KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026 (Kamerstuk 21501-32-1747)

21 jan 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie be846186c9335379 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1753 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 21 januari 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister enStaatssecretaris van over de brief van 14 januari 2026 over de geanno-teerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026 (Kamerstuk21 501-32, nr. 1747).De vragen en opmerkingen zijn op 19 januari 2026 aan de Minister enStaatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurvoorgelegd. Bij brief van 21 januari 2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,PodtDe griffier van de commissie,Jansma kst-21501-32-1753ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17531 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deGeannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 26 januari 2026 enVerslag Landbouw- en Visserijraad 11–12 december 2025 en rectificatiebeantwoording vragen met betrekking tot het CITES-verdrag.De leden van de D66-fractie vragen ten aanzien van de wijziging van deverordening biologische landbouw hoe de Minister de voorgesteldewijzigingen beoordeelt in het licht van de recent gepresenteerde EuropeseUnie (EU)-strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sector.Kan de Minister toelichten of zij biologische landbouw ziet als een kansrijkinstap- en verdienmodel voor jonge en nieuwe boeren en op welke wijzedit wordt weerspiegeld in de voorgestelde vereenvoudigingen? Inhoeverre dragen deze vereenvoudigingen naar de mening van de Ministerdaadwerkelijk bij aan het verlagen van drempels voor jonge boeren enzij-instromers die willen starten of omschakelen? Deze leden vragen deMinister tevens of zij het risico ziet dat vereenvoudiging vooral bestaandebedrijven helpt, terwijl structurele knelpunten voor jonge boeren, zoalstoegang tot grond, kapitaal en afzet, blijven bestaan. Hoe waarborgt deMinister dat aanpassingen van biologische productieregels niet leiden totextra onzekerheid voor jonge boeren die recent hebben geïnvesteerd inomschakeling? Voorts vragen deze leden hoe de Minister ervoor wilzorgen dat de herziening van de biologische verordening goed aansluit opde verplichting voor lidstaten om vanaf 2028 een geïntegreerde nationalestrategie voor generatievernieuwing op te stellen binnen het Gemeen-schappelijk Landbouwbeleid (GLB). Ten slotte vragen deze leden hoe deMinister in dit licht kijkt naar de recente bevindingen in het Rijksdienstvoor Ondernemend Nederland (RVO)-rapport «Iedere boer telt» (RVO,februari 2025, «Iedere boer telt» (https://www.rvo.nl/sites/default/files/2025-12/Rapport%20Iedere%20boer%20telt%20-dec2025.pdf)) ten aanzienvan Europese regelingen en regels.AntwoordHet voorstel tot wijziging van de verordening voor biologische landbouwbetreft onder andere voorstellen tot vereenvoudiging van administratieveprocessen en daarmee een verlaging van de administratieve lasten. Dooreen verlaging van de kosten ontstaat er meer ruimte voor innovaties omdaarmee een bijdrage te leveren aan de doorontwikkeling van delandbouw, onder andere door een omschakeling naar biologischelandbouw. Het doel van de vereenvoudiging is generiek en gericht op alleboeren, waaronder ook biologische boeren, jonge landbouwers enzij-instromers. Een mogelijk risico dat de vereenvoudiging alleen tengoede komt aan bestaande bedrijven ziet de Minister om deze reden niet.Bij de opstelling van het nieuwe beleidsplan voor het GemeenschappelijkeLandbouwbeleid (GLB) vanaf 2028 zullen de aspecten rond de biologischelandbouw en de strategie van de generatievernieuwing in de keuze van deverschillende interventies worden bepaald. Hierop kan de Ministermomenteel niet vooruitlopen. Een aantal belemmeringen die in hetrapport «Iedere boer telt» naar voren komen, zoals bijvoorbeeld decomplexiteit van de Gecombineerde opgave, zijn herkenbaar en zulleneveneens bij de opstelling van het nieuwe plan worden betrokken.De leden van de D66-fractie vragen met betrekking tot de Ontbossingsver-ordening (EUDR) hoe de Minister het besluit beoordeelt om de toepassingvan deze verordening opnieuw met een jaar uit te stellen in het licht vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17532 de urgentie van mondiale ontbossing en klimaatverandering. Welkegevolgen heeft dit uitstel volgens de Minister voor de geloofwaardigheidvan de EU als mondiale koploper op het gebied van duurzaam handels- enklimaatbeleid? Op welke wijze borgt het kabinet tot slot dat de verderevereenvoudiging en mogelijke aanpassingen van de EUDR niet leiden toteen afzwakking van de doelstellingen van de verordening?AntwoordUitstel was onvermijdelijk nadat de Europese Commissie (hierna:Commissie) aangaf dat de IT-systemen niet tijdig op orde waren. Hetkabinet heeft zich onthouden van stemming over de voorstellen vooruitstel en versoepeling van de Ontbossingsverordening, omdat devoorgestelde maatregelen voor administratieve lastenverlichtingonvoldoende waren uitgewerkt (Kamerstuk 22 112, nr. 4199). Nederlandheeft in de EU gepleit voor een jaar «gratie-periode». Dat zou een jaarproefdraaien inhouden, waarbij de EUDR van toepassing is maar geenboetes worden opgelegd. Op basis daarvan zou dan de regelgevingafgesteld kunnen worden naar betere werkbaarheid. Het kabinet zal zichdit jaar inzetten voor nauwe samenwerking met de Commissie en delidstaten om toe te werken naar een zorgvuldige implementatie vanmaatregelen voor lastenverlichting. Hierbij is het van belang dat maatre-gelen in conformiteit zijn met WTO-regelgeving en dat het gelijkespeelveld gewaarborgd blijft.De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het bereikteakkoord over de vangstmogelijkheden voor 2026. Deze leden vragen deMinister hoe zij de uitkomsten van de Landbouw- en Visserijraad vandecember jongstleden beoordeelt in het licht van de wetenschappelijkeadviezen van de International Council for the Exploration of the Sea(ICES). Kan de Minister nader toelichten op welke wijze bij de vaststellingvan de quota voor pelagische bestanden, zoals makreel en blauwe wijting,de langetermijnduurzaamheid is gewaarborgd, gezien de geconstateerdezorgelijke dalingen in deze bestanden? Voorts vragen deze leden naar deimpact van de forse verlaging van het quotum voor Noordzeekabeljauwmet 44 procent. Op welke wijze zal de aangescherpte regeling voortijdelijke gebiedssluitingen (real time closures) worden gehandhaafd omde bescherming van ondermaatse vis te garanderen?AntwoordNederland zette zich tijdens de onderhandelingen in de Raad in voor eengebalanceerd akkoord, waarin naast de milieudoelstellingen ook oog isvoor de sociaaleconomische doelstellingen van het GemeenschappelijkeVisserijbeleid (GVB). Veel soorten zijn vastgesteld volgens het weten-schappelijk advies waarbij de lange termijn duurzaamheid in bestandsbe-heermodellen is meegenomen.De Staatssecretaris erkent dat de verlaging van het kabeljauwquotum met44% een aanzienlijke impact heeft, maar benadrukt dat dit – gegeven hetnulvangstadvies voor het zuidelijke subbestand – nog een relatiefgunstige uitkomst is, omdat op de twee andere subbestanden nogduurzaam kan worden gevist. Om ondermaatse kabeljauw beter tebeschermen, worden de tijdelijke gebiedssluitingen in 2026 aangescherpt:de gesloten gebieden worden vergroot, het toegestane percentagekabeljauw in de vangsten wordt in het eerste kwartaal verder verlaagd endit wordt gedurende het jaar herijkt op basis van wetenschappelijkegegevens. Daarnaast scherpen zowel het Verenigd Koninkrijk (VK) alsNoorwegen in overleg met de Europese Unie (EU) hun Real Time Closures(RTC)-regels in 2026 aan, waardoor handhaving en bescherming beter opelkaar worden afgestemd en het herstel van het bestand wordt bevorderd.Om een uniforme implementatie door de lidstaten te garanderen, wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17533 onder coördinatie van het Europees Bureau voor Visserijcontrole (EFCA)gekeken hoe bestaande toezichtactiviteiten aangepast dienen te wordenaan de nieuwe wet- en regelgeving.De leden van de D66-fractie hebben met grote belangstelling kennisge-nomen van het «Vereenvoudigingspakket» (Omnibus-verordening) op hetgebied van voedsel- en diervoederveiligheid. Deze leden steunen deambitie om onnodige administratieve lasten te verminderen, mits dit nietten koste gaat van de bescherming van mens, dier en milieu. De leden vande D66-fractie maken zich ten aanzien van de toelating van gewasbescher-mingsmiddelen echter grote zorgen over het voorstel om de goedkeuringvan actieve stoffen voor onbepaalde tijd te verlenen en de verplichteperiodieke herbeoordelingen (om de 10–15 jaar) af te schaffen. Hoe rijmtde Minister dit voorstel met het voorzorgsbeginsel en de noodzaak omstoffen continu te toetsen aan de meest recente wetenschappelijkeinzichten, bijvoorbeeld met betrekking tot de risico’s op neurodegenera-tieve ziekten zoals Parkinson? Kan de Minister garanderen dat hetschrappen van deze herbeoordelingsplicht niet leidt tot het langdurig opde markt blijven van risicovolle stoffen die onder het huidige regimezouden worden verboden?De leden van de D66-fractie verwelkomen tegelijkertijd de voorgesteldeversnelling van de markttoegang voor biologische en groene middelen(biocontrol). Kan de Minister toelichten welke concrete termijnen wordennagestreefd voor deze versnelde procedures en op welke wijze dit«fast-track» systeem zich verhoudt tot de reguliere toelating? Hoe gaat hetkabinet bevorderen dat boeren hiermee daadwerkelijk sneller debeschikking krijgen over een duurzaam alternatief voor chemischemiddelen en op welke wijze wordt geborgd dat «groene» middelen ookaan strenge veiligheidseisen blijven voldoen?AntwoordDe leden van de D66-fractie verzoeken de Minister in deze vragen omonderdelen van het Omnibuspakket «Food and Feed Safety» (hierna: hetOmnibuspakket) te beoordelen. Op dit moment wordt gewerkt aan hetBNC-fiche met een kabinetsappreciatie van het Commissievoorstel. DitBNC-fiche zal op korte termijn naar de Kamer worden gestuurd. In debeoordeling van het Omnibuspakket zal de motie Podt en Bromet over ditonderwerp (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744) worden meegenomen, waarinde regering wordt verzocht om met een kopgroep van andere EU-lidstatenin Brussel te pleiten voor voorstellen die de toelating van laag-risicomiddelen bevorderen, maar met klem te pleiten tegen voorstellen die destatus quo op de toelating van chemische en risicovolle middelenverzwakken.Voor wat betreft de technische vraag over de versnelde procedures voorbiocontrol, stelt de Commissie in haar voorstel geen concrete termijnenvoor versnelde procedures voor, in plaats daarvan stelt de Commissievoor dat lidstaten prioriteit moeten geven aan de beoordeling vanwerkzame stoffen van biocontrol, ten opzichte van beoordelingen vanandere werkzame stoffen. De wettelijk gestelde termijnen voor beoor-deling worden niet veranderd. Verder wordt het met het voorstel ookmogelijk om voorlopige toelatingen voor werkzame stoffen van biocontroltoe te staan. Dat kan een substantiële tijdswinst voor het beschikbaarkomen van biocontrol voor gebruikers opleveren.De leden van de D66-fractie verzoeken de Minister om voorafgaand aande Landbouw- en Visserijraad van 26 januari aanstaande, waar de Foodand feed Omnibus mogelijk aan de orde komt, en de Coreper II-verga-dering van 4 februari aanstaande, de Kamer nader te informeren over hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17534 Nederlandse standpunt. Deze leden vragen de Minister inzicht te geven inde positie die in beginsel door Nederland zal worden uitgedragen enverzoeken daarbij expliciet aan te geven op welke wijze uitvoering isgegeven aan de motie van de leden Podt en Bromet (Kamerstuk21 501-32, nr. 1744) binnen dit standpunt.AntwoordDe Kamer zal middels een BNC-fiche op korte termijn geïnformeerdworden over de Nederlandse positie ten aanzien van het Omnibuspakket.In de beoordeling van het Omnibuspakket zal de motie Podt en Brometover dit onderwerp (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1744) worden meegenomen,waarin de regering wordt verzocht om met een kopgroep van andereEU-lidstaten in Brussel te pleiten voor voorstellen die de toelating vanlaag-risico middelen bevorderen, maar met klem te pleiten tegenvoorstellen die de status quo op de toelating van chemische en risicovollemiddelen verzwakken.De leden van de D66-fractie hebben ten slotte kennisgenomen van debrief van Eurocommissaris Roswall van 22 december 2025 betreffende hetNederlandse verzoek om een nieuwe derogatie onder de Nitraatrichtlijn(Bijlage 2025D54012 bij Kamerstuk 33 037, nr. 637). Deze leden erkennendat het besluit van de Europese Commissie (EC) om geen ruimte te zienvoor een nieuwe uitzonderingspositie een ingrijpende boodschap is voorde Nederlandse boeren die hiermee worden geconfronteerd. Deze ledenvragen de Minister te reflecteren op de fundamentele argumenten dieEurocommissaris Roswall aanvoert, in het bijzonder de constatering datde waterkwaliteit in grote delen van Nederland nog altijd niet voldoet aande Europese normen en dat de nitraatconcentraties in het grondwater opveel meetpunten zelfs een stijgende trend laten zien. Hoe beoordeelt deMinister de conclusie van de EC dat de huidige nationale maatregelenonvoldoende effect sorteren om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijntijdig te behalen?AntwoordDe Minister erkent de constatering van de Commissie dat de waterkwa-liteit niet overal in Nederland voldoet aan de normen. Tegelijkertijd dragenderogatiebedrijven, door het verplichte areaal grasland, juist positief bijaan de waterkwaliteit. Dit heeft de Commissie echter niet anders doenbesluiten. De geïmplementeerde maatregelen hebben tot nu toe geleid totverbetering van de waterkwaliteit. Het is aan een volgend kabinet om tewegen of en welke maatregelen ter (verdere) verbetering van de water-kwaliteit in de toekomst nodig worden geacht, zoals aangegeven in debrief aan de Kamer van 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 635).Voorts vragen deze leden op welke wijze de Minister van plan is invullingte geven aan de noodzakelijke verbetering van de waterkwaliteit nu de ECexpliciet wijst op de juridische verplichtingen van Nederland en debeperkte ruimte voor politieke onderhandeling zolang de ecologischerandvoorwaarden niet worden gehaald. Kan de Minister daarbij specifiekingaan op de waarschuwing van de EC dat het niet vaststellen van eenadequaat Achtste Actieprogramma Nitraat de geloofwaardigheid van hetNederlandse beleid in Brussel verder onder druk zet?AntwoordDe Commissie gaat in haar brief niet in op de geloofwaardigheid van hetNederlandse beleid in Brussel door het niet vaststellen van een adequaat8e actieprogramma. Het is aan een volgend kabinet om te wegen of enwelke maatregelen ter (verdere) verbetering van de waterkwaliteit in detoekomst nodig worden geacht, zoals aangegeven in de brief aan deKamer van 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 635).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17535 Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de stukken ter voorbereiding op de Landbouw- en Visserijraad. Dezeleden wensen in dit kader enkele specifieke aandachtspunten tebenadrukken en vragen hierover nadere toelichting van het kabinet.De leden van de VVD-fractie constateren dat tijdens de Raad vandecember 2025 een politiek akkoord is bereikt over de vangstquota voor2026 en hechten eraan enkele aandachtspunten onder de aandacht vanhet kabinet te brengen. Deze leden erkennen het belang van wetenschap-pelijk onderbouwd visserijbeheer, maar vragen tevens aandacht voor deeconomische gevolgen van aanzienlijke quotaverlagingen voor vissersge-meenschappen. Hoe weegt het kabinet de balans tussen ecologischeduurzaamheid en het behoud van een economisch levensvatbarevisserijsector? Op welke wijze zet het kabinet zich in om Nederlandsevissers binnen deze afspraken een gelijk speelveld en toekomstperspectiefte bieden?AntwoordDe wetenschappelijke vangstadviezen vormen de basis voor de inzet vande Staatssecretaris tijdens de onderhandelingen over de vangstmogelijk-heden, om de duurzaamheid van de visserij ook in de toekomst zeker testellen. Hierbij worden ook de sociaaleconomische gevolgen meege-wogen om zo een balans te vinden tussen de drie pijlers van het Gemeen-schappelijk Visserijbeleid (GVB). Het GVB stelt dat visserijen, naastlangdurig duurzaam, ook beheerd dienen te worden op een manier diestrookt met sociaaleconomische doelstellingen. De Staatssecretaris achthet dan ook van belang om oog te houden voor de sociaaleconomischegevolgen van de vangstmogelijkheden en probeert waar mogelijk te kijkennaar maatwerkoplossingen om zowel ecologische duurzaamheid tewaarborgen alsmede een gelijk speelveld te creëren voor de visserijsector.De leden van de VVD-fractie nemen met betrekking tot het aantreden vanCyprus als EU-voorzitter kennis van de nadruk op strategische autonomieen voedselzekerheid. Deze leden onderschrijven het belang van eenconcurrerende en toekomstbestendige Europese landbouwsector. Zij zienkansen in de aangekondigde inzet op vereenvoudiging van het GLB enversterking van crisisinstrumenten. Tegelijkertijd vragen deze leden hetkabinet hoe wordt voorkomen dat nieuwe beleidsdoelstellingen leiden totextra administratieve lasten voor boeren. Hoe zal Nederland zichpositioneren in de discussies over het GLB 2028–2034 om ruimte tehouden voor ondernemerschap, innovatie en een sterke marktoriëntatie?AntwoordTijdens de gesprekken over het GLB na 2027 blijft de Minister aandachtvragen voor innovatie binnen het GLB, de marktoriëntatie van het GLB enhet gelijke speelveld ten aanzien van de interne markt en grensoverschrij-dende uitdagingen. Dit is in overeenstemming met de richting die isaangegeven in het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4147). Daarbij blijft deMinister het belang van innovatie en kennis benadrukken, die medenoodzakelijk zijn voor de versterking van de economische weerbaarheidvan boeren. De Minister pleit er tijdens de onderhandelingen voor omvoldoende autonomie en flexibiliteit te geven aan lidstaten in de keuzevan oplossingsrichtingen, bijvoorbeeld voor innovatie en doelsturing,zodat beter kan worden aangesloten bij nationale en regionale omstandig-heden. Tegelijkertijd hecht de Minister belang aan vereenvoudiging,uitvoerbaarheid en het verminderen van administratieve lasten voorboeren en uitvoeringsinstanties. Mede daarom vindt de Ministercontinuïteit en stabiliteit voor het nieuwe GLB belangrijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17536 De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van devoorstellen van de EC inzake biologische landbouw. Deze leden consta-teren dat de nadruk ligt op vereenvoudiging en verduidelijking vanregelgeving, hetgeen zij in beginsel positief achten. Wel vragen deze ledenaandacht voor het risico van marktverstoring en onnodig protectionisme,met name waar het gaat om aanvullende eisen aan biologische productenuit derde landen. Hoe beoordeelt het kabinet deze voorstellen in het lichtvan het belang van open markten en eerlijke concurrentie? Deelt hetkabinet de observatie dat het eerder vastgestelde doel van 25 procentbiologische landbouw in 2030 in deze voorstellen nauwelijks terugkomt?AntwoordHet kabinet is momenteel bezig een kabinetspositie te formuleren middelseen BNC-fiche en zal dit medio februari aan de Kamer sturen. We kunnenniet hierop vooruitlopen. Het voorstel van de Commissie betreft deaanpassing van Verordening (EU) nr. 2018/848 inzake de biologischeproductie en de etikettering van biologische producten en niet hetactieplan van de Commissie met de ambitie om het Europese biologischeareaal te vergroten.De leden van de VVD-fractie erkennen ten aanzien van de evaluatie van derichtlijn oneerlijke handelspraktijken de eerste positieve effecten voor depositie van boeren en kleinere leveranciers in de keten. Deze ledenbenadrukken echter dat verschillen in nationale uitvoering en handhavingkunnen leiden tot ongelijkheid binnen de interne markt. Is het kabinetbereid zich in te zetten voor meer harmonisatie en betere samenwerkingtussen handhavingsautoriteiten, zonder daarbij het subsidiariteitsbeginseluit het oog te verliezen?AntwoordHet kabinet wil nationale koppen voorkomen, onder meer vanwege denegatieve impact op de interne markt. Recent zijn de onderhandelingenover de Verordening grensoverschrijdend toezicht Oneerlijke Handelsprak-tijken afgerond waardoor samenwerking tussen handhavingsautoriteitenin verschillende lidstaten makkelijker wordt. Deze handhaving is inbeginsel alleen van toepassing op oneerlijke handelspraktijken die op degeharmoniseerde lijst staan van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken(Richtlijn (EU) 2019/633) en gelden in alle EU-lidstaten. Het akkoord moetnog worden bekrachtigd door het Europees Parlement (EP) en de Raad.De leden van de VVD-fractie hebben tot slot kennisgenomen van recenteEuropese voorstellen gericht op versnelde vergunningverlening voorenergie-infrastructuur en de mogelijke gevolgen daarvan voor natuur- enmilieubescherming, alsmede van de ontwikkelingen rond de Nitraat-richtlijn en derogaties. Deze leden onderstrepen het belang van voortgangin de energietransitie en rechtszekerheid voor ondernemers, maar achtenhet essentieel dat tijdelijke uitzonderingen juridisch houdbaar zijn. Hoebeoordeelt het kabinet de risico’s van deze voorstellen, mede in het lichtvan eerdere ervaringen zoals het Programma Aanpak Stikstof (PAS)? Opwelke wijze zet het kabinet zich in om tot werkbare, proportionele enuitvoerbare Europese regels te komen die zowel economische ontwik-keling als milieubescherming dienen?AntwoordIn het algemeen hecht het kabinet groot belang aan zorgvuldige besluit-vorming, inclusief transparantie, participatie en het gebruik van onder-bouwde impact assessments. Nederland volgt de verdere uitwerking enbehandeling van de voorstellen in de Raad en het EP met aandacht voorde gevolgen voor economische ontwikkeling, milieubescherming en deuitvoerbaarheid voor lidstaten. Daarbij zal Nederland zich constructief,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17537 maar kritisch opstellen, en blijven pleiten voor oplossingen die zowelbijdragen aan de energietransitie als aan het herstel van natuur enecosystemen.Het kabinet ziet geen juridische risico’s voor initiatiefnemers dat vergun-ningen worden vernietigd naar aanleiding van dit Europese voorstel, zoalsbij de PAS. Zodra dit pakket door het EP en de Raad is goedgekeurd éngeïmplementeerd, zal dit het nieuwe toetsingskader vormen voorrechters.Specifiek met betrekking tot stikstof heeft het kabinet middels hetnon-paper «Versnellen van de energietransitie met tijdelijke, beperktestikstofdepositie» ingezet op het toestaan van kleine, tijdelijke stikstof-emissies in de aanlegfase van hernieuwbare energieprojecten. De Kameris hierover geïnformeerd middels de geannoteerde agenda van deEnergieraad van 4–5 september 2025 (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1145). Inhet EU Grids Package stelt de Commissie dat de uitrol van elektriciteits-netten niet mag worden beperkt door stikstofemissies tijdens deaanlegfase. Door het voorstel zou de impact van stikstofdeposities alsgevolg van de aanleg van netten niet meegenomen hoeven te worden inde voortoets of passende beoordeling op grond van artikel 6, derde lid,van de Habitatrichtlijn. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, is eennatuurvergunning («omgevingsvergunning voor een Natura2000-activiteit») alleen nog nodig als er als gevolg van het project ook nogandere drukfactoren zijn die significante gevolgen voor een Natura2000-gebied kunnen hebben. Daarnaast zal moeten blijven wordengetoetst aan de soortbeschermingsbepalingen van de Vogel- en Habitat-richtlijn, waarvoor de «omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit» relevant is. Andere effecten blijven daardoor onverkort relevant.Dit betreft een permanente uitzondering van deze gevolgen. De Kamerwordt op korte termijn via de reguliere BNC-procedure geïnformeerd overhet kabinetsstandpunt met betrekking tot het EU Grids Package.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda en de onderliggende stukken. Deze leden hebbenvragen en opmerkingen. Zij zullen hun vragen en opmerkingen hieronderuiteenzetten.Geannoteerde agendaEuropese Bio-economie strategieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enkele vragen over deinzet van de Minister met betrekking tot de Europese Bio-economiestrategie. De Minister stelt te blijven pleiten dat de primaire functie vanlandbouwbedrijven als voedselproducenten voorop moet blijven staan endat andere ambities hier geen afbreuk aan mogen doen. Kan de Ministeruiteenzetten wat zij bedoelt met «andere ambities» en hoe zij haar zorgenonderbouwt dat aandacht voor de bio-economie boeren schaadt? Waaromheeft de Minister vooraf al een voorkeur voor het boerenbedrijf boven hetinnovatieve biogebaseerde bedrijf? Deze leden zijn benieuwd hoe deMinister het alsmaar grotere aandeel biogebaseerde producten alsonderdeel van een toekomstbestendig, duurzaam landbouwperspectiefbeschouwt, aangezien zij de functie als voedselproducent belangrijk acht.Ten slotte zijn deze leden benieuwd wat de invloed van de geopolitiekeonzekerheid is in het debat over duurzame biogrondstoffen. Hoe kijkt deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17538 Minister naar het belang van een gediversifieerde voedselvoorziening inhet licht van groeiende geopolitieke onzekerheid?AntwoordZoals in het regeerakkoord is opgenomen, wil het kabinet voedselze-kerheid als elementaire maatschappelijke voorziening borgen voor héélNederland. Het kabinet heeft er dan ook oog voor dat de productie vanbiogrondstoffen voor materialen en energie niet ten koste mag gaan vanvoedselproductie. De bioeconomie hoeft de boeren niet te schaden.Integendeel, het creëren en beschermen van een afzetmarkt voorbiogebaseerde producten en het stimuleren van marktvraag voorhoogwaardige toepassingen heeft juist een positieve uitwerking op zowelhet boerenbedrijf als het innovatieve biogebaseerde bedrijf. Zoalseveneens aangekondigd in het regeerakkoord, wordt de rol van delandbouw voor zowel de productie van voedsel als voor andere toepas-singen thans uitgewerkt in de nationale biogrondstoffenstrategie. Tot slotgeldt dat de huidige geopolitieke ontwikkelingen ervoor zorgen datzelfvoorzienendheid steeds belangrijker wordt. De productie vanduurzame biogrondstoffen en gediversifieerde voedselvoorziening spelenhierbij ook een belangrijke rol.Verordening tot wijziging van de verordening inzake biologischelandbouwDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele opmer-kingen over de aanpassing van de verordening. Deze leden zijn zich ervanbewust dat de kabinetspositie nog wordt voorbereid. Primair zijn dezeleden benieuwd wat de rol gaat zijn van Nederland in de onderhande-lingen van de overeenkomsten over handel in biologische producten. Kande Kamer worden geïnformeerd over de aanpak en het doel van deNederlandse inzet, indien Nederland een actieve rol speelt?AntwoordHet kabinet is momenteel bezig een kabinetspositie te formuleren middelseen BNC-fiche en verwacht dit medio februari aan de Kamer sturen. Wekunnen niet hierop vooruitlopen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen overversimpeling van een aantal biologische productieregels waarmee de ECadministratieve en financiële lasten wil verminderen. Deze leden vindendat versimpeling van biologische productieregels nooit mag leiden tot eenkwalitatieve verzwakking van biologische producten. Hoe wordt gewaar-borgd dat dergelijke aanpassingen niet leiden tot een hogere mate van«greenwashing», waarbij producten op voorbarige of onterechte grondenkunnen worden aangemerkt als biologisch? Vooral voor het bieden vaneen solide en gebruiksvriendelijke basis lijkt het deze leden niet bevor-derend om regels te versoepelen, helemaal niet indien regels op een latermoment weer kunnen worden aangescherpt.AntwoordDe Commissie heeft een voorstel gedaan om Verordening (EU)nr. 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering vanbiologische producten te versimpelen zonder daarbij te willen tornen aande principes die ten grondslag liggen aan deze wetgeving. Momenteelapprecieert het kabinet deze voorstellen, ook op dit onderdeel. Het kabinetverwacht de Kamer medio februari over de kabinetspositie te kunneninformeren.De leden van de GroenLinks-PvdA maken zich daarnaast zeer veel zorgenover het toelaten van werkzame stoffen voor onbepaalde tijd op hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17539 gebied van gewasbeschermingsmiddelen. Hoe vaak kan op dergelijkestoffen een risicobeoordeling worden gemaakt? Hoe lang duurt eenmogelijke herbeoordeling door de EC? Deze leden vrezen toelating vanschadelijke stoffen tot de markt, met een tijdrovend en kostenintensieftraject om toelating op de markt terug te draaien. Hoe verhoudt dezetoelating zich tot het voorzorgsbeginsel?AntwoordZoals ook aangegeven in de beantwoording van de vragen van deD66-fractie, wordt dit moment gewerkt aan het BNC-fiche met eenkabinetsappreciatie van het Commissievoorstel voor het Omnibuspakket«Food and Feed Safety». Dit BNC-fiche zal op korte termijn naar de Kamerworden gestuurd. Wij kunnen hier in deze beantwoording niet opvooruitlopen.In principe is er onder het voorstel van de Commissie geen limiet op hoevaak er een risicobeoordeling van een werkzame stof mag wordengemaakt. Hoe vaak dit zal plaatsvinden zal afhankelijk zijn van derisicosturing die de Commissie wil inbouwen in het voorstel via hetwerkprogramma óf doordat dit wordt aangedragen via lidstaten (zie ookartikel 18 van het voorstel). Het is moeilijk in te schatten hoelang zo’nherbeoordeling zal duren. Dit is afhankelijk van de complexiteit van hetdossier en de beschikbare capaciteit. Dit is ook nu al het geval. Het wordtin het voorstel mogelijk gemaakt om een gerichte herbeoordeling te doen.Dit kan eventueel tijdswinst opleveren in de herbeoordeling (artikel 18avan het voorstel). De Commissie geeft in het voorstel aan dat dit voorsteltot doel heeft de hoge veiligheidsstandaard voor mens, dier en milieu tehandhaven. Overigens blijft artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1107/2009ongewijzigd en blijft daarmee het voorzorgsbeginsel van kracht.Kunnen bovenstaande vragen ook worden beantwoord voor de toelatingvan de werkzame stoffen die niet voldoen aan de toelatingscriteria? Zijn ernog verdere vereisten of voorschriften waar de gebruikers van dergelijkewerkzame stoffen zich aan moeten houden? Ook hier vragen deze ledenhoe het voorzorgsbeginsel, zowel voor mens en milieu, wordt gewaar-borgd en hoe deze wordt afgezet tegen de plantgezondheid.AntwoordDe Minister doet bij het beantwoorden van deze vraag de aanname dat deleden van de Groenlinks-PvdA-fractie in deze vraag doelen op het voorstelvan de Commissie om artikel 4, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1107/2009aan te passen. Dit is een artikel dat lidstaten de ruimte geeft om eenwerkzame stof tijdelijk goed te keuren om een ernstig fytosanitair gevaarte bestrijden, wat niet op een andere manier mogelijk is. Hierbij mag dezewerkzame stof dan afwijken van de criteria uit artikel 4, lid 1, van degenoemde verordening.De grootste wijziging die het voorstel van de Commissie doet is dat deverplichting voor lidstaten om een uitfaseerplan op te stellen komt tevervallen. In Verordening (EG) nr. 1107/2009 en het Commissievoorstel zijnaan de tijdelijke goedkeuring allerlei vereisten en voorschriftenverbonden. Zo is het vereist dat er bij het gebruik van de werkzame stofrisico mitigerende maatregelen worden genomen om de blootstelling aanmensen en milieu te minimaliseren. Ook mogen mutagene stoffen uit decategorieën 1A en 1B, carcinogene stoffen uit de categorie 1A, persistente,bioaccumulatieve en toxische stoffen (PBT), erg persistente en ergbioaccumulatieve stoffen (vPvB) en persistente organische vervuilendestoffen (POP) niet met deze tijdelijke goedkeuring gebruikt worden. Het isuiteindelijk aan lidstaten zelf om de afweging te maken of zij gebruik-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175310 maken van artikel 4, lid 7, en om in te vullen hoe de balans wordt gemaakttussen fytosanitaire dreigingen. Dit laatste zal casus-afhankelijk zijn.Verslag over de evaluatie van de Richtlijn Oneerlijke HandelspraktijkenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben een vraag over hetbeoogde onderzoek met betrekking tot een minimale productieprijs. Inhoeverre worden de resultaten van het onderzoek bezien in het licht vanversterking van de Europese samenwerkingen? Deze leden vinden het ergbelangrijk om bij breed gedragen evaluaties ter bevordering vansamenwerking niet enkel de (nationale) belangen te laten prevaleren, ookniet als dit een (minimale) lastenverzwaring voor de boeren betekent.AntwoordIn het verzoek om een impactanalyse naar de effectiviteit van demaatregel zullen zowel de voordelen als de nadelen meegewogenworden. Het gaat daarbij niet alleen om mogelijke positieve of negatieveeffecten op individuele boeren, maar ook om de effecten op de internemarkt. De Richtlijn Oneerlijke Handelpraktijken (Richtlijn (EU) 2019/633)geeft lidstaten de mogelijkheid om de lijst met oneerlijke handelsprak-tijken aan te vullen met nationale koppen. Het kabinet is hier geenvoorstander van, omdat deze de goede werking van de interne marktkunnen beperken.Ministeriële lunch over de «Nieuwe Taskforce voor EU-invoercontroles»De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kijken met interesse naar devoornemens voor een taskforce. Wel zijn deze leden benieuwd hoe deNederlandse inzet zich verhoudt tot mogelijk verhoging van de uitvoe-ringslasten. Het instellen van een taskforce komt immers zelden zonderverzwaring van de uitvoeringslasten. Heeft de Minister een beeld wat zijacceptabele maatregelen acht en in hoeverre dit een verzwaring van deuitvoeringslast mag betekenen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn daarnaast benieuwd naar deinzet van Nederland bij de invulling van de taskforce. Hiermee doelendeze leden voornamelijk op mogelijke flexibiliteit van de taskforce om ookproducten en vereisten, die op een later moment dan na instelling van detaskforce, schadelijk of kwetsbaar worden geacht te controleren. Dezeleden merken op dat een dergelijke flexibiliteit bij een taskforce vraagt omstructurele aanpak en financiering, vandaar dat zij benieuwd zijn naar deinzet van Nederland op dit vlak.AntwoordTot op heden is alleen bekend dat de Commissie tijdens een lunch haarplannen voor de oprichting van een Taskforce Importcontroles zal willenvoorleggen. Het is nog onduidelijk wat de precieze doelen van dezeTaskforce zijn en wat mogelijke uitvoeringsconsequenties voor Nederlandzijn. Ook is nog onduidelijk met wat voor mandaat de Taskforce zaloptreden en hoe verdere besluitvorming over de inrichting en vergader-structuur van de Taskforce zal verlopen.OntbossingsverordeningDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten zorgen over het uitstel vande inwerkingtreding van de Ontbossingsverordening. Deze leden vrezendat uitstel in dit geval niet leidt tot afstel. Deze leden zijn benieuwd wat deprecieze inzet is geweest van Nederland in de afgelopen twee jarenwaarin tot dit uitstel is gekomen. Daarnaast zijn deze leden benieuwd watde inzet van Nederland gaat zijn in het aankomende jaar om te verzekerenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175311 dat de verordening ditmaal daadwerkelijk in werking zal treden op30 december 2026.AntwoordSinds de publicatie van de Ontbossingsverordening in juni 2023 heeft deNederlandse overheid zich voorbereid op implementatie. Dit is gedaandoor onder meer het organiseren van bijeenkomsten en het geven vanvoorlichting aan belanghebbenden, het aanpassen van de relevanteNederlandse wetgeving, en het maken van afspraken tussen de betrokkenministeries, de NVWA en de Douane over uitvoering. De NVWA en deDouane hebben zich voorbereid op de uitvoering van de handhaving. Bijde NVWA is een team inspecteurs aangenomen en opgeleid. InEU-verband heeft Nederland gepleit voor een jaar «gratie-periode», eenjaar proefdraaien waarbij de EUDR geldt maar er nog geen boetes wordenopgelegd. Ook heeft Nederland een actieve rol gespeeld in het nastrevenvan uniforme interpretatie en handhaving van de Ontbossingsveror-dening. Daar blijft het kabinet zich ook voor inzetten gedurende dit jaar.Verder blijft het kabinet via flankerend beleid in samenwerking metproductielanden onverminderd inzetten op het tegengaan van ontbossing.De leden van de GroenLinks-PvdA zijn daarnaast zeer benieuwd naar eenstand van zaken voor implementatie van de verordening. In hoeverre wasde Nederlandse overheid en het bedrijfsleven gereed voor een mogelijkeimplementatie op 19 december 2025 en in hoeverre wordt deze voorbe-reiding aangepast naar de definitieve inwerkingtreding op 30 december2026?AntwoordDe Nederlandse overheid en het Nederlandse bedrijfsleven warenvoorbereid op implementatie per de aanvankelijke toepassingsdatum van30 december 2025. Om die reden, en vanwege zorgen over fragmentatieen uitvoerbaarheid bij het wijzigingsvoorstel, verzochten bedrijven deNederlandse overheid om tegen het wijzigingsvoorstel te stemmen.Daarnaast zijn er in voorbereiding op de toepassing per 2025 afsprakentussen de betrokken ministeries, de NVWA en de Douane zijn gemaaktover de handhaving. De Nederlandse wetgeving is aangepast op deOntbossingsverordening. Bij de NVWA is een team inspecteurs aange-nomen en opgeleid. Gedurende 2026 gaat de NVWA de voorbereiding vande handhaving voortzetten, zoals het voorlichten van bedrijven. DeNederlandse wetgeving wordt aangepast naar de nieuwe toepassings-datum. Daarnaast wordt er rekening gehouden met eventuele wijzigingendie voortvloeien uit de review van de Ontbossingsverordening door deCommissie in het kader van de versimpeling die in april 2026 wordtverwacht.Diversen – VisserijDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dragen een diversenpunt aanover de visserij. Op 13 januari 2026 berichtte Follow The Money dat de ECeen waarschuwing heeft afgegeven aan Nederland over de bijvangst vanbruinvissen (Follow the Money, 13 januari 2026, «EU waarschuwtNederland: krijg je visserij onder controle, anders eindigen we bij derechter» (https://www.ftm.nl/nieuwsbrieven/eu-waarschuwt-nederland-krijg-je-visserij-onder-controle-anders-eindigen-we-bij-de-rechter?utm_source=linkedin&utm_medium=social&utm_campaign=NoordzeeBruinvis&share=6RJ6MBShc3gwAFoC0Pne04sFNrVrRwlEtlslZ7Pq9d3rxSOJ%2B4XD4MQZgT36vls%3D)) In de antwoorden opvragen van onder andere deze leden werd eerder beterschap beloofd metbetrekking tot het tegengaan van visfraude (Aanhangsel Handelingen II,vergaderjaar 2023–2024, nr. 970). Hoe reageert de Minister op deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175312 waarschuwing van de EC (European Commission, 21 november 2025,November infringements package: key decisions» (https://ec.Europa.eu/commission/presscorner/detail/en/inf_25_2481))? Heeft de Minister alformeel gereageerd op de berichten van de EC? Zo ja, kan zij de reactie involledigheid delen met de Kamer? Welke maatregelen gaat zij nemen omtegemoet te komen aan de zorgen over gebrekkig toezicht op visfraude?Het is een lopende zorg dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit(NVWA) beschikt over te weinig inspecteurs. Hoeveel inspecteurs denkt deMinister nodig te hebben om volwaardig toezicht te houden op debijvangst van bruinvissen? Deze leden benadrukken het belang van beteremonitoring van bijvangst, en wijzen ook op de mogelijk verstrekkendegevolgen die het kan hebben voor vissers en de zeenatuur als dit nietverbetert. Zij verwachten daarom tijdig en volledig op de hoogte teworden gesteld over de ontwikkelingen wat dit betreft.AntwoordHet artikel in Follow The Money waaraan gerefereerd wordt, betreft hetmet redenen omkleed advies (MROA) ten aanzien van de infractiepro-cedure bijvangst van bruinvissen. Deze infractieprocedure is gestart op10 februari 2022, waarna op 27 februari 2024 nog een verzoek ominformatie van de Commissie is ontvangen. Beide brieven zijn doorNederland beantwoord binnen de gegeven termijn van twee maanden.Naast het MROA ten aanzien van de infractieprocedure bijvangst vanbruinvissen heeft Nederland op 21 november 2025 ook een aanvullendeingebrekestelling ten aanzien van de controle op de weging, registratie entraceerbaarheid van visserijproducten ontvangen van de Commissie. DeCommissie is van oordeel dat Nederland enkele, maar niet alle vastge-stelde tekortkomingen heeft verholpen. De Staatssecretaris heeft binnende gestelde termijn van twee maanden een brief aan de Commissiegestuurd met daarin de Nederlandse reactie. De inhoud van de aanvul-lende ingebrekestelling en de Nederlandse reactie zijn vertrouwelijk. Hierkan de Staatssecretaris niet verder op ingaan. Ten aanzien van decapaciteit van de NVWA voor controle en handhaving op visserij is deTweede Kamer onder andere op 1 oktober 2024 (Kamerstuk 21 501-32,nr. 1672) geïnformeerd over de aanvullende inzet. Daarnaast heeft deStaatssecretaris sinds 2025 aanvullend budget beschikbaar gesteld vooraanvullende capaciteit bij de NVWA om de herziene controleverordening(Verordening (EG) nr. 1224/2009) te implementeren. Momenteel acht deStaatssecretaris dit voldoende.Verslag Landbouw- en Visserijraad van 11–12 december 2025Vangstmogelijkheden 2026De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen enopmerkingen over de vangstmogelijkheden voor 2026.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ten eerste bezorgd over hetuitblijven van een akkoord over de vangst van makreel. In december 2025volgde het nieuws dat Noorwegen, de Faeröer-eilanden, IJsland en hetVerenigd Koninkrijk zelfstandig afspraken hebben gemaakt. Hierdoorachten deze leden de makreelbestanden onvoldoende beschermd. Welkegevolgen hebben deze uiteenlopende afspraken op de gezondheid van demakreelpopulatie en de diersoorten die daarvan afhankelijk zijn voor huneten? Hoe beoordeelt de Minister dat supermarktketens vooralsnog meerernst zien in de ongezonde makreelbestanden dan de lidstaten die zevangen? Nederland moet zich volgens deze leden ten volste inzetten omzo snel mogelijk tot gebalanceerde vangstafspraken te komen die zorgenvoor feitelijk herstel van de makreel. Zij zijn daarom benieuwd wanneerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175313 het definitieve akkoord wordt bereikt op de Total Allowable Catch (TAC)voor makreel. Wat is momenteel de positie en rol van Nederland in dezeonderhandeling en met welke inzet gaat de Minister deze onderhande-lingen in?AntwoordDe vier genoemde Kuststaten hebben onderling hogere vangstenafgesproken dan het primaire advies van de International Council for theExploration of the Sea (ICES). De Raad heeft een voorlopige TACvastgesteld op basis van het primaire advies. De Staatssecretaris betreurthet dat de andere Kuststaten een akkoord hebben gesloten zonder de EU.De Staatssecretaris hoopt dat via vervolgoverleg alsnog kan wordeningezet op herstel van het gelijke speelveld.De Staatssecretaris merkt op dat ook het primaire advies nog een vangstvan ruim 174.000 ton makreel als duurzaam beschouwt. Hierin is denatuurlijke predatie meegewogen. De supermarkten hebben eeneigenstandige bevoegdheid ter zake van wat zij aanbieden, maar zoalsgezegd kan nog ruim 174.000 ton duurzaam worden aangeboden. Hetmoment waarop de definitieve TAC bepaald kan worden, is afhankelijkvan deze onderhandelingen. De voorlopige TAC is tijdens de Raad vandecember jl. vooralsnog bepaald voor 6 maanden. De inzet is dat binnendeze termijn de definitieve TAC vastgesteld wordt.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich daarnaast zorgenover de onderhandelingen over de verdeelsleutels voor blauwe wijting,makreel en Atlanto-Scandische haring. Het betrekken van de brederebuitenlandse betrekkingen kan immers haaks staan op zowel de milieu-doelstellingen als op de sociaaleconomische doelstellingen. Kan deStaatssecretaris toelichten wat hij precies bedoelt met het betrekken vande bredere buitenlandse betrekkingen? Wat zijn daarvoor specifiek degevolgen voor zowel de milieu- als de sociaaleconomische doelstellingen?Hoe maakt de Staatssecretaris de afweging tussen deze drie componentenvan de onderhandelingen, welke volgens hem tot een gebalanceerdakkoord moeten komen?AntwoordMet de aanduiding dat het visserijaspect bij de bredere buitenlandsebetrekkingen meegenomen zou dienen te worden, is bedoeld dat visserijniet meer louter op zich bezien wordt, maar ook benoemd en meege-wogen kan worden wanneer andere onderwerpen in onderhandeling zijnen als zodanig in een integraal beeld van meerdere belangen meege-nomen kan worden.Voor wat betreft het afwegen van milieu- en sociaaleconomischedoelstellingen binnen de visserijonderhandelingen wordt getracht beidezo goed mogelijk in beeld te hebben om, bijvoorbeeld waar het weten-schappelijk advies hier de ruimte voor geeft, ook de sociaaleconomischeeffecten mee te wegen. Ook bij het nemen van aanvullende technischemaatregelen wordt hierbij zowel naar het effect voor het bestand als hetsociaaleconomische effect gekeken. Zo wordt getracht tot een gebalan-ceerd akkoord te komen.Onderhandelingen met derde landenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over deverhoogde vangstmogelijkheid voor de zeebaars. Deze leden vragen deStaatssecretaris in hoeverre gedurende het jaar wordt gemonitord wat deeffecten zijn op de populatie en wat de mogelijkheden zijn om dezevangstpercentages bij te sturen, mochten wetenschappelijke adviezen hierTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175314 gedurende het jaar al op aandringen. Dit geldt overigens voor allevispopulaties waarbij momenteel een verhoogde vangsthoeveelheid isafgesproken.AntwoordICES brengt jaarlijks adviezen uit voor alle visbestanden waarvoorvangstmogelijkheden gelden, waarbij wordt aangegeven tot aan welkemaximale vangsthoeveelheid duurzaam kan worden gevist (gebaseerd ophet Maximum Sustainable Yield (MSY)-principe). Deze adviezen geldenvervolgens als basis voor de jaarlijkse onderhandelingen over devisbestanden. Ook voor zeebaars is eind 2025 een advies uitgebracht overde maximale duurzame vangsthoeveelheid. Het is positief dat het weerbeter gaat met het zeebaarsbestand en enkele andere bestanden. Tijdensde onderhandelingen over de verdeling van de vangsten voor de zeebaarsin 2026 is de EU samen met het VK een vangsthoeveelheid overeenge-komen die ruim binnen dit duurzame advies van ICES valt. ICES brengtdeze adviezen per visbestand eenmaal per jaar uit. Er is geen reden omaan te nemen dat tussentijdse wetenschappelijke adviezen zullen uitwijzendat de vangstmogelijkheden te hoog zijn.Deze leden zijn daarnaast benieuwd naar de inzet van akoestische surveysvoor andere vispopulaties, naast dat van de Noordzee horsmakreel.AntwoordDe Staatssecretaris is op dit moment niet voornemens om akoestischesurveys in te zetten voor andere vispopulaties, naast dat van de Noordzeehorsmakreel.Uitkomsten trilaterale onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (VK)en NoorwegenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over detoepassing van de voorzorgsoverwegingen bij de vaststelling van hetvangstadvies. Het bewust niet toepassen van het voorzorgsbeginsel blijftde mogelijkheid bieden tot geitenpaadjes voor hogere visvangst, ten kostevan de vissenpopulaties. Wordt er momenteel overwogen om hetvoorzorgsbeginsel toe te passen bij het vaststellen van de vangstpercen-tages? Zo nee, is er een mogelijkheid dat Nederland zich hier op hetEuropese toneel voor in gaat spannen?AntwoordDe Staatssecretaris benadrukt dat de wetenschappelijke vangstadviezenvan ICES het uitgangspunt vormen voor de Nederlandse inzet bij hetvaststellen van de vangstmogelijkheden. Zoals eerder met de Kamer isgedeeld, wordt het voorzorgsbeginsel reeds structureel toegepast door desystematiek die ICES gebruikt om adviezen op te stellen (Kamerstuk21 501-32, nr. 1728). Bij de besluitvorming in de Raad worden daarnaastde sociaaleconomische gevolgen meegewogen, zoals het GVBvoorschrijft. Het streven is daarbij steeds om tot een duurzame balans tekomen tussen ecologische, economische en sociale pijlers. De Staatsse-cretaris is daarom niet voornemens om standaard additionele voorzorgs-reducties buiten de ICES-systematiek om toe te passen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich specifiek zorgenover het vangstadvies voor kabeljauw. Hoe verhoudt het links laten liggenvan het 0-vangstadvies zich tot het implementeren van maatregelen voorde bescherming van kabeljauw op de lange termijn? Wat is de Neder-landse inzet in deze langetermijnbescherming, nu de economische enmaatschappelijke effecten ervoor hebben gezorgd dat het wetenschappe-lijke vangstadvies niet is opgevolgd? Hoe verhoudt volgens de Staatsse-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175315 cretaris de maatschappelijke en economische effecten zich tot het behoudvan de makreel op lange termijn?AntwoordEr is voor 2026 een nulvangstadvies afgegeven voor het zuidelijkesubbestand van de Noordzeekabeljauw. De andere twee Noordzeesubbestanden konden echter nog wel binnen duurzame grenzen bevistworden, waardoor een volledig nuladvies voor heel de Noordzee nietwenselijk werd geacht. De Staatssecretaris hecht eraan dat de kabeljauw-visserij hierdoor niet volledig stilvalt en de sociaaleconomische gevolgenbeheersbaar blijven. Ook zijn maatregelen vastgesteld om het herstel vanhet zuidelijke subbestand te bevorderen, onder andere door aange-scherpte regels voor gebiedssluitingen en de bescherming van onder-maatse vis. Het behoud van de makreel op lange termijn wordtnagestreefd door het volgen van de wetenschappelijke adviezen diegebaseerd zijn op bestandskenmerken.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over deaanpassing van het TAC voor de Noordzeeharing. Hoe kan eenaanpassing in het beheermodel leiden tot een lagere TAC-demper?AntwoordOnderdeel van de overeenkomst over een langetermijn beheermodel isdat hierdoor TAC-dempers toegepast kunnen worden. Door het overeen-gekomen beheermodel kan de duurzaamheid van de visserij in detoekomst beter worden gewaarborgd. Door het kunnen toepassen vandeze TAC-demper worden grote fluctuaties in de TAC’s beperkt. Dit biedtbedrijven meer zekerheid. De Staatssecretaris is positief over dezeontwikkeling met betrekking tot het beheer van de Noordzeeharing.DiversenpuntenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd hoe de Staatsse-cretaris kijkt naar de invulling van definities binnen het voorstel inzake desectorale verordening voor steun aan visserij, aquacultuur en hetOceaanpact voor de periode 2028–2034 van de EC. Over welke definitiesbestaat precies onenigheid en wat is de inzet van Nederland in deinvulling van deze definities?AntwoordOp dit moment zijn de onderhandelingen over de gehele verordening nogin volle gang. Alle definities zijn hierbij ook onderwerp van gesprek. DeStaatssecretaris zet hierbij in op duidelijke definities die uitvoerbaar zijn.GLB na 2027De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zijn benieuwd hoe het pleidooivan de Staatssecretaris over doelsturing is ontvangen.AntwoordDe Minister heeft sinds de publicatie in juli 2025 van de voorstellen voorhet GLB na 2027 bij meerdere gelegenheden gepleit voor doelsturing. Inhet algemeen is er steun in de Raad om boeren meer ondernemers-vrijheid te geven om doelen te halen op een manier die past bij hunbedrijfsvoering. Wel is er zorg over wat dit betekent voor de administra-tieve lasten en hoe dit concreet vorm te geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175316 Fiche Strategie voor generatievernieuwing in de agrarische sectorDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele opmer-kingen bij het Fiche: Strategie voor generatievernieuwing in de agrarischesector. Voornamelijk maken deze leden zich zorgen over het onzekerenationale landbouwbeleid, met mogelijke financiële dan wel mentalenadelen tot gevolg. In hoeverre wordt toekomstperspectief op nationaalniveau meegenomen in het investeren in generatievernieuwing op(inter)nationaal niveau?AntwoordDe Minister beschouwt generatievernieuwing als een prioriteit voor eentoekomstbestendige landbouw. Daarom investeren we via het GLB gerichtin vestigingssteun, samenwerking voor generatievernieuwing en gunstigefinanciering voor duurzame omschakeling. Met structurele kennis-,advies- en begeleidingsinstrumenten bieden we jonge boeren concreetperspectief om bedrijven over te nemen en toekomstgericht voort tezetten.De gezondheid van jonge boeren krijgt nadrukkelijk aandacht binnen hethuidige beleid. Naast regelgeving die inzet op voorspelbaarheid encontinuïteit in financiering en subsidieregelingen, wordt actief geïnves-teerd in mentale gezondheid en begeleiding. Via programma’s als Taboerwordt gewerkt aan het doorbreken van taboes rond mentale problematiek,met specifieke aandacht voor jongeren en toekomstige bedrijfsopvolgers.Daarnaast kunnen jonge boeren gebruikmaken van Sociaal EconomischeBegeleiding (SEB) voor meerjarige, onafhankelijke ondersteuning bijbedrijfstransities en persoonlijke ontwikkelvragen. Ook het KenniscentrumBedrijfsovername Jonge Boeren besteedt expliciet aandacht aan desociaal-emotionele aspecten van ondernemerschap en opvolging.Hiermee wordt de gezondheid en veerkracht van jonge boeren structureelversterkt.Al deze kennis en ervaring zullen worden meegenomen bij het opstellenvan onze nationale strategie voor generatievernieuwing in de landbouw.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben de geannoteerde agenda metinteresse gelezen en hebben met name over de Europese Bio-economiestrategie en het onderwerp Verordening tot wijziging van de verordeninginzake biologische landbouw nog een aantal vragen.De leden van de BBB-fractie hebben het rapport «Europese Bio-economiestrategie» van onderzoeksbureau Thuenen uit 2013 gelezen, dat inopdracht van de EU werd gedaan (Thünen, 22 november 2013, «Evalu-ation of the EU legislation on organic farming» (https://orgprints.org/id/eprint/28713/1/Final_StudyReport_(BlackWhite).pdf)). Daarin wordtbenadrukt dat er grote verschillen zijn in de manier waarop de regels voorbiologische productie worden uitgelegd in verschillende landen.Bovendien zijn er uitzonderingen op de regels mogelijk voor landen,waardoor «biologisch» in het ene land iets totaal anders kan betekenendan in het ander land. Deze leden willen de Minister dan ook op het hartdrukken om te vragen om opheldering rondom die verschillen, zodat deoneerlijke concurrentie door soepelere regels voor biologische productiein andere EU-lidstaten niet langer een risico vormt voor de Nederlandseboeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175317 AntwoordHet aangehaalde onderzoek uit 2013 stamt van vóór de inwerkingtredingvan de huidige Verordening (EU) nr. 2018/848 inzake de biologischeproductie en de etikettering van biologische producten en geeft geenactueel beeld meer van de huidige situatie in de EU. De verschillendeinterpretatie of implementatie door EU-lidstaten is een van de redenengeweest om de wetgeving destijds te herzien. Er ligt nu een voorstel voorversimpeling van de genoemde verordening. Er wordt daarbij scherpgekeken naar het voorkomen van oneerlijke concurrentie en hetversterken van het gelijke speelveld.De leden van de BBB-fractie zijn blij om te lezen dat de Minister in hetbovenstaande kader aangeeft dat «andere ambities» geen afbreuk mogendoen aan de primaire functie van landbouwbedrijven als voedselprodu-centen, zeker in de huidige tijd van geopolitieke onzekerheid. De biolo-gische productie van voedsel kost meer ruimte en land dan de gangbareproductie. Op dit moment produceert de Nederlandse landbouwsectorvoor veel voedingsstoffen maar net genoeg voor de Nederlandsebevolking, hoewel Nederland als vruchtbare delta met een hoogontwik-kelde landbouwsector een grote verantwoordelijkheid zou moeten dragenin de wereldwijde voedselvoorziening. De overgang naar 25 procentbiologisch areaal landbouw zou dus ofwel de productie van voedsel doendalen, danwel de claim op grond voor de totale landbouw vergroten. Er isin Nederland geen extra grond beschikbaar voor de productie vanvoedsel, tenzij daarvoor bijvoorbeeld natuurgebieden zouden wordenopgegeven. Deze leden vragen de Minister daarom om onderzoek te doennaar de gevolgen van nog meer biologisch areaal voor de voedselvoor-ziening in Nederland.AntwoordMet het Nederlandse actieplan voor de groei van biologische productie enconsumptie streeft het kabinet naar een percentage van 15% biologischlandbouwareaal in 2030. Van 25% is momenteel geen sprake. Derhalveziet de Minister geen aanleiding om onderzoek te doen naar de gevolgenvan nog meer biologisch areaal voor de voedselvoorziening in Nederland.Kan de Minister bovendien aangeven in hoeverre het uitbreiden vanbiologische productie in overeenstemming is met het programma vanCyprus waarin autonomie centraal staat en voor de landbouw eenspecifieke focus op voedselzekerheid? Zou de Minister daarbij ook willenbetrekken dat voedselproducent HAK bijvoorbeeld heeft aangegeven datafgelopen jaar de volledige biologische oogst van tuinbonen is mislukt(Nieuwe Oogst, 20 december 2025, «HAK laat droom 100 procentbiologisch varen: «Financieel niet langer haalbaar»» (https://www.nieuweoogst.nl/nieuws/2025/12/20/hak-laat-droom-100-procent-biologisch-varen-financieel-niet-langer-haalbaar))? Ziet de Minister eenrisico voor de voedselzekerheid als het biologisch areaal nog groterwordt? Is er risico op het mislukken van nog meer oogsten als de inzet opeen groter biologisch areaal in Nederland wordt doorgezet?AntwoordHet Cypriotisch voorzitterschap zal zich inzetten voor het versterken vanhet concurrentievermogen, de duurzaamheid en de aantrekkelijkheid oplange termijn van de EU-landbouwsector, en zal de uitdagingenaanpakken die voortvloeien uit klimaatverandering, biodiversiteitsverlies,kwetsbaarheid van bossen en geopolitieke instabiliteit. Het voorzitter-schap zal daarom de politieke discussies faciliteren over het voorgesteldeGLB-pakket 2028–2034, de Gemeenschappelijke Marktverordening (GMO),crisispreventie en -bestrijding, vereenvoudiging van het GLB enhandelsbeleid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175318 Uit het programma van het Cypriotisch voorzitterschap blijkt niet ofgekeken wordt naar de positie van biologische landbouw om voedselze-kerheid te garanderen. In antwoord op uw vragen wil ik wel benoemendat de productie per hectare van biologische landbouw over het algemeenlager is dan de gemiddeld productie op agrarische bedrijven. Dit betekentdat naarmate het areaal biologische landbouw groter wordt, er in totaalook een groter landbouwareaal nodig zal zijn om dezelfde productie terealiseren. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat over het mislukkenvan de biologische tuinbonenoogst en HAK gesproken zal worden inBrussel. Het is goed om te melden dat de biologische oogsten in de akker-en tuinbouw elders in Nederland het afgelopen jaar erg goed waren.Hoe kijkt de Minister daarnaast aan tegen de vereenvoudigingsvoorstellenvan EC voor de biologische landbouw? Hoe kijkt de Minister in hetbijzonder naar de voorgestelde regels voor het gebruik van het EU-logovoor biologische producten uit derde landen, waarbij deze producten aanstrengere eisen moeten voldoen dan de EU-producten? Wat zijn degevolgen van een dergelijke maatregel met een protectionistisch karaktervoor de Europese en internationale biologische markt?AntwoordHet kabinet is momenteel bezig een kabinetspositie te formuleren middelseen BNC-fiche en verwacht dit medio februari aan de Kamer te sturen. Wekunnen niet hierop vooruitlopen.De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over het gepresenteerdepakket Europese netwerken. Deze leden zien daarin een mogelijk risicovoor de landbouw, als daardoor een grotere stikstofreductie-opgave bij delandbouw komt te liggen. Welke risico’s ziet de Minister voor een hogerestikstofreductie-opgave voor de landbouw bij het European grids packagevan de EC waarbij er uitzonderingen komen op de passende beoordelingonder de Habitatrichtlijn? Is duidelijk hoeveel groter de opgave zoukunnen worden?AntwoordDe Minister voorziet geen hogere stikstofreductie-opgave voor delandbouw als gevolg van het EU Grids Package van de Commissie. In hetEU Grids Package stelt de Commissie dat de uitrol van elektriciteitsnettenniet mag worden beperkt door stikstofemissies tijdens de aanlegfase,aangezien juist deze projecten op de korte termijn in de bouwfase eenbeperkte stikstofuitstoot hebben en voor grote stikstofreductie zorgen opde lange termijn. Het kabinet voorziet dus juist dat de stikstofopgave voorNederland op termijn kleiner wordt met dit voorstel. De verdereuitbreiding en verzwaring van het Nederlandse stroomnet kan daarbij ookbijdragen aan de elektrificatie van de Nederlandse industrie en mobiliteitwaardoor er in de toekomst minder stikstofdeposities zijn. Voor deindustrie is dit in het kader van het Onderzoek Samenhang Stikstof enEnergie (OSES) onderzocht (Kamerstuk 29 023, nr. 597).Volgens het Commissievoorstel uit het EU Grids Package zou de impactvan stikstofdeposities als gevolg van de aanleg van netten niet meege-nomen hoeven te worden in de voortoets of passende beoordeling opgrond van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Als aan devoorwaarden wordt voldaan, is een natuurvergunning («omgevingsver-gunning voor een Natura 2000-activiteit») alleen nog nodig als er alsgevolg van het project ook nog andere drukfactoren zijn die significantegevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben. Daarnaast zalmoeten blijven worden getoetst aan de soortbeschermingsbepalingen vande Vogel- en Habitatrichtlijn, waarvoor de «omgevingsvergunning vooreen flora- en fauna-activiteit» relevant is. Andere effecten blijven daardoorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175319 onverkort relevant. De voorstellen van de Commissie worden naderbestudeerd en de Kamer wordt op korte termijn via de reguliereBNC-procedure geïnformeerd over het kabinetsstandpunt.Parallel werkt het kabinet aan de algemene maatregel van bestuur (AMvB)vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten, waarbij helder wordtgemaakt welke activiteiten en projecten geen natuurvergunning nodighebben, omdat deze als beheermaatregel kunnen worden aangemerkt.Het gaat daarbij om verduurzamingsactiviteiten met kleine en tijdelijkestikstofemissies die op termijn tot stikstofreductie leiden.De leden van de BBB-fractie zijn tevreden over de onderhandelingen overde vangstmogelijkheden voor 2026. Ondanks de moeizame gesprekkenmet derde landen en de overschrijdingen door met name die landen vande makreelquota, zijn deze leden positief over het resultaat dat door deStaatssecretaris is bereikt. Daarbij is zorgvuldig gekeken naar de vangst-adviezen van ICES, met oog voor zowel de ecologische uitgangspuntenals de sociale en maatschappelijke impact.De leden van de BBB-fractie blijven, ondanks de inzet die de Staatssecre-taris hier al op pleegt, aandringen op het tot stand brengen van langjarigequota-afspraken om de sector meer stabiliteit en voorspelbaarheid tebieden. Deze leden zijn met name tevreden over de uitkomsten voorbelangrijke bestanden, waaronder tong, zeebaars, Noordzeeharing enhorsmakreel. In het bijzonder bij tong, waar in eerdere jaren sprake wasvan aanzienlijke terugval, blijkt dat het bestand zich herstelt. Dit bevestigthet belang van langjarige quota om schokken in de sector beter te kunnenopvangen.De leden van de BBB-fractie beschouwen de inzet van akoestischesurveys, waaronder ICES, als een positieve ontwikkeling. Deze methodenmaken nauwkeurigere metingen mogelijk en dragen bij aan betrouw-baardere wetenschappelijke inzichten in de bestandsschattingen.De leden van de BBB-fractie zijn zeer verheugd over de bredere herzieningvan het Real Time Closed Areas (RTC’s). Deze leden hebben hier algeruime tijd voor gepleit en zijn verheugd dat de EC dit onderwerp nu inbehandeling neemt.De leden van de BBB-fractie ondersteunen de inzet van de Staatssecretarisom duidelijkheid te verkrijgen over de financiering van wettelijke taken, dedatacollectie en de controle. Daarnaast zijn zij van mening dat bepaaldedefinities met betrekking tot de kleinschalige visserij opnieuw dienen teworden bezien, aangezien deze in de praktijk onnodig beperkenduitwerken. Kan de Staatssecretaris toezeggen daarop inzet te plegen?AntwoordDe onderhandelingen over de verordening (voorstel voor tot vaststellingvan de voorwaarden voor de uitvoering van de steun van de Unie voorhet gemeenschappelijk visserijbeleid, het Europees oceaanpact en hetmaritiem en aquacultuurbeleid van de Unie in het kader van het Fondsvoor nationaal en regionaal partnerschap, zoals vastgesteld in Veror-dening (EU) [NRP-fonds] voor de periode 2028–2034) zijn nog gaande. Ditbetreft onder meer definities. De Staatssecretaris deelt de mening van deleden van de BBB-fractie dat definities niet onnodig beperkend moetenuitwerken. Zoals in het BNC-fiche «MFK – Voorwaarden voor steun voorhet Gemeenschappelijk Visserijbeleid, Ocean Pact, het maritieme enaquacultuur beleid» is aangegeven, heeft het kabinet vragen bij devoorkeursbehandeling die de kleinschalige kustvisserij in het voorstel lijktte krijgen, zeker aangezien in de voorstellen verder niets over andereTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175320 specifieke visserijen of steunpercentages is opgenomen. Niet alleen dekleinschalige kustvisserij staat voor grote uitdagingen, zoals de energie-transitie. De Staatssecretaris zal zich daarom inzetten voor gelijke enduidelijke steunpercentages voor de gehele vloot, zonder dat hierbij eenvlootsegment of type visserij een voorkeursbehandeling krijgt.De leden van de BBB-fractie benadrukken dat er voldoende financiëlemiddelen beschikbaar moeten blijven voor de uitvoering van wettelijketaken, voor de ondersteuning van de energietransitie en voor vlootmoder-nisering. Daarbij achten deze leden het van belang dat voldoendemiddelen in het GLB geoormerkt blijven voor de visserijsector, ook albetreft dit een exclusieve bevoegdheid van de EC. Als vissers zelfcontrolemiddelen moeten aanschaffen, dient dit wat betreft de leden vande BBB-fractie voor 100 procent te worden vergoed. Kan de Staatssecre-taris hierop reflecteren?AntwoordDe Staatssecretaris onderschrijft het belang van het subsidiabel kunnenhouden van de uitvoering van wettelijke taken, de ondersteuning van deenergietransitie en de modernisering van de vloot. Deze thema’s zijnessentieel voor een toekomstbestendige visserijsector. Ook is het kabinetvan mening dat de middelen die uiteindelijk beschikbaar komen in hetMeerjarig Financieel Kader (MFK) in verhouding moeten staan tot debeoogde doelen en eisen die aan de lidstaten worden gesteld. Zoals in hetBNC-fiche «MFK – Oprichting Europees Fonds Nationale en RegionalePartnerschap plannen» is aangegeven, is het kabinet van mening datwettelijke taken die volgen uit het GVB, zoals controle, handhaving endatacollectie, opgenomen moeten blijven worden als subsidiabeleactiviteit. De nieuwe cofinancieringssystematiek zal mogelijk een hogerebijdrage vragen van de visserij- en aquacultuurondernemingen danwelvan het Rijk of medeoverheden. De Staatssecretaris kan momenteel nietvooruitlopen op de uitkomsten van de discussie, maar zal hiervooraandacht blijven houden in de onderhandelingen.De leden van de BBB-fractie verzoeken bovendien om duidelijkheid overde vraag of het vissen met korven op wollandkrab binnen visserijvrijezones is toegestaan en, als dit het geval is, welke maaswijdte daarbijgeldt, aangezien hierover onduidelijkheid bestaat in de binnenvisserij enhet seizoen op zeer korte termijn gaat beginnen.AntwoordDe aangekondigde visserijvrije zones bij vismigratievoorzieningen zijnnog niet van kracht. Dat betekent dat op korte termijn hiervoor geennieuwe regels zullen gaan gelden. De betreffende zones moeten nog in deregelgeving worden uitgewerkt. Daarin wordt het maatwerk voor devisserij opgenomen, zoals is afgestemd met de sector. Dit maatwerk isbeschreven in de brief van de Staatssecretaris aan de Kamer van mei 2025(Kamerstuk 29 664, nr. 213).Met de nog te wijzigen regelgeving is voorzien dat nabij alle vismigratie-voorzieningen een in afmeting beperkte zone komt waar visserij met allevistuigen verboden wordt, met uitzondering van de maanden decemberen januari. Bij de belangrijkste intrekpunten voor trekvis in de Haringvliet-sluizen en de Afsluitdijk komen additionele grotere zones. In dezeadditionele zones worden alleen hokfuiken en staand want verboden. Indeze aanvullende zones is visserij met korven op wolhandkrab dusgedurende het hele jaar toegestaan. In de visserijvrije zone geldt daarbijgeen aanvullende vereiste voor de maaswijdte. Wel geldt dat tijdens degesloten periode voor de aalvisserij (van 1 september tot en met28 februari) voor de korven een vergunning moet worden aangevraagdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175321 waarin is geregeld dat in deze maanden de korven over een ontsnap-pingsmogelijkheid voor aal beschikken.De leden van de BBB-fractie willen ook van de Staatssecretaris weten ofhet klopt dat het visgebied de Cocks is gesloten vanwege de aanwezigheidvan zeegras. Zo ja, dan vragen deze leden of het mogelijk is om dit hoogdynamische gebied weer open te stellen als er geen zeegras aanwezig is.AntwoordDe Staatssecretaris gaat ervan uit dat met het visgebied de Cocks gedoeldwordt op het Eierlandse Gat. Vooralsnog is het niet de intentie van deStaatssecretaris om het Eierlandse Gat weer open te stellen voor degarnalenvisserij. Het Eierlandse Gat is immers gesloten naar aanleidingvan het Viswad convenant dat in 2014 is ondertekend door betrokkenpartijen en in 2022 heeft geleid tot sluiting van het Eierlandse Gat. In ruilvoor deze sluiting zijn toen 19 garnalenvissers uitgekocht door hetWaddenfonds.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris in gesprek te gaanmet supermarkten die makreel uit de schappen hebben gehaald, nu er eennieuw quota-akkoord voor makreel is gesloten. Deze leden vragen daarbijte bezien of makreel weer in de schappen kan worden opgenomen,aangezien het gesloten quota-akkoord zelfs onder het wetenschappelijkvangstadvies ligt.AntwoordZoals ook aangegeven in de beantwoording van het schriftelijk overlegvan de Raad van 27 en 28 oktober 2025 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1730) enin de beantwoording van het schriftelijk overleg van de Raad van 11 en12 december 2025 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1736) is het aan super-markten om op basis van de beschikbare informatie een afweging temaken over verkoop van makreel. De Staatssecretaris is bereid, zoals ookreeds toegezegd in de eerdergenoemde beantwoording in oktober endecember, zich te laten informeren door het Centraal Bureau Levensmid-delenhandel (CBL) om te horen hoe CBL tot dit besluit is gekomen.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris, gelet op derecente ICES-herbeoordeling waaruit blijkt dat de makreelstand aanzienlijkgroter is dan eerder werd aangenomen en mogelijk niet overbevist is engezien de geuite kritiek op de onzekerheid en methodologie van eerderestockbeoordelingen, op welke wijze hij ervoor gaat zorgen dat hetNederlandse en Europese visserijbeleid voortaan is gebaseerd opwetenschappelijk robuustere en frequenter geactualiseerde bestandseva-luaties voor de vaststelling van vangstquota. Daarnaast vragen zij deStaatssecretaris hoe de consistentie tussen internationale afspraken overTAC’s en de ICES-adviezen wordt verbeterd en op welke manier daarbij depositie van Nederlandse vissers wordt versterkt in internationaleonderhandelingen over gedeelde visbestanden, zoals makreel.AntwoordICES voert met regelmaat benchmarks uit om te analyseren of degebruikte modellen nog passend zijn. Dit kan leiden tot aanpassingen indeze modellen/parameters en dit zal vanaf dan worden meegenomen innieuwe vangstadviezen. Dit is vorig jaar ook gedaan met makreel. In dezeadviezen wordt ook de data zoals beschikbaar vanuit Nederland (zoweldata over visserijdruk als expertise vanuit Wageningen Marine Research(WMR)) meegenomen. Ik zie geen reden om deze systematiek te wijzigen.De onderhandelingen worden op dit moment uitgevoerd op basis van deICES-adviezen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175322 De leden van de BBB-fractie achten het zeer onwenselijk dat de NVWA bijde juridisering die wordt toegepast bij de aanwijzing van loshavens nietnaar de feitelijk toestand heeft gekeken waar nu wordt gelost. Deze ledenpleiten ervoor dat alle havens waar in de afgelopen vijf jaar aantoonbaarvis is gelost, worden aangemerkt als toegestane loshavens. Kan deStaatssecretaris hierop reflecteren? Kan de Staatssecretaris bovendienaangeven waarom de NVWA er niet voor heeft gekozen om alle havenswaar de afgelopen vijf jaar vis is gelost aan te merken als toegestaneloshavens?AntwoordSinds november 2024 zijn de criteria en het proces voor de aanwijzing vaneen aanlandhaven vastgelegd in de Beleidsregel aanwijzing havens enplaatsen voor visserij (hierna: beleidsregel) (Regeling – Beleidsregelaanwijzing havens en plaatsen voor visserij – BWBR0050352). Hiermeewordt op voorhand voor ondernemers duidelijk aan welke criteria moetworden voldaan en wordt willekeur voorkomen bij de aanwijzingaanlandhavens. De criteria in de beleidsregel zijn op basis van Europeseen nationale wet- en regelgeving vormgegeven. Het betreft hierbij onderandere de aanwezigheid van de benodigde faciliteiten, zoals bijvoorbeeldweegapparatuur, de mogelijkheden voor adequaat toezicht en handhavingen de omvang van de groep vissers die baat heeft bij het gebruik. Eennieuwe haven en/of plaats aanwijzen of het wijzigen van al aangewezenhavens en/of plaatsen moet een algemeen en breed gedragen belangdienen. Dit kan immers leiden tot meer kosten voor onder andere toezichten handhaving die worden betaald uit gemeenschapsgeld. De voorge-nomen criteria voor aanwijzing van een haven of plaats zijn bij deopstelling van de beleidsregel afgestemd met de sector.Op basis van de beleidsregel is het niet vanzelfsprekend dat havens die inhet verleden zijn gebruikt voor de aanlanding van vis officieel aangewezenworden als aanlandhaven. Door veranderende omstandigheden kan deNVWA bijvoorbeeld een negatief advies uitbrengen over de uitvoer-baarheid. De NVWA moet immers kunnen garanderen dat er tijdig envoldoende toezicht plaats kan vinden op de aanlandingen. Hierbij wordtgewogen waar de beschikbare capaciteit het meest effectief en tenbehoeve van het publiek belang ingezet kan worden. Het advies van deNVWA wordt uiteindelijk samen met de andere criteria gewogen op basiswaarvan de Staatssecretaris een besluit neemt.De leden van de BBB-fractie achten het wenselijk om te onderzoeken ofnaast het Marine Stewardship Council (MSC)-keurmerk mogelijk ookandere duurzaamheidslabels in de garnalenvisserij kunnen wordengeïntroduceerd, waaronder eventueel labels die in Vlaanderen wordengehanteerd. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat rekening wordtgehouden met de wensen van de Nederlandse garnalenvissers als hetgaat om de introductie van duurzaamheidslabels voor garnalen op deNederlandse markt?AntwoordHet MSC-keurmerk is een privaat initiatief en wordt niet door de overheidopgelegd. De sector heeft er zelf voor gekozen om hieraan mee te doen.De Staatssecretaris heeft geen signalen ontvangen dat er naast hetMSC-keurmerk behoefte is aan andere keurmerken voor de garnalen-sector. Indien de sector dit wenst, staat het haar vrij deel te nemen aanandere keurmerken.De leden van de BBB-fractie verzoeken de Staatssecretaris om eenwerkbezoek te brengen aan zijn Vlaamse collega, met als doel ervaringenuit te wisselen, ideeën op te doen en gezamenlijke knelpunten binnen deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175323 visserijsector te bespreken, zoals de incidenten op het kanaal met deflyshootvisserij op inktvis.AntwoordDe Staatssecretaris heeft regelmatig contact met zijn Vlaamse collega omvan gedachten te wisselen over diverse visserijaangelegenheden. Hierbijwordt over verschillende onderwerpen gesproken, zoals innovatie enonderzoekssamenwerking. Ook worden in deze gesprekken actueleknelpunten besproken. Deze contacten blijft de Staatssecretaris opzoeken.De leden van de BBB-fractie willen laten toetsen of de Rode Lijst nogactueel is, onder andere voor soorten zoals de fint. Deze leden stellen voorhierover navraag te doen bij Reptielen Amfibieën Vissen OnderzoekNederland (RAVON) en de Wageningen University & Research (WUR)/Wageningen Marine Research (WMR). Kan de Staatssecretaris hierovereen toezegging doen?AntwoordIn opdracht van ons ministerie is eind 2025 aan Reptielen AmfibieënVissen Onderzoek Nederland (RAVON) de opdracht verleend om de RodeLijst voor vissen in 2026 te herzien. RAVON is al gestart met de werkzaam-heden. Dit wordt in samenwerking gedaan met WMR.De leden van de BBB-fractie pleiten daarnaast voor het verstrekken vanlangjarige vergunningen aan ensisvissers om hun rechtszekerheid encontinuïteit in de bedrijfsvoering te versterken. Kan de Staatssecretarishierop reflecteren?AntwoordMomenteel hebben de nu geldende natuurvergunningen voor deensisvisserij een looptijd van zes jaar. Of er ruimte is om deze looptijdvoor de volgende vergunningen te verruimen zal te zijner tijd beschouwdworden op basis van de inzichten over de effecten van deze visserij op debeschermde natuurwaarden en de op dat moment best beschikbarewetenschappelijke kennis. Een langere looptijd betekent overigens wel dater tussentijds gemonitord en geactualiseerd zal worden. Dat is ook aan deorde bij de langlopende vergunningen die recent voor de garnalenvisserijzijn afgegeven.De leden van de BBB-fractie vragen tot slot wanneer vanuit het ministerieduidelijkheid komt over de passieve visserij binnen windmolenparken.AntwoordWat betreft passieve visserij binnen windparken op de Noordzee is in hetProgramma Noordzee 2022–2027 vastgesteld dat passieve visserij één vande toegestane vormen van medegebruik is. Via inschrijving op eenuitvraag in de Staatscourant kunnen vissers experimenteren met passievevisserij binnen windparken. Op dit moment staat er geen uitvraag open,maar de Staatssecretaris is voornemens om op korte termijn weer eenuitvraag te publiceren. Om duidelijkheid te krijgen wat betreft de potentievan deze vorm van visserij binnen windparken, heeft WMR de afgelopenjaren onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gepubliceerd ophet Noordzeeloket. Hieruit blijkt dat passieve visserij binnen het windparkzelfstandig nog geen businesscase oplevert, maar mogelijk wel debusinesscase van vissers kan aanvullen. Daarnaast wordt er aanbevolenom te kijken naar het verruimen van onder andere de zones waarbinnenpassieve visserij mag plaatsvinden. Daarom zal de Staatssecretaris dekomende tijd onderzoeken of het beleid voor passieve visserij alsmedegebruiksvorm kan worden aangepast, opdat dit de business casevoor passieve vissers ondersteunt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175324 De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgenvan de recent door de Verenigde Staten opgelegde importheffingen. Dezeleden vernemen daarom graag van de Staatssecretaris hoe groot dewaarde is van visserijproducten-handel tussen Nederland en de VerenigdeStaten. Kan de Staatssecretaris bovendien reflecteren op de verwachtegevolgen van de importheffingen voor de Nederlandse visserijsector?AntwoordHet kabinet is ongelukkig met de aankondiging van de president van deVerenigde Staten om importheffingen in te voeren als reactie op Europesemilitaire aanwezigheid op Groenland. Commissievoorzitter Von der Leyenheeft hierover meteen een verklaring uitgegeven waarvoor brede steun isuitgesproken door EU-lidstaten, waaronder Nederland. Zoals in de briefvan de Minister van Buitenlandse Zaken van 18 januari jl. (Kamerstuk21 501-02, nr. 3317) is aangegeven, ligt de prioriteit van het kabinet bij hetvoorkomen dat de door president Trump aangekondigde importheffingenop 1 februari a.s. daadwerkelijk ingaan. Nederland zal zich via de EU, deNAVO en bilaterale contacten inzetten om te de-escaleren. Nederlandexporteert voor grofweg € 350 mln. per jaar aan visserijproducten naar deVS. Hiervan is ca. € 300 mln. aan verwerkte zalmproducten waarvan degrondstof uit Noorwegen komt. Vooralsnog gaat het om een bericht vande president van de Verenigde Staten op sociale media en niet om eenuitgewerkte beleidsmaatregel. Het kabinet kan daarom nog geen uitspraakdoen over de impact van mogelijke heffingen op specifieke sectoren. Hetkabinet houdt de situatie uiteraard nauwlettend in de gaten.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan onder meer de geannoteerde agenda. Deze leden hebben nog enkelevragen.De leden van de SGP-fractie hebben een vraag naar aanleiding van deevaluatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken die tijdens de Raadzal worden gepresenteerd. Nederland heeft gekozen voor een minimaleimplementatie van de richtlijn. Verschillende andere lidstaten hebbenervoor gekozen andere handelspraktijken toe te voegen aan de doorBrussel vastgestelde (minimale) lijst met verboden oneerlijke handels-praktijken of hebben strengere handhavingsnormen ingevoerd. Hoewaardeert de Minister de verschillen tussen lidstaten? Ziet zij toege-voegde waarde in het nationaal vaststellen van aanvullende oneerlijkehandelspraktijken of strengere normen ter versterking van de positie vanprimaire producenten in de voedselketen? Zo nee, waarom niet?AntwoordUit de Nederlandse evaluatie van de Wet Oneerlijke Handelspraktijken(Kamerstuk 35 642, nr. 7) is naar voren gekomen dat het doelbereik van dewet op dit moment niet verhoogd zou worden door meer mogelijkeoneerlijke handelspraktijken aan de grijze of zwarte lijst toe te voegen.Verschillen tussen lidstaten hebben daarnaast een negatief effect op eengoede werking van de interne markt. De Minister is er daarom geenvoorstander van om de lijst Oneerlijk Handelspraktijken (Richtlijn (EU)2019/633) aan te vullen of om op nationaal niveau strengere normen testellen.De leden van de SGP-fractie horen graag wat de stand van zaken is metbetrekking tot de door de EC aangekondigde studie naar de impact vanintellectueel eigendom en octrooien in de plantenveredeling (zie schrifte-lijke overleg Landbouw- en Visserijraad van 18 juni 2025, Kamerstuk21 501-32, nr. 1711). Het kabinet zou aandringen op snellere opleveringTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175325 van deze studie, gelet op de toenemende spanning tussen het octrooi-recht en het kwekersrecht in de plantenveredeling. Zal de studieinderdaad sneller worden opgeleverd? Zorgt de Staatssecretaris voornauwe betrokkenheid van Nederland bij de uitvoering van deze studie?AntwoordDe studie waarop gedoeld wordt, is in december 2025 door de Commissiegepubliceerd (Supporting innovation in the EU bioeconomy throughintellectual property protection: Challenges and opportunities foragricultural biotechnology). Het onderzoek is door Technopolis uitgevoerdin opdracht van de Commissie. Technopolis heeft ook Nederlandsestakeholders geconsulteerd en hun bijdragen in het rapport opgenomen.In lijn met de toezegging van de Minister van 12 november 2025 aan deEerste Kamer (Kamerstuk 27 428, H), ontvangt de Tweede Kamer eenappreciatie van dit rapport in relatie tot het NGT-voorstel zodra decompromistekst uit het triloog wordt gepubliceerd.De leden van de SGP-fractie hebben verder een vraag over de brief inzakede voortgang van het Achtste Actieprogramma Nitraatrichtlijn (Kamerstuk33 037, nr. 635). Deze leden constateren dat de Minister kiest voor hetvooralsnog doorzetten van het Zevende Actieprogramma. Zij willen erdaarbij op wijzen dat wat betreft de aanwijzing van met nutriëntenverontreinigde gebieden (NV-gebieden) inmiddels geactualiseerde databeschikbaar zijn, waardoor enkele NV-gebieden niet meer voldoen aan decriteria waarmee ze aangewezen zijn, zoals de landbouwbijdrage vanminimaal 19 procent. Gaat de Minister ervoor zorgen dat binnen desystematiek van het Zevende Actieprogramma en de NV-gebieden dit jaarwel die NV-gebieden van de lijst worden afgevoerd die op basis van degeactualiseerde gegevens niet (meer) blijken te voldoen aan de criteria opbasis waarvan ze zijn aangewezen?AntwoordOp 19 december 2025 (Kamerstuk 33 037, nr. 635) is de Kamer geïnfor-meerd dat het 8e actieprogramma door het kabinet niet is vastgesteld. DeMinister erkent dat inmiddels geactualiseerde data beschikbaar zijn en dattoepassing van die data ook voor veranderingen kan zorgen in deaanwijzing van NV-gebieden. Zoals bekend bij uw Kamer was dit ookonderdeel van het concept-8e Actieprogramma. Echter, in de motieGrinwis c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 634) heeft de Kamer opgeroepen geenonomkeerbare stappen te nemen en de geïmplementeerde maatregelenuit het 7e Actieprogramma ongewijzigd voort te zetten. Het kabinetrespecteert deze motie. Dat betekent ook dat de huidige aanwijzing vanNV-gebieden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet gehandhaafd blijft.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorde Landbouw- en Visserijraad en hebben hier nog enkele vragen over.DiertransportverordeningDe leden van de PvdD-fractie constateren dat op de afgelopen Landbouw-en Visserijraad is gesproken over de diertransportverordening. Kan deMinister aangeven wat haar verwachting is voor het tijdpad en inhoud vanhet definitieve voorstel? Kan zij aangeven hoe het verwachte voorstel zichverhoudt tot de oproep die de Kamer al jarenlang doet om over te gaantot het verlagen van de maximumtemperatuur voor diertransporten(Kamerstukken 21 501-32, nr. 1716; Kamerstuk 28 286, nr. 1346; Kamerstuk21 501-32, nr. 1526; Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 63)? Kan de Ministertoezeggen dat zij ervoor gaat zorgen dat er deze zomer geen dieren meerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175326 op snikhete dagen op transport worden gezet naar het slachthuis door hetverlagen van de maximumtemperatuur?AntwoordHet is de verwachting dat de onderhandelingen over de herziening van detransportverordening zeker nog tot eind 2026 zullen duren en mogelijknog langer. Voor wat betreft de inhoud is het krachtenveld erg uitdagend.Een grote meerderheid van de lidstaten vraagt om een versoepeling vande voorgestelde en soms zelfs de huidige regels. Nederland zal dus zeerstrategisch te werk moeten gaan, waarbij het hoogst onzeker is dat deNederlandse inzet integraal wordt overgenomen.Het oorspronkelijke voorstel van de Commissie sloot aan bij de oproepvan de Tweede Kamer inzake het verlagen van de maximumtemperatuurvoor diertransport. Deze maximumtemperatuur is echter een punt vandiscussie binnen de Raadswerkgroep, waarbij hetzelfde krachtenveld geldtzoals hierboven is geschetst. Deze discussie is nog niet afgerond en deMinister kan niet vooruitlopen op de uitkomst ervan.Voor wat betreft het verlagen van de maximumtemperatuur voordiertransport heeft de Minister eerder al aangegeven de zorgen van desector serieus te nemen en dat zij het voorkomen van eventuele negatieveneveneffecten een voorwaarde vindt voor het uiteindelijk in werkingtreden van de lagere maximumtemperatuur. De sector en de NVWAhebben gezamenlijk onderzocht of ’s nachts slachten een mogelijke(deel)oplossing voor de negatieve neveneffecten kan zijn. Dit onderzoekwordt op dit moment nog geëvalueerd. Tot slot is het onderwerp transporttijdens hitte door de Kamer controversieel verklaard. Verdere stappen tenaanzien van dit dossier laten we daarom over aan het volgende kabinet.Biologische landbouwDe leden van de PvdD-fractie constateren dat de EC voorstellen heeftgepresenteerd op het gebied van biologische landbouw. Kan de Ministertoezeggen dat Nederland niet akkoord zal gaan met vereenvoudiging vande regelgeving dat ten koste gaat van dierenwelzijn? Zo nee, waaromniet?De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister hoe zij ervoor gaatzorgen dat Nederland het doel van ten minste 15 procent biologischlandbouwareaal in Nederland in 2030 gaan behalen?AntwoordDe Commissie heeft een voorstel gedaan om de Verordening (EU)nr. 2018/848 inzake de biologische productie en de etikettering vanbiologische producten te versimpelen zonder daarbij te tornen aan deprincipes die ten grondslag liggen aan deze wetgeving, waaronderdierenwelzijn. Momenteel beoordeelt het kabinet dit voorstel en hetkabinet verwacht de Kamer medio februari middels een BNC-fiche over dekabinetspositie te informeren. Om de ambitie van 15% biologischlandbouwareaal in Nederland in 2030 te halen wordt het actieplan «groeivan biologische productie en consumptie» uitgevoerd. In 2026 wordt hetactieplan tussentijds geëvalueerd en bekeken of bijstelling van de aanpaknodig is.Vereenvoudigen van milieu- en natuurwetgevingDe leden van de PvdD-fractie vragen de Minister of zij heeft kennisge-nomen van de HandsOffNature coalitie, waarin zij zorgen uiten over hetafbreken van de natuurbeschermings- en milieumaatregelen, wat leidt totTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175327 meer milieu- en gezondheidsschade, zoals meer uitstoot, een slechterewaterkwaliteit en achteruitgang van biodiversiteit (European Environ-mental Bureau, 10 december 2025, «Green protection gutted: EUCommission jeopardises nature and health safeguards» (https://eeb.org/en/green-protection-gutted-eu-commission-jeopardises-nature-and-health-safeguards/)). Wat is de reactie van de Minister op deze brief?AntwoordDe Minister heeft kennisgenomen van de publicatie van de HandsOff-Nature coalitie en de daarin geuite zorgen over de recente voorstellen vande Commissie, waaronder de Milieuomnibus en het EU Grids Package. DeKamer wordt middels het reguliere BNC-proces geïnformeerd over dekabinetsappreciatie van deze voorstellen.BontfokkerijenDe leden van de PvdD-fractie lezen dat de EC naar verwachting ditvoorjaar zal aangeven hoe zij de toekomst van de bontindustrie in de EUvoor zich ziet. Is de Minister bereid om op korte termijn aan de EC mede tedelen dat Nederland groot voorstander is van een handels- en productie-verbod voor bont in de EU? Zo nee, waarom niet?AntwoordZoals de Minister heeft aangegeven in haar reactie van 16 december jl. opde brief van de Dierencoalitie en Bont van Dieren en het rapport «Afull-cost account of the EU fur industry» van de Fur Free Alliance, zal deMinister zich in EU-verband blijven uitspreken voor een Europees verbodop bontproductie en een verbod op het vermarkten van bontproducten(Kamerstuk 22 112, nr. 4224).OceaanverdragDe leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of hij ookverheugd is dat het Oceaanverdrag eindelijk van kracht is. Kan deStaatssecretaris aangeven of Nederland het verdrag inmiddels heeftgeratificeerd? Zo nee, waarom is dit nog niet gebeurd en wanneer gaatNederland dat wel doen?AntwoordDe inwerkingtreding van de Overeenkomst in het kader van het Verdragvan de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, inzake het behoud enhet duurzame gebruik van de mariene biologische diversiteit vangebieden voorbij de grenzen van de nationale rechtsmacht (BiologicalDiversity of areas Beyond National Jurisdiction; hierna:BBNJ-overeenkomst) is een belangrijke stap voor natuurbescherming enmultilaterale samenwerking. Van de 83 landen die de BBNJ-overeenkomstal hebben aanvaard, hoeven sommige landen pas na de aanvaardinguitvoeringswetgeving op te stellen. In Nederland moet deze uitvoerings-wetgeving gereed zijn vóór de aanvaarding om meteen klaar te zijn voorde effectieve uitvoering. De BBNJ-overeenkomst zal na parlementairegoedkeuring aanvaard worden voor Nederland. Goedkeuring kanplaatsvinden nadat de uitvoeringswetgeving gereed is en het wetgevings-proces is doorlopen. Momenteel wordt hard gewerkt om de uitvoerings-wetgeving snel maar ook goed op te stellen, zoals toegelicht in de briefVoortgang goedkeuringstraject BBNJ-overeenkomst van 16 juli 2025(Kamerstuk 30 196, nr. 851) en in de beantwoording van de Kamervragenvan het lid Teunissen op 6 november 2025 (2025Z18311). Niet alleen biedtgoede uitvoeringswetgeving burgers en bedrijven de meeste rechtsze-kerheid, het zorgt er ook voor dat de BBNJ-overeenkomst daadwerkelijkbijdraagt aan de bescherming van de oceaan en zeeleven. Vanwege deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175328 termijnen die voor de verschillende fasen in de wetgevingsproceduresstaan, is de verwachting dat de goedkeuringsstukken met betrekking totde BBNJ-overeenkomst en de uitvoeringswetgeving op zijn vroegst eind2026 aan de Tweede Kamer aangeboden kunnen worden.LandbouwgifDe leden van de PvdD-fractie vragen de Minister uiteen te zetten hoe deOmnibus Simplification Package (agendapunt A.03) de komende StandingCommittee on Plants, Animals, Food and Feed (ScoPAFF)-vergaderingenprocesmatig zal worden behandeld, inclusief in welke vergaderingen ditonderwerp naar verwachting opnieuw zal terugkeren. Wanneer wordt eeneerste inhoudelijke bespreking voorzien en op welk moment verwacht deEC toe te werken naar een formeel beslismoment (B-punt)?AntwoordDe Commissie zal naar verwachting een procedurele stand van zakengeven omtrent het Omnibuspakket «Food and Feed Safety», waarbij deEuropese vervolgstappen zullen worden toegelicht. De inhoudelijkediscussie gaat buiten de SCoPAFF-vergadering om en de Kamer wordthier separaat over geïnformeerd middels een BNC-fiche.De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de Minister de Kamer moetinformeren voorafgaand aan een aankomende ScoPAFF-vergadering overde voorgenomen Nederlandse standpunten inzake de in stemminggebrachte beslispunten (B-punten). Deelt de Minister de opvatting datA-punten in ScoPAFF, waaronder de bespreking van European Food andSafety Authority (EFSA)-conclusies en Artikel-21-procedures in de praktijkonderdeel vormen van het besluitvormingsproces en richtinggevend zijnvoor latere besluitvorming over (her)goedkeuring, verlenging of intrekkingvan werkzame stoffen?AntwoordDe SCoPAFF-vergadering is een ambtelijk comité waar procedurele entechnisch-wetenschappelijk inhoudelijke onderwerpen omtrent gewasbe-schermingsmiddelen worden geagendeerd. Een stof staat veelalgedurende een langere tijd op de agenda waarbij iedere stap in hetbeoordelingsproces wordt besproken, zo ook de conclusies van deEuropean Food and Safety Authority (EFSA) en de stand van zakenrondom artikel 21-procedures. De Commissie publiceert na elke verga-dering een verslag hiervan op haar website.Op het moment dat alle stappen van een stofbeoordeling zijn doorlopen ishet aan de Commissie om een voorstel aan de lidstaten te doen over hetal dan niet (opnieuw) goedkeuren van een stof en onder welkevoorwaarden dat eventueel kan gebeuren. Op basis van dat voorstel kande Minister pas, na door het College voor de toelating van gewasbescher-mingsmiddelen en biociden (Ctgb) hierover te zijn geadviseerd, eendefinitief standpunt innemen. Hier informeert de Minister vervolgens deKamer over.Zo ja, waarom wordt de Kamer hierover niet vooraf inhoudelijk geïnfor-meerd? Zo nee, kan de Minister uitleggen waarom EFSA-conclusies danwel in ScoPAFF worden besproken?AntwoordEFSA stelt haar conclusies op basis van enerzijds de beoordeling van derapporterende lidstaat en anderzijds aparte technische bijeenkomsten diemet alle lidstaten zijn gehouden, op. Dit is een eigenstandig oordeel vanEFSA zonder dat EFSA een advies geeft over het al dan niet goedkeurenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175329 van een stof. Het is aan de Commissie om op basis van het EFSA-rapportte kijken of en op welke voorwaarden een stof kan worden goedgekeurden een voorstel hiertoe aan de lidstaten voor te leggen.Kan de Minister tevens uiteenzetten welke inhoudelijke positie Nederlandinneemt in de artikel-21-discussie over acetamiprid (agendapunt A.11)?AntwoordEr is nieuwe wetenschappelijk informatie beschikbaar dat de stofacetamiprid mogelijk niet meer aan de goedkeuringscriteria voldoet. DeCommissie heeft in overleg met de lidstaten besloten dat de stof op diepunten tussentijds opnieuw wordt bekeken door de hiertoe aangewezenen bevoegde instanties. De Minister vindt dit een belangrijk mechanismeen steun dit van harte. De tussentijdse herbeoordeling vindt momenteelnog plaats en acetamiprid zal naar verwachting alleen procedureelworden besproken. Zodra de herbeoordeling is afgerond zal deCommissie een voorstel aan de lidstaten voorleggen en ter stemmingbrengen. Nadat de Minister het Ctgb vervolgens om een advies heeftgevraagd, zal de Minister haar standpunt hierover innemen en de Kamerdaarover informeren.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister bereid is om de Kamerook standaard te informeren over Nederlandse bijdragen aan ScoPAFF naafloop van de vergadering, waaronder schriftelijke appreciaties ofmondelinge interventies die op uitnodiging van de EC zijn geleverd. Zo ja,op welke termijn ontvangt de Kamer deze terugkoppeling? Zo nee, kan deMinister toelichten op welke grond zij dit afwijst?AntwoordTijdens en tussen de SCoPAFF-vergadering door wordt door deCommissie regelmatig om input van lidstaten gevraagd op lopendeonderwerpen. Dergelijke bijdragen zijn onderdeel van de technisch-wetenschappelijke discussies die binnen dit comité plaatsvinden. Dezediscussies zijn zo openbaar mogelijk, doordat de Commissie na iedereSCoPAFF-vergadering een verslag op haar website publiceert. Daarnaastinformeert de Minister de Kamer over haar standpunten op puntenwaarover gestemd wordt, voorafgaand aan het SCoPAFF.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister bereid is in dezeterugkoppeling per stof die als A-punt wordt besproken en waarvoorEFSA «critical areas of concern» of niet-finaliseerbare risico’s identificeert,aan de Kamer te melden of Nederland bij een toekomstig B-punt steun,onthouding of tegenstem overweegt? Zo nee, kan de Minister toelichtenop welke grond zij dit afwijst?AntwoordAls de Commissie nog geen voorstel aan lidstaten heeft gedaan over hetal dan niet (opnieuw) goedkeuren van een stof, kan de Minister nog geendefinitief standpunt innemen. Of de Minister de goedkeuring van een stofkan steunen, hangt bijvoorbeeld ook af van de voorwaarden die deCommissie hierbij stelt. De Minister vindt het daarnaast belangrijk dat detechnisch-wetenschappelijke discussies over gewasbeschermingsmid-delen en werkzame stoffen vrijelijk kunnen plaatsvinden.De leden van de PvdD-fractie lezen in de Updated peer review of thepesticide risk assessment of the active substance Spinosad dat «severalkey risk assessments could not be finalised due to missing information,and therefore EFSA cannot conclude whether spinosad can be expected tomeet the approval criteria of Article 4 of Regulation (EC) No 1107/2009»(EFSA, 20 januari 2025, Updated peer review of the pesticide riskTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175330 assessment of the active substance spinosad»)). Hoe weegt de Ministerdeze zorgwekkende hiaten in het herbeoordelingsdossier mee in haarinzet inzake dit beslispunt?AntwoordUit EFSA’s bevindingen blijkt dat er geen kritieke zorgpunten voortkomenuit de herbeoordeling van spinosad en dat is vastgesteld dat veilig gebruikin Europa mogelijk is. EFSA constateert in haar conclusie enkelezogenoemde «open punten». Dit is overigens gangbaar in elke risicobe-oordeling en betekent dat bepaalde onderdelen van de risicobeoordelingextra aandacht nodig hebben. Voor vijf open punten heeft de Commissieaanvullende informatie gevraagd die binnen een door de Commissievastgestelde termijn moet worden geleverd. Lidstaten zijn daarnaastverplicht open punten op lidstaatniveau mee te nemen bij de nationaletoelatingsbeoordeling van middelen en eventuele risico’s af te dekkendoor extra wetenschappelijke data te eisen of aanvullende restricties in testellen. Het Ctgb zal hier in Nederland uitvoering aan geven. Het Ctgbheeft de Minister geadviseerd dat Nederland op wetenschappelijkegronden positief kan oordelen over het voorstel van de Commissie om degoedkeuring van spinosad te verlengen.De leden van de PvdD-fractie lezen in de «Conclusion on the peer reviewof the pesticide risk assessment» van de nieuwe werkzame stof bixlozonedat EFSA meerdere kernrisicobeoordelingen niet heeft kunnen afrondenen daardoor niet kan concluderen of bij alle toepassingen aan degoedkeuringscriteria Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt voldaan. Dezeleden vragen welke inhoudelijke duiding Nederland zelf geeft aan de doorEFSA geconstateerde datalacunes, gegeven dat Nederland rapporteur-lidstaat (RMS) is voor bixlozone. Kan de Minister tevens aangeven opwelke wijze deze weging doorwerkt in het Nederlandse stemgedrag bij hetbetreffende ScoPAFF-beslispunt?AntwoordBixlozone is een nieuwe werkzame stof waarbij uit zowel de initiëlerisicobeoordeling door Ctgb als uit EFSA’s bevindingen tijdens depeer-review-procedure is gebleken dat er geen kritieke zorgpuntenvoortkomen uit de beoordeling van deze stof en dat veilig gebruik inEuropa mogelijk is. Er zijn wel acht zogenoemde open punten geconsta-teerd. Lidstaten zijn verplicht deze open punten op lidstaatniveau mee tenemen bij de beoordeling van toelating van middelen op de markt en dezeaf te dekken door extra wetenschappelijke data te eisen of aanvullenderestricties in te stellen. Het Ctgb zal hier in Nederland uitvoering aangeven. Het Ctgb heeft de Minister geadviseerd dat Nederland opwetenschappelijke gronden positief kan oordelen over het voorstel van deCommissie om deze nieuwe stof goed te keuren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 175331

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 36e18254187ecb6f

14 okt 2026 · b787b13307436373

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.