KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda JBZ-Raad 12-13 december 2024 (Kamerstuk 32317-907)

12 dec 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 6067e2f26cc769a8 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 317JBZ-RaadNr. 909 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 12 december 2024 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister en de Staatssecretaris vanJustitie en Veiligheid over de brief van 22 oktober 2024 over het verslagvan de JBZ-Raad van 10 en 11 oktober 2024 (Kamerstuk 32 317, nr. 903),over de brief van 29 november 2024 over OntwikkelingenCSAM-Verordening en de uitvoering van de motie van het lid Kathmannc.s. over zich uitspreken tegen een detectiebevel op privécommunicatievan burgers en komen tot gezamenlijke uitgangspunten voor hettegengaan van verspreiding van beeldmateriaal van onlinekindermisbruik(Kamerstuk 32 317, nr. 891) (Kamerstuk 32 317, nr. 906) en over de briefvan 3 december 2024 over de Geannoteerde agenda JBZ-Raad12-13 december 2024 (Kamerstuk 32 317, nr. 907).De vragen en opmerkingen zijn op 9 december 2024 aan de Minister en deStaatssecretaris van Justitie en Veiligheid voorgelegd. Bij brief van11 december 2024 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,PoolAdjunct-griffier van de commissie,Paauwe kst-32317-909ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 9091 InhoudsopgaveVragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie enreactie van de bewindspersoon2Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en reactie van de bewindspersoon4Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie enreactie van de bewindspersoon7Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie enreactie van de bewindspersoon10Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie enreactie van de bewindspersoon13 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoonVragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie enreactie van de bewindspersoonMet betrekking tot de mogelijke agendering van de EU-verordening terbestrijding van online seksueel kindermisbruik (hierna:CSAM-verordening) willen de leden van de PVV-fractie dat er niet zondersteun van de Kamer wordt afgeweken van het eerder door het kabinetingenomen standpunt waarmee Nederland tot de groep landen blijftbehoren die de algemene oriëntatie op dit onderwerp niet steunt. Graagontvangen deze leden een toezegging van de Minister.AntwoordDe standpunten zoals uiteengezet in de brieven van 1 oktober en29 november jl. blijven van kracht.1 Nederland zal zich onthoudenvan het innemen van een positie ten aanzien van het laatsteHongaarse voorstel en dit actief kenbaar maken. Hiermee blijftNederland tot de groep landen behoren die een algemeneoriëntatie niet steunt.Wat betreft de aanpak van mensensmokkel zijn de leden van dePVV-fractie teleurgesteld dat het kabinet geen steun heeft verleend aanhet voorstel van de Europese Commissie tot het strafbaar stellen van «hetpubliekelijk aanzetten tot illegale binnenkomst, doortocht of verblijf». Ditis een gemiste kans van het kabinet om illegale migratie en alle ondermij-nende criminele organisaties die hierbij betrokken zijn, een slag toe tebrengen. Deze leden vragen de Minister zich in te spannen om alsnog toteen werkbare definitie te komen, zodat het aansporen tot illegalebinnenkomst, doortocht of verblijf strafbaar kan worden gesteld.AntwoordZoals ook in het BNC-fiche gesteld heeft Nederland ingezet opverduidelijking van de reikwijdte van de strafbaarstelling en opwijziging van de precieze formulering van het artikel over hetpubliekelijk aanzetten tot illegale binnenkomst, doortocht ofverblijf.2 In de onderhandelingen is naar mening van het kabinetgeen formulering gevonden die de legaliteit voldoende waarborgt1Kamerstuk 34 843, nr. 113 en Kamerstuk 32 317, nr. 9062Kamerstuk 22 112, nr. 3873.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 9092 en die dus voldoende duidelijk maakt welke gedragingen wel enniet binnen de reikwijdte van de bepaling vallen.Het overgrote deel van de lidstaten had soortgelijke funda-mentele bezwaren en zorgen in relatie tot de vrijheid vanmeningsuiting. Het kabinet acht het derhalve niet waarschijnlijkdat in het kader van dit voorstel – dat minimumnormen stelt waarlidstaten nationaal verder in mogen gaan – nog wordt gekomentot de gewenste bepaling en voor alle lidstaten werkbaredefinitie. Het kabinet is daarom van mening dat beter binnen dehuidige rechtskaders nader kan worden verkend in hoeverredergelijke activiteiten, en daarbij met name de wervingsactivi-teiten van mensensmokkelaars op bijvoorbeeld sociale media,beter tegen kunnen worden gegaan.De leden van de PVV-fractie zijn verbolgen over het feit dat de EUvoorstelt om in de aanpak van mensensmokkel de minimumnorm voorstrafmaxima te verlagen. Voor mensensmokkel met de dood tot gevolgwordt deze verlaagd van vijftien jaar naar maximaal tien jaar en vooroverige zwaardere gevallen wordt deze verlaagd van tien jaar naarmaximaal acht jaar. De EU geeft hiermee het signaal af dat het wel watminder kan met het bestraffen van mensensmokkelaars en dat ze vooralniet te hard moeten worden aangepakt. Een heel verkeerd signaal, vindendeze leden. Dit is ook niet in lijn met de afspraken in het Hoofdlijnenak-koord waar wordt ingezet op zwaarder bestraffen van zware misdrijven.Deelt de Minister deze mening van deze leden en kan hij toezeggen datdeze Europese oriëntatie niet tot gevolg zal hebben dat in Nederland destraffen worden verlicht voor betreffende zware misdrijven? Hoe gaat hijdit bewerkstelligen?AntwoordHet compromisvoorstel voor de nieuwe mensensmokkelrichtlijnbevat hogere minimumnormen voor de strafmaxima dan hethuidige beknoptere Europese kader.3De minimumnormen voor de strafmaxima bij de verschillendevormen van mensensmokkel zijn in het compromisvoorstel na deonderhandelingen enkel lager dan in het oorspronkelijke voorstelvan de Europese Commissie (hierna: Commissie). Hierbij acht hetkabinet van belang te melden dat de in het voorstel genoemdeminimumnormen zien op de minimale strafmaxima die lidstatennationaal moeten opnemen. Lidstaten kunnen dus desgewenstook hogere gevangenisstraffen hanteren. Het strafmaximum voormensensmokkel is in de Nederlandse wetgeving ook hoger. Hetopnemen van deze minimumnormen in de mensensmokkel-richtlijn betekent dus niet dat de nationale strafmaxima voormensensmokkel in artikel 197a van het Wetboek van Strafrechtnaar beneden aangepast worden. De behandeling van het reedsbij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel voor de verhoging van dewettelijke strafmaxima van mensensmokkel en de uitbreiding vande toepasselijkheid van de strafwet op mensensmokkel begaanbuiten Nederland, kan dus ook gewoon doorgaan.4 Het compro-misvoorstel past dus ook binnen de ambities van het kabinet.Tot slot hechten de leden van de PVV-fractie eraan te melden dat dezeleden graag zien dat mensensmokkel te allen tijde strafbaar wordt gesteld,3Richtlijn 2002/90/EG van de Raad, artikel 3 en Kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad, artikel 1.4Kamerstuk 36 414, nr. 1–4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 9093 ongeacht of dit onder de vlag van een ngo gebeurt of niet. Het gaat nietom de intentie, maar om de strafbaarheid van het feit. Deelt de Ministerdit standpunt? Of mag iedereen met goede bedoelingen voortaanmisdrijven begaan? Graag ontvangen deze leden een reflectie van deMinister.AntwoordPersonen en organisaties dienen niet bij te dragen aan crimineleactiviteiten van mensensmokkelaars die geregeld mensenlevensop het spel zetten. Het kabinet vindt het onwenselijk wanneer deactiviteiten en aanwezigheid van private schepen – bijvoorbeeldop de Middellandse Zee – zouden bijdragen aan het voortdurenvan mensensmokkel over zee. Het is aan de nationale(opsporings-)autoriteiten te onderzoeken of sprake is vanstrafbare gedragingen en zo nodig over te gaan tot strafrechte-lijke vervolging. In Nederland is deze bevoegdheid voorbehoudenaan het Openbaar Ministerie. Het is dus ook niet aan het kabinetom uitspraken te doen over wanneer tot vervolging wordtovergegaan en waar deze grens precies ligt.Het kabinet benadrukt dat het tegengaan van het verlies vanlevens op zee en de internationaalrechtelijke plicht om mensen-levens op zee te redden uitgangspunten blijven. Het kabinet isdaarmee dus ook niet voor het strafbaar stellen van hulp aanmensen in nood door organisaties, zoals niet-gouvernementeleorganisaties, die handelen op basis van humanitaire gronden enmet inachtneming van internationale regels, maar wil tegelij-kertijd strafrechtelijke aansprakelijkheid niet expliciet bij wetuitsluiten. Een beslissing over of vervolging van strafbaregedragingen al dan niet dient plaats te vinden moet namelijkkunnen worden gemaakt op basis van de concrete omstandig-heden van een geval en kan sterk afhangen van de preciezeomstandigheden. Daarom is het kabinet ook van mening dathumanitaire hulp niet bij voorbaat wordt uitgesloten van straf-baarheid, en dat in gevallen die daar aanleiding toe gevenonderzoek kan plaatsvinden alvorens wordt besloten of ooksprake is geweest van vervolgbare gedragingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en reactie van de bewindspersoonDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deagenda van de JBZ-Raad op 12 en 13 december 2024. Deze leden zien datde CSAM-verordening weer op tafel ligt en hebben hierover vragen enopmerkingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse gelezenhoe de motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk 32 317, nr. 891) is uitgevoerd.Deze leden constateren dat voorstellen die alleen mogelijk zijn met clientside scanning en voorstellen die een detectiebevel bevatten, nu principieelworden uitgesloten door het kabinet. Klopt deze constatering? Heeft deMinister nog aan andere scenario’s gedacht over hoe deze motie uit tevoeren? Zo ja, waarom zijn deze denkrichtingen niet verder uitgewerkt?AntwoordIn de Kamerbrief waarnaar in de vraag wordt verwezen, wordenenkele uitgangspunten geschetst voor de onderhandelingen inBrussel, specifiek met betrekking tot een detectiebevel.Nederland zal, in lijn met de motie Kathmann c.s., geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 9094 voorstellen ondersteunen die een verplichting inhouden totdetectie in de privécommunicatie van alle burgers. Daarnaastworden voorstellen afgewezen die een verplichting omvatten totdetectie van onbekend kinderpornografisch materiaal engrooming. Ten slotte zal het kabinet met de informatie die nuvoorhanden is, geen voorstellen over verplichte detectie onder-steunen die in de praktijk uitsluitend kunnen worden uitgevoerddoor middel van client-side scanning.Daarnaast wordt onderzocht of alternatieven bestaan dietechnisch en juridisch voldoende waarborgen bieden voor deveiligheid en privacy van burgers. Tevens wordt bekeken of hetkabinet ruimte ziet voor het ondersteunen van verplichte detectiein andere contexten, zoals in niet-versleutelde communicatie-diensten of op hostingservers. Zoals in de Kamerbrief wordtbenadrukt is verder onderzoek noodzakelijk om deze mogelijk-heden te kunnen beoordelen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij met de degelijkeuitwerking, maar verwachten dat er zonder grondige aanpassingen vanhet voorstel te veel bezwaren blijven bestaan die effectieve wetgeving opde korte termijn in de weg blijven staan. Heeft de Minister ten tijde vanhet schrijven nieuwe tekstwijzigingen ontvangen van het Hongaarsevoorzitterschap? Waren deze gewijzigd ten opzichte van eerder ontvangenvoorstellen? Bovendien hebben deze leden begrepen dat er vrijdag eenaanvullende bijeenkomst is geweest van het Coreper II-vooroverleg. Dezeleden zijn benieuwd waarom deze is geagendeerd en wat hier besprokenis. Kan de Minister dit toelichten?AntwoordHet Hongaarse voorzitterschap heeft ten tijde van dit schrijvengeen nieuwe inhoudelijke tekstwijzigingen voorgesteld. In deCoreper-vergadering van 6 december jl. afgelopen vrijdag wildehet Voorzitterschap beoordelen of er veranderingen waren in hetkrachtenveld en te toetsen of een gekwalificeerde meerderheidvoor het voorstel kon worden behaald. Dit was niet het geval.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de toekomst is vande derogatie voor detectie voor techbedrijven, die nu in 2026 afloopt. Zetdeze naderende deadline de onderhandelingen in de Raad te veel onderdruk? Acht de Minister het wenselijk en aannemelijk dat de derogatieverlengd wordt als lidstaten niet snel tot een akkoord komen?AntwoordOnder het vorige Voorzitterschap hebben het Europees parlementen de Raad besloten de derogatie van de ePrivacy-richtlijn met 20maanden te verlengen, waardoor deze nu van kracht blijft totapril 2026. Het is mogelijk dat het Europees parlement en deRaad een nieuw voorstel tot verlenging doen indien de onderhan-delingen over de Verordening meer tijd in beslag nemen danvoorzien.Kan hij bovendien iets meer zeggen over welke lidstaten nu twijfelen overhun positie en welke bezwaren zij hebben? Richt het Hongaarse voorzitter-schap zich nu tot de blokkerende minderheid of de meerderheid bij hetverder afstemmen van de tekst van de verordening? Met welke lidstatentrekt de Minister nu samen op om richting te geven aan de onderhande-lingen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 9095 AntwoordOver de posities van specifieke lidstaten kunnen vanwege devertrouwelijkheid geen mededelingen worden gedaan. HetHongaarse voorzitterschap heeft ten tijde van dit schrijven geennieuwe inhoudelijke tekstwijzigingen voorgesteld. Wel isduidelijk dat een grote groep lidstaten dit voorstel kan steunenen tot een algemene oriëntatie wil komen. Tegelijk is er op hetmoment van schrijven een kleinere groep kritische lidstaten diehet huidige voorstel nog niet kan steunen en die een blokkerendeminderheid vormt. Nederland behoort tot deze laatste groep.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden graag zien dat destrekking van de CSAM-verordening verandert en de principiële bezwarenvan de blokkerende minderheid wegneemt. Alleen op die manier hangteffectieve wetgeving die kan rekenen op brede steun, niet langer af vanvoorstellen die volgens deze leden leiden tot onacceptabele schendingenvan digitale grondrechten. Zij pleiten voor een verordening met een beterafgebakend doel: om beelden van seksueel kindermisbruik te verwijderenvan het internet. De vervlechting met het strafrecht en de onzekeretechnologie die dit mogelijk moet maken, achten zij als een te groteinbreuk op de privacy en cyberveiligheid van alle Europeanen. Dat laatonverlet dat een stevige Europese aanpak van onlinekindermisbruikbittere noodzaak is, mits deze uitgaat van bewezen effectieve maatregelenen Europese grondrechten respecteert.Onder welke voorwaarden zou de Minister een gewijzigd voorstel vandeze strekking steunen? Verandert de positie van de Minister als clientside scanning niet meer in het voorstel staat en er geen sprake meer isvan detectiebevelen op versleutelde een-op-eenchatdiensten? Heeft deMinister zijn voorwaarden kenbaar gemaakt aan het Hongaarsevoorzitterschap?AntwoordIn de brief aan uw Kamer van 29 november jl. heeft de Ministervan Justitie en Veiligheid aangegeven dat het kabinet niet methet laatste compromisvoorstel van het Hongaarse voorzitterschapkan instemmen en dat Nederland in lijn met de motie Kathmannc.s., geen voorstellen zal ondersteunen die een verplichtinginhouden tot detectie in de privécommunicatie van alle burgers.Ook gaat de brief in op verdere vragen en aandachtspunten dienader dienen te worden onderzocht. Daarna kan worden bezienof, en zo welke, nadere voorwaarden en uitgangspunten kunnenworden gehanteerd Het Hongaarse voorzitterschap is uiteraardbekend met de Nederlandse positie en de voorwaarden dieNederland stelt.Tot slot zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benieuwd naar deplanning de komende tijd. Als bij de JBZ-Raad een algemene oriëntatiewordt aangenomen, welke acties en onderhandelingen volgen hier danop? Acht de Minister het huidige voorstel kansrijk in de triloogfase, geziende kritische houding van het Europees parlement? Als het Hongaarsevoorzitterschap er niet in slaagt met een gerechtvaardigde meerderheidtot een oriëntatie te komen, hoe zal het Poolse voorzitterschap deonderhandelingen verder brengen? Behorende tot de blokkerendeminderheid, is het aannemelijk dat Polen concessies doet richting anderekritische lidstaten? Is hierover al gesproken en wat was de strekking vandit contact? Welke rol gaat de Minister spelen als bewindspersoon vaneen kritische lidstaat om de zorgen en bezwaren zo veel mogelijk weg tenemen in de gewijzigde tekst?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 9096 AntwoordIndien een algemene oriëntatie zou worden bereikt, dan volgtdeze Verordening het reguliere EU-wetgevingsproces, waarin deonderhandelingen in de triloogfase komen. In die fase vindenbesprekingen plaats tussen de Commissie, de Raad en hetEuropees parlement. Op dit moment is er echter geen zicht op hetvervallen van de blokkerende minderheid. Het is nog te vroeg omin te schatten hoe het huidige voorstel zal evolueren, medegezien de kritische houding van het Europees parlement. Op ditmoment is het niet mogelijk om op de verdere planning vooruit telopen. Tevens is nog niet duidelijk hoe het Poolse voorzitterschapmet dit voorstel verder zal gaan.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda van de eerstvolgende JBZ-Raad. Deze leden stellen daar nogenkele vragen over.De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet zich positief heeftopgesteld over het meenemen van kindersekspoppen in het voorstel voorde richtlijn ter voorkoming en bestrijding van seksueel misbruik vankinderen. Hoe groot is de kans dat dit onderdeel wordt van de richtlijn enhoe staat het met de inwerkingtreding van het Nederlandse verbod opkindersekspoppen? Is dat al genotificeerd bij de Europese Commissie? Zonee, waarom niet?AntwoordIn de algemene oriëntatie wordt in een van de overwegingenaandacht besteed aan kindersekspoppen. Daarin worden lidstatenaangemoedigd om gedragingen met kindersekspoppen,waaronder de productie daarvan, strafbaar te stellen. Er zijn geenindicaties dat andere lidstaten bezwaar zullen maken tegen dezeoverweging.Met betrekking tot het Nederlandse verbod op kindersekspoppengeldt dat de verplichte notificatie aan de Commissie op 10 juli2024 heeft plaatsgevonden. Er zijn binnen de in acht te nemenzogeheten «stand still periode» van drie maanden geen reactiesvan de Commissie of andere lidstaten ontvangen. Dat betekentdat het verbod in werking kan treden. Het besluit dat voorziet ininwerkingtreding per 1 januari 2025 is inmiddels gepubliceerd(Stb. 2024, 363).De leden van de VVD-fractie hebben gezien dat er aarzelingen waren overde voorgestelde verplichting voor werkgevers en vrijwilligersorganisatiesom informatie op te vragen over het bestaan van strafrechtelijke veroor-delingen, omdat niet geheel duidelijk was hoe die verplichting zichverhoudt tot de Nederlandse VOG-systematiek. Kan de Minister dit nadertoelichten? Welke exacte verplichtingen vloeien voort uit de algemeneoriëntatie en welke daarvan vergen aanpassing van wet- en regelgeving,ervan uitgaande dat de algemene oriëntatie wordt bereikt deze JBZ-Raad?Graag ontvangen deze leden ook een analyse wat het richtlijnvoorstelvoor de Nederlandse VOG-systematiek en praktijk betekent.AntwoordHet kabinet onderschrijft nadrukkelijk het belang van eengedegen bescherming van kinderen tegen seksueel kindermis-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 9097 bruik. Het kabinet heeft daarom een uitgebreid screeningsbeleid.Zo geldt in veel gevallen al een wettelijke Verklaring Omtrent hetGedrag (VOG)-plicht voor het werken met kinderen, zoals voormedewerkers in de kinderopvang en het onderwijs. Ook stimu-leert de Nederlandse overheid vrijwilligersorganisaties die metkwetsbare personen werken om alleen personen met een VOGaan te nemen. Voor deze doelgroep bestaat de Regeling GratisVOG.In de onderhandelingsfase bestond voor enkele delegaties,waaronder Nederland, onduidelijkheid over de precieze reikwijdtevan de voorgestelde verplichting tot screening. De oorspronke-lijke screeningsverplichting gold voor werkgevers en vrijwilligers,zonder nadere duiding wie daar dan precies onder zouden vallen,waardoor Nederland twijfels had over de handhaafbaarheidhiervan. De verwachting was dat het lastig zou zijn om zicht tehouden op alle vrijwilligers die werken met kinderen, zeker alshet gaat om incidentele vrijwilligers. In de onderhandelingen istegemoet gekomen aan de zorg van Nederland omtrent dereikwijdte van de bepaling.De algemene oriëntatie schrijft een screeningsverplichting voorin bepaalde sectoren. Te weten in ieder geval de jeugdzorg, hetonderwijs de kinderopvang en de gezondheidszorg in hetalgemeen. Dit is in lijn met het Nederlandse VOG-beleid. Binnendeze sectoren worden de medewerkers en bepaalde groepenvrijwilligers in Nederland reeds gescreend. Het kabinet istevreden over de bereikte algemene oriëntatie, voor zover nu kanworden ingeschat laat de algemene oriëntatie voldoende ruimtevoor toepassing van de Nederlandse VOG-systematiek.De leden van de VVD-fractie vragen, met betrekking tot de richtlijn totharmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht, in hoeverreer in het kader van het bereiken van een (gedeeltelijke) algemeneoriëntatie ook is gesproken over nut en noodzaak van harmonisering vande procedures van de Wet homologatie onderhands akkoord (Whoa-procedures).AntwoordIn het kader van het bereiken van de gedeeltelijke algemeneoriëntatie is er niet specifiek gesproken over de harmoniseringvan de procedures van de Wet homologatie onderhands akkoord(Whoa). De in de Whoa opgenomen procedures zijn al gedeeltelijkgeharmoniseerd door de in 2019 tot stand gekomen richtlijnbetreffende herstructurering en insolventie.5Deze richtlijn is in2022 in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.6Evaluatie vandeze richtlijn is voorzien uiterlijk op 17 juli 2026.7In dezeevaluatie zal de Commissie de toepassing en het effect van dezerichtlijn onderzoeken en zo nodig aanvullende maatregelen totharmonisatie overwegen.85Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffendepreventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsver-boden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzakeherstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU)2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) PbEU 2019, L 172.6Wet van 23 november 2022 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de imple-mentatie van de betreffende herstructurering en insolventie (Implementatiewet richtlijnherstructurering en insolventie) Stb. 2022, 491.7Zie artikel 33 van de Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie.8Zie artikel 33 van de Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 9098 De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister kan expliciteren datNederland ten aanzien van de positie over herziening van deEOM-verordening (Europees Openbaar Ministerie) de uitkomst van deevaluatie zal afwachten. Ook vragen deze leden of het kabinet bereid is tehandelen naar de letter en geest van de motie Kamerstuk 35 429, nr. 8waarin de Kamer heeft gevraagd te waken voor een verdere uitbreidingvan het EOM-mandaat en in ieder geval niet zonder expliciet voorafgaandoverleg met de Kamer hierin stappen te zetten. Is het kabinet bereid in2026 in een zo vroeg mogelijk stadium de evaluatie van deEOM-verordening te delen met de Kamer en geen positie in te nemenzonder overleg met de Kamer over de evaluatie van de EOM-verordening?AntwoordHet kabinet bevestigt dat het standpunt nog ongewijzigd is endat Nederland voorkeur heeft voor het afwachten van deevaluatie van de EOM-Verordening die is voorzien voor 2026. Hetkabinet zal uw Kamer zowel van de uitkomst van deze evaluatieals van eventuele voorstellen van de Commissie tot aanpassingvan de EOM-Verordening op basis daarvan tijdig op de hoogtestellen zonder hierin al stappen te zetten, conform de aange-haalde motie.De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief over deontwikkelingen inzake de CSAM-verordening. Deze leden onderschrijvenmet het kabinet de noodzaak dat Europese landen beter moeten samen-werken bij het voorkomen en tegengaan van onlinekindermisbruik. Alslast resort bij een effectieve aanpak van online kinderpornografischmateriaal is het wat deze leden betreft wenselijk om nader te bezien onderwelke voorwaarden en adequate waarborgen voor privacy en digitaleveiligheid een verplichtend detectiebevel vorm kan krijgen. Staat deMinister open als landen die duidelijk voorstander zijn van een vorm vaneen verplichtend detectiebevel, met Nederland in gesprek willen omtegemoet te komen aan de zorgen van de Minister? Is de Minister ookbereid om actief het gesprek aan te gaan met voorstanders om eenpoging te wagen uit de huidige impasse te raken?AntwoordHet kabinet staat altijd open voor constructieve gesprekken overmogelijke oplossingen, waarbij het kabinet gebonden is aan dekaders zoals door uw Kamer geschetst in onder andere demotie-Van Raan en de motie-Kathmann c.s. Hierbij zij welopgemerkt dat het kabinet weloverwogen tot het huidigestandpunt is gekomen. Hierbij is ook gekeken naar deargumenten van de voorstanders van dit voorstel. Dit heeft dezorgen van het kabinet over de bescherming van in het gedingzijnde fundamentele grondrechten, met name op het gebied vande privacy en het brief- en telecommunicatiegeheim, en deveiligheid van het digitale domein echter onvoldoende kunnenwegnemen. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 29 novemberjl., erkent het kabinet dat technologische ontwikkelingenvoortdurend in beweging zijn. Nieuwe technologieën of andererelevante inzichten kunnen aanleiding geven bestaande stand-punten opnieuw te overwegen. Indien zich dergelijke ontwikke-lingen voordoen, zal het kabinet deze zorgvuldig onderzoeken.In januari treedt een nieuw Voorzitterschap in Brussel aan.Nederland zal, zoals gebruikelijk, actief bijdragen aan het procesom tot een voorstel te komen dat kan worden ondersteundTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 9099 aangezien het kabinet het doel van de Verordening explicietsteunt.De leden van de VVD-fractie lezen in de brief dat nieuwe technologischeontwikkelingen of andere relevante inzichten aanleiding kunnen geven ombestaande standpunten opnieuw te bekijken. Indien dergelijke techniekenof omstandigheden zich voordoen, zal de regering deze nader onder-zoeken en de Kamer hierover informeren. Vooralsnog bestaat volgens hetkabinet te weinig zekerheid om te kunnen concluderen dat een voldoendeveilige manier beschikbaar is om vorm te geven aan alternatievemogelijkheden. Kan de Minister concretiseren welke technologischeontwikkelingen en relevante inzichten aanleiding kunnen geven om hetbestaande standpunt van het kabinet opnieuw te bekijken? Ook wordt eenaantal keren verwezen dat nader onderzoek nodig is, onder andere naaraanleiding van het advies van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheids-dienst (AIVD). Kan de Minister aangeven wanneer de Kamer nader wordtgeïnformeerd over deze onderzoeken?AntwoordHet kabinet verkent of er alternatieve mogelijkheden zijn dietechnisch en juridisch voldoende waarborgen bieden voor deveiligheid, weerbaarheid en de privacy van burgers. Op ditmoment is het te vroeg om een datum te verbinden aan hetdefiniëren van mogelijke uitgangspunten of nieuwe inzichten.De leden van de VVD-fractie vragen of het in de lijn der verwachting ligtdat het voorstel de komende maanden zal worden gewijzigd. In hoeverrebestaat de inschatting dat onder het inkomend Pools voorzitterschap eennieuw compromisvoorstel zal worden geagendeerd in Coreper en in deRaad?AntwoordZoals benoemd in de beantwoording van de vragen van de ledenvan de GroenLinks-PvdA fractie, is het niet mogelijk om inhou-delijk vooruit te lopen op de plannen het Poolse voorzitterschap.Daar heeft het kabinet geen zicht op.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de NSC-fractie lezen op de agenda voor de JBZ-Raad dat in2021 een EU-strategie is ontwikkeld met betrekking tot het bestrijden vanantisemitisme, welke nadruk legt op preventie, bescherming van Joodsegemeenschappen en bevordering van Holocausteducatie. Hierna hebbenmeerdere lidstaten zelf strategieën geïntroduceerd. Het kabinet heeft op22 november 2024 een nieuwe antisemitismestrategie 2024–2030gepresenteerd. Deze leden vragen naar de verschillen en overeenkomstenin antisemitismestrategieën tussen lidstaten.De leden van de NSC-fractie vragen het kabinet om tijdens de JBZ-Raad tevragen welke verschillen en overeenkomsten in antisemitismestrategieëner zijn tussen lidstaten en of Nederland nog kan leren van antisemitismes-trategieën van andere lidstaten. Deze leden vragen de Minister omhierover een brief te sturen naar de Kamer.AntwoordDe Strategie bestrijding antisemitisme 2024–2030 van hetkabinet is met de Nationaal Coördinator AntisemitismebestrijdingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 90910 (NCAB) opgesteld. Ook in andere lidstaten zijn nationale coördi-natoren voor de bestrijding van antisemitisme aangewezen. Hetaanstellen van een nationaal coördinator in ieder lidstaat isonderdeel van de EU-strategie ter bestrijding van antisemitisme.Deze coördinatoren komen regelmatig bijeen en wisselen bestpractices voor beleidsmaatregelen uit. Op deze manier vindt ergoede kennisdeling plaats tussen EU-lidstaten. Bevindingen vaneffectieve maatregelen die de komende jaren in andere landenworden opgedaan, worden onder meer via dit netwerk vannationaal coördinatoren verspreid en zullen worden meegenomenin de verdere doorontwikkeling van de strategie. In de jaarlijksevoortgangsbrief van de strategie aan uw Kamer zal wordeningegaan op de voortgang van de inspanningen van het kabinetom antisemitisme tegen te gaan en verdere versterkingen. In dezebrief zal ook aandacht zijn voor best practices uit anderelidstaten.De leden van de NSC-fractie zien op de agenda een stand van zaken-bespreking over het EOM. In de geannoteerde agenda staat dat Nederlandvan mening blijft dat er geen directe aanleiding is het mandaat van hetEOM uit te breiden tot bijvoorbeeld de strafrechtelijke handhaving vanEU-sancties. Nederland staat wel open voor een discussie over eenbeperkte aanpassing van de EOM-verordening indien een dergelijkeaanpassing het EOM in staat zou stellen zijn werkzaamheden binnen hethuidige mandaat, dat zich richt op de bestrijding van EU-fraude, effec-tiever te vervullen. Nederland wacht de uitkomsten van de evaluatie vande EOM-verordening, die is voorzien voor 2026, met belangstelling af omdan nader een positie in te kunnen nemen over de rol en mandaat van hetEOM. Deze leden kunnen zich daar op zich in vinden. Zij hebben wel eenaantal vragen over het EOM. Het EOM is sinds 2021 operationeel en heeftals bevoegdheid strafbare feiten die de financiële belangen van de EUschaden te onderzoeken en vervolgen. Reden van de oprichting is: deEU-landen zijn in 2018 naar schatting € 140 miljard aan btw-inkomstenmisgelopen als gevolg van grensoverschrijdende fraude. Kan het kabinet,vooruitlopend op de evaluatie, alvast wat zeggen over de werking van hetEOM en de resultaten tot nu toe? En is de Minister tevreden met dehuidige prestaties? Waar ziet de Minister verbeterpunten? Heeft deMinister al ideeën over manieren waarop kan worden gewerkt aan eeneffectievere vervulling van de werkzaamheden?AntwoordAfgaande op de drie jaarverslagen van het EOM die uw Kamerook heeft ontvangen, is het kabinet positief over de voorlopigeresultaten van het EOM in de eerste drie jaren van zijn bestaan.Dat beeld wordt bevestigd in de recente ontwikkelingen in groteonderzoeken naar zaken rondom Btw-fraude waarmee honderdenmiljoenen Euro’s gemoeid waren en waarin ook de rol van degeorganiseerde misdaad daarin steeds duidelijker aan het licht isgekomen. De Minister van Justitie en Veiligheid is hier bij eenbezoek aan het EOM op 10 oktober jl. uitgebreid over geïnfor-meerd. Dankzij de komst van het EOM is er nadrukkelijk meerprioriteit voor de bestrijding van EU-fraude gekomen. Ook is desamenwerking tussen nationale instanties in grensoverschrij-dende zaken aanmerkelijk eenvoudiger dan met klassieke vormenvan justitiële samenwerking als wederzijdse erkenning instrafzaken en rechtshulp. Het kabinet is dan ook tevreden over deimpact van het EOM tot nu toe. Daarnaast zijn er al bepaaldepunten voor verbetering te noemen. De Commissie heeft in 2023een externe studie naar de implementatie van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 90911 EOM-verordening laten uitvoeren.9 Volgens de bevindingen vande onderzoekers schiet de implementatie van deEOM-Verordening door de deelnemende lidstaten op onderdelentekort. Sommige bepalingen van de EOM-Verordening hebben inde praktijk geleid tot interpretatieproblemen en verschillen vaninzicht tussen het lokale OM en het EOM over bevoegdheden. Hetkabinet staat daarom open voor een discussie over de veror-dening als die het voor het EOM mogelijk maken nog effectieverop te treden binnen zijn huidige mandaat. De verwachting is datdergelijke punten duidelijk naar boven zullen komen bij de opgrond van de EOM-verordening vereiste evaluatie.Ook zien de leden van de NSC-fractie op de agenda dat de Minister tijdensde lunchbespreking over het gebruik van kunstmatige intelligentie op hetgebied van justitie zal benadrukken dat kunstmatige intelligentie mogelijk-heden biedt op het justitieterrein, zoals op het gebied van rechtsbe-scherming, rechtspraak en rechtshandhaving, maar dat dit gepaard moetgaan met inachtneming van randvoorwaarden, zoals respect voorgrondrechten, gegevensbescherming en de blijvende centrale rol van demens in het nemen van juridische beslissingen. Deze leden vinden dezerandvoorwaarden van groot belang. Zij vragen wat de plannen zijn metbetrekking tot het gebruik van kunstmatige intelligentie in de rechtspraak.Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat de hiervoor genoemde randvoor-waarden in acht worden genomen in het geval kunstmatige intelligentiebinnen de rechtspraak zal worden ingezet? En welke winst is er te behalenqua doorlooptijden, capaciteitsproblemen en toegang tot de rechter alskunstmatige intelligentie wordt ingezet binnen de rechtspraak?AntwoordTijdens de conferentie «Digitale Rechtsstaat» heeft de Raad voorde rechtspraak een aantal onderwerpen rond AI in het justitie-domein belicht. Aan bod kwamen de mogelijkheden die AI biedtvoor de rechtspraak, de gebieden waarop AI invloed zal hebbenop de Rechtspraak en hoe de Rechtspraak alert moet blijven opfundamentele (staats)rechtelijke beginselen. In vervolg hieroppresenteert de Rechtspraak begin 2025 een AI-strategie, waarinwordt ingegaan op AI in het domein en de omgeving van deRechtspraak.Door een terugloop in het personeel en verzwaring van rechts-zaken zet de Rechtspraak in op slimmer en innovatiever werkenten behoeve van de rechtzoekenden. Op dit moment verkent deRechtspraak de mogelijkheden die AI biedt, bijvoorbeeld bij hetpseudonimiseren van te publiceren rechterlijke uitspraken.Daarnaast vinden over de implementatie van de AI-Verordeningen over de randvoorwaarden voor het gebruik van algoritmesbinnen de rechtspraak regelmatig gesprekken plaats op ambtelijkniveau. De Rechtspraak is gestart met de bevordering van deAI-geletterdheid binnen de organisaties door het aanbieden vanopleidingen, een van de belangrijke elementen van deAI-verordening.Tot slot willen de leden van de NSC-fractie deze inbreng gebruiken om inte gaan op onlinekindermisbruik en de bescherming van kinderen tegenonlinekindermisbruik. Deze leden vragen hoe de regering aankijkt in hetlicht van bestrijding van onlinekindermisbruik tegen het op Europeesniveau vaststellen van verplichte «safety by design»-standaarden die ophet niveau besturingssysteem geïmplementeerd zouden moeten worden.9Zie ook het verslag van de JBZ-Raad van 4 en 5 december 2023, Kamerstuk 32 317, nr. 866.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 90912 Hierbij denken deze leden aan iets als de Harmblock-oplossing van hetBritse SafeToNet, waarbij kinderpornografisch materiaal op apparatengeblokkeerd wordt met een accuratesse van boven de 95%, maar allesvolledig lokaal plaatsvindt en er dus geen rapporteringslijn richting eeninstantie als Interpol ingebouwd wordt. Hiermee doorbreekt men wel deenorme verspreiding van onlinekindermisbruik en kinderen worden aande voorkant beschermd, maar wordt er geen systeem opgetuigd vanmassasurveillance. Hoewel deze leden nog kritische kanttekeningenhebben bij de praktische uitvoerbaarheid, is dit wel een richting die watdeze leden betreft serieus verkend zou moeten worden. Is de Ministerbereid dat te doen en met een kabinetsstandpunt op safety by design tekomen?AntwoordHet kabinet onderschrijft dat het voorstel van de leden van deNSC-fractie over verplichtingen rondom «safety by design»-standaarden serieus moet worden verkend. Op ambtelijk niveauvindt dan ook reeds kennisuitwisseling plaats met de Britsecollegas, onder meer over mogelijkheden geschetst doorbijvoorbeeld SafeToNet. Het kabinet acht het raadzaam om eerstde voortgang onder het nieuwe Voorzitterschap af te wachten endaarna te beoordelen of er een concreet kabinetsstandpunt overdit onderwerp vereist is.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie en reactievan de bewindspersoonDe leden van de SP-fractie hebben de geannoteerde agenda voor deJBZ-Raad gelezen. Deze leden hebben hier nog een aantal vragen over.De leden van de SP-fractie hebben consequent de kritiek vanuit deskun-digen, organisaties en andere Kamerfracties op de CSAM-verordeninggesteund, omdat deze leden constateerden dat de verordening eenbijzonder grote inbreuk maakt op de privacy op het internet en nietbijdraagt aan het doel dat wij met zijn allen nastreven: het effectiefbestrijden van kinderporno. Tegelijkertijd zijn deze leden niet ongevoeligvoor de wens om een aanpak op Europees niveau voor deze bestrijding,waar ook veel maatschappelijke organisaties in dit land recent een oproepvoor hebben gedaan in de vorm van een brief van twaalf kinderrechtenor-ganisaties. Dat uiteindelijk privacy en bescherming geen tegenpolenhoeven te zijn, delen deze leden met de organisaties. Deze leden vragende Minister concreet hoe hij momenteel deze belangen afweegt.AntwoordHet kabinet erkent de dringende noodzaak om kinderpornogra-fisch materiaal effectief te bestrijden en steunt een Europeseaanpak om de verspreiding hiervan tegen te gaan. Het kabinetdeelt tevens de overtuiging dat privacy en bescherming vankinderen geen tegenpolen hoeven te zijn, en dat kinderen rechthebben op beide. Binnen de verordening moeten daaromvoldoende waarborgen worden ingebouwd om fundamentelerechten, waaronder privacy en het brief- en telecommunicatie-geheim, te respecteren. Het kabinet is van mening dat op ditmoment onvoldoende duidelijkheid bestaat over de impact van devoorgestelde maatregelen. De zorgen over de bescherming vanfundamentele rechten, en de gevolgen voor de digitale veiligheid,zijn nog niet afdoende weggenomen. Om deze redenen heeft hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 90913 kabinet besloten zich te onthouden van het innemen van eenpositie, en dit standpunt actief kenbaar te maken.Deze leden hebben de sterke wens dat Nederland de koploper blijft in debestrijding van kinderporno en zij vragen de Minister dan ook naaralternatieve manieren waarop dit ook zonder de huidige voorliggendeversie van de CSAM-verordening nog kan worden verbeterd. Hoe kijkt deMinister specifiek aan tegen hash matching? Hoe kijkt hij naar het enkeldetecteren en het blokkeren van het doorsturen van kindermisbruikmate-riaal, gecombineerd met het versturen van een melding naar de gebruikerdie hem waarschuwt of doorverwijst? Zijn dit nog verbeteringen die deCSAM-verordening meer in balans kunnen brengen en die op draagvlakkunnen rekenen?AntwoordBij hash-matching wordt een database aangemaakt van hashes:digitale vingerafdrukken van een foto of video. Dit maakt inNederland momenteel onderdeel uit van de vrijwillige zelfregule-ringspraktijk op hostingservers. Door foto’s of video’s op deserver van de hostingpartij te vergelijken met een hash-databasekan er bij een match gemakkelijk en snel worden vastgesteld ofdeze bekend materiaal van seksueel misbruik bevatten.Hash-matching is daarmee een effectieve techniek om bekendebeelden van kindermisbruik op te sporen en wordt al op groteschaal vrijwillig toegepast door bedrijven zoals Microsoft enGoogle.Ook Offlimits gebruikt bij het beoordelen van meldingen die daarbinnen komen de zogenaamde Hashcheckserver. Via deze gratisservice kunnen hostingbedrijven veilig al het materiaal dat bijhen staat, of wordt geüpload, vergelijken met bekend beeldmate-riaal van seksueel kindermisbruik. Met de Hashcheckserver kanworden voorkomen dat bekend illegaal materiaal opnieuw ofverder wordt verspreid. Voor de Hashcheckserver geldt dat daarinop dit moment de lijsten van de Nederlandse politie, Interpol(ICSE), National Center for Missing & Exploited Children (NCMEC)en de Royal Canadian Mounted Police (RCMP) worden benut. In2023 is op deze wijze van ongeveer 800.000 afbeeldingenvoorkomen dat ze (opnieuw of verder) online kwamen. Deervaringen van het kabinet met de Hashcheckserver zijn positief.Dit is iets anders dan verplichte detectie op communicatie-diensten, zoals nu onderdeel is van het compromisvoorstelwaarvoor gebruik moet worden gemaakt van client-side-scanning. Zoals in de Kamerbrief van 29 november jl. aan uwKamer is meegedeeld, zijn de zorgen van het Kabinet over debescherming van fundamentele rechten, en de gevolgen voor dedigitale veiligheid, ten aanzien van verplichte detectie nog nietafdoende weggenomen.De leden van de SP-fractie zien dat er gesproken wordt over de bestrijdingvan mensensmokkel. Deze leden zien inderdaad het nut van Europeseafspraken, omdat deze onvermijdelijk ook op Europees niveau moetenplaatsvinden. De gevoeligheid zit momenteel in de bestrijding vanmensensmokkel gecombineerd met humanitaire hulp op zee bijvoorbeeld.Evident zou dit niet moeten worden gezien als mensensmokkel, maar erzijn geluiden dat partijen in Europa dit zien als een mogelijkheid omhumanitaire hulp van mensenrechtenorganisaties die levens op zeeredden, te gaan bestempelen als mensensmokkel. Er lijken verbeteringenin het voorstel te zijn aangebracht, maar deze leden hebben nog eenaantal zorgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 90914 De leden van de SP-fractie zien dat er in de afgelopen jaren steeds meerhulpverleners in diverse landen binnen de EU vervolgd worden of dathiertoe gedreigd wordt, zoals omschreven in het rapport10 van hetPlatform for International Cooperation on Undocumented Migrants(PICUM). Zowel humanitaire en vluchtelingenorganisaties als de MeijersCommittee11 benadrukken het belang van het opnemen van een juridischbindende humanitaire uitzonderingsclausule in de wettekst zelf, en nietalleen in de overwegingen van de richtlijn, om te zorgen dat humanitairehulpverlening niet strafbaar wordt gesteld. Het kabinet heeft eerderuitgesproken dat het niet de intentie heeft om humanitaire hulpverlenerste vervolgen. Waarom steunt de Minister het compromisvoorstel van hetHongaarse voorzitterschap waarin alleen in de overwegingen isopgenomen dat humanitaire hulp niet strafbaar wordt gesteld, waardoorlidstaten de ruimte houden om strafrechtelijk onderzoek te starten naarhulpverleners?AntwoordNaar het oordeel van het kabinet is in het compromisvoorstel eengoede balans gevonden tussen enerzijds het voorkomen datzuiver humanitaire hulpverlening met de richtlijn gecriminali-seerd wordt, en anderzijds het voorkomen van onnodige belem-meringen voor de rechtshandhavingspraktijk. In een overwegingover humanitaire hulp wordt benoemd dat de richtlijn nietverplicht tot het strafbaar stellen van hulp aan naaste familie-leden of het bieden van humanitaire hulp en het voorzien inbasisbehoeften van migranten, binnen de op dat vlak toepasbarenationale en internationale regels.Het kabinet heeft tijdens de onderhandelingen in Brusselbenadrukt dat geen strafrechtelijke vervolging en bestraffingdient plaats te vinden wanneer sprake is van zuivere humanitairehulpverlening, maar ook dat een passage over humanitairehulpverlening niet misbruikt mag kunnen worden door evidentcriminele smokkelaars en dat het werk van de opsporingsin-stanties er niet door mag worden bemoeilijkt. Er is daarbij ookaangegeven dat een expliciete humanitaire clausule in hetoperationele deel van de tekst in dit verband niet direct noodza-kelijk en effectief wordt geacht, aangezien het uitsluiten vanhumanitaire hulp van strafrechtelijke aansprakelijkheid ook doormiddel van andere wegen te ondervangen is, zoals door middelvan algemene nationale strafuitsluitingsgronden, die Nederlandzelf ook heeft.12 Voor een verdere toelichting in dit verbandverwijs ik graag naar de beantwoording van de vragen vanPVV-fractie hierboven.De leden van de SP-fractie merken op dat het kabinet aangeeft strafrechte-lijke aansprakelijkheid niet expliciet bij wet te willen uitsluiten, omdat debeslissing over vervolging gemaakt moet worden op basis van omstan-digheden. Is de Minister het ermee eens dat de bewijslast dan bij dehulpverlener komt te liggen? Deelt de Minister de mening dat het risico opstrafbaarstelling een ontmoedigend effect heeft op de bereidheid tot hetuitvoeren van reddingen op zee en hulpverlening over land aan kwetsbarepersonen die bescherming zoeken in EU-landen?10https://picum.org/wp-content/uploads/2024/04/Cases-of-criminalisation-of-migration-and-solidarity-in-the-EU-in-2023.pdf.11https://www.commissie-meijers.nl/wp-content/uploads/2024/09/170924-Comment-on-EUS-Facilitators-Package-JVBS.pdf.12Kamerstuk 32 317, nr. 882.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 90915 AntwoordZoals eerder benadrukt hecht het kabinet eraan op te merken dathet de inzet van non-gouvernementele organisaties om mensen innood te redden waardeert.13 Een ontmoedigend effect kan danook niet de bedoeling zijn. Daarom zette het kabinet zich bij debesprekingen in Brussel in voor een oplossing die enerzijdsduidelijk maakt dat zuiver humanitaire hulpverlening omwille vande richtlijn niet dient te worden bestraft, maar waarvan ander-zijds geen misbruik kan worden gemaakt door evident criminelesmokkelaars, en die het werk van de opsporingsinstanties nietbemoeilijkt.Een beslissing over eventuele vervolging moet kunnen wordengemaakt op basis van de concrete omstandigheden van eengeval. Daarom is het van belang dat humanitaire hulp niet bijvoorbaat al wordt uitgesloten van strafbaarheid, en dat ingevallen die daar aanleiding toe geven waar nodig onderzoek kanplaatsvinden alvorens wordt besloten of ook sprake is geweestvan strafbare gedragingen, welke vervolging rechtvaardigen.De leden van de SP-fractie merken op dat in het voorstel van de EuropeseCommissie staat dat de definitie van mensensmokkel is gespecificeerd totgevallen waarin dit gebeurt ten behoeve van financieel of materieelgewin. Is de Minister het ermee eens dat dit een positieve aanpassing is,omdat hiermee de strafbaarstelling duidelijk gericht wordt aan mensen engroepen die profiteren van de kwetsbaarheid van migranten, en omdat ditde wetgeving in lijn brengt met het VN-Protocol tegen de smokkel vanmigranten? Klopt het dat in het compromisvoorstel van het Hongaarsvoorzitterschap wordt gesteld dat lidstaten alsnog activiteiten mogencriminaliseren waar geen financieel of materieel gewin is bewezen? Is deMinister het ermee eens dat dit ongewenst is, omdat dit een belangrijkewaarborg is om humanitaire hulpverleners vrij te stellen van strafbaar-stelling?AntwoordEr is tijdens de onderhandelingen gesproken over het al dan nietschrappen van het bestanddeel «financieel of materieel voordeel»uit de artikel 3 van het voorstel over de strafbaarstelling vanmensensmokkel. Als compromis is voorgesteld het bestanddeelin de richtlijn aan te houden, maar wel een explicitering toe tevoegen dat lidstaten nationaal niet worden belet verder te gaanin hun strafbaarstelling, aangezien het in deze richtlijn minimum-normen betreft. 14Nederland staat daar positief tegenover, omdat de Nederlandsedelictsomschrijving van mensensmokkel in artikel 197a, eerstelid, van het Wetboek van Strafrecht dit bestanddeel niet bevat.Het bestanddeel van winstbejag staat alleen in artikel 197a,tweede lid, waarin hulp bij illegaal verblijf strafbaar is gesteld.15In het VN-Protocol is het bestanddeel wel opgenomen, maar inhet huidige Europese kader is het enkel opgenomen voorirregulier verblijf, en niet voor irreguliere binnenkomst ofdoorreis.13Kamerstuk 36 507, D14Kamerstuk 32 317, nr. 903.15Artikel 197a lid 1 en 2 WvSrTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 90916 Het bestanddeel «financieel of materieel gewin» wordt in hetuiteindelijke compromisvoorstel in de strafbaarstelling aange-houden, met daarbij de toelichting dat lidstaten nationaal verdermogen gaan dan deze minimumnorm. Dit laatste is volgens hetkabinet belangrijk, omdat wanneer dit bestanddeel zou wordentoegevoegd aan de strafbaarstelling van artikel 197a, eerste lid,van het Wetboek van Strafrecht de bewijslast voor het openbaarministerie aanzienlijk groter zou worden. Het bewijzen vangeldstromen is complex, al helemaal wanneer bijvoorbeeld sprakeis van het zogenoemde Hawala-bankieren of betalingen incryptocurrency. Het moeten bewijzen dat sprake is geweest vanfinancieel of materieel gewin zou erin kunnen uitmonden dat inminder gevallen tot vervolging en veroordeling van criminelemensensmokkelaars kan worden overgegaan, terwijl de rechts-handhavingsautoriteiten juist de georganiseerde criminelen goedwillen kunnen blijven aanpakken.Zoals toegelicht is wel in een overweging over humanitaire hulpbenoemd dat de richtlijn niet verplicht tot het strafbaar stellenvan hulp aan naaste familieleden of het bieden van humanitairehulp en het voorzien in basisbehoeften van migranten, binnen denationale en internationale regels op dat vlak. Daarnaast zijn inhet huidige nationale kader voldoende strafuitsluitingsgrondenaanwezig om te zorgen dat mensen die uit zuivere humanitaireoverwegingen vreemdelingen helpen buiten bereik van hetstrafrecht blijven. Voor nadere toelichting in dit verband wordtverwezen naar de beantwoording van de vragen van de leden vande PVV-fractie.De leden van de SP-fractie constateren dat er nieuwe eurocommissarissenzijn benoemd op het gebied van justitie en veiligheid met een nieuwwerkplan. Deze leden zijn benieuwd welke wetgevende initiatieven op ditgebied de Minister verwacht in 2025–2026.AntwoordMet ingang van 1 december jl. zijn de nieuwe Eurocommissa-rissen in functie getreden na een positief verloop van de hoorzit-tingen in het Europees parlement. In de zogeheten MissionLetters, waarin Ursula von de Leyen de afzonderlijke Commissa-rissen opdrachten meegeeft, is informatie te vinden over deverwachte taken van deze Commissarissen.16 Op dit moment ishet echter nog onduidelijk welke wetgevingsvoorstellen dezeEurocommissarissen precies zullen presenteren. Het Commissie-werkprogramma zal hierover meer informatie bevatten. Naarverwachting verschijnt het definitieve Commissiewerkpro-gramma begin 2025, waarna uw Kamer zoals gebruikelijk enappreciatie ontvangt.Kan de Minister reflecteren op de grotere ambities van de inzet vanEuropol en deze leden garanderen dat het doel blijft dat Europol enkelondersteunend is en niet op eigen initiatief onderzoeken kan starten?AntwoordDe voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen,heeft in de uitgangspunten voor haar tweede ambtstermijnaangegeven dat het haar wens is om van Europol een meer16Commissioners-designate (2024-2029) - European CommissionTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 90917 operationele politieorganisatie te maken.17 De nieuwe Eurocom-missaris van Interne Veiligheid en Migratie, Magnus Brunner,heeft tijdens zijn benoemingshoorzitting in het Europeesparlement aangegeven dat hij deze inzet steunt18. Tegelijkertijdheeft Commissaris Brunner naar aanleiding van vragen uit hetEuropees parlement gesteld dat Europol nooit op zichzelf zalgaan opereren19. Er zijn nog geen (concrete) plannen gepresen-teerd. Het kabinet kan op basis van deze algemene opmerkingengeen concrete appreciatie of niet reageren garanties geven.Uiteraard blijft het kabinet dit onderwerp aandachtig volgen enwordt uw Kamer via de gebruikelijke procedures geïnformeerdzodra de plannen bekend zijn.De leden van de SP-fractie willen aandacht vragen voor de discussieomtrent het Europees verbod op zwaar vuurwerk, dit ook ter onder-streping van de motie-Mutluer/Michon-Derkzen over met kracht inzettenop een Europees verbod op zwaar vuurwerk (Kamerstuk 29 911, nr. 445).Deze leden vragen welke inzet de Minister concreet heeft gepleegd sindsde aanname van deze motie. Kan de Minister hierop reflecteren? Welkeandere landen hebben zich aangesloten of staan open voor het verbod? Iser ook concreet gesproken over het schrijven van een non-paper over ditonderwerp? Wat zijn volgens de Minister goede redenen voor anderelanden om vast te blijven houden aan de vrije verkoop van zwaarvuurwerk zoals cobra’s? Zijn zij hierop aanspreekbaar? Verwacht deMinister draagvlak voor zijn inspanningen? Welke successen verwacht hijte kunnen boeken?AntwoordDe Staatssecretaris van IenW heeft, mede namens de Ministervan Justitie en Veiligheid20, uw Kamer met de verzamelbriefvuurwerk van 17 oktober 2024 op de hoogte gesteld van devorderingen in EU-verband. Hiermee is tevens de motie Mutluer/Michon-Derkzen afgedaan (Kamerstuk 29 911, nr. 445).Omdat niet alle landen dezelfde problematiek kennen en eenandere prioriteit geven aan dit onderwerp kost het tijd om tot eengezamenlijke aanpak te komen en afspraken te maken. Hetkabinet ziet echter dat er bij steeds meer landen ruimte lijkt teontstaan voor een gezamenlijke aanpak. Daarnaast heeft deCommissie aangegeven een haalbaarheidsstudie uit te voeren ophet terrein van vuurwerk in relatie tot criminaliteit en veiligheid,waarbij het Nederlandse non-paper als belangrijke input wordtgebruikt.21 Tevens vindt op dit moment de herziening plaats vande Pyrorichtlijn (Richtlijn 2013/29/EU). De uitkomsten van deevaluatie en de vervolgstappen van de Commissie geven naarverwachting momentum voor de verwezenlijking van de Neder-landse ambities.17e6cd4328-673c-4e7a-8683-f63ffb2cf648_en (europa.eu).18brunner_writtenquestionsandanswers_en.pdf19Hearing of the Commissioner-designate: Magnus Brunner20Kamerstuk 28 684, nr.74521Zie voor non-papers, Kamerstuk 32 317, nr. 872Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 317, nr. 90918

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · b8efdb29c636a8e4

14 okt 2026 · 1cd0904ac21800ae

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.