KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over de Conceptkerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid (Kamerstuk 31293-721)

14 jun 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 4041989e5bced8bb · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 293Primair OnderwijsNr. 734 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 14 juni 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Minister voor Primair en VoortgezetOnderwijs over de brief van 6 maart 2024 inzake de Conceptkerndoelenburgerschap en digitale geletterdheid (Kamerstuk 31 293, nr. 721).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 14 juni 2024.Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De fungerend voorzitter van de commissie,Michon-DerkzenAdjunct-griffier van de commissie,Huls kst-31293-734ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7341 1Hoe wordt er met deze doelen voor gezorgd dat kinderen digitalevaardigheden meekrijgen die hen voorbereiden op een wereld waarinkunstmatige intelligentie en digitalisering steeds meer een rol gaanspelen?De conceptkerndoelen geven aan wat leerlingen moeten kennen enkunnen om zich te ontwikkelen tot bekwame, actieve en verantwoordelijkeburgers in de digitale samenleving. Het onderwijs wordt hier door scholenen docenten vervolgens op ingericht. De kerndoelen schrijven voor datleerlingen de nodige praktische kennis en vaardigheden krijgen. En dat zecomplexe problemen leren (her)formuleren zodat digitale technologie kanbijdragen aan het oplossen hiervan. Ook leren ze hoe ze digitaleproducten kunnen ontwerpen. En leren zij kennismaken met de wissel-werking tussen digitale technologie, digitale media, mens en samen-leving.Bij het opstellen van de conceptkerndoelen digitale geletterdheid isgebruik gemaakt van een verscheidenheid aan bronnen, theorieën eninternationale curricula digitale geletterdheid en is er gekeken naar debestaande praktijk op scholen. Dit draagt eraan bij dat de kerndoelenleerlingen voorbereiden op een wereld waarin kunstmatige intelligentieen digitalisering een steeds grotere rol gaan spelen.2Hoe dragen deze doelen eraan bij dat kinderen van jongs af aan debedreigingen, maar ook de kansen zien van alles wat de online wereld tebieden heeft, aangezien het belangrijk is om kinderen weerbaar te makenen te emanciperen op dit vlak?Het ontwikkelen van een genuanceerde blik op de digitale wereld staatcentraal bij digitale geletterdheid. Kinderen leren niet alleen praktisch omte gaan met digitale middelen. Zo zorgt conceptkerndoel 3 in zowel hetprimair onderwijs (po) als het voortgezet onderwijs (vo) ervoor datkinderen veilig leren omgaan met digitale systemen, data en de privacyvan zichzelf en anderen1. Conceptkerndoelen 8 en 9 zien erop toe datleerlingen weloverwogen keuzes kunnen maken bij het gebruik vandigitale technologie en de media en dat leerlingen verkennen hoe digitaletechnologie, digitale media en de samenleving elkaar wederzijdsbeïnvloeden. Hierbij is ook aandacht voor de sociale impact en de invloeddie de online wereld kan hebben op de fysieke en mentale gezondheid.3Wat is de toegevoegde waarde om in de wet ook de leergebieden op tegaan nemen? In hoeverre heeft dit een mogelijk beperkend effect op dewendbaarheid en ruimte voor scholen bij de uitwerking van dekerndoelen?In de Wet op Primair Onderwijs (WPO) en de Wet op Voortgezet Onderwijs(WVO) worden net als nu geen leergebieden opgenomen. Vorig jaar heefteen wetsvoorstel voorgelegen voor internetconsultatie waarin wel werdvoorgesteld om ook de leergebieden in de wet te benoemen. Uit deconsultatie kwam naar voren dat dit geen toegevoegde waarde had eneventueel juist tot verwarring zou kunnen leiden. Dit wordt dus niet meermeegenomen in het wetsvoorstel waar momenteel aan gewerkt wordt. Indit wetsvoorstel wordt enkel nog de wettelijke grondslag gecreëerd voorhet vaststellen van kerndoelen voor burgerschap en digitale geletterdheid.Deze wettekst heeft geen beperkend effect op de ruimte voor scholen,omdat niet wordt voorgeschreven hoe scholen kerndoelen moetenbehandelen. Inhoudelijk verwante kerndoelen zoals burgerschap endigitale geletterdheid worden in de regelgeving (algemene maatregel vanbestuur) bij elkaar gepresenteerd, vanwege de inhoudelijke samenhang1Kerndoelenboekje burgerschap en digitale geletterdheid | SLOTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7342 tussen die kerndoelen, maar scholen behouden de ruimte om kerndoelente integreren of uit te werken in vakken.4Hoe wordt met de uitgebreidere kerndoelen burgerschap en digitalevaardigheden het risico van overladenheid beperkt?Het opleveren van conceptkerndoelen burgerschap en digitale gelet-terdheid zijn noodzakelijk om elke leerling goed voor te bereiden op desamenleving. Daar moet dus ruimte voor komen. Dat betekent dat er goednaar het geheel moet worden gekeken. De strategie om overladenheid tebeperken richt zijn dan ook niet op één of twee leergebieden, maar op hetgeheel van de bijstelling:•Concretere kerndoelen laten zien wat echt «moet» en dus ook welkeruimte er overblijft (wat «mag»). Nu is dat te vaag en behandelenleraren en methodemakers vaak te veel uit angst dingen te missen.•De tijd voor curriculummakers is begrensd met het zogeheten kaderontwerpruimte. Hierdoor wordt voorkomen dat elk vak het vel volledigvolschrijft en het curriculum te doen is voor leerlingen en leraren.•In de implementatie wordt zorg gedragen voor goede bij- en nascho-ling en goede verwerking in de methodes. Dit zodat leraren curricu-lumbewust aan de slag kunnen met keuzes in hun onderwijsaanbod.•Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) ontwikkelt leerlijnen diebeschrijven langs welke leerroute leerlingen bepaalde leerdoelenbereiken. Hierin worden voorbeelden gegeven die leraren houvastkunnen bieden in het ontwikkelen van lesmateriaal, om zo overladen-heid te beperken.•Alvorens de kerndoelen vast te stellen worden deze onder andere metleraren beproefd in de praktijk. Zo kan in de praktijk worden bezien inhoeverre deze uitvoerbaar zijn en kan er, indien toch sprake blijkt tezijn van overladenheid, gericht op geacteerd worden.5Hoe wordt geborgd dat deze nieuwe kerndoelen de werkdruk van lerarenniet vergroot?Zie hiervoor ook het vorige antwoord. Daarnaast geldt dat, hoewel het ophet eerste oog wellicht paradoxaal overkomt, een groter aantalkerndoelen dan waarvan nu sprake is, in de praktijk ook kan zorgen voorminder overladenheid, door méér focus aan te brengen op wat moet endaarmee minder werkdruk voor leraren. Dat komt doordat de kerndoelenrichtinggevender geformuleerd zijn. Als je als leraar niet precies weet water van jou en van je leerlingen verwacht wordt (en dus ook wat niet) kande neiging bestaan om zoveel mogelijk aan te bieden. Dat kan voorkomenworden met duidelijk afgebakende kerndoelen. Daar is wel uiteraard eengoede bij- en nascholing, beproevingsfase en implementatie voor nodig.6Op wat voor manier biedt de overheid steun aan leraren bij het implemen-teren van de nieuwe kerndoelen?Uiteraard is het van belang dat leraren voldoende steun ervaren bij hetimplementeren van de nieuwe kerndoelen. Daar zal ook actief voorworden gezorgd. Er is nu nog niet besloten hoe de benodigde onder-steuning van leraren bij de implementatie van de geactualiseerdekerndoelen er exact uit gaat zien. Dit komt omdat de meeste kerndoelennog niet zijn opgeleverd en we nog niet precies weten hoeveel en wat erexact gaat veranderen.Per leergebied wordt tijdens de fase van beproeving de benodigdeondersteuning in kaart gebracht. Voor de leergebieden Nederlands enrekenen-wiskunde zal dat deze zomer gebeuren, en voor burgerschap endigitale geletterdheid eind dit jaar. Daarna zal het Ministerie vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7343 Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de ondersteuning zo spoedigmogelijk faciliteren.Uiteraard worden er voorbereidingen getroffen, zoals de inzet opeffectieve bij- en nascholing van leraren. Hierbij geldt dat elke leraar – inovereenstemming met de sociale partners met het oog op de curriculum-bijstelling – elk jaar recht heeft op 16 uur professionalisering voorspecifiek het curriculum en de basisvaardigheden zoals beschreven in decao’s voor het po en vo.7Welke delen van het bestaande lesprogramma worden verarmd als gevolgvan de nieuwe kerndoelen?Dat is nu nog niet goed te zeggen om meerdere redenen. Allereerst zijnnog niet alle conceptkerndoelen opgeleverd, waardoor «oud» en «nieuw»nog niet te vergelijken zijn. Ten tweede is het voor het een berekening vanoverladenheid geen zinnige vergelijking om de «oude» kerndoelen met de«nieuwe» kerndoelen te vergelijken. De oude kerndoelen zijn te vaag.Een voorbeeld: in kerndoel 52 (po) staat dat leerlingen leren over deTweede Wereldoorlog. Maar wat precies? Hoeveel concepten horendaarbij? Daar zijn de kerndoelen niet duidelijk over. Dat kunnen 20concepten zijn, maar ook 200 concepten. Uit angst om concepten temissen, behandelen leraren en methodemakers dan liever richting de 200concepten, en dus meer dan strikt noodzakelijk is. Daarom is het goed omde nieuwe conceptkerndoelen te vergelijken met het huidige uitgevoerdecurriculum: dat wat in methodes staat en wat in de lessen plaatsvindt.SLO is gevraagd om deze «impactanalyse» te maken als alle conceptkern-doelen gereed zijn. Het Ministerie van OCW zal uw Kamer hieroverinformeren tijdens de halfjaarlijkse voortgangsrapportages.8Welke delen van het bestaande lesprogramma worden verzwaard alsgevolg van de nieuwe kerndoelen?Het verschilt per school in hoeverre het bestaande lesprogramma in depraktijk wordt uitgebreid of ingekort als gevolg van de beoogde nieuwekerndoelen. Op alle scholen wordt er al aandacht besteed aan burger-schap en digitale geletterdheid.Vanwege de wettelijke burgerschapsopdracht zijn scholen al aan de slaggegaan met burgerschapscompetenties. Ook is een deel van de concept-kerndoelen die betrekking hebben op burgerschap niet nieuw en komt,soms impliciet, al terug in de oude kerndoelen. Kerndoel 44 (vo) bijvoor-beeld: «de leerling [...] leert zien hoe mensen op verschillende manierenbij politieke processen betrokken kunnen zijn», komt nu terug in concept-kerndoel 5: «de leerling verkent hoe die democratisch handelen binnen dedemocratische rechtsstaat kan vormgeven».Voor digitale geletterdheid is dat anders, omdat daar geen wettelijkeopdracht ligt. In de oude kerndoelen staan wel elementen van digitalegeletterdheid, zoals omgaan met digitale bronnen, maar beperkt. Daar zalde impact voor sommige scholen groter zijn. Dat zal worden onderzochttijdens de fase van beproeven.9Hoe kunnen de nieuwe kerndoelen worden geïntegreerd in bestaandevakken?Het is ontzettend waardevol als kerndoelen in samenhang wordenaangeboden. Dit verhoogt de onderwijskwaliteit en vermindert deoverladenheid. Dat geldt al helemaal voor de doelen van burgerschap endigitale geletterdheid, deze krijgen vorm en betekenis binnen andereleergebieden. Hoewel het de school vrij staat, kunnen deze inhoudenuitstekend worden ondergebracht in bestaande vakken of leergebieden.Vaardigheden die leerlingen leren bij rekenen-wiskunde helpen omTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7344 (digitale) informatie te doorgronden, opvattingen te onderbouwen enmeningen van feiten te onderscheiden. Hetzelfde geldt voor Nederlandsen andere talen: rijke (digitale) teksten bieden de mogelijkheid om thema’szoals de democratie of kunstmatige intelligentie te bespreken. Zo is er bijieder vak een link te leggen. Scholen kiezen zelf hoe ze burgerschap endigitale geletterdheid aanbieden. SLO kan daar in helpen door hetfaciliteren van ondersteunende materialen.10Op welke manier komt specifieke kennis over de Grondwet terug in dezekerndoelen? Dus niet zozeer het algemene belang van de Grondwet, zoalsgeformuleerd in de kerndoelen, maar de specifieke artikelen en de inhouddaarvan? In hoeverre is kennis van de Grondwet en de geschiedenis ervanonderdeel van de kerndoelen, op welke leeftijd wordt deze geacht teworden onderwezen, en hoe specifiek is de «ondergrens» die wordtgehanteerd en opgenomen in de wet?In conceptkerndoel 2 en 3 wordt onder «het gaat hierbij om» gesprokenvan kennis over de Grondwet. Dit gebeurt zowel in het po als in het vo.Kennis over de Grondwet zal dus op iedere leeftijd terugkomen, op eenmanier die past bij de ontwikkeling van het kind. De precieze invullinghiervan is aan de scholen. Het totaalbeeld van welke kennis over deGrondwet en de geschiedenis ervan moet worden onderwezen, kan pasworden overzien als alle kerndoelen zijn opgeleverd. De leergebiedenmens en maatschappij raken namelijk ook aan dit onderwerp.11Op welke manier komt het belang van stemrecht (en stemmen alsdemocratische verantwoordelijkheid) aan de orde? Bij welk kerndoel en inwelke fase van het onderwijs?Bij burgerschapskerndoelen in zowel het po als vo is er aandacht voorverschillende vormen van inspraak (kerndoel 5). Onderdelen van hetdemocratisch bestel krijgen naar verwachting ook een plek in dekerndoelen mens en maatschappij, die nog in ontwikkeling zijn. Hetbelang van stemrecht heeft ook een plaats binnen het vak maatschap-pijleer in de bovenbouw van het vo. Dit is daar een logische plek, kortvoordat leerlingen de stemgerechtigde leeftijd bereiken.12Behoren de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en burgerschap,naast de conceptkerndoelen voor Nederlands en rekenen-wiskunde, totwat u omschrijft als «de basisvaardigheden»? Is er volgens u binnen dezebasisvaardigheden ook een hiërarchie of staan zij op gelijke voet?Behoren ook andere doelen tot de basisvaardigheden of gaat het om dezevier?Ja, digitale geletterdheid en burgerschap behoren tot de basisvaardig-heden, waartoe ook Nederlands en rekenen-wiskunde behoren. Lezen,schrijven en rekenen zijn de absolute basis, maar ook burgerschap endigitale geletterdheid zijn van cruciaal belang om goed te kunnendeelnemen in de samenleving. Zij komen dan ook alle vier terug in deandere leergebieden.13Kunt u uiteenzetten wat de impact van de nieuwe kerndoelen burgerschapen digitale geletterdheid is op de beschikbare tijd voor andere vakken inde bovenbouw van het middelbaar onderwijs?Kerndoelen worden vastgesteld voor het po en voor de onderbouw vanhet vo, niet voor de bovenbouw van het vo. Kerndoelen burgerschap endigitale geletterdheid hebben dus geen impact op de beschikbare tijd voor(andere) vakken in de bovenbouw van het vo.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7345 14Klopt het dat een vak als biologie 18 tot 30 procent minder lesuren krijgtbij de invoering van deze kerndoelen?Nee, dat klopt niet. Kerndoelen zijn gericht op het po en de onderbouwvan het vo (zie vraag 13). De totale set kerndoelen is een opdracht aan deschool, anders dan in de bovenbouw waar examenprogramma’s per vak,en per schoolsoort/ leerweg zijn vastgesteld. Om overladenheid tevoorkomen hebben de makers van het curriculum een begrenzing in tijdmeegekregen. Dit heet «ontwerpruimte». Het is hierbij belangrijk om driedingen te benadrukken.–Er moet hierbij goed onderscheid gemaakt worden tussen ontwerp-ruimte voor het maken van kerndoelen (po en onderbouw vo) enexamenprogramma’s (bovenbouw vo).2, 3oDe ontwerpruimte voor kerndoelen is gegroepeerd in leergebieden,niet in vakken. Biologie valt dus onder het leergebied Mens &Natuur.oDe ontwerpruimte voor examenprogramma’s is wel vormgegevenin vakken.–Het is niet één-op-één te vergelijken of vakken meer of minderontwerpruimte krijgen dan in het huidige curriculum.oBij de ontwerpruimte voor kerndoelen is er geen perfecte registratievan het aantal lessen dat momenteel wordt gegeven in bijvoor-beeld Mens & Natuur.oBij de ontwerpruimte voor examenprogramma’s is een correctieuitgevoerd op het huidige model van studielasturen voor havo/vwo. In het huidige model is berekend dat er een curriculum kanworden geschreven van gemiddeld veertig studielasturen per week,voor veertig schoolweken. Dat is een goed gemiddelde om mee tewerken, maar dat gaat niet op voor het examenjaar. In eenexamenjaar wordt er immers niet het hele jaar nieuwe lesstofbehandeld, vanaf april bereiden leerlingen zich voor op het centraalexamen. Daarom wordt er in het nieuwe model niet gerekend meteen totale ontwerpruimte van 3.200 (havo) en 4.800 (vwo) studie-lastuur, maar met 2.800 (havo) en 4.400 (vwo) studielastuur. In dehuidige situatie passen scholen in de praktijk deze correctie ook altoe in hun lessentabel. Immers, geen school heeft voor examen-leerlingen in de maanden mei, juni en juli nog ingeroosterdelessen. Daarom is deze correctie ook in het model van ontwerp-ruimte verwerkt en is het de verwachting dat deze «papierencorrectie» (van bijvoorbeeld 30%) in de praktijk lang niet zal leidentot een even grote vermindering van het aantal lesuren. Voorverdere informatie over het verschil in ontwerpruimte wordt uwKamer verwezen naar de berekening in de Kamerbrief over devoortgangsrapportage masterplan basisvaardigheden.4–Als laatste is het belangrijk om te vermeldend dat het hier omontwerpruimte gaat, niet om het aantal lesuren. Ontwerpruimte is eenbegrenzing voor curriculummakers. Dat betekent dat de doelen die zijmaken «te doen» moeten zijn binnen een bepaalde tijd. Hoeveellesuren scholen daar daadwerkelijk aan besteden is aan hen.15Wanneer vindt er een vertaling plaats van deze kerndoelen naareindtermen? Wanneer is dat op zijn vroegst klaar?2Zie hier de ontwerpruimte voor de kerndoelen: https://www.slo.nl/publish/pages/19662/502k_kader_ontwerpruimte.pdf3Zie hier de ontwerpruimte voor de examenprogramma’s: https://www.slo.nl/publish/pages/19448/kader_ontwerpruimte.pdf4Kamerstukken II 2023/24, 31 293, nr. 709Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7346 Eindtermen zijn geen vertaling van kerndoelen. Het landelijke curriculumvoor het funderend onderwijs bestaat uit: kerndoelen voor het primaironderwijs en voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs,eindtermen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs (deze zijnopgenomen in examenprogramma’s en syllabi voor schoolvakken) en hetreferentiekader taal en rekenen (de doorlopende leerlijn voor taal enrekenen van primair onderwijs, voortgezet onderwijs en mbo).Intussen zijn er conceptkerndoelen opgeleverd voor Nederlands,rekenen/wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid. De kerndoelenvoor overige leergebieden volgen einde van dit jaar.Dit jaar worden conceptexamenprogramma’s (met eindtermen)opgeleverd van Nederlands, wiskunde, maatschappijleer, modernevreemde talen, natuurwetenschappelijke vakken, Fries en klassieke talen.De ontwikkeling van de nieuwe eindtermen van vrijwel alle overigevakken gaan na de zomer van 2024 van start. De ontwikkeling van dezeexamenprogramma’s kost ongeveer 24 maanden.516Wanneer zijn deze kerndoelen verwerkt in toetsing, zoals de doorstroom-toets?Uitgangspunt is dat toetsing het curriculum volgt. Als gevolg daarvanzullen toetsen zich richten op de relevante kerndoelen en/ of referentieni-veaus en wat betreft de examens op de eindtermen. Formatieve toetsingdie deel uitmaakt van onderwijsmethoden wordt tegelijkertijd ontwikkeldmet deze methoden. De ontwikkeling van meer methode-onafhankelijketoetsing, zoals de leerlingvolgsysteem (LVS-)toetsen, en meer formeletoetsing, zoals de doorstroomtoets in po en de examens in vo, isafhankelijk van het moment van oplevering van de aangepaste referentie-niveaus en eindtermen. Aanpassing van landelijk toe te passen toetsenvergt een minimale doorlooptijd van twee jaar; uitgaande van een jaarvoor ontwikkeling, proeftoetsing en normering en een tweede jaar waarinbijstellingen kunnen worden gedaan.Het moment waarop de kerndoelen in toetsing zullen zijn verwerkt isdaarmee afhankelijk van wanneer de kerndoelen en het referentiekaderzijn aangepast. Gegeven dat het aanpassen van toetsen zo’n 2 jaar duurten er in 2025 duidelijkheid is over de definitieve kerndoelen en wat er methet referentiekader gaat gebeuren, zijn nieuwe toetsen mogelijk vanaf2027.17Hoe gaat u erop toezien dat er voor de nieuwe conceptkerndoelen op tijdnieuwe leermiddelen beschikbaar zijn, voor een betaalbare prijs en van dejuiste kwaliteit?Het Ministerie van OCW is in gesprek met partijen in en om het onderwijsom ervoor te zorgen dat docenten tijdig over geactualiseerde, goede enbetaalbare leermiddelen beschikken. Want alleen met een heldercurriculum én goede leermiddelen kunnen docenten effectieve enmotiverende lessen verzorgen.Uitgevers hebben aangegeven dat de ontwikkeling van vernieuwdlesmateriaal dat aansluit op de nieuwe kerndoelen twee jaar duurt. Naarverwachting wordt de laatste versie van de conceptkerndoelen voorNederlands en wiskunde-rekenen in de zomer van 2024 opgeleverd. Datbetekent dat methodemakers in de zomer dus aan de slag kunnen met hetontwikkelen van leermiddelen voor deze leergebieden. De eerste scholenen leraren kunnen dus op zijn vroegst vanaf schooljaar 2026–2027 gebruikmaken van vernieuwd lesmateriaal. De precieze wijze van invoering wordtde komende maanden in goed overleg nader uitgewerkt.5Werkopdracht actualisatie examenprogramma’s - SLOTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7347 De ontwikkeling van lesmateriaal van de resterende leergebieden begintlater, omdat de beproevingsfase van digitale geletterdheid en burger-schap nog niet van start is, en de conceptkerndoelen van de overigeleergebieden nog in ontwikkeling zijn.Daarnaast investeert het Ministerie van OCW in een onderzoekspro-gramma dat gericht is op bevordering van het evidence-informed gebruikvan leermiddelen via de ontwikkeling van een kwaliteitskader. Ookonderzoekt het Ministerie van OCW de prijsontwikkelingen op de marktvoor leermiddelen in het vo. Na de zomer van 2024 zal uw Kameruitgebreid geïnformeerd worden over de resultaten van deze onderzoekenen de vervolgstappen.18Hoe borgt het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat ervoldoende transparantie voor docenten is waar de kerndoelen terug-komen in bestaande en nieuwe lesmethodes?Het is belangrijk dat leraren kunnen kiezen uit een breed scala aankwalitatief hoogwaardige leermiddelen, waarin de (nieuwe) kerndoelenzijn verwerkt. Het Ministerie van OCW is in gesprek met Media voorEducatie, Vak en Wetenschap (MEVW), de brancheorganisatie van deuitgevers, over de vernieuwing van het curriculum en wat dit kanbetekenen voor de leermiddelen. De uitgevers maken de doorvertalingvan het vernieuwde curriculum in de eigen leermiddelen. Daarbij helpt hetscholen en leraren als uitgevers in de vernieuwde leermiddelen helder enoverzichtelijk weergeven hoe de nieuwe kerndoelen in de vernieuwdeleermiddelen terugkomen. Dat stelt scholen en leraren in staat om eenmix van open ofwel betaalde leermiddelen samen te stellen, die dekerndoelen goed dekt en past bij de onderwijsvisie en de leerlingpopulatievan de school.In het geval van open leermaterialen werkt het Nationaal Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal aan de vindbaarheid van openleermaterialen, bijvoorbeeld via het publieke platform Wikiwijs aan dehand van metadata. Projecten gesubsidieerd vanuit het programma zijnverplicht om de karakteristieken en eigenschappen van hun ontwikkeldeopen leermaterialen te labelen (i.e. metadateren) via de publiekeopen-ict-infrastructuur Edurep. Het Ministerie van OCW werkt eraan omdit te verbreden naar alle eigen subsidieregelingen van DUS-I waarin hetontwikkelen van leermateriaal wordt gesubsidieerd. Het programma werktnauw samen met SLO om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen in hetcurriculum ook snel worden vertaald naar metadata labels die gebruiktkunnen worden voor het vindbaar maken van leermateriaal.19Hoe ziet het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap erop toedat er in bestaande en nieuwe lesmethodes voor burgerschap en digitalegeletterdheid sprake is van samenhang met andere leergebieden?Het is belangrijk dat er samenhang is in de lesmethodes voor burgerschapen digitale geletterdheid met andere leergebieden, zodat de overla-denheid voor scholen en leerkrachten wordt beperkt. Het Ministerie vanOCW is in gesprek met het onderwijsveld, experts en ontwikkelaars vanleermaterialen om te bevorderen dat dit tot stand komt.Wel kan de school op verschillende manieren samenhang proberen toe tebrengen: van afstemming tussen vakken waarbij de klassieke vakken-structuur gehandhaafd blijft, tot aan volledig geïntegreerd vakoverstijgendonderwijs.Om scholen daarbij te ondersteunen start SLO na de zomer met deontwikkeling van leerlijnen. Dit zijn ondersteunende materialen die dienenals voorbeeld van hoe de kerndoelen in de praktijk uitgevoerd kunnenworden. Hierbij wordt ook de samenhang met (kerndoelen van) andereleergebieden in beeld gebracht. Scholen kunnen deze leerlijnen gebruikenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7348 om te komen tot een samenhangende vertaling en uitwerking van hetlandelijk curriculum die past bij de eigen schoolcontext.20Welke mogelijkheden zijn verkend om leerstof van burgerschap en digitalegeletterdheid onder te brengen bij keuzevakken in plaats van kernvakken?In het po en in de onderbouw van het vo is niet zozeer sprake vankernvakken en keuzevakken: alle leerlingen volgen in principe min of meerdezelfde vakken. Voor de basisvaardigheden is het juist heel goed als alleleerlingen dezelfde basis krijgen. Daarom is de leerstof van burgerschapen digitale geletterdheid niet ondergebracht bij keuzevakken of-onderdelen.In de bovenbouw van het vo is er wel sprake van keuzevakken door deprofielkeuze. Elementen van digitale geletterdheid en burgerschap kunnendan bij verschillende vakken aan de orde komen. Het actualiseren van eenexamenprogramma (eindtermen) betekent per definitie dat een vakver-nieuwingscomissie kijkt welke invloed bijvoorbeeld digitale technologieheeft op het vak, zodoende zijn er ook een profiel- of vakspecifiekebehandelingen van deze thema’s mogelijk is. Maar sommige kennis vanburgerschap en digitale geletterdheid is zo belangrijk dat alle leerlingendeze basis moeten meekrijgen. Deze kennis is dan bij gemeenschappelijkevakken als Nederlands, wiskunde of maatschappijleer ondergebracht.21 en 22Hoe zijn leraren betrokken geweest bij de afwegingen rond het gelijk-trekken van de studielasturen van profielvakken?Hoe zijn leraren betrokken geweest bij het vinden van de ruimte in destudielasturen voor digitale geletterdheid en burgerschap?In de uitwerking van het kader ontwerpruimte is om in het curriculum(meer) ruimte te vinden voor het versterken van basisvaardigheden taalen rekenen via de schoolvakken Nederlands en wiskunde, en extraaandacht voor burgerschap (via het schoolvak maatschappijleer) endigitale geletterdheid onder meer de ontwerpruimte van profielvakken«gelijkgetrokken». Dit kader is opgesteld door SLO in opdracht van hetMinisterie van OCW.Er zijn bij de totstandkoming van dit model curriculumexperts en lerarengeraadpleegd, met name geassocieerd aan vak- en beroepsverenigingen.Het Ministerie van OCW vindt de betrokkenheid van leraren in dit procesbelangrijk, omdat het van invloed is op hun dagelijkse werk. Er is geenbrede uitvraag gedaan naar de standpunten van alle leraren. De belangenvan leraren onderling verschillen immers op dit punt. Daarom is bij hetopstellen van de ontwerpruimte primair vertrokken vanuit een meeronderwijskundige/ wetenschappelijke basis. Bij de uitwerking ervan(inclusief het adresseren van eventuele neveneffecten) worden lerarennadrukkelijk betrokken, onder meer via de vakinhoudelijke verenigingen.23Wat is het effect van het ruimte maken in het curriculum voor digitalegeletterdheid en burgerschap en het gelijktrekken van de studielasturenvan de profielvakken op de tijd voor gymlessen, klassieke talen, filosofieen kunstvakken?De beantwoording van deze vraag is gericht op de bovenbouw van het vo.Met het kader ontwerpruimte is een integrale afweging gemaakt. Focus opbasisvaardigheden betekent dat er voldoende tijd moet zijn om diebasisvaardigheden aan te leren. Daarom moest er wat van andere vakkenaf. De gevolgen voor alle individuele vakken zijn te vinden in het modelontwerpruimte examenprogramma’s6.6Zie hier de ontwerpruimte voor de examenprogramma’s: https://www.slo.nl/publish/pages/19448/kader_ontwerpruimte.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7349 24Zijn er mogelijkheden verkend voor een nog gedetailleerder curriculum,waarbij per jaar wordt uitgewerkt wat leerlingen moeten kennen enkunnen?Voor de kerndoelen komen gedetailleerde uitwerkingen beschikbaar: doorSLO ontwikkelde leerlijnen. Deze zijn niet per jaar uitgewerkt, maar gevenscholen en leraren wel handvatten om een doorlopend en samenhangendonderwijsprogramma over de verschillende leerjaren te realiseren. Datgeldt ook voor de examenprogramma’s in de bovenbouw van hetvoortgezet onderwijs, die in syllabi concreter uitgewerkt zijn. Ook voor hetgeactualiseerde curriculum zal worden voorzien in gedetailleerdereleerlijnen die in de komende periode worden ontwikkeld.Er is ook verkend of deze leerlijn wettelijk zou moeten worden vastgesteld.Dat is niet wenselijk gebleken. Scholen kunnen in dat geval geen eigenafweging maken in wanneer ze bepaalde doelen aanbieden. Sommigescholen willen bijvoorbeeld leerdoelen uit meerdere leerjaren behandelenin een projectweek die past bij de lokale context. Dat kan meerderekerndoelen van meerdere leergebieden over meerdere leerjaren bevatten.Het wettelijk verankeren van een nog gedetailleerder curriculum zou ditzeer moeilijk tot onmogelijk maken.25Klopt het dat studielasturen door scholen in de praktijk gebruikt wordenals inschatting voor hoeveel tijd er voor het vak ingeroosterd wordt?Ja dat klopt. Hoewel de wettelijk vastgestelde studielasturen voor een vakniet één op één overeenkomen met het aantal lessen dat op schoolniveauworden ingepland op het lesrooster (scholen bepalen dat zelf), geven destudielasturen wel een indicatie van het aantal lessen dat er gemiddeldper week voor dat vak ingepland zouden moeten worden.26Wanneer zijn de kerndoelen op zijn vroegst verwerkt in lesmethoden?Vindt daarover afstemming plaats tussen uitgeverijen en het Ministerievan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?De laatste versie van de conceptkerndoelen voor Nederlands en rekenen-wiskunde wordt naar verwachting voor de zomer van 2024 opgeleverd.Daarmee kunnen leermiddelenmakers deze zomer starten met hetaanpassen van lesmateriaal. Dat geldt zowel voor uitgevers, als ontwikke-laars van open leermiddelen. Uitgevers geven aan dat de ontwikkelingvan vernieuwd lesmateriaal twee jaar duurt. Dat betekent dat vanafleerjaar 2026–2027 de eerste scholen en leraren gebruik kunnen makenvan het vernieuwde lesmateriaal. De precieze wijze van invoering wordtde komende maanden nader uitgewerkt, in goed overleg met allebetrokkenen in en om het onderwijs.27Waarom wordt er in het conceptwetsvoorstel voor gekozen om expressie-activiteiten te expliciteren naar onderwerpen als dans en drama? Hoeverhoudt deze keuze zich tot de voorgeschiedenis van dit kerndoel en dewens om overladenheid te voorkomen?In het betreffende conceptwetsvoorstel worden enkele wettelijkebepalingen over kerndoelen in de verschillende sectorwetten (po, vo ens(v)o) geharmoniseerd. Eén van die onderwerpen is: «aspecten vanbeeldende vorming, muziek, drama en dans». Deze wettelijke grondslagstaat nu alleen in de WVO 2020 (artikel 2.13, 2e lid, onder m.) en wordtdus gelijk getrokken naar de WPO en de WEC.Deze concretisering leidt niet per definitie tot meer overladenheid. Doorspecifieker te zijn, kunnen scholen juist selectiever zijn in hun aanbod,zoals is toegelicht bij vraag 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73410 28Kunt u aangeven op welke wijze de kerndoelen burgerschap en digitalegeletterdheid een stevige basis zijn voor het versterken van de basisvaar-digheden?Nederlands, rekenen-wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheidvormen samen de basisvaardigheden. Deze leergebieden zijn alle viernodig om je goed te kunnen redden in de samenleving. Er zijn weder-kerige relaties tussen alle domeinen. Neem de taalvaardigheid «kritischlezen». Je leest een bron anders als je weet dat het door AI gegenereerdis. Je leest opinieartikelen ook anders als je kennis hebt over de basis-waarden vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit. Dit soort kennis overdigitale technologie en burgerschap komt ten goede aan het begrip vaninformatie.29Op welke manier gaat de Inspectie van het Onderwijs deze kerndoelenhandhaven?Ook nu houdt de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) toezichtop de kerndoelen. Dat is na invoering van nieuwe kerndoelen niet anders.Het toezicht komt er kort gezegd op neer dat de inspectie erop let of in hetonderwijs van de school invulling wordt gegeven aan de kerndoelen. Alseen school niet aan de gestelde eisen voldoet, treedt de inspectiehandhavend op. Doorgaans ontvangt de school dan een opdracht totherstel, en ziet de inspectie erop toe dat dit herstel wordt gerealiseerd.30Kunt u aangeven hoe de volgorde van te ontwikkelen kerndoelen isbepaald en waarom de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheidvolgen op Nederlands en rekenen-wiskunde?Dat is een politieke keuze geweest. In het debat van 6 april 2022 heeft uwKamer gevraagd om fasering van de ontwikkeling van de kerndoelen opdeze manier (Kamerstuk 31 293, nr. 617). De Minister heeft in lijn hiermeegehandeld en deze volgorde aangehouden: eerst Nederlands en rekenen-wiskunde, kort daarna burgerschap en digitale geletterdheid en na eenpositieve tussenbalans ook de kerndoelen voor de andere leergebieden:mens en maatschappij, mens en natuur, moderne vreemde talen,bewegen en sport en kunst en cultuur. De conceptkerndoelen voor dezelaatste vijf leergebieden worden momenteel ontwikkeld.31Op welke wijze wordt de Inspectie van het Onderwijs straks geacht dehandhaving van kerndoelen gestalte te geven, nu de conceptkerndoelenniet voorsorteren op een apart vak burgerschap?Zie het antwoord op vraag 29. De inhoud van een kerndoel staat los vande handhaving door de inspectie. Als sprake zou zijn van een apart vak,zou de inspectie daarop toezien. Als scholen een kerndoel in het heleonderwijs (bijvoorbeeld in meer dan een vak, door de pedagogische endidactische aanpak of via het schoolklimaat) kunnen invullen, ziet deinspectie daar op toe. Dat is ook nu het geval. Zo geldt voor de huidigekerndoelen op het sociale en maatschappelijke domein dat deze niet aaneen vak gekoppeld zijn, en ook daarop houdt de inspectie toezicht.32Hoe verhouden de conceptkerndoelen over burgerschap zich in algemenezin tot het Onderwijsraadadvies «Grenzen stellen, ruimte laten»?De Onderwijsraad stelt in haar advies over Artikel 23 van de Grondwet dathet Nederlandse onderwijs in democratisch burgerschap beter,doordachter en systematischer kan en moet. In het advies Grenzen stellen,ruimte laten beveelt zij het ministerie aan om preciezer aan te gevenwaaraan scholen aandacht dienen te besteden binnen het burgerschaps-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73411 onderwijs. De conceptkerndoelen zijn een manier om deze preciezereinvulling vorm te geven.33Hoe verhouden de conceptkerndoelen over burgerschap zich tot democra-tisch burgerschap en haar grenzen zoals de Onderwijsraad in rapport«Grenzen stellen, ruimte laten» benoemd?Democratisch burgerschap is de naam die de Onderwijsraad geeft aan hetburgerschap waaraan burgers die actief deel uit willen maken van eenpluriforme, democratische Nederlandse samenleving gebonden zijn. Hetgaat erom dat burgers weten hoe zij vanuit de eigen idealen, waarden ennormen en met respect voor diversiteit en voor de basiswaarden van dedemocratische rechtsstaat kunnen functioneren in en bij kunnen dragenaan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving. Burger-schapsonderwijs heeft als doel om de leerlingen de relevante kennis envaardigheden bij te brengen. Via de conceptkerndoelen burgerschap kanmede worden gewaarborgd dat onderwijs in deze kennis en vaardighedeneen plek heeft binnen het curriculum van iedere school.34In welke mate worden de kerndoelen van het burgerschapsonderwijseenzijdig gericht op toetsbaarheid van burgerschapskennis? In welke matezal het gaan om niet-toetsbare, maar wel merkbare elementen, zoals eendemocratische attitude en respect voor de democratische rechtsstaat?Bij de totstandkoming van de conceptkerndoelen burgerschap is deambitie geweest om te komen tot een gebalanceerde set aan conceptkern-doelen waarin beheersingsdoelen, ervaringsdoelen en aanbodsdoelenaanwezig zijn. Voor de meeste conceptkerndoelen geldt dat het eencombinatie is van beheersings- en ervaringsdoelen. Elk kerndoel heeft eeneigen doelzin die toelicht wat het kerndoel omvat. Deze kerndoelenschrijven geen beheersingsniveau voor waarop de leerling wordtafgerekend. Wel beschreven in het kerndoel, onder het kopje «het gaathierbij om», kunnen specifiekere beheersingsdoelen voorkomen,bijvoorbeeld dat leerlingen kennis hebben over de ontwikkeling en debetekenis van de democratische waarden vrijheid, gelijkwaardigheid ensolidariteit (kerndoel 3). Met name voor zo’n specifieker beheersingsdoelgeldt dat het toetsbaar dient te zijn. Voor ervaringsdoelen geldt dat veelminder, deze zijn er meer op gericht dat leerlingen de kans krijgen om eenhouding te ontwikkelen, zonder dat daaraan een gewenste norm isverbonden. Een voorbeeld is het doel dat leerlingen kunnen afwegen hoehet eigen handelen effect heeft op de omgeving en het welzijn vananderen, nu en in de toekomst (eveneens kerndoel 3).35Hoe gaat de bijscholing op het gebied van digitale geletterdheid wordenvormgegeven?Vanuit verschillende initiatieven werkt het Ministerie van OCW aan dedoorlopende professionalisering op het gebied van digitale geletterdheid.Zo lopen er gesprekken met verschillende partners uit het veld en zal dezezomer het opleidingsberaad leraren voor digitale geletterdheid enburgerschap van start gaan. Daarnaast heeft de Europese Commissie eenTSI7 voorstel van Nederland en Vlaanderen goedgekeurd voor deontwikkeling van een innovatieve methode voor bijscholing op het gebiedvan digitale geletterdheid.Hoe de complete bijscholing op het gebied van digitale geletterdheidwordt vormgegeven moet nog besloten worden. Uw Kamer wordt hier opeen later moment over geïnformeerd. Voor algemene professionaliseringop het gebied van basisvaardigheden, zie vraag 36.7Instrument voor technische ondersteuning[1600055527] (europa.eu)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73412 36Hoe gaat de bijscholing op het gebied van burgerschap worden vormge-geven?Dit moet nog besloten worden en is mede afhankelijk van de preciezeuitwerking van de conceptkerndoelen naar definitieve kerndoelen. Tijdensde fase van beproeven worden de ontwikkelbehoeftes van docenten ophet gebied van burgerschap in kaart gebracht, zodat het Ministerie vanOCW indien nodig hierin kan faciliteren. Dit gebeurt tot eind 2024. Dan zalSLO ook een «impactanalyse» uitvoeren: waar wordt er iets nieuws vanleraren gevraagd en wat kunnen zij nu al? Wat in ieder geval zeker is, isdat elke leraar, elk jaar recht heeft op 16 uur professionalisering voorcurriculum en basisvaardigheden vanuit de cao’s voor po en vo. Professi-onalisering voor burgerschap kan hierin worden meegenomen, maar overde precieze bijscholing wordt uw Kamer op een later momentgeïnformeerd.37Welke punten zijn of gaan er sneuvelen in het vernieuwde curriculum?Om ervoor te zorgen dat de focus ligt op basisvaardigheden en datoverladenheid wordt voorkomen, moeten de makers van de kerndoelenscherpe keuzes maken. Welke punten er gaan afvallen of bijkomen kan opdit moment nog niet worden vastgesteld. De kerndoelen Nederlands,rekenen-wiskunde, burgerschap en digitale geletterdheid zijn in conceptaangeleverd. De conceptkerndoelen mens en maatschappij, mens ennatuur, moderne vreemde talen, bewegen en sport en kunst en cultuurworden in het najaar van 2024 verwacht. De fase van beproeven kanleiden tot wijzigingen. Zodra het volledige pakket kerndoelen in definitievevorm is opgeleverd, kunnen de verschillen bestudeerd worden. Zie ookhet antwoord op vraag 7.38Hoe ziet de fase van beproeving er uit? Welke rol hebben leraren enleerlingen in deze fase?De fase van beproeven voor Nederlands en rekenen-wiskunde bestond ditvoorjaar uit acht regiobijeenkomsten door heel Nederland waar bijna 200scholen aan deelnamen, die elk met drie vertegenwoordigers aanwezigwaren. Na iedere bijeenkomst zijn leraren aan de slag gegaan met eenpraktijkopdracht over de conceptkerndoelen. Er zijn twee metingengeweest waarbij gerichte feedback wordt gegeven op de kerndoelen.Daarnaast wordt geïnventariseerd wat scholen nodig hebben voor deimplementatie van de kerndoelen en hoe de opgedane kennis overge-dragen kan worden aan andere leraren in de school. SLO verzamelt na deregiobijeenkomsten en uitwerking van de praktijkopdracht alle feedbackop de conceptkerndoelen, weegt en verwerkt het. Vervolgens wordtgekeken waar verscherping of verduidelijking van de conceptkerndoelennodig is. De fase van beproeving voor digitale geletterdheid en burger-schap zal dit najaar vergelijkbaar zijn in opzet.Leerlingen hebben geen actieve rol in de beproevingsfase van dekerndoelen, aangezien de bruikbaarheid voor leraren(teams) in de praktijkcentraal staat in deze fase. Er wordt overigens bij de actualisatie welgekeken naar wat leerlingen belangrijk vinden. Zo heeft SLO in samen-werking met Diversion en LAKS leerlingpanels en participatiesessiesgeorganiseerd gedurende de ontwikkeljaren om mee te denken over deactualisatie van de examenprogramma’s.39Vanaf wanneer zullen de geactualiseerde kerndoelen worden meege-nomen in de lerarenopleidingen? En wordt er binnen de lerarenopleidingdan ook iets geschrapt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73413 De lerarenopleidingen beogen per september 2026 de kerndoelen voor debasisvaardigheden opgenomen te hebben in de lerarenopleidingen voorhet po. Het Ministerie van OCW werkt samen met de lerarenopleidingenaan het terugdringen van de overladenheid in de opleiding. Enerzijds doorfocus aan te brengen in landelijke kaders zoals de kennisbases enanderzijds door als overheid en toezichthouders betrokken te zijn bijcurriculumvernieuwing en daarbij het gesprek te voeren over wat echtmoet en hoe het Ministerie van OCW ruimte bewaart in de opleiding voorprofilering en innovatie.40Wat is de afweging geweest om de kerndoelen niet in het wetsvoorstelzelf vast te leggen?De hoofdelementen met betrekking tot de inhoud van het onderwijs zijngeregeld op wetsniveau. In de wet wordt bijvoorbeeld bepaald voor welkeonderwerpen kerndoelen kunnen worden opgesteld. Kerndoelen zijn eennadere inhoudelijke uitwerking van deze wettelijke eisen. Daarom wordtdit op het niveau van een algemene maatregel van bestuur vastgesteld.Dit systeem geldt al sinds de eerste set kerndoelen uit 1993. Op dezemanier kunnen de kerndoelen steeds indien nodig relatief snel wordengeactualiseerd.41Worden de AMvB’s, waarin de kerndoelen worden vastgelegd, via eenvoorhangprocedure aan de Kamer voorgelegd?Op deze amvb’s is voorwaardelijke delegatie van toepassing op grond vanartikel 9, vijfde lid, van de WPO, artikel 13, zevende lid, van de WEC enartikel 13.1, tweede lid, van de WVO 2020. Deze variant in de voorhang-procedure wordt in het spraakgebruik vaak een «nahang» genoemdomdat de betrokkenheid van het parlement wordt gezocht nadat de amvbin het Staatsblad is geplaatst. Een «nahang» heeft ten doel het parlementde gelegenheid te geven aan te geven of naar hun oordeel het onderwerpvan de amvb op wetsniveau moet worden geregeld en niet op regerings-niveau.8Verder zullen de conceptkerndoelen voorafgaand aan de fase vanbeproeving volgens toezegging uiteraard met uw Kamer worden gedeeld,zoals ook nu met de conceptkerndoelen burgerschap en digitale gelet-terdheid is gebeurd. Met dit proces beoogt de regering ook voorafgaandaan de totstandkoming van de amvb’s de betrokkenheid van uw Kamer tegaranderen.42Op welke manier wordt voorkomen dat scholen zich alleen of vooral doorde kerndoelen of het onderzoekskader laten leiden?In de wet is opgenomen welke eisen aan het curriculum worden gesteld.Deze eisen laten uiteraard ruimte voor een eigen invulling die passend isbij de wensen en behoeften van een school.In de onderzoekskaders worden de wettelijke vereisten vertaald naar demanier waarop de inspectie toezicht houdt. Ook dit zijn minimale eisenwaarbinnen een school veel vrijheid heeft om dit nader in te richten.Daarmee wordt voorkomen dat scholen zich vooral door de kerndoelen ofonderzoekskaders laten leiden, maar juist ook eigen regie pakken om hetonderwijsaanbod op het terrein van burgerschap en digitale geletterdheidin te richten op de wijze die passend is bij de school.8De procedure daarvoor is als volgt. De amvb’s worden aan de Kamers voorgelegd na publicatiein het Staatsblad. Zij treden vier weken na die overlegging in werking, tenzij een van de Kamers(of ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden) binnen die vier weken aangeeft tewensen dat het onderwerp van de amvb (in dit geval de kerndoelen) op wetsniveau geregeldwordt. In dat geval wordt een wetsvoorstel ingediend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73414 43Welke gevolgen hebben het feit dat docenten wellicht extra scholingnodig hebben om met bepaalde kerndoelen aan de slag te gaan voor dewerkdruk, die nu al wordt gezien als een van de hoofdredenen van hetlerarentekort?Het is vanzelfsprekend dat leraren goed geëquipeerd moeten zijn om denieuwe kerndoelen uit te voeren. Professionele ontwikkeling van leraren iseen belangrijke voorwaarde voor de kwaliteit van leraren en dus van hetonderwijs. Daarom behoort dit een vast onderdeel van het takenpakket tezijn. Met het Onderwijsakkoord dat in 2022 is gesloten tussen hetMinisterie van OCW, de PO-raad, de VO-raad, de Algemene Onder-wijsbond (AOb), de Opleidings & Ontwikkelfondsen van de FederatieNederlandse Vakbeweging (FNV O&O), het Christelijk NationaalVakverbond Onderwijs (CNV Onderwijs), de Federatie van Onderwijsvak-organisaties (FvOv) en de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) isbudget beschikbaar gesteld voor extra tijd en geld voor leraren om hunprofessionaliteit, kennis en kunde op peil te houden en te verhogen.In de cao van het po is afgesproken dat het team op de school afsprakenmaakt over de inzet van deze middelen als onderdeel van het werkverde-lingsplan. In cao van het vo is afgesproken dat leraren zestien uur per jaarkrijgen voor professionalisering.Schoolbesturen hebben als werkgever een belangrijke rol om ervoor tezorgen dat leraren de mogelijkheid krijgen om extra scholing teontvangen, zonder dat dit voor de betrokken leraar leidt tot meer (ervaren)werkdruk. Uiteraard moet de scholing passen binnen het bestaandetakenpakket.44Hoe gaat geborgd worden dat het vak digitale geletterdheid altijdvoldoende actueel is?Ontwikkelingen op het gebied van technologie volgen elkaar in rap tempoop. Daarom is het bij het leergebied digitale geletterdheid extra belangrijkdat dit voldoende actueel is. De kerndoelen voor digitale geletterdheid zijnbreed geformuleerd met het doel om actueel te zijn en te blijven. Datbetekent dat er geanticipeerd is op mogelijk nieuwe ontwikkelingen in dedigitale wereld en dat deze binnen de bestaande kerndoelen kunnenworden opgenomen. Er is hier rekening mee gehouden door bijvoorbeeldniet van bepaalde programmeertalen of softwaresystemen uit te gaan,maar deze techniekneutraal te beschrijven.Voor kleinere aanpassingen kan SLO haar leerlijnen actualiseren. In dezeleerlijnen wordt beschreven via welke tussendoelen leerlingen bepaaldekerndoelen kunnen bereiken. Docenten kunnen deze leerlijnen gebruikenter inspiratie voor de invulling van hun lessen of om de inhoud van hunmethode af te wegen ten opzichte van het curriculum. Omdat dezeleerlijnen niet wettelijk zijn vastgelegd, kunnen ze makkelijk wordenaangepast. Daardoor kunnen ze inspelen op actuele ontwikkelingenzonder dat de kerndoelen zelf veranderd hoeven te worden.Mochten er grotere ontwikkelingen plaatsvinden die een verandering vande kerndoelen vereisen, dan wordt dit meegenomen in het systeem vanperiodieke herijking van het curriculum dat nu door het Ministerie vanOCW en SLO wordt ontwikkeld.45Hoe gaat geborgd worden dat in het vak digitale geletterdheid geen kloofontstaat tussen zij die (financieel) toegang hebben tot digitale leermid-delen en zij die daar geen toegang tot hebben?Het is belangrijk dat iedere leerling volwaardig kan deelnemen aan hetonderwijs, ook wanneer scholen kiezen om hun onderwijs met behulp vandigitale leermiddelen vorm te geven. Het is belangrijk om te benadrukkendat de aanschaf van apparaten zoals laptops en tablets door oudersTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73415 vrijwillig moet zijn. Hier is expliciet aandacht voor gevraagd in decampagne over de aangescherpte regels voor de ouderbijdrage. Alsouders geen bijdrage kunnen leveren, dan moet de school zorgen vooreen volwaardig alternatief. De inspectie ziet erop toe dat scholen dewettelijke regels rondom de vrijwillige ouderbijdrage naleven.46In hoeverre beschikken leraren op dit moment over de kennis,bevoegdheid en vaardigheden om deze kerndoelen te onderwijzen?Tijdens de fase van beproeven, die op dit moment loopt, wordt met hetonderwijsveld gesproken over de conceptkerndoelen, zoals ook eerdertoegelicht. Hierbij staat de vraag wat het onderwijsveld nodig heeft ommet de kerndoelen te kunnen werken vanzelfsprekend centraal. Op ditmoment is er nog geen volledig zicht op waar de behoeften van docentenliggen, en wat het verschil is tussen de huidige en toekomstigekerndoelen. De behoeften kunnen ook van docent tot docent verschillen.Daarom zal de beroepsgroep ook actief betrokken worden.47In hoeverre beschikken scholen op dit moment over de ICT-middelen omdeze kerndoelen te onderwijzen? Zijn er verschillen tussen scholenonderling?De kerndoelen zijn zo geformuleerd dat alle scholen, ongeacht deverschillende keuzes in hoe zij hun ICT hebben vormgegeven, in staat zijnom aan deze kerndoelen te voldoen in hun onderwijspraktijk.Het is de verantwoordelijkheid van scholen om te zorgen voor eenpassende en veilige ICT-infrastructuur die aansluit bij hun ambities enonderwijsvisie. Binnen de lumpsumsystematiek hebben scholen devrijheid om hun budget naar eigen inzicht te besteden. Hierdoor wordtvariatie gezien tussen scholen in de mate waarin ze geïnvesteerd hebbenin ICT, afhankelijk van hun specifieke ambities en prioriteiten.948Zijn er scholen die, hetzij uit pedagogisch-didactische overtuiging, hetzijom andere redenen, minder werken met digitale middelen en computersen daardoor minder geëquipeerd zijn om deze kerndoelen te onderwijzen?Er zijn verschillen tussen scholen in de mate waarmee zij werken metdigitale middelen. De kerndoelen digitale geletterdheid zijn erop gerichtdat leerlingen zich ontwikkelen tot bekwame, actieve en verantwoordelijkeburgers in de digitale samenleving. Ook scholen die minder digitalemiddelen gebruiken, kunnen met hun leerlingen aan deze kerndoelenwerken. Voor enkele kerndoelen is het echter wel noodzakelijk om deviceste gebruiken. Het is aan de school om een eigen afweging te makenhoeveel devices ze aanschaffen en hoe ze die in lijn met hun onderwijs-visie en leerlingpopulatie toepassen.49Zijn de scholen voldoende voorzien in aanvullende middelen om hen instaat te stellen aan deze doelen te voldoen?Er is op dit moment geen volledig zicht op de mate waarin scholen overvoldoende aanvullende middelen beschikken. Ten eerste verschilt dit perschool (zie vraag 8). De impact per school wordt duidelijker met debeproevingsfase van de kerndoelen voor burgerschap en digitalegeletterdheid. De fase van beproeven bestaat uit twee delen: enerzijds hetbeproeven van de kerndoelen in de scholen en het aanscherpen hiervan,anderzijds het in kaart brengen van wat er nodig is voor diens implemen-tatie. Hierna wordt een besluit genomen over de ontwikkelbehoeftes vande leraar. Daarnaast kunnen scholen op dit moment gebruik maken van9Myra monitor 2023, Kennisnet VO-raad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73416 diverse aanvullende subsidieregelingen, zoals de subsidie Verbeteringbasisvaardigheden 202410 en Impuls Open Leermateriaal11.50Hoeveel docenten beschikken op dit moment over de expertise omleerlingen te onderwijzen in programmeren?Veel docenten zijn al aan de slag met programmeren. Dit betekent niet datalle docenten een programmeertaal onder de knie hebben. Dat is ook nietnodig. Zo kunnen ze bijvoorbeeld gebruik maken van educatievehulpmiddelen zoals eenvoudig te programmeren robots en er zijn ookwebsites waarbij kinderen eenvoudige programmeertalen kunnen leren.Uit het peilonderzoek Digitale Geletterdheid van de inspectie blijkt datdocenten op het gebied van computational thinking (waar programmerendeel van uitmaakt) behoefte aan bijscholing hebben. Uit dit onderzoekblijkt ook dat 30 procent van de schoolleiders aangeeft dat hun docentenhier voldoende bekwaam voor zijn. Voor de andere drie domeinen vandigitale geletterdheid voelt de meerderheid van de docenten zichvoldoende bekwaam. Ook komt naar voren dat een visie, en daarmeekennis en steun voor docenten, op het gebied van digitale geletterdheidop veel scholen nog ontbreekt.Vanuit verschillende initiatieven werken we aan de doorlopende professi-onalisering op het gebied van digitale geletterdheid (zie antwoord opvraag 35).51Is overwogen om van AI niet een apart kerndoel te maken voor zowelprimair onderwijs als voortgezet onderwijs maar om dat te integreren ineen van de andere kerndoelen? Op grond van welke overwegingen iservoor gekozen om het op te nemen als afzonderlijk kerndoel?Kennis over de werking van AI, herkennen van AI en kritisch gebruikenvan AI-systemen spelen een zodanig grote rol in huidige en toekomstigewereld dat een eigen kerndoel volgens de betrokken vakexperts endocenten gerechtvaardigd is. Dat neemt niet weg dat AI ook in combinatiemet andere kerndoelen binnen digitale geletterdheid en in andereleergebieden aangeboden kan worden door scholen.52Tot kerndoel 2 Digitale media en informatie hoort de betrouwbaarheid vanmedia. Wie of wat bepaalt hier wat betrouwbaar is en wat niet?Kerndoel 2 is erop gericht dat leerlingen zelf leren inschatten of zij eenbron wel of niet betrouwbaar achten. Leerlingen leren hierbij zelf kritischevragen te stellen en op onderzoek uit te gaan. Bijvoorbeeld door te kijkennaar het type bron, doel van de informatie, waar de bron gepubliceerd is,auteur, publicatiedatum en opdrachtgever. Het is uiteindelijk de leerlingdie op basis van de beschikbare informatie leert te beargumenteren hoebetrouwbaar een bron is.53Wat wordt precies bedoeld met «uitleggen dat een dataset een beperktbeeld geeft van de werkelijkheid» in kerndoel 4 – Data?Een dataset is het resultaat van dataverzameling. Bij het verzamelen vandata worden die data verzameld die relevant worden geacht binnen deonderzoekscontext waarvoor de data worden verzameld. In kerndoel 4 isvoor het po opgenomen dat leerlingen kunnen uitleggen hoe de resul-taten van dataverwerking afhankelijk zijn van de herkomst, juistheid envolledigheid van de gebruikte dataset. De bedoeling hiervan is dat10Verbetering basisvaardigheden 2024 | Subsidie | Dienst Uitvoering Subsidies aan Instel-lingen[1832519067] (dus-i.nl)11Subsidieregeling - Impuls Open LeermateriaalTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73417 leerlingen de waarde en beperkingen van de resultaten van dataver-werking kunnen beoordelen, gegeven de kwaliteit van de gebruikte data.Kerndoel 4 in het vo bouwt hierop voort doordat is opgenomen dat deleerling kan uitleggen dat een dataset een beperkt beeld geeft van dewerkelijkheid. Data bevat een weergave van de werkelijkheid waarinformatie, kennis en inzichten in ontsloten kunnen liggen. Tegelijkertijdkan data niet altijd de werkelijkheid in zijn geheel vatten, omdat eensteekproef regelmatig niet representatief en te generaliseren is. Kerndoel4 draagt eraan bij dat leerlingen het begrip hiervan ontwikkelen en datkunnen overbrengen.54Is kerndoel 5 – Artificiële intelligentie nog actueel gezien de snelleontwikkelingen in generatieve AI?De kerndoelen voor AI zijn breed en techniekneutraal geformuleerd, watde actualiteit en toekomstbestendigheid ten goede komt. Vanuit dedoelzin, «de leerling verkent hoe AI-systemen werken» kunnen leerlingennu en in de toekomst ervaring opdoen met de werking van zulkesystemen, ook met de ontwikkelingen die deze technologie doorgaat.Mochten er toch grotere ontwikkelingen plaatsvinden die een veranderingvan de kerndoelen vereist, dan wordt dit ondervangen door de periodiekeherijking van het curriculum. Op deze manier wordt de actualiteit van hetkerndoel gewaarborgd.55Kunt u toelichten waarom een apart kerndoel is opgenomen voorprogrammeren en welke afwegingen daarbij een rol speelde?Programmeren is als apart kerndoel opgenomen omdat het volgens debetrokken vakexperts en docenten specifieke kennis en vaardighedenvraagt die niet goed passen bij andere kerndoelen. In alle buitenlandsecurricula en raamwerken wordt programmeren tevens als een essentieelleerdoel opgenomen.56Welk beslag op de totaal beschikbare leertijd legt het leren programmerennaar verwachting?De curriculummakers hebben de opdracht gekregen om een curriculum teontwerpen dat uitvoerbaar is binnen de hele onderwijstijd, maar zehoeven niet te specificeren hoeveel tijd dit per (sub)doel kost. Scholenhebben de vrijheid om zelf te bepalen hoeveel leertijd zij willen bestedenaan de verschillende kerndoelen, dus ook ten aanzien van leren program-meren. Het doel is niet dat leerlingen een volledige programmeertaalbeheersen, maar vooral dat ze kennismaken met de grondbeginselen.Tijdens de fase van beproeven wordt onderzocht of de kerndoelen in detotale gegeven tijd voldoende tot hun recht komen.57Welke programmeertalen zouden leerlingen in het kader van het kerndoelprogrammeren moeten leren beheersen?Er zijn geen specifieke programmeertalen die leerlingen moeten lerenbeheersen. Het gaat om kennismaken met programmeerconcepten. Deimplementatie is aan de school, dat betekent dat scholen hier vrijheid inhebben.58Is respect voor diversiteit de enige minimale norm die is opgenomen indit conceptkerndoel?In conceptkerndoel 2 wordt gesproken over «respectvol handelen vanuitkennis over een diverse samenleving». Het uitgangspunt hierbij is datdiversiteit een gegeven is in de samenleving en dat leerlingen zich hiertoeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73418 te verhouden hebben. Hiervoor hebben zij kennis nodig over debescherming die de Grondwet biedt tegen racisme en discriminatie enmoeten zij kunnen reflecteren op de eigen identiteit en die van de ander,alvorens respectvol te kunnen handelen. Dat zijn dus meerdere normen.Diversiteit is hier bedoeld in de breedste vorm van het woord: diversiteitin geloofs- en levensovertuiging, politieke voorkeur, afkomst, sekse,gender, seksuele oriëntatie en beperkingen.59Wat is de reden dat burgerschap vooral wordt gelezen in de (beperkte)definitie van de kernwaarden van de democratische rechtsstaat en wat isde reden dat bredere aspecten als gemeenschapszin minder aan bodkomen?Burgerschap gaat erom dat burgers weten hoe zij vanuit de eigen idealen,waarden en normen, en met respect voor diversiteit en voor de basis-waarden van de democratische rechtsstaat kunnen functioneren in en bijkunnen dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samen-leving. Burgerschap, op deze manier gedefinieerd, is relatief breed enomvat ook aspecten als gemeenschapszin, een waarde die nauw raakt aande waarde solidariteit die in het kader van de wettelijke burgerschapsop-dracht wordt uitgelicht als een van de basiswaarden van de democra-tische rechtsstaat. Ook in de conceptkerndoelen burgerschap komen dewaarden gemeenschapszin en solidariteit terug, bijvoorbeeld in concept-kerndoel 4 dat zich richt op maatschappelijke betrokkenheid.60Klopt het dat het niveau van burgerschap vooral toegespitst lijkt op deonderbouw van het voortgezet onderwijs? Is een duidelijker splitsingtussen primair onderwijs en voortgezet onderwijs mogelijk wat betreftniveau?Dat klopt niet. De doelzinnen van de po- en onderbouw vo-doelen zijngelijk, maar dat betekent niet dat het niveau in het po is toegespitst op deonderbouw van het vo. In de onderbouw van het voortgezet onderwijswordt de basis die in het po gelegd is onderhouden, verbreed en verdiept.Een belangrijk uitgangspunt bij het ontwikkelen is dat leerlingen overhetzelfde leren, maar op een manier die past bij de leeftijd. Omgaan metinspraak doe je op een andere manier in groep 2 dan in groep 8. Deleerlijnen en onderwijsprogramma’s van scholen werken dat verder uit.Deze samenhang tussen po en vo sluit overigens goed aan op dewettelijke burgerschapsopdracht, die ook gelijk is voor po en vo.61Is de aandacht voor diversiteit en inclusie niet erg tijdgebonden gelet ophet feit dat de discussies hierover pas duidelijk gevoerd worden in deafgelopen tien jaar?In de Nederlandse Grondwet komt diversiteit terug in artikel 1: «allen diezich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid,ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook,is niet toegestaan.» Diversiteit en inclusie zijn belangrijke, tijdlozekenmerken van onze samenleving en gaan iedereen aan. Het is dan ooklogisch dat dit een thema is voor burgerschapsonderwijs.62Wat is de reden dat woorden als antisemitisme en Holocaust in dekerndoelen ontbreken, terwijl deze thematiek actueler is dan ooit? Is debedoeling dat dit bij uitstek ook duidelijk bij burgerschap aan de ordekomt?De conceptkerndoelen burgerschap zijn nadrukkelijk gericht op hetafwijzen van discriminatie en racisme, hieronder valt ook antisemitisme.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73419 Met de huidige conceptkerndoelen wordt al deels uitvoer gegeven aan demotie van het lid Van den Hul c.s. uit 2020 over de uitwerking van dekerndoelen ten aanzien van racisme, discriminatie, antisemitisme,koloniaal verleden en migratiegeschiedenis (Kamerstuk 31 293, nr. 533).Recent is door de Kamer een nieuwe motie aangenomen van het lidPalmen c.s. over het opnemen van het thema antisemitisme in de nieuwekerndoelen burgerschap (Kamerstuk 30 950, nr. 392). De motie wordtmeegenomen door SLO bij de aanscherping van de kerndoelen, die duurttot eind 2024. Na deze fase van beproeven worden de aangescherptkerndoelen aan uw Kamer voorgelegd.Belangrijk is om te benadrukken dat antisemitisme en de Holocaust alsthema’s ook een plek krijgen in het leergebied mens en maatschappij,waar geschiedenis deel van uitmaakt. Daarmee komt er dus aandachtvoor dit onderwerp. De conceptkerndoelen voor dit leergebied zijnmomenteel nog in ontwikkeling.63Welke onderdelen van de conceptkerndoelen burgerschap zijn alopgenomen in vakken zoals geschiedenis, economie en maatschappijleer?Burgerschap komt in de huidige praktijk bij de vakken geschiedenis,economie en maatschappijleer soms aan bod, maar nog niet in bewustesamenhang. Sommige scholen besteden er veel aandacht aan ensommige scholen heel weinig. Om iedereen een gelijke basis mee tegeven zijn de leerdoelen voor burgerschap geconcretiseerd. Dat hoeftnadrukkelijk geen apart vak te worden. Sterker nog: het is juist heel sterkals burgerschapscomponenten bewust gekoppeld worden aan vakken alsgeschiedenis, economie en maatschappijleer. Daarom moeten deburgerschapsdoelen bij voorkeur in samenhang met de doelen voor hetleergebied mens en maatschappij worden bekeken. De conceptkerndoelendoor mens en maatschappij worden in het najaar van 2024 verwacht.64Hoe verhouden deze conceptkerndoelen zich tot de wettelijke eisen voorbevordering van burgerschap die in 2021 zijn opgesteld? Zijn dezebedoeld om meer «handvatten» te geven wat betreft de inhoud van datburgerschap en dus als aanvulling/verduidelijking?De wettelijke burgerschapsopdracht is een algemene opdracht aan deschool om te werken aan actief burgerschap en sociale cohesie binnen deschool. De opdracht bestaat uit twee onderdelen: de schoolcultuur enburgerschapsonderwijs. Het burgerschapsonderwijs waar de opdracht opziet bestaat uit grofweg drie onderdelen: respect voor en kennis van debasiswaarden, ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competentiesen bijbrengen van kennis over en respect voor diversiteit.Met de conceptkerndoelen kan invulling gegeven worden aan hetburgerschapsonderwijs, maar de burgerschapsopdracht is een bredereopdracht aan de gehele school: niet alleen de lessen, maar ook de pauzesen de omgang met elkaar. De conceptkerndoelen zijn niet bedoeld om deburgerschapsopdracht te verduidelijken of om er een volledige invullingaan te kunnen geven, het gaat immers om een andere wettelijke opdracht.Dat neemt echter niet weg dat scholen de kerndoelen burgerschap strakswel kunnen benutten voor de invulling van hun burgerschapsonderwijs,dat ook onderdeel uitmaakt van de burgerschapsopdracht.65Op welke manier verschillen de burgerschapsdoelen met die in andere,ons omringende democratische landen als Frankrijk, Engeland en deVerenigde Staten? Beschikt u over internationaal vergelijkend onderzoekvan het type kennis, ervaringen en vaardigheden?Bij de ontwikkeling van de conceptkerndoelen burgerschap is gekekennaar de doelen in omringende en vergelijkbare landen. De conceptkern-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73420 doelen burgerschap zijn in de kern vergelijkbaar met de doelen in dezelanden. Er is geen systematisch onderzoek gedaan naar hoe de doelenprecies van elkaar verschillen tussen landen.Er wordt iedere zes jaar internationaal vergelijkend onderzoek gedaannaar burgerschapscompetenties van jongeren van 14 jaar oud: deInternational Civic en Citizenship Education Study (ICCS). De compe-tenties en houdingen die hierin onderzocht worden zijn ook gewogen enmeegenomen in de ontwikkeling van de kerndoelen.66Op welke manier is de kennis over het actieve en passieve stemrechtonderdeel van de kerndoelen burgerschap en op welke leeftijd wordenleerlingen geacht over deze kennis te beschikken?Het kan onderdeel uitmaken van lessen die gebaseerd zijn op concept-kerndoel 5. Dat geldt voor leerlingen van alle leeftijden. Het is aan scholenzelf hoe zij hieraan precieze invulling willen geven. Daarnaast komt hetexpliciet aan bod bij maatschappijleer in de bovenbouw van het vo. Dit isdus vanaf de leeftijd van 15/ 16 jaar (zie ook het antwoord op vraag 11).67Wat is de theoretische basis of aanname achter de conceptkerndoelen?Richt het burgerschapsonderwijs zich op de vorming van leerlingen totspecifiek Nederlands staatsburger of tot wereldburger?Het burgerschapsonderwijs gaat uit van de pluriforme, democratischeNederlandse samenleving; in dat opzicht speelt de staats- en samenle-vingsvorm van Nederland specifiek een vormende rol. In zowel dewettelijke burgerschapsopdracht als in de conceptkerndoelen burgerschapwordt echter ook gerefereerd aan de fundamentele, wereldwijde rechtenen vrijheden van de mens, zoals vastgelegd in verschillende internationaleverdragen. Samen met de rechten en vrijheden van de Nederlandseburger zoals die zijn vastgelegd in de Nederlandse Grondwet, bepalendeze verdragen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat die inhet burgerschapsonderwijs centraal dienen te staan: vrijheid, gelijkwaar-digheid en solidariteit. De veronderstelling is dat leerlingen tegelijkertijdworden voorbereid op deelname aan de Nederlandse samenleving én opdeelname aan de samenleving in bredere zin. Dit wordt ook in dememorie van toelichting bij de wettelijke burgerschapsopdracht zobenoemd: «De kennis, vaardigheden en houding die jongeren nodighebben om deel te kunnen nemen aan de samenleving zijn niet gebondenaan landsgrenzen, maar betreffen universele waarden binnen eeninternationale context.» (Wet verduidelijking burgerschapsopdracht,memorie van toelichting 2021).68Hoe wordt het behandelen van kinder- en mensenrechten geborgd in dekerndoelen burgerschap?In de uitwerking van kerndoel 3 is opgenomen dat leerlingen kennis moethebben over (het belang van) de Grondwet, kinder- en mensenrechten eninternationale verdragen ter bescherming van vrijheid, gelijkheid ensolidariteit.69Hoe verhouden de kerndoelen burgerschap zich tot de wettelijkeburgerschapsopdracht en de nieuwe onderzoekskader basisvaardigheden(OP0) van de Inspectie van het Onderwijs?Zie ook het antwoord op vraag 64.De inspectie ziet erop toe dat scholen zich aan de wettelijke eisen houden;het onderzoekskader van de inspectie is dus op deze wettelijke eisengebaseerd. Momenteel houdt de inspectie toezicht op de burgerschapsop-dracht, de basisvaardigheden (OP0) en de kerndoelen (OP1). Zodra deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73421 nieuwe kerndoelen (burgerschap) wettelijk worden vastgelegd, zullendeze als basis voor het toezicht dienen.70 en 71Wat gebeurt er als scholen niet voldoen aan de burgerschapskerndoelen?Wat zijn de gevolgen als er onderwijs plaatsvindt dat tegenstrijdig is aande burgerschapskerndoelen?De inspectie ziet toe op de naleving van de kerndoelen. Dit gebeurt sindsseptember 2023 in het funderend onderwijs (en sinds januari 2024 ook inhet mbo) via de standaard OP0: basisvaardigheden (Nederlands,rekenen-wiskunde en burgerschap). Deze standaard is opgenomen in deverschillende sectorale onderzoekskaders. De inspectie velt op hetmoment van schrijven nog geen (meetellend) oordeel over OP0. Wel geeftzij herstelopdrachten wanneer sprake is van tekortkomingen op het vlakvan de basisvaardigheden. Dit kan gelden voor zowel het niet voldoen aande kerndoelen of de burgerschapsopdracht als onderwijs dat strijdig ismet de kerndoelen of de burgerschapsopdracht. Scholen en instellingenkrijgen daarna de tijd om de tekortkomingen te herstellen, waarnaherstelonderzoek volgt. Bij ernstige of langdurige tekortkomingen kan deinspectie een bekostigingssanctie opleggen. Tot op heden is dat nietgebeurd. Indien er sprake is van een structureel of flagrant handelen instrijd met de burgerschapsopdracht dat leidt of dreigt te leiden toternstige aantasting van een of meer basiswaarden van de democratischerechtsstaat, kan de Minister op grond van de wet een (spoed)aanwijzingopleggen.72Wat is de afweging geweest om niet te kiezen voor een duidelijkeresplitsing tussen kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouwvan het voortgezet onderwijs, die veel overeenkomsten met elkaarvertonen?Leerlingen leren beter als iets meerdere keren in hun onderwijsloopbaanterugkomt, met steeds een diepere laag. Zo kun je voortbouwen op eerderopgedane kennis. Door de doelzinnen van de conceptkerndoelen voor poen vo te laten overeenkomen, wordt inzichtelijk gemaakt dat het hier gaatom een doorlopende leerlijn van het po naar het vo en wordt dievoorkennis ook geactiveerd. In de onderbouw van het vo kan sprake zijnvan een verdieping van de kennis die leerlingen in het po hebbenopgedaan, of er wordt met ingewikkeldere contexten aan dezelfdekerndoelen gewerkt. In de «het gaat hierbij om» wordt al een nuancever-schil aangebracht tussen het po en de onderbouw vo. In de voorbeeld-matige leerlijnen die SLO ontwikkelt, zal dit verschil nog duidelijkerworden en een meer concrete invulling krijgen.73Heeft SLO de opdracht gekregen van het Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap om leerlijnen en ondersteunende materialen teontwikkelen ten aanzien van deze conceptkerndoelen en hoe verhoudt datzich tot het gegeven dat deze nog moeten worden ontwikkeld? Hoeverloopt de financiering van SLO en specifiek de verdere ontwikkeling vande leerlijnen en materialen voor deze kerndoelen?Ja, deze opdracht heeft SLO gekregen. Het is belangrijk dat we leraren enscholen helpen om zich voor te bereiden op de nieuwe kerndoelen eneindexamenprogramma’s. Daarvoor zijn passende leerlijnen en onder-steunende materialen nodig. Dit is niet alleen belangrijk voor leraren enschoolleiders, maar ook voor educatieve uitgeverijen, toetsontwikkelaarsen andere onderwijsprofessionals. Zo worden de nieuwe kerndoelen enexamenprogramma’s uiteindelijk omgezet naar goed onderwijs. Hetproces van het ontwikkelen van leerlingen en ondersteunende materialenloopt parallel mee in de curriculumherziening. Zo ontwikkelt SLO dit jaarTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73422 al de leerlijnen voor Nederlands, en rekenen-wiskunde omdat de fase vanbeproeven bijna is afgerond.SLO krijgt een jaarlijkse instellingssubsidie voor haar wettelijke takenzoals die zijn beschreven in de wet subsidiëring landelijke onderwijson-dersteunende activiteiten (SLOA). In aanvulling hierop ontvangt SLO vooronder andere de curriculumherziening ook projectsubsidie. Middels detweejaarlijkse Kaderbrief wordt uw Kamer geïnformeerd over deopdrachtlevering vanuit het Ministerie van OCW aan SLO. In de laatstverzonden Kaderbrief aan uw Kamer werden voor 2024 en 2025 de kadersgeschetst voor de werkzaamheden van SLO12.74In hoeverre sluiten deze kerndoelen aan op datgene wat wordt gemeten inhet ICCS-onderzoek uit 2022? Zijn de SLO-probleemanalyses apart met deKamer gedeeld en besproken?De competenties en houdingen die binnen ICCS worden onderzocht, zijngewogen en meegenomen in de ontwikkeling van de kerndoelen. Dekerndoelen sluiten daardoor goed aan op het ICCS-onderzoek. Dekerndoelen zijn niet opgesteld om uitsluitend de problemen zoalsgesignaleerd in dat onderzoek op te lossen.De startnotities zijn niet apart met de Kamer gedeeld, maar wel openbaarte vinden via de website van SLO13.75Is levensbeschouwelijke vorming ook een vormingsgebied waarbinnenburgerschapsonderwijs plaatsvindt, naast de leergebieden die al wordenbenoemd?Ja, ook binnen levensbeschouwelijk vormingsonderwijs kan burger-schapsonderwijs plaatsvinden. Leerlingen krijgen kennis van verschil-lende manieren waarop (groepen) mensen vorm geven aan levensbe-schouwing en religie, oriënteren zich op maatschappelijke/ ethischevraagstukken en leren zich te verhouden tot en omgaan met verschillen.76Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat de kerndoelen voorburgerschapsonderwijs zich vooral richten op primair en onderbouwvoortgezet onderwijs, maar voor de bovenbouw van het voortgezetonderwijs nauwelijks zijn geëxpliciteerd? Wordt het in de bovenbouw vanhet voortgezet onderwijs straks sterk afhankelijk van de profiel- envakkenkeuze in welke mate een leerling burgerschapsonderwijs krijgt?Kerndoelen zien alleen op het po en de onderbouw van het vo. Burger-schap wordt in de bovenbouw uitgewerkt in het voor alle leerlingenverplichte vak maatschappijleer, waarvoor nieuwe eindtermen wordenontwikkeld.77Hoe verhouden het burgerschapskerndoel «schoolcultuur» en deburgerschapsopdracht zich tot elkaar?Kerndoel 1, dat zich richt op een democratische schoolcultuur, overlaptmet het onderdeel van de wettelijke burgerschapsopdracht dat toeziet opeen schoolcultuur. Dit geldt in het bijzonder voor de eerste bullet onder«het gaat hierbij om», die van scholen vraagt dat zij zorgen voor eenveilige schoolomgeving met aandacht voor diversiteit en inclusie. Deconceptkerndoelen worden momenteel beproefd en besproken metexperts. Op basis van de bevindingen zullen de doelen indien nodig nogworden aangepast.12Kamerstukken II, 2022/23, 36 200 VIII, nr. 21513https://www.slo.nl/@21497/startnotitie-kerndoelen-burgerschap/Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73423 78Wat is de reden dat kennis over diversiteit in gender en seksuele oriëntatieterugkomt in de conceptkerndoelen burgerschap?Op school leren leerlingen over zichzelf en anderen en daar horenverschillen in gender en seksuele oriëntatie ook bij. Ook de wettelijkeburgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze leerlingen kennis over enrespect bijbrengen voor verschillen in seksuele gerichtheid.Het onderwijzen van leerlingen op het vlak van seksuele diversiteitgebeurt overigens al langer. Sinds eind 2012 zijn scholen verplichtaandacht te besteden aan seksualiteit, diversiteit en seksuele diversiteit.79Waarom is ervoor gekozen om kennis over diversiteit in gender enseksuele oriëntatie op te nemen in de conceptkerndoelen burgerschap?Zie het antwoord op vraag 78.80Wat wordt bedoeld met «uitbeelden van verschillende gewoonten vanuithuis, zonder in stereotypering te vallen»?Door gewoonten die leerlingen van huis uit meekrijgen te bespreken,komen leerlingen in aanraking met andere gebruiken en perspectieven.Het zinsdeel waaraan wordt gerefereerd valt onder te categorie «tedenken valt aan» en kan worden gezien als een suggestie voor leermidde-lenmakers en leraren. Aan de hand van deze voorbeelduitwerking van hetkerndoel kan les worden gegeven over een diverse samenleving waarbijeen directe link wordt gelegd met de belevingswereld van leerlingen.81In hoeverre is het mogelijk dat scholen leerlingen toetsen op de matewaarin ze deugden, zoals respect, hebben geïnternaliseerd en ernaarhandelen?Het is mogelijk om vast te stellen of leerlingen inzicht hebben in hunhoudingen en of leerlingen hier naar handelen. Dit kan bijvoorbeeld viaeen vragenlijst als zelf-evaluatie, of via beoordelaars op basis vanobservatie. Als onderdeel van het ontwikkelproces zouden deze vormenvan monitoring formatief kunnen worden ingezet door de school. Het isechter niet de bedoeling om houdingen af te rekenen. Daarom is de term«toetsing» hier minder op zijn plek, het suggereert alsof er één goedantwoord is. Hier is het passender om te spreken van het inzichtelijkmaken van de ontwikkeling. De wetgever kan en wil immers nietvoorschrijven wat leerlingen moeten vinden, voelen of willen.82Wat is de reden dat specifiek de suggestie wordt gedaan van themadagenover diversiteit? In hoeverre is het wenselijk dat de overheid zulkespecifieke suggesties doet?De themadagen worden genoemd bij de categorie «te denken valt aan» enkunnen daarmee worden beschouwd als een voorbeelduitwerking van hetkerndoel. Het betreft een suggestie richting leermiddelenmakers endocenten om democratische waarden te onderwijzen. Het organiseren vanthemadagen zijn geen verplichting. Het staat scholen vrij om de lessenover dit onderwerp op een andere manier vorm te geven (zie ook hetantwoord op vraag 80).83Wordt aan de Grondwet, kinder- en mensenrechten gelijke aandachttoegekend of is daar een onderscheid in te lezen?In de conceptkerndoelen wordt geen onderscheid gemaakt in de aandachtdie gevraagd wordt voor de Grondwet en de kinder- en mensenrechten.Alle drie worden genoemd onder kerndoel 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73424 84Klopt het dat kerndoel 3 van burgerschap ziet op kennis van de Grondwet,kinder- en mensenrechten ter bescherming van vrijheid, gelijkheid ensolidariteit? Gaat het hier alleen om de rechten als bescherming van dezedrie waarden of wordt dit breder bedoeld?Dat klopt. Het gaat in dit kerndoel om kennis van de wetten en rechten enom hoe deze de basiswaarden vrijheid, gelijkheid en solidariteitbeschermen. Het is aan scholen om hieraan eventueel toevoegingen tedoen die passen bij hun visie.85Wat is de reden dat er niet staat «... te kiezen wat hij denkt, gelooft ofbelijdt (...)» of «...te kiezen wat hij of zij denkt, gelooft of belijdt (...)»Dit is een citaat uit het toelichtingsdocument bij de conceptkerndoelen. Inhet citaat staat «... te kiezen wat die denkt, gelooft of belijdt (...)». In dewerkopdracht is meegegeven dat in de kerndoelen rekening gehoudenmoet worden met diversiteit in de samenleving. Daarom zijn er geengenderspecifieke aanduidingen gebruikt zoals hij/ zij, maar wordt ergesproken van «die» of «de leerling». In het toelichtingsdocument isdezelfde lijn aangehouden.86Is het uitgangspunt dat in alle kerndoelen en onderwijscurricula gender-neutraal taalgebruik wordt gehanteerd?In de nu geldende kerndoelen onderbouw vo wordt de aanduiding «deleerling [...]» gebruikt, soms gevolgd door de aanspreekvorm «hij». Omdatniet alle leerlingen mannelijk zijn, wordt er niet meer gesproken over«hij», maar over «de leerling». In de nu geldende kerndoelen po was datal zo. Die worden nu dus met elkaar in overeenstemming gebracht.87Deelt u de door SLO gehanteerde definitie van solidariteit en de invullingdie dat begrip daarmee krijgt in deze concept kerndoelen? Ziet u deverschillen met de definitie die het woordenboek van Van Dale hanteert?In de kerndoelen wordt het begrip solidariteit niet uitgewerkt. Dat geeftscholen de ruimte om zelf na te denken over de precieze invulling van hetbegrip. Zowel de begrippenlijst van SLO als het een woordenboek als VanDale kan ze daarbij helpen.88Wat verstaat u onder een «ideale samenleving»? Wordt er ook ingegaanop het feit dat ideaalbeelden subjectief kunnen zijn?Dit is een citaat uit de toelichting waarin staat dat de leerling wordtgestimuleerd om een ideale samenleving vorm te geven. Daarmee wordtniet een vooropgestelde norm van een ideale samenleving bedoeld, maarwordt inderdaad de subjectieve ideale samenleving bedoeld. De concept-kerndoelen zijn erop gericht dat leerlingen hun eigen idealen kennen enweten hoe ze die naar de samenleving kunnen vertalen. Dit is bijvoorbeeldterug te lezen in de kerndoelen 4 en 6.89Waarom is kerndoel 5 van burgerschap vernauwd tot democratischebetrokkenheid? In hoeverre vindt u betrokkenheid in algemene zin,waaronder de democratie, passender bij burgerschap?Democratische betrokkenheid specifiek en maatschappelijke betrok-kenheid in algemenere zin zijn beide onderwerpen die in het burger-schapsonderwijs aan bod dienen te komen. De democratische betrok-kenheid staat centraal in conceptkerndoel 5, de maatschappelijkebetrokkenheid staat centraal in conceptkerndoel 4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73425 90Kunt u de 8 procent ontwerpruimte voor burgerschap nader onderbouwenen duiden? Wat betekent dit voor de praktijk in de klas? Welke afwegingenliggen ten grondslag aan de keuze voor specifiek 8 procent?In het kader ontwerpruimte van SLO is 7% van de totale omvanggereserveerd voor kerndoelen burgerschap. Het kabinet heeft in hetCoalitieakkoord van 2022 de ambitie uitgesproken dat burgerschap eenintegraal onderdeel wordt van het onderwijs. Dat betekent dan ook dat ereen duidelijke opdracht aan scholen moet komen wat dit dan betekent endat er dus kerndoelen voor moeten komen. De precieze onderbouwingvan de 7% ontwerpruimte is te vinden in de uitgebreide toelichting vanSLO op het kader ontwerpruimte. Er is hierbij onder andere gekeken naar:•Hoe burgerschap in de huidige praktijk terugkomt (op basis vannationale vergelijking zoals verschillende peilingsonderzoeken van deinspectie).•Hoe burgerschap in andere landen in het curriculum terugkomt (opbasis van internationale vergelijkingen zoals verschillende OESO-rapporten).•Wat er voor nodig is om de ambitie van het kabinet op het gebied vanburgerschap te verwezenlijken.Dat heeft geleid tot de 7% ontwerpruimte. Hierbij valt wel een belangrijkekanttekening te maken. Zoals SLO zelf zegt: «De vormgeving van denieuwe leergebieden in de onderwijspraktijk is net als voor de andereleergebieden aan de scholen zelf. Daarbij kan de op het oog statischeverdeling van ruimte voor deze leergebieden vervagen, bijvoorbeeldomdat doelen deels geïntegreerd aangeboden worden.»Daar sluit het Ministerie van OCW zich volledig bij aan. Burgerschap is bijuitstek iets wat zich niet leent om geïsoleerd aan te bieden. Zo kunnendoelen rondom respect voor diversiteit en leren over de democratie primasamengaan met bijvoorbeeld kerndoelen uit Nederlands en mens enmaatschappij. Zo komt burgerschap niet «er boven op», maar vormt hetintegraal onderdeel van het onderwijs.91Geldt het uitgangspunt dat dezelfde domeinen en doelen gelden voor hetprimair onderwijs en de onderbouw voortgezet onderwijs alleen voorburgerschap of ook voor andere onderwerpen?Dit was geen centraal uitgangspunt. De ontwerpteams hebben er omwillevan de samenhang voor gekozen om dat ook voor digitale geletterdheid,Nederlands en rekenen-wiskunde toe te passen. Bij ieder leergebied isnagedacht over de logica van differentiatie passend bij dat leergebied. Bijsommige leergebieden is differentiatie bij sommige onderdelenpassend(rekenen-wiskunde) en zijn de uitwerkingen onder doelzinnendaarom meer verschillend tussen po en onderbouw vo.92In hoeverre kunnen de kerndoelen worden getoetst als geen sprake is vanniveaubepalingen?De nieuwe kerndoelen zijn dusdanig gedetailleerd beschreven dat ze inprincipe voldoende houvast bieden voor leraren. Houvast om hunonderwijs vorm te geven en ook houvast om inzichtelijk te maken wat deleeropbrengsten van leerlingen zouden kunnen zijn. Voor leraren diebehoefte hebben aan meer gedetailleerde uitwerkingen stelt SLOtussendoelen en leerlijnen beschikbaar.Voor methode-onafhankelijke toetsen (zoals de LVS-toetsen) en formeletoetsen (zoals de doorstroomtoets in groep 8) zijn niveaubepalingen welnodig, om te zorgen voor vergelijkbaarheid tussen verschillende toetsen.De doorstroomtoets en de LVS-toetsen vanaf groep 6 in het po maken indat kader gebruik van de referentieniveaus zoals beschreven in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73426 referentiekader taal en rekenen. Om beter aan te sluiten bij de tijd wordtook het referentiekader taal en rekenen bijgesteld (zie vraag 15 en 16).93Acht u het onwenselijk om extra burgerschapsdoelen aan te wijzen omdater geen andere burgerschapsdoelen zijn of omdat het aanwijzen vanaanvullende doelen slecht zouden zijn voor de kansengelijkheid? Hoeverhoudt deze focus op kansengelijkheid zich tot de doorlopende lijn inhet voortgezet onderwijs?Het is onwenselijk om onderscheid te maken tussen burgerschapsdoelenvoor het vmbo, havo en vwo. Uit onderzoek blijkt dat dit onderscheid opdit moment nog wel vaak wordt gemaakt in de praktijk.14 Vanvmbo-leerlingen wordt vaker gevraagd zich aan te passen aan demaatschappij binnen burgerschapsonderwijs, terwijl havisten envwo-leerlingen vaker leren hoe zij de maatschappij zouden kunnenvormgeven. Daarom is voor het leergebied burgerschap geen onder-scheid gemaakt tussen vmbo en havo/vwo en daarom worden aanvmbo-leerlingen dus dezelfde onderwijsinhouden geboden binnen ditleergebied. De doorlopende leerlijn naar de bovenbouw is bij hetontwikkelen scherp in de gaten gehouden: voor zowel vmbo als voor havoen vwo wordt de inhoudelijke overstap van onderbouw naar bovenbouwgewaarborgd met deze doelen. In de bovenbouw zit bij alle vakken ookeen burgerschapscomponent, zodat iedereen uiteindelijk voorbereid is opdiens rol in de samenleving.94Hoe verhoudt identiteit zich tot levensbeschouwing (hetzij godsdienstighetzij seculier)?Een godsdienstige dan wel seculiere levensbeschouwing kan evenalsbijvoorbeeld afkomst, sekse, gender, geaardheid, interesses, talenten enpersoonlijke geschiedenis deel uitmaken van iemands identiteit. De matewaarin dit het geval is, kan per persoon verschillen.95Worden scholen verplicht om inzichtelijk te maken dat leerlingen respectvoor diversiteit opbrengen en zo ja, op welke manieren kunnen scholendat doen?Conceptkerndoel 2 ziet op het respectvol handelen vanuit kennis over eendiverse samenleving. Er wordt dus niet gevraagd om respect te kunnenopbrengen voor diversiteit, maar leerlingen moeten de kennis, ervaringenen vaardigheden hebben kunnen opdoen om respectvol om te gaan metanderen, bijvoorbeeld mensen met een andere visie of perspectief. Dekerndoelen uit 2006 noch de conceptkerndoelen schrijven voor datleerlingen respect moeten opbrengen, maar ze moeten leren hoe zerespectvol om kunnen gaan met diversiteit. Het zou onwenselijk zijn omhierop toezicht te houden met normatieve toetsen of afvinklijsten. Hierinis de inspanningsverplichting van scholen om het conceptkerndoel aanbod te laten komen veel belangrijker.96Is respect voor diversiteit de enige minimale norm die is opgenomen indit conceptkerndoel?Zie beantwoording vraag 58. Er zijn meer normen, bijvoorbeeldbescherming bieden tegen discriminatie en racisme.97In hoeverre is het uitgangspunt van deze conceptkerndoelen dat er ookbelangrijke burgerplichten zijn, die niet vanuit de wet worden opgelegd?14Nieuwelink, 2023, p. 37–38Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73427 Binnen kerndoel 4 (maatschappelijke betrokkenheid) wordt gesprokenover rechten en plichten van burgers, maar ook over taken en rollen dieburgers hebben in de samenleving. Hiermee wordt bedoeld welkeverantwoordelijkheden en functies individuen en groepen vervullen omeen georganiseerde en functionerende samenleving te creëren. Hetvervullen van deze taken draagt bij aan het welzijn en de ontwikkeling vande samenleving als geheel. (Noot: p. 27 SLO). Kennis over deze taken enrollen alsmede afwegingen kunnen maken hoe een leerling zelf diensmaatschappelijke betrokkenheid kan vormgeven komt dus in dekerndoelen aan bod.98Wat betekent «een samenleving die nog niet bestaat», waarnaar wordtverwezen?Dit citaat komt uit de toelichting. Leerlingen moeten niet alleen voorbereidworden op de huidige samenleving, maar ook op de samenleving van detoekomst. Deze kan verschillen van de samenleving zoals wij diemomenteel kennen. Het gaat er hierbij om dat leerlingen met behulp vanbijvoorbeeld creatieve denkvaardigheden kunnen nadenken over onzetoekomst en de rol die zij daarin willen spelen.99In hoeverre betekent de bepaling in de werkopdracht dat de doelformu-lering is aangepast (zie onder «Inclusiviteit»)? In hoeverre is de doelfor-mulering daardoor anders?Zie antwoord op vraag 86. Afgezien van dat nu gesproken wordt over deleerling, zijn er geen veranderingen in de doelformulering.100Waarom is invoering van de kerndoelen niet eerder mogelijk dan vanafhet schooljaar 2027–2028?Dat heeft te maken met drie factoren: de concepten moeten nog beproefdworden in de praktijk. De inzichten die dat oplevert, worden gebruikt omde kerndoelen aan te scherpen. Het beproeven en aanscherpen duurt totbegin 2025. De concepten moeten vervolgens worden vastgelegd in wet-en regelgeving. Omdat er nu geen grondslag is voor burgerschap endigitale geletterdheid, moet eerst de wet worden gewijzigd. Dat loopt nuen wordt naar verwachting begin 2026 afgerond. Scholen moeten de tijdhebben om zich voor te bereiden op de implementatie van nieuwekerndoelen. Leraren moeten worden bijgeschoold. Er wordt onderzochthoeveel tijd zij daarvoor nodig hebben. Leermiddelenmakers geven aantwee jaar nodig te hebben om nieuwe leermiddelen te maken. Dat is vanaf2027/2028 gerealiseerd. Tot die tijd stimuleren we scholen om al aan deslag te gaan met digitale geletterdheid en burgerschap, bijvoorbeeld viahet masterplan basisvaardigheden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73428

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 9df1e8cb0c1734ac

14 okt 2026 · 8981644fc0934528

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.