Reactie op verzoek van het lid De Graaf over gevolgen van windturbines voor gezondheid, economie en landschap
Brontekst
Versie 58ffedb06ac6e699 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2012–2013 33 612Structuurvisie Windenergie op land Nr. 19 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 19 juni 2013 Naar aanleiding van een uitzending van «Een Vandaag» op 20 mei 2013 heeft het Lid De Graaf (PVV) op 21 mei j.l. steun van uw Kamer gekregen voor zijn verzoek om een brief waarin ik inga op drie vragen over de gevolgen van windturbines. Deze brief stuur ik u als vervolg op mijn antwoorden (d.d. 30 mei 2013) op 113 schriftelijke feitelijke vragen die uw Kamer mij heeft gesteld over de ontwerpStructuurvisie Windenergie op land (Kamerstuk 33 612, nr. 4). Daarom zal ik in deze brief enkele malen naar die antwoorden verwijzen. Gevolgen voor volksgezondheid De in genoemd televisieprogramma gepresenteerde mening dat windtur-bines per definitie schadelijk zijn voor de gezondheid, vooral als gevolg van hinder door geluid en slagschaduw, onderschrijf ik niet. De in het Activiteitenbesluit vastgelegde normen voor geluid en slagschaduw van windturbines zijn zodanig gekozen dat wel een bepaalde mate van hinder zal worden ondervonden, maar dat grootschalige gezondheidsgevolgen niet optreden. In het antwoord op schriftelijke vragen 54 en 49 (en aanvullend in antwoord op vragen 52 en 53) ga ik hierop meer uitvoerig in. In aanvulling hierop erken ik, dat er inderdaad mensen zijn, die zodanig hinder ervaren van windturbines dat dit tot gezondheidsklachten kan leiden. Er is onvoldoende wetenschappelijk bewijs dat windturbines gezondheidsklachten veroorzaken, anders dan door hinder en slaapstoor-nissen. De normstelling is gebaseerd op dosis-effectrelaties bij grotere groepen mensen en is gericht op voorkoming van gezondheidsgevolgen. Het is niet zo dat bij alle mensen elke mate van hinder kan worden uitgesloten. Gezondheidsklachten worden in de praktijk echter zeer serieus genomen, onafhankelijk van de oorzaak. Het RIVM houdt daarom de ontwikkelingen op dit terrein nauwlettend in de gaten. kst-33612-19ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2013Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 612, nr. 191 Gevolgen voor (plaatselijke) economie, toerisme, waardedaling onroerend goed Op deze aspecten ga ik in bij de beantwoording van schriftelijke vragen 31, 35, 36 en 44. Deze antwoorden geven aan, dat er geen onderzoek bekend is waaruit een vast negatief verband blijkt tussen windturbines en veranderingen in economische activiteiten (waaronder de bedrijven in recreatie en toerisme) of de waardeontwikkeling van onroerend goed. Waar een negatief economisch effect van windturbines wordt geclaimd, spelen vaak meer ontwikkelingen in de streek mee. Naast de mogelijke komst of de fysieke aanwezigheid van windturbines kan ook een rol worden toegeschreven aan een lokaal gevoerd maatschappelijk debat over windenergie. Zulke effecten mogen daarom mijns inziens niet geheel aan de windtur-bines worden toegeschreven. Tenslotte heeft – waar het gaat om ruimtelijke ordening – het bevoegd gezag de wettelijke taak om bij een project tot plaatsing van windturbines de aan de orde zijnde belangen onderling te wegen. Gevolgen voor landschap Windturbines zijn groot en daardoor goed zichtbaar. Wat dit betekent voor de beleving van landschappen, is uitvoerig onderzocht in het Plan-MER voor de Structuurvisie Windenergie op land. In de ontwerpStructuurvisie zelf ga ik in de paragrafen 1.3, 2.1 en 2.3 in op de manier waarop de opgave, om 6.000 MW windenergie verantwoord te plaatsen in de Nederlandse landschappen, het beste kan worden vertaald in ruimtelijk beleid. Samenvattend is de ruimtelijke visie op deze plaatsingswijze: –Bundelen van turbines in grote parken en bundeling van deze parken in die delen van Nederland waar de grootschaligheid van het land-schap geschikt is voor het combineren met grootschalige windenergie. Door geschikte gebieden te gebruiken kunnen minder geschikte gebieden hun oorspronkelijke landschap behouden en blijft landschap-pelijke afwisseling in Nederland bestaan. –Plaatsing van windturbines in opstellingen die aansluiten bij de hoofdstructuren van grootschalige landschappen, waardoor de plaatsing consistent en inzichtelijk is. –In par. 2.3 wordt ten slotte nog ingegaan op specifieke kenmerken van de 11 geselecteerde grootschalige gebieden die bij de uitwerking van windenergieprojecten nog aandacht verdienen ten einde tot een afgewogen gebiedsspecifieke landschappelijke inpassing te komen. Het komt er dus op neer, dat in deze visie windturbines het landschap niet per definitie nadelig beïnvloeden, maar dat het wel nodig is om landschappen te selecteren voor plaatsing van windturbines die geschikt zijn om zich als energielandschap te ontwikkelen met behoud van de oorspronkelijke structuur. Achterliggende mening hierbij is, uiteraard, dat de meeste landschappen geen statisch historisch gegeven vormen, maar een afspiegeling zijn van de samenleving van vroeger, van nu en in de toekomst. De minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas GeesteranusTweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 612, nr. 192
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.