KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013

3 sep 2014 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 222a1d6eaf64eef5 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2013–2014 27 428Beleidsnota Biotechnologie Nr. 288 HERDRUK1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 3 september 2014 De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Economische Zaken over de brief van 28 april 2014 over het Besluit van 1 april 2014 houdende regels met betrekking tot het ingeperkt gebruik en de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen (Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013) (Kamerstuk 27 428, nr. 271). De vragen en opmerkingen zijn op 2 juni 2014 aan de Staatssecretaris van Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 2 september 2014 zijn ze door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu beantwoord. De voorzitter van de commissie,Hamer De adjunct-griffier van de commissie,Peen 1I.v.m. het toevoegen van de beantwoordend bewindspersoon. kst-27428-288-n1ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2014Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 2881 Inhoudsopgave blz. I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties 2 Vragen van de leden van de SP-fractie 2 Vragen van de leden van de CDA-fractie 4 Vragen van de leden van de SGP-fractie 5 Vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie 5 II Antwoord / Reactie van de Staatssecretaris 8 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen van de leden van de SP-fractie De leden van de SP-fractie zijn voorstander van het openbaar maken van de exacte locaties van veldproeven. Immers boeren en andere omwonenden hebben in de visie van deze leden het recht om te weten of er een genetisch gemodificeerd organisme (ggo) in hun nabijheid wordt verbouwd en hebben het recht om hier bezwaar tegen aan te tekenen. Dit geldt specifiek voor biologische boeren die een nog zwaarder belang hebben aangezien zij hun biocertificaat kunnen verliezen bij vervuiling met gentech gewassen. Is de Staatssecretaris bereid om alsnog openbaar-making van exacte proefveldlocaties in het besluit te regelen? Hoe en waar is de openbaarmaking nu precies geregeld en hoe exact wordt de locatie aangeduid? Graag ontvangen deze leden een verwijzing naar de exacte tekst in de beleidsregel. In hoeverre is het convenant co-existentie afspraken van kracht, wat is de (juridische) status van dit document, wat wordt hierin exact geregeld over openbaarmaking en isolatie afstanden en door welke partijen is dit officieel ondertekend? Welke passage van richtlijn 2001/18 gaat over de exacte openbaarmaking en waar maakt de Staatssecretaris uit op dat deze door Nederland niet overgenomen zou moeten worden? In hoeverre is het juridisch houdbaar (mede in het licht van de richtlijn, de jurisprudentie en de Aarhus conventie) om de exacte locaties van proefvelden niet openbaar te maken? De leden van de SP-fractie zijn in ditzelfde kader ook van mening dat het bezwaarlijk is dat bij het verplaatsen, uitbreiden of wijzigen van een vergunning voor een veldproef (introductie in het milieu) geen nieuwe vergunning hoeft te worden gegeven. Onderschrijft de Staatssecretaris dat sommige zaken locatie gebonden zijn? Bijvoorbeeld als op de oude locatie geen biologische buur-boeren zijn, maar op de nieuwe wel? Of als naast de nieuwe locatie een onderzoeksveld met niet-ggo gewassen gelokaliseerd is of naast een natuurgebied waar een soort van nature in het wild voorkomt? Wordt dit in de voorliggende systematiek opnieuw gewogen? Waarom niet? Welke mogelijkheden zijn er voor nieuwe omwonenden om alsnog bezwaar te maken en in kennis te worden gesteld? Is de Staatssecretaris bereid om de betreffende systematiek van vergunningverlening te wijzigen zodat deze niet meer voor heel Nederland geldig is, maar voor een specifieke locatie? Of is de Staatsse-cretaris anderszins bereid om ervoor te zorgen dat omwonenden ook bij verplaatsing het volledige recht op informatie, inspraak en bezwaar houden, en dat eventuele nieuwe risico’s gewogen worden? De leden van de SP-fractie hebben twijfels over de systematiek van de «vergunning onder vaste voorwaarden» voor zover dit introducties in het milieu omvat. Ligt het niet in de aard van genetische modificatie dat de uitkomsten onvoorspelbaar kunnen zijn omdat niet exact te voorzien of te richten op, waar een genetische eigenschap terecht komt? In hoeverre is de onvoorspelbare aard te rijmen met een «vergunning onder vaste voorwaarden»? Hoe wordt exact afgebakend welke projecten voor een Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 2882 «vergunning onder vaste voorwaarden» in aanmerking komen en welke niet? Is hier bezwaar tegen mogelijk? Welke controle is er en welke inspraak van het parlement, mochten zaken onder «vergunning onder vaste voorwaarden» komen die hier niet thuis horen? Op pagina 157 wordt gesproken van «het wegnemen van nationale koppen», graag ontvangen deze leden een overzicht van de verwijderde koppen. Tevens wordt gesproken over fouten die voor kunnen komen bij de risico analyse zoals in het verleden gebleken is, graag ontvangen de leden een drietal voorbeelden. Is het mogelijk dat fouten in de risico analyse ook voor zullen komen bij veld introducties? Hoe wordt dit gecontroleerd? Wat zullen de gevolgen zijn? Hoe is aansprakelijkheid voor schade aan het milieu of voor omwonenden geregeld? Wat als een bedrijf failliet gaat of als de schade anderszins niet te verhalen is? Zijn er verzekeringen of garantiefondsen voor schade aan natuur, gezondheid en buur-boeren? Welke experts en expertise worden bij de beoordeling van door het bedrijfsleven aangeleverde risico-analyses gebruikt? Worden onafhanke-lijke wetenschappers ingeschakeld en onafhankelijke wetenschappelijke literatuur geraadpleegd? Hoe wordt onafhankelijkheid van de controle op de risico analyse gegarandeerd? Hoe wordt een goede risico analyse door het bedrijfsleven zelf gegarandeerd? Is het terecht dat er bij de risico beoordeling zo zwaar geleund word op informatie en inschattingen die door het belanghebbende bedrijfsleven zelf gemaakt worden? Wat is de Europese inzet van de regering op cisgenese? Wat wordt er in Europa bepleit betreffende labelling van cisgenese en het recht van de burgers om te weten wat ze eten? In hoeverre bepleit de Staatssecretaris in Europa het recht van buur-boeren om te weten of een cisgeen gewas naast hun akker verbouwd wordt? Is de Staatssecretaris van mening dat boeren het recht hebben te weten of een transgeen gewas naast hun akker verbouwd wordt? Is zij van mening dat de betreffende buur-boeren recht hebben om hier bezwaar tegen aan te tekenen en zo ja, hoe? Welke onderbouwing is er dat de genetische modificatie bij cisgenese qua aard exacter te sturen en dus minder onvoorspelbaar is dan genetische modificatie bij transgenese? Welke garanties geeft de Staatssecretaris hiervoor, zo vragen deze leden? Hoe wordt onbedoelde vermenging van ggo’s met gewone gewassen/ voedsel of voerproducten bij vervoer en verwerking voorkomen en hoe is aansprakelijkheid geregeld in het geval dit niet voorkomen is? Voor hoe lang garandeert de regering de beschikbaarheid van gentechvrij voedsel en gentechvrije gewassen? Hoe luidt de exacte tekst van gentech voeding op het label en welke voorschriften zijn er qua formaat, beeldmerk en dergelijke? Bij 10.3.3 wordt gesproken over een meldingsprocedure op grond van 3.16, die geen gevolgen heeft voor de milieurisicobeoordeling. Hoe wordt afgebakend welke meldingen daar al dan niet onder vallen en is hier bezwaar tegen mogelijk als ingeschat wordt dat iets ten onrechte hieronder geschaard wordt zo vragen de leden van de SP-fractie? Onder 9.5 wordt gesproken over controle steekproeven bij markttoela-tingen. Waarom is er voor gekozen om de belanghebbende fabrikanten zelf controle steekproeven te laten aanleveren? Welke controle is er op de aanlevering? Welke onafhankelijke controle en onafhankelijke steek-proeven zijn er? Wat zijn de resultaten van de laatste onafhankelijke steekproeven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)? Zijn er illegale ggo’s aangetroffen? Bij markttoelatingen onder 9.1 wordt beschreven dat een aanvrager zelf kan bepalen in welk land een aanvraag wordt gedaan. In welke landen is Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 2883 dit tot nu toe gedaan? Hoe wordt voorkomen dat er een «race naar de bodem» ontstaat tussen toelatende instanties, doordat de aanvragen gaan naar het land met de minst strenge toelatende instantie? Hoe worden op de markt toegelaten ggo’s gemonitord zo vragen deze leden? Wie zitten er in het comité van beroep? Hoe wordt de onafhankelijkheid van dit comité gegarandeerd en welke democratische controle en bijsturing is hier op mogelijk? Bij de procedure beschreven onder 9.0 neemt uiteindelijk op Europees niveau de Europese Commissie het besluit. Is de Staatssecretaris van mening dat de Raad en/of het Europees parlement hier meer invloed op zou moeten hebben en dat niet de macht hierover alleen bij de Commissie moet liggen? Onder 8.2 wordt gesproken over verschillende categorieën waarbij de exacte proeflocatie moet worden aangegeven dan wel een raster van maximaal 100 keer zo groot. De leden van de SP-fractie vragen of in de jurisprudentie inderdaad onderscheid wordt gemaakt tussen de 3 catego-rieën en hoe de 3 categorieën in de jurisprudentie afgebakend zijn? Is de Staatssecretaris bereid om bij de locaties die maximaal 100 keer zo groot op een raster worden aangegeven, zo exact mogelijk te zijn en het zoekgebied dus zo klein mogelijk te houden in het kader van de transpa-rantie? Vragen van de leden van de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben als uitgangspunt dat voor genetische modificatie bij dieren geldt «nee, tenzij», en bij planten «ja, mits» deze veilig is voor mens, dier en milieu. Aan de productie en gebruik van genetisch gemodificeerde organismen zijn een aantal risico’s verbonden. De leden van de CDA- fractie stellen een aantal belangrijke voorwaarden aan het «ja, mits». Deze leden stellen hoge eisen aan bijvoorbeeld zorgvuldigheid: bij alle ontwikkelingen afvragen hoe schade wordt voorkomen, hoe de verantwoordelijkheid kan worden nageleefd en hoe welzijn het beste kan worden gediend. In hoeverre sluiten de regels met betrekking tot het ingeperkt gebruik en de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen (Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013), volgens de Staatssecretaris hierbij aan? Naar de mening van de leden van de CDA-fractie heeft de overheid in deze situatie vanuit haar zorgplicht een sterk normerende taak. De overheid zal de bandbreedte aan moeten geven en kaders moeten stellen, waarbinnen afweging voor toelating en mogelijk teelt van ggo-gewassen zich mag afspelen. Zij heeft de taak om risico’s zo klein mogelijk te houden en randvoorwaarden te creëren voor onder meer gentechniek-vrije productieketens, voor duidelijke etikettering en voedselveiligheid en moet daarbij de concurrentiepositie in het oog houden. Dat mag niet overgelaten worden aan de markt. De ervaring leert dat deze geen moraal kent, behalve het recht van de sterkste. En dat geeft voor burgers teveel een gevoel van onzekerheid. Zijn er recente Europese onderzoeken beschikbaar waarin onderzocht is wat inwoners van de EU vinden van toepassing moderne biotechnologie? Welke voordelen bieden ggo’s voor de consument? De leden van de CDA-fractie horen regelmatig dat ontwikkelingslanden het belang van biotechnologie voor de wereldvoedselvoorziening benadrukken. Wat is het standpunt van de Staatssecretaris in deze? Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 2884 Vragen van de leden van de SGP-fractie De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over de (milieu)risico-beoordeling. Tot op heden werd ook de term «risicoanalyse» gebruikt. Deze term is ingewisseld voor de term «risicobeoordeling». De leden van deze fractie hebben de indruk dat een risicoanalyse een meer diepgravend onderzoek naar en van mogelijke risico’s behelst, terwijl een risicobeoordeling meer aan de oppervlakte blijft. Kan de Staatssecretaris verzekeren dat deze verwisseling van termen zowel de jure als de facto geen afzwakking van de beoordeling/analyse betekent? Wordt bij de (milieu)risicobeoordeling ook gekeken naar de risico’s voor de biologische landbouw? Zo nee, waarom niet? Wordt bij de (milieu)risicobeoordeling ook gekeken naar de risico’s voor de diergezondheid? Zo nee, waarom niet? De leden van de SGP-fractie constateren dat in de vergunningverlening afgestapt wordt van de verwaarloosbaarheid van risico’s als criterium en dat nu gekozen wordt voor de aanvaardbaarheid van risico’s. Zij vragen zich af wat dit in de praktijk betekent. Is de veronderstelling van deze leden juist dat risico’s eerder als aanvaardbaar dan als verwaarloosbaar geacht worden en dat deze wijziging derhalve een versoepeling van de vergunningverlening betekent? Hoe wordt bepaald of een bepaalde activiteit wel of niet aanvaardbaar is? Hoe wordt voorkomen dat de afweging of de risico’s van een activiteit al dan niet aanvaardbaar zijn een meer subjectief karakter krijgt dan de afweging of de risico’s al dan niet verwaarloosbaar zijn? 13.4.1 De leden van de SGP-fractie zetten vraagtekens bij de keuze om bij de vergunningverlening voor de introductie van ggo’s in het milieu de betrokkenheid van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) uit te schakelen. In wetenschap en maatschappij leven zorgen over de potentiële risico’s van ggo’s voor milieu, (biologische) landbouw, dier en mens. Als ggo’s zich in het milieu verspreiden is sprake van een onomkeerbaar proces. De leden hechten daarom, los van ethische afwegingen, aan een zorgvuldige besluit-vorming in het voortraject. Uitgebreide wetgevingskaders kunnen daarbij de inzet van ter zake beschikbare kennis en expertise niet vervangen. Is de Staatssecretaris bereid de betrokkenheid van de Ministeries van EZ en VWS te handhaven? Zo nee, waarom niet? 16.2.3 De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat vergunningaanvragers verplicht moeten worden om omwonenden van locaties waar veldproeven met en teelt van ggo’s plaats zullen vinden actief en vroegtijdig te informeren over deze activiteiten. Zij vinden dat deze verplichting via beleidsregels onvoldoende gewaarborgd kan worden. Is de Staatssecretaris bereid deze verplichting in het voorliggende besluit op te nemen? Zo nee, welke bezwaren heeft zij tegen het opnemen van een dergelijke verplichting in het voorliggende besluit? Vragen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met grote teleurstelling kennisgenomen van het Ontwerpbesluit genetisch gemodifi-ceerde organismen milieubeheer 2013. Zij zien dat het hiermee makke-lijker wordt gemaakt om gentech te gebruiken en betreuren dat, omdat zij niet geloven dat gentech een oplossing kan vormen voor de uitdagingen waar de samenleving voor staat. Gentech is een techniek die kan leiden Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 2885 tot nieuwe risico’s voor mens en milieu. Het voorzorgsprincipe wordt meer en meer losgelaten. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen dan ook of de maatschappij voldoende beschermd wordt. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren wijzen het gebruik van gentechgewassen af, en ook het versoepelen van de regels op dit punt. Zij willen graag een aantal vragen stellen over het voorliggende ontwerpbe-sluit. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen wederom waarom op dit moment gekozen wordt voor het doorzetten van de aanpassing van de ggo-wetgeving? Er lijkt immers op Europees niveau bijna een akkoord te zijn over het nationale teeltvoorstel, wat landen de gelegenheid moet geven om zelf beperkingen te stellen aan de teelt van gengewassen op hun grondgebied. Als dit akkoord inderdaad bereikt wordt, zal er wederom een aanpassing van het besluit ggo’s voor de hand liggen, kan de Staatssecretaris dat bevestigen? Is het niet logischer om deze ontwikkelingen af te wachten, en in een keer de nationale wetgeving aan te passen op de nieuwe situatie, zo vragen deze leden? Zo ja, is zij bereid dit besluit op de plank te leggen tot de uitkomsten van de Europese overleggen bekend zijn? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden de uitgangs-punten van het voorliggende besluit, namelijk het vereenvoudigen van de regelgeving en het nog meer inzetten op een Europees level playing field, betreurenswaardig. Zij vinden dat het beschermen van mens, dier en milieu tegen de introductie van ggo’s, die onvoorziene en vergaande gevolgen kunnen hebben, voorop zou moeten staan. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat ook in deze wijziging van de wetgeving het kabinet ervoor kiest om op het minimum te gaan zitten wat Europa voorschrijft, en daarmee de belangen van de bedrijven voorop stelt. Er is in dit land helemaal geen maatschappelijk draagvlak voor gentech, en zeker niet voor de introductie van ggo’s in het milieu. Het weinige draagvlak wat er al was voor deze omstreden techniek neemt nog steeds af, zoals ook al bevestigd is door de Staatssecretaris bij de beantwoording van vragen van deze leden over het ontwerpbesluit. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie blijven erop wijzen dat er geen draagvlak is voor de voorliggende versoepeling van de regels met betrekking tot genetische manipulatie, en krijgen hier graag een reactie op van deze Staatssecretaris. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben er in hun eerdere schriftelijke inbreng voor het ontwerpbesluit al op gewezen dat, nu de vergunningplicht deels wordt omgezet in een meldplicht, het gebruik van proefdieren voor dit doel makkelijker wordt gemaakt. De Staatssecretaris heeft toen geantwoord dat een toe- of afname van dierproeven niet voorzien werd met dit besluit, maar bevestigde ook dat de meeste dieproeven voor dit doel nu inderdaad niet meer vergunning-plichtig zijn. Is de Staatssecretaris bereid een jaar na inwerkingtreding van dit besluit een evaluatie uit te voeren, waarin specifiek aandacht besteed wordt aan de gevolgen van dit besluit voor proefdieren? Kan de Staatssecretaris nader toelichten op welke wijze de recent bevestigde uitgangspunten ven het beleid met betrekking tot genetische manipulatie bij dieren, namelijk Nee, tenzij, is geborgd in het voorlig-gende besluit? Deelt de Staatssecretaris de mening van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat dit «Nee» heel hard zou moeten gelden met betrekking tot het genetisch manipuleren van dieren ten behoeve van sport, vermaak en consumptiedoeleinden, en dat dit gewoon in het voorliggende besluit opgenomen zou kunnen en moeten worden? Zo nee, waarom niet? Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 2886 De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben grote moeite met de wijze waarop de locatie van veldproeven nu openbaar gemaakt zal worden. De regering heeft hier jarenlang een verkeerde lijn gekozen door de locatie niet exact aan te geven. Het Hof en de Raad van State hebben dit vervolgens veroordeeld. Het stelt deze leden teleur dat de Staatssecre-taris er wederom voor kiest om de locaties van de veldproeven zo veel mogelijk geheim te houden. De locaties van proeven van categorie I worden weliswaar nu tot op het perceel of de percelen bekend gemaakt, maar de overige categorieën worden verstopt in een raster dat 100 x zo groot is als de veldproef zelf. Kan de Staatssecretaris deze keuze nader onderbouwen? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren blijven van mening dat de wijze waarop de Staatssecretaris momenteel uitvoering geeft aan deze regels nog steeds geen recht doet aan het recht op milieuinformatie die alle burgers van Nederland hebben op grond van het verdrag van Aarhus. Bij welke handeling dan ook met betrekking tot genetische manipulatie is er naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren sprake van milieuinformatie. Naar mening van deze leden houdt dit dus in dat iedereen er recht op heeft om te weten waar in ons land ggo’s zich bevinden. Als gevolg daarvan zouden locaties van alle ggo’s dus op perceelsniveau kenbaar moeten worden gemaakt, niet alleen die van categorie 1, maar ook die van categorie 2 en 3, graag ontvangen deze leden een reactie op dit punt. Bovendien vinden de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat, naast volledige openheid over de locaties van veldproeven, er ook meer geregeld moet worden in het voorliggende besluit over de wijze van openbaarmaking van de locaties. Zij zien graag in dit besluit geregeld dat de gemeente een actieve meldingsplicht heeft aan de mensen die binnen een straal van 1 kilometer van de locatie wonen en/of daar landbouw bedrijven. Graag een reactie op dit voorstel, is de Staatssecretaris bereid dit in het besluit op te nemen? Zo nee, waarom niet, en op welke wijze wil zij er dan voor gaan zorgen dat alle mensen – en dus niet alleen de landbouwers – in de buurt van de veldproef hiervan op de hoogte worden gesteld? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich zorgen dat de mogelijke commerciële teelt van gentechgewassen de biologische- en gangbare teelt in gevaar kan brengen. Deze leden zijn van het co-existentieconvenant op de hoogte, maar vragen de Staatssecretaris om wettelijke afstandseisen op te nemen tussen de teelt van genetisch gemanipuleerde gewassen en alle overige landbouw, maar ook tussen teelt van ggo’s en natuurgebieden, om de biodiversiteit daarin te beschermen. Graag een reactie van de Staatssecretaris. Het aanpassen van het begrip «verwaarloosbaar risico» naar «aanvaardbaar risico» baart de leden van de Partij voor de Dieren-fractie grote zorgen. Zij lezen in de toelichting dat dit voortvloeit uit de toepassing van gentechniek bij mensen, maar wijzen erop dat dit ook consequenties heeft op de plantaardige en dierlijke ggo’s voor overige introductie in het milieu, zoals bij teelt van gentechgewassen. Het voorzorgbeginsel moet wat deze leden betreft voorop staan, en zij zien in het aanpassen van dit begrip dat die voor het kabinet kennelijk niet leidend meer is. Wat is een aanvaardbaar risico bij de introductie van gengewassen in het milieu, en wie bepaalt dat? Graag een nadere duiding van de gevolgen van deze verandering in de ggo-wetgeving. De leden van de Partij voor de Dieren -fractie begrijpen niet waarom de betrokkenheid van de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Economische Zaken met dit besluit en met vergunningverleningen op basis van dit besluit nu wordt beëindigd. Genetische manipulatie is een Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 2887 risicovolle techniek, die potentieel grote gevolgen van hebben voor zowel de volksgezondheid – de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS -als voor de biodiversiteit en de voedselzekerheid – de verantwoordelijk-heden van de Minister van Economische Zaken. De betrokkenheid van beide bewindslieden bij besluiten over ggo’s is naar mening van deze leden dan ook essentieel. Niet alleen voor het inschatten van de risico’s, maar ook voor het maken van nut- en noodzaakafwegingen. Graag ontvangen zij een reactie op dit punt. Het wijzigen van de vergunningplicht naar een meldingsplicht bij ingeperkt gebruik, en daarmee het verschuiven van de verantwoorde-lijkheid naar onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven, heeft tot gevolg dat de Inspectie meer inzet zal moeten leveren, en ook dat er naar alle waarschijnlijkheid meer fouten gemaakt worden met het inschatten van het vereiste inperkingsniveau, zo lezen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie. Het verbaast deze leden dan ook dat ook na deze terechte opmerkingen van de Inspectie, de Staatssecretaris vasthoudt aan haar keuze om de vergunningplicht af te schaffen. Dit lijkt puur in het belang van het reduceren van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te zijn, terwijl de kosten voor de maatschappij sterk stijgen, zowel in de vorm van hogere kosten voor de inspectie als van hogere maatschappelijke kosten door het vergroten van de risico’s met potentieel gevaarlijke ggo’s. Deze leden vinden de verdediging van deze keuze door de Staatssecretaris ook opmerkelijk, namelijk dat dit hogere risico door een te laag ingeschat inperkingsniveau wel acceptabel is, omdat deze waarschijnlijk maar enkele dagen duurt waarna de fout wordt hersteld. Kan de Staatssecre-taris nogmaals uiteenzetten waarom ggo’s überhaupt worden ingeperkt, en of zij deze maatregel nuttig en nodig acht? Zo ja, waarom zou het te laag inperken van een ggo dan voor een paar dagen wel acceptabel zijn? Afsluitend willen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren nogmaals opmerken dat dit ontwerpbesluit naar hun mening strijdig is met de internationale milieuwetgeving en dat zij dit ontwerpbesluit sterk afwijzen. II Antwoord / Reactie van de Staatssecretaris Allereerst wil ik mede namens de Staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: EZ) en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) de fracties bedanken voor de belangstelling die zij hebben getoond voor het vastgestelde Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Ik wil voorafgaand aan de beantwoording van de gestelde vragen een korte beschouwing geven over de status van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 en de Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Op 1 april 2014 is het besluit vastgesteld en op 30 april 2014 in het Staatsblad gepubliceerd2. De regeling van 14 april 2014 is op 30 april 2014 in de Staatscourant gepubliceerd3. Het besluit en de regeling zijn het resultaat van jarenlange intensieve voorbereiding, volgend op de toezegging in 2003 van de toenmalige Staatssecretaris van Volkshuis-vesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om de Tweede Kamer te informeren over vereenvoudiging en stroomlijning van de biotechnologie-2Stb. 2014, 157.3Stcrt. 2014, 11317.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 2888 wetgeving en administratieve lastenverlichting voor bedrijfsleven en onderzoeksinstellingen4. Het besluit vervangt het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer uit 2003 en beoogt op basis van tien jaar praktijkervaring verbetering en vereenvoudiging van de regels omtrent genetische modificatie, vermindering (binnen de mogelijkheden van de Europese regels) van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en betere aansluiting van de regels bij de ontwikkelingen die sedert 2003 ten aanzien van de Europese regels hebben plaatsgevonden. Zowel het besluit als de regeling zijn gebaseerd op internationale regels die tot doel hebben de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen. Met name de procedure voor vergunningverlening voor ingeperkt gebruikt van genetisch gemodificeerde organismen (hierna: ggo’s) is vereenvoudigd, onder andere door de introductie van de kennisgevings-procedure. Behoudens een tweetal vereenvoudigingen zijn de procedures voor introductie in het milieu (veldproeven) en voor markttoelatingen van ggo’s ten opzichte van het nu nog vigerende Besluit genetisch gemodifi-ceerde organismen milieubeheer ongewijzigd gebleven. De regels voor markttoelatingen zijn een één op één vertaling van de Europese regels. De gestelde vragen hebben, zo blijkt, vooral betrekking op de onderwerpen introductie in het milieu en markttoelating en in veel mindere mate op het onderwerp ingeperkt gebruik. Onlangs heeft de Tweede Kamer een aantal malen gedebatteerd5 over biotechnologie en het EU-voorstel dat lidstaten nationale bevoegdheid biedt om teelt van in Europa toegelaten genetisch gemodificeerde gewassen op eigen grondgebied geografisch te beperken of te verbieden. Ik merk op dat dit EU-voorstel geen relatie heeft met het recentelijk vastgestelde Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Als het EU-voorstel wordt aangenomen en in Nederlandse regel-geving moet worden omgezet, dan zal de mogelijkheid om de teelt van ggo’s middels een nationaal besluit te beperken naar alle waarschijn-lijkheid niet in het genoemde besluit zijn beslag krijgen. Over het besluit is reeds veelvuldig met uw Kamer van gedachten gewisseld. Het besluit is in ontwerp op 26 oktober 2011 aan de beide Kamers van de Staten-Generaal overgelegd6. Naar aanleiding daarvan heeft een schriftelijk overleg met uw Kamer plaatsgevonden waarbij de fracties van het CDA, de SP en de Partij voor de Dieren binnen de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op 14 november 2011 vragen en opmerkingen hebben gericht aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (hierna: IenM) en de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: EL&I). Het verslag van dit schriftelijk overleg is op 20 december 2011 vastgesteld7. Vervolgens heeft de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie verzocht om een kabinetsreactie op de signalering van de COGEM «Genetisch gemodificeerde dieren: gewilde en ongewilde werkelijkheid (CGM/120111-01)» en is verzocht daarbij tevens in te gaan 4Kamerstuk 27 428, nr. 44.5AO Biotechnologie en kwekersrecht op 10 april 2014 (Kamerstuk 27 428, nr. 281); VAO Biotechnologie en Kwekersrecht op 27 mei 2014 (Handelingen 2013–2014, nr. 86, item 21); AO Milieuraad op 3 juni 2014 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 522); VAO Milieuraad op 10 juni 2014 (Handelingen II 2013/14, nr. 91, item 11).6Kamerstuk 27 428, nr. 206.7Kamerstuk 27 428, nr. 211.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 2889 op de mogelijkheden hiervoor in het voorgehangen ontwerpbesluit. Aan dit verzoek is voldaan door middel van een brief van de Staatssecretaris van IenM van 9 februari 20128 en een kabinetsreactie op de genoemde COGEM-signalering door middel van een brief van de Staatssecretaris van EL&I, mede namens de Staatssecretaris van IenM en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS), van 27 maart 20129. Mede naar aanleiding van het voorgaande heeft er een Algemeen Overleg met de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie plaatsgevonden op 5 april 201210 en een Voorgezet Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 19 april 201211. In het besluit dat voor de formele nahangprocedure op 28 april 201412 aan de beide Kamers van de Staten-Generaal is voorgelegd, zijn de uit de inspraak binnengekomen opmerkingen en het positieve, beknopte advies van de Raad van State verwerkt. Hierna zal ik mede namens de Staatssecretaris van EZ achtereenvolgens op de gestelde vragen ingaan. Op verzoek van uw commissie zijn de vragen per fractie beantwoord. Dit leidt ertoe dat, om herhaling te voorkomen, per fractie sommige vragen over hetzelfde onderwerp zijn samengevoegd en dat in sommige antwoorden verwezen wordt naar antwoorden op eerdere gelijkluidende vragen van andere fracties. Vragen van de leden van de fractie van de SP Openbaar maken van de exacte locaties en onderscheid categorie 1 en categorie 2/3 Vraag De leden van de SP-fractie zijn voorstander van het openbaar maken van de exacte locaties van veldproeven, specifiek met het oog op belangen van biologische boeren. Immers boeren en andere omwonenden hebben in de visie van deze leden het recht om te weten of er een genetisch gemodificeerd organisme (ggo) in hun nabijheid wordt verbouwd en hebben het recht om hier bezwaar tegen aan te tekenen. Dit geldt specifiek voor biologische boeren die een nog zwaarder belang hebben aangezien zij hun biocertificaat kunnen verliezen bij vervuiling met gentech gewassen. Is de Staatssecretaris bereid om alsnog openbaar-making van exacte proefveldlocaties in het besluit te regelen? Hoe en waar is de openbaarmaking nu precies geregeld en hoe exact wordt de locatie aangeduid? Graag ontvangen deze leden een verwijzing naar de exacte tekst in de beleidsregel. Welke passage van richtlijn 2001/18 gaat over de exacte openbaarmaking en waar maakt de Staatssecretaris uit op dat deze door Nederland niet overgenomen zou moeten worden? In hoeverre is het juridisch houdbaar (mede in het licht van de richtlijn, de jurisprudentie en de Aarhus conventie) om de exacte locaties van proefvelden niet openbaar te maken? Onder 8.2 wordt gesproken over verschillende categorieën waarbij de exacte proeflocatie moet worden aangegeven dan wel een raster van maximaal 100 keer zo groot. De leden van de SP-fractie vragen of in de jurisprudentie inderdaad onderscheid wordt gemaakt tussen de 3 categorieën en hoe de 3 categorieën in de jurisprudentie afgebakend zijn? 8Kamerstuk 27 428, nr. 212.9Kamerstuk 27 428, nr. 217.10Kamerstuk 27 428, nr. 230.11Handelingen II 2011/12, nr. 79, item 4.12Kamerstuk 27 428, nr. 271.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28810 Is de Staatssecretaris bereid om bij de locaties die maximaal 100 keer zo groot op een raster worden aangegeven, zo exact mogelijk te zijn en het zoekgebied dus zo klein mogelijk te houden in het kader van de transpa-rantie? Antwoord De leden van de fractie van de SP hebben een aantal vragen gesteld over het openbaar maken van locaties van veldproeven. De huidige wijze van openbaarmaking van de locaties van veldproeven wordt door het onlangs vastgestelde Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 niet gewijzigd. In het kader van de vergunningverlening maakt de overheid gegevens openbaar (behoudens de specifieke vertrouwelijkheidsgronden van artikel 25 van richtlijn 2001/1813), zodat inspraak, bezwaar en beroep mogelijk is. Is een vergunning eenmaal verleend, dan heeft een vergun-ninghouder het recht verkregen om de activiteiten waarvoor hij de vergunning heeft gekregen, onder de voorwaarden genoemd in de vergunning, ongehinderd uit te voeren. Met de wijze van openbaar maken van locaties, zoals verwoord in de Beleidsregel locatie veldproef gg-gewassen14, is getracht een juiste balans te vinden tussen transpa-rantie voor derden enerzijds en de bescherming van de belangen van de vergunninghouders anderzijds. In de beleidsregel wordt een juridische onderbouwing van het beleid inzake openbaarheid van veldproeflocaties gegeven. Ik verwijs u hiervoor naar de brief aan uw Kamer van 26 september 201215. De beleidsregel is als bijlage meegezonden aan uw Kamer. Voor de exacte tekst in de beleidsregel over de openbaarmaking verwijs ik u naar «onderdeel 5. Gegevensverstrekking over de locatie van het proefveld». De Beleidsregel locatie veldproef gg-gewassen is in lijn met de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeen-schappen (hierna: het Europese Hof) en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling bestuurs-rechtspraak). Op 17 februari 2009 heeft het Europese Hof een arrest gewezen over de vraag op welk detailniveau gegevens onder meer met betrekking tot de geografische locatie moeten worden overgelegd bij een verzoek om een vergunning voor een veldproef met een genetisch gemodificeerd gewas (zaak C-552/07, Sausheim). Het Europese Hof geeft aan dat de plaats van introductie, zijnde de ligging en omvang van het (de) introductiege-bied(en) niet vertrouwelijk mag worden gehouden.16 Over de vraag welke informatie moet worden verstrekt geeft het Europese Hof aan dat de nauwkeurigheid van de te verstrekken informatie varieert naar gelang van de kenmerken van de voorgestelde doelbewuste introductie van ggo’s en de eventuele gevolgen daarvan voor het milieu. 13Richtlijn 2001/18/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn nr. 90/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 april 1990 (PbEU L 106).14Beleidsregel van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 11 september 2012, nr. IenM/BSK-2012/162839, met betrekking tot het verstrekken van locatiegegevens bij de aanvraag om een vergunning voor een veldproef met een genetisch gemodificeerd gewas, en enige aan de vergunning te verbinden voorschriften (Beleidsregel locatie veldproef gg-gewassen), Stcrt. 2012, 19553.15Kamerstuk 27 428, nr. 237.16In artikel 25 van richtlijn 2001/18 wordt bepaald dat bepaalde gegevens die bij de aanvraag om de vergunning zijn overgelegd, waaronder «de plaats van introductie» (lid 4) in geen geval vertrouwelijk mogen blijven. In bijlage III B bij de richtlijn wordt beschreven welke informatie vereist is in kennisgevingen van veldproeven met gg-gewassen. Onderdeel E, 1 van deze bijlage geeft aan dat de «Ligging en omvang van het (de) introductiegebied(en)» aangeleverd moet worden bij de vergunningaanvraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28811 De informatie moet in elk geval voldoende zijn voor het uitvoeren van de milieurisicobeoordeling. Daarna zijn enige uitspraken over dit onderwerp gevolgd van de Afdeling bestuursrechtspraak. De uitspraken vallen uiteen in uitspraken die een oordeel vellen over het locatiebeleid bij veldproeven van categorie 1 (uitspraken 200702756/3/M1, 200702759/3/M1 en 200702759/3/M1) en uitspraken die een oordeel vellen over het locatiebeleid bij veldproeven van categorie 2 en 3 (uitspraken 200802817/1/M1, 200802711/1/M1 en 200801400/1/M1). Het onderscheid dat in de uitspraken wordt gemaakt inzake de categorie-indeling is in lijn met de uitspraak van het Europese Hof: de nauwkeurigheid van de te verstrekken informatie varieert. Ten aanzien van veldproeven in categorie 1 (met een isolatieafstand) moet conform de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak worden aangegeven: het perceel of de percelen waarbinnen de proefobjecten zullen zijn gelegen. Ten aanzien van veldproeven in categorie 2 of categorie 3 (zonder een isolatieafstand) is het daarentegen voldoende om een gebied aan te geven dat maximaal 100 x zo groot is als de aange-vraagde locatie. Op basis van deze jurisprudentie is het Nederlandse beleid conform de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak bijgesteld en neergelegd in genoemde beleidsregel. De gegevens over de aangevraagde locatie moeten op grond van artikel 25 van richtlijn 2001/18 ook openbaar gemaakt worden en dit gebeurt bij de ter inzage legging van de (ontwerp)beschikking. Vraag In hoeverre is het convenant co-existentie afspraken van kracht, wat is de (juridische) status van dit document, wat wordt hierin exact geregeld over openbaarmaking en isolatie afstanden en door welke partijen is dit officieel ondertekend? Hoe wordt onbedoelde vermenging van ggo’s met gewone gewassen/ voedsel of voerproducten bij vervoer en verwerking voorkomen en hoe is aansprakelijkheid geregeld in het geval dit niet voorkomen is? Antwoord Co-existentie afspraken zijn gemaakt om vermenging te voorkomen tussen de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen, gangbare en biologische gewassen. Het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 raakt de inhoud van de bestaande co-existentieafspraken niet en het beleid inzake co-existentie blijft daarmee ongewijzigd. Voor uitleg over de co-existentie afspraken verwijs ik u naar de brief aan uw Kamer hierover van 4 april 201417. De co-existentieafspraken die de sector heeft gemaakt, hebben betrekking op het voorkomen van vermenging bij de teelt tot aan het primaire bedrijf. Dit is in overeen-stemming met de aanbeveling van de Europese Commissie18. Ik acht de sector voldoende in staat om te waarborgen dat vermenging verderop in de keten wordt voorkomen. Voor de eventuele aansprakelijkheid voor vermenging van genetisch gemodificeerde gewassen met niet genetisch gemodificeerde gewassen gelden de standaard aansprakelijkheidsregels van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij geldt dat voor aansprakelijkheid van een partij duidelijk moet zijn dat deze onrechtmatig heeft gehandeld jegens de partij die hem aanspra-kelijk stelt. Bovendien moet de aangesproken partij aantoonbaar door dat 17Kamerstuk 27 428, nr. 270.18Aanbeveling (2003/556/EG) van de Commissie van 23 juli 2003 uitgevaardigd over richt-snoeren voor de ontwikkeling van nationale strategieen en beste werkwijze om co-existentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische landbouw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28812 handelen schade hebben veroorzaakt voor de partij die hem aansprakelijk stelt. In geval van onvoorziene schade, waarvoor geen partij aansprakelijk gesteld kan worden (bijvoorbeeld omdat alle partijen zich aan de afspraken houden of omdat niet duidelijk is welke partij de schade veroorzaakt heeft), geldt dat deze schade kan worden vergoed uit een restschadefonds. Verplaatsen, uitbreiden of wijzigen van een vergunning Vraag De leden van de SP-fractie zijn in ditzelfde kader ook van mening dat het bezwaarlijk is dat bij het verplaatsen, uitbreiden of wijzigen van een vergunning voor een veldproef (introductie in het milieu) geen nieuwe vergunning hoeft te worden gegeven. Onderschrijft de Staatssecretaris dat sommige zaken locatie gebonden zijn? Bijvoorbeeld als op de oude locatie geen biologische buur-boeren zijn, maar op de nieuwe wel? Of als naast de nieuwe locatie een onderzoeksveld met niet-ggo gewassen gelokaliseerd is of naast een natuurgebied waar een soort van nature in het wild voorkomt? Wordt dit in de voorliggende systematiek opnieuw gewogen? Waarom niet? Welke mogelijkheden zijn er voor nieuwe omwonenden om alsnog bezwaar te maken en in kennis te worden gesteld? Is de Staatssecretaris bereid om de betreffende systematiek van vergunningverlening te wijzigen zodat deze niet meer voor heel Nederland geldig is, maar voor een specifieke locatie? Of is de Staatssecretaris anderszins bereid om ervoor te zorgen dat omwonenden ook bij verplaatsing het volledige recht op informatie, inspraak en bezwaar houden, en dat eventuele nieuwe risico’s gewogen worden? Antwoord Met het nieuwe Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieu-beheer 2013 verandert er ten opzichte van het huidige besluit niets aan het recht op informatie, inspraak en bezwaar bij het verplaatsen, wijzigen of uitbreiden van een vergunning voor een veldproef. In de milieurisicobeoordeling, voorafgaand aan de vergunningverlening, worden alle relevante geografische, klimatologische en ecologische omstandigheden die zich in Nederland kunnen voordoen en die een mogelijk risico voor de aangevraagde werkzaamheden met zich mee kunnen brengen, in de beoordeling betrokken. Dus los van de vraag of deze zich ook daadwerkelijk op de betreffende locaties voordoen. Dit betekent dat voorafgaand aan de vergunningverlening ook de omstandig-heden van de nieuwe locaties worden meegewogen. Door deze aanpak zijn alle locatiespecifieke aspecten van alle mogelijk locaties in Nederland al in de eerste milieurisicobeoordeling meegenomen. Het verplaatsen, wijzigen of uitbreiden van de vergunning heeft daardoor geen conse-quenties voor de risico’s voor de gezondheid van de mens en het milieu. Gelet hierop is het niet noodzakelijk een nieuwe milieurisicobeoordeling uit te voeren bij verplaatsen, wijzigen of uitbreiden van een vergunning voor een veldproef. Voor het verplaatsen, wijzigen of uitbreiden van een veldproef is een wijzigingsvergunning nodig. Op het verlenen van die wijzigingsver-gunning is een zorgvuldige en transparante procedure van toepassing. Een wijzigingsaanvraag wordt bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huis-blad, waarna bezwaar en beroep mogelijk is op grond van de Algemene wet bestuurs-recht. Alle omwonenden, dus juist ook omwonenden van een nieuwe locatie, kunnen bezwaar tegen de wijzigingsaanvraag indienen. Het recht op informatie, inspraak en bezwaar blijft daarmee ongewijzigd. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28813 Vergunning onder vaste voorschriften Vraag De leden van de SP-fractie hebben twijfels over de systematiek van de «vergunning onder vaste voorwaarden» voor zover dit introducties in het milieu omvat. Ligt het niet in de aard van genetische modificatie dat de uitkomsten onvoorspelbaar kunnen zijn omdat niet exact te voorzien of te richten op, waar een genetische eigenschap terecht komt? In hoeverre is de onvoorspelbare aard te rijmen met een «vergunning onder vaste voorwaarden»? Hoe wordt exact afgebakend welke projecten voor een «vergunning onder vaste voorwaarden» in aanmerking komen en welke niet? Is hier bezwaar tegen mogelijk? Welke controle is er en welke inspraak van het parlement, mochten zaken onder «vergunning onder vaste voorwaarden» komen die hier niet thuis horen? Antwoord Een vergunning onder vaste voorschriften is alleen bedoeld voor specifieke (groepen van) ggo’s waarvoor meerdere vergunningen zijn afgegeven, milieurisicobeoordelingen zijn opgesteld en de resultaten van de monitoring bekend zijn. Over deze ggo’s is veel bekend over de juistheid van de gemaakte aannames bij de milieurisicobeoordeling en over de mogelijke effecten die verbonden zijn aan de genetische modifi-catie. Van onvoorspelbare uitkomsten zal dus geen sprake zijn. De systematiek van de vergunning onder vaste voorschriften kent verschillende controle- en inspraakmomenten: −De Minister wijst in nadere ministeriële regels de (groepen van) ggo’s aan, waarvoor meerdere vergunningen zijn afgegeven en meerdere milieubeoordelingen zijn opgesteld, en waarvoor een vergunning onder vaste voorschriften mogelijk is. −De aanwijzing van ggo’s waarvoor een vergunning onder vaste voorschriften mogelijk is en de bepaling van de vaste voorschriften worden in ontwerp gepubliceerd, waarna een ieder in de gelegenheid wordt gesteld opmerkingen te maken. Ook de COGEM wordt om advies gevraagd. −Als ten slotte een aanvraag voor een vergunning onder vaste voorschriften wordt ingediend, toetst de Minister of de ggo’s in de aanvraag voldoen aan de aanwijzing. De procedure voor planten kent dezelfde inspraakmogelijkheden op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht als voor de standaard veldproefvergun-ning. De vergunning onder vaste voorschriften is een eenvoudige procedure, die past binnen de vereisten van artikel 6 van richtlijn 2001/18, waarin de standaardtoelatingsprocedure voor doelbewuste introductie van ggo’s is opgenomen. Gebleken is dat in Europa sinds 1991 meer dan tachtig vergunningen zijn afgegeven voor veldproeven die tot doel hebben het amylosegehalte van aardappels te verlagen door middel van het inbrengen van bepaalde sequenties van het korrelgebonden zetmeel synthetase van aardappel. Op grond van deze ervaring is het mogelijk gebleken een milieurisicobeoordeling op te stellen waarin – overeen-komstig de milieurisicobeoordelingssystematiek – alle mogelijke schadelijke effecten van deze specifiek bepaalde sequenties en de mogelijke interacties daartussen zijn beschouwd. De vereenvoudiging van de procedure zit enerzijds in het feit dat de aanvrager bij deze procedure minder gegevens hoeft over te leggen, omdat hij kan verwijzen naar het dossier van de Minister en anderzijds in het feit dat de vergunning eenvoudiger kan worden afgegeven, omdat de voorschriften vooraf bekend zijn. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28814 In de regeling behorend bij het besluit is één categorie aangewezen, namelijk amylose-vrije aardappels, waarvoor de procedure vergunning onder vaste voorschriften kan worden gebruikt. De vaste voorschriften, het dossier met algemene gegevens en de milieurisicobeoordeling zijn daarbij gepubliceerd en iedereen is in de gelegenheid gesteld opmer-kingen te maken. Ook de COGEM is om advies gevraagd. De aanwijzing van andere ggo’s waarvoor een vergunning onder vaste voorschriften kan worden aangevraagd, zal op eenzelfde wijze geschieden. Het wegnemen van nationale koppen Vraag Op pagina 157 wordt gesproken van «het wegnemen van nationale koppen», graag ontvangen deze leden een overzicht van de verwijderde koppen. Antwoord De kop die het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieu-beheer 2013 heeft weggenomen, betreft de vergunningplicht voor het ingeperkt gebruik op inperkingsniveau I en II-k. Deze is, in overeen-stemming met richtlijn 2009/4119, vervangen door een kennisgevings-stelsel. Fouten bij risicobeoordeling en aansprakelijkheid Vraag Tevens wordt gesproken over fouten die voor kunnen komen bij de risico analyse zoals in het verleden gebleken is, graag ontvangen de leden een drietal voorbeelden. Is het mogelijk dat fouten in de risico analyse ook voor zullen komen bij veld introducties? Hoe wordt dit gecontroleerd? Wat zullen de gevolgen zijn? Hoe is aansprakelijkheid voor schade aan het milieu of voor omwonenden geregeld? Wat als een bedrijf failliet gaat of als de schade anderszins niet te verhalen is? Zijn er verzekeringen of garantiefondsen voor schade aan natuur, gezondheid en buur-boeren? Welke experts en expertise worden bij de beoordeling van door het bedrijfsleven aangeleverde risico-analyses gebruikt? Worden onafhanke-lijke wetenschappers ingeschakeld en onafhankelijke wetenschappelijke literatuur geraadpleegd? Hoe wordt onafhankelijkheid van de controle op de risico analyse gegarandeerd? Hoe wordt een goede risico analyse door het bedrijfsleven zelf gegarandeerd? Is het terecht dat er bij de risico beoordeling zo zwaar geleund word op informatie en inschattingen die door het belanghebbende bedrijfsleven zelf gemaakt worden? Antwoord De leden van de fractie van de SP geven in verschillende vragen blijk van hun ongerustheid over de mogelijke negatieve gevolgen van het neerleggen van meer verantwoordelijkheid bij het bedrijfsleven en de onderzoekswereld. Deze ongerustheid is onterecht. Wanneer de uitvoe-ringsorganisatie van de Minister (Bureau Genetisch Gemodificeerde Organismen (hierna: Bureau GGO) bij het RIVM) een aanvraag om een vergunning ontvangt, wordt deze altijd beoordeeld op juistheid en volledigheid. Mogelijke onjuistheden in de (milieu)risicobeoordeling bij ingeperkt gebruik en introductie in het milieu worden dus geconstateerd bij de beoordeling van de aanvraag en gecorrigeerd middels een beschikking. 19Richtlijn nr. 2009/41/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 inzake het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PbEU L 125).Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28815 De milieurisicobeoordeling, die altijd door een door de Minister erkende veiligheidsfunctionaris wordt opgesteld dan wel gecontroleerd, wordt dus altijd door experts van het uitvoeringsorgaan van de Minister (het Bureau GGO) gecontroleerd. Daarnaast stelt het Bureau GGO ten behoeve van de zorgvuldigheid en ter onderbouwing van de beschikking ook zelf een milieurisicobeoordeling op. Het RIVM, en daarmee het Bureau GGO onderschrijft de doelstellingen van de KNAW-code (Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling20), welke een onafhankelijke en integere besluitvorming garanderen. Daarnaast adviseert het onafhankelijke adviesorgaan COGEM de Minister over de mogelijke risico’s voor mens en milieu. Dit geheel van waarborgen zorgt ervoor dat de veiligheid niet in het geding is en er dus geen sprake zal zijn van schade voor mens en milieu. Cisgenese, vermenging en recht op weten bij telen en eten Vraag Wat is de Europese inzet van de regering op cisgenese? Wat wordt er in Europa bepleit betreffende labelling van cisgenese en het recht van de burgers om te weten wat ze eten? Welke onderbouwing is er dat de genetische modificatie bij cisgenese qua aard exacter te sturen en dus minder onvoorspelbaar is dan genetische modificatie bij transgenese? Welke garanties geeft de Staatssecretaris hiervoor, zo vragen deze leden? In hoeverre bepleit de Staatssecretaris in Europa het recht van buur-boeren om te weten of een cisgeen gewas naast hun akker verbouwd wordt? Is de Staatssecretaris van mening dat boeren het recht hebben te weten of een transgeen gewas naast hun akker verbouwd wordt? Is zij van mening dat de betreffende buur-boeren recht hebben om hier bezwaar tegen aan te tekenen en zo ja, hoe? Antwoord De discussie over cisgenese raakt niet het Besluit genetisch gemodifi-ceerde organismen milieubeheer 2013. Voor de Europese inzet op cisgenese verwijs ik u naar de brieven aan uw Kamer van 4 april 201421 en 7 januari 201422. Hieruit volgt dat Nederland zal pleiten voor het vrijstellen van cisgenese van de EU ggo wet- en regelgeving en dat de regering voldoende mogelijkheden ziet om de keuzevrijheid te waarborgen. U zult nader worden geïnformeerd over de uitvoering van de recente motie van het lid Van Gerven inzake het pleiten voor een labellingsplicht voor cisgenese23. Voor wat betreft de verschillen tussen cisgenese en transgenese kan op basis van de wetenschappelijke adviezen24 over cisgenese worden opgemerkt dat er geen verschil is in de mogelijkheid om de plaats waar de beoogde verandering wordt aangebracht exacter te sturen. 20Zie voor de tekst van de Code: https://www.knaw.nl/shared/resources/actueel/publicaties/pdf/code_digitaal_2012_nl_digitaal3.pdf.21Kamerstuk 27 428, nr. 270.22Kamerstuk 27 428, nr. 260.23Kamerstuk 27 428, nr. 274.24EFSA: Scientific opinion addressing the safety assessment of plants developed through cisgenesis and intragenesis; EFSA Journal 2012;10(2):2561; RIKILT: Food and feed safety aspects of cisgenic crop plant varieties; April 2010, Report 2010.001; COGEM: Adviserende aanbiedingsbrief «Novel plant breeding techniques» (091222-01) 22 december 2009. Aanbieding van en toelichting bij onderzoeksrapport «New plant breeding techniques» (CGM 2009-02) aan. Signalerende brief «cisgenese en voedselveiligheidsbeoordeling», 28 oktober 2008, Kenmerk CGM/081028-04. Advies «Aanvullende vragen m.b.t. vrijstelling van cisgene planten», 27 augustus 2008, Kenmerk CGM/080827-02; JRC (Joint Research Centre): New Plant breeding techniques, Stat-of-the-art and prospects for commercial development; 2011, JRC 65265; EUR 24.860 EN.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28816 Zolang de techniek cisgenese beschouwd wordt als een gg-techniek, gelden de volgende regels. Wanneer een teler een genetisch gemodifi-ceerd gewas in Nederland commercieel wil gaan telen, zal hij een melding van de teelt moeten doen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (de voormalige Dienst Regelingen). De melding van de teelt bij de Rijksdienst wordt verwerkt in het nationale register ggo-teelt, waarop een ieder kan zien op welke percelen in Nederland (commerciële) teelt van genetisch gemodificeerde gewassen plaatsvindt. Tevens moet een teler van genetisch gemodificeerde gewassen voldoen aan de co-existentieafspraken. Onderdeel van de co-existentieafspraken is dat overleg met de buur-boeren heeft plaatsgevonden. Momenteel zijn er geen cisgenese gewassen op de markt voor commerciële teelt. Vraag Voor hoe lang garandeert de regering de beschikbaarheid van gentechvrij voedsel en gentechvrije gewassen? Hoe luidt de exacte tekst van gentech voeding op het label en welke voorschriften zijn er qua formaat, beeldmerk en dergelijke? Antwoord Het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 verandert niets aan de beschikbaarheid van gentechvrij voedsel en gentechvrije gewassen. Indien voedingsmiddelen geproduceerd zijn met behulp van gentech-nieken, dan wel genetisch gemodificeerde ingrediënten bevatten, moet dit volgens de Europese regels25 worden aangegeven met de woorden «genetisch gemodificeerd» of «geproduceerd met genetisch gemodifi-ceerde (gevolgd door het ingrediënt)». Deze informatie moet eveneens in de vorm van een voetnoot bij de betreffende ingrediënten worden aangebracht in ten minste de lettergrootte van de ingrediënten. Naast deze eisen, moeten bij een aantal producten ook alle kenmerken en eigenschappen op het etiket worden vermeld zoals die in de vergunning zijn opgenomen. Wat betreft het formaat zijn er verder geen specifieke eisen. Ook bestaat op dit moment geen beeldmerk om aan te geven dat er sprake is van genetische modificatie bij voedingsmiddelen. Naast deze etiketteringvoorschriften biedt het Warenwetbesluit Nieuwe voedingsmid-delen de mogelijkheid aan voedselproducenten om gebruik te maken van de aanduiding «bereid zonder gentechniek». Hiervan wordt momenteel echter weinig gebruik gemaakt. Op basis van deze voorschriften wordt de consument in staat gesteld bewuste keuzes te maken. De consument kan kiezen voor biologische producten als hij voedsel wil dat tot stand is gekomen zonder genetische modificatie. Meldingsprocedure op grond van artikel 3.16 van het Besluit Vraag Bij 10.3.3 wordt gesproken over een meldingsprocedure op grond van 3.16, die geen gevolgen heeft voor de milieurisicobeoordeling. Hoe wordt afgebakend welke meldingen daar al dan niet onder vallen en is hier bezwaar tegen mogelijk als ingeschat wordt dat iets ten onrechte hieronder geschaard wordt zo vragen de leden van de SP-fractie? Antwoord Het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 maakt het mogelijk dat veranderingen die geen gevolgen hebben voor de met betrekking tot die introductie uitgevoerde milieurisicobeoordeling bij 25Verordening (EG) Nr. 1829/2003 van het Europees parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28817 de Minister van IenM kunnen worden gemeld. Het gaat hier om kleine veranderingen die geen gevolgen hebben voor de uitgevoerde milieurisi-cobeoordeling. De systematiek is als volgt. De Minister beoordeelt niet bij iedere afzonderlijke melding inhoudelijk of de wijziging gevolgen heeft voor de milieurisicobeoordeling, maar heeft in plaats daarvan in de Regeling genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 concrete situaties aangegeven, waarvan de Minister vooraf heeft beoordeeld dat de verandering geen gevolgen heeft voor de milieurisicobeoordeling. Deze beoordeling is mogelijk gebleken op basis van jarenlange ervaring. Met behulp van de opgebouwde kennis over milieurisicobeoordelingen is de procedure op dit punt vereenvoudigd. Uitsluitend in de door de Minister aangewezen categorieën is een melding mogelijk. Als de melding niet binnen de aangewezen categorieën valt of niet aan de meldingsgegevens wordt voldaan, mag de meldingsprocedure niet worden gebruikt en dient of een aanvraag voor een wijzigingsvergunning of een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. De aanwijzing van de categorieën, waarvoor een melding mogelijk is, is in ontwerp op 31 december 2013 gepubliceerd26 en ter inzage gelegd. Gedurende een maand, tot 31 januari 2014, is iedereen in de gelegenheid gesteld over de aanwijzing opmerkingen te maken. Inspraak heeft dus plaatsgevonden. Controle steekproeven bij markttoelatingen Vraag Onder 9.5 wordt gesproken over controle steekproeven bij markttoela-tingen. Waarom is er voor gekozen om de belanghebbende fabrikanten zelf controle steekproeven te laten aanleveren? Welke controle is er op de aanlevering? Welke onafhankelijke controle en onafhankelijke steek-proeven zijn er? Wat zijn de resultaten van de laatste onafhankelijke steekproeven van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)? Zijn er illegale ggo’s aangetroffen? Antwoord De controlesteekproeven, waaraan de leden van de fractie van de SP refereren, betreffen het aanleveren van referentiemonsters door de aanvrager van de markttoelating, die na toelating op de markt dienen voor de identificatie van het betreffende ggo. Deze referentiemonsters worden dan gebruikt bij de taakuitvoering van controlerende en handhavende instanties, zoals de ILT, NVWA en de douane. De aangeleverde referentie-monsters worden gecontroleerd en gevalideerd door het Joint Research Centre (JRC). Pas als deze validatie heeft plaatsgevonden, mag er gebruik worden gemaakt van de vergunning. Daarnaast toetsen controlerende instanties of producten op de markt ggo’s bevatten. De monstername ten behoeve van deze controle vindt uiteraard plaats door de controlerende instantie zelf en niet door de vergunninghouder. Bij het toetsen of zo’n monster ggo’s bevat, worden de referentiemonsters gebruikt om vast te stellen of het monster een bepaald ggo bevat. De onafhankelijke controles worden in Nederland uitgevoerd door de ILT, NVWA en de douane. De ILT controleert gericht op de aanwezigheid van niet toegelaten ggo’s in zaaizaad van risicogewassen (gewassen waarbij uitkruising of vermenging verwacht wordt) uit risicolanden (landen waar veel teelt van deze genetisch gemodificeerd gewassen plaatsvindt). Jaarlijks worden circa dertig partijen maïszaad bemonsterd (3–5% van de import). De monstername en een eerste screening worden uitgevoerd 26Stcrt. 2013, nr. 34198.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28818 door de Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK). Verdere analyse geschiedt door het RIKILT. Voorts worden er in samenwerking met de douane ook thematische controles uitgevoerd op de import van risicoge-wassen. Tot op heden zijn er bij controles geen niet-toegelaten ggo’s boven de detectiegrens aangetroffen. De NVWA voert controles uit op de naleving van de wettelijke eisen ten aanzien van de toelating, etikettering en traceerbaarheid van ggo’s in levensmiddelen en diervoeder. In de periode 2008–2013 zijn er in 14 van de 781 monsters in levensmiddelen toegelaten ggo’s gevonden in een gehalte boven de etiketteringsgrens van 0.9%. In twee gevallen is een niet in de EU toegelaten ggo maïs aangetroffen, die inmiddels wel Europees is toegelaten voor gebruik in levensmiddelen en diervoeder. Tevens voert de NVWA een Europese noodmaatregel uit die verplicht tot een 100% controle en monstername voor laboratoriumonderzoek op rijst bevattende producten uit China bij de Europese import. In de afgelopen jaren heeft de NVWA in levensmiddelen een aantal keren een niet toegelaten gg rijst uit China gevonden. In 2012 zijn er 27 en in 2013 5 afwijkende monsters gevonden. Het aantal positief bevonden partijen is in 2013 sterk afgenomen. Bij de inspectie van diervoeder dat wordt geïmporteerd, ligt de nadruk op de detectie van niet in de EU toegelaten ggo’s. In de periode 2008–2013 is slechts één keer een niet toegelaten ggo in diervoeder aangetroffen. Ook hier ging het om een rijst bevattend product uit China. Verdere overtre-dingen zijn tussen 2008 en 2013 niet gevonden. Marktoelatingen: aanvraag in lidstaat en comité van beroep Vraag Bij markttoelatingen onder 9.1 wordt beschreven dat een aanvrager zelf kan bepalen in welk land een aanvraag wordt gedaan. In welke landen is dit tot nu toe gedaan? Hoe wordt voorkomen dat er een «race naar de bodem» ontstaat tussen toelatende instanties, doordat de aanvragen gaan naar het land met de minst strenge toelatende instantie? Hoe worden op de markt toegelaten ggo’s gemonitord zo vragen deze leden? Wie zitten er in het comité van beroep? Hoe wordt de onafhankelijkheid van dit comité gegarandeerd en welke democratische controle en bijsturing is hier op mogelijk? Bij de procedure beschreven onder 9.0 neemt uiteindelijk op Europees niveau de Europese Commissie het besluit. Is de Staatssecretaris van mening dat de Raad en/of het Europees parlement hier meer invloed op zou moeten hebben en dat niet de macht hierover alleen bij de Commissie moet liggen? Antwoord Het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 verandert niets aan de procedure voor Europese markttoelatingen en de monitoring van op de markt toegelaten ggo’s. Het huidige toelatings-systeem is voorzien van een aantal checks and balances, waarmee een «race naar de bodem», zoals de leden van de fractie van de SP dit aanduiden, wordt voorkomen. Dit blijkt ook uit het feit dat Nederland, dat juist bekend staat om zijn gedegen beoordelingen, veel aanvragen krijgt. Monitoring vindt plaats op grond van een goedgekeurd monitoringplan. De vergunninghouder is verplicht zich aan dit plan te houden en jaarlijks over de uitkomst te rapporteren. Deze rapportages worden door de EFSA beoordeeld als er sprake is van teelt van ggo’s. De inzet van het Comité van beroep bij uitvoeringshandeling in het kader van de onderzoekspro-cedure volgt rechtstreeks uit het Verdrag van Lissabon en geldt niet specifiek voor ggo’s of voor het onlangs vastgestelde besluit. Ik zie geen reden om deze procedure te wijzigen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28819 De meeste aanvragen voor markttoelating van genetisch gemodificeerde gewassen worden tegenwoordig gedaan onder de Europese verordening (EG) nr. 1829/2003. Enkele aanvragen worden nog gedaan onder richtlijn 2001/18. Dit geldt bijvoorbeeld voor aanvragen die niet vallen onder het toepassingsbereik van de verordening, zoals het in de handel brengen van snijbloemen (anjers). Dit toelatingssysteem begint met een aanvraag bij een lidstaat voor een markttoelating. Aanvragen onder richtlijn 2001/18 zijn gedaan in Frankrijk, Spanje, Duitsland, België, Zweden en Nederland. Het beoordelingssysteem kent de volgende checks and balances. De beoordelende lidstaat toetst of de aanvraag voldoet aan alle eisen, voert een milieurisicobeoordeling uit volgens de procedure in richtlijn 2001/18 en stelt een beoordelingsrapport op. Hierna volgt een gecentraliseerde Europese beoordelingsprocedure. De aanvraag en het beoordelings-rapport circuleren onder de lidstaten, die opmerkingen of bezwaren kunnen indienen tegen het in de handel brengen van het betrokken ggo. In de praktijk leidt de standaardprocedure altijd tot bezwaren, die niet binnen de daarvoor gestelde periode opgelost kunnen worden en wordt de Europese bezwarenprocedure van artikel 18 van richtlijn 2001/18 gestart met toepassing van de comitologieprocedure. Bij brief van 20 februari 201427 en 24 maart 201428 is uw Kamer over deze bezwaren- en comitologieprocedure geïnformeerd. Vragen van de leden van de fractie van het CDA Aansluiting bij «nee, tenzij» (dieren) en «ja, mits» (planten) Vraag De leden van de CDA-fractie hebben als uitgangspunt dat voor genetische modificatie bij dieren geldt «nee, tenzij», en bij planten «ja, mits» deze veilig is voor mens, dier en milieu. Aan de productie en gebruik van genetisch gemodificeerde organismen zijn een aantal risico’s verbonden. De leden van de CDA- fractie stellen een aantal belangrijke voorwaarden aan het «ja, mits». Deze leden stellen hoge eisen aan bijvoorbeeld zorgvuldigheid: bij alle ontwikkelingen afvragen hoe schade wordt voorkomen, hoe de verantwoordelijkheid kan worden nageleefd en hoe welzijn het beste kan worden gediend. In hoeverre sluiten de regels met betrekking tot het ingeperkt gebruik en de doelbewuste introductie in het milieu van genetisch gemodificeerde organismen (Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013), volgens de Staatssecretaris hierbij aan? Antwoord Het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 verandert niets aan de beleidsprincipes «nee, tenzij» en «ja, mits» en de invulling daarvan. Er blijven dus hoge eisen gelden voor de zorgvul-digheid: bij alle ontwikkelingen wordt gevraagd hoe eventuele risico’s kunnen worden voorkomen, hoe de verantwoordelijkheid kan worden nageleefd en staat de veiligheid en welzijn van mens, dier en milieu centraal. Toepassingen met ggo’s worden alleen toegestaan als uit de risicobeoor-deling blijkt dat de risico’s voor mens, dier en milieu verwaarloosbaar klein zijn. Het toestaan van technieken voor genetische modificatie vindt stapsgewijs plaats. Pas bij voldoende kennis en ervaring met ggo’s onder het ingeperkt gebruik kan de stap naar blootstelling aan het milieu gemaakt worden. Die blootstelling gebeurt stap-voor-stap, waarbij elke volgende stap naar een grotere blootstelling aan het milieu pas mag 27Kamerstuk 21 501-08, nr. 505.28Kamerstuk 27 428, nr. 267.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28820 worden genomen als uit (verkregen) gegevens is gebleken dat er geen schadelijke effecten zijn opgetreden. Voor alle handelingen met ggo’s geldt dus het principe: «ja, mits deze veilig is voor mens, dier en milieu». Voor handelingen met micro-organismen en planten is dit het toetsings-kader. Voor biotechnologische handelingen bij dieren geldt het «nee, tenzij» principe. Biotechnologische handelingen bij dieren worden alleen aanvaardbaar geacht indien een substantieel belang van het onderzoek opweegt tegen de schade aan de gezondheid, het welzijn en de integriteit die dieren mogelijk ondervinden van de biotechnologische handelingen. Van belang is ook dat er geen reële alternatieven voor het onderzoek voorhanden zijn. Het is verboden om uitsluitend voor sportprestaties of vermaak het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie. In alle andere gevallen is een vergunning nodig, behalve als het gaat om handelingen die worden verricht ten behoeve van biomedisch onderzoek. Dit kader voor biotechnologische handelingen bij dieren is sinds 1 juli 2014 geregeld in de Wet Dieren. Vrije markt, mening consument over ggo’s en voordelen van ggo’s Vraag Naar de mening van de leden van de CDA-fractie heeft de overheid in deze situatie vanuit haar zorgplicht een sterk normerende taak. De overheid zal de bandbreedte aan moeten geven en kaders moeten stellen, waarbinnen afweging voor toelating en mogelijk teelt van ggo-gewassen zich mag afspelen. Zij heeft de taak om risico’s zo klein mogelijk te houden en randvoorwaarden te creëren voor onder meer gentechniek-vrije productieketens, voor duidelijke etikettering en voedselveiligheid en moet daarbij de concurrentiepositie in het oog houden. Dat mag niet overgelaten worden aan de markt. De ervaring leert dat deze geen moraal kent, behalve het recht van de sterkste. En dat geeft voor burgers teveel een gevoel van onzekerheid. Zijn er recente Europese onderzoeken beschikbaar waarin onderzocht is wat inwoners van de EU vinden van toepassing moderne biotechnologie? Antwoord In het kader van de Eurobarometer 201129, de periodieke opiniepeilingen onder de consumenten en bedrijven van de Europese Unie, is respon-denten gevraagd uit vijftien milieuthema’s maximaal vijf thema’s te kiezen waarover men zich zorgen maakt. Negentien procent van de respon-denten koos voor ggo’s in de landbouw, een lichte daling ten opzichte van 2007 (20%). Over elf andere thema’s (van de veertien) maakt men zich meer zorgen. Hieruit blijkt niet dat het draagvlak voor biotechnologie en genetische modificatie afneemt. Eerdere Eurobarometers geven daarnaast een gemengd beeld. Draagvlak voor de techniek blijkt af te hangen van het doel dat ermee beoogd is. In ieder geval blijkt uit onderzoeken dat het waarborgen van de veiligheid door burgers belangrijk wordt gevonden. Vraag Welke voordelen bieden ggo’s voor de consument? De leden van de CDA-fractie horen regelmatig dat ontwikkelingslanden het belang van biotechnologie voor de wereldvoedselvoorziening benadrukken. Wat is het standpunt van de Staatssecretaris in deze? 29http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/eb/eb74/eb74_en.htm.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28821 Antwoord Het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 houdt geen verband met het belang van biotechnologie voor de wereld-voedselvoorziening en op de voordelen die ggo’s bieden voor de consument. Zoals beschreven in de beleidsbrief biotechnologie van 4 april 201430 kan biotechnologie in de land- en tuinbouw bijdragen aan het oplossen van mondiale vraagstukken zoals voedselzekerheid. Door middel van genetische modificatie kunnen bijvoorbeeld gewassen worden verkregen die zorgen voor een hogere opbrengst, weerbaar zijn tegen bijvoorbeeld ziekten en droogte (belangrijk in het licht van klimaatverandering). Bij voordelen die genetisch gemodificeerde gewassen kunnen bieden voor consumenten kan worden gedacht aan een gewijzigde productsamen-stelling (zoals een sojavariëteit die olie levert met een gunstigere vetzuursamenstelling of rijst met een verhoogd gehalte aan vitamine A). Het is aan ontwikkelingslanden zelf om een keuze te maken in de gewassen en producten die ze willen telen en/of importeren. Vragen van de leden van de fractie van de SGP Risicoanalyse versus risicobeoordeling Vraag De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over de (milieu)risico-beoordeling. Tot op heden werd ook de term «risicoanalyse» gebruikt. Deze term is ingewisseld voor de term «risicobeoordeling». De leden van deze fractie hebben de indruk dat een risicoanalyse een meer diepgravend onderzoek naar en van mogelijke risico’s behelst, terwijl een risicobeoordeling meer aan de oppervlakte blijft. Kan de Staatssecretaris verzekeren dat deze verwisseling van termen zowel de jure als de facto geen afzwakking van de beoordeling/analyse betekent? Wordt bij de (milieu)risicobeoordeling ook gekeken naar de risico’s voor de biologische landbouw? Zo nee, waarom niet? Wordt bij de (milieu)risi-cobeoordeling ook gekeken naar de risico’s voor de diergezondheid? Zo nee, waarom niet? Antwoord Zoals de leden van de fractie van de SGP signaleren, zijn in het verleden de termen «risicoanalyse» en «risicobeoordeling» naast elkaar gebruikt. Beide begrippen hebben evenwel inhoudelijk dezelfde begripsom-schrijving. Door in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 de term «risicobeoordeling» te gebruiken, als vertaling van risk-assessment, wordt beter aangesloten bij de terminologie van richtlijn 2001/18. Dit is nodig omdat in het besluit dynamisch naar bijlagen van richtlijn 2001/18 is verwezen, waarin gesproken wordt over milieurisi-cobeoordeling en niet over milieurisicoanalyse. Met deze aanpassing verandert er niets aan de methodiek van de risicobeoordeling. De milieurisicobeoordeling moet worden uitgevoerd overeenkomstig bijlage II bij richtlijn 2001/18, aangevuld met besluiten of aanbevelingen van de Raad van de Europese Unie of van de Europese Commissie. In deze bijlage II zijn de beginselen voor de milieurisicobeoordeling uitgewerkt. Deze nadere uitwerking beoogt onder meer verdere harmoni-satie van de milieurisicobeoordeling, een grotere veiligheid voor de gezondheid van de mens en het milieu, transparantie in de wijze waarop de milieurisicobeoordeling wordt uitgevoerd en rechtsgelijkheid voor 30Kamerstuk 27 428, nr. 270.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28822 aanvragers uit verschillende lidstaten. De methodiek van de milieurisico-beoordeling is ongewijzigd gebleven. Bij de milieurisicobeoordeling wordt de biologische boer en zijn omgeving ook meegenomen als onderdeel van het milieu. In richtlijn 2001/18 wordt een onderscheid gemaakt tussen doelbewuste introductie van ggo’s in het milieu door het in de handel brengen (deel C) en doelbewuste introductie in het milieu voor overige doeleinden (deel B). Bij een deel C-beoordeling (markttoelating) voor voedsel- of veevoedertoepassingen moet er naast een milieurisicobeoor-deling ook een separate voedsel- en veevoederveiligheidsbeoordeling plaatsvinden. Dit gebeurt in het kader van de Europese verordening (EG) 1829/2003. Bij een deel B-beoordeling (veldproeven) of een deel C-beoordeling voor niet-voedseltoepassingen wordt de incidentele consumptie van het ggo door mens of dier meebeoordeeld in de milieurisicobeoordeling. Hierbij gaat het dan met name om eventuele toxiciteit van het ggo. Verwaarloosbare risico’s als criterium en nu gekozen voor aanvaardbaarheid van risico’s Vraag De leden van de SGP-fractie constateren dat in de vergunningverlening afgestapt wordt van de verwaarloosbaarheid van risico’s als criterium en dat nu gekozen wordt voor de aanvaardbaarheid van risico’s. Zij vragen zich af wat dit in de praktijk betekent. Is de veronderstelling van deze leden juist dat risico’s eerder als aanvaardbaar dan als verwaarloosbaar geacht worden en dat deze wijziging derhalve een versoepeling van de vergunningverlening betekent? Hoe wordt bepaald of een bepaalde activiteit wel of niet aanvaardbaar is? Hoe wordt voorkomen dat de afweging of de risico’s van een activiteit al dan niet aanvaardbaar zijn een meer subjectief karakter krijgt dan de afweging of de risico’s al dan niet verwaarloosbaar zijn? Antwoord Het uitgangspunt voor de verlening van een vergunning in het kader van de doelbewuste introductie van ggo’s voor overige doeleinden is en blijft dat de risico’s voor mens, dier en milieu verwaarloosbaar klein zijn. Bij bepaalde medische toepassingen, bijvoorbeeld bij de behandeling van kanker met gentherapie, kan het maatschappelijk nut zo groot worden geacht, dat een iets groter risico geaccepteerd kan worden. Om dergelijke toepassingen niet op voorhand uit te sluiten, is het mogelijk gemaakt uitsluitend in deze gevallen een vergunning af te geven bij een aanvaardbaar klein risico. Er geldt dan een extra motiveringsplicht om aan te geven waarom de toepassing nodig geacht wordt. Er zal dus alleen in deze speciale situaties afgeweken worden van het vereiste van een verwaarloosbaar klein risico en alleen in deze gevallen zal een aanvaardbaar klein risico geaccepteerd worden. De beslissing voor het aanvaarden van het geringe risico zal per geval afgewogen en gemoti-veerd moeten worden. 13.4.1 Betrokkenheid EZ, VWS bij IenM Vraag De leden van de SGP-fractie zetten vraagtekens bij de keuze om bij de vergunningverlening voor de introductie van ggo’s in het milieu de betrokkenheid van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) uit te schakelen. In wetenschap en maatschappij leven zorgen over de potentiële risico’s van ggo’s voor milieu, (biologische) landbouw, dier en mens. Als ggo’s zich in het milieu Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28823 verspreiden is sprake van een onomkeerbaar proces. De leden hechten daarom, los van ethische afwegingen, aan een zorgvuldige besluit-vorming in het voortraject. Uitgebreide wetgevingskaders kunnen daarbij de inzet van ter zake beschikbare kennis en expertise niet vervangen. Is de Staatssecretaris bereid de betrokkenheid van de Ministeries van EZ en VWS te handhaven? Zo nee, waarom niet? Antwoord De leden van de fractie van de SGP vragen om de betrokkenheid van de bewindspersonen van VWS en EZ bij de vergunningverlening voor ggo’s in het kader van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te handhaven. De formele eindverantwoordelijkheid inzake het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 is bij één bestuursorgaan belegd, namelijk bij de Minister van IenM. Voorts hebben de bewindspersonen van EZ en VWS op hun beurt de eindverantwoordelijkheid voor de voor hen relevante onderdelen van het gebruik van genetische modificatie dat in andere wetgevingssystemen is geïmplementeerd. Als er mensen of dieren betrokken zijn bij de hande-lingen waarvoor een vergunning in het kader van het onlangs vastge-stelde besluit wordt aangevraagd, is er, daarnaast ook toestemming of een vergunning nodig van respectievelijk de bewindspersoon van VWS en/of EZ. Vanuit deze opzet bezien, is de formele betrokkenheid van de bewindspersoon van VWS overigens al in 2004 beëindigd. Gezien bovengenoemde verantwoordelijksverdeling zal het duidelijk zijn dat in de toekomst bij het opstellen van het biotechnologiebeleid de drie departe-menten betrokken zullen blijven. 16.2.3 Locatiebeleidsregel opnemen in Besluit Vraag De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat vergunningaanvragers verplicht moeten worden om omwonenden van locaties waar veldproeven met en teelt van ggo’s plaats zullen vinden actief en vroegtijdig te informeren over deze activiteiten. Zij vinden dat deze verplichting via beleidsregels onvoldoende gewaarborgd kan worden. Is de Staatssecretaris bereid deze verplichting in het voorliggende besluit op te nemen? Zo nee, welke bezwaren heeft zij tegen het opnemen van een dergelijke verplichting in het voorliggende besluit? Antwoord Het bevoegd gezag informeert omwonenden van veldproeven met ggo’s als onderdeel van de reguliere procedure tot het verlenen van een vergunning door een kennisgeving in een van overheidswege uitgegeven blad en een dag-, nieuws- of huis-aan-huis-blad. Verder kan iedereen kennis nemen van de locaties van de veldproeven in het register veldproeven op de website van de rijksoverheid. Dit schept voldoende waarborgen voor omwonenden. Het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 verandert niets aan de openbaarheid in deze procedures. Verder verwijs ik u naar de beantwoording van de gelijkluidende vraag over dit onderwerp van de leden van de fractie van de SP. Vragen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met grote teleurstelling kennisgenomen van het Ontwerpbesluit genetisch gemodifi-ceerde organismen milieubeheer 2013. Zij zien dat het hiermee makke-lijker wordt gemaakt om gentech te gebruiken en betreuren dat, omdat zij Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28824 niet geloven dat gentech een oplossing kan vormen voor de uitdagingen waar de samenleving voor staat. Gentech is een techniek die kan leiden tot nieuwe risico’s voor mens en milieu. Het voorzorgsprincipe wordt meer en meer losgelaten. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen dan ook of de maatschappij voldoende beschermd wordt. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren wijzen het gebruik van gentechgewassen af, en ook het versoepelen van de regels op dit punt. Zij willen graag een aantal vragen stellen over het voorliggende ontwerpbe-sluit. Waarom nu aanpassen ggo-regelgeving en niet wachten op voorstel nationale teelt Vraag De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen wederom waarom op dit moment gekozen wordt voor het doorzetten van de aanpassing van de ggo-wetgeving? Er lijkt immers op Europees niveau bijna een akkoord te zijn over het nationale teeltvoorstel, wat landen de gelegenheid moet geven om zelf beperkingen te stellen aan de teelt van gengewassen op hun grondgebied. Als dit akkoord inderdaad bereikt wordt, zal er wederom een aanpassing van het besluit ggo’s voor de hand liggen, kan de Staatssecretaris dat bevestigen? Is het niet logischer om deze ontwikkelingen af te wachten, en in een keer de nationale wetgeving aan te passen op de nieuwe situatie, zo vragen deze leden? Zo ja, is zij bereid dit besluit op de plank te leggen tot de uitkomsten van de Europese overleggen bekend zijn? Antwoord Gezien de aard van het voorstel nationale teelt is de verwachting dat dit voorstel, wanneer het is aangenomen, geïmplementeerd zal worden in andere wetgevingskaders, die zich richten op de ruimtelijke inrichting. Mocht het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 toch aanpassing behoeven, dan zal dit slechts een relatief kleine wijziging betreffen. Het wordt niet zinvol geacht om hierop te wachten. Draagvlak gentech versus vereenvoudiging regels Vraag De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden de uitgangs-punten van het voorliggende besluit, namelijk het vereenvoudigen van de regelgeving en het nog meer inzetten op een Europees level playing field, betreurenswaardig. Zij vinden dat het beschermen van mens, dier en milieu tegen de introductie van ggo’s, die onvoorziene en vergaande gevolgen kunnen hebben, voorop zou moeten staan. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat ook in deze wijziging van de wetgeving het kabinet ervoor kiest om op het minimum te gaan zitten wat Europa voorschrijft, en daarmee de belangen van de bedrijven voorop stelt. Er is in dit land helemaal geen maatschappelijk draagvlak voor gentech, en zeker niet voor de introductie van ggo’s in het milieu. Het weinige draagvlak wat er al was voor deze omstreden techniek neemt nog steeds af, zoals ook al bevestigd is door de Staatssecretaris bij de beantwoording van vragen van deze leden over het ontwerpbesluit. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie blijven erop wijzen dat er geen draagvlak is voor de voorliggende versoepeling van de regels met betrekking tot genetische manipulatie, en krijgen hier graag een reactie op van deze Staatssecretaris. Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28825 Antwoord De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren stellen dat er geen maatschappelijk draagvlak is voor gentech en voor de introductie van ggos in het milieu. Zoals op 19 december 2011 in antwoord op vragen naar aanleiding van de bespreking van het ontwerpbesluit met uw Kamer31 is aangegeven, blijkt niet dat er geen draagvlak voor het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zou zijn. Het waarborgen van de veiligheid blijkt door burgers belangrijk gevonden te worden en daarin voorziet het besluit. Bij de introductie van ggo’s staat de veiligheid voor mens en milieu voorop. De vereenvoudiging van de regelgeving die dit besluit bewerkstelligt ten opzichte van de nu nog vigerende regelgeving, op basis van de huidige stand van de wetenschap, gaat niet ten koste van de waarborging van de veiligheid. Er is namelijk geen sprake van versoepeling van de regels. Het besluit vereenvoudigt slechts enkele procedures op basis van kennis en ervaring. Ook uit de ingediende reacties naar aanleiding van het ontwerpbesluit blijkt niet dat er in de samenleving geen draagvlak is voor gentechnologie. Slechts een enkeling heeft fundamentele bezwaren geuit tegen genetische modificatie in het algemeen. De overige reacties waren voornamelijk van technische aard. Afschaffen vergunningplicht, gebruik proefdieren, «nee, tenzij» Vraag De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben er in hun eerdere schriftelijke inbreng voor het ontwerpbesluit al op gewezen dat, nu de vergunningplicht deels wordt omgezet in een meldplicht, het gebruik van proefdieren voor dit doel makkelijker wordt gemaakt. De Staatssecretaris heeft toen geantwoord dat een toe- of afname van dierproeven niet voorzien werd met dit besluit, maar bevestigde ook dat de meeste dierproeven voor dit doel nu inderdaad niet meer vergunning-plichtig zijn. Is de Staatssecretaris bereid een jaar na inwerkingtreding van dit besluit een evaluatie uit te voeren, waarin specifiek aandacht besteed wordt aan de gevolgen van dit besluit voor proefdieren? Antwoord Zoals bij de beantwoording van de vragen van uw fractie naar aanleiding van de bespreking van het ontwerpbesluit met uw Kamer32 is aange-geven, vindt het streven naar vermindering van dierproeven plaats in de context van de Wet op de dierproeven. Het Besluit genetisch gemodifi-ceerde organismen milieubeheer 2013 ziet niet specifiek toe op dierproeven en een toe- of afname van het aantal dierproeven ten gevolge van het besluit wordt niet voorzien. Er is daarom geen aanleiding voor een evaluatie van het recent vastgestelde besluit waarin specifiek aandacht besteed wordt aan dierproeven. Vraag Kan de Staatssecretaris nader toelichten op welke wijze de recent bevestigde uitgangspunten van het beleid met betrekking tot genetische manipulatie bij dieren, namelijk Nee, tenzij, is geborgd in het voorlig-gende besluit? Deelt de Staatssecretaris de mening van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat dit «Nee» heel hard zou moeten gelden met betrekking tot het genetisch manipuleren van dieren ten behoeve van sport, vermaak en consumptiedoeleinden, en dat dit gewoon in het voorliggende besluit opgenomen zou kunnen en moeten worden? Zo nee, waarom niet? 31Kamerstuk 27 428, nr. 211.32Kamerstuk 27 428, nr. 211.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28826 Antwoord Het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 heeft geen betrekking op het «nee, tenzij»- beleid. Dit beleid wordt door het Besluit ggo milieubeheer 2013 dus niet gewijzigd. Voor een nadere toelichting op het «nee, tenzij»-beleid verwijs ik naar de kabinetsbrief biotechnologie van 4 april 201433 en de beantwoording van de vragen over dit onderwerp van de leden van de fractie van de CDA. Locatie van veldproeven Vraag De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben grote moeite met de wijze waarop de locatie van veldproeven nu openbaar gemaakt zal worden. De regering heeft hier jarenlang een verkeerde lijn gekozen door de locatie niet exact aan te geven. Het Hof en de Raad van State hebben dit vervolgens veroordeeld. Het stelt deze leden teleur dat de Staatssecre-taris er wederom voor kiest om de locaties van de veldproeven zo veel mogelijk geheim te houden. De locaties van proeven van categorie I worden weliswaar nu tot op het perceel of de percelen bekend gemaakt, maar de overige categorieën worden verstopt in een raster dat 100 x zo groot is als de veldproef zelf. Kan de Staatssecretaris deze keuze nader onderbouwen? De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren blijven van mening dat de wijze waarop de Staatssecretaris momenteel uitvoering geeft aan deze regels nog steeds geen recht doet aan het recht op milieuinformatie die alle burgers van Nederland hebben op grond van het verdrag van Aarhus. Bij welke handeling dan ook met betrekking tot genetische manipulatie is er naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren sprake van milieuinformatie. Naar mening van deze leden houdt dit dus in dat iedereen er recht op heeft om te weten waar in ons land ggo’s zich bevinden. Als gevolg daarvan zouden locaties van alle ggo’s dus op perceelsniveau kenbaar moeten worden gemaakt, niet alleen die van categorie 1, maar ook die van categorie 2 en 3, graag ontvangen deze leden een reactie op dit punt. Bovendien vinden de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat, naast volledige openheid over de locaties van veldproeven, er ook meer geregeld moet worden in het voorliggende besluit over de wijze van openbaarmaking van de locaties. Zij zien graag in dit besluit geregeld dat de gemeente een actieve meldingsplicht heeft aan de mensen die binnen een straal van 1 kilometer van de locatie wonen en/of daar landbouw bedrijven. Graag een reactie op dit voorstel, is de Staatssecretaris bereid dit in het besluit op te nemen? Zo nee, waarom niet, en op welke wijze wil zij er dan voor gaan zorgen dat alle mensen – en dus niet alleen de landbouwers – in de buurt van de veldproef hiervan op de hoogte worden gesteld? Antwoord In het antwoord op de vragen van de fractie van de SP over het openbaar maken van de locaties van veldproeven met genetisch gemodificeerde gewassen ben ik uitgebreid ingegaan op hoe de openbaarmaking nu precies geregeld is. Graag verwijs ik naar deze reactie voor een onder-bouwing van hoe ik tot dit beleid gekomen ben. De keuze om in het beleid voor openbaarmaking van locaties van veldproeven een onderscheid te maken tussen categorie 1-veldproeven enerzijds en categorie 2- en 3-veldproeven anderzijds, volgt rechtstreeks uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook de nauwkeu-righeid van bekendmaking, kadestraal perceelsniveau voor categorie 33Kamerstuk 27 428, nr. 270.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28827 1-veldproeven en een maximaal 100x groter gebied voor categorie 2- en 3-veldproeven volgt rechtstreeks uit die uitspraken. Met de door mij voorgestane wijze van openbaar maken van veldproeflocaties wordt tevens voldaan aan het recht op milieuinformatie op grond van het Verdrag van Aarhus. Iedereen kan kennis nemen van de locaties van de veldproeven in het register veldproeven op de website van de rijks-overheid. Boeren in de omgeving worden direct betrokken door de vergunninghouder. Dit is onderdeel van de co-existentieafspraken. Co-existentieconvenant wettelijk verankeren van afstandseisen Vraag De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich zorgen dat de mogelijke commerciële teelt van gentechgewassen de biologische- en gangbare teelt in gevaar kan brengen. Deze leden zijn van het co-existentieconvenant op de hoogte, maar vragen de Staatssecretaris om wettelijke afstandseisen op te nemen tussen de teelt van genetisch gemanipuleerde gewassen en alle overige landbouw, maar ook tussen teelt van ggo’s en natuurgebieden, om de biodiversiteit daarin te beschermen. Graag een reactie van de Staatssecretaris. Antwoord Zoals ik reeds heb aangegeven bij de beantwoording van de vragen van de fractie van de SP, raakt het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 de inhoud van de bestaande co-existentieafspraken niet en blijft het beleid inzake co-existentie ongewijzigd. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de beant-woording van de vragen over dit onderwerp van de leden van de fractie van de SP. Voordat een genetisch gemodificeerd gewas wordt toegelaten op de markt, vindt een uitgebreide veiligheidsbeoordeling plaats op EU-niveau, waarin de risico’s voor mens, dier en milieu worden beoor-deeld. In deze veiligheidsbeoordeling zijn ook de gevolgen voor biodiver-siteit meegenomen. Daarom is in de co-existentieverordening niet voorzien in isolatieafstanden tussen de teelt van een genetisch gemodifi-ceerd gewas en natuurgebieden. De verordening zal worden omgezet in een ministeriële regeling, die per 1 januari 2015 van kracht zal worden. Van «verwaarloosbaar risico» naar «aanvaardbaar risico» Vraag Het aanpassen van het begrip «verwaarloosbaar risico» naar «aanvaardbaar risico» baart de leden van de Partij voor de Dieren-fractie grote zorgen. Zij lezen in de toelichting dat dit voortvloeit uit de toepassing van gentechniek bij mensen, maar wijzen erop dat dit ook consequenties heeft op de plantaardige en dierlijke ggo’s voor overige introductie in het milieu, zoals bij teelt van gentechgewassen. Het voorzorgbeginsel moet wat deze leden betreft voorop staan, en zij zien in het aanpassen van dit begrip dat die voor het kabinet kennelijk niet leidend meer is. Wat is een aanvaardbaar risico bij de introductie van gengewassen in het milieu, en wie bepaalt dat? Graag een nadere duiding van de gevolgen van deze verandering in de ggo-wetgeving. Antwoord Voor beantwoording van deze vraag over de begrippen «aanvaardbaar risico» en «verwaarloosbaar risico» verwijs ik naar mijn antwoord op een vraag met dezelfde strekking van de leden van de fractie van de SGP. In de besluitvorming op grond van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 wordt het voorzorgbeginsel gehanteerd overeenkomstig de Mededeling van de Europese Commissie over het Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28828 voorzorgbeginsel34. Het voorzorgbeginsel is onverminderd verankerd in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van het recent vastgestelde besluit. Betrokkenheid EZ/VWS Vraag De leden van de Partij voor de Dieren -fractie begrijpen niet waarom de betrokkenheid van de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Economische Zaken met dit besluit en met vergunningverleningen op basis van dit besluit nu wordt beëindigd. Genetische manipulatie is een risicovolle techniek, die potentieel grote gevolgen van hebben voor zowel de volksgezondheid – de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS -als voor de biodiversiteit en de voedselzekerheid – de verantwoordelijk-heden van de Minister van Economische Zaken. De betrokkenheid van beide bewindslieden bij besluiten over ggo’s is naar mening van deze leden dan ook essentieel. Niet alleen voor het inschatten van de risico’s, maar ook voor het maken van nut- en noodzaakafwegingen. Graag ontvangen zij een reactie op dit punt. Antwoord Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op een soortgelijke vraag over dit onderwerp gesteld door de fractie van de SGP. Het element nut en noodzaak, dat een rol speelt in de discussies met uw Kamer over het afwegingskader, is in het kader van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 niet aan de orde. Van vergunningplicht naar meldingsplicht bij ingeperkt gebruik Vraag Het wijzigen van de vergunningplicht naar een meldingsplicht bij ingeperkt gebruik, en daarmee het verschuiven van de verantwoorde-lijkheid naar onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven, heeft tot gevolg dat de Inspectie meer inzet zal moeten leveren, en ook dat er naar alle waarschijnlijkheid meer fouten gemaakt worden met het inschatten van het vereiste inperkingsniveau, zo lezen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie. Het verbaast deze leden dan ook dat ook na deze terechte opmerkingen van de Inspectie, de Staatssecretaris vasthoudt aan haar keuze om de vergunningplicht af te schaffen. Dit lijkt puur in het belang van het reduceren van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven te zijn, terwijl de kosten voor de maatschappij sterk stijgen, zowel in de vorm van hogere kosten voor de inspectie als van hogere maatschappelijke kosten door het vergroten van de risico’s met potentieel gevaarlijke ggo’s. Deze leden vinden de verdediging van deze keuze door de Staatssecretaris ook opmerkelijk, namelijk dat dit hogere risico door een te laag ingeschat inperkingsniveau wel acceptabel is, omdat deze waarschijnlijk maar enkele dagen duurt waarna de fout wordt hersteld. Kan de Staatssecretaris nogmaals uiteenzetten waarom ggo’s überhaupt worden ingeperkt, en of zij deze maatregel nuttig en nodig acht? Zo ja, waarom zou het te laag inperken van een ggo dan voor een paar dagen wel acceptabel zijn? Antwoord De werkzaamheden met ggo’s kennen, onder de huidige Europese regelgeving en de verschillende nationale invullingen hiervan, een lange geschiedenis van veilig gebruik. Door deze jarenlange ervaring acht ik het mogelijk om met het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 een vereenvou-34Mededeling van de Commissie over het voorzorgbeginsel, Brussel, 2.2 2000; COM (2000) 1 definitief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28829 diging door te voeren in de procedure voor die handelingen die de minste risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu met zich meebrengen en dus op de laagste inperkingsniveaus kunnen plaats-vinden. De vergunningplicht voor ggo’s die op inperkingsniveau I en II-k gehanteerd mogen worden, is omgezet in een kennisgevingsplicht. Hierbij is de richtlijn 2009/41 voor het ingeperkt gebruik gevolgd die overeen-komstig artikel 6 voorschrijft dat ingeperkt gebruik op de laagste inperkingsniveaus na kennisgeving kan plaatsvinden. Een vooraf te verlenen vergunning wordt derhalve voor deze specifieke ggo’s als een te zwaar middel gezien. In dit geval is het inderdaad mogelijk dat bij de kennisgeving een verkeerde risico-inschatting wordt gemaakt en daardoor op een te laag inperkingsniveau wordt gewerkt. Om dergelijke fouten zo veel mogelijk te beperken, zijn bij de opstelling van de ministeriële regeling voor de gebruikers hulpmiddelen (guidances) gemaakt die een verkeerde risico-inschatting moeten voorkomen. Deze hulpmiddelen zijn gebaseerd op jarenlange ervaring met de risicobeoordelingen. Deze extra maatregelen voorkomen dat er fouten worden gemaakt waardoor de veiligheid voor de gezondheid van de mens en het milieu gewaarborgd blijft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 27 428, nr. 28830

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · dca5caff34a034fa

14 okt 2026 · 5b419e0b2eae035c

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.