KamerkringInloggen
Kamerbrief

Brief van het Presidium over de uitvoering van de motie van het lid Dijk over het presidium laten onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om in de toekomst iets te kunnen ondernemen tegen Kamerleden die hun wetgevende en controlerende taken niet uitvoeren (Kamerstuk 36800-41)

22 apr 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 77673a4307601689 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800Nota over de toestand van ’s Rijks FinanciënNr. 99 BRIEF VAN HET PRESIDIUM Aan de LedenDen Haag, 22 april 2026In de aangenomen motie van het lid Dijk d.d. 18 september 2025(Kamerstuk 36 800, nr. 41) verzoekt de Kamer het Presidium om te latenonderzoeken, bijvoorbeeld door een staatsrechtdeskundige, wat demogelijkheden zijn om in de toekomst iets te kunnen ondernemen tegenKamerleden die hun wetgevende en controlerende taken niet uitvoeren.Daarbij wordt gewezen op het verzaken of verwaarlozen van parlemen-taire taken, zoals de deelname aan debatten.Het Presidium besloot op 21 januari 2026 de Dienst Analyse en Onderzoekte verzoeken een verkennende staatsrechtelijke analyse uit te voeren naaraanleiding van deze motie. Hieronder treft u de hoofdpunten van dezeanalyse.Staatsrechtelijk kaderDe Grondwet bevat enkele algemene normen die betrekking hebben ophet functioneren van Kamerleden. Zo vertegenwoordigen Kamerleden hetgehele Nederlandse volk (artikel 50). Hieruit volgt dat Kamerleden, vanuithun politieke idealen, zelfstandig en onafhankelijk het algemeen belangdienen.1 Daarnaast schrijft de Grondwet voor dat leden stemmen zonderlast (artikel 67, lid 3). Deze bepaling waarborgt het zogenoemde vrijemandaat van Kamerleden: zij zijn vrij om te bepalen op welke wijze zij aanhun ambt invulling geven.2 Ze kunnen niet worden gedwongen om dietaak op een bepaalde manier uit te voeren. Deze bepalingen zijn eropgericht de zelfstandigheid van gekozen volksvertegenwoordigers tewaarborgen. De Raad van State merkt dit uitgangspunt aan als «noodza-1P.P.T. Bovend’Eert & H.R.B.M. Kummeling, Het Nederlandse parlement, Deventer: WoltersKluwer 2024, p. 171.2Zie hierover de voorlichting van de Raad van State inzake toezicht op fracties en individuelepolitici, 7 november 2024, Kamerstuk 30 821, nr. 255 (bijlage). kst-36800-99ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 991 kelijke voorwaarde voor het functioneren van de democratischerechtsstaat.»3De grondwettelijk gewaarborgde onafhankelijkheid van Kamerleden sluitniet uit dat er regels worden gesteld over de wijze waarop Kamerledenhun ambt vervullen, of regels die daarop indirect invloed hebben. Zokennen beide Kamers gedragsregels die in de Reglementen van Orde enandere interne regelingen zijn vastgelegd, bedoeld om de integriteit vanKamerleden en van het parlementaire proces te bevorderen en tehandhaven. Juist vanwege de onafhankelijkheid van Kamerleden is hetbijvoorbeeld niet toegestaan giften of gunsten aan te nemen die bedoeldzijn om het handelen in het ambt te beïnvloeden en gelden er registratie-verplichtingen.4 Dit is terug te voeren op de grondwettelijke ambtseed dieKamerleden bij hun installatie afleggen.5 Aan overtreding van deze regelskunnen sancties worden verbonden. Bij beledigende uitlatingen tijdensvergaderingen kan een Kamerlid bijvoorbeeld het woord wordenontnomen en bij het niet naleven van registratieverplichtingen kan eenberisping of schorsing volgen.6Het treffen van maatregelen vanwege integriteitsschendingen wordtstaatsrechtelijk aanvaardbaar geacht, vanwege het belang van eenonafhankelijke taakuitoefening en de behartiging van het algemeenbelang door Kamerleden. Veel van de integriteitsregels zijn immersbedoeld om een conflict tussen het algemeen belang en het persoonlijkbelang van een Kamerlid tegen te gaan. Daarnaast wordt gewezen op hetbelang van integriteit van Kamerleden en van het parlementaire procesvoor een goed functionerende overheid.7 Ook wordt in de literatuur welbetoogd dat Kamerleden een publiek ambt vervullen, waaraan bijzondererechten en plichten verbonden zijn.8 De interne regulerende bevoegdheidvan de Kamer wordt ook wel afgeleid uit de traditionele ordebevoegd-heden die in de Kamer door de jaren heen tot ontwikkeling zijn gekomen.9Naast de maatregelen rondom integriteit bevatten de Grondwet, hetReglement van Orde en andere interne regelingen van de Kamer ookvoorschriften die direct of indirect effect hebben op de uitoefening van hetKamerlidmaatschap. Zo verbiedt de Grondwet de combinatie vanbepaalde functies met het Kamerlidmaatschap en kunnen ambtsmis-drijven door Kamerleden worden bestraft door de rechter. Ook wordt bijwet geregeld onder welke voorwaarden geldelijke voorzieningen aanKamerleden worden verstrekt en in welke gevallen daarop bedragen inmindering worden gebracht. Wijziging van deze wet kent een bijzondereprocedure, waarbij minimaal tweederdemeerderheid in beide Kamersnodig is. Dit vloeit voort uit artikel 63 Grondwet.Verder bevat het Reglement van Orde bepalingen die de vergaderordebetreffen en op die manier de taakuitoefening van Kamerleden kunnen3Voorlichting van de Raad van State inzake toezicht op fracties en individuele politici,7 november 2024, Kamerstuk 30 821, nr. 255 (bijlage).4Gedragsregel 2 Gedragscode Leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.5Artikel 60 Grondwet; Wet beëdiging Ministers en leden Staten-Generaal.6Zie art. 8.16 e.v. Reglement van Orde en de Regeling toezicht en handhaving gedragscodeTweede Kamer.7Zie Kamerstuk 30 821, nr. 255 (bijlage).8Zie P.P.T. Bovend’Eert, «Eerste stap in de goede richting. Gedragscodes in het Nederlandseparlement», in: A.W. Heringa & J. Schinkelshoek (red.), Een beetje integer bestaat niet.Integriteit binnen het openbaar bestuur, Den Haag: Boom Juridisch 2020, p. 47. Zie ookBovend’Eert & Kummeling 2024, p. 234 e.v. Voor een kritische beschouwing: J.J.J. Sillen, «Tothoever reikt de interne regelgevende bevoegdheid van het parlement?;», in: H. Broeksteeg, M.van Emmerik, R. de Jong, & B. Vermeulen (red.), Rechter & politiek: Bovend’Eert-bundel,Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 165–178.9Sillen 2024, p. 177.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 992 raken. Zo mogen Kamerleden sinds 2021 in beginsel alleen deelnemenaan een tweeminutendebat als een lid van hun fractie aanwezig was bijhet daaraan voorafgaande commissiedebat.10 De achtergrond daarvan isdat het als onwenselijk wordt gezien dat Kamerleden de gelegenheid omtijdens het commissiedebat met de bewindspersoon in overleg te tredenniet benutten, waardoor mogelijk onnodig moties worden ingediend.11Ook voorschriften die de fracties betreffen kunnen de uitoefening van hetindividuele Kamerlidmaatschap direct of indirect beïnvloeden.12 Zobenoemt de Voorzitter de leden van commissies in overleg met de fractiesen groepen. Daarnaast kunnen maximumspreektijden worden bepaald perfractie. Indirect wordt de uitoefening van het Kamerlidmaatschapbovendien mede beïnvloed door de financiële ondersteuning die aanfracties, niet aan individuele leden, wordt toegekend.13 Er is dus opverschillende niveaus sprake van regelingen die de taakuitoefening vanKamerleden direct of indirect beïnvloeden.Ruimte voor maatregelen als Kamerleden hun wetgevende en controle-rende taken niet uitvoerenUit het hierboven beschreven kader blijkt dat de grondwettelijk gewaar-borgde onafhankelijkheid van Kamerleden een fundamenteeluitgangspunt is. Bestaande voorschriften en gedragsregels die hetfunctioneren van Kamerleden reguleren zijn mogelijk, maar richten zichhoofdzakelijk op het waarborgen en handhaven van de integriteit vanKamerleden en het parlementaire proces. Het Reglement van Orde kentverder bepalingen die gericht zijn op een effectieve vergaderorde. Ook isin de parlementaire werkwijze een rol weggelegd voor de fracties. Dezevergaderregels raken de taakuitoefening van Kamerleden weliswaar directof indirect, maar zijn niet bedoeld om Kamerleden te sanctioneren.Tegen deze achtergrond moet de ruimte voor Kamerleden om vrij enonafhankelijk hun ambt te kunnen vervullen, groot blijven. Voorschriftenover deelname aan debatten of andere parlementaire activiteitenverdragen zich daarmee slecht. De Grondwet, grondwetsgeschiedenis en(voor zover bekend) de staatsrechtelijke literatuur bevatten op dit punt ookgeen directe aanknopingspunten. Uitgangspunt is dat het primair aan dekiezer is om zich een oordeel te vormen over de wijze waarop Kamerledenhun functie vervullen. Tegelijkertijd lijkt het, vanuit het beginsel dat eenKamerlid het algemeen belang dient, ook niet geheel uitgesloten datregels kunnen worden gesteld om een zekere (minimale) deelname aanparlementaire activiteiten door Kamerleden te waarborgen of bevorderen.Het is immers moeilijk denkbaar dat een Kamerlid het algemeen belangkan dienen zonder of met slechts zeer beperkte deelname aan hetparlementaire proces. Van groot belang daarbij is echter dat de ruimtevoor Kamerleden om vrij en onafhankelijk invulling te geven aan hunambt wel steeds in voldoende mate worden beschermd. Naarmatedergelijke maatregelen ingrijpender of dwingender zijn, kunnen zij hetvrije mandaat van Kamerleden immers onder druk zetten. Praktisch gezienlijken de mogelijkheden daarom zeer beperkt.Los van de vraag in hoeverre het mogelijk is om regels te stellen over dedeelname aan debatten of andere parlementaire activiteiten, speelt ook devraag welke maatregelen dan denkbaar zijn, wie deze maatregelen kannemen en waaraan deze moeten voldoen. In dat verband wordt erop10Art. 7.31 lid 2 Reglement van Orde.11Kamerstuk 35 322, nr. 5, p. 8–9.12Zie ook Kamerstuk 30 821, nr. 255 (bijlage).13Zie de Regeling financiële ondersteuning fracties en groepen Tweede Kamer 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 993 gewezen dat het treffen van financiële sancties tegen Kamerledencomplex is. In het algemeen geldt dat dergelijke maatregelen met denodige waarborgen omkleed moeten worden, proportioneel moeten zijnen geen wezenlijke belemmering mogen vormen voor het functionerenals Kamerlid.14 In andere parlementen is het sanctioneren van afwezigheidvan Kamerleden door het inhouden van salaris of dagvergoedingen nietongebruikelijk. In Nederland kan dit niet door de Kamer zelf wordengeregeld, maar vergt dit een wetswijziging.15 Een dergelijke wijziging ingeldelijke voorzieningen voor Kamerleden kan volgens de Grondwetalleen worden aangenomen met een tweederdemeerderheid in beideKamers.16 Daarbij geldt dat dergelijke maatregelen binnen het Neder-landse constitutionele stelsel waarschijnlijk slechts beperkt mogelijk zijn.Tot slotBovenstaande verkennende analyse laat zien dat maatregelen om eenzekere (minimale) deelname aan parlementaire activiteiten door Kamer-leden te waarborgen of bevorderen, het grondwettelijk gewaarborgdevrije mandaat van Kamerleden onder druk zal zetten. Het treffen vanfinanciële maatregelen vergt een wetswijziging waarvoor een tweederde-meerderheid nodig is.Het Presidium ziet op basis van het bovenstaande geen mogelijkhedenom in de toekomst iets te ondernemen tegen Kamerleden die hunwetgevende en controlerende taken niet uitvoeren en besluit daarom nugeen vervolgstappen te zetten.Namens het Presidium,De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,Van Campen14Kamerstuk 30 821, nr. 255 (bijlage).15Van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer.16Art. 63 Grondwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800, nr. 994

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · d901012fcd92f3c6

14 okt 2026 · 45e42a90d58f4207

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.