KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk over voortgang bedrijfsgerichte doelsturing (Kamerstuk 30252-209)

2 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 44f89c6d821a6ac7 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202630 252Toekomstvisie agrarische sectorNr. 215 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 2 juni 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van23 september 2025 over voortgang bedrijfsgerichte doelsturing(Kamerstuk 30 252, nr. 209).De vragen en opmerkingen zijn op 28 april 2026 aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van2 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,SteenDe griffier van de commissie,Jansma kst-30252-215ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 2151 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoonVragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van devoortgangsbrief over bedrijfsgerichte doelsturing (Kamerstuk 30 252, nr.209 ). De huidige inzet richt zich op afrekenbare doelsturing in 2035. Dezeleden begrijpen de keuze voor een zorgvuldig tijdpad, maar vragen deMinister hoe hij de balans bewaakt tussen voldoende tempo enerzijds enhet risico van overvraging anderzijds. Op welke momenten wordentussentijdse beslismomenten ingebouwd waarbij het tempo desnoods kanworden bijgesteld? Is de Minister bereid die beslismomenten expliciet metde Kamer te delen? Aanvullend vragen deze leden of de Minister eenbeeld kan schetsen van de overgangsperiode waarin middelsturing endoelsturing door elkaar zullen lopen, terwijl ondertussen natuurherstelmoet worden geborgd.AntwoordAfrekenbare doelsturing op bedrijfsniveau is technisch complex. Daaromzal dit via een stapsgewijs en zorgvuldig implementatieproces moetenworden ingevoerd. De komende jaren zullen dan ook worden benut om desystematiek zo snel mogelijk te kunnen operationaliseren, zodat deemissiereductie voor stikstof en klimaat in 2035 gerealiseerd is. Doorvroegtijdig de doelen bekend te maken kunnen veehouders de komendejaren emissie-reducerende maatregelen in hun bedrijfsvoering inpassenen zo stap voor stap toewerken naar het doel in 2035. Daarmee zal er ookal in de komende jaren emissiereductie behaald worden. In aanloop naarhet behalen van de afrekenbare bedrijfsspecifieke doelen in 2035, zal ookinformerende en stimulerende doelsturing worden ingezet om te sturenop emissiereductie.Het kabinet wil voorkomen dat het systeem van doelsturing overvraagdwordt. Daarom zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen onderdeel van debredere samenhangende aanpak waaraan wordt gewerkt via de Minis-teriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Naast het stellen vanemissienormen worden diverse andere instrumenten uitgewerkt, ondermeer gericht op het stimuleren van verduurzaming en extensivering omondernemers zo te ondersteunen in het bewerkstelligen van emissiere-ductie. Ook wordt ingezet op gebiedsgericht beleid en maatregelengericht op het verkleinen van de productiecapaciteit.Zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief van 27 maart 2026 over desamenhangende aanpak, kiest dit kabinet voor een geborgde aanpak. Datbetekent dat aanvullende maatregelen worden getroffen als de emissie-doelen voor de landbouw, industrie en mobiliteit voor 2035, of hettussenliggende streefdoel voor de landbouw voor 2030, niet wordenbereikt («bijsturing»).Doelsturing waterkwaliteit wordt uitgewerkt als onderdeel van het 8eactieprogramma Nitraatrichtlijn en volgt daarmee een ander tijdspad.Keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik insamenhang met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actiepro-gramma Nitraatrichtlijn. Zoals toegezegd, zal ik uw Kamer periodiekblijven informeren over de voortgang van het 8e actieprogrammaNitraatrichtlijn.De leden van de D66-fractie constateren dat in de brief wordt aangegevendat de keuze voor de eenheden waarin emissienormen worden uitgedruktTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 2152 een fundamentele keuze is met consequenties voor uitvoering, toezicht enhandhaving. Deze leden onderschrijven dat belang. Zij vragen wanneer deMinister verwacht die keuze te kunnen maken en op welke wijze de Kamerdaarbij wordt betrokken vóórdat de keuze definitief wordt vastgesteld.AntwoordDe keuze voor de eenheden waarin emissienormen voor stikstof enklimaat worden uitgedrukt zijn een belangrijke vormgevingskeuze van desystematiek en onderdeel van pijler 1 (generieke emissiereductie) van deMinisteriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Het kabinet verwachtvoor de zomer de Kamer te informeren over verdere beleidsmatigeinvulling van de emissienormen voor stikstof en klimaat voor deveehouderij.Na bekendmaking van de emissienormen kan het debat hierover wordengevoerd in het parlement en moet worden uitgewerkt hoe de vastleggingin de regelgeving eruit komt te zien en hoe de uitvoering, toezicht enhandhaving zal gaan werken. Alvorens normen in wetgeving kunnenworden vastgelegd, zal de Tweede en Eerste Kamer in ieder gevalbetrokken zijn.Ook voor andere onderwerpen waarvoor doelsturing mogelijk is, is dekeuze voor de eenheden van belang. Zodra hier besluitvorming over aande orde is zal de Kamer hierbij betrokken worden.De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat Wageningen Universityand Research (WUR) is gevraagd te onderzoeken wat het technischreductiepotentieel is voor melkveebedrijven. Deze leden vragen wanneerdat onderzoek beschikbaar is en hoe de uitkomsten worden gebruikt bijhet vaststellen van de hoogte van de normen. Worden normen gesteld opbasis van wat technisch haalbaar is, of op basis van wat beleidsmatignoodzakelijk is voor het halen van de wettelijke klimaat- en stikstofdoelen?Hoe wordt omgegaan met de spanning die daar mogelijk tussen bestaat?AntwoordHet onderzoek van Wageningen University and Research (WUR) over hettechnisch reductiepotentieel voor melkveebedrijven is beschikbaar via dewebsite van de WUR1. In het bepalen van de hoogte van de bedrijfsspeci-fieke emissienormen voor stikstof en klimaat wordt rekening gehoudenmet wat technisch mogelijk is voor ondernemers. Het kabinet vindt hetbelangrijk dat de normen waar bedrijven aan moeten voldoen in depraktijk realiseerbaar zijn en ertoe leiden dat bedrijven in bewegingkomen. Dit betekent niet dat de emissienormen ook altijd makkelijk terealiseren zullen zijn: het kan forse inspanningen vragen van ondernemersom aan de normen te voldoen. Het kabinet zal ook ondersteunendinstrumentarium ontwikkelen gericht op het stimuleren van management-maatregelen en innovatie. Daar zijn in het coalitieakkoord ook middelenvoor aangekondigd. Door nu duidelijke kaders te stellen waar bedrijvenuiteindelijk aan zullen moeten voldoen kunnen bedrijven overwogen eenbeslissing maken over de toekomstige ontwikkeling van hun bedrijf. Metde bedrijfsspecifieke emissienormen alléén zullen de klimaat- enstikstofdoelen niet gehaald worden. Daarnaast wordt er daarom ookgewerkt aan gebiedsgericht beleid rondom stikstofgevoelige Natura2000-gebieden en generiek, landelijk beleid gericht op een kleinere1Migchels, G., et al. (2025). Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas inde melkveehouderij. (Rapport / Wageningen Livestock Research; No. 1589). WageningenLivestock Research. https://doi.org/10.18174/700357.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 2153 productie, bijvoorbeeld via vrijwillige beëindigingsregelingen en afromingbij verhandeling van productierechten. Deze drie sporen zijn met elkaarcommunicerende vaten die gezamenlijk tot doelbereik moeten leiden.De leden van de D66-fractie zijn van mening dat één van de kernargu-menten voor de omslag naar doelsturing het terugdringen van adminis-tratieve lasten voor boeren is. Deze leden vragen de Minister hoe hij borgtdat het nieuwe systeem per saldo daadwerkelijk minder administratielastoplevert dan het huidige stelsel van middelvoorschriften en niet, zoals hetMineralen Aangiftesysteem (MINAS) destijds ook liet zien, naast debestaande verplichtingen komt te staan in plaats van die te vervangen.Wordt er een nulmeting gedaan van de huidige administratieve last, zodathet effect van doelsturing later daadwerkelijk meetbaar is?AntwoordHet Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert de overheid over hetvoorkomen van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zo vroeg mogelijk in hetproces van wet- en regelgeving.Of invoering van de doelsturingssystematiek gaat leiden tot extraadministratieve lasten en een grotere complexiteit is nu nog niet tezeggen en hangt bijvoorbeeld ook af van de mate van en het tempowaarin erin wordt geslaagd om middelsturing deels af te bouwen.Administratieve lasten voor ondernemers worden weergegeven in hetonderdeel lastendruk wat een paragraaf is van de toelichting bij wet- enregelgeving. In dat onderdeel wordt aangegeven wat de gevolgen zijnvoor de ondernemers na invoering van nieuwe regelgeving.De leden van de D66-fractie constateren dat de brief een systeembeschrijft met een stoffenbalans, een Key Performance Indicators(KPI)-kernset, een data-ecosysteem en continue meting in stallen. Dat zijnvier afzonderlijke componenten die elk eigen datavereisten meebrengen.Hoe wordt voorkomen dat de som van al die componenten voor degemiddelde ondernemer complexer en bewerkelijker wordt dan hethuidige systeem? Is een integrale lastentoets voorzien?AntwoordDe KPI-kernset, stoffenbalans, (stal)metingen en het data-ecosysteemvervullen ieder een eigen, maar samenhangende functie binnen bedrijfs-gerichte doelsturing. De verschillende componenten moeten daarom nietworden gezien als losse, stapelende verplichtingen, maar als onderdelenvan één geïntegreerd systeem.De KPI-kernset bevat de indicatoren waarop gestuurd kan worden, terwijlde score op een KPI op verschillende manieren (detailniveaus) kanworden vastgesteld, bijvoorbeeld via een stoffenbalans of met behulp van(continu) metingen. In het rapport van WUR over «De integraleKPI-kernset Duurzame Landbouw: uitwerking voor melkveehouderij enakkerbouw» worden de mogelijkheden beschreven om KPI’s op verschil-lende detailniveaus te berekenen. Deze methoden worden paralleluitgewerkt, omdat de meest geschikte methode kan verschillen per sectoren toepassing. Het beoogde data-ecosysteem faciliteert daarbij het veiligegebruik en de uitwisseling van gegevens die nodig zijn voor berekeningenen metingen en is erop gericht gegevensuitwisseling zoveel mogelijk teautomatiseren en administratieve lasten te verlagen. Bij de uitwerking eninvoering van doelsturing wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan deuitvoeringslasten en administratieve gevolgen voor ondernemers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 2154 De leden van de D66-fractie zien dat de Minister toewerkt naar eenAfrekenbare Stoffenbalans (ASB) voor de melkveehouderij en akkerbouw.Deze leden vragen wat de lessen zijn uit het gesprek met Duitsland overde «Stoffstrombilanzverordnung». Zij vragen meer specifiek welkeknelpunten daar in de juridische borging en handhaafbaarheid zijnopgetreden en hoe worden die meegenomen in de Nederlandseuitwerking. Kan de Minister toelichten waarom de brede verkenning die alin 2021 is gestart nog niet heeft geleid tot een definitief besluit over deopzet van de stoffenbalans?AntwoordEr heeft overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van het DuitseThünen-Institut, in afstemming met het Duitse federale Ministerie vanLandbouw. Dit gesprek vond op 3 maart 2025 online plaats en had eeninformerend en verkennend karakter. Het Thünen-Institut is een Duitsfederaal onderzoeksinstituut op het gebied van landelijke gebieden,landbouw, bosbouw en visserij en ondersteunt de Duitse overheid metonderzoek en beleidsadvies. Het gesprek was bedoeld om kennis enervaringen uit te wisselen over de ontwikkeling en toepassing vandergelijke systemen.Tijdens het gesprek is onder meer gesproken over de Duitse Stoffstrombi-lanzverordnung. Op basis van dit beleid stellen agrarische bedrijven inDuitsland jaarlijks een balans op van de aan- en afvoer van nutriënten,waaronder stikstof en fosfor op bedrijfsniveau.Sancties zijn in Duitsland niet gericht op overschrijding, maar op het nietcorrect of volledig aanleveren van documentatie. Tijdens het gesprekkwam naar voren dat juridische borging en handhaving ook belangrijkeaandachtspunten zijn bij de stoffenbalans in Duitsland. Een stoffenbalanskan mogelijkheden bieden om te sturen op emissiereductie, maar daarbijmoet rekening worden gehouden met de biologische processen enweersinvloeden die onlosmakelijk met de landbouw verbonden zijn. Ditzijn herkenbare uitdagingen.Daarom werk ik momenteel verschillende methoden uit om emissies vastte stellen, zowel via berekeningen als via metingen, waarbij ook desystemen en ontwikkelingen in onze buurlanden worden bestudeerd. Bijdeze opties wordt niet alleen gekeken naar de juridische borging enhandhaafbaarheid, maar ook naar de haalbaarheid en praktischetoepasbaarheid voor agrarische ondernemers. Lessen uit het verledenworden hier ook in meegenomen, met als doel te komen tot een robuusteen uitvoerbare systematiek.De leden van de D66-fractie constateren dat de Minister aangeeft inEuropa te streven naar voldoende ruimte in Europese regelgeving omdoelsturing mogelijk te maken. Deze leden vragen hoe reëel die ruimte is,met name in het licht van de Nitraatrichtlijn. Eerder liep het MINAS-systeem juist stuk op de juridische onhoudbaarheid als nationaleuitwerking van die richtlijn. Welke juridische waarborgen bouwt deMinister in om te voorkomen dat het nieuwe systeem over tien jaarhetzelfde lot beschoren is?AntwoordDe ervaring met het MINAS-systeem heeft geleerd dat alleen eenadministratief systeem, zonder gebruiksnormen, niet past binnen deNitraatrichtlijn. Om deze reden is in 2006, in vervolg op het arrest van hetHof van Justitie, in Nederland een stelsel van gebruiksnormen in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 2155 mestwetgeving ingevoerd. Bedrijfsgerichte doelsturing op waterkwaliteit,waar nu aan gewerkt wordt, zet voor de kwaliteit van grondwater in optwee indicatoren: het berekenen van het N-bodemoverschot en het metenvan het N-mineraal in de grond. Daarmee wordt hier afgeweken van hetMINAS-systeem waarin slechts een variant van het N-bodemoverschotwerd berekend.Bij het uitwerken van doelsturing op waterkwaliteit streef ik ernaar dit tedoen passend binnen de Europese kaders. Dit betekent onder andere datdoelsturing op waterkwaliteit altijd zal bestaan naast een bepaalde set aangenerieke regels ter uitvoering van Europese richtlijnen, zoals hetgebruiksnormenstelsel.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de verschillende stukken over de uitwerking van bedrijfsgerichtedoelsturing. Deze leden ondersteunen de beweging van middelsturingnaar doelsturing, omdat deze beter kan aansluiten bij het vakmanschapvan ondernemers en ruimte kan bieden voor innovatie en maatwerk.Tegelijkertijd constateren deze leden dat doelsturing een ingrijpendesysteemwijziging betreft die zorgvuldig moet worden ingevoerd en alleenkan slagen wanneer uitvoerbaarheid en rechtszekerheid voor onder-nemers centraal staan. Deze leden hebben enkele vragen.Tijdpad en prioriteringDe leden van de VVD-fractie lezen in de Kamerbrief Voortgang bedrijfsge-richte doelsturing (Kamerstuk 30 252, nr. 209 ) dat doelsturing gefaseerdwordt ingevoerd en dat een zorgvuldige balans wordt gezocht tussensnelheid en uitvoerbaarheid. Deze leden onderschrijven het belang vanzorgvuldigheid, maar benadrukken tegelijkertijd dat duidelijkheid over hettempo van invoering essentieel is voor ondernemers die investeringsbe-slissingen moeten nemen.Deze leden vragen het kabinet daarom om concreet inzicht te geven in defasering van de invoering van doelsturing. Kan het kabinet per faseaangeven welke onderdelen van het doelsturingssysteem wanneeroperationeel moeten zijn en welke mijlpalen daarbij worden gehanteerd?Voorts vragen zij hoe wordt bepaald of het tempo van invoeringvoldoende voortgang kent. Welke indicatoren gebruikt het kabinet om devoortgang van de implementatie te monitoren en wanneer wordtingegrepen als vertraging optreedt? Daarnaast vragen deze leden of hetkabinet mogelijkheden ziet om onderdelen van doelsturing versneld in tevoeren wanneer deze aantoonbaar uitvoerbaar en betrouwbaar zijn. DeKamer heeft het kabinet opgeroepen om de ingroei naar doelsturing voortte zetten zodat geen tijd verloren gaat en agrariërs komend najaar opperceelniveau het N-mineraal residu kunnen gaan meten. Deze ledenvragen het kabinet of uiteengezet kan worden hoe die voorbereidingenlopen, welke departementen daarbij betrokken zijn en hoe de inbreng vansectororganisaties wordt meegenomen. Zij vragen voorts of er permilieuopgave (grondwaterkwaliteit, oppervlaktewaterkwaliteit, ammoniak,broeikasgassen) kan worden aangeven hoe doelsturing per sector (metmogelijk onderscheid tussen open teelten, glastuinbouw, grondgebondenveehouderij, intensieve veehouderij) kan worden ingevuld.AntwoordDe omslag naar afrekenbare doelsturing op bedrijfsniveau vergtinderdaad voor de verschillende opgaven en verschillende sectoren eenspecifieke aanpak die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is.Afrekenbare doelsturing zal daarom via een stapsgewijs en zorgvuldigTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 2156 implementatieproces worden ingevoerd. Het kabinet spant zich hard inom deze randvoorwaarden de komende periode op orde te brengen.Voor ammoniak en broeikasgassen ligt de prioriteit bij de grondgebondenveehouderij en de intensieve veehouderij. Het kabinet verwacht voor dezomer in het kader van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Stikstof enNatuur de Kamer te informeren over de beleidsmatige invulling van deemissienormen voor stikstof en klimaat en het ingroeipad hiervan.Als onderdeel van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn werk ik aandoelsturing op waterkwaliteit. Conform de motie Grinwis is het mijn inzetom in het najaar te kunnen starten met N-mineraalmetingen, wat eenindicator kan zijn voor de kwaliteit van grondwater. Voor oppervlaktewaterligt de situatie complexer, omdat nutriënten in dat water van diversebronnen afkomstig kunnen zijn. Voor de uitwerking van doelsturing opwaterkwaliteit ben ik in gesprek met sectorpartijen, waterschappen,provincies, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en deNederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).Keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik insamenhang met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actiepro-gramma Nitraatrichtlijn. Zoals toegezegd, zal ik uw Kamer periodiekblijven informeren over de voortgang van het 8e actieprogrammaNitraatrichtlijn waarbij ook de ontwikkelingen rondom doelsturing opwaterkwaliteit worden meegenomen.Uitrol naar andere beleidsthema’s en sectoren zal zodra dit van toepassingis met de Kamer worden gedeeld.Draagvlak en evaluatieDe leden van de VVD-fractie lezen dat doelsturing alleen kan slagenwanneer het systeem in de praktijk uitvoerbaar en werkbaar blijkt te zijnvoor ondernemers. Deze leden delen deze opvatting. Zij vragen hetkabinet daarom hoe de werkbaarheid van doelsturing in de praktijksystematisch wordt getest en geëvalueerd. Daarnaast vragen zij welkecriteria worden gehanteerd om te bepalen of een pilot of maatregelsuccesvol is en wanneer wordt besloten om een aanpak aan te passen ofstop te zetten. Voorts vragen zij hoe het kabinet het draagvlak onderondernemers monitort en op welke wijze signalen uit de praktijk wordenbetrokken bij verdere beleidsontwikkeling. De akkerbouwsector heeft in deBO Akkerbouw een sectoraanpak nitraat ontwikkeld. Deze leden vragenhet kabinet in hoeverre die aanpak kan worden meegenomen in deontwikkeling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn (AP)? Zij vragenvoorts hoe wordt aangekeken tegen het realiseren van draagvlak voordeelname aan doelsturing, door het opnemen van wederkerigheid alsincentive in het 8e AP. Dat wil zeggen; agrariërs die aantoonbaar aan denormen voldoen (en dus niet bijdragen aan uitspoeling van nutriënten)zouden moeten worden uitgezonderd van een deel van de generiekemaatregelen. Deze leden vragen het kabinet of die wederkerigheid wordtmeegenomen in het te ontwikkelen 8e AP en of de metingen die in hetnajaar van 2026 worden uitgevoerd zullen meetellen in het op te bouwendriejarig gemiddelde.AntwoordDoor doelsturing voor waterkwaliteit op te zetten middels een ingroeipadkan ervaring opgedaan worden en kan deze op basis van de ervaringenverbeterd worden gedurende de looptijd van het ingroeipad. Zoalsaangegeven in het antwoord op de vorige vraag van de leden van deVVD-fractie bezie ik de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 2157 nauwe samenhang met de maatregelen in het nog op te stellen 8eactieprogramma Nitraatrichtlijn. Daarbij zullen ook keuzes gemaaktworden over de vorm van doelsturing op waterkwaliteit, de wederke-righeid en mogelijke uitzonderingen op generieke maatregelen voorbedrijven die aantoonbaar aan de normen voldoen in relatie tot demaatregelen in het 8e AP.Meetmethode en betrouwbaarheidDe leden van de VVD-fractie constateren dat betrouwbare data enmeetmethoden een randvoorwaarde vormen voor het functioneren vandoelsturing. Deze leden onderschrijven het belang hiervan, maar wijzenerop dat onzekerheid over meetmethoden direct gevolgen kan hebbenvoor rechtszekerheid en investeringsbeslissingen van ondernemers. Zijvragen het kabinet daarom hoe wordt geborgd dat meetmethodenvoldoende betrouwbaar, uniform en betaalbaar zijn voordat deze wordengebruikt voor afrekenbare doelsturing. Daarnaast vragen zij welkefoutmarges worden gehanteerd bij het vaststellen van emissies opbedrijfsniveau en hoe wordt omgegaan met situaties waarin meetresul-taten onzeker zijn. Deze leden vragen voorts of op korte termijn duide-lijkheid wordt geboden over de financiering van de N-mineraalmetingendit najaar, over het protocol dat daarbij moet worden gevolgd en dedrempelwaarden die gaan gelden met oog op de kwaliteit vangrondwater.AntwoordOm de stap naar doelsturing in de praktijk te zetten is het belangrijk dathet onderwerp/ indicator meetbaar en controleerbaar is. Per onderwerp/indicator kan het verschillen in hoe goed gemeten kan worden en wat demeetfouten zijn. Als voorbeeld; het meten van emissies uit dichte stallenis eenvoudiger dan veldemissies bij mestaanwending. Het doorontwik-kelen van meetmethodes is iets wat ik continu zal stimuleren om daarmeeook de investeringszekerheid van ondernemers te verbeteren. Bij hetverbeteren van meetmethodes wordt meegewogen wat de kosten hiervanzijn en wordt hier op gestuurd. Voor doelsturing waterkwaliteit zet ikconform de motie Grinwis in om in het najaar van 2026 te kunnen startenmet N-mineraalmetingen. Om in het najaar van 2026 te kunnen startenmet het meten is in opdracht van LVVN een meetprotocol voor het metenvan N-mineraal (een indicator voor de nitraatuitspoeling) ontwikkeld doorWageningen University & Research. Daarnaast laat ik ten behoeve van deborging van de systematiek streefwaarden en een beoordelingsprotocolopstellen. Ook wordt er gewerkt aan het verstrekken van een subsidievoor het uitvoeren van deze N-mineraalmetingen. Zie voor verderetoelichting over het ingroeipad voor doelsturing op waterkwaliteit ook hetantwoord een eerdere vraag van de leden van de VVD-fractie.Uitvoerbaarheid voor ondernemersDe leden van de VVD-fractie lezen dat doelsturing ondernemers ruimtemoet geven om zelf te bepalen hoe zij doelen realiseren, maar dat dezesystematiek ook kan leiden tot extra inspanningen, bijvoorbeeld op hetgebied van rapportage en monitoring. Deze leden vinden het van grootbelang dat doelsturing niet leidt tot een toename van administratievelasten of complexiteit op het boerenerf. Deze leden vragen het kabinetdaarom hoe wordt geborgd dat de administratieve lasten voor onder-nemers beheersbaar blijven. Op welke wijze worden de lasten enuitvoeringskosten van doelsturing structureel gemonitord?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 2158 AntwoordHet Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert de overheid over hetvoorkomen van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zo vroeg mogelijk in hetproces van wet- en regelgeving. Of invoering van de doelsturingssyste-matiek gaat leiden tot extra administratieve lasten is nu nog niet te zeggenen hangt bijvoorbeeld ook af van de mate van en het tempo waarin er inwordt geslaagd om middelsturing deels af te bouwen. Administratievelasten voor ondernemers worden weergegeven in het onderdeellastendruk in de toelichting van een regeling. In dat onderdeel lastendrukwordt aangegeven wat de gevolgen zijn voor de ondernemers nainvoering van nieuwe regelgeving. Zie ook het antwoord op een eerderevraag van de leden van de D66-fractie hierover.Daarnaast vragen deze leden hoe wordt omgegaan met verschillen tussenbedrijven, sectoren en regio’s. In hoeverre wordt maatwerk mogelijkgemaakt wanneer bepaalde doelen voor specifieke bedrijven moeilijkhaalbaar blijken te zijn, bijvoorbeeld door locatie, bedrijfsomvang ofsectorale kenmerken?AntwoordDit kan verschillen per onderwerp en per sector en is afhankelijk van hoedoelsturing precies wordt ingevuld.Rechtszekerheid en de overgang van middelsturing naar doelsturingDe leden van de VVD-fractie lezen dat doelsturing zorgvuldig moetworden ingebed in bestaande wetgeving om rechtsonzekerheid voorondernemers te voorkomen. Deze leden onderschrijven dit uitgangspunten achten het cruciaal dat ondernemers tijdens de overgang naardoelsturing duidelijkheid houden over hun rechten en verplichtingen.Deze leden vragen het kabinet daarom welke wet- en regelgeving naarverwachting moet worden aangepast om doelsturing volledig te kunnenimplementeren. Daarnaast vragen deze leden hoe de overgang vanmiddelsturing naar doelsturing juridisch wordt vormgegeven. Wordtvoorzien in overgangsrecht of overgangsperioden voor bestaandebedrijven en investeringen?AntwoordHet is goed dat de leden van de VVD-fractie de uitgangspunten onder-schrijven om doelsturing zorgvuldig in de wetgeving in te bedden en omrechtsonzekerheid voor ondernemers te voorkomen. In de beleidsbriefvan LVVN zijn in de bijlage met wetgevingsprioriteiten de voornemensopgenomen voor de wetgeving over bedrijfsgerichte emissienormen voorstikstof en klimaat2. Welke wet- en regelgeving daarbij precies wordtaangepast is afhankelijk van de precieze nog te maken inhoudelijkekeuzes. Over de verdere invulling van beleidsmatige keuzes rondom debedrijfsspecifieke emissienormen wordt u voor de zomer in het kader vande Taskforce verder geïnformeerd3. Bij het ontwerp van de regelgeving zalook aandacht zijn voor de invoeringsperiode en de inzet van verschillendetoepassingsvormen, zoals informeren en stimuleren. Bij de voorbereidingop de invoering van de wetgeving zal ook aandacht zijn voor deverhouding tot middelvoorschriften, bijvoorbeeld de middelvoorschriftendie vereist zijn op grond van Europese wet- en regelgeving. Het ontwerp2Kamerstukken II 2025/26, 36 800-XIV, nr. 84.3Kamerstukken II 2025/26, 36 800-XIV, nr. 83.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 2159 van de wetgeving zal via de gebruikelijke procedures ook aan de Kamerworden voorgelegd.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieAlgemeenDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggendenotities en brieven over de transitie van middel- naar doelsturing. Dezeleden vrezen dat dit beleid van het kabinet in werkelijkheid zal ontaardenin een nieuw bureaucratisch monster waarbij de voedselzekerheid vanNederland en de autonomie van de Nederlandse boer worden opgeofferdaan onhaalbare milieudoelen.Transitie van middel- naar doelsturingDe leden van de PVV-fractie constateren dat er 10 miljoen eurobeschikbaar wordt gesteld voor een transitie die stoelt op de ASB. Hoekan de Minister garanderen dat de ASB niet exact hetzelfde rampzaligepad zal volgen als het eerdere MINAS dat wegens juridische onhoud-baarheid en beperkte effectiviteit in 2006 moest worden afgeschaft?AntwoordMINAS was een administratief systeem van mineralen in- en output(stelsel van verliesnormen met heffingen bij overschrijding van dieverliesnormen) op een bedrijf, zonder dat Nederland tegelijkertijd eenstelsel van gebruiksnormen had ingevoerd. Het hebben van een stelselvan gebruiksnormen is een verplichting uit de Nitraatrichtlijn. MINAS waseen vorm van doelsturing, een prikkel om fosfaat- en stikstofoverschottenop bedrijfsniveau te verlagen.Het Europese Hof van justitie heeft geoordeeld dat een systeem vanverliesnormen, zoals MINAS, ter implementatie van de door de Nitraat-richtlijn voorgeschreven stikstofbalans (de balans tussen de stikstofbe-hoefte van het gewas en de totale toevoer van stikstof uit bemesting en debodem naar het gewas), niet toereikend was. Dit omdat er geen gebruiks-normen en normen voor dierlijke mest in Nederland waren en deafrekening achteraf plaatsvond. Deze ervaring leert dat alleen eenadministratief systeem op het gebied van doelsturing waterkwaliteit,zonder gebruiksnormen, niet past binnen de Nitraatrichtlijn. In 2006 zijnde gebruiksnormen ingevoerd.De beschikbare middelen worden ingezet om deze ontwikkelingzorgvuldig vorm te geven, samen met sectorpartijen, kennisinstellingenen uitvoeringsorganisaties, zodat wordt toegewerkt naar een werkbaar enjuridisch houdbaar systeem.Is de Minister zich ervan bewust dat de agrarische sector al zwaargereguleerd is en waarom wordt er dan opnieuw ingezet op een systeemdat volgens de bronnen nog steeds kampt met hoge administratievelasten?De leden van de PVV-fractie vernemen graag dat de Minister 100 procentzekerheid geeft dat de administratieve lasten worden verlaagd, graag eenreactie hierop van de Minister.AntwoordHet Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert de overheid over hetvoorkomen van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zo vroeg mogelijk in hetproces van wet- en regelgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21510 Of invoering van de doelsturingssystematiek gaat leiden tot extraadministratieve lasten is nu nog niet te zeggen en hangt bijvoorbeeld ookaf van de mate van en het tempo waarin er in wordt geslaagd ommiddelsturing deels af te bouwen.Administratieve lasten voor ondernemer worden weergegeven in hetonderdeel lastendruk van de toelichting bij de regelgeving. In datonderdeel lastendruk wordt aangegeven wat de gevolgen zijn voor deondernemers na invoering van nieuwe regelgeving. Zie ook het antwoordop een eerdere vraag van de leden van de D66-fractie hierover.De leden van de PVV-fractie vragen in hoeverre er bij de selectie vangenodigden voor het rondetafelgesprek werkelijk oog voor de praktijker-varing van de gewone boer is. Of worden hier enkel partijen gehoord diemeebewegen met de klimaatagenda van het kabinet?AntwoordHet uitnodigingsbeleid van de Tweede Kamer is aan de Kamer zelf. Bij hetuitwerken van doelsturing worden boeren zo veel mogelijk betrokken,juist om het beleid zo goed mogelijk te ontwikkelen.Programma Vernieuwing StalbeoordelingDe leden van de PVV-fractie hebben vragen bij de overheveling vanverantwoordelijkheden naar private partijen zoals de Stichting KoninklijkNederlands Normalisatie Instituut (NEN). Waarom wordt een taak alsstalbeoordeling overgeheveld naar private certificeringsinstanties en hoevoorkomt de Staatssecretaris dat dit leidt tot torenhoge kosten en extrabureaucratie voor de veehouder? Hoe verhoudt de weigering om boerente compenseren voor investeringen in stalsystemen die achteraf onvol-doende worden bevonden zich tot het principe van rechtszekerheid voorondernemers?Uit verschillende onderzoeken4, 5, 6 blijkt dat de prestaties van de huidigeemissiearme stalsystemen en technieken in de praktijk tegenvallen.Daarom moet de zekerheid over de prestaties van emissiearme stalsys-temen en technieken worden vergroot. Met het Programma VernieuwingStalbeoordeling wordt hierop ingezet. Zowel veehouderijsector alsmeetbedrijven staan erachter om het proces publiek-privaat in te richten,zoals ook toegelicht in de Kamerbrief «Uitgangspunten ProgrammaVernieuwing Stalbeoordeling» van 19 december 20247 en de Kamerbriefover de voortgang daarvan van 22 september 20258. Het huidige stelselvan stalbeoordeling is volledig publiek ingericht, met een hoog detail-niveau in de regelgeving. Emissiefactoren worden opgenomen in bijlageV en emissiereductiepercentages in bijlage VI van de Omgevingsregeling.Het vastleggen en wijzigen van deze regelgeving is een tijdrovend proces.Private partijen geven aan meer ruimte te willen om zelf invulling te gevenaan onderdelen van het stelsel, waarbij ook wordt gestreefd naar meermogelijkheden voor innovatie. Tegelijkertijd wordt het beoordelingsstelselgebruikt voor publieke doelen, zoals de milieu- en natuurvergunningver-lening. Dit stelt duidelijke eisen aan de wijze waarop private partijen hunrol kunnen invullen. In combinatie leidt dit tot de ontwikkeling van eenpubliek-privaat stelsel dat bijdraagt aan een beter evenwicht.4Stikstofverlies uit opgeslagen mest, van Bruggen & Geertjes, 2019 -CBS5Schatting van stikstofverliezen uit stallen op basis van de stikstof-fosfaat verhouding inafgevoerde mest, Groenestein et al., 2023 – WUR6Verbetering van effectiviteit emissiearme stalsystemen in de praktijk, 20227Kamerstuk 28 973, nr. 2588Kamerstuk 28 973, nr. 283Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21511 Haalbaarheid, betaalbaarheid en een evenwichtige verdeling van dekosten tussen de betrokken partijen binnen het stelsel zijn belangrijkeaandachtspunten in de verdere uitwerking.Een dergelijk stelsel kan alleen goed functioneren wanneer er heldere ennavolgbare afspraken worden gemaakt, zowel tussen marktpartijenonderling als tussen marktpartijen en de overheid. Zeker bij technischeonderwerpen kunnen deze afspraken effectief worden vastgelegd inkwaliteits- en borgingsnormen, bijvoorbeeld voor emissiereducerendeproducten en continue metingen. In andere domeinen is hiermee alpositieve ervaring opgedaan. Binnen Nederland is Stichting KoninklijkNederlands Normalisatie Instituut (NEN) de organisatie die de ontwik-keling en vastlegging van dergelijke normen faciliteert. Het ingezettenormalisatietraject heeft als doel om met alle betrokken partijen totconsensus te komen over de inhoud van de normen. Deze normen zullenvervolgens worden gebruikt binnen het publiek-private stelsel. Privatepartijen zullen volgens deze normen moeten gaan werken. NEN krijgtverder geen rol in het daadwerkelijke beoordelen van de prestaties vanemissiereducerende technieken. Deze rol gaat naar verwachting uitge-voerd worden door een conformiteitsbeoordelingsinstantie met toezichtdoor onder andere de Raad voor Accreditatie. De tegenvallende werkingvan emissiearme stalsystemen en technieken in de praktijk heeft geengevolgen voor de rechtszekerheid voor ondernemers die een bestaandeonherroepelijke vergunning hebben.Onderzoek Borging en FaalfactorenDe leden van de PVV-fractie constateren dat uit onderzoek van ConnectingAgri & Food blijkt dat doelsturing gepaard gaat met hogere kosten en eenenorme tijdsbesteding voor de veehouder. Deze leden vragen hoe deregering kan spreken over perspectief voor boeren als uit dit onderzoekblijkt dat de kosten voor brede implementatie van sensoren momenteel tehoog zijn en de uitvoering voor natuurlijk geventileerde stallen nogonvoldoende betrouwbaar zou zijn. De onderzoekers stellen datveehouders staltechnieken vaak instellen op dierprestaties in plaats vanmilieudoelen. Vindt de Minister het acceptabel dat het welzijn van het dierondergeschikt wordt gemaakt aan de stikstofboekhouding van hetkabinet?AntwoordHier wordt waarschijnlijk verwezen naar het onderzoek «Borgingemissiearme systemen»: deelrapport a, die als bijlage bij de Kamerbriefvan 22 september 2025 is gevoegd9. In het nieuwe stelsel is niet voorzienom iedere veehouder de verplichting tot continu meten met sensoren opte leggen. Dit is inderdaad op dit moment niet voor alle stallen goedmogelijk, al wil ik het beeld nuanceren dat emissiemetingen bij openstallen niet mogelijk zijn. Daarom werk ik er ook aan om zoveel mogelijkstaltypen op deze wijze meetbaar te maken. Het doel is het stelsel zo vormte geven dat continu meten uitvoerbaar en betaalbaar wordt en tegelij-kertijd voldoende zekerheid voor vergunningverlening biedt.Het is niet zo dat dierenwelzijn ondergeschikt is aan het behalen vanemissiedoelen. Het kabinet stuurt integraal op het behalen van deverschillende doelen, en zo ook het welzijn van dieren. Integrale toetsingvan innovatieve stalsystemen is dan ook het uitgangspunt van hetProgramma Vernieuwing Stalbeoordeling.9Kamerstuk 28 973, nr. 283Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21512 Uitvoerbaarheid en Bedrijfsgerichte DoelsturingDe leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister de belofte van hetcentraal stellen van vakkennis rijmt met het feit dat boeren door ditnieuwe beleid feitelijk worden gedegradeerd tot fulltime boekhouders dieelke gram stikstof moeten millimeteren. Kan de Minister garanderen datdoelsturing niet zal leiden tot een gedwongen inkrimping van deveestapel in gebieden rondom Natura 2000, ondanks de belofte datboeren ruimte krijgen om te ondernemen?AntwoordHet kabinet wil voorkomen dat het systeem van doelsturing overvraagdwordt. Daarom zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof enklimaat onderdeel van de bredere samenhangende aanpak waaraan wordtgewerkt via de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Naasthet stellen van emissienormen worden diverse andere instrumentenuitgewerkt, onder meer gericht op het stimuleren van verduurzaming enextensivering om ondernemers zo te ondersteunen in het bewerkstelligenvan emissiereductie. Ook wordt ingezet op gebiedsgericht beleid enmaatregelen gericht op het verkleinen van de productiecapaciteit.In het bepalen van de hoogte van de bedrijfsspecifieke emissienormenwordt rekening gehouden met wat technisch mogelijk is voor onder-nemers. Het kabinet vindt het belangrijk dat de normen waar bedrijvenaan moeten voldoen in de praktijk realiseerbaar zijn en ertoe leiden datbedrijven in beweging komen. Dit betekent niet dat de emissienormen ookaltijd makkelijk te realiseren zullen zijn: het kan om forse inspanningenvragen van ondernemers om aan de normen te voldoen. Zie ook deantwoorden op de vragen van de leden van de D66-fractie.Bovenwettelijke Eisen en MarktinvloedDe leden van de PVV-fractie vragen wat het kabinet gaat doen om boerente beschermen tegen de machtsconcentratie van supermarkten die,bovenop de overheidsregels, extra eisen stapelen zonder daarvoor eeneerlijke prijs te betalen.AntwoordDe positie van de boer in de keten is een belangrijk onderwerp voor hetkabinet. Vandaar dat in opdracht van het Ministerie van Landbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur door de Autoriteit Consument &Markt (ACM) terugkerend periodiek onderzoek gedaan wordt naar deprijzen, kosten en marges in voedselketens. Via de Agro-Nutri Monitorkijkt de ACM specifiek naar concentratie en marktmacht bij primaireproducenten, handel en supermarkten. Op 12 september 2025 heeft deACM de 4e rapportage van de Agro-Nutri Monitor op haar websitegepubliceerd. Daarnaast heeft de ACM de taak om toezicht te houden opconcurrentie en mededinging. In het kader van die taak heeft de ACM op18 september 2025 publiek gemaakt dat een onderzoek naar de prijzenvan boodschappen in Nederlandse supermarkten uitgevoerd wordt. Deverwachting is dat de resultaten van dit onderzoek in het najaarbeschikbaar komen. Wat betreft de bevoegdheden van de ACM verwijs ikgraag naar de beantwoording van 4 september 2025 op de vragen van hetlid Dijk (SP) over de motie Dijk (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 101) met hetvoorstel om de ACM het mandaat en de middelen te geven om de prijzenvan boodschappen te reguleren10.102025Z14700Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21513 Contouren Bedrijfsspecifieke EmissienormenDe leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet wil toewerkennaar afrekenbare normen in 2035. Deze leden vragen hoe het kabinet nu alkan koersen op een niet vrijblijvende daling van emissies terwijl dejuridische basis wankel is en de data-infrastructuur voor doelsturing nogvolledig in de kinderschoenen staat.AntwoordHet kabinet zet in op afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen voorstikstof en klimaat in 2035 en hiermee wordt beoogd een geborgdereductie van emissies te realiseren. Voor de operationalisering van dezesystematiek zullen de komende jaren nog verschillende keuzes gemaaktmoeten worden, variërend van juridische borging tot aspecten voor deontwikkeling van het systeem zoals monitoring en beschikbaarheid vandata van de juiste kwaliteit. Deze uitwerking is technisch complex envraagt daarom om een zorgvuldig implementatieproces en stapsgewijzeinvoering. Daarbij zijn er de afgelopen jaren in verschillende sectoren alde nodige stappen gezet en beginnen we niet op nul.OverigDe leden van de PVV-fractie vrezen voor de voedselzekerheid en vragen ofde Minister klip en klaar kan aangeven welk effect deze fundamentelesysteemwijziging zal hebben op de totale voedselproductie in Nederland.Deze leden verwachten een gedetailleerde en feitelijke beantwoording vandeze vragen, waarbij niet langer voorbij wordt gegaan aan de dagelijkserealiteit en de belangen van de agrarische ondernemers.AntwoordHet doelsturingssysteem als zodanig heeft geen effect op de voedselpro-ductie. Zodra voor specifieke onderwerpen normen worden vastgesteldzou dit mogelijk een effect op de voedselproductie kunnen hebben alssommige ondernemers als gevolg daarvan besluiten hun bedrijf tebeëindigen. Ik kan nu niet vooruitlopen op de mogelijke consequentiesdaarvan.Binnen de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt hetkabinet aan een brede aanpak die zich richt op de opgaven voor natuur enstikstof, in samenhang met de opgaven op water en gewasbeschermings-middelen, klimaat en dierwaardigheid, gericht op het vormgeven van eentoekomstbestendige landbouw en een toekomstgericht voedselsysteem.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorhet schriftelijk overleg over doelsturing en hebben hierbij nog enkelevragen.Vormgeving en reikwijdte van doelsturing in de landbouwDe leden van de CDA-fractie vragen of de Minister een wettelijk verankerden gefaseerd systeem van doelsturing op emissies, met landelijke doelen,regionale differentiatie, keuzevrijheid voor bedrijven, beperkte generiekerandvoorwaarden, een betrouwbare datastructuur en expliciete beloningen afrekening, beschouwt als de meest effectieve aanpak.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21514 AntwoordDoor de invoering van doelsturing wordt het vakmanschap en dekeuzevrijheid van de ondernemer aangesproken, meer dan bij generiekemaatregelsturing. Er wordt hierbij een ingroeipad gehanteerd om hetsysteem zorgvuldig en stapsgewijs uit te bouwen en de ondernemerhierin mee te nemen en te faciliteren. Het belonen van goede prestaties enhet afrekenen bij het niet halen van de normen is nodig voor het tijdighalen en borgen van de beoogde emissiereductie voor stikstof en klimaat.Het zal per opgave en per sector verschillen wat mogelijk en nodig is.De leden van de CDA-fractie vragen of naast een doelsturingsaanpak erook een eenvoudige forfaitaire (systeem)norm kan bestaan waarmeeeenvoudig aan doelen kan worden voldaan.AntwoordVoor de operationalisering van doelsturing zullen de komende jaren nogverschillende keuzes gemaakt moeten worden. Voor het vaststellen vanemissies op bedrijfsniveau zijn verschillende methodes mogelijk,variërend van eenvoudigere rekenmethodes tot een gedetailleerderekenmethode of (continu) meten. Het zal daarbij per opgave en per sectorverschillen wat mogelijk en nodig is. Deze mogelijkheden worden naderuitgewerkt in de bredere ontwikkeling van het doelsturingssysteem.Deze leden vragen of doelsturing kalenderlandbouw kan vervangen en zoja, onder welke voorwaarden.AntwoordZoals toegelicht in het antwoord op een eerdere vraag van de leden vande VVD fractie bezie ik keuzes over de inrichting van doelsturing opwaterkwaliteit, waaronder het al dan niet vervangen van generiekeregelgeving, in samenhang met de maatregelen in het nog op te stellen 8eactieprogramma Nitraatrichtlijn.De leden van de CDA-fractie zien mogelijkheden om waterkwaliteit tekoppelen aan doelsturing om zo regie bij de ondernemer te leggen en dewaterkwaliteit te bevorderen. Deze leden vragen hoe de Ministerdoelsturing concreet wil inzetten om de waterkwaliteit te verbeteren enwelke instrumenten daarbij worden overwogen.AntwoordDoor inzicht te verschaffen aan de agrariër in het effect van het eigenhandelen op de waterkwaliteit, kan doelsturing een instrument zijn om dewaterkwaliteit te verbeteren. Keuzes over instrumenten bezie ik insamenhang met de maatregelen in het nog op te stellen 8e actiepro-gramma Nitraatrichtlijn. Zie ook het antwoord op een eerdere vraag vande leden van de VVD-fractie hierover.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van initiatieven inprovincies, zoals Gelderland en Friesland, waar doelsturing wordtgekoppeld aan vergunningverlening. Is de Minister op de hoogte van dezeinitiatieven en ziet de Minister hierin een wenselijke ontwikkeling? Zo ja,onder welke voorwaarden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21515 AntwoordJa, ik ben op de hoogte van deze initiatieven. De provincie Gelderland, degemeentes Berkelland en Oost-Gelre ondersteun ik in het traject van deeerste afgegeven doelvoorschriftenvergunningen. In december 2024 zijnvoor twee varkenshouders doelvoorschriftvergunningen afgegeven, hierinis het emissieplafond (een maximale uitstoot kg ammoniak per jaar)leidend. Met sensormetingen wordt continu gemeten om de emissie vande stal te bepalen. De Kamer is over dit traject geïnformeerd op 14 april202511. Deze vergunningen hebben op 25 maart jl. voorgelegen bij deRechtbank Gelderland. De Rechtbank heeft op dit moment nog geenuitspraak gedaan in deze zaken. De uitkomst van deze rechtszaken is vanbelang voor het opdoen van kennis en ervaring met het continu metenvan stalemissies en bepalen of dit een aanpak is om de onzekerheid vande werking van emissiearme stalsystemen in de praktijk weg te kunnennemen. Binnenkort verwacht ik de Kamer nader te kunnen informerenover de voortgang in dit traject.De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister de rol van dekringloopwijzer ziet in de monitoring en borging van doelsturing. Inhoeverre acht de Minister de kringloopwijzer geschikt als instrument ombedrijfsspecifieke prestaties inzichtelijk te maken en te toetsen aangestelde doelen? Ook vernemen deze leden graag hoe de Minister dekringloopwijzer wil positioneren ten opzichte van andere monitoringsin-strumenten en meetmethoden en of hij voornemens is het gebruikhiervan te standaardiseren of verder te ontwikkelen binnen het kader vandoelsturing.AntwoordHet kabinet vindt het belangrijk dat ondernemers inzicht kunnen krijgen inwaar zij staan ten opzichte van de norm en dat zij betrouwbaar kunnenaantonen dat zij aan de normen voldoen. Voor het vaststellen vanemissies op bedrijfsniveau zijn verschillende methodes mogelijk,variërend van eenvoudigere rekenmethodes tot een gedetailleerderekenmethode of (continu) meten. Deze mogelijkheden worden naderuitgewerkt. In dit kader wordt ook gekeken naar welke rol de Kringloop-wijzer kan spelen. Daarbij is het relevant dat de Kringloopwijzer niet vande overheid is. Over de rol van de Kringloopwijzer vindt dan ookafstemming plaats met sectorpartijen en Wageningen University enResearch die verantwoordelijk is voor de software die de berekeningenmaakt. Het beheer van de centrale database ligt bij ZuivelNL.Voor monitoring worden emissies uit de landbouwsector naar deatmosfeer op dit moment op nationaal niveau vastgesteld door Emissiere-gistratie met behulp van het rekenmodel NEMA (National Emission Modelfor Agriculture). Emissies worden op nationaal niveau gemonitord, omdater op provinciaal of regionaal niveau nog onvoldoende betrouwbareactiviteitendata zijn. Het is belangrijk dat NEMA zoveel mogelijk emissie-reducerende maatregelen bevat. LVVN heeft Wageningen Research (WR)daarom gevraagd NEMA te actualiseren aan de meest recente emissie-reducerende maatregelen. Hiervoor ontwikkelt WR een afwegingskaderom te bepalen wat er nodig is om nieuwe maatregelen in de emissiebere-keningen op te kunnen nemen en welke afwegingen daarbij gemaaktmoeten worden. Het gaat daarbij om wetenschappelijke onderbouwing,borging van de emissiearme werking en de beschikbaarheid vanactiviteitendata.11Kamerstuk 28 973, nr. 263Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21516 De Kringloopwijzer is alleen voor de melkveehouderij en wordt door eengroot aantal melkveehouders gebruikt maar niet door allemaal. Dit maakthet instrument geschikt voor bedrijfsmanagement, maar (nog) niet voorlandelijke monitoring. Met de ontwikkeling van het model ReNEMA wordteraan gewerkt om in de toekomst nationale emissies te kunnen berekenenop basis van emissies op bedrijfsniveau.De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister waarborgt datondernemers voldoende worden beschermd bij het verstrekken vangegevens in het kader van doelsturing, met name ten aanzien vandatabescherming en het voorkomen van oneigenlijk gebruik.AntwoordVan belang is dat besluiten in het kader van doelsturing zorgvuldigworden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Er moet nogbepaald worden welke gegevens daarvoor nodig zijn. Bij het maken vandeze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming vanbedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders. Dezegeldende kaders zijn onder andere de Algemene wet bestuursrecht, deWet open overheid en de Algemene verordening gegevensbescherming.Hierbij wijs ik er tevens op dat de evaluatie van de Woo mogelijk nognieuwe inzichten zal bieden, die ook voor dit vraagstuk van belang is.Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaar-making bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing overdoelsturing12.Ketenverantwoordelijkheid behalen natuur- en milieudoelstellingen enkosten doelsturingDe leden van de CDA-fractie constateren dat doelsturing van boereninvesteringen en aanpassingen op het boerenerf vergt, terwijl definanciële opbrengst van duurzamere productie achterblijft. Het regeerak-koord stelt dat ketenpartijen hun verantwoordelijkheid moet nemen in het(financieel) steunen van de transitie van boeren naar duurzame landbouw.Deze leden vragen hoe de Minister concreet gaat borgen dat ketenpartijeneen eerlijke financiële bijdrage leveren aan de meerkosten van doelsturingop het boerenerf.AntwoordHet kabinet vindt het belangrijk dat boeren die aantoonbaar goedpresteren op KPI’s ook worden ondersteund door ketenpartijen. Op ditmoment wordt bijvoorbeeld verkend of via het private initiatief van TrueValue Language (TVL) een publiek-private samenwerking mogelijk is voorhet gebruiken van de opgeleverde KPI-kernset om te komen tot eengemeenschappelijke taal voor het meten, waarderen, delen en belonenvan duurzaamheidsprestaties. De toegevoegde waarde van TVL is dedeelname van een aantal ketenpartijen en de toezegging van hen om opbasis van deze gemeenschappelijke taal hun leveranciers op duurzaam-heidsprestaties te belonen. Deze verkenning is nog in een pril stadium,maar een gemeenschappelijke taal kan mogelijk in de toekomst de basisbieden voor een eerlijke financiële bijdrage vanuit ketenpartijen voor deeventuele meerkosten van doelsturing op het boerenerf.De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister bereid is om viaproductschappen 2.0 bindende afspraken te realiseren over een struc-12Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 1724Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21517 turele financiële bijdrage van verwerkers en retail aan boeren dieaantoonbaar presteren op doelsturings-KPI’s.AntwoordHet kabinet vindt het belangrijk dat boeren die aantoonbaar goedpresteren op KPI’s ook worden ondersteund door ketenpartijen. Het is nogte bezien of een productschap 2.0 daarvoor het middel is. Momenteelwerkt de Sociaal Economische Raad (SER) aan een advies over de land-en tuinbouw. In dat advies wordt ook het versterken van uitvoeringskrachtbetrokken. Dit advies zal bijdragen aan een gezamenlijk beeld van deopdracht van een nieuw publiek privaat orgaan. De inzichten van de SERzou ik willen betrekken bij de verdere uitwerking van deze ambitie. Datvind ik belangrijk, omdat draagvlak bij de betrokken sectoren en partijenessentieel is voor het bepalen van de taken en verantwoordelijkheden vaneen nieuw publiek privaat orgaan.De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat uit recente inventarisaties,waaronder het eindrapport van True Value Language (True ValueLanguage, 25 februari 2026, «Bevindingen en aanbevelingen uit deinventarisatie», (https://truevaluelanguage.nl/wp-content/uploads/2026/03/260226_TVL_Inventarisatierapport_final.pdf)), blijkt dat een directekoppeling tussen prestatieniveau op KPI’s en financiële beloning in deketen nog zeldzaam is. Veel initiatieven werken met een zogehetenpass/fail-systeem met een forfaitaire beloning, waardoor koplopers nietworden onderscheiden van boeren die net aan de norm voldoen. Dezeleden vragen de Minister of hij mogelijkheden ziet om, in samenwerkingmet ketenpartijen, toe te werken naar een meer gedifferentieerdbeloningssysteem dat aantoonbare prestatieverbetering op doelsturings-KPI’s daadwerkelijk financieel waardeert.AntwoordIn lijn met het antwoord op een eerdere vraag van de leden van deCDA-fractie hierover, wordt op dit moment verkend of via het privateinitiatief van True Value Language (TVL) een publiek-private samen-werking mogelijk is voor het gebruiken van de opgeleverde KPI-kernsetom te komen tot een gemeenschappelijke taal voor het meten, waarderen,delen en belonen van duurzaamheidsprestaties. De toegevoegde waardevan TVL is de deelname van een aantal ketenpartijen en de toezeggingvan hen om op basis van deze gemeenschappelijke taal hun leveranciersop duurzaamheidsprestaties te belonen. Deze verkenning is nog in eenpril stadium, maar een gemeenschappelijke taal kan mogelijk in detoekomst de basis bieden voor een beloningssysteem op aantoonbareprestatieverbeteringen.Harmonisatie van keurmerken en bovenwettelijke eisenDe leden van de CDA-fractie constateren dat boeren in de praktijk temaken hebben met een groot aantal keurmerken, ketenprogramma’s enbovenwettelijke eisen die elk hun eigen indicatoren, definities enverificatie-eisen hanteren. Dit leidt tot dubbele registraties, onduide-lijkheid en administratieve lasten. Deze leden vragen de Minister hoe hijde harmonisatie van keurmerken en private duurzaamheidseisen wilbevorderen, zodat de boer niet voor ieder afzonderlijk programma eenaparte set gegevens moet bijhouden. Ziet de Minister een rol voor deoverheid om een gedeelde meetbasis, zoals de KPI-Kernset, als gemeen-schappelijke standaard te stimuleren waarop keurmerken en ketenpro-gramma’s kunnen aansluiten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21518 AntwoordIn opdracht van het Ministerie van LVVN is afgelopen jaren doorWageningen Universiteit & Research (WUR) een wetenschappelijke basisontwikkeld voor een integrale KPI-kernset in de melkveehouderij- enakkerbouwsector. In februari is het rapport gepubliceerd met de set aanindicatoren13. Dit is een belangrijke stap om duurzaamheidsdoelenmeetbaar en waardeerbaar te maken, maar ook administratieve lasten teverminderen. Ketenpartijen kunnen gebruik maken van deze integraleKPI-kernset, als gedeelde meetbasis voor nieuwe duurzaamheidspro-gramma’s en keurmerken. Daarvoor zie ik ook een rol vanuit de Rijks-overheid om op basis van deze integrale KPI-kernset samen te werken metprivate organisaties en andere overheden om de landbouwsector teverduurzamen. Op dit moment wordt verkend of via het private initiatiefvan True Value Language publiek-private samenwerking mogelijk is voorhet gebruiken van deze opgeleverde KPI-kernset. Hierbij worden ook delessen meegenomen uit het rapport van Berenschot14, waarin de optiesvoor een governance-structuur zijn verkend. Ook enkele keurmerkhoudersnemen deel aan het True Value Language initiatief.De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister de stapelbaarheidvan beloningen uit verschillende ketenprogramma’s en keurmerken wilverbeteren. Is de Minister bereid om binnen de vorm te geven product-schappen 2.0 afspraken te maken zodat boeren die aan meerdereduurzaamheidseisen voldoen cumulatief worden beloond en niet telkensdezelfde inspanningen hoeven te verantwoorden?AntwoordDiverse ketenprogramma’s of keurmerken worden vanuit de privatepartijen geïnitieerd. Eisen en beloningen kunnen onderling verschillen, enhet verantwoorden van duurzaamheidsinspanningen voor verschillendedoeleinden kan voor sommige boeren een administratieve last veroor-zaken. Doelsturings-KPI’s en afspraken over meetmethoden of monitoringkunnen handvatten bieden om deze programma’s en keurmerken goed opelkaar af te stemmen. Ik vind het belangrijk om in te zetten op het sprekenvan een gezamenlijke taal, zodat transparantie over duurzaamheidsin-spanningen en prestaties verbetert. Deze transparantie is te benutten ompublieke en private duurzaamheidseisen te monitoren en te belonen. Ditkan ook bijdrage aan het verminderen van de administratieve lasten, nietalleen voor de primaire producenten maar voor alle ketenpartijen.Momenteel werk ik aan de eerste stappen voor de inrichting van eennieuw soort productschap 2.0, zoals ik ook op het antwoord op eeneerdere vraag van de leden van de CDA-fractie aangeef. De taken enverantwoordelijkheden van dit nieuwe publiek private orgaan moetenverder worden uitgewerkt. Onderdeel hiervan kan zijn om de mogelijk-heden nader te bezien in hoeverre boeren die aan meerdere duurzaam-heidseisen voldoen cumulatief worden beloond en niet telkens dezelfdeinspanningen hoeven te verantwoorden.Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractieDe leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorhet schriftelijk overleg Doelsturing. Deze leden hebben hierover nogenkele vragen.13WUR (2026) De integrale KPI-kernset Duurzame Landbouw: uitwerking voor melkveehouderijen akkerbouw14Berenschot (2024) Bedrijfsgerichte doelsturing – een volgende stap met KPIsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21519 De leden van de JA21-fractie lezen dat afrekenbare bedrijfsspecifiekeemissienormen een fundamentele systeemwijziging vergen, dat deze nietvan vandaag op morgen gerealiseerd zijn en dat implementatie, borgingen vastlegging dit jaar nog niet geregeld kunnen zijn.De leden van de JA21-fractie vragen welk concreet tijdpad de Ministerhanteert tot het moment waarop afrekenbaarheid gerealiseerd is.AntwoordHet kabinet zet in op afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen voorstikstof en klimaat in 2035. Door nu duidelijke kaders te stellen waarbedrijven uiteindelijk aan zullen moeten voldoen kunnen bedrijvenoverwogen een beslissing maken over de toekomstige ontwikkeling vanhun bedrijf. In aanloop daarnaartoe zet het kabinet ook al in om informe-rende en stimulerende maatregelen om ondernemers te ondersteunen inhet toewerken naar de emissienormen. Het kabinet verwacht voor dezomer de Kamer te informeren over de beleidsmatige invulling van deemissienormen en het ingroeipad.Keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteit zie ik innauwe samenhang met de maatregelen in het nog op te stellen 8eactieprogramma Nitraatrichtlijn. Zoals toegezegd, zal ik uw Kamerperiodiek blijven informeren over de voortgang van het 8e actiepro-gramma Nitraatrichtlijn waarbij ook de ontwikkelingen rondomdoelsturing op waterkwaliteit worden meegenomen. Zie ook het antwoordde vraag hierover van de leden van de VVD-fractie.De leden van de JA21-fractie merken op dat verschillende stakeholderseen tijdpad van 10 tot 15 jaar schetsen voor normerende doelsturing. Hoebeoordeelt de Minister de effectiviteit van doelsturing in deze voor de tebehalen doelen in 2035?AntwoordHet kabinet zet in op normen voor stikstof en klimaat die afrekenbaar zijnin 2035. Dan moeten veehouders de gevraagde emissiereductie behaaldhebben. Dit betekent echter niet dat er de komende jaren niets gebeurt.Na bekendmaking van de normen zal zo snel mogelijk worden aange-vangen met het informeren van ondernemers waar zij staan ten opzichtevan de norm, en het stimuleren van het nemen van emissie-reducerendemaatregelen. Hiermee wordt veehouders de mogelijkheden geboden omnu al aan emissiereductie te werken en dit in te passen in hun bedrijfs-voering. Dit zal stapsgewijs gebeuren en daarmee ook al voor 2035emissies terugdringen. Daarbij geldt dat voor het realiseren van de doelenin 2035 ook inzet op andere instrumenten, waaronder aanvullendgebiedsgericht beleid en maatregelen gericht op het verkleinen van deproductiecapaciteit, onder meer via afroming bij verhandeling ofvrijwillige beëindiging.De leden van de JA21-fractie constateren dat het opzetten van eenrobuust meetnetwerk op grote schaal, mede vanwege de benodigdevalidatie, een meerjarig traject kan zijn. Hoe beoordeelt de Ministerberekende reductie in verhouding tot gemeten reductie en biedtberekende reductie op bedrijfsniveau voldoende zekerheid?AntwoordHet opzetten van een robuust meetnetwerk kost inderdaad tijd. Metingen,binnen of buiten de stal, kunnen op verschillende manieren plaatsvinden,waarvan elke manier andere voordelen en uitdagingen kent waarbijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21520 tijdspad en kosten variëren. Daarnaast geldt dat niet ieder staltype – zoalsopen stallen – op dit moment goed meetbaar is. Voor het berekenen vanemissies op bedrijfsniveau zijn in de Integrale KPI-kernset DuurzameLandbouw voor melkveehouderij en akkerbouw verschillende detail-niveaus beschreven voor het bepalen van KPI’s, variërend van eenvou-digere rekenmethodes tot een gedetailleerde rekenmethode of (continu)meten. Deze mogelijkheden worden nader uitgewerkt binnen de bredereontwikkeling van het doelsturingssysteem.Berekende en gemeten emissies hoeven daarbij niet tegenover elkaar testaan, maar kunnen juist complementair zijn. Metingen in een onder-zoeksopzet kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om berekeningen tevalideren en daarmee de betrouwbaarheid van berekende reductiesverder te versterken. Per sector en beleidsdoel kan verschillen welkemethode het meest logisch, haalbaar en doelmatig is. Daarom wordtingezet op de verdere ontwikkeling van zowel meetmethoden alsberekeningsmethoden, zodat een zo betrouwbaar en uitvoerbaar mogelijksysteem van emissievaststelling op bedrijfsniveau ontstaat.De leden van de JA21-fractie constateren dat de Minister in de brief van14 februari 2025 (Kamerstuk 35 334, nr. 331) heeft aankondigd dat in 2025pilots zouden starten om de stoffenbalans en bedrijfsspecifieke emissie-doelen in de praktijk te testen. Inmiddels zijn we ruim een jaar verder. Watis de huidige stand van zaken van deze pilots en zijn er inmiddelsresultaten geboekt?AntwoordOm hier snel mee aan de slag te kunnen, is ervoor gekozen voort tebouwen op reeds lopende initiatieven en pilots en deze verder door teontwikkelen voor de uitwerking van de stoffenbalans en bedrijfsspecifiekeemissienormen voor stikstof en klimaat. Vanuit het programmadoelsturing worden aanvullende onderzoeksvragen gekoppeld aan dezeinitiatieven, zodat opgedane kennis direct kan bijdragen aan de verdereontwikkeling van het doelsturingssysteem. Daarnaast wordt ingezet opmeer samenhang tussen de verschillende pilots van provincies, experi-menteerlocaties en het ministerie waarin emissiemetingen wordenuitgevoerd. De inzichten uit deze metingen dragen bij aan de verdereonderbouwing en robuustheid van de stoffenbalans.Met de provincies Drenthe, Brabant en Zeeland wordt samengewerkt aanontwikkelingen binnen de akkerbouw en met de provincies Noord- enZuid-Holland binnen de melkveehouderij. Daarbij ligt de focus onder meerop het verbeteren van gegevensuitwisseling en de borging van data.De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de gevolgen vanWet open overheid (Woo)-verzoeken voor de agrarisch ondernemers inverband met privacygevoelige gegevens zoals woonadressen en dekwetsbaarheid voor concurrentie. Welke maatregelen is de Ministervoornemens te nemen om de privacy van deze ondernemers teverbeteren?AntwoordDe Wet open overheid (Woo) geeft algemene regels voor het openbaarmaken van de informatie waarover de overheid beschikt. Daarondervallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens van individuele bedrijven waarde overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid daarover debeschikking heeft gekregen.Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaar-making van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking vaninformatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarischeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21521 ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillendebelangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die ondermeer de Woo biedt. Dit zal ook worden meegenomen bij de vormgevingvan doelsturing. Hierbij wijs ik er tevens op dat de evaluatie van de Woomogelijk nog nieuwe inzichten zal bieden, die ook voor dit vraagstuk vanbelang is. Tevens werk ik met de Minister van Justitie en Veiligheid aaneen onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers15.Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaar-making bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing overdoelsturing16.De leden van de JA21-fractie constateren dat doelsturing weliswaar eenbijdrage kan leveren aan het verminderen van de stikstof problematiek,maar niet voldoende is om de volledige opgave in te vullen en aanvullendbeleid nodig blijft. Kan de Minister kwantitatief aangeven welk deel van destikstofopgave hij verwacht te realiseren via doelsturing?AntwoordVia bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat kan eensubstantiële emissiereductie worden gerealiseerd op het bedrijfsniveau.Er ligt een aanzienlijke technische potentie via het nemen vanmanagement- en stalmaatregelen. Tegelijkertijd zal dit niet voldoende zijnom de gestelde landelijke emissiereductiedoelen te realiseren. Daarom zethet kabinet ook in op aanvullend gebiedsgericht beleid en maatregelengericht op het verkleinen van de productiecapaciteit, onder meer viaafroming bij verhandeling of vrijwillige beëindiging. Het aandeel van destikstofopgave dat via de bedrijfsspecifieke emissienormen wordtingevuld is afhankelijk van de maatvoering van emissienormen. Dekomende periode werkt het kabinet in het kader van Pijler 1 van deMinisteriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof aan de beleidsmatigeinvulling van de systematiek van emissienormen. De Kamer wordt daarvoor de zomer over geïnformeerd.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken overde voortgang van bedrijfsgerichte doelsturing. Deze leden onderschrijvenhet uitgangspunt dat boeren moeten worden gestuurd op doelen in plaatsvan op middelen zodat vakmanschap, innovatie en ondernemerschapcentraal staan. Voor deze leden geldt dat doelsturing hand in hand moetgaan met het loslaten van middelenvoorschriften. Tegelijkertijd consta-teren zij dat de uitwerking van doelsturing complex is en in de praktijk nogaanzienlijke vragen en zorgen oproept.De leden van de BBB-fractie benadrukken dat doelsturing alleen kanslagen als deze haalbaar, uitlegbaar en betaalbaar is en als boeren eropkunnen vertrouwen dat het systeem eerlijk en uitvoerbaar is.De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing wordt gepresen-teerd als een fundamentele systeemverandering, waarbij ondernemersuiteindelijk afrekenbaar worden op bedrijfsspecifieke emissienormen.Deze leden vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat te snel wordtovergestapt naar afrekenbare doelsturing, terwijl de randvoorwaardennog niet op orde zijn.15Kamerstukken II 2025/26, 32 802, nr. 140.16Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 1724Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21522 AntwoordDe omslag naar afrekenbare doelsturing op bedrijfsniveau vergt eensysteemwijziging die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. Hetvraagt om een systematiek waarbij met een hoge mate van zekerheid kanworden vastgesteld hoeveel emissies aan een bedrijf kunnen wordentoegerekend zodat daarop kan worden afgerekend. Dit is technischcomplex en vraagt om een verdere uitwerking de komende jaren.Doelsturing zal daarom via een stapsgewijs en via zorgvuldig implementa-tieproces worden ingevoerd. Na bekendmaking van de normen voorstikstof en klimaat zal zo snel mogelijk worden aangevangen met hetinformeren van ondernemers waar zij staan ten opzichte van de norm, enhet stimuleren van het nemen emissiereducerende maatregelen om tezorgen dat stapsgewijs toegewerkt wordt naar het moment waarop deemissiereductie behaald moet zijn en de doelen afrekenbaar zijn. In detussenliggende jaren zal verdere uitwerking gegeven aan de operationali-sering van de systematiek. Hierin zijn nog verschillende keuzes te maken,variërend van juridische borging tot aspecten voor de ontwikkeling vandoelsturing zoals monitoring en beschikbaarheid van data van de juistekwaliteit.De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om concreet uiteen tezetten wat volgens hem de minimale randvoorwaarden zijn voordatsprake kan zijn van afrekenbare doelsturing. Wanneer is het systeemvolgens de Minister «rijp» om daadwerkelijk juridisch afdwingbaar teworden?AntwoordOm doelsturing juridisch afdwingbaar te kunnen laten zijn moet wordenvoldaan aan een aantal voorwaarden. Er moet bijvoorbeeld een weten-schappelijke onderbouwde Kritische Prestatie Indicator (KPI) zijn, deze KPImoet betrouwbaar kunnen worden vastgesteld, de data die hiervoor nodigzijn moeten van goede kwaliteit zijn, beschikbaar zijn en geschikt zijn ombesluiten te kunnen nemen en om toezicht te kunnen uitoefenen. De normdie een ondernemer moet halen moet in regelgeving zijn verankerd enhier moet op kunnen worden toegezien en gehandhaafd, bovendien moethet geheel fraudebestendig zijn. Daarnaast moet het duidelijk zijn welkesanctie kan worden opgelegd indien een ondernemer niet voldoet.De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat experts tijdens een georgani-seerd rondetafelgesprek in de Kamer aangeven dat normerendedoelsturing realistisch gezien een tijdpad van 10 tot 15 jaar kent (TweedeKamer der Staten-Generaal, 2 april 2026, «RondetafelgesprekDoelsturing», (https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2025A03989)). Hoe verhoudt dit zichtot de huidige ambities en tijdslijnen van het kabinet? Acht de Minister hetrealistisch dat boeren eerder dan dat al worden afgerekend op doelen?AntwoordDe omslag naar afrekenbare doelsturing op bedrijfsniveau vergt eensysteemwijziging die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. Hetvraagt om een systematiek waarbij met een hoge mate van zekerheid kanworden vastgesteld hoeveel emissies aan een bedrijf kunnen wordentoegerekend zodat daarop kan worden afgerekend. Dit is technischcomplex en vraagt om een verdere uitwerking de komende jaren.Doelsturing zal daarom via een stapsgewijs en zorgvuldig implementatie-proces worden ingevoerd. Het kabinet spant zich hard in om dezerandvoorwaarden de komende periode op orde te brengen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21523 De leden van de BBB-fractie vinden dat doelsturing voor iedereen die meewil doen, mits realistisch en uitvoerbaar, haalbaar moet zijn. Kan deMinister ingaan op de middelen die hij tot zijn beschikking heeft om hetsysteem van doelsturing uit te werken en hoeveel middelen hij tot zijnbeschikking heeft om boeren daarin vervolgens te ondersteunen? Kan hijdeze twee bedragen naast de bedragen zetten die het vorige kabinet tothaar beschikking had? Heeft dit kabinet meer of minderen middelen omhet systeem op touw te zetten? Heeft dit kabinet meer of minder middelenom boeren te ondersteunen binnen het systeem van doelsturing?AntwoordHet kabinet onderkent dat voldoende middelen van belang zijn voor eensuccesvolle invoering van doelsturing. Er is € 200 miljoen beschikbaarvoor de verdere ontwikkeling en implementatie van doelsturing, ondermeer voor pilots, kennisontwikkeling en ondersteuning van ondernemers.Tegelijk is duidelijk dat doelsturing een meerjarige systeemverandering is.Daarom kiest het kabinet voor een gefaseerde invoering, waarbijstapsgewijs wordt opgebouwd en waarbij benodigde aanvullendefinanciering nader wordt uitgewerkt in samenhang met de bredere aanpakvoor landbouw, natuur en stikstof. Het kabinet verwacht hierover voorstikstof en klimaat rond de zomer meer duidelijkheid te geven en daarnapas is een vergelijking te maken.De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing een ingrijpendesysteemverandering is die gepaard zal gaan met aanzienlijke kosten,zowel voor de overheid als voor individuele ondernemers. Deze ledenvragen de Minister om een gedetailleerde onderbouwing te geven van deverwachte kosten van de invoering en uitvoering van doelsturing. Kan deMinister inzichtelijk maken wat de structurele en incidentele kosten zijnvoor de overheid en welke kosten op het bord van de boer terechtkomen?Hoe verhouden deze kosten zich tot de beschikbare budgetten, en acht deMinister dit financieel haalbaar voor de sector? Graag ontvangen dezeleden alle beschikbare documenten van de Minister die inzicht kunnengeven in de te verwachten kosten om het systeem op touw te zetten.AntwoordDe kosten die doelsturing met zich meebrengt worden meegewogen in debesluitvorming daarover en met uw Kamer gedeeld zodra hier meerinformatie over beschikbaar is.De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing sterk afhankelijkis van meet- en rekenmethoden, waaronder KPI-systematiek en stoffenba-lansen. Tegelijkertijd is men er in zijn algemeenheid over eens dat zowelmetingen als modellen aanzienlijke onzekerheden kennen.De leden van de BBB-fractie vragen de Minister hoe wordt omgegaan metdeze onzekerheden. Hoe wordt voorkomen dat boeren worden afgerekendop uitkomsten die mede afhankelijk zijn van modelaannames, weersin-vloeden of meetfouten? Deze leden vragen voorts of de Minister kangaranderen dat een ondernemer altijd kan herleiden hoe zijn score totstand is gekomen en welke handelingsperspectieven daaruit volgen. Hoewordt geborgd dat doelsturing niet ontaardt in een «black box»?AntwoordVoor de operationalisering van doelsturing zullen de komende jaren nogverschillende keuzes gemaakt moeten worden, variërend van juridischeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21524 borging tot aspecten voor de ontwikkeling van het systeem zoalsmonitoring en beschikbaarheid van data van de juiste kwaliteit. Ook vindthet kabinet het belangrijk dat ondernemers inzicht kunnen krijgen in waarzij staan ten opzichte van de norm, hoe dit bepaald is/wordt en dat zijbetrouwbaar kunnen aantonen dat zij aan de normen voldoen. Voor hetvaststellen van emissies op bedrijfsniveau zijn verschillende methodesmogelijk, variërend van eenvoudigere rekenmethodes tot een gedetail-leerde rekenmethode of (continu) meten. Deze mogelijkheden wordennader uitgewerkt in de bredere ontwikkeling van het doelsturingssysteem.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe de Minister aankijkttegen de veel gehoorde aanname dat volledige metingen op bedrijfs-niveau praktisch en financieel nauwelijks haalbaar zijn en dat daaromaltijd een combinatie van modellen en metingen nodig blijft. Wat betekentdit voor de juridische houdbaarheid van doelsturing?AntwoordMetingen kunnen op verschillende manieren worden uitgevoerd. Erbestaan diverse methoden om emissies binnen of buiten de stal te meten,maar ook om bodemmetingen te verrichten. Iedere methode kent daarbijeigen voordelen en uitdagingen en niet alle methodes zijn overaltoepasbaar. Daarnaast verschillen de kosten en de benodigde ontwik-keltijd per meetmethode. Niet elke meetmethode is direct kostbaar, maargoedkopere varianten kunnen beperkingen hebben op het gebied vannauwkeurigheid of betrouwbaarheid.Ik werk momenteel verschillende manieren om emissies vast te stellen,zowel via berekeningen als via metingen, parallel aan elkaar uit. Daarbijwordt niet alleen gekeken naar juridische borging en handhaafbaarheid,maar ook naar de praktische haalbaarheid en toepasbaarheid vooragrarische ondernemers. Dit zijn belangrijke afwegingen die om eenzorgvuldige aanpak vragen.De leden van de BBB-fractie constateren dat de doelsturingssystematieksterk leunt op KPI’s als centrale stuurinformatie. Tegelijkertijd ontvangendeze leden signalen dat dit kan leiden tot een forse toename vanadministratieve lasten en complexiteit. Deze leden vragen de Minister hoehij voorkomt dat doelsturing in de praktijk leidt tot méér regeldruk inplaats van minder. Kan de Minister concreet maken hoeveel extraadministratieve handelingen een gemiddeld bedrijf moet verrichten?AntwoordHet Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) adviseert de overheid over hetvoorkomen van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zo vroeg mogelijk in hetproces van wet- en regelgeving.Of invoering van de doelsturingssystematiek gaat leiden tot extraadministratieve lasten is nu nog niet te zeggen en hangt bijvoorbeeld ookaf van de mate van en het tempo waarin er in wordt geslaagd ommiddelsturing deels af te bouwen. Administratieve lasten voor onder-nemer worden weergegeven in het onderdeel lastendruk in de toelichtingvan regelgeving. In dat onderdeel lastendruk wordt aangegeven wat degevolgen zijn voor de ondernemers na invoering van nieuwe regelgeving.Zie ook het antwoord op een eerdere vraag van de leden van deD66-fractie hierover.De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing moet passenbinnen Europese regelgeving en juridisch houdbaar moet zijn. Deze ledenvragen de Minister hoe wordt voorkomen dat Nederland opnieuw eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21525 systeem ontwikkelt dat uiteindelijk juridisch onderuitgaat. Zij vragen deMinister expliciet in te gaan op de verhouding tussen doelsturing enbestaande Europese verplichtingen, zoals de Nitraatrichtlijn en staats-steunkaders. In hoeverre is doelsturing daadwerkelijk verenigbaar metdeze kaders?AntwoordIn lijn met de beantwoording van vragen van de leden van de fracties vanD66 en PVV over het MINAS-systeem heeft deze ervaring geleerd datalleen een administratief systeem, zonder gebruiksnormen, niet pastbinnen de Nitraatrichtlijn. Om deze reden is in 2006, in vervolg op hetarrest van het Hof van Justitie, in Nederland een stelsel van gebruiks-normen in de mestwetgeving ingevoerd. Bedrijfsgerichte doelsturing opwaterkwaliteit, waar nu aan gewerkt wordt, zet in op twee indicatorenvoor de kwaliteit van grondwater: het berekenen van hetN-bodemoverschot en het meten van het N-mineraal in de grond.Daarmee wordt hier afgeweken van het MINAS-systeem waarin slechtseen variant van het N-bodemoverschot werd berekend.Bij het uitwerken van doelsturing op waterkwaliteit zal ik dit doen passendbinnen de Europese kaders.De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de omgang metbedrijfsgegevens binnen doelsturing. Deze leden constateren datgegevens over individuele bedrijven onder de Woo kunnen vallen. Dezeleden vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat gevoelige bedrijfsin-formatie openbaar wordt, met risico’s voor boeren. Welke concretewaarborgen worden ingebouwd? Zij vragen tevens of de Minister bereidis om dataverzameling zoveel mogelijk buiten de overheid te organiseren,bijvoorbeeld via ketenpartijen of onafhankelijke platforms, om risico’s tebeperken. Is de Minister nog voornemens om te komen tot een vorm vaneen data-autoriteit of vergelijkbare structuur die toeziet op het gebruik ende bescherming van agrarische data? Zo ja, op welke termijn en metwelke bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?AntwoordVan belang is dat besluiten in het kader van doelsturing zorgvuldigworden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Er moet nogbepaald worden welke gegevens daarvoor nodig zijn. Bij het maken vandeze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming vanbedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.Hierbij wijs ik er tevens op dat de evaluatie van de Woo mogelijk nognieuwe inzichten zal bieden, die ook voor dit vraagstuk van belang is.In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe deorganisatie van data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om opte merken dat informatie die nodig is voor een goede taakuitoefeningdoor de overheid niet gepositioneerd kan worden buiten de invloedsfeervan het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte van de Woovallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken vanagrarische bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op terichten private entiteit, is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel ofgedeeltelijk onder de Woo valt, omdat voor milieu-informatie een ruimbegrip van «overheid» moet worden gehanteerd. Bij besluitvorming doorde overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante gegevensbeschiktTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21526 Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaar-making bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing overdoelsturing17.De leden van de BBB-fractie vragen de Minister in hoeverre hij mogelijk-heden ziet om de uitvoering van doelsturing, met name op het gebied vandataverzameling en -beheer, zoveel mogelijk bij de sector zelf te beleggen,bijvoorbeeld via coöperaties of andere collectieve verbanden. Deze ledenzien hierin het grote voordeel dat de gegevens dan privaat blijven en niet«Woo-baar» zijn. Is de Minister bereid om serieus te onderzoeken ofdoelsturing op basis van gebiedsdoelen, georganiseerd via coöperaties,een werkbaar alternatief of aanvulling kan zijn op individuele afreken-baarheid?AntwoordDe basis van bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaatblijft dat individuele ondernemers duidelijkheid krijgen over de opgave ophun bedrijf en ook verantwoordelijk zijn op de afrekenbare doelen in 2035te halen. Dat neemt niet weg dat er al veel goede voorbeelden zijn vancollectieve groepen die werken aan emissiereductie. Ik vind het belangrijkom die energie te benutten en zal in de uitwerking bezien hoe dergelijkecollectieven een rol kunnen spelen in het reduceren van emissies viabijvoorbeeld faciliterend beleid.De leden van de BBB-fractie constateren dat vertrouwen tussen overheiden sector onmisbaar is voor het slagen van doelsturing. Tegelijkertijdontvangen deze leden signalen van boerenorganisaties dat dit vertrouwenonder druk staat, onder andere door onzekerheid, complexiteit enmogelijke juridische risico’s. Zij vragen de Minister hoe hij het draagvlakonder boeren concreet gaat versterken. Op welke wijze worden boerendaadwerkelijk betrokken bij de verdere uitwerking van het systeem?AntwoordVertrouwen en draagvlak zijn inderdaad van essentieel belang voor deinvoering van doelsturing. Hieraan wordt op verschillende manieren aangewerkt. Plannen en ontwikkelingen worden met sectororganisatiesbesproken en in de praktijk getest in pilots waarbij ook goed geluisterdwordt naar de ondernemers die daaraan meedoen. Daarnaast worden degeëigende routes voor inspraak gevolgd.De leden van de BBB-fractie constateren dat doelsturing nauw samen-hangt met andere trajecten, zoals het vernieuwde stelsel van stalbeoor-deling en vergunningverlening. Deze leden vragen de Minister hoe dezesystemen op elkaar aansluiten. Hoe wordt ervoor gezorgd dat verschil-lende systemen (stalbeoordeling, doelsturing, vergunningverlening)elkaar versterken en op elkaar aansluiten? Zij vragen tevens hoe continuemetingen en doelsturing zich tot elkaar verhouden en of ondernemersdaadwerkelijk keuzevrijheid houden tussen verschillende manieren omaan doelen te voldoen.AntwoordMet het Programma Vernieuwing Stalbeoordeling wordt gewerkt aan eennieuw stelsel van stalbeoordeling om (innovatieve) stalsystemen,technieken en maatregelen te beoordelen op de mate waarin emissies vanammoniak, fijnstof, geur en broeikasgassen daarmee worden verminderd.17Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 1724Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21527 Het nieuwe stelsel van stalbeoordeling vormt daarmee een bouwsteenvoor vergunningverlening, doelsturing, toepassing van continu meten enhet met vertrouwen toepassen van maatregelen. Onderdeel van hetprogramma is dus ook het mogelijk maken van continu meten alsonderbouwing van de emissie in de omgevingsvergunning. Dit geeft eenextra optie voor vergunninghouders om te voldoen aan de vereisten uitde vergunning. Een forfaitaire benadering blijft daarnaast bestaan. Hetmogelijk maken van continue metingen is noodzakelijk voor doelsturing.Met doelsturing wordt gewerkt aan de overgang naar bedrijfsspecifiekenormen voor onder meer broeikasgas- en stikstofemissie. Dit is eensysteemverandering, waarbij de agrarische ondernemer meetbaar enafrekenbaar moet voldoen aan deze bedrijfsspecifieke emissienormen,maar de ruimte heeft om zelf te kiezen welke maatregelen genomenworden om de doelen te halen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de stukken tenbehoeve van het schriftelijk overleg over doelsturing. Deze ledenconstateren dat er verschillende gradaties van doelsturing zijn. De ultiemevorm bestaat uit juridisch afdwingbare, bedrijfsspecifieke doelen.Bijbehorende berekeningen en metingen zijn echter complex en gaangepaard met onzekerheden. Deelt de Minister de mening dat eerstervaring moet worden opgedaan met minder vergaande vormen vandoelsturing, zoals benchmarken en belonen? Komt er op korte termijnsubstantiële inzet op bijvoorbeeld het belonen van prestaties op hetgebied van reductie van de ammoniakemissie? Zo ja, hoe?AntwoordDoelsturing kan inderdaad in verschillende vormen worden toegepast. Inaanloop naar 2035 zullen eerst andere toepassingsvormen vandoelsturing worden ingezet. Na bekendmaking van de normen voorstikstof en klimaat zal bijvoorbeeld zo snel mogelijk worden begonnenmet het informeren van ondernemers waar zijn staan ten opzichte van denorm en ten opzichte van de rest van de sector (benchmark). Ook zet hetkabinet in op het stimuleren van het nemen van emissie-reducerendemaatregelen.De leden van de SGP-fractie constateren dat in verschillende provincieswordt gewerkt met subsidieregelingen waarbij positieve scores opverschillende kritische prestatie indicatoren worden beloond. Hoewaardeert de Minister de ervaringen met deze regelingen? Is de Ministervoornemens meer te investeren in het op deze wijze stimuleren van ondermeer emissiereducties?AntwoordDe energie en de lessen die we kunnen trekken van lokale initiatievenworden omarmd en zullen waar mogelijk worden meegenomen in devormgeving van het doelsturingssysteem. Zie ook het antwoord van devraag van de leden van de BBB-fractie hierover.De leden van de SGP-fractie constateren dat er grote verschillen kunnenzijn tussen bedrijven, zeker in een sector als de melkveehouderij, watbetreft de mate waarin ongewenste emissies verlaagd kunnen worden.Deze leden pleiten voor een vorm van flexibiliteit en uitruil, bijvoorbeelddoor een aanpak waarbij in coöperatieverband of op gebiedsniveaueerder gestuurd wordt op een gezamenlijk (gebieds)doel dan op harde,bedrijfsgebonden normen. Zij horen graag hoe de Minister dit weegt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21528 AntwoordHet kabinet richt zich op een landelijke bedrijfsspecifieke emissienormvoor stikstof en klimaat die in beginsel generiek van aard zal zijn. Hiermeewordt beoogd te komen tot een duidelijk norm die zowel voor deondernemer als de overheid uitvoerbaar is en onnodige complexiteitwordt voorkomen. Tegelijkertijd is het kabinet het met de SGP-fractie eensdat binnen een sector als de melkveesector er een ruimte diversiteitbestaat aan verschillende bedrijfstypen. In de verdere uitwerking van desystematiek zullen keuzes gemaakt moeten worden in welke mate binnenhet kader van de generieke norm op bedrijfsniveau verdere flexibiliteit ofdifferentiatie mogelijk gemaakt wordt.De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat voor eventueleinvoering van bedrijfsemissienormen een tijdpad van tien tot vijftien jaarrealistisch is. Deelt de Minister de analyse dat een dergelijke normeringop korte termijn niet zal helpen om Nederland van het stikstofslot tekrijgen?AntwoordOmdat de stap naar afrekenbare emissienormen voor stikstof en klimaattechnisch complex is, zal deze via een stapsgewijs en zorgvuldigimplementatieproces moeten worden ingevoerd richting afrekenbaarheidin 2035. Dit betekent echter niet dat er in de tussenliggende jaren niksgebeurt: in aanloop naar afrekenbaarheid in 2035, zal ook informerend enstimulerend instrumentarium worden ingezet om te sturen opemissiereductie.Daarbij geldt ook dat de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof enklimaat onderdeel zijn van de bredere samenhangende aanpak waaraanwordt gewerkt via de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.Met die brede aanpak waar bedrijfsspecifieke emissienormen eenonderdeel van zijn wordt beoogd invulling te geven aan landelijkestikstofdoelstelling in 2035 en het stapsgewijs op gang brengen vanvergunningsverlening.De leden van de SGP-fractie horen graag wat voor het kabinet derandvoorwaarden zijn voor eventuele invoering van bedrijfsspecifiekeemissienormen voor ammoniak en broeikasgassen.AntwoordRandvoorwaardelijk aan de invoering van bedrijfsspecifieke emissie-normen voor stikstof en klimaat is dat er een voldoende robuust systeemis waarmee doelsturing kan worden geïmplementeerd en dat ervoldoende handelingsperspectief voor de ondernemer is om te kunnenvoldoen aan die normen. Voor de operationalisering van doelsturingzullen de komende jaren nog verschillende keuzes gemaakt moetenworden, variërend van juridische borging tot aspecten voor de ontwik-keling van het systeem zoals monitoring en beschikbaarheid van data vande juiste kwaliteit. Ook vindt het kabinet het belangrijk dat ondernemersinzicht kunnen krijgen in waar zij staan ten opzichte van de norm en dat zijbetrouwbaar kunnen aantonen dat zij aan de normen voldoen. Voor hetvaststellen van emissies op bedrijfsniveau zijn verschillende methodesmogelijk, variërend van eenvoudigere rekenmethodes tot een gedetail-leerde rekenmethode of (continu) meten.De leden van de SGP-fractie maken zich zorgen over de dataverzamelingin het kader van doelsturing in relatie tot de Woo. In hoeverre zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21529 bedrijfsdata die opgeslagen zijn bij private partijen, maar wel relevant zijnin het kader van het behalen van overheidsdoelen, milieu-informatie dieopgevraagd kan en verstrekt moet worden in het kader van de Woo? Opwelke wijze kan dit worden voorkomen, zo vragen deze leden. Lopen ertrajecten om de Woo aan te passen om ondernemers beter te beschermentegen de ongewenste effecten van de openbaarheid. Zo ja, welke enwanneer?AntwoordIn lijn met de antwoorden op eerdere vragen van de leden van de fractievan JA-21 en BBB is het van belang dat besluiten in het kader vandoelsturing zorgvuldig worden voorbereid en dragend worden gemoti-veerd. Er moet nog bepaald worden welke gegevens daarvoor nodig zijn.Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en debescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen degeldende kaders.Als dergelijke gegevens bij de overheid berusten en er wordt een verzoekgedaan tot openbaarmaking, is het van belang om welke gegevensverzocht wordt. Als bedrijfsgegevens ook als milieu-informatie aan temerken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt tussen het belangvan openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om debedrijfsgegevens niet openbaar te maken. Bij deze belangenafwegingstaat openbaarmaking van de gegevens voorop. Er kan alleen vanopenbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezienwanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmakingdaadwerkelijk en ernstige schade toebrengt aan het bedrijfsbelang18.Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiege-gevens geen uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevensmoeten dan ook altijd openbaar worden gemaakt als daartoe een verzoekwordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijkelevenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn19.Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de Europesemilieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG).Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaar-making van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking vaninformatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarischeondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillendebelangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die ondermeer de Woo biedt. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatievan de Woo en bij de vormgeving van doelsturing. Tevens werk ik met deMinister van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de socialeveiligheid van agrarisch ondernemers20.Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaar-making bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing overdoelsturing21.18Zie o.a. ABRvS 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3490 en ABRvS 25 februari 2026,ECLI:NL:RVS:2026:107519Advies van de Autoriteit Persoonsgegevens van 28 oktober 2025. Zie in dit verband ook deuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 september 2025,ECLI:NL:RVS:2025:4557.20Kamerstukken II 2025/26, 32 802, nr. 140.21Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 1724Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21530 De leden van de SGP-fractie horen graag op welke wijze de Ministerdoelsturing wil verwerken in het 8e AP.AntwoordZie ook het antwoord op een eerdere vraag hierover van de leden van deVVD-fractie. Keuzes over de inrichting van doelsturing op waterkwaliteitbezie ik in samenhang met de maatregelen in het nog op te stellen 8eactieprogramma Nitraatrichtlijn. Zoals toegezegd, zal ik de Kamerperiodiek blijven informeren over de voortgang van het 8e actiepro-gramma Nitraatrichtlijn waarbij ook de ontwikkelingen rondomdoelsturing op waterkwaliteit worden meegenomen.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorhet schriftelijk overleg over doelsturing en hebben hier nog enkele vragenover.De leden van de PvdD-fractie constateren dat de invoering van norme-rende vormen van doelsturing een lange tijd kan duren (Ros e.a., 2 april2026, «Position paper doelsturing», (https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/commissievergaderingen/details?id=2025A03989).Deze leden vragen de Minister om te reflecteren over hoe dit tijdpad zichverhoudt tot de nodige veranderingen in de landbouw die niet zo langkunnen wachten.AntwoordGegeven de benodigde systeemwijziging, zal doelsturing de komendejaren via een stapsgewijs en zorgvuldig implementatieproces wordeningevoerd. Dit betekent echter niet dat er de komende jaren niks gebeurt.Na bekendmaking van de normen voor stikstof en klimaat zal zo snelmogelijk worden aangevangen met het informeren van ondernemerswaar zijn staan ten opzichte van de norm, en het stimuleren van hetnemen van emissie-reducerende maatregelen richting het toewerken naarhet moment waarop de emissiereductie gerealiseerd moet zijn, deafrekenbare emissienormen voor 2035. Tegelijkertijd zal doelsturing alleenniet voldoende zijn om de gestelde landelijke emissiereductiedoelen terealiseren.De leden van de PvdD-fractie vragen verder wat de concrete doelen zullenzijn waarop gestuurd zal worden middels doelsturing. Op welke manierwordt de daadwerkelijke staat van de natuur hierin meegenomen? Dezeleden vragen of de Minister kan toelichten welke concrete normering enmonitoringmechanismen het kabinet gaat instellen en op welke termijn ditjuridisch bindend zal zijn. Hoe wordt er voorkomen dat doelsturing in depraktijk te veel op vrijwillige basis zal blijven en daarmee onvoldoende ofmoeilijk meetbaar zal bijdragen aan het halen van wettelijke doelen?AntwoordHet uitgangspunt van het kabinet is dat de emissienormen voor stikstof enklimaat in 2035 afrekenbaar zullen worden op bedrijfsniveau. Hiermeekennen deze emissienormen geen vrijblijvend karakter en zal een sanctievolgen wanneer hier niet aan wordt voldaan. Bij het stellen van de hoogtede normen zal rekening gehouden worden met de technische reductiepo-tentie die er is om emissies te reduceren. Dit betekent dat om opgebiedsniveau de benodigde doelen te realiseren ook aanvullendgebiedsgericht beleid nodig zal zijn (bijvoorbeeld via zoneringsaanpak)alsmede maatregelen gericht op het verkleinen van de productiecapaciteitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21531 (afroming, vrijwillige beëindiging). De komende periode werkt het kabinetin het kader van Pijler 1 van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuuren Stikstof aan de beleidsmatige invulling van de systematiek vanemissienormen. De Kamer wordt daar naar verwachting voor de zomerover geïnformeerd.De leden van de PvdD-fractie willen verder aandacht vragen voor dewettelijke uitspraken uit het Greenpeace-vonnis over stikstofreductie in2030 (ECLI:NL:RBDHA:2025:578). Deze leden vragen of de Minister kantoelichten hoe de voorgestelde doelsturingssystematiek concreetbijdraagt aan het behalen van de resterende reductieopgave in 2030. Achtde Minister doelsturing voldoende snel en effectief om de wettelijkeverplichtingen te halen?AntwoordMet afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaatwordt ingezet op het realiseren van een substantiële en geborgdeemissiereductie, via onder meer het nemen van managementmaatregelenen doorvoeren van stalaanpassingen. Daarbij geldt dat niet de geheleopgave met deze normen kan worden ingevuld en dat het invoeren vanafrekenbaarheid op bedrijfsniveau in 2030 nog niet uitvoerbaar is. Doorechter nu wel helderheid te bieden over waar een bedrijf in 2035 aan moetvoldoen, ontstaat een prikkel voor bedrijven om in beweging te komen enemissies te reduceren. Daarnaast zet het kabinet ook in op andere sporenom te komen tot een ambitieuze aanpak waarmee een maximale reductievan depositie wordt gerealiseerd in de meest urgente gebieden. Landelijkwordt gestuurd op het geborgd realiseren van een emissiereductie van42–46% voor de landbouw in 2035.Ook wijzen de leden van de PvdD-fractie op de zorgen die gedeeld werdendoor onder andere WUR en Caring Farmers tijdens het rondetafelgesprekmet betrekking tot de administratieve lasten en transactiekosten diegepaard gaan met doelsturing. Deze leden vragen of de Minister kanaangeven hoe voorkomen wordt dat doelsturing leidt tot een kostbaarcontroleapparaat, terwijl we allang weten welke maatregelen nodig zijn,zoals een forse krimp van het aantal dieren in de veehouderij en deomslag naar een landbouwsysteem in balans met de natuur. Zij vragen ofde Minister het ermee eens is dat technologische innovatie onvoldoendekan bijdragen aan het halen van de stikstofdoelen, de druk op landgebruikte verlichten, positief kan bijdragen aan biodiversiteit en de omslag naareen dierwaardige veehouderij. Zo ja, hoe zal dit worden meegenomen inhet beleid?AntwoordDe omslag naar doelsturing is erop gericht om ondernemers zoveelmogelijk zelf te laten bepalen hoe doelen worden gehaald. Dat zal perondernemer verschillen. Het toepassen van technologische innovatiehoort daar ook bij. Bij het bepalen van het beleid wordt meegenomen hoemaatregelen uitpakken op verschillende doelen en wordt afwentelingzoveel mogelijk voorkomen.De leden van de PvdD-fractie vragen tevens hoe de Minister gaatwaarborgen dat doelsturing er niet toe leidt dat veehouders volop gaaninvesteren in bepaalde technieken die in het gunstige geval maar éénprobleem voortkomend uit het huidige landbouwsysteem oplossen. Alsvoorbeeld wijzen deze leden op koeientoiletten, waarbij koeien in de stalmoeten staan en ze door een robot worden geforceerd te urineren in eenpotje. Is de Minister het ermee eens dat dergelijke technieken geenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21532 integrale oplossing bieden voor de uitdagingen in de landbouw, zoals detransitie naar een dierwaardige veehouderij uiterlijk in 2040? Hoe gaat deMinister garanderen dat boeren niet nu volop gaan investeren indergelijke technieken, zodat er iets minder uitstoot is, maar zonder dat deproblemen integraal worden opgelost?AntwoordZoals ook is aangegeven bij het vorige antwoord zullen voor verschillendeboeren verschillende maatregelen voor de hand liggen om tot doelbereikte komen. Ik ben het met de leden van de PvdD-fractie eens dat hetbelangrijk is om integraal te kijken naar ondernemers, op het erf komtimmers alles samen. Bij de voorbereiding van beleid wordt goed gekekennaar effecten van maatregelen op verschillende doelen en wordenmeekoppelkansen zoveel mogelijk benut.De leden van de PvdD-fractie vragen ook aandacht voor koplopers in delandbouw, diverse boeren die juist bewuste keuzes maken om bij tedragen aan een duurzame landbouwtransitie. Zij hebben aangegeven datze door doelsturing juist tegen obstakels aanlopen omdat regelgeving isingericht op de intensieve landbouw. Is dit probleem bij de Ministerbekend? Wat gaat hij hieraan doen?AntwoordIk ben het met de leden van de fractie van de PvdD eens dat er rekeninggehouden moet worden met de prestaties die koplopers al geleverdhebben. Voor verschillende opgaven werkt het kabinet aan het duidelijkmaken van kaders, o.a. via bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstofen klimaat voor de veehouderij. Stikstof en klimaat zijn niet de enigeopgaven die om inspanningen vragen. Daarom heeft het kabinet in deuitwerking ook oog voor de interactie met andere opgaven en de stelselsdie daar op sturen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om waterkwaliteit endierwaardige veehouderij. Bij het maken van beleid wordt daarnaast heteffect daarvan op verschillende typen bedrijven en op koplopersmeegewogen.De leden van de PvdD-fractie vragen tot slot hoe het kabinet gaatvoorkomen dat doelsturing een langdurig beleidsproces zal worden datnoodzakelijke keuzes en maatregelen verder vooruit gaat schuiven.AntwoordBinnen pijler 1 (generieke emissiereductie) van de Ministeriële TaskforceLandbouw, Natuur en Stikstof werkt dit kabinet aan bedrijfsspecifiekeemissienormen voor stikstof en klimaat. Met deze normen krijgenagrarisch ondernemers duidelijkheid over waar ze in de toekomst aanzullen moeten voldoen en kunnen ze hun vakmanschap toepassen om denormen in te vullen. Deze normen zijn niet vrijblijvend. Ze zullen behaaldmoeten worden in 2035 en krijgen dan een afrekenbaar karakter. Omondernemers te ondersteunen in het toewerken naar de emissienormen,werkt het kabinet binnen pijler 5 van deze taskforce ook aan informerendeen stimulerende maatregelen.Na bekendmaking van de normen voor stikstof en klimaat zal zo snelmogelijk worden aangevangen met het informeren van ondernemerswaar zijn staan ten opzichte van de norm, en het stimuleren van hetnemen emissie-reducerende maatregelen. Parallel wordt verdereuitwerking gegeven aan de operationalisering van de systematiek. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21533 kabinet verwacht voor de zomer de Kamer te informeren over debeleidsmatige invulling van de emissienormen en het ondersteunendbeleid.In lijn met mijn eerdere antwoord op een vraag vanuit de VVD fractie werkik als onderdeel van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn aandoelsturing op waterkwaliteit. Conform de motie Grinwis is het mijn inzetom in het najaar te kunnen starten met N-mineraalmetingen. Keuzes overde inrichting van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik in samenhang metde maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraat-richtlijn.Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractieDe leden van de CU-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de onderliggende stukken en maken graag van de gelegenheidgebruik om nog wat vragen aan de het kabinet te stellen. Deze ledenonderschrijven het belang van het overschakelen op doelsturing, maarzijn daarbij waakzaam op een effectieve en uitvoerbare uitwerking.Doelsturing moet boerenondernemers prikkelen en belonen op hunvakmanschap, zodat er veel minder nadruk komt te liggen op de voorvelen frustrerende middelsturing. Tegelijk waken deze leden voor te veeloptimisme, alsof elk middelvoorschrift ten grave gedragen kan worden.Bij alle positieve gevoelens die deze leden koesteren voor doelsturing,hebben zij ook scherp voor ogen dat een managementtool nog niethetzelfde is als een te handhaven instrument. Hoe ziet de Minister dezeverhoudingen, tussen doel- en middelsturing en tussen management enhandhaving?AntwoordDoelsturing kent verschillende toepassingsvormen (informeren, stimu-leren, verantwoorden, beprijzen, afrekenen). Afhankelijk van de toepas-singsvorm zijn de eisen aan borgbaarheid en handhaafbaarheidverschillend. De handhaafbaarheid van sommige managementmaatre-gelen is inderdaad lastig in vergelijking met bijvoorbeeld de inzet vantechnische maatregelen. Ik ben het daarom met de leden van deCU-fractie eens dat het heel duidelijk moet zijn hoe gehandhaafd kanworden voordat doelsturing afrekenbaar wordt en daarna eventueelmiddelsturing kan vervangen.De leden van de CU-fractie merken op dat zij nog niet zijn geïnformeerdover de visie en voortgang van het nieuwe kabinet op het gebied vandoelsturing. Deze leden zijn erg benieuwd naar de uitwerking hiervan.Immers, door de ambtsvoorganger van de huidige Minister van LVVN isbij herhaling een doelsturingswet aangekondigd. Hoe staat het daarmee,wat houdt deze in en wanneer komt deze naar de Kamer? Kan de Ministerrapporteren over de voortgang van het uitwerken van doelsturing? Dezeleden zouden graag een indicatief tijdpad krijgen voor de invoering vandoelsturing. Ook vragen zij om een plan van aanpak waarin wordtgespecificeerd welke stappen worden genomen alvorens er wordtovergegaan op het invoeren van doelsturing. Hoe wordt het een stelseldat uitvoerbaar is in de praktijk? Welke rol kan met het oog op dehandhaafbaarheid en controle een «groene accountant» daarbij spelen?Deze leden zijn tevens benieuwd hoe de diverse moties-Grinwis c.s.(Kamerstuk 33 037, nr. 634) (Kamerstuk 28 973, nr. 273) inzake doelsturingdaarin worden meegenomen en uitgevoerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21534 AntwoordEr is geen sprake van één doelsturingswet. Doelsturing krijgt vorm inverschillende beleidstrajecten. Het kabinet verwacht voor de zomer deKamer te informeren over de beleidsmatige invulling van de bedrijfsspeci-fieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Daarna zal ook verdereuitwerking worden gegeven aan de vastlegging van emissienormen inwet- en regelgeving. Ook zijn er dan nog diverse stappen te zetten in deoperationalisering van de systematiek, variërend van juridische borgingen de invulling van toezicht en handhaving, tot aspecten voor deontwikkeling van het doelsturingssysteem zoals monitoring en beschik-baarheid van data van de juiste kwaliteit. In de verdere uitwerking spreekik ook met diverse sectorpartijen over de invulling van de systematiek,conform moties Grinwis22.In lijn met mijn eerdere antwoord op een vraag vanuit de VVD fractie werkik als onderdeel van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn aandoelsturing op waterkwaliteit. Conform de motie Grinwis is het mijn inzetom in het najaar te kunnen starten met N-mineraalmetingen. Keuzes overde inrichting van doelsturing op waterkwaliteit bezie ik in samenhang metde maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraat-richtlijn.De leden van de CU-fractie zien verschillende randvoorwaarden omdoelsturing op een effectieve en efficiënte wijze uit te werken. Hoe borgtde Minister dat de doelen onderbouwd en realistisch zijn? Hoe biedt deMinister voldoende handelingsperspectief aan boeren om de milieu-normen daadwerkelijk te kunnen realiseren? Hoe ziet de Minister daarbijde wisselwerking tussen een individueel bedrijf en een gebied? Is deMinister voornemens tot een emissieruimte per gebied te komen, eengebiedsplafond, in lijn met het rapport «De stikstofcrisis: van verwarringnaar verbinding»? Ziet de Minister daarbij een route voor zich waarbijemissienormen in de tijd steeds scherper worden, zodat er enerzijds tijd isom toe te werken naar een lagere uitstoot en er anderzijds ruimte blijftvoor nieuwe ontwikkelingen in een gebied? En hoe ziet de Minister derelatie tussen doelsturing en vergunningverlening?AntwoordVoor het kabinet is het van belang dat met bedrijfsspecifieke emissie-normen voor stikstof en klimaat duidelijkheid wordt geboden aan welkevereisten ondernemers in de toekomst moeten voldoen. Hierdoor wordenzij in staat gesteld om overwogen keuzes te maken over verdere ontwik-keling van hun bedrijf en om aan de slag te gaan met emissiereductie. Bijhet bepalen van de hoogte van de normen wordt hierbij gekeken naar detechnisch reductiepotentie die er is om emissies te reduceren. Hiermeewordt beoogd om te komen tot ambitieuze en duidelijke doelen die in depraktijk realiseerbaar zijn voor ondernemers.Bedrijfsspecifieke emissienormen realiseren een generieke verlaging vanemissies in de stikstofdeken. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aanhet op gang brengen van vergunningsverlening, maar om dit te realiserenzullen tegelijkertijd ook aanvullende inspanningen nodig zijn. Alsonderdeel van de aanpak zet het kabinet daarom ook in op gebiedsgerichtbeleid, bijvoorbeeld in zones rondom N2000-gebieden en prioritairegebieden. Via gebiedsprocessen zal per gebied gekeken moeten wordenwat nodig is om op termijn vergunningsverlening weer op gang tebrengen. De verdere uitwerking van doelsturing en het gebiedsgerichte22Kamerstuk 28 973, nr. 273Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21535 beleid vindt plaats in de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur enStikstof waarover de Kamer voor de zomer wordt geïnformeerd.De leden van de CU-fractie lezen in ieder geval in het coalitieakkoord dater gebiedsspecifieke doelen worden vastgelegd, waarna waar mogelijk ditwordt uitgesplitst per bedrijf. In hoeverre komt er daarbij ruimte dat bijbedrijf A op doel X een extra inspanning levert en bedrijf B op doel Y endat ze dat kunnen «poolen» op regionaal niveau? Hoe beziet hij het risicodat verschillen in provinciaal beleid de verschillen tussen agrarischebedrijven vergroten? Met andere woorden: hoe wil de Minister een gelijkspeelveld borgen?AntwoordOm een gelijk speelveld te borgen richt het kabinet zich op een landelijkebedrijfsspecifieke emissienorm voor stikstof en klimaat als onderdeel vande generieke pijler van de aanpak. Hiermee wordt beoogd te komen toteen duidelijk norm die zowel voor de ondernemer als de overheiduitvoerbaar is. In de verdere uitwerking van de systematiek zullen keuzesgemaakt moeten worden in welke mate binnen het kader van dezegenerieke norm verdere flexibiliteit of differentiatie mogelijk gemaaktwordt.De leden van de CU-fractie achten het van groot belang dat er op langetermijn perspectief wordt geboden voor agrarische ondernemers en denatuur. Is de Minister bereid een meerjarenprogramma vast te stellenomtrent doelsturing, waarin vooraf duidelijkheid wordt geboden over eentijdspad naar implementatie, de juridische borging en consequenties,wijze van borging/monitoring en de Ontwikkeling van de ASB?AntwoordIk ben het eens met de leden van de CU-fractie dat het van belang is omperspectief voor de langere termijn te bieden aan agrarisch ondernemersen de natuur. Hier werkt het kabinet aan in het kader van de MinisteriëleTaskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Doelsturing via bedrijfsspecifiekeemissienormen voor stikstof en klimaat is onderdeel van deze aanpak. Nabekendmaking van de normen zal zo snel mogelijk worden aangevangenmet het informeren van ondernemers waar zijn staan ten opzichte van denorm, en het stimuleren van het nemen emissie-reducerende maatre-gelen. Parallel wordt verdere uitwerking gegeven aan de operationali-sering van de systematiek waarin inderdaad nog keuzes gemaakt moetenworden over onder meer de borging/monitoring en juridische borging.Het kabinet verwacht voor de zomer de Kamer te informeren over debeleidsmatige invulling van de emissienormen en zal hierbij ook ophoofdlijnen het implementatiepad schetsen.In de uitwerking van een ingroeipad voor doelsturing op waterkwaliteitneem ik ook het toekomstperspectief van de landbouw mee. Daarbij bezieik de uitwerking van doelsturing op waterkwaliteit in nauwe samenhangmet de maatregelen in het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraat-richtlijn. Ik zal de Kamer hier op een later moment over informeren.De leden van de CU-fractie zijn waakzaam op veel extra administratievelasten voor agrarische ondernemers. Hoe zorgt de Minister ervoor dat hetuitgangspunt om administratieve lasten te minimaliseren wordt meege-nomen in de uitwerking van doelsturing? Deze leden beseffen datdoelsturing meer vergt van het vakmanschap van agrariërs dan middel-sturing, maar zij beseffen ook het belang van eenvoud en uitvoerbaarheidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21536 op het boerenerf. Hoe wil de Minister deze verschillende noties bij elkaarbrengen en daar recht aan doen?AntwoordIn lijn met de beantwoording op de vragen van de fracties van D66, VVD,PVV en BBB adviseert het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) deoverheid over het voorkomen van onnodige regeldruk. Dit gebeurt zovroeg mogelijk in het proces van wet- en regelgeving.Of invoering van de doelsturingssystematiek gaat leiden tot extraadministratieve lasten en een grotere complexiteit is nu nog niet tezeggen en hangt bijvoorbeeld ook af van de mate van en het tempowaarin er in wordt geslaagd om middelsturing deels af te bouwen.Administratieve lasten voor ondernemer worden weergegeven in hetonderdeel lastendruk in de toelichting bij regelgeving. In dat onderdeellastendruk wordt aangegeven wat de gevolgen zijn voor de lasten vanondernemers na invoering van nieuwe regelgeving.De leden van de CU-fractie vragen hoe de Minister doelsturing ziet inrelatie met de andere sporen in de stikstofaanpak, namelijk landelijkegenerieke maatregelen en gebiedsspecifiek beleid. Daarnaast zijn dezeleden benieuwd naar de keuze voor de indicator voor ammoniak (onderandere: ammoniak per dier of per dierrecht/fosfaatrecht; ammoniak perhectare; ammoniak uitstal versus ammoniak voor veldemissies). Hoeverhoudt dit zich tot het concept van grondgebondenheid, waartoe ook inhet coalitieakkoord een voorzet wordt gedaan?AntwoordVia de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat kan eensubstantiële emissiereductie worden gerealiseerd op het bedrijfsniveau.Er ligt een aanzienlijke technische potentie via nemen van management-en stalmaatregelen. Tegelijkertijd zal dit niet voldoende zijn om degestelde landelijke emissiereductiedoelen te realiseren. Daarom zet hetkabinet ook in op aanvullend gebiedsgericht beleid en maatregelengericht op het verkleinen van de productiecapaciteit, onder meer viaafroming bij verhandeling, extensivering of vrijwillige beëindiging. Desamenhang tussen deze sporen is onderdeel van de uitwerking diemomenteel plaats vindt binnen de Ministeriële Taskforce Landbouw,Natuur en Stikstof en waar de Kamer voor de zomer over wordt geïnfor-meerd. Hierbij wordt binnen Pijler 1 ook gekeken naar de beleidsmatigeinvulling van de emissienormen en de samenhang met grondgebon-denheid.De leden van de CU-fractie vragen wanneer de Minister verwacht hetvernieuwde 8e AP te kunnen presenteren? Deze leden benadrukken hetbelang van het sturen op waterkwaliteit door middel van doelsturing. Zijzien nu dat niet in alle regio’s de waterkwaliteitsdoelen worden gehaald.Zij vinden doelsturing op basis van milieunormen een effectieve methodeom de waterkwaliteit te verbeteren, maar ook om ruimte te geven aanboeren en telers. Zij hebben hierover verschillende vragen aan deMinister. Op welke wijze geeft de regering concreet uitvoering aan deaangenomen motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 33 037, nr. 634)? Welkestappen zijn gezet om metingen op het N-mineraal residu mogelijk temaken dit najaar? Is er een passende vergoeding vanuit de overheid omdeze metingen mogelijk te maken? Gaat het behalen van goedeN-mineraal residu scores concreet leiden tot vrijstellingen of uitzonde-ringen op generieke mestmaatregelen? Let de Minister er daarbij op datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21537 een bepaalde interpretatie van de Kaderrichtlijn Water toepassing vandoelsturing in de praktijk niet onmogelijk maakt? Daar hebben deze ledennamelijk al enige tijd zorgen over, wat ook één van de redenen is dat dit zoexpliciet staat verwoord in de reeds genoemde motie.AntwoordIn lijn met de beantwoording van de eerdere vragen van de leden van defractie van de VVD werk ik als onderdeel van het 8e actieprogrammaNitraatrichtlijn aan doelsturing op waterkwaliteit. Zoals toegezegd, zal ikuw Kamer op een later moment informeren over de voortgang van het 8eactieprogramma NitraatrichtlijnConform de motie Grinwis zet ik in om in het najaar van 2026 te kunnenstarten met N-mineraalmetingen. Om in het najaar van 2026 te kunnenstarten met het meten is in opdracht van LVVN een meetprotocol voor hetmeten van N-mineraal (een indicator voor de nitraatuitspoeling naar hetgrondwater) ontwikkeld door Wageningen University & Research.Daarnaast laat ik ten behoeve van de borging van de systematiekstreefwaarden en beoordelingsprotocol opstellen. Ook wordt er gewerktaan het verstrekken van een subsidie voor het uitvoeren van dezeN-mineraalmetingen. Keuzes over de inrichting van doelsturing opwaterkwaliteit bezie ik in samenhang met de maatregelen in het nog op testellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.De leden van de CU-fractie vragen te slotte of de Minister kan ingaan opde Woo-zorgen inzake doelsturing en hoe deze zijn te mitigeren.AntwoordIn lijn met de beantwoording van de eerdere vragen van de leden van defracties van JA-21, BBB en SGP is het van belang dat besluiten in hetkader van doelsturing zorgvuldig worden voorbereid en dragend wordengemotiveerd. Er moet nog bepaald worden welke gegevens daarvoornodig zijn. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen vanopenbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevensafwegen binnen de geldende kaders.Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaar-making van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking vaninformatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarischeondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillendebelangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die ondermeer de Woo biedt. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatievan de Woo en bij de vormgeving van doelsturing. Tevens werk ik met deMinister van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de socialeveiligheid van agrarisch ondernemers23.Ik verwijs u tevens naar de antwoorden op Kamervragen over openbaar-making bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing overdoelsturing24.Vragen en opmerkingen van de leden van Groep MarkuszowerDe leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de agendavan het schriftelijk overleg Doelsturing en hebben hierover nog enkelevragen en opmerkingen.23Kamerstukken II 2025/26, 32 802, nr. 140.24Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 1724Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21538 De leden van Groep Markuszower constateren dat de haalbaarheid vandoelsturing nog steeds onzeker is. Wanneer doelsturing wordt ingevoerd,ontstaat er een groot risico voor de agrarische sector. Wat zijn deconsequenties wanneer doelen niet gehaald worden terwijl dat buiten deinvloedssfeer van ondernemers ligt? Agrarische ondernemers hebbendaar geen invloed op, maar worden in een systeem van doelsturingmogelijk wel afgerekend. Immers, er wordt afgerekend op de uiteindelijkeuitkomst, niet op de inspanningen. Op welke manier houdt de Ministerhier rekening mee?AntwoordDe omslag naar afrekenbare doelsturing is een complexe systeemwij-ziging en vergt zorgvuldigheid. Daarom wordt doelsturing in verschillendesectoren en voor verschillende opgaven met verschillende toepassings-vormen van doelsturing stapsgewijs ingevoerd. Hierbij wordt rekeninggehouden met wat beleidsbeslissingen betekenen voor ondernemers enwat voor hen technisch haalbaar is. Het uitgangspunt bij doelsturing is datindicatoren om de prestaties van de boer te beoordelen zo wordengekozen dat deze de inspanningen van de boer weergeven.De leden van Groep Markuszower staan niet achter onomkeerbaremaatregelen waarvan de effectiviteit niet is bewezen. Maatregelen moetenaantoonbaar werken voordat ze structureel worden ingevoerd.AntwoordIk ben het met de leden van Groep Markuszower eens dat maatregelenaantoonbaar moeten werken voordat ze structureel worden ingevoerd.De leden van Groep Markuszower vragen hoe de Minister rekening houdtmet de veiligheid op het boerenerf in verband met Woo-verzoeken. Is deMinister bereid om de conclusies van het lopende onderzoek naar desociale veiligheid van agrarische ondernemers mee te nemen in zowel dereikwijdte van Woo-verzoeken op doelsturing alsmede op de uitwerkingvan doelsturing in het algemeen?AntwoordIk realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaar-making van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking vaninformatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarischeondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillendebelangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die ondermeer de Woo biedt. Dit zal inderdaad ook worden meegenomen in dewetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving van doelsturing.Conclusies van het lopende onderzoek naar de sociale veiligheid vanagrarische ondernemers, dat ik met de Minister van Justitie en Veiligheiduitvoer zal ik betrekken bij de uitwerking van doelsturing25.De leden van Groep Markuszower constateren dat vergunningverleningeen wezenlijk onderdeel is van mogelijke doelsturing. Hoe ziet de Ministerde vergunningverlening voor zich in relatie tot de maatregelen die voordoelsturing nodig zijn? Welke specifieke plannen zijn er om de capaciteitvan vergunningverlening op orde te brengen, onder andere bij deprovincies?25Kamerstukken II 2025/26, 32 802, nr. 140.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21539 AntwoordDoelvoorschriftenvergunningen bieden de mogelijkheid vergunningenniet te baseren op specifieke emissiearme stalsystemen en techniekenzoals opgenomen in bijlage V en VI van de Omgevingsregeling, maar opbasis van een doel, zoals een emissieplafond voor de emissie vanammoniak uit een stal. Zoals in het antwoord op een eerdere vraag van deCDA-fractie is weergegeven, wordt hier nu kennis en ervaring metvergunningen op basis van doelvoorschriften opgedaan ten aanzien vanmilieu- en natuurvergunningen voor stallen. Bij het opstellen van dezevergunningen is toezicht en handhaving van het bevoegd gezag ookbetrokken geweest.Voldoende capaciteit bij bevoegde gezagen voor het afgeven vanvergunningen is primair de verantwoordelijkheid van de desbetreffendebevoegde gezagen. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werktsamen met onder andere IPO en VNG aan robuuste omgevingsdienstenzodat zij toegerust zijn om in het algemeen hun Vergunning, Toezicht enHandhavings-taken goed uit te voeren. Onderdeel van dit traject is hetvoldoen aan de eerder vastgestelde kwaliteitseisen, waar het hebben vanvoldoende opgeleid personeel in eigen dienstonderdeel van uitmaakt. Ineen bestuurlijke afspraak tussen Ministeries van Infrastructuur enWaterstaat, Ministerie Justitie en Veiligheid, het Interprovinciaal Overleg,Vereniging Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen enOmgevingsdienst NL is vastgelegd dat de omgevingsdiensten op 1 april2026 robuust dienen te zijn26. Naar verwachting ontvangt de TweedeKamer in oktober dit jaar de eindbeoordeling van de monitoring metspecifieke informatie per dienst27.26Stcrt. 2025, nr. 548827Zie ook Kamerstuk 22 343 en 28 663, nr. 431 van 23 september 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 252, nr. 21540

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 0577d2e29990e5c4

14 okt 2026 · b141a24d0e4a878a

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.