KamerkringInloggen
Kamerstuk

Nota naar aanleiding van het verslag

21 mei 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 69ad4375cf29a6eb · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 512Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht,de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, deWet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking vande regie op de volkshuisvesting en met het oogop enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen (Wet versterkingregie volkshuisvesting)Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 21 mei 2024 Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag dat de vastecommissie voor Binnenlandse Zaken over het wetsvoorstel versterkingregie volkshuisvesting heeft uitgebracht. Ik ben de leden van de fractieserkentelijk voor de voortvarendheid waarmee de Kamer na indiening vanhet wetsvoorstel het verslag heeft uitgebracht. De regering heeft, in hetbelang van de voortgang van dit wetsvoorstel, het verslag zo zorgvuldigmogelijk en met urgentie beantwoord en doe een beroep op uw Kamerom het wetsvoorstel spoedig aan te melden voor plenaire behandeling.De regering streeft ernaar om het wetsvoorstel per 1 januari 2025 inwerking te laten treden. Tijdige mondelinge agendering en vaststellingvan het wettelijk kader is immers van groot belang voor de grotevolkshuisvestingsopgave die er ligt.Er zijn op dit moment te weinig woningen en onvoldoende locaties om tebouwen. De opdracht is groot: tot en met 2030 zijn er 981.000 nieuwewoningen nodig. Twee derde daarvan moeten betaalbare koop- enhuurwoningen zijn. De afgelopen jaren heeft de optelsom van lokalebeslissingen niet geleid tot wat er nationaal nodig is. Met dit wetsvoorstelwordt voorzien in een wettelijke basis van het hernemen van de regie opde volkshuisvesting. Overheden krijgen hiermee de wettelijke instru-menten om met meer regie en met meer tempo samen te werken aan deopgaven voor de volkshuisvesting. Voor marktpartijen en voor woningcor-poraties biedt het wetsvoorstel de wettelijke borging van een gecoördi-neerde aanpak, versnelling van procedures en meer eenduidige regie opvoldoende locaties. Dit is essentieel zodat met meer tempo gebouwd kanworden. Gezien de omvang van de volkshuisvestingsopgave, is demaatschappelijke urgentie voor dit wetsvoorstel groot. De regering zietdan ook uit naar het spoedige vervolg van de behandeling van hetwetsvoorstel.Ik constateer dat een groot deel van de leden van de fracties het belangvan het wetsvoorstel, het hernemen van regie op de volkshuisvesting,onderschrijven. De leden van verschillende fracties benadrukken het kst-36512-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 71 belang van een actieve overheid. Ook zijn de leden van diverse fractiesenthousiast over de voorstellen omtrent het versnellen van procedures.De leden van de fracties hebben wel vragen over de uitwerking van ditwetsvoorstel. Daarbij zijn ook veel vragen gesteld over elementen die nietin dit wetsvoorstel worden geregeld, maar in de onderliggende regel-geving. Op deze gestelde vragen is in lijn met het voorgenomen Besluitversterking regie volkshuisvesting en de concept Regeling versterkingregie volkshuisvesting geantwoord. Het ontwerpbesluit en de conceptre-geling zijn beide in consultatie geweest. Het streven is om het ontwerpbe-sluit, kort na de behandeling van dit wetsvoorstel, bij de Tweede Kamervoor te hangen.In algemene zin hebben de leden van alle fracties vragen gesteld over debetaalbaarheidsprogrammering zoals die in dit wetsvoorstel is aange-kondigd, en verdere uitwerking krijgt in het voorgenomen Besluitversterking regie volkshuisvesting. Over de inzet van sturingsinstru-menten die de overheden met dit wetsvoorstel in handen krijgen zijnvragen gerezen of deze afdoende zijn en daarmee de doelstellingen vandit wetsvoorstel wel gerealiseerd kunnen worden. De leden van allefracties hebben vragen gesteld over de regeling die met dit wetsvoorstelwordt geïntroduceerd aangaande de wettelijk urgent woningzoekenden.Zorgen zijn geuit door leden van enkele fracties over de gevolgen vandeze regeling voor andere woningzoekenden, zoals mensen die eenmaatschappelijk beroep uitoefenen en «regulier woningzoekenden». Overde weigeringsgronden van de urgentieregeling zijn vragen gesteld, diegrotendeels zijn beslag krijgt in de ministeriële regeling. Door de ledenvan de fracties zijn diverse vragen gerezen over de categorieën vanprojecten die aangewezen zijn als projecten van «zwaarwegendmaatschappelijk belang» in het kader van het versnellen van procedures.Ik hoop met deze nota naar aanleiding van het verslag opheldering tebieden over vragen die bij de leden van de fracties leven en eventuelezorgen weg te nemen. In algemene zin dient opgemerkt te worden dat ditwetsvoorstel op zichzelf onvoldoende is om de woningbouwopgave tot enmet 2030 haalbaar te maken, hiervoor zijn ook aanvullende instrumentennodig, zoals het doorzetten van de hervorming van het grondbeleid,financiële ondersteuning idealiter met structurele middelen, enversnelling van procedures via de ingezette niet-wettelijke maatregelen.In deze nota zijn vragen van gelijke strekking waar mogelijk op één plekbeantwoord of wordt verwezen naar het antwoord op de eerste vraag vandie gelijke strekking. Verder is bij de beantwoording zo veel mogelijk devolgorde en paragraafindeling van het verslag aangehouden en zijn devragen genummerd.Tot slot merk ik op dat ik tevens een nota van wijziging aanbied die enkeletechnische omissies repareert.Inhoudsopgaveblz.ALGEMENE TOELICHTING41Aanleiding en analyse51.1Aanleiding en doel51.2Kader en analyse112Hoofdlijnen van het voorstel122.1Meer regie op volkshuisvesting152.2Uitwerking van het wetsvoorstel langs drie pijlers152.2.1Regie op aantallen woningen enlocaties (I)15Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 72 2.2.2Regie op betaalbaarheid en evenwichtigeverdeling van woningen (II)192.2.3Verstevigen van lokale prestatieafspra-ken (III)213Wijzigingen van wetgeving ten behoeve van regie op devolkshuisvesting223.1Wijzigingen in de Omgevingswet223.1.1Volkshuisvesting223.1.2Omgevingsvisie en het verplichtevolkshuisvestingsprogramma233.1.3Sturinginstrumenten van de Omgevings-wet243.1.4Instructieregels over het volkshuisves-tingsprogramma in het Besluit kwaliteitleefomgeving273.1.5Beschrijving sociale huur443.1.6Overgang van huidige situatie naarinwerkingtreding wetsvoorstel463.1.7Versnellen van procedures483.2Wijzigingen in de Huisvestingswet 2014563.2.1Inleiding563.2.2Achtergrondproblematiek573.2.3Vormgeving verplichte urgentieregeling583.3Weigeringsgronden die niet in de huisvestingsver-ordening mogen worden opgenomen663.3.1Evenwichtige regionale verdeling vanwoningzoekenden met een urgentiever-klaring693.3.2Aanwijzen van woonruimte713.3.3Monitoringsplicht voor gemeenten723.3.4Verhouding tot het volkshuisvestingspro-gramma733.3.5Urgentie in de praktijk743.3.6Definities van categorieën van woon-ruimte743.4Wijzigingen in de Woningwet763.4.1Beoogd resultaat763.4.2Verhouding tot het volkshuisvestingspro-gramma773.4.3Van Nationale prestatieafspraken naarlokale prestatieafspraken783.4.4Aanpassing werkgebied woningcorpora-ties793.4.5Flexwoningen804Verhouding tot andere nationale regelgeving en hogerrecht804.1Het recht op huisvesting814.2Grond- en mensenrechten824.2.1Vrijheid van verplaatsing824.2.2Het recht op eigendom835Gevolgen (met uitzondering van financiële gevolgen)846Uitvoering856.1Omgevingswet857Toezicht en handhaving867.1Interbestuurlijk toezicht868Advies en consultatie898.1Advies van andere partijen898.1.1Omgevingswet908.1.2Huisvestingswet 201491IIARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING93Artikel III Omgevingswet93 Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 73 ALGEMENE TOELICHTING Vraag 1De leden van de PVV-fractie vragen zich af hoe dit wetsvoorstel voorziet inde aangenomen motie van het lid Madlener (Kamerstuk 32 847, nr. 1149)waarin de regering wordt verzocht om bij de uitvoering van het realiserenvan nieuwe woningen meer oog te hebben voor de wensen van detoekomstige bewoners en de leefbaarheid van deze nieuwe woonge-bieden onder andere: oppervlakte middenklassewoningen groot genoegvoor middenklassegezinnen met kinderen, parkeergelegenheid (eventueelmet oplader), openbaargroenvoorziening, tuinen, speelvelden, fietspadenen voldoende uitvalswegen, zodat de leefbaarheid niet onder druk komt testaan in de toekomst.Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting (hierna: hetwetsvoorstel) en het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuis-vesting (hierna ook: het voorgenomen Besluit) schrijven voor datgemeenten in het verplichte volkshuisvestingsprogramma beschrijvenwelk beleid zij voeren om, in het kader van stedelijke vernieuwing, deleefbaarheid in kwetsbare gebieden te verbeteren. Zowel bij bestaandebouw als nieuwbouw wordt van gemeenten verwacht dat zij nadenkenover maatregelen om de sociale samenhang te bevorderen, de kwaliteitvan de openbare buitenruimte te verbeteren en de bereikbaarheid entoegankelijkheid te verbeteren. Daardoor kan voorkomen worden dat deleefbaarheid in de toekomst onder druk komt te staan.Onderdeel van het volkshuisvestingsprogramma is ook een beschrijvingvan de woonbehoefte (artikel 4.33 van het voorgenomen Besluit en hetbeleid om daarin te voorzien. Op basis van woononderzoek kan allereerstinzicht worden verkregen in de samenstelling van huishoudens, dewoonwensen en het verhuisgedrag. Omdat het volkshuisvestingspro-gramma verplicht is op grond van de Omgevingswet is bij de voorbe-reiding ook betrokkenheid van (toekomstige) burgers, ondernemers,maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen verplicht.Immers, artikel 10.8 van het Omgevingsbesluit schrijft voor dat bij hetvaststellen van een programma moet worden aangegeven hoe zij bij devoorbereiding zijn betrokken en wat daarvan de resultaten zijn. Degemeente moet in het volkshuisvestingsprogramma dus ook toelichtenhoe zij burgers en anderen betrokken heeft en hoe invulling is gegevenaan de resultaten daarvan. Ook wanneer de woningbouwplannenconcreet vorm krijgen in een omgevingsvisie en het omgevingsplan isdeze betrokkenheid voorgeschreven.Vraag 2De leden van de PVV-fractie vragen zich af waarom het wetsvoorstel nietvoorziet in het aanwijzen van betaalbare vrije kavels voor particulieropdrachtgeverschap.Met particulier opdrachtgeverschap verwerven een of meer particulierende grond(en) of te transformeren gebouwen om deze tot woning(en) teontwikkelen. Het huidige recht voorziet reeds in een bevoegdheid om bijbesluitvorming over woningbouw kavels voor particulier opdrachtgever-schap aan te wijzen (artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving).Het daadwerkelijk aanwijzen van kavels voor woningbouw is onderdeelvan de ruimtelijke afweging. Dit is in beginsel een gemeentelijkeaangelegenheid, maar soms spelen ook provinciale en/of nationalebelangen een rol. Het is daarom belangrijk dat gemeenten, provincies enRijk met beleid en concrete maatregelen zorgen voor de juiste randvoor-waarden. Dit wetsvoorstel en het voorgenomen Besluit voorzien in eenverplicht volkshuisvestingsprogramma. Dit programma kan ook beleid enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 74 maatregelen bevatten gericht op het bevorderen van particulier opdracht-geverschap.1 Aanleiding en analyse 1.1 Aanleiding en doel Vraag 3De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering dit wetsvoorstel als debasis ziet om het woningtekort op te lossen en om tot een meerevenwichtige woningvoorraad te komen, die in het bijzonder past bij debehoefte van mensen met een middeninkomen of een laag inkomen. Dezeleden vragen hoe de analyse voor het bepalen van de behoeften tot standkomt? Wordt er bij het bepalen van deze behoeften ook gekeken naar deverschillende behoeften per woningmarktregio?Om te komen tot meer betaalbare woningen wordt voorgesteld dat erlandelijk, provinciaal en in de regio een verplichting komt om twee derdevan de woningbouwopgave te laten bestaan uit betaalbare woningen(betaalbare koop, middenhuur en sociale huur). De twee derde isgebaseerd op de woonbehoefte van huishoudens op basis van deprognoses (Socrates eind 2022) die worden gemaakt door ABF research.Daarmee wordt in beeld gebracht hoe een bouwprogramma dat zoveelmogelijk tegemoetkomt aan de kwalitatieve vraag naar woningen,ingevuld zou moeten worden. Daarbij wordt onder meer rekeninggehouden met inkomen, woonvoorkeuren, demografische ontwikke-lingen, starters en doorstromers.Naast het toevoegen van twee derde betaalbare woningen is het tweededoel van het wetsvoorstel ten aanzien van betaalbaarheid om te zorgenvoor meer balans in de woonvoorraad tussen gemeenten en pergemeenten. De huidige onevenwichtigheid blijkt uit de gegevens over debestaande voorraad sociale huurwoningen van gemeenten. Bij 70 procentvan alle gemeenten is de bestaande voorraad sociale huurwoningen(DAEB-voorraad corporaties) onder het landelijke gemiddelde.1 Gelet opdeze onevenwichtigheid hangt in het voorgenomen Besluit de verplichtingten aanzien van percentage te bouwen huurwoningen en middenhuurwo-ningen samen met de bestaande voorraad sociale huurwoningen.Gemeenten die minder sociale huurwoningen hebben dan het landelijkgemiddelde moeten 30% sociale huurwoningen bouwen. Gemeenten meteen bovengemiddeld aandeel sociale huurwoningen moeten ookbijdragen aan de regionale opgave voor huurwoningen, maar voor hengeldt dat zij naar verhouding meer moeten bouwen in het middens-egment, namelijk tenminste 40 procent. Op die manier wordt juistrekening gehouden met verschillen binnen de regio. Daarnaast wordt zo,gezorgd voor meer balans in de voorraad én wordt voorzien in deregionale behoefte aan sociale huurwoningen en woningen in hetmiddensegment. Gekozen is voor 30 procent sociale huur, omdat op diemanier gemeenten in alle gevallen versneld hun aandeel sociale huurverhogen richting het landelijke gemiddelde.Vraag 4De leden van de VVD-fractie vragen waarom drinkwater niet explicietwordt behandeld in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting bijhet verwezenlijken van deze woningbouwopgave?1Zie: Datawonen – Een thuis voor iedereen (corporatiesector).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 75 Woningbouwprojecten realiseren is complex en staat niet op zichzelf. Hetbouwen van woningen gaat altijd samen met andere opgaven zoalsmobiliteit, publieke voorzieningen, netcapaciteit of stikstofruimte. Hetvoert te ver om op alle met de woningbouw samenhangende opgaven inte gaan. In de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is ingegaan opeen niet limitatieve selectie van deze met woningbouw samenhangendeopgaven. Drinkwater is inderdaad ook een belangrijk onderwerp waarmeerekening dient te worden gehouden bij het aanwijzen van woningbouwlo-caties. Om tijdig rekening te kunnen houden met de opgave voor dedrinkwatervoorziening in relatie tot ruimtelijke keuzes zoals woningbouwis het belangrijk dat geplande woningbouwlocaties tijdig in beeld zijn. Inomgevingsvisies kunnen vervolgens samenhangende ruimtelijke keuzesworden gemaakt, waaronder de beschikbaarheid en kwaliteit vanvoldoende drinkwaterbronnen. Integraal beleid betekent overigens nietdat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Onderdeel van hetwetsvoorstel is het nemen van regie op voldoende locaties voorwoningbouw doordat de bestuurlijke afspraken daarover wettelijkverankerd worden in het volkshuisvestingsprogramma. Binnen hetprogramma woningbouw werkt mijn ministerie daarnaast met andereministeries en met andere stakeholders aan oplossingen voor knelpuntenop diverse niveaus. Voorbeelden daarvan zijn spuitzones (waar gewasbe-schermingsmiddelen worden gebruikt) in relatie tot woningbouw,netcongestie en drinkwater.Vraag 5De leden van de VVD-fractie vragen of de regering erkent dat er een groottekort is aan woningen voor middengroepen? Hoe groot is dit tekort in de15 grootste gemeenten van Nederland?Ik ben het met de leden van de VVD-fractie eens dat er een groot tekort isaan betaalbare woningen voor mensen met een middeninkomen. Mensenmet een middeninkomen zijn veelal aangewezen op het beperkte aanbodvan middenhuurwoningen en komen niet in aanmerking voor een socialehuurwoning. Koopwoningen zijn de afgelopen jaren voor hen minderbereikbaar geworden. Veel mensen kunnen geen betaalbare woningvinden in de stad of regio waar zij werken. Daarom richt het wetsvoorstelzich zowel op het vergroten van het aantal betaalbare woningen (sociaalen midden) en op een evenwichtige verdeling tussen gemeenten. Ook hetwetsvoorstel betaalbare huur richt zich op het vergroten van het aandeelbetaalbare woningen.Het woningtekort kan niet worden uitgesplitst naar prijssegment pergemeente.Wel kan met behulp van het Woononderzoek het aandeel mensen met eenmiddeninkomen in de G4 en de G40 met een harde verhuiswens naar eenbetaalbare woning in beeld gebracht. Zowel in de G4 als in de G40 zoektcirca zeventig procent van de middeninkomens een betaalbare woning.Dit is vergelijkbaar met de rest van Nederland.Daarnaast kan met behulp van een woningmarktsimulatiemodel(Socrates) per woningmarktregio in beeld gebracht worden hoe eenbouwprogramma dat zoveel mogelijk tegemoetkomt aan de kwalitatievevraag naar woningen, ingevuld zou moeten worden. Daarbij wordt ondermeer rekening gehouden met woonvoorkeuren en demografischeontwikkelingen. Om met het bouwprogramma zoveel mogelijk tegemoette komen aan de woningbehoefte zou in de woningmarktgebieden waarde G4 in liggen ongeveer dertien procent van de nieuwe woningen eenmiddenhuurwoning moeten zijn en vijfentwintig procent een betaalbarekoopwoning (Socrates 2023 middenscenario).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 76 Vraag 6De leden van de VVD-fractie zien dat veel grote steden al een ruimevoorraad aan sociale huurwoningen hebben. Deze leden vragen of deregering kan specificeren welke voorraad aan sociale huurwoningen er isin de twintig grootste gemeenten in Nederland zijn?Omdat er geen sluitende registratie van particuliere huurprijzen is, kan opgemeenteniveau niet goed worden gespecificeerd welke voorraad aanprivate sociale huurwoningen er in de twintig grootste gemeenten is.Daarom wordt hieronder enkel de DAEB-voorraad van woningcorporatiesweergegeven.Tabel 1: aandeel sociale huurwoningen in de 20 grootste gemeenten (DAEB-voorraadcorporaties, bron datawonen.nl)Voorraad woningen; eigendom, type verhuurder, bewoning, regioCBS 1-1-2023DVI1 2022 einde jaarGemeenteTotale woningvoorraadDAEB-woningvoorraad corporatiesAmsterdam474.866177.29037%Rotterdam321.282128.81140%’s-Gravenhage270.22078.24129%Utrecht165.40055.33233%Groningen122.71541.11434%Eindhoven118.33343.21637%Tilburg105.26434.02032%Almere90.69021.41224%Breda86.72724.72529%Nijmegen84.64834.90641%Arnhem79.81727.61135%Haarlem78.00021.40327%Enschede77.05928.13237%’s-Hertogenbosch75.24625.16933%Apeldoorn75.09620.86428%Amersfoort70.72219.62928%Zaanstad70.21023.59834%Haarlemmermeer66.65914.14821%Leeuwarden64.68418.30428%Maastricht64.38221.69834%1 Verantwoordingsinformatie.Bron: CBS 2023 en dVi 2022 Vraag 7De leden van de VVD-fractie vragen of de regering van de twintig grootstegemeenten uiteen kan zetten welke ambitie deze gemeenten hebbenuitgesproken of opgeschreven over de bouw van sociale huurwoningen inhun coalitieakkoord of programma voor de komende jaren? Deze ledenvragen dit uit te splitsten in het percentage dat men per bouwproject ofals percentage van het totaal aan te bouwen woningen in het socialesegment als ambitie heeft.Onderstaand is een overzicht opgenomen van de afspraken in decoalitieakkoorden die in veel gevallen tot stand zijn gekomen in hetvoorjaar 2022. Dit zijn echter niet de actuele cijfers voor de program-mering van sociale huurwoningen. Na het sluiten van het coalitieakkoordheb ik namelijk in de periode tot en met maart 2023 met gemeenten enprovincies afspraken gemaakt over de betaalbaarheidsprogrammering inde regionale woondeals. Gemeenten hebben zich aan deze afsprakengecommitteerd. Uitgangspunt voor de afspraken in de woondeals tenaanzien van de bouw van sociale huurwoningen is dat corporaties 250.000nieuwe sociale huurwoningen bouwen tot en met 2030. Alle gemeenten inde regio dragen bij aan het realiseren van die opgave.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 77 Tabel 2: ambitie percentage te bouwen sociale huurwoningen in het coalitieakkoordvan de G20.GemeentePercentage sociaalAmsterdam40%Rotterdam20%Den Haag30%Utrecht40%Eindhoven30%Groningen«meer sociale huur»Tilburg35%Almere20%*Breda30%Nijmegen30%Apeldoorn50% betaalbaarHaarlem40%Arnhem30%Haarlemmermeer50% betaalbaarAmersfoort35%EnschedeGeen doelstelling bekend.Zaanstad30%Den Bosch40%Zwolle30%Leiden35% Vraag 8De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de verplichting, voorgemeenten die minder sociale huurvoorraad hebben dan het landelijkegemiddelde, om minimaal 30 procent sociale huur in hun nieuwbouw-opgave te bouwen. Op welke wijze is met deze verplichting ruimtegeboden aan lokale en regionale verschillen? Wat is de reden voor eennationaal bepaald percentage? Waarom is niet gekozen voor meer lokaalmaatwerk? Waarom is voor de 30 procent gekozen en niet voor hetlandelijk gemiddelde, als het gaat om de genoemde verplichting voorgemeenten.De leden van de SGP-fractie willen weten waarom landelijk voor allegemeenten met een aandeel sociale huur onder het landelijke gemiddeldegeldt dat zij 30 procent sociaal huurwoningen moeten bouwen, in plaatsvan uit te gaan van meer lokaal maatwerk.In het voorgenomen Besluit wordt de verplichting van de bouw van30 procent sociale huurwoningen alleen voorgeschreven voor diegemeenten die minder sociale huurwoningen hebben dan het landelijkgemiddelde. De reden hiervan is dat het wenselijk is dat de socialehuurvoorraad evenwichtig tussen gemeenten verdeeld wordt, en het dusnodig is dat gemeenten met een relatief laag aandeel sociale huur op ditvlak een extra inspanning doen. Daarnaast moeten ook gemeenten meteen aandeel sociale huur boven het landelijke gemiddelde bijdragen aande opgave van 250.000 sociale huurwoningen, maar voor hen geldt dat zijnaar verhouding meer moeten bouwen in het middensegment, namelijktenminste 40 procent. Op die manier wordt juist rekening gehouden metlokale verschillen, én wordt gezorgd voor meer balans in de voorraad énwordt voorzien in de regionale behoefte aan sociale huurwoningen enwoningen in het middensegment. Gekozen is voor 30 procent socialehuur, omdat op die manier gemeenten in alle gevallen versneld hunaandeel sociale huur verhogen richting het landelijke gemiddelde.Vraag 9De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat gemeenten die eenvoorraad van sociale huurwoningen welke boven het landelijk gemiddeldligt, geen verplichting opgelegd krijgen voor specifiek het aandeel socialehuurwoningen in nieuwbouwplannen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 78 Dat klopt, deze gemeenten krijgen geen vast percentage sociale huurvoorgeschreven. Dat neemt niet weg dat ook deze gemeenten moetenbijdragen aan de regionale en provinciale opgave voor sociale huurwo-ningen. Ook gemeenten met een bovengemiddeld aandeel socialehuurwoningen krijgen een verplichting in hun beleid te voorzien in deverwezenlijking van de bouw van sociale huurwoningen. Zij moetendaarbij hun aandeel leveren aan de regionale opgave ten aanzien van debouw van sociale huurwoningen. Dit wordt geregeld in artikel 4.33, eerstelid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zoalsingevoegd bij het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuis-vesting. Over deze lokale bijdrage maken gemeenten afspraken met deprovincie en de gemeenten in regionaal verband, in de woningbouwregio.Ik zal dit ook nog nader verduidelijken in het voorgenomen Besluit, zoalsdat bij beide Kamers der Staten-Generaal wordt voorgehangen.Vraag 10De leden van de fractie van de SGP-fractie begrijpen dat een nadereuitwerking van de verplichting om minimaal 30 procent sociale huur in denieuwbouwopgave te hanteren, uitgewerkt wordt in het Besluit kwaliteitleefomgeving. In de consultatieversie daarvan staat een uitzondering voorgemeenten waarin de verplichte percentages «evident niet passend» zijnbij de woningmarkt in de woningbouwregio. Wat wordt precies verstaanonder «evident niet passend». En tot welk «lager percentage» kan eengemeente en regio komen?Met «evident niet passend» wordt gedoeld op lokale woningmarktsitu-aties die sterk afwijkend zijn ten opzichte van het landelijk reguliere beeld,waardoor de minimumpercentages sociale huur en/of het middensegmentvoor een gemeente niet passend zijn. Provincies zijn in die gevallenbevoegd om in een instructie of in regels in de omgevingsverordening tebepalen dat in het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma van eenlager minimumpercentage sociale huurwoningen of woningen in hetmiddensegment kan worden uitgegaan (artikel 4.33, vierde lid, van hetBesluit kwaliteit leefomgeving zoals ingevoegd bij het voorgenomenBesluit versterking regie volkshuisvesting). Op eenzelfde manier kan hetRijk een afwijkend percentage aangeven in een instructie.Een voorbeeld van een evident afwijkende woningmarkt is de situatie opde Waddeneilanden of regio’s waarbij het prijsniveau van koopwoningenrelatief laag ligt, waardoor een koopwoning met een lage koopprijs eenreëel alternatief kan zijn ten opzichte van een sociale huurwoning. Of ersprake is van zo’n evident afwijkende situatie, is ter beoordeling aan deprovincie na overleg met de gemeenten in de woningbouwregio. Er isgeen ondergrens gehanteerd, maar wel de voorwaarde dat de volkshuis-vestingsprogramma’s van de gemeenten regionaal optellen tot tweederde betaalbaar.Vraag 11De leden van de SGP-fractie vragen naar de ruimte die volgens deMinister wenselijk is om extra eisen te stellen, boven op de betaalbaar-heidseisen die het voorliggende wetsvoorstel invoert, bijvoorbeeld dooreen nog hoger percentage sociale huur voor te schrijven of door noghogere eisen te stellen aan het aandeel betaalbare woningen in denieuwbouwplannen. In hoeverre houden gemeenten en provincies hierinruimte?In het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting is eenbetaalbaarheidsprogrammering opgenomen die zowel gericht is op hetrealiseren van meer betaalbare woningen als op een meer evenwichtigeverdeling van de woningvoorraad tussen gemeenten. Daarvoor geldt datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 79 het beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau gericht is opde bouw van twee derde betaalbare woningen. Met het oog op balans inde woningvoorraad per gemeente en tussen gemeenten, is het aandeelsociale huur in de bestaande voorraad van een gemeente als ijkpuntgekozen voor het percentage te bouwen sociale huurwoningen enwoningen in het middensegment. Hoofdlijn is dat deze betaalbaarheids-programmering toereikend is voor zowel het realiseren van de betaalbaar-heidsdoelen maar ook met het oog op de financiële uitvoerbaarheid. Inbeginsel is het dus niet nodig en wenselijk dat gemeenten hiervanafwijken.Toch kan het nodig zijn dat gemeenten aanvullende programmeringseisenkunnen stellen vanwege specifieke omstandigheden. Bijvoorbeeld insituaties waarin meer sociale huurwoningen gebouwd moeten worden,omdat er veel sociale huurwoningen gesloopt moeten worden instadsvernieuwingsgebieden, of omdat dat nodig is voor het realiseren vande regionale opgave aan sociale huurwoningen. Ook kan het nodig zijndat een hoger percentage woningen in het middensegment nodig is geletop de regionale behoefte. In die gevallen is het wenselijk dat gemeentenruimte behouden om meer dan twee derde betaalbare woningen teprogrammeren. Het voorgenomen Besluit biedt deze ruimte aangemeenten: de instructieregels voor het gemeentelijke volkshuisvestings-programma in artikel 4.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevatgeen bovengrenzen.Wanneer gemeenten deze ruimte willen benutten met het oog op delokale of regionale woningbehoefte, is het vereist dat gemeenten ookmaatregelen treffen zodat de betaalbaarheidsprogrammering ookuitvoerbaar is. Ik zie dat gemeenten dat in de praktijk al doen. Ikconstateer dat gemeenten verschillende maatregelen inzetten zodat eenhoge programmering financieel toch uit kan:•Gemeenten die eigen grond uitgeven, hanteren gedifferentieerdegrondprijzen die samenhangen met het prijssegment.•Gemeenten geven grond in erfpacht uit in plaats van in eigendom.•Gemeenten houden bij het stedenbouwkundig ontwerp rekening metfinanciële uitvoerbaarheid. Door bijvoorbeeld het hanteren van hogeredichtheden, het toevoegen van commerciële functies, het toestaan vankleinere woningen met behoud van kwaliteit of het stellen van lagereparkeereisen in gebieden waar dit goed kan.•Gemeenten faciliteren modulaire bouw door grootschalig aan tebesteden en geen aanvullende eisen te stellen.•Er vindt herwaardering plaats van de grondwaarde van grond ingemeentelijk eigendom.Of een hogere programmering ook noodzakelijk is hangt dus af van delokale of regionale situaties. Ook de mogelijkheden van de inzet vanflankerend beleid is vooral lokaal bepaald. De inzet van dergelijk beleidvraagt daarnaast om een lokale bestuurlijke afweging én goed overlegmet de ontwikkelende partijen. Een generieke strengere betaalbaarheids-programmering op provinciaal niveau zou om die reden dan ook kunnenleiden tot aanscherpingen waar het niet nodig of niet haalbaar is. Om diereden is in het voorgenomen Besluit de bevoegdheid van de provincie omaf te wijken van de betaalbaarheidspercentages ingekaderd tot demogelijkheid om alleen lagere percentages toe te staan in afwijkendewoningmarktsituaties. Ik zal het besluit zoals dat bij uw Kamer wordtvoorgehangen nog aanpassen om te verduidelijken dat provincies dusgeen generiek strengere betaalbaarheidseisen kunnen stellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 710 Vraag 12De leden van de SGP-fractie vragen waarom er niet voor is gekozen om depercentages te bouwen woningen, zoals dertig procent sociale huur, tweederde betaalbaar, meer regionaal vorm te geven. Door bijvoorbeeldbandbreedte voor te schrijven waarbinnen gemeenten, in overleg metprovincies, een regionale afweging kunnen maken.De essentie van het voeren van regie is dat wat er lokaal wordt gebouwd,ook optelt tot wat er nodig is op regionaal, provinciaal en nationaalniveau. Het werken met een bandbreedte per gemeente zou ertoe leidendat het onzeker wordt of de optelsom van wat lokaal en regionaal wordtgebouwd, ook voorziet in wat er provinciaal en nationaal nodig is.Bovendien is er in alle provincies een woningtekort én een tekort aanbetaalbare woningen. Het percentage van twee derde betaalbaar geldtoverigens omwille van de ruimte voor maatwerk voor gemeenten opregionaal niveau en niet op lokaal niveau. Daarmee wordt recht gedaanaan de verschillen tussen gemeenten, ook omdat het aandeel socialehuurwoningen in de bestaande voorraad van een gemeente bepalend isvoor de vereiste verhouding tussen sociale huurwoningen en woningen inhet middensegment in de nieuwbouwprogrammering. Daarmee dragenalle gemeenten bij aan de beschikbaarheid van betaalbare woningen:sociale huurwoningen en woningen in het middensegment.1.2 Kader en analyse Vraag 13De leden van de D66-fractie merken op dat in het onderdeel Kader enanalyse gesproken wordt over de standaardisatie van bouweisen omjuridische procedures te verminderen en de bouwsnelheid te bevorderen.De leden zien echter in het wetsvoorstel niets terug dat de standaardisatievan bouweisen bevordert. Zij vragen zich af waarom hier niets over isopgenomen. Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat dit wetsvoorstel destandaardisatie van bouweisen bevordert?Het Rijk zet in op een structureel snellere ontwikkeling van woningbouw-projecten. Daarom heeft het Rijk – samen met decentrale overheden enandere betrokken partijen – verschillende trajecten in gang gezet om tekomen tot noodzakelijke versnelling in processen en procedures vanwoningbouwprojecten.2 In dit wetsvoorstel is voorzien in een aantalvoorstellen om versnellingen aan te brengen in de beroepsprocedure.Voor standaardisatie van bouweisen lopen andere trajecten.Zoals in het Plan van aanpak versnellen processen en procedureswoningbouw is vermeld, is standaardisatie van belang voor het opschalenvan (industriële) woningbouw. De grote mate van lokale variatie in eisenen ambities is niet efficiënt voor het opschalen van duurzame innovaties,het stimuleren van grootschalige industrialisatie en kostenreductie, enniet efficiënt voor het versnellen van de woningbouw productie. In debrief van 20 maart 2024 die ik uw Kamer heb gestuurd, licht ik toe opwelke wijze ik werk aan verdere standaardisatie.32Zie Plan van aanpak processen en procedures woningbouw, bijlage bij Kamerstukken II2022/23, 32 847, nr. 993.3Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 20 maart 2024,Kamerstukken II, 2023/24, 32 847, nr. 1159.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 711 2 Hoofdlijnen van het voorstel Vraag 14De leden van de NSC-fractie zijn van mening dat om de wooncrisis op telossen ook volop ingezet moet worden op het beter benutten van debestaande woningvoorraad. Deze leden vragen daarom hoe deze wetbenut kan worden om ook optoppen, woning splitsen en woning delen tevereenvoudigen?Ik deel de mening van de leden van de NSC-fractie dat het beter benuttenvan de bestaande voorraad een belangrijke bijdrage kan leveren aan dewoningbouwopgave. Er zijn verschillende mogelijkheden om dit testimuleren, die ik geschetst heb in mijn brief over de voortgang van hetbeter benutten van de bestaande woningvoorraad.4 Ook dit wetsvoorstelen het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting helpendaarbij, doordat de procedurele versnelling rond beroepsmogelijkhedenook van toepassing is op projecten van twaalf woningen of meer waarbijvia optoppen en splitsen woningen worden toegevoegd.Ten tweede moeten gemeenten, provincies en Rijk in het volkshuisves-tingsprogramma maatregelen nemen gericht op het realiseren van dewoningbouwopgave. Maatregelen om de mogelijkheden voor optoppenbeter te benutten en snel te realiseren zijn essentiële lokale maatregelenvoor het realiseren van de woningbouwopgave. Zo is het belangrijk datgemeenten in het omgevingsplan voldoende ruimte bieden om een extrabouwlaag toe te voegen. Voor splitsen is het belangrijk dat zowel hetomgevingsplan als de huisvestingsverordening ruimte en mogelijkhedenbieden. Het beter benutten van de bestaande voorraad is ook onderdeelvan de volkshuisvestingsprogramma’s. In de nota van toelichting isverwoord dat gemeenten moeten beschrijven hoe zij de bestaandevoorraad beter gaan gebruiken, bijvoorbeeld door in te zetten opdoorstroming of woningdeling.Vraag 15De leden van de CDA-fractie benadrukken dat de versterking van de regieop de volkshuisvesting alles te maken heeft met ruimtelijke ordening.Deze leden zijn zich ervan bewust dat er hard wordt gewerkt aan eennieuwe Nota Ruimte en spreken hun grote waardering uit voor het feit dater zo weer een brede en sturende visie komt op het gebied van ruimtelijkeordening. Zij horen graag een nadrukkelijke beschouwing over hoe hetvoorliggende wetsvoorstel ingrijpt op de belangrijkste uitgangspuntenvan deze toekomstige Nota Ruimte.Nederland is een klein land met grote opgaven die haast zonder uitzon-dering invloed hebben op de fysieke leefomgeving. Om alle ruimtelijkeopgaven zo goed mogelijk in te passen en rechtvaardige keuzes te kunnenmaken, zodat ook toekomstige generaties verzekerd zijn van een hogekwaliteit van leven, is het essentieel dat het Rijk regie neemt in deruimtelijke ordening. Zekerheden waar we in ons land al decennia opvaren – voldoende zoetwater, voldoende en betaalbaar voedsel, goedkopeen beschikbare energie, voldoende betaalbare en goede woningen – staanonder druk. We moeten op zoek naar nieuwe manieren om die zekerhedenook in de toekomst te garanderen. De transities en ontwikkelopgaven diedaarbij horen zijn zo omvangrijk dat het lastig is om de keuzes alleen oplokaal niveau te maken. Het Rijk neemt daarom weer regie in de ruimte-lijke ordening en maakt keuzes op nationaal schaalniveau met een nieuweNota Ruimte om de verschillende opgave (woningbouw, leveringsze-kerheid van energie, mobiliteit, natuur) in samenhang te bezien. Ditwetsvoorstel past in deze filosofie, want ook in de volkshuisvesting zijn4Kamerstukken II 2023/24, 32 847, nr. 1135.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 712 meer regie en scherpe keuzes nodig om de opgaven van de komendejaren aan te kunnen. Daarom is woningbouw een belangrijk onderdeelvan de ruimtelijke puzzel die in het kader van de Nota Ruimte gelegd gaatworden.In de nieuwe Nota Ruimte nemen we afscheid van het oude adagium«sterker maken wat sterk is» en gaan we werken op basis van een visiedie heel Nederland sterker maakt en benut. We willen recht doen aan alleregio’s en de onderscheidende kracht van alle delen van Nederlandaanspreken. Op die manier levert heel Nederland een bijdrage aan deruimtelijke opgaven en transities waar we voor staan. En heel Nederlandprofiteert ervan. Hiervoor is het nodig dat het Rijk keuzes neemt.Meebewegen op de autonome ontwikkeling voldoet niet aan de vraag diede grote opgaven ons stellen. Het beter kunnen sturen op de volkshuis-vesting maakt belangrijk onderdeel uit van de mogelijkheden voor het Rijkom gewenste ontwikkelrichtingen te concretiseren met keuzesDe visie «heel Nederland» komt tot uitdrukking in drie leidende principesbij het rechtvaardig verdelen van de schaarse ruimte: 1) recht doen aanvolgende generaties: niet afwentelen, 2) recht doen aan schaarste:meervoudig ruimtegebruik en 3) recht doen aan eigenheid van regio’s:gebiedskenmerken centraal. Daarbij wordt, onder de noemer van bredewelvaart, gestreefd naar een goede balans tussen ecologische, sociale eneconomische aspecten en streven we in heel Nederland naar behoud enwaar mogelijk versterking van ruimtelijke kwaliteit.In drie bewegingen worden de sterkst op elkaar betrokken sectoraleonderwerpen met elkaar in verbinding gebracht en worden voor heelNederland de nationale keuzes in samenhang gemaakt. Deze bewegingenzijn 1) beweging naar een toekomstbestendig evenwicht tussen landbouwen natuur, 2) beweging naar een klimaatneutrale en circulaire economieen 3) beweging naar sterke regio’s, steden en dorpen in heel Nederland.Daarbij is van belang dat Nederland, ondanks de effecten van klimaatver-andering, op langere termijn veilig en leefbaar blijft, met een gezondebodem en voldoende en schoon water. Water en bodem zijn daarmeesturend voor richtingen en keuzes in alle drie de bewegingen.In de drie bewegingen worden dus de belangrijkste richtingen en keuzessamengebracht, hieronder een korte toelichting op de drie bewegingen:1)Beweging naar een toekomstbestendig evenwicht tussen landbouw ennatuurIn deze beweging komen de opgaven rondom het in balans brengenvan landbouw en natuur samen. Hierbij gaat het om het herstellen vande ecologische waarden en biodiversiteit, het verminderen van deuitstoot van schadelijke stoffen en het aansluiten van het landgebruikbij het natuurlijke water- en bodemsysteem.2)Beweging naar een klimaatneutrale en circulaire economieIn deze beweging komen de opgaven rondom de grote transities(energietransitie, circulaire economie, klimaatneutraal), de toekomstvan de grote industrieclusters en de samenhang met de grotetransportcorridors samen. Hierbij gaat het om het in goede banenleiden van deze transities en de toekomstbestendige ontwikkeling vande industriële clusters en corridors. Dit doen we op basis van de drieprincipes voor het rechtvaardig verdelen van de schaarse ruimte,brede welvaart en ruimtelijke kwaliteit.3)Beweging naar sterke regio’s, steden en dorpen in heel NederlandIn deze beweging komen de opgaven rondom de verstedelijking,mobiliteit en groen in en om de stad samen. Hierbij gaat het om hettegemoet komen aan de demografische en economische groei vanNederland, ook in de toekomst. Hierbij gaan we werken aan eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 713 regionaal gedifferentieerde ontwikkeling, waarbij we zo goed mogelijktegemoetkomen aan de regionaal specifieke opgaven en de kwaliteitenen krachten van elke regio zo goed mogelijk worden ingezet om heelNederland te versterken.Het volkshuisvestingsvraagstuk komt met name terug in deze laatstebeweging. Het beter kunnen sturen op de volkshuisvesting helpt om deinhoudelijke richting van deze beweging te verwezenlijken. Het bouwenvan woningen gaat namelijk altijd samen met de andere opgaven zoalsgroen en mobiliteit. Daarnaast schrijven dit wetsvoorstel en het voorge-nomen Besluit voor dat gemeenten in het verplichte volkshuisvestingspro-gramma ook beschrijven welk beleid zij voeren om de leefbaarheid in hungemeente te verbeteren. Dit draagt ook bij aan de beweging naar sterkeregio’s, steden en dorpen in heel Nederland. In het voorontwerp NotaRuimte worden per beweging nadere richtingen en keuzes gemaakt.Vraag 16De leden van de CDA-fractie zijn zich er bewust van dat het proces om tekomen tot een veelomvattende en sturende Nota Ruimte geen gemak-kelijk proces is en onderstrepen het belang om hierin duidelijke enzorgvuldige keuzes te maken, keuzes die nog even mee kunnen. Dezeleden horen graag hoe de regering het proces om te komen tot de NotaRuimte voor zich ziet. Zij vernemen het liefst een planning van het heleproces om te komen tot een Nota Ruimte. Zij horen graag hoe eeneventueel nieuw kabinet gepositioneerd wordt om zo snel als mogelijk totdeze belangrijke nota te komen en deze te kunnen implementeren.Inhoudelijk gezien horen zij graag een beschouwing hoe het voorliggendewetsvoorstel zich verhoudt tot het principe van organische groei in deruimtelijke ordening.Afgelopen najaar is de Contourennotitie Nota Ruimte aangeboden aan uwKamer. Hierin hebben we aangegeven dat we toewerken naar een nieuweNota Ruimte waarin het integrale toekomstperspectief wordt geschetst opde ruimtelijke ontwikkeling van Nederland in 2030, 2050 en een doorkijknaar 2100. In de Nota Ruimte maken we rechtvaardige keuzes over deinpassing van alle ruimtelijke opgaven, zodat ook toekomstige generatiesverzekerd zijn van een hoge kwaliteit van leven. Na vaststelling zal deNota Ruimte, als nieuwe nationale omgevingsvisie, de NOVI uit 2020vervangen als overkoepelend kader voor het rijksbeleid ten aanzien vande leefomgeving. De planning en het proces om te komen tot een nieuweNota Ruimte zijn aan een nieuw kabinet.Het principe van organische groei of organisch ontwikkelen dat uit gaatvan getrapte gebiedsontwikkeling en bottom-up ontwikkeling isopgekomen na de kredietcrisis. Hierin stond adaptief programmeren enontwikkelen op basis van een globale en flexibele transformatiestrategiecentraal. De afgelopen jaren is gebleken dat dit niet leidt voldoendewoningbouw om te voldoen aan de vraag. Met de Nota Ruimte en met ditwetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting wil het Rijk zijn centraleregierol versterken. Hierbij wil zij het goede van het principe vanorganische groei behouden door aan te sluiten bij ontwikkelingen die er alzijn, maar daarnaast wel kijken naar hoe te komen tot een rechtvaardigeverdeling van de schaarse ruimte. Van «sterker maken wat sterk is» gaanwe naar «sterker maken wat sterk moet zijn».Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 714 2.1 Meer regie op volkshuisvesting Vraag 17De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering in hetwetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting geen duidelijkedefinitie geeft van harde en zachte plancapaciteit. Dat is immers eenbelangrijke indicator die gebruikt wordt bij de sturing in de volkshuis-vesting. Deze leden vragen op welke wijze de regering deze plancapaciteitwil gaan verduidelijken en of daarbij een wettelijke definitie gewenst is.Ik deel het standpunt van de leden van de ChristenUnie-fractie dat eenduidelijke definitie van harde en zachte plancapaciteit bijdraagt aan dekwaliteit van gegevens die nodig is om te sturen op volkshuisvesting,waaronder de voortgang van de woningbouw. Bij de interbestuurlijkemonitoring plancapaciteit zijn afspraken gemaakt over de definitie vanharde en zachte plancapaciteit. Het is wenselijk dat deze definitie ookwettelijk wordt verankerd met het oog op de kwaliteit van de verzamelingvan de gegevens. In artikel 4.32 van het Besluit kwaliteit leefomgevingzoals ingevoegd bij het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuis-vesting is een definitie van plancapaciteit opgenomen met een onder-scheid tussen harde en zachte plancapaciteit. In deze definitie ontbrekenechter nog wel de termen «hard» en «zacht». Ik zal dit in het voorge-nomen Besluit dat bij de beide Kamers der Staten-Generaal wordtvoorgehangen aanpassen.2.2 Uitwerking van het wetsvoorstel langs drie pijlers 2.2.1 Regie op aantallen woningen en locaties (I) Vraag 18De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn een groot voorstander vande minimumeisen die gesteld worden aan betaalbare nieuwbouw in dezewet. Deze leden hebben echter ook bij lokale bestuurders veel zorgengehoord over de mate waarin deze wet ook echt leidt tot meer socialehuurwoningen. Deelt de regering de mening dat het van groot belang isom vaart te maken met het streven van het kabinet dat alle gemeentennaar minimaal 30 procent sociale huurwoningen in hun woningvoorraadtoegroeien, zodat er voldoende sociale huurwoningen beschikbaar komenen er een betere spreiding komt van sociale huurwoningen over het land?Waarom schrijft de wet voor dat enkel een lager percentage dan30 procent als minimum kan worden vastgesteld, terwijl het ook mogelijkzou zijn dat in een gemeente juist meer dan 30 procent sociale huurwo-ningen in de nieuwbouw nodig zijn om de betaalbaarheidsdoelen tehalen? Maakt dit het niet lastig om te waarborgen dat gemeenten dieachterlopen de inhaalslag maken die nodig is om toe te groeien naarminimaal 30 procent sociale huurwoningen in hun woningvoorraad, zoalsin de provincie Zuid-Holland, waar slechts vijftien van de vijftiggemeenten aan dit percentage voldoen? Waarom wordt er niet gekozenvoor borging in de wet dat op landelijk niveau het aandeel sociale huurminimaal gelijk blijft en niet afneemt, zoals de Woonbond voorstelt?De leden van de GroenLinks-PvdA willen vaart maken ten aanzien vangemeenten waarvan de bestaande voorraad sociale huurwoningenachterblijft bij het landelijk gemiddelde. Zij willen dat de provincie eenhoger percentage bij deze gemeenten kan voorschrijven en een borging inde wet dat het landelijke aandeel sociale huurwoningen gelijk blijft.Het wetsvoorstel richt zich zowel op een absolute toename van het aantalbetaalbare woningen – sociale huur en woningen in het middensegment –als op meer balans in de woningvoorraad tussen gemeenten en binneneen gemeente. Terecht wijzen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieerop dat deze balans op dit moment ontbreekt: het landelijke beeld is datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 715 zeventig procent van alle gemeenten nog onder dit landelijk gemiddeldezit (van ruim zesentwintig procent). Ik ben het met de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie eens dat het belangrijk is dat gemeenten met eenlaag aandeel sociale huur in de bestaande voorraad een been moetenbijtrekken, zodat er meer balans komt in de woningvoorraad en er meeraanbod komt van sociale huurwoningen. Dat doet dit wetsvoorstel meteen realistisch groeitempo. In het voorgenomen Besluit versterking regievolkshuisvesting geldt daarom voor gemeenten met een aandeel socialehuur lager dan het landelijke gemiddelde, dat zij dertig procent socialehuur in hun nieuwbouw moeten realiseren. Gemeenten met een bovenge-middelde voorraad sociale huurwoningen moeten een aandeel leveren inde regionale behoefte aan sociale huurwoningen en de regionale opgavevan twee derde betaalbare woningen. In de regel zal dit voldoende zijnvoor het realiseren van de regionale opgave voor betaalbare woningen.Gemeenten behouden de ruimte om een hoger percentage socialehuurwoningen te programmeren als dat nodig is. Te denken valt bijvoor-beeld een situatie met een hoge sloop-nieuwbouwopgave. De financiëleuitvoerbaarheid van een hogere betaalbaarheidsprogrammering dan tweederde vereist dan echter wel ook de inzet van flankerend lokaal beleid.Omdat de noodzaak van hogere percentages en mogelijkheden vanflankerend beleid lokaal bepaald wordt, vind ik het generiek verplichtenvan een hogere percentages op provinciaal niveau niet wenselijk. Ik hebdit ook nader toegelicht bij het antwoord op de vraag van de leden van deSGP-fractie over de mogelijkheden voor gemeenten om hogere ambitieste hebben ten aanzien van betaalbaarheid (vraag 9).Vraag 19De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat voor gemeentendie een hogere sociale huurwoningvoorraad hebben dan gemiddeld, ereen bouwnorm van 40 procent komt voor woningen in het midden-segment. Daarin zien zij een groot risico dat deze norm gaat leiden totminder sociale huur, omdat de businesscase van ontwikkelaars niet rondkomt als er ook nog eens meer dan 30 procent sociaal zou moeten wordengebouwd. Hoe wordt er voorkomen dat ontwikkelaars gemeenten ofprovincies dwingen om in te teren op de programmering van socialehuur? Hoe gaat de regering zorgdragen dat provincies en gemeentendoorzettingsmacht krijgen richting marktpartijen om tenminste 300.000betaalbare woningen te bouwen? Welke gevolgen verwacht de regeringvan het voorschrift met betrekking tot het middensegment voorgemeenten die al meer dan 30 procent sociale huur in de voorraadhebben? Is de regering het met deze leden eens dat met name de stedenminder sociale huurwoningen zullen gaan bouwen, omdat ze gedwongenworden zich te concentreren op de bouw van woningen voor hetmiddensegment, terwijl juist veel steden een hoog percentage inwonersheeft dat aanspraak maakt op een sociale huurwoning? Wat is hetverwachte effect van deze regel op de totale voorraad sociale huur in detoekomst, gezien de grote steden doorgaans het meeste bouwen? Deeltde regering de mening dat het onwenselijk zou zijn als door dit voorschrifthet totale aantal sociale huurwoningen in Nederland mogelijk nietvoldoende toeneemt of zelfs afneemt? Deze leden willen graag weten hoeervoor wordt gezorgd dat dit wetsvoorstel waarborgt dat het afgesprokenaantal van 250.000 nieuwe sociale huurwoningen door woningcorporatiesworden gebouwd in de periode tot 2030.In de huidige praktijk zien we dat grote steden veelal een relatief grotevoorraad sociale huurwoningen hebben en relatief minder woningen voormensen met een middeninkomen. In de gemeenten rondom de grotesteden is dat beeld vaak juist andersom. Dit leidt tot onevenwichtighedenin de kansen van huishoudens met verschillende inkomens om inbepaalde gemeenten een woning te vinden. Om die reden is het wenselijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 716 meer balans te brengen in de woonvoorraad tussen gemeenten, zodatzowel mensen met een laag inkomen als met een middeninkomen overalmeer kans maken op een woning.Het doel om te komen tot een meer evenwichtige verdeling van dewoningvoorraad tussen gemeenten komt in het voorgenomen Besluit totuiting doordat de verdeling van de nieuwbouwopgave van betaalbarewoningen in een gemeente afhankelijk wordt gemaakt van de bestaandevoorraad sociale huurwoningen per gemeente. Voor gemeenten met eenaandeel sociale huur boven het landelijke gemiddelde betekent dit dat zijmeer dan veertig procent betaalbare koop- en middenhuurwoningenmoeten realiseren. Daarnaast moeten zij een bijdrage leveren in deregionale, provinciale en nationale opgave voor sociale huur.Waar dit lokaal nodig is mogen gemeenten met veel sociale huurwo-ningen extra sociale huurwoningen programmeren. Daarbij is het vereistdat ze maatregelen treffen met het oog op de financiële uitvoerbaarheid.Uit de praktijk blijkt ook dat gemeenten in de praktijk ook al aanvullendemaatregelen treffen en dus niet beperkt worden in hun mogelijkheden omvoldoende sociale huurwoningen toe te voegen. Dit heb ik ook nadertoegelicht in het antwoord op de vragen de leden van de SGP-fractie overde verplichtingen voor grote gemeenten ten aanzien van het aandeelsociale huurwoningen en hun mogelijkheden om extra ambities te hebbenten aanzien van de programmering van betaalbare woningen (vraag 9 envraag 11). In het antwoord op de vraag van de leden van Groen-Links-PvdA ben ik ingegaan op de waarborgen om te voorzien involdoende sociale huurwoningen (vraag 18).Vraag 20De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben zorgen over deinterpretatie van Artikel 4 van de wet. In de toelichting op dit artikel wordtgesteld dat «Daarnaast is het niet mogelijk om in deze instructieregels ofinstructie naar boven af te wijken». Dit suggereert dat het gemeenten danwel provincies niet is toegestaan om méér dan twee derde betaalbaar tebouwen. Dit lijkt aan te sluiten met een recentelijke twist tussen deregering en de provincie Zuid-Holland, die een hogere ambitie heeftuitgesproken. Kan de regering eenduidig bevestigen dat het gemeentenen provincies vrij staat om afspraken te maken om méér dan twee derdebetaalbaar bouwen? Hoe staat dat in verhouding tot de uitspraken die deregering heeft gedaan richting de ambities van Zuid-Holland?Gemeenten behouden de ruimte om meer dan twee derde betaalbarewoningen te programmeren, wanneer dit nodig is vanwege de lokalesituatie. Daarbij is het belangrijk dat zij maatregelen treffen met het oogop de financiële uitvoerbaarheid van de hogere programmering. Binnendeze kaders behouden gemeenten ruimte om hier ook met de provincieafspraken over te maken.Of een hogere programmering ook noodzakelijk is hangt dus af van delokale situatie. Ook de mogelijkheden van de inzet van flankerend beleid isvooral lokaal bepaald, bijvoorbeeld gemeentelijk grondbezit. Om diereden vind ik een verplichting van provincies dat gemeenten meer dandertig procent sociale huurwoningen moeten realiseren niet wenselijk.Zonder flankerende maatregelen zorgt dit er namelijk voor dat dewoningbouw financieel niet meer uitvoerbaar is en verdringt eendergelijke programmering ook de bouw van woningen in het middens-egment. Dit komt ook overeen met wat ik in mijn brief van 6 maart jl. aanhet college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heb aangegevennaar aanleiding van hun voornemen om veertig procent sociale huurwo-ningen te verplichten bij gemeenten die minder dan dertig procent socialeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 717 huurwoningen hebben in de bestaande voorraad. Ik heb uw Kamer bijbrief van 15 maart jl. daarover geïnformeerd.5Vraag 21De leden van de VVD-fractie vinden dat dit wetsvoorstel vooral als doelmoet hebben om bouwlocaties snel los te trekken en bouwprojecten vande grond te krijgen. Deelt de regering deze opvatting? Waarom wel,waarom niet? Hoe gaat de regering dit doel in de praktijk snel voor elkaarkrijgen?Ik deel de mening van de VVD-fractie dat dit wetsvoorstel ervoor moetzorgen dat er sneller bouwlocaties beschikbaar komen, en dat de bouw opdeze locaties ook sneller kan beginnen. Dit wetsvoorstel stuurt op hetsneller beschikbaar komen van bouwlocaties, door hier middels hetverplichte volkshuisvestingsprogramma en daarbij behorende instructie-regels op te sturen. Zo wordt sneller duidelijk, waar, voor wie en wanneerer kan worden gebouwd. Bovendien kunnen Rijk en provincie metdoorzettingskracht ingrijpen bij gemeenten die onvoldoende program-meren of realiseren. Dat er vervolgens ook snel gebouwd wordt, komtdoordat er langjarige duidelijkheid is, maar ook door procedures in tekorten. Dit wetsvoorstel voorziet in verschillende procedurele versnel-lingen zoals beroep in één instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraakvan de Raad van State, een uitsprakentermijn van zes maanden enuitsluiten van de mogelijkheid tot het instellen van pro forma beroep. Ookin het antwoord op vraag 85 ga ik in op de versnelling van procedures inrelatie tot dit wetsvoorstel.Vraag 22De leden van de D66-fractie merken op dat in het wetsvoorstel geenvoorstellen zijn opgenomen ter verbetering van grondbeleidsinstrumen-tarium. De leden vragen zich af waarom hier niet voor is gekozen.Daarnaast vragen de leden zich af hoe marktpartijen zich gaan latensturen door dit wetsvoorstel als er geen passend grondbeleidsinstrumen-tarium is.In de Kamerbrief van 19 juni 2023 over modernisering van het grond-beleid heb ik verschillende acties aangekondigd om het grondbeleid beterin dienst te stellen van gebiedsontwikkeling.6 Een deel van deze acties iserop gericht om de huidige grondbeleidsinstrumenten beter in te zettenen toepasbaar te maken, zonder dat hiervoor een wijziging van wet- ofregelgeving vereist is. Daarnaast heb ik verschillende verkenningenaangekondigd naar mogelijke maatregelen waarvoor wel een wijzigingvan wet- of regelgeving vereist kan zijn. Hieronder vallen bijvoorbeeld eenonderzoek naar andere manieren om de inbrengwaarde bij kostenverhaalte berekenen en een onderzoek naar mogelijkheden voor revitaliseringvan de baatbelasting. In de voortgangsrapportage van 3 april 2024 heb ikeen uitgebreide stand van zaken van deze lopende verkenningen gedeeldmet uw Kamer.7 De uitkomsten van deze verkenningen zijn nodig om tebeoordelen of en hoe een voorstel voor aanpassing van wet- en regel-geving het beste kan worden uitgewerkt.5Afschrift van de brieven aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland over dewoningbouwopgave in Zuid-Holland, 15 maart 2025, Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024,32 847, nr. 1158.6Kamerstukken II 2022/23, 34 682, 27 581, nr. 164.7Kamerstukken II 2023/24, 34 682, nr. 189.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 718 Vraag 23De leden van de SP-fractie vragen zich af hoe de regering gaat zorgdragen dat provincies en gemeenten doorzettingsmacht krijgen richtingmarktpartijen om ten minste 300.000 betaalbare woningen te bouwen.Met dit wetsvoorstel krijgen de bestuurlijke afspraken over hoeveel, voorwie en waar gebouwd wordt een wettelijk basis. Dit omvat ook deinstrumenten voor overheden om hierop te sturen richting marktpartijenen decentrale overheden. Voorspelbaarheid en duidelijkheid richtingpartijen is daarbij cruciaal.Gemeenten, provincies en Rijk krijgen de opdracht om in het verplichtevolkshuisvestingsprogramma maatregelen op te nemen gericht op hetrealiseren van deze doelen en kunnen daarvoor ook de bevoegdheden vande Omgevingswet inzetten bij de uitvoering. Onderdeel van deze doelen isdat twee derde van de woningbouw betaalbaar is. Een goede uitvoeringvan het volkshuisvestingsprogramma vereist allereerst dat gemeentenzorgen voor voldoende plancapaciteit voor woningbouwlocaties voorbetaalbare woningen in het omgevingsplan. Het toelaten vanwoningbouw op concrete locaties in het omgevingsplan geeft marktpar-tijen en corporaties het recht om op die locatie woningen te kunnenbouwen. Provincies krijgen in dit wetsvoorstel expliciet de wettelijkeopdracht om te sturen op 130 procent plancapaciteit. Op al deze puntenkunnen Rijk danwel provincie via instructieregels en -besluiten waar nodigmet doorzettingsmacht sturen.Gemeenten hebben de bevoegdheid om te sturen op betaalbarewoningen door – via het stellen van regels in het omgevingsplan bijnieuwbouwlocaties – te bepalen dat op een locatie in bepaalde woning-bouwcategorieën gebouwd moet worden (sociaal huur, middenhuur,betaalbare koop). Het voorgenomen Besluit bevat uniforme definities vandeze woningbouwcategorieën. Dezelfde sturing kunnen gemeentenrealiseren via het maken van privaatrechtelijke afspraken met deontwikkelende marktpartij. Daarnaast zijn andere beleidsmaatregelen vanbelang voor het realiseren van de woningbouw zoals actief grondbeleiden faciliterend beleid ten aanzien van transformatie van locaties, locatiesvoor flexwoningen of het toevoegen van zelfstandige woningen viaoptoppen en splitsen. Waar nodig kunnen provincies en Rijk metinstructieregels en instructiebesluiten sturen op gemeenten die in hunprogrammering of besluitvorming achterblijven.2.2.2 Regie op betaalbaarheid en evenwichtige verdeling vanwoningen (II) Vraag 24De leden van de PVV-fractie vragen waarom er geen bijzondere categorieis opgenomen voor «sociale» koopwoningen, met een koopsom ruimonder de betaalbaarheidsgrens.In het voorgenomen Besluit is gekozen voor één uniforme bovengrensvoor betaalbare koopwoningen (en voor de prijs van sociale huurwo-ningen en middenhuurwoningen). Dit geeft duidelijkheid aan ontwikke-lende partijen. Dat wil niet zeggen dat in de praktijk alleen koopwoningenmoeten of zullen worden gebouwd tegen de bovengrens.Veel gemeenten voeren in de praktijk flankerend beleid waardoor hetmogelijk wordt om woningen te bouwen voor een lagere prijs.Gemeenten kunnen diverse maatregelen inzetten om koopwoningen terealiseren voor een lagere prijs in projecten die financieel haalbaar zijn.Gemeenten kunnen bij gronduitgifte bijvoorbeeld een lagere grondprijsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 719 hanteren voor gronden waarop betaalbare koopwoningen wordengerealiseerd, in ruil voor een lagere verkoopprijs van de gerealiseerdekoopwoning. Bouwkosten kunnen worden beperkt door de inzet vanmodulaire bouw. Ook met stedenbouwkundige uitgangpunten hebbengemeenten invloed op de kosten, zodat de gebiedsontwikkeling ook metlagere koopprijzen uit kan. Een voorbeeld van dergelijk stedenbouw-kundig uitgangspunt is om ook te voorzien in een aandeel kleinerekoopwoningen met voldoende kwaliteit. De bouw van kleinere woningensluit ook aan bij de demografische ontwikkelingen waarbij het aantalhuishoudens met één persoon zal toenemen. Daarnaast zijn er ookkoopstartregelingen in samenhang met koopwoningen onder dezebovengrens.Tot slot is van belang dat consequent programmeren van de bouw vantwee derde betaalbare woningen na verloop van tijd een neerwaarts effectzal hebben op de grondprijzen en daarmee een positief effect op definanciële uitvoerbaarheid van de bouw van betaalbare koopwoningenonder de bovengrens. Deze grondprijzen zijn de afgelopen periode juistgestegen door de stijging van de huizenprijzen in samenhang met de lagerentestand.Vraag 25De leden van de PVV-fractie vragen welke mogelijkheden dit wetsvoorstelvoorziet om alsnog betaalbare koopwoningen toe te voegen aan hetwoningbestand als de markt daar niet in kan voorzien en zoudencorporaties daar een rol in kunnen spelen?De primaire taak van woningcorporaties is de bouw en exploitatie vansociale huurwoningen. Dit is een grote opgave, waarvoor woningcorpo-raties de komende jaren hun financiële mogelijkheden moeten inzetten.Het bouwen van betaalbare koopwoningen is geen wettelijke taak vanwoningcorporaties. Zij mogen dit wel doen vanuit hun niet-DAEB tak, enzij kunnen woningen die zij in eerste instantie als sociale huurwoninghebben gerealiseerd op enig moment verkopen. Daarbij zijn zij aan strikteregels gebonden. Zodoende ligt het niet voor de hand om woningcorpo-raties een specifieke rol te geven in het realiseren van betaalbarekoopwoningen. De huidige praktijk laat zien dat de markt kan voorzien inde realisatie van betaalbare koopwoningen, ook voor een koopprijs onderhet landelijke plafond. Dit laatste is toegelicht in het antwoord op de vraagvan de leden van de PVV-fractie over het bouwen van betaalbarekoopwoningen onder het landelijke plafond (vraag 24).Vraag 26De leden van de VVD-fractie willen nogmaals benadrukken dat iederewoningmarktregio verschillende behoeften heeft. Om die reden willendeze leden de regering vragen of zij het er mee eens is dat iedereprovincie haar eigen kenmerken heeft en dus maatwerk behoeft. Hoe gaatde regering er op toezien dat dit wetsvoorstel in de praktijk daar ookrekening mee houdt?Het wetsvoorstel voorziet erin dat de optelsom van wat lokaal, regionaalen provinciaal wordt gebouwd ook optelt tot wat er landelijk nodig is. Omdie reden is het belangrijk dat in alle provincies en regio’s twee derde vande woningbouw bestaat uit betaalbare woningen, waarvan een derde tebouwen door corporaties (sociaal en midden) en veertig procent in hetmiddensegment. Daarbinnen is er voldoende ruimte om rekening tehouden met provinciaal maatwerk. Zo zijn er in diverse woondealregio’saanvullende afspraken in verband met een grote opgave ten aanzien vanherstructurering van oude woonwijken en wordt in de provincieGroningen bij de nieuwbouwopgave rekening gehouden met de herste-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 720 lopgave vanwege de aardbevingsschade. In het provinciale volkshuisves-tingsprogramma geven provincies invulling aan de specifieke provincialevolkshuisvestingsopgave.Vraag 27De leden van de VVD-fractie zien, in het verlengde van bovenstaandevraag, dat er grote verschillen zijn tussen stedelijke en landelijke gebiedenin de provincies en regio’s. Deze leden vragen de regering of het nietlogisch is om tussen die verschillende gebieden te kunnen differentiërenbinnen het kader van betaalbaarheid. Kan de regering dit nadertoelichten?Verschillen tussen stedelijke en landelijke gebieden komen in ditwetsvoorstel onder meer tot uitdrukking doordat de verplichtingen voorde programmering van sociale huurwoningen en woningen in hetmiddensegment afhangen van de bestaande voorraad van socialehuurwoningen in een gemeente. In landelijke gebieden zal het aandeelsociale huurwoningen veelal onder het landelijk gemiddelde liggen en instedelijke gebieden is juist relatief weinig aanbod van woningen in hetmiddensegment. Het is belangrijk dat zowel mensen met een middenin-komen als met een laag inkomen in alle gemeenten meer kans maken opeen betaalbare woning. Zo willen bijvoorbeeld jonge woningzoekendenmet een laag inkomen graag een betaalbare woning vinden in het dorpwaarin zij zijn opgegroeid, maar zijn ze nu aangewezen op grotegemeenten waar het aanbod sociale huurwoningen groter is. Ik vraag ookaan provincies om rekening te houden met deze verschillen, doorbijvoorbeeld oog te hebben voor woningbouwmogelijkheden van kernenin de landelijke gebieden met het oog op de leefbaarheid, zoals ruimtevoor een «straatje erbij» aan de randen van bestaand bebouwd gebied.Vraag 28De leden van de NSC-fractie vragen zich af hoe de Kamer mede kanbepalen wat de definities voor sociaal en betaalbaar moeten zijn. Kan deregering aangeven of zij voorhangprocedure voor deze algemenemaatregel van bestuur (AMvB) heeft overwogen?Definities van sociale huurwoningen, middenhuurwoningen en betaalbarekoopwoningen zijn opgenomen in het voorgenomen Besluit versterkingregie volkshuisvesting. Voor dit voorgenomen Besluit is een voorhangpro-cedure bij beide Kamers der Staten-Generaal verplicht op grond vanartikel 23.5 van de Omgevingswet respectievelijk artikel 61s van deWoningwet. Het voorgenomen Besluit bevat namelijk een wijziging van dealgemene maatregelen van bestuur onder de Omgevingswet en deWoningwet. In het kader van deze voorhangprocedure kan de TweedeKamer zich dus ook een oordeel vormen over de in het ontwerpbesluitopgenomen definities.2.2.3 Verstevigen van lokale prestatieafspraken (III) Vraag 29De leden van de NSC-fractie vragen zich af hoe niet-centrum gemeentenin de nieuwe situatie geëquipeerd worden voor hun grotere rol bij hethuisvesten van kwetsbare doelgroepen. Worden middelen hiervoorregionaal herverdeeld? Of gaat dit anders?Mensen die als verplicht urgent worden aangemerkt op grond van deministeriële regeling worden geacht zelfstandig te kunnen wonen. In deregel is er dus geen extra inzet nodig vanwege de huisvesting van urgentwoningzoekenden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 721 Wanneer er wel maatschappelijke ondersteuning nodig is, hebbengemeenten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015reeds de taak deze maatschappelijke ondersteuning te bieden aan haarinwoners. Gemeenten ontvangen hiervoor middelen van het Rijk, via hetgemeentefonds.Op basis van het regionaal afgestemde volkshuisvestingsprogrammakunnen centrumgemeenten en regiogemeenten afspraken maken over dehuisvesting van doelgroepen die uitstromen uit instellingen die zichbevinden in centrumgemeenten.Momenteel is de praktijk dat mensen die in een instelling voor maatschap-pelijke opvang en beschermd wonen moeten verblijven zijn aangewezenop de centrumgemeente en daarna relatief vaak ook in de centrumge-meente vervolghuisvesting vinden na uitstroom. De meer evenwichtigeherverdeling van urgent woningzoekenden (die soms ondersteuningnodig hebben na uitstroom) sluit aan bij de doordecentralisatie van hetbeschermd wonen. Het wetsvoorstel Wijziging van de Wet maatschappe-lijke ondersteuning 2015 in verband met de invoering van het woonplaats-beginsel voor beschermd wonen dat uw Kamer eerder dit voorjaarontving, heeft als belangrijkste doel ervoor te zorgen dat niet alleencentrumgemeenten, maar alle gemeenten verantwoordelijk zijn voor huneigen inwoners die kampen met psychische problemen. Hierbij hoort eenobjectief verdeelmodel voor beschermd wonen. Met het wetsvoorstel ende doordecentralisatie van de middelen voor beschermd wonen naar allegemeenten ontstaat voor de gemeente een prikkel voor een goedepreventie en ambulante begeleiding voor de eigen inwoners.3. Wijzigingen van wetgeving ten behoeve van regie op devolkshuisvesting 3.1 Wijzigingen in de Omgevingswet 3.1.1 Volkshuisvesting Vraag 30De leden van de PVV-fractie vragen welke instrumenten het wetsvoorstelaan overheden geeft om te voorzien in de behoefte voor ouderenwo-ningen.In het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting is voorgemeenten en provincies een verplichting opgenomen om in hetvolkshuisvestingsprogramma te beschrijven op welke wijze hun beleidvoor de woningbouwopgave en de inzet van de bestaande voorraadvoorziet in de woonbehoefte van ouderen. Ouderen hebben vaak behoefteaan woningen met specifieke fysieke kenmerken, zoals woningen diegeclusterd zijn of waar zorg kan worden geleverd. Gemeenten enprovincies kunnen voor de realisatie van deze woningen aansluiten bij dehoofdcategorieën ouderenwoningen (woonvormen) waar het Rijk in haarbeleid op stuurt en waar ouderen zelfstandig en passend in kunnenwonen: nultredenwoningen, geclusterde woonvormen en zorggeschiktewoningen.Vraag 31De leden van de NSC-fractie vragen de regering via welk overlegprovincies voor regionale afstemming zorgen. Welke partijen zijn bij ditoverleg aanwezig en wat is de rol van al deze partijen (afzonderlijk entezamen)? Indien er partijen die niet tot de overheid behoren aan tafelzitten, kan de regering dan specifiek aangeven wat de rol is van dezepartijen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 722 Het wetsvoorstel brengt geen wijziging aan in de huidige praktijk waarinprovincies met gemeenten in regionaal verband komen tot afstemming enverdeling van de regionale woningbouwopgave en de doorvertaling naarhet aantal te bouwen woningen per gemeenten, het aandeel betaalbarewoningen. Daarnaast maken ze afspraken over te bouwen woningen voorouderen en studenten. Die regionale afstemming vindt plaats in eenwoningbouwregio, de opvolger van de woondealregio. Het is aan deprovincie om samen met de gemeenten te bespreken welke gemeentensamen een regio vormen waarbinnen deze opgave wordt afgestemd. Ik gaer van uit dat in de meeste gevallen provincies en gemeenten ervoorzullen kiezen om in dezelfde samenstelling te werken als de regionalewoondeals, wanneer dit in de praktijk goed werkt. In diverse regio’snemen naast overheden ook woningcorporaties deel aan dit overleg. Zijleveren dan inbreng op grond van hun wettelijke taak voor de volkshuis-vestingsopgave. Daarnaast is er overleg tussen overheden, marktpartijenen corporaties aan de regionale versnellingstafels. Dit overleg is gerichtop aanjagen van projecten en vlottrekken van vastgelopen projecten.3.1.2 Omgevingsvisie en het verplichte volkshuisvestingspro-gramma Vraag 32De leden van de NSC-fractie lezen dat er voor wordt gekozen omvolkshuisvestingsprogramma’s verplicht voor te schrijven aan gemeenten,provincies en het Rijk. Deze leden maken zich zorgen over verschillen iningangsdata en updatedata tussen deze verplichte volkshuisvestingspro-gramma’s. Kan de Minister aangeven hoe desondanks de optelling vanalle lokale en regionale plannen gaan voldoen aan wat landelijk nodig is?De leden van de NSC-fractie hebben zorgen over of de lokale en regionaleplannen ook daadwerkelijk optellen tot wat landelijk nodig is. Inaansluiting op de uitgangspunten van de Omgevingswet voorziet hetwetsvoorstel niet in een directe juridisch bindende doorwerking vanomgevingsvisies naar het volkshuisvestingsprogramma of van volkshuis-vestingsprogramma’s van Rijk en provincie naar het gemeentelijkevolkshuisvestingsprogramma. Dit hangt samen met het principe vanscheiding van normstelling en beleid. Een juridische doorwerking zou tenkoste kunnen gaan van het beleidsmatige karakter van het volkshuisves-tingsprogramma, en is ook niet nodig gegeven het uitgangspunt naargeldend recht dat bestuursorganen bij de uitoefening van taken enbevoegdheden rekening houden met het beleid van andere overheden.Artikel 2.2 van de Omgevingswet verankert dit en bepaalt dat bestuursor-ganen bij de uitoefening van taken en bevoegdheden rekening houdenmet elkaars taken en bevoegdheden en dat zo nodig afstemmingplaatsvindt. Die afstemming wordt vormgegeven door bijvoorbeeldafstemming tussen gemeenten en de provincie in regionaal verband.Als onverhoopt blijkt dat toch onvoldoende afstemming plaatsvindt,beschikken Rijk en provincies als stok achter de deur over de mogelijkheidom in juridisch bindende doorwerking te voorzien door instructieregels testellen of een instructie te geven. Het voornemen is om in het voorge-nomen Besluit versterking regie volkshuisvesting instructieregels voor deminimale inhoud van volkshuisvestingsprogramma’s te stellen, en daarbijook vaste begrippen te definiëren die de volkshuisvestingsprogramma’sonderling vergelijkbaar maken. Het wetsvoorstel introduceert daarnaastde mogelijkheid om in concrete gevallen een instructie te geven over hetvolkshuisvestingsprogramma van een of enkele overheden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 723 Provincies vervullen op grond van artikel 2.18 van de Omgevingswet eencoördinerende rol bij de uitoefening van taken door gemeenten. Uit dealgemene beginselen van behoorlijk bestuur vloeit voort dat besluiten vanbestuursorganen zorgvuldig moeten worden voorbereid. Dit betekentonder meer dat bij de vaststelling van het volkshuisvestingsprogrammaeen bestuursorgaan niet voorbij kan gaan aan het beleid van anderebestuursorganen voor zijn grondgebied. Op deze manier wordt geborgddat overheden ook daadwerkelijk als een overheid samenwerken aan watlandelijk nodig is, de volkshuisvestingsprogramma’s geven daar vorm eninhoud aan. Voorzien is daarom ook niet in een volgorde van vaststellingvan de volkshuisvestingsprogramma’s van gemeenten, provincies en Rijk.Dat biedt optimale flexibiliteit aan het vaststellende bestuursorgaan,bijvoorbeeld in de afstemming van de omgevingsvisie met omgevings-visies en volkshuisvestingsprogramma’s van andere bestuursorganen.Een vaste termijn en volgorde zou de mogelijkheid van bestuursorganenom te kunnen inspelen op actuele volkshuisvestingsopgaven in de wegstaan en kunnen leiden tot ingewikkelde procedures en juridisering.In de praktijk zal het Rijk de landelijke woningbouwopgave vaststellen opbasis van een prognose van onder meer de groei van het aantalhuishoudens en de verwachte sloop van het aantal woningen. Uitgaandevan het actuele woningtekort is hiermee vervolgens vast te stellen hoehoog de bouwopgave dient te zijn. Ook kan uit deze prognose afgeleidworden wat de verwachte behoefte aan woningen is van de aandachts-groepen studenten, ouderen en arbeidsmigranten.Deze prognose, die ook regionale cijfers zal bevatten over het woning-tekort, de geraamde huishoudensgroei en de geraamde sloop, zal samenmet het nationale volkshuisvestingsprogramma input vormen voor hetvaststellen van de lokale opgaven die na overleg tussen de gemeenten enprovincies vastgelegd dienen te worden in de provinciale en de gemeen-telijke volkshuisvestingsprogramma’s. Een belangrijk aandachtspunt inhet interbestuurlijke overleg hierover is vanzelfsprekend de randvoor-waarde dat de som van lokale inzet moet optellen tot wat er nationaalnodig is.3.1.3 Sturinginstrumenten van de Omgevingswet Vraag 33De leden van de VVD-fractie lezen dat het Rijk en de provincies over debevoegdheden beschikken om instructies te geven aan gemeenten ingevallen waarbij landelijke of regionale behoeften botsten met lokaleplannen. Deze leden vragen de regering toe te lichten waar het zwaar-tepunt komt te liggen, zodra deze behoeften botsen? Hoe wordt danbepaald wat zwaarder weegt?Nederland kende tot voor kort een stelsel waarbij het volkshuisvestings-beleid sterk werd bepaald door lokale keuzes. Dit decentrale stelsel pastonvoldoende bij de actuele maatschappelijke opgave op het gebied vande volkshuisvesting. Volkshuisvestingsopgaven houden niet op bijgemeentegrenzen en hebben ook een provinciale en nationalecomponent. Wanneer gemeenten bijvoorbeeld te weinig sociale huurwo-ningen bouwen, heeft dit effect op de huisvestingsopgave in gemeentendie wel een grote voorraad sociale huurwoningen hebben.Regie voeren betekent dat provincies en het Rijk in staat zijn om, als datnodig is voor de realisatie van het nationale of provinciale belang, metinstructieregels te voorzien in doorwerking van beleid naar besluiten oplokaal niveau. Dit geldt ook wanneer het bovengemeentelijke belang nietstrookt met het lokale belang. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat het RijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 724 een knoop doorhakt over een woningbouwlocatie om een bestuurlijkeimpasse te doorbreken. Deze wijze van interveniëren is niet nieuw in hetomgevingsrecht en sluit aan bij andere situaties waarin het noodzakelijk isvanwege een nationaal of provinciaal belang kaders te stellen voor lokalebesluitvorming of doorzetmacht in te zetten. Een voorbeeld daarvan is eenprojectbesluit bij het realiseren van een dijkverzwaring of bij de aanlegvan een provinciale weg.Vraag 34De leden van de VVD-fractie lezen dat gemeenten, provincies en het Rijkieder verplicht een volkshuisvestingsprogramma opstellen, maar dat ervervolgens geen actualisatieplicht geldt voor dit programma. Deze ledenvinden dit vreemd en vragen de regering uit te leggen wat de redenen zijnom niet tot een actualisatieplicht over te gaan. Wat zouden hier devoordelen en/of nadelen van zijn?In dit wetsvoorstel is ervan afgezien regels te stellen met een verplichtingtot het actualiseren of een (vaste) termijn waarbinnen actualisatie van hetvolkshuisvestingsprogramma moet plaatsvinden. Evenmin is voorzien ineen volgorde van vaststelling van de volkshuisvestingsprogramma’s vangemeenten, provincies en Rijk. Dat biedt optimale flexibiliteit aan hetvaststellende bestuursorgaan, bijvoorbeeld in de afstemming van deomgevingsvisie met omgevingsvisies en volkshuisvestingsprogramma’svan andere bestuursorganen. Een vaste termijn en volgorde zou demogelijkheid van bestuursorganen om te kunnen inspelen op actuelevolkshuisvestingsopgaven in de weg staan en de afstemming compli-ceren.Het achterwege laten van de actualiseringplicht ontslaat bestuursorganenuitdrukkelijk niet van het actueel houden van hun beleid, maar het is aanhet desbetreffende bestuursorgaan om te beoordelen of het volkshuisves-tingsprogramma actueel is en wanneer wijziging nodig is. De looptijd vanhet volkshuisvestingsprogramma kan overigens in het programmaworden aangeduid, waarmee een bestuursorgaan tot uitdrukking brengtwanneer wijziging in ieder geval moet worden overwogen. Het getuigtook van goed bestuur dat de omgevingsvisie en het volkshuisvestingspro-gramma actueel zijn en op elkaar afgestemd blijven. Het vaststellendebestuursorgaan heeft zelf ook baat bij een actuele omgevingsvisie en eenactueel volkshuisvestingsprogramma. Het geeft het bestuursorgaan zelfeen helder referentiekader bij de uitoefening van taken en bevoegdheden,en daarmee andere overheden, burgers, bedrijven en maatschappelijkeorganisaties helderheid over het meest actuele beleid. Zij moeten op ditvastgelegde beleid kunnen vertrouwen.Vraag 35De leden van de NSC-fractie constateren dat ingrijpen naast instrumen-tarium ook bestuurlijk lef vergt. Deelt de regering deze opvatting en hoegaat de regering voorts om met dit gegeven gezien het succes van dezewet vooral afhangt van de implementatie ervan «in het veld»?Ik deel de opvatting van deze leden dat het succes van dit wetsvoorstelniet alleen valt of staat met juridisch instrumentarium. Bestuurlijke lef omwaar nodig regie te nemen door juridische bevoegdheden ook daadwer-kelijk in te zetten is daarvoor minstens zo belangrijk. Het gebruik vandoorzetmacht duurt echter ook lang en daarom heeft het vinden van eenbestuurlijke oplossing altijd de voorkeur. Bovenal vind ik het van belangdat overheden voorspelbaar beleid voren en duidelijkheid bieden aan demarkt, zodat zij goed met marktpartijen en corporaties kunnen samen-werken aan het realiseren van de volkshuisvestingsopgave. Ik heb geziendat daarin de afgelopen periode belangrijke stappen zijn gezet. Ik noemTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 725 daarbij als voorbeeld de versnellingstafels, waarin partijen samenwerkenaan de voortgang in projecten en knelpunten oplossen.Ook deel ik de opvatting van de leden van de NSC-fractie dat de imple-mentatie van de wet in gezamenlijkheid met de partners «in het veld» terhand moet worden genomen. Dat is waarom ik voornemens ben om, alshet wetsvoorstel door beide Kamers is aangenomen, samen met deVereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het InterprovinciaalOverleg (IPO) een implementatietraject te starten. De eerste stappenhiertoe zijn reeds gezet.Vraag 36De leden van de D66-fractie merken op dat de regering sturingselementenkrijgt om gemeenten die achterblijven in het bouwen van betaalbare koopof middenhuurwoningen hierop instructies te geven. De leden vragen zichaf of de regering hier een concreet voorbeeld van kan geven.Een provincie of het Rijk kunnen bijvoorbeeld aan een gemeente waarin teweinig woningen in het middensegment zijn geprogrammeerd eeninstructie geven gericht op het omgevingsplan. In deze instructie geven zijde opdracht aan de gemeenteraad om in het omgevingsplan te zorgenvoor voldoende locaties voor woningen in het middensegment.Gemeenten hebben de bevoegdheid om voor bouwlocaties te bepalen dater woningen in een bepaald prijssegment moeten worden gerealiseerd opgrond van artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Denieuwbouw moet vervolgens worden ingevuld conform de betaalbaar-heidsprogrammering die is geregeld in het omgevingsplan. Een instructieover het omgevingsplan is een juridisch bindende opdracht van eenprovincie of het Rijk die de gemeente moet opvolgen. Deze bevoegdheidkan alleen worden uitgeoefend als sprake is van een provinciaal ofnationaal belang en dat belang onvoldoende doelmatig en doeltreffenddoor de gemeente wordt behartigd. Een juridische interventie vergt eenzorgvuldige afweging. Daarbij moet het nationale belang vanwege devolkshuisvestingsdoelen ook afgewogen worden tegen andere belangen.Vraag 37De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de samenloop tussenvolkshuisvestingsprogramma en huisvestingsverordening. Zij vragen hoedeze instrumenten zich tot elkaar verhouden.Met het wetsvoorstel wordt voor gemeenten, provincies en het Rijk aan deOmgevingswet de verplichting toegevoegd om een volkshuisvestingspro-gramma vast te stellen. Onderdeel van dit volkshuisvestingsprogrammabetreft het in kaart brengen van de woonbehoeften en -opgaven. Hiervanmaakt ook de woonbehoefte van aandachtsgroepen en urgent woningzoe-kenden deel uit.Om een goede samenloop en samenhang tussen het volkshuisvestings-programma en de huisvestingsverordening te waarborgen en te zorgenvoor integraal woonbeleid, wordt met dit wetsvoorstel aan de Huisves-tingswet 2014 de plicht voor het college van burgemeester en wethouderstoegevoegd om in het volkshuisvestingsprogramma de beleidskeuzes opte nemen die worden gemaakt op het gebied van woonruimteverdeling.Het college van burgemeester en wethouders moet onderbouwen opwelke wijze de huisvestingsverordening invulling kan geven aan dewoonbehoeften en woonopgaven, bedoeld in het volkshuisvestingspro-gramma. Daarmee geeft de huisvestingsverordening ook uitvoering aanhet woonbeleid, zoals dat is opgenomen in het volkshuisvestingspro-gramma.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 726 Vraag 38De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of voorliggende wetvoldoende instrumenten biedt om in te grijpen als provincies huntoezichthoudende taak ten opzichte van gemeente niet voldoendeinvulling geven, of als provinciaal beleid de lokale of landelijke doelen metbetrekking tot volkshuisvesting hinderen. Deze leden denken hierbijexpliciet aan cases zoals die op dit moment spelen in de provincieZuid-Holland, waar onvoldoende ruimte geboden wordt om te voorzien inde lokale woningbouwbehoefte.De Omgevingswet biedt provincies en Rijk al de nodige bevoegdhedenwanneer dit nodig is ter behartiging van nationale en provincialevolkshuisvestingsbelangen zoals de bouw van voldoende woningen. Zokan nu al op basis van de Omgevingswet een knoop worden doorgehaktover een locatie om een bestuurlijke impasse te doorbreken. Met ditwetsvoorstel wordt het bredere volkshuisvestingsbelang, als bedoeld inartikel 22 van de Grondwet, verankerd in dit wetsvoorstel. Daardoorkunnen alle overheden de instrumenten van deze wet inzetten voor derealisatie van dit bredere volkshuisvestingsbelang. Dit bredere volkshuis-vestingsbelang gaat bijvoorbeeld niet alleen over woningbouw entransformatie, maar ook over de evenwichtige samenstelling van dewoningvoorraad. Met dit wetsvoorstel kunnen dus Rijk of provinciesexpliciet dus ook instructies of instructieregels stellen met het oog op allefacetten van het volkshuisvestingsbelang. In dit wetsvoorstel komt ditonder meer tot uitdrukking in de instructieregels van het Rijk voor hetverplichte volkshuisvestingsprogramma in het voorgenomen Besluitversterking regie volkshuisvesting. Die instructieregels houden ondermeer in dat de afspraken over hoeveel, waar en voor wie wordt gebouwdworden verankerd in het volkshuisvestingsprogramma en doorvertaaldnaar de lokale praktijk. Waar nodig kunnen provincies en Rijk interve-niëren. Onderdeel van de instructieregels in het voorgenomen Besluit isook de opdracht aan de provincies om actief te sturen op 130 procentplancapaciteit bij gemeenten. Wanneer een provincie in gebreke blijft ofonvoldoende ruimte biedt aan gemeenten voor woningbouwlocaties,biedt dit wetsvoorstel de bevoegdheid om waar nodig met een instructiete interveniëren met het oog op het nationale volkshuisvestingsbelang. Bijde inzet van deze bevoegdheid geldt altijd dat eerst gekeken moetenworden naar een bestuurlijke oplossing en dat in de motivering ookgekeken moet worden naar andere betrokken belangen.3.1.4 Instructieregels over het volkshuisvestingsprogramma inhet Besluit kwaliteit leefomgeving Vraag 39De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering er niet voor heeftgekozen om als spiegelbepaling van de eis aan sociale huurwoningen inde wet op te nemen dat gemeenten met meer dan het landelijke gemid-delde aan sociale huurwoningen niet meer dan twintig of 25 procent aansociale huurwoningen mag bouwen. Deze leden willen hier graag eentoelichting op.Met de voorgenomen betaalbaarheidseisen stuurt het regering op dedoelen die zij wil dat verschillende gemeenten realiseren; een bovenge-middelde bijdrage aan de sociale huuropgave door gemeenten met eenlaag aandeel sociale huur, en een bovengemiddelde bijdrage aan deopgave in het middensegment door gemeenten met een hoog aandeelsociale huur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 727 Het maximeren van het percentage sociale huurwoningen bij gemeentenmet een bovengemiddeld aandeel sociale huurwoningen, ontneemtgemeenten de ruimte om daar waar dit lokaal nodig is meer socialehuurwoningen te realiseren. Een dergelijke maximering geldt ook nietvoor het percentage te bouwen woningen in het middensegment. Zo kanhet bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om in een grote gemeente waarin veelwoningen worden gesloopt, toch ook een aanzienlijk aandeel socialehuurwoningen te bouwen. Wel is het essentieel dat wanneer het aandeelbetaalbare woningen optelt tot meer dan twee derde, gemeenten gerichtemaatregelen treffen met het oog op de financiële uitvoerbaarheid van dewoningbouwprogrammering. In het antwoord op vraag 11 van de ledenvan de SGP-fractie en vraag 18 van de leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA ga ik nader in op de noodzaak om in dat geval aanvul-lende maatregelen te treffen.Vraag 40De leden van de VVD-fractie vragen of de regering het met deze ledeneens is dat het opnemen van een beperkende bepaling ertoe kan leidendat veel gemeenten toch 30/35/40 procent sociaal gaan bouwen endaarboven vanuit deze wet 40 procent in het middensegment waardoorbouwprojecten niet rendabel te krijgen zijn. Waarom wel, waarom niet?Gemeenten behouden in het voorgenomen Besluit versterking regievolkshuisvesting de ruimte om waar dit nodig is hogere percentagesbetaalbare woningen te programmeren dus bijvoorbeeld een program-mering vijfendertig procent sociale huurwoningen naast veertig procentwoningen in het middensegment. Ik ben het met de leden van deVVD-fractie eens dat het vereist is dat deze gemeenten in dat gevalflankerend beleid voeren, zodat woningbouwprojecten financieeluitvoerbaar blijven. Wanneer gemeenten hogere ambities hebben, maargeen aanvullende maatregelen treffen waardoor projecten niet meer vande grond komen, kunnen provincie of Rijk ook juridisch interveniëren. Ookin het antwoord op vraag 11 van de leden van de SGP-fractie ga ik naderop dit onderwerp in.Vraag 41De leden van de VVD-fractie vragen of de regering het met deze ledeneens dat Amsterdam met een doelstelling van 40/40/20 (sociaal/midden/duur) een onrendabele doelstelling heeft neergezet en deze verdeling ookniet nodig is gezien de voorraad aan sociale huurwoningen van bijna50 procent. Waarom wel, waarom niet?De bestaande voorraad sociale huurwoningen (DAEB-voorraad bijcorporaties) is zevendertig procent in de gemeente Amsterdam (zie ooktabel 1). Om die reden is het belangrijk dat deze gemeente naast de bouwvan sociale huurwoningen ook tenminste veertig procent programmeertin het middensegment. De gemeente Amsterdam doet dit ook. Gezien deherstructureringsopgave in Amsterdam en het hoge aandeel in relatie totde bouwopgave voor de woondealregio Metropoolregio Amsterdam(Amsterdam moet 67.000 woningen bouwen van de 171.500 woningen inde Metropoolregio Amsterdam), zal deze gemeente daarnaast ook eenaanzienlijke bijdrage moeten leveren aan de opgave in de MetropoolRegio Amsterdam voor sociale huurwoningen. Daarom begrijp ik de keuzevan deze gemeente voor een hogere ambitie betaalbare woningen.Ik ben het met de leden van de VVD-fractie eens dat daarbij goed gekekenmoet worden naar de financiële uitvoerbaarheid van een betaalbaarheids-programmering van 40/40/20. Dat is ook wat ik terugzie in het beleid vandeze gemeente. Zo voert de gemeente flankerend beleid onder meer dooruitgifte van grond in erfpacht in plaats van in eigendom en door eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 728 gedifferentieerde grondprijs te hanteren afhankelijk van de woningbouw-categorie. Daarnaast is er een vereveningsfonds, waarmee tekorten in degrondexploitatie bij woningbouwprojecten opgevangen kunnen wordendoor winstgevende grondexploitaties bij gebiedsontwikkelingen elders inde stad. In het kader van de aanpak «Gewoon Goed» wordt in hetstedenbouwkundig ontwerp gestuurd op financiële uitvoerbaarheid metbehoud van kwaliteit door beheersing van bouwkosten en/of kleinerewoningen. Daarnaast is er een doorbouwakkoord waarbij naar aanleidingvan de gestegen rente en oplopende bouwkosten voor bepaalde projectenherwaardering plaatsvindt van de grondprijs. Ook in de beantwoordingvan de vragen van de leden van de SGP-fractie (vraag 11) en van de ledenvan de fractie van GroenLinks-PvdA (vraag 20) ga ik nader in opgemeenten die hogere betaalbaarheidsambities hebben.Vraag 42De leden van de VVD-fractie maken zich grote zorgen over het stellen vanhogere (niet haalbare) doelstellingen. Hoe gaat de regering voorkomendat deze wet uitnodigt voor provincies om hogere doelstellingen voor hetsegment sociaal en midden te gaan hanteren in hun sturing op bouwpro-jecten?Een belangrijk aspect van regie is eenduidige sturing op de realisering vandoelen. Het stellen van hogere betaalbaarheidsdoelstellingen voor eenbouwproject vraagt om een zorgvuldige lokale afweging, met aanvullendemaatregelen waarin de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkelingeen belangrijke plaats inneemt. Gelet hierop zijn aanscherpingen vanuitde provincie onwenselijk, omdat generieke eisen onvoldoende ruimtelaten voor uitvoerbaarheidsafwegingen op projectniveau. Om die redenvind ik het onwenselijk dat provincies de gemeenten kunnen verplichtentot aanvullende betaalbaarheidseisen. Ik op dit punt het voorgenomenBesluit dat bij uw Kamer zal worden voorgehangen, verduidelijken.Vraag 43De leden van de VVD-fractie lezen dat gemeenten die nog niet zoudenvoldoen aan de 30 procent sociale huurwoningen in de voorraadmaatregelen moeten treffen om het aandeel omhoog te brengen. Hoeveeltijd acht de regering haalbaar voor gemeenten om het aantal socialehuurwoningen naar 30 procent per gemeente omhoog te brengen? Hoegaat op dit aantal in de praktijk worden gecontroleerd?In dit wetsvoorstel en het voorgenomen Besluit geldt een verplichtingvoor gemeenten om dertig procent sociale huurwoningen te program-meren indien de sociale huurvoorraad in de gemeente onder het landelijkgemiddelde aandeel sociale huur ligt. Deze verplichting gaat gelden ophet moment dat gemeenten het volkshuisvestingsprogramma moetenvaststellen, twee jaar na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.Gemeenten kunnen hier aan voldoen op het moment dat deze verplichtinggeldt. Het is nu al namelijk al onderdeel van de bestuurlijke afspraken inde woondeals dat gemeenten moeten toegroeien naar 30 procent socialehuurwoningen. De woningbouwprogrammering van gemeenten wordtdus nu al ingericht op de in het ontwerpbesluit opgenomen percentages.Zowel het aantal gerealiseerde sociale huurwoningen per gemeente alshet percentage sociale huurwoningen in de plancapaciteit is onderdeelvan de monitoring en wordt periodiek bestuurlijk besproken.Vraag 44De leden van de NSC-fractie vragen of het met dit wetsvoorstel mogelijkgemaakt wordt om tussen provincies te differentiëren als het gaat om debouw van twee derde betaalbaar. Kan de regering toelichten waarom daaral dan niet voor gekozen is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 729 De afgelopen jaren hebben we gezien dat door het ontbreken van regie teweinig en vooral te duur is gebouwd. Niet alleen is daardoor in alleprovincies sprake van een oplopend woningtekort, maar ook is een forseinhaalslag nodig om het nijpende tekort aan woningen voor mensen meteen laag en middeninkomen in te lopen. Om die reden is het wenselijk dedoelstelling van twee derde betaalbare woningen niet alleen landelijk tehanteren, maar ook voor alle provincies en woningbouwregio’s. Hetvoorgenomen Besluit voorziet om die reden ook niet in een mogelijkheidvoor provincies om te differentiëren ten aanzien van de bouw van tweederde betaalbare woningen. De doelstelling van twee derde betaalbarewoningen geldt niet op lokaal niveau, zodat er voor gemeenten waarnodig wel enige ruimte is voor flexibiliteit binnen de regionale enprovinciale opgaven. Provincies houden voldoende ruimte om binnen huntotale opgave gedifferentieerd invulling te geven aan specifieke provin-ciale opgaven. Bijvoorbeeld in provincies waarin een grote herstructure-ringsopgave is, of in de provincie Groningen waar in de bestuurlijkeafspraken ook rekening is gehouden met de herstelopgave vanwege deaardbevingsschade.Vraag 45De leden van de NSC-fractie vragen de regering op basis van welke datagemonitord wordt. Graag vernemen zij of er sprake is van een landelijkgefaciliteerde database, of van een optelling van lokale dan wel regionaledata.Er worden verschillende bronnen gebruikt om de voortgang van deverschillende opgaven waar de wet toe ziet, te monitoren. In veel gevallengaat het om lokale data die landelijk gefaciliteerd wordt ontsloten, dan welregistratiedata die beschikbaar is bij het CBS, zodat gegevens uniformverstrekt worden. Ook wordt gebruik gemaakt van enquêtes als er geenbronnen beschikbaar zijn. In het antwoord op de vraag van de NSC-fractieover de optelsom van alle lokale en regionale plannen is ingegaan op devraag hoe de opgave vastgesteld dient te worden (vraag 32). Belangrijkeinput voor de opgave vormt de Primos prognose zoals ABF Research dieop dit moment jaarlijks publiceert. Deze prognose bevat zowel landelijkeals regionale prognoses. Door deze prognose ter beschikking te stellenfaciliteert het Rijk de vaststelling van de lokale programma’s.Over de monitoring van de voortgang en realisatie van de bouw vanwoningen en de betaalbaarheid van woningen zijn daarnaast interbestuur-lijke afspraken gemaakt over de monitoring van de woningbouw. Dit is dezogenoemde Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw. Voor dezemonitor zijn met de VNG en het IPO afspraken gemaakt over welkegegevens halfjaarlijks overlegd moeten worden en hoe deze gegevensgedefinieerd worden. Met deze afspraken is een belangrijke basis gelegdvoor een goede monitoring. Aan een adequate uitvoering van deafspraken wordt hard gewerkt door de gemeenten en de provincies en alsdat binnen de randvoorwaarden van een overzienbare administratieve lastpast, kan in de toekomst de monitor verder uitgebouwd worden. Delandelijke monitor voortgang woningbouw is er op gericht op elk niveauinformatie te kunnen leveren. Voor het landelijk niveau is de monitor daneen optelling van de lokale data zoals in de vraag geopperd wordt.Tegelijkertijd geldt dat deze monitor landelijk gefaciliteerd is omdat Rijk,IPO en VNG samen afspraken maken over de wijze waarop gerapporteerdmoet worden.De Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw geeft ook inzicht in derealisatie van de bouw van woningen die geschikt zijn voor ouderen.Daarnaast zal via de monitor ouderenhuisvesting gekeken worden ofouderen daadwerkelijk doorstromen naar deze woningen. Die monitor zalTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 730 informatie putten uit onder andere de Landelijke Monitor VoortgangWoningbouw en uit de CBS registratiedata (CBS Woonbase). Daarnaastzal gebruik worden gemaakt van de Verantwoordingsinformatie (dVi) ende Prospectieve informatie (dPi) van de corporatiesector. De monitor voorhet programma Wonen en zorg voor ouderen zal net als de anderemonitors op landelijk, provinciaal als gemeentelijk niveau informatiebieden.Omdat voor studenten ook onzelfstandige woonruimte kan wordeningezet is voor de monitoring van studentenhuisvesting de jaarlijkseLandelijke Monitor Studentenhuisvesting opgesteld. Bronnen voor deLandelijke Monitor Studentenhuisvesting zijn een enquête onderstudenten, informatie van gemeenten over bouwplannen voor studenten-huisvesting en bestaande data (onder andere van het CBS en DUO). DeLandelijke Monitor Studenten heeft tot doel de huisvestingsvraag enaanbod in beeld te brengen van studentenhuisvesting.In de vraag van de NSC-fractie over de optelsom van alle lokale enregionale plannen aangegeven dat gemonitord wordt of en hoe deaandachtsgroepen gehuisvest worden (vraag 32). Hiervoor wordt deMonitor Huisvesting Aandachtsgroepen ontwikkeld. Hierbij wordt gebruikgemaakt van registratiedata die beschikbaar wordt gesteld door het CBS,waaronder de Basisregistratie Adressen en Gebouwen en de Basisregis-tratie Personen. De Monitor Huisvesting Aandachtsgroepen biedt opmeerdere niveaus informatie, waaronder landelijk, provinciaal engemeentelijk (en op een later moment ook regionaal).Vraag 46De leden van de NSC-fractie vragen zich tevens af wat de kwaliteit van degebruikte data is en hoe die gevalideerd wordt.Een adequate monitor heeft als startpunt goede afspraken over welkeindicatoren gerapporteerd dienen te worden en hoe deze indicatorengedefinieerd zijn. Alleen dan ontstaat een consistente dataset. Dezeafspraken zijn de afgelopen tijd gemaakt tussen gemeenten, provincies enRijk. Ook is er kortgeleden een dataprotocol afgesproken over de vraaghoe welke data moet worden aangeleverd en hoe de data gebruikt kanworden. Deze afspraken dienen nog te worden aangevuld met afsprakenover het beheer van de data. Daarin ligt het voor de hand ook afspraken temaken over het toezicht op de kwaliteit, de validatie van de data. Degemeenten en provincies zien daar nu uiteraard reeds op toe, maar het isgoed ook daar samen afspraken over te maken.De Monitor Huisvesting Aandachtsgroepen is gebaseerd op de Woonbase,die is ontwikkeld door CBS in samenwerking met het Ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De data in de Woonbasevoldoet aan de kwaliteitseisen die CBS daaraan stelt, alsISO-gecertificeerd bedrijf voor datakwaliteit, informatiebeveiliging enprivacybescherming. In de afgelopen jaren zijn verschillende verbete-ringen doorgevoerd in de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting ommeer inzicht te krijgen. Dit jaar is bijvoorbeeld, na te hebben geïnventari-seerd in welke gemeenten nog meer studentenhuisvesting wordtgebouwd, besloten het aantal gemeenten waar bouwplannen wordenopgevraagd uit te breiden van twintig naar veertig. De Landelijke MonitorStudenten wordt jaarlijks uitgevoerd door ABF Research in opdracht vanKences en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.In september wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 731 Vraag 47De leden van de D66-fractie merken op dat via regio’s gestuurd gaatworden op genoeg betaalbare woningen. De leden vragen zich af hoegemeenten die zich niet aan de afspraak houden in het realiseren vanvoldoende betaalbare koopwoningen, middenhuur, of sociale huurwo-ningen aan deze regioafspraken gehouden gaan worden?De kern van dit wetsvoorstel is dat de bestuurlijke afspraken overbetaalbare woningen ook worden verankerd in het volkshuisvestingspro-gramma. Deze afspraken zijn dus niet vrijblijvend. Mocht een gemeentezich niet aan de afspraak houden, dan zal altijd eerst bestuurlijk overlegworden gevoerd. Wanneer overleg niet tot resultaat leidt zullen provincieen Rijk waar nodig sturen met een instructieregel of -besluit. Hetwetsvoorstel bevat een aanvullende bevoegdheid voor de Minister vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om een provincie te verplichteneen opdracht te geven aan een of meer gemeenten (een getrapteinstructie). Een instructie leidt tot een verplichtende provinciale opdrachtaan de gemeente, bijvoorbeeld om het omgevingsplan aan te passenconform de instructie binnen een in de instructie gestelde termijn. In hetantwoord op vraag 33 van de leden van de VVD-fractie is een voorbeeldgegeven van een dergelijke instructie. Indien de gemeente deze instructieniet, niet volledig of niet tijdig uitvoert, kunnen Rijk of provincie hetinstrumentarium van interbestuurlijk toezicht toepassen. In uiterstegevallen kan dit leiden tot indeplaatstreding wanneer er sprake is vantaakverwaarlozing. In dat geval stellen het college van gedeputeerdestaten of de Minister – in de plaats van de gemeenteraad – de vereistewijziging van het omgevingsplan vast, op kosten van de gemeente. Eenjuridische interventie vergt een zorgvuldige afweging. Daarbij moet hetnationale belang vanwege de volkshuisvestingsdoelen ook afgewogenworden tegen andere betrokken belangen.Vraag 48De leden van de D66-fractie merken op dat in het programma van deMinister «Een thuis voor iedereen» is gesteld dat elke gemeente toe moetwerken naar 30 procent sociale huurwoningen. De leden merkentegelijkertijd op dat volgens de memorie van toelichting van de Wetversterking regie volkshuisvesting, gemeenten waar het aandeel socialehuurwoningen in de woningvoorraad lager is dan het landelijk gemid-delde, ten minste 30 procent van hun nieuwbouwopgave moeten invullenmet sociale huurwoningen. De leden vragen zich af hoe de wet bijdraagtaan de doelstelling van het programma «Een thuis voor iedereen?Eén van de doelstelling van het programma «Een thuis voor iedereen» isom te zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor mensen met eenlaag inkomen. Op landelijk, provinciaal en regionaal niveau stuurt ditwetsvoorstel op de realisatie van deze doelstellingen door de bouw vantwee derde betaalbare woningen. De moeten tot en met 2030 alsonderdeel hiervan 250.000 sociale huurwoningen gebouwd worden. Dezeopgave is primair voor de woningcorporaties. In dit wetsvoorstelkwalificeren daarnaast ook nieuwe woningen in beheer bij particulierenals sociale huurwoningen. Deze woningen worden alleen gezien alssociale huurwoning als daarvoor vergelijkbare waarborgen gelden alsvoor corporatiewoningen, waaronder de beschikbaarheid voor mensenmet een laag inkomen (en daarmee voldoen aan definitie sociale huurzoals opgenomen in het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuis-vesting).Door de bouw van 250.000 nieuwe sociale huurwoningen zal de voorraadsociale huur in absolute zin groeien, zodat huishoudens met een laaginkomen meer kans maken op een voor hen betaalbare woning. Omdat erTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 732 landelijk gezien, ook in het middensegment, relatief meer zal wordengebouwd, zal verhoudingsgewijs het aandeel sociale huurwoningen weliets dalen. Dat is niet erg, zolang de groei van de sociale voorraad inabsolute zin wordt gerealiseerd én de sociale huurvoorraad evenwichtigerwordt verdeeld tussen gemeenten. Gemeenten die te weinig socialehuurwoningen hebben, zullen in de nieuwbouw dertig procent socialehuur moeten realiseren. Daarmee groeien zij in een realistisch groeitempotoe naar een hoger aandeel sociale huurwoningen en naar meer balans inde woningvoorraad in de regio.Vraag 49De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe gemeenten die ver onderde 30 procent sociale huurwoningen van het totaal aantal woningen zittenmet deze wet daarnaartoe zullen groeien. De leden merken op dat ergemeenten zijn waar soms maar 8 procent van de woningen socialehuurwoningen zijn. De leden vragen zich af of de regering het met heneens is dat deze gemeenten met de verplichting uit deze wet nooit tot30 procent sociale huur zullen toegroeien.Ik ben het eens met de suggestie die de leden van de D66-fractie lijken tewekken dat het belangrijk is dat gemeenten met een laag aandeel socialehuur in de bestaande voorraad extra stappen moeten zetten, zodat ermeer balans komt in de woningvoorraad en er meer aanbod komt vansociale huurwoningen. In het voorgenomen Besluit geldt daarom voorgemeenten met een aandeel sociale huur lager dan het landelijkegemiddelde dat zij dertig procent sociale huur in hun nieuwbouw moetenrealiseren. Met dit verplichte percentage wordt met een realistisch maarambitieus tempo de sociale huurvoorraad vergroot in gemeenten die nueen relatief kleine sociale huurvoorraad hebben.Het verplichten van een hoger percentage dan 30 procent vind ikonwenselijk, gelet op de noodzaak om in deze gemeenten ook woningenin het middensegment te realiseren. Bij een betaalbaarheidsprogram-mering van meer dan twee derde op lokaal niveau is noodzaak enmogelijkheid afhankelijk van de lokale situatie met het oog op definanciële uitvoerbaarheid van de woningbouwprogrammering. In hetantwoord op vraag 11 van de leden van de fractie van de SGP ga ik daarnader op in.Vraag 50De leden van de D66-fractie vragen zich daarnaast af hoe dit wetsvoorstelzich verhoudt met de Nationale Prestatieafspraken. De leden vragen zichaf of met dit wetsvoorstel voldoende gestuurd kan worden op degemaakte afspraken uit de Nationale Prestatieafspraken.De Nationale prestatieafspraken worden op het moment dat de wet,indien en voor zover het wetsvoorstel daartoe door de Kamers wordtaangenomen, in werking treedt onderdeel van het nationale volkshuisves-tingsprogramma. Zodoende moeten provincies en gemeenten in hunvolkshuisvestingsprogramma’s hier ook rekening mee houden. Corpo-raties moeten op hun beurt een redelijke bijdrage leveren aan hetrealiseren van het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma. Op diemanier werken de Nationale prestatieafspraken dus door in ditwetsvoorstel en in de lokale praktijk. Voor de duiding van de concreteverwezenlijking van het doel van 250.000 sociale huurwoningen uit deNationale prestatieafspraken verwijs ik naar het antwoord op vraag 19 vande leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 733 Vraag 51De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom er in het wetsvoorstelniets is opgenomen over de spreiding van kwetsbare mensen over deverschillende wijken en gemeenten. De leden merken op dat groterecentrumgemeenten veel verantwoordelijkheid nemen als het gaat om hetopnemen van kwetsbare groepen, dat deze groepen vaak geconcentreerdzijn in al kwetsbare wijken en dat hiermee de leefbaarheid in die wijkenonder druk komt te staan. De leden vragen zich af hoe dit wetsvoorstelhierbij gaat helpen.Net zoals de leden van de D66-fractie constateer ik dat centrumgemeenteneen grote verantwoordelijkheid nemen als het gaat om het opnemen vankwetsbare groepen, dat deze kwetsbare groepen veelal wonen inkwetsbare wijken en dat daarmee de leefbaarheid in die wijken onder drukkan komen te staan. Met het voorliggende wetsvoorstel wil ik komen toteen meer evenwichtige verdeling van kwetsbare groepen overgemeenten, zodat deze kwetsbare wijken beter kunnen worden ontzien.Dat is de reden waarom de wijzigingen van de Huisvestingswet 2014hierop zien.Om te waarborgen dat kwetsbare groepen, waartoe ik een deel van dewettelijk urgent woningzoekenden reken, evenwichtig worden verdeeldover gemeenten in de regio, krijgen gemeenten met dit wetsvoorstel deverplichting om op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip afsprakente hebben gemaakt over de verdeling van de wettelijk verplichte urgentwoningzoekenden. Daarnaast schrijft het voorgenomen Besluitversterking regie volkshuisvesting voor dat het gemeentelijk volkshuisves-tingsprogramma een beschrijving bevat van het beleid dat de gemeentevoert ter verbetering van de leefbaarheid. In het volkshuisvestingspro-gramma beschrijft de gemeente de maatregelen en hoe, door middel vaneen integrale aanpak met maatschappelijke organisaties, gekomen wordttot een verbetering van de leefbaarheid in kwetsbare gebieden. Waarnodig kan het volkshuisvestingsprogramma het beleid op wijk-, buurt- ofmogelijk straatniveau bevatten.Vraag 52De leden van de CDA-fractie vragen of het technisch mogelijk enuitvoerbaar is om het wetsvoorstel op te knippen en het onderdeel overde programmering pas te behandelen als er meer duidelijkheid is over hetbenodigde flankerend beleid, zoals bijvoorbeeld NEPROM suggereert.Deze leden vragen wat op een dergelijke manier opknippen met dewerking van het wetsvoorstel zou doen en wat de gevolgen zijn voorgemeenten, huurders, de haalbaarheid van de woningbouwopgave en deambitie om zo snel als mogelijk de regie op de volkshuisvesting teversterken.Ik zie de vraag van de leden van de CDA-fractie allereerst als een oproepaan de formerende partijen om te zorgen voor structurele middelen voorde woningbouw. Ik onderschrijf het belang daarvan. Het is echter nietnodig om te wachten met het bieden van duidelijkheid aan gemeenten enmarktpartijen over wat er van hen verwacht wordt de komende jaren toter concrete toezeggingen over financiële middelen worden gedaan. Juistdie snelle duidelijkheid en de voorspelbaarheid die met dit wetsvoorstelwordt gecreëerd zijn voor marktpartijen van groot belang. Ik vind het danook goed dat veel partijen uit het veld, inclusief NEPROM, in de Uitvoe-ringsagenda wonen zelf ook pleiten voor twee derde betaalbaar bouwen.Het vastleggen van dat doel is hard nodig. Door het tekort aan betaalbarewoningen zijn immers de afgelopen jaren veel mensen met een laag enmiddeninkomen in de knel gekomen, omdat er voor hen geen betaalbareTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 734 woning beschikbaar is. Dat is ook de reden dat ik samen met de andereoverheden, marktpartijen en de corporaties de regie heb hernomen metafspraken over de bouw van twee derde betaalbare woningen. Het isessentieel ook dit onderdeel van deze bestuurlijke afspraken te verankerenin dit wetsvoorstel.Voor het financieel realiseren van twee derde betaalbare woningenhebben gemeenten en marktpartijen nu al veel mogelijkheden en zijbrengen dit ook iedere dag in de praktijk. Zo ga ik op het antwoord opvraag 133 van de leden de SP-fractie in op de realisatie van socialehuurwoningen door corporaties. In het antwoord op vraag 11 van deleden van de SGP-fractie licht ik toe hoe gemeenten met lokale maatre-gelen in overleg met ontwikkelende partijen betaalbaar kunnen bouwen.Vraag 53De leden van de CDA-fractie horen verder graag welke waarborgen er inde wet zijn ingebouwd zodat gemeenten met meer sociale huur in devoorraad dan landelijk gemiddeld wel hun aandeel in de opgave voorsociale huurwoningen blijven realiseren. Deze leden onderstrepen hetbelang hiervan in verband met het ontbreken van een procentueleondergrens. Zij zien een risico dat, ook omdat de precieze duur van denieuwbouwopgave niet is vastgelegd, de bouw van betaalbare woningennaar achteren schuift in de planning. Zij horen graag van de regering hoezij hierop in wil spelen en welke waarborgen hiervoor gecreëerd kunnenworden.Ook voor gemeenten die een bovengemiddeld aandeel sociale huurwo-ningen hebben in de voorraad, gelden verplichtingen ten aanzien van debouw van sociale huurwoningen. Dit is nader toegelicht in het antwoordop vraag 18 en vraag 19 van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA.Onderdeel van dit wetsvoorstel en het voorgenomen Besluit versterkingregie volkshuisvesting is dat de bestuurlijke afspraken over dewoningbouw worden verankerd in het volkshuisvestingsprogramma. Ditis ook de termijn waarbinnen de afgesproken opgave moet wordengerealiseerd. Op basis van de huidige bestuurlijke afspraken gaat het omde periode 2022–2030. Dit zal ik nader verduidelijken in de nota vantoelichting bij het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuis-vesting. Nieuwe afspraken zullen weer in het volkshuisvestingspro-gramma worden opgenomen. De programmering en realisatie vanbetaalbare woningen zal daarnaast ook worden gemonitord. Ik verwijsook naar een vergelijkbare vraag van de leden van de SP-fractie(vraag 59).Vraag 54De leden van de CDA-fractie vragen met betrekking tot de mogelijkheidvoor gemeenten om de doelstellingen op het gebied van betaalbaarheidaan te passen als deze evident niet logisch zijn, om een nadere duiding.Deze leden vragen ook om een toelichting hoe de regering dit in samen-spraak met andere gemeenten in de regio en de provincie gaat organi-seren en aanpakken. Graag horen zij meer over de vormgeving van ditproces en hoe geborgd wordt dat het totale aantal betaalbare woningen,en in het bijzonder het aantal sociale huurwoningen, voldoende blijft.Zoals ik in het antwoord op vraag 10 van de leden van de fractie van deSGP heb beschreven, wordt met «evident niet passend» gedoeld op lokalewoningmarktsituaties die sterk afwijkend zijn ten opzichte van hetlandelijk reguliere beeld, waardoor de minimumpercentages sociale huuren/of het middensegment voor een gemeente niet passend zijn.Provincies zijn in die gevallen bevoegd om in een instructie of in regels inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 735 de omgevingsverordening te bepalen dat in het gemeentelijk volkshuis-vestingsprogramma van een lager minimumpercentage sociale huurwo-ningen of woningen in het middensegment kan worden uitgegaan(artikel 4.33, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zoalsingevoegd bij het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuis-vesting). Op eenzelfde manier kan het Rijk een afwijkend percentageaangeven in een instructie.Vraag 55De leden van de CDA-fractie horen verder graag hoe dit wetsvoorstelwaarborgt dat gemeenten blijven toewerken naar 30 procent sociale huur.Deze leden ontvangen ook graag nadere duiding over waarom er isgekozen voor het landelijke gemiddelde van 27 procent en niet om degrens bij 30 procent in de voorraad te leggen. Zij lezen in de Woning-marktverkenning 2023–2028 van ABF – dat in opdracht van het Ministerievan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is opgesteld – dat hetgewenste aandeel sociale huur in het bouwprogramma 30 procent is. Zijvernemen graag de argumentatie over hoe wel het noodzakelijke aandeelvan 30 procent sociale huur in het bouwprogramma wordt bereikt, terwijlniet alle gemeenten deze sturing krijgen.Volgens de prognose die gehanteerd (Socrates eind 2022) is, is circa27 procent van de bouwopgave in het sociale huur segment nodig tot2030. Dit komt overeen met de bouw van het aantal sociale huurwoningenzoals afgesproken in de prestatieafspraken met corporaties. De keuze voorhet landelijke gemiddelde sociale huurwoningen in de voorraad alsmaatstaf voor de betaalbaarheidsprogrammering is zowel ingegeven doorhet streven naar meer balans in de voorraad als de doelstelling van hetrealiseren van meer betaalbare woningen. Wanneer we uitgaan van hetlandelijk gemiddelde ligt er voor 70 procent van alle gemeenten eenopdracht om extra stappen te zetten ten aanzien van de bouw van socialehuurwoningen. Bij de overige gemeenten ligt de nadruk op de bouw inhet middensegment, naast hun aandeel in de regionale opgave socialehuurwoningen. Ik vind het belangrijk dat zowel het aanbod socialehuurwoningen als het aanbod middenhuurwoningen wordt vergroot. Ditzijn nevengeschikte doelen.Vraag 56De leden van de CDA-fractie horen graag meer over wat de afweging isom in de ene gemeente te sturen op twee derde betaalbaar in denieuwbouw (37 procent voor middeninkomens plus 30 procent socialehuur) maar in de andere gemeente dit niet te doen (40 procent voormiddeninkomens). Deze leden stellen het op prijs als de regering ingaatop de verschillende waarborgen en instrumenten in de wet die ervoorzorgen dat er voldoende sociale huurwoningen worden gerealiseerd, ookin gemeenten waar hier dus geen expliciete sturing vanuit de wet op is.Deze leden horen graag meer over de voor- en tegenargumenten omkrachtiger te sturen bij laatstgenoemde type gemeenten, als hier binnende regio geen oplossing voor is gevonden.In alle gemeenten is er sturing op zowel de bouw van woningen in hetmiddensegment als de bouw van sociale huurwoningen. Ook gemeentendie een bovengemiddeld aandeel sociale huurwoningen hebben, hebbeneen verplicht aandeel in de regionale opgave voor sociale huur. Dit isnader toegelicht in het antwoord op de vragen hierover van de leden vande SGP-fractie (vraag 9) en de vragen 18 en 19 van de GroenLinks-PvdA-fractie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 736 Vraag 57De leden van de CDA-fractie horen ook graag over de mogelijkheden vande wet als het in grote centrumgemeenten niet lukt om in absolute zinmeer sociale huur te bouwen, vanwege het ontbreken van de percentueleondergrens sociale huur in de nieuwbouwopgave. Deze leden vernemengraag welke mogelijkheden er zijn dit op te vangen in regiogemeenten.Ook hier ontvangen zij graag een nadere reflectie wat dit voor dieregiogemeenten en de leefbaarheid zou betekenen.Ook gemeenten die een bovengemiddeld aandeel sociale huurwoningenhebben, hebben een verplicht aandeel in de regionale opgave voor socialehuur. Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 18 en 19 van deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Andere gemeenten hoeven danook niet iets op te vangen van deze gemeenten. In de praktijk zien weoverigens dat in grote steden meer mensen wonen met een laag inkomen,doordat andere gemeenten onvoldoende sociale huurwoningen in devoorraad hebben. Dit wetsvoorstel beoogt meer balans in de woning-voorraad te realiseren, zodat mensen met een laag en middeninkomenoveral meer kans hebben.Vraag 58De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten welkewaarborgen – door het ontbreken van een percentuele ondergrens – dewet biedt dat gemeenten met meer sociale huur in de voorraad danlandelijk gemiddeld wel hun aandeel in de opgave voor sociale huurwo-ningen blijven realiseren.Ook voor gemeenten met een bovengemiddeld aandeel sociale huurwo-ningen geldt een minimale verplichting ten aanzien van bouw van socialehuurwoningen. In de verdeling van de regionale opgave moeten zij– naast veertig procent in het middensegment – ook een aandeel leverenin de regionale opgave voor sociale huur. Waar dit lokaal nodig is kunnenzij daarnaast een hogere percentage sociale huurwoningen program-meren. Ik ga hier ook nader op in het antwoord van de vraag van de ledenvan de SGP-fractie over gemeenten met een bovengemiddeld aandeelsociale huurwoningen in de bestaande voorraad (vraag 9) en de vragenhierover van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA (18 en 19).Vraag 59De leden van de SP-fractie merken op dat de termijn van «nieuwbouw-opgave» niet gespecificeerd is. Het risico bestaat dat betaalbare woningennaar achteren worden doorgerold in de planning waardoor er uiteindelijknauwelijks betaalbare woningen worden gebouwd. Kan de regeringhierop reflecteren?Onderdeel van dit wetsvoorstel is dat de bestuurlijke afspraken over dewoningbouw worden verankerd in het volkshuisvestingsprogramma. Hetgaat daarbij om de afspraken tussen Rijk en provincies en de afspraken inregionaal verband, de woningbouwregio. De betaalbaarheidseisen geldendaarbij voor de periode waarvoor de afspraken die zijn gemaakt. Op basisvan de huidige bestuurlijke afspraken gaat het om de periode 2022–2030.Nieuwe afspraken zullen steeds weer opgenomen worden in het volks-huisvestingsprogramma. Dit zal ik nader verduidelijken in de nota vantoelichting bij het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuis-vesting.Zowel de voortgang als de realisatie van betaalbare woningen vangemeenten wordt gemonitord. Ik heb vooralsnog geen aanleiding om teverwachten dat de bouw van betaalbare woningen naar achteren wordtverschoven. Daarnaast was te zien dat tijdens de «bouwdip» woningbouwTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 737 door corporaties minder gevoelig blijkt voor marktomstandigheden zoalsoplopende rente, terwijl de verkoop van projecten met veel durewoningen juist stagneerde.Vraag 60De leden van de SP-fractie merken op dat het volgens de memorie vantoelichting voor gemeenten mogelijk om de betaalbaarheidsdoelstellingenaan te passen als het evident niet logisch is. Dit gaat in samenspraak metandere gemeenten in de regio en de provincie. Kan de regering toelichtenhoe dit proces eruitziet, hoe wordt gewaarborgd dat het totaal aantalbetaalbare woningen en in het bijzonder sociale huurwoningen geborgdblijft?De leden van de SP-fractie verwijzen naar de flexibiliteitsbepaling waarbijde provincie lagere betaalbaarheidspercentages kan vaststellen voor hetgemeentelijke volkshuisvestingsprogramma. In de regel zal toepassingvan deze bepaling niet nodig en wenselijk zijn. De regeling is dan ooknadrukkelijk bedoeld voor uitzonderlijke situaties waarin de woningmarktafwijkend is. Een voorbeeld van zo’n uitzonderlijke situatie is de woning-markt op de Waddeneilanden, waarbij woningzoekenden aangewezen zijnop het lokale aanbod en veel minder op het regionale aanbod. In eendergelijke situatie kan de provincie na overleg met de gemeenten in dewoningbouwregio besluiten in een instructie of een instructieregel eenlager percentage toe te staan voor een gemeente. Het vaststellen van eeninstructie over het volkshuisvestingsprogramma is een bevoegdheid vanhet college van gedeputeerde staten. Het vaststellen van een afwijkendpercentage bij een instructieregel in de omgevingsverordening is eenbevoegdheid van provinciale staten. In artikel 4.33 van het Besluit kwaliteitleefomgeving zoals ingevoegd bij het voorgenomen Besluit versterkingregie volkshuisvesting geldt als voorwaarde voor het toepassen van debevoegdheid dat op regionale schaal twee derde van de woningenbetaalbaar moet blijven. Daarmee is het aantal betaalbare woningen nogsteeds gewaarborgd.Vraag 61De leden van de SP-fractie merken op dat in het programma «Een thuisvoor iedereen» het belang genoemd wordt dat elke gemeente toewerktnaar 30 procent sociale huur in de voorraad. Kan de regering toelichtenhoe deze wet waarborgt dat er nog steeds wordt toegewerkt naar dit doel?Het wetsvoorstel richt zich zowel op een absolute toename van het aantalbetaalbare woningen – sociale huur en woningen in het middensegment –als op meer balans in de woningvoorraad tussen gemeenten en binneneen gemeente. Dat doet dit wetsvoorstel met een realistisch groeitempo.In het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting geldtdaarom voor gemeenten met een aandeel sociale huur lager dan hetlandelijke gemiddelde, dat zij dertig procent sociale huur in hunnieuwbouw moeten realiseren. Gemeenten met een bovengemiddeldevoorraad sociale huurwoningen moeten een aandeel leveren in deregionale behoefte aan sociale huurwoningen en de regionale opgave vantwee derde betaalbare woningen. Op deze manier telt de bijdrage van allegemeenten op tot wat er regionaal provinciaal en landelijk nodig is.Gemeenten behouden de ruimte om een hoger percentage socialehuurwoningen te programmeren als dat nodig is. Te denken valt bijvoor-beeld een situatie met een hoge sloop-nieuwbouwopgave. De financiëleuitvoerbaarheid van een hogere betaalbaarheidsprogrammering dan tweederde vereist dan echter wel ook de inzet van flankerend lokaal beleid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 738 Vraag 62De leden van de SP-fractie merken op dat bij de spreiding van debetaalbaarheidsopgave in de nieuwbouw tussen gemeenten eenonderscheid is gemaakt op basis van het gemeentelijke aandeel socialehuur in de voorraad ten opzichte van het landelijk gemiddelde socialehuur in de voorraad (27 procent). Hiermee zal echter nooit het doel van 30procent sociaal in de voorraad worden gehaald aangezien bij het bereikenvan 27 procent sociaal in de voorraad een gemeente niet langer30 procent sociaal hoeft te bouwen. Kan de regering aangeven welkeafweging er is gemaakt om te kiezen voor het landelijke gemiddelde van27 procent en niet om de grens bij 30 procent in de voorraad te leggen?Deelt de regering de mening dat juist in tijden van een wooncrisis enstijgende dakloosheid met name onder jongeren, juist meer sociale huurnodig is? Voor welk segment ligt volgens de regering de grootste prioriteitom het aandeel te vergroten? Kan de regering een overzicht geven van dehuidige verdeling van woonsegmenten per gemeente? Deelt de regeringde mening dat het belangrijker is om meer sociaal te bouwen in degemeentes met een laag aandeel sociale huur dan meer duurderehuurwoningen te bouwen in gemeentes met een hoog aandeel socialehuur?Eén van de doelen van het wetsvoorstel is om te zorgen voor meeraanbod van betaalbare woningen en meer balans in de voorraad pergemeente en tussen gemeenten onderling. Wanneer wordt uitgegaan vaneen ijkpunt van het landelijke gemiddelde sociale huurwoningen alsmaatstaf is er voor zeventig procent van alle gemeenten een opdracht omextra stappen te zetten ten aanzien van de bouw van sociale huurwo-ningen. Bij de overige gemeenten ligt de nadruk op de bouw in hetmiddensegment, naast hun aandeel in de regionale opgave socialehuurwoningen. Op deze manier kan recht worden gedaan aan beidedoelstellingen. Ik vind het belangrijk dat zowel het aanbod socialehuurwoningen als het aanbod middenhuurwoningen wordt vergroot, hetzijn nevengeschikte doelen. De verplichting voor gemeenten om dertigprocent sociale huur te bouwen zorgt voor een realistisch maar ambitieustempo voor deze gemeenten om hun sociale huurvoorraad te latengroeien.Op het niveau van de woningmarktregio is een verdeling van woning-marktsegmenten beschikbaar. Hieruit blijkt dat de aandelen verschillenper regio, die vooral groot zijn bij betaalbare koop. Tot liberalisa-tiegrensMidden-huurDurehuurBetaalbarekoopDurekoopTotaalGroningen39%4%1%33%23%100%Leeuwarden37%2%0%39%21%100%Heerenveen33%1%0%34%31%100%Emmen33%2%0%45%19%100%Zwolle31%4%1%26%38%100%Enschede36%4%1%29%30%100%Lelystad30%4%1%28%37%100%Apeldoorn33%5%1%24%37%100%Doetinchem29%3%0%35%32%100%Arnhem36%7%1%25%31%100%Nijmegen34%6%1%21%37%100%Ede31%5%1%19%44%100%Amersfoort28%7%3%9%54%100%Utrecht31%9%4%9%47%100%Alkmaar30%4%1%26%39%100%Amsterdam37%9%7%7%40%100%Gouda29%5%1%23%41%100%Leiden31%9%3%8%50%100%Den Haag37%10%4%14%35%100%Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 739 Tot liberalisa-tiegrensMidden-huurDurehuurBetaalbarekoopDurekoopTotaalRotterdam41%8%2%21%28%100%Dordrecht34%5%1%32%28%100%Middelburg29%4%1%42%25%100%Roosendaal31%4%1%34%30%100%Breda30%6%2%20%41%100%Tilburg33%8%1%23%34%100%’s Hertogenbosch31%6%2%16%46%100%Oss28%5%1%20%46%100%Eindhoven32%6%2%16%44%100%Venlo30%3%0%36%30%100%Sittard37%3%0%44%16%100%Maastricht42%7%1%23%27%100%Nederland34%6%2%22%35%100%Bron: ABF/Socratesmodel 2023, waarin 2022 het startjaar is. Alle prijsniveaus hebben betrekkingop 2022. De grens voor middenhuur ligt bij € 1.030 en voor betaalbare koop bij € 355.000. Op gemeenteniveau kan deze verdeling niet met voldoende betrouw-baarheid worden gemaakt omdat voor de kleinere segmenten(middenhuur en dure huur) weinig waarneming zijn. Wel laat hetdashboard «Een thuis voor iedereen» zien hoe de corporatievoorraad(DAEB) ten opzichte van de totale voorraad in Nederland verdeeld is. Hetaanbod van betaalbare woningen verschilt sterk per gemeente.8 Hetijkpunt van het landelijk gemiddelde sociale huurwoningen als maatstafzorgt ervoor dat het aanbod van betaalbare woningen per gemeente entussen gemeenten onderling meer in balans wordt gebracht.Vraag 63De leden van de SP-fractie vragen welke ruimte de regering biedt voorgemeenten met een bovengemiddeld aandeel sociaal in de voorraad omaf te wijken van het voorschrift 40 procent middensegment in dewoningbouwprogrammering.Doelstelling van dit wetsvoorstel is om het aanbod van betaalbarewoningen te vergroten én om te zorgen voor meer balans in de woning-voorraad tussen gemeenten en binnen een gemeente. Om de balans teherstellen en het aanbod te vergroten hangt de programmering voor hetmiddensegment en voor sociale huurwoningen samen met de bestaandevoorraad sociale huurwoningen van een gemeente. Afwijken daarvan isniet wenselijk, omdat anders beide doelen niet worden gehaald. Daaromis alleen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in bijzondere gevallen,namelijk indien er sprake is van een evident afwijkende woningmarktsi-tuatie (zie ook het antwoord op vraag 10 van de leden van de fractie vande SGP). Zoals in andere antwoorden toegelicht staat het dezegemeenten, mits zij hierbij voldoende flankerend beleid inzetten, wel vrijmeer dan verplicht sociale huur te bouwen naast de verplichte opgave inhet middensegment.Vraag 64De leden van de SP-fractie merken op dat in de meest recente Woning-marktverkenning 2023–2028 van ABF (in opdracht van het Ministerie vanBinnenlandse Zaken) er wordt gesteld dat het gewenste aandeel socialehuur in het bouwprogramma 30 procent is. Niet alle gemeenten krijgenstraks deze sturing, kan de regering aangeven hoe wel het noodzakelijkeaandeel van 30 procent sociale huur in het bouwprogramma wordtbereikt?8Zie Datawonen – Een thuis voor iedereen (corporatiesector).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 740 Dit wetsvoorstel stuurt voor wat betreft betaalbaarheid op twee doelen: derealisatie van meer betaalbare woningen: sociale huurwoningen énwoningen in het middensegment. Daarnaast is het doel ook om te komentot meer balans in de woonvoorraad tussen gemeenten en per gemeente.Voor gemeenten betekent dit dat de betaalbaarheidsprogrammeringafhangt van het aandeel sociale huurwoningen in de bestaande voorraad.In totaal moeten er tot en met 2030 250.000 sociale huurwoningengebouwd worden. Hierdoor zal het absolute aantal sociale huurwoningentoenemen. Door bovendien te sturen op de verdeling hiervan tussengemeenten, zullen mensen met een laag inkomen meer kans maken opeen betaalbare woning zowel in grote gemeenten die vaak al een hoogaandeel sociale huur hebben, alsook in de gemeenten daar omheen diemeestal een lager aandeel sociale huur hebben. Omdat er landelijk gezien,ook in het middensegment, relatief meer zal worden gebouwd, zalverhoudingsgewijs het aandeel sociale huurwoningen iets dalen.Vraag 65De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan aangeven wat deafweging is om op twee derde betaalbaar in de nieuwbouw te sturen in deene gemeente (37 procent voor middeninkomens + 30 procent socialehuur) maar niet bij de andere gemeentes (40 procent voor middenin-komens). Welke waarborgen en instrumenten heeft de wet om ervoor tezorgen dat er voldoende sociale huurwoningen worden gerealiseerd, ookin gemeentes waar hier geen expliciete sturing vanuit de wet op is? Is desturing niet krachtiger als laatstgenoemde gemeente ook minimaal27 procent sociale huur moet realiseren als hier binnen de regio geenoplossing voor is gevonden?Ook voor gemeenten die meer dan veertig procent moeten bouwen in hetmiddensegment geldt een minimale verplichting ten aanzien van bouwvan sociale huurwoningen. In de verdeling van de regionale opgavemoeten zij – naast veertig procent in het middensegment – ook eenaandeel leveren in de regionale opgave voor sociale huur. Waar dit lokaalnodig is kunnen zij ook meer dan zeventwintig procent sociale huurwo-ningen programmeren. In het antwoord op de vragen van de leden van defractie van de SGP (vraag 9) en van de fractie van GroenLinks-PvdA ga ikhier ook op in.Vraag 66De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan aangeven of zijverwacht dat wat grote centrumgemeenten in absolute zin niet meerrealiseren aan sociale huurwoningen (door ontbreken percentueleondergrens sociale huur in nieuwbouwopgave) kan worden opgevangendoor de regiogemeenten.Ook gemeenten met een aandeel sociale huur boven het landelijkegemiddelde moeten een bijdrage leveren in de regionale, provinciale ennationale opgave voor sociale huurwoningen. De ondergrens is dat hetaandeel sociale huurwoningen per gemeente moet optellen tot wat er opprovinciaal niveau nodig is (zie ook bovenstaande vraag). Daarnaast moetop regionaal niveau twee derde betaalbaar zijn. Op die manier isgewaarborgd dat de programmering van alle gemeenten samen optelt totwat er landelijk, provinciaal en regionaal nodig is aan sociale huurwo-ningen.Vraag 67De leden van de SGP-fractie vinden het van groot belang dat er snel veelbetaalbare woningen bijkomen. Dit wetsvoorstel beoogt in nieuwbouw-plannen minimaal twee derde betaalbare woningen te borgen. Op papierbetaalbare woningen kunnen voor veel inkomens helaas ook onbetaalbaarTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 741 zijn. Zeker voor lage en middeninkomens, maar ook bijvoorbeeld vooreenverdieners. Hoe zorgt de regering ervoor dat er ook echt betaalbaargebouwd wordt? En hoe wordt voorkomen dat er voornamelijk woningengebouwd worden die net onder de grens van betaalbaarheid aanzitten.Waarom is niet gekozen voor een sturing in de mate van betaalbaarheid?Ik onderschrijf van harte het belang dat deze leden toekennen aan debouw van voldoende betaalbare woningen. Ten aanzien van woningen inhet middensegment zijn er voldoende lokale sturingsmogelijkheden voorgemeenten om in de praktijk woningen te bouwen waarvan de koop- ofhuurprijs onder de bovengrens ligt. In het antwoord op vraag 24 van deleden van de PVV-fractie heb ik toegelicht dat veel gemeenten al beleidinzetten om in de praktijk koopwoningen te bouwen voor een kooprijsonder de bovengrens. Dezelfde maatregelen kunnen ook ingezet wordenvoor de bouw van middenhuurwoningen.Een gedifferentieerd aanbod van sociale huurwoningen is primair eentaak van de woningbouwcorporaties en gemeenten, resulterend in delokale prestatieafspraken. Daarin spreken zij af hoeveel sociale huurwo-ningen er bijvoorbeeld worden gebouwd onder de aftoppingsgrens. In hetvolkshuisvestingsprogramma moeten gemeenten maatregelen treffen omhun aandeel in de naleving van deze prestatieafspraken te realiseren.Onderdeel daarvan is het opnemen van voldoende bouwlocaties voorsociale huurwoningen. Via het stellen van regels in het omgevingsplankunnen gemeenten dit realiseren.Vraag 68De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom het de bevoegdheidis van college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde statenom een lokaal of provinciaal volkshuisvestingsprogramma op te stellen,en waarom geen instemming wordt vereist van gemeenteraad ofprovinciale staten. Deze leden zijn van mening dat volkshuisvesting eenbelangrijk politiek thema is, waarover de gekozen volksvertegenwoor-diging een besluit moet kunnen nemen. Zij vragen waarom de regering degemeenteraad deze mogelijkheid ontneemt.De gemeentelijke woonvisie uit de Woningwet, die met dit wetsvoorstelvervalt, gaat niet primair op in het gemeentelijk volkshuisvestingspro-gramma, maar in de op grond van de Omgevingswet verplicht vast testellen gemeentelijke omgevingsvisie. De omgevingsvisie wordt vastge-steld door de gemeenteraad respectievelijk provinciale staten. Volkshuis-vesting wordt daarmee een geïntegreerd onderdeel van het beleid voor defysieke leefomgeving. Overlap, fricties en tegenstrijdigheden tussen eenaparte woonvisie en de omgevingsvisie worden daarmee vermeden. Methet introduceren van het verplichte volkshuisvestingsprogramma incombinatie met de omgevingsvisie is gekozen voor een optie die goed inde bestaande praktijk kan worden geïntegreerd door gemeenten enprovincies. Dat betekent ook dat de gemeenteraad respectievelijkprovinciale staten op het terrein van de volkshuisvesting de kaders blijftstellen en de hoofdlijnen van het te voeren beleid vaststelt. Ik verwachtdan ook geen gevolgen voor het lokale democratische proces.Ten overvloede: het volkshuisvestingsprogramma dient er toe de in deomgevingsvisie vastgelegde beleidsvoornemens met een op uitvoeringgericht programma te concretiseren. Hoewel het binnen het stelsel van deOmgevingswet past dat een programma door het college van burge-meester en wethouders wordt vastgesteld, kan er altijd voor gekozenworden om vooruitlopend op besluitvorming aan de gemeenteraad voorte leggen en ter bespreking te agenderen. Bij gemeenten kunnengemeenteraadsleden dan bijvoorbeeld moties indienen en zodoendeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 742 desgewenst het college bewegen om voorgenomen onderdelen van hetvolkshuisvestingsprogramma anders in te richten of om andere keuzes temaken. Voorgaande is ook toegelicht in paragraaf 10.5.1 van de memorievan toelichting bij dit wetsvoorstel. Zie ook het antwoord op vraag 131van de leden van de SGP-fractie, waarin wordt toegelicht welke elementenhet volkshuisvestingsprogramma tenminste dient te bevatten.Vraag 69De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te reageren opde bewering dat de twee derde betaalbaarheidseis zonder zicht opvoldoende structurele middelen – zoals nu geboden in de Startbou-wimpuls en Woningbouwimpuls – zal leiden tot vertraging en uitstel vanplannen omdat de kosten voor de bouw van nieuwebouwwoningenblijven stijgen en opbrengsten dalen. Deze leden vragen of de regeringbereid is te komen tot een structurele financiële ondersteuning van denieuwbouwopgave.Bij een groot deel van de woningbouwontwikkeling is een forse publiekeinvestering nodig door gemeenten. Dat is nodig voor bijvoorbeeld hetuitplaatsen van bedrijven, grondsanering, bereikbaarheid, leefbaarheid eneisen aan het aandeel betaalbare woningen. Daarbij kunnende investeringen vaak niet volledig worden verhaald op de grondeigenaar.De hoogte van deze investeringen zijn afhankelijk van de locatie. Verderzijn de betaalbaarheidseisen dus één van de factoren die een (financiële)rol spelen bij de haalbaarheid van een project.Vraag 70De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de verhouding tussende voorgenomen nieuw op te nemen instructieregel in het Besluitkwaliteit leefomgeving over de twee derde betaalbaarheidseis en debevoegdheid om instructies te geven ten behoeve van ontwikkeling vannieuwe woningen, die is vastgelegd in de artikelen 2.25, 2.33 en 2.34 vande Omgevingswet. Zij vragen waarom deze artikelen niet afdoende zijn enhet nodig is extra regels op te leggen.Onderdeel van dit wetsvoorstel is dat de bestuurlijke afspraken over dewoningbouw worden verankerd in het volkshuisvestingsprogramma. Inhet voorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting wordenhierover regels gesteld, die inhouden dat beleid wordt ontwikkeld dat zichricht op twee derde betaalbare woningbouw op regionaal, provinciaal ennationaal niveau. Hiermee wordt op voorhand duidelijkheid gegeven overde inhoud en richting van het woningbouwbeleid. Een instructie(artikelen 2.33 en 2.34 van de Omgevingswet) is een concrete opdracht dieeen provincie of het Rijk geeft aan een of een beperkt aantal bestuursor-ganen. Deze bevoegdheid leent zich voor sturing in incidentele gevallen,maar is niet geschikt om algemene, voor herhaalde toepassing bedoeldedoelstellingen te verankeren richting medeoverheden.De regels over het volkshuisvestingsprogramma in het voorgenomenBesluit zijn instructieregels als bedoeld in artikel 2.24 van deOmgevingswet. Deze formuleren generieke eisen waaraan het beleid in devolkshuisvestingsprogramma’s van gemeenten, provincies en het Rijkmoet voldoen. Instructieregels op grond van de Omgevingswet kunnenook worden gesteld over de inhoud van decentrale regels en besluit-vorming over woningbouwprojecten, zoals bijvoorbeeld het toelaten vanwoningen in omgevingsplannen. Het voorgenomen Besluit voorziet inwijzigingen van bestaande instructieregels ter bevordering vanwoningbouw, zoals de ladder van duurzame verstedelijking, maar voegtgeen instructieregels over omgevingsplannen toe waar het gaat ombetaalbaarheid. De keuze voor verankering van bestuurlijke afspraken inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 743 volkshuisvestingsprogramma’s maakt dat geen aanleiding bestaat voorhet stellen van beperkende juridische eisen van provincies of Rijk overbetaalbaarheid die rechtstreek ingrijpen op projectbesluitvorming.Vraag 71De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom jongeren en startersniet als speciale aandachtsgroep zijn bepaald waaraan in het volkshuis-vestingprogramma aandacht moeten besteden.Gemeenten worden geacht in het volkshuisvestingsprogramma teomschrijven wat de actuele en verwachte woonbehoefte is van inwoners,en daarbij in het bijzonder ook te beschrijven wat de woonbehoefte is vande bij ministeriële regeling aangewezen ouderen en aandachtsgroepen.Ook de woonbehoefte van jongeren en starters dient dus in kaart teworden gebracht als onderdeel van de totale woonopgave, maar dezebehoefte hoeft niet verplicht te worden uitgesplitst, waar dat wel geldtvoor de aandachtsgroepen en ouderen die onder artikel 62a van deWoningwet in de omgevingsregeling worden aangewezen. Daarmee zijnde in het programma «Een Thuis voor Iedereen» als aandachtsgroepgenoemde groepen, wettelijke verankerd. Aandachtsgroepen zijn groepenmet minder kansen dan anderen op de woningmarkt, bijvoorbeeld doorhun behoefte aan een specifiek soort woning of woonvorm, of door watextra nodig is aan begeleiding en zorg, of extra aandacht voor hetbenodigde draagvlak in de buurt. Studenten zijn daarbij ook genoemd alsaandachtsgroep. Voor jongeren en starters geldt zeker ook dat er voor heneen groot tekort is aan woonruimte, maar hun kansen worden in minderemate belemmerd door de hierboven genoemde factoren.Vraag 72De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering geentermijn geeft waarbinnen de nieuwbouwopgave afgerond moet worden.Zij vragen hoe de regering het risico inschat dat woningprogrammeringendoorschuiven, omdat een termijn ontbreekt.Onderdeel van het wetsvoorstel en het voorgenomen Besluit versterkingregie volkshuisvesting is dat de bestuurlijke afspraken over dewoningbouw worden verankerd in het volkshuisvestingsprogramma. Ditis ook de termijn waarbinnen de afgesproken opgave moet wordengerealiseerd. Op basis van de huidige bestuurlijke afspraken gaat het omde periode 2022–2030. Dit zal ik nader verduidelijken in de toelichting vanhet voorgenomen Besluit.3.1.5 Beschrijving sociale huur Vraag 73De leden van de CDA-fractie zien graag dat de regering reflecteert op deduur van de instandhoudingstermijnen voor categorieën nieuwbouw.Deze leden vragen of bij sociale huurwoningen niet ook moet wordenuitgegaan van een instandhoudingstermijn van 25 jaar, net als bij socialehuurwoningen. Daarnaast horen zij graag of bij flexwoningen de kortereinstandhoudingstermijn van minimaal tien jaar niet ook verlengd moetworden, bijvoorbeeld naar twintig jaar. Zij lezen dat voor betaalbare koopeen minimum van één jaar geldt voor instandhouding en vragen naar deargumenten voor en tegen verlenging hiervan naar tien jaar. Zij vernemengraag hoe dit via afspraken over co-koop, koopgarant of maatschappelijkgebonden eigendom kan worden gehandhaafd, of via het opnemen vaneen anti-speculatiebeding. Zij zien graag een reflectie over of landelijkerichtlijnen hierbij niet de voorkeur verdienen ten opzichte van de huidigeformulering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 744 Voor sociale huurwoningen in beheer bij marktpartijen geldt eeninstandhoudingstermijn van tenminste 25 jaar om als sociale huurwoningaangemerkt te worden. Voor huurwoningen in beheer bij corporaties is ditniet nodig gezien de institutionele waarborgen voor corporaties. Op grondvan de Woningwet gelden er strikte eisen waardoor langdurige instand-houding al is verzekerd (zie ook het antwoord op vraag 74 van de ledenvan de SGP-fractie). Bij flexwoningen die in beheer zijn bij marktpartijenwordt voor de instandhouding aangesloten bij de termijn waarop deze opde locatie is toegelaten. Dit is in de regel korter dan 25 jaar. Aangezienflexwoningen veelal in beheer zijn bij woningcorporaties is ook bij dezewoningen een lange instandhoudingsduur gewaarborgd.Voor betaalbare koopwoningen geldt een instandhoudingsduur vanminimaal één en maximaal tien jaar. De gemeente bepaalt binnen dezekaders de instandhoudingstermijn van een koopwoning. Daarbij wordt debalans gezocht tussen enerzijds instandhouding die gerechtvaardigd isvanwege inzet van publieke middelen en anderzijds de inbreuk op heteigendomsrecht. De verkoopprijs is immers gelimiteerd tot de bovengrensgedurende de instandhoudingstermijn.Indien de instandhouding van een betaalbare koopwoning geregeld is viaregels in het omgevingsplan, dan is het de taak van de gemeente om toete zien op de naleving. De eigenaar die een woning binnen de instandhou-dingstermijn verkoopt voor een bedrag boven de bovengrens vanbetaalbare koop, handelt in strijd met de regels van het omgevingsplan.De handhaving daarvan is op dit moment nog niet eenvoudig, omdat eengemeente niet altijd hiervan op de hoogte is. Daarom ben ik voornemensom te bezien of hiervoor nog aanvullende regelgeving nodig is. Ik denkhierbij bijvoorbeeld aan een informatieplicht bij de notaris en debevoegdheid om een bestuurlijke boete op te kunnen leggen. In veelgevallen wordt de instandhouding ook geregeld via privaatrechtelijkeafspraken met een kettingbeding. Naleving van dit beding kan danworden gevorderd tussen partijen via de civiele rechter.Er zijn ook andere vormen van privaatrechtelijke afspraken waarbij vooralafspraken worden gemaakt over het afromen of delen tussen koper enverkoper van de stijging van de marktwaarde zoals koopstart, ofkoopgarant. Een dergelijke regeling zorgt er voor dat middelen terug-vloeien naar bijvoorbeeld een revolverend fonds zodat ook weer nieuwekopers geholpen kunnen worden. Nadeel is dat op deze wijze de instand-houding van de koopwoning niet is geborgd; na verkoop voor demarktprijs is de woning te duur geworden voor de doelgroep met eenmiddeninkomen.Vraag 74De leden van de SGP-fractie vragen naar een verduidelijking van deinstandhoudingstermijn van sociale huurwoningen als het gaat omhuurwoningen die door woningcorporaties gebouwd worden. Waarom isdaar niet gekozen voor een instandhoudingstermijn? Is de regering vanmening dat ook sociale huurwoningen van woningcorporaties (snel)verkocht kunnen worden, waardoor deze woningen wel meetellen voorhet percentage nieuwbouw, maar feitelijk na een bepaalde periode nietmeer meetellen in de sociale huurvoorraad?Voor sociale huurwoningen in beheer bij woningcorporaties zijn geenextra vereisten opgenomen ten aanzien van de instandhoudingstermijnvanwege de institutionele waarborgen die er gelden voor woningcorpo-raties. Deze waarborgen zijn streng gereguleerd in de Woningwet mettoezicht door de Autoriteit Woningcorporaties. Dit regime brengt met zichTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 745 mee dat er al strikte regels gelden over verkoop van sociale huurwo-ningen.Vraag 75De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt het dat de instandhou-dingstermijn van sociale en betaalbare koopwoningen in het voorliggendewetsvoorstel één jaar bedraagt, en voor middenhuur tien jaar. Waarom isvoor deze termijnen gekozen? Waarom is niet voor een langere termijngekozen?De instandhoudingstermijn bij een betaalbare koopwoning bedraagttenminste één jaar en ten hoogste tien jaar. Voor middenhuurwoningen isdit tenminste tien jaar. Reden voor dit verschil is dat een instandhoudings-termijn bij koopwoningen zwaarder ingrijpt in het eigendomsrecht. Deeigenaar mag de woning namelijk niet verkopen boven de bovengrensvan een betaalbare koopwoning gedurende de instandhoudingstermijn.Vraag 76De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom de regering gekozenheeft voor een instandhoudingstermijn van 25 jaar bij sociale huurwo-ningen. Zij constateren dat deze instandhoudingstermijn niet geldt voorparticuliere woningen. Zij zien daarbij het risico dat dergelijke woningende cijfers zullen vertekenen, als blijkt dat deze na een korte termijnverkocht worden als koopwoning. Zij vragen hoe de regering hierrekening mee houdt.Voor sociale huurwoningen in beheer bij marktpartijen geldt eeninstandhoudingstermijn van tenminste 25 jaar om als sociale huurwoningaangemerkt te worden. De instandhoudingstermijn kan worden gewaar-borgd via het stellen van regels in het omgevingsplan of via een privaat-rechtelijke overeenkomst. Omdat een instandhoudingstermijn alleen kanworden opgelegd bij nieuwbouw en niet met terugwerkende kracht bijbestaande woningen, geldt deze voorwaarde alleen voor woningen die ingebruik zijn genomen na inwerkingtreding van de wet, indien envoorzover het wetsvoorstel door de Kamers wordt aangenomen.3.1.6 Overgang van huidige situatie naar inwerkingtredingwetsvoorstel Vraag 77De leden van de PVV-fractie vragen zich af of de wet kan voorzien in hetmogelijk maken om middenhuurwoningen na vijftien jaar verhuur te koopaan te bieden (de methode ASML).Dit wetsvoorstel maakt het zeker mogelijk om middenhuurwoningen navijftien jaar te koop aan te bieden. Dit vereist wel dat de gemeente in hetomgevingsplan of in de privaatrechtelijke overeenkomst een instandhou-dingstermijn van minder dan vijftien jaar heeft opgenomen. De gemeenteheeft deze bevoegdheid. De instandhoudingstermijn van een middenhuur-woning is tenminste tien jaar. Er is dus geen beletsel binnen de huidigewetgeving om deze methode toe te passen.Vraag 78De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat er eerst meer duide-lijkheid moet komen over flankerend beleid zoals financiële steunmaatre-gelen van het Rijk, gemeentelijke eisen, grondprijs en duurzaam-heidseisen, voordat kan worden overgegaan tot invoering van de tweederde betaalbaarheidseis. Kan de regering toelichten wanneer er meerduidelijkheid over flankerend beleid richting de Kamer komt en hoe zijverder met het verzoek van deze leden omgaat?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 746 Ik ben het met de leden van de VVD-fractie eens dat enkel dit wetsvoorstelniet voldoende zal zijn om de woningbouwopgave tot en met 2030 terealiseren. Dat neemt niet weg dat duidelijkheid over wat er vangemeenten en marktpartijen verwacht wordt veel waard is. Daarinvoorziet dit wetsvoorstel. Dit kabinet heeft daarnaast de afgelopen jarenruim 11 miljard aan financiële middelen ingezet voor de woningbouw-opgave. Die inzet moet worden doorgezet, en idealiter met structurelemiddelen. Dat is ook de oproep van de overheden, ontwikkelaars enbouwers, corporaties, woonbond en consumentenorganisaties aan deformerende partijen. Het is aan het nieuwe kabinet om daarover besluitente nemen.Vraag 79De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat duidelijker moet blijkendat de twee derde betaalbaarheidseis een maximum is. Deelt de regeringdeze mening? Waarom wel, waarom niet?Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 9en 11 van de leden van de SGP-fractie. Daarin heb ik aangegeven dat ikvan gemeenten terughoudendheid verwacht ten aanzien extra hogepercentages betaalbaarheid. Indien zij extra ambities hebben vereist ditlokaal maatwerk gericht op de financiële uitvoerbaarheid van projecten.Vraag 80De leden van de D66-fractie merken op dat de door de Minister geslotenwoondeals nauwelijks terug te vinden zijn in het voorstel. De leden vragenzich af waarom er niet is gekozen voor het opnemen van een paragraafover deze woondeals en hoe de uitwerking van die woondeals in de Wetversterking regie volkshuisvesting geborgd zijn.Dit wetsvoorstel continueert de werkwijze van het maken van bestuurlijkeafspraken over de woningbouw. Deze afspraken worden vervolgensopgenomen in het volkshuisvestingsprogramma. In het volkshuisvestings-programma werken gemeenten, provincies en Rijk de uitvoering van dezeafspraken uit.Dit is toegelicht in paragraaf 3.4 van de nota van toelichting bij hetvoorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting. Deze bestuurlijkeafspraken over hoeveel, voor wie en waar we bouwen zijn nu gemaakt inde vijfendertig regionale woondeals. In het voorgenomen Besluit wordtniet meer gekozen voor de term «woondealregio» maar woningbouw-regio. Dat kan dezelfde indeling zijn als de woondeals, als de gemeentenmet de provincies daarvoor kiezen. De provincie legt na overleg vastwelke gemeenten samen een woningbouwregio vormen.Vraag 81De leden van de D66-fractie merken op dat de door de Minister onderte-kende landelijk actieplan studentenhuisvesting nauwelijks terug te vindenis in het voorstel. De leden vragen zich af waarom er niet is gekozen voorhet opnemen van een paragraaf over het landelijk actieplan dan wel hetrealiseren van voldoende studentenhuisvesting in de Wet versterkingregie volkshuisvesting zodat dit geborgd is.Studenten zijn in de ontwerpregeling aangemerkt als een aandachtsgroep(door middel van aanwijzing in de Woningwet, artikel 62a, eerste lid). Datbetekent dat in het volkshuisvestingsprogramma het Rijk, provincie engemeenten specifieke aandacht besteden aan de huisvesting vanstudenten. Het gaat daarbij zowel om het bepalen van de woonbehoeftevan studenten, met inbegrip van het aandeel in de woonbehoefte van dewoningmarktregio, als om een beschrijving van de wijze waarop hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 747 beleid voorziet in de woonbehoefte van studenten, bijvoorbeeld doornieuwbouw of het beter benutten van de bestaande voorraad. Hetvolkshuisvestingsbeleid voor studenten dat nu is opgenomen in hetlandelijk actieplan studentenhuisvesting, zal dus na inwerkingtreding vanhet wetsvoorstel in het volkshuisvestingsprogramma van het Rijk wordenopgenomen. Dit is nader toegelicht in paragraaf 3.1.8 van de memorie vantoelichting bij het wetsvoorstel.3.1.7 Versnellen van procedures Vraag 82De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af in hoeverre hetopheffen van de verplichting tot het hanteren van de Ladder voorstedelijke verduurzaming voor woningbouwprojecten tot vijftig woningenleidt tot de bouw van meer betaalbare woningen. Het bouwen vankleinschalige projecten buiten de stedelijke contouren zijn dikwijls louterzeer lucratief voor de projectontwikkelaars. Bewijs dat hiermee eensignificante bijdrage wordt geleverd aan de bouw van betaalbarewoningen ontbreekt. Welke gevolgen verwacht de regering van dezeversoepeling? Waarom wordt er niet gekozen om de eis toe te voegen datdit alleen kan als het minstens twee derde betaalbare woningen betreft?Daarmee wordt voorkomen dat er vrijstelling wordt verleend voor debouw van vijftig dure koopwoningen in het groen.Ook de bouw van kleinschalige projecten buiten stedelijke contouren zaleen bijdrage leveren aan de doelstelling om twee derde betaalbarewoningen te realiseren. Het wetsvoorstel en het voorgenomen Besluitversterking regie volkshuisvesting bevatten daartoe instrumenten. Zowordt in het voorgenomen Besluit voorgesteld dat er landelijk, provinciaalen in de regio een verplichting komt om twee derde van de woningbouw-opgave te laten bestaan uit betaalbare woningen (betaalbare koop,middenhuur en sociale huur). Het is dan ook niet nodig om de eis vanminstens twee derde betaalbare woningen ook bij de Ladder op te nemen.Doel van de wijziging van de Ladder is om kleinschalige woningbouw opbuitenstedelijke locaties eenvoudiger te maken en de onderzoekslasten teverminderen. Deze projecten zijn ook nodig om het woningtekort teverkleinen. Bovendien is het van belang om ruimte te maken voorkleinschalige ontwikkeling in dorpen en kleinere kernen in alle regio’s.Daarmee kan de vitaliteit en leefbaarheid van die kernen worden versterkten kan worden aangesloten bij een specifieke vraag, bijvoorbeeld doorwoningen voor ouderen toe te voegen. Ik zie juist kansen om ook metbuitenstedelijke locaties aan de randen van gemeenten kansen te biedenom bij te dragen aan zowel versnellen van de woningbouw, de bouw vantwee derde betaalbare woningen en verbeteren van de vitaliteit. Zo gevenbijvoorbeeld veel gemeenten aan dat zij weinig ruimte hebben om tebouwen binnen bestaand stedelijk gebied maar dat er wel vraag is naarbetaalbare woningen voor bijvoorbeeld jongeren of ouderen die willendoorstromen naar een kleinere betaalbare woning in het dorp.Vraag 83De leden van de VVD-fractie lezen dat bij algemene maatregel van bestuurde besluiten worden bepaald waarop de procedurele versnellingsmoge-lijkheden van toepassing zijn. Deze leden vragen de regering hoe decriteria om projecten aan te wijzen, als projecten van zwaarwegendmaatschappelijk belang in de zin van de Omgevingswet, tot stand zijngekomen gezien het huidige wetsvoorstel. Welke beleidskeuzes zijn hierinoverwogen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 748 Dit wetsvoorstel voegt een grondslag aan de Omgevingswet toe om bijalgemene maatregel van bestuur tijdelijk besluiten voor categorieënprojecten te kunnen aanwijzen, waarvan de versnelde uitvoeringnoodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Hetkan alleen gaan om projecten met een grote maatschappelijke urgentie enbetekenis voor de samenleving en die noodzaken tot een versneldeuitvoering van deze projecten. Het hoeft hierbij niet alleen te gaan omcategorieën woningbouwprojecten, maar ook andere categorieënprojecten kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden aange-wezen. Er is gekozen voor deze algemene grondslag, omdat ook anderezwaarwegende maatschappelijke belangen tot aanwijzing van anderecategorieën projecten dan woningbouwprojecten kunnen noodzaken. Hetis doelmatiger om te voorzien in een algemene wettelijke grondslag diebij algemene maatregel van bestuur kan worden ingevuld, aangezien opdeze manier sneller kan worden ingespeeld op situaties waarin zwaarwe-gende maatschappelijke belangen noodzaken tot het versnellen vanberoepsprocedures.De concrete besluiten voor een categorie projecten worden bij algemenemaatregel van bestuur aangewezen. In dat kader moet ook de afwegingworden gemaakt of sprake is van zwaarwegende belangen die eenaanwijzing rechtvaardigen. Het is op voorhand niet te voorspellen welkevoor zwaarwegende maatschappelijke belangen tot een versneldeuitvoering van projecten kunnen noodzaken. Zwaarwegende maatschap-pelijke belangen kunnen ook veranderen in de tijd. Daarom is ervoorgekozen het criterium voor aanwijzing van zwaarwegende maatschappe-lijke belangen die noodzaken tot een versnelde uitvoering niet verder in tekaderen. Per aanwijzing zal moeten worden onderbouwd hoe aan hetcriterium wordt voldaan. Een dergelijke algemene maatregel van bestuurzal op grond van artikel 23.5 van de Omgevingswet nog in voorhangworden gebracht bij beide Kamers der Staten-Generaal.Voor woningbouw wordt in het voorgenomen Besluit een aantal besluitenvoor twaalf of meer woningen in een aaneengesloten gebied aangewezen.Hierbij zijn de grote woningbouwopgave en de grote maatschappelijkegevolgen die het tekort aan woningen voor mensen heeft, afgewogentegen de maatschappelijke effecten en de gevolgen voor de rechtspraak,in het bijzonder de consequenties voor de Afdeling bestuursrechtspraakvan de Raad van State (Afdeling bestuursrechtspraak), betrokken. Voor deomvang van twaalf of meer woningen is gekozen, omdat er vanaf ditaantal woningen sprake is van een woningbouwproject dat een wezenlijkebijdrage levert aan het oplossen van het nijpende woningtekort. Geblekenis dat dit kan leiden tot een toename van 39 zaken per jaar bij de Afdelingbestuursrechtspraak.9 Mijns inziens is dit een aanvaardbare toename vanhet aantal zaken en is een goede balans gevonden tussen het belang vanhet versnellen van de procedures enerzijds en de maatschappelijkeeffecten en de gevolgen voor de Afdeling bestuursrechtspraak anderzijds.Vraag 84De leden van de VVD-fractie vragen, in het verlengde van bovenstaandevraag, hoe de regering de drinkwatervoorziening classificeert alsmaatschappelijk belang. Is de regering van mening dat projectbesluitenmet betrekking tot de drinkwatervoorziening belangrijk genoeg zijn omaangewezen te worden als projecten van zwaarwegend maatschappelijkbelang? Waarom wel, waarom niet?9Rijksuniversiteit Groningen, De consequenties van de wijziging van rechtsbeschermingsproce-dures over woningbouwprojecten, 24 november 2023, bijlage bij Kamerstukken II 2023/24,36 512, nr. 5, p. 12–13.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 749 De leden van de VVD-fractie vragen of projectenbesluiten met betrekkingtot de drinkwatervoorziening belangrijk genoeg zijn om aangewezen teworden op grond van voorgestelde grondslag. In reactie daarop merk ikallereerst op dat de procedurele versnellingen die voor de op basis van degrondslag aangewezen besluiten voor categorieën projecten al vantoepassing zijn op projectbesluiten. Provincies kunnen er voor kiezen omeen niet verplicht projectbesluit op te stellen ten behoeve van dedrinkwatervoorziening met de ruimtelijke impact die dat kan hebben. Voorzover het dus gaat om projecten waarvoor de projectprocedure isvoorgeschreven, zijn de procedurele versnellingen al van toepassing en iseen aanwijzing hiervoor niet vereist.Nu het wetsvoorstel voorziet in een algemene grondslag om bij algemenemaatregel van bestuur tijdelijk besluiten voor categorieën projecten tekunnen aanwijzen, waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk isvanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen, is het mogelijkandere categorieën projecten dan woningbouwprojecten aan te wijzen.Als voorbeeld zijn in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstelnaast woningbouwprojecten ook projecten genoemd in het kader van deenergietransitie die noodzakelijk zijn om netcongestie te verhelpen en omnetaansluitingen van nieuwe woningen mogelijk te maken of omklimaatdoelstellingen te halen.10 Maar ook bij andere categorieënprojecten kunnen zwaarwegende maatschappelijke belangen eenversnelde behandeling van besluiten rechtvaardigen. Hierbij zou ook aandrinkwatervoorzieningen kunnen worden gedacht.11De uiteindelijke afweging daarvan zal bij een eventuele aanwijzing vanprojecten voor de drinkwatervoorziening bij algemene maatregel vanbestuur moeten worden gemaakt, daarbij moet dan worden onderbouwdwaarom zwaarwegende belangen noodzaken tot een versnelde uitvoeringvan die projecten.Overigens is het op het moment dat een woningbouwlocatie wordtoverwogen ook belangrijk dat aan de hand van het Ruimtelijk afwegings-kader klimaatadaptieve gebouwde omgeving12 nagegaan wordt of hetdrinkwaterbedrijf voldoende productiecapaciteit heeft om deze woningenvan drinkwater te voorzien.Vraag 85De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd naar hoe de regering deversnellingsprocedure gaat verwezenlijken. Kan de regering dit toelichtenaan de hand van het schetsen van een tijdspad?In het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting wordtvoorgesteld het Omgevingsbesluit aan te vullen met een tijdelijkeaanwijzing van een aantal besluiten voor de categorie woningbouwpro-jecten van twaalf of meer woningen in een aaneengesloten gebiedwaarop versnellingen van toepassing zijn, omdat de versnelde uitvoeringgewenst is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Hetvoorgenomen Besluit voorziet daarbij in de aanwijzing van de omgevings-vergunning voor de bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteitbestaande uit een bouwactiviteit en daarnaast in de aanwijzing van hetbesluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan.10Kamerstukken II 2023/24, 36 512, nr. 3.11Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2022/23, 27 625, nr. 592 (brief van 22 november 2022 Wateren Bodem sturend), Aanhangsel Handelingen II, 2023/24, 1615.12Bijlage bij brief van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 9 april 2024,Kamerstukkenal>II 2023/24, 27 625 en 30 015, nr. 666.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 750 Op besluiten voor deze categorie woningbouwprojecten zijn de in hetwetsvoorstel opgenomen procedurele versnellingen van toepassing,waaronder beroep in een instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraakvan de Raad van State, een uitsprakentermijn van zes maanden enuitsluiten van de mogelijkheid tot het instellen van pro forma beroep.Beroep in één instantie kan voor besluiten waarin anders tegen deuitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Afdeling bestuursrecht-spraak zou worden ingesteld, leiden tot een aanzienlijke versnelling in dedoorlooptijd van de beroepsprocedure, namelijk de tijd die de beroeps-procedure bij de rechtbank anders in beslag zou nemen (circa dertienmaanden). Na inwerkingtreding van het voorgenomen Besluit zijn dezeprocedurele versnellingen van toepassing op de aangewezen categoriewoningbouwprojecten.Vraag 86De leden van de VVD-fractie vragen naar de mogelijkheden om devoorgestelde procesversnellers permanent in te voeren, gelet op het feitdat de woningbouwopgave in 2030 nog niet is gerealiseerd. Kan deregering hier nader op in gaan en een toelichting geven?De tijdelijkheid houdt verband met het feit dat de voorgestelde proce-durele versnellingen afwijkingen bevatten van het normale stelsel vanbestuursrechtelijke rechtsbescherming. Daarom is in het wetsvoorstel hetcriterium van zwaarwegende maatschappelijke belangen opgenomen omtijdelijk een aantal procedurele versnellingen, zoals onder meer beroep inéén instantie, een uitsprakentermijn van zes maanden en uitsluiten van demogelijkheid tot het instellen van pro forma beroep, op besluiten voorcategorieën projecten van toepassing te verklaren. Het nijpende woning-tekort is het zwaarwegende maatschappelijke belang dat het nu noodza-kelijk maakt om tijdelijk beroepsprocedures te versnellen, zodat dewoningbouwopgave sneller kan worden gerealiseerd. De tijdelijkheid vande aanwijzing is ook inherent aan het oplossen van het zwaarwegendemaatschappelijke belang dat noodzaakt tot een versnelde uitvoering vanbepaalde projecten. Omdat ook andere zwaarwegende maatschappelijkebelangen, zoals de in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstelgenoemde projecten in het kader van de energietransitie of om klimaat-doelstellingen13 te halen, hiertoe kunnen noodzaken, is ervoor gekozen tevoorzien in een algemene wettelijke grondslag die bij algemene maatregelvan bestuur kan worden ingevuld. Op deze manier kan sneller wordeningespeeld op situaties waarin zwaarwegende maatschappelijke belangennoodzaken tot het versnellen van beroepsprocedures.Voorwaarde voor het bij algemene maatregel van bestuur aanwijzen vanbesluiten voor categorieën projecten is dat het moet gaan om eentijdelijke aanwijzing. De gedachte achter de algemene grondslag isimmers dat relatief snel via een algemene maatregel van bestuur deprocedurele versnellingen van toepassing kunnen worden verklaard alszwaarwegende maatschappelijke belangen daartoe noodzaken. Daarbijmoet het gaan om projecten die een grote maatschappelijke urgentie enbetekenis voor de samenleving hebben en moet het afwijken niet langerduren dan zwaarwegende maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen.Gelet op het feit dat met de procedurele versnellingen wordt afgewekenvan het normale stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming, pasthet niet dat een aanwijzing van besluiten voor categorieën projectenwaarvoor de procedurele versnellingen gelden, permanent zou zijn.13Zo heeft de Minister voor Klimaat en Energie in een Kamerbrief over de Versnellings-aanpakEnergietransitie vermeld dat hij mogelijkheden ziet om elektriciteitsprojecten aan te wijzen alsproject waarvan de versnelde uitvoering is gewenst vanwege zwaarwegende maatschappe-lijke belangen, Kamerstukken II 2023/24, 32 813, nr. 1193.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 751 Juist om de tijdelijkheid van de aanwijzing te borgen, is in hetwetsvoorstel een termijn voor aanwijzing beperkt tot ten hoogste tien jaarmet de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van ten hoogste vijfjaar. Met een nota van wijziging zal worden verduidelijkt dat de termijnvan de aanwijzing alleen kan worden verlengd als de evaluatie daartoeaanleiding geeft. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat een aanwijzinglanger van duurt dan zwaarwegende maatschappelijke belangen dienoodzaken.In het voorgenomen Besluit is voor woningbouwprojecten van twaalf ofmeer woningen ervoor gekozen om deze categorie projecten aan te wijzentot 1 januari 2031. Voor deze datum is gekozen omdat dit aansluit bij dewoningbouwopgave van 981.000 woningen die tot en met 2030 moetenworden gerealiseerd, zoals die is beschreven in het ProgrammaWoningbouw.14Dit voorgenomen Besluit zal nog in voorhang wordengebracht bij beide Kamers der Staten-Generaal.Vraag 87De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre er in samenwerking metandere ministeries (het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat)gezocht wordt naar een mogelijke invulling van drinkwater als zwaar-wegend maatschappelijk belang om versneld procedures te kunnendoorlopen.Zoals in het antwoord op vraag 83 van de leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA is aangegeven, is bewust voorzien in een algemenewettelijke grondslag die bij algemene maatregel van bestuur kan wordeningevuld en kunnen zwaarwegende maatschappelijke belangen ooknoodzaken tot een versnelde uitvoering van andere categorieën projectendan woningbouw. Hierbij zou ook aan drinkwatervoorzieningen kunnenworden gedacht.15 De uiteindelijke afweging en onderbouwing daarvanzal bij een eventuele aanwijzing van projecten voor de drinkwatervoor-ziening bij algemene maatregel van bestuur moeten plaatsvinden. Dealgemene maatregel van bestuur zal moeten worden opgesteld door deMinister van Infrastructuur en Waterstaat en worden medeondertekenddoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en deMinister voor Rechtsbescherming vanwege de gezamenlijk verantwoorde-lijkheid voor de Algemene wet bestuursrecht en het stelsel van bestuurs-rechtelijke rechtsbescherming.Vraag 88De leden van de D66-fractie vragen zich af of het klopt dat voor bouwpro-jecten met minder dan vijftig woningen de Ladder voor duurzameverstedelijking wordt uitgeschakeld. De leden vragen zich af of deregering goed heeft overwogen welke gevolgen dit kan hebben. De ledenvragen zich af of de regering bekend is met de planologische term «witteschimmel» die in de jaren ’90 van de vorige eeuw tot veel consternatieheeft geleid. De leden vragen zich af of het uitschakelen van de Laddervoor duurzame verstedelijking niet opnieuw tot eenzelfde problematiek zalleiden. De leden vragen zich daarnaast af wat de gevolgen zijn van hetuitschakelen van de Ladder voor duurzame verstedelijking op deverschillende ruimteclaims in gemeenten.Het klopt, zoals de leden van de D66-fractie vragen, dat in het voorge-nomen Besluit versterking regie volkshuisvesting een wijziging van deLadder voor duurzame verstedelijking (de Ladder) wordt voorgesteld,14Programma Woningbouw, bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 32 847, nr. 878.15Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2022/23, 27 625, nr. 592 (brief van 22 november 2022 Wateren Bodem sturend), Aanhangsel Handelingen II 2023/2024, 1615.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 752 waardoor de Ladder niet meer hoeft te worden toegepast bij eenstedelijke ontwikkeling die de bouw van minder vijftig woningen omvat.Dit voorgenomen Besluit zal nog in voorhang worden gebracht bij beideKamers der Staten-Generaal. De Kamers kunnen bij de behandeling vandit Besluit in de voorhang de wijziging van de Ladder in samenhang metandere regelingen van dit Besluit beoordelen.De nota van toelichting bij het voorgenomen Besluit bevat een onder-bouwing van de keuze om de Ladder niet meer van toepassing te latenzijn op woningbouwprojecten van minder dan vijftig woningen. Daarom ishet van belang om, gelet op de grote woningbouwopgave, kleinschaligewoningbouw op buitenstedelijke locaties eenvoudiger te maken en deonderzoekslasten te verminderen. De Ladder is een waardevol instrumentom te bevorderen dat in deze tijd van grote ruimtelijke opgaven onzeschaarse grond zo effectief mogelijk wordt ingezet en een goede afwegingwordt gemaakt tussen binnen- en buitenstedelijk bouwen en de verschil-lende ruimtelijke belangen die daar spelen. Tegelijkertijd is het belangrijkdat de Ladder kleinschalige woningbouwlocaties aan de randen vansteden en dorpen niet bemoeilijkt. Dergelijke projecten helpen ook om hetwoningtekort kleiner te maken. Bovendien is het van belang om ruimte temaken voor kleinschalige ontwikkeling in dorpen en kleinere kernen in alleregio’s. Daarmee kan de vitaliteit en leefbaarheid van die kernen wordenversterkt en kan worden aangesloten bij een specifieke vraag naarwoningen, bijvoorbeeld om woningen voor ouderen toe te voegen.De Ladder schrijft niet inhoudelijk voor wanneer en waar wel of nietgebouwd mag worden, maar vraagt om een goede afweging vanbelangen. Ook als een woningbouwproject niet als nieuwe stedelijkeontwikkeling kan worden aangemerkt, moet het gemeentebestuur bezienof de voorziene woningbouw een passende functie op de betreffendelocatie is. De wijziging van de Ladder staat er niet aan in de weg datandere te beschermen belangen, zoals water, bodem of cultureel erfgoed,werelderfgoed, natuurlijke en landschappelijke belangen, zich kunnenverzetten tegen woningbouw op een locatie. Gemeenten moeten opgrond van artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet ervoor zorgen datde regeling in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtigetoedeling van functies aan locaties waarbij rekening moeten houden metalle betrokken belangen. Gemeenten moeten daarbij eveneens voldoendeaandacht besteden aan de stedenbouwkundige invulling van de locatie enaan de kwaliteit van woningbouw, zowel binnen- als buitenstedelijk.Ik ben niet bevreesd dat de voorziene ondergrens voor woningbouwpro-jecten leidt tot een nieuwe «witte schimmel». Met «witte schimmel» werdgeduid op buitenstedelijke ontwikkelingen waarbij projecten werdengerealiseerd in lage dichtheden in het dure segment. Deze locaties zijngerealiseerd in een periode waarin er geen regie was op de bouw vanbetaalbare woningen. Gemeenten hebben voldoende instrumenten omzogenaamde «witte schimmel» aan de randen van dorpen en kernentegen te gaan. Nu in het wetsvoorstel wordt geregeld dat gemeentenmoeten voorzien in het realiseren van twee derde betaalbare woningen opregionaal niveau kan dit alleen als ook bij buitenstedelijk locaties eenaanzienlijk aandeel betaalbare woningen worden gerealiseerd.Vraag 89De leden van de BBB-fractie vragen de of de regering kan aangevenwaarom er ook voor gekozen is om de «energietransitie» toe te voegen alszwaarwegend maatschappelijk belang. In hoeverre wordt er een afweginggemaakt tussen verschillende vormen waarop de energietransitiebewerkstelligd kan worden? Zonnevelden en grote windmolens passenwel in de energietransitie, maar kunnen voor omwonenden hinder engezondheidsproblemen opleveren. In hoeverre wordt kernenergieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 753 bijvoorbeeld meegenomen in de energietransitie, dat veel minder hindervoor veel meer mensen oplevert? Kan de regering reflecteren op deafwegingen tussen die verschillende manieren van energieopwekking, enwelke leidraad hierbij wordt gehanteerd? Kan de regering aangeven of zepositief staat tegenover een systematiek waarbij eerst de minst hinderlijke/schadelijke opties worden overwogen alvorens er wordt overgegaan ophet plaatsen van bijvoorbeeld windmolenparken?De categorieën projecten waarop versnelling van toepassing is, zijn niet inhet wetvoorstel opgenomen, maar moeten bij algemene maatregel vanbestuur worden aangewezen. In de memorie van toelichting bij hetwetsvoorstel zijn wel als voorbeeld naast woningbouwprojecten projectengenoemd in het kader van de energietransitie die noodzakelijk zijn omnetcongestie te verhelpen en om netaansluitingen van nieuwe woningenmogelijk te maken of om klimaatdoelstellingen te halen. De uiteindelijkekeuze hiervoor geschiedt op het niveau van een algemene maatregel vanbestuur. Deze wordt voorgehangen bij uw Kamer.Zoals de Minister voor Klimaat en Energie uw Kamer heeft geïnformeerd,is netcongestie op dit moment een groot knelpunt met grote maatschap-pelijke gevolgen. De grenzen van wat het stroomnet aan kan, zijn in grotedelen van Nederland bereikt of komen in zicht.16 De Minister voor Klimaaten Energie is daarom dan ook voornemens om een aantal besluiten voorcategorieën projecten bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzenwaarop de procedurele versnellingen van toepassing zijn. Het gaat daarbijom de infrastructuur voor elektriciteitsprojecten die nodig is om deenergietransitie mogelijk te maken en die – tevens en op kortere termijn –problemen met netcongestie doet verminderen. Zonnevelden enwindmolen(parken) vallen niet onder de reikwijdte van deze aanwijzing.Vraag 90De leden zijn groot voorstander van het verkorten van de te langedoorlooptijden van bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures. De ledenvernemen graag wat de mogelijkheden zijn om de voorstellen op ditgebied van een permanente status te voorzien.Ik verwijs voor het antwoord op vraag 86,van de leden van de VVD-fractie,waarbij onder meer wordt beschreven dat de tijdelijkheid verband houdtmet het feit dat de voorgestelde procedurele versnellingen afwijkingenbevatten van het normale stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbe-scherming. Daarom is in het wetsvoorstel het criterium van zwaarwe-gende maatschappelijke belangen opgenomen om tijdelijk een aantalprocedurele versnellingen, zoals onder meer beroep in één instantie, eenuitsprakentermijn van zes maanden en uitsluiten van de mogelijkheid tothet instellen van pro forma beroep, op besluiten voor categorieënprojecten van toepassing te verklaren.Vraag 91De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de categorieën vanprojecten die aangewezen kunnen worden voor een versnelde uitvoering.Welke voorwaarden hanteert de regering voor deze projecten? Kan deregering ook specifieke projecten hiervoor aanwijzen, of gaat het alleenom categorieën van projecten? Waarom heeft de regering er niet voorgekozen om de voorwaarden voor aanwijzing wettelijk vast te leggen?Hoe worden (categorieën van) projecten geselecteerd die mogelijk inaanmerking komen voor versnelde uitvoering? Kunnen bijvoorbeeldgemeenten of ontwikkelaars deze aandragen?16Brief van 18 oktober 2023, Kamerstukken II 2023/24, 29 023, nr. 451 en brief van 22 januari2024, Kamerstukken II 2023/24, 29 023, nr. 458.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 754 Wat betreft de vraag van de SGP-fractie over de voorwaarden die wordengehanteerd voor de aanwijzing van categorieën projecten, verwijs ikallereerst naar het antwoord op vraag 83. Er is gekozen voor eenalgemene grondslag in het wetsvoorstel omdat ook andere zwaarwe-gende maatschappelijke belangen tot aanwijzing van andere categorieënprojecten dan woningbouwprojecten kunnen noodzaken. Door decategorieën projecten bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzenkan sneller worden ingespeeld op situaties waarin zwaarwegendemaatschappelijke belangen noodzaken tot het versnellen van beroepspro-cedures.Bij de beantwoording van vraag 83 van de leden van de fractie van deVVD is tevens beschreven waarom niet is gekozen om verder wettelijk inte kaderen wat voor zwaarwegende maatschappelijke belangen tot eenversnelde uitvoering van projecten kunnen noodzaken, omdat dit opvoorhand niet is te voorspellen. Zwaarwegende maatschappelijkebelangen kunnen ook veranderen in de tijd. Wel zijn in het wetsvoorstelandere voorwaarden voor aanwijzing opgenomen. Zo komen enkelbesluiten voor categorieën projecten in aanmerking die bijdragen aan hetnastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder b, van deOmgevingswet en is de termijn voor aanwijzing beperkt tot ten hoogstetien jaar met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van tenhoogste vijf jaar. Anders dan bij de Crisis- en herstelwet voorziet ditwetsvoorstel alleen in de mogelijkheid om categorieën projecten aan tewijzen en niet in concrete projecten of concrete locaties.Vraag 92De leden van de SGP-fractie wijzen er daarnaast op dat de noodzake-lijkheid van een versnelde uitvoering van categorieën van projecten pergemeente of regio kan verschillen. In sommige gemeenten is de noodza-kelijkheid van een project van twintig woningen nauwelijks aanwezig,terwijl dat in andere gemeenten wel het geval is. Hoe houdt deze wetrekening met deze regionale verschillen?In bovenstaande beantwoording is aangegeven dat het wetsvoorstelvoorziet in de mogelijkheid om categorieën projecten aan te wijzen en nietin concrete projecten of concrete locaties. Dit betekent dat de noodzake-lijkheid van de versnelde uitvoering voor de categorie projecten in hetalgemeen moet worden onderbouwd. In het voorgenomen Besluitversterking regie volkshuisvesting is gekozen voor woningbouwprojectenvan twaalf of meer woningen, omdat deze een wezenlijke bijdrage leverenaan het oplossen van het nijpende woningtekort. Hiermee wordt rekeninggehouden met regionale verschillen en kunnen ook minder grootschaligewoningbouwprojecten, die bijvoorbeeld worden gerealiseerd in het kadervan de aanpak van een «straatje erbij», profiteren van de procedureleversnellingen.Vraag 93De leden van de SGP-fractie vragen waarom er is gekozen voor eentijdelijke versnelling van procedures en niet voor een permanenteversnelling.Ik verwijs voor het antwoord op vraag 86 van de leden van de fractie vande VVD, waarin onder meer wordt beschreven dat de tijdelijkheid verbandhoudt met het feit dat de voorgestelde procedurele versnellingenafwijkingen bevatten van het normale stelsel van bestuursrechtelijkerechtsbescherming. Daarom is in het wetsvoorstel het criterium vanzwaarwegende maatschappelijke belangen opgenomen om tijdelijk eenaantal procedurele versnellingen, zoals onder meer beroep in ééninstantie, een uitsprakentermijn van zes maanden en uitsluiten van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 755 mogelijkheid tot het instellen van pro forma beroep, op besluiten voorcategorieën projecten van toepassing te verklaren.Vraag 94De leden van de SGP-fractie zijn groot voorstander van het versnellen vanprocedures in de woningbouwbouw. Met het voorliggende wetsvoorstelwordt hier iets aan gedaan, maar volgens deze leden is er meer nodig.Welke andere maatregelen zijn door de regering overwogen? Welkeprocedures kunnen volgens de regering verbeterd worden?Allereerst wil ik graag opmerken dat ik blij ben dat ook de leden van deSGP-fractie een groot voorstander zijn van het versnellen van proceduresvan woningbouwprojecten. Het proces voor de bouw van een woning– van initiatief tot realisatie – dat nu nog gemiddeld tien jaar duurt,waarvan de daadwerkelijke bouw gemiddeld slechts twee à drie jaar, kanen moet sneller. Door de regie te versterken en tegelijk daaraan processenen procedures voor woningbouw te versnellen, wordt de woningbouwversneld en neemt het woningtekort sneller af.De leden van de SGP-fractie merken terecht op dat er meer nodig is om dewoningbouw te versnellen. Daarom heb ik – samen met decentraleoverheden en andere betrokken partijen – verschillende trajecten in ganggezet om te komen tot noodzakelijke versnelling in processen enprocedures van woningbouwprojecten. Deze acties zijn onder andereuitgewerkt in het «Plan van aanpak versnellen processen en procedureswoningbouw».17 Dit plan van aanpak biedt handvatten en concrete actiesvoor de hele bouwsector om het woningbouwproces efficiënter in terichten en heeft betrekking op alle fasen van woningbouwprojecten. Hetgrootste deel van de maatregelen ziet op niet-wettelijke versnellingen inde planvormingsfase, zoals mogelijkheden om de voorbereiding,begeleiding en uitvoering van projecten te verbeteren, onder andere doorhet parallel schakelen van processen en procedures, landelijke enregionale versnellingstafels, het versterken van capaciteit en kennis vandecentrale overheden en het verbeteren van participatie. Hiermee wil ikinzetten op een structureel snellere ontwikkeling van woningbouwpro-jecten.3.2 Wijzigingen in de Huisvestingswet 2014 3.2.1 Inleiding Vraag 95De leden van de NSC-fractie lezen dat met deze wet wijzigingen in deHuisvestingswet 2014 worden doorgevoerd. Deze leden vragen of dezewet nieuwe of andere eisen aan de regionale woonruimteverdelingssys-temen stelt.De leden van de NSC-fractie vragen naar de gevolgen van hetwetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting voor woonruimteverdeel-systemen. In de praktijk werken veel gemeenten al met een lokaal ofregionaal woonruimteverdeelsysteem. Dit betreft meestal een aanbod-systeem, vaak in beheer of eigendom van een of meerdere woningcorpo-raties, waar (sociale) huurwoningen op worden aangeboden en woning-zoekenden op kunnen reageren. Op basis van artikel 20 van deHuisvestingswet 2014 kan de gemeenteraad in de huisvestingsveror-dening regels stellen omtrent de wijze van bekendmaken van de in dehuisvestingsverordening aangewezen categorieën van woonruimte die17Zie Plan van aanpak processen en procedures woningbouw, Bijlage bij Kamerstukken II2022/23, 32 847, nr. 993.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 756 bestemd zijn voor verhuur. Dit wetsvoorstel verandert hier niets aan enstelt ook geen nieuwe eisen aan regionale woonruimteverdeelsystemen.Op deze wijze sluit het wetsvoorstel aan bij bestaande woonruimtever-deelsystemen.Vraag 96De leden van de BBB-fractie vragen of de regering vindt dat mensen diena hun 30ste nog bij hun ouders moeten wonen vanwege dewoningnood, en daardoor geen gezin starten, ook een onderdeel moetenzijn van de categorie «groot maatschappelijk belang?» Kan de regeringhierbij ook de conclusies uit het rapport van de StaatscommissieDemografische Ontwikkelingen 2050 meenemen in zijn antwoord op hetwaarom wel of waarom niet van groot maatschappelijk belang?Ik onderschrijf dat het tekort aan woningen diep ingrijpt op het leven vanwoningzoekenden, waaronder dus ook dat van jonge mensen die nog bijhun ouders wonen en die dus geen gezin kunnen starten. Dit onderstreeptook de maatschappelijke noodzaak om regie te voeren op de bouw vantwee derde betaalbare woningen. Bij een dergelijk woningbouwpro-gramma wordt zowel tegemoet gekomen aan de woningbehoefte vanstarters als van doorstromers.Indien iedereen voorrang (door middel van het aanmerken als verplichteurgentiecategorie) zou krijgen, krijgt uiteindelijk niemand voorrang.Daarom is het noodzakelijk om de urgentieregeling in te perken tot diegroepen waarbij ook nog andere omstandigheden van toepassing zijnwaardoor urgentie nodig is. Zoals bijvoorbeeld bij mantelzorgers ofmantelzorgontvangers of mensen die uitstromen uit de maatschappelijkeopvang of beschermd wonen.De kernboodschap van het rapport van de Staatscommissie is vooral datde overheid regie moet nemen. In de woningbouw, in het omgaan metschaarse ruimte en ook als het gaat om migratie. En die regie, dat isprecies datgene wat ik de afgelopen periode heb hernomen eerst Ministervoor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en vervolgens als Ministervan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Demografie hoort in hethart van beleid. Het is aan een nieuw kabinet om hierin keuzes te maken.3.2.2 Achtergrondproblematiek Vraag 97De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over detoenemende verschillen tussen wijken. Deze leden hopen met deze wetook de regie op de leefbaarheid van wijken te kunnen vergroten om dezeverschillen tegen te gaan. Hoe staat de regering tegenover het voorstelom de komende vijf jaar de helft van alle betaalbare woningen die wordttoegewezen in de twintig slechtste wijken van ons land toe te wijzen aanmensen met een maatschappelijk beroep (startende leraren, medewerkersvan kinderdagverblijven, boa’s en agenten in opleiding, verpleegkundigenen medewerkers in de jeugdzorg)? Biedt de wet mogelijkheden om naasthet toewijzen van woningen aan kwetsbare en urgente groepen, ookwoningen aan deze maatschappelijke groepen toe te wijzen? Zou de wetin samenspraak met andere departementen erop kunnen gaan toezien datjongeren die een opleiding doen voor een van die beroepen een baanga-rantie en meteen een woongarantie kunnen krijgen? Op die manier doenwe wat aan de woonproblematiek van jongeren, het voorzieningenniveauin wijken, de personeelstekorten in vitale sectoren en aan de demogra-fische balans in onze wijken. Wat zouden de gevolgen van dergelijk beleidop de leefbaarheid en veerkracht van de kwetsbare wijken zijn? Zou het,los van alle praktische bezwaren, mogelijk zijn?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 757 De leden van de Groenlinks-PvdA-fractie vragen naar de mogelijkhedenom woning toe te wijzen aan maatschappelijke beroepen. Sinds 1 januari2024 is het mogelijk om, indien er schaarste is aan woonruimte die leidttot onrechtvaardige en onevenwichtige effecten, in de huisvestingsveror-dening te bepalen dat bij maximaal vijftig procent van de vrijgekomenaangewezen woonruimten voorrang wordt gegeven aan woningzoe-kenden met maatschappelijke of economische binding, waaronder ookwoningzoekenden met bepaalde vitale beroepen. Het is aan gemeentenom te bepalen hoe zij deze mogelijkheid uit de Huisvestingswet 2014gebruiken. Zij kennen zelf de lokale context en lokale behoefte het beste.De gemeente kan zelf bepalen welke beroepen als een vitaal beroepworden aangewezen. Als de gemeenteraad met zijn huisvestingsveror-dening besluit in te grijpen in de woonruimteverdeling moet dit wordenonderbouwd. Het is namelijk een beperking van de vrijheid van vestiging.Een beperking hiervan is alleen mogelijk als daar een aantoonbarenoodzaak voor is. Om gebruik te maken van deze mogelijkheid moet degemeente dan ook onderbouwen dat er schaarste is aan woonruimte énschaarste is aan werknemers met vitale beroepen voor wie de voorrangs-regels gaan gelden. Met dit wetsvoorstel wordt van gemeenten verlangddat zij in hun volkshuisvestingsprogramma de woonbehoeften enwoonopgaven van verschillende groepen in kaart brengen. Het ligt in derede dat gemeenten hierbij ook aandacht hebben voor mensen metmaatschappelijk of economische binding en mensen met een vitaalberoep.3.2.3 Vormgeving verplichte urgentieregeling Vraag 98De leden van de VVD-fractie lezen dat momenteel iedere gemeente zelfbepaalt of een woningzoekende kans maakt op een urgentieverklaring endat deze keuzevrijheid volgens de regering tot een ongelijke behandelingvan personen zou leiden. Deze leden zijn juist van mening dat gemeentendit zelf moeten blijven bepalen, omdat er ook maatwerk bij komt kijken. Zijvragen om die reden wie de taakstelling voor de verschillende aandachts-groepen gaat bepalen en hoe wordt deze afweging gemaakt. Daarnaastvragen deze leden hoe wordt bepaald welke (wettelijke) urgent voorrangheeft?De basis voor de wettelijk verplicht urgent woningzoekenden ligt in hetinterbestuurlijk programma «Een thuis voor iedereen»18, opgesteld doorde Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Volksge-zondheid, Welzijn en Sport, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Justitie enVeiligheid en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, IPO, VNG en Aedes.Daarin is opgenomen dat er een aantal groepen is waarvan het wenselijkis dat deze in alle gemeenten vanwege hun problematiek als urgentwoningzoekende worden aangemerkt. Het gaat hier om groepen die vaakkwetsbaar zijn, afhankelijk zijn van extra zorg of begeleiding, of hun leven(opnieuw) moeten opbouwen. Door een gebrek aan betaalbarewoonruimte blijven deze mensen vaak te lang aanwezig in bijvoorbeeldkostbare (nood)opvang, een voorziening voor beschermd wonen of eenggz-instelling. Met de groepen die worden aangemerkt als urgentwoningzoekenden in artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 gaat eengroot maatschappelijk belang gepaard. Verder geldt dat op basis van ditwetsvoorstel bij ministeriële regeling strikte regels worden gesteldomtrent de woningzoekenden die als urgenten moeten worden aange-wezen. Het doel is immers de meest kwetsbare mensen te beschermen bijde verdeling van schaarste, zonder dat het instrument te ruim wordtingezet.18Bijlage bij Kamerstukken II, 2021/22, 32 847, nr. 883.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 758 De afgelopen jaren hebben we gezien dat de optelsom van lokalebeslissingen niet leidt tot wat er bovenlokaal nodig is. Dat geldt ook voorde huisvesting van urgent woningzoekenden.Op dit moment heeft de helft van alle gemeenten geen urgentieregeling.Dat leidt zodoende tot onevenwichtige uitkomsten tussen gemeenten.Daarom is onderdeel van dit wetsvoorstel dat alle gemeenten eenevenwichtige bijdrage leveren aan de huisvestingsopgave van kwetsbaregroepen. Een verplichte urgentieregeling zorgt ervoor dat wettelijkvastgestelde urgent woningzoekenden in alle gemeenten een betere kanskrijgen op een woning. Daardoor is er ook meer ruimte in die gemeentenvoor reguliere woningzoekenden. Daarbij is er overigens ruimte voormaatwerk. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om afspraken te maken overde verdeling van de categorieën.De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt bepaald welke wettelijkeurgent woningzoekende voorrang heeft. Het wetsvoorstel brengt, zoalsook toegelicht in paragraaf 3.3.6 van de memorie van toelichting, geenwijzigingen aan in de gemeentelijke praktijk van welke (wettelijke) urgentvoorrang krijgt boven andere urgent woningzoekenden.Bij de huisvesting van de verschillende urgenten is er overigens geensprake van een taakstelling. Gemeenten maken zelf binnen een woning-marktregio afspraken over een passend percentage en over de verdelingvan urgent woningzoekenden. Indien zij niet tot deze afspraken komendan zal het percentage dat volgt uit dit wetsvoorstel en onderliggenderegelgeving gelden per gemeente. Het gaat daarbij om een percentagevan de door de gemeenteraad aangewezen categorieën woonruimte. Ditpercentage zal worden vastgesteld bij of krachtens algemene maatregelvan bestuur. In de ontwerpregeling is hiervoor vijftien procentopgenomen. De internetconsultatie van dit ontwerp heeft echter geleid toteen aantal reacties waarbij een hoger percentage wordt verzocht. Om diereden bezie ik of dit punt in de voorgenomen regeling nog aanpassingbehoeft.Vraag 99De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering gaat voorkomen metdeze wet dat bovengemiddeld veel sociale huurwoningen toegewezenworden aan urgentiegroepen zoals vorig jaar in Utrecht is gebeurd. Daarzijn alle sociale huurwoningen, gedurende een periode van zes weken,toegewezen aan statushouders waardoor andere urgenten geen toeganghadden tot een woning. Is de regering het met deze leden eens dat ditongewenst is? Waarom wel, waarom niet?De regering acht het onwenselijk dat er momenteel voor veel woningzoe-kenden een situatie is met lange wachttijden en veel onzekerheid. Op ditmoment zien we dat niet alle gemeenten bijdragen aan de huisvesting vanurgent woningzoekenden. Dat geldt in het bijzonder voor woningzoe-kenden waarvan het ontbreken van huisvesting leidt tot aanvullendemaatschappelijke problemen en kosten. Het gevolg daarvan is dat deregulier woningzoekenden in de centrumgemeente minder kans hebben.Om te zorgen dat reguliere woningzoekenden overal een goede kans opeen woning hebben moet de huisvesting van wettelijk urgent woningzoe-kenden evenredig verdeeld worden.Vraag 100De leden van de NSC-fractie vragen of de regering toe kan lichten hoe zijtot de voorgeschreven urgentiecategorieën is gekomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 759 Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord opvraag 98 van de leden van de fractie van de VVD. De basis voor dewettelijk verplicht urgent woningzoekenden ligt in het interbestuurlijkprogramma «Een thuis voor iedereen»19, opgesteld door de Ministeriesvan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Volksgezondheid, Welzijnen Sport, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Justitie en Veiligheid enOnderwijs, Cultuur en Wetenschappen, IPO, Aedes en VNG. Daarin isopgenomen dat er een aantal groepen is waarvan het wenselijk is datdeze in alle gemeenten vanwege hun problematiek als urgent woningzoe-kende worden aangemerkt. Het gaat hier om groepen die vaak kwetsbaarzijn, afhankelijk zijn van extra zorg of begeleiding, of hun leven (opnieuw)moeten opbouwen. Door een gebrek aan betaalbare woonruimte blijvendeze mensen vaak te lang aanwezig in bijvoorbeeld kostbare(nood)opvang, een voorziening voor beschermd wonen of eenggz-instelling. Met de groepen die worden aangemerkt als urgentwoningzoekenden in artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 gaat eengroot maatschappelijk belang gepaard. Verder geldt dat op basis van ditwetsvoorstel bij ministeriële regeling strikte regels worden gesteldomtrent de woningzoekenden die als urgenten moeten worden aange-wezen. Het doel is immers de meest kwetsbare mensen te beschermd bijde verdeling van schaarste, zonder dat het instrument te ruim wordtingezet.Vraag 101De leden van de NSC-fractie wijzen erop dat door de wooncrisis dewachttijden voor sociale huurwoningen in sommige gemeenten hoger zijndan een decennium geleden. Deze leden vragen of de regering aan kangeven hoe zij kijkt tegen naar het rechtvaardigheidsvraagstuk aangaandede spanning tussen urgentiecategorieën en woningzoekenden die soms aljaren op de wachtlijsten staan. In dit kader vragen zij ook hoe de regeringde maatschappelijke acceptatie van de verschillende urgentiecategorieënduidt in wooncrisistijden. Zij vragen ook of overwogen is een maximum-percentage te stellen aan het toewijzen van vrijgekomen woningen aanurgentiecategorieën.De regering ziet dat Nederland met een groot woningtekort kampt en datde wachttijd voor een sociale huurwoning in alle regio’s toeneemt. Ditleidt ertoe dat urgent en niet- urgent woningzoekenden («regulier»woningzoekenden) soms al jaren op de wachtlijsten staan.Bij de verdeling van schaarste aan woningen moeten de meest kwetsbaremensen extra beschermd worden. Het woningtekort raakt mensen diedaardoor op andere levensgebieden in de knel komen waardoor zij langereen beroep moeten doen op steun van de overheid. Zij blijven bijvoor-beeld te lang in kostbare (nood)opvang, een voorziening voor beschermdwonen of een ggz-instelling. Dat is voor deze mensen en voor desamenleving als geheel ongewenst. Daarom wijst de regering met ditwetsvoorstel categorieën urgent woningzoekenden aan die met voorrangmoeten worden gehuisvest.Ook ziet de regering dat de vaak kwetsbare mensen veelal wonen incentrumgemeenten.Om het daaraan verbonden rechtvaardigheidsvraagstuk en de maatschap-pelijke acceptatie van de verschillende urgentiecategorieën te adresserenzet de regering met dit wetsvoorstel in op verschillende aspecten. In deeerste plaats met een eenduidige definitie van urgent woningzoekenden.Het valt immers niet te rechtvaardigen dat een woningzoekende die inbepaalde omstandigheden verkeert in de ene gemeente wel als urgent19Bijlage bij Kamerstukken II, 2021/22, 32 847, nr. 883.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 760 woningzoekende wordt aangemerkt en in een andere niet. Daarnaast zetde regering met dit wetsvoorstel in op huisvesting per woningmarktregio.Het is immers evenmin te rechtvaardigen, dat centrumgemeenten nuveelal zorgen voor de huisvesting van vaak kwetsbare mensen. Daarbij zetdit de maatschappelijke acceptatie in die centrumgemeenten onder druk.Daarnaast is het voor het draagvlak belangrijk dat de groep urgentenbeperkt is en helder wordt afgebakend.Deze leden vragen ook of overwogen is een maximumpercentage testellen aan vrijgekomen woningen die aan urgentiecategorieën toege-wezen worden. Het voorgestelde artikel 6, achtste lid, van de Huisves-tingswet 2014, is erop gericht om een percentage vast te stellen dat in elkgeval bestemd moet zijn voor de urgent woningzoekenden als bedoeld inhet voorgestelde artikel 12, derde lid van de Huisvestingswet 2014. In deontwerpregeling is dit percentage vastgesteld op vijftien procent. Ditpercentage kan in de praktijk ook gelden als maximum. Deze ontwerpre-geling is gepubliceerd met mogelijkheid daarop te reageren via www.in-ternetconsultatie.nl. Dit heeft geleid tot een aantal reacties waarbij om eenhoger percentage wordt verzocht. Deze reacties zullen worden meege-nomen bij de vaststelling van de ministeriële regeling.Vraag 102De leden van de NSC-fractie vragen of de regering uiteen kan zetten hoedeze wet bij gaat dragen aan het verminderen van dakloosheid. Kan deregering toelichten of deze wet naar haar oordeel de aanpak «HousingFirst» uit de landelijke aanpak dakloosheid voldoende ondersteunt?Gemeenten moeten met dit wetsvoorstel in het volkshuisvestingspro-gramma de woonvraag van aandachtsgroepen en ouderen explicietmaken en aangeven op welke wijze zij voorziet in die woonbehoefte.Mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang, maar ook dewoonbehoefte van dreigend dak- en thuisloze mensen moet op grond vanartikel 62a, eerste lid, van de Woningwet worden meegenomen. Het gaatdan ook om woningzoekenden die buiten slapen, woningzoekenden inniet-conventionele woonplekken (zoals vakantieparken) en woningzoe-kenden die uit nood bij vrienden en familie verblijven (de zogenaamde«bankslapers»).Waar het om urgentie gaat, richt de verplichte urgentie op grond vanartikel 12 van de Huisvestingswet 2014 zich tot mensen die wegensdakloosheid in de maatschappelijke opvang verblijven of hier eenbeschikking toe hebben. Van deze mensen weten we dat zij vaak langerdan nodig in de opvang verblijven omdat er onvoldoende woningenbeschikbaar komen. Daarom is het vanuit het maatschappelijk oogpuntgewenst dat zij in aanmerking komen voor urgentie. Met hun uitstroomontstaat er ook ruimte voor instroom in de opvangvoorzieningen voormensen die daar nu vaak op de wachtlijst staan.Het wetsvoorstel draagt bij aan de verschuiving in de focus van opvangnaar wonen en maakt de woonbehoefte van dakloze mensen en mensendie dreigen dakloos te worden expliciet onderdeel van de volkshuisves-tingsprogramma’s.Vraag 103De leden van de BBB-fractie vragen of de regering kan aangeven of enhoe de nazorg van mensen die uitstromen uit instellingen voor klinischegeestelijke gezondheidszorg is vormgegeven nadat zij een woning hebbentoegewezen gekregen in een wijk, waarbij ook specifiek gelet wordt op hetvoorkomen van overlast richting de buren van de desbetreffende persoon.Heeft de regering cijfers over het aantal uit de geestelijke gezond-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 761 heidszorg afkomstige patiënten die overlast hebben veroorzaakt in debuurt waarin ze geplaatst waren? Op basis van welke cijfers heeft deregering de keuze gemaakt om ook deze groep mensen in de urgentieca-tegorie te plaatsen, en ze het recht te geven op een woning?Een vaste woon- of verblijfplaats voor mensen uit bijvoorbeeld eenintramurale instelling voor geestelijke gezondheidszorg is juist van belangom overlast te voorkomen. Het ontbreken van een vaste woon- ofverblijfplaats kan namelijk zorgen namelijk voor een instabiele situatiewaardoor een persoon ongewenst gedrag kan gaan vertonen of hierin kanterugvallen. Huisvesting is dus een belangrijke factor om overlast tegen tegaan. Daarbij maak ik een onderscheid tussen twee groepen:1.De groep die verblijft in een intramurale instelling en die instellingverlaat; de groep waarnaar de leden van de BBB-fractie vragen.2.De groep die niet verblijft in een intramurale instelling maar daar welzou moeten verblijven en daar zou moeten worden behandeld.Bij de eerste groep is niet te verwachten dat er overlast in de buurtontstaat. Deze groep personen verlaat immers een dergelijke instellingpas op het moment dat zij voldoende hersteld zijn. Overlast is wel teverwachten van de tweede groep personen: de groep waarbij verblijf ineen intramurale instelling noodzakelijk is, maar die daarin nog niet kaninstromen. De gemaakte keuze om te voorzien in landelijke urgentie houdtdan ook met name verband met deze groep personen. Zoals de memorievan toelichting aangeeft gaat het erom, dat het instromen van dezetweede groep onvoldoende kan plaatsvinden door onvoldoendeuitstromen van de eerste groep.Eén belangrijke oorzaak dat er onvoldoende uitstroom is, is dat er voorpersonen uit de eerste groep geen huisvesting beschikbaar is. Personenuit de eerste groep verblijven nodeloos in een intramurale instelling enblokkeren daardoor de instroom van de tweede groep, met daardoor eenverhoogd risico van overlast in de buurt. Inzake de cijfers op basiswaarvan de keuze is gemaakt, gaat de memorie van toelichting daarom inop het aantal personen die niet kunnen instromen in beschermd wonen,en schetst de memorie van toelichting het aantal wachtenden dat nietdirect kan instromen. Zo bedroeg het aantal wachtenden ten opzichte vanhet aantal beschermd wonen plekken in 2019 gemiddeld vijftien procent.20In drie regio’s was het percentage wachtenden zelfs groter dan of gelijkaan 30 procent. De gemiddelde wachttijd in weken nam eveneens toe vangemiddeld 30 weken in 2018 naar 35 weken in 2019.Bovendien is van belang dat het voornemen is om bij ministeriëleregeling gemeenten de mogelijkheid te geven om voorwaarden teverbinden aan specifieke urgentiecategorieën. Voor de in de vraaggenoemde categorie gaat het er daarbij om dat als voorwaarde kanworden gesteld dat de woningzoekende begeleiding ontvangt als nazorg,of woonruimte in gebruik neemt van een zorginstelling. Een dergelijkevoorwaarde draagt eraan bij dat een persoon minder of geen overlast zalveroorzaken. Hoe deze nazorg of huisvesting plaatsvindt wordt overge-laten aan het oordeel van de gemeente en/of zorgaanbieders.Vraag 104De leden van de CDA-fractie horen graag meer over de afwegingenrondom de wettelijke urgentiestatus voor onbepaalde tijd. Deze ledenhoren graag wat het praktisch betekent als de nu geldende urgentiestatusvoor bepaalde tijd verandert. Ook horen zij graag meer over wat het20KPMG (2020), Wachtlijsten beschermd wonen, onderzoek naar inzicht in en oplossingsrich-tingen voor de wachttijden en wachtlijsten beschermd wonen, bijlage bij Kamerstukken II2019/20, 29 325, nr. 121.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 762 betekent voor gemeenten en corporaties als wettelijke urgente woning-zoekenden één of meerdere malen een passende woning mogenweigeren. Zij lezen dat binnen twee jaar na invoering van de wetgemeenten in de regio afspraken moeten maken over de verdeling vanwettelijke urgente woningzoekenden. Zij horen graag meer over hoehierop wordt toegezien.De leden van de CDA-fractie vragen naar de afweging rondom deonbepaalde tijd van de urgentiestatus. Indien de situatie niet wijzigt is ergeen aanleiding om de urgentiestatus te beëindigen. Dit is niet gekoppeldaan een bepaalde duur.Een college van burgemeester en wethouders kan besluiten om deurgentiestatus in te trekken indien de betreffende woningzoekende eenpassende woonruimte heeft geweigerd. Gemeenten hebben hierinbeleidsvrijheid.Gemeenten zijn verplicht om op een bij koninklijk besluit te bepalentijdstip afspraken te hebben gemaakt over een evenwichtige verdeling.Indien dit niet het geval geldt een bij of krachtens algemene maatregelvan bestuur te bepalen percentage. Gemeenten moeten jaarlijks onderandere een overzicht verstrekken van het aantal besluiten met toedeling ineen wettelijke urgentiecategorie en het aantal huisvestingsvergunningendat op basis daarvan is verleend. Het is vervolgens aan de provincie omindien nodig interbestuurlijk toezicht uit te oefenen.Vraag 105De leden van de CDA-fractie zien dat het behoud van woonruimte voormantelzorg nog niet is ingevuld in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zijvragen naar inhoudelijke uitwerking hiervan en hoe hierop wordtsamengewerkt met gemeenten.Het klopt dat in het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuis-vesting de regeling inzake mantelzorgwoningen nog niet is uitgewerkt. Debedoeling is om het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aan te vullen meteen instructieregel voor het omgevingsplan met een regel over hetbouwen en gebruik van bouwwerken voor huisvesting in verband metmantelzorg. Hiermee zal worden geregeld dat een gemeente in eenomgevingsplan de mogelijkheid moet bieden dat bij een woning metachtererfgebied (van een bepaalde minimale omvang) een bijbehorendbouwwerk vergunningvrij (met een bepaalde minimale bebouwingsopper-vlakte en -hoogte) kan worden gebouwd, of kan worden gebruikt, voormantelzorg. Daarbij zullen andere instructieregels, bijvoorbeeld omtrentexterne veiligheid, water en bodem et cetera. in acht moeten wordengenomen. Het zal bijvoorbeeld niet vereist zijn om mantelzorgwoningentoe te laten op locaties waar wonen niet is toegelaten wegens veiligheids-risico’s. Bij sommige instructieregels kan wellicht een uitzonderingworden gemaakt, waarbij die instructieregels niet van toepassing zijn optijdelijke mantelzorgwoningen. Bij het vormgeven van deze instructieregelworden gemeenten en betrokken partijen benaderd. Het ontwerp van deregel zal op grond van artikel 23.5, eerste lid, van de Omgevingswetworden voorgehangen bij beide Kamers der Staten-Generaal.Vraag 106De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat een urgentiestatusmet dit wetsvoorstel voor onbepaalde tijd wordt vastgesteld. Waarom isniet gekozen voor een bepaalde termijn?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 763 De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat de urgentiestatus metdit wetsvoorstel voor onbepaalde tijd wordt vastgesteld. Het klopt dat eenurgentiestatus voor onbepaalde tijd wordt toegekend. De urgentiestatus isnamelijk afhankelijk van de situatie waarin de woningzoekende zichverkeert. Deze situatie wijzigt immers niet per definitie na een bepaaldetermijn.Vraag 107De leden van de SGP-fractie vragen hoe vaak houders van een urgentieeen woning mogen weigeren. Wat zijn de overwegingen om daar eenmaximum aan te stellen?De leden van de SGP-fractie vragen naar de mogelijkheden van woning-zoekenden met urgentie om een woning te weigeren. Indien een urgentwoningzoekende een passende woning heeft geweigerd kan het collegevan burgemeester en wethouders besluiten om de urgentiestatus tebeëindigen. Dit is vastgelegd in de ontwerpregeling. Gemeenten hebbenbeleidsvrijheid in het bepalen hoe zij invulling geven aan deze intrekkings-grond. Het weigeren van meerdere aanbiedingen voor passendewoonruimte strookt niet met de gedachte achter urgentie.Vraag 108De leden van de SGP-fractie lezen dat bij ministeriële regeling naderevoorwaarden zullen worden gesteld waaraan gemeenten kunnen toetsenwanneer mantelzorgverleners en -ontvangers tot de urgentiecategoriebehoren. Welke voorwaarden worden daaraan gesteld?Het voornemen is deze nadere voorwaarden uit te werken bij ministeriëleregeling. In de ontwerpregeling zijn de volgende nadere voorwaardenvastgelegd:a.de mantelzorg is in de drie maanden voorafgaande aan het momentvan de aanvraag ten minste acht uur per week verleend of ontvangen;b.de acht uur mantelzorg per week is verleend gedurende ten minstevier dagen per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer,schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur perdag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordtgeboden;c.de mantelzorgsituatie zal naar verwachting nog minstens één jaarvoortduren;d.de relatie tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger isgebaseerd op familiebanden of langdurige sociale omgang;e.de mantelzorgontvanger of mantelzorgverlener wonen niet in eenintramurale instelling wonen;f.de mantelzorgverlener is medisch, fysiek en psychisch in staatmantelzorg te verlenen;g.het betrekken van een woonruimte in de woningmarktregio is demeest passende manier om ervoor te zorgen dat de mantelzorgontvan-ger zelfstandig kan blijven wonen; en h. de mantelzorgverlener enmantelzorgontvanger wonen op ten minste vijf kilometer afstand vanelkaar of een hebben gemiddelde reistijd van een half uur.Deze ontwerpregeling is gepubliceerd met mogelijkheid daarop tereageren via www.internetconsultatie.nl. Dit heeft geleid tot opmerkingenover deze nadere voorwaarden. Deze reacties zullen worden bezien bij devaststelling van de ministeriële regeling.Vraag 109De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat in het voorliggendewetsvoorstel alleen woningzoekenden die op grond van de Wetmaatschappelijke ondersteuning wegens dakloosheid een plaats in eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 764 opvang hebben gekregen recht op urgentie verwerven. Deze leden vragende regering waarom niet gekozen is de ETHOS Light definitie te volgenvoor toegang tot de urgentieregeling. Zij vragen de gevolgen van hetvolgen van die definitie te schetsen en hoe groot de groep is die danaanvullend in aanmerking komen voor urgentie.Het wetsvoorstel regelt dat gemeenten woningzoekenden in de urgentie-regeling moeten opnemen aan wie opvang is verleend als bedoeld inartikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. DeEthos-light definitie van dakloosheid is echter breder dan dat en omvatook mensen die op straat slapen, mensen die in de noodopvangverblijven, mensen in niet-conventionele woonruimten wegens eengebrek aan passende huisvesting (auto, kraakpand, vakantiewoning),mensen die tijdelijk verblijven bij familie, vrienden of kennissen enmensen met een dreigende huisuitzetting. Op dit moment hebben slechtsenkele regio’s een Ethos-telling gedaan. Er is geen landelijk beeld van hetaantal dakloze mensen dat valt onder de Ethos-light definitie.De elementen uit de Ethos-light definitie van dakloosheid wordengehanteerd in het volkshuisvestingsprogramma, waardoor gemeentenook de woonvraag van dreigend dak- en thuisloze mensen moetenmeenemen bij het bepalen van de totale woonvraag van inwoners. Waarhet om urgentie gaat, beperkt de verplichte urgentie op grond vanartikel 12 van de Huisvestingswet 2014 zich tot mensen die wegensdakloosheid in de maatschappelijke opvang verblijven of hier eenbeschikking toe hebben. Van deze mensen is bekend dat zij vaak langerdan nodig in de opvang verblijven omdat er onvoldoende woningenbeschikbaar komen. Daarom is het vanuit het maatschappelijk oogpuntgewenst dat zij in aanmerking komen voor urgentie.Bij het bepalen van de verplichte urgentiecategorieën heeft de regering inogenschouw genomen dat zoveel mogelijk eenduidig te objectiveren isdat huisvesting voor alle mensen behorende tot die beoogde groep meteen groot maatschappelijk belang gepaard gaat waardoor voorrang bovenandere groepen woningzoekenden gerechtvaardigd is. Van mensen dieuitstromen uit de maatschappelijke opvang kan worden aangetoond datzij dakloos zijn en maatschappelijke ondersteuning nodig hebben. Van deandere groepen onder Ethos-light definitie is dat meer diffuus. Voor dezegroepen kiest de regering niet voor verplichte urgentie via de wet, maarbiedt de Huisvestingwet mogelijkheden om lokaal maatwerk te leveren,bijvoorbeeld door deze groepen lokaal als aanvullende urgentiecategorieaan te merken.Vraag 110De leden van de ChristenUnie hebben eerder schriftelijke vragen gesteldover de casus rond een moeder met pasgeboren kind die niet inaanmerking kwam voor urgentie, omdat zij volgens de gemeenteAmsterdam «haar huisvestingsprobleem had kunnen voorkomen» en «devrouw een gezin heeft gesticht zonder dat ze een passende woonruimtehad». Deze leden zijn nog steeds boos over deze weigering, waardoor eenpasgeboren baby in een auto moet wonen. Zij vragen de regering eenverplichte urgentiecategorie op te nemen voor dakloze gezinnen metminderjarige kinderen. Zij vragen de regering – indien die daar onver-hoopt niet toe bereid zou zijn – uitgebreid toe te lichten waarom deregering het te billijken vindt dat minderjarige kinderen op straat zoudenmoeten wonen.Allereerst merk ik op geraakt te zijn door de berichtgeving waar aan wordtgerefereerd en vind ik ook dat kinderen niet op straat horen. Tegelijkertijdheb ik begrip voor de worsteling van de gemeente Amsterdam en andereTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 765 gemeenten. Er is een woningtekort dat gepaard gaat met een hoge vraagnaar woningen waarbij er sprake kan zijn van schrijnende situaties enmoeilijke keuzes. Ik denk dan bijvoorbeeld aan jonge gezinnen inwonendbij de ouders en zonder eigen slaapruimte, economisch daklozen dieverblijven in een auto. Dit maakt dat gemeenten lastige keuzes moetenmaken.De gemeente heeft verschillende mogelijkheden buiten het toekennen vanurgentie, bijvoorbeeld het aanbieden van verblijf in een maatschappelijkeopvang. Daarnaast behouden gemeenteraden beleidsvrijheid om anderegroepen woningzoekenden aanvullend aan te merken als urgent woning-zoekenden in de huisvestingsverordening.3.3 Weigeringsgronden die niet in de huisvestingsverordeningmogen worden opgenomen Vraag 111De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan toelichten inhoeverre gemeenten beleidsvrijheid hebben in de weigeringsgronden omurgenten niet te huisvesten.Gemeenten zijn gebonden aan weigeringsgronden die staan in deontwerpregeling. Deze weigeringsgronden zijn alleen van toepassing opde landelijk geregelde groepen urgenten. Een urgentie kan dus uitsluitendop basis van de in de ontwerpregeling opgenomen voorwaarden wordenafgewezen. Op die wijze wordt voorkomen dat kwetsbare woningzoe-kenden alsnog in sommige regio’s voor indeling in een urgentiecategorieworden uitgesloten. Het doel is immers dat overal in Nederland gelijkekansen ontstaan voor de landelijk aangewezen urgent woningzoekenden.Vraag 112De leden van de BBB-fractie vragen of de regering concrete voorbeeldenkan uitwerken over wanneer urgent woningzoekenden die uit nood naarandere vormen van onderdak uitwijken niet een huisvestingsvergunningkrijgen? Kan de regering aangeven hoe dit beleid uitvoerbaar gaat zijnvoor gemeenten waarin er relatief veel mensen op een plek wonen waarze eigenlijk niet permanent mogen verblijven? Kan de regering specifiekuitwerken wanneer iemand wel urgentie hoort te krijgen?Ik ga ervanuit dat de leden van de BBB-fractie doelen op de situatie waariniemand permanent verblijft op een vakantiepark en geen anderewoonruimte heeft. Indien deze persoon bijvoorbeeld om medischeredenen met urgentie een woning nodig is, mag de huisvestingsver-gunning niet geweigerd worden enkel en alleen omdat deze persoon alwoont op dit vakantiepark. De permanente bewoning is immers op dezelocatie niet toegestaan. Omdat alle gemeenten in een regio moetenbijdragen aan de huisvesting van urgenten voorzie ik geen uitvoeringspro-blemen voor gemeenten met veel mensen die permanent verblijven opeen locatie waar dit niet is toegestaan.Vraag 113De leden van de CDA-fractie horen graag welke beleidsvrijheid gemeentenbehouden en straks hebben om bij de weigeringsgronden te sturen op hethuisvesten van specifieke urgentiecategorieën. Met betrekking tot hetscala aan wettelijke urgentiecategorieën zijn deze leden ook benieuwd hoedit systeem straks ingrijpt op de al bestaande mogelijkheid om mensenmet lokale binding voorrang te geven. Zij stellen dezelfde vraag in relatietot de voorrang van maatschappelijke beroepen in grote steden en in demeest kwetsbare wijken in het bijzonder. Gemeenten kunnen beide aldoen via de huisvestingsverordening, maar deze leden zijn benieuwd hoeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 766 gemeenten geholpen gaan worden dit ook daadwerkelijk te gaan doen. Zijleden horen graag hoe de VNG hierbij wordt betrokken. Ook zijn zijbenieuwd naar hoe deze aspecten in ingrijpen op de verschillendenationale programma’s op het gebied van leefbaarheid, zoals inRotterdam-Zuid en Heerlen. Zij horen bovendien graag meer over hoe definanciering bij verlenging van deze programma’s georganiseerd is.Het wetsvoorstel leidt ertoe, dat gemeenten specifieke urgentiecatego-rieën moeten opnemen in de huisvestingsverordening. Bij ministeriëleregeling worden de voorwaarden aan de wettelijk omschreven catego-rieën van urgent woningzoekenden vastgelegd. Tevens wordt in deministeriële regeling een limitatieve lijst van weigeringsgronden diegemeenten op kunnen nemen in de huisvestingsverordening opgelegd.Gemeenten zullen voor deze specifieke urgentiecategorieën beleids-vrijheid hebben om de weigeringsgronden niet toe te passen.Bij ministeriële regeling kunnen de voorschriften worden gesteld die hetcollege van burgemeester en wethouders aan de urgentieverklaring aande wettelijk omschreven urgent woningzoekenden kunnen stellen. Hetgaat daarbij bijvoorbeeld om de voorwaarde dat de woningzoekendebegeleiding accepteert.De ontwerpregeling is gepubliceerd met mogelijkheid daarop te reagerenvia een aantal reacties is ontvangen met betrekking tot de weigerings-gronden. Deze reacties zullen worden meegenomen bij de vaststelling vande regeling.Gemeenteraden houden beleidsvrijheid om andere groepen woningzoe-kenden aanvullend aan te merken als urgent woningzoekenden in dehuisvestingsverordening. Ook houden zij beleidsvrijheid om bij lokaalaangemerkte urgente woningzoekenden andere weigeringsgronden tehanteren en andere voorwaarden te verbinden aan de urgentieverklaring.De VNG wordt uiteraard op diverse momenten betrokken. Hiervoor wordteen implementatietraject gestart, dit zal ook leiden tot een aanpassing vande modelverordening Huisvestingswet 2014.Ook zijn de leden benieuwd naar hoe deze aspecten ingrijpen op deverschillende nationale programma’s op het gebied van leefbaarheid,zoals in Rotterdam-Zuid en Heerlen. Zoals in antwoord op vraag 51 van deleden van de fractie van D66 is vermeld, is het de bedoeling met ditwetsvoorstel te komen tot een meer evenwichtige verdeling vankwetsbare groepen over gemeenten, zodat deze kwetsbare wijken watmeer kunnen worden ontzien. Om te waarborgen dat kwetsbare groepen,veelal de wettelijk urgent woningzoekenden, evenwichtig wordenverdeeld over gemeenten in de regio, krijgen gemeenten met ditwetsvoorstel de verplichting om op een bij koninklijk besluit bepaaldtijdstip afspraken te hebben gemaakt met gemeenten in de regio over deverdeling van de wettelijk verplichte urgent woningzoekenden. Deambities en afspraken om tot meer gemengde wijken te komen, zoals diezijn gemaakt in de gebieds- en uitvoeringsplannen van de stedelijkefocusgebieden uit het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid,sluiten hierbij goed aan. De bestaande gebieds- en uitvoeringsplannenvan de stedelijke focusgebieden kunnen onderdeel uitmaken van dezeregionale afspraken, zodat daarin op basis van dit wetsvoorstel geenverandering behoeft te komen.Verder vragen de leden hoe de financiering bij verlenging van hetNationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid is georganiseerd. Eerderheb ik uw Kamer gemeld dat het huidige kabinet met 19 gemeenten eenlangjarig commitment afgesproken heeft met betrekking tot de uitvoeringTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 767 van de op lokaal niveau gemaakte gebiedsplannen.21 Het is aan hetvolgend kabinet om het financiële arrangement van het NPLV in te vullen,wel heb ik mijn zienswijze hierop gedeeld. Met de inzet van een meerstructurele vorm van financiering vanuit het Rijk in plaats van voorna-melijk incidentele financiële middelen zoals nu het geval is zijn in hetverleden goede ervaringen opgedaan. Langjarige zekerheid over definanciële inzet van het Rijk biedt continuïteit en zorgt ervoor dat de lokalepartijen bij het opstellen van de uitvoeringsplannen beter in staat zijn omhun eigen activiteiten in het focusgebied zowel voor de korte als demiddellange termijn daarop af te stemmen.Vraag 114De leden van de SGP-fractie vragen of gemeenten urgentieverleningenmogen weigeren voor aanvragers die door bewust en eigen toedoen in deproblemen zijn gekomen. Geldt dit ook voor aanvragers die geenduurzaam verblijfsrecht in de zin van de Verblijfsrichtlijn hebben?De ontwerpregeling voorziet in een aantal weigeringsgronden waarbij heteigen toedoen of nalaten van de woningzoekende kan leiden tot weigeringtot indeling in een urgentie categorie. Op grond van de ontwerpregelinggaat het hierbij om de volgende gevallen:–het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem isontstaan als gevolg van huisuitzetting in de twaalf maanden vooraf-gaand aan de aanvraag door overlast, fraude of criminele activiteitendie zijn veroorzaakt door de aanvrager of een lid van diens–het huisvestingsprobleem is ontstaan of bestaat doordat de aanvragerof een lid van het huishouden een woningaanpassing als bedoeld inartikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 nietheeft uitgevoerd;–de woningzoekende niet in het eigen bestaan of in de kosten voor dewoning kan voorzien of de schulden zijn niet geregeld.Het verkrijgen van een huisvestingsvergunning is alleen mogelijk is voormensen met een geldige verblijfstitel. Mensen die dus geen verblijfsrechthebben op grond van de Verblijfsrichtlijn komen dus niet voor urgentie inaanmerking.Vraag 115De leden van de SGP-fractie lezen dat met dit wetsvoorstel een grootaantal voorwaarden wordt gesteld aan het stellen van een huisvestings-verordening betreffende urgentieverklaringen. Welke ruimte houdengemeenten om hier zelf beleid op vast te stellen? In hoeverre kunnengemeenten een weging maken in de mate van urgentie van de verschil-lende categorieën?De voorwaarden waaronder het college van burgemeester en wethouderseen aanvraag om urgentie van een landelijke geregeld categorie kanafwijzen zijn limitatief geregeld. Een urgentie kan uitsluitend op basis vande in de ministeriële regeling opgenomen voorwaarden wordenafgewezen. Op die wijze wordt voorkomen dat kwetsbare woningzoe-kenden alsnog in sommige regio’s voor indeling in een urgentiecategorieworden uitgesloten. Gemeenten hebben de vrijheid om in de huisves-tingsverordening te bepalen welke weigeringsgronden zij opnemen.Gemeenten behouden bovendien beleidsvrijheid om zelf aanvullendecategorieën woningzoekenden aan te kunnen wijzen aan wie zij lokaalurgentie willen verlenen.21Kamerstukken II, 2023/24, 30 995, nr. 103.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 768 3.3.1 Evenwichtige regionale verdeling van woningzoekendenmet een urgentieverklaring Vraag 116De leden van de PVV-fractie vragen waarom de regering heeft gekozenvoor een wettelijke urgentiestatus voor onbepaalde tijd. Nu geldt ernamelijk een urgentiestatus voor bepaalde tijd.Urgentie is niet gekoppeld aan bepaalde duur. Indien de situatie nietwijzigt is er geen aanleiding om de urgentiestatus te beëindigen. Verderverwijs ik naar het antwoord op vraag 104 van de leden van de fractie vanhet CDA waarin is ingegaan op de duur van de urgentiestatus vanonbepaalde tijd.Vraag 117De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan toelichten wat depraktische effecten zijn voor gemeenten en corporaties als een wettelijkeurgent één of meerdere malen een passende woning mag weigeren.Een college van burgemeester en wethouders kan besluiten om deurgentiestatus in te trekken indien de betreffende woningzoekende eenpassende woonruimte heeft geweigerd. Gemeenten hebben hierinbeleidsvrijheid. Het weigeren van passende woonruimte strookt immersniet met de situatie waarin sprake is van urgentie.Vraag 118De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan toelichten hoegemeenten de wettelijke urgentiecategorieën in kaart moeten brengen enwat daarbij de rol van de corporaties is.In het volkshuisvestingsprogramma moeten gemeenten de woonbe-hoeften en woonopgaven van verschillende groepen in kaart brengen. Dewettelijke urgenten zijn hier onderdeel van. Met het wetsvoorstel wordteen monitoringsplicht voor gemeenten geïntroduceerd. Gemeentenkrijgen de plicht om het volgende te monitoren: het aantal aanvragen voorindeling in een urgentiecategorie, het aantal besluiten met toedeling ineen urgentiecategorie, het aantal woonruimten dat in gebruik is genomenop grond van een huisvestingsvergunning op basis van indeling in eenurgentiecategorie en de urgentiecategorieën waarvoor een huisvestings-vergunning op basis van urgentie is verleend. Hierdoor ontstaat er– achteraf – een goed beeld van de omvang van het aantal verplichturgent woningzoekenden. Deze informatie kan telkens worden gebruiktvoor actualiseren van het volkshuisvestingsprogramma.Het college van burgemeester en wethouders kan mandaat verlenen vanhun bevoegdheid om woningzoekenden in urgentiecategorieën in tedelen. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om aan een woningcorporatiesdit mandaat te verlenen. Gemeenten vragen dan informatie bij degemandateerde partij ten behoeve van de monitoring op, bijvoorbeeld bijde gemandateerde woningcorporatie.Vraag 119De leden van de PVV-fractie vragen hoe de ondergrens per gemeente voorde verdeling van urgenten wordt bepaald.Uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat gemeenten tot samenwerkingkomen in een woningmarktregio en daarbij afspraken maken over deverdeling van de urgent woningzoekenden in die regio. In beginselkunnen gemeente dus zelf de ondergrens bepalen. Wel moeten deafspraken die zij in regionaal verband maken over het huisvesten vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 769 urgent woningzoekenden aansluiten bij de hoeveelheid te verwachtenurgentieaanvragen van deze urgent woningzoekenden.Indien gemeenten niet tot afspraken komen dan zal het percentage pergemeente gelden dat volgt uit dit wetsvoorstel en onderliggenderegelgeving. Het gaat daarbij om een percentage van de door degemeenteraad aangewezen categorieën woonruimte. Dit percentage zalworden vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Inde ontwerpregeling is hiervoor vijftien procent opgenomen.Vraag 120De leden van de D66-fractie merken op dat vluchtelingen geen onderdeelzijn van de evenwichtige regionale verdeling van woningzoekenden meteen urgentieverklaring. De leden vragen zich af waarom dat zo is.Daarnaast vragen de leden zich af of de regering bekend is met het feit datsnelle huisvesting van vluchtelingen de integratie bevordert en dathiermee ook de druk op asielzoekerscentra verminderd kan worden?De reeds bestaande taakstelling voor het huisvesten van vergunning-houders kent een andere verdeelsystematiek dan de verdeling vanurgenten. De taakstelling is geen onderdeel van dit wetsvoorstel.Gemeenten mogen zelf kiezen of ze via het verlenen van urgentie voorzienin de taakstelling of op andere wijze.Achtergrond van de taakstelling is dat tijdige huisvesting van vergunning-houders van groot belang is om integratie en participatie te bevorderenen voor de doorstroming in de centrale opvang voor asielzoekers.Vraag 121De leden van de D66-fractie vragen zich af welke waarborgen de Wetversterking regie volkshuisvesting biedt dat regio’s of gemeenten nietachterblijven in hun aandeel huisvesten van woningzoekenden met eenurgentieverklaring.Gemeenten moeten op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstipvoldoen aan de plicht om te komen tot gezamenlijke afspraken over deverdeling van urgenten in de woningmarktregio. Indien gemeenten niet ofniet tijdig gezamenlijk tot afspraken komen over deze verdeling dan geldtin iedere gemeente het bij of krachtens algemene maatregel van bestuurbepaalde percentage.Dit percentage zal worden vastgesteld bij of krachtens een algemenemaatregel van bestuur. In de ontwerpregeling is hiervoor vijftien procentopgenomen. Iedere gemeente moet het afgesproken of opgelegdepercentage van de vrijkomende aangewezen categorie van huurwoon-ruimte beschikbaar stellen voor de wettelijke urgenten. Hierop wordttoezicht gehouden door de provincie met het interbestuurlijk toezicht. Deprovincie is op grond van artikel 124 van de Gemeentewet verantwoor-delijk voor het toezicht op deze medebewindstaak die gemeenten er metdit wetsvoorstel bij krijgen ten aanzien van het opnemen van eenurgentieregeling in de huisvestingsverordening en het vastleggen vanafspraken met betrekking tot de evenwichtige verdeling van urgentwoningzoekenden. Wanneer er sprake is van taakverwaarlozing doorgemeenten kan een provincie als uiterste middel over gaan tot in deplaats treden en bevoegdheden overnemen.Vraag 122De leden van de CDA-fractie merken op dat bij het maken van de regio’swaarbinnen gemeenten afspraken maken over het verdelen van wettelijkurgenten provincies zoveel als mogelijk rekening moeten houden met hetregionale woonruimteverdeelsysteem. Deze leden van de CDA-fractieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 770 horen graag een nadere reflectie over wat de mogelijkheden zijn als datniet gebeurt.In de Huisvestingswet 2014 bestaat al geruime tijd het begrip woning-marktregio (zie artikel 1 van de Huisvestingswet 2014). Dit wordt gedefi-nieerd als een ‘gebied dat vanuit het oogpunt van het functioneren van dewoningmarkt als een geheel kan worden beschouwd’. Dit is expliciet eenandere vorm van woningmarktregio dan wordt gehanteerd in deWoningwet. Daar gaat het om het toegestane werkgebied van woningcor-poraties; in die context komt de ’woningmarktregio’ met dit wetsvoorstelte vervallen.Tot nu toe waren gemeenten vrij om met elkaar te bepalen welkewoningmarktregio’s zij hanteren en in welke verbanden zij samenwerken.Met dit wetsvoorstel wordt dit gewijzigd en krijgen de colleges vangedeputeerde staten de taak om na overleg met de betreffendegemeenten de woningmarktregio vast te stellen. Vervolgens maken degemeenten binnen deze regio’s afspraken over het evenwichtighuisvesten van de wettelijk verplichte urgent woningzoekenden.Provincies moeten bij het maken van deze indeling zoveel mogelijkrekening houden met al bestaande samenwerkingsverbanden tussengemeenten. Veel gemeenten werken immers al samen in regionaalverband, met name als gewerkt wordt met een regionaal woonruimtever-deelsysteem. Dit betreft een aanbodsysteem, vaak in beheer en/ofeigendom van woningcorporaties, waar de sociale huurwoningen opworden aangeboden. Hiernaast komt het voor dat gemeenten eengezamenlijke huisvestingsverordening hebben, of werken met eengezamenlijke urgentiecommissie of via een gemeenschappelijke regeling(bijvoorbeeld Holland Rijnland) de regeling uitvoeren.Waar nog geen regionale samenwerking bestaat tussen gemeentenverdient het aanbeveling als de provincie rekening houdt met regio-indelingen die op andere terreinen worden gebruikt maar wel raakvlakkenhebben met huisvesting, zoals zorgregio’s. De regio’s kunnen ook overprovinciegrenzen heen worden gevormd.Provincies zijn vrij om na overleg met gemeenten een andere woning-marktregio vast te stellen. Indien zij ervoor kiezen geen rekening tehouden met bestaande samenwerkingsverbanden, zou dat mogelijk totadministratieve lasten kunnen leiden.3.3.2 Aanwijzen van woonruimte Vraag 123De leden van de CDA-fractie concluderen dat particuliere socialeverhuurders met de nieuwe definitie «sociale huur» nog steeds alleen desecundaire doelgroep kunnen bedienen. Het gevolg hiervan is dat er drukkomt te liggen bij de corporaties voor huisvesting van de primairedoelgroep en wettelijke urgenten. Tegelijk telt de voorraad van particulieresociale verhuurders wel mee voor de totale sociale voorraad in degemeente. Graag horen deze leden een nadere beschouwing van dezedynamiek en hoe dit rechtvaardig vorm kan worden gegeven. Zij horengraag een toelichting over hoe de wet de beoogde spreiding vanwettelijke urgenten borgt als de toegewezen woonruimte hiervoor ineerste instantie alleen de sociale huurvoorraad van corporaties is. Hetgevolg hiervan is dat de particuliere sociale voorraad pas beschikbaarkomt als de gemeente ervoor kiest dit op te nemen in de huisvestingsver-ordening. Deze leden horen graag een reflectie over de mogelijkheid totTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 771 een verplichting als een woning als sociale huurwoning wordtopgenomen in de huisvestingsverordening.De leden van de CDA-fractie vragen om een nadere beschouwingaangaande de dynamiek waarbij de particuliere sociale huur voorraad welmee kan tellen voor de totale sociale voorraad in de gemeente, maartegelijkertijd de particuliere verhuurders alleen de «primaire doelgroep»en wettelijk urgenten kunnen bedienen middels de inzet van eenhuisvestingsverordening. Deze leden vragen daarnaast toelichting overhoe het wetsvoorstel de beoogde spreiding van wettelijke urgenten borgtals de toegewezen woonruimte hiervoor in eerste instantie alleen desociale huurvoorraad van de woningcorporaties is.Dit wetsvoorstel leidt ertoe dat er een eenduidige definitie voor socialehuur komt voor particuliere huurwoningen en woningen van woningcor-poraties. Sociale huurwoningen van particulieren kunnen enkel alszodanig worden gezien, als zij ook aan de DAEB-doelgroep wordenverhuurd. Onder de DAEB-doelgroep vallen huishoudens met eeninkomen tot 60.000 euro (voor meerpersoonshuishoudens, prijspeil 2024).Hierin wordt geen onderscheid gemaakt tussen de primaire en secundairedoelgroep. Het staat particuliere verhuurders vrij om ook aan de primairedoelgroep te verhuren. Zoals door de leden van de CDA-fractie wordtaangegeven, kan de gemeente bovendien regels over de woonruimtever-deling van woningen van particuliere huurders opnemen in de huisves-tingsverordening.Daarnaast leidt dit wetsvoorstel ertoe dat gemeenten verplicht worden omeen volkshuisvestingsprogramma vast te stellen. Gemeenten krijgen indat kader de plicht om gegevens te verzamelen over welke woonbe-hoeften en -opgaven in de gemeente spelen. Om een goede samenloopen samenhang tussen het volkshuisvestingsprogramma en de huisves-tingsverordening te waarborgen en te zorgen voor integraal woonbeleid,wordt met dit wetsvoorstel tevens de plicht voor het college van burge-meester en wethouders toegevoegd om in het volkshuisvestingspro-gramma de beleidskeuzes op te nemen die worden gemaakt op hetgebied van woonruimteverdeling. Het college moet onderbouwen opwelke wijze de huisvestingsverordening invulling kan geven aan dewoonbehoeften en woonopgaven, bedoeld in het volkshuisvestingspro-gramma.Gemeenten zullen aandacht moeten besteden aan de gehele voor degemeente geldende woningvoorraad en woningbouwopgave. Dit betekentdat gemeenten in hun volkshuisvestingsprogramma dus niet alleenaandacht kunnen besteden aan de woningbouwvoorraad, woningbouw-opgave en verdeling van woonruimte van uitsluitend corporaties. Het ligtvervolgens in de rede dat gemeenten ook aandacht besteden aan departiculiere sociale voorraad en de bijdrage die die voorraad kan leverenaan de verdeling van woonruimte zoals bepaald met de huisvestingsver-ordening. Of en hoe die bijdrage eruit ziet en wordt vormgegeven zal elkegemeente voor zich dienen te bepalen.3.3.3 Monitoringsplicht voor gemeenten Vraag 124De leden van de CDA-fractie horen met betrekking tot de wettelijkeurgentiecategorieën graag meer over hoe gemeenten deze in kaartmoeten brengen en wat daarbij de rol van corporaties is. Ook zijn dezeleden benieuwd op welke wijze de ondergrens per gemeente voor deverdeling van urgenten wordt bepaald. Ook hierbij stellen zij de vraagTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 772 welke waarborgen er zijn voor een evenwichtige spreiding van urgentenbinnen de regio.De leden van de CDA-fractie vragen naar het in kaart brengen van dewettelijke urgentiecategorieën. Voor het antwoord op deze vraag verwijsik naar het antwoord op vraag 118 van de leden van de fractie van de PVVwaar ik inga op het volkshuisvestingsprogramma en de monitoringsplichtvoor gemeenten.Ook vragen de leden van de CDA-fractie naar de ondergrens en deevenwichtige verdeling.Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar de antwoorden op devragen 98 van de leden van de VVD-fractie en 119 van de leden van defractie van de PVV.Het antwoord op vraag 98 gaat in op de basis voor de wettelijk verplichturgent woningzoekenden en de regionale verdeling. Het antwoord opvraag 119 gaat in op de afspraken die gemeenten zelf maken binnen eenwoningmarktregio over een passend percentage over de verdeling vanurgent woningzoekenden en de gevolgen voor het percentage tehuisvesten urgent woningzoekenden indien zij niet tot deze afsprakenkomen.Voor de vraag over de rol van de corporaties wijs ik graag naar hetantwoord op vraag 123 van de leden van de CDA-fractie.3.3.4 Verhouding tot het volkshuisvestingsprogramma Vraag 125De leden van de NSC-fractie lezen dat met dit wetsvoorstel aan deHuisvestingswet 2014 de plicht voor het college van burgemeester enwethouders toegevoegd (wordt) om in het volkshuisvestingsprogrammade beleidskeuzes op te nemen die worden gemaakt op het gebied vanwoonruimteverdeling. Deze leden merken hierbij op dat er op dit momentzeer veel lokale en regionale woonruimteverdelingssystemen bestaan.Daarom vragen deze leden of de regering het raadzaam acht, ten behoevevan regionale sturing en monitoring, om te komen tot een woonruimte-verdelingssysteem per provincie, dan wel landelijk. Kan de regering eentoelichting bij haar afweging op dit onderwerp geven?De leden van de NSC-fractie vragen naar een mogelijk landelijkwoonruimteverdeelsysteem. In de praktijk werken veel gemeenten op ditmoment met een lokaal of regionaal woonruimteverdeelsysteem. Ditbetreft meestal een aanbodsysteem, vaak in beheer of eigendom van eenof meerdere woningcorporaties, waar de (sociale) huurwoningen wordenaangeboden en waar woningzoekenden op kunnen reageren. Op basisvan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014, kan de gemeenteraad in dehuisvestingsverordening regels stellen omtrent de wijze van bekend-maken van de in de huisvestingsverordening aangewezen categorieënvan woonruimte die bestemd zijn voor verhuur. Het wetsvoorstelverandert hier niets aan en stelt ook geen nieuwe eisen aan regionalewoonruimteverdeelsystemen. Ik zie dat de bestaande woonruimteverdeel-systemen werken in de praktijk, en zie dus geen aanleiding om nu toe tewerken naar wettelijke voorschriften voor een provinciaal of landelijkwoonruimteverdeelsysteem.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 773 3.3.5 Urgentie in de praktijk Vraag 126De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zien dat er voor de urgentegroepen een toezichthoudende rol komt voor provincies, zoals dat ookmet betrekking tot statushouders het geval is. Het is deze leden nietgeheel duidelijk hoe deze rol ingevuld gaat worden. Welke instrumentenkrijgen provincies hiervoor in handen? Hoe wordt de expertise encapaciteit gewaarborgd? Wat is de reikwijdte van deze toezichthoudenderol? Gaat het om bestuurlijke gesprekken of kan er ook geëscaleerdworden naar bijvoorbeeld het huren van hotelkamers op kosten van degemeenten?Interbestuurlijk toezicht betreft generiek instrumentarium om te interve-niëren indien wettelijke medebewindstaken door een gemeente niet ofniet naar behoren worden uitgevoerd. Provincies zijn nu al belast met hetinterbestuurlijk toezicht (tweedelijnstoezicht) ten aanzien van andere takendie in medebewind zijn gegeven aan gemeenten en hebben dus veelervaring daarmee.In relatie tot urgent woningzoekenden kunnen provincies gemeentenhouden, aan ofwel de gemaakt afspraken tussen gemeente over deverdeling van urgent woningzoekenden en vastgelegd in de huisvestings-verordening, danwel het norm-percentage dat geldt wanneer gemeentenbinnen de woningmarktregio niet zelf tot afspraken komen over deverdeling van urgent woningzoekenden. Daarnaast heeft het interbe-stuurlijk toezicht ook betrekking op de opdracht aan gemeenten om eenhuisvestingsverordening vast te stellen waarin de landelijke urgentiecate-gorieën zijn opgenomen. De provincie behoeft dus voor het toezicht op detotstandkoming van een evenwichtige verdeling van urgent woningzoe-kenden geen andere expertise te hebben, dan deze kennis om hetreguliere interbestuurlijk toezicht toe te passen.Wanneer er sprake is van taakverwaarlozing kan een provincie als uiterstemiddel over gaan tot in de plaats treden en de taakuitvoering overnemen.Voordat tot indeplaatsstelling wordt overgegaan dient de gemeente eersteen redelijke termijn te worden gesteld om alsnog in de uitvoering van dewettelijke taak te kunnen voorzien. Bestuurlijk overleg hoort daar ook bij.Als het bestuurlijk overleg niet leidt tot de taakuitvoering, treft het collegevan gedeputeerde staten op kosten van de gemeente de maatregelen dienodig zijn om het bij wet gevorderde resultaat te bereiken. De provincieneemt dan alle besluiten die het college anders had moeten nemen enverricht handelingen die het college anders had verricht.In het uiterste geval kan worden voorzien in de uitvoering van eenwettelijke taak door het huren van hotelkamers om urgente groepen tehuisvesten dan is inderdaad denkbaar dat de provincie dit besluit neemtin plaats van en op kosten van het gemeentebestuur. Hierbij moet welworden gerealiseerd dat indeplaatsstelling alleen aan de orde kan zijnindien een gemeente een wettelijke taak niet (naar behoren) uitvoert,terwijl zij dat in redelijkheid wel had kunnen doen. Een besluit totindeplaatsstelling is een verregaande stap, een dergelijk ingrijpen moetterughoudend en proportioneel ingezet worden.3.3.6 Definities van categorieën van woonruimte Vraag 127De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat de definitie vanbetaalbare koop wel erg uit het lood geslagen is. Deze leden zijn vanmening dat een betaalbare koopwoning maximaal een prijs zou moetenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 774 hebben van wat een 1,5 modaal inkomen kan lenen. Echter wordt er in hetvoorstel bepaald dat woningen tot 390.000 euro gerekend worden alsbetaalbare woning. Waarom is er voor deze grens gekozen? Bij welkeinkomens past deze grens? Hoe groot is het risico dat door deze grens ervooral koopwoningen worden gebouwd die iets onder dit bedrag liggen?Waarom wordt er niet gekozen voor een grens wat huishoudens die 1,5keer modaal verdienen kunnen lenen? Wat zou een grens zijn die welrecht doet aan het leenvermogen van gemiddelde (startende)huishoudens?Hoeveel een huishouden kan lenen, hangt af van verschillende factoren,zoals het precieze inkomen, de huishoudsamenstelling, de rente,eventuele schulden en het energielabel van de aan te kopen woning. Hetmaximaal te lenen bedrag kan over een relatief korte periode van tijdbehoorlijk verschillen, zoals in 2022 toen de hypotheekrente in korte tijdvan ongeveer 1,5 procent voor tien jaar vast naar ongeveer 4,5 procentsteeg. Het koppelen van de maximale koopprijs van een betaalbarekoopwoning aan de maximale leenruimte maakt de grens erg volatiel enleidt tot onzekerheid voor gemeenten en projectontwikkelaars.Uitgaande van een rente van 3,75 procent, een woning met energielabelA+++ (huidige Besluit bouwwerken leefomgeving) en geen schulden iseen inkomen van ongeveer 77.000 euro voor een meerpersoonshuis-houden nodig voor het financieren van een woning van 390.000 euro. Bijeen éénpersoonshuishouden is dit 75.000 euro. Alleenstaanden kunnenimmers sinds 1 januari 2024 maximaal 16.000 euro extra lenen. Hiermee iseen woning op het maximum van de betaalbaarheidsgrens toegankelijkvoor een deel van de middeninkomens. Deze worden gedefinieerd alseenpersoonshuishoudens met een inkomen van 47.699 euro tot62.191 euro en meerpersoonshuishoudens met een inkomen van52.671 euro tot 82.921 euro.22Het modale inkomen in Nederland is voor 2024 44.000 euro, bij eeninkomen van anderhalf keer modaal zou een meerpersoonshuishoudenmet een rente van 3,75 procent, een woning met energielabel A+++ engeen schulden een maximale hypotheek van 315.000 euro kunnen krijgen.Zoals hierboven aangegeven kan het bedrag aan maximale hypotheekbehoorlijk fluctueren in de tijd. Om lokale overheden en projectontwikke-laars een voorspelbare en robuuste methodiek te geven heb ik gekozenvoor één vaste maximale betaalbaarheidsgrens en vaste indexatieme-thode.Deze bovengrens betekent niet dat er alleen betaalbare koopwoningen netonder deze bovengrens zullen worden gebouwd. Via lokale maatregelensturen gemeenten namelijk op de bouw van koopwoningen met eenlagere koopprijs, door te sturen op de bouwkosten via stedenbouw-kundige eisen waaronder ook een aandeel kleinere woningen, doorgedifferentieerde grondprijzen. Dit laatste is ook toegelicht in hetantwoord op vraag 24 zoals die is gesteld door de leden van dePVV-fractie.Vraag 128De leden van de NSC-fractie hebben enkele vragen over de definitieswaarmee in deze wet gewerkt wordt. Welke definitie voor socialehuurwoning wordt in dit wetsvoorstel gehanteerd? Welke definitie voorbetaalbare huurwoning wordt in dit wetsvoorstel gehanteerd?22Prijspeil 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 775 Betaalbare woningen zijn woningen in het middensegment en socialehuurwoningen. Woningen in het middensegment zijn zowel middenhuur-woningen als betaalbare koopwoningen. De definities van deze driewoningbouwcategorieën worden op besluitniveau geregeld in artikel 4.32van het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals ingevoegd bij het voorge-nomen Besluit versterking regie volkshuisvesting. De elementen die indeze definitie zijn opgenomen zijn de aanvangshuurprijs en de termijnwaarbinnen is verzekerd dat de woning ook als sociale huurwoning ofmiddenhuurwoning in stand wordt gehouden. Bij sociale huurwoningen isdaarnaast opgenomen dat de woning bij aanvang van de huurovereen-komst wordt verhuurd aan huishoudens met een inkomen onder deDAEB-inkomensgrens. Sociale huurwoningen in beheer bij woningcorpo-raties voldoen automatisch aan deze definitie.Vraag 129De leden van de NSC-fractie lezen dat de wet betaalbare koopwoonruimtedefinieert als «koopwoningen met een koopprijs van ten hoogste390.000 euro». Kan de regering met rekenvoorbeelden aangeven exactwelke huishoudens hier de financiering rond kunnen krijgen? Kan deregering hierbij ook specifiek voor eenpersoonshuishoudens aangevenvanaf welk inkomen zij de financiering voor een koopwoning van390.000 euro rond kunnen krijgen? Kan de regering aangeven in hoeverrezij betaalbare koopwoonruimte ook betaalbaar acht voor eenpersoons-huishoudens?Hoeveel een huishouden kan lenen, hangt af van verschillende factoren.Waaronder het precieze inkomen, de huishoudsamenstelling, de rente,eventuele schulden en het energielabel van de woning. Uitgaande vaneen rente van 3,75 procent, een woning met energielabel A+++ (huidigeBesluit bouwwerken leefomgeving) en geen schulden is een inkomen van77.000 euro voor een meerpersoonshuishouden nodig om een hypotheekvan 390.000 euro te krijgen. Bij een éénpersoonshuishouden is dit75.000 euro. Alleenstaanden kunnen immers sinds 1 januari 2024maximaal 16.000 euro extra lenen. De bruto maandlasten van dezehypotheek komen uit op ongeveer 1.820 euro. De netto maandlastenkomen, bij recht op hypotheekrenteaftrek, uit op ongeveer 1.420 euro. Ditbedrag is inclusief de maandelijkse aflossing van de hypotheek vanongeveer 560 euro.Ik ontvang jaarlijks een advies van het Nibud over hoeveel huishoudensverantwoord kunnen lenen. Indien een éénpersoonshuishoudenvoldoende inkomen heeft om de benodigde hypotheek voor aankoop vande woning van 390.000 euro rond te krijgen, acht ik deze daarombetaalbaar. Om eenpersoonshuishoudens met een lager inkomen dan75.000 euro toegang te geven tot een betaalbare koopwoning is het vanbelang dat er niet alleen woningen dicht tegen de betaalbaarheidsgrensaan worden gebouwd. Gemeenten bouwen in de praktijk ook woningenonder de bovengrens van betaalbare koopwoningen. Ik heb in hetantwoord op vraag 24 van de leden va de PVV-fractie toegelicht hoegemeenten dit in kunnen realiseren.3.4 Wijzigingen in de Woningwet 3.4.1 Beoogd resultaat Vraag 130De leden van de D66-fractie vragen zich af wat het grote tekort aanambtelijke capaciteit op provinciaal- en gemeenteniveau voor gevolgengaat hebben voor de uitvoering van de wet versterking regie volkshuis-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 776 vesting? De leden vragen zich af of de ambitie van het Rijk gelijke tred kanhouden met de beschikbare ambtelijke capaciteit.Capaciteitstekorten bij provincies en gemeenten zijn al langere tijd eenknelpunt bij het realiseren (en versnellen) van woningbouw. Gebrek aancapaciteit is een van de oorzaken voor de lange tijd die nodig is voorwoningbouwontwikkeling. Daarom biedt het Rijk sinds 2020 provincies engemeenten financiële hulp via de flexpoolmiddelen, waarmee zijincidenteel extra personeel kunnen aannemen of inhuren. In 2024 wordthet laatste deel hiervan (€ 40 miljoen) aan de provincies uitgekeerd.Daarnaast ondersteunen het Expertteam Woningbouw en diversetaskforces en medeoverheden, wanneer de benodigde kennis in de eigenorganisatie ontbreekt, bij bepaalde opgaven. Verder heeft het Ministerievan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met IPO en VNG een planvan aanpak opgesteld om op korte termijn alvast acties te ondernemenom de uitvoeringscapaciteit te versterken. Doel is het versterken van deuitvoeringskracht in het ruimtelijk en volkshuisvestingsdomein door opeen duurzame manier efficiënter om te gaan met bestaande capaciteit,zodat de capaciteitsproblematiek in mindere mate een vertragende factorwordt bij het realiseren van de woningbouwopgave.3.4.2 Verhouding tot het volkshuisvestingsprogramma Vraag 131De leden van de SGP-fractie lezen dat gemeenten geen woonvisie meerhoeven op te stellen, maar verplicht worden een volkshuisvestingspro-gramma op te stellen. Veel gemeenten hebben reeds een woonvisieopgesteld. Kan de regering ingaan op de precieze verschillen tussen dezestukken? Op welke wijze moeten gemeenten hun woonvisie aanpassenom te voldoen aan de eisen van een volkshuisvestingsprogramma?In het huidige artikel 42, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat degemeenteraad een woonvisie vaststelt, waarin het gemeentelijkevolkshuisvestingsbeleid voor ten hoogste de eerstvolgende vijf kalender-jaren is neergelegd. De Woningwet stelt geen verdere vormvereisten aande woonvisie, wel wordt in de memorie van toelichting hieroveropgemerkt dat de gemeente in de woonvisie thema’s aandragen waarvanzij vindt dat de toegelaten instellingen daarop dienen te presteren. Daarbijkan de gemeente prioriteiten en posterioriteiten vaststellen, zowel naarthema als naar wijk, buurt of stadsdeel. De gemeente kan thema’s die tothet gebied van de volkshuisvesting behoren aan de orde stellen zoalsnieuwbouw van sociale huurwoningen, de gewenste ontwikkeling van dewoningvoorraad (o.a. verkoop van bezit door de toegelaten instelling),betaalbaarheid en bereikbaarheid van de woningvoorraad, de huisvestingvan specifieke doelgroepen, de kwaliteit en duurzaamheid van dewoningvoorraad en de woonomgeving, investeringen in leefbaarheid enmaatschappelijk vastgoed voor zover die tot het werkterrein van toege-laten instellingen behoren.23Het opstellen van een woonvisie is momenteel een verplichting voorgemeenten. Met dit wetsvoorstel komt deze plicht te vervallen. In plaatsdaarvan komt de plicht om op grond van de Omgevingswet eenomgevingsvisie vast te stellen en het hierin opgenomen beleid gericht opde volkshuisvesting verder uit te werken in een verplicht volkshuisves-tingsprogramma. Het volkshuisvestingsprogramma zal in elk geval het opgrond van het huidige artikel 42, eerste lid, van de Woningwet, verplichtegemeentelijke volkshuisvestingsbeleid omvatten, maar een bredere23Kamerstukken II 2013/14, 33 966, nr. 3 (memorie van toelichting bij Wijziging van de Herzie-ningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 777 reikwijdte hebben. Dit houdt in dat het gemeentelijk volkshuisvestingspro-gramma ten minste een beschrijving moet geven van de verwachtewoonbehoefte en het beleid moet bevatten om te komen tot de benodigdegemeentelijke woningvoorraad. In het voorgenomen Besluit versterkingregie volkshuisvesting worden hierover nadere regels gesteld. Op basisvan de gelijkstellingsbepaling (artikel VII van het wetsvoorstel versterkingregie volkshuisvesting) geldt een voor inwerkingtreding van ditwetsvoorstel vastgestelde woonvisie, die voldoet aan voornoemde eisenvoor een gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma, als volkshuisves-tingsprogramma in de zin van de Omgevingswet. Een vastgesteldewoonvisie die inhoudelijk niet voldoet aan de vereisten voor eengemeentelijk volkshuisvestingsprogramma blijft gelden totdat eenvolkshuisvestingsprogramma volgens de regels van het voorgenomenBesluit is vastgesteld. De vigerende woonvisie kan in dat geval wordenaangevuld met de ontbrekende onderwerpen en vervolgens als volkshuis-vestingsprogramma worden vastgesteld.3.4.3 Van Nationale prestatieafspraken naar lokale prestatieaf-spraken Vraag 132De leden van de VVD-fractie constateren dat de Minister afspraken heeftgemaakt in de Nationale Prestatieafspraken met corporaties, waaronderook de mogelijkheid voor zittende huurders om een grondgebondenhuurwoningen over te kunnen kopen van de corporatie. Deze ledenvragen waarom er niet voor is gekozen dit in deze wet ook echt wettelijk teverankeren.In het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar detoekomst» is het beleidsvoornemen opgenomen om zittende corporatie-huurders in grondgebonden woningen een start te geven op dekoopmarkt, door ze de kans te geven om hun woning onder bepaaldevoorwaarden te kopen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om een bredeuitleg aan het begrip «zittende huurder» te geven, zodat ook anderehuurders van een sociale huurwoning leegstaande eengezinswoningendie corporaties willen verkopen, kunnen kopen. Dit heeft zijn uitwerkinggevonden in een aanpassing van het Besluit toegelaten instellingenvolkshuisvesting, die ingaat in per 1 juli 2024 (Stb. 2024, 105).Vraag 133De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering zorgt dat de corpo-raties, en met name de corporaties in de gebieden met de grootstewoningbouwopgaven, voldoende financiële middelen hebben om tevoldoen aan de woningbouwopgave en tegelijkertijd te investeren in dekwaliteit van bestaande woningen, verduurzaming, leefbaarheid en inbetaalbare huren.De leden van de SP-fractie vragen hoe de regering ervoor zorgt datwoningcorporaties, en dan met name woningcorporaties in gebieden metde grootste woningbouwopgave, voldoende financiële middelen hebbenom te investeren in de verschillende volkshuisvestingsopgaven.De corporatiesector als geheel heeft met afschaffen van de verhuurders-heffing de komende jaren de financiële ruimte om volop te investeren inde volkshuisvestingsopgaven, zoals in de Nationale prestatieafspraken isafgesproken. Er zijn wel verschillen in opgaven en middelen tussenwoningcorporaties. Het kabinet verwacht dat de meer vermogendewoningcorporaties, de minder vermogende corporaties zullen helpen omhun opgave te realiseren. Deze onderlinge solidariteit is van groot belang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 778 Als sluitstuk van deze aanpak wordt ook het instrument projectsteunopnieuw vormgegeven.Op de langere termijn – na 2030 – hebben corporaties onvoldoendemiddelen om het investeringsvolume dat nu van ze gevraagd wordt vol tehouden. Het feit dat corporaties de komende jaren moeten lenen omverbetering en verduurzaming van hun bestaande bezit mogelijk temaken, zonder dat hier extra inkomsten tegenover staan, maakt dat hetduurzaam prestatiemodel van corporaties op de langere termijn onderdruk komt te staan. Dit jaar worden de Nationale prestatieafsprakenfinancieel herijkt waarbij rekening wordt gehouden met het duurzaamprestatiemodel en zal het kabinet komen met beleidsopties hoe hier weernaartoe gewerkt kan worden.3.4.4 Aanpassing werkgebied woningcorporaties Vraag 134De leden van de BBB-fractie vragen of de regering kan aangeven welkeffect de aanpassing van het werkgebied van woningcorporaties mogelijkheeft voor mensen die gebruikmaken van de desbetreffende corporaties,maar die op de grens van een provincie wonen. In veel buitengebiedenkomt het voor dat woonkernen dichterbij een andere provincie liggen dande provincie waarin burgers nu woonachtig zijn. Wat betekent ditprovinciale beleid van woningcorporaties voor hen?In de situatie zoals geschetst door de leden van de BBB-fractie zullenhuurders die wonen in woningen van een woningcorporatie op de grensvan een provincie naar verwachting geen nadelige gevolgen ondervindenvan de wijziging van de aanpassing van de werkgebieden. De redenhiervoor is dat de aanpassing van de werkgebieden niet direct zal leidentot een aanpassing van de werkzaamheden van corporaties. Corporatieshouden de mogelijkheid om te werken in gebieden waar zij nu al actiefmogen zijn, tenzij woningcorporaties zelf om een inperking verzoeken. Ineen dergelijk geval zoekt die woningcorporatie met een andere woning-corporatie uit het gebied waar zij zich uit wil terugtrekken naar eenpassende oplossing om bezit over te nemen zonder dat huurders daarnadelige gevolgen van ondervinden.Vraag 135De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de aanpassing vanwerkgebieden van corporaties. Kunnen corporaties weigeren in eenbepaalde gemeente actief te worden, indien gemeenten daartoeverzoeken? En andersom, kunnen gemeenten woningcorporatiesweigeren die in hun gemeente actief willen worden?Wanneer een woningcorporatie binnen een andere gemeente actief wilworden waar de woningcorporatie nog geen bezit heeft, blijft hierbij hetuitgangspunt dat het starten met activiteiten in goed overleg gaat met debetreffende gemeente. Dit betekent dat die gemeente kan aangeven dathet niet wenselijk is dat de corporatie in de gemeente actief wordt. Degemeente kan het de woningcorporatie die daar werkzaam mag zijnvolgens de aangewezen werkgebieden echter niet weigeren. Voor hetwerkzaam willen worden in een gemeente buiten het aangewezenwerkgebied kan de woningcorporatie een ontheffing aanvragen.Andersom kan de woningcorporatie aangeven dat zij het gezien haarwerkzaamheden elders niet wenselijk vindt om in een bepaalde gemeenteactief te worden indien zij daar geen bezit heeft. In dat geval kan dewoningcorporatie niet worden verplicht om daar actief te worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 779 Vraag 136De leden van de SGP-fractie vragen daarbij hoe de lokale binding vanwoningcorporaties wordt behouden door de verruiming van de werkge-bieden van de woningcorporaties. De huidige werkgebieden zijn pas in2016 ingevoerd, waarom meent de regering dat dit nu al moet wordenlosgelaten? Waarom is er niet gekozen voor een meer beperkteaanpassing van de werkgebieden, met behoud van de lokale binding?De leden van de SGP-fractie vragen zich af hoe de lokale binding vanwoningcorporaties behouden kan blijven met de verruiming van dewerkgebieden van de woningcorporaties. De vigerende Woningwetverplicht corporaties om een bod uit te brengen op de gemeentelijkewoonvisie (na invoering van deze wet: volkshuisvestingsprogramma). Hetoverleg hierover tussen gemeente, woningcorporatie en huurdersorgani-satie resulteert in prestatieafspraken die de inspanningen van partijenvastleggen en waarop ze elkaar kunnen aanspreken. De lokale prestatieaf-spraken zijn daarmee de grondslag voor de activiteiten die woningcorpo-raties uitvoeren en het instrument bij uitstek waarmee de lokale bindingconcreet zijn beslag krijgt. Dat blijft zo.Met de uitbreiding van de werkgebieden wordt het gemakkelijker voorwoningcorporaties om hun middelen die ze niet nodig hebben voor devolkshuisvestingsopgaven in de gemeenten waar ze actief zijn elders inhet werkgebied in te zetten. Dit is geen verplichting. In de praktijk zal dit ernaar verwachting toe leiden dat alleen corporaties die beschikken overruime financiële middelen in verhouding tot de volkshuisvestingsopgavenin de gemeenten waar ze actief zijn, en over voldoende organisatorischeslagkracht, van deze mogelijkheid gebruik maken.3.4.5 Flexwoningen Vraag 137De leden van de SGP-fractie vragen hoe gemeenten grip kunnen houdenop hun lokale woningvoorraad en hun grond indien woningcorporaties,zonder verklaring van geen bezwaar, flexwoningen plaatsen buiten huneigen regionale werkgebied.De plaatsing van deze flexwoningen in de betreffende gemeente zonderverklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 41 van de Woningwetlaat onverlet dat een woningcorporatie bij het realiseren van eenflexwoning de regels van de Omgevingswet en onderliggende regel-geving in acht moet nemen. Zo moet bijvoorbeeld de locatie waar deflexwoningen gerealiseerd worden, op grond van het omgevingsplan defunctie «wonen» toebedeeld hebben gekregen, dan wel moet de realisatievan deze woningen middels een omgevingsvergunning voor eenbuitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk worden gemaakt. Op dezewijze kan de betreffende gemeente grip houden op de lokale woning-voorraad en hun grond.4. Verhouding tot andere nationale regelgeving en hoger recht Vraag 138De leden van de CDA-fractie horen graag wat het gevolg is van hetaannemen van de Wet betaalbare huur en de inwerkingtreding van dezeWet betaalbare huur voor het voorliggende wetsvoorstel. Zij vernemengraag een beschouwing over de samenhang tussen deze wetten, evenalswelke gevolgen dit heeft voor de stapeling van regels en administratievelastendruk voor gemeenten, maar ook voor particuliere verhuurders. Dezeleden vragen ook hoe dit getoetst wordt, en eventueel geëvalueerd nainwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel. Zij horen ook graagTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 780 hoe de complexiteit van het woningwaarderingsstelsel (WWS) samen-hangt met het voorliggende wetsvoorstel. Zij zijn benieuwd wat desamenhang is van het verlengen van de nieuwbouwopslag met hetvoorliggende wetsvoorstel.Het wetsvoorstel betaalbare huur geeft publiekrechtelijke kaders aan demaximale huurprijs die wordt overeengekomen tussen huurder enverhuurder voor huurwoningen in het middensegment. Het wetsvoorstelbetaalbare huur versterkt de huurbescherming van huurders en bevatregels gericht op het waarborgen dat de huur in overeenstemming is metde kwaliteit van de woning. Een van de doelstellingen van hetwetsvoorstel is dat twee derde van de nieuwbouwopgave wordt ingevuldmet betaalbare woningen. Ten aanzien van wat een betaalbare woning inhet middensegment is, wordt aangesloten bij de 186 punten in hetwetsvoorstel betaalbare huur als aanvangshuurprijs van een middenhuur-woning. Voor de sturing op de beschikbaarheid van voldoende betaalbarewoningen is het van belang dat ook voldoende betaalbare woningenworden gebouwd, en gedurende een bepaalde termijn in een bepaaldprijssegment in stand wordt gehouden. Gemeenten kunnen sturen op debetaalbaarheid door middel van het stellen van regels in omgevingsplanover de prijssegmentering van woningbouw en de termijn van instand-houding van deze woningen. Deze publiekrechtelijke sturingsmogelijk-heden hebben overheden op basis van de Omgevingswet, aangevuld methet voorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting. De nieuw-bouwopslag in het woningwaarderingsstelsel geldt voor nieuwbouwwo-ningen met een startbouw vóór 1 januari 2028, en is bedoeld alsovergangsmaatregel voor bouwprojecten die nog geen rekening hebbenkunnen houden met de nieuwe huurprijsregelgeving. Deze maatregel zietdus op de huurprijs. Beide wetsvoorstellen zijn daarom complementair alshet gaat om de sturing op betaalbaarheid, en leiden niet tot een stapelingvan regels, dan wel een administratieve lastendruk voor gemeenten.Vraag 139De leden van de CDA-fractie stellen ook de vraag hoe het voorliggendewetsvoorstel ingrijpt op de recent door de Kamer aangenomen verlengingvan de wet Nijboer, inclusief de gewijzigde elementen hierin. Ook hierbijstellen deze leden de vraag of kan worden beschouwd welke gevolgen desamenhang van deze verlenging en het voorliggende wetsvoorstelhebben voor de stapeling van regels en administratieve lastendruk voorgemeenten, maar ook voor particuliere verhuurders.Het wetsvoorstel brengt geen wijzigingen aan in de bestaande huurregel-geving. De Wet maximering huurprijsverhogingen voor geliberaliseerdehuurovereenkomsten (de zogenaamde Wet Nijboer), stelt een maximumaan de jaarlijkse huurprijsverhogingen voor geliberaliseerde huurovereen-komsten. Ik zie geen directe samenhang tussen de Wet Nijboer en ditwetsvoorstel.4.1 Het recht op huisvesting Vraag 140De leden van de BBB-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe eenwet die bedoeld is voor het vergroten van het huizenaanbod maareigenlijk als effect krijgt dat de kwantiteit van de huizen vermindert, zichverhoudt met de inspanningsplicht die genoemd wordt. Is de regering ookvan mening dat wetten die de kwantiteit verminderen een inbreuk zijn opde inspanningsplicht van de overheid op het gebied van huisvesting?Dit wetsvoorstel heeft niet tot effect heeft dat de kwantiteit van de huizenvermindert.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 781 In artikel 22, tweede lid, van de Grondwet is de opdracht opgenomen aande overheid om zorg te dragen voor voldoende woongelegenheid. Hetgaat daarbij om de volkshuisvestingsopdracht in brede zin: niet alleen hetaantal woningen, maar ook de kwaliteit, de veiligheid, de gezondheid enbetaalbaarheid van de woningen.De afgelopen jaren is gebleken dat de markt niet automatisch voorziet inwat er nodig is. Er zijn de afgelopen jaren te weinig woningen gebouwden vooral dure woningen gebouwd, terwijl er voor huishoudens met eenlager of middeninkomen maar beperkt betaalbare woningen zijn bijge-komen. Daarom heb ik de regie op de volkshuisvesting hernomen metafspraken over hoeveel, voor wie en waar we bouwen. Met ditwetsvoorstel krijgen overheden de wettelijke instrumenten om met meerregie en met meer tempo samen te werken aan de opgaven voor devolkshuisvesting. Voor marktpartijen en voor woningcorporaties biedt hetwetsvoorstel de wettelijke borging van een gecoördineerde aanpak,versnelling van procedures en meer eenduidige regie op voldoendelocaties. Dit is essentieel zodat zij met meer tempo kunnen bouwen. Omdie reden geef ik met dit wetsvoorstel juist invulling aan de grondwette-lijke opdracht in artikel 22 van de Grondwet.De afgelopen jaren is gebleken dat de markt niet automatisch voorziet inwat er nodig is. Er zijn de afgelopen jaren te weinig woningen gebouwden vooral dure woningen gebouwd, terwijl er voor huishoudens met eenlager of middeninkomen maar beperkt betaalbare woningen zijn bijge-komen. Daarom heb ik de regie op de volkshuisvesting hernomen metafspraken over hoeveel, voor wie en waar we bouwen. Met ditwetsvoorstel krijgen overheden de wettelijke instrumenten om met meerregie en met meer tempo samen te werken aan de opgaven voor devolkshuisvesting. Voor marktpartijen en voor woningcorporaties biedt ditwetsvoorstel de wettelijke borging van een gecoördineerde aanpak,versnelling van procedures en meer eenduidige regie op voldoendelocaties. Dit is essentieel zodat zij met meer tempo kunnen bouwen. Omdie reden geeft ik met dit wetsvoorstel juist invulling aan de grondwette-lijke opdracht in artikel 22 van de Grondwet. De inspanningsplichtwaaraan in deze vraag gerefereerd wordt is neergelegd in artikel 22,tweede lid, van de Grondwet. De memorie van toelichting bij de grond-wetsbepaling maakt duidelijk dat onder «voldoende woongelegenheid»niet alleen het aantal woning wordt verstaan, maar ook de kwaliteit, deveiligheid, de gezondheid en betaalbaarheid van de woningen. Het beleidvan de regering is gericht op zowel het verhogen van het woningaanbodals op de betaalbaarheid ervan voor de verschillende doelgroepen. In devraag wordt verder kennelijk gerefereerd naar het wetsvoorstel betaalbarehuur. Uit de Kamerstukken bij dat wetsvoorstel blijkt dat de aanname vande BBB-fractie dat het woningaanbod zou verminderen door de invoeringvan die wet niet strookt met de realiteit, terwijl die wet wel ertoe bijdraagtdat de betaalbaarheid van middenhuurwoningen voor middeninkomenswordt bevorderd. Zowel de Wet betaalbare huur als het voorliggendwetsvoorstel dragen dus bij aan de verhoging van de kwantiteit én debetaalbaarheid van het woningaanbod en geven dus invulling aan dezorgplicht van de overheid om te voorzien in voldoende betaalbarewoonruimten4.2 Grond- en mensenrechten 4.2.1 Vrijheid van verplaatsing Vraag 141De leden van de BBB-fractie vragen of de regering kan aangeven of ze hetrechtvaardig vindt dat Nederlandse burgers die jarenlang moetenwachten op een sociale huurwoning een woning aan hun neus zienTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 782 voorbijgaan uit iemand van de urgentiegroep, die misschien nietjarenlang heeft moeten wachten. In hoeverre tast dit het draagvlak van delokale bevolking aan van de opvang van mensen uit die urgentiegroep,kan de regering daar onderzoek naar laten doen?In een situatie waarin er sprake is van schaarste en bepaalde woningzoe-kenden extra moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passendehuisvesting en daardoor geen passende woonruimte kunnen vinden, heeftde overheid als taak om zorg te dragen voor een rechtvaardige enevenwichtige verdeling van de beschikbare woonruimten. Daarbij is hetnoodzakelijk om woningzoekenden die om bepaalde redenen geen dakboven hun hoofd hebben voorrang te geven boven andere woningzoe-kenden.De woningzoekenden die op basis van dit wetsvoorstel als urgentwoningzoekenden worden aangewezen behoren tot een categoriewoningzoekenden die gezien hun huidige situatie dringend behoeftehebben aan een woonruimte. Op basis van dit wetsvoorstel worden bijministeriële regeling strikte regels gesteld omtrent de woningzoekendendie als urgenten moeten worden aangewezen. Zonder deze urgentiezouden deze mensen terecht komen in een precaire situatie waarin ze hunleven niet menswaardig kunnen opbouwen.Het werken met urgentie is voor veel gemeenten niet nieuw en kanrekenen op draagvlak zoals blijkt uit de interbestuurlijke samenwerking ophet programma «Een thuis voor iedereen»24 dat de basis vormt voor hetaanmerken van urgentiegroepen. Sterker nog, het doel van ditwetsvoorstel is nu juist om te bevorderen dat er een evenwichtigerverdeling van urgent woningzoekenden ontstaat, wat ten goede komt aande kansen van regulier woningzoekenden in centrumgemeenten.4.2.2 Het recht op eigendom Vraag 142De leden van de BBB-fractie vragen wat de regering ziet als «noodzakelijken urgent belang». Wat valt hier allemaal onder? Kan de regering hiervoorbeelden van geven? Valt het plaatsen van windturbines en zonne-velden op agrarische percelen ook onder «noodzakelijk en urgentbelang»? Valt het realiseren van Nieuwe Natura 2000-gebieden onder«noodzakelijk en urgent belang»?Met «noodzakelijk en urgent belang» wordt gedoeld op de drie criteriavoor onteigening uit de Omgevingswet: onteigening mag alleen plaats-vinden als dit in het belang is van het ontwikkelen, gebruiken of beherenvan de fysieke leefomgeving, als onteigening noodzakelijk is en alsonteigening urgent is. In de memorie van toelichting bij de Aanvul-lingswet grondeigendom Omgevingswet is uitgebreider ingegaan op deuitleg van deze criteria.25 Het bevoegd gezag moet in een onteigeningsbe-schikking onderbouwen dat aan de criteria is voldaan. Dit wordtvervolgens getoetst door de bestuursrechter en is altijd afhankelijk van deconcrete omstandigheden van het geval. Windturbines, zonnevelden ennatuurgebieden vormen dus niet per definitie een noodzakelijk en urgentbelang in de zin van de Omgevingswet. Het wetsvoorstel bevat geenwijzigingen van de wettelijke criteria voor onteigening.24Bijlage bij Kamerstukken II, 2021/22, 32 847, nr. 883.25Kamerstukken II 2018/19, 35 133, nr. 3 (memorie van toelichting bij de Aanvullingswetgrondeigendom Omgevingswet), p. 90 e.v.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 783 5. Gevolgen (met uitzondering van financiële gevolgen) Vraag 143De leden van de NSC-fractie merken op dat de gemeenteraad in dehuidige situatie een belangrijke rol heeft in het opstellen van eenwoon(zorg)visie. In dit wetsvoorstel wordt de woon(zorg)visie vervangendoor de het volkshuisvestingsplan wat door het College van burgemeesteren Wethouder vastgesteld wordt. Kan de regering toelichten waarom ervoor gekozen is het volkshuisvestingsplan vast te laten stellen door hetCollege van B&W? En kan de regering daarbij aangeven wat dit betekentvoor het lokale democratische proces? Kan de regering aangeven of zij degevolgen hierbij voor het lokale democratische proces aanvaardbaar acht?De gemeentelijke woonvisie uit de Woningwet, die met het wetsvoorstelvervalt, gaat niet primair op in het gemeentelijk volkshuisvestingspro-gramma, maar in de op grond van de Omgevingswet verplicht vast testellen gemeentelijke omgevingsvisie. De omgevingsvisie wordt vastge-steld door de gemeenteraad respectievelijk provinciale staten. Volkshuis-vesting wordt daarmee een geïntegreerd onderdeel van het beleid voor defysieke leefomgeving. Overlap, fricties en tegenstrijdigheden tussen eenaparte woonvisie en de omgevingsvisie worden daarmee vermeden. Methet introduceren van het verplichte volkshuisvestingsprogramma incombinatie met de omgevingsvisie is gekozen voor een optie die goed inde bestaande praktijk kan worden geïntegreerd door gemeenten enprovincies. Dat betekent ook dat de gemeenteraad respectievelijkprovinciale staten op het terrein van de volkshuisvesting de kaders blijftstellen en de hoofdlijnen van het te voeren beleid vaststelt. Ik verwachtdan ook geen gevolgen voor het lokale democratische proces.Ten overvloede: het volkshuisvestingsprogramma dient er toe de in deomgevingsvisie vastgelegde beleidsvoornemens met een op uitvoeringgericht programma te concretiseren. Hoewel het binnen het stelsel van deOmgevingswet past dat een programma door het college van burge-meester en wethouders wordt vastgesteld, kan er altijd voor gekozenworden om vooruitlopend op besluitvorming aan de gemeenteraad voorte leggen en ter bespreking te agenderen. Bij gemeenten kunnengemeenteraadsleden dan bijvoorbeeld moties indienen en zodoendedesgewenst het college bewegen om voorgenomen onderdelen van hetvolkshuisvestingsprogramma anders in te richten of om andere keuzes temaken. Voorgaande is ook toegelicht in paragraaf 10.5.1 van de memorievan toelichting bij dit wetsvoorstel.Vraag 144De leden van de NSC-fractie vragen hoe de regering van plan is tevoorkomen dat het saldo sociale huurwoningen landelijk afneemt in hetgeval dat gemeenten die meer middenhuur woningen moeten bouwendat in een hoger tempo doen dan dat gemeenten die meer sociaal moetenbijbouwen?Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting en het voorgenomenBesluit versterking regie volkshuisvesting voorzien in een gelijkwaardigesturing op de voortgang in alle prijssegmenten. Ik heb vooralsnog vanuitde praktijk geen aanleiding om te concluderen dat woningen in hetmiddensegment in een hoger tempo worden gebouwd dan socialehuurwoningen. Zo is vorig jaar in de gemeente Amsterdam vooral debouw van woningen in het middensegment teruggevallen en is de bouwvan sociale huurwoningen op peil gebleven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 784 6. Uitvoering 6.1 Omgevingswet Vraag 145De leden van de D66-fractie merken op dat gemeenten die meer dan30 procent sociale huurwoningen hebben volgens het voorstel moetensturen op meer middenhuur en betaalbare koop. De leden vragen zich afof is overwogen in de grotere gemeenten per wijk of stadsdeel te sturenaangezien daarbinnen eveneens grote verschillen kunnen zijn tussenpercentages sociale huur, betaalbare koop, middenhuur en durewoningen.Een gezonde mix tussen sociale woningbouw, middensegment en durewoningen is belangrijk voor de leefbaarheid in wijken. Daarom is een vande doelstellingen van het wetsvoorstel om te zorgen voor meer balans inde voorraad tussen gemeenten en per gemeente. Om die reden hangt debetaalbaarheidsprogrammering zoals vereist op grond van het voorge-nomen Besluit versterking regie volkshuisvesting samen met debestaande voorraad sociale huurwoningen. Op die manier kan eengemeente met veel sociale huurwoningen zich meer richten op hetbijbouwen van koop- en huurwoningen in het middensegment, ook inwijken met veel sociale huurwoningen. Omgekeerd kan een gemeente dieweinig sociale huurwoningen in zijn bestaande voorraad heeft, socialehuurwoningen bouwen in wijken met veel dure woningen en woningen inhet middensegment. Daarnaast kan via herstructurering gevarieerdworden teruggebouwd in wijken waar de leefbaarheid onder druk staat.Het Volkshuisvestingsfonds ondersteunt dit. Bovenstaande geeftgemeenten ruimte lokaal te sturen op een evenwichtige samenstelling vanwijken. De keuzes op wijkniveau of per stadsdeel kunnen het beste lokaalgemaakt worden door gemeenten. Zij hebben immers zicht op de lokalesituaties en maken ook afspraken met corporaties over de bouw vansociale huurwoningen. Gemeente moeten in het volkshuisvestingspro-gramma ook nadrukkelijk ingaan op de leefbaarheidsaspecten in verbandmet de volkshuisvestingsopgave.Vraag 146De leden van de BBB-fractie vragen of de regering kan aangeven waaromer gekozen is voor twee derde betaalbare woningen, en niet een derde oftwee vierde. Kan de regering reflecteren op berichten waarbij vermeldwordt dat die betaalbaarheidseis van twee derde van het aantal woningenervoor kan zorgen dat bouwprojecten niet doorgaan omdat de business-case niet rond te krijgen is?De doelstelling van het kabinet om twee derde betaalbare woningen tebouwen is gebaseerd op de woonbehoefte gelet op de inkomens vanhuishoudens. Volgens de meest recente Woningmarktverkenning2023–2038 van ABF Research26 sluit een woningbouwprogrammering datvoorziet in twee derde betaalbare woningen daarbij aan. Bij een dergelijkwoningbouwprogramma wordt zowel tegemoet gekomen aan dewoningbehoefte van starters als van doorstromers.De reden dat bouwprojecten de afgelopen periode niet konden doorgaanheeft allereerst te maken met marktomstandigheden zoals gestegen renteen toegenomen bouwkosten. Particulieren en investeerders kondenhierdoor minder middelen bij elkaar krijgen. Daarbij waren overigensvooral duurdere nieuwbouwwoningen minder in trek. Daarnaast gevenontwikkelaars en bouwers ook aan dat zij aanlopen tegen lange proce-26Bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 32 847, nr. 986.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 785 dures. Naast mijn aanpak om procedures in de praktijk te versnellenvoorziet dit wetsvoorstel ook in snellere beroepsprocedures bij de rechter.7. Toezicht en handhaving 7.1 Interbestuurlijk toezicht Vraag 147De leden van de NSC-fractie vragen of de regering een uitgebreideretoelichting kan geven waar aan gedacht moet worden bij «taakverwaar-lozing» door lagere overheden?In antwoord op de vraag van de leden van de NSC-fractie over «taakver-waarlozing door lagere overheden» zal ik eerst het generieke instrumen-tarium beschrijven dat het mogelijk maakt te interveniëren aangaandetaken die in medebewind aan gemeenten en provincies zijn gegeven.Vervolgens zal ik aan de hand van een voorbeeld, indachtig ditwetsvoorstel, beschrijven hoe het instrumentarium ingezet kan wordenwanneer er sprake is van taakverwaarlozing.De grondslag voor deze vorm van interbestuurlijk toezicht wordtgevonden in artikel 132, vijfde lid, van de Grondwet in samenhanggelezen met artikel 121 van de Provinciewet en artikel 124 van deGemeentewet. De bevoegdheid tot het uitoefenen van het interbestuurlijktoezicht wordt toegekend aan:•de betrokken Minister (de Minister wie het aangaat);•het college van gedeputeerde staten voor zover het gaat om bevoegd-heden van de gemeenteraad•en het college van burgemeester en wethouders;•de commissaris van de Koning voor zover het gaat om bevoegdhedenvan de burgemeester.27Interveniëren is mogelijk wanneer er sprake is van taakverwaarlozing. Inde artikelen 124, eerste lid, van de Gemeentewet en 121, eerste lid, van deProvinciewet is bepaald dat er sprake is van taakverwaarlozing wanneereen gemeentelijk of provinciaal bestuursorgaan:•niet of niet naar behoren een bij of krachtens een andere wet dan deGemeentewet of de Provinciewet gevorderde beslissing neemt;•niet of niet naar behoren een bij of krachtens een andere wet dan deGemeentewet of de Provinciewet gevorderde handeling verricht;•niet, niet tijdig of niet naar behoren een bij of krachtens een anderewet dan de Gemeentewet of de Provinciewet gevorderd resultaat totstand brengt.28In dat geval geldt op grond van de genoemde artikelen dat het college vangedeputeerde staten (of de commissaris van de Koning) dan wel deMinister die het aangaat voorzien in de uitvoering daarvan. Dergelijkingrijpen gebeurt niet vaak. Sinds de inwerkingtreding van de Wetrevitalisering generiek toezicht in 2012 is het slechts een enkele keergekomen tot daadwerkelijke indeplaatsstelling.29 Indeplaatstelling is ookbedoeld als een ultiem middel («stok achter de deur»), en wordt altijdvooraf gegaan door een bestuurlijk traject. De wet schrijft voor dat eenbesluit tot indeplaatsstelling niet eerder kan worden uitgevoerd dan nadat27Algemeen beleidskader indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing, p. 2,http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR171042.28Algemeen beleidskader indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing, p. 12,http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR171042.29Voorlichting over interbestuurlijke verhoudingen door de Afdeling advisering van de Raad vanState d.d. 15 december 2022, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 36 200 VII, nr. 142.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 786 een termijn is verstreken om alsnog in de uitvoering van de betreffendewettelijke taak te kunnen voorzien. Dit wettelijke criterium is uitgewerkt ineen bestuurlijke interventieladder met zes stappen: signaleren; informatieopvragen en valideren; afspraken over acties, termijnen en vervolg;vooraankondiging van juridische interventie; besluit tot indeplaatsstellingmet de laatste termijn om alsnog zelf te voorzien; sanctie indeplaats-stelling.30Ten aanzien van dit wetsvoorstel zou de werking van het interbestuurlijktoezicht bij taakverwaarlozing er als volgt uitzien. Met dit wetsvoorstelwordt voorgesteld de mogelijkheid toe te voegen om instructies te gevenover de volkshuisvestingsprogramma’s. Instructieregels en instructies vanhet Rijk kunnen betrekking hebben op het verplichte volkshuisvestingspro-gramma van provincies en gemeenten. Deze instructie is een opdracht totaanpassing van het volkshuisvestingsprogramma. Indien het volkshuis-vestingsprogramma niet tijdig of niet volledig wordt aangepast, en erdaarmee sprake is van taakverwaarlozing, kan het Rijk of de provincie opkosten van de gemeente in de plaats treden van het college van burge-meester en wethouders door zelf het gewijzigde volkshuisvestingspro-gramma vast te stellen. De provincie is als eerste aan zet voor dezeinstructie richting gemeenten. Zo nodig kan ook het Rijk zelf een instruc-tieregel stellen of instructie geven of – via getrapte instructies – deprovincie instrueren dit te doen.Vraag 148De leden van de ChristenUnie vragen naar de juridische grondslag voorhet toepassen van interbestuurlijk toezicht. Zij vragen de regering teverduidelijken welke taken de provincie in het kader van het interbe-stuurlijk toezicht over kan en mag nemen. Kan de regering het hande-lingsperspectief voor provincies schetsen als zij interbestuurlijk toezichttoepast? Op welke wijze worden provincies hierbij ondersteund, in kennisen middelen?De leden van de ChristenUnie hebben vragen gesteld over de wettelijkegrondslag van het generieke instrumentarium van het interbestuurlijktoezicht en hoe de rol van de provincie in dit kader vorm krijgt.Zoals ik in het antwoord op vraag 147 uiteen heb gezet in reactie opvragen van leden van de NSC-fractie over dit onderwerp, wordt degrondslag voor interventie bij taakuitoefening die bij of krachtens de wetis gevorderd, gevonden in artikel 132, vijfde lid, van de Grondwet insamenhang gelezen met artikel 121 van de Provinciewet en artikel 124 vande Gemeentewet. Een dergelijke interventie is mogelijk als een gemeen-telijk bestuursorgaan een beslissing niet of niet naar behoren neemt, eenhandeling niet of niet naar behoren verricht of een resultaat niet, niettijdig of niet naar behoren tot stand brengt (taakverwaarlozing). Eendergelijke interventie is mogelijk als een gemeentelijk bestuursorgaan eenbij wet gevorderde beslissing niet of niet naar behoren neemt, eenhandeling niet of niet naar behoren verricht of een resultaat niet, niettijdig of niet naar behoren tot stand brengt (taakverwaarlozing).Bij taakverwaarlozing kan een provincie als ultimum remedium in deplaats treden van een gemeente en bevoegdheden overnemen (zoals hetvaststellen van volkshuisvestingsprogramma’s en omgevingsplannen).Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in een situatie waarin een gemeenteeen instructieregel of instructie niet, niet tijdig of niet naar behoren heeftuitgevoerd. Nadat geconstateerd is dat sprake is van taakverwaarlozing,30Voorlichting over interbestuurlijke verhoudingen door de Afdeling advisering van de Raad vanState d.d. 15 december 2022, bijlage bij Kamerstukken II 2022/23, 36 200 VII, nr. 142.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 787 bestaat een beginselplicht tot het nemen van een besluit tot indeplaats-stelling door de provincie (het college van gedeputeerde staten).31Voorafgaand aan de feitelijke indeplaatsstelling moeten eerst zorgvuldigalle bestuurlijke stappen van de (bestuurlijke) interventieladder zijndoorlopen om de gemeente de gelegenheid te bieden om alsnog in deuitvoering van de wettelijke taak te voorzien.32 De stappen op deinterventieladder kennen geen voorgeschreven termijn. De provincie kandeze termijnen zelf bepalen, waarbij het uitgangspunt «redelijkheid» is.Toepassing kan snel, als het moet in enkele weken of zelfs dagen.Er zijn situaties denkbaar waarin na een bestuurlijke afweging geconsta-teerd kan worden dat een besluit tot indeplaatsstelling niet de aange-wezen weg is. Gedacht kan daarbij bijvoorbeeld worden aan eengemeente, die ondanks geleverde inspanningen, niet aan een bepaaldewettelijke verplichting kan voldoen. Overmacht, zoals eenniet-toerekenbare onmogelijkheid voor een bestuursorgaan om eenwettelijke verplichting uit te voeren, kan ook een reden zijn om niet over tegaan tot het nemen van een besluit tot indeplaatsstelling.33 Het ligt voorde hand dat dit onderdeel uitmaakt van het voorafgaande bestuurlijkoverleg.Wanneer van dergelijke situaties geen sprake is en alle stappen van deinterventieladder doorlopen zijn, volgt uitvoering van een besluit totindeplaatsstelling door de provincie. Op kosten van de gemeente treft hetcollege van gedeputeerde staten de maatregelen die nodig zijn om het bijwet gevorderde resultaat te bereiken. Bij het uitvoering geven aan ditbesluit kan de provincie gebruik maken van de bevoegdheden zoalsomschreven in artikel 124 en verder van de Gemeentewet. Het college vangedeputeerde staten kan daarbij alle bevoegdheden inzetten die de raad,het college of de burgemeester bezitten. Dit betreffen zowel bestuursrech-telijke bevoegdheden, evenals privaatrechtelijke bevoegdheden ombijvoorbeeld de voor een wettelijk voorgeschreven resultaat de benodigdeovereenkomsten te sluiten. Ook kunnen bij de uitvoering van een dergelijkbesluit gemeenteambtenaren worden ingezet. Daarmee zet de feitelijkeuitvoering van een besluit tot indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing debestuurlijke verhoudingen op scherp. Dergelijk ingrijpen dient selectief(terughoudend) en proportioneel (inzet lichtst mogelijke instrument)ingezet te worden en pas dan nadat alle bestuurlijke stappen zijn gezet.34Provincies zijn nu ook al belast met het uitvoeren van het interbestuurlijktoezicht, kennis is aanwezig aangaande de inzet van het generiekeinstrumentarium. Met dit wetsvoorstel worden de medebewindstakenvoor gemeenten uitgebreid en daarmee breidt de taak voor provincies ookuit. Opgemerkt dient wel te worden dat het interbestuurlijk toezicht geeninstrument is om het kwaliteitsniveau van het handelen en de besluit-vorming van de provincie- en gemeentebesturen te bevorderen en teverbeteren, maar strekt er enkel en alleen toe om te beoordelen of hetbevoegde bestuursorgaan de sectorwetten al dan niet juist uitvoert. In hetartikel 2-onderzoek, zoals dat is uitgevoerd op grond van de Financiële-verhoudingswet voor dit wetsvoorstel, zijn de verwachte kosten voor hetuitvoeren van deze taak op de nieuwe medewindstaken van gemeenten,31Algemeen beleidskader indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing, p.10,http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR171042.32Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 389, nr. 3. In paragraaf 7 zijn de volgende zes stappenomschreven: signaleren; informatie opvragen en valideren; afspraken over acties, termijnenen vervolg; vooraankondiging van juridische interventie.33Algemeen beleidskader indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing, p. 10,http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR171042.34Algemeen beleidskader indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing, p. 1,http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR171042.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 788 zoals met dit wetsvoorstel voorgesteld, in beeld gebracht en provincieszullen hier structureel middelen voor ontvangen.8. Advies en consultatie 8.1 Advies van andere partijen Vraag 149De leden van de VVD-fractie hebben zorgen over de twee derde betaal-baarheidseis, omdat zij bang zijn dat dit een negatief effect heeft op debouwproductie. Deze leden vragen of de regering het met hen eens is dateen lager percentage realistischer zou zijn? Waarom wel, waarom niet?De bouw van twee derde betaalbare woningen is noodzakelijk om tevoorzien in voldoende passende woningen gelet op de inkomens vanhuishoudens. Bij deze programmering wordt zowel tegemoet gekomenaan de woningbehoefte van starters als van doorstromers. Betaalbarewoningen hebben een effect op het financiële resultaat, maar dat vind ikgeen reden om ze daarom niet te bouwen. Door het tekort aan betaalbarewoningen komen immers veel mensen met een laag en middeninkomenin de knel. Daarom kunnen we het ons niet permitteren om minderbetaalbare woningen te bouwen. Dat is ook de reden dat ik samen met deandere overheden, marktpartijen en de woningcorporaties de regie hebhernomen met afspraken over de bouw van twee derde betaalbarewoningen. Deze afspraak veranker ik in dit wetsvoorstel.Voor het financieel rondkrijgen van de betaalbaarheidsprogrammeringhebben gemeenten en marktpartijen veel optimalisatiemogelijkheden.Gemeenten hebben met stedenbouwkundig ontwerp invloed op debouwkosten bijvoorbeeld door ook meer kleinere woningen te bouwen, ofdoor lagere parkeernormen in gebieden waar dit goed kan en doorgrootschalige aanbesteden met het oog op modulaire bouw. Als Rijkhebben we met verschillende regelingen bijgedragen aan het oplossenvan het publieke tekort.Vraag 150De leden van de VVD-fractie zouden graag zien dat de twee derdebetaalbaarheidseis per woningmarktregio verschilt. Op die manier kan ermeer worden ingespeeld op de regionale behoeften. Kan de regeringtoelichten in hoeverre zij het hier mee eens is en uitleggen waarom wel ofwaarom niet?De doelstelling van het kabinet om twee derde betaalbare woningen tebouwen is noodzakelijk om ook te voorzien in voldoende passendewoningen voor mensen met een laag en middeninkomen (zie ookvraag 44 van de leden van de fractie van NSC). Omdat het tekort aanbetaalbare woningen in alle regio’s groot is, is er geen aanleiding omverschil aan te brengen tussen regio’s. Op die manier dragen alle regio’sen provincies bij aan het realiseren van de landelijke opgave. Wel biedthet wetsvoorstel ruimte om rekening te houden met de verschillen tussengemeenten, doordat de bestaande voorraad sociale huurwoningenbepalend is voor de prijssegmentering. Ook hebben gemeenten ruimteom afhankelijk van de woonbehoefte te kijken of zij in het middensegmenten vrije segment huur- of koopwoningen willen realiseren.Vraag 151De leden van de SP-fractie hebben vanuit het interprovinciaal overleg veelzorgen gehoord over de uitvoerbaarheid van deze wet voor provincies.Hoe gaat de regering garanderen dat alle bestuurslagen voldoendemiddelen hebben om tot een rechtmatige uitvoering te komen van dezewet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 789 Dit wetsvoorstel leidt tot extra werkzaamheden voor provincies engemeenten. Om te bezien of deze werkzaamheden ook tot uitvoerings-kosten leiden voor de medeoverheden is een artikel 2-onderzoek op grondvan de Financiële-verhoudingswet uitgevoerd.35 In dat onderzoek zijn deextra werkzaamheden voor provincies en gemeenten geïnventariseerd enis een onderbouwing gegeven van de financiële gevolgen (uitvoerings-lasten) van deze werkzaamheden. Voor het onderzoek is een klankbord-groep samengesteld met vertegenwoordigers vanuit gemeenten enprovincies. De klankbordgroep bestond uit vertegenwoordigers vanuitVNG, IPO, provincie Groningen, gemeente Hof van Twente en gemeenteLeeuwarden. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van bureauonderzoek,interviews met inhoudelijke experts en interviews met vertegenwoor-digers van provincies en gemeenten. In deze gesprekken is uitgevraagdwelke activiteiten gemeenten of provincies verwachten te moetenuitvoeren om te voldoen aan de nieuwe verplichtingen, en hoeveeltijdbesteding of externe kosten dit met zich meebrengt. Op basis van ditonderzoek zijn de incidentele en structurele kosten in beeld gebracht. Voorde precieze onderbouwing van de incidentele en structurele kosten diegemoeid zijn met de extra werkzaamheden voor provincies verwijs ik naarhoofdstuk 8 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Deklankbordgroep heeft ingestemd met de kosten zoals die in beeld zijngebracht. Op basis van dit onderzoek ontvangen provincies en gemeentenvoldoende middelen om hun nieuwe taken uit te kunnen voeren.Om te bezien of de nieuwe taken, zoals die met dit wetsvoorstel doorgemeenten en provincies moeten worden uitgevoerd ook daadwerkelijkuitvoerbaar zijn is een uitvoeringstoets uitgevoerd. Onderdeel van dieuitvoeringstoets betroffen expertsessies, praktijkproeven en diverseoverleggen met gemeenten, provincies en de koepels van medeover-heden, waarbij getoetst is hoe de voorgestelde wijzigingen van invloedzijn op de bestaande uitvoeringspraktijk. In hoofdstuk 6 van de memorievan toelichting bij het wetsvoorstel is beschreven wat de gevolgen voorde uitvoeringspraktijk zijn. Op grond hiervan kan geconcludeerd wordendat de nieuwe taken zoals die met het wetsvoorstel worden geïntrodu-ceerd voor de medeoverheden goed uitvoerbaar zijn.Omdat met name hetgeen wordt beschreven in de lagere regelgevinggevolgen heeft voor de uitvoering door gemeenten en provincies is eenuitvoeringstoets decentrale overheden uitgevoerd. Deze toets is uitge-voerd op het voorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting ende voorgenomen Regeling versterking regie volkshuisvesting, ingezamenlijke opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties, het IPO en de VNG. Hieruit blijkt dat de meerderheidvan de nieuwe taken goed uitvoerbaar zijn, maar gemeenten enprovincies uitvoerbaarheidsrisico’s voorzien bij de gegevensverzamelingvan aandachtsgroepen. De aandachtspunten die in het rapport naar vorenzijn gebracht, zijn in gezamenlijkheid met het IPO en de VNG opgepakt terverdere uitwerking.8.1.1 Omgevingswet Vraag 152De leden van de NSC-fractie lezen dat er gekozen is om geen verderestappen te nemen in de regulering van servicekosten. Deze leden vragende regering toe te lichten waarom zij er niet voor heeft gekozen om eenmaximum te stellen aan servicekosten?35Artikel 2-onderzoek wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, Sira Consulting, juni2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 790 Het kabinet is zich ervan bewust dat het – ondanks het juridisch kader –regelmatig mis gaat rond het in rekening brengen van servicekosten.Daarom werkt het kabinet aan een wetsvoorstel en lagere regelgevingwaarmee het stelsel van servicekosten moet worden verduidelijkt.Onderdeel van dit wetsvoorstel is tevens een grondslag om de wijze vanberekening van servicekosten of maximumbedragen vast te stellen indiendaar in de toekomst noodzaak toe is. Onderdeel daarvan is een limitatievelijst vast te stellen met categorieën van kosten die als servicekostenkunnen worden aangemerkt. Momenteel is deze lijst niet limitatiefwaardoor verwarring kan ontstaan. Het kabinet streeft ernaar ditwetsvoorstel vóór de zomer van 2024 naar de Afdeling advisering van deRaad van State te sturen ter advisering.In het gereguleerde segment kunnen huurders naar de huurcommissieom deze kosten te laten toetsen. In het geliberaliseerde segment kunnenhuurders naar de rechter. Uw Kamer heeft bij het wetsvoorstel betaalbarehuur een amendement aangenomen waarmee iedere huurder zich in detoekomst tot de huurcommissie kan wenden voor een toets op deservicekosten.Vraag 153De leden van de BBB-fractie vragen of de regering kan aangeven hoe verhet onderzoek naar een herziening van het Besluit servicekosten is, en watde voorlopige resultaten zijn. Kan de regering aangeven welke verande-ringen mogelijk zijn om alsnog een maximum te zetten op de gevraagdeservicekosten in relatie tot de kale huurprijs?Het juridisch kader omtrent servicekosten gaat uit van daadwerkelijkgemaakte kosten. Enkel kosten die de verhuurder daadwerkelijk heeftgemaakt, mogen worden doorberekend aan de huurder. Er mag doorverhuurders geen winst worden gemaakt. Vanuit dit uitgangspunt ziet hetkabinet geen meerwaarde in het stellen van een maximum aan deservicekosten binnen de voor dit wetsvoorstel gehanteerde definitie van«sociale huur».De wet- en regelgeving met betrekking tot servicekosten worden op ditmoment herzien. Voor verdere toelichting van deze herziening wordtverwezen naar het antwoord op vraag 152 zoals die door de leden van deNSC-fractie is gesteld.8.1.2 Huisvestingswet 2014 Vraag 154De leden van de BBB-fractie verwijzen naar het volgende stuk in dememorie van toelichting: «Zo zijn voorstellen gedaan voor een verdelingnaar rato van inwoneraantal en zijn voorstellen gedaan voor een verdelingwaarbij een percentage van de vrijkomende sociale huurwoningen pergemeente beschikbaar moet worden gesteld voor urgent woningzoe-kenden. Veel partijen pleiten er ook voor dat er een maximum moetkomen op het aantal woningen dat naar urgenten gaat.» Deze ledenvragen of de regering kan aangeven wat de zienswijze hierop is, en of deregering zich kan vinden in een maximaal percentage dat naar urgentengaat van de beschikbaar gekomen woningen in een gemeente.Juist gegeven de schaarste beoogt de regering met dit wetsvoorstel demeest kwetsbare woningzoekenden te beschermen en hen met voorrangte huisvesten. Daarom moeten alle gemeenten een urgentieregelingvaststellen met daarin in elk geval de in dit wetsvoorstel opgenomencategorieën van urgent woningzoekenden. Ook moeten gemeenten in dewoningmarkregio afspraken maken over de verdeling van urgentTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 791 woningzoekenden. Die afspraken moeten aansluiten bij de verwachtebehoefte aan huisvesting van deze urgent woningzoekenden, volgend uithet volkshuisvestingsprogramma.De evenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden binnen een regiomoet ervoor zorgen dat er een goede verdeling komt van urgent woning-zoekenden over de gemeenten binnen de regio. Een door de Ministervastgesteld maximum percentage aan woonruimte dat beschikbaar moetworden gesteld aan urgent woningzoekenden staat daarbij in de weg.Indien gemeenten niet tot afspraken komen over een evenwichtigeverdeling dan voorziet het wetsvoorstel erin dat een percentage wordtopgelegd. Het opgenomen percentage in de huisvestingverordening werktdaardoor in praktische zin op gemeenteniveau als een maximum.Gemeenten kunnen er niet aan gehouden worden meer dan hetafgesproken of opgelegde percentage aan wettelijk verplicht urgentwoningzoekenden aan met voorrang te huisvesten, boven anderewoningzoekenden.Vraag 155De leden van de BBB-fractie verwijzen naar het volgende stuk in dememorie van toelichting: «Naast het verbod om maatschappelijke ofeconomische binding te eisen bij de verlening van een huisvestingsver-gunning aan een woningzoekende die valt onder één van de wettelijkeurgentiecategorieën is ervoor gekozen om een grondslag te creëren in hetwetsvoorstel waarbij voor de verschillende urgentiecategorieën in deministeriële regeling wordt geregeld in welke gevallen mag wordenaangenomen dat sprake is van binding.» Deze leden vragen of de regeringkan aangeven wanneer gevallen worden aangenomen als er sprake is vanbinding. Welke concrete soorten binding zijn nog wel geldig wanneermaatschappelijke of economische binding niet meer gehanteerd wordt?De leden van de BBB-fractie stellen dat er een verbod is om maatschap-pelijk of economische binding aan een gemeente te eisen bij de verleningvan een huisvestingsvergunning en vragen vervolgens welke concretesoorten van binding geldig zijn wanneer maatschappelijke of econo-mische binding niet meer wordt gehanteerd.Het klopt dat de gemeenteraad in de huisvestingsverordening voorwettelijk verplicht urgent woningzoekenden alleen maatschappelijke ofeconomische bindingseisen aan de woningmarktregio kan stellen.Wanneer er sprake is van binding aan de regio wordt uitgewerkt in eenministeriële regeling. De ontwerpregeling is gepubliceerd metmogelijkheid daarop te reageren via www.internetconsultatie.nl.In het ontwerp is een aantal voorwaarden opgenomen waarmee bindingwordt vastgesteld:–economische binding aan de woningmarktregio: met het oog op devoorziening in het bestaan een redelijk belang hebben zich in diewoningmarktregio of die gemeente te vestigen;–maatschappelijke binding aan de woningmarktregio:1°.ten minste drie jaar onafgebroken ingezetene dan wel gedurendede voorafgaande vijf jaar ten minste drie jaar onafgebrokeningezetene zijn geweest van die woningmarktregio; of2°.Verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 12, derde lid,onderdelen c tot en met h, van de wet in die woningmarktregio.De internetconsultatie heeft geleid tot diverse opmerkingen over dezevoorwaarden. Deze reacties zullen worden bezien bij de vaststelling vande ministeriële regeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 792 II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel III OmgevingswetOnderdeel L (artikel 16.87a (nieuw))Vraag 156De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom lid 3 is opgenomenom de verlenging van de AmvB te beperken tot éénmalig 5 jaren. Zijvragen toe te lichten waarom gekozen is voor eenmaligheid en waaromgekozen is voor een termijn van 5 jaar. Zij vragen toe te lichten waarom erniet voor is gekozen deze AmvB voor te hangen bij de Kamer.Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om tijdelijk categorieën projectenaan te wijzen waarop de procedurele versnellingen van toepassing zijn.Om de tijdelijkheid te waarborgen bedraagt de maximale termijn vooraanwijzing tien (artikel 16.87a, tweede lid, onder b) en kan deze eenmaligmet ten hoogste vijf jaar worden verlengd (artikel 16.87a, derde lid). Metde verlengingstermijn van vijf jaar is aangesloten bij de verlengingsmoge-lijkheid van de experimenteerbepaling van de Omgevingswet (artikel 23.3,achtste lid). Met een nota van wijziging zal worden verduidelijkt dat determijn van de aanwijzing alleen kan worden verlengd als de evaluatiedaartoe aanleiding geeft. In dat geval kan de Minister van BinnenlandseZaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met de Minister voorRechtsbescherming, besluiten tot verlenging met ten hoogte vijf jaar. Hetvoorgenomen Besluit versterking regie volkshuisvesting zal nog wordenvoorgehangen bij de beide Kamers der Staten-Generaal.Onderdeel M (artikel 16.119 Omgevingswet)Vraag 157De leden vragen of de regering zou willen reflecteren op de al in eeneerder stadium door de VNG geuite zorgen over de grondslagen vooronteigening in de Omgevingswet. De leden vernemen graag hoeeventuele wijziging hiervan inwerken op het voorliggende wetsvoorstel ende ambitie de regie op de volkshuisvesting te versterken.De Omgevingswet voorziet in een regeling voor onteigening die groten-deels in de plaats is gekomen van de voorheen geldende onteige-ningswet. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet bleek op enkelepunten een aanvulling of verduidelijking van het overgangsrechtwenselijk. Hierin is voorzien met de tegelijk met de Omgevingswet inwerking getreden Verzamelwet Omgevingswet 2023 (Stb. 2023, 376). Dezewet heeft ook de eisen verduidelijkt die gelden als wordt onteigend teruitvoering van een projectbesluit of een omgevingsvergunning voor eenbuitenplanse omgevingsplanactiviteit.Het resterend deel van de door de VNG geuite zorgen richt zich op deonteigening ter uitvoering van een omgevingsplan. Deze vorm vanonteigening is een voortzetting van de voorheen bestaande mogelijkheidvan onteigening vanwege een bestemmingsplan. In de Omgevingswet isin het belang van de rechtszekerheid en de rechtsbescherming vanburgers en bedrijven rekening gehouden met de verschillen tussen hetbestemmingsplan en het omgevingsplan. In een omgevingsplan kunnengemeenten de bouw- en gebruiksmogelijkheden op een locatie namelijkglobaler en algemener regelen dan voorheen in een bestemmingsplan. Ditbetekent dat naast de feitelijk bestaande situatie ook andere, alternatievegebruiks- en ontwikkelmogelijkheden kunnen worden toegestaan.Gegeven deze nieuwe mogelijkheden, stelt de Omgevingswet deaanvullende eis dat een omgevingsplan voldoende concreet op eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 793 nieuwe ontwikkeling moet zijn gericht, als de overheid voor die ontwik-keling tot onteigening wil overgaan.De VNG vreest dat de grondslag voor onteigening met de aanvullende eisstrenger wordt uitgelegd dan onder het oude recht. Uit de wetsgeschie-denis blijkt echter dat alleen een extra waarborg is beoogd bij onteigeningvanwege omgevingsplannen met een open of globale functietoedeling. Eris geen verzwaring beoogd ten opzichte van het voorheen geldende rechtwaar het gaat om concrete plannen die in een duidelijke functiewijzigingvoorzien, zoals voor bijvoorbeeld woningbouw. Om die reden verwacht deregering geen gevolgen van de regeling voor onteigening in deOmgevingswet voor de regie op de volkshuisvesting. Een eventuelewijziging van de regeling voor onteigening zou enkel een verduidelijkingvan de Omgevingswet op dit punt inhouden, zonder inhoudelijke relatiemet het voorliggende wetsvoorstel.De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,H.M. de JongeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 512, nr. 794

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 049a8cea3f81b7b9

14 okt 2026 · 4e4fc259e66b2a52

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.