunt wordt niet aangepast. Andersomkan het omgekeerde gelden: wanneer wegens intensieve mantelzorgiemand van de arbeidsverplichtingen wordt ontheven kan – zonderaanvullend onderzoek – ook de uitzondering op het gezamenlijkehuishoudingbegrip worden toegepast, indien aannemelijk is dat denoodzaak tot samenwonen voortvloeit uit de wens om intensievemantelzorg te kunnen verlenen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 397 Mantelzorg die volgt uit de definitie van zorgbehoefteWelke mantelzorg volgt uit de zorgbehoefte en hoe intensief deze is, issituatie- en persoonsafhankelijk. Aangenomen wordt sprake is van eenzorgbehoefte als een persoon voor een langere tijd en meerdere uren perweek zorgt voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevendfamilielid, partner of vriend. Op basis van praktijkervaringen vangemeenten en MantelzorgNL, de landelijke vereniging voor mantel-zorgers, kan over het algemeen worden gesteld dat er sprake is van«zorgbehoefte», zoals hierboven gesteld, als er mantelzorg nodig is vanmeer dan acht uur per week én langer dan drie maanden. Ook kan uit dedefinitie van «zorgbehoefte» worden afgeleid dat de mantelzorg noodza-kelijk is voor de hulpbehoevende om het eigen huishouden te voeren ende hulpbehoevende voor algemene dagelijkse levensverrichtingenaangewezen is op hulp.Het belangrijkste is om altijd de persoonlijke omstandigheden van demantelzorger en de mantelzorgbehoevende goed te wegen. In allegevallen is het van belang om in beeld te brengen welke zorgtakeniemand vervult, hoeveel uren iemand aan mantelzorg besteedt en hoezwaar deze taken zijn. Zoals nu veelal wordt gedaan bij het beoordelenvan een verzoek tot ontheffing van arbeidsverplichting. Hier zijn verschil-lende methoden voor die veel uitvoeringsdiensten van gemeenten in dehuidige uitvoeringspraktijk al toepassen. Hierbij spelen bijvoorbeeld defysieke en mentale gezondheid, leeftijd, en de grootte en complexiteit vanhet huishouden een belangrijke rol. Het is belangrijk dat rekening wordtgehouden met de context waarin de mantelzorgtaken worden verleend enof de draagkracht en de draaglast van de mantelzorger met elkaar inbalans zijn. De draagkracht is hetgeen een mantelzorger aankan, dedraaglast geeft aan hoe zwaar de zorg voor hem of haar is. Als er te lang,te veel van een mantelzorger wordt gevraagd, heeft dit negatievegevolgen. Zowel voor de lichamelijke als geestelijke gezondheid van demantelzorger. De regering vindt het van groot belang dat gemeentennadrukkelijk oog houden voor de belangen van de mantelzorger. Het isonwenselijk als de mantelzorger in de eigen ontwikkeling en toekomstper-spectieven te veel wordt ingeperkt door de zorgtaken.Inzet van een sociaal-medisch adviseurWanneer gemeenten beoordelen of in het kader van mantelzorgontheffing kan worden verleend voor de plicht tot arbeidsinschakeling,zetten gemeenten vaak een onafhankelijke derde/externe sociaal-medischadviseur in om de intensiteit van mantelzorg vast te stellen. Vanzelf-sprekend kan dit ook wanneer de intensiteit van de zorgbehoefte endaarmee ook die van de noodzakelijke mantelzorg in het kader van degezamenlijke huishouding moet worden vastgesteld. Of wanneer moetworden vastgesteld of de mantelzorg noodzakelijk is voor de hulpbehoe-vende om zo lang mogelijk thuis te kunnen blijven wonen. De regering wildat gemeenten de vrijheid houden om zelf te kunnen vaststellen of ersprake is van intensieve mantelzorg. De gemeente kan uiteraard ook eenonafhankelijke derde/externe sociaal-medisch adviseur inzetten. In datgeval is het dan aan de gemeente om in deze specialist te voorzien.Hiermee wil de regering voorkomen dat de mantelzorger of de mantel-zorgbehoevende met deze taak worden belast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 398 5.7.2 Mantelzorg niet beschouwen als op loon te waarderen arbeid(artikel 33, zesde lid, Pw) Het verrichten van op geld waardeerbare arbeid is relevant voor het rechtop bijstand,153 omdat niet alleen van belang is het inkomen waarover debetrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waaroverredelijkerwijs kan worden beschikt.154Op dit moment kan verleende mantelzorg als op geld waardeerbarearbeid worden aangemerkt. Dit kan zowel de mantelzorger als zorgbehoe-vende in een voor hen financieel nadelige positie brengen omdat er eenkorting op de uitkering kan volgen. In de praktijk maken gemeenten al eenuitzondering als het om mantelzorg gaat. Dit wordt nu in de wet verduide-lijkt. In artikel 33, zesde lid, Pw wordt expliciet gemaakt dat mantelzorgniet kan worden beschouwd als op loon te waarderen arbeid. Hierbij hoortdat mantelzorgers geen toestemming hoeven te vragen voor het verlenenvan mantelzorg.Hier vallen situaties waarbij werkzaamheden worden verricht in ruil voorloon buiten. Bijvoorbeeld wanneer mensen tegen betaling uit eenpersoonsgebonden budget zorgen voor een familielid, partner of kennis.Daarom is in het wetsvoorstel expliciet opgenomen dat het omonbetaalde mantelzorg dient te gaan. Dit omdat inkomen, bijvoorbeeld uiteen persoonsgebonden budget gevolgen kan hebben voor het recht opbijstand.Doel en gevolgenDoor expliciet te maken dat intensieve mantelzorg niet kan wordenbeschouwd als op loon te waarderen arbeid, wordt duidelijk datmantelzorg een vorm van vrijwillige en onbezoldigde hulp is die wordtgegeven uit betrokkenheid en zorg voor de ander. Belangrijkstedoelstelling is, zoals ook voor de uitzondering op het gezamenlijkehuishouding begrip geldt, om het voor mantelzorgers makkelijker temaken om mantelzorg te verlenen, zonder zich zorgen te maken over degevolgen voor de uitkering. Met deze maatregel wil de regering voormantelzorgers de onzekerheid wegnemen dat het verlenen vanmantelzorg gevolgen kan hebben voor de hoogte van hun bijstandsuit-kering.5.8 Verbreding van het experimenteerartikel (artikel 83 Pw) Voorgesteld wordt om het experimenteerartikel te verbreden, waardoorexperimenten ook kunnen zien op maatschappelijke participatie, loonkos-tensubsidie en permanente ontheffingen. Ook wordt voorgesteld om deduur van experimenten te verlengen naar maximaal vijf jaar.Artikel 83 Pw bevat een experimenteerartikel dat gemeenten toestaat teonderzoeken hoe de wet op onderdelen financieel doelmatiger endoeltreffender uitgevoerd kan worden door van een beperkt aantalartikelen af te wijken. Het doel van de experimenten is om op wetenschap-pelijk gefundeerde wijze te onderzoeken wat werkt om bijstandsgerech-tigden volledig onafhankelijk te laten worden van de bijstand viauitstroom naar werk. Op dit moment vinden gemeenten de reikwijdte vanhet experimenteerartikel te beperkt. Centraal staat wat werkt ombijstandsgerechtigden uit te laten stromen naar (deeltijd)werk. Ook maakthet experimenteerartikel mogelijk om, met het oog hierop, te experimen-153Ongeacht de intentie en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten.154ECLI:NL:CRVB:2023:174.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 399 teren met nieuwe vormen van financiering. Gemeenten hebben aange-geven op meer gebieden nieuwe manieren te willen ontwikkelen ompersonen die vallen onder de Participatiewet beter te begeleiden naar(deeltijd)werk en andere vormen van participatie te stimuleren. Ook vanuitde Tweede Kamer klinkt de wens155 om experimenten uit te voeren,waarvoor het huidige experimenteerartikel geen ruimte biedt.De regering wil met dit wetsvoorstel tegemoetkomen aan de wens van deTweede Kamer156 en gemeenten om het experimenteerartikel uit tebreiden. Hierdoor krijgen gemeenten meer mogelijkheden om met nieuwewerkwijzen in de praktijk te ondervinden wat goed werkt – en wat niet –om mensen aan het werk te helpen of maatschappelijk mee te laten doenals arbeidsinschakeling (kort of langere tijd) niet in zicht is.In de inleiding van dit hoofdstuk is ingegaan op de heterogene samen-stelling van de doelgroep van de Participatiewet. Onderzoek wijst uit dattot de doelgroep ook mensen behoren die een zeer geringe tot geen kanshebben op uitstroom naar werk157. Het opleggen van verplichtingengericht op uitstroom zijn niet efficiënt en veroorzaken onnodigeonzekerheid en stress bij deze mensen. Mogelijk is dat ook de plicht totmaatschappelijke participatie die onderdeel gaat uitmaken van degenerieke participatieplicht voor sommige mensen niet realistisch is en totspanningen leidt. De regering wil in spoor 2 de positie van chronischzieken en gehandicapten in de Participatiewet bijzondere aandacht geven.In verband hiermee wil de regering het mogelijk maken te experimenterenmet andere criteria voor permanente ontheffing van bijstandsgerech-tigden. Het gaat specifiek om bijstandsgerechtigden die niet in staat zijnom aan de verplichtingen die deel uitmaken van de generieke participatie-plicht te voldoen, maar bij wie volledige en duurzame arbeidsonge-schiktheid op grond van de WIA criteria, zoals genoemd in artikel 9, vijfdelid, van de Participatiewet, niet is of kan worden vastgesteld. De resultatenvan het experiment kunnen worden gebruikt bij de verdere uitwerking vande Participatiewet in spoor 2.5.8.1 Verruiming reikwijdte experimenteerartikel Met het voorstel in voorliggend wetsvoorstel wordt de reikwijdte van hetexperimenteerartikel verbreed naar experimenten gericht op maatschap-pelijke participatie voor mensen wanneer arbeidsinschakeling(vooralsnog) buiten beeld is. Hierdoor wordt het mogelijk om ookexperimenten uit te voeren zonder (directe) uitstroomdoelstelling. Nu richthet experimenteerartikel zich alleen op experimenten die gericht zijn op(directe) volledige uitstroom en financiering. Hoewel de experimenten dienu al kunnen worden uitgevoerd ook effecten kunnen hebben opmaatschappelijke participatie, zijn doelgroepen die formele ontheffinghebben van arbeidsinschakeling vaak niet gebaat bij deze experimenten.Dit omdat de reikwijdte van het huidige experimenteerartikel gericht is opvolledige uitstroom naar werk.De regering wil het mogelijk maken dat voor groepen mensen experi-menten worden ontwikkeld die gericht zijn op maatschappelijke partici-patie. Doel van deze experimenten is om te onderzoeken hoe het welzijn,155Motie Palland en Kathmann over een experiment om in deeltijd aan het werk te gaan bij eenreguliere werkgever voor het wettelijk minimumloon of cao-loon (Kamerstukken II, 2023/24,36 410 XV, nr. 47)156zie de motie Kat c.s. over uitbreiding van het experimenteerartikel in de Participatiewet(Kamerstukken II, 2022/23, 35 925 XV, nr. 53)157Nederlandse Arbeidsinspectie 2022; SZW 2022 en Sociaal Cultureel Planbureau, Een bredeblik op bijstand; juni 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3100 de gezondheid en de maatschappelijke participatie kan worden versterkt,als arbeidsinschakeling (tijdelijk) buiten beeld is. Deelnemers aandergelijke experimenten zijn mensen die (langdurig of tijdelijk) nietkunnen participeren op de arbeidsmarkt. Het gaat dus om doelgroepenvoor wie de mogelijkheden die de Participatiewet biedt niet helpen om tewerken op een reguliere baan of beschut werk. De activiteiten die opgrond van deze experimenten worden uitgevoerd, bestaan uit werkzaam-heden die nuttig zijn, maatschappelijke meerwaarde hebben en diebijdragen aan de gezondheid en het welzijn van mensen.Verder ligt het voor de hand dat bij de uitvoering van deze experimentendomein overstijgend wordt gewerkt binnen Werk en inkomen, Wmo 2015,welzijn en gezondheid. Het experimenteren met als doel maatschappelijkeparticipatie kan op grond van de al in artikel 83 Pw limitatief opgesomdeartikelen. De reeks opgesomde artikelen wordt evenwel uitgebreid ommogelijk te maken dat ook experimenten met loonkostensubsidie zoalsbedoeld in artikel 10d van de Participatiewet kunnen worden uitgevoerd.Met het voorstel wordt tot slot de ruimte gecreëerd voor een experimentmet permanente ontheffing van de verplichtingen die deel uitmaken vande generieke participatieplicht voor mensen die niet aan deze verplich-tingen kunnen voldoen maar niet permanent kunnen worden ontheven opbasis van de criteria die genoemd worden in artikel 9, vijfde lid, van deParticipatiewet.Inkomensbeleid en handhaving vallen buiten de scopeZoals nu ook geldt, richt het experimenteerartikel zich nadrukkelijk niet ophet inkomensbeleid. Hiermee treedt het experimenteerartikel niet in hetaan de Rijksoverheid voorbehouden generieke inkomensbeleid. Ookwordt het domein «handhaving» buiten de scope van het experimenteer-artikel gelaten. Dit komt hoofdzakelijk omdat bij de herijking van hethandhavingsinstrumentarium een uniform wettelijk kader wordt geschetstvoor alle socialezekerheidswetten, er in dit wetsvoorstel wordt ingezet oppreventie om regelovertreding te voorkomen en – belangrijker nog – ermeer mogelijkheden ontstaan om bij het opleggen van sancties,maatwerk toe te passen. Daarnaast wordt nagedacht over pilotruimte voorgemeenten om te experimenteren met alternatieven voor het opleggenvan een boete of waarschuwing.5.8.2 Verruiming looptijd experimenten Naast de verbreding van de reikwijdte wordt voorgesteld om de maximaletermijn van experimenten te verruimen van maximaal drie naar maximaalvijf jaar Experimenten zijn per definitie van tijdelijke aard en de looptijddient dus beperkt te worden. Anderzijds dient er voldoende tijdbeschikbaar te zijn om conclusies te kunnen trekken over de effecten vaneen experiment en de eventuele bredere toepassing. Zo heeft het CentraalPlanbureau onlangs bij de evaluatie van de brede baten van experimentenop grond van de Participatiewet, geadviseerd om de looptijd vanexperimenten te verlengen. De verlenging van de looptijd van experi-menten kan namelijk positief zijn voor het vaststellen van de effectendaarvan. Daarom wordt voorgesteld experimenten maximale vijf jaar telaten duren. Dit is een maximale termijn die loopt vanaf de honoreringvan het experiment. Zes maanden voor het einde van de experimenteer-periode doen gemeenten verslag aan de Minister van SZW over hetexperiment. Hierna kan de regering uiterlijk drie maanden voor het eindevan een experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effectenvan het experiment in de praktijk, en ook een standpunt inzake devoortzetting ervan anders dan als experiment sturen aan de Staten-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3101 Generaal. De looptijd waarover gerapporteerd wordt is (gelet op determijnen voor voorbereiding en rapportage) dus effectief (driekwart jaar)korter dan 5 jaar.6. IOAW, IOAZ en Bbz 6.1 Inleiding De wijzigingen in de Participatiewet werken ook voor de AIO, uitgevoerddoor de SVB, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald. In dit hoofdstuk wordttoegelicht welke andere aanverwante regelgeving, met soortgelijkedoelstellingen en uitgangspunten als de Participatiewet, aanpassingbehoeven (paragraaf 6.3). Daarnaast wordt er een wijziging doorgevoerdin de IOAZ, hier wordt allereerst op ingegaan in paragraaf 6.2.De IOAW, de IOAZ en het Bbz bieden net als de Participatiewet eenaanvulling op het inkomen tot aan het sociaal minimum. Het zijn van deParticipatiewet afgeleide regelingen of zelfstandige regelingen die vanuiteen bepaalde doelstelling en doelgroep in het leven zijn geroepen. In degemeentelijke uitvoering zijn de Pw, de IOAW, de IOAZ en het Bbz sterkmet elkaar verweven. Het onderhavige wetsontwerp gaat er daaromvanuit dat de voorstellen die gelden voor de Participatiewet wordengevolgd, tenzij hiervan gemotiveerd wordt afgeweken aangezien de drieregelingen eigen doelstellingen, specifieke doelgroepen en bepalingenmet zich meebrengen.6.2 Toegang tot de IOAZ indien het bedrijf of zelfstandig beroep totmaximaal drie maanden terug is beëindigd Voorgesteld wordt om artikel 5, tweede lid, eerste en vierde onderdeel,van de IOAZ zodanig te wijzigen dat oudere gewezen zelfstandigen diehun bedrijf dan wel beroep tot uiterlijk drie maanden voor het indienenvan de aanvraag hebben beëindigd voor een IOAZ-uitkering inaanmerking kunnen komen.De omschrijving van een gewezen zelfstandige volgt uit artikel 2 IOAZ.Een gewezen zelfstandige is een persoon van ten minste 55 jaar oud dienog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt die na het bereikenvan 55 jaar de ondernemersactiviteiten heeft beëindigd (artikel 2, eerstelid, IOAZ). Er geldt dat deze gewezen zelfstandige voor de inkomensvoor-ziening afhankelijk dient te zijn geweest van arbeid in het eigen bedrijf ofberoep. Er wordt mede onder verstaan de persoon die tevens metanderen het bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in de vorm van eenmaatschap, een vennootschap onder firma of commanditaire vennoot-schap, indien de volledige zeggenschap in het bedrijf of beroep alleen ofmet die anderen werd uitgeoefend en de financiële risico’s van het bedrijfalleen of met die anderen werden gedragen (artikel 2, derde lid, IOAZ).Op dit moment komen gewezen ondernemers enkel voor eenIOAZ-uitkering in aanmerking indien zij ten tijde van de aanvraag hetbedrijf of beroep nog niet hebben beëindigd. Ten aanzien van gewezenzelfstandigen is het noodzakelijk geacht – vanwege het afwijkendekarakter van beroepsuitoefening tussen zelfstandigen en werknemers –een aantal bijzondere voorwaarden te stellen, die afwijken van devoorwaarden van de bestaande werkloosheidsregeling.158 Deze hebbendeels betrekking op vaststelling van het niet-verwijtbare karakter van hetbeëindigen van ondernemersactiviteiten, deels op de duur van het158Kamerstukken II 1986–87, 19 778, nr. 3, blz. 6 en SER, Advies inzake een sociale voorzieningten behoeve van ex-zelfstandigen, Den Haag 15 oktober 1976.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3102 arbeidsverleden. Het gaat immers om mensen die al een flink arbeidsver-leden hebben.Een van de eisen ziet op het nog niet beëindigd mogen hebben van hetbedrijf of beroep op het moment dat IOAZ wordt aangevraagd. Hetbeëindigen van een bedrijf of beroep brengt hectiek en onrust met zichmee. Het komt voor dat niet alle ondernemers, naast een zo goedmogelijke beëindiging van hun bedrijf of beroep, zich ook al bezig houdenmet de vraag voor welke voorzieningen zij in aanmerking zouden kunnenkomen. Vanuit signalen uit de praktijk is gebleken dat het een aantal keerper jaar voorkomt dat een gewezen zelfstandige zich net een aantal wekente laat meldt bij de gemeente: het bedrijf of beroep is al beëindigd In datgeval hebben de gewezen ondernemers op dit moment geen recht meerop IOAZ. Hierdoor lopen mensen voor wie deze regeling bij uitstek isbedoeld, deze regeling mis. Daarom wordt voorgesteld om gewezenondernemers die hun bedrijf of beroep tot drie maanden geleden hebbenbeëindigd, toegang te geven tot de IOAZ.De overige bijzondere voorwaarden voor het recht op een uitkering blijvendaarbij van kracht. Dit betekent onder meer dat het bedrijf of beroep passlechts beëindigd mag zijn na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar.Daarnaast betekent dit dat moet worden vastgesteld dat het bedrijf omniet-verwijtbare redenen is beëindigd. Bij de invoering van de IOAZ in1987 is aangegeven dat de aanvraag voor IOAZ moet zijn ingediend vóórde beëindiging van het bedrijf zodat de niet-verwijtbaar getoetst kanworden en oneigenlijk gebruik wordt tegengegaan. Anno 2024 is deregering van mening dat het goed mogelijk is om de niet-verwijtbaarheidook tot drie maanden terug te kunnen vaststellen. Immers, uit documen-tatie kan worden afgeleid dat het inkomen van de gewezen zelfstandige inde afgelopen drie boekjaren gemiddeld minder dan € 28.957,00 bedraagt(artikel 5, tweede lid, onder 2, IOAZ). Daarnaast zijn er geen redenen omaan te nemen dat deze wijziging tot meer oneigenlijk gebruik leidt.UitvoeringOm deze maatregel uit te voeren wordt van gemeenten gevraagd om tebeoordelen of het bedrijf of beroep nog wordt uitgeoefend, ofwel of hetbedrijf of beroep tot uiterlijk drie maanden terug is beëindigd. In de IOAZis bepaald dat, op het moment dat een gewezen ondernemer IOAZontvangt, binnen een periode van anderhalf jaar het bedrijf of beroepmoet beëindigen (artikel 5, tweede lid, onderdeel vier, IOAZ). De beoor-deling of het bedrijf of beroep is beëindigd wordt met de voorgesteldewijziging verplaatst naar het moment van aanvraag, als blijkt dat hiersprake van lijkt te zijn. De wijze van beoordelen of het bedrijf of beroepdaadwerkelijk is beëindigd wijzigt niet: gemeenten zijn hiermee bekend.De experts van gemeenten en de VNG geven aan dat de maatregel goeduitvoerbaar is.Eventuele samenloop maatregel terugwerkende krachtIn paragraaf 3.7 van deze toelichting is de maatregel bijstand metterugwerkende kracht toegelicht. Deze maatregel wordt ook opgenomenin de IOAZ (zie paragraaf 6.3.1). Het is mogelijk dat zowel de zojuistbeschreven maatregel en de maatregel terugwerkende kracht gelijktijdigworden toegepast. Dit is echter niet vanzelfsprekend: er moeten indivi-duele omstandigheden zijn die nopen om de IOAZ met terugwerkendekracht te verstrekken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3103 6.3 De IOAW en IOAZ Waar de IOAW toegankelijk is voor oudere werklozen, richt de IOAZ zichop oudere gewezen zelfstandigen. Beide regelingen worden ten opzichtevan de bijstand aangemerkt als voorliggende voorzieningen. Deregelingen zijn bedoeld voor personen op de arbeidsmarkt met een langarbeidsverleden en van wie wordt erkend dat een oudere leeftijd eenrisico op werkloosheid met zich mee kan brengen of een belemmering kanvormen voor de arbeidsinschakeling. Gezien de speciale positie van dezeoudere werkloze werknemers en ex-zelfstandigen zijn de IOAW en IOAZten opzichte van de Participatiewet milder op het gebied van de middelen-toets en arbeidsinschakeling. Zo geldt voor de IOAW dat het vermogengeheel wordt vrijgelaten, en geldt voor de IOAZ dat er een zeer ruimevermogensvrijlating is, waarbij de waarde van het vermogen onmiddellijkwordt vastgesteld nadat het bedrijf of beroep is beëindigd.159 Hetinkomen uit vermogen wordt daarbij jaarlijks vastgesteld op eenpercentage van het vermogen en maandelijks verrekend. En hoewel dedefinitiebepalingen van de begrippen arbeidsinschakeling en socialeactivering in de IOAW en IOAZ gelijkgesteld zijn aan de Participatiewet,zijn er een aantal verschillen. De IOAW en IOAZ kennen geen gespecifi-ceerde arbeidsverplichtingen. Daarnaast kennen de regelingen geentaaleis.De IOAW en IOAZ zijn inkomensondersteunende voorzieningen op hetminimumniveau. Gelijk aan de Participatiewet vullen de voorzieningen hetinkomen aan tot aan het sociaal minimum. De IOAW en IOAZ zijn opgezetals aanvullende inkomensvoorzieningen tot aan pensioengerechtigdeleeftijd voor oudere werklozen respectievelijk gewezen zelfstandigen.Beide groepen moeten voldoen aan de gestelde voorwaarden van dezewetten. De IOAW is opgezet als een minimumbehoeftevoorziening inaansluiting op de WW. Een persoon heeft toegang als hij of zij na het50e levensjaar werkloos is geworden. De IOAW is bedoeld om hetinkomen van oudere werkloze werknemers en hun partners aan te vullentot bijstandsniveau. De IOAZ kent éénzelfde opstelling en is gericht opgewezen zelfstandigen. Hierbij is de toegang voorbehouden aan degewezen zelfstandige. Dat is de persoon die voor de voorziening in hetbestaan was aangewezen op werk in het eigen bedrijf of beroep, die depensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die na het55ste levensjaar het bedrijf of beroep heeft beëindigd. Om aanspraak tekunnen maken gelden bepaalde voorwaarden zoals de afgelopen 10 jaaronafgebroken gewerkt hebben, waarvan de laatste drie jaar alszelfstandige. De inkomsten uit het bedrijf moeten daarnaast in deafgelopen drie jaar gemiddeld minder zijn dan € 27.493 (bedrag 2023).Daarbij wordt er bij de vaststelling van het recht op ondersteuning ookgekeken naar de verwachte inkomsten van de daaropvolgende drie jaar(als sprake zou zijn van voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep).Ook is er sprake van een uren-criterium voor de aanvrager en als departner meewerkt in het bedrijf kan sprake zijn van een meewerkendepartner. De gewezen zelfstandige dient minimaal 1.225 uur per jaar in heteigen bedrijf gewerkt te hebben. De partner, aan de andere kant, wordt alszelfstandige aangemerkt als deze minimaal 525 uur per jaar heeftmeegewerkt. Tot slot, behoort een zelfstandige, om het recht op IOAZ teverkrijgen, bij de aanvraag het bedrijf of beroep nog niet te hebbenbeëindigd en moet de beëindiging binnen 18 maanden na dato van eenaanvraag plaatsvinden. Gezien de afzonderlijke positie van de IOAW en deIOAZ is het niet wenselijk de aanpak van de herziene Participatiewet in alleopzichten te volgen.159Op grond artikel 2 van de Regeling vermogenswaardering IOAZ.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3104 Wel of geen doorwerking in de IOAW en IOAZDit wetsvoorstel behelst ruim 20 maatregelen. Gezien de doelgroepen vande IOAW en IOAZ vinden de maatregelen «harmoniseren jongerennorm»en «maatwerkmogelijkheid vier-weken-zoektermijn» geen weerslag indeze wetten. Onderstaand zijn de maatregelen uiteengezet waar gemoti-veerd van wordt afgeweken. Daarnaast zijn de maatregelen belicht die inhet kader van (technische) harmonisatie en vereenvoudiging door zullenwerken. Bij elk van deze wetswijzigingen zijn – indien van toepassing – derelevante aandachtspunten geplaatst.6.3.1 Doorwerking in IOAW en IOAZ Herijking handhavingsinstrumentarium (artikelen 20 en 35 IOAW en IOAZ)Voorgesteld wordt om een grondslag op te nemen voor het treffen vanmaatregelen als verplichtingen niet worden nagekomen. Gemeentenhebben meer ruimte voor afstemming op individuele omstandigheden bijopleggen van maatregelen. Daartoe worden de artikelen 20 en 35 in deIOAW en de IOAZ aangepast.GiftenIn de IOAW en IOAZ hoeft niet geregeld te worden dat giften niet wordenaangemerkt als inkomsten, omdat dit al geldt. In deze wetten is hetbestaan van inkomen uit arbeid en overig inkomen een omstandigheidwaarop de inlichtingenplicht (artikel 13, eerste lid, van beide wetten) vantoepassing is. Giften vallen daar niet onder ingevolge het Algemeeninkomensbesluit sociale zekerheidswetten (hierna: Aib).Verruiming van de bijverdiengrenzen (artikelen 8 en 34a IOAW en IOAZ)De IOAZ en de IOAW kennen gelijk aan de Participatiewet drie gelijklo-pende vrijlatingen. Dit zijn de algemene tijdelijke gedeeltelijke vrijlating160,de tijdelijke inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders161 en destructurele vrijlating medisch uren beperkt162.De regering wil de inkomstenvrijlating vereenvoudigen door demomenteel geldende verschillende vrij te laten percentages te unifor-meren. Met dit wetsvoorstel introduceert de regering voor alle bijstands-gerechtigden tussen de 18 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd éénbijverdiengrens van 15% van de arbeidsinkomsten voor de duur van éénjaar met mogelijkheid tot verlenging in individuele omstandigheden. Waarin de Participatiewet de vrijlatingen in artikel 31, tweede lid zullen komente vervallen, zal dit in het kader van harmonisatie doorwerken in de IOAWen IOAZ. Dit betekent dat de vrijlatingen in artikel 8 van de IOAW en IOAZzullen worden vervangen door de bijverdiengrens zoals die in de160Artikel 8, tweede lid, IOAW en artikel 8, derde lid, IOAZ. Hierbij wordt 25% van de inkomstenuit arbeid vrijgelaten tot maximaal € 359,20 per maand, voor de duur van maximaal6 maanden. Voorwaarde is dat de werkzaamheden naar het oordeel van de gemeentebijdragen aan de arbeidsinschakeling van de bijstandsgerechtigde. Deze vrijlating geldt nietvoor personen tot 27 jaar.161Artikel 8, vijfde lid, IOAW en artikel 8, negende lid, van d, IOAZ. Het gaat om 12,5% van deinkomsten uit arbeid tot maximaal € 225,74 per maand. Deze vrijlating geldt voor een periodevan maximaal 30 aaneengesloten maanden. Ook deze vrijlating geldt niet voor personen tot27 jaar;162Artikel 8, zevende, IOAW en artikel 8, elfde lid, IOAZ. Hier wordt 15% van de inkomsten uitarbeid tot maximaal € 227,79 vrijgelaten. De gemeente moet op grond van een advies vanUWV hebben vastgesteld dat de bijstandsgerechtigde medisch urenbeperkt is. Deze vrijlatingis structureel en ook van toepassing op bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3105 Participatiewet wordt geïntroduceerd. De vrijlating voor medisch urenbeperkten blijft daarbij in de huidige vorm voortbestaan. Daarnaast wordtmet dit wetsvoorstel teruggegaan naar de vrijlatingspraktijk die bestondvoor de in hoofdstuk 4 genoemde CRvB-uitspraak.163 De inkomstenvrij-lating in de IOAW en IOAZ wordt met dit wetsvoorstel in lijn gebracht metdie in de Participatiewet. Daarbij kan in de IOAW en de IOAZ nog steedsrekening worden gehouden met de bijzondere belemmeringen die ouderewerkzoekenden kunnen ondervinden op de arbeidsmarkt maar blijftarbeidsinschakeling het primaire doel. Artikel 8, leden 2 (algemenevrijlating), 5 (vrijlating voor alleenstaande ouders) en 7 (structurelevrijlating voor medisch urenbeperkten) van de IOAW zal de regering in ditverband aanpassen. Bij de IOAZ zijn dit respectievelijk de leden 3, 4 en 11van artikel 8.Versoepelen aanvraagprocedure: Digitaal toekennen van de uitkeringsaan-vraag op basis van DigiD mogelijk maken (artikel 13 IOAW en IOAZ)Voor de uitvoering van de IOAW en IOAZ stelt de gemeente de identiteitvast van de uitkeringsaanvrager vast. Het vaststellen van de identiteit inde IOAW en IOAZ gaat op dezelfde wijze als in de Participatiewet. Deaanpassing om een uitkeringsaanvraag digitaal toe te kunnen kennen opbasis van DigiD wordt ook ingevoerd in de IOAW en IOAZ. Hiertoe zalartikel 13, derde lid, van de IOAW en IOAZ worden aangepast. Gemeentenbehouden de optie om na toekenning van de bijstandsaanvraag deidentiteit te verifiëren aan de hand van een document zoals is bedoeld inartikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatie-plicht. Ook wordt het mogelijk om de identiteit te verifiëren aan de handvan het rijbewijs (artikel 1, eerste lid, onder 4°, van de Wet op deidentificatieplicht). Indien de identiteit op die wijze wordt geverifieerd ener twijfel is over de nationaliteit van de bijstandsgerechtigde, kan degemeente andere bronnen raadplegen. Het blijft ook mogelijk vooraanvragers om de aanvraag niet digitaal in te dienen, bijvoorbeeld alsmen niet beschikt over DigiD, over DigiD met een lager betrouwbaarheids-niveau of als men niet beschikt over een computer of anderszins.Versoepelen aanvraagprocedure: Verduidelijken gebruik gegevens uitadministraties: wat kan er al?De toelichting in onderdeel 4.4.2 ten aanzien van het gebruik maken bij debeoordeling van de gegevens in administraties die al tot de beschikkingstaan van de gemeente is eveneens van toepassing op de IOAW en IOAZ.Met artikel 14 van de IOAW en IOAZ is – gelijk aan de Participatiewet – alopgenomen dat de gemeente gegevens en bewijsstukken niet bij debijstandsgerechtigde opvraagt als deze gegevens en bewijsstukkenverkregen kunnen worden uit de Polisadministratie, de verzekerdenadmi-nistratie, de BRP of andere administraties die bij amvb kunnen wordenaangewezen. Hier benadrukt de regering de mogelijkheid dat eenbijstandsaanvraag grond is voor gebruik van gegevenskoppeling met albeschikbare administraties, zoals genoemd in Bijlage II regeling SUWI.Hierdoor hoeven minder documenten worden opgevraagd bij deaanvrager en kan een veel groter deel van de aanvragen snel en digitaalworden toegekend.163CRvB 24 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2146.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3106 Versoepelen aanvraagprocedure: Mogelijkheid voor verkorte aanvraag-procedure voor herinstromers (artikel 15a IOAW en IOAZ)Met het oog op verdere harmonisatie en vereenvoudiging ten behoevevan de uitvoering van de IOAW en IOAZ is aansluiting bij de maatregelvan de mogelijkheid voor een verkorte aanvraagprocedure wenselijk. Voorde IOAW en IOAZ betekent dit een toevoeging van een artikel. Hierdoorwordt voor gemeenten de mogelijkheid opgenomen om een verkorteaanvraagprocedure in te richten en toe te passen als mensen binnen12 maanden na uitstroom uit de IOAW respectievelijk IOAZ opnieuweenzelfde uitkering aanvragen.Verrekenen van inkomsten: niet verrekenen van onbelaste vergoedingenIn paragraaf 4.5.5 wordt de wenselijkheid toegelicht om onbelastevergoedingen die zijn verstrekt door de werkgever op eenduidige wijze teverrekenen. De Participatiewet wordt aangepast in die zin dat onbelaste(onkosten)vergoedingen die door de werkgever verstrekt worden nietlanger door gemeenten worden verrekend, tenzij ze tot het fiscaal loonworden gerekend. Dit gold al voor de IOAW en IOAZ ingevolge het Aibwaarin is geregeld wat tot inkomen uit arbeid wordt gerekend.Bufferbudget (artikel 38b IOAW en IOAZ)In paragraaf 4.7 wordt het bufferbudget toegelicht. Doel van het buffer-budget is het voorkomen van financiële problemen door financiëlestabiliteit te creëren voor wie in deeltijd werkt naast de aanvullendeuitkering zodat er een stabiel maandinkomen ontstaat dat niet lager is danhet bestaansminimum. Met het bufferbudget kunnen inkomensschomme-lingen die ontstaan door het verrekenen van inkomsten zoveel mogelijkworden voorkomen zodat dit geen financiële problemen en betaalpro-blemen tot gevolg heeft. Daarmee wordt het in deeltijd (blijven) werkenen/of de arbeidsinschakeling van deze persoon gestimuleerd. Aangezienarbeidsinschakeling in de IOAW en de IOAZ het primaire doel is, zal demaatregel in het kader van harmonisatie en vereenvoudiging net als in deParticipatiewet door gemeenten kunnen worden toegepast om een stabielinkomen te creëren, en te voorkomen dat mensen in de IOAW respectie-velijk IOAZ op maandbasis onder het bestaansminimum terecht komenmet als gevolg financiële instabiliteit en betaalproblemen. Dit betekent dater aan de IOAW en IOAZ eenzelfde nieuw artikel zal worden toegevoegd.Een breder perspectief op participatie, effectieve en reële verplichtingenGelijk aan de huidige Participatiewet is arbeidsinschakeling het primairedoel van de IOAW en de IOAZ. In de IOAW en IOAZ zijn de bijstandsge-rechtigden om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond vandeze wetten, verplicht naar vermogen arbeid te verkrijgen en teaanvaarden. Voor zover de gemeente het noodzakelijk vindt om daarbijondersteuning te bieden, dient de bijstandsgerechtigde daarvan gebruikte maken. Hiertegenover staat dat hij in dat geval ook een aanspraak heeftop een dergelijke ondersteuning, overeenkomstig de gemeentelijkeverordening. Toch kennen deze wetten in het kader van arbeidsinscha-keling verschillen met de Participatiewet. De IOAW en IOAZ kennen geengespecificeerde arbeidsverplichtingen en er is geen sprake van eentaaleis.Hoewel arbeidsinschakeling in de IOAW en de IOAZ een mildere invullingkent, is harmonisatie ten behoeve van de uitvoering van de wettengewenst. Het zal ertoe leiden dat de drie wetten (Pw, IOAW en IOAZ)duidelijker, meer eenduidig en overzichtelijker worden op dit vlak.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3107 Daarnaast zijn de betreffende maatregelen juist gericht op de bijstandsge-rechtigden die een lange afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Vanuit dezeoptiek sluiten de maatregelen aan bij de behoefte van de doelgroepen– oudere werkzoekenden – van de IOAW en IOAZ.In hoofdstuk 5 is uitvoerig ingegaan op de knelpunten van de huidigeParticipatiewet op het gebied van de arbeids- enre-integratieverplichtingen. De maatregelen gericht op het bieden van eenbreder perspectief op participatie maken het voor bijstandsgerechtigdendie (nog) niet toe zijn aan werk mogelijk zich te richten op andereactiviteiten dan enkel activiteiten gericht op arbeidsinschakeling.Professionals in de uitvoering geven eveneens aan dat de focusuitsluitend op betaald werk niet altijd aansluit op de mogelijkheden enbehoeften van de doelgroep. Het primaire doel van arbeidsinschakelingblijft ongewijzigd, maar de regering vindt het belangrijk dat goed wordtgekeken naar de heterogene doelgroep en de verschillen in ondersteu-ningsbehoefte. De maatregelen zijn dan ook een codificatie van het in deuitvoering aanwezige besef dat gelaagdheid in het ondersteuningsaanbodnodig is.Één generieke participatieplicht en schrappen tegenprestatie (artikelen 34,eerste lid, onder b, 35, eerste lid, onder d, artikel 37, eerste lid, onder b entweede lid IOAW en IOAZ)De generieke participatieverplichting houdt in dat een IOAW-,IOAZ-gerechtigde, net als voor de Pw wordt voorgesteld, naar vermogenis gehouden betaald werk te behouden, te verkrijgen en te aanvaarden,een aangeboden voorzieningen in het kader van re-integratie moetaanvaarden (in het kader van arbeidsinschakeling) en indien arbeidsin-schakeling nog niet mogelijk is, naar vermogen gehouden wordt totmaatschappelijke participatie. De tegenprestatie die de IOAW en IOAZ ookkennen, komt daarnaast te vervallen.Ruimte voor het eigenstandig vormgeven van maatschappelijke partici-patie (artikelen 36 en 37, IOAW en IOAZ)Voor de mensen die het initiatief nemen tot maatschappelijke participatie,zoals bijvoorbeeld vrijwilligerswerk, mantelzorg of het volgen van eentraining acht de regering het van belang dat zij hierin zich niet belemmerdvoelen. De regering wil daarom ook in de IOAW en IOAZ verankeren datmensen zelfstandig het initiatief kunnen nemen tot maatschappelijkeparticipatie.164 Wederom gelet op de verwantschap tussen de Participa-tiewet, de IOAW en IOAZ zal artikel 37 van de IOAW en IOAZ gelijkluidendaan de maatregel in de Participatiewet wijzigen. Indien nodig kunnenmensen voor wie arbeidsinschakeling (vooralsnog) niet in beeld is ookaanspraak maken op ondersteuning bij het vormgeven van dezemaatschappelijke participatie. Daarop ziet de aanpassing van artikel 36Ondersteuning bij maatschappelijke participatie (artikel 4a, 34, 35, IOAWen IOAZ)De maatregel waarmee de regering het mogelijk maakt activiteiten aan tebieden gericht op maatschappelijke participatie sluit aan bij de strekkingvan de wetten. Scholing en het verrichten van onbeloonde maatschappe-lijke activiteiten als tussenstap én waarbij subdoelen worden geformu-leerd die nog niet uitgaan van werk is al de teneur in de IOAW en IOAZ. De164Artikel 9, eerste lid, onder c, Pw. Voor de IOAW en IOAZ is dit artikel 37, met toevoeging vaneen nieuw onderdeel, eerste lid, welke toeziet op de ruimte voor bijstandsgerechtigden om demaatschappelijke participatie zelfstandig vorm te geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3108 regering geeft hiermee de opdracht aan de gemeente beleid te ontwik-kelen ter ondersteuning van maatschappelijke participatie van mensen.165Tevens zal de regering de bepalingen ten aanzien van de verplichting tottegenprestatie laten vervallen.Zorgbehoefte (intensieve mantelzorg) kan uitzondering zijn op gezamen-lijke huishouding (artikel 3 IOAW en IOAZ)In de beleidsanalyse van «Participatiewet in balans» is geconstateerd dathet verlenen van (intensieve) mantelzorg op gespannen voet kan staanmet bijstandsverlening.166 Zo heeft de regering gesignaleerd datverleende mantelzorg kan worden aangemerkt als op geld waardeerbarearbeid en kan het gebruik van een en/of rekening door een bijstandsge-rechtigde die mantelzorg verleent, bijstandsrechtelijke gevolgen hebben.Ook kan het verlenen van mantelzorg dermate intensief zijn dat er sprakeis van inwoning voor meer dan de helft van de week. In deze situatieworden de bijstandsgerechtigde en de hulpbehoevende aangemerkt alssamenwonend zoals bedoeld in artikel 3 Pw. Aangezien het inkomens-begrip binnen de IOAW en IOAZ is gegrond op het Aib blijkt daaruit dathet verlenen van mantelzorg niet wordt aangemerkt als een op geldwaardeerbare activiteit. Daarnaast wordt het inkomen van een ander,zoals dat het geval is bij een en/of rekening, eveneens niet betrokken bijde inkomenstoets van de wetten. Het verlenen of ontvangen van eenzorgbehoefte die dermate intensief is met inwoning kan gevolgen hebbenvoor de hoogte van een uitkering. In de IOAW en IOAZ hanteert deregering dezelfde definitie van een gezamenlijke huishouding als in deParticipatiewet. Harmonisatie betekent hiermee dat de regering artikel 3,tweede lid, onder b, van de IOAW en IOAZ gelijkluidend met artikel 3 Pwzal wijzigen.Afwijken van het principe aanvraagdatum is ingangsdatum: bijstand metterugwerkende kracht (artikel 16a IOAW en IOAZ)Binnen de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ geldt de hoofdregel dat degemeente de uitkering toekent per datum melding. In beginsel is het dusniet mogelijk om de uitkering met terugwerkende kracht te verlenen. Hetbehoort tot ieders eigen verantwoordelijkheid om zijn aanspraken op deuitkering tijdig door middel van het indienen van een aanvraag geldend temaken. De gemeente kan door het nieuwe vijfde lid van artikel 44 Pw metterugwerkende kracht toekennen als individuele omstandigheden daartoenoodzaken. Voor de doelgroepen van de IOAW en IOAZ vergroot demogelijkheid om de uitkering te kunnen toekennen met terugwerkendekracht als individuele omstandigheden daarom vragen, met een periodevan 3 maanden de rechtszekerheid en de bestaanszekerheid. Met demaatregel wordt namelijk ingespeeld op de situatie van een beperktdoenvermogen of als er bijvoorbeeld sprake is van een life event, zoalshet overlijden van een partner, een echtscheiding, ongeneeslijk ziekworden of anderszins. Daarnaast erkent de regering dat de overgang vaneen andere voorliggende uitkering financiële problemen in de hand kanwerken. Deze dynamiek kan bij uitstek spelen bij de IOAW, die is ingerichtals een doorstroom-uitkering vanuit de WW. Harmonisatie is daarmeegewenst, maar dient met aandacht te worden ingevoerd. Immers betekenteen harmonisatie voor de IOAZ dat men ook na beëindiging van hetbedrijf tot maximaal 3 maanden geleden een aanvraag tot de IOAZ kanindienen. Voorwaarde van toegang nu is dat het bedrijf nog actief moetzijn en men binnen maximaal 1,5 jaar volgend op het tijdstip van165Artikel 34 Pw.166Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, 17, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22,34 352, nr. 253.; zie ook paragraaf 4.7 van deze memorie van toelichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3109 aanvraag stopt met het bedrijf. Het bedrijf dient bij aanvraag nog nietbeëindigd te zijn, zodat de uitvoeringsorganisatie kan vaststellen wat dehoogte van het vermogen uit het bedrijf is. De vermogensvaststelling blijftdus ook van belang bij deze maatregel. Immers zal bij liquidatie hetvermogen worden aangemerkt als privé vermogen. De hoogte hiervan isvan invloed op het toe te kennen bedrag aan (aanvullende) uitkering.Daarnaast is een uitbetaling met terugwerkende kracht over de jaargrensheen zowel voor de IOAW als de IOAZ aandachtspunt. Als een gerechtigdede uitkering over de jaargrens bijvoorbeeld in januari krijgt uitgekeerd danheeft de bijstandsgerechtigde in dat jaar een hoger jaarinkomen. Dit kanvan invloed zijn op toeslagen en gemeentelijke minimaregelingen.6.3.2 Geen doorwerking in IOAW en IOAZ Bijstandsnorm (alleenwonende) alleenstaande IOAW-/IOAZ-gerechtigdemet niet-rechthebbende partnerIn de Pw wordt voorgesteld de norm voor de niet-kostendelendebijstandsgerechtigde van 21 jaar of ouder met een niet-rechthebbendepartner vast te stellen op het niveau van de alleenstaandennormen. Dienormen zijn ongeveer 70% van de gehuwdennorm. In artikel 6, tweede lid,van de IOAW en artikel 6, derde lid, van de IOAZ geldt al dat eenIOAW-gerechtigde of een IOAZ-gerechtigde met een niet-rechthebbendepartner wordt aangemerkt als alleenstaande. Ingevolge artikel 5, vierdelid, van de IOAW bedraagt de grondslag voor de alleenstaande werklozewerknemer al 70% en ingevolge artikel 5, vierde lid, onder b, van de IOAZvoor de alleenstaande gewezen zelfstandige netto gelijk is aan 70%. In deIOAW en IOAZ is dus al geregeld dat de niet-kostendelende IOAW- enIOAZ-gerechtigde een norm wordt geboden die hem eigenstandig in staatstelt om in zijn bestaan te voorzien. Als de niet-rechthebbende partnerover inkomen beschikt, wordt bezien of dit inkomen op de verleendeuitkering in mindering moet worden gebracht. Dit is het geval indien deoptelsom van bijstand plus het inkomen van de gehuwden tezamen,hoger ligt dan de norm van twee rechthebbende gehuwden in eenvergelijkbare situatie.Bijstandsnorm alleenstaande ouder zonder ALO-kopBijstandsgerechtigden die vanwege een niet-rechthebbende partner geenrecht hebben op de ALO-kop missen een aanzienlijk bedrag waarmee kanworden voorzien in de kosten van het levensonderhoud van het recht-matig in Nederland verblijvende kind. In de IOAW en IOAZ zal dezesituatie in de praktijk naar verwachting niet veel voorkomen. Als hier welsprake van is, kan de bijstandsgerechtigde zich wenden tot de gemeentevoor een aanvullende uitkering ingevolge de Pw. Er is voor gekozen dezemaatregel niet door te laten werken aangezien het complex is dit teregelen en de situatie naar verwachting vrijwel niet zal voorkomen.Verrekenen van inkomsten: vaststellen inkomen op uniforme wijze,verduidelijken transactiesysteem en verrekenen van netto-inkomsten uitarbeidDe aanpassingsmaatregelen in de Pw met betrekking tot de verrekeningvan inkomsten waarbij uitvoeringsorganisaties daarbij het netto-inkomenop uniforme wijze vaststellen, verduidelijking van het transactiesysteemen automatisch verrekenen van inkomsten uit de polisadministratievinden geen doorgang in de IOAW en IOAZ. Met dit wetsvoorstel wordtmogelijk gemaakt dat gemeenten de inkomsten uit arbeid kunnenverrekenen met behulp van gegevens uit de Polisadministratie. Hiervoorwordt gebruikt gemaakt van het product OIB. De standaardverrekeningTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3110 voor de IOAW en IOAZ verschilt van de standaardverrekening in het kadervan de Pw. In de Pw worden netto inkomsten verrekend met eennetto-uitkering, terwijl in de IOAW en IOAZ bruto inkomsten opeenvoudige wijze worden verrekend met de bruto uitkering. Hetvaststellen van het inkomen op uniforme wijze, het aangepaste transactie-systeem betekent voor de IOAW en IOAZ meer complexiteit in deuitvoering, terwijl er geen signalen zijn dat de huidige verrekeningproblemen oplevert. Aangezien daarnaast wel het bufferbudget wordtingevoerd, kunnen mogelijk toch voorkomende inkomensschommelingendie zouden ontstaan door het verrekenen van inkomsten wordenvoorkomen.Vereenvoudiging van de vermogensvaststellingDeze maatregel is niet toepasbaar voor de IOAW en de IOAZ. De IOAWkent immers geen vermogenstoets. Een eigen huis of ander onroerendgoed, spaarsaldi en beleggingen zijn dus niet van invloed op het recht opIOAW. Datzelfde geldt voor de opbrengst van het vermogen. Huurpen-ningen, dividend en renteopbrengsten worden dus niet in minderinggebracht op deze uitkeringen. De IOAZ kent een ruime vermogensvrijla-tingsgrens. In de Pw wordt er gewerkt met een vermogensaanwas ruimteper aaneengesloten bijstandsperiode. Het vermogen wordt bij debijstandsaanvraag vastgesteld en mocht tijdens het doorlopendebijstandsrecht een toename in vermogen plaatsvinden dan wordt dit inmindering gebracht op het toegestane bedrag aan vermogen. Eendoelstelling van de IOAZ is met name het vrijwaren van oudere werkzoe-kenden van een vermogenstoets. De IOAZ kent daarmee geen vermogens-toets in de zin van de Pw. Het vermogen wordt ingevolge artikel 8, tweedelid, van de IOAZ eenmalig direct na bedrijfsbeëindiging vastgesteld. Hetinkomen uit vermogen wordt na bedrijfsbeëindiging en met inachtnemingvan de vrijlatingsgrens vastgesteld op 2% per jaar (per 1 januari 2023) endaarna maandelijks verrekend.ExperimenteerartikelIn de IOAW en IOAZ zit geen experimenteerartikel. De regering zietevenmin noodzaak om het experimenteerartikel in de IOAW en IOAZ teintroduceren.6.4 Het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) 6.4.1 Inleiding Het Bbz is een amvb die hangt onder de Participatiewet. Dit betekent dateen groot aantal bepalingen in de Participatiewet ook van toepassing isvoor het Bbz, maar het Bbz kent ook een aantal uitzonderingen eneigenstandige bepalingen. Zo kent het Bbz, anders dan de Participatiewet,in plaats van een systematiek waarin inkomen per maand wordtverrekend, een systematiek die aansluit bij het (boek)jaar dat ook voor defiscus ten aanzien van het bedrijfsinkomen wordt gehanteerd. Het Bbzheeft ook een andere vermogensvrijlating waarbij het voor de uitoefeningvan het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen niet inaanmerking wordt genomen. Het Bbz is een vangnetvoorziening voorzelfstandig ondernemers. Het Bbz is bedoeld als sociaal vangnet voorstartende en gevestigde zelfstandigen die hier onder bepaaldevoorwaarden gebruik van kunnen maken. In de kern gaat het Bbz ervan uitdat het bedrijf of beroep van de startende of gevestigde zelfstandigelevensvatbaar is, zodat na enige tijd bijstandsverlening niet meer nodig is.Levensvatbaar betekent dat het inkomen toereikend moet zijn voor zowelde privéuitgaven als voor de voortzetting van het bedrijf. Het Bbz is nietTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3111 bedoeld als duurzame inkomensvoorziening, die het karakter heeft vaneen inkomensgarantie. Het door de overheid voorgestane structuurbeleidwaarin alleen plaats is voor levensvatbare bedrijven zou anders doorkruistworden. Niet levensvatbare bedrijven zouden in stand worden gehouden.Steun is altijd tijdelijk. De zelfstandigen moeten daarbij voldoen aan heturencriterium (dat ze tenminste 1.225 uur per jaar in het bedrijf ofzelfstandig beroep werkzaam zijn).Het Bbz bedient vier verschillende doelgroepen: 1) Gevestigde zelfstan-digen, tijdelijk in de problemen, maar met een op zichzelf levensvatbaarbedrijf; 2) Startende zelfstandigen vanuit de bijstand met een levens-vatbaar bedrijfsplan; 3) Beëindigende (stoppende) zelfstandigen met eenniet levensvatbaar bedrijf; 4) Oudere zelfstandigen, geboren voor 1-1-1960met een niet levensvatbaar bedrijf. De voorwaarden om in aanmerking tekomen verschillen per doelgroep. Zelfstandig ondernemers vormen eendoelgroep die wezenlijk anders is dan de doelgroep in de Participatiewet.Ook de achtergrond in werken is heel anders (fiscaliteit, verplichting omtenminste een jaarrekening op te stellen).6.4.2. Wel of geen doorwerking in het Bbz Naar aanleiding van dit wetsvoorstel zal het Bbz gewijzigd worden. Eenaantal voorgestelde wijzigingen zal daarin verwerkt worden. Bij een aantalvan voorgestelde wijzigingen in dit wetsvoorstel worden redenen gezienom deze niet in het Bbz door te laten werken of niet onverkort. Ditvanwege bijvoorbeeld het verschil in doelgroep (zelfstandig onder-nemers), uitkeringssystematiek, specifieke regels in het Bbz of vanwegede doelen van de beoogde maatregel. Hier zal in de betreffende amvbnader op worden ingegaan. In de navolgende paragrafen zijn de maatre-gelen uiteengezet die in het kader van (technische) harmonisatie envereenvoudiging door zullen werken of waar gemotiveerd van wordtafgeweken. Bij elk van deze maatregelen zijn – indien van toepassing – derelevante aandachtspunten geplaatst. 6.4.2 Doorwerking in het BbzVan de navolgende maatregelen wordt voorgesteld deze – geheel ofgedeeltelijk – te laten doorwerken in het Bbz. Dit betekent dat het besluithierop moet worden aangepast.Bijstandsnormen alleenstaande bijstandsgerechtigde en alleenstaandeouder zonder ALO- kop, beiden met niet-rechthebbende partnerDe maatregel waarbij de bijstandsnorm van een (alleenwonende)alleenstaande Bbz- gerechtigde met niet-rechthebbende echtgenoot inaanmerking komt voor de toepasselijke opgehoogde bijstandsnorm149geldt ook in het Bbz. De voorgestelde wetswijziging (ophoging van denorm naar de bijpassende alleenstaande norm) geldt enkel voor deBbz-gerechtigde van 21 jaar of ouder. Voor jongmeerderjarigen geldt eenandere normensystematiek. De maatregel waarbij de alleenstaande ouderzonder alo-kop met niet-rechthebbende partner, in aanmerking komt voorde toepasselijke opgehoogde bijstandsnorm (artikel 24a van de Pw), geldtevenzeer in het Bbz. Het eventuele inkomen van de niet-rechthebbendepartner telt ingevolge artikel 32 Pw mee bij het inkomen van deBbz-gerechtigde (zie de paragrafen 3.8 en 3.9). Bezien wordt daarom:(a) opname van de artikelen 24 en 24a Pw in artikel 78f en (b) aanpas-singen van artikel 1 Bbz en artikel 6Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3112 Geen kostendeler bij vooropgezet tijdelijk verblijfOok geldt de maatregel dat iemand die door omstandigheden tijdelijk ophet adres van de Bbz-gerechtigde verblijft, daar in beginsel niet zijnhoofdverblijf heeft en in die zin niet als kostendeler wordt aangemerkt.150De vraag of een verblijf kortdurend is of tijdelijk, moet beantwoordworden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.Harmonisatie aanvullende bijstand voor jongmeerderjarigenDeze maatregel werkt automatisch door in het Bbz daar waar de onder-nemer een jongmeerderjarige is en deze valt onder de doelgroep van dezemaatregel. Bezien moet worden of dit vanwege de jaarsystematiek in hetBbz nadere regeling vergt.Maatwerkmogelijkheid bij de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot27 jaarDe maatwerkmogelijkheid bij de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot27 jaar in kwetsbare situaties geldt ook. Deze maatregel werkt door in hetBbz. De verwachting is dat deze situatie in de praktijk niet veel zalvoorkomen.GiftenDeze maatregel werkt door, maar met de nodige restricties (dus nietonverkort). Zelfstandig ondernemers ondernemen voor eigen rekening enrisico en zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hetoverbruggen van een inkomstenloze periode, bijvoorbeeld door middelvan een verzekering of het aanleggen van reserves. Voor een uitkeringvoor het levensonderhoud geldt dan ook dat alle liquide en liquide temaken middelen moeten worden ingezet, alvorens tot bijstandsverleningwordt overgegaan. Vrijlating van giften zou die regel doorkruisen.Incidentele giften van marginale omvang, uitsluitend en overduidelijk meteen privébestemming, kunnen in beginsel buiten beschouwing wordengelaten. In de praktijk gebeurde dit doorgaans al. Voor giften met zakelijkebestemming of gegenereerd vanuit zelfstandige activiteiten geldt dat dezeniet buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Zo zijn bijvoorbeeldfooien in de horeca fiscaal belast voor de inkomstenbelasting. In ditverband wordt er wel een beroep gedaan op het doenvermogen van deBbz-gerechtigde zelfstandig ondernemer. Echter, van een zelfstandigondernemer mag een sluitende en verifieerbare administratie gevraagdworden. In artikel 78f van de Pw worden in dit verband de artikelen 34f en34g van de Pw opgenomen. Een en ander vereist ook aanpassing van deartikelen 1 en 6 van het Bbz 2004.Herijking handhavingsinstrumentatiumOp dit moment wordt er gewerkt aan het wetsvoorstel HandhavingSociale Zekerheid. Een afzonderlijke amvb die onder andere zal geldenvoor de Pw zal regelen welke maatregelen bij het niet nakomen van welkeverplichtingen zullen gelden (Maatregelenbesluit). Gemeenten hebbenmeer ruimte voor afstemming op individuele omstandigheden bijopleggen van maatregelen. De amvb zal ook in het Bbz gelden.Niet verrekenen van onbelaste vergoedingenAls de partner van de Bbz-gerechtigde zelfstandig ondernemer inloondienst werkt, hoeven onbelaste vergoedingen evenals in de Participa-tiewet niet verrekend te worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3113 Digitaal identiteit kenbaar maken bij de aanvraagprocedureEvenals in de Participatiewet is het voorstel dat ook in het Bbz hetmogelijk wordt voor gemeenten dat de zelfstandig ondernemer zijnidentiteit bij de aanvraagprocedure digitaal kenbaar maakt via DigiD. Degemeente behoudt de mogelijkheid om de identiteit van de bijstandsge-rechtigde op enig moment na de toekenning van de bijstandsaanvraag tecontroleren aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerstelid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht.Onverwijld de mogelijkheid bieden tot het indienen van een aanvraag nameldingOok geldt voor het Bbz dat de aan de aanvraagdatum gekoppeldeafhandelingstermijn (van 13 weken) loopt vanaf datum van een bijstands-aanvraag.Bijstand met terugwerkende krachtDe hoofdregel is als de gemeente heeft vastgesteld dat recht op bijstandbestaat, dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht isontstaan. De gemeente kan ingevolge het nieuwe vijfde lid van artikel 44Pw tot maximaal drie maanden met terugwerkende kracht toekennen alsindividuele omstandigheden daartoe noodzaken. De maatregel werkt doorin het Bbz. Van het standaard uitgangspunt kon op basis van recht-spraak154 al worden afgeweken als bijzondere omstandigheden ditrechtvaardigden. De codificatie van deze nieuwe bevoegdheid geldtaanvullend op voornoemde mogelijkheid om af te wijken van dehoofdregel. In beide gevallen blijft er onderzoeksplicht van de gemeentehiernaar.Verbreding experimenteerartikelTot slot kan de verbreding van het experimenteerartikel ook doorwerkenin het Bbz. Zo geldt hier niet dat een experiment vijf jaar kan durenaangezien een zelfstandige in het Bbz tijdelijk tot ten hoogste 36 maandenen doorgaans korter algemene bijstand wordt verleend. In artikel 78f Pwwordt artikel 83 Pw opgenomen om het stellen van nadere regels mogelijkte maken bij het experimenteren gezien de specifieke doelgroep.6.4.3 Geen doorwerking in Bbz Van de navolgende maatregelen wordt gemotiveerd afgeweken van devoorgestelde wijzigingen in dit wetsvoorstel, ten aanzien van het Bbz.Vereenvoudiging vermogensvaststellingDeze maatregel is niet toepasbaar in het Bbz, omdat in het Bbz een anderevermogenssystematiek geldt.155 Het Bbz staat open voor iedere onder-nemer (natuurlijke persoon) die aan de voorwaarden voldoet. De hoogtevan het vermogen bepaalt of de aanvullende uitkering een lening blijft ofeen bijstand om niet (gift) wordt. In de toets wordt noodzakelijk bedrijfs-vermogen grotendeels vrijgelaten. Boven een bepaalde vermogensgrens,bij een te hoog eigen vermogen en als de verleende bijstand tezamen methet in het boekjaar behaalde netto-inkomen boven de bijstandsjaarnormblijkt te zijn, blijft de algemene bijstand een lening. Omdat privé enzakelijke bezittingen en schulden onlosmakelijk verweven zijn, geldt geenbescheiden vrij te laten vermogen. Onderscheid tussen zakelijk vermogenen privévermogen is bij de meeste zelfstandigen die bij de gemeenteaankloppen niet mogelijk: bij een eenmanszaak of een vennootschapTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3114 onder firma (VOF) bestaat hier feitelijk geen onderscheid tussen. In depraktijk voorziet het Bbz erin dat gemeenten al mogelijkheden hebben omhier op maat te handelen.Gebruik gegevens administraties om de aanvraag te versoepelenHet verschil met de Participatiewet is niet alleen dat de doelgroepverschilt maar ook de systematiek. Ook maken levensvatbaarheid- enandere vermogenstoetsen deel uit van het aanvraagproces. Voor zovermogelijk kan de gemeente bij de beoordeling evenals in de Participatiewetgebruik maken van koppeling van gegevens die al tot haar beschikkingstaan in allerlei administraties. Dat was altijd al het geval. Zo’n koppelingis er echter niet met de Belastingdienst met betrekking tot directegegevensverkrijging als belastingaangiften/jaarstukken. Omdat onder-nemers ook vaak uitstel aanvragen voor het doen van aangifte Inkomsten-belasting en de Belastingdienst ook niet altijd beschikt over tussentijdsecijfers van het huidige boekjaar, heeft zo’n koppeling om automatischgegevens aangeleverd te krijgen ook weinig zin. Een gemeente kan er nietvanuit gaan dat dergelijke informatie volledig is. Het niet beschikken overadequate informatie voor beoordeling kan een soepele aanvraagbelemmeren.Mogelijkheid voor verkorte aanvraagprocedure voor herinstromersDeze maatregel werkt niet door in het Bbz. Herinstroming in het Bbzbinnen afzienbare tijd kan er namelijk op wijzen dat het bedrijf ofzelfstandig beroep van de zelfstandig ondernemer niet levensvatbaar is,waardoor een nieuwe beoordeling nodig is. Artikel 43a Pw wordt in ditverband toegevoegd aan artikel 78f Pw.(Automatisch) verrekenen van inkomsten uit arbeid op basis vangegevens uit de PolisadministratieIn het Bbz geldt een jaarsystematiek. Al dan niet automatische verre-kening van inkomsten op basis van gegevens uit de Polisadministratie isin de systematiek van het Bbz niet logisch. Voor automatische verrekeningmoet er wel sprake zijn van inkomsten uit loondienst (in plaats vanuitzelfstandige activiteiten). Daarbij bevat de Polisadministratie niet allegegevens om de netto-inkomsten van Bbz-gerechtigden vast te stellen.Bij DGA’s gaat de fiscus uit van een verplicht uit te betalen minimumsa-laris en dat staat ook in de Polisadministratie. De feitelijke situatie kanechter hiervan afwijken (er wordt immers beroep gedaan op het Bbz). BijDGA’s kan het voorkomen dat in de Polisadministratie wel een inkomenvermeld staat, maar dat de Bbz-gerechtigde dat feitelijk niet ontvangt (ditwerd regelmatig geconstateerd in de Tozo-periode, de boekhouder moestdan een en ander nog aanpassen). Dan is het gebruik van de gegevens uitde Polisadministratie niet handig en moet er dus in het Bbz wordengeregeld dat kan worden afgeweken van automatische verrekening.Automatische verrekening wordt geregeld in de artikelen 31, tweede lid,onder g en artikel 32, tweede en vijfde lid, Pw. In artikel 78f Pw wordt in ditverband artikel 31 Pw opgenomen (artikel 32 Pw is al opgenomen).Verruiming bijverdiengrenzenDe verruiming van maandelijkse bijverdiengrenzen wordt niet doorge-voerd in het Bbz. Een bijverdienregeling is gericht op het bevorderen vanuitstroom uit de uitkering (of het mitigeren van de effecten van langdurigebijstandsafhankelijkheid) door arbeidsinschakeling. Dit speelt in het Bbzniet. De in de inleiding genoemde doelgroepen 1), 3) en 4) zijn alTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3115 ingeschakeld in de arbeid, ze verrichten zelfstandige activiteiten, maarverkeren in tijdelijk financiële problemen. Het Bbz is tijdelijk en al gerichtop het beperken van (langdurige) instroom in de uitkering. Bij de partnervan de zelfstandige in het Bbz die dient te re-integreren en doelgroep 2)de startende zelfstandige, kan wel sprake zijn van bevordering arbeidsin-schakeling. Toepassing van de maandelijkse bijverdiengrenzen is in hetBbz echter niet goed uitvoerbaar. Gemeenten die bij de partner of destarter de arbeidsinschakeling willen stimuleren, hebben de mogelijkheideen een- of tweemalige premie ingevolge artikel 31, tweede lid, onder j,Pw toe te kennen. Deze wordt niet tot de middelen van de betrokkenengerekend.Invoering bufferbudgetReden om deze maatregel niet in te voeren in het Bbz, is dat het Bbz eenjaarsystematiek kent. De bedrijfsinkomsten zijn sowieso schommelend,maar schommelingen worden voorkomen doordat de gemeente deaanvullende uitkering vooraf voorlopig kan bepalen en zo nodig tussen-tijds kan aanpassen. Achteraf na het boekjaar wordt bekeken of hethuishoudinkomen boven, op of onder bijstandsniveau verkeerde. Feitelijkbiedt een Bbz-levensonderhoud-uitkering qua systematiek voldoendemogelijkheden om schommelingen op te vangen. De combinatie van eenmaandelijks bedrag in de vorm van een periodieke geldlening met dejaarvaststelling biedt al een soort buffer. Een bufferbudget voor zakelijkelasten die fluctueren is onwenselijk. De aanvullende inkomensbijstand isvoor levensonderhoud, niet voor zakelijke lasten, en de bijstand kanaangepast worden aan het al of niet kunnen beschikken over inkomstenuit de onderneming of ander inkomen. In artikel 78f Pw wordt in verbandmet het niet opnemen in het Bbz van het bufferbudget, artikel 34b Pwopgenomen.Re-integratie, participatie en differentiatieIn het Bbz wordt de maatregel om één generieke re-integratie- enparticipatieplicht in te voeren niet van toepassing verklaard. Zelfstandigondernemers in het Bbz worden geacht te ondernemen en dus te werkenin het eigen bedrijf of zelfstandig beroep. Zij dienen te voldoen aan heturencriterium. Wel is in artikel 38, derde lid, van het Bbz geregeld dat alsis te voorzien dat een bedrijf of beroep tijdelijk, maar meer dan eenhalfjaar niet kan worden uitgeoefend, de zelfstandige moet proberen omgedurende die periode op andere wijze inkomsten te verwerven. Daartoekan de gemeente de zelfstandige de arbeidsverplichtingen van art. 9 PWopleggen. De zelfstandige maakt daarbij aanspraak op ondersteuning vande gemeente, zie art. 10 PW. In artikel 78f Pw is al de mogelijkheidopgenomen om nadere regels in het Bbz te stellen over re-integratie,participatie en differentiatie.7. Regeldruk 7.1 Inleiding Dit hoofdstuk brengt de effecten van regeldruk voor de verschillendeonderdelen van het wetsvoorstel in kaart. Onder regeldruk wordt hierverstaan: administratieve lasten en inhoudelijke nalevingskosten voorburgers en bedrijven. De regering verwacht dat voorliggend wetsvoorstelgeen gevolgen heeft voor de regeldruk voor bedrijven. Daarom wordthierna alleen ingegaan op de verwachte regeldrukgevolgen voorbijstandsgerechtigden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3116 ConclusieHet is de verwachting dat bij een deel van de voorgestelde wetswijzi-gingen een regeldrukeffect optreedt. Soms een verhoging van deregeldruk, maar ook significante verlagingen. Op basis van onderstaandeinschatting lijkt het totale pakket aan maatregelen een regeldruk verlagingvan € 5 miljoen per jaar op te leveren. De regering heeft daarbij – over hetgeheel en per individuele maatregel bezien – de afweging gemaakt ofnegatieve regeldrukeffecten noodzaken tot aanpassing van de maatre-gelen in de voorgestelde vorm. Gezien de zwaarwegende belangen diezijn gediend met de voorgestelde wetswijzigingen, waaronder de inhoofdstuk 2 geformuleerde doelen, en ook wat het bereiken van dezedoelen oplevert voor de bijstandsgerechtigde, is besloten ook demaatregelen met beperkte negatieve effecten door te zetten in de huidigevorm. Waarbij de regeldrukeffecten vanuit deze afweging wordengeaccepteerd.De specifieke maatregelen waarbij een regeldrukeffect optreedt worden indit hoofdstuk belicht. Maatregelen waarbij geen regeldrukeffecten wordenverwacht, bijvoorbeeld doordat er sprake is van codificatie van staandepraktijk, worden buiten beschouwing gelaten.7.1.1 Bijstandsnorm (alleenwonende) alleenstaande bijstandsgerechtigdemet niet-rechthebbende partner Bij deze maatregel gaat het om codificatie van jurisprudentie. Op ditmoment is het in beginsel167 aan de betrokken bijstandsgerechtigde om testellen en te bewijzen dat in zijn situatie de gemeente gehouden is teindividualiseren. Door de codificatie komt de onderzoeksplicht expliciet bijde gemeente te liggen. Het gaat om een beperkt aantal situaties met eenbeperkt regeldruk effect (bijstandsgerechtigde zal nog steeds met stukkenmoeten aantonen dat de desbetreffende situatie speelt) waardoor slechtsvan een zeer marginaal effect op de regeldruk sprake is.7.1.2 Bijstandsnorm alleenstaande ouder zonder alo-kop Voor deze maatregel geldt hetgeen in paragraaf 7.1.1 is beschreven ingelijke zin. Voor de overige binnen het hoofdstuk bestaanszekerheid endoelmatig vangnetkarakter van de bijstand beschreven maatregelen geldtdat zij of op zichzelf al geen regeldruk effecten hebben of een staandepraktijk codificeren waardoor niet de verwachting is dat regeldruk effectenzullen optreden.7.1.3 Verruiming van de bijverdiengrenzen In voorbereiding op dit wetsvoorstel zijn de effecten van de verruimingvan inkomstenvrijlating op de regeldruk in overleg met gemeenten inkaart gebracht. Hoewel de praktijk moet uitwijzen hoeveel mensendaadwerkelijk gebruik kunnen maken van de inkomstenvrijlating wordt eruitgegaan van 8%168 van de bijstandspopulatie die naast werk aanvullendeen bijstandsuitkering ontvangt. Gemiddeld zijn er landelijk 461.000personen met een bijstandsuitkering. 8% daarvan is ruim 38.000 personendie per maand naast hun werk aanvullende bijstandsuitkering ontvangen.167De CRvB heeft in enkele overgangssituaties wel het standpunt ingenomen dat de gemeentebekend met de inkomensachteruitgang door gewijzigde wetgeving gehouden was zelf teonderzoeken of bijstandsgerechtigde norm op individualiseringsbasis aangepast diende teworden.168Divosa, Factsheet parttime werk in de bijstand, 1 mei 2019, raadpleegbaar via: https://www.divosa.nl/factsheet-parttime-werk-de-bijstandTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3117 Door middel van een besluit van de gemeente kunnen mensen inaanmerking komen voor een vrijlating. Dit is staande praktijk voor debijstandsgerechtigde omdat er aan de systematiek van toewijzing van deinkomensvrijlating niets verandert in wetgeving. Echter bestaat er wel eenextra stap voor de bijstandsgerechtigde bij de nieuwe inkomensvrijlating,als er na een jaar blijkt, dat de bijstandsgerechtigde in aanmerking komtvoor een verlenging van een inkomensvrijlating. Het vergt een extragesprek met gemeenten om aan te tonen dat er wegens aanwezigeindividuele omstandigheden, een verlenging wenselijk is om de arbeidsin-schakeling verder te bevorderen. In dit kader is een gesprek tussenbijstandsgerechtigde en klantmanager nodig. Dit duurt ongeveer 30 tot 60minuten. Voor het contact voorafgaand aan het gesprek, het vervolg-contact en de reistijd wordt uitgegaan van een tijdsbelasting voor debijstandsgerechtigde van anderhalf tot twee uur. Bij elkaar komt detijdsbelasting voor de bijstandsgerechtigde die gebruik kan maken van deverlengde vrijlating uit op twee tot drie uur. De Rijksbrede methodiek voorregeldrukeffecten, gaat uit van € 17,– aan kosten per uur die eenbijstandsgerechtigde besteedt aan administratieve lasten. Het betekentdat de kosten uitkomen op ongeveer € 42,50 per bijstandsgerechtigde. Deverlenging zal naar verwachting gelden voor ongeveer 7,2 duizendmensen per jaar. Daarmee is de totale regeldrukraming ongeveer€ 0,3 miljoen per jaar.7.1.4 Versoepelen aanvraagprocedure Het versoepelen van de aanvraagprocedure zal een vermindering van deregeldruk voor de bijstandsgerechtigde tot gevolg hebben. Door hetverminderen van het aantal documenten dat de aanvrager moet aanle-veren, het gebruik van DigiD voor het aanvraagproces in plaats vanidentificatie aan het loket, het beter gebruiken van de informatie die alvoor gemeenten beschikbaar is in de administraties en het instellen vaneen verkorte aanvraagprocedure voor herinstromers zal ervoor zorgen datiemand minder tijd kwijt is aan het aanvragen van bijstand. Om de kostente berekenen van deze afname van de regeldruk wordt uitgegaan van eenaantal bijstandsaanvragen (inclusief AIO) van ongeveer 120.000. Hierbijwordt ingeschat dat het een bijstandsaanvrager ongeveer twee uurminder tijd kost om de bijstandsaanvraag in te dienen, dit komt dan uit opeen totale afname van 240.000 uur per jaar. Er wordt gekozen voor 2 uuromdat het aanvragen van bijstand en het aanleveren van de gevraagdeinformatie door mensen ervaren wordt als een complex en tijdrovendproces, waardoor dit meer tijd kost dan een gemiddelde aanvraag.Uitgaande van het standaarduurtarief van € 17 komt de afname van deregeldruk voor deze maatregel uit op € 4,1 miljoen per jaar.7.1.5 Automatisch verrekenen van inkomsten uit arbeid Deze maatregel zal naar verwachting een vermindering van de regeldrukvoor de bijstandsgerechtigden ten gevolge hebben. Het automatischverrekenen op basis van de Polisadministratie betekent dat bijstandsge-rechtigden die werken naast de uitkering en voor wie automatischverrekenen mogelijk is niet meer elke maand hun loonstrook hoeven in televeren. Dat gaat ingeschat zeker om de helft tot driekwart van de groepwerkende bijstandsgerechtigden maal een half uur per maand. Van debijstandsgerechtigden werkt ongeveer 8% in deeltijd. Het Inlichtingen-bureau kan op basis van de gegevens uit de Polisadministratie voorongeveer 95% van de gevallen een netto-inkomen berekenen. Voor 40%van de verrekeningen is de looninformatie net zo snel beschikbaar in dePolisadministratie als dat de salarisstrook beschikbaar is bij dewerknemer. Op basis hiervan wordt ingeschat dat voor ongeveer 60% vande werkende bijstandsgerechtigden verrekend kan worden op basis vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3118 de polis (gekozen tussen 40% en 95%) en zij geen loonstrook hoeven in televeren bij de gemeente. Dat betekent een vermindering van de regeldrukvan 20 minuten per maand, 4 uur per jaar per werkende bijstandsgerech-tigde. In de structurele situatie betekent dit een verwachte afname van deregeldruk van € 1,5 miljoen per jaar.7.1.6 Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget eneindejaarsuitkering Het anders verrekenen van vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en hetkeuzebudget zal naar verwachting voor de bijstandsgerechtigde geengevolgen hebben voor de regeldruk omdat dit een verandering inwerkproces voor gemeenten betreft.7.1.7 Invoering bufferbudget Voor het bufferbudget geldt dat dit als doel heeft om bijstandsgerech-tigden financiële stabiliteit te geven op maandbasis, zodat zij hun lastenkunnen betalen. Dit zal dus een vermindering van de regeldruk opleverenvoor mensen die last hebben van zodanige schommelingen in inkomendat ze daardoor financieel in de problemen komen. Door die financiëleproblemen zijn mensen dus in de huidige situatie genoodzaakt om actieste ondernemen ten aanzien van de financiële problemen, zoals het bellenmet instanties die zij moeten betalen zoals de woningbouwvereniging ende energiemaatschappij. Dit hoeven zij niet meer te doen als het inkomenstabiel genoeg is om de vaste lasten te kunnen betalen. De verwachting isdat deze maatregel de regeldruk vermindert, al zijn de effecten niet hardgenoeg om te kwantificeren.7.1.8 Ruimte voor mantelzorg: zorgbehoefte en gezamenlijke huishouding Voor de uitzondering op het gezamenlijke huishouding begrip moet altijdbeoordeeld worden of er sprake is van een zorgbehoefte, en of dezezorgbehoefte dermate intensief is dat deze aanleiding is voor mensen omsamen te wonen. Of een mantelzorgsituatie intensief is, is erg persoonsaf-hankelijk en moeilijk in een strakke definitie te vangen. Over het algemeenkan worden gesteld dat intensieve mantelzorg een vorm van mantelzorgis waarbij een persoon langere tijd (langer dan 3 maanden en meer dan8 uur per week) zwaar zorgt voor een chronisch zieke, gehandicapte ofhulpbehoevende familielid, partner of vriend. Ook nu beoordelengemeenten de intensiteit van mantelzorg om te bepalen of op aanvraageen arbeidsontheffing kan worden verleend. Bij de aanpakken diegemeenten hiervoor hebben ontwikkeld kan voor de uitzondering op degezamenlijke huishouding begrip worden aangesloten. Hoewel insommige gevallen het verzoek tot de uitzondering op de gezamenlijkehuishouding begrip in de initiële bijstandsaanvraag kan worden meege-nomen, is voor het verzoek tot uitzondering noodzakelijk dat mensen hiereerst een aanvraag voor indienen. De tijd die iemand nodig heeft om deaanvraag in te dienen, is heel persoonsafhankelijk en van verschillendefactoren afhankelijk. Zoals eventuele beperkingen of en in hoeverreiemand bijvoorbeeld begeleiding (nodig) heeft bij de aanvraag en de matewaarin alle benodigde informatie voor handen is. Over het algemeen kanworden gesteld dat het invullen van het aanvraagformulier – inclusief hetverzamelen van de benodigde bijlagen ongeveer 60 minuten in beslagneemt.Soms is – aanvullend op de informatie die bij de aanvraag aangeleverdis – een aanvullende beoordeling nodig door de gemeente of een door degemeente ingezette sociaal-medisch adviseur. Deze aanvullende beoor-deling duurt (inclusief eventuele reistijd) ongeveer 60 minuten. Bij elkaarTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3119 opgeteld betekent bovenstaande zo’n 60–120 minuten per aanvraag, erwordt uitgegaan van gemiddeld 90 minuten. Wanneer hierbij, zoalsvoorgeschreven in de Rijksbrede methodiek voor regeldrukeffecten,uitgegaan wordt van € 17 aan kosten per uur die een bijstandsgerechtigdebesteedt aan administratieve lasten, komt dit uit op € 25,50 per aanvraag.Verwachting is dat er ongeveer 600 extra mensen een uitkeringontvangen. Dit zijn geen aanvragen, maar toekenningen en daarmee eenonderschatting van het aantal aanvragen. Daar tegenover staat dat dezehuishoudens gemiddeld langer dan 1 jaar samenwonen, waardoor we welaan kunnen nemen dat het aantal aanvragen per jaar op ongeveer 600 zalliggen. Daarmee zorgt deze wijziging voor een extra regeldruk van€ 15.000 per jaar.7.1.9 Meer ruimte voor gemeenten voor afstemming op individueleomstandigheden bij opleggen van maatregelen Gemeenten krijgen (zie Hoofdstuk 5) ruimte om activiteiten af te sprekenmet de bijstandsgerechtigde die (eventueel op termijn) leiden totarbeidsinschakeling, reëel zijn en daarover afspraken te maken. Dit leidtertoe dat verplichtingen worden opgelegd die ook kunnen wordennagekomen en bij niet naleven zouden moeten leiden tot passendehandhaving. Wanneer gemeenten meer ruimte krijgen voor afstemmingop individuele omstandigheden bij het opleggen van maatregelen, zullenmensen die een maatregel krijgen opgelegd informatie moetenverstrekken over hun individuele omstandigheden als gemeenten daarniet al over beschikken. De ene burger zal hier meer tijd voor nodighebben dan de andere. Vandaar dat uitgegaan wordt van een gemiddeldetijdsinvestering die gepaard gaat met het verzamelen van deze informatieen het verstrekken daarvan aan gemeenten. Die gemiddelde tijdsinves-tering bedraagt 60 minuten. Wanneer hierbij, zoals voorgeschreven in deRijksbrede methodiek voor regeldrukeffecten, uitgegaan wordt van € 17aan kosten per uur die een burger besteedt aan administratieve lasten,komt dit uit op € 17 per individueel geval. Uit CBS-gegevens over deeerste drie kwartalen van 2021 kan een indicatie worden afgeleid voor hetaantal huishoudens die met een verlaging van de bijstandsuitkering zijngeconfronteerd vanwege het niet nakomen van de verplichting totarbeidsinschakeling. Uitgaande van deze indicatie veronderstelt deregering dat in 0,1 procent van de huishoudens met bijstand eenmaatregel is opgelegd. Gesteld dat gemeenten in de nieuwe situatie voordit aandeel de maatregelen afstemt op de individuele omstandighedenvan de bijstandsgerechtigde leidt dit (uitgaande van een bestand van414.000 bijstandsontvangers) tot jaarlijks 400 gevallen. Dit leidt tot eenraming van de toename van de regeldruk als gevolg van deze maatregelvan 400 maal € 17 = € 7.000.7.1.10 Afwijken van het principe aanvraagdatum is ingangsdatum:bijstand met terugwerkende kracht Bij een bijstandsaanvraag met terugwerkende kracht blijft de aanvraag-procedure ongewijzigd zoals in huidige wetgeving. Bij deze maatregelwordt er van de bijstandsgerechtigde extra gegevens gevraagd in verbandmet de verantwoording en het aannemelijk maken dat de bijstandsgerech-tigde recht heeft op een bijstandsuitkering voorafgaand aan de datum vande bijstandsaanvraag. Bij de bepaling van de doelgroep is ervanuitgegaan dat de instroom in de bijstand op jaarbasis rond de 120.000personen ligt (inclusief AIO). De aanname is dat 2% van deze instroomwegens individuele omstandigheden recht krijgt op een bijstandsuitkeringmet terugwerkende kracht voor maximaal twee maanden. Het gaat dusom ruim 2400 mensen. De bijstandsgerechtigde zal moeten aantonen datdoor individuele omstandigheden de redenen zijn geweest om de bijstandTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3120 niet eerder te hebben aangevraagd. Dit kunnen uiteenlopende redenenzijn die eerder in deze memorie zijn toegelicht. Afhankelijk van hetdoenvermogen kost het verzamelen van relevantie gegevens ca 60–120minuten. Het gesprek met de gemeente om de bijstandsaanvraag metterugwerkende kracht te beoordelen zal 60 minuten extra duren voor debijstandsgerechtigde. Voor het contact vooraf, het vervolgcontact en dereistijd wordt uitgegaan van een tijdsbelasting voor de bijstandsgerech-tigde van anderhalf tot twee uur. Bij elkaar komt de tijdsbelasting voor debijstandsgerechtigde die gebruik kunnen maken van terugwerkendekracht uit op drie tot vier uur, gemiddeld 3,5 uur. De extra regeldruk komtdaarmee naar verwachting op € 0,1 miljoen.7.1.11 Toegang tot de IOAZ indien het bedrijf of zelfstandig beroep totmaximaal drie maanden terug is beëindigd Het aanpassen van een van de toegangsvereiste voor de IOAZ zal naarverwachting geen gevolgen hebben voor de regeldruk. De maatregel heeftgeen gevolgen voor de stukken die een gewezen ondernemer moetaanleveren bij de aanvraag voor de IOAZ en ook niet voor hetgeen vangewezen ondernemer verwacht wordt in het verdere aanvraagproces. Persaldo zal de regeldruk naar verwachting met € 5,2 miljoen afnemen alsgevolg van dit wetsvoorstel.8. Financiële gevolgen 8.1 Inleiding In dit hoofdstuk gaat de regering in op de financiële gevolgen van ditwetsvoorstel. Dit start met een toelichting per maatregel, vervolgenswordt er een compleet financieel overzicht gegeven en tot slot wordtnader ingegaan om de doeltreffendheid, doelmatigheid en de evaluatie,zoals vereist op grond van artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet.8.2 Budgettaire gevolgen per individuele maatregel 8.2.1 Harmonisatie aanvullende bijstand voor jongmeerderjarigen(artikel 20 Pw) De overheveling van de aanvullende bijstand voor jongmeerderjarigenvan bijzondere naar algemene bijstand brengt ook een wijziging van definanciering met zich mee. Op basis van een CBS-tabel is een inschattinggemaakt van de huidige uitgaven door gemeenten aan de aanvullendebijstand. Dit komt op € 7,9 miljoen. Uitgangspunt van de harmonisatiewas een budgettair neutrale wijziging. We verwachten niet dat gemeentenmeer uitgeven aan de aanvulling. Er wordt € 7,9 miljoen euro (prijspeil2022) overgeheveld van de algemene uitkering van het Gemeentefondsnaar de specifieke uitkering voor Participatiewetuitkeringen.8.2.2 Giften (artikel 31, twee lid, onderdeel m, en artikel 39, eerste lid) 20242025202620272028Struc.Bedragen in mln euro’s5,96,16,36,37,0 Deze maatregel sluit grotendeels aan bij staande praktijk van gemeenten.Een groot deel van de gemeenten hanteert al een vrijlating van € 1.200 ofhoger voor giften. Een klein deel van de gemeenten zal door de wetswij-ziging een hogere vrijlating hanteren. Aanname is dat voor ruim 2% vanhet bijstandsvolume zal gelden dat een bedrag van gemiddeld € 600minder zal worden teruggevorderd, dit betreft ongeveer 8.300Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3121 huishoudens in 2024. Belangrijk aandachtspunt is dat lang niet alleingestelde vorderingen (volledig) worden terugbetaald, in de praktijkkunnen gemeenten en de SVB dus meer giften vrijlaten. Daarmee komende structurele budgettaire gevolgen op € 7,0 miljoen.8.2.3 Vermogen (artikel 34 Pw) Deze maatregel vereenvoudigt de praktijk, omdat de te hanteren methodevoor de vermogensvaststelling beter uitlegbaar wordt. In de praktijkhouden gemeenten al rekening met actueel vermogen als de bijstandanders (onterecht) zou worden stopgezet, waardoor dit geen gevolgenheeft voor het recht op bijstand.8.2.4 Maatwerkmogelijkheid bij de vierwekenzoek termijn voor jongerentot 27 jaar in kwetsbare situaties (artikel 41, elfde lid, Pw) De zoektermijn kan door deze aanpassing op basis van individueleomstandigheden buiten werking worden gesteld. Insteek is datgemeenten de zoektermijn niet toepassen wanneer de zoektermijn niet hetwenselijke effect heeft. Daarmee heeft deze maatregel geen budgettairegevolgen. Een mogelijk uitstralingseffect wordt als verwaarloosbaaringeschat.8.2.5 Afwijken van het principe aanvraagdatum is ingangsdatum: bijstandmet terugwerkende kracht (artikel 44, tweede lid, Pw) 20242025202620272028Struc.Bedragen in mln euro’s5,65,65,65,65,4 Een groot deel van de bijstandsgerechtigden vraagt op tijd een uitkeringaan. Van de mensen die een bijstandsuitkering pas aanvragen nadat ze eral één of meerdere maanden recht op hebben, komt een groot deel niet inproblemen, omdat ze bijvoorbeeld van spaargeld kunnen leven.Verwachting is dat een klein deel van de totale instroom in de bijstand(2%) recht krijgt op terugwerkende kracht. De verwachting is dat mensengemiddeld genomen 2 maanden terugwerkende kracht ontvangen. Omdathet gaat om mensen die op basis van individuele omstandigheden eenuitkering met terugwerkende kracht ontvangen, zal het naar verwachtingniet gaan om mensen die minder dan 1 maand terugwerkende krachtontvangen. Daarom wordt gerekend met het gemiddelde van 1 en 3maanden; 2 maanden terugwerkende kracht. In de bijstand ligt degemiddelde instroom rond de 100.000, bij de AIO is dat 11.000. Destructurele intensivering komt daarmee uit op € 5,4 miljoen.8.2.6 Bijstandsnorm (alleenwonende) alleenstaande bijstandsgerechtigdemet niet-rechthebbende partner (artikel 24 Pw) & Bijstandsnorm alleen-staande ouder zonder alo-kop (artikel 24a Pw) 20242025202620272028Struc.Bedragen in mln euro’s5,25,45,55,66,2 De codificatie van deze maatregelen is breder dan de jurisprudentie,doordat ook wanneer de niet-rechthebbende partner wel inwonend is,toch is gekozen voor de alleenstaanden norm. Hierbij zij opgemerkt dathet eventuele inkomen van de niet-rechthebbende partner wel op de normin mindering wordt gebracht, voor zover zijn inkomen plus debijstandsnorm voor de rechthebbende partner, hoger is dan de gehuw-dennorm. Aanname is dat een gemiddelde gemeente door deze wijzigingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3122 2 extra huishoudens op moet plussen van 50% naar 70% of van 70% naar90%. Dat komt neer op 0,2% van het bijstandsvolume. Deze aanname istoegepast op alle regelingen. Daarmee komen de structurele budgettairegevolgen op € 6,2 miljoen.8.2.7 Onverwijld de mogelijkheid bieden tot het indienen van eenaanvraag na melding (artikel 41, vierde lid, Pw) Ook wanneer een aanvraag pas na enige tijd tot stand komt geldt demeldingsdatum als ingangsdatum van het bijstandsrecht, tenzij het rechtop bijstand eerst later is ontstaan of de late indiening van de aanvraagaan bijstandsgerechtigde is te wijten. Aan de voorgestelde bepaling zijndaarom geen budgettaire gevolgen verbonden.8.2.8 Gelijkstelling aanvraag bijstand, Bbz, IOAW of IOAZ (artikel 43, zesdelid, Pw) Gezien de complexiteit van ons stelsel mag van een bestuursorgaanworden verwacht dat het bijstandsgerechtigde niet tegenwerpt dat hij zichbij zijn beroep op ondersteuning in het levensonderhoud tot een regelingheeft gewend, waar hij uiteindelijk geen recht op had. Zeker niet wanneerdit bestuursorgaan ook de regeling uitvoert waar betrokkene gezien zijnondersteuningsverzoek wel recht op had. De voorgestelde regeling betreftvastlegging van redelijk handelen en is in die zin codificatie van eenstaande praktijk.8.2.9 Verruiming van de bijverdiengrenzen (nieuw artikel 34a Pw) 20242025202620272028Struc.Bedragen in mln euro’s11,911,911,911,918,0 De verlenging van de duur van de algemene vrijlating van 6 naar 12maanden en het verlagen van het percentage zorgt per saldo voor eenintensivering. Ook is er de mogelijkheid de vrijlating te verlengen voormensen waarvan niet verwacht wordt dat die hun aantal gewerkte urenzullen kunnen uitbreiden. Daarnaast vervalt het maximale bedrag,waardoor het te ontvangen bedrag aan vrijlating groter kan zijn dan eerst.Tot slot krijgen jongeren tot 27 jaar ook recht op vrijlating van inkomstenuit arbeid. Dit zorgt in totaal voor een structurele intensivering van€ 18,0 miljoen.Binnenbegro-tingshorizonStructureelIntensivering uniforme vrijlating groep€ 1,0 mln.€ 1,0 mln.Intensivering alleenstaande ouders€ 0,5 mln.€ 0,5 mln.Intensivering jongeren 18–27 jaar€ 0,9 mln.€ 0,9 mln.Intensivering verval maximaal bedrag MUB en LKS€ 1,3 mln.€ 6,2 mln.1Intensivering extra verlengingsmogelijkheid€ 8,2 mln.€ 8,2 mln.Totaal€ 11,9 mln.€ 18,0 mln.1 Structureel groter budgettair beslag wordt veroorzaakt door ingroei van de LKS-doelgroep. Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3123 8.2.10 Versoepelen aanvraagprocedure (artikelen 17 en 43a Pw) Door deze maatregel kan overbodige administratieve last wordenweggenomen, waardoor herinstromen minder belasting oplevert voor debijstandsgerechtigde. Deze vereenvoudiging heeft geen invloed op hetrecht op bijstand en daarmee geen budgettaire gevolgen.8.2.11 Invoering bufferbudget (artikel 34b Pw) 20242025202620272028Struc.Bedragen in mln euro’s13,213,413,814,015,5 Het bufferbudget betreft een maatwerkbudget voor die situaties waarbijiemand in de financiële problemen komt door het verrekenen vaninkomsten en andere maatregelen en instrumenten niet voldoende zijn.Gemeenten zullen het bufferbudget dus niet voor alle werkende bijstands-gerechtigden in hoeven te zetten. Aangenomen wordt dat het buffer-budget voor 25% van de bijstandsgerechtigden die werkt, zal wordeningezet. Dat zijn ongeveer 8.000 mensen. Een netto bufferbudget van€ 1.000, kost bruto ongeveer € 1.650. De budgettaire gevolgen komendaarmee structureel op € 15,5 miljoen per jaar.8.2.12 (Automatisch) verrekenen van inkomsten uit arbeid op basis vangegevens uit de Polisadministratie (artikelen 31, tweede lid, onder g en 32,tweede en vijfde lid, Pw) 20242025202620272028Struc.Bedragen in mln euro’s1,11,21,21,21,3 Om automatisch verrekenen mogelijk te maken, is het nodig dat er meteen kleine marge kan worden verrekend. Dit kan zo worden ingevoerd, dathet altijd in het voordeel van de bijstandsgerechtigde is. Op basis van desectorale premies is een aanname gedaan wat de huidige WGA/WHK-inhouding kost. Het is nodig om op deze wijze een aanname te doenomdat gegevens over de omvang van de huidige WGA/WHK-inhoudingenniet beschikbaar zijn. Dit gebeurt op gemeentelijk niveau op basis van degegevens uit de loonstroken. Het Inlichtingenbureau heeft aan de handvan deze aanname berekend dat uitgaande van het nieuwe standaardper-centage voor de WGA-premie dit gemiddeld ongeveer € 35 op jaarbasiskost aan extra uitkering per werkende bijstandsgerechtigde. Gemiddeldwerkt 8,6% van de bijstandsgerechtigden naast hun bijstandsuitkering, datkomt neer op ruim 30.000 personen. Daarmee komen de structurelebudgettaire gevolgen op € 1,3 miljoen.8.2.13 Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget eneindejaarsuitkering (artikel 32 Pw) Deze maatregel zorgt ervoor dat inkomsten uit arbeid op een andermoment in het jaar worden verrekend, zodat het beter aansluit bij definanciële situatie van de bijstandsgerechtigde. De maatregelen heeftgeen invloed op de hoogte van de verrekening. Daarmee heeft dezemaatregel geen budgettaire gevolgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3124 8.2.14 Ruimte voor mantelzorg (artikel 33 en artikel 3, tweede lid, Pw) De voorstellen opgenomen in hoofdstuk 5, paragraaf 1 tot en met 5, zijnbudgettair neutraal vormgegeven. De gemeenten kunnen bij de invullingvan deze maatregelen rekening houdend met het hen ter beschikkinggestelde budget voor ondersteuning.Zorgbehoefte en gezamenlijke huishouding20242025202620272028Struc.Bedragen in mln euro’s6,36,36,36,36,2 Als gevolg van deze maatregel zouden personen die nu op grond van dePw een gezamenlijke huishouding voeren, niet langer als gezamenlijkehuishouding worden gezien. Daardoor kan iemand die vanwege eenzorgbehoefte samenwoont, straks recht krijgen op een uitkering. Dit geldtvoor huishoudens waarbij geen sprake is van een huwelijk of daarmeegelijkgestelden. Uit CBS-cijfers volgt dat er bijna 11.000 «overige»huishoudens zijn waarbij er sprake is van langdurige zorg, zonder eenbijstandsuitkering. Er kan wel sprake zijn van bijvoorbeeld een AOW- ofWW-uitkering of inkomen uit werk. Er zijn 8.990 huishoudens met eenAOW-uitkering, die mogelijk recht krijgen op een AIO-uitkering en 1.680huishoudens die mogelijk recht krijgen op een bijstandsuitkering. Na dezewijziging zal een deel van deze groep aanspraak kunnen maken op eenbijstandsuitkering. Om een inschatting te kunnen maken van hetbijstandsgebruik onder deze groepen, is gekeken naar het bijstandsge-bruik onder de totale populatie. Omdat het naar verwachting gaat om eenrelatief kwetsbare groep, is gerekend met een 2x hogere bijstandsaan-spraak onder deze groep. Daarmee komt het extra bijstandsgebruik opruim 600 huishoudens. Omdat het gaat om meerpersoonshuishoudens,zal er naar verwachting sprake zijn van minstens één kostendeler. Daaromis gerekend met een bijstandsprijs van 50%-WML. Daarmee zorgt dezemaatregel voor een structurele investering van € 6,2 miljoen per jaar.Mantelzorg niet beschouwen als op loon te waarderen arbeidIn de praktijk wordt mantelzorg al niet als op loon te waarderen arbeidbeschouwd. Het gaat hier om codificatie van deze staande praktijk. Dezemaatregel heeft daardoor geen budgettaire gevolgen.20242025202620272028Struc.Bedragen in mln euro’s0,50,50,50,50,5 8.2.15 Verbreding van het experimenteerartikel (artikel 83 Pw) Voor de extra ondersteuning aan gemeenten en om het toenemend aantalexperimenten te beoordelen en begeleiden is naar inschatting€ 0,5 miljoen structureel benodigd om extra benodigde capaciteit bij SZWte financieren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3125 8.2.16 Toegang tot de IOAZ indien het bedrijf of zelfstandig beroep totmaximaal drie maanden terug is beëindigd (artikel 5 IOAZ) 20242025202620272028Struc.Bedragen in mln euro’s1,12,13,24,36,4 Door deze wijziging krijgen ondernemers die hun bedrijf tot drie maandenterug hebben beëindigd ook recht op IOAZ. Als gevolg van deze wijzigingwordt een verhoogde instroom van 20% ten opzichte van de huidigeinstroom in IOAZ verwacht. Dit resulteert in een structureel budgettairbeslag van € 6,43 miljoen voor de extra instroom.8.3 Totale budgettaire gevolgen Daarmee komen de totale budgettaire gevolgen van dit wetsvoorstel op€ 66,5 miljoen.euro’s20242025202620272028Struc-tureel3.2, 3.3 Giften5,96,16,36,47,03.6 Bijstand met terugwer-kende kracht5,65,65,65,65,43.9, 3.10 Niet recht-hebbendepartner5,25,45,55,66,24.1 Verruiming van debijverdien-grenzen11,911,911,911,918,04.3 Automatisch verrekenen1,11,21,21,21,34.7 Bufferbudget13,213,413,81415,55.7 Ruimte voor mantelzorg6,36,36,36,36,25.8 Verbreding experimenteer-artikel0,50,50,50,50,56.2 Aanpassing toegangseisIOAZ1,12,13,24,36,4Totaal50,952,554,255,866,5 Voor de uitvoeringskosten geldt dat verschillende maatregelen eenverlichting van de uitvoeringspraktijk opleveren en andere een verzwaringvan de uitvoeringspraktijk. Verwachting is dat de verschillende effectenvoor de uitvoeringspraktijk tegen elkaar wegvallen en dat dit wetsvoorsteldaarmee geen budgettaire gevolgen voor de uitvoeringskosten heeft.8.4 Beleidskeuze uitgelegd: onderbouwing doeltreffendheid, doelma-tigheid en evaluatie Op grond van artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet wordt een toelichtinggevraagd op zes onderdelen: doelstellingen, doeltreffendheid, doelma-tigheid, instrumenten, financiële gevolgen voor het Rijk en waar mogelijkgevolgen voor maatschappelijke sectoren. Daarnaast is bij voorstellen dieleiden tot een substantiële wijziging een evaluatieparagraaf verplicht.170Op meerdere van deze onderwerpen is reeds ingegaan in deze toelichting.Voor een overzichtelijk beeld is onderstaande tabel opgenomen.170Kamerstukken II 2016/17, 34 725, nr. 8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3126 Beleidskeuzes uitgelegdDoel(en)De doelen van dit wetsvoorstel zijn:• De regels en ondersteuning van de Participa-tiewet laten aansluiten op de mogelijkheden enomstandigheden van de mensen voor wie zebedoeld zijn: eenvoudig en passend;• Het vergroten van de rechtszekerheid, zowelqua rechten als plichten: uniform waar het kan,differentiatie waar nodig; en• Het creëren van meer handelingsruimte voorde uitvoerend professional.Hierdoor ontstaat een beter uitvoerbare wet,wordt er meer rekening gehouden met demenselijke maat en gaat de Participatiewet meeruit van vertrouwen in bijstandsgerechtigden. Zievoor een verdere toelichting paragraaf 2.3.Beleidsinstrument(en)De Participatiewet wordt aangepast zodat dewet en uitvoeringspraktijk beter aansluit op demogelijkheden en omstandigheden van debijstandsgerechtigden voor wie de wet bedoeldis. Het herstellen van de balans in de Participa-tiewet vraagt niet om een individuele actie opéén onderdeel, maar juist om een samenspelvan maatregelen op de verschillende deelaspec-ten uit de probleemanalyse.• Te denken valt aan de maatregelen die wordengenomen om deeltijdarbeid in combinatie metaanvullende bijstand aantrekkelijker te maken.Alsmede de wet op het terrein van arbeids- enreintegratieverplichtingen beter laten aansluitenbij de mogelijkheden van de bijstandsgerechtig-den. Dit wordt uitgewerkt in hoofdstuk 4 en 5.• Met bepaalde maatregelen wordt de rechtsze-kerheid en de voorspelbaarheid van het huidigevangnet van de bijstand te vergroot. Dit wordtgedaan door de bijstandsgerechtigde inbepaalde situaties de zekerheid te bieden vaneen bepaald inkomen of een individuelebeoordeling. Dit draagt bij aan een eenduidigeuitvoeringspraktijk. Tegelijkertijd wordt rechtgedaan aan de wens om juist ruimte te laten omin te spelen op vooraf niet te identificerenspecifieke situaties. Dit wetsvoorstel zet daaromin op maatregelen van verschillende niveaus:algehele codificatie, zogenaamde «maatstafbe-palingen» en «kan-bepalingen». Dit wordtuitgewerkt in hoofdstuk 3.• Het is uiteindelijk aan de uitvoerend professio-nal om te bezien of de wet in het individuelegeval tot een uitkomst leidt die in overeenstem-ming is met de bedoeling van de wet. Zo niet,dan moet de uitvoerder de ruimte krijgen om deuitkomst bij te stellen. Hieruit vloeien bijvoor-beeld de maatregelen tot «maatwerk bij devierwekenzoektermijn» en «bijstand metterugwerkende kracht» uit voort.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3127 Beleidskeuzes uitgelegdFinanciële gevolgenvoor het RijkIn de eerdere paragrafen van dit hoofdstuk isnader ingegaan op de financiële gevolgen voorhet Rijk. De totale budgettaire gevolgen ditwetsvoorstel bedragen € 66,5 miljoen.Financiële gevolgenvoor het maatschappe-lijke sectorenDe gevolgen voor de bijstandsgerechtigden zijnin de diverse hoofdstukken weergegeven. Degevolgen voor de regeldruk zijn opgenomen inhoofdstuk 7 van deze toelichting.NagestreefdedoeltreffendheidNa inwerkingtreding van deze wetswijzigingsluit de Participatiewet beter aan op demogelijkheden en omstandigheden van demensen voor wie de wet bedoeld is. Daarnaastvergroot het de rechtszekerheid van bijstands-gerechtigden en creëert het meer handelings-ruimte voor de uitvoering. Ook zal een deel vande bijstandsgerechtigden meer geld overhou-den, doordat gemeenten anders omgaan methet verrekenen van giften en inkomen uit arbeid.De wijzigingen dragen bij aan meer rust enzekerheid in het leven van bijstandsgerechtig-den. Uiteindelijk kan dit er ook aan bijdragen datmensen sneller aan het werk gaan.NagestreefdedoelmatigheidDeze wetswijziging is randvoorwaardelijk om dedoelen te bereiken. Deze doelen kunnen nietworden bereikt onder de huidige Participatie-wet. Op basis van de gemaakte beleidsanalyseis geïnventariseerd welke maatregelen op kortetermijn kunnen worden gerealiseerd enwaarmee gegeven de beperkt beschikbarebudgettaire middelen de grootste verbeteringvoor bijstandsgerechtigden kan worden bereikt.De maatregelen bieden meer rechtszekerheidvoor de bijstandsgerechtigden en zorgen ervoordat de wet beter aansluit op hun doenvermogenen situatie. Ook worden maatregelen getroffenom de stap naar werk makkelijker te maken.Daarnaast beoogt dit wetsvoorstel de uitvoe-rende professional meer handelingsruimte tebieden. Deze verbeteringen in het leven vanbijstandsgerechtigden wegen op tegen debudgettaire gevolgen van de aanpassingen. Ookdoordat de verbeteringen er aan bij kunnendragen dat mensen sneller aan het werk gaan ofop andere wijze weer deelnemen aan desamenleving.EvaluatieDe evaluatie van de maatregelen die zijnopgenomen in dit wetsvoorstel lopen mee in debrede evaluatie van de Participatiewet. Zie ookparagraaf 9.3 Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3128 9. Uitvoering, monitoring en evaluatie 9.1 Inleiding Om de effecten van de wijzigingen van dit wetsvoorstel op waarde tekunnen schatten, is een goede monitoring en evaluatie belangrijk. In dithoofdstuk wordt beschreven hoe deze monitoring en evaluatie vormkrijgt. Zoals te doen gebruikelijk bij invoering van een nieuwe wet zal éénjaar na invoering een invoeringstoets plaatsvinden en wordt de wet naenkele jaren geëvalueerd.9.2 Uitvoering De gemeenten zijn sinds de decentralisatie van 2015 verantwoordelijkvoor onder meer werk en inkomen. De Rijksoverheid heeft een systeem-verantwoordelijkheid: zij moet onder meer zorgen voor adequatejuridische kaders en voldoende financiële middelen. Dit wetsvoorstelverandert de taak van gemeenten niet: het uitgangspunt blijft de decen-trale uitvoering door gemeenten en de verantwoordelijkheden diedaarmee samenhangen. Concreet betekent dit dat gemeenten ruimtehebben om hun taken via beleidsvrijheid verder vorm en invulling tegeven. Aan dit decentrale stelsel is inherent dat verschillen tussengemeenten kunnen ontstaan.Impact van de maatregelenDe maatregelen uit dit wetsvoorstel hebben, zoals de Raad benoemdimpact op de gemeentelijke uitvoering. Het kabinet is van mening dat deimpact van dit wetsvoorstel in balans is: er zijn enerzijds maatregelen diezorgen voor een verlichting en anderzijds maatregelen die zorgen vooreen toename van uitvoeringslasten voor de gemeenten. De mate van deimpact is mede gebaseerd op de uitvoeringstoets van de VNG en degesprekken die met de gemeenten zijn gevoerd (zie ook paragraaf 1.4 voorhet proces rondom de totstandkoming van de maatregelen). Voor definanciële impact van de maatregelen wordt verwezen naar hoofdstuk 8.Een deel van de maatregelen is codificering van jurisprudentie en/of deuitvoeringspraktijk. Deze maatregelen zullen dan ook geen of slechtsbeperkte impact hebben op de gemeentelijke uitvoering. Tot dezecategorie behoren onder meer de maatregelen over de geharmoniseerdejongerennorm, het versoepelen van de aanvraagprocedure en debijstandsnorm voor hen niet met een niet-rechthebbende partner.Daarnaast zijn er een aantal maatregelen die nieuw zijn voor gemeentenen waarbij de impact mede afhangt van de huidige uitvoeringspraktijk vangemeenten. De impact kan derhalve van gemeente tot gemeenteverschillen. Met deze wetenschap/kennis zal de impact vooral betekenishebben voor de implementatiefase van dit wetsvoorstel. Daartoe wordt insamenwerking met de VNG een implementatieplan gemaakt, diegemeenten helpt bij de voorbereiding van de invoering van ditwetsvoorstel. Tot deze categorie behoren onder meer de vereenvoudigingvan de vermogensvaststelling en de uitzondering op de vierwekenzoek-termijn. Het kabinet hecht eraan erop te attenderen dat er ook maatre-gelen zijn die – na implementatie – zorgen voor een verlichting van deuitvoeringlasten. Dit zijn de maatregelen rondom het automatischverrekenen en vereenvoudiging van het verrekenen vakantietoeslag,keuzebudget en de eindejaarsuitkering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3129 Op dit moment wordt gewerkt aan de lagere regelgeving die uit ditwetsvoorstel voortvloeit. De lagere regelgeving ziet op een aanpassingvan de Regeling Participatiewet, IOAZ en IOAW in verband met hetverrekenen (zie ook paragraaf 4.5), op een aanpassing van het maatrege-lenbesluit (zie ook paragraaf 5.6) en op een aanpassing van het Besluitbijstand zelfstandigen (zie paragraaf 6.4). De partijen aan wie dezeregelgeving raakt, zijn daarbij uitvoerig betrokken zodat de uitvoer-baarheid als belangrijke toetssteen geborgd is.Ruimte voor de professionalsVan gemeenten wordt verwacht dat zij op grond van artikel 18 Pw debijstand en daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandig-heden, mogelijkheden en middelen van de bijstandsgerechtigde. Met ditwetsvoorstel worden enkele wijzigingen voorgesteld om in die gevallenwaarin de individuele omstandigheden vragen om een ander besluit dandat de wetgever in eerste instantie voor ogen staat, maatwerk te bieden.Dit kot tegemoet aan de breed gedragen politieke en maatschappelijkewens om meer rekening te houden met een menselijke benadering en deruimte voor de uitvoerende professional te bieden. Het kabinet erkent datdit specifieke vaardigheden vraagt van de uitvoerend professional. Hetbelang van spoor 3 van het programma Participatiewet in Balans is danook niet te onderschatten: het versterken van de vakkundigheid van deuitvoering.9.3 Monitoring Binnen een jaar zal een invoeringstoets de belangrijkste signalen vanervaringen met de nieuwe wet op korte termijn naar boven halen.Voor de monitoring van de wijzigingen uit dit wetsvoorstel zal vooralworden aangesloten bij de reguliere, al bestaande monitoring van deParticipatiewet. Sinds de invoering van de Participatiewet in 2015 wordende belangrijkste ontwikkelingen rondom de Participatiewet op verschil-lende, elkaar aanvullende manieren gevolgd. Zo worden door het CBSrelevante beleidsstatistieken aangeleverd waarmee inzicht verkregenwordt in de belangrijkste kwantitatieve ontwikkelingen over bijstandsver-lening, de hulp en voorzieningen die gemeenten bieden om te partici-peren en re-integratie naar werk en opgelegde terugvorderingen en deonderliggende reden daarvoor (onder andere relevant in het kader vanmonitoring van de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik). Op basishiervan wordt ook twee keer per jaar een factsheet Participatiewetgemaakt en aan beide Kamers verstuurd.171 De onderwerpen in ditfactsheet zullen aangepast worden om relevante kwantitatieve ontwikke-lingen te volgen. Verder worden ervaringen van cliënten en gemeentenongeveer tweejaarlijks gemeten in de ervaringsonderzoeken Participa-tiewet.172 In overleg met de Nederlandse Arbeidsinspectie (hierna: NLA)zal bezien worden in hoeverre er enkele gerichte vragen kunnen wordentoegevoegd over veranderingen door het programma Participatiewet inbalans. Op die manier zou wellicht gemonitord kunnen worden of dedoelstellingen van dit wetsvoorstel worden behaald en of er een cultuur-omslag plaatsvindt binnen (de uitvoering van) de Participatiewet,bijvoorbeeld waar het gaat om handhaving en bejegening van bijstands-gerechtigden. Om de effecten van de maatregelen op de gendergelijkheidin de praktijk goed te monitoren, zullen de effecten waar mogelijk wordenuitgesplitst naar gender.171Factsheet II, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 89.172Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 89.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3130 Tot slot verschijnen jaarlijks meerdere incidentele onderzoeken naar dewerking van de Participatiewet. Bevindingen van deze onderzoekenworden benoemd in een jaarlijkse monitoringsbrief Participatiewet.173Hierin kunnen aparte onderzoeken naar maatregelen uit dit wetsvoorstelworden opgenomen. Het voornemen is om enkele jaren na invoering vandit wetsvoorstel in ieder geval een uitgebreide cohort-/uitstroomstudie uitte voeren waarmee de eerste effecten van de maatregelen in beeldkunnen worden gebracht. Hoewel niet alle data op deze middellangetermijn beschikbaar zullen zijn voor een volledige effectmeting kan eendergelijk onderzoek een beeld geven van de werking van de wet.Bovendien past het binnen het voornemen om een strategische evaluatievan de Participatiewet uit te voeren.9.4 Evaluatie In 2019 vond een grootschalige evaluatie van de Participatiewet plaatsdoor het Sociaal Cultureel Planbureau. De volgende strategische evaluatievan de Participatiewet staat gepland voor 2027. Hierin zullen ook deeffecten van maatregelen uit Participatiewet in Balans spoor 1 meege-nomen worden, voor zover er op dat moment voldoende data beschikbaaris om die effecten te kunnen meten. Daarnaast zullen de effecten vanmaatregelen uit het wetsvoorstel Breed Offensief en de wijzigingkostendelersnorm ook een plek krijgen in deze strategische evaluatie.Over de voortgang van de SEA wordt de Kamer bij de begroting en hetjaarverslag geïnformeerd.In specifieke zin zijn er enkele wijzigingen in spoor 1 van Participatiewet inBalans die extra aandacht verdienen en waarvoor mogelijk extrainspanningen qua monitoring en/of evaluatie gewenst zijn. Hierbij kanbijvoorbeeld gedacht worden aan extra data-uitvragen in de beleidsstatis-tieken van het CBS of de ervaringsonderzoek van de NLA en/of apartaanvullend onderzoek naar de werking van een specifieke maatregel (zietabel). Voor deze maatregelen zal voor de invoering van het wetsvoorstelverder uitgewerkt worden op welke manier deze extra monitoringsin-spanning vorm krijgt.Voor de andere maatregelen uit Participatiewet in Balans spoor 1 geldt datdeze niet apart geëvalueerd worden maar meelopen in de bredemonitoring en evaluatie van de Participatiewet. Uit die brede monitoringen evaluatie kunnen signalen met betrekking tot deze maatregelen naarvoren komen maar dit wordt in principe niet apart uitgevraagd.10. Consultatie Over dit wetsvoorstel is, na het gezamenlijk uitwerken van de maatregelenin dit wetsvoorstel en het uitvoeren van een informele pre-toets (ziehiervoor paragraaf 1.4), formeel advies uitgevraagd bij verschillendepartijen. Onder meer de VNG, SVB, Divosa, Arbeidsinspectie, LCR, Raadvoor de rechtspraak, Expertgroep en het ATR hebben gereageerd op ditwetsvoorstel. Daarnaast heeft het wetsvoorstel gedurende 6 wekenopengestaan voor internetconsultatie. In die periode zijn 92 openbareconsultatiereacties ontvangen. De regering is zeer erkentelijke voor allereacties. Dit hoofdstuk gaat in op de ingebrachte adviezen en reacties, enop de naar aanleiding daarvan aangebrachte wijzigingen in hetwetsvoorstel. Indien er sprake is van overlap in reacties, worden dereacties beantwoord bij de partij die als eerste aan bod komt in dithoofdstuk. Reacties die de scope van dit wetsvoorstel te buiten gaan,worden in deze toelichting buiten beschouwing gelaten.173Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 282.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3131 ImplementatieDe VNG en SVB hebben aangegeven voldoende tijd (circa 12 maanden)nodig te hebben om alle maatregelen te implementeren. De regering heefthier begrip voor en zal in overleg treden met de VNG en SVB om goedeimplementatie van dit wetsvoorstel te borgen. Zie voor nadere toelichtingook paragraaf 11.8.Hoofdlijnen wijziging (mede) naar aanleiding van reactiesDe volgende wijzigingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van deconsultatie of gedurende de internetconsultatie:•Het begrip intensieve mantelzorg in artikel 3 Pw is vervangen doorzorgbehoefte;•De voorgestelde kan-bepaling in artikel 9 Pw is geschrapt;•De voorgestelde wijziging van artikel 9, vijfde lid, Pw is geschrapt;•Verduidelijkt is dat het besluit als bedoeld in artikel 18, tweede lid, Pwambtshalve of op verzoek van bijstandsgerechtigde kan wordenheroverwogen (wijziging van artikel 18, derde lid, Pw);•De voorgestelde wijziging van artikel 24 Pw is herschreven zodat ditartikel duidelijker is;•De norm in artikel 24a Pw is niet langer 90% van de gehuwdennormmaar 1/12 deel van het kindgebonden budget;•In artikel 33 Pw is verduidelijkt dat het onbetaalde mantelzorg betreft;•Er is een wijziging van artikel 36 Pw opgenomen om dit artikel teverduidelijken;•Voorgesteld wordt om in artikel 39 Pw te bepalen dat de hoogte van degiftenvrijlating meestijgt met de consumentenprijsindex, waarbij geldtdat het bedrag wordt afgerond op een veelvoud van € 50;•Voorgesteld wordt om de SVB uit te zonderen van het verduidelijktetransactiesysteem in artikel 32, tweede lid, Pw, omdat de SVB heeftaangeven dat deze maatregel voor haar niet uitvoerbaar is en deproblematiek die met de maatregel wordt opgelost bij de groep die deSVB bedient niet lijkt te leiden tot knelpunten.•Er zijn aanpassingen doorgevoerd in onder meer artikelen 1 en 38 Pwdie tekstueel van aard zijn of zorgen voor correcte verwijzingen.Daarnaast zijn zoals reeds voorgenomen de wijzigingen van de IOAW enIOAZ toegevoegd.Voortschrijdend inzicht:1) wijziging artikel 9 PwGedurende de consultatieperiode heeft de regering ten aanzien van eentweetal voorgestelde wijzigingen in artikel 9 Pw moeten constateren datde voorstellen het beoogde doel niet treffen, respectievelijk in deuitwerking te complex worden. Daar wordt hieronder nader op ingegaan.In de consultatieversie van het wetsvoorstel was in het wijzigingsvoorstelvan artikel 9 Pw een achtste lid opgenomen dat expliciteerde datgemeenten de mogelijkheid biedt om de verplichtingen, genoemd in heteerste lid van artikel 9 Pw, nader in te vullen voor een individuelebijstandsgerechtigde. Bij nader inzien verhoudt dit voorgestelde artikellidzich niet goed tot het bestaande artikel 18, eerste lid, Pw en is de regeringtot de conclusie gekomen dat het voorgestelde artikellid tot verwarringleidt. Het eerder voorgestelde artikel 9, achtste lid, Pw is namelijk eenkan-bepaling, terwijl uit artikel 18, eerste lid, Pw dwingend volgt dat deaan de bijstand verbonden verplichtingen afgestemd moeten worden opde omstandigheden, mogelijkheden en middelen van bijstandsgerech-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3132 tigde. De regering is van mening dat de mogelijkheid om de verplich-tingen nader in te vullen, maar ook om van nadere invulling af te zien,reeds op grond van artikel 9, eerste lid, in samenhang artikel 18, eerste lid,Pw bestaat. Dit is dus staand beleid. In paragraaf 5.2 is dit nader uitgelegden de toelichting op dit punt nader aangevuld.Ten aanzien van de voorgestelde wijziging van artikel 9, vijfde lid, Pwwordt het volgende opgemerkt. De regering heeft er thans voor gekozenom deze wijziging niet door te zetten in dit wetsvoorstel. De regeringonderkent de problemen waar de gemeenten tegenaanlopen. De wijze vanvaststelling van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeldin de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA)waarnaar verwezen wordt in het huidige artikel 9, vijfde lid, Pw sluit nietaltijd aan bij de doelgroep van de Participatiewet. Dit komt doordat de WetWIA zich richt op mensen met een arbeidsverleden, terwijl bijstandsge-rechtigden niet altijd gewerkt hebben in een dienstbetrekking. Ook devereiste inzet van een verzekeringsgeneeskundige bij een beoordeling alsbedoeld in de Wet WIA leidt bij gemeenten tot problemen omdat zij – integenstelling tot UWV – in het algemeen geen verzekeringsgeneeskun-digen in dienst hebben. Gezien de actuele problematiek bij UWV ter zakevan de achterstanden bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheidsuitke-ringen is het niet realistisch te verwachten dat gemeenten een beroepkunnen doen op UWV.De regering heeft gedurende de internetconsultatie met betrokken partijengetracht om overeenkomstig de oorspronkelijk voorgestelde delegatiebe-paling regels te stellen voor de vaststelling van volledige en duurzamearbeidsongeschiktheid. Dit heeft niet tot een uitvoerbaar resultaat geleid.Het vraagstuk van het vaststellen van volledige en duurzame arbeidsonge-schiktheid in het kader van de Participatiewet is complex en de regering isvan mening dat dit in nauwe samenhang met de andere wetten die eenregeling bevatten voor het vaststellen van volledige en duurzamearbeidsongeschiktheid, de Wet WIA en de Wajong, moet worden bezien.In spoor 2 van het programma Participatiewet in balans is nadrukkelijkaandacht voor mensen in de bijstand die voor langere tijd niet in staat zijnom in hun eigen inkomen te voorzien, zoals chronisch zieken. Hierbijworden ook de uitkomsten van de Onafhankelijke Commissie ToekomstArbeidsongeschiktheidsstelsel (hierna: OCTAS), de commissie die hetkabinet in 2024 desgevraagd adviseert over het stelsel van ziekte enarbeidsongeschiktheid, betrokken. Het vraagstuk van volledige enduurzame arbeidsongeschiktheid sluit beter aan bij de mogelijkeaanpassingen van de Participatiewet die in spoor 2 worden uitgewerkt.174De regering is tevens van mening dat een recente uitspraak van deCRvB175 een aantal onduidelijkheden weggenomen heeft over deinterpretatie en uitvoering van artikel 9, vijfde lid, Pw, met name watbetreft de reikwijdte van de daarin opgenomen verwijzing naar artikel 4Wet WIA. De regering is voornemens aan deze uitspraak nadere aandachtte besteden in de nieuwsbrief Gemeentenieuws van het Ministerie vanSZW en gaat ervan uit dat een en ander gemeenten voorlopig de nodigehouvast biedt bij de uitvoering van deze bepaling.2) Expliciteren hoofdverblijfvereiste artikel 19aIn de internetconsultatieversie van dit wetsvoorstel was een naderetoelichting opgenomen over artikel 19a. In de betreffende paragraaf werdnader geëxpliceerd dat het principe dat iemand eerst als woonachtig op174Kamerstukken II, 2023/24, 34 352, nr. 306175CRvB 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1380.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3133 een adres kan worden aangemerkt, indien hij daar zijn hoofdverblijf heeft.Dat principe geldt zowel bij toepassing van de kostendelersnorm als bij devaststelling van een gezamenlijke huishouding. Als er sprake is vantijdelijk verblijf, dan kan de tijdelijk inwonende niet als kostendelerworden aangemerkt176, noch kan hij een gezamenlijke huishouding meteen van de andere personen die op het adres woonachtig zijn voeren.Deze explicitering was echter opgenomen zonder dat artikel 19a werdgewijzigd. Het is echter niet mogelijk om een nadere toelichting over deinterpretatie van een huidig artikel op te nemen, zonder dat dit artikelwordt aangepast. Daarom is deze passage geschrapt en zal de passage zonodig onder de aandacht worden gebracht via het Gemeentenieuws of opeen andere geëigende plek als hier vragen over ontstaan.3) Aanpassing van één van de toegangsvereiste tot de IOAZNa de internetconsultatieperiode is gebleken dat het gewenst is om eenvan de toegangsvereiste voor de IOAZ te verruimen. Deze wijziging isdaarom toegevoegd aan het wetsvoorstel. Deze wijziging heeft nietmeegelopen in de uitvoeringstoetsen. Daarom is er een uitvraag bijgemeenten gedaan en heeft er een losse sessie met de VNG engemeenten plaatsgevonden om de wenselijkheid en uitvoerbaarheid vandeze maatregel te bespreken. De VNG en gemeenten hebben aangegevendat deze wijziging wenselijk is en dat de maatregel goed uitvoerbaar is.Daarnaast is aangegeven dat er geen extra uitvoeringskosten wordenverwacht.Aanpassingen bij nader rapport:Bij gelegenheid van het nader rapport is één aangebracht. Gelet op deontwikkeling op en de samenhang met het wetsvoorstel handhavingsociale zekerheid, is de grondslag voor de eerder genoemde algemenemaatregel van bestuur op een punt aangepast, waardoor het mogelijkwordt om bij algemene maatregel van bestuur ruimte te bieden voor hetafzien van het opleggen van een maatregel. Tevens is de onderlingeverhouding tussen de algemene maatregel van bestuur en de verorde-ningsplicht van gemeenten verduidelijkt.10.1 Uitvoeringstoets Vereniging van Nederlandse Gemeenten 10.1.1 Algemene reactie De regering is de VNG erkentelijk voor haar reactie. De VNG heeft in haaruitvoeringstoets aangegeven dat het wetsvoorstel duidelijk ook eenfinanciële impact heeft op de uitvoerings- en implementatiekosten vanmaatregelen in het wetsvoorstel. Daarbij wordt aangegeven dat in deuitvoeringstoets nog geen berekening is gemaakt van de financiëleimpact, omdat veel zaken nog onvoldoende zijn uitgewerkt. De VNG heeftin haar uitvoeringstoets aangegeven dat aanvullend onderzoek naar definanciële impact daarom nodig is. Hetzelfde signaal volgt uit hetbestuurlijk advies van VNG en Divosa (paragraaf 10.3).Er heeft overleg plaatsgevonden met de VNG en Divosa. De zaken waaronduidelijkheid over bestaat, zijn in grote mate de maatregelen waarvoorregelgeving nader wordt uitgewerkt bij of krachtens amvb. Het is in ditstadium van het wetgevingsproces nog niet mogelijk om volledigeduidelijkheid over deze zaken te geven. Daarom is met de partijenafgesproken dat de financiële impact van de maatregelen nader in kaart176Andersom zijn de personen die hun hoofdverblijf op het adres hebben voor de tijdelijkinwonende wel kostendelers (tenzij een van de uitzonderingen ex. artikel 19a Pw speelt).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3134 worden gebracht bij het opstellen van de nadere regelgeving en dat departijen daar goed bij betrokken zullen worden. Deze toezeggingen biedende VNG en Divosa voldoende zekerheid om op dit moment geenaanvullend financieel onderzoek te eisen.10.1.2 Individuele maatregelen Harmonisatie jongerennormDe VNG vraagt in haar uitvoeringstoets aandacht voor overgangsrechtvoor deze maatregel. Er is – voor jongeren die op het moment vaninwerkingtreding van dit wetsvoorstel een hogere norm ontvangen danwordt voorgesteld – een overgangstermijn tot hun 21e levensjaaropgenomen. Voor een toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 12.GiftenvrijlatingVerschillende gemeenten, de SVB en ook de VNG in haar uitvoeringstoetshebben twijfels over de handhaafbaarheid van de met dit wetsvoorstelgeïntroduceerde giftenvrijlating. De regering benadrukt hier nogmaals datde voorgestelde vrijlatingsgrens in hoge mate een nadere concretiseringbetreft van het huidige in de wet opgenomen principe: «voor zoververantwoord met het oog op bijstandsverlening». Een principe dat in 1965is geïntroduceerd (en in 1996 en 2004 bekrachtigd) om te voorkomen dataan (beperkte) onverplichte ondersteuning vanuit het netwerk directbijstandsrechtelijke gevolgen verbonden zouden worden.177De regering onderkent dat het huidige voorstel enig lef vraagt vangemeenten en vertrouwen in de bijstandsgerechtigde. De regering deeltde twijfels met betrekking tot de uitvoerbaarheid in deze niet. De regeringziet zich hierin ook gesterkt door een groot aantal gemeenten, dat sindsenkele jaren ook al met een vergelijkbare giftenvrijlating werkt. Wellichtten overvloede benadrukt de regering hier nog – mede omdat in deuitvoeringstoets van de VNG meerdere keren het woord «handhavings-plicht» wordt gebruikt en gelet op de reactie van de LCR – dat met devoorgestelde maatregel niet is beoogd dat gemeenten bij elke bijstands-gerechtigde exact gaan controleren of hij per kalenderjaar meer of minderdan € 1.200 aan giften heeft ontvangen. In beginsel kan voor dezemaatregel worden aangesloten bij de op dit moment bestaande uitvoe-ringspraktijk, van signaal gestuurde en periodieke onderzoeken incombinatie met meldingen door de bijstandsgerechtigde zelf.VermogenDe VNG geeft in haar uitvoeringstoets aan duidelijke twijfels te hebbenmet betrekking tot de handhaafbaarheid van deze maatregel. De regeringmerkt daarbij op dat deze maatregel op zichzelf is door te voeren zonderhandhavingseffecten. De gemeente kan de bijstandsgerechtigde blijvenverzoeken om grotere mutaties in zijn vermogen te melden en kan– indien gewenst – op de achtergrond een vermogensstaffeling blijventoepassen. Enkel kan zij – als de vermogensaanwasruimte door eentoename aan bezittingen is opgebruikt – hier niet zonder meer bijstands-rechtelijke consequenties aan verbinden. Zij zal eerst moeten controlerenof betrokkene ook inderdaad over een vermogen boven de voor hemgeldende vermogensgrens beschikt (of in redelijkheid kan beschikken).Dat betekent niet dat het wetsvoorstel deze wijze van handhaving177Het is mede hierom dat deze vorm van onverplichte ondersteuning vanuit het netwerk anderswordt beoordeeld, dan bijvoorbeeld middelen die betrokkene in redelijkheid kan opeisen (eenrecht op alimentatie of loon).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3135 voorschrijft. Gemeenten kunnen er bijvoorbeeld ook voor kiezen om enkelals daar signalen aanleiding toe geven, een vermogensonderzoek in testellen.Zowel de SVB als gemeenten wijzen op het risico dat betrokkene erbewust voor zorgt dat zijn vermogen niet boven de vermogensgrensterecht komt. De SVB wijst op de situatie dat betrokkene het extravermogen versneld uitgeeft zodat hij bij onderzoek toch weer te makenheeft met een vermogen lager dan de voor hem geldende vermogens-grens. Binnen het huidige (staffel)systeem zou dit in beginsel betekenendat betrokkene één maand geen recht op bijstand zou hebben, terwijl inhet voorgestelde systeem wel het bijstandsrecht gecontinueerd wordt. Inbeide situaties kan betrokkene wel (afhankelijk van de mate waarin sprakewas van een vermogensoverschrijding) op grond van artikel 18 Pw eenmaatregel worden opgelegd vanwege tekortschietend besef van verant-woordelijkheid. Bij de hoogte/duur van de maatregel kan daarbij wordenverdisconteerd dat er in het voorgestelde stelsel verder geen bijstands-rechtelijke consequenties zijn. In die zin zijn voor dit voorbeeld dehandhaving technische effecten marginaal.Maatwerk vierwekenzoektermijnDe VNG vraagt om meer concrete richtlijnen om grote verschillen tussengemeenten in de uitvoering te voorkomen. De regering wil hier aantegemoet komen, waarbij nadrukkelijk wordt opgemerkt dat het omrichtlijnen gaat. Het past immers binnen het decentrale stelsel dat hetcollege de gegeven ruimte op haar eigen wijze mag invullen. Detoelichting is aangevuld met voorbeelden om aan dit verzoek tegemoet tekomen.Bijstand met niet-rechthebbende partnerVerschillende partijen hebben vragen gesteld met betrekking tot deformulering van artikel 24 Pw. Naar aanleiding van deze reacties is deformulering van het artikel gewijzigd en de memorie van toelichting op ditpunt verduidelijkt. Met dit artikel wordt beoogd dat een gehuwde met eenniet rechthebbende partner, die geen kostendelers heeft, wordt aange-merkt als een alleenwonende alleenstaande en op die manier inaanmerking komt voor de alleenstaanden norm zoals deze voor zijn ofhaar leeftijdscategorie geldt. Voor pensioengerechtigden en voorjongmeerderjarigen houdt dit dus in dat zij in aanmerking komen voor despecifiek voor een jongmeerderjarige of gepensioneerde geldendealleenstaande norm. Is sprake van kostendeling, dan geldt geen apartenorm, omdat in die situatie de (inwonende) niet-rechthebbende partner bijde bepaling van de hoogte van de kostendelersnorm al buiten beeld blijft(ex. artikel 19a, eerste lid, onderdeel a, Pw).Bijstand alleenstaande ouder zonder ALO-kopDe VNG geeft in haar uitvoeringstoets aan dat de met deze bepalingbeoogde doelgroep moeilijk voor de gemeente in beeld is te krijgen. Insamenspraak met de Dienst Toeslagen zal worden bezien hoe viabestandsvergelijkingen (groep bijstandsgerechtigden metniet-rechthebbende partner en inwonend minderjarig kind zonder recht opALO-kop) gemeenten inzicht kunnen krijgen wie binnen hun bestandmogelijk recht heeft op de beschreven ophoging.Onder meer de VNG en LOSR vragen of de ophoging niet onbelast dientte worden verstrekt om te voorkomen dat de fiscaal belaste ophogingdoorwerkt in het toetsingsinkomen en in die zin onwenselijke effectenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3136 heeft op de hoogte van de toeslagen. De regering brengt daarbij inoverweging dat eventuele afbouw van toeslagen in de situatie vanbetrokkene (meerpersoonshuishoudens in de zin van de Huurtoeslag)eerst speelt bij een fiscaal jaarinkomen dat hoger ligt dan de met deophoging gecreëerde norm. Naar verwachting is het risico op verlaagdetoeslagen in deze situatie laag.Versoepelen aanvraagprocedureDe VNG geeft in haar reactie aan dat deze maatregel weinig impact heeftop de uitvoering omdat veel aanvraagprocedures al digitaal verlopen.DigiD identificatie kan een kleine meerwaarde hebben en het kunnenidentificeren met het rijbewijs wordt als een goede aanvulling gezien. Deverduidelijking van het gebruik van de gegevens uit de beschikbaresystemen wordt als wenselijk gezien. Bij de verkorte aanvraagprocedurebenoemt de VNG dat bij een termijn van 12 maanden een groter risicobestaat dat de gegevens van de bijstandsaanvrager gewijzigd zijn. Het isdaarom van belang dat gemeenten hierop alert blijven. Met dezemaatregel wil de regering administratieve handelingen voor zowel deaanvrager als de gemeente verminderen. Dit neemt echter niet weg dat deregering benadrukt dat voorkomen moet worden dat de bijstandsuitkeringop basis van verouderde en foutieve gegevens wordt toegekend. Het isaan de gemeente om dit in eerste instantie te verifiëren in de beschikbareadministraties en indien nodig bij de aanvrager zelf. Op deze wijze blijfthet aantal opnieuw op te vragen gegevens en bescheiden tot hetminimum beperkt.Automatisch verrekenenDe inschatting van de VNG is dat deze maatregel een positief effect kanhebben. De verdere uitwerking van de maatregel in een ministeriëleregeling is echter van belang voor een verdere beoordeling en verwerkingin de gemeentelijke ICT-systemen. Dit geldt ook voor het gebruik van degegevens uit de Polisadministratie. De verwachte doorlooptijd voor hetaanpassen van de applicaties, en dus voor de benodigde implementatie,voor deze maatregel is ongeveer 12 maanden.Zoals aangegeven in de memorie van toelichting zal in een Regeling eenaantal maatregelen verder worden uitgewerkt. Deze Regeling zal vooruitvoeringstoetsen en internetconsulatie worden voorgelegd. De regeringis zich bewust van het feit dat het gebruik van gegevens uit de Polisadmi-nistratie niet in honderd procent van de situaties waar verrekening plaatsmoet vinden mogelijk is. De regering is er echter van overtuigd dat eenaanzienlijke verbetering en administratieve ontlasting mogelijk is door hetgebruik van gegevens uit de Polisadministratie in de gevallen dat hetmogelijk is ook daadwerkelijk in te zetten. De door het Inlichtingenbureauaangekondigde levering van OIB-signalen via een webservice waarbij deinkomensgegevens direct zichtbaar zijn als de werkgever aangifte heeftgedaan zal daar verder aan bijdragen. Als in voorkomende gevallen degegevens uit de Polisadministratie dermate vertraagd beschikbaar zijn dater geen verbetering optreedt in het verrekenproces, kan de regering zichvoorstellen dat het in de rede ligt om in die gevallen aan de hand van desalarisspecificaties te verrekenen. Dit vergt goede communicatie tussengemeente en bijstandsgerechtigde. Dit wordt meegenomen in hetimplementatietraject.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3137 Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaars-uitkeringGemeenten zien deze maatregel als een vereenvoudiging, de impact isvoor gemeenten beperkt en vergt een eenmalige aanpassing van dewerkprocessen en de ICT-systemen. Ook hiervoor geldt dat de uitwerkingin de Regeling tijdig beschikbaar moet zijn. De verwachte doorlooptijdvoor het aanpassen van de applicaties voor deze maatregel is ongeveer12 maanden. De regering verwijst hiervoor naar de eerdere reactie onderhet kopje automatisch verrekenen.BufferbudgetDe VNG geeft aan een betere onderbouwing te wensen van nut ennoodzaak van het bufferbudget, onder andere door aan te tonen wat detoegevoegde waarde is van het bufferbudget ten opzichte van hetbestaande instrumentarium en in welke situaties het bufferbudget nodigis. Daarbij wenst de VNG dat het bufferbudget flexibel inzetbaar is, zonderdat de gemeente vooraf moet oordelen of een bijstandsgerechtigde in detoekomst in aanmerking komt voor het bufferbudget, en de verantwoor-dingslasten (door motivering waarom het bufferbudget wel of niet wordtingezet) moeten beperkt blijven tot een minimum.Anders dan de VNG aangeeft is het niet zo dat gemeenten van tevorenmoeten inschatten of iemand in de toekomst een bufferbudget nodig zoukunnen hebben. Gemeenten kunnen op elke moment dat het nodig is hetbufferbudget ten behoeve van de bijstandsontvanger reserveren voor deduur van maximaal 12 maanden en dit indien nodig herhalen. Hetbufferbudget betreft een nieuw instrument in de Participatiewet. Deregering wil benadrukken dat het belang van de deeltijdwerkendebijstandsgerechtigde bij dit instrument nadrukkelijk als uitgangspunt isgenomen. Uit de uitvoeringstoetsen en de verschillende reacties op deinternetconsultatie maakt de regering op dat de noodzaak van hetbufferbudget doorgaans wordt onderkend, maar dat het lastig wordtgevonden om te kunnen voorzien hoe het bufferbudget in het daadwerke-lijke gebruik eruit gaat zien. Dit is begrijpelijk omdat het een maatwerk-budget is en niet op uniforme wijze kan worden ingezet.De signalen die de regering in de voorbereiding van het wetsvoorstelvanuit de bijstandsgerechtigden zelf, maar ook vanuit professionals vanuitde uitvoering en ook vanuit onderzoeksresultaten heeft ontvangen, makendat de regering, anders dan de VNG aangeeft, niet van mening is dat erinstrumenten beschikbaar zijn die hetzelfde doel dienen als met hetbufferbudget wordt beoogd. Er zijn instrumenten beschikbaar die,wanneer ze ingezet worden, in sommige situaties onwenselijke inkom-stenschommelingen die ontstaan door het verrekenen van inkomstenkunnen verzachten. Daarvan heeft de regering aangegeven dat in diegevallen die instrumenten toegepast dienen te worden en niet hetbufferbudget. De regering heeft echter geconstateerd dat de instrumentenniet in alle situaties een voldoende oplossing bieden. De inzet van hetbufferbudget betreft expliciet de situaties waarbij bijstandsgerechtigdendoor de inkomstenverrekening op maandbasis onder het bestaansmi-nimum terecht komen en daardoor financieel in de problemen (dreigen te)komen en andere instrumenten of oplossingen niet toepasbaar zijn of hetprobleem niet oplossen in de individuele situatie. Bij de premie voorarbeidsinschakeling is het bijvoorbeeld niet toegestaan om deze opstructurele basis of meer dan twee keer per jaar in te zetten. Daardoor isde premie voor arbeidsinschakeling, los van het primaire doel vanbevordering van positief gedrag gericht op uitstroom naar arbeid, alleenmaar geschikt voor eenmalige hiaten in inkomen. De premie voorTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3138 arbeidsinschakeling is niet geschikt bij bijstandsgerechtigden diestructureel deeltijd werken en regelmatig geconfronteerd worden metfinanciële instabiliteit als gevolg van inkomstenverrekening. Het is daarbijniet de bedoeling dat de gemeente uitgebreid moet motiveren waaromandere instrumenten niet volstaan, dat gaat voorbij aan het uitgangspuntdat gemeenten snel moeten kunnen inspelen op de actuele situatie van debijstandsgerechtigde die financieel in de problemen komt of dreigt tekomen. Dit is een punt van aandacht dat betrokken zal worden bij deondersteuning in het implementatietraject.De regering is zich bewust van het feit dat de implementatie van hetbufferbudget extra inzet en ondersteuning vergt. Het betreft immers eenmaatwerkregeling waarbij van de gemeentelijke professional wordtgevraagd een keuze te maken om het instrument wel of niet in te zetten.Dit zal ook niet voor alle gemeenten gelijk zijn, omdat de wijze vaninzetten van het bufferbudget ook, zoals in paragraaf 4.7 is toegelicht,afhankelijk is van de werkwijze van de gemeente als het gaat om hetverrekenen van inkomsten. Het is van belang om de tijd te nemen om (hetgebruik van) het bufferbudget goed in te bedden in het bestaandeinstrumentarium. Hiervoor zal in het implementatietraject van hetwetsvoorstel extra aandacht worden besteed om professionals vangemeenten hierin goed te faciliteren en gezamenlijk tot een doelmatige endoeltreffende inbedding te kunnen komen.Voor wat betreft de opmerkingen over de mogelijkheden van rechtsbe-scherming en de mogelijkheid om het bufferbudget ambtshalve tenbehoeve van de bijstandsontvanger te hanteren, verwijst de regering naarde reactie op de inbreng van de Raad voor de Rechtspraak onder nummer10.7.Generieke participatieplichtVNG merkt op dat het vervangen van de geüniformeerde verplichtingen,de taaleis en de verplichte tegenprestatie door een generieke participatie-plicht, de huidige uitvoeringspraktijk (deels) bevestigt en eenvoudigermaakt. De maatregel ondersteunt een werkwijze met individueelmaatwerk zoals diverse gemeenten deze al voeren. De wettelijke taaleiswordt geschrapt, maar als onderdeel van de generieke participatieplichtblijft het verplichten van een taaleis op individueel niveau mogelijk.Gemeenten zullen moeten heroverwegen hoe zij dit organiseren. VNGgeeft verder aan dat gemeenten zich meer dan nu zullen moeten richtenop mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Voor een goedebegeleiding en beoordeling is volgens ervaren gemeenten een integraleblik en integrale aanpak in de uitvoering nodig. Dat betekent dat allerelevante informatie over betrokkenen beschikbaar moet zijn en dat ermeer interne en externe afstemming nodig is in het begeleidingstraject.Dit vereist een goed georganiseerde uitwisseling van cliëntgegevens(intern en extern). Vaak lopen gemeenten tegen de drempels van de AVGop. VNG geeft aan dat landelijke coördinatie en ondersteuning op ditonderdeel zeer gewenst is. In dit verband wil de regering wijzen op hetWetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (hierna:WAMS) dat op dit moment bij de Tweede Kamer aanhangig is.178 Eenspoedige behandeling van dit wetsvoorstel in het parlement en invoeringervan komt tegemoet aan de door de VNG gewenste landelijke coördi-natie op dit vlak. Verder verzoekt de VNG om extra middelen voor deuitvoering van de generieke participatieplicht beschikbaar te stellen.Eerder in deze memorie van toelichting heeft de regering al opgemerktdat geen sprake is van een nieuwe taak voor gemeenten en de VNG geeft178Kamerstukken II, 2023/24, 36 295.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3139 in haar uitvoeringstoets ook zelf aan dat de maatregel de huidigeuitvoeringspraktijk (deels) bevestigt en eenvoudiger maakt. Naaraanleiding van de uitvoeringstoets en internetconsultatie is dit nog nadertoegelicht in paragraaf 5.2.Eigenstandig vormgeven participatieVNG merkt op dat gemeenten het goed vinden dat mensen hunmaatschappelijke participatie zelf vorm kunnen geven. Het is volgens henwel belangrijk dat gemeenten de regie kunnen houden, omdat mensensoms onrealistische plannen hebben. Naar aanleiding hiervan merkt deregering op dat de bedoeling is dat mensen geen belemmeringen ervarenbij het initiëren van eigen participatievormen. Wel is het aan gemeentenom te toetsen of de participatie de arbeidsinschakeling niet belemmert enniet leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt. Op die wijze kan degemeenten grip houden op onrealistische plannen. VNG merkt ook op dathelder moet zijn welke verantwoordingsinformatie gevraagd wordt vangemeenten, zowel voor de consulent als voor de softwareleverancier. Deregering merkt op dat informatie hierover deel uitmaakt van de implemen-tatieactiviteiten.Ondersteuning bij maatschappelijke participatieVNG merkt op dat gemeenten aangeven nu al de nodige mogelijkheden tehebben om te ondersteunen bij het invullen van maatschappelijkeparticipatie. Voor maatschappelijke participatie niet gericht op arbeidsin-schakeling is lokaal beleid nodig, waarbij verbinding moet worden gelegdmet het gemeentelijke welzijns- en Wmo 2015-beleid. Er is al veel beleidvoorhanden, zo zegt de VNG. De regering vertrouwt op de gemeenten bijhet vormgeven van het lokale beleid.Toegespitst ontheffingenkaderDe gemeenten geven aan dat het aangepaste ontheffingenkader hen meerjuridische houvast biedt voor een beperkte groep mensen. De VNG brachthaar uitvoeringstoets uit op een moment dat het wetsvoorstel nog eendelegatiebepaling bevatte voor het stellen van regels voor het bepalenvan volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De regering heeft ernu voor gekozen om de aanpassing in het ontheffingenkader voorvolledige en duurzame arbeidsongeschiktheid niet door te zetten in ditwetsvoorstel. Zie de inleiding bij dit hoofdstuk.Ruimte voor mantelzorgVNG benoemt dat het vaststellen van intensieve mantelzorg (de zorgbe-hoefte) kan vragen om een (complexe) individuele beoordeling. Hierbij isveelal het raadplegen van externe zorgadviseurs en afstemming ofgegevensuitwisseling met Wmo 2015 consulenten noodzakelijk. Hierbij zalook de vraag aan de orde kunnen komen of de situatie gezien moetworden als mantelzorg of als dagbesteding. De VNG adviseert omexplicieter te beschrijven wat de relatie is tussen «geen gezamenlijkehuishouding» en de kostendelersnorm. Dit advies is overgenomen en detoelichting van paragraaf 5.7 is hierop aangepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3140 10.2 Uitvoeringstoets SVB 10.2.1 Algemene reactie De SVB heeft een reactie uitgebracht met een uitgebreide analyse van deeffecten van de maatregelen op de SVB. De regering is de SVB daarerkentelijk voor. In haar reactie geeft de SVB aan dat het wetsvoorstel eenaantal veelbelovende elementen bevat die nog beter kunnen bijdragenaan de bestaanszekerheid. Het voorgestelde wetsvoorstel past voor eendeel goed in de uitgangspunten van een vereenvoudiging van het stelselen een overheidsdienstverlening waarin de burger centraal staat. De SVBgeeft daarnaast aan dat enkele maatregelen voor haar niet uitvoerbaarzijn. Na overleg met de SVB is besloten om de SVB van deze maatregelenuit te zonderen. In de volgende paragraaf wordt daar nader op ingegaanalsook op de opmerkingen per maatregelen.10.2.2 Individuele maatregelen GiftenvrijlatingOnder meer de SVB en enkele gemeenten verzoeken om het begrip giftente definiëren. De regering heeft er juist voor gekozen om geen definitie opte nemen, omdat zij geen meerwaarde ziet. Partijen wijzen met name opbewijsrechtelijke problemen: hoe te bepalen of een bepaalde ontvangstals gift is aan te merken? Die problemen worden niet opgelost met eenwettelijke definitie, die namelijk in lijn zal zijn met wat in het maatschap-pelijk verkeer als gift wordt aangemerkt. Dat laat onverlet dat de regeringwel ziet dat of iets als gift kan worden aangemerkt reden kan zijn voordispuut. Daarbij zij benadrukt dat deze issues ook binnen de huidigeregelgeving spelen en het in die zin niet elementen zijn die door dehuidige maatregel worden gecreëerd.Het aangehaalde bewijsrechtelijke probleem zal met name spelen bij nietnader gedefinieerde bijschrijvingen/kasstortingen op de rekening. Opbasis van de in de algemene toelichting bij deze maatregel beschrevenjurisprudentie, geldt op dit moment dat het bij deze vorm van bijschrij-vingen het aan betrokkene is om aan te tonen dat het hier niet ominkomen gaat. Betrokkene kan in dat kader aangeven dat de desbetref-fende bijschrijving een gift is. Het is aan hem om dit vervolgens ookaannemelijk te maken. De hoogte van het bedrag in casu en de matewaarin met enige regelmaat bij betrokkene sprake is van deze vorm vanbijschrijvingen bepaalt dan de zwaarte van de op betrokkene liggendebewijslast. De regering begrijpt dat dit een beoordeling op casusniveauvraagt. Gemeenten hebben de mogelijkheid om juist als het gaat omincidentele kleinere bijschrijvingen beleid te ontwikkelen, zodat deze vormvan bijschrijvingen die binnen het huidige betalingsverkeer tussenpersonen gebruikelijk zijn, tot rechtmatigheidsvragen leiden.In reactie op de vraag van de SVB of bij de € 1.200 grens nog onderscheidwordt gemaakt in leefsituaties, merkt de regering op dat zij er voorgekozen heeft geen verder onderscheid in leefsituaties te maken. De€ 1.200 per kalenderjaar komt overeen met € 100 per maand aan extrabestedingsruimte. Dit is gezien de gemiddelde bestedingsruimte die eenbijstandsgerechtigde heeft na aftrek van vaste lasten, een duidelijkvoelbare verruiming van het bestedingsniveau voor de desbetreffendeontvanger van de gift, ongeacht of sprake is van een alleenstaande ofgehuwde met of zonder kinderen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3141 In relatie tot het eerder besproken beroep op het doenvermogen opperenmeerdere partijen om de inlichtingenplicht voor zowel toename vanbezittingen als elke vorm van giften te behouden. Gedachte daarbij is datde gemeente, doordat betrokkene alle giften en toename van bezittingenmeldt, voor de bijstandsgerechtigde kan bewaken wanneer deze gevolgenhebben voor het bijstandsrecht. De regering merkt hierover het volgendeop. Van de bijstandsgerechtigde wordt gevraagd om zelf het aantal giftenbij te houden. Op het moment dat het totale bedrag aan giften in een jaarde € 1.200 overschrijdt, dient de bijstandsgerechtigde hier melding van temaken bij de gemeenten.De SVB merkt ook op dat de formulering «in ieder geval» ruimte biedtvoor bestuursorganen andere vaste grensbedragen te hanteren. Deregering onderschrijft deze opmerking van de SVB niet. In de memorievan toelichting is aangegeven dat op individuele basis hogere giftenbuiten beschouwing gelaten kunnen worden. Hieruit volgt dat er geenruimte is voor vaste hogere grensbedragen.Giften in naturaDe regering vindt het wenselijk dat giften ongeacht of zij in de vorm vaneen overboeking of in natura plaatsvinden gelijkelijk worden beoordeeld.In het ter consultatie gegeven wetsvoorstel was daarom ook voorzien ineen wijziging van artikel 33, eerste lid, van de Pw. Het onderscheid tussenbeide vormen van giften vindt zijn basis in de jurisprudentie. Daarbinnenis een lijn ontstaan waarbij bij giften in natura de redenering is datbetrokkene hier niet vrijelijk over kan beschikken en dat deze daarom nietals middel zijn aan te merken. Aan giften in natura kunnen enkel bijstands-rechtelijke gevolgen worden verbonden als het gaat om een (significante)besparingsbijdrage. De gedachte achter deze jurisprudentie is dat bijgiften in natura de gever in beginsel al de bestemming van het middelheeft bepaald (b.v. boodschappen of een auto) en dat betrokkene er enkelvrijelijk over kan beschikken als hij de gift alsnog tegelde kan maken. Bijbijvoorbeeld boodschappen is dat in beginsel niet het geval, redenwaarom de rechtspraak oordeelt dat in deze geen sprake is van eenmiddel.179 Het is nooit de intentie van de wetgever geweest om het extravereiste van mogelijke tegeldemaking aan het middelenbegrip tekoppelen.180 Middelen kunnen in beginsel allerlei vormen aannemen en indie zin ook op verschillende wijze door betrokkene worden ingezet om deaan het levensonderhoud verbonden kosten te lenigen. Ook in naturaontvangen giften behoren in die zin tot de middelen. Vraag is daarbij welsteeds of de gift naar zijn aard met de in artikel 32, eerste lid, Pwgenoemde inkomsten en uitkeringen te vergelijken is. Dat zal met namehet geval zijn als de gift een periodiek karakter draagt. Is de gift naar aardniet vergelijkbaar, dan is hij als vermogen aan te merken (artikel 34, eerstelid, onder b, Pw). Gezien het bovenstaande acht de regering het nietopportuun de wettekst hier specifiek op aan te passen. Deze wijziging isdan ook geschrapt.VermogenDe SVB vraagt naar de gevolgen van deze wijziging als een bijstandsge-rechtigde middelen ontvangt die zijn vrijgelaten op grond van artikel 7 vande Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. De middelen die iemandontvangt die vallen onder het genoemde artikel 7 en worden aangemerkt179CRvB 23 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918.180De wetgever heeft specifiek voor in natura uitbetaald loon een beoordelingsgrondslag in dewet opgenomen (artikel 33, eerste lid, Pw), zonder hieraan de extra vereiste te koppelen dathet in natura verkregen nog tegelde te maken is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3142 als vermogen, worden niet meegerekend in het actuele vermogen. Ditwetsvoorstel voorziet niet in wijziging over de omgang met middelen dievallen onder het genoemde artikel 7.Bijstand met niet-rechthebbende partnerDe SVB heeft opmerkingen gemaakt over de formulering van hetvoorgestelde artikel 24 Pw. Mede naar aanleiding van deze opmerking isde formulering gewijzigd en de toelichting verduidelijkt. Voor de volle-digheid wordt opgemerkt dat het niet bedoeling is dat bijstandsgerech-tigden slechter af zijn door deze wijziging. Op grond van artikel 47a Pwheeft de SVB tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm vaneen aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan onder meergehuwden, van wie beide of een van beide echtgenoten de pensioenge-rechtigde leeftijd hebben of heeft bereikt. In geval een (tijdelijke)niet-rechthebbende partner de AOW-leeftijd heeft bereikt en de rechtheb-bende partner nog niet, geldt daarmee de norm zoals opgenomen inartikel 22, onder a, Pw.De SVB merkt op dat ook bij overschrijding van de vakantieduur nu eennorm van circa 70% gaat gelden. De SVB vraagt zich af of dit een voorzienen geaccepteerd gevolg van de voorgestelde maatregel is. Deze vraagmoet bevestigend beantwoord worden. De regering wijst er op dat allepersonen die op basis van artikelen 11, 13 en 15 Pw wet geen recht opbijstand hebben, worden aangemerkt als niet-rechthebbend. Hiertoebehoren dus ook zij die meer dan de op grond van artikel 13 Pw toege-stane 4 of 13 weken in het buitenland verblijven. De situatie kan ontstaan– zoals deze ook door de SVB wordt geschetst – dat beide partners eenafwijkende periode in het buitenland mogen verblijven (een van beidenheeft al eerder in het kalenderjaar een periode in het buitenland verblevenof een van de beiden is pensioengerechtigd), waardoor er voor een vanbeiden op een bepaald moment geen recht meer op bijstand bestaat. Ookin die situatie geldt dan artikel 24 Pw, waardoor de nog rechthebbendepartner in een situatie dient te worden gebracht vergelijkbaar met die vaneen alleenstaande. Dit vloeit voort uit de constatering dat de rechtheb-bende met een norm gelijk aan 50% van de gehuwden norm (zoals hethuidige artikel 24 Pw luidt) niet over voldoende inkomen beschikt omzelfstandig in zijn bestaan te kunnen voorzien. Met het huidige voorstelwordt dit gerepareerd.Bijstand alleenstaande ouder zonder ALO-kopDe SVB merkt op dat het artikel alleen van toepassing is op bijstandsge-rechtigde die jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd. Dit is eenabusievelijke fout geweest. Het artikel is zo aangepast dat het ook vantoepassing is op de bijstandsgerechtigde die de pensioengerechtigdeleeftijd heeft bereikt. Naar aanleiding van onder meer de reactie van deSVB is het artikel op meer punten verduidelijkt. Het voorgestelde artikel isalleen van toepassing indien 1) het kind ten laste komt van de bijstandsge-rechtigde; 2) de bijstandsgerechtigde geen kostendelende medebewonerheeft en 3) de bijstandsgerechtigde de AOW-leeftijd heeft bereikt, de normuit artikel 22, onder b Pw van toepassing is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3143 Versoepelen aanvraagprocedureDigiDDe SVB merkt op dat de SVB op dit moment al werkt met een digitaleaanvraag, door middel van de mogelijkheid om een aanvraagformulier teuploaden in de eigen digitale omgeving van de SVB (MijnSVB). Nu werktde SVB met DigiD met betrouwbaarheidsniveau «Midden».De voorgestelde wetswijziging maakt het mogelijk om aanvragen entoekenningen op grond van de wet volledig digitaal vorm te geven. Ditvereist wel een DigiD identificatie met betrouwbaarheidsniveau «Substan-tieel». SVB wijst in dit kader op de Wet digitalisering overheid en steltvoor om aan te sluiten bij de gefaseerde invoering van deze wetgeving.Op deze wijze wordt voorkomen dat binnen de SVB voor het proces AIOafwijkende vereisten gelden voor de DigiD identificatie. Tot slot wordtdoor de SVB opgemerkt dat het voorgestelde betrouwbaarheidsniveaubeperkingen kent, waaronder de onbeschikbaarheid voorniet-Nederlanders en ontbreken van de mogelijkheid tot het digitaalmachtigen van een bewindvoerder.De Wet digitale overheid legt de basis voor de verdere digitalisering,waaronder regulering van de digitale overheid en meer in het bijzonder degenerieke digitale voorzieningen in een gemeenschappelijke infra-structuur van de overheid. Het betrouwbaarheidsniveau van het huidigeDigiD is niet toereikend voor diensten met betekenisvolle rechtsgevolgenof waarbij uiterst vertrouwelijke informatie wordt uitgewisseld. Dienstver-leners moeten om bepaalde diensten digitaal te kunnen aanbieden, metmeer zekerheid dan het huidige DigiD biedt, kunnen vaststellen of zij metde juiste natuurlijke persoon te maken hebben. De regering meent dat hetvoorgestelde vereiste betrouwbaarheidsniveau «Substantieel» noodza-kelijk is voor de dienstverlening in het kader van de Participatiewet, geletop de betekenisvolle rechtsgevolgen en de gevoelige informatie die in hetkader van de aanvraag wordt uitgewisseld. Het al dan niet tijdelijkvolstaan met de mogelijkheid van het gebruik van een lager betrouwbaar-heidsniveau acht de regering dan ook niet aangewezen.De regering merkt op dat in het wetsvoorstel, zoals voorgelegd terconsultatie, in onderdeel J wordt verwezen naar de Regeling VoorzieningGDI. Deze regeling is met ingang van 1 juli 2023 komen te vervallen. Dezeverwijzing is in paragraaf 4.4.2 gewijzigd in de verwijzing naar de Regelingvoorzieningen Wdo. Inhoudelijk blijft daarmee vereist dat voor digitaletoekenningen gebruik gemaakt wordt van DigiD met betrouwbaarheids-niveau «Substantieel».Het blijft mogelijk om de bijstand niet digitaal toe te kennen, bijvoorbeeldvoor mensen die niet in het bezit zijn van DigiD of beschikken over DigiDmet een lager betrouwbaarheidsniveau. In dat geval stelt de gemeente ofSVB de identiteit vast aan de hand van een document als bedoeld inartikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatie-plicht.SVB merkt overigens op dat zij nu ook het rijbewijs al accepteren alsgeldig identiteitsdocument in het kader van de aanvraag en toekenningvan de AIO. De voorgestelde wijziging brengt hierin geen verandering.Het inrichten van de verkorte aanvraagprocedure is voor de SVBuitvoerbaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3144 Automatisch verrekenenWGA/WHK heffingDe SVB acht het vaststellen van het netto-inkomen op uniforme wijze metgebruik van een standaardpercentage voor de WGA/WHK-heffinguitvoerbaar onder voorbehoud. De SVB heeft vragen over de gerech-tigden voor wie dit geldt. De regering is zich ervan bewust dat genoemdeWGA/WHK-heffing feitelijk niet aan de orde is bij de uitbetaling van loonuit arbeid aan pensioengerechtigden. Gelet op de gewenste uniformeringvan de wijze van de vaststelling van het netto-inkomen, acht de regeringhet gerechtvaardigd om de standaardpercentages voor de heffing voor degehele doelgroep, inclusief de pensioengerechtigden, te laten gelden. Deregering hecht er waarde aan om, onder verwijzing naar paragraaf 4.5 vandeze memorie, welke ziet op verrekenen van inkomsten uit arbeid, tebenadrukken dat dit standaardpercentage uitsluitend aan de orde is bij devaststelling van het inkomen uit arbeid en niet uit, bijvoorbeeld, AOW.Het niet verrekenen van onbelaste vergoedingen sluit aan bij de huidigewerkwijze van de SVB en is uitvoerbaar.TransactiesysteemMet betrekking tot het automatisch verrekenen merkt de SVB op dat ditmoeilijk uitvoerbaar en deels onuitvoerbaar is en leidt tot een fluctue-rende AIO-uitkering vanaf drie maanden na uitbetaling van de vakantie-bijslag en het arbeidsvoorwaardenbedrag. Daarnaast is bij sommigeAIO-gerechtigden sprake van samenloop met de AOW-toeslag, waarbijvoor hetzelfde arbeidsvoorwaardenbedrag een andere rekenwijze moetworden gehanteerd dan voor de AIO.De regering ziet op basis van deze uitvoeringstoets aanleiding om de AIOuit te zonderen van de toepassing van de verduidelijkingen en aanpas-singen van het transactiestelsel. De wet en de memorie van toelichtingzijn op dit punt aangevuld met een uitzondering voor de SVB.Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaars-uitkeringIn de uitvoeringstoets is door de SVB benadrukt dat deze maatregel voorde AIO niet uitvoerbaar is. Gelet hierop, en in lijn met de uitzondering vande AIO in het concept wetsvoorstel dat voor uitvoeringstoets isvoorgelegd, handhaaft de regering deze ontheffing in het onderhavigewetsvoorstel.Ruimte voor mantelzorgDe SVB pleit ervoor om de uitzondering op het gezamenlijke huishou-dingsbegrip bij intensieve mantelzorg breed in de sociale zekerheidswet-geving door te voeren. Nu geldt de uitzondering alleen voor de Participa-tiewet. Nu beoogt de regering deze wet te wijzigen, zodat hierdoor meerruimte ontstaat voor mantelzorg en het samenwonen wegens denoodzaak van intensieve mantelzorg, niet van invloed is op het recht opbijstand. In spoor 2 binnen het programma «Participatiewet in balans», deherziening van de Participatiewet, wordt breder bezien of in het stelsel vanwerk en inkomen aanpassing behoeft om mantelzorg mogelijk te makenen hoe wetgeving hier het best bij kan aansluiten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3145 Daarnaast benoemt SVB niet ervaren te zijn in het beoordelen van semi-medische vraagstukken. De SVB laat bij voorkeur de zorgbehoefte toetsenzoals zij dat op dit moment al doet, namelijk door uit te gaan van eenindicatie van het CIZ of een oordeel van het UWV. Het voorstel is voor deSVB uitvoerbaar onder de voorwaarde dat zij de toets aan intensievemantelzorg door een onafhankelijke derde kan laten doen. Hetwetsvoorstel gaat er van uit dat wanneer uitvoeringsdiensten onvol-doende capaciteit of deskundigheid hebben om de intensieve mantelzorgvast te stellen, hier een externe sociaal medisch adviseur voor kan wordeningezet. In paragraaf 5.6.1 gaat de regering hier uitgebreid op in.Tot slot merkt de regering hierbij op naar inschatting zeer geringeaantallen mensen een beroep zullen doen op de uitzondering op hetgezamenlijke huishoudingbegrip. De inschatting is dat het bij grotegemeenten om enkele gevallen per jaar gaat. Voor de inschatting van debudgettaire gevolgen is rekening gehouden met ruim 600 extra uitke-ringen. Hoewel het vaststellen van intensieve mantelzorg altijd eenindividuele beoordeling vergt, zijn de regering en gemeenten (zieuitvoeringstoets VNG en het bestuurlijk advies van VNG en Divosa) vanmening dat het huidige wetsvoorstel voldoende kaders biedt om dezebeoordeling te kunnen maken.10.3 Bestuurlijk advies VNG en Divosa 10.3.1 Algemene reactie De VNG en Divosa hebben gezamenlijk een bestuurlijke reactie gegevenop het wetsvoorstel. In paragraaf 10.1 is ingegaan op de uitvoeringstoetsvan de VNG. Voor zover opmerkingen in deze gecombineerde reactieopnieuw worden gemaakt (voornamelijk op het gebied van middelen entaken voor gemeenten), wordt voor de reactie van de regering naarparagraaf 10.1 verwezen.De VNG en Divosa geven aan het te waarderen dat een aantal acuteknelpunten met het wetsvoorstel worden weggenomen. Wel wijzen zijerop dat een aantal voorgestelde wijzigingen niet de beoogde vereenvou-diging bewerkstelligen. In de volgende paragraaf wordt op deze puntennader ingegaan.In de reactie is ook van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantalopmerkingen te maken over spoor 2 en spoor 3. De regering is de VNG enDivosa daarvoor erkentelijk en neemt deze opmerkingen mee.10.3.2 Individuele maatregelen Harmonisatie jongerennormDoor de VNG, maar ook door Divosa, gemeenten en welzijnsorganisatieswordt benadrukt dat de voorgestelde jongmeerderjarigen normen(inclusief de standaard ophoging) te laag zullen zijn. Zij wijzen erop datzelfstandig wonende jongmeerderjarigen vaak dezelfde kosten zullenhebben als de bijstandsgerechtigden van 21 jaar en ouder. Zo niet hogervanwege hun beperkte recht op huurtoeslag. De regering is van meningdat bij de voorgestelde normering het gaat om een maatstaf bepaling. Opdeze wijze kan de jongmeerderjarige rechtszekerheid worden geboden enwil de regering meer uniformiteit in de uitvoeringspraktijk realiseren juistals het om normen gaat. Daarbij zoekt de regering aansluiting bij hetwettelijk minimum jeugdloon, vanuit het uitgangspunt dat debijstandsnorm niet hoger kan liggen dat het wettelijk minimumloon. Eenen ander laat onverlet dat van gemeenten ook binnen het voorgesteldeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3146 stelsel mag worden verwacht dat zij bezien of de verkregen norm inclusiefde ophoging betrokkene voldoende mogelijkheden biedt om in zijnlevensonderhoud te voorzien. Met name de netto woonlasten, zoals huurna aftrek van huurtoeslag, zijn in dat kader een bepalende factor.Gemeenten blijven in deze dan ook de mogelijkheid behouden om insituaties die daarom vragen aanvullende bijzondere bijstand teverstrekken.Divosa en de VNG brengen in dat als bij jongeren van 18 tot 21 jaar defeitelijke leefsituatie vergelijkbaar is met die van iemand van 21 jaar ofouder die ook niet op de financiële steun van ouders kan rekenen, er dansprake hoort te zijn van een gelijk sociaal minimum en zij verzoeken dit inhet voorstel aan te passen. Ook is men van mening dat omdat het gaatom een uitkering voor algemene kosten van bestaan en dat daarom dealgemene bijstand logischer is dan bijzondere bijstand. Voor wat betreftde eerste opmerking merkt de regering op dat zij een aantal kaders in achtheeft genomen bij het wetsvoorstel zoals toegelicht in paragraaf 3.2. Deregering ziet geen aanleiding om van dit gebalanceerde kader af te wijken.Tevens houdt de regering vast aan de lijn dat het hier dient te gaan ombijzondere bijstand: de ouders van de jongeren van 18 tot 21 jaar hebbeneen onderhoudsplicht. In de bijzondere omstandigheid dat ouders geenuitvoering kunnen geven aan deze onderhoudsplicht, komt de jongeren inaanmerking voor bijzondere bijstand.Maatwerk vierwekenzoektermijnZowel Divosa als de VNG vinden de beoogde maatregel voor de vierwe-kenzoektermijn een ingewikkelde maatwerkoplossing in plaats van debeoogde vereenvoudiging die zijn doel voorbijschiet. Zij pleiten voor eenalgemene «kan»-bepaling, maar zien liever dat de zoektermijn wordtafgeschaft. De regering acht dat zij met dit wetsvoorstel een redelijkebalans heeft gevonden tussen het uitgangspunt dat van jongeren magworden verwacht dat zij hun mogelijkheden om via werk of opleidingverder in zijn toekomst te investeren intensief onderzoekt en het ruimtebieden voor de menselijke maat. Daarnaast brengt verder versoepelen ofvolledig afschaffen van de zoektermijn budgettaire gevolgen met zichmee. De verwachte kosten van het volledig afschaffen van de zoektermijnzijn circa 40 miljoen euro. Dit past niet binnen de huidige budgettairekaders. Deze opmerking heeft daarom niet geleid tot wijzigingen.BufferbudgetDe intentie van het bufferbudget wordt door gemeenten sympathiekgevonden, maar de gekozen uitwerking wordt onuitvoerbaar geacht,waarbij wordt verwezen naar de uitvoeringstoets. Geadviseerd wordt hetbufferbudget te laten vervallen omdat er andere maatregelen zijn diehetzelfde doel ondersteunen. De regering volgt dit standpunt niet enverwijst naar de reactie op de uitvoeringstoets van de VNG.Generieke participatieplicht, eigenstandig vormgeven participatie enondersteuning bij maatschappelijke participatie, toegespitst ontheffingen-kaderVNG en Divosa geven in hun bestuurlijke reactie aan dat gemeenten hetwaarderen dat met voorliggend wetsvoorstel een aantal acute knelpuntenwordt weggenomen. Zij noemen het een goede eerste stap in hetaanpassen van de Participatiewet. De aandacht voor participatie (en nietalleen voor werk) wordt gewaardeerd. Gemeenten zien het belang ommensen naar duurzaam werk en participatie te begeleiden. Voor hen is heteen stap vooruit dat die taak voortaan gestoeld is op vertrouwen inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3147 mensen, waardoor beter kan worden aangesloten op de behoefte vaninwoners. Naar de stellige overtuiging van gemeenten is dat ookeffectiever. Wel vragen gemeenten in de memorie van toelichting eenaangescherpte duiding van de maatschappelijke participatie en eenduidelijke afbakening hiervan. Ook vragen zij aandacht voor de extra inzetdie dit vraagt van hun professionals. Zij geven aan dit alleen te kunnenuitvoeren met voldoende middelen, als de informatievoorziening op ordeis, administratieve lasten verminderen en er samenhang is met de Wmo2015.De regering is in de inleiding van paragraaf 10.1 al ingegaan op deopmerkingen wat betreft de financiële middelen. Waar het gaat om deduiding van het begrip maatschappelijke participatie herhaalt zij wat zijdaarover in paragraaf 5.2 heeft opgemerkt: het beslaat een breed paletaan activiteiten. De regering wil de invulling daarvan juist aan de praktijken de mensen om wie het gaat, in goed vertrouwen, overlaten. De enigekaders die de regering wil stellen maken deel uit van de definitie die isopgenomen in het voorgestelde artikel 6, tweede lid, onderdeel c, van hetwetsvoorstel: de activiteiten moeten onbeloond zijn, gericht op deelnameaan het maatschappelijk leven en niet leiden tot verdringing en debepaling die is opgenomen in artikel 9, achtste lid, Pw.De regering beziet de bestuurlijke reactie van VNG en Divosa op ditonderdeel verder in samenhang met de reactie die de vier grotegemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht (hierna: G4) bijgelegenheid van de internetconsultatie hebben uitgebracht. De G4omarmt het principe dat van bijstandsgerechtigden naar vermogen eenbijdrage mag worden verwacht. De G4 hebben echter bezwaar tegen demanier waarop in het wetsvoorstel maatschappelijke participatie isvormgegeven.De G4 vindt de verplichting tot maatschappelijke participatie zoals die nuals onderdeel van de generieke participatieplicht voor bijstandsgerech-tigden voor wie arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is wordt voorge-steld, een brede en vergaande verplichting. De beoordeling of arbeidsin-schakeling nog niet mogelijk is, vereist volgens de G4 een individuelebeoordeling die lastig is, van veel factoren afhankelijk is en lang niet altijd«hard» te maken is. Dit maakt uitvoering ervan volgens hen onmogelijk ende beslissing is vaak niet uitlegbaar. Ook wijzen de G4 erop dat budgettairneutrale implementatie van dit voorstel onmogelijk is.De G4 geven in overweging om in dit stadium van het programmaParticipatiewet in balans (spoor 1) maatschappelijke participatie niet alsonderdeel van de generieke participatieplicht in het wetsvoorstel op tenemen, maar voor maatschappelijke participatie uitdrukkelijk ruimte tebieden in het wetsvoorstel. En om aan gemeenten de mogelijkheid tebieden om aan de bijstand verplichtingen te verbinden gericht opmaatschappelijke participatie, al dan niet met gebruikmaking van door hetcollege aangeboden ondersteuning.Waar het gaat om de beoordeling of in een individuele situatie arbeidsin-schakeling nog niet mogelijk is, merkt de regering op dat gemeenten diebeoordeling in de huidige situatie ook al moeten doen. Het is staandbeleid dat gemeenten de aan de bijstand verbonden verplichtingenafstemmen op de mogelijkheden en omstandigheden van de bijstandsge-rechtigde. Verder zijn gemeenten verantwoordelijk voor het ondersteunenvan mensen uit de doelgroep van de Participatiewet bij arbeidsinscha-keling. Daarbij is het belangrijk dat gemeenten een goed beeld hebbenvan de arbeidsmarktkansen (direct of op termijn) van de mensen voor wiezij die verantwoordelijkheid dragen. De regering heeft ook de indruk datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3148 de meeste gemeenten dat beeld ook hebben. Alleen dan kunnen zijimmers de juiste ondersteuning bieden. En ook alleen dan kan wordenbeoordeeld of verplichtingen passen bij de situatie van het individu. Dithoeft dan ook niet tot extra uitvoeringslast voor gemeenten te leiden.Juist ook de ruimere en verduidelijkte mogelijkheden om mensen tijdelijkte ontheffen van de verplichtingen in situaties waarin die verplichtingencontraproductief zijn kan bij gemeenten de uitvoeringslast beperken.Gedifferentieerd maatregelenbeleidVNG en Divosa geven in hun bestuurlijke reactie aan dat meerderegemeenten hebben meegegeven dat het onduidelijk is hoe de amvb overmaatregelen zich gaat verhouden tot de gemeentelijke verordening. Detoelichting is op dit punt verduidelijkt (paragraaf 5.6).Verbreding experimenteerartikelIn het bestuurlijk advies geven VNG en Cedris aan graag te zien datgemeenten meer vrijheid krijgen om experimenten te starten. Echter, inhet advies wordt niet expliciet gemaakt wat een gewenste aanvullendeverruiming zou moeten omhelzen. Wel wordt gerefereerd aan ruimte voorgemeenten om met basisbanen te experimenteren. De basisbanenworden verschillend vormgegeven en ingevuld. Er is geen eenduidigedefinitie. Een aantal varianten van de basisbanen passen binnen debeoogde verruiming van het experimenteerartikel.10.4 Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) 10.4.1 Algemene reactie Het ATR heeft in haar advies het dictum «indienen, nadat met deadviespunten rekening is gehouden» gegeven. De regering heeftkennisgenomen van de adviespunten en zo nodig de regeldruk paragraafaangepast.10.4.2 Individuele maatregelen Giften en vermogenHet ATR merkt in haar advies terecht op dat de regeldruk effecten voor debij giften en vermogen voorgestelde wijzigingen niet zijn opgenomen. Nugiften tot (cumulatief) € 1.200 per kalenderjaar en toename van bezit-tingen tot aan de vermogensgrens niet onder de inlichtingenplicht vallenheeft dit een vermindering van de administratieve lasten voor debijstandsgerechtigde tot gevolg. De regering gaat er echter vanuit datvoor weliswaar een beperkte groep (bijstandsgerechtigden die met enigeregelmaat giften ontvangen of met enige regelmaat te maken hebben mettoename van bezittingen) de administratieve lasten juist toenemen, nu ophen de verplichting rust de cumulatieve waarde van deze giften/bezittingen te bewaken. De positieve en negatieve effecten met elkaarsalderend levert uiteindelijk geen duidelijke administratieve lastenverlichting voor beide maatregelen op. Reden waarom deze maatregeleneerder niet in de lasten paragraaf zijn benoemd. Op het doenvermogenvan bijstandsgerechtigde, is eerder in dit hoofdstuk ingegaan.BufferbudgetHet ATR geeft aan twijfels te hebben bij de redenering dat het buffer-budget zal leiden tot een forse regeldrukbesparing. Het is volgens het ATRniet duidelijk of gemeenten het instrument daadwerkelijk zullen toepassenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3149 en of het daadwerkelijk leidt tot minder contact met instanties door debijstandsgerechtigde omdat de noodzaak daartoe is afgenomen. Ook gaathet om een indirect effect omdat er geen verplichtingen vervallen. HetATR is daarom van mening dat deze maatregel niet leidt tot verminderingvan de regeldruk. De regering is het met het ATR eens dat gemeenten nietverplicht zijn om het bufferbudget in te zetten. De aanname is dat in degevallen dat het bufferbudget ingezet kan worden, dat gaat om mensendie anders in de financiële problemen zouden komen. Die financiëleproblemen leiden tot regeldruk voor de bijstandsgerechtigde, bijvoor-beeld rondom achterstallige huur of oplopende schulden of het nietkunnen voldoen van betalingsregelingen. Gelet op de twijfels van het ATRis paragraaf 7.1.7 aangepast en aangegeven dat weliswaar de verwachtingis dat de regeldruk zal afnemen, de effecten niet hard genoeg zijn om tekwantificeren.Generieke participatieplichtHet ATR merkt op dat bijstandsgerechtigden die geen zicht hebben oparbeidsinschakeling niet meer hoeven te voldoen aan verplichtingen dievoor hen per definitie niet werkbaar zijn, omdat gemeenten de verplich-tingen afstemmen op het individu. Het ATR stelt verder dat keerzijde vandeze aanpak is dat bijstandsgerechtigden pas weten aan welke verplich-tingen ze moeten voldoen, nadat gesproken is met de gemeente. Deregering is dit ten dele met het ATR eens: de verplichtingen binnen degenerieke participatieplicht blijven van rechtswege gelden. Dit is nietanders dan de huidige situatie. Ook is het al mogelijk om de verplich-tingen af te stemmen op de mogelijkheden en omstandigheden van debijstandsgerechtigde. Het is daarom niet nieuw dat bijstandsgerechtigdenpas weten welke verplichtingen er voor hen gelden nadat de verplich-tingen zijn afgestemd.De regering is het met het ATR eens dat de gemeente helder met debijstandsgerechtigde moet communiceren over diens verplichtingen enmeent dat in paragraaf 5.2 al voldoende duidelijk te hebben gemaakt. Hetgaat de regering hierbij om bijstandsgerechtigden die wel – nu of oplangere termijn – zicht hebben op arbeidsinschakeling en die nietontheven zijn van de verplichtingen. De regering gaat ervan uit dat hetATR in haar opmerking ook doelt op deze categorie bijstandsgerech-tigden.HandhavingVerder maakt het ATR een opmerking over de weergegeven regeldrukef-fecten bij het afstemmen van maatregelen op het individu(paragraaf 7.1.9). Het college is van mening dat de regeldrukeffecten pasbij het wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid moeten wordenvermeld, omdat het nieuwe handhavingsregime niet in voorliggendwetsvoorstel is opgenomen. De regering erkent dat de regeldrukparagraafover het toekomstige maatregelenregime niet thuishoort in de memorievan toelichting van voorliggend wetsvoorstel. De regering heeft debetreffende paragraaf herschreven naar eventuele regeldrukeffecten dievoor bijstandsgerechtigden zouden kunnen optreden wanneer degemeente de verplichtingen afstemt op de mogelijkheden en omstandig-heden van het individu.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3150 10.5 Advies Landelijke Cliëntenraad 10.5.1 Algemene reactie De LCR heeft in haar reactie aangegeven het eens te zijn met de analysevan de problemen en de verschillende knelpunten. De LCR kan dan ookhet grootste deel van de maatregelen steunen en ziet in het wetsvoorsteleen samenhangend geheel. De LCR heeft een aantal aandachtspuntenmeegeven die in de volgende paragraaf worden behandeld. Aan het slotvan de reactie geeft LCR een aantal punten mee voor spoor 2, deze puntenzullen in dat spoor aan de orde komen.10.5.2 Individuele maatregelen Harmonisatie jongerennormDe LCR, maar ook de expertgroep en verschillende gemeenten wijzenerop dat de huidige bijzondere bijstand ter ophoging van de jongmeerderjarigennorm niet past binnen de bijzondere bijstand omdat hetjuist gaat om bijstand voor de in deze situatie gebruikelijke kosten voorlevensonderhoud. De regering houdt vast aan de lijn dat het hier dient tegaan om bijzondere bijstand: de ouders van de jongeren van 18 tot 21 jaarhebben een onderhoudsplicht. In de bijzondere omstandigheid dat oudersgeen uitvoering kunnen geven aan deze onderhoudsplicht, komt dejongeren in aanmerking voor bijzondere bijstand.Verruiming bijverdiengrenzenDe LCR merkt op het verruimen van de bijverdiengrenzen te steunen,maar uit wel haar zorgen over de mensen met een medische urenbeperking. Volgens de LCR moet de inkomensvrijlating niet in tijd beperktworden, maar structureel worden ingezet. In hoofdstuk 4A van dememorie van toelichting wordt er uitgebreid ingegaan waarom deinkomensvrijlating haar structurele karakter voor deze groep behoudt alsmaatregel in de Participatiewet. Voor de doelgroep met een medischeurenverklaring wordt hun plek in wetgeving parallel aan dit wetsvoorstelbezien. In de herziening van de Participatiewet (spoor 2) zal ook de positievan de mensen met een medische uren beperking in de Participatiewetmeegenomen worden. Hierbij zal ook gebruik worden gemaakt van deuitkomsten van OCTAS.BufferbudgetDe LCR vindt de invoering van het bufferbudget een mooie manier omschommelingen in het inkomen te kunnen opvangen en bestaansze-kerheid te beschermen. De uitwerking ervan wordt echter als zeeringewikkeld gezien. Gemeenten moeten zelf initiatief nemen in individuelegevallen, zelf de nodige procedures doorlopen en zelf grip houden op deuitvoering. De LCR heeft de indruk dat er een nieuw (en kostenintensief)bureaucratisch systeem wordt ingericht, terwijl de Participatiewet al eenuitstroompremie kent. Daarnaast vindt de LCR het voorgestelde maximalebedrag van € 1.000 per jaar te laag. De regering heeft bij het vaststellenvan het bedrag gekeken naar de gemiddelde inkomsten per maand van dewerkende bijstandsgerechtigde, de aan de hand daarvan te verwachtenschommelingen en de instrumenten die tevens voorhanden zijn, zoals ookin paragraaf 4.7 is toegelicht, om in bepaalde situaties toe te passen. Deregering acht in dat licht € 1.000 per jaar voldoende om het bufferbudgettoe te kunnen passen zoals het bedoeld is. De regering verwijst voor eenreactie op de overige opmerkingen van de LCR naar de reactie op deuitvoeringstoets van de VNG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3151 Generieke participatieplicht, eigenstandig vormgeven participatie enondersteuning bij maatschappelijke participatieDe LCR waardeert het uitgangspunt van maatschappelijke participatie. DeLCR veronderstelt echter een nadrukkelijke koppeling met arbeidsinscha-keling. De regering merkt op dat dit het geval is voor mensen van wie nietis vastgesteld dat zij voor onbepaalde tijd geen arbeidsvermogen hebben.Voor deze mensen blijft het perspectief van betaald werk in stand. Deregering wil gemeenten en de mensen om wie het gaat evenwel de ruimtebieden om op de (lange) weg daar naar toe maatschappelijk te partici-peren, bijvoorbeeld in de vorm van vrijwilligerswerk of mantelzorg.Mensen van wie is vastgesteld dat zij nooit betaald werk zullen kunnenverrichten kunnen in de nieuwe situatie ook maatschappelijk participeren.De gemeenten kunnen deze mensen daarbij ook ondersteunen. Inparagraaf 5.2. en 5.3 van deze memorie van toelichting gaat de regeringhier nader op in.10.6 Advies Nederlandse Arbeidsinspectie De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft haar reactie op het wetsvoorstelen de toelichting geplaatst in de documenten die ter consultatie hebbenvoorgelegen. Gelet op de zeer beperkte opmerking, neemt de regeringaan dat de Nederlandse Arbeidsinspectie zich kan vinden in hetwetsvoorstel. De regering heeft de redactionele opmerkingen op detoelichting overgenomen.De Nederlandse Arbeidsinspectie merkt bij de maatregelen «versoepelenaanvraagprocedure» op dat de Regeling voorzieningen GDI per 1 juli 2023wordt ingetrokken en dat per die datum de Regeling voorzieningen Wdoin werking treedt. De verwijzing in de toelichting is aangepast.10.7 Advies Raad voor de Rechtspraak 10.7.1 Algemene reactie De Raad voor de Rechtspraak (hierna: de Raad) heeft een uitgebreidereactie gestuurd. De regering is daar dankbaar voor.In haar algemene reactie wijst de Raad op de inlichtingenplicht. Deregering heeft de memorie van toelichting op verschillende maatregelenop dit punt aangevuld. Voor de maatregelen op het gebied van giften envermogen blijft deze inlichtingenplicht van toepassing. De regering is vanmening dat de burger het vertrouwen gegund moet worden dat de burgerdit kan. Daarnaast vraagt het enig lef van de bestuursorganen. In dit kaderwordt ook verwezen naar paragraaf 3.3.2.In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de opmerkingen van de Raadbij de voorgestelde artikelen.10.7.2 Individuele maatregelen Harmonisatie jongerennormNaar aanleiding van de opmerkingen van de Raad over de wijzigingen vanartikel 12 Pw is de toelichting in paragraaf 3.2 aangevuld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3152 Automatisch verrekenen van inkomen uitNaar aanleiding van opmerkingen van de Raad over het laten vervallenvan een aantal inkomensvrijlatingen en het nieuwe artikel 34a Pw, isartikel 34a tekstueel gewijzigd. Niet langer wordt het woord «verrekenen»toegepast maar wordt het begrip «in aanmerking te nemen inkomen»gebezigd.Met het nieuwe artikel 34a Pw is beoogd dat bij de verrekening vaninkomen, 15% van het netto-inkomen uit arbeid in de desbetreffendemaand buiten beschouwing kan worden gelaten. Dit betekent dat deoverige 85% wel van invloed kan zijn op het recht van bijstand.VermogenNaar aanleiding van de opmerking van de Raad over of een jaarlijksheronderzoek nodig is, is de toelichting op dit punt verduidelijkt. De Raadvraagt ook of de visie over schulden – kort gezegd dat de bijstandsnorm inbeginsel toereikend wordt geacht om te voorzien in alle algemeennoodzakelijk kosten van het bestaan zodat het maken van schulden nietnodig is – wordt verlaten. Dit is niet het geval. De regering staat nogsteeds achter dit uitgangspunt, met dien verstande dat onvoorzieneomstandigheden of individuele keuzes ertoe kunnen leiden dat eenbijstandsgerechtigde onverhoopt schulden op kan bouwen. De regeringacht het wenselijk dat daar bij het vaststellen van het daadwerkelijkevermogen rekening mee gehouden kan worden. Voor de volledigheidmerkt de regering op dat het mogelijk blijft om een maatregel op teleggen als er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoorde-lijkheid.De Raad vraagt zich af wat precies onder de inlichtingenplicht valt. Uit deartikelsgewijze toelichting bij artikel 34 Pw volgt dat de inlichtingenplichtniet van toepassing is op het moment dat het vermogen onder devermogensgrens blijft. Onder de inlichtingenplicht valt in de voorgesteldesituatie dus dat enkel het vermogen boven de vermogensgrens moetworden gemeld. Van de bijstandsgerechtigde wordt verwacht dat – ookhet vermogen dat onder die grens ligt – wordt bijgehouden. Zoalsvermeld in paragraaf 3.4 wordt bijstandsgerechtigde geadviseerd om bijaanzienlijke vermogenstoenames contact te zoeken met de gemeenten.De Raad merkt op dat het in verband met de vrijlatingen in de vermogens-vaststelling en de vrijlating van tijdens de bijstand gespaarde middeleneen ingewikkeld plaatje ontstaat. De regering meent dat dit nu ook al hetgeval is en erkent dat deze situatie met dit wetsvoorstel niet wordtgewijzigd.Bijstand met niet-rechthebbende partnerNaar aanleiding van onder meer de reactie van de Raad is de formuleringvan het artikel gewijzigd en de toelichting op dit punt aangevuld.Automatisch verrekenen: TransactiestelselDe Raad adviseert om te verhelderen wat wordt bedoeld met «inredelijkheid kunnen beschikken». De regering begrijpt dat de voorgesteldeterminologie vragen oproept. Doel is om aan te sluiten bij de term «inredelijkheid kunnen beschikken», zoals deze nu is opgenomen inartikel 31, eerste lid van de wet. De voorgestelde wetswijziging beoogtgeen wijziging in de uitleg van deze zinsnede. De tekst van hetwetsvoorstel is hierop aangepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3153 BufferbudgetDe Raad merkt op dat het gehanteerde begrip «toekennen» impliceert datde ontvanger daadwerkelijk de beschikking krijgt over het bufferbudget.De regering onderkent dat deze terminologie mogelijk verwarrend kan zijnen heeft de tekst van artikel 34b Pw hierop aangepast.Voorts heeft de Raad geuit dat het ontbreken van een aanvraagmoge-lijkheid voor het bufferbudget leidt tot vatbaarheid voor het willekeur-verwijt. Ook vraagt de Raad zich af of rechtsmiddelen ingezet kunnenworden tegen het achterwege laten van toekenning van het bufferbudget.De toepassing van het bufferbudget door gemeenten vereist kennis vande noodzaak voor de inzet hiervan in het individuele geval. Het college zaldan ook in de regel gedurende de contacten met een bijstandsgerechtigdedie in de doelgroep van artikel 34b van de wet valt, besluiten omtoepassing te geven aan de inzet van het bufferbudget. Een aanvraag ishiervoor dan ook niet vereist. De toepassing van de inzet van hetbufferbudget betreft een besluit. De Awb is hierop van toepassing. Gelethierop staat ook bezwaar en beroep open tegen dit besluit.Generieke participatieplichtDe Raad vraagt zich af of het (nader) invullen van de verplichtingen zoalsbedoeld in het nieuwe artikel 9, achtste lid, Pw besluiten zijn. De regeringmerkt allereerst op dat in de huidige situatie gemeenten de aan bijstandverbonden verplichtingen al moeten afstemmen op de mogelijkheden enomstandigheden van de bijstandsgerechtigde. Het voorliggendewetsvoorstel bevat dan ook geen nieuwe bepaling ten aanzien van hetnader invullen van de verplichtingen die behoren tot de generiekeparticipatieplicht. Artikel 9 Pw bevat een combinatie van verplichtingendie deel uitmaken van de generieke participatieplicht en die vanrechtswege gelden, zoals de verplichting om algemeen geaccepteerdearbeid te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden (eerste lid,onderdeel a), de verplichting om mee te werken met re-integratie enverplichting tot maatschappelijke participatie. De gemeente stemt deverplichtingen af op de mogelijkheden en omstandigheden van debijstandsgerechtigde. In de Pw is geregeld dat ingeval een bijstandsge-rechtigde jonger is dan 27 jaar op grond van artikel 44a Pw een plan vanaanpak wordt opgesteld. Het plan van aanpak is een bijlage bij, en daarbijonderdeel van, het besluit tot toekenning van bijstand (artikel 44, vierdelid, Pw). Ook het afstemmen van deze verplichtingen op de omstandig-heden en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde moet bij besluitworden gespecificeerd. Er is daarbij inderdaad sprake van een besluit inde zin van de Awb.Bijstand met terugwerkende krachtDe Raad merkt op dat de verhouding van de voorgestelde maatregel tenopzichte van de huidige jurisprudentielijn onvoldoende duidelijk is. Deregering heeft daarom paragraaf 3.6 nader aangevuld om dit te verduide-lijken.10.8 Adviesrapport Expertgroep 10.8.1 Algemene reactie De regering is erkentelijk voor de reactie van de expertgroep en heteerdere rapport wat zij in het kader van het programma Participatiewet inbalans heeft geschreven. Naar aanleiding van de reactie van de expert-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3154 groep heeft een aantal technische en redactionele wijzigingen plaatsge-vonden. Waar opmerkingen de reikwijdte van dit wetsvoorstel te buitengingen, worden deze ter overweging meegenomen in spoor 2 van hetprogramma Participatiewet in balans.10.8.2 Individuele maatregelen Bijstand met niet-rechthebbende partnerIn het wetsvoorstel dat voorgelegd is voor advies aan de expertgroepwordt (nog) voorgesteld om voor artikel 24a Pw een equivalent in deIOAW en IOAZ op te nemen. De expertgroep heeft twijfels over het nutvan een vergelijkbare bepaling in de IOAW en IOAZ. In de IOAW en IOAZis nu geregeld dat als bij gehuwden de werkloze werknemer of gewezenzelfstandige is uitgesloten van het recht op IOAW c.q. IOAZ er helemaalgeen recht op uitkering is. Als de echtgenoot van de werkloze werknemerof gewezen zelfstandige uitgesloten is, dan ontvangt de werklozewerknemer of gewezen zelfstandige een uitkering naar de grondslag dievoor hem als alleenstaande zou gelden. Dat staat in art. 6 lid 1 en 2 IOAWen art. 6 lid 2 en 3 IOAZ. Het creëren van een aparte grondslag voordergelijke situaties in de art. 5 IOAW/IOAZ of een nieuw art. 5bIOAW/IOAZ181 maakt het er allemaal niet eenvoudiger op. Bovendien lijkthet erop dat zulke situaties zich zelden zullen voordoen. De expertgroepadviseert daarom om de regelgeving binnen de IOAW en IOAZ op dit puntte laten zoals het nu is. De regering heeft dit advies opgevolgd. Demaatregel voor artikel 24a Pw is inderdaad niet nodig en wordt nietopgenomen in de IOAW en de IOAZ.GiftenvrijlatingDe expertgroep geeft aan dat de giftenvrijlating van € 1.200 niet goedaansluit bij de bijstandspraktijk. De regering merkt hierover het volgendeop. In de praktijk werken enkele gemeenten al met een giftenvrijlating. Uitdie ervaringen blijkt dat een giftenvrijlating per jaar uitvoerbaar is. Deregering meent dat het wenselijk is dat ook grotere giften onder devrijlating moeten kunnen vallen.De expertgroep werpt de vraag op hoe gemeenten om moeten gaan metde vrijlating van giften in geval bijstandsgerechtigde verhuizen naar eenandere gemeenten. In die gevallen wordt van de gemeente waar debijstandsgerechtigde naar toe is verhuisd niet verwacht dat bij de eerderegemeente de meldingen over giften wordt opgevraagd. De uitvoerings-lasten wegen in dit kader niet op tegen de baten voor de bijstandsgerech-tigde. Zeker gelet op het zeer geringe aantal verhuizingen dat buitengemeenten plaatsvindt. Het staat gemeenten uiteraard vrij om, op hetmoment dat zie hier aanleiding toe zien, deze gegevens op te vragen endaar naar te handelen.VermogenDoor enkele juridische adviseurs, en ook de expertgroep, is nog de vraaggesteld hoe de wijzigingen binnen de vermogensvaststelling moetenworden gelezen in relatie tot de voorgestelde wijzigingen in het kader vanhet transactiebeginsel (artikel 32, tweede lid, Pw). Belangrijkste vraagdaarbij is hoe om moet worden gegaan met eerder verkregen rechten diepas later tot uitbetaling komen. Meest aansprekende voorbeeld in ditkader is de erfenis van een familielid. De uit een erfenis aan betrokkenetoevallende middelen, komen hem vanaf datum overlijden van de erflater181Er is overigens wel een art. 5a IOAZ, maar geen 5a IOAW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3155 toe, maar betrokkene kan hier vaak pas na enige tijd (en als sprake is vaneen langstlevende partner, die het vruchtgebruik van het erfdeel in eersteinstantie toevalt, soms pas na geruime tijd) daadwerkelijk overbeschikken. Gedachte achter de wijzigingen binnen het transactie beginselis om krachtiger in de wet vast te leggen dat er eerst bijstandsrechtelijkegevolgen kunnen worden verbonden aan verkregen middelen op hetmoment dat betrokkene ook daadwerkelijk over deze middelen (inredelijkheid) kan beschikken. Daarbij zijn in artikel 32, tweede lid, Pwenkele specifieke regelingen voor inkomen opgenomen. Wat echteronverlet laat dat het hierboven beschreven uitgangspunt ook voorvermogen geldt. Concreet houdt dit in dat na verkrijging van hetvermogen, zal moeten worden bezien of betrokkene nog recht had opbijstand vanaf het moment van overlijden van de erflater (het moment dathet recht ontstond). Dat kan uiteindelijk leiden tot een beëindiging van debijstand en een eventuele terugvordering van in dat verband te veelontvangen bijstand. De wijzigingen in het transactiebeginsel hebben metandere woorden geen gevolgen voor de staande uitvoeringspraktijk op ditvlak.Bijstand met terugwerkende krachtDe expertgroep merkt op dat het onduidelijk is wat er wordt begrepenonder individuele omstandigheden en wat de verhouding is tot het begripbijzondere omstandigheden dat in de jurisprudentie in dit kader wordtgehanteerd.Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn als komt vast te staan datbetrokkene al eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend, of indienis gebleken dat betrokkene op enigerlei wijze actie in de richting van hetUWV of het college heeft ondernomen die tot het innemen van eendaartoe strekkende aanvraag had moeten leiden.182 Het door de regeringvoorgestelde «individuele omstandigheden» is breder dan bijzondereomstandigheden. Het college heeft de beoordelingsvrijheid om te bepalenof de individuele omstandigheden nopen tot het verstrekken van bijstandmet terugwerkende kracht. De individuele omstandigheden kunnen zowelzien op omstandigheden die in oorzakelijk verband met de late meldingstaan, als omstandigheden die betrekking hebben op de (ernstige)gevolgen van de late melding of een combinatie van deze omstandig-heden. Daarbij geldt wel dat de terugwerkende kracht in dit kader slechtsvoor drie maanden mogelijk is, dit in tegenstelling tot het toepassen vanterugwerkende kracht in het kader van bijzondere omstandigheden. Detoelichting is op deze punten verduidelijkt.Gelijkstelling aanvraag bijstand aan Bbz, IOAW of IOAZNaar aanleiding van de opmerking van de expertgroep over de onduide-lijkheid over bijzondere bijstand in dit kader is het voorgestelde artikel 43,zesde lid, Pw aangepast. Er wordt niet langer verwezen naar de bijzonderebijstand. Het artikel is alleen bedoeld voor de gelijkstelling van eenaanvraag voor bijstand aan een aanvraag voor Bbz, IOAW of IOAZ.De expertgroep heeft daarnaast verzocht om te verduidelijken waaromdeze regeling niet is uitgebreid tot WW-aanvragen. De aanvragen die aanelkaar gelijk zijn gesteld, zijn alle aanvragen die worden uitgevoerd doorgemeenten. De WW wordt uitgevoerd door het UWV. Daarom wordt dezemaatregel niet uitgebreid tot ook WW-aanvragen.182CRvB 15 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2362.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3156 Automatisch verrekenenDe expertgroep geeft aan dat niet goed valt te overzien welke nadelen vande nieuwe systematiek aan de orde zijn. De expertgroep verwijst in ditkader specifiek naar erfenissen, waarbij de nieuwe systematiek mogelijkleidt tot calculerend gedrag en benadeling van de uitvoeringsorganisaties.De regering merkt in dit kader op dat wordt voorgesteld om in artikel 32,tweede lid, Pw te bepalen dat inkomen in aanmerking wordt genomennaar de periode waarin de bijstandsgerechtigde hierover beschikt ofredelijkerwijs kan beschikken. Niet is beoogd om wijzigingen aan tebrengen in situaties waarin eenmalig een vermogenstoeval plaatsvindt,zoals bijvoorbeeld bij erfenissen. Dit is ook, specifiek met als voorbeelderfenissen, benoemd in onderdeel 4.5.4 van de memorie.Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaars-uitkeringDe expertgroep geeft bij het advies over het afzien van het wijzigen vanhet transactiesysteem aan een mogelijke correctie te zien voor inkomsten-bestanddelen als vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaarsuitkeringen.De regering begrijpt hieruit dat de expertgroep geen opmerkingen heeftten aanzien van dit onderdeel.BufferbudgetDe expertgroep onderschrijft het doel van het bufferbudget, maar vraagtzich af hoe dit budget zich verhoudt tot de gedeeltelijke vrijlatingen vanarbeidsinkomsten (die de doelgroep van het bufferbudget niet krijgt) of deal bestaande mogelijkheden om re-integratiepremie(s) in te zetten alsbeloning voor werken naast de uitkering. Als het gaat om het verrekenenvan inkomsten uit een achterliggende periode, dan is het bufferbudgetgeen oplossing om een restschuld bij uitstroom uit de bijstand enterugvordering te voorkomen. Het is dan wellicht eenvoudiger om tebesluiten de restantschuld kwijt te schelden, dan het bufferbudget toe tepassen. De expertgroep betwijfelt of het instrument in de uitvoerings-praktijk met veel enthousiasme wordt onthaald, omdat er thansvoldoende alternatieven zijn om bijstandsgerechtigden bij sterk wisse-lende inkomsten tegemoet te komen zodat een zekere financiële stabiliteitontstaat. Ten slotte roept dit instrument rechtsvragen op zoals bijvoor-beeld de mogelijkheden van bezwaar en beroep, en ook wat de gevolgenzijn bij verhuizing van de betrokkene.Met betrekking tot de gestelde vragen over rechtsbescherming verwijst deregering naar de reactie op de reactie van de Raad voor de Rechtspraak,hierboven opgenomen onder 10.7.De regering verwijst daarnaast naar de reactie op de uitvoeringstoets vande VNG in paragraaf 10.1. In aanvulling daarop wil de regering graagopmerken dat het niet zo is dat de doelgroep van het bufferbudget niet inaanmerking komt voor een vrijlating van arbeidsinkomen (zie ookparagraaf 4.7.3), deze instrumenten kunnen beiden worden ingezet vooreen bijstandsgerechtigde in dezelfde periode, afhankelijk van de indivi-duele situatie van de bijstandsgerechtigde en de keuze van de gemeentemet betrekking tot de situatie. In paragraaf 4.7 is ook toegelicht dat bij detoepassing van het bufferbudget andere instrumenten of oplossingen,zoals de vrijlating en de premie voor arbeidsinschakeling of een betalings-regeling, niet toepasbaar zijn of het probleem niet oplossen in deindividuele situatie van de bijstandsgerechtigde. In het geval van het doorde expertgroep genoemde voorbeeld van een restschuld bij uitstroom,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3157 kan geoordeeld worden dat een premie voor arbeidsinschakeling passendis omdat het een eenmalig groot hiaat in inkomen betreft. Dat oordeel isaan de gemeente. De expertgroep vraagt zich af wat er gebeurt met hetbufferbudget als de bijstandsgerechtigde naar een andere gemeenteverhuist. In dat geval wijkt de werkwijze niet af van hoe met de overigeinstrumenten zoals de premie voor arbeidsinschakeling en de vrijlatingwordt omgegaan als de bijstandsgerechtigde een nieuwe bijstandsaan-vraag in de nieuwe gemeente indient.Generieke participatieplicht, eigenstandig vormgeven van participatie enondersteuning bij maatschappelijke participatieDe expertgroep beveelt aan de menselijke maat als taakopdracht op tenemen in artikel 9 Pw en daarin te bepalen dat de gemeente in debijstandsverlening en arbeidsinschakeling rekening houdt met individueleomstandigheden, belangen en het doenvermogen van burgers. Deregering neemt deze aanbeveling niet over. Bij de toelichting op deverschillende onderdelen van het wetsvoorstel wordt stilgestaan bij hetrekening houden door gemeenten met de individuele omstandigheden enbelangen van betrokkenen. In paragraaf 11.4 wordt specifiek ingegaan opde aandacht voor het doenvermogen van burgers.De expertgroep merkt ten aanzien van de in artikel 8a Pw voorgesteldeverordeningsplicht voor het stellen van regels ten behoeve van hetondersteunen bij maatschappelijke participatie op dat dit niet eenvanzelfsprekende keus is. De expertgroep beveelt aan in de plaats hiervangemeenten te verplichten om een beleidsplan op te stellen omdat ditbeter aansluit bij het doel van de wetgever: sturing zodat het college hetinstrument – ondersteuning bij maatschappelijke participatie – effectiefinzet. De regering staat op zich positief tegenover de suggestie voor eenverplichting voor de gemeenteraad om een beleidsplan voor (onder-steuning bij) maatschappelijke participatie op te stellen. Op dit momentechter geldt al een verordeningsplicht voor gemeenteraden voor deondersteuning gericht op arbeidsinschakeling. Het is niet logisch danalleen een beleidsplan voor ondersteuning bij maatschappelijke partici-patie te verplichten. Aan de andere kant voert het op dit moment te verom een brede planverplichting voor de gemeenteraad te introduceren, diehet volledige ondersteuningsaanbod en het re-integratie- en participatie-beleid van de Participatiewet omvat. Daarom houdt de regering voor nuvast aan een verordeningsplicht voor ondersteuning bij maatschappelijkeparticipatie. Hiermee is het straks voor de bijstandsgerechtigde duidelijkwelk ondersteuningsaanbod voor maatschappelijke participatie op lokaalniveau voorhanden is.Toegespitst ontheffingenkaderDe expertgroep constateert dat artikel 9a Pw, dat een ontheffing van dearbeidsverplichting regelt voor alleenstaande ouders, in het wetsvoorsteldat ter consultatie voorlag niet wordt geschrapt, terwijl andere overmatiggedetailleerde (leden van) artikelen (zoals artikel 18, vierde tot en metelfde lid, en artikel 18b Pw) wel worden geschrapt. De expertgroep geeftaan dat artikel 9a Pw uiterst gedetailleerd is en vooral begrenzend vantoon. Daarbij heeft artikel 9a Pw volgens de experts weinig betekenis voorde uitvoeringspraktijk en wordt het weinig toegepast. De regering vindthet belangrijk dat – naast de met voorliggend wetsvoorstel gebodenruimere mogelijkheid voor gemeenten op grond van artikel 9, tweede lid,Pw om iemand tijdelijk te ontheffen van de verplichtingen voor de groepalleenstaande ouders met jonge kinderen – een specifiek recht opontheffing van de arbeidsverplichting onder voorwaarden blijft bestaan.Het recht biedt deze alleenstaande ouders een steviger positie en maaktTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3158 hen minder afhankelijk van besluitvorming door de gemeente. Tegenoverhet recht op ontheffing van de arbeidsverplichting voor de alleenstaandeouder, staan voorwaarden die de arbeidsmarktpositie van de alleen-staande ouder verbeteren. De regering vindt dit dermate nuttig voor dezeouders dat zij niet voornemens is hier veranderingen in aan te brengen.Ruimte voor mantelzorgDe expertgroep juicht het toe dat met dit concept-wetsvoorstel meerruimte wordt gecreëerd voor mantelzorg, maar geeft aan dat het devoorkeur verdient om het huidige begrip «zorgbehoefte» in artikel 3,tweede lid, Pw te handhaven bij de uitzondering op het gezamenlijkehuishoudingbegrip. De regering heeft dit advies overgenomen.Onverwijld indienen van een aanvraagDe expertgroep merkt op dat het wenselijk is dat verduidelijkt wordt bijwie de bewijslast ligt om aan te tonen dat de bijstandsgerechtigde in staatis gesteld om «onverwijld» een aanvraag in te dienen. In de toelichting isdit punt verduidelijkt.10.9 Internetconsultatie 10.9.1 Algemene reactie Het wetsvoorstel heeft zes weken voorgelegen voor internetconsultatie.183Er zijn vele reacties ingestuurd, waarvan 92 reacties openbaar. Deregering wil eenieder danken die de moeite heeft genomen om tereageren. Het voert te ver om in deze toelichting alle reacties te behan-delen. Daarom heeft de regering ervoor gekozen om op de rode dradenuit deze reacties te reageren. Allereerst op de opmerkingen die breder zijndan de opgenomen maatregelen, vervolgens op de opmerkingen diespecifiek over een van de voorgestelde regelingen gaan.10.9.2 Opmerkingen breder dan individuele maatregelen Tijdens de internetconsultatie is het belang benadrukt van het betrekkenvan ervaringsdeskundigheid bij de vormgeving van beleid. De regeringonderschrijft dit belang. Zoals in hoofdstuk 1 van deze memorie vantoelichting beschreven is de beleidsanalyse die aan dit wetsvoorstel tengrondslag ligt tot stand gekomen met de inbreng van ervaringsdeskun-digen. Datzelfde geldt voor de maatregelen die in het wetsvoorstelworden voorgesteld.Een aantal respondenten geeft mee dat er ook oog moet zijn voor deprofessionals bij gemeenten en de uitvoering van de wet. Voor deuitvoering van de nieuwe wetgeving is hier uiteraard oog voor. Deze gaatverder dan de implementatieperiode die na inwerkingtreding van de wetplaats vindt. Samen met gemeenten en andere stakeholders wordt inspoor 3 van het programma Participatiewet in balans stappen onder-nomen om een cultuuromslag in de dienstverlening te bereiken die pastbij het karakter van dit wetsvoorstel: meer handelingsruimte voor deuitvoering waarbij de mens centraal staat. Ook wordt geïnvesteerd in hetversterken van de vakkundigheid van de professionals. Het is belangrijkdat de overheid oog heeft voor de menselijke maat, dichtbij enaanspreekbaar is en dat professionals in de uitvoering meer ruimte183Consultatie Wijziging van de Participatiewet in verband met het op onderdelen in balansbrengen van de wet tussen bestaanszekerheid, re-integratie en handhaving (internetconsulta-tie.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3159 krijgen.184 Ook zonder een wetswijziging is gelukkig al sprake van eenverdere professionaliseringsslag op verschillende niveaus. Die is bij veelgemeenten al ingezet en die is ook in lijn met de aandacht van de regeringvoor het programma Werk aan Uitvoering. Parallel hieraan wordt samenmet landelijke uitvoeringsorganisaties en gemeenten hard gewerkt aanhet versterken van de uitvoering van de Participatiewet door de overheid.Een respondent merkt op dat «de inschatting» door gemeenten van decapaciteiten van iemand tijdens de intake-fase niet altijd voldoende is.Hierdoor is ook niet altijd sprake van een geslaagde langdurige uitstroomnaar werk. Deze respondent pleit ervoor dat gemeenten gaan werken meteen landelijk uniforme werkwijze voor methodisch re-integreren met eengevalideerd objectief instrument. De uitvoering van de Participatiewet isevenwel gedecentraliseerd naar gemeenten. De financiering van deParticipatiewet is dusdanig ingericht dat gemeenten gestimuleerd wordenom ervoor te zorgen dat mensen zoveel mogelijk uitstromen naar betaaldwerk. Op welke wijze gemeenten hiervoor zorgen en welk instrument zijhierbij inzetten is aan de gemeenten. Dit laat onverlet dat ook waar hetgaat om «de inschatting» door gemeenten van de capaciteiten vaniemand tijdens de intake-fase vakmanschap voorop moet staan. Ook ditaspect krijgt in het derde spoor van het Programma Participatiewet inbalans een plek.Een respondent is van mening dat mensen met een arbeidsbeperking inde Participatiewet ongelijk behandeld worden, omdat werkgevers met hetinstrument loonkostensubsidie gecompenseerd worden tot aan hetwettelijk minimumloon en niet tot aan het functieloon. Hoewel hetinstrument loonkostensubsidie geen deel uitmaakt van het wetsvoorstelen feitelijk buiten de scope van deze internetconsultatie valt, merkt deregering op dat het instrument loonkostensubsidie juist uitsluitendbedoeld is voor mensen met een arbeidsbeperking. Het heeft tot doel omde arbeidsmarktkansen te vergroten voor mensen die niet in staat zijn omper uur het wettelijk minimumloon te verdienen.Een respondent merkt op dat een brede visie op participatie ook betekentdat de huidige segmentering binnen de brede doelgroep vraagt om hetslechten van indicatiestellingen (bijvoorbeeld voor de banenafspraak,beschut werk en overige doelgroepen) en om het verder versoepelen vande regelgeving rond het hanteren van loonwaarden. Een focus opindividuele omstandigheden is volgens deze respondent gebaat bij eenbrede inzet van beschikbare instrumenten zonder belemmeringen doorhet stellen van grenzen binnen de Pw. Ook deze opmerking valt buiten descope van deze internetconsultatie. De regering wil naar aanleidinghiervan evenwel het volgende melden. Aan verbeteringen van deloonwaardebepaling wordt gewerkt. De regering wil in verband hiermeeverwijzen naar de brief van 30 augustus 2023185 aan de Kamer metvoorstellen voor verbetering van de uniforme loonwaardemethode en deuitvoering ervan. Verder is de Kamer met de brief van 7 juni 2023186geïnformeerd over ideeën voor versterking van de banenafspraak enbijbehorende ondersteuning en met de brieven van 6 juli en 21 december2023187 is de Kamer in kennis gesteld van de uitkomsten van onderzoeknaar de (toekomstige) infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven enbeschut werk en de vervolgstappen.184Coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst».185Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 302.186Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 281.187Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 300 en 307.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3160 Een respondent geeft aan dat zijn leden zich hebben gespecialiseerd in hetnaar werk begeleiden van mensen met een arbeidsbeperking. Derespondent pleit voor harmonisering en uniformering van gemeentelijkeregelgeving en stelt dat het wetsvoorstel een tegengestelde bewegingmaakt met meer ruimte voor maatwerk. De regering merkt op dat deuitvoering van de Pw is gedecentraliseerd naar gemeenten. Dat is al sindslange tijd het geval. Binnen gemeenten wordt het beleid op lokaal niveaudemocratisch vastgesteld. In de 35 arbeidsmarktregio’s wordt samen-werking bevorderd waar het gaat om de ondersteuning naar werk. Met deWet Breed Offensief188 zijn belangrijke stappen gezet om – met inacht-neming van het uitgangspunt van de gedecentraliseerde uitvoering – deondersteuning voor mensen met een arbeidsbeperking in de Pw teverbeteren. Zo waren gemeenten verplicht om per 1 juli 2023 hunre-integratieverordening aan te passen, onder andere op het gebied vanpersoonlijke ondersteuning (zoals de jobcoach). Ter bevordering van meeruniformiteit heeft de VNG in dit verband in het voorjaar 2023 eenmodelverordening naar haar leden gestuurd. De regering is voornemensin samenhang met de invoeringstoets Breed Offensief onderzoek te latendoen naar de verordeningen.Gemeenten (de G4), juridisch adviseurs en maatschappelijke organisatiesverzoeken de regering om via het wetsvoorstel eveneens ambtshalvetoekenning van de individuele inkomenstoeslag mogelijk te maken(artikel 36 Pw). Zij wijzen er op dat de huidige systematiek (individueleaanvraag) niet-gebruik in de hand werkt en ook extra belastend is, omdatdeze bij elke separate aanvraag een individuele beoordeling vraagt. Deregering neemt deze suggestie niet over. Uitgangspunt van de Participa-tiewet is dat het recht op bijstand wordt vastgesteld aan de hand van eenschriftelijke aanvraag. Door het indienen van een aanvraag geeft debijstandsgerechtigde aan om aanspraak te willen maken op een vorm vanbijstand en ook dat de bijstandsgerechtigde instemt met de verplichtingendie hieraan verbonden zijn. De regering gaat ervanuit dat gemeenten,wanneer zij vermoeden dat iemand recht heeft op een individueleinkomenstoeslag, hier actief op wijst. De Expertgroep beveelt aan om inhet artikel zodanig te verduidelijken dat helder is dat een individueleinkomenstoeslag per gezin wordt aangevraagd als sprake is vangehuwden of gezamenlijke huishouding. Ook deze suggestie is overge-nomen.10.9.3 Individuele maatregelen Harmonisatie jongerennormOpgeroepen wordt om lokale initiatieven te ondersteunen zoals als HetBouwdepot, Collectief Kapitaal, Project 010, en Gewoon Geld Geven vanhet Kansfonds en in de gemeenten Zaandam, Tilburg en Amsterdam.Financiële plaatjes voor 18 tot 21-jarigen op minimumniveau latenstructureel tekorten zien. Vanwege lagere bijstand, lager minimumloon eneen lagere huurtoeslaggrens, zijn noodzakelijke kosten voor jongeren tot21 jaar niet of moeilijk te betalen. De regering merkt op dat met ditwetsvoorstel de aanvullende jongerennorm wordt geharmoniseerd en datruimte blijft voor het verstrekken van bijzondere bijstand. Voor verderetoelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.2.188Staatsblad 2022, 499Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3161 GiftenvrijlatingNaast twijfels over de handhaafbaarheid en het beroep op het doenver-mogen, zijn er ten aanzien van giften verschillende meer technischevragen gesteld. Een aantal gemeenten heeft de vraag gesteld of het perdefinitie wel melden van de gift, maar vervolgens tot € 1.200 buitenbeschouwing laten, niet logischer is. Alsmede of bij een gift van meer dan€ 1.200 slechts het meerdere wordt gekort of de hele gift.Het antwoord van de regering op beide vragen is nee. De voorgesteldewijziging geeft de bijstandsgerechtigde het comfort dat kleine giften nietgemeld hoeven te worden en dat pas wanneer het totaal aan giften bovende € 1.200 de bijstandsgerechtigde melding moet maken. Bij twijfel kaneen bijstandsgerechtigde uiteraard contact opnemen met de gemeente(zie paragraaf 3.3.2). Voor wat betreft de tweede vraag, stel: iemandontvangt een relatief ruimhartige gift van € 2.500. Op basis van devoorgestelde bepaling wordt deze gift tot een bedrag van € 1.200 niet alsmiddel aangemerkt. Voor de resterende € 1.300 geldt dat deze in beginsel(de gemeente kan beoordelen dat gezien het doel van de gift hetmeerdere alsnog verantwoord is met het oog op bijstandsverlening) welals middel kunnen worden aangemerkt. Het is aan het bestuursorgaan omte bepalen of de gift in deze is aan te merken als inkomen of als vermogenen of dit vervolgens bijstandsrechtelijke consequenties heeft. Dezelfdegemeenten vroegen ook hoever zij terug moeten gaan als sprake blijkt vaneen gift. De € 1.200 grens geldt per kalenderjaar. Dat houdt in dat om tebepalen of sprake is van een overschrijding in het desbetreffende jaar deperiode tot 1 januari van dat kalenderjaar bepalend is. Bestaat hetvermoeden dat betrokkene ook in voorgaande jaren giften boven de€ 1.200 heeft ontvangen, dan kan het onderzoek worden uitgebreid toteerdere jaren.Een groot aantal partijen heeft twijfels in hoeverre de giftenvrijlating nieteen te groot beroep doet op het doenvermogen van de bijstandsgerech-tigde. Ook hier past weer de vergelijking met het huidige systeem waarbijbetrokkene in feite elke gift dient te melden. De regering kiest juist vooreen vrijlatingsgrens van € 1.200, omdat – zo leren haar gesprekken met deuitvoering en zo wordt ook in de internetconsultatie door meerdereervaringsdeskundigen naar voren gebracht – bedragen in die orde vangrootte meer de uitzondering vormen. Een gift van € 1.200 of meervertegenwoordigt voor een bijstandsgerechtigde een significanteverhoging van zijn bestedingsniveau. En dat bedragen in die orde vangrote wellicht gevolgen hebben voor het bijstandsrecht, ligt dichter tegende beleving van de bijstandsgerechtigde aan dan de plicht om terloopsvan een kennis ontvangen € 50 te melden. Dat dit nog steeds niet eenideaal plaatje is realiseert zich de regering ook. En zeker gezien deondertussen aanwezige kennis rond doenvermogen, past het datgemeenten hun bijstandsgerechtigden ook ondersteunen in de naleving.Dat kan door algemene informatieverstrekking, op de persoon toege-sneden informatieverstrekking (gezien eerdere giften geldt voor u dat u ditjaar nog te ontvangen giften boven bedrag X aan ons dient te melden) ofdoor van bijstandsgerechtigden – met een beroep op de medewerkings-plicht – specifiek te vragen om incidentele giften groter dan € 500 als ookperiodieke giften te melden.Een respondent vraagt om een extra onderdeel aan artikel 31, tweede lid,Pw toe te voegen, waarin wordt bepaald dat de gelden die voortkomen uitstudie- of werkbedingen uit echtscheidingsconvenanten niet als middelworden aangemerkt. De regering heeft kennisgenomen van dezeopmerking en zal dit punt meenemen in spoor 2 van het programmaTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3162 Participatiewet in balans, waarbij de omgang met middelen in den bredeonder de loep wordt genomen.Maatwerk vierwekenzoektermijnDe G4 en vrijwel alle andere organisaties die in hun reactie ingaan op hetvoorstel tot wijziging van de vierwekenzoektermijn, benadrukken enerzijdsde wenselijkheid van aanpassing van de regeling, maar geven ook inoverweging dat de gekozen vorm (afwijking in individuele gevallen) nochdoeltreffend, noch doelmatig is. Het per situatie individueel beoordelenvraagt veel extra werk en wellicht capaciteit en kan gezien de gekozenformulering tot moeilijk uit te leggen verschillen in de uitvoering leiden.Daarbij komt dat de vierwekenzoektermijn enkel effect heeft als de jongereook daadwerkelijk mogelijkheden heeft om op korte termijn werk tevinden, danwel aan een opleiding te beginnen. Gemeenten geven aan datonder de jongeren die zich voor een bijstandsuitkering melden, dezegroep zwaar ondervertegenwoordigd is (max. 10%).Men vindt in het licht hiervan en de wens om de Participatiewet vanuitvertrouwen op te bouwen, aldus met het uitgangspunt dat burgers inbeginsel alles in het werk zullen stellen om werk te vinden, het daarompassender om specifiek voor de groep die reële mogelijkheden heeft eenuitzondering in de wet op te nemen (vierwekenzoektermijn is niet vantoepassing, tenzij). Dan blijft het principe dat van een jongere verwachtmag worden, zo hij hiertoe de mogelijkheden heeft, dat hij werkt aan zijntoekomst via opleiding of werk in stand, maar wordt voorkomen datkwetsbare groepen onbedoeld buiten beeld van de gemeente raken.Bovenstaande houdt in dat iedere jongere na melding zo snel mogelijkdoor de gemeente zal worden gesproken. Gemeenten zal de jongere danmelden dat hem vier weken na de melding en het gesprek demogelijkheid zal worden geboden om een aanvraag in te dienen, als reëlemogelijkheden voor arbeidsinschakeling dan wel scholing spelen. In dezeperiode wordt van hem verwacht dat hij alles in het werk stelt om arbeidte aanvaarden dan wel scholing te gaan volgen.De regering is erkentelijk voor de reacties. De regering is van mening datzij met dit wetsvoorstel een redelijke balans heeft gevonden tussen hetuitgangspunt dat van jongeren mag worden verwacht dat zij hunmogelijkheden om via werk of opleiding verder in zijn toekomst teinvesteren intensief onderzoekt en – vanuit de erkenning sommige(kwetsbare) jongeren niet de mogelijkheid hebben om aan dieverwachting te voldoen – het ruimte bieden voor de menselijke maat.Daarnaast brengt verder versoepelen of volledig afschaffen van dezoektermijn budgettaire gevolgen met zich mee. De verwachte kosten vanhet volledig afschaffen van de zoektermijn zijn circa 40 miljoen euro. Ditpast niet binnen de huidige budgettaire kaders. Deze reacties hebbendaarom niet geleid tot wijzigingen.Bijstand met terugwerkende krachtEnkele respondenten interpreteren de maatregel als heel ruim, zij vragendaarom ook om meer kaders te brengen aan deze maatregel. Uitgesprekken met gemeenten is de behoefte geuit om de maatregel zo minmogelijk kaders mee te geven. Zo blijft er voldoende ruimte en vrijheidvoor gemeenten om de omstandigheden individueel te beoordelen. In detoelichting zijn meerdere voorbeelden opgenomen die houvast kunnenbieden, maar uitdrukkelijk niet als limitatief moeten worden opgevat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3163 Bijstand alleenstaande ouder zonder ALO-kopVerschillende partijen hebben vragen gesteld met betrekking tot deformulering van artikel 24a Pw. Met dit artikel wordt beoogd dat eengehuwde met een niet-rechthebbende partner en een inwonend minder-jarig kind – die in het kader van de Awir wordt aangemerkt als gehuwd endaarom niet in aanmerking komt voor een ALO-kop – in situatieswaarbinnen de niet-rechthebbende partner niet kan bijdragen in de kostenvan opvoeding van het kind, in een vergelijkbare inkomenssituatie terechtkomt als een alleenstaande ouder die wel recht heeft op een ALO-kop. Hetis daarom aan de gemeente om te beoordelen of de niet-rechthebbendepartner in de mogelijkheid verkeert om een bijdrage te leveren in dekosten verbonden aan de opvoeding van het minderjarige kind. Is ditlaatste niet het geval dan wordt door de voorgestelde ophoging – gelijkaan de maximale ALO-kop binnen het kindgebonden budget – betrokkenein een gelijke situatie gebracht als de bijstandsgerechtigde alleenstaandeouder. Het recht op de ALO-kop is niet afhankelijk van het feit of iemandalleenwonend of kostendelend is, reden waarom voor de hier beschrevenophoging – anders dan bij de doelgroep van artikel 24 Pw – niet de eis vanniet-kostendelend wordt gesteld. De ophoging komt gelijkelijk aanjongmeerderjarigen en pensioengerechtigden toe, als zij in de door debepaling beschreven situatie verkeren.Ook stellen zowel de LOSR als Vluchtelingenwerk de vraag hoe moetworden omgegaan met de groep waarbij de Dienst Toeslagen in eersteinstantie wel een ALO-kop heeft toegekend en pas later constateert datbetrokkene – daar sprake is van een situatie zoals beschreven inartikel 24a, Pw – hier geen recht op heeft. Betrokkene wordt dan gecon-fronteerd met een (vaak hoge) terugvordering. De situatie die aldusontstaat is vergelijkbaar met de terugvordering in verband met eenbelastingaanslag, waarmee bij de verlening van bijstand rekening isgehouden. Hier geldt dus dat indien betrokkene in de periode waar deterugvordering op ziet tevens aanvullende bijstand heeft ontvangen, hijalsnog in een situatie verkeert als bedoeld in artikel 24a Pw en in die zinrecht heeft op bijstandsverlening met terugwerkende kracht.189Vluchtelingenwerk dringt erop aan dat deze bepaling wordt verduidelijkten dat uitdrukkelijk ook de statushouder met een huwelijkspartner in hetbuitenland in afwachting van gezinshereniging hogere bijstand krijgt omvoor de kinderen te kunnen zorgen. Deze bepaling is verduidelijkt. Deregering is van mening dat het hier om een diverse groep huishoudensgaat waarbij situaties sterk van elkaar kunnen verschillen. Om deze redenziet de regering af van het benoemen van specifieke situaties. Vangemeenten wordt verwacht dat zij in deze situaties in beginsel standaardinvulling geven aan de individualiseringsbepaling van de Participatiewet(artikel 18, eerste lid, Pw). Als blijkt dat aan de voorwaarde van hetvoorgestelde artikel 24a wordt voldaan en de huwelijkspartner in hetbuiteland redelijkerwijs niet over een inkomen kan beschikken (artikel 32,derde lid, Pw) komt de bijstandsgerechtigde huwelijkspartner inaanmerking voor deze aanvulling.Verruiming bijverdiengrenzenEnkele respondenten hebben gevraagd of het percentage in hetwetsvoorstel niet een laag percentage bevat. Zoals in de memorie vantoelichting in hoofdstuk 4A is toegelicht, omhelst het wetsvoorstel eengeharmoniseerde vrijlating voor de duur van een jaar met eenmogelijkheid tot verlenging, met een percentage van 15% zonder een189Zie onder meer ECLI:CRVB:2003:AI0641.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3164 maximaal bedrag en is persoonsgebonden. De vrijlating geldt dus voorieder persoon in een huishouden met een parttime baan, die comple-mentair een bijstandsuitkering ontvangt. Ook jongeren komen met devoorgestelde wetswijziging in aanmerking voor een inkomensvrijlating.Een geharmoniseerde inkomensvrijlating bevordert de uitvoerbaarheid encreëert ook meer duidelijkheid voor de bijstandsgerechtigde. Er is gekozenvoor het weglaten van een maximaal bedrag omdat er dan een prikkel totmeer uren werken bestaat totdat iemand uitstroomt. In de Kamerbrief van25 januari 2023 is het percentage van 15% verder toegelicht.190 Bij hetvormgeven van de verruiming van de vrijlating is gekeken naar een wijzewaarbij mensen, bij aanvang van (deeltijd)werk, weinig tot geen effectmerken in de toeslagen. Door de vrijlating met een percentage van 15%vorm te geven heeft de vrijlating geen effect op de afbouw van toeslagen.Het percentage van 15% staat ook in verhouding tot mensen die geenuitkering ontvangen en tegen het wettelijk minimumloon werken (dezogenaamde alleenverdiener). Met het percentage van 15% wordt ookvoorkomen dat iemand die in deeltijd werkt met aanvullende bijstand,netto beter af is dan iemand die op WML-niveau hetzelfde aantal urenmaakt. Zo blijft de prikkel tot arbeidsinschakeling behouden. Voor hetdraagvlak in de samenleving is het van belang om de balans te blijvenbehouden tussen het laten lonen van parttime werk naast de uitkering enhet behouden van de prikkel tot volledige uitstroom uit de bijstand.Gesprekken met het veld hebben dit bevestigd. Mensen zijn meer bereidom te gaan werken als zij weinig merken van de afbouw van toeslagen,met name in de huurtoeslag. Mensen zien dit als een verruiming van debijverdiengrenzen. Daarnaast wordt de vrijlating verlengd: deze geldt metde voorstelde wijziging in ieder geval één jaar in plaats van 6 maanden.Hiermee wordt mensen voor een langere periode inkomenszekerheidgeboden en wordt de periode dat zij een hoger inkomen krijgen verruimd.Het percentage bij AIO-uitkeringen blijft ongewijzigd, in hoofdstuk 4A isdit verder toegelicht. Door het percentage en de duur voor de AIOongewijzigd te laten, blijven voor ouderen met een AIO-uitkering debestaande mogelijkheden behouden om met betaalde arbeid naast eenAIO-uitkering actief te zijn op de arbeidsmarkt. In situaties van mensenmet een AIO-uitkering met een jongere partner heeft het percentage ookgeen effect op de toeslagen.Ook zijn er vragen gesteld over de premie gericht op arbeidsinschakeling.Met dit wetsvoorstel ontstaat er geen effect op de premie gericht oparbeidsinschakeling. Deze regeling in de Participatiewet blijft van krachtzoals in de huidige wetgeving.Meerdere respondenten hebben aandacht gevraagd voor de mensen meteen medische urenbeperking en hun plek binnen de Participatiewet inrelatie tot de inkomensvrijlating. In het wetsvoorstel blijft de inkomensvrij-lating, voor de mensen met een medische urenbeperking, ongewijzigd. Ditgeldt ook voor mensen die werken met een loonkostensubsidie. Bij deherziening van de Participatiewet – spoor 2 – wordt de positie vanchronisch zieken / mensen met een medische uren beperking in deParticipatiewet bezien. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de uitkomstenvan het onderzoek van de OCTAS en de advisering aan het kabinet overhet stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid in 2024.Ook zijn er vragen gesteld over de inkomensvrijlating en of die ook geldtvoor mensen die ondernemende/inkomstengenererende activiteitenuitoefenen in een sociale coöperatie. Over dit onderwerp zijn er al eerder190Kamerstukken II 2022/23, 34 352, nr. 276.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3165 vragen gesteld. Divosa heeft hier samen met gemeenten een handreikingover geschreven.191 In deze handreiking staat over de inkomensvrijlatingopgenomen: «volgens de wet kan je niet categoriaal uitsluiten: perpersoon moet je bekijken of het bijdraagt aan de arbeidsinschakeling».Net zoals in de huidige wet, geldt ook in dit wetsvoorstel voor deinkomensvrijlating dat de vrijlating kan worden toegepast als het collegevan oordeel is dat dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling, artikel 31,tweede lid, onder n, Pw. Voor de mogelijkheid van een inkomensvrijlatingvoor mensen die parttime ondernemen geldt dat de inkomensvrijlatingmoet bijdragen aan de arbeidsinschakeling van mensen en, als de situatievan de persoon het toelaat, aan uitstroom uit de bijstand. De inkomens-vrijlating, in artikel 34a Pw, heeft niet als doel om structurele inkomenson-dersteuning te bieden aan fulltime of parttime ondernemers die comple-mentair een bijstandsuitkering ontvangen. Dat geldt dus ook metbetrekking tot de Participatiewet aan parttime ondernemers. Het door deoverheid voorgestane structuurbeleid waarin alleen plaats is voorlevensvatbare bedrijven zou anders doorkruist worden. Niet levensvatbarebedrijven zouden in stand worden gehouden. Steun is dus altijd tijdelijk.Versoepelen aanvraagprocedureEen respondent verzoekt om bij de verkorte aanvraagprocedure de termijnvan zes maanden te hanteren in plaats van twaalf maanden omdat doorde langere periode de kans op foutieve informatie en daaropvolgendeterugvorderingen wordt vergroot. Het is daarom van belang datgemeenten hierop alert blijven. Met deze maatregel wil de regeringadministratieve handelingen voor zowel de aanvrager als de gemeenteverminderen. Dit neemt echter niet weg dat de regering benadrukt datvoorkomen moet worden dat de bijstandsuitkering op basis van verou-derde en foutieve gegevens wordt toegekend. Het is aan de gemeente omdit in eerste instantie te verifiëren in de beschikbare administraties enindien nodig bij de aanvrager zelf. Op deze wijze blijft het aantal opnieuwop te vragen gegevens en bescheiden tot het minimum beperkt. Dit geldtook voor het vaststellen van het vermogen.Automatisch verrekenenMeerdere respondenten merken op dat de Polisadministratie eenvertraging in zich draagt. Een respondent geeft met betrekking tot detijdigheid van de beschikbaarheid van de gegevens uit de Polisadminis-tratie aan dat 95% niet binnen hetzelfde tijdvak kan worden verrekend endaardoor juist inkomensonzekerheid ontstaat. De regering wil dit graagtoelichten. Uit de in paragraaf 4.5.2 genoemde pilot blijkt dat 40% van dewerkgevers binnen het huidige tijdvak loonaangifte doet en 95% binnen6–7 weken na start van tijdvak. In de 95% zit de 40% ingesloten. Voor 40%van de verrekeningen betekent deze maatregel een versnelling en/ofadministratieve ontlasting, zowel voor de gemeente als de bijstandsge-rechtigde. Voor de verrekeningen waarbij het toepassen van (tijdig enjuist) (automatisch) verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadmi-nistratie niet mogelijk is, zullen gemeenten in die gevallen op de huidigemanier moeten blijven verrekenen. De door respondent genoemdeaanpassing van de Wet op de Loonbelasting past niet binnen ditwetsvoorstel.191Handreiking Verrekenen inkomsten uit parttime ondernemerschap | DivosaTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3166 Verduidelijken transactiesysteemEen respondent merkt op dat de voorgestelde aanpassingen soms nietkunnen en/of veel te complex zijn voor uitvoerder/klant. Dit legt derespondent uit met rekenvoorbeelden. Respondent veronderstelt dat ookna wijziging van het transactiesysteem inkomen moet worden toebedeeldaan de maand waarin het is verworven. Dit is uitsluitend aan de ordeindien sprake is van nabetalingen, uitbetaald na afloop van de bijstands-periode, waarbij wel sprake is van opbouw in genoemde bijstandsperiodeAls inkomen betrekking heeft op de periode voor de bijstandsperiode,wordt dit buiten beschouwing gelaten. Als iemand al deeltijd werkt op hetmoment dat deze persoon in de bijstand komt, is het raadzaam omhiervoor een loonstrook op te vragen bij de bijstandsgerechtigdeDe voorgestelde wijziging laat voor het overige het toebedelen vaninkomen aan de maand van verwerving los en sluit aan bij de periodewaarin (redelijkerwijs) over dit inkomen wordt beschikt.Bij vierwekelijks inkomen wordt volgens de voorgestelde wijziging hetinkomen verrekend op het moment dat de bijstandsgerechtigde er(redelijkerwijs) over kan beschikken. Het kan dus voorkomen, zoals eenrespondent aangeeft, dat in een maand een bijstandsgerechtigde meerkan ontvangen dan de bijstandsnorm (bijvoorbeeld twee keer hetvierwekelijkse inkomen in een maand). In dat geval moet het restant in demaand(en) daarna worden verrekend. In de nieuwe systematiek wordt,anders dan respondent veronderstelt, niet meer verrekend dan waaroverde bijstandsgerechtigde (redelijkerwijs) kan beschikken. De regering wilbenadrukken dat het belangrijk is dat gemeenten de bijstandsgerechtigdevoorlichten over de individuele situatie en hoe het inkomen wordtverrekend. Dit wordt meegenomen in spoor 3.Een respondent merkt op dat het aansluiten bij de datum van ontvangstvan het inkomen kan leiden tot nadelige effecten met betrekking tot deinkomensvrijlating, bijvoorbeeld in die gevallen waarin het inkomen vanmeerdere maanden door de bijstandsgerechtigde in één maand wordtontvangen, waarbij het inkomen in betreffende maand hoger is dan debijstandsnorm. De regering is zich ervan bewust dat de nieuwe syste-matiek in een beperkt aantal gevallen kan leiden tot een maandelijksinkomen boven de bijstandsnorm, waarbij de eventuele inkomensvrij-lating in betreffende maand niet wordt toegepast. Dit weegt naar demening van de regering niet op tegen het uitgangspunt dat de bijstands-gerechtigde iedere maand recht heeft op inkomen ter hoogte van(tenminste) het bestaansminimum. Daarbij hebben de gemeenten demogelijkheid om de periode van inkomensvrijlating te verlengen indienuitbreiding van arbeidsomvang gelet op de individuele omstandighedenniet mogelijk wordt geacht.Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaars-uitkeringAnders dan een respondent veronderstelt wordt de vakantiebijslagreser-vering niet berekend over de resterende bijstand. In de huidige syste-matiek wordt het inkomen uit arbeid inclusief berekende vakantiebijslagverrekend met de bijstandsnorm inclusief vakantiebijslag. Dezeberekening is voor bijstandsgerechtigden niet transparant en vaakfinancieel nadelig. In de nieuwe systematiek wordt daarom deopgebouwde vakantiebijslag apart verrekend met de opgebouwdevakantiebijslag over de volledige uitkeringsnorm. In incidentele gevallenkan dit een klein positief verschil voor de bijstandsgerechtigde opleveren.De uitwerking van het verrekenen van vakantiebijslag, keuzebudget enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3167 eindejaarsuitkering wordt verder uitgewerkt in een regeling en daarinworden de opmerkingen van respondenten hieromtrent meegenomen.Enkele respondenten vragen aandacht voor het verrekenen in relatie totbeslaglegging, met name in relatie tot de recente uitspraak van derechtbank Noord-Holland van 23 maart 2023, zaaknummer: HAA 22/748. Indit kader merkt de regering op dat de in dit wetsvoorstel voorgesteldeverrekensystematiek hier geen wijziging in aanbrengt. De bijstandsgerech-tigde moet maandelijks beschikken over tenminste de beslagvrije voet. Ditbetekent dat tegelijkertijd maandelijks afdragen aan beslaglegger énmaandelijks reserveren van de vakantietoeslag niet mogelijk is. Bij deuitwerking van de verrekening in de regeling zal hier nader aandacht aanworden besteed.BufferbudgetEen respondent vraagt zich af of het bufferbudget bedoeld is voor mensendie na een sprong in het diepe kunnen aantonen dat ze per saldo evenveelof lagere inkomsten hebben doordat ze zijn gaan werken en door hetbufferbudget worden aangevuld. Het geheel van maatregelen in ditwetsvoorstel hebben tot doel om de bestaanszekerheid voor de bijverdie-nende bijstandsgerechtigde te verhogen. Het bufferbudget maakt daaronderdeel van uit en is specifiek bedoeld voor bijstandsgerechtigden diedeeltijd werken en financieel in de problemen (dreigen te) komen door hetverrekenen van de inkomsten uit arbeid met de bijstandsuitkering endaardoor in een maand onder de bijstandsnorm uitkomen. Het is aan degemeente om te bepalen in welke gevallen het bufferbudget ingezet dientte worden. Hierbij is het niet zo, zoals een respondent stelt, dat hetbijverdienen ook een rol krijgt bij het opvangen van inkomensschomme-lingen en moet gaan fungeren als buffer. Wel is het zo dat het buffer-budget slechts in die gevallen dient te worden ingezet dat het ookdaadwerkelijk nodig is. Als een bijstandsgerechtigde (al dan niet door deinzet van andere instrumenten) geen last heeft van zodanige inkomsten-schommelingen dat er sprake is van (dreigende) financiële instabiliteit ininkomen die leidt tot een inkomen onder het bestaansminimum, zal aande inzet van het bufferbudget niet worden toegekomen. Een respondentvraagt zich af op welke wijze het bufferbudget teruggevorderd kanworden. Terugvordering is in het kader van het creëren van financiëlestabiliteit niet wenselijk, dit is verduidelijkt in paragraaf 4.7.Enkele respondenten geven aan het bufferbudget complex te vinden enlastig uitvoerbaar. De regering verwijst voor dit punt naar de reactie op deuitvoeringstoets van de VNG. Meerdere respondenten zijn positief overhet bufferbudget, waarbij een aantal respondenten aandacht vraagt voorde administratieve last voor de gemeenten en risico op extra bureaucratie.De ondersteuning van gemeenten zal worden meegenomen in hetimplementatietraject van het wetsvoorstel.Voor wat betreft de opmerkingen over de mogelijkheden van rechtsbe-scherming en de mogelijkheid om het bufferbudget ambtshalve tenbehoeve van de bijstandsontvanger te hanteren, verwijst de regering naarde reactie op de inbreng van de Raad voor de Rechtspraak onderparagraaf 10.9.Naar aanleiding van door enkele respondenten gestelde vragen over hetbufferbudget in relatie tot beslag, is onderdeel 4.7.3 van de memorie vantoelichting op dit punt aangevuld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3168 Generieke participatieplichtEen respondent heeft zorgen over uitwerking van de generieke participa-tieplicht in de praktijk en ziet niet in hoe hiermee de arbeidsparticipatiewordt vergroot. In hoofdstuk 5 licht de regering toe dat deze generiekeparticipatie verplichting niet op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van eensamenhangend pakket bestaande uit verplichtingen, waarbij de gemeentede verplichtingen afstemt op de mogelijkheden en omstandigheden vande bijstandsgerechtigde, met ruimte voor bijstandsgerechtigden ommaatschappelijke participatie vorm te geven en met een ruimereaanspraak op ondersteuning daarbij. Dit wordt gecombineerd met eenruimere tijdelijke ontheffingsmogelijkheid. Als sluitstuk streeft de regeringnaar een meer gedifferentieerd maatregelenbeleid. De voorstellen leidener toe dat knellende bepalingen uit de Participatiewet worden geschrapt.Beoogd wordt dat de wet straks professionals bij gemeenten duidelijkheiden ruimte biedt voor differentiatie in participatievormen, meer op maattoe gesneden verplichtingen en een meer gedifferentieerd en passendmaatregelenregime. Een respondent vindt het belangrijk te benadrukkendat overheid en bijstandsgerechtigden met elkaar in gesprek moeten gaanom te voorkomen dat de indruk ontstaat dat de ene verplichting wordtvervangen door de andere. De regering wil nogmaals benadrukken datarbeidsinschakeling van mensen met een bijstandsuitkering het belang-rijkste uitgangspunt blijft, ook na voorliggend wetsvoorstel. Zij meent inparagraaf 5.1 voldoende duidelijk te hebben gemaakt dat door gemeentenin hun contact met de bijstandsgerechtigde duidelijkheid moet wordengeboden over wat partijen over en weer van elkaar kunnen verwachten inde sfeer van rechten en plichten.Een respondent vraagt om waar het gaat om afspraken in het kader vande generieke participatieplicht in te gaan op de relatie met gemaakteafspraken in het kader van het PIP met betrekking tot de Wet inburgering2021. In paragraaf 11.2.3 van deze memorie van toelichting wordt hier opingegaan.Een andere respondent schrijft het goed te vinden dat de tegenprestatieen andere strenge verplichtingen worden geschrapt, maar vraagt zich afof de generieke participatieplicht niet hetzelfde beestje is met een anderenaam. In hoofdstuk 5 wordt toegelicht dat beoogd wordt dat de wet straksprofessionals bij gemeenten duidelijkheid en ruimte biedt voor differen-tiatie in participatievormen, meer op maat toe gesneden verplichtingen eneen meer gedifferentieerd en passend maatregelenregime. Daarbij beoogtde regering ook bijstandsgerechtigden, vooral hen voor wie arbeidsin-schakeling niet direct aan de orde is, meer ruimte te bieden om hunparticipatie zelf vorm te geven. De respondent vindt die ruimte ookbelangrijk, maar vraagt zich af of die ruimte niet op gespannen voet kanstaan met de generieke participatieplicht waarbij gemeenten ookverplichtingen kunnen opleggen. Op dit aspect wordt in hoofdstuk 5eveneens ingegaan, evenals hieronder onder het kopje Eigenstandigvormgeven participatie in reactie op een vraag over wiens mening dedoorslag geeft in een discussie tussen de bijstandsgerechtigde en degemeente.Een enkele respondent meent dat er weinig aandacht is voor bottom-upinitiatieven bij de invulling van arbeidsparticipatie en maatschappelijkeparticipatie. De regering vindt eigen initiatief van mensen bij de invullingvan de voorgestelde generieke participatieplicht juist waardevol, omdatdit vaak vergezeld gaat van intrinsieke motivatie. De voorliggendevoorstellen beogen ruimte te bieden voor het eigen initiatief binnen dekaders van de wetgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3169 Een aantal respondenten vraagt zich af of de regering zich bij devormgeving van maatschappelijke participatie bewust is van de overlapmet de Wmo 2015, dan wel juist wijst op het belang van afstemminghiermee (arbeidsmatige en niet-arbeidsmatige dagbesteding). Detoelichting in paragraaf 5.2.4 is op dit punt aangevuld.Enkele respondenten bepleiten een recht op ondersteuning. Een andererespondent meent zelfs dat een gemeente geen participatieplicht magopleggen als geen ondersteuning wordt geboden. Ook vraagt eenrespondent om in te gaan op de vraag hoe kan worden voorkomen datiemand enerzijds verplicht wordt om (maatschappelijk) te participeren enanderzijds onvoldoende ondersteuning van de gemeente krijgt. Op ditmoment voorziet de Participatiewet al in een aanspraak op ondersteuningbij arbeidsinschakeling. Met de Wet Breed Offensief zijn meer waarborgenvoor ondersteuning op maat geregeld. De gemeente heeft de taak om dieondersteuning aan te bieden en beslist over de inzet van voorzieningenals zij dat nodig acht. Met voorliggend wetsvoorstel wordt ook voorzien ineen aanspraak op ondersteuning bij maatschappelijke participatie. Inreactie op een opmerking van een respondent dat integrale ondersteuningmoet worden geregeld ten aanzien van mensen met een beperking merktde regering het volgende op. Sinds 2015 is de uitvoering van de Wmo2015, jeugdzorg en de Participatiewet gedecentraliseerd naar gemeenten.Hiermee werd beoogd integrale ondersteuning binnen het sociale domeinte vergemakkelijken. Met de Wet Breed Offensief hebben gemeenten deplicht gekregen om per 1 juli 2023 in hun verordening regels op te nemenwaarin staat op welke wijze zij voorzien in integrale ondersteuning. Hetvoorkomen en wegnemen van gezondheidsproblemen is niet de primairetaak van gemeenten, maar is soms eerst of soms tegelijkertijd nodig ommensen te kunnen laten participeren. De gemeenten kunnen mensenhierbij op weg helpen door hen naar de juiste zorgverlener te verwijzen.Dit in reactie op de vraag van een respondent over de rol van degemeente bij gezondheidsproblemen.Eigenstandig vormgeven participatieEnkele gemeenten vragen bij gelegenheid van de internetconsultatie waarhet mandaat ligt bij een discussie tussen de bijstandsgerechtigde en deprofessional van de gemeente over de invulling van participatie. Deregering gaat ervan uit dat met de vraag wordt bedoeld wiens mening ineen dergelijke discussie de doorslag geeft. Een andere respondent isverheugd dat de term «activering» in de wet wordt vervangen door«maatschappelijke participatie», maar vindt het jammer dat daaraan istoegevoegd dat de activiteiten niet mogen leiden tot verdringing op dearbeidsmarkt omdat het naar de menig van deze respondent moet gaanom een verruiming en verlichting van de arbeidsmarkt. De regeringbedoelt met de arbeidsmarkt de markt van betaalde arbeid. Het mag nietzo zijn dat op die markt werkzaamheden waar normaal gesproken loontegenover staat voor langere tijd onbetaald worden verricht. Niettemin wilde regering met het huidige wetsvoorstel werken aan een meer gelijk-waardige positie van andere vormen van participatie dan betaalde arbeid.Dat vertaalt zich in een bredere algemene participatieverplichting. Vanbijstandsgerechtigden wordt zoveel mogelijk eigen inzet verwacht.Mensen die zelf het initiatief nemen om te participeren moeten in beginselgeen belemmeringen ervaren, bijvoorbeeld omdat gemeenten eisen datvooraf toestemming voor die activiteiten wordt gevraagd. Vanuit hetperspectief van de Participatiewet staat arbeidsinschakeling voorop, maardaar waar dit de arbeidsinschakeling niet belemmert of arbeidsinscha-keling tijdelijk buiten beeld is, moet voorkomen worden dat bijstandsge-rechtigden drempels ervaren als zij de participatieplicht met eigeninitiatief willen invullen. Van belang is dat de gemeente en betrokkeneTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3170 goed contact met elkaar hebben op basis van vertrouwen. En datduidelijkheid bestaat over de rechten en plichten en de invulling daarvan,zodat ook de wederzijdse verwachtingen duidelijk zijn en teleurstellingenkunnen worden voorkomen. Het is de gemeente die beoordeelt of sprakeis van het belemmeren van arbeidsinschakeling. Indien de gemeente eenmaatregel oplegt vanwege het niet nakomen van de participatiever-plichting heeft betrokkene uiteraard de mogelijkheid van bezwaar enberoep.Naar aanleiding van de vraag van een gemeente hoe een bijstandsgerech-tigde kan inschatten of zijn eigenstandig vormgegeven participatie zijnarbeidsinschakeling belemmert, als betrokkene zichzelf niet tot werk instaat acht, merkt de regering het volgende op. Mensen met een bijstands-uitkering kunnen ofwel direct werken, ofwel nooit, ofwel op den duur.Mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn kunnenpermanent worden ontheven van de generieke participatieplicht. Voormensen die die ontheffing voor onbepaalde tijd niet hebben geldt dat zijin beginsel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Door goed engeregeld contact met de bijstandsgerechtigde over diens rechten enverplichtingen en diens activiteiten kan de gemeente de bijstandsgerech-tigde helpen aan de gewenste duidelijkheid.Ondersteuning bij maatschappelijke participatieEen enkele respondent vraagt om duidelijkheid over de verplichtetegenprestatie in de nieuwe situatie. In de nieuwe situatie komt er eengenerieke participatieplicht. Gemeenten krijgen de opdracht om bijverordening regels te stellen ten behoeve van het ondersteunen bijmaatschappelijke participatie. Niet alleen voor die situaties waarin debijstandsgerechtigde hiertoe zelf het initiatief neemt, maar ook voor diesituaties waarin de gemeente de bijstandsgerechtigde een aanbod doetvan maatschappelijke participatie. Zoals aangegeven in paragraaf 5.3 vandeze memorie van toelichting kan de gemeente hierbij in de verordeningbijvoorbeeld – vergelijkbaar met de huidige tegenprestatie – totuitdrukking brengen op welke wijze zij uiting wil geven aan het aspectwederkerigheid, dat voorheen zijn weerslag vond in de tegenprestatie.Een andere respondent merkt op dat gemeenten weinig capaciteit hebbenom ook aan niet-bijstandsgerechtigden ondersteuning bij maatschappe-lijke participatie te bieden. Zoals gezegd krijgen gemeenten de opdrachtom bij verordening regels te stellen over de ondersteuning aan dedoelgroep voor wie zij verantwoordelijk zijn. Doordat gemeenten hetbeleid op decentraal niveau kunnen uitwerken kan een goede balansworden gecreëerd tussen ambities en de beschikbare middelen daarvoor.Een respondent roept beleidsmakers op tot een meer integralebenadering in visie- en beleidsontwikkeling. De regering begrijp dezeoproep en streeft dit na waar dat kan. Vooral in spoor 2 van hetprogramma Participatiewet in balans worden vraagstukken integraalbenaderd.Een respondent vraagt hoe wordt toegezien op het kwalitatieve beleid vangemeenten. Het College van burgemeester en wethouders legt verant-woording af aan de gemeenteraad. En is het dus aan de gemeenteraadom beleid en uitvoering te controleren. Dit doet recht aan het gedecentra-liseerde karakter van de Participatiewet. Onder andere in spoor 3 van hetprogramma Participatiewet in balans wordt samen met betrokken partijengewerkt aan verdere professionalisering van de uitvoering, bijvoorbeelddoor het ontwikkelen van lerende netwerken tussen gemeenten. Toege-spitst ontheffingenkaderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3171 Enkele gemeenten merken bij de internetconsultatie op dat bij het bepalenvan de mogelijkheden tot re-integratie inzetten van een arbeidsdes-kundige medicalisering in de hand werkt. Naar de mening van diegemeenten is inzet van participatiecoaches voldoende en moetenarbeidsdeskundigen kunnen worden ingezet op basis van maatwerk.Enkele respondenten betwijfelen of een arbeidsdeskundige de juistepersoon is om deze beoordeling te doen. Een andere respondent pleitervoor dat gemeenten de (medische) belastbaarheid van mensen met eenarbeidsbeperking onderzoeken en de informatie verstrekken aanre-integratiebedrijven. Zoals eerder in deze memorie van toelichtingaangegeven ziet de regering ervan af in voorliggend wetsvoorstel eendelegatiebepaling op te nemen voor het stellen van regels voor debepaling van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.Een respondent is van mening dat expliciet in de wet moet wordengeregeld dat ook de mensen die voor onbepaalde tijd zijn ontheven vande generieke participatieplicht recht op ondersteuning hebben. Naaraanleiding hiervan merkt de regering op dat de aanspraak op onder-steuning niet vervalt met het ontheffen van mensen van de participatie-plicht.Gedifferentieerd maatregelenbeleidIn de internetconsultatie heeft een gemeente gevraagd of de keuze van dewetgever om in het wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid eenoverkoepelend kader te scheppen voor boetes en maatregelen bij het nietnakomen van verplichtingen wel voldoende rekening houdt met hetvangnetkarakter van de Participatiewet en de specifieke eisen die dit aande uitvoering stelt. Gelet op zowel de rechtszekerheid als het benodigdemaatwerk heeft het volgens de vragensteller de voorkeur om de grond-slagen voor maatregelen in respectievelijk de Participatiewet en in eenverordening van de gemeenteraad vast te leggen. De vragensteller achthet niet wenselijk dat de regering als enige bij amvb nadere regels kanstellen ten aanzien van het verlagen van de bijstand ter zake van het nietnakomen door de bijstandsgerechtigde van de verplichtingen die uit dezewet voortvloeien. Ter beantwoording van deze vraag verwijst de regeringnaar paragraaf 5.5 waar staat dat het doel van het wetsvoorstelHandhaving sociale zekerheid is om passend sanctioneren mogelijk temaken binnen landelijk geldende uniforme kaders. Daarbij wordt gedachtaan drie lagen. In de eerste plaats zijn dat algemene kaders voor hetverlagingenbeleid voor alle sociale zekerheidswetten. In de tweede plaatswordt gedacht aan bij lagere regelgeving te bepalen specifieke regels diegelden voor een specifieke sociale zekerheidswet, waaronder de Participa-tiewet. En in de derde plaats krijgt de uitvoering, hier de gemeente, deruimte om – waar de situatie daarom vraagt – binnen de bij wetgevinggestelde kaders van de bij lagere regelgeving gestelde regels af te wijken.Ruimte voor mantelzorgMeerdere respondenten hebben gepleit om explicieter te maken of deuitzondering op de gezamenlijke huishoudingbegrip geldt in situatieswaarbij er al een situatie van samenwonen was en/of er al wederzijdsezorg bestond. Het toelichting is op dit punt aangevuld door hier eenpassage met uitleg over op te nemen.Daarnaast is benadrukt dat in veel gevallen mensen binnen het totalestelsel van inkomen blijvend worden aangemerkt als samenwonend als ersprake is van intensieve mantelzorg. Denk aan de wijze waarop debelastingdienst het verzamelinkomen berekent. Nu beoogt de regeringuitsluitend de Participatiewet te wijzigen, zodat hierdoor meer ruimteTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3172 ontstaat voor mantelzorg en het samenwonen wegens de noodzaak vanintensieve mantelzorg, niet van toepassing is op het recht op bijstand. Inhet langeretermijn spoor binnen het programma «Participatiewet inbalans», wordt breder bezien of in het stelsel van werk en inkomenaanpassing behoeft om mantelzorg mogelijk te maken en hoe wetgevinghier het best bij kan aansluiten.Tot slot is gepleit voor een uitzondering op de kostendelersnorm wanneerer sprake is van intensieve mantelzorg en er om die reden een uitzon-dering is op de gezamenlijke huishoudingbegrip. Hier wordt inparagraaf 5.7.1 nader op ingegaan.IOAW en IOAZIn de internetconsultatie is gevraagd waarom in de IOAW en de IOAZgiften anders worden behandeld dan in de Participatiewet. Dat zou eendirect onderscheid opleveren en discriminerend zijn. Volgens de vragen-steller zou het Aib moeten worden aangepast om een gift mogelijk temaken. In de IOAW en IOAZ hoeft evenwel niet geregeld te worden datgiften niet worden aangemerkt als inkomsten, omdat dit al geldt. In dezewetten is het bestaan van inkomen uit arbeid en overig inkomen eenomstandigheid waarop de inlichtingenplicht (artikel 13, eerste lid, vanbeide wetten) van toepassing is. Giften vallen daar niet onder het Aib.11. Overige 11.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt in de eerstvolgende paragrafen nader ingegaan opde samenhang met andere wetgeving en op het misbruik en oneigenlijkgebruik. In paragrafen 3 tot en met 5 wordt achtereenvolgend ingegaanop de doenvermogentoets, de gendertoets, op de gegevensuitwisselingdie nodig is voor het uitvoeren van de maatregelen en op de rechtsbe-scherming. Tot slot wordt ingegaan op de implementatie van ditwetsvoorstel.11.2 Verhouding tot andere wetgeving Onderstaand wordt de verhouding met de Wmo 2015 en de Wet op deinburgering 2021 nader toegelicht. Bij beide wetten is er samenhang metde generieke participatieplicht en de maatschappelijke participatie. Vooreen nadere duiding van die maatregelen wordt verwezen naarhoofdstuk 5.11.2.1 Verhouding tot hoger recht: artikel 20 Grondwet De regering ziet het zoals in de inleiding al gezegd, als kerntaak om alleNederlanders bestaanszekerheid te garanderen. Deze opdracht vloeitvoort uit artikel 20 van de Grondwet. Daarin is onder meer bepaald omaanspraak op sociale zekerheden bij wet te regelen. Ook geeft artikel 20Grondwet de wetgever de opdracht het «recht op bijstand» te regelen alseen sluitstuk van de sociale voorzieningen voor Nederlanders die hier zelfniet in kunnen voorzien. De Grondwet geeft geen invulling of duiding aande wijze waarop het stelsel moet worden vormgegeven of bijvoorbeeld dehoogte van de bij wet te regelen sociale zekerheid. De Participatiewetgeeft sinds 2015 die invulling en duiding. Met dit wetsvoorstel wordt eengewijzigde invulling gegeven aan deze Grondwettelijke opdracht waarbijde nadruk ligt op het uitgaan van vertrouwen en de menselijke maat bijhet bieden van recht op bijstand.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3173 11.2.2 Verhouding met de Wmo 2015 Het is belangrijk de wetten binnen het sociaal domein integraal en insamenhang met elkaar worden uitgevoerd. De gemeente heeft deopdracht om bij verordening regels te stellen ten behoeve van hetondersteunen bij maatschappelijke participatie. Niet alleen voor diesituaties waarin de bijstandsgerechtigde hiertoe zelf het initiatief neemt,maar ook voor die situaties waarin de gemeente de bijstandsgerechtigdeeen aanbod doet van maatschappelijke participatie. In deze verordeningkan worden vastgelegd hoe de gemeente binnen de vormgeving van demaatschappelijke participatie een relatie legt met de Wmo 2015.Maatschappelijke participatie als bedoeld in de Pw kan ook een vorm vanmaatschappelijke participatie zijn als bedoeld in de Wmo 2015. Juistomdat de behoefte aan maatschappelijke participatie vanuit beide wettenelkaar kan overlappen is het belangrijk dat gemeenten binnen het sociaaldomein een relatie leggen. De financieringswijze vanuit het Rijk aangemeenten is hier ook op gericht.11.2.3 Verhouding met de Wet inburgering 2021 Voor bijstandsgerechtigde inburgeringsplichtigen volgt uit de Wetinburgering 2021 (hierna: Wi2021) dat zij aan de inburgeringsverplichtingmoeten voldoen. Deze verplichting bestaat uit het (met succes)192afronden van een van de drie leerroutes en deelname aan de onderdelenModule Arbeidsmarkt en Participatie193 en het participatieverklarings-traject.Inburgeringsplichtigen bereiken binnen de inburgeringstermijn het voorhen hoogst haalbare taalniveau Nederlands als Tweede taal (liefst niveauB1) en kennis van de Nederlandse maatschappij. De taalverwerving staatdaarbij niet op zichzelf en moet gecombineerd worden met gerichteinspanningen op participeren vanaf de start van het inburgeringstraject.In het Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (hierna: PIP) legt degemeente de afspraken over de invulling, voortgang en ondersteuning bijhet inburgeringstraject met de inburgeraar vast.De verplichtingen uit de Wi2021 en de beoogde generieke participatie-plicht in het kader van de Participatiewet bestaan naast elkaar, kunnenmet elkaar worden gecombineerd en kunnen elkaar versterken. Dedoelstellingen van beide wetten sluiten op elkaar aan. Beide wetten zijnerop gericht om mensen te helpen om mee te doen in de Nederlandsesamenleving: in de eerste plaats via betaald werk en als dat niet (direct)mogelijk is via andere vormen van participatie zodat iemand kanparticiperen naar vermogen.De uitvoering van de Participatiewet is gedecentraliseerd naar gemeentenen gemeenten hebben de regierol over de uitvoering van de inburgering.Van gemeenten wordt gevraagd dat zij vanuit een integrale aanpakonderdelen van beide wetten met elkaar verbinden en de verplichtingenzo goed mogelijk op elkaar afstemmen. Hierbij is het uitgangspunt dat deinvulling van de onderdelen past bij de mogelijkheden en situatie van debetrokkene.192Er zijn drie leerroutes: de B1- route, de zelfredzaamheidsroute (Z-route) en de onderwijsroute.De Z-route wordt niet afgesloten met een inburgeringsexamen. De onderwijsroute is gerichtop instroom in een vervolgopleiding in het regulier onderwijs.193Leervaardigheden en studie loopbaanbegeleiding zijn onderdelen van de onderwijsroute.Deelnemers aan deze route hoeven derhalve niet deel te nemen aan de MAP.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3174 Voor nieuwkomers is onvoldoende beheersing van de Nederlandse taaleen belemmering om mee te doen aan de arbeidsmarkt en aan desamenleving. Inburgering draagt bij aan de verbetering van de taalbe-heersing en participatie. Daarmee is inburgering een belangrijke invullingvan de generieke participatieplicht. Het is belangrijk dat nieuwkomers zosnel mogelijk beginnen met hun inburgering.Hieronder volgen enkele voorbeelden van hoe de verplichtingen vanbeide wetten zich tot elkaar verhouden en hoe via inburgering invullingkan worden gegeven aan de participatieplicht.Personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kunnen de generiekeparticipatieplicht invullen door werk of activiteiten gericht op werk tecombineren met de B1 route van inburgering (taalonderwijs gericht op hetbehalen van het niveau B1), via duale trajecten. De participatieplicht kanook worden ingevuld door middel van werk of door het opdoen vanwerkervaring, in combinatie met taalverwerving naar vermogen, via deZ-route. Met name jonge inburgeraars kunnen de participatieverplichtinginvullen door deelname aan de onderwijsroute. Dit is een voltijds trajectdat erop gericht is om in te stromen in regulier onderwijs en vergroot dekansen op (toekomstig) werk. Voor andere personen, voor wie directearbeidsinschakeling nog niet tot de mogelijkheden behoort, kan departicipatieverplichting bijvoorbeeld als onderdeel van de zelfredzaam-heidsroute bestaan uit deelname aan maatschappelijke activiteiten entrainingen ter versterking van de zelfredzaamheid. Deelname aanonderdelen van de inburgering, bijvoorbeeld taalverwerving, kan opindividueel niveau als invulling van iemands re-integratie worden gezienof als nadere invulling van maatschappelijke participatie.Door de onderlinge verwevenheid van de verplichtingen en onderdelenuit beide wetten is het van belang dat de relevante beschikkingen inrelatie tot participatie vanuit de Participatiewet worden toegevoegd aanhet PIP. Andersom kan de PIP beschikking in het kader van de inburgeringonderdeel zijn van de afspraken en beschikkingen over de participatie-plicht vanuit de Participatiewet. Zorgvuldige communicatie tussengemeente en betrokkene over de verplichtingen en hoe de verplichtingenuit beide wetten zich tot elkaar verhouden is essentieel.11.3 Misbruik en oneigenlijk gebruik Bij werken vanuit vertrouwen en meer oog hebben voor de menselijkemaat passen maatregelen die meer ruimte bieden aan de bijstandsgerech-tigde. Ruimte om zelf invulling te geven aan re-integratie en participatie.Of meer financiële autonomie, voor zover dit past binnen het doelmatigevangnetkarakter van de bijstand. Een achterliggende beleidspremisse bijde uitwerking van de maatregelen is dat door het gehanteerde begrippen-kader en de normen binnen de wet meer te laten aansluiten bij debelevingswereld van de bijstandsgerechtigde het begrip voor de regels endaarmee de naleving kan worden verhoogd. Echter maatregelen die meerlucht bieden aan de bijstandsgerechtigde, kunnen, als de kaderswaarbinnen deze ruimte geboden wordt niet voldoende duidelijk zijn, eenverhoogd risico op misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O) met zichmeebrengen. Per individuele maatregel wordt daarom altijd de beoor-deling gemaakt wat het belang is van de maatregel, wat het oplevert enwelke nieuwe M&O-risico’s de maatregel met zich meebrengt.In dit hoofdstuk zullen de maatregelen met geen of zeer beperkte M&Orisico’s eerst kort worden besproken en zal vervolgens aandacht wordenbesteed aan de maatregelen die grotere risico’s meebrengen of betrekkinghebben op onderwerpen die ook nu al enige M&O risico’s geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3175 11.3.1 Maatregelen waarbij de M&O risico’s worden ingeschat op: geentot laag Verruiming van de bijverdiengrenzenHet voorstel tot verruiming van de bijverdiengrenzen levert geen nieuweM&O risico’s op. Het gaat bij dit voorstel om een wijziging in percentage,duur, mogelijkheid tot verlenging van de periode waarin bijverdiend magworden. Net als in de huidige wetgeving, wordt in de nieuwe wetgevingook van de bijstandsgerechtigde verwacht dat deze aantoont dat hij, voorzover dit al niet uit de Polisadministratie blijkt, een arbeidscontract heeft.En bij wijziging of beëindiging van het arbeidscontract is de bijstandsge-rechtigde in de nieuwe situatie, net als nu, gehouden om dit aan te tonenaan het college. De mogelijkheid tot verlenging van de periode voor deinkomstenvrijlating brengt geen extra risico’s met zich mee. Zoals eerderin deze toelichting is beschreven geldt de vrijlating van inkomsten uitarbeid, niet voor de bijstandsgerechtigde die aan het werk gaat eninkomsten heeft die gelijk of hoger zijn dan de toepasselijkebijstandsnorm. Er is dan namelijk sprake van uitstroom uit de bijstand. Erbestaat een beperkt risico dat de bijstandsgerechtigde uit onzekerheidover de hoogte van het inkomen bewust in de bijstand tracht te blijven endaarmee oneigenlijk gebruik blijven maken van de vrijlating én de(aanvullende) bijstand. De professionals/consultenten bij gemeentenkennen de cliënten doorgaans goed en kunnen zelf een goede afwegingmaken over de inzet van dit instrument om een dergelijk ongewenst effectte voorkomen. De huidige uitvoeringspraktijk geeft in ieder geval geenreden tot ongerustheid.Versoepelen aanvraagprocedure: verduidelijken gebruik gegevens uitadministratiesBij het verduidelijken van het gebruik van gegevens uit administraties zijngeen M&O risico’s aanwezig. Dit onderdeel betreft een verduidelijking engeen wijziging.Vaststellen netto-inkomen uit uniforme wijzeBij deze wijziging zijn geen M&O risico’s aanwezig. De wijziging houdt indat in plaats van gegevens van de door de bijstandsgerechtigde ingele-verde loonstrook de gegevens uit de poliadministratie worden gebruiktom het te verrekenen netto-inkomen vast te stellen. Hiertoe wordt eenstandaard manier van berekenen vastgelegd in een amvb. De bron van degegevens is dezelfde, namelijk de loonaangifte door de werkgever, alleende manier van berekenen wordt aangepast door de WGA/WHK premie opeen uniforme wijze te verrekenen.Niet verrekenen van onbelaste vergoedingenBij deze wijziging zijn geen M&O risico’s aanwezig. Deze wijziging betrefteen aanpassing van de wijze waarop gemeenten het netto-inkomenberekenen ten behoeve van de inkomstenverrekening.Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaars-uitkeringHet risico op strategisch gedrag van de bijstandsgerechtigde ten aanzienvan het wel of niet laten uitbetalen van het keuzebudget is aanwezig. Ditlevert echter geen onrechtmatig handelen op, aangezien het keuzebudgetbedoeld is als een budget waarbij de werknemer zelf de keuze mag makenhoe het budget wordt ingezet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3176 Harmonisatie aanvullende bijstand jongmeerderjarigenDeze maatregel brengt geen M&O risico’s met zich mee en leidt tot meerzekerheid voor jongmeerderjarigen. Het gaat om een harmonisering vanhet bedrag. Er kan afgeweken worden van de norm als de situatie daar omvraagt.InvorderingsbeleidHet gaat hierbij om een uniformering binnen de sociale zekerheid. Hieraanzijn geen M&O risico’s verbondenMaatwerkmogelijkheden vierwekenzoektermijnHet gaat hier om de codificering van de huidige maatwerkmogelijkhedenvoor jongeren tot 27 jaar in kwetsbare situaties. Daarom zijn er geennieuwe M&O risico’s met deze aanpassing gemoeid.Bijstandsnorm alleenstaande ouder zonder alo-kopBijstandsnorm alleenwonende alleenstaande bijstandsgerechtigde metniet-rechthebbende partnerHet gaat bij deze maatregel om codificatie van gestandaardiseerdejurisprudentie. Hier zijn geen nieuwe M&O risico’s aan verbonden.Uitbreiden experimenteerartikelHet experimenteerartikel en ook de uitbreiding van het experimenteerar-tikel kent geen eigenstandige risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik.Aan de goedkeuring van experimenten gaat een uitgebreid en weten-schappelijk gefundeerd beoordelingsproces vooraf. Ook is voor degoedkeuring van experimenten parlementaire betrokkenheid vereist,waardoor de democratische legitimiteit van experimenten wordt geborgd.Onverwijld de mogelijkheid bieden tot het indienen vaneen aanvraag nameldingVoorgesteld wordt om de bijstandsgerechtigde die een melding voorbijstand doet ook direct de mogelijkheid krijgt om de aanvraag in tedienen. Alleen voor jongeren tot 27 jaar blijft een uitzondering gelden.Hiermee wordt rechtszekerheid geboden aan de burger die in bijstandsbe-hoevende omstandigheden verkeert dat binnen een redelijke termijn eenbesluit op een aanvraag volgt. En de periode zonder inkomsten niet langerduurt dan strikt noodzakelijk. Deze maatregel kent geen M&O risico’s. Hetgaat uitsluitend om het vaststellen van het moment van aanvraag van debijstand.Gelijkstelling aanvraag Bbz, IOAW of IOAZVoorgesteld wordt om de meldingsdatum voor een aanvraag voor Bbz,IOAW of IAOZ ook te hanteren voor een aanvraag voor algemene bijstandals de aanvraag voor de andere door de gemeente uitgevoerde regelingenafgewezen mocht worden.Hiermee wordt aangesloten bij de uitvoeringspraktijk in veel gemeenten.Deze maatregel kent geen M&O risico’s. Het gaat uitsluitend om hetvaststellen van het moment van melding van de bijstand.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3177 Bijstandsaanvraag met terugwerkende krachtDit is een nieuw wetsvoorstel in de Participatiewet. Het gaat hier omwetgeving die een verlenging kent in de datum van de aanvraag. Deaanvrager moet kunnen aantonen dat hij in de periode, van maximaal3 maanden, onvoldoende inkomen had.Deze wetswijziging levert geringe extra risico’s op misbruik en oneigenlijkgebruik op omdat de bijstand op basis van onjuiste of onvolledigegegevens ten onrechte voor de periode voorafgaand aan de aanvraag kanworden verstrekt. Om de bijstand met terugwerkende kracht te kunnenontvangen moeten bijstandsgerechtigden door middel van documentatieaannemelijk maken wat de individuele omstandigheden waren, waardoormen niet eerder een bijstandsuitkering heeft kunnen aanvragen. Deaanvraag voor bijstand (met terugwerkende kracht), de aangeleverde(ondersteunende) gegevens, het gesprek met de klantmanager en debeoordeling door de klantmanager dient afdoende duidelijkheid tescheppen over de noodzaak voor de bijstandsverlening met terugwer-kende kracht. In de huidige praktijk zijn inkomensconsulenten enklantmanagers al ervaren in het herkennen van situaties die niet onder devoorwaarde vallen van de aanvraag en kunnen ze extra informatie vragen.Aanvullende maatregelen zijn naar het oordeel van de regering dan ookniet nodig.Aanpassing toegangseis IOAZVoorgesteld wordt om gewezen ondernemers die tot drie maanden terughun bedrijf hebben beëindigd, toegang te geven tot de IOAZ mits ook aande overige toegangsvereisten voldoen. Deze maatregel kent geen risico’sop misbruik of oneigenlijk gebruik11.3.2 Maatregelen waarbij de M&O risico’s worden ingeschat op: middentot hoog Versoepelen aanvraagprocedure: gebruik DigiDHet gebruik van DigiD als identificatiemiddel bij het toekennen van eenbijstandsaanvraag brengt een risico van onrechtmatige toekenning en eenterugvordering met zich mee. Dit risico wordt niet groot geacht.Gemeenten kunnen dit risico beperken door op korte termijn – om deomvang van een eventuele terugvordering te beperken – na toekenningvan de bijstandsaanvraag de identiteit van de bijstandsgerechtigde alsnogte controleren aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1,eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht. Ditvalt binnen de bevoegdheid van de gemeente. Het voordeel om deaanvraagprocedure te versnellen en mensen die aangewezen zijn opbijstand zo snel mogelijk financiële zekerheid te geven en daarmee dekans op armoede en schulden te voorkomen weegt naar oordeel van deregering zwaarder dan het risico van onrechtmatige bijstandsgebruik.Versoepelen aanvraagprocedure: gebruik reeds vastgelegde gegevensDaarnaast wordt voorgesteld om meer gebruik te maken van reedsvastgelegde gegevens. Hierdoor hoeven minder documenten wordenopgevraagd. De M&O risico’s zijn beperkt. Indien getwijfeld wordt aan dejuistheid of actualiteit van de geregistreerde gegevens kan het collegealtijd om aanvullende informatie vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3178 Versoepelen aanvraagprocedure: verkorte aanvraagprocedureHet instellen van een termijn van 12 maanden voor een verkorteaanvraagprocedure brengt een klein risico van onrechtmatige toekenningmet zich mee omdat gegevens die gebruikt worden verouderd kunnen zijnen niet meer correct zijn en hiertoe geen nieuwe bescheiden wordenovergelegd. Dit risico is te beperken doordat veel gegevens door degemeente al te controleren zijn in de beschikbare administraties en doorin een gesprek met de bijstandsaanvrager de juistheid van de beschikbaregegevens te verifiëren. Bij twijfel dient de gemeente bescheiden terondersteuning van de actuele gegevens bij de aanvrager op te vragen.GiftenHet vrijlaten van giften die als inkomen kunnen worden beschouwd tot€ 1.200 en het buiten de inlichtingenplicht laten van het melden van giftenzolang het totale bedrag aan giften onder dit bedrag blijft is voor veelbetrokkenen een vereenvoudiging. Naar verwachting zal slechts eenbeperkt aantal betrokkenen giften ontvangen die het vrijgestelde bedragte boven gaan. Het aantal situaties waar M&O risico’s op kunnen tredenzal dus in vergelijk met de huidige situatie afnemen. Wel blijft het risicobestaan dat ook giften boven dit bedrag niet gemeld worden. Goedevoorlichting en duidelijkheid over wat als gift beschouwd wordt kan dithelpen voorkomen.VermogenVoorgesteld wordt om niet langer naar de vermogensaanwasruimte vanbetrokkene te kijken maar naar het daadwerkelijk vermogen. Hierdoorwordt beter aangesloten bij de leefwereld van betrokkenen waarmee denaleving naar verwachting beter zal worden en de al bestaande M&Orisico’s afnemen. Daarbij adviseert de regering het college/de SVB ombetrokkene wel actief te verzoeken om vermogenstoenames boven eenbepaald bedrag (denk aan bedragen die om en nabij de voor eenalleenstaande of gehuwde geldende vermogensnorm liggen) te melden,zodat zij betrokkene ook actief kunnen informeren hoe hij het beste aan deop hem rustende inlichtingenplicht kan blijven voldoen.Voor beide hierboven genoemde elementen (giften en vermogen) geldtdat de huidige naleving beperkt is. In beginsel dient de bijstandsgerech-tigde binnen de huidige regeling elke gift of toename in bezittingen temelden. Maar in het merendeel van de gevallen komen giften envermogenstoenames enkel aan het licht via incidentele controles. Debeperkte naleving lijkt mede zijn oorzaak te vinden in het feit dat binnende huidige normstelling voor bijstandsgerechtigden onduidelijk is of enwelke bijstandsrechtelijke gevolgen aan een gift of een toename inbezittingen worden verbonden. Gemeenten die op dit moment al werkenmet een giftengrens, zien een voorzichtige toename in naleving, welke zijmede toedichten aan de duidelijkere normstelling. Daarbij is juist gekozenvoor grensbedragen die voor een bijstandsgerechtigde ook een significantvolume hebben (giften: € 1.200, vermogen € 6.500/€ 13.000), zodat ookgevoelsmatig de norm aansluit bij de beleving dat een dusdanig bedragop gespannen voet staat met bijstandsverlening.Ruimte voor mantelzorg: zorgbehoeft en gezamenlijke huishoudingHet wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om bij een zorgbehoefte diedermate intensief is dat het tot samenwonen leidt, geen gezamenlijkehuishouding te veronderstellen gedurende de periode dat die zorg wordtverleend. Hierbij wordt het inkomen en eventueel vermogen van zowel deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3179 zorgbehoeftige als de mantelzorger niet meegerekend bij het bepalen vanhet recht op bijstand voor degene die de zorg verleent of zorg ontvangt.Voor het begrip zorgbehoefte wordt aangesloten bij de huidige lijn in dejurisprudentie. Een zorgbehoefte wordt aangenomen indien de verzor-gingsbehoeftige door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke ofgeestelijke stoornis ofwel in aanmerking komt voor een opname in eenWlz-inrichting, ofwel duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alleof de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, ofwel duurzaam isaangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf ofanderen te voorkomen.194Gemeenten hebben ervaring opgebouwd bij het beoordelen van deintensiteit van mantelzorg die voortvloeit uit de zorgbehoefte En hebbenhier vaak een werkwijze voor ontwikkeld. Wanneer nodig, kunnengemeenten een sociaal-medisch adviseur inzetten om vast te stellen of ersprake is van een zorgbehoefte en/of om vast te stellen in hoeverre demantelzorg noodzakelijk is voor hulpbehoevenden om zo lang alsmogelijk thuis te blijven wonen.Het risico op misbruik en oneigenlijk gebruik is hierbij beperkt. De definitievan zorgbehoefte onderscheidt drie situaties. Uitsluitend wanneer aan eenvan die drie situaties wordt voldaan, en die situatie is de aanleiding omsamen te gaan wonen om zorg te verlenen of ontvangen, geldt deuitzondering op de gezamenlijke huishouding. Verwacht wordt dat dit ineen beperkt aantal gevallen zo zal zijn. Aan de uitzondering op hetgezamenlijke huishoudingbegrip zal altijd zorgvuldig onderzoek door hetcollege voorafgaan om vast te stellen of er sprake is van intensievemantelzorg en of deze intensieve mantelzorg aanleiding is voor personenom samen te wonen. Omdat de uitzondering geldt voor de periode waarinde mantelzorg nodig is, is het aan het college om te beoordelen of enwanneer er een herbeoordeling plaatsvindt om de uitzondering op hetgezamenlijke huishouding begrip vast te stellen. Tenslotte blijft ook deinlichtingenplicht voor de bijstandsgerechtigde mantelzorger en/ofbijstandsgerechtigde mantelzorgbehoevende van toepassing. Dit maaktdat zij – wanneer van toepassing – melding moeten doen van alle feitenen omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de uitzondering op hetgezamenlijke huishouding begrip. Het is aan het college om goed over deinlichtingenplicht met de bijstandsgerechtigde mantelzorger en/ofbijstandsgerechtigde mantelzorgbehoevende te communiceren.Ruimte voor mantelzorg: Mantelzorg niet beschouwen als op loon tewaarderen arbeidIn het voorliggend wetsvoorstel wordt expliciet gemaakt dat mantelzorgniet kan worden beschouwd als op loon te waarderen arbeid. Hiermeewordt duidelijker dat mantelzorg een vorm van vrijwillige hulp is diewordt gegeven uit betrokkenheid en zorg voor de ander. Het risico opmisbruik en oneigenlijk gebruik is nihil. Bij twijfel over situaties met eenduidelijke arbeidsmatige context en waarbij werkzaamheden wordenverricht in ruil voor loon, kan het college besluiten nadere bewijsstukkenover de werkzaamheden op te vragen om het recht op bijstand vast testellen.194Zie CRvB 21 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2032.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3180 Eigenstandig vormgeven van participatieHet risico op misbruik en oneigenlijk gebruik kan toenemen als bijstands-gerechtigden meer ruimte krijgen om binnen de generieke participatie-plicht zelf initiatieven te nemen om hun participatie vorm te geven. Dezeruimte is echter vooral van belang voor mensen die niet of niet directbetaald werk kunnen verrichten. Dat laat onverlet dat er ook mensenzullen zijn die deze ruimte ook willen benutten maar wel direct betaaldwerk kunnen verrichten. In dit verband is relevant dat betrokkenen opgrond van artikel 17 Pw de verplichting hebben en houden om op verzoekvan het college of uit eigen beweging melding te doen van alle feiten enomstandigheden die van invloed kunnen zijn op de bijstand of dearbeidsinschakeling. Het is zaak dat het college de bijstandsgerechtigdengoed informeert over welke feiten en omstandigheden dat zouden kunnenzijn. Het college kan, als de participatie die betrokkene zelf heeft vormge-geven aan mogelijke arbeidsinschakeling in de weg staat, een passendemaatregel treffen overeenkomstig de nieuwe Wet handhaving socialezekerheid en de daarop gebaseerde lagere regelgeving.BufferbudgetHet voorgestelde instrument is een extra instrument dat wordt toege-voegd voor gemeenten om bijstandsgerechtigden te ondersteunen diedeeltijd werken naast de bijstandsuitkering. Er bestaat een risico dat hetinstrument oneigenlijk wordt ingezet doordat bijstandsgerechtigden gaanvergelijken welk instrument het grootste financiële voordeel oplevert, hetbufferbudget of de vrijlating. De instrumenten hebben verschillendedoelen en er financieel op vooruit gaan is niet het primaire doel van ditinstrument, wel een bijkomend effect. Het is aan gemeenten om hetinzetten van het geschikte instrument aan te passen op de individuelesituatie van de bijstandsgerechtigde, waarbij het bufferbudget alleeningezet kan worden onder bepaalde voorwaarden. Ook betreft het eenmaximaal bedrag van € 1.000, mocht er aanleiding voor zijn kan degemeenten een lager bedrag als bufferbudget ten behoeve van debijstandsgerechtigde reserveren.11.4 Doenvermogen 11.4.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op de rol van ervaringsdeskundigheid bij detotstandkoming van dit wetsvoorstel, en ook hoe de hierin de voorge-stelde wijzigingen zich verhouden tot het doenvermogen van dedoelgroep.11.4.2 De doenvermogentoets «Doenvermogen» is een begrip dat de Wetenschappelijke Raad voor hetRegeringsbeleid (WRR) heeft geïntroduceerd in het rapport «Weten is noggeen doen».195 Hierin beschrijft de WRR dat veel mensen over onvol-doende vermogens beschikken om goed gebruik te maken van alledienstverlening van overheden of aan alle bijbehorende plichten tevoldoen, zelfs wanneer ze voldoende intelligent zijn en voldoendeinformatie hebben. Specifiek gaat het over het vermogen om een plan tekunnen maken, in actie te komen, acties vol te houden en met tegenslagom te gaan. Deze vermogens noemt de WRR gezamenlijk het «doenver-mogen». De WRR heeft aanbevolen om bij voorgenomen beleid en195WRR.Weten is nog niet doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid (rapport nr. 97),Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag 2017.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3181 regelgeving vooraf te toetsen of de regeling «doenlijk» is voor bijstands-gerechtigden. Met het oog op de kwetsbare doelgroep op wie demaatregelen in dit wetsvoorstel betrekking hebben, is het van belang datook het perspectief van de bijstandsgerechtigden wordt betrokken. Zijmoeten de wet immers niet alleen kennen maar ook «kunnen».De doelgroep: bijstandsgerechtigdenBijstandsgerechtigden zijn aantoonbaar een kwetsbare doelgroep. Debijstandsuitkering is het uiterste vangnet voor ons socialezekerheids-stelsel. Deze voorziening op het sociaal minimum is beschikbaar voor alleNederlanders die (tijdelijk) niet in de eigen noodzakelijke kosten van hetbestaan kunnen voorzien. Bij een groot deel van de mensen speelt ermeervoudige problematiek. Zeker als men ook elders een beroep doet opde overheid, bijvoorbeeld ten aanzien van Toeslagen, schuldenproble-matiek, de Wmo 2015 of minima voorzieningen bij de gemeente, kan de(mentale en administratieve) belasting voor de bijstandsgerechtigdeoplopen. Deze mentale belasting legt een grote druk op het doenver-mogen van de bijstandsgerechtigden en daarom moet er rekening meegehouden worden. Daarom is een realistisch perspectief op zowel denk-als doenvermogen essentieel bij het opstellen van dit wetsvoorstel.11.4.3 De rol van ervaringsdeskundigen bij de totstandkoming van hetwetsvoorstel De totstandkoming van de beleidsanalyse196 die ten grondslag ligt aan ditwetsvoorstel is opgepakt als een brede maatschappelijke opgave. Hettraject is vormgegeven samen met ervaringsdeskundigen, uitvoerendprofessional bij gemeenten en de SVB, als ook met (andere) belangen-organisaties zoals de VNG, Divosa, LCR, beroepsverenigingen, socialepartners, onderzoekspartijen, verschillende ministeries en meer.Bij de beleidsanalyse stond het burgerperspectief centraal. In samen-werking met Sterk uit Armoede, The European Anti-Poverty Netword ende LCR is uitvoerig gesproken met (oud-) bijstandsgerechtigden. Doormiddel van verschillende gesprekken zijn ervaren hardheden enknelpunten geïnventariseerd. Met behulp van focusgroepen is in hetverdere traject gereflecteerd op de daaruit gedestilleerde probleem-analyse en hebben de ervaringsdeskundig ideeën aangedragen als hetgaat om het naar de toekomst wegnemen van knelpunten en hetvoorkomen van hardvochtige effecten. Door het traject op deze maniervorm te geven is samen met de doelgroep – en ook met de anderebetrokken partijen – gewerkt aan passende oplossingen. Hun inbreng iszeer waardevol gebleken.Ook bij dit wetsvoorstel is Sterk uit Armoede en de LCR betrokken. De LCRheeft gedurende de totstandkoming van het wetsvoorstel de maatregelenaan haar achterban voorgelegd en de uitkomsten daarvan teruggekoppeldaan de beleidstafels en bij de informele pre-toets. Hierdoor heeft hetbelang van de (oud-)bijstandsgerechtigden en het doenvermogengedurende de gehele totstandkoming van dit voorstel een plek gehad.Daarnaast heeft de LCR gedurende de consultatieperiode een reactieuitgebracht op het wetsvoorstel. Hier is nader op ingegaan inhoofdstuk 10 van deze toelichting.196Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22,34 352, nr. 253.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3182 Het burgerperspectiefIn gesprek met ervaringsdeskundigen zijn verschillende signalenopgehaald over ongewenste effecten bij deze bijstandsgerechtigden. Dit isgeland in het rapport Participatiewet in balans.197 De signalen beginnenbij de aanvraag van de bijstand en klinken door in de periode tijdens enzelfs na de bijstand. Het aanvragen van de bijstand wordt door verschil-lende ervaringsdeskundigen ervaren als complex, vervelend en te lang.Benoemd wordt ook een negatieve toonzetting, waarbij al bij de startwordt gedreigd met maatregelen en een gevoel van wederzijdswantrouwen wordt opgeroepen. Er overheerst een gevoel van schaamtedat zij gebruik moeten maken van de bijstand, terwijl dit in situaties nueenmaal (tijdelijk) niet anders kan. Er is veel begrip voor controle enhandhaving, maar de manier waarop dit nu gebeurt is ingrijpend. Eenkleine gebeurtenis kan grote gevolgen hebben. Mensen voelen zich nietaltijd gehoord of behandeld als een gelijkwaardig persoon.Daarnaast is bestaanszekerheid een belangrijk thema: de constanteworsteling om financieel rond te komen. Dit leidt tot veel stress enonmacht. Het sociale vangnet is complex vormgegeven met een uitkering,toeslagen, kwijtscheldingen en minimabeleid. Het wordt beleefd als eenoerwoud, waar je zonder goede begeleiding niet uitkomt. Er is behoefteaan meer rechtszekerheid en ondersteuning.Ook is er behoefte aan toekomstperspectief, waar nu vaak gebrek aan is.Dus – met een gerust gevoel – uit de bijstand kunnen komen. Maar ooksteun bij het zetten van stappen, als uitstroom (nog) niet mogelijk is. Allesis nu direct gericht op arbeidsinschakeling, waardoor een grote groep metandere ondersteuningsbehoeften buiten beeld blijft en daardoor vaak nietparticipeert. Mensen voelen zich niet gezien.De signalen staan niet los van elkaar, deze werken op elkaar in. Dat zorgtmede voor de vicieuze cirkel die een bijstandsgerechtigde ervaart. In degesprekken met de gemeenten en het bredere veld zie je gelijksoortigethema’s terugkomen, vanuit een ander perspectief bezien. Vanuit daarvolgt ook de conclusie dat de Participatiewet uit balans is: de onder-steuning is beperkt, het sanctie regime streng en de bestaanszekerheid tecomplex georganiseerd.11.4.4 Het wetsvoorstel in relatie tot het doenvermogen van de doelgroep Een realistisch perspectief op zowel denk- als doenvermogen is eenessentieel onderdeel bij het opstellen van dit wetsvoorstel. Hierbij is eraandacht voor:•De mentale en cumulatieve belasting,•De gevolgen van inertie of fouten, en•Hulp en vroegsignaleringDe beleidsaanpassingen in dit wetsvoorstel zijn een direct gevolg vandeze beleidsanalyse. Met als doel om de balans weer terug te brengen inde Participatiewet, door de mens centraal te stellen, meer ruimte te makenvoor maatwerk en uit te gaan van vertrouwen.Anders gesteld moeten de aanpassingen in de Participatiewet er ondermeer voor zorgen dat de Participatiewet beter aansluit bij de doelgroepdie zij bedient. Dit komt tegemoet aan de diversiteit van de doelgroep,waaronder het doenvermogen. Hierdoor ervaren bijstandsgerechtigden197Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22,34 352, nr. 253.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3183 meer perspectief, of, voor hen die dat kunnen, meer eigenaarschap enautonomie om voor zichzelf perspectief te realiseren. Direct, metbijvoorbeeld het recht op eigenstandig vormgeven van participatie, hetverruimen van de bijverdiengrenzen en andere maatregelen om werken testimuleren. En indirect, door professionals meer richting te geven, doorbijvoorbeeld het expliciteren van maatwerk. Door middel van de experi-menteerruimte die is vergroot, kan ook nader onderzocht worden wat welof niet goed werkt voor de doelgroep, ten aanzien van re-integratie ofparticipatie.Waar mogelijk, leiden de maatregelen ook tot een afname van deadministratieve, mentale en/of cumulatieve lasten voor bijstandsgerech-tigden. Niet alleen wijzigingen in het beleid ten aanzien van ontvangstenuit giften, ook de ruimte voor mantelzorg en het eigenstandig vormgevenvan participatie, moeten die belasting verlagen. Ook worden de adminis-tratieve lasten bij de bijstandsaanvraag verlaagd en wordt automatischverrekenen mogelijk gemaakt, waardoor de bijstandsgerechtigde niet elkemaand zijn loonstrook hoeft aan te leveren. De regering verwacht hiermeedat de Participatiewet doenlijker wordt voor bijstandsgerechtigden.Daarnaast zet het wetsvoorstel in op het vergroten van de rechtsze-kerheid, zowel qua rechten als plichten. Hiermee geeft het wetsvoorstelgehoor aan de gesignaleerde knelpunten van de doelgroep. De maatregelten aanzien van bijstand met terugwerkende kracht, is bij uitstek eenmaatregel die tegemoetkomt aan het beperkte doenvermogen van dedoelgroep. Dit door meer zekerheid te bieden van inkomen, ook wanneerde weg naar de gemeente niet tijdig gevonden is door de bijstandsgerech-tigde. De maatregelen ten aanzien van jongeren hebben expliciet tot doelom in een vroeg stadium hulp te kunnen bieden en problematiek niet telaten escaleren. Ook biedt het wetsvoorstel op verschillende manier meerfinanciële zekerheid wanneer de stap naar werk wordt gemaakt. Denk aande verruiming van de bijverdiengrenzen, het bufferbudget en automatischverrekenen. Met de maatregelen in sub-hoofdstuk 3D, wordt explicietgehoor gegeven aan het signaal van bijstandsgerechtigden om de wetbeter te laten aansluiten bij de belevingswereld – en daarmee hetdoenvermogen – van de bijstandsgerechtigden.Om onwenselijke situaties te voorkomen, is opgenomen dat er meerruimte komt voor gemeenten voor afstemming op individuele omstandig-heden van bijstandsgerechtigden. Ook worden diverse vormen vanmaatwerk geëxpliciteerd. Dit heeft tot doel om bij inertie of fouten nietdirect de bestaanszekerheid van mensen op het spel te zetten, maar hen(samen met gemeenten) in staat te stellen dit te herstellen of aan tepassen aan de situatie. Met de aanpassing van het maatregelenbeleid,kunnen de gevolgen van inertie of fouten beter worden afgestemd op degedraging en individuele omstandigheden.Bij het merendeel van de maatregelen wordt geen extra beroep gedaanop het doenvermogen van de bijstandsgerechtigde. Bij enkele maatre-gelen is dit wel het geval. Hierbij is de afweging gemaakt de maatregelwel in de huidige vorm door te zetten, omdat er andere – mede doorervaringsdeskundigen zelf ingebrachte – zwaarwegende belangen zijn dieprevaleren. Dit speelt bijvoorbeeld bij de vrijlating van giften tot € 1.200.Hierbij wordt de keuze gemaakt dit buiten de inlichtingenplicht te houden.Hiermee wordt uiting gegeven aan (een uitvoering van de) Participatiewetvanuit vertrouwen. Daarnaast komt het tegemoet aan de oproep van debijstandsgerechtigde tot minder inbreuk in de persoonlijke levenssfeer, enook meer financiële autonomie, al dan niet met behulp van een onder-steunend netwerk. Op deze afweging wordt nader op ingegaan inparagraaf 3.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3184 11.4.5 Conclusie en vervolg De maatregelen in dit wetsvoorstel zetten nadrukkelijk een eerste stevigestap richting meer balans in de Participatiewet. In spoor 2 van hetprogramma Participatiewet in Balans wordt verder uitgewerkt hoe eenrealistische blik ten aanzien van de (mogelijkheden van de) doelgroep kanworden vormgegeven en hoe dit zich verhoudt tot bestaanszekerheid,(effectieve) handhaving en draagvlak voor het socialezekerheidsstelsel.Hierbij worden opnieuw bijstandsgerechtigden, professionals en anderebelanghebbenden actief betrokken.11.5 Effecten op gendergelijkheid De gendertoets, is een middel om bij elk wetsvoorstel oog te hebben voorde verschillende manieren waarop beleid mannen en vrouwen raakt. Demaatregelen in dit wetsvoorstel gelden gelijk voor mannen of vrouwen,maar er kan op verschillende punten toch een effect op de genderge-lijkheid ontstaan.De maatregelen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen, raken onder meermantelzorgers, alleenstaande ouders en bijstandsgerechtigden met eendeeltijdbaan. Aan deze doelgroepen wordt meer ruimte geboden of kaneen hogere bijstandsuitkering worden toegekend. Het aantal vrouwen indeze doelgroepen is groter dan het aantal mannen. Gelet hierop kunnende verschillende maatregelen een positiever resultaat geven bij vrouwendan bij mannen. Dit kan de positie van deze vrouwen verbeteren.De verwachting is er dus dat een aantal maatregelen gendergelijkheid kanbevorderen. Hoe het exact in de praktijk uit zal werken, is nu echter nogniet te zeggen. Bij het monitoren van dit wetsvoorstel zal daarom explicietaandacht zijn voor dit vraagstuk. Om de effecten van de maatregelen opde gendergelijkheid in de praktijk goed te monitoren, zullen de effectenwaar mogelijk worden uitgesplitst naar gender (zie hoofdstuk 9).11.6 Gegevensuitwisseling 11.6.1 Inleiding Bij een aantal voorgestelde wijzigingen in dit wetsvoorstel is sprake vangegevensuitwisseling. In dit hoofdstuk wordt weergegeven bij welkeonderdelen van het wetsvoorstel hier sprake van is en welke grondslagvan toepassing is. Deze grondslagen zijn al in de wet opgenomen. Met ditwetsvoorstel worden geen nieuwe grondslagen gecreëerd. Daarom is ergeen gegevensbeschermingseffectenbeoordeling (ook wel een DPIA, dataprotection impact assessment genoemd) uitgevoerd en is dit wetsvoorstelniet voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens.11.6.2 Ruimte voor mantelzorg Zorgbehoefte en gezamenlijke huishoudingAan de uitzondering op het gezamenlijke huishouding begrip gaat altijdzorgvuldig onderzoek door de gemeente vooraf. De gemeente moetvaststellen of er sprake is van een zorgbehoefte die dermate intensief isdat deze de aanleiding is tot het samenwonen (zie paragraaf 5.6). Degemeente kijkt hierbij onder andere naar de omstandigheden waaronderde mantelzorg plaatsvindt, zoals de ernst van de ziekte of handicap van depersoon aan wie de mantelzorg verleend wordt, en de duur van demantelzorg. Hierbij wordt in beeld gebracht welke zorgtaken eenmantelzorger vervult, hoeveel uren iemand aan mantelzorg besteedt enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3185 hoe zwaar deze taken zijn. Zoals dit bijvoorbeeld nu veelal ook al gebeurtom de arbeidsontheffing te beoordelen. Hierbij wordt de fysieke enmentale belasting van de mantelzorgers meegewogen en wordt hiermeehet risico op overbelasting getaxeerd. Dit alles vereist verwerking vanpersoonsgegevens. Artikelen 64 Pw en 6, eerste lid, onder e, van deAlgemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) en artikel 30van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming(hierna: UAVG) bieden hiervoor de algemene wettelijke basis. Denoodzakelijke gegevensuitwisseling voor de uitzondering op het gezamen-lijke huishouding begrip kan op grond van bestaande wettelijke kadersplaatsvinden. Een aanvullende grondslag is hiervoor niet noodzakelijk.11.6.3 Maatwerk expliciteren De bestaande ruimte voor maatwerk wordt in deze memorie vantoelichting geëxpliciteerd. Er is geen sprake van een nieuwe taak voorgemeenten. Voor het toepassen van maatwerk is het een vereiste dat degemeente altijd zorgvuldig onderzoek doet naar de feiten en omstandig-heden die maatwerkoplossingen op grond van de Participatiewetnoodzakelijk maken. Dit vereist verwerking van persoonsgegevens. Voorde verwerking van noodzakelijke (persoons)gegevens voor het toepassenvan maatwerk bieden artikel 64 Pw, artikel 6, eerste lid, onder e, van deAVG en de UAVG de algemene wettelijke basis. Zouden gegevens overgedrag, te weten hoe iemand in de dagelijkse praktijk functioneert, die indat kader worden verwerkt, moeten worden aangemerkt als gegevensover gezondheid, dan biedt artikel 30 UAVG deze basis. Daarnaast bestaater een specifieke grondslag voor het opvragen van gegevens bijgemeenten en de werkgever en voor het hergebruiken van intern bekendegegevens vanuit de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandi-capten of de Wet sociale werkvoorziening (art. 73a Wet structuuruitvoeringsorganisatie werk en inkomen). Voor het toepassen vanmaatwerk op grond van de Participatiewet is voor de gegevensuit-wisseling geen aanvullende grondslag noodzakelijk.11.6.4 Automatisch verrekenen van inkomsten uit arbeid Door het voorschrijven van het vaststellen van het netto-inkomen opuniforme wijze, wordt het mogelijk gemaakt om inkomen te verrekenenmet behulp van het product OIB. In dit kader verwerkt het Inlichtingen-bureau gegevens uit de Polisadministratie. Zie paragraaf 4.3 voortoelichting op de Polisadministratie. Deze gegevensverwerking is nietnieuw. Wel is het de verwachting dat op grotere schaal gegevens gedeeldworden omdat deze gegevens voor het (automatisch) verrekenen op basisvan gegevens uit de Polisadministratie vaker gebruikt gaan worden inplaats van het opvragen van de loonstrook bij de bijstandsgerechtigde. Degegevens die de werkgever aanlevert aan de Polisadministratie zijndoorgaans ook de gegevens die door de werkgever op de loonstrookworden vermeld, dus gevolgen van eventuele foutief doorgegeveninformatie door de werkgever zullen hierdoor niet toenemen. Het voordeelvan het gebruik van Polisadministratie is dat eventuele herberekeningenof nabetalingen via de Polisadministratie worden doorgegeven aangemeenten, waarbij het via een loonstrook een actieve extra handelingvan de bijstandsgerechtigde vergt.Het Inlichtingenbureau heeft voor de dienstverlening met betrekking totWerk en Inkomen een eigen wettelijke taak die het vanaf 1 juni 2021 alsgezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke met gemeenten uitvoert. Voorhet (automatisch) verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadminis-tratie is voor de gegevensuitwisseling geen aanvullende grondslagnoodzakelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3186 Het Inlichtingenbureau verwerkt alleen persoonsgegevens als er eenrechtmatige grondslag voor de verwerking van gegevens is. Bijvoorbeeldals een persoon een uitkering aanvraagt. De gemeente controleert dan ofiemand ook daadwerkelijk recht heeft op de aangevraagde uitkering. Ditgebeurt door te beoordelen of de informatie die zij van bijstandsgerech-tigden ontvangen, overeenkomt met de informatie die het Inlichtingen-bureau levert. Als uit de gegevens van het Inlichtingenbureau blijkt dat ditzo is, dan zal de gemeente de uitkering toekennen. Zo niet, dan doet degemeente nader onderzoek.11.6.5 Versoepelen aanvraagprocedure Digitaal toekennen van de bijstandsaanvraag op basis van DigiD mogelijkmakenEen bijstandsaanvraag toekennen op basis van DigiD in plaats identifi-ceren via een identiteitsbewijs zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht brengt geen toenameof afname van gegevensuitwisseling met zich mee, wel een andere vormvan uitwisseling.Mogelijkheid voor verkorte aanvraagprocedure opnemenDe gemeente mag de gegevens die zijn gebruikt om de bijstandsaanvraagte beoordelen bewaren zolang dit noodzakelijk is voor de uitvoering vande taak, in dit geval de uitvoering van de Participatiewet en het borgenvan het bestaansminimum van mensen. Dit betreft een vermindering vangegevensuitwisseling omdat gegevens die al in het bezit zijn vangemeenten opnieuw kunnen worden gebruikt als deze nog actueel enbruikbaar zijn.11.7 Rechtsbescherming Dit wetsvoorstel heeft, zoals aangegeven in paragraaf 1.3, onder meer alsdoel om meer ruimte te geven aan professional bij de uitvoering van deParticipatiewet en de regels en ondersteuning van deze wet beter te latenaansluiten op de mogelijkheden en omstandigheden van de mensen voorwie ze zijn bedoeld. In de Participatiewet zijn rechten en plichtenvastgelegd. Het wetsvoorstel is gericht op het vergroten van de rechtsze-kerheid, zowel qua rechten als plichten: uniform waar het kan, differen-tiatie waar nodig (paragraaf 2.3.2). Duidelijke regelgeving en helderevoorlichting vanuit de overheid over rechten en plichten zijn belangrijk.Dit zijn preventieve instrumenten die goedwillende burgers helpen deregels na te leven.Zo verbetert het wetsvoorstel de besluitvorming rond het aanvragen vanbijstand. Bijvoorbeeld door de bijstandsgerechtigde die een melding doetvoor bijstand gelijk in de gelegenheid te stellen om een bijstandsaanvraagin te dienen in plaats pas van na geruime tijd (paragraaf 3.10). Ookworden aanvragen gelijkgesteld waardoor een aanvrager niet opnieuween aanvraag bij goede loket hoeft in te dienen (paragraaf 3.11).Het algemene uitgangspunt in de sociale zekerheid is dat geen gegevensaan de burger worden gevraagd waar de instanties al zelf over beschikken(zoals vastgelegd in de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk eninkomen). Goede voorlichting naar de bijstandsgerechtigde geldt altijd.Bijvoorbeeld bij het voorstel om giften tot in ieder geval € 1.200 vrij telaten. Voor de bijstandsgerechtigde moet duidelijk zijn wat deze wijzigingbetekent en wat de gevolgen hiervan zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3187 Er zijn en blijven daarnaast allerlei waarborgen tot adequate toegang totrechtsbescherming waaronder de mogelijkheid van bezwaar en beroeptegen besluiten met rechtsgevolg (beschikkingen).Bijvoorbeeld de beslissing om een bijstandsgerechtigde een tijdelijkeontheffing van een of meerdere verplichtingen te verlenen. Dit is eenbesluit in de zin van de Awb. Ingevolge artikel 3:45 Awb wordt als tegeneen dergelijk besluit bezwaar of beroep kan worden ingesteld, daarvan bijde bekendmaking en bij de mededeling van het besluit vermeld door wie,binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt ofberoep kan worden ingesteld.Indien de gemeente een maatregel oplegt vanwege het niet nakomen vande participatieverplichting heeft bijstandsgerechtigde de mogelijkheid vanbezwaar en beroep (paragraaf 5.3). Naast de eisen die de Awb stelt, zal degemeente de hoogte van een maatregel moeten afstemmen op deomstandigheden van bijstandsgerechtigde en diens mogelijkheden ommiddelen te verwerven als naar zijn oordeel, gelet op de bijzondereomstandigheden dringende redenen daartoe noodzaken. Ook zal degemeente moeten afzien van het opleggen van een maatregel indien elkevorm van verwijtbaarheid ontbreekt.Dit wetsvoorstel heeft naar verwachting consequenties voor de Recht-spraak in die zin dat de Raad voor de Rechtspraak in haar advies op hetwetsvoorstel enerzijds een potentiële daling van het aantal beroepszakenvoorziet vanwege de mogelijkheden tot maatwerk. Anderzijds is in welkemate die daling zich daadwerkelijk zal voordoen afhankelijk van detoepassing van maatwerk door de gemeenten. Ook kan volgens de Raadniet worden uitgesloten dat een meer individuele afweging leidt tot meerdiscussies, zoals bijvoorbeeld over het bufferbudget, en tot meer enbewerkelijker beroepszaken.11.8 Implementatietraject Dit wetsvoorstel omvat een omvangrijk pakket aan maatregelen. Met ditwetsvoorstel wordt de ruimte geboden aan professionals, daar waar hetnu op onderdelen knelt. Het is van belang dat de maatregelen die wordenvoorgesteld uitvoerbaar zijn. Het is van belang dat de maatregelen dieworden voorgesteld realistisch en uitvoerbaar zijn. Het kabinet moet geenbeloften doen die niet waargemaakt kunnen worden. De toepassing deuitgangspunten van dit wetsvoorstel, meer menselijke maat en daarbijvoorkomen van willekeur, stelt op onderdelen extra eisen aan deprofessionaliteit van degenen die met de uitvoering belast worden.Naast de gebruikelijke implementatiemaatregelen die nodig zijn om ditwetsvoorstel, vraagt dit wetsvoorstel ook een deels een andere maniervan denken en doen. Het vraagt om een benadering vanuit vertrouwennaar degene die een beroep doet op de Participatiewet. En het vraagt omhet durven toepassen van maatwerk als een individuele casus daaromvraagt. De implementatie van dit wetsvoorstel zal daarom in samenhangmet spoor 3 van het programma Participatiewet in balans wordenuitgevoerd. In dit zogenaamde derde spoor faciliteert het Ministerie vanSZW een cultuuromslag voor de gemeenten en de SVB. Het uiteindelijkedoel is om gemeenten de juiste handvatten te bieden om vanuit hun eigenorganisaties deze transitie vorm te geven en ook verder te brengen.Professionals balanceren daarbij tussen regels en richtlijnen aan de enekant en de concrete vraagstukken en benodigde oplossingen voorinwoners aan de andere kant. Een praktijk zoals deze vraagt om professi-onals die zelf verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3188 uitvoering, een sterkere beroepsidentiteit draagt hieraan bij. Om hun werknog beter en effectiever te kunnen uitvoeren, vinden gemeentelijkeprofessionals het belangrijk om beter en meer samen te werken met deprofessionals breder in het sociaal domein. Niet alleen binnen de eigengemeente, maar juist ook met de medewerkers van de verschillendebetrokken organisaties uit het maatschappelijk middenveld, zoals sociaalwerk. Daarbij is het essentieel dat ook de werkwijzen beter op elkaaraansluiten en kennis wordt gedeeld.De regering acht het van belang om op te merken dat het niet debedoeling is dat gemeenten bij iedere bijstandsgerechtigde zoekt naarmaatwerk. Maatwerk blijft de uitzondering op de regel. Het gaat om eenpassende handelingsperspectief voor de professional in casuïstiek waarinhet toepassen van de standaard werkwijze niet tot het gewenste resultaatleidt en het toepassen van maatwerk noodzakelijk is. Bij het opstellen vandit wetsvoorstel is aandacht besteed aan de uitvoerbaarheid van demaatregelen (zie paragraaf 1.4 voor nadere duiding over de totstand-koming van dit wetsvoorstel). Het wetsvoorstel bevat maatregelen die deuitvoerende professional handvatten geeft hoe de Participatiewet toe tepassen en tegelijk ook ruimte geeft om maatwerk toe te passen waarnodig.Ondanks dat maatregelen aan de tekentafel goed zijn doordacht envervolgens met allerlei partijen zijn besproken en getoetst, kan de praktijktoch anders uitpakken. Om zicht te houden of dit wetsvoorstel de beoogderesultaten behaald en inderdaad goed uitvoerbaar is, zal een invoerings-toets en evaluatie worden uitgevoerd (zie hoofdstuk 9). Mocht uit dezetoets of de evaluatie blijken dat bijsturing nodig is om de beoogdeeffecten te kunnen halen, dan zal dit op dat moment worden overwogen.ImplementatiemaatregelenDe regering zal voorzien in een adequate voorbereidingstijd en tijdigecommunicatie naar de uitvoerders van de maatregelen. Naar verwachtingzullen de maatregelen niet gezamenlijk inwerkingtreden. De maatregelendie zien op codificatie van de staande praktijk, zijn relatief snel in tevoeren. Enkele andere maatregelen vergen een aanpassing van beleid enICT-systemen bij gemeenten. Dit vraagt een langere termijn tussenbekrachtiging en inwerkingtreding van dit wetsvoorstelTijdens het implementatietraject zullen onder meer handreikingen wordenopgesteld om de uitvoeringsorganisaties extra te ondersteunen. Aan deVNG en Divosa zal worden gevraagd om een modelverordening teontwerpen waar gemeenten zich op kunnen baseren voor hun lokalebeleid. De regering zal er oog voor hebben dat kleinere gemeentenmogelijk extra uitdagingen hebben bij de implementatie van ditwetsvoorstel.12. Overgangsrecht In dit hoofdstuk wordt het overgangsrecht waarin dit wetsvoorstelvoorziet nader toegelicht. Opgemerkt zij dat, gelet op de lange implemen-tatietermijn, voor veel maatregelen geen overgangsrecht nodig is.Gemeenten en de SVB krijgen ruim de tijd om – tijdens de implementatie-termijn – de uitvoering aan te passen aan de maatregelen die wordenvoorgesteld in dit wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3189 Harmonisatie aanvullende bijstand voor jongeren tot 21 jaar (artikel 20Pw)Op dit moment zijn de normen voor aanvullende harmonisatie nietgeüniformeerd. Er zijn zowel gemeenten die een hoger als een lagerbedrag uitkeren. Op het moment van inwerkingtreding van ditwetsvoorstel, ontstaat de situatie dat – zonder overgangsrecht – jongerengekort worden op de uitkering van de aanvullende bijstand. De regeringacht dit ongewenst. De geharmoniseerde norm geldt daarom niet voorjongeren die op het moment van inwerkingtreding van deze maatregeleen hogere norm ontvingen. Zij blijven deze norm ontvangen tot hetmoment dat zij 21 jaar worden. In deze gevallen bekostigen gemeentendeze norm (de geharmoniseerde norm plus de ophoging) vanuit hetgemeentefonds. Echter, als een jongere al bijzondere bijstand ontvangt opgrond van artikel 12 op het moment dat dit wetsvoorstel in werking treedt,en dat bedrag is lager dan de norm die de jongeren op grond van hetnieuwe artikel 20 Pw zou ontvangen, wordt het bedrag opgehoogd tot denieuwe norm.Inkomensvrijlating (artikel 34a Pw)Ten aanzien van de inkomensvrijlating (artikel 34a nieuw Pw) wordt hetvolgende geregeld:•Indien de bijstandsgerechtigde bij inwerkingtreding van dit wetsvoor-stel nog recht heeft op een inkomstenvrijlating van 25% voor de duurvan maximaal 6 maanden (art. 31, tweede lid, onderdeel n, Pw), blijftdit recht bestaan tot uiterlijk 1 jaar na inwerkingtreding.•Indien de bijstandsgerechtigde bij inwerkingtreding van dit wetsvoor-stel nog recht heeft op de inkomstenvrijlating als alleenstaande oudervan 15% (art. 31, tweede lid, onderdeel r, Pw), wordt deze vrijlatingomgezet in de nieuwe inkomensvrijlating, met dien verstande dat debijverdienregeling in ieder geval behouden blijft voor de restant duurvan de vrijlating (max. 30 maanden).13. Inwerkingtreding Dit wetsvoorstel treedt inwerking bij een koninklijk besluit te bepalentijdstip. Deze datum is mede afhankelijk van de tijd die nodig is om dewijzigingen in de uitvoering te implementeren. Ook is bepaald datverschillende artikelen op een verschillend moment in werking kunnentreden.II. Artikelsgewijze toelichting Artikel I Wijziging van de ParticipatiewetOnderdeel A (artikel 1)Voorgesteld wordt het opschrift te wijzigen in «begrippen». «Organen»dekt niet langer de lading van dit artikel.Vier onderdelen in artikel worden geschrapt omdat deze niet langer vaninvloed zijn op de uitvoering van de Participatiewet, te weten deAlgemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden, het Besluitin- en doorstroombanen en de Invoeringswet Wet werk en bijstand. Dedefinities zijn nu zinledig.Onderdeel B (artikel 3)Voorgesteld wordt om artikel 3 op een drietal punten te wijzigen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3190 Het tweede lid, onderdeel a, wordt op twee onderdelen gewijzigd. Teneerste, in geval er sprake is van een zorgbehoefte die zo intensief is datdeze leidt tot het samenwonen door een bijstandsgerechtigde, wordt ditniet aangemerkt als gezamenlijke huishouding. Dit is uitsluitend het gevalals de bijstandsgerechtigde intensieve mantelzorg verleent of ontvangt enuitsluitend gedurende de periode dat die zorg wordt verleend. Dezesituatie geldt, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap. Per gevalzal het college dienen te beoordelen of er sprake is van een zorgbehoeftedie dermate intensief is, dat een uitzondering op de gezamenlijkehuishouding gerechtvaardigd is.Voor het begrip zorgbehoefte wordt aangesloten bij de huidige lijn in dejurisprudentie. Een zorgbehoefte wordt aangenomen indien de verzor-gingsbehoeftige door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke ofgeestelijke stoornis:•ofwel in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting;•ofwel duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meestealgemene dagelijkse levensverrichtingen;•ofwel duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijkgevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen (uitspraak van 21 mei2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2032).Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat mantelzorg in welke vorm danook (intensief of niet) een dringende reden kan zijn op basis waarvan hetcollege ontheffing verleent van de arbeidsverplichting (artikel 9, tweedelid).Ten tweede wordt door deze wijziging tegemoetgekomen aan een aantaluitspraken van de CRvB (meest recent: ECLI:NL:CRVB:2023:218). Daarinwerd als ongeoorloofd onderscheid aangemerkt het verschil tussenbloedverwanten in de tweede graad en andere ongehuwd samenwo-nenden als bij een van beiden sprake is van zorgbehoefte. Bij de eerstegroep blijft gelijkstelling met een gehuwde namelijk achterwege, zodat debetrokkene aanspraak kan maken op bijstand naar de norm voor eenalleenstaande. Bij de andere groep wordt de betrokkene wel als gehuwdeaangemerkt en wordt rekening gehouden met de middelen van beidepersonen tezamen. Het voorstel is om dit onderscheid met deze wijzigingte beëindigen.Daarnaast wordt voorgesteld het vierde lid, onderdeel a, te wijzigen. Opbasis van jurisprudentie geldt een beperking in de tijd voor het onweer-legbaar rechtsvermoeden. Deze temporele beperking wordt nu in de wetverankerd. Dit betekent dat in de situatie dat gescheiden echtgenoten opéén adres verblijven, enkel – op basis van een onweerlegbaar rechtsver-moeden – een gezamenlijke huishouding wordt aangenomen, als hethuwelijk minder dan 2 jaar geleden is beëindigd.Onderdelen C en D (artikelen 6 en 7)Met de wijziging van artikel 6 wordt ten eerste het begrip socialeactivering uit de wet geschrapt en vervangen door een nieuw begrip,maatschappelijke participatie. Daarnaast wordt de eis van een tegenpres-tatie geschrapt (zie paragraaf 5.2), waarmee de plicht voor de gemeenteom daarop beleid te maken uit artikel 7 kan vervallen. Met de wijzigingvan artikel 6 wordt het begrip maatschappelijke participatie geherformu-leerd. Maatschappelijke participatie heeft een doel op zich, het is namelijkgericht op deelname aan het maatschappelijk leven. Ook wordt beoogdtot uitdrukking te brengen dat maatschappelijke participatie breed is, eneen scala van onbeloonde activiteiten kan omvatten die eraan bijdragendat de bijstandsgerechtigde (weer) deelneemt aan dat maatschappelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3191 leven. Dat kan van alles zijn van af en toe een kopje koffie komen drinkenop het gemeentehuis om zo uit een sociaal isolement te komen viavrijwilligerswerk tot re-integratie activiteiten als omscholing voor eennieuwe baan in een andere sector. Ook een cursus om de Nederlandsetaal meer machtig te worden kan eronder worden gevat. Maatschappelijkeparticipatie kan zo dus zowel direct gericht zijn op arbeidsinschakeling, alsook niet op arbeidsinschakeling zijn gericht als arbeidsinschakeling (nog)niet tot de mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde behoort. Ditonderscheid komt tot uitdrukking met de aanpassing in onderdeel a vanartikel 7. Mantelzorg valt met deze brede definitie ook onder het begripmaatschappelijke participatie (zie voor een nadere toelichting wat betreftmantelzorg ook paragraaf 5.7).Onderdeel E (artikel 8)De aanpassing in artikel 8 houdt verband met de aanpassingen in hetmaatregelenbeleid. Zie hierna de toelichting op artikel 18 e.v.Onderdeel F (artikel 8a)Met de aanpassing in artikel 8a is bedoeld dat de gemeente een integraalparticipatiebeleid vastlegt bij verordening. Het gaat daarbij zowel om deondersteuning bij arbeidsinschakeling (en maatschappelijke participatie,gericht op arbeidsinschakeling), als om maatschappelijke participatie, nietgericht op arbeidsinschakeling. Artikel 47 Pw verplicht de gemeenteraadom bij het vastleggen van beleid in een verordening bijstandsgerech-tigden of hun vertegenwoordigers te betrekken.Onderdelen G en H (artikel 9)De voorgestelde aanpassingen in artikel 9 van de wet ten aanzien vanbijstandsgerechtigden zijn complementair aan die ten aanzien van degemeenten in de artikelen 6 en 7 van de wet. Met de voorgesteldeaanpassingen in artikel 9 van de wet wordt beoogd aan te geven dattegenover het recht op bijstand voor de bijstandsgerechtigde ook eenaantal verplichtingen staan die deel uitmaken van een generieke participa-tieplicht. Er is dus sprake van wederkerigheid. Volgens staand beleidstemt de gemeente de aan bijstand verbonden verplichtingen af op demogelijkheden en omstandigheden van de bijstandsgerechtigde. Diemogelijkheden en omstandigheden moeten door de gemeente onderzochtworden. Vertrekpunt is en blijft dat de weg naar betaalde arbeid deprimaire doelstelling is. Heeft de betrokkene bij het vinden van werkondersteuning nodig en is gebruikmaking van voorzieningen gericht oparbeidsinschakeling aangewezen dan is dat de weg die ingeslagen moetworden. Is arbeidsinschakeling nog niet mogelijk dan is maatschappelijkeparticipatie, die niet direct op arbeidsinschakeling is gericht, aangewezen.De eis van de tegenprestatie wordt daarbij geschrapt. In de toelichting oponderdeel B, artikelen 6 en 7, is uiteengezet dat maatschappelijkeparticipatie, die al dan niet is gericht op arbeidsinschakeling, van alles kanzijn: van een eerste stapje om te komen uit een situatie van isolement totvolop meedraaien in vrijwilligerswerk. De invulling is afhankelijk van demogelijkheden die bijstandsgerechtigde heeft en diens omstandigheden.Is arbeidsinschakeling nog niet mogelijk dan wordt van betrokkeneverwacht dat hij maatschappelijk participeert, niet gericht op arbeidsin-schakeling. Belangrijk is dat de betrokkene, binnen de mogelijkheden diedoor de gemeente worden onderkend, eigen zeggenschap heeft voor deinvulling van die maatschappelijke participatie. Dat is verankerd in hetnieuwe zevende lid. Betrokkene heeft tevens recht op ondersteuning bij deinvulling van diens maatschappelijke participatie (zie ook hiernaonderdeel H, artikel 10). De activiteiten in het kader van maatschappelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3192 participatie mogen arbeidsinschakeling niet belemmeren als arbeidsin-schakeling aan de orde is. Ook mogen de activiteiten niet leiden totverdringing op de arbeidsmarkt.Een algemeen kader voor tijdelijke ontheffingenVoorgesteld wordt daarnaast om de mogelijkheid om tijdelijk ontheffing teverlenen bij dringende redenen uit te breiden tot alle verplichtingen,genoemd in het eerste lid (zie verder de paragraaf 5.5 en 10.10).Onderdeel I (artikel 10)Met de aanpassing in artikel 10 komt tot uitdrukking dat bijstandsgerech-tigde niet alleen aanspraak heeft op ondersteuning bij arbeidsinscha-keling, waaronder bij maatschappelijke participatie, gericht op arbeidsin-schakeling, maar ook op ondersteuning bij maatschappelijke participatie,die niet op arbeidsinschakeling is gericht.Onderdeel J (artikel 12)Artikel 12, het recht voor een jongere op bijzondere bijstand als zijnouders niet in de bestaanskosten kan voorzien, vervalt. In plaats daarvanwordt artikel 20, derde en vierde lid voorgesteld. Verwezen wordt naar detoelichting op dat artikel.Onderdeel K (artikel 17)Artikel 17, derde lid, wordt op twee punten gewijzigd. Aan de eerste zinwordt onderdeel 4 van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatie-plicht toegevoegd. Hierdoor kan een aanvrager zich ook identificeren meteen rijbewijs. Niet iedereen beschikt over een paspoort of identiteitskaart.Het moeten aanvragen van een van die twee documenten op het momentdat een aanvraag voor bijstand wordt gedaan, jaagt de aanvrager opkosten. Het kunnen identificeren met een rijbewijs kan dit voorkomen.Nadeel van het identificeren met een rijbewijs is dat op basis daarvan nietkan worden vastgesteld of de aanvrager rechtmatig in Nederland verblijft.Dat is vereist op grond van artikel 11. Het vaststellen daarvan kan echterondervangen worden door een check in de Basisregistratie Personen.Daarnaast wordt het mogelijk om via DigiD een aanvraag toe te kennen.De verplichting om de identiteit van een bijstandsgerechtigde vast testellen aan de hand van een document, bedoeld in de Wet op deidentificatieplicht, blijft bestaan voor degenen die niet digitaal eenaanvraag voor bijstand indienen. Uit de tweede, nieuwe zin volgt dat bijeen digitale aanvraag via DigiD wordt verondersteld dat diegene zich opeen eerder moment bij een overheidsinstantie heeft geïdentificeerd. Doorde verwijzing naar de Regeling voorzieningen Wdo wordt gewaarborgddat de aanvraag via DigiD een substantieel betrouwbaarheidsniveau kent.Zo’n DigiD wordt namelijk uitsluitend verstrekt aan een gebruiker diehouder is van een geldig Nederlands paspoort, Nederlandse identiteits-kaart, Nederlands rijbewijs of ander Nederlands document als bedoeld inartikel 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht.Onderdelen L, M en EE (artikelen 18, 18b en 47c)Kern van de aanpassingen is dat met het vervallen van artikel 18, vierdetot en met achtste lid, en artikel 18b, alle wettelijke, en als rigide ervaren,maatregelen tot verlaging van de bijstand uit de wet geschrapt worden,wanneer niet wordt voldaan aan de zogenoemde specifieke participatie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3193 verplichtingen. Voorgesteld wordt om in artikel 18 een grondslag op tenemen om bij amvb nadere regels te stellen ten aanzien van het verlagenvan de bijstand ter zake van het niet nakomen door de bijstandsgerech-tigde van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, en de verorde-ningsplicht te behouden zodat, het maatregelenbeleid in de nieuwesituatie in drie lagen van regelgeving wordt verankerd: de wet diealgemene kaders bevat, onder andere omtrent herziening van demaatregel, bij amvb te stellen nadere regels, waarbij de maatregelen invier categorieën worden ingedeeld, en ten derde een nadere uitwerkingvan algemene en specifiekere regels bij gemeentelijke verordening(artikel 8b van de wet), waaronder ook om binnen de bij wet en amvbgestelde kaders binnen de bandbreedte van de genoemde categorieëneigen beleid te voeren. Omdat het niet goed mogelijk is een maatregel tenaanzien van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor devoorziening in het bestaan in een categorie in te delen, is dit eenonderwerp dat ook bij verordening door de gemeente om uitwerking blijftvragen (voorgestelde artikel 18, tweede in samenhang met het zevende lidPw). In beginsel zal de gemeente een maatregel moeten opleggenwanneer niet aan de verplichtingen wordt voldaan (en geen sprake is vanafwezigheid van verwijtbaarheid of dringende reden zie ook hierna).Echter, bij amvb kan ook worden bepaald dat voor bepaalde (categorieënvan) verplichtingen door de gemeente kan worden afgezien van hetopleggen van een maatregel. Een en ander geeft in samenhang degemeenten meer mogelijkheden tot het bieden van maatwerk in hetmaatregelenbeleid (zie verder paragraaf 5.6). Het negende en tiende lid(vernummerd tot vijfde en zesde lid) blijven overigens gehandhaafd, zodatde wettelijke ruimte om de verwijtbaarheid en de omstandigheden tebetrekken bij het opleggen van een maatregel blijft bestaan. Verder wordtde herzieningsmogelijkheid op verzoek, opgenomen in het elfde lid,veralgemeniseerd en samengevoegd met de heroverweging, opgenomenin het derde lid, omdat aan de aanvullende specifieke herzieningsmoge-lijkheid met het vervallen van de specifieke maatregelen geen behoeftemeer bestaat. Artikel 47c, wordt in overeenkomstige zin aangepast voorde uitvoering door de SVB van de AIO.Onderdelen J en N (artikel 12 en 20)Voorgesteld wordt de ophoging van de jongmeerderjarigennorm onder denorm voor algemene bijstand te brengen omdat het gaat om bijstand voorde in deze situatie gebruikelijke kosten voor levensonderhoud. Het gaatweliswaar om kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden nuin de regel voor deze kosten een beroep op de ouders kan wordengedaan. Deze kosten zijn echter bedoeld om in het levensonderhoud vanbetrokkene te voorzien. De ophoging wordt daarom in het derde lid vanartikel 20 opgenomen en valt daarmee in het kader van de algemenebijstand. Daarmee vervalt artikel 12 waarin was geregeld dat aan dezegroep jongeren bijzondere bijstand kon worden verleend.Er wordt niet gedifferentieerd tussen 18-, 19- en 20-jarigen. Voor alle driede leeftijdscategorieën geldt dezelfde norm. De ophoging kan er niet toeleiden dat een jongmeerderjarige meer ontvangt dan een 21-jarige ofouder (nog niet pensioengerechtigd) die zich in een vergelijkbare situatiebevindt. Dat is geregeld in het vierde lid.Voor het overgangsrecht over artikel 12 en 20 wordt verwezen naarartikel 78ff.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3194 Onderdeel O (artikel 24)Met dit onderdeel wordt artikel 24 gewijzigd. Ingeval van een gehuwdevan wie één van beide recht op bijstand heeft en de ander niet, krijgt derechthebbende echtgenoot het bedrag ter hoogte van de alleenstaandenorm die geldt voor de op betrokkene van toepassing zijnde leeftijdscate-gorie. De norm in het huidige artikel 24 is 50% voor de rechthebbende enwordt in de praktijk te laag bevonden. Zie bijvoorbeeldECLI:CRVB:2020:3517, waarin de Centrale Raad overweegt (gelet op deuitspraken van ECLI:NL:CRVB:2019:4103, ECLI:NL:CRVB:2019:4104 enECLI:NL:CRVB:2019:4105) dat de situatie van appellant voor het collegeaanleiding had moeten zijn om zelfstandig te beoordelen of toepassingmoet worden gegeven aan artikel 18, eerste lid, Pw.Door de norm aan te passen aan de norm die geldt voor een alleen-staande, wordt een norm vastgelegd die recht doet aan het uitgangspuntdat wordt voorzien in een bestaansminimum.Onderdeel P (artikel 24a)Met het nieuwe artikel 24a wordt voorgesteld dat de bijstandsnorm vooreen specifieke groep alleenstaande ouders per maand wordt opgehoogdmet 1/12 van het kindgebonden budget, zoals dat is bepaald in de Wet ophet kindgebonden budget. Het kindgebonden budget betreft eenjaarbedrag, dat voor de vaststelling van de hoogte van de bijstand permaand, door twaalf wordt gedeeld. Deze nu voorgestelde bijstandsnormzal gelden voor de volgende groep bijstandsgerechtigden. Dit zijnalleenstaande ouders die op grond van de van de Awir een partnerhebben maar van wie de partner op grond van de Participatiewet echterniet als rechthebbend wordt aangemerkt. Bij invoering van de Wethervorming kindregelingen in 2015 is de oorspronkelijke bijstandsnormvoor alleenstaande ouders ter hoogte van 90% van de bijstandsnormkomen te vervallen. Hiervoor in de plaats is ALO-kop geïntroduceerdbinnen het kindgebonden budget. Op het kindgebonden budget is de Awirvan toepassing.In de Awir is gekozen voor objectieve, formele criteria om vast te stellen ofer een partner is, bijvoorbeeld gehuwd, samen een kind of een gedeeldepensioenregeling. De Participatiewet gaat uit van een naar behoefte endraagkracht materieel vast te stellen partnerbegrip. Dit leidt er in eenaantal situaties toe dat iemand qua materiële omstandigheden wel gelijkkan worden gesteld met een alleenstaande ouder, maar de Awir toch deaanwezigheid van een partner aanneemt. Op basis van artikel 1, vijfde lid,van de Wet kindgebonden budget bestaat dan wel recht op kindgebondenbudget voor het rechtmatig in Nederland verblijvende kind, alleen niet opde ALO-kop, omdat betrokkene in het kader van de Awir een partner heeft.In de praktijk leidt het tot problemen als de Awir een partner veronder-stelt, die in de praktijk echter niet kan bijdragen in de kosten. Om hetbestaansminimum voor het rechtmatig in Nederland verblijvende kindook in deze gevallen te garanderen wordt voorgesteld de ophoging van denorm voor deze specifieke groep wettelijk te verankeren.Onderdeel Q (artikel 31)Artikel 31 wordt op verschillende punten gewijzigd. Een aantal wijzigingenheeft betrekking op het mogelijk maken van het verrekenen op basis vangegevens uit de Polisadministratie en het (automatisch) verrekenen vaninkomen met de bijstandsuitkering. Andere wijzigingen hebben te makenmet het harmoniseren van de bepalingen over de wijze waarop inkomenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3195 met de bijstand kan worden verrekend (nieuw artikel 34a). Ook wordt ereen bedrag geïntroduceerd op basis waarvan giften worden vrijgelaten.Tot slot wordt een aantal onderdelen geschrapt omdat daarin wordtverwezen naar verstrekkingen die niet meer gelden.Tweede lid, onderdeel gMet de wijziging van onderdeel g wordt voorgesteld het verrekenen vaninkomen met de bijstandsuitkering te vergemakkelijken door het (automa-tisch) verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratiemogelijk te maken. Uitgangspunt is dat onbelaste vergoedingen nietworden verrekend. Dat wordt voorgesteld met de eerste wijziging inartikel 31, tweede lid, onderdeel g. Met het eerste zinsdeel wordtvoorgesteld dat onkostenvergoedingen, voor zover deze niet tot hetfiscaal loon worden gerekend, niet tot de middelen van de bijstandsge-rechtigde worden gerekend.Door het schrappen van het laatste zinsdeel wordt het volgende geregeld.Vergoedingen en verstrekkingen die als eindheffingsbestanddeel wordenbelast, worden op dit moment in beginsel vrijgelaten. Dit geldt echter nietals de bijstandsverlening ook wordt verstrekt om in de kosten te voorzienwaarvoor de vergoeding wordt verstrekt. Eindheffingsbestanddelenmaken namelijk geen onderdeel uit van de loongegevens in de Polisadmi-nistratie. Deze bestanddelen zijn uitgezonderd van het loon waarover desociale verzekeringen worden berekend (hierna: sv-loon). Deze uitzon-dering is geregeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel b, van de Wetfinanciering sociale verzekeringen. Omdat eindheffingsbestanddelen niettot het sv-loon behoren, dient de uitzondering handmatig en op grond vanloonstroken en andere documenten zoals CAO-afspraken, beoordeeld teworden. Daardoor is automatische verrekening niet mogelijk.Er wordt voorgesteld om deze uitzondering te laten vervallen om de(automatische) verrekening van inkomen met de bijstandsuitkering opbasis van de gegevens uit de Polisadministratie te vergemakkelijken.Tweede lid, onderdeel jIn onderdeel j wordt het bufferbudget toegevoegd. Dit bufferbudget wordtgeregeld in het nieuwe artikel 34b. Op basis van artikel 34b kan hetcollege onder voorwaarden ten behoeve van een bijstandsgerechtigdemaximaal € 1.000 reserveren. Door het bufferbudget op te nemen inartikel 31, tweede lid, wordt een gereserveerd bufferbudget niet tot demiddelen van een bijstandsgerechtigde gerekend.Tweede lid, onderdeel kUit de bepaling (artikel 31, tweede lid, onderdeel k, Pw) komt onvoldoendenaar voren dat het bedrag per persoon geldt en niet per gezin, verge-lijkbaar met de wijze waarop dit binnen de fiscaliteit wordt toegepast.Door de toevoeging «per persoon» wordt dit verduidelijkt.Tweede lid, onderdeel mIn onderdeel m wordt voor giften voorgesteld dat deze tot in ieder geval€ 1.200 worden vrijgelaten. Hierdoor wordt enerzijds het netwerk van debijstandsgerechtigde de mogelijkheid gegeven de bijstandsgerechtigdebinnen met bijstandsverlening verenigbare marges via een gift teondersteunen, zonder dat hieraan bijstandsrechtelijke consequentiesverbonden zijn. Er wordt een maximumbedrag opgenomen, gelet op hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3196 minimumbehoefte-karakter van de bijstand. Het opnemen van een bedragbiedt de bijstandsgerechtigde rechtszekerheid.Giften blijven tot in ieder geval € 1.200 per kalenderjaar buitenbeschouwing. Voor giften die boven deze vrijlatingsgrens uitkomen, zalhet college een afweging moeten maken of de bedragen nog verantwoordzijn met het oog op bijstandsverlening.Giften tot € 1.200 worden als middel buiten beschouwing gelaten. Voorgiften boven de € 1.200 is de vraag of zij vervolgens als inkomen of alsvermogen dienen te worden aangemerkt.Tweede lid, onderdeel vMet dit wetsvoorstel vervalt artikel 12 en komt daarvoor in de plaatsartikel 20, derde lid. In dat laatste artikel wordt de jongmeerderjarigennorm geregeld die geldt als algemene bijstand. Met deze wijziging wordtde juiste verwijzing geregeld.Tweede lid, onderdelen n, q, r, t, y, z, en aa en zinsnede in onderdeel f.In de onderdelen n, r, y, z en aa zijn op dit moment inkomensvrijlatingenvoor verschillende doelgroepen opgenomen. Zoals in het algemeen deeluiteen is gezet worden deze vrijlatingsregelingen geharmoniseerd. Redenwaarom deze onderdelen vervallen. Daarnaast wordt de systematiekveranderd. De vrijlatingen worden niet langer geregeld via de middelen-vrijlatingen van artikel 31, tweede lid, maar in een nieuw artikel 34a. Datbetreft een regeling voor het niet in aanmerking nemen van inkomsten uitarbeid zolang deze niet uitstijgen boven de toepasselijke bijstandsnorm.Hiermee kunnen deze onderdelen komen te vervallen.De onderdelen q en t en de zinsnede in onderdeel f vervallen omdat indeze onderdelen wordt verwezen naar verstrekkingen die al geruime tijdzijn afgeschaft.Vierde lidIn het voorgestelde nieuwe artikel 32, vijfde lid, onderdeel b, wordt eennieuwe grondslag opgenomen om regels te stellen voor het inaanmerking nemen van de aanspraak op vakantiebijslag over eeninkomen. Het huidige vierde lid van artikel 31 kan daarom vervallen.Vierde lid (nieuw)Sommige re-integratie instrumenten zijn niet beschikbaar voor personendie de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt. Dit geldt ook voor dehuidige vrijlatingen die zijn opgenomen in artikel 31, tweede lid, onder-delen n en r. Deze onderdelen vervallen en kunnen dus uit deze bepalinggeschrapt worden. In het nieuwe artikel 34a worden niet langer leeftijds-vereisten gesteld.Onderdeel R (artikel 32)In artikel 32 wordt het tweede lid gewijzigd en wordt een nieuw vijfde lidtoegevoegd. Het tweede lid heeft betrekking op het zogenaamdetransactiebeginsel. Op basis hiervan dient het college te bepalen aanwelke bijstandsperiode inkomen dient te worden toegerekend. Ditartikellid wordt om twee redenen gewijzigd. Ten eerste omdat bijstands-gerechtigden maandelijks over een bestaansminimum moeten kunnenbeschikken en inkomen waarover redelijkerwijs niet kan worden beschiktTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3197 nog niet verrekend mag worden. Ten tweede wordt het gewijzigd gelet opde mogelijkheid voor gemeenten om op basis van gegevens uit dePolisadministratie (automatisch) te gaan verrekenen. Op grond van hethuidige artikel 32, tweede lid, dient uitgesteld inkomen toegerekendworden aan de periode waarin deze zijn verworven («loon over»). Hetverrekenen van inkomen op grond van gegevens die in de Polisadminis-tratie zijn opgenomen is voor deze wijze van toerekening niet mogelijk. Inde Polisadministratie is namelijk slechts herleidbaar in welk loonaangifte-tijdvak het loon wordt uitbetaald («loon in»). Daarom komt deze regel tevervallen. De nieuwe hoofdregel wordt dat inkomen op grond van hetvoorgestelde nieuwe tweede lid in aanmerking genomen wordt naar deperiode waarin de bijstandsgerechtigde over het inkomen beschikt ofredelijkerwijs kan beschikken.Verder wordt inkomen dat voorafgaand aan de bijstand is verworven,maar later, gedurende de bijstandsperiode, wordt uitbetaald wordt, nietbetrokken. Dit volgt uit artikel 32, eerste lid, onderdeel b. Op de toere-kening naar de periode van ontvangst zijn twee uitzonderingen op grondvan artikel 32, tweede lid (nieuw). In onderdeel a is een uitzonderingopgenomen voor inkomen dat tijdens de bijstandsverlening is verworven,maar daarna tot uitbetaling komt. Dit achteraf ontvangen bedrag, wordtgelet op artikel 32, eerste lid, onder b, Pw in aanmerking genomen alsinkomen naar de periode waarop dit betrekking heeft, omdat ditbetrekking heeft op een periode waarover een beroep op bijstand isgedaan. Verrekenen hiervan vindt, conform het transactiestelsel, pasplaats wanneer de uitkeringsgerechtigde hier (redelijkerwijs) over kanbeschikken. Gemeenten kunnen hier in overleg met de uitkeringsgerech-tigde van afwijken, mits de uitkeringsgerechtigde hierdoor niet onder hetbestaansminimum terecht komt. Gezien de beperkingen van de gegevensin de Polisadministratie zullen deze uitzonderingen in sommige gevallenniet automatisch toegepast kunnen worden. In het tweede lid, onderdeelb, wordt tot slot voorgesteld dat inkomen waarop in de toekomstperiodiek aanspraak dient te worden gedaan, daadwerkelijk ook pas in detoekomst in aanmerking wordt genomen. Gedacht kan worden aansituaties dat de bijstandsgerechtigde een bedrag in een keer heeftontvangen ter afkoop van een periodieke aanspraak op inkomen,bijvoorbeeld aan een afgekochte alimentatieverplichting of een afgekochtpensioenrecht.Voor de SVB gaat bovenstaande wijziging niet gelden (zie artikel 47a en47d, vijfde lid).Vijfde lidEr wordt voorgesteld om een vijfde lid toe te voegen aan artikel 32 opgrond waarvan bij of krachtens amvb regels kunnen worden gesteld overde volgende onderwerpen: de wijze waarop – kort gezegd – inkomen uitarbeid in dienstbetrekking of uitkering kunnen worden bepaald (onder-delen a en b), de wijze waarop de verrekening van de vakantiebijslag,eindejaarsuitkering en het keuzebudget plaatsvindt (onderdeel b) en hoewordt gehandeld ingeval van technische mankementen tijdens hetautomatisch verrekenen, zoals een digitale storing.Er wordt ten eerste gekozen voor (sub)delegatie omdat veel voorschriftendie relevant zijn voor bovengenoemde regels op het niveau van amvb ofministeriële regeling zijn vastgelegd. Daarbij kan bijvoorbeeld gewezenworden op het Besluit Wfsv en de Regeling Wfsv waarin materiëlenormen zijn opgenomen over de vaststelling van de hoogte van depremies, terwijl de Wfsv zelf de kaders stelt. Hetzelfde geldt voor de WetSUWI; de uitwerking van de Polisadministratie gebeurt in het BesluitTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3198 SUWI en de Regeling SUWI. Het zou een onwenselijke situatie opleverendat wanneer deze materieel wettelijke voorschriften wijzigen op puntendie relevant zijn voor de verrekening van inkoten met de bijstand, er eenwijziging op het niveau van de formele wet nodig zou zijn. Ten tweedewordt beoogd het mogelijk te maken om administratieve voorschriften tekunnen stellen over de wijze waarop inkomen of de vakantiebijslag inaanmerking wordt genomen. Op deze wijze kan ook waar nodig unifor-miteit gecreëerd worden. Deze uitvoeringsvoorschriften lenen zich betervoor gedelegeerde voorschriften.Onderdelen a en b houden verband met het mogelijk maken van het(automatisch) verrekenen van inkomsten op grond van gegevens uit dePolisadministratie. Hiervoor is een eenduidige inkomensdefinitie nodig.Als deze niet gesteld wordt, zal het steeds – zoals thans het geval is – inindividuele gevallen nodig zijn om loonstroken op te vragen bij bijstands-gerechtigde. Beoogd wordt om het opvragen van loonstroken zo veelmogelijk te voorkomen. Het opvragen van dergelijke stukken kan welnodig blijven voor verificatie of controledoeleinden of om bijvoorbeeldvast te stellen of inkomen aan de periode voor, tijdens of na de bijstands-verlening moet worden toegerekend (zie hierboven onder het tweede lid).De bevoegdheid om loonstroken op te vragen op grond van artikel 17,tweede lid, Pw blijft onverminderd van toepassing. Naar verwachting is denoodzaak om loonstroken op te vragen in de toekomst door bovenge-noemde wijziging echter beperkt.Met onderdeel c wordt voorgesteld bij of krachtens amvb regels te stellenover hoe de verrekening van vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en hetkeuzebudget plaatsvindt. Onder keuzebudget worden het individueelkeuzebudget en andersoortige cafetariaregelingen verstaan. Op grond vanonderdeel d wordt bepaald hoe gehandeld wordt als er technischestoringen zijn waardoor het (automatisch) verrekenen op basis vangegevens uit de Polisadministratie niet naar behoren verloopt.De reikwijdte van de delegatiebepaling wordt afgebakend door deverbinding te maken met het sv-loon (artikel 16 Wfsv). De voorschriftenkunnen daardoor geen betrekking hebben op inkomensbestanddelen dieniet tot dit loon behoren. De reden is de gegevens die in de polis zijnopgenomen. Praktisch betekent dit dat de regels die gesteld wordenbetrekking kunnen hebben op inkomen waarover als loon, premies voorde sociale verzekeringen is verschuldigd, en ook belaste uitkeringen zoalsde loondervingsuitkeringen die door UWV worden verstrekt. Dit betekentdat inkomen uit dienstbetrekking in het buitenland of een buitenlandseuitkering, waarover in Nederland geen sociale premies zijn verschuldigdniet onder de reikwijdte vallen. In voorkomende gevallen, die zich metname voor zullen doen in de grensgemeenten, zal handmatige controle opinkomsten nodig zijn.De genoemde regels zullen allereerst zien op de wijze waarop deverschuldigde belastingen en premies dienen te worden berekend. DePolisadministratie wordt namelijk gevuld met gegevens over bruto-inkomen, terwijl de bijstandsuitkering een netto systematiek kent. Dithoudt in dat er rekenregels gesteld moeten worden.Onderdeel S (artikel 33)Aan artikel 33 wordt een nieuw lid toegevoegd. In het zesde lid wordtvoorgesteld dat onbetaalde mantelzorg die een bijstandsgerechtigdeverleent, niet wordt aangemerkt als op loon te waarderen arbeid. Hetverlenen van mantelzorg heeft daardoor geen (negatief) effect op dehoogte van de bijstandsuitkering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3199 Hoewel het in het voorgestelde zesde lid niet om bijzonder inkomen gaatwaar artikel 33 betrekking op heeft, lijkt dit bij gebrek aan artikel dat quainhoud beter past, de meest aangewezen plek om dit onderwerp op tenemen. Het opschrift van het artikel komt daarom te luiden «Bijzonderinkomen en onbetaalde mantelzorg».Onderdeel T (artikel 34)Met dit onderdeel wordt voorgesteld een zinsnede in het tweede lid en hetvierde lid van artikel 34 te schrappen. Met het vierde lid wordt uitgegaanvan een fictie bij het bepalen van het vermogen, gedurende de periodedat een bijstandsgerechtigde bijstand ontvangt. Voor uitleg over dezewerkwijze wordt verwezen naar de algemene toelichting, paragraaf 3.4.Door deze werkwijze wordt weinig rekening gehouden met een tussen-tijdse afname van vermogen, bijvoorbeeld door nieuwe schulden ofwaardedaling van bezit. De tussentijdse vermogensbepaling kwamdaardoor niet overeen met de realiteit.Door het schrappen van het vierde lid wordt het actuele vermogen hetuitgangspunt bij de toets of bijstandsgerechtigde boven de vermogens-grens uitkomt. Indien de bijstandsgerechtigde op een zeker moment dooreen tussentijdse toename redelijkerwijs over een vermogen beschiktboven de vermogensgrens bepaald in artikel 34, derde lid, dan wordt debijstand beëindigd. Om dit te regelen is het logische gevolg dat dezinsnede «bij de aanvang van de bijstand» in het tweede lid komt tevervallen.Als gevolg van deze wijziging valt toename van bezit waardoor eenvermogen lager dan de vermogensgrens ontstaat, niet meer onder deinlichtingenplicht.Onderdeel U (artikelen 34a en 34b)Artikel 34aIn dit nieuwe artikel wordt voorgesteld onder voorwaarden inkomsten uitarbeid niet tot het in aanmerking te nemen inkomen te rekenen zolangdeze inkomsten de toepasselijke bijstandsnorm niet overstijgen. Deverschillende vrijlatingen op inkomsten uit arbeid die de Participatiewetnu kent worden met dit artikel geharmoniseerd en teruggebracht tot driecategorieën van personen. Die categorieën staan opgesomd in het eerstelid, onderdelen a, b en c. In onderdeel a is de hoofdregel neergelegd opbasis waarvan voor alle bijstandsgerechtigden tussen de 18 en depensioengerechtigde leeftijd één wijze van verrekening geldt. De zinsnede«indien dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsin-schakeling van deze persoon» is conform het huidige artikel en wijzigt dusniet.Met het voorgestelde eerste lid, onderdeel b, wordt voor mensen met eenmedische urenbeperking de huidige duur van de vrijlating van inkomstenuit arbeid gehandhaafd. Aan deze wijze van verrekening is geen termijnverbonden. Indien de medische urenbeperking vast is gesteld wordt 15%van de inkomsten uit arbeid structureel toegekend.Onderdeel c is gelijk aan het huidige vrijlatingenregime voor personen diede pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt.Het tweede lid biedt het college de mogelijkheid om maatwerk toe tepassen aan personen tussen de 18 en de pensioengerechtigde leeftijd,eerste lid, onderdeel a. Het college kan de periode waarin de inkomstenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3200 tot 15% niet in aanmerking worden genomen, verlengen als het vaststeltdat een bijstandsgerechtigde de uren vanwege individuele omstandig-heden, binnen afzienbare termijn niet zodanig zal uitbreiden dat diegeneuit de bijstand stroomt. Dit kan onder meer het geval zijn als er sprake isvan intensieve mantelzorg, multi-problematiek of sociaaleconomischefactoren. Het kan ook gaan om omstandigheden die zijn gelegen buiten deindividuele omstandigheden, zoals arbeidsmarktomstandigheden.Met het derde lid wordt voorgesteld dat opnieuw inkomen kan wordenvrijgelaten binnen één bijstandsperiode als er sprake is van een nieuwdienstverband, ongeacht of dit aansluit op een eerdere periode vanverlening (eerste lid, onderdeel a) of als er sprake is van een verlenging(tweede lid).Bij het niet in aanmerking nemen van inkomsten uit arbeid dient eerstgetoetst te worden of er een inkomen onder de bijstandsnorm is. Als hetinkomen hoger is dan de bijstandsnorm eindigt het recht op bijstand enwordt niet toegekomen aan de toepassing van het nieuwe artikel 34a. Alshet inkomen lager is dan de toepasselijke bijstandsnorm, kan vervolgensartikel 34a worden toegepast.Artikel 34bMet artikel 34b wordt het bufferbudget geïntroduceerd. Het bufferbudgetbestaat uit een bedrag van maximaal € 1.000 per bijstandsgerechtigdegedurende 12 maanden. Het is een instrument dat het college op basisvan een eigen beoordeling kan inzetten indien een bijstandsgerechtigdeaan de voorwaarden voldoet zoals opgesomd in het eerste lid, onderdelena en b. Het is daarmee een maatwerkregeling.In het tweede lid is bepaald dat het college vanuit het bufferbudgetbetalingen aan de bijstandsgerechtigde kan doen of om onverschuldigdbetaalde algemene bijstand te vereffenen.Het bufferbudget heeft, anders dan bijzondere bijstand, als doel omre-integratie van de bijstandsgerechtigde te bevorderen. Het is eenstimulans tot arbeidsinschakeling door schommelingen in inkomsten diehet gevolg zijn van het verrekenen van het inkomen uit arbeid met debijstandsuitkering op te vangen en financiële stabiliteit te creëren.Onderdeel V (artikel 36)Artikel 36 wordt op een aantal onderdelen gewijzigd. Met het vervangenvan «persoon» door «bijstandsgerechtigde» in het eerste, tweede enderde lid wordt benadrukt dat een individuele inkomenstoeslag per gezinkan worden aangevraagd als er sprake is van gehuwden of een gezamen-lijke huishouding.In het vierde lid wordt een aantal verwijzingen geschrapt dat niet meerrelevant is.Onderdeel W (artikel 38)In artikel 38 vervallen de verwijzingen naar de artikel 31, tweede lid,onderdelen n, r, y, z en aa. Daar zijn op dit moment inkomensvrijlatingenvoor verschillende doelgroepen opgenomen. Zoals in het algemeen deeluiteen is gezet worden deze vrijlatingsregelingen geharmoniseerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3201 Onderdeel X (artikel 39)Met de wijziging van artikel 39 wordt bewerkstelligd dat dat de hoogte vande giftenvrijlating (€ 1.200, norm 1.1.2023) mee zal bewegen met deconsumentenprijsindex. In afwijking van de overige bedragen die inartikel 39 zijn geregeld, wordt bij de giftenvrijlating voorgesteld om hetbedrag naar boven toe af te ronden naar een veelvoud van € 50. Op diemanier blijft de communicatieve waarde van het maximum bedragbehouden. Bij de verdere indexering wordt wel steeds uitgegaan van hetniet afgeronde bedrag. Voor voorbeelden wordt verwezen naar dealgemene toelichting.Onderdeel Y (artikel 41)Aan artikel 41 wordt twee leden toegevoegd. In het elfde lid wordtvoorgesteld een kan-bepaling op te nemen op basis waarvan het collegekan besluiten de zoektermijn van vier weken die voor jongeren geldt,zowel alleenstaand als gehuwd, niet toe te passen in een individueelgeval. Het uitgangspunt is dat jongeren tot 27 jaar niet uitkeringsafhan-kelijk worden. Daarom geldt voor hen een periode van vier weken, na demelding bij UWV (artikel 44), waarin zij zoeken naar werk of een opleiding.Pas na die vier weken wordt hun aanvraag in behandeling genomen.Echter, indien gemeenten verwachten dat inzet van de vierwekenzoek-termijn niet effectief is, gegeven de omstandigheden van de aanvrager,biedt artikel 41, elfde lid, de mogelijkheid een aanvraag direct in behan-deling te nemen.Op grond van het twaalfde lid, zal degene die zich meldt voor eenuitkering en ouder is dan 27 jaar, na die melding onverwijld in degelegenheid worden gesteld om een aanvraag in te dienen. Meldings-datum en aanvraagdatum zijn in beginsel gelijk maar in de praktijk wordthier verschillend mee omgegaan. Met deze wijziging wordt hetuitgangspunt van het samenvallen van de datum van die twee hande-lingen geëxpliciteerd. Hierdoor wordt degene die bijstandsbehoevend isen de volle medewerking verleent, rechtszekerheid geboden dat diegenebinnen 4 weken na melding een voorschot (artikel 52, eerste lid, PW) enbinnen een redelijke termijn een besluit op de aanvraag mag verwachten.Onderdeel Z (artikel 43)Voorgesteld wordt aan artikel 43 een nieuw lid toe te voegen. Op grondhiervan wordt de meldingsdatum voor een Bbz-, IOAW- of IOAZ-uitkeringdie wordt afgewezen, aangemerkt als meldingsdatum voor een bijstands-uitkering indien die aanvraag daarop onverwijld volgt. Dit is het geval alsdiegene in eerste instantie de inschatting heeft gemaakt dat er rechtbestond op een andere door de gemeente uitgevoerde regeling en dieaanvraag voor een Bbz, IOAW of IOAZ-uitkering wordt afgewezen. Als diepersoon onverwijld alsnog een aanvraag voor een bijstandsuitkering doet,dan geldt de meldingsdatum van de eerdere aanvraag voor die andereuitkering als meldingsdatum voor zijn bijstandsuitkering. Bij veelgemeenten is dit al een vaste praktijk. Met dit voorstel wordt dezeuitvoeringspraktijk in de wet verankerd.Het gaat hier enkel om de meldingsdatum en dus om de mogelijkeingangsdatum van de uitkering. De aan de aanvraagdatum gekoppeldeafhandelingstermijn gaat pas lopen vanaf de datum van de bijstandsaan-vraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3202 Onderdeel AA (artikel 43a)Er wordt een nieuw artikel toegevoegd, 43a, over het gebruik vangegevens van een aanvrager aan wie eerder al bijstand is verleend. Ditbetreft de aanvrager die binnen twaalf maanden opnieuw een aanvraagdoet. In dat geval kunnen de gegevens waarover het college al beschikt,hergebruikt worden. Hierdoor wordt de aanvrager ontlast. In het tweedelid is bepaald dat het college nagaat of de beschikbare gegevens nogkloppen op basis van de bronnen die het college tot zijn beschikking heeft.Zo nodig controleert het college dit bij de aanvrager zelf.Onderdeel BB (artikel 44)Voorgesteld wordt om het mogelijk te maken om een bijstandsuitkeringtoe te kennen met terugwerkende kracht (lid 5). De terugwerkende krachtgeldt voor maximaal drie maanden. Er kan met terugwerkende krachtworden toegekend als naar het oordeel van het college de individueleomstandigheden van het geval hiertoe noodzaken. Gedacht kan wordenaan situaties waardoor mensen ernstig financieel in de knel komendoordat zij te laat een bijstandsuitkering aanvragen. Voor voorbeelden vandergelijke gevallen wordt verwezen naar paragraaf 3.6 in het algemeendeel van de toelichting.Onderdeel CC (artikel 47a)Met deze wijziging wordt artikel 32, tweede en vijfde lid, onderdeel c, nietvan toepassing verklaard op de uitvoering door de SVB. In het tweede lidis bepaald hoe inkomen moet worden verrekend. Dit gaat niet gelden voorde SVB. De SVB zal de huidige wijze van inkomen toerekenen naar deperiode van verwerving blijven hanteren. Dat is geregeld in het nieuweartikel 47d, vijfde lid.In het vijfde lid van artikel 32 is een grondslag neergelegd om bij ofkrachtens amvb regels te stellen over onder meer de wijze waarop deverrekening van de vakantiebijslag plaatsvindt. Door de SVB is in deuitvoeringstoets opgemerkt dat de voorgestelde wijziging voor de AIOonuitvoerbaar is. Gelet hierop wordt voorgesteld de SVB uit te zonderen,zodat de SVB op de bestaande wijze de vakantiebijslag kan blijvenverrekenen en uitkeren.Onderdeel DD (artikel 47b)Aan artikel 47b worden de in deze wet geïntroduceerde artikelen ofonderdelen daarvan toegevoegd voor zover deze ook van toepassing zijnop de SVB.Onderdeel FF (artikel 47d)Aan artikel 47d wordt een nieuw, vijfde lid toegevoegd. De SVB behoudtde huidige wijze van verrekenen; de tekst van artikel 32, tweede lid, zoalsdeze geldt tot aan inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt daaromexpliciet van toepassing verklaard op de SVB.Onderdelen GG, HH, II en JJ (artikelen 52, 53a, 64 en 67)Met de wijzigingen in deze artikelen wordt achterstallig onderhoudgepleegd. Dit betreft technische wijzigingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3203 Onderdeel KK (artikel 78f)In artikel 78f is de grondslag opgenomen voor Bbz 2004: het besluit opbasis waarvan een zelfstandige een aanvraag voor algemene bijstand kandoen. Uit dit artikel volgt ook dat de bepalingen in de Participatiewet vantoepassing zijn op een aanvraag van een zelfstandige, tenzij er in het Bbz2004 van wordt afgeweken. Aan artikel 78f worden gelet op ditwetsvoorstel de volgende artikelen toegevoegd: 17, 31, 34a, 35, 43a, 44,en 83. Daar kan in het Bbz 2004 van worden afgeweken.Onderdeel LL (artikel 78ff)Het wetsvoorstel voorziet in overgangsrecht voor een beperkt aantalartikelen. Gemeenten en de SVB krijgen ruim de tijd om – tijdens deimplementatietermijn – de uitvoering aan te passen aan de maatregelendie worden voorgesteld in dit wetsvoorstel.Voor artikel 12, onderhoudsplicht ouders voor jongmeerderjarigen, datvervalt geldt het volgende. Aanvragen die zijn ingediend voor inwerking-treding van dit wetsvoorstel worden behandeld op grond van artikel 12zoals dat gold voor de inwerkingtreding. Hetzelfde geldt voor al toege-kende aanvragen. In beide gevallen geldt daarnaast dat als de jongmeer-derjarige op grond van het te schrappen artikel 12 minder bijzonderebijstand zou ontvangen, dan op grond van artikel 20, derde lid, de bijstandvoor die jongmeerderjarige wordt aangevuld tot de nieuwe op hemtoepasselijk norm.Ten aanzien van de inkomensvrijlating (artikel 34a nieuw) wordt hetvolgende geregeld:•Indien de bijstandsgerechtigde bij inwerkingtreding van dit wetsvoor-stel nog recht heeft op een inkomstenvrijlating van 25% voor de duurvan maximaal 6 maanden (art. 31, tweede lid, onderdeel n), blijft ditrecht bestaan tot uiterlijk 1 jaar na inwerkingtreding.•Indien de bijstandsgerechtigde bij inwerkingtreding van dit wetsvoor-stel nog recht heeft op de inkomstenvrijlating als alleenstaande oudervan 15% (art. 31, tweede lid, onderdeel r), wordt deze vrijlatingomgezet in de nieuwe inkomensvrijlating, met dien verstande dat debijverdienregeling in ieder geval behouden blijft voor de restant duurvan de vrijlating (max. 30 maanden).Onderdeel MM (artikel 83)Voorgesteld wordt het eerste lid te herformuleren en uit te breiden. Zoworden extra doelstellingen toegevoegd waarop experimenten gerichtkunnen zijn. De doelen die de regering voor ogen heeft zijn «maatschap-pelijke participatie», «permanente ontheffingen» en «loonkostensub-sidies». De reikwijdte van het experimenteerartikel wordt met deaanpassing naar «de opdracht aan het college en de rechten en plichteninzake arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie» breder danexperimenten alleen gericht op uitstroom uit de bijstand op korte oflangere termijn. Deelnemers aan een experiment met als doel maatschap-pelijke participatie zullen groepen bijstandsgerechtigden zijn die langdurigof tijdelijk niet aan het werk kunnen in regulier of beschut werk. Zo’nexperiment is gericht op het meedoen in de maatschappij en heeft dusniet uitsluitend of direct uitstroom tot doel. Ook experimenten metbetrekking tot artikel 9, vijfde lid, van de wet zijn niet op uitstroom uit debijstand gericht. Het doel is te experimenten met een bredere toepas-baarheid van deze bepaling. Specifiek gaat het daarbij om de bijstandsge-rechtigden die langdurig niet in staat zijn gebleken om werk te vinden ente behouden, of om aan re-integratieactiviteiten deel te nemen, maar bijTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3204 wie evengoed volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grondvan de WIA criteria, zoals genoemd in artikel 9, vijfde lid, van de Participa-tiewet, niet is of kan worden vastgesteld. Met de uitbreiding naarartikel 10d van de wet wordt het mogelijk te experimenteren metloonkostensubsidies. Zie ook paragraaf 5.8 van het algemeen deel van detoelichting.Met de wijziging van het tweede lid wordt de duur van een experimentverlengd van drie naar vijf jaar. Een experiment is per definitie tijdelijkmaar gebleken is dat drie jaar een te korte termijn is om de effecten vaneen experiment daadwerkelijk te kunnen meten. De termijn wordt om diereden verlengd tot vijf jaar. De termijn start op het moment van dehonorering van het experiment.Artikel II Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere engedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemersOnderdeel A (artikel 3)Voor de artikelsgewijze toelichting op artikel 3 wordt verwezen naar deartikelsgewijze toelichting op artikel 3 van de Participatiewet. Dezewijziging geldt overeenkomstig voor de IOAW.Onderdelen C en D (artikelen 8 en 8a)De verschillende vrijlatingen op inkomsten uit arbeid kent, worden metartikel 8a geharmoniseerd en teruggebracht tot twee categorieën vanpersonen. Die categorieën staan opgesomd in het nieuwe artikel 8a. Inonderdeel a is de hoofdregel neergelegd op basis waarvan voor allebijstandsgerechtigden één wijze van vrijlaten geldt. De zinsnede «indiendit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakelingvan deze persoon» is conform het huidige artikel en wijzigt dus niet.Met het voorgestelde onderdeel b, wordt voor mensen met een medischeurenbeperking de huidige duur van de vrijlating van inkomsten uit arbeidgehandhaafd. Aan deze wijze van verrekening is geen termijn verbonden.Indien de medische urenbeperking vast is gesteld wordt 15% van deinkomsten uit arbeid structureel toegekend.Nu de verschillende vrijlatingen worden geharmoniseerd, wordt voorge-steld de verschillende vrijlatingen en verwijzingen daarnaar uit artikel 8 teschrappen.Onderdeel E (artikel 13, derde lid)Met het gewijzigde artikel 13, derde lid, wordt voorgesteld om mogelijk temaken via DigiD een aanvraag toe te kennen. De verplichting om deidentiteit van een bijstandsgerechtigde vast te stellen aan de hand vaneen document, bedoeld in de Wet op de identificatieplicht, blijft bestaanvoor degenen die niet digitaal een aanvraag voor bijstand indienen. Uithet derde lid volgt dat bij een digitale aanvraag via DigiD wordt veronder-steld dat diegene zich op een eerder moment bij een overheidsinstantieheeft geïdentificeerd. Door de verwijzing naar de Regeling voorzieningenWdo wordt gewaarborgd dat de aanvraag via DigiD een versterktbetrouwbaarheidsniveau kent. Zo’n DigiD wordt namelijk uitsluitendverstrekt aan een gebruiker die houder is van een geldig Nederlandspaspoort, Nederlandse identiteitskaart, Nederlands rijbewijs of anderNederlands document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op deidentificatieplicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3205 Onderdeel F (artikel 15a)Er wordt een nieuw artikel toegevoegd, 15a, over het gebruik vangegevens van een aanvrager aan wie eerder al bijstand is verleend. Ditbetreft de aanvrager die binnen twaalf maanden opnieuw een aanvraagdoet. In dat geval kunnen de gegevens waarover het college al beschikt,hergebruikt worden. Hierdoor wordt de aanvrager ontlast. In het tweedelid is bepaald dat het college nagaat of de beschikbare gegevens nogkloppen op basis van de bronnen die het college tot zijn beschikking heeft.Zo nodig controleert het college dit bij de aanvrager zelf.Onderdeel G (artikel 16a, vierde lid)Voorgesteld wordt om het mogelijk te maken om een bijstandsuitkeringtoe te kennen met terugwerkende kracht (lid 4). De terugwerkende krachtgeldt voor maximaal drie maanden. Er kan met terugwerkende krachtworden toegekend als naar het oordeel van het college de individueleomstandigheden van het geval hiertoe noodzaken. Gedacht kan wordenaan situaties waardoor mensen ernstig financieel in de knel komendoordat zij te laat een bijstandsuitkering aanvragen. Voor voorbeelden vandergelijke gevallen wordt verwezen naar paragraaf 3.6 in het algemeendeel van de toelichting.Onderdeel H en JArtikel 20 wordt aangepast in lijn met de voorgestelde aanpassing vanartikel 18 Pw (zie de toelichting op de onderdelen L, M en EE van artikel 1).Dat betekent dat een grondslag wordt opgenomen om bij amvb nadereregels te stellen ten aanzien van het verlagen van de uitkering ter zake vanhet niet nakomen door de bijstandsgerechtigde van de verplichtingenvoortvloeiende uit deze wet en dat bij amvb kan ook worden bepaald datvoor sommige (categorieën van) verplichtingen door de gemeente kanworden afgezien van het opleggen van een maatregel. De specifiekeweigeringsgronden, al dan niet tijdelijk, blijven in artikel 20 gehandhaafd,vanwege de correlatie met overeenkomstige bepalingen in de Werkloos-heidswet.Onderdelen I, J, K en L (artikel 34–37)De aanpassingen in de onderdelen I, J, K en L betreffen het schrappen vande tegenprestatie en de sociale activering, alsmede de verankering vanmaatschappelijke participatie, als onderdeel van de generieke verplich-tingen verbonden aan de uitkering, en daarbij het recht de maatschappe-lijke participatie zelf vorm te geven(zie ook de artikelsgewijze toelichtingop de onderdelen G en H van Artikel I en paragraaf 5).Onderdeel M (artikel 38b)Met artikel 38b wordt het bufferbudget geïntroduceerd. Het bufferbudgetbestaat uit een bedrag van maximaal € 1.000 per bijstandsgerechtigdegedurende 12 maanden. Het is een instrument dat het college op basisvan een eigen beoordeling kan inzetten indien een bijstandsgerechtigdeaan de voorwaarden voldoet zoals opgesomd in het eerste lid, onderdelena en b. Het is daarmee een maatwerkregeling. In het tweede lid is bepaalddat het college vanuit het bufferbudget betalingen aan de bijstandsge-rechtigde kan doen of om onverschuldigd betaalde algemene bijstand tevereffenen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3206 Het bufferbudget heeft, anders dan bijzondere bijstand, als doel omre-integratie van de bijstandsgerechtigde te bevorderen en een stimulanstot arbeidsinschakeling door schommelingen in inkomsten op te vangenen financiële stabiliteit te creëren.Artikel III Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere engedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigenOnderdeel A (artikel 3)Voor de artikelsgewijze toelichting op artikel 3 wordt verwezen naar deartikelsgewijze toelichting op artikel 3 van de Participatiewet. Dezewijziging geldt overeenkomstig voor de IOAZ.Onderdeel C (artikel 5)In artikel 5, tweede lid, wordt voorgesteld de onderdelen één en vier tewijzigen. Deze wijzigingen maken het mogelijk dat een aanvraag voor eenIOAZ-uitkering ook na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroepkan worden gedaan. Te weten tot een maximum van drie maanden na diebeëindiging. Nu kan enkel een aanvraag in behandeling worden genomenindien deze is ingediend voordat het bedrijf of zelfstandig beroep isbeëindigd.Door het toetsingscriterium van het moment van aanvraag te verruimen,komen ook de zelfstandigen van 55 tot aan de pensioengerechtigdeleeftijd in aanmerking voor een uitkering, als zij binnen drie maanden nabeëindiging alsnog een aanvraag doen. Het is aan gemeenten om, net alsnu, op basis van de beschikbare informatie te bepalen wanneer het bedrijfof beroep beëindigd is. Deze informatie kan bestaan uit jaarrekeningen,een liquidatiebalans, aangiften Inkomstenbelasting, een eventueleuitschrijving van de Kamer van Koophandel, een bedrijfspand dat noggehuurd wordt en bankmutaties. Gemeenten achten het uitvoerbaar dezetoets ook tot drie maanden na beëindiging uit te voeren.Onderdelen D en E (artikelen 8 en 8a)De verschillende vrijlatingen op inkomsten uit arbeid kent, worden metartikel 8a geharmoniseerd en teruggebracht tot twee categorieën vanpersonen. Die categorieën staan opgesomd in het nieuwe artikel 8a. Inonderdeel a is de hoofdregel neergelegd op basis waarvan voor allebijstandsgerechtigden één wijze van vrijlaten geldt. De zinsnede «indiendit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakelingvan deze persoon» is conform het huidige artikel en wijzigt dus niet.Met het voorgestelde onderdeel b, wordt voor mensen met een medischeurenbeperking de huidige duur van de vrijlating van inkomsten uit arbeidgehandhaafd. Aan deze wijze van verrekening is geen termijn verbonden.Indien de medische urenbeperking vast is gesteld wordt 15% van deinkomsten uit arbeid structureel toegekend.Nu de verschillende vrijlatingen worden geharmoniseerd, wordt voorge-steld de verschillende vrijlatingen en verwijzingen daarnaar uit artikel 8 teschrappen.Onderdeel F (artikel 13, derde lid)Met het gewijzigde artikel 13, derde lid, wordt voorgesteld om mogelijk temaken via DigiD een aanvraag toe te kennen. De verplichting om deidentiteit van een bijstandsgerechtigde vast te stellen aan de hand vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3207 een document, bedoeld in de Wet op de identificatieplicht, blijft bestaanvoor degenen die niet digitaal een aanvraag voor bijstand indienen. Uithet derde lid volgt dat bij een digitale aanvraag via DigiD wordt veronder-steld dat diegene zich op een eerder moment bij een overheidsinstantieheeft geïdentificeerd. Door de verwijzing naar de Regeling voorzieningenWdo wordt gewaarborgd dat de aanvraag via DigiD een versterktbetrouwbaarheidsniveau kent. Zo’n DigiD wordt namelijk uitsluitendverstrekt aan een gebruiker die houder is van een geldig Nederlandspaspoort, Nederlandse identiteitskaart, Nederlands rijbewijs of anderNederlands document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op deidentificatieplicht.Onderdeel G (artikel 15a)Er wordt een nieuw artikel toegevoegd, 15a, over het gebruik vangegevens van een aanvrager aan wie eerder al bijstand is verleend. Ditbetreft de aanvrager die binnen twaalf maanden opnieuw een aanvraagdoet. In dat geval kunnen de gegevens waarover het college al beschikt,hergebruikt worden. Hierdoor wordt de aanvrager ontlast. In het tweedelid is bepaald dat het college nagaat of de beschikbare gegevens nogkloppen op basis van de bronnen die het college tot zijn beschikking heeft.Zo nodig controleert het college dit bij de aanvrager zelf.Onderdeel H (artikel 16a, derde lid)Voorgesteld wordt om het mogelijk te maken om een bijstandsuitkeringtoe te kennen met terugwerkende kracht (lid 4). De terugwerkende krachtgeldt voor maximaal drie maanden. Er kan met terugwerkende krachtworden toegekend als naar het oordeel van het college de individueleomstandigheden van het geval hiertoe noodzaken. Gedacht kan wordenaan situaties waardoor mensen ernstig financieel in de knel komendoordat zij te laat een bijstandsuitkering aanvragen. Voor voorbeelden vandergelijke gevallen wordt verwezen naar paragraaf 3.6 in het algemeendeel van de toelichting.Onderdeel I (artikel 20)Artikel 20 wordt aangepast in lijn met de voorgestelde aanpassing vanartikel 18 Pw (zie de toelichting op de onderdelen L, M en EE van artikel I).Dat betekent dat een grondslag wordt opgenomen om bij amvb nadereregels te stellen ten aanzien van het verlagen van de uitkering ter zake vanhet niet nakomen door de bijstandsgerechtigde van de verplichtingenvoortvloeiende uit deze wet en dat bij amvb kan ook worden bepaald datvoor sommige (categorieën van) verplichtingen door de gemeente kanworden afgezien van het opleggen van een maatregel. De specifiekeweigeringsgronden, al dan niet tijdelijk, blijven in artikel 20 gehandhaafd,vanwege de correlatie met overeenkomstige bepalingen in de Werkloos-heidswet.Onderdelen J,K, L en M (artikel 34–37)De aanpassingen in de onderdelen H, I, J en K betreffen het schrappenvan de tegenprestatie en de sociale activering, alsmede de verankeringvan maatschappelijke participatie, als onderdeel van de generiekeverplichtingen verbonden aan de uitkering, en daarbij het recht demaatschappelijke participatie zelf vorm te geven (zie ook de artikelsge-wijze toelichting op de onderdelen G en H van Artikel I en paragraaf 5).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3208 Onderdeel N (artikel 38b)Met artikel 38b wordt het bufferbudget geïntroduceerd. Het bufferbudgetbestaat uit een bedrag van maximaal € 1.000 per bijstandsgerechtigdegedurende 12 maanden. Het is een instrument dat het college op basisvan een eigen beoordeling kan inzetten indien een bijstandsgerechtigdeaan de voorwaarden voldoet zoals opgesomd in het eerste lid, onderdelena en b. Het is daarmee een maatwerkregeling. In het tweede lid is bepaalddat het college vanuit het bufferbudget betalingen aan de bijstandsge-rechtigde kan doen of om onverschuldigd betaalde algemene bijstand tevereffenen.Het bufferbudget heeft, anders dan bijzondere bijstand, als doel omre-integratie van de bijstandsgerechtigde te bevorderen en een stimulanstot arbeidsinschakeling door schommelingen in inkomsten op te vangenen financiële stabiliteit te creëren.Artikel IV InwerkingtredingDit wijzigingsvoorstel zal in op een bij koninklijk besluit vast te stellentijdstip in werking treden. Indien noodzakelijk kunnen verschillendeonderdelen op verschillende momenten in werking treden, waarbijrekening wordt gehouden met de vaste verandermomenten en deminimale invoeringstermijn.De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen,C.J. SchoutenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3209
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.