Verslag van een commissiedebat, gehouden op 8 april 2026, over hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO
Brontekst
Versie 812a24f2e5cf5d5c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleid24 724StudiefinancieringNr. 1264 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 25 juni 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op8 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Letschert, Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 2 april 2026 inzake schadeafhandeling na indirectediscriminatie bij controle uitwonendenbeurs (Kamerstuk24 724, nr. 250);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 31 maart 2026 inzake ministeriële reactie op hetadvies van AcICT ten aanzien van het project Enterprise Cloudbij DUO (Kamerstuk 26 643, nr. 1500);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 16 maart 2026 inzake reactie op vraag van het lidRajkowski over studenten, gesteld tijdens de begrotingsbehan-deling van het Ministerie van OCW (Kamerstuk 31 288,nr. 1235);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 10 februari 2026 inzake reactie op verzoek commis-sie over de motie van de leden Abdi en De Hoop over overleg-gen over de impact van de voorgenomen bezuinigingen op debeschikbaarheid en betaalbaarheid van het ov-aanbod (Kamer-stuk23 645, nr. 873) (Kamerstuk 23 645, nr. 878);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 5 februari 2026 inzake reactie op definitief adviesvan AcICT over IT-project DAB bij DUO (Kamerstuk 26 643,nr. 1461);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 2 februari 2026 inzake update uitvoering van demotie van het lid Ergin over de inventarisatie en toetsing vanvervuilde data en de verwerking van afkomstgerelateerdeindicatoren opnieuw uitvoeren (Kamerstuk 31 288, nr. 1165)(Kamerstuk 31 288, nr. 1232);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 2 februari 2026 inzake reactie op verzoek commis-sie over de burgerbrief van de heer B. met betrekking totmisstanden bij Avans+ (Kamerstuk 31 288, nr. 1233); kst-31288-1264ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12641 –de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 18 december 2025 inzake update sociale en fysiekeveiligheid op universiteiten en hogescholen (Kamerstuk29 240, nr. 179);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 26 januari 2026 inzake verstoring onderwijsactivi-teiten bij bezetting Universiteit Utrecht (Kamerstuk 31 288,nr. 1230);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 10 november 2025 inzake verstoring van onderwijsbij de Universiteit Utrecht (Kamerstuk 31 288, nr. 1223);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 28 november 2025 inzake rapport Verder vooruit:Examencommissies in een veranderend hoger onderwijs(Kamerstuk 31 288, nr. 1225);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 2 oktober 2025 inzake reactie op Nuffic-rapportover inkomende diplomamobiliteit 2024–25 (Kamerstuk22 452, nr. 93);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 19 september 2025 inzake kabinetsreactie oponderzoeken Wet studiefinanciering BES (Kamerstuk 24 724,nr. 248);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 19 december 2025 inzake reactie op de motie vande leden Abdi en De Hoop over overleggen over de impact vande voorgenomen bezuinigingen op de beschikbaarheid enbetaalbaarheid van het ov-aanbod (Kamerstuk 23 645, nr. 873)(Kamerstuk 23 645, nr. 876);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 8 december 2025 inzake voortgang internationaleneerlandistiek (Kamerstuk 31 288, nr. 1226);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 14 november 2025 inzake verschillen normbedra-gen studiefinanciering en restitutie les- en cursusgeld (Kamer-stuk 24 724, nr. 249);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 9 september 2025 inzake publicatie Education at aGlance 2025 (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 183);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 10 juli 2025 inzake convenant gesloten ten behoevevan bachelor Fries (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 180);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 3 juli 2025 inzake reactie op rapporten accreditatie-stelsel hoger onderwijs, protocol onderwijsvernieuwingen enaanpak kwaliteitszorgstelsel (Kamerstuk 31 288, nr. 1209);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 4 juli 2025 inzake moties en toezeggingen overflexstuderen (Kamerstuk 31 288, nr. 1211);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 11 juni 2025 inzake reactie op Monitor praktijkge-richt onderzoek (Kamerstuk 29 338, nr. 293);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 24 april 2025 inzake voortgang cyberweerbaarheidin het vervolgonderwijs (Kamerstuk 31 288, nr. 1189);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 22 mei 2025 inzake toekenning tweede tranchefinanciële middelen voor vitale opleidingen in krimpregio’s(Kamerstuk 31 288, nr. 1199);Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12642 –de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 20 januari 2026 inzake reactie op verzoek van decommissie over ECIO-onderzoek inzake studeren met eenondersteuningsvraag (Kamerstuk 31 288, nr. 1229).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,KoorevaarDe griffier van de commissie,VerhoevTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12643 Voorzitter: KoorevaarGriffier: Van ThielAanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Abdi, De Beer, Boomsma,Claassen, Ergin, Hamstra, Van Houwelingen, Keijzer, Koorevaar, Raijer enRooderkerk,en mevrouw Letschert, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.Aanvang 13.30 uur.De voorzitter:Ik open bij dezen het commissiedebat Hoger onderwijs, studiefinancieringen DUO. Ik heet de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,mevrouw Letschert, en ook haar ondersteuning van harte welkom. Ikverwelkom ook de mensen op de publieke tribune, de pers, de mensen diethuis met ons meekijken en de hier aanwezige Kamerleden. Dat zijnmevrouw Rooderkerk namens D66, de heer De Beer namens de VVD, deheer Claassen van de Groep Markuszower, de heer Boomsma van JA21,mevrouw Raijer van de PVV, de heer Hamstra van het CDA, de heer VanHouwelingen namens FVD en mevrouw Abdi komt net binnenstappennamens GroenLinks-PvdA of namens PRO.Er geldt in dit commissiedebat een spreektijd van vier minuten per fractiein de eerste termijn. Over het aantal interrupties wil ik het nog evenhebben. In een vorig debat hebben we de pilot toegepast, met succes,denk ik. Dat betekent dat interrupties onder de 30 seconden niet tellen.Interrupties boven de 30 seconden tellen als twee interrupties. Wanneerde interrupties op zijn, mogen er ook geen korte interrupties meer wordengepleegd. Is dat helder? Ik denk dat dit goed is voor de levendigheid vanhet debat en dat het debat dan ook goed te volgen is.We gaan nu beginnen aan het debat zelf en ik ga aan mevrouwRooderkerk vragen om haar eerste termijn te starten. Aan u het woord,mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank, voorzitter. Wij hebben het vandaag over goed onderwijs en dangaat het vaak over wat er in de collegezaal gebeurt: inspirerende colleges,betrokken docenten, sterke opleidingen. En terecht, want daar wordt hetfundament gelegd. Maar goed onderwijs is meer dan dat. Het gaat ookover de omstandigheden waarin studenten studeren. Hebben zij de rusten ruimte om zich te concentreren, te ontwikkelen, hun studie goed af teronden? Want hoe goed een college ook is, als je hoofd vol zit met zorgen,komt die kennis niet binnen. Of, zoals een student in Amstelveen onlangstegen mij zei: «Als ik ’s nachts wakker lig van mijn huurprijs, ben ikoverdag niet bezig met mijn scriptie.» Vandaag wil ik het daaroverhebben, over de financiële ondersteuning van studenten, over hoe wij henbeter kunnen ondersteunen in tijden van AI en hun mentale welzijnkunnen versterken.Voorzitter. Ik begin met de financiële situatie van studenten. Ik ben blij dathet kabinet recent heeft aangekondigd de pechgeneratie extra te gaancompenseren met ruim € 2.100 per persoon en dat we van plan zijn omde basisbeurs voor uitwonenden verder te verhogen. Want gezien derecente stijgingen in de huur en in de prijzen van boodschappen enenergie is het belangrijk dat studenten ook tijd overhouden voor hunstudie. Daarom zou ik de Minister willen vragen of zij zicht kan geven opde uitwerking hiervan. Wanneer kunnen studenten deze verhogingdaadwerkelijk op hun rekening verwachten?Nog altijd lopen daarnaast duizenden studenten onbetaalde of slechtbetaalde stages. Daarom staat in het coalitieakkoord een minimumstage-vergoeding, met een onderzoek naar een stagefonds voor tekortsectoren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12644 Ook hier ben ik benieuwd of en wanneer de Minister ons hierover naderkan informeren.Dan AI en het hoger onderwijs. Onlangs organiseerden we in de Kamereen heel interessante rondetafel over AI en het onderwijs. Volgens expertsmoet door AI het onderwijs op de schop. In Trouw werd onlangs al heteinde van de scriptie ingeleid door leraren en hoogleraren, en tentamensplakken studenten gewoon in ChatGPT. Laten we zorgen dat de toekom-stige generatie door AI slimmer wordt in plaats van dommer. Ik benbenieuwd naar de reflectie van de Minister op deze ontwikkelingen ennaar of zij bereid is een strategie met richtlijnen voor het hoger onderwijste ontwikkelen voor AI-gebruik. Hoe kijkt zij in dit licht naar de arbeids-markt van de toekomst? Waar leiden wij toe op?Voorzitter. Tot slot de mentale gezondheid van studenten. De cijfers zijnzorgelijk. Studiestress en burn-outs nemen toe, eenzaamheid is wijdver-breid. Daarom is het van belang dat we onderwijsinstellingen de ruimtegeven om goede ondersteuning te bieden en studentenpsychologen in tezetten. Ook initiatieven van de studenten zelf voor het mentale welzijn vanstudenten worden gestimuleerd. Kan de Minister ons laten weten hoe hetstaat met deze plannen? Kan zij concreet maken hoe initiatieven van destudenten zelf worden ondersteund en opgeschaald?Daarbij hoort ook het onderzoek dat recent is uitgekomen naar hetbindend studieadvies. Hieruit blijkt dat dit niet alleen niet leidt tot meerafgestudeerden, maar zelfs zorgt voor een daling in het aantal diploma’s.Vanuit D66 waren wij hier altijd al kritisch op en nu zien we dat het ookdaadwerkelijk niet werkt in de praktijk, terwijl het wel zorgt voor meerprestatiedruk voor studenten. Hoe reflecteert de Minister op ditonderzoek? Ziet zij aanleiding om het bsa te overwegen of aan te passen?Goed onderwijs vraagt namelijk om meer dan alleen goede colleges. Pasals de basis op orde is, kan talent echt tot ontwikkeling komen. Dank uwel.De voorzitter:De eerste interruptie is van mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik dank collega Rooderkerk voor haar hele mooie woorden over studentenen talent. Zij had het ook over de afspraken uit het coalitieakkoord die zijnnagekomen. Eén afspraak uit het coalitieakkoord is echter nog steeds nietnagekomen, namelijk de belofte, ook van D66, om een landelijke regelingin te stellen voor Oekraïense studenten. Uit de beantwoording blijkt dat ernu nog geen sprake is van die regeling, maar dat het om een «mogelijke»regeling gaat. Hoe reflecteert het lid Rooderkerk daarop?Mevrouw Rooderkerk (D66):Deze coalitie is net van start, maar het is inderdaad een heel langgekoesterde wens van D66 om een oplossing te vinden voor dezeOekraïense studenten. Daar hebben we in het verleden al voorstellen vooringediend. We zijn ook blij dat Oekraïense studenten vanaf het studiejaar2027 tegen het reguliere tarief kunnen studeren, maar we moetennatuurlijk ook een oplossing vinden voor studenten die dít studiejaar alwillen beginnen. Ik weet dat mevrouw Abdi zich daar ook hard voormaakt. Daarvoor moeten we inderdaad tot een oplossing komen. Ik kijkook zeker de Minister aan, want dit is vooral een geldvraag; het moet ookbetaald worden. Wij hopen dat het lukt om dit op korte termijn mogelijk temaken, zodat studenten zich ook zeker voor het komende studiejaarkunnen aanmelden.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Abdi.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12645 Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Het is vandaag 8 april. 1 mei is de deadline voor heel veel instellingen.Voor die datum kunnen Oekraïense studenten zich aanmelden. Een aantalvan hen heb ik gisterenavond weer gesproken. Heel veel van dezestudenten zijn bezorgd en teleurgesteld. Ze snappen niet waarom dit voorzo veel politiek getouwtrek zorgt – en ik begrijp het ook niet. MevrouwRooderkerk heeft het over Financiën, maar ze maakte net een optelsomvan allerlei dingen uit het coalitieakkoord die wél zijn geregeld metmiddelen. Dit gaat om een relatief klein bedrag, zeker als je kijkt naar debrede inzet voor Oekraïne. Mijn vraag is dus nogmaals: kan ik op het lidRooderkerk rekenen om dit daadwerkelijk te regelen? Ik wil niet dat ditweer verschoven wordt naar een Miljoenennota of dat het een «mogelijk»of «niet» wordt, maar dat men woord gaat houden. Al een jaar geleden iser immers een motie ingediend, maar het is nog steeds niet geregeld. Duswat gaat het lid Rooderkerk er zélf hoogstpersoonlijk aan doen om dit welmogelijk te maken?De voorzitter:Ik merk even op dat dit een vrij lange interruptie was; die telt dus voortwee. Probeer ’m dus te beperken om meer interrupties te kunnen plegen.Mevrouw Rooderkerk (D66):Wat mij betreft gaan wij daar gewoon samen voor zorgen. Zoals ik al zei,is daar in het verleden al een voorstel voor ingediend, dat is aangenomendoor de Kamer en dus moet worden uitgevoerd. Dat is in het vorigekabinet niet gebeurd; daar is alleen maar keihard bezuinigd op onderwijs.We hopen dat het met deze nieuwe begroting wel mogelijk wordt omdaarin te investeren. Ik sluit me dus helemaal aan bij de oproep van het lidAbdi. Ik snap ook dat zij zich zorgen maakt over het tempo; dat deel ik. Ikhoop dus op een antwoord van de Minister, zodat deze studenten zich zosnel mogelijk kunnen inschrijven.De voorzitter:De heer Claassen nog voor een interruptie.De heer Claassen (Groep Markuszower):Even terug naar AI. Ik hoorde mevrouw Rooderkerk zeggen dat het aan deoverheid is om daar richtlijnen voor te maken. Ik zie haar instemmendknikken. Ik kom zelf ook uit het onderwijs. Wij waren daar als onderwijs-kundigen, onderwijswetenschappers, zelf al mee bezig en vroegen ons afof je dat niet beter aan het beroepenveld kunt overlaten in plaats van datde overheid gaat zeggen wat de richtlijnen zouden moeten zijn.Mevrouw Rooderkerk (D66):Helemaal mee eens. We moeten zeker niet hier vanuit Den Haag gaanbeslissen wat die richtlijnen moeten zijn. Mijn oproep is vooral devolgende. Wij hebben heel veel mensen uit het onderwijs gesproken, enallerlei organisaties die bezig zijn met ontwikkeling van AI voor hetonderwijs. Dat gaat van GPT-NL tot de supercomputer in Amsterdam. Ikben daarover dus heel breed in gesprek gegaan. Zij geven allemaal vooralaan: AI is er al, studenten maken daar al ontzettend veel gebruik van, bijdocenten is het wisselend. Sommige docenten kiezen ervoor het helemaalte verbannen uit de klas en te verbieden in de klas, voor zover datüberhaupt kan. Anderen kiezen ervoor om daar opdrachten mee te maken.Anderen moeten er vooral zelf nog induiken om helemaal goed te wetenwat je ermee kan. Wat we vooral zien is dat iedereen zegt: kom nou meteen duidelijke aanpak. Estland is het voorbeeld van een land dat dat wélheeft gedaan. Die hebben een hele duidelijke aanpak; die zijn dus ookonderwijskundig gaan nadenken over hoe je dat kunt inzetten. Dat gebeurtdoor de experts, waar de heer Claassen het terecht over heeft. Men heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12646 daar ook een uitgebreid programma ontwikkeld om onderwijsinstellingendaarbij te ondersteunen. Het nadeel daarvan vind ik dat big tech daarbijheel erg omarmd wordt. Op dat vlak zouden wij onafhankelijker willenzijn. Kortom, ik denk dat het een onderwerp is dat ons allemaal bezigmoet houden, omdat het heel veel betekent voor het onderwijs. Het is inieder geval van belang dat we daar een duidelijke visie op ontwikkelenmet elkaar.De voorzitter:Helder, dank u wel. Ik zie geen vervolginterrupties.Dan is het woord aan de heer De Beer, namens de VVD-fractie.De heer De Beer (VVD):Dank u wel, voorzitter. Voor de VVD staat één ding centraal: goedonderwijs dat mensen voorbereidt op een toekomst met perspectief. Datvraagt om kwaliteit, aansluiting op de arbeidsmarkt en een veiligeleeromgeving. Universiteiten en hogescholen moeten plekken zijn waarstudenten en medewerkers vrij zijn om te leren, te werken en zich uit tespreken – zonder intimidatie, zonder dreiging en zonder uitsluiting. Maarde realiteit is soms anders. We zien demonstraties uit de hand lopen,bezette gebouwen, studenten en docenten die zich soms onveilig voelen.In het bijzonder zijn er signalen dat Joodse studenten zich niet meer vrijvoelen op de campus. Dat is onacceptabel. Demonstreren mag, dat is eengoed recht, maar het is geen vrijbrief voor intimidatie, vernieling of hetontregelen van het onderwijs. De VVD vindt dat er een grens is, een grensdie ook moet worden gehandhaafd. Daarover heb ik een aantal concretevragen aan de Minister. Kan de Minister aangeven wat er concreetgebeurt wanneer demonstraties ontaarden in intimidatie of de bezettingvan gebouwen? Welke instrumenten hebben instellingen om op te tredentegen raddraaiers, die de orde verstoren? Worden deze instrumenten ookdaadwerkelijk gebruikt of wordt er soms nog weggekeken? Vindt deMinister zelf ook dat, als het demonstratierecht wordt misbruikt voorintimidatie en ontwrichting, er dan stevig moet worden opgetreden?Voorzitter. Ik hoor te vaak dat een kleine groep het voor de grotemeerderheid verpest zonder dat er consequenties aan verbonden worden.Dat ondermijnt niet alleen de veiligheid maar ook het gezag van deinstelling. Is de Minister daarom bereid om samen met instellingen tekomen tot een duidelijker en steviger handhavingskader, inclusief sanctiesvoor studenten of derden die zich structureel misdragen? En hoe wordtvoorkomen dat dezelfde personen keer op keer betrokken zijn bijverstoringen, zonder dat er echt wordt ingegrepen?Voorzitter. Vrijheid is geen bijzaak maar een randvoorwaarde. Dat geldtvoor iedereen, maar zeker voor groepen die zich nu aantoonbaar onveiligvoelen. De Taskforce Antisemitismebestrijding is daar helder over. Devraag is wat we daarmee gaan doen. Wanneer komt de wet zorgplichtveiligheid naar de Kamer?Voorzitter. We leiden nog te vaak op voor sectoren waar weinig vraag naaris, terwijl de tekorten in techniek, zorg, onderwijs en defensie alleen maaroplopen. De VVD vindt dat arbeidsmarktrelevantie zwaarder zou moetenwegen: bij accreditaties, bij studiekeuzevoorlichting, maar ook bij debekostiging. Want laten we eerlijk zijn: zolang instellingen vooral wordenbekostigd op basis van aantallen studenten sturen we op volume en nietop de maatschappelijke behoefte. Dat wringt.De voorzitter:Meneer De Beer, ik zie een interruptie van de heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12647 Ik kan het volgen, maar je hebt natuurlijk ook veel opleidingen die nietdirect maatschappelijk nut hebben, zoals de studie Hittitisch. Hoe ziet deVVD dat dan? Die mogen er toch ook zijn?De heer De Beer (VVD):Jazeker. Ik had het net ook over de maatschappelijke behoefte; daar ziteen arbeidsmarktbehoefte en -relevantie, maar ook een wat brederemaatschappelijke behoefte aan vast. het is dus beide: economisch enmaatschappelijk. Daarover een vraag aan de Minister.De voorzitter:Meneer Claassen heeft een interruptie.De heer Claassen (Groep Markuszower):Op hetzelfde onderwerp. De heer De Beer had het over accreditaties vooropleidingen die misschien minder aan de markt hangen. Bedoelt de VVDdan accreditaties voor opleidingen die al bestaan en om de vijf jaar eenNVO-accreditatie moeten doorlopen? Of gaat het over de CDHO, die overde doelmatigheid in het hoger onderwijs gaat? Dat betreft nieuweopleidingen. Ik hoop dat daar onderscheid tussen gemaakt wordt.De heer De Beer (VVD):Ja. Wij komen beiden uit het onderwijs, en ook nog uit dezelfde instelling.Bij nieuwe opleidingen gaat het over de macrodoelmatigheid; dat is eenzwaardere toets. Maar ook bij heraccreditaties moeten opleidingen goedde relevantie voor hun werkveld kunnen onderbouwen. Wat ons betreft ishet dus beide.De heer Claassen (Groep Markuszower):Daarmee wordt dus expliciet gezegd dat we bestaande opleidingen, diehet eigenlijk goed doen, op basis van een standaard die nog niet bestaat,gaan afschaffen. Dat kan toch nooit de bedoeling zijn?De heer De Beer (VVD):Dan heeft mijn collega me verkeerd beluisterd, want ik heb het niet gehadover afschaffen; ik heb het erover gehad dat opleidingen goed moetenkunnen onderbouwen wat hun relevantie is voor het werkveld. Datbetekent soms ook dat je gaandeweg in je curriculum aanpassingen doetdie beter aansluiten op het werkveld. Volgens mij is dat niks nieuws.De voorzitter:De heer Claassen, afsluitend.De heer Claassen (Groep Markuszower):Dat klopt, want dat is wel een van de standaarden. Met dat antwoord isuiteindelijk toch enige nuance aangebracht in wat net in de spreektekstwerd gezegd. Dat waardeer ik zeer van de collega.De heer De Beer (VVD):Die nuance zat er al in. Maar goed, het is maar net hoe je ’m wil horen.De voorzitter:U heeft nog een minuut.De heer De Beer (VVD):Daarom mijn vraag aan de Minister: hoe gaat zij ervoor zorgen datprikkels in het systeem daadwerkelijk sturen op opleidingen metperspectief op werk? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met regio’swaar het aanbod onder druk staat, maar waar juist behoefte is aan goedopgeleide mensen? Denk daarbij aan de krimpregio’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12648 Voorzitter. De VVD wil af van de wedloop om studentenaantallen en naarsamenwerking en specialisatie. Niet meer van hetzelfde, maar gerichtekeuzes die passen bij de arbeidsmarkt van morgen.Voorzitter, tot slot. Goed onderwijs vraagt om duidelijke keuzes voorkwaliteit, relevantie en veiligheid, zodat studenten niet alleen hun diplomakunnen halen, maar ook in een veilige omgeving worden voorbereid opeen toekomst waarin ze daadwerkelijk aan de slag kunnen.Dank u wel, voorzitter.De heer Ergin (DENK):De heer De Beer gaf aan dat we niet moeten sturen op volumes. We wetenechter dat het bsa voor onderwijsinstellingen inmiddels een instrument isgeworden om te sturen op rendement, maar ook om te sturen opleerlingenaantallen. Ik vroeg me af of de VVD nieuwe inzichten heeftopgedaan naar aanleiding van de ontwikkelingen van vorige week op hetgebied van het afschaffen van het bindend bsa.De heer De Beer (VVD):Nee, volgens mij is het ook belangrijk om te kijken naar het rendement ennaar de voortgang van studenten. Het bsa kan daar een middel in zijn. Hetis daarin niet heilig. Je ziet inderdaad dat instellingen daarmee experi-menteren en dat op een andere manier invullen. Die vrijheid vinden weprima, maar we zijn er geen voorstander van om het bsa zomaar af teschaffen.De heer Ergin (DENK):Dat is gek, ook op basis van wat de heer De Beer aangeeft, want dat geefteigenlijk aanleiding om dat bindend bsa af te schaffen. Uit onderzoekonder 712.000 studenten blijkt namelijk dat het bsa niet leidt tot studie-succes, maar tot verspilling van talent. Het is dus een instrument om testuren op volume en rendement. Dat willen we niet. We willen destudenten helpen. We willen dat ze sneller hun studie halen. Ook dat doelwordt niet behaald. Het leidt eigenlijk aan beide kanten niet tot hetgewenste resultaat. Zou het niet mooi zijn om juist dit moment aan tegrijpen om het bsa af te schaffen?De voorzitter:Ik geef u aan dat u een vrij lange interruptie had. We werken hier met eenpilot waarbij het aantal seconden telt. Als u boven de 30 seconden zit, dantelt het als twee interrupties. Na vier interrupties zijn uw interrupties op.Anders kunt u zo veel interrumperen als u maar wil. Wellicht had u datniet meekregen toen u deze zaal binnenkwam?De heer Ergin (DENK):Voorzitter, dat klopt. Ik wist niet dat er een pilot was. Ik had begrepen dateen interruptie 45 seconden mag duren. Ik ben de interruptie ook aan hettimen. Het is nu dus 30 seconden geworden?De voorzitter:Het is 30 seconden, maar ik stel voor dat we de heer Ergin vergeven op ditpunt. Ja, er is vergiffenis geschonken. We gaan nu naar de heer De Beer.De heer Ergin (DENK):Dank voor de coulance, voorzitter.De heer De Beer (VVD):Met een bsa was die vergiffenis waarschijnlijk niet gegeven.(Hilariteit)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12649 De heer De Beer (VVD):Maar goed, ik denk dat het belangrijk is om naar dat onderzoek te kijken.Welke lessen halen we daaruit? Wat betekent dat voor het stelsel? Maardat is wat ons betreft te kort door de bocht om meteen te zeggen: weschaffen het bsa generiek af. Het kan wel degelijk een middel zijn om testuren op rendement, op studievoortgang. Zo zien we het middel ook,zonder dat we zeggen dat het door alle hogescholen op eenzelfde maniermoet worden ingevuld.De voorzitter:Oké, helder. U was aan het einde van uw betoog gekomen, denk ik. Deheer Claassen en mevrouw Keijzer zijn officieel geen lid van dezecommissie, maar ik ga ervan uit dat u er geen bezwaar tegen heeft dat zijhier spreken. Dan geef ik nu de heer Claassen het woord.De heer Claassen (Groep Markuszower):Dank u wel, voorzitter. Ik wil het over drie dingen hebben, namelijk hetprofessionele doctoraat, het bindend studieadvies en de veiligheid oponderwijsinstellingen. Dit kabinet zet stevig in op praktijkgerichtonderzoek en wil het professionele doctoraat wettelijk verankeren.Daarmee ontstaat feitelijk een aparte doctoraatroute binnen het hbo. Wijonderschrijven de grote toegevoegde waarde van hoogwaardig praktijk-gericht onderzoek, maar het creëren van een tweede, parallelle doctoraat-sstructuur naast de universitaire promotie roept veel vragen op.In 2002 hebben we in het Nederlandse hoger onderwijs bewust gekozenvoor helderheid en internationale herkenbaarheid met de invoering vande bamastructuur. Die structuur zou lineair en eenduidig moeten gelden.Een apart hbo-doctoraat leidt tot verdere versnippering van ons stelsel enondermijnt de duidelijkheid juist: het is dan alleen in Nederland duidelijkmaar daarbuiten niet meer. Bovendien bestaat het risico op niveau-inflatie. De Minister stelt dat het doctoraatsniveau voldoet aan deacademische standaard en daarom verankerd wordt. Juist daarom vraagik waarom we dan niet kiezen voor integratie in de bestaande universitairepromotieroutes.Praktijkgericht onderzoek kan uitstekend plaatsvinden binnenPhD-trajecten, in samenwerking met universiteiten, hogescholen enwerkveld. Ik heb daar talloze voorbeelden van gezien de afgelopen jarenen het gebeurt ook in toenemende mate. Zo houden we één kwaliteits-kader, één internationale standaard en een eenduidige titel, namelijk detitel van doctor. Daarom willen we graag van de Minister weten waaromzij kiest voor een aparte hbo-route in plaats van volledige integratie in hetbestaande promotiesysteem. Bent u bereid het professionele doctoraatonder universitaire regie te gaan organiseren? En bent u eigenlijktevreden over het praktijkgericht werk dat PhD-studenten tegenwoordigverrichten?Wat ook sterk varieert, is het bindend studieadvies, het bsa. Uit verschil-lende onderzoeken blijkt dat de uitvoering ervan grote diversiteit kent,zowel tussen hogescholen en universiteiten als tussen opleidingen enbijvoorbeeld faculteiten. De vraag is: past de keuze echt bij maatwerk voorde student, afgestemd op het curriculum en het assessmentprogrammadat erbij hoort, of is het vooral gemakkelijk voor de instelling zelf? ZuydHogeschool presenteerde vandaag de positieve effecten van het werkenmet een persoonlijk studieadvies, het psa. Is de Minister daarmee bekend?Zijn er andere opleidingsinstituten naast Zuyd Hogeschool die daarervaring mee hebben? Zou een landelijke richtlijn voor zo’n psa dan nieteen beter alternatief kunnen zijn voor het huidige bsa?Dan nog even terug naar de veiligheid op onze universiteiten. De Ministerheeft de Kamer geïnformeerd over de bezetting van een universiteitspandin Utrecht, waarbij onderwijs geen doorgang kon vinden. Deze ontwik-keling staat niet op zichzelf. Door jarenlang te kiezen voor de-escalatie enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126410 dialoog en door activistische groepen alle ruimte te geven, zijn grenzenvervaagd. Besturen grijpen te laat in, terwijl bezettingen, intimidatie enverstoring van het onderwijs veel te lang duren. De Universiteit Utrechtdeed uiteindelijk aangifte en zette stappen richting ontruiming, maar pasnadat het onderwijs al langdurig was verstoord. Dat laat zien dat deinstrumenten er wel zijn, maar dat tijdige handhaving ontbreekt. Te vaaklijkt de veiligheid van de bezetters het uitgangspunt te zijn van het beleid.En over veiligheid gesproken: is de Minister bekend dat bij de recentebezetting van de Universiteit Maastricht, waar wij het vorige week overhadden, de bezetters waarschijnlijk kennis hadden van het gegeven dathet gebouw via het Medisch Centrum toegankelijk was? Dat zijn tweeaparte stukken. Eigenlijk had dat middendeel beveiligd moeten zijn, maarblijkbaar was dat dus niet zo. Als je die route bewandelt, dan kom je uit bijde MRI’s en bij het cryolab, waar het onveilig werd. Dat had volgens onsvoorkomen kunnen worden. Toch is daar niets aan gedaan. Ik benbenieuwd hoe de Minister dat ziet. Is de Minister bereid landelijkeminimumnormen vast te stellen voor handhaving en ordeherstel op decampussen?Dat was mijn bijdrage, voorzitter.De voorzitter:Geweldig, binnen de tijd.Mevrouw Rooderkerk (D66):De heer Claassen zei over de demonstraties en de veiligheid daaromheen«kennelijk is daar niets aan gedaan». Ik zag in de berichtgeving dat datgebouw om 17.00 uur al ontruimd is door de politie en dat er ookaanhoudingen zijn verricht. Wat bedoelt de heer Claassen dan precies metwat hij zei?De heer Claassen (Groep Markuszower):Dat klopt, er is wat aan gedaan, maar niet om te voorkomen dat het zoverkon komen. Het punt dat ik wilde inbrengen, is dat het volgens mijmogelijk was geweest om de bezetters te weren uit delen van degebouwen waar zij niet horen te zijn. Als ze buiten gaan demonstreren:doe je best en laat je stem horen, maar ga niet ... Daarom zijn het ookeigenlijk bezetters. Daarom is wat er is gebeurd ook heel kwalijk en heelschadelijk voor de maatschappij. Er werd een gebouw bezet en zeprobeerden via een slinkse weg ergens binnen te komen. Dat heet volgensmij indringing en dat had voorkomen moeten worden. Volgens mij haddat ook voorkomen kunnen worden. Daarom de vraag aan de Minister.Volgens mij moet in alle veiligheidsprotocollen geborgd zijn dat zo’ndoorbraak binnen de organisatie voorkomen kan worden. Blijkbaar is datniet gelukt. Ik bedoel het meer in preventieve zin dan dat mensenuiteindelijk opgepakt worden en achter slot en grendel zitten. Ik hoopoverigens dat ze daar dan ook nog vele jaren mogen blijven zitten.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik hoor u zeggen dat u wel blij bent met hoe er is opgetreden maar dat uvooraf meer had gewild. Wat stelt u zich daar dan bij voor? Moet er danoveral een politiepost staan? Ik probeer even te bedenken hoe je zoietskunt voorkomen volgens de heer Claassen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Je moet voorkomen dat ... Als mensen willen demonstreren, moeten zedat eerst aangeven. Dat lijkt mij het andigst. Dat hoeft niet, maar dat lijktme wel zo net. Dan doe je dat vervolgens op een plek die veilig is en ga jeniet een gebouw binnen. Als er zoiets gaat gebeuren, als er meldingenzijn, moet je niet lekker afwachten totdat ze in het gebouw zijn. Je moet zegewoon van straat vegen. Het maakt me niet uit hoe, maar zorg ervoor datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126411 ze het gebouw niet in komen. Als ze dat met één voet weldoen ... Iedereen die dat heeft gedaan, moet wat mij betreft wordenopgepakt en berecht. Je moet niet gaan onderhandelen. Vergeet niet,eerst was er nog een poging om te gaan onderhandelen. Onderhandelen!Ga onderhandelen met bezetters. Ik weet niet waar we vandaan komen,maar als je gaat onderhandelen met bezetters, dan sta je al met 10–0achter. Wij staan telkens 10–0 achter. Het zit ’m dus niet alleen inpreventie, maar ook in het niet onderhandelen. Wegjagen die hap en als jeze in de kraag kunt grijpen, oppakken en in de gevangenis gooien.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk, afsluitend.Mevrouw Rooderkerk (D66):Het klinkt allemaal heel streng, maar feitelijk is er gewoon gehandeld.Volgens mij kan dat rekenen op de goedkeuring van de heer Claassen.Ook wij maken ons zorgen over de veiligheid en over een goede toegangtot onderwijs. Wij vinden het echter ook belangrijk dat het demonstratie-recht overeind blijft. Volgens mij is in dit geval juist goed omgegaan metdie balans.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ja, demonstreren is prima, maar bezetten is gewoon laakbaar enschadelijk voor de maatschappij. Maar tegenwoordig is bezetten ook aldemonstreren. Als we het met elkaar eens zijn dat bezetten niet demon-streren is en dat het binnendringen van gebouwen geen demonstratie isen als we met elkaar erkennen dat gaan onderhandelen niks te makenheeft met demonstreren ... Dit is onderhandelen met bezetters. Degeschiedenis heeft geleerd waar dat toe leidt.De heer Ergin (DENK):Wat ik heel goed vind aan het verhaal van de heer Claassen, is dat hijtegen bezetting is en dat hij op zoek is naar een manier om te voorkomendat demonstraties uit de hand lopen. Zou het met het oog op eenpreventieve werking geen goed idee zijn om de universiteiten te vragenom te stoppen met de samenwerking met de bezetter van de Palestijnsegebieden? Zou dat geen betere oplossing zijn dan een discussie voerenover de vraag of studenten al dan niet bezetters zijn? We zeggen gewoon:bezetten is niet goed en daarom gaan we onze universiteiten vragen omde samenwerking met de bezetter te stoppen.De voorzitter:Dit was een lange interruptie.De heer Claassen (Groep Markuszower):Een heel lange interruptie en ook mooi om te zien dat je als volksverte-genwoordiger in staat bent een onderwerp helemaal om te buigen naar jeeigen achterban. Mijn oproep aan de meneer van DENK is om zijnachterban – daar wil ik de discussie verder bij laten, omdat we anders teveel afwijken van waar dit debat over gaat – op te roepen om weg teblijven bij dat soort instellingen en om hun Palestinavlaggetjes in hunbroodtrommeltje te stoppen en op zolder te leggen. Dan wordt het eenstuk rustiger in Nederland. Ik vraag u dus: roep uw achterban op om tegaan werken of te studeren, maar op te houden met de boel te bezetten.De voorzitter:Ik wil even opmerken dat we via de voorzitter discussiëren. We hebbenook allemaal een achternaam gekregen en we noemen elkaar bij dieachternaam. Meneer Ergin, heeft u nog een vervolgvraag? We moetenanders verdergaan met het debat en ook een beetje binnen de lijnen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126412 het debat blijven. Dank u wel. Meneer Boomsma, aan u het woord vooruw eerste termijn.De heer Boomsma (JA21):Dank, voorzitter. Komende dinsdag gaan wij spreken over het rapport overantisemitisme. Dan zal ik nader ingaan op de kwesties omtrent bezet-tingen. Overigens, wat ons betreft moet dat afgelopen zijn, laat dat helderzijn. Als je iets bezet, is dat iets anders dan demonstreren. Dat is in strijdmet de wet. Je krijgt dan één kans om vrijwillig weg te gaan en andersmoet er wat ons betreft gewoon worden opgetreden. Dan moeten mensenworden vervolgd en bestraft.De voorzitter:Er is een interruptie van mevrouw Rooderkerk van D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dit was het betoog. Nee hoor. Ik probeer even te begrijpen wat dan hetverschil is tussen bezetten en demonstreren. Waar in het demonstratie-recht vind ik dit terug?De voorzitter:Ik wil nogmaals oproepen om het wel binnen de lijnen van het debat tehouden. Maar goed, prima. De heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Nee voorzitter, een hele goede vraag. Demonstreren mag, maar je moet jewel aan de wet houden. Het bezetten van andermans pand is in strijd metde wet. Daar moet tegen worden opgetreden, zeker als je anderen ervanweerhoudt om onderwijs te volgen. Gelukkig is dat hier en daar ook welgedaan; inderdaad in Maastricht. Wat ons betreft moet je dit nadrukke-lijker gaan onderscheiden. Je mag demonstreren, maar daarbij mag jeanderen niet ervan weerhouden om onderwijs te genieten. Daar moet heteen keertje klaar mee zijn.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dit verduidelijkt het al wat. Eens, het baart mij ook zorgen dat heel veelonderwijs wordt belemmerd. Demonstreren mag, maar doe dat dan opeen manier die het onderwijs niet belemmert. Daar kunnen we elkaarvinden. Het lijkt me wel goed dat we vasthouden aan het demonstratie-recht en daarbij bestuurlijke moed betrachten, zoals ook de TaskforceAntisemitismebestrijding aangaf.De heer Boomsma (JA21):Daar ben ik het helemaal mee eens. Dat gesprek zullen we dinsdagkunnen voortzetten, denk ik. Voor nu wil ik het hebben over de vraag vanmevrouw Rooderkerk ...De voorzitter:Er is toch nog een interruptie, meneer Boomsma. Mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ik hoor deze discussie zo eens aan. We gaan elkaar doormidden zagenover het recht op demonstratie versus huisvredebreuk, maar moeten wedeze discussie niet op een andere manier gaan voeren, en wel als volgt?Wij hebben hier een Tweede Kamer, ook een openbaar gebouw, maar wehebben wel huisregels: je demonstreert niet in het gebouw van de TweedeKamer. Op universiteiten wordt onderzoek gedaan en wordt onderwijsgegeven. Waarom vragen we niet aan de Minister om huisregels op testellen, in gesprek te gaan met de besturen en er gewoon voor te zorgendat dit – hoe zeg je dat netjes? – geëmmer een keer afgelopen is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126413 De voorzitter:Ik merk even op dat dit een lange interruptie was en dus voor twee telt.De heer Boomsma (JA21):Hier ben ik het helemaal mee eens. Iedereen in Nederland erkent dat errecht is op demonstreren. Dat geldt natuurlijk ook voor studenten enmedewerkers. Maar er is gewoon een verschil tussen demonstreren eneen pand bezetten. Elke universiteit heeft inderdaad huisregels. Daar heeftmen zich aan te houden. Het zou heel goed zijn als die huisregelsnadrukkelijker worden gehandhaafd. Dat betekent dat mensen duidelijkwordt gemaakt dat ze niet panden mogen bezetten, anderen in die pandenlastigvallen en verhinderen dat ze onderwijs genieten of onderzoek doen.Afgelopen maanden en jaren is het volstrekt uit de hand gelopen. Het zouheel goed zijn als wij daar een keer paal en perk aan gaan stellen en datsignaal heel duidelijk geven vanuit de Tweede Kamer. Daar ben ik het dusmee eens.De voorzitter:Mevrouw Keijzer?Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Nee, geen interruptie meer, wel een punt van orde. Hoelang mag eeninterruptie zijn om nog kort te zijn? Dat was mij niet duidelijk.De voorzitter:30 seconden.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Nou, ik denk dat wij – ik kijk naar meneer Ergin – niet blij zijn met dit ...De voorzitter:Nou, we hebben het debat nog niet afgemaakt. Ik zou zeggen, wachteventjes tot het eind en probeer het kort te houden. Dat komt het debatecht ten goede.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, steun voor mevrouw Keijzer.De voorzitter:Dat was niet aan de orde, meneer Ergin, maar jullie zijn het fantastischeens met elkaar. Meneer Boomsma, aan u het woord.De heer Boomsma (JA21):Dank. Ik wil me ook aansluiten bij het verzoek van mevrouw Rooderkerkover een AI-strategie. Zoals ik vorige week ook al heb aangegeven, zul jeernaartoe moeten dat meer werk onder toezicht op de universiteit wordtverricht als het gaat om het schrijven van opstellen. Dat is heel belangrijk.Examineren zul je op een andere manier moeten inrichten.Vorige week heb ik ook al een aantal prioriteiten van JA21 genoemd wathet hoger onderwijs betreft: meer geld en meer ruimte voor ongebondenonderzoek, voor fundamenteel onderzoek en voor academische vrijheid,en minder regeldruk en bureaucratie. In dat kader is het goed om te kijkennaar het huidige stelsel voor kwaliteitszorg en de rol van de visitatiesdaarin. Nu is het om de zes jaar voor onderwijs én onderzoek. Instellingenkrijgen dus elke drie jaar een visitatie. Dat zorgt voor heel veel regeldruk,administratieve lasten en stress. Het kabinet schrijft zelf dat er nu veel tijdverloren gaat met verplichte activiteiten die niet bijdragen. Daar ben ik hetmee eens. In meerdere onderzoeken is dat ook geconstateerd, al jaren. Dehuidige praktijk leidt gewoon tot hoge regeldruk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126414 Natuurlijk is een bepaalde vorm van extern toezicht heel belangrijk. Hetgaat om belastinggeld en het is belangrijk dat de kwaliteit wordt geborgd.Het risico is wel dat allerlei mensen elkaar bezighouden om een papier-molen draaiende te houden. Dat leidt juist af van de eigen verantwoorde-lijkheid en van de kwaliteit. De vorige Minister wilde niet door met deinstellingsaccreditatie maar binnen het bestaande stelsel blijven. Hoe zietdeze Minister dat? Uit eerder onderzoek naar extern toezicht bleken erjuist wel voordelen te zitten aan instellingsaccreditatie. Wat wil hetkabinet? Wij willen in ieder geval voorstellen om, ook als je binnen hethuidige stelsel blijft, de frequentie van de visitaties wel aan te passen,zodat je niet elke drie, maar elke vier of vijf jaar ermee te maken hebt. Datgeeft al heel wat lucht. Als er reden tot zorg is, moet je natuurlijk altijdkunnen ingrijpen. Ik hoor graag hoe anderen daarover denken. Tenaanzien van de onderzoeksvisitaties wil ik het volgende zeggen. Quaonderzoek heb je dan het SEP, het Strategy Evaluation Protocol. Dat is netvernieuwd. Dat roept ook wel vragen op, want naast drie kwaliteitscriteriaheb je ook verschillende aspecten en een van die aspecten is weerdiversiteit. Maar het gaat dan weer om etnische diversiteit. Het gaat nooitover standpuntdiversiteit. Ik vind dat dat daarbij hoort. Er is dan ook deInspectie van het Onderwijs. Je hebt dus die examencommissies. Voor datlaatste is er nu een rapport met 44 aanbevelingen, waaronder drie voorOCW. Ik ben dus ook benieuwd wanneer daar een reactie op komt. Watwordt er nou mee gedaan?Wat gaat er nou gebeuren met de Wib, met het voorstel omtrent deinternationalisering? JA21 vindt het nog steeds van groot belang om depositie van het Nederlands te versterken. Universiteiten geven nu aan datze afzien van het eerdere aanbod om opleidingen om te zetten, omdat dietaaltoets nu sowieso zou worden geschrapt. Er is nog helemaal niet overbesloten. Wij vinden dat Nederlands echt belangrijk. Sowieso heb jenatuurlijk een hele discussie over de demografische verandering, dedaling van het aantal studenten en de financiering. Wij vinden dat je eenstabiele, toekomstgerichte financiering moet hebben die minder afhan-kelijk is van het aantal studenten.Dan nog even over de compensatie van studenten die een bezoek kregenom te controleren of ze recht hadden op zo’n uitwonende beurs. Hoecontroleert DUO dat nu? JA21 is niet tegen risicogedreven selectie, als diemaar eerlijk tot stand komt. Als mensen onterecht zijn aangewezen alsfraudeur, dan moeten ze zeer ruimhartig worden gecompenseerd. Mij isnu niet duidelijk om hoeveel mensen dat gaat en wij zijn er niet voor ommensen te compenseren die alleen een huisbezoek hebben gekregen ofmogelijk wel hebben gefraudeerd. Bovendien lijken uitvoeringskosten van40 miljoen en totale lasten van 80 miljoen ons ook gewoon onverstandig,dus wij zouden zeggen: ga dat heroverwegen, want daar zijn we niet voor.De voorzitter:Dank u wel. De heer Van Houwelingen heeft een interruptie.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik heb een korte vraag. Ik herken natuurlijk volledig dat de standpuntendi-versiteit op universiteiten nogal gering is. Dit is een open vraag, hoor,maar heeft de heer Boomsma hier wellicht een verklaring voor?De voorzitter:Meneer Boomsma, wat is de verklaring?De heer Boomsma (JA21):Ik denk dat dat te maken heeft met een aantal dingen. Ten eerste is eronder alle instellingen waar mensen bij elkaar zitten altijd de neiging toteen vorm van conformisme. Dat kan ertoe leiden dat mensen in bepaaldevakgroepen op een gegeven moment op zoek zijn naar mensen dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126415 dezelfde standpunten hebben als zij en die vervolgens sneller een kansgeven voor een positie op de universiteit, voor een promotieplek of vooreen functie. Zo krijg je mechanismes die daartoe leiden. Daarom is hetgoed om daar bewust van te zijn en te kijken hoe je er nou voor zorgt dater ook genoeg ruimte is voor diversiteit aan standpunten. Dat komtnamelijk uiteindelijk het hele academische denken en de academischevrijheid zeer ten goede.De heer Van Houwelingen (FVD):Tot slot op dit punt. Dit is ook weer een open vraag. Heeft JA21 wellichtnog een suggestie voor hoe we dit grote probleem op de universiteitenzouden kunnen doorbreken?De heer Boomsma (JA21):Ik denk dat het in ieder geval heel belangrijk is om het erover te hebben.Er wordt natuurlijk nu een onderzoek gedaan. Daar hebben we het vorigeweek ook over had. Dan wordt het nog wat nader bekeken. Ik denk dat hetook goed zou zijn om in de Wet op het hoger onderwijs een bepaling op tenemen dat de universiteiten een zorgplicht hebben ten aanzien vanstandpuntdiversiteit en een bepaalde pluriformiteit. Dan heb je in iedergeval ook een wettelijk uitgangspunt om mensen op aan te spreken.Mevrouw Rooderkerk (D66):Zou het dan ook kunnen helpen als meer vrouwen in de wetenschap doorkunnen stromen?De voorzitter:U wordt bevraagd, meneer Boomsma. We zijn erg benieuwd naar uwreactie.De heer Boomsma (JA21):Wij steunen de aanwezigheid van meer vrouwen in de wetenschap zeer.Nederland scoort internationaal gezien wat dat betreft natuurlijk laag,zeker binnen Europa. Er zijn ook Zuid-Europese landen waar meervrouwen on de universiteiten op onderzoeksposities terechtkomen. Hetzou inderdaad goed zijn als daarnaar zou worden gekeken. Maar dat staatlos van de vraag naar standpuntdiversiteit, want vrouwen kunnennatuurlijk verschillende standpunten hebben.De voorzitter:U leert hier van alles als u op de publieke tribune zit.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik kan het niet laten, omdat JA21 tegen de motie van Faber over detransgendervrouwen in gevangenissen heeft gestemd. Wat is dan eenvrouw?De voorzitter:Meneer Boomsma, afsluitend.De heer Boomsma (JA21):Dit is ook een hele interessante discussie. Ik heb daar een documentaireover gezien. Daar wordt in het Engels de definitie gegeven van «adulthuman female». Volgens mij kan de heer Van Houwelingen die ook naarhet Nederlands vertalen. Wat de motie over transgenders betreft: daarmoeten we zeer voorzichtig mee zijn. We weten dat er incidenten zijngeweest waarbij er vrouwen zijn verkracht door transgenders metmannelijke genitaliën in vrouwelijke gevangenissen. Dat moet je natuurlijkte allen tijde voorkomen. Alleen, er zijn ook transgenders die wel degelijkeen fysiek proces hebben ondergaan, waardoor ze die lichaamsdelen nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126416 meer hebben. Die zou je misschien weer niet in de mannengevangenissenwillen zetten. Die motie van mevrouw Faber was dus net weer wat kortdoor de bocht. Maar dat is een andere discussie.De voorzitter:Dank u wel. We gaan nu echt naar mevrouw Raijer. Dat lijkt me beter.Mevrouw Raijer, aan u het woord.Mevrouw Raijer (PVV):Voorzitter. We zien een overheid die zegt het systeem te willen verbeteren,maar ondertussen blijven de verschillen bestaan. Allereerst wil ik deaandacht vestigen op de grote verschillen tussen het mbo en het hogeronderwijs. In het coalitieakkoord wordt met grote woorden gesteld datstuderen in het mbo gelijkwaardig is aan studeren in het hbo of het wo.Het kabinet benadrukt hiermee dat iedere student dezelfde kansen enmogelijkheden zou moeten hebben, ongeacht de onderwijsvariant die zijvolgen. In de praktijk blijkt echter dat dit nog niet het geval is. Deverschillen qua financiering en randvoorwaarden blijven groot, waardoormbo-studenten vaak structureel minder mogelijkheden hebben dan hunhbo- of wo-collega’s. Wat wil deze Minister nou veranderen om ervoor tezorgen dat de gelijkheid tussen mbo, hbo en wo op orde komt?Een ander voorbeeld van ongelijke behandeling zien we bij de studiefinan-ciering binnen het Koninkrijk. Studenten op de BES-eilanden ontvangeneen hogere prestatiebeurs dan studenten in Nederland. Zij krijgen zelfseen aanzienlijk bedrag voor studies in bijvoorbeeld Amerika en Canada.De PVV is daar heel duidelijk over: één Koninkrijk, één systeem, gelijkeregels voor iedereen. Is deze Minister bereid om dit aan te passen, zodatiedereen een gelijke prestatiebeurs ontvangt? Ik wil daar wel bij opmerkendat dit niet over de aanvullende opstarttoelage voor de BES-eilanden gaat.Dan de pechgeneratie: die verdient natuurlijk ook onze aandacht. Vorigesprekers hadden het er ook al over. Studenten die jarenlang onder hetleenstelsel vielen, kregen € 2.000 compensatie, maar dat dekt bij lange naniet de schade. Sterker nog: zij betalen nog steeds rente over hunstudieschuld. Wij vinden dit niet rechtvaardig. Deze studenten hebben nietalleen pech gehad; zij betalen daar nog elke maand de prijs voor. Is deMinister bereid om te onderzoeken wat het kost om de rente voor dezegroep volledig te laten vervallen?Dan de discriminatie bij DUO. Het is goed dat de overheid de slachtofferscompenseert. Tegelijkertijd is het van groot belang dat de 80 miljoen diehiervoor is gereserveerd, terechtkomt bij de mensen die daar recht ophebben. Hoe gaat de Minister garanderen dat deze schadevergoeding bijde slachtoffers terechtkomt en niet bij fraudeurs of bureaucratischetussenlagen? Is het dossier na deze schadevergoeding dan ook definitiefgesloten?Voorzitter. Tot slot de broodnodige modernisering van de ICT-systemen bijDUO. De migratie van cruciale systemen naar een nieuwe cloudomgevingis «vastgelopen in een moeras van bureaucratie, technische discussies eneen gebrek aan regie», zoals Dutch IT Leaders recent prachtigverwoordde. Het kan en mag niet de bedoeling zijn dat we blijven werkenmet een dubbele infrastructuur waardoor de kosten verder oplopen.Daarom heb ik de volgende vragen aan de Minister. Wanneer kunnen wijconcrete resultaten verwachten? Wat zijn de totale kosten van dit traject?En misschien nog wel belangrijker: wat zijn de consequenties als wenietsdoen? Kunt u ervoor zorgdragen dat alle afdelingen van DUO opdezelfde wijze met ICT gaan werken en niet dat de een bezig is metmodernisering en de ander vasthoudt aan oude systemen.Dank u wel.Mevrouw Rooderkerk (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126417 Ik hoorde een pleidooi voor studenten. Ik vroeg mij af of de PVV ook vindtdat het bindend studieadvies een begeleidend studieadvies zou moetenworden voor studenten, omdat het hun nu veel stress geeft maar ook nogeens geen studiesucces oplevert.Mevrouw Raijer (PVV):Dank u wel voor uw vraag. Daar kan ik kort en krachtig over zijn: daar benik het mee eens.De voorzitter:Kijk eens aan. Dan gaan we verder met de heer Hamstra, van deCDA-fractie. Aan u het woord.De heer Hamstra (CDA):Voorzitter, dank u wel. Ik mag hier invallen voor collega Armut omdat zijnu in de plenaire zaal is. Mooi om bij dit commissiedebat te mogen zijn.Voorzitter. Wij leren niet voor school maar voor het leven. Dat is niethelemaal precies zoals Seneca het rond 65 na Christus zei, maar het is welprecies zoals ik onderwijs zie. Het is niet alleen een plek waar je leertlezen, schrijven, rekenen of later Nederlands en wiskunde, maar ook eenplek van verwondering. Een plek waar je jezelf, je interesses, je talentenleert kennen. Het is ook de plek waar je leert hoe je jezelf tot anderenverhoudt. Dit gebeurt in de klas, maar ook tijdens vakken als maatschap-pijleer en burgerschap. Mijn studententijd heb ik doorgebracht inAmsterdam, Utrecht en Rotterdam. Als jongen uit de provincie heeft dezetijd mij gevormd tot wie ik nu ben. Ik leerde op mezelf te wonen, kreegeindelijk door wat ik met mijn studie precies kon worden en kreeginteresse voor politiek. Best bijzonder waar dat laatste toe geleid heeft.Voorzitter. Ik wil het vandaag hebben over drie onderwerpen: opleidenvoor de toekomst, een Leven Lang Ontwikkelen en studiefinanciering. Ikbegin met opleiden voor de toekomst. Zoals ik al zei is de studententijdeen vormende tijd in je leven. Voor velen is dit het moment om op eigenbenen te leren staan en heel veel te leren in korte tijd, zowel binnen alsbuiten de muren van de hogeschool of universiteit. De studie die je volgt,is vaak in grote mate bepalend voor het soort werk dat je daarna gaatdoen. Voor het CDA is het belangrijk dat we studenten goed begeleiden bijhet maken van deze keuzes. Op die manier kunnen zij gericht kiezen voorde baan waarmee zij een bijdrage kunnen leveren aan de samenleving enaan de economie van de toekomst. In het coalitieakkoord zijn afsprakengemaakt over het geven van voorlichting over baankansen na de studie enhet sturen van de studiekeuze via de talentstrategie. Hoe borgt de Ministerde aansluiting tussen opleidingen die studenten kiezen, en wat dearbeidsmarkt van de toekomst vraagt?Voorzitter. Dan een Leven Lang Ontwikkelen. Zoals ik net schetste, zal destudie voor een groot deel bepalen wat voor beroep een student gaatbeoefenen. Tegelijkertijd verandert de samenleving snel en vraagt dat, ookals je je hele leven hetzelfde beroep uitoefent, om een Leven LangOntwikkelen. Daarom wil ik graag stilstaan bij de rol van hogeronderwijs-instellingen in het vormgeven van een samenleving waarin eenieder diedat wil zich een leven lang kan ontwikkelen. Hoe gaat het kabinet ervoorzorgen dat het LLO-onderwijs aan hogeronderwijsinstellingen comple-mentair is aan het onderwijs dat op dit moment door private partijengegeven wordt? Wat is de visie van de Minister op hoe die complementa-riteit nu is vormgegeven? Welke verbeteringen ziet zij om die complemen-tariteit in het stelsel te borgen?Voorzitter. Dan studiefinanciering. Ik ben blij dat deze coalitie de financiëlepositie van studenten gaat versterken. Zo gaat de uitwonendenbeursomhoog en maximeren we de rente voor studenten op 2,5%. Dit zijnmaatregelen die direct voelbaar zijn in de portemonnee van studenten endie hun hopelijk meer rust geven om zich te focussen op de studie. EenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126418 toegankelijke studiefinanciering is een groot goed waar we ons als CDAaltijd hard voor hebben gemaakt. Maar tegelijkertijd wil ik hier alswoordvoerder armoede en schulden stilstaan bij een negatief bijeffect vandie toegankelijkheid: de studiefinanciering wordt ook gebruikt doorgokverslaafde studenten die zich enkel bij een hogeschool of universiteitinchrijven om toegang te krijgen tot studiefinanciering. Is de Ministerbekend met deze problematiek? Zo ja, kan zij dan met de Kamer delen hoegroot de omvang van dit probleem is en wat mogelijke oplossingsrich-tingen zijn?Voorzitter. Ik rond af. Een meer positief punt is de motie van mijn collegaJeltje Straatman over het recht op studiefinanciering bij een wo-master naeen hbo-bachelor, ingediend bij de OCW-begrotingsbehandeling. Zou deMinister met ons kunnen delen hoe het staat met de uitvoering van dezemotie?Voorzitter. Onderwijs, en zeker hoger onderwijs, sluit goed aan bij dearbeidsmarkt en draagt bij aan een Leven Lang Ontwikkelen, omdat weniet leren voor school maar voor het leven.Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank. De heer Van Houwelingen spreekt namens de fractie vanForum voor Democratie.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank u, voorzitter. Wat Forum voor Democratie betreft is hoger onderwijsiets wat per definitie te beurt zou moeten vallen aan een klein deel van desamenleving, laten we zeggen 10%, 15%. In de brief die de Minister aande Kamer heeft gestuurd, staat dat inmiddels 45% van de beroepsbe-volking hogeropgeleid is. Is dat iets wat we zouden moeten willen, ookgezien de ontwikkelingen rond AI, waardoor juist heel veel beroepen voorhogeropgeleiden waarschijnlijk zullen gaan verdwijnen? Wat ons betreftzou het hoger onderwijs niet zo grootschalig, fabrieksonderwijs, moetenzijn als dat het nu is. Het zouden juist kleine, onafhankelijke institutenmoeten zijn, waar mensen worden onderwezen. Waar gaat het dan om?Dat kwam net in het interruptiedebatje met de heer Boomsma al aan bod.Het is belangrijk dat we mensen leren om kritisch te denken, om zakenvan alle kanten te belichten, om zelfstandig na te denken. Dat is een heelgroot probleem, vooral op onze universiteiten. Ik heb dat al vaker gezegd.Je ziet daar namelijk een grote gelijkschakeling. Er is nauwelijks nogstandpuntdiversiteit. Er wordt gedoceerd en helaas ook onderzocht vanuit,zoals Karel van Wolferen dat zo mooi noemt, «de voorgeschrevenwerkelijkheid». Dat zie je ook terug, bijvoorbeeld bij de hoogleraren. Jezult bijvoorbeeld geen hoogleraar vinden die voor nexit pleit. Dat komtniet voor. Je zult geen hoogleraar vinden op een Nederlandse universiteitdie heel kritisch is op het migratiebeleid. Jan van de Beek, die daar eenmooi boek over heeft geschreven – hij is echt een migratie-expert, wat jeer verder ook van vindt – kan geen emplooi vinden aan een Nederlandseuniversiteit. Dat kan niet. Dat heeft hij zelf ook gezegd. Hij brengt zijneigen geld mee in de stichting. Hij is nergens welkom. De enige Neder-landse migratiedeskundige die enigszins kritisch is, Ruud Koopmans,werkt aan een Duitse universiteit. Voor Marcel Crok geldt hetzelfdeverhaal. Dan heb ik het over de klimaatwetenschap. Daar weet hij heelveel van. Net als heel veel andere wetenschappers en net als Forum voorDemocratie is hij van mening dat er geen klimaatcrisis is. Aan geen enkeleuniversiteit is hij welkom. En het gaat nog verder. In de coronatijd zagenwe dit bijvoorbeeld ook in de medische wetenschap. Jona Walk werktbijvoorbeeld aan de Radboud Universiteit. Zij was publiekelijk kritisch oponder andere het vaccinbeleid. Zij heeft van haar leidinggevende te horengekregen: je kunt zo bezig blijven, maar dan kun je hier geen carrière meerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126419 maken. Dit is dus de Nederlandse wetenschap, het Nederlandse acade-mische veld. Het is natuurlijk heel, heel zorgelijk dat dit kan gebeuren.Die gelijkschakeling wordt nog versterkt door de NWO, denk ik. Daar zijnwe ook heel erg tegen. Het onderzoeksgeld zat vroeger bij de universi-teiten. Dat is nu ook gecentraliseerd. Dat heeft onvermijdelijk eenuniformiserende werking. Wat helemaal zorgelijk is – ik ben ook welbenieuwd hoe de Minister daartegen aankijkt – is dat je aan Nederlandseuniversiteiten, bijvoorbeeld in Leiden en Amsterdam, leerstoelen hebt vande NCTV. Dat is onze veiligheidsdienst. Ik denk dat als je hier zou zeggendat bijvoorbeeld in Iran of Rusland – ik noem maar wat – de veiligheids-diensten leerstoelen financieren, de meeste Kamerleden zouden zeggen:o, dat is een zorgelijke zaak. Hier in Nederland is dat staande praktijk. Ookdat versterkt dus de eenvormigheid. Dat is ontzettend zorgelijk.Het resultaat is er dan ook naar, denk ik. «Hoger opgeleid» is vooral eensynoniem geworden voor «hoger afgericht». Dat zijn de mensen die nietmeer goed zelfstandig kunnen nadenken. Daar hebben we er in de Kamerhelaas te veel van. Ik denk echt dat we als Tweede Kamer beter af zoudenzijn als hier veel meer laagopgeleiden zouden zitten, want bij hen is noggezond verstand aanwezig. Ik heb het ook getest met een motie. Zoals uwellicht weet, was dat de motie waarin stond: «De Kamer spreekt uit datde wetenschappelijke consensus niet per definitie ook «de waarheid» is.»Elke wetenschapper, iedereen die intellectueel uit de luiers is, zalnatuurlijk zeggen: ja, dat is zo. Ik hoop dat de Minister dat onderschrijft;dat is ook een vraag aan de Minister. De meerderheid van deze Kamerstemde daar dus tegen. Hoe krijg je dat voor elkaar? Dat is echtmind-boggling. Dat is heel zorgelijk. Dat laat de trieste toestand van onsonderwijs zien.Voorzitter, ik rond af. Hoe zien we het dan wel graag als Forum voorDemocratie? Wij willen hoger onderwijs in kleinschalige, onafhankelijkeinstituten, dus zonder NWO of NCTV-leerstoelen, die geworteld zijn in degemeenschap en dus in verbinding staan met de provincie, de gemeenteen het Rijk, waar de voertaal als het enigszins kan het Nederlands is – dathoort er ook bij – en waar de hoogleraren ook in verbinding staan met derest van het onderwijshuis, dus met het funderend onderwijs. Vroegerwas dat normaal. Dan gaven ze af en toe, één dag in de week, een keer lesop school en ontwikkelden ze bijvoorbeeld de leermethode van demiddelbare school.Daarmee rond ik af, voorzitter. Dank.De voorzitter:Dank u wel. Ik zou wel willen opmerken dat u, of de hele commissie, weleen beetje kunt letten op het noemen van namen in betogen. U gaat overuw eigen woorden, maar dat zou ik even willen opmerken. Dat viel me op.De heer Van Houwelingen (FVD):Voorzitter, volgens mij is dat helemaal geen probleem. Dit is allemaalpubliek materiaal, uit het publieke domein. Dan mag je namen noemen.Het was ook niet kritisch. De namen die ik noemde, noemde ik juist ...De voorzitter:Ik heb het gehoord. Het viel mij op, dus ik dacht: ik maak er even eenopmerking over, ook omdat die mensen zich niet kunnen verweren, mochthet een probleem zijn. We gaan naar mevrouw Abdi.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Voorzitter, ik heb toch even een vraag over de orde. U zit scherp voor –daar houd ik van – maar als je in een discussie over onderwijs weten-schappers niet meer bij naam kan noemen, dan wordt het wel ergingewikkeld. Is dat ook echt de bedoeling?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126420 De voorzitter:Ik denk dat wat de heer Van Houwelingen zei, wel kan, maar ik merk welop: laten we niet te veel met namen gaan smijten. Laten we anders buitende orde van de vergadering daar nog even over doorpraten.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ja, graag.De heer Boomsma (JA21):Dit is een keer uitgezocht. Volgens de afspraken die gemaakt zijn – die kanje natuurlijk ook weer veranderen – moet je namen van hooglerarenkunnen gebruiken, want die nemen ook deel aan het publieke debat. In diezin kun je ze ook gewoon aanspreken. Het is usance om dat bij hoogle-raren wel te doen, maar op basis van heel veel andere gronden doe je datniet als het gaat om mensen die zich hier inderdaad niet kunnenverdedigen.De voorzitter:Goed, laat dat dan ook een leerpunt voor mij zijn. Mevrouw Keijzer hadhet over «scherp voorzitten». Hartelijk dank voor uw complimenten. Wegaan gewoon verder met het debat. Meneer Van Houwelingen, hartelijkdank voor uw eerste termijn. We gaan verder met mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Een van de voornemens van dit kabinet is om bij tedragen aan een fijne studententijd voor alle studenten. Dat voornemenkan natuurlijk op de hartelijke steun van mijn fractie rekenen. Ik wil hetvandaag vooral hebben over de vragen wie er mag gaan studeren en wieer daadwerkelijk kan studeren. Ik realiseer me dat het voor alle mooievoornemens die zijn opgenomen, aan gaat komen op de uitvoering. Ermoet nog best wel een hoop gebeuren.Ik begin met de Oekraïense studenten, want voor hen tikt de klok. Voor1 mei moeten zij beslissen. Gaan zij wel of niet in Nederland studeren?Moeten ze uitwijken naar het buitenland? Vertrekken ze? Ik moet eerlijkzeggen dat ik het helemaal niet begrijp. Er lag een aangenomen motie, hetstaat in het coalitieakkoord, maar in de beantwoording van vandaag staatnu ineens «misschien komt dat met de Miljoenennota» en «we gaan hetmogelijk regelen» terwijl er eerder «we gaan het regelen» werd gezegd;dat vind ik echt zorgelijk. Ik vind het ook onbegrijpelijk. Wat is er gebeurdtussen de presentatie van het coalitieakkoord en vandaag? Deze studentenhebben geen boodschap aan intern getouwtrek over budget en bevoegd-heden. Ik geloof het eigenlijk ook gewoon niet. Het gaat namelijk om eengering aantal studenten en de middelen zijn er. Ik wil dus eigenlijk heelgraag van deze Minister horen: waar zit het ’m in? Wat gaat u tegen dezestudenten zeggen voor 1 mei? Het gaat namelijk over jongeren die hiernaar school gaan, hier wonen en gewoon recht hebben om hier huntoekomst vorm te geven en daarmee bij te dragen aan de wederopbouwvan Oekraïne. Daarom doe ik een beroep op de Minister: maak hier nouwerk van.De heer Claassen (Groep Markuszower):Dit is een oprechte vraag: zijn de universiteiten in Oekraïne allemaal dicht?Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Het gaat om studenten en scholieren – dat laatste moet ik erbij zeggen –die hier in Nederland wonen, die hier ook naar school gaan en die hierhun examens doen. Daar gaat het om.De heer Claassen (Groep Markuszower):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126421 Dat is wel een goede toevoeging, want het lijkt zo alsof studenten uitOekraïne hiernaartoe komen om hier te studeren. Maar als ze hier alwonen, dan geeft dat een iets ander perspectief. Het staat ze natuurlijk ookaltijd nog vrij om gewoon in Oekraïne te gaan studeren.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat de vraag van de heer Claassen voor zichzelf spreekt. Ik gaverder met mijn betoog.Een fijne studententijd begint natuurlijk al voordat iemand zich inschrijft.De vraag is namelijk wie zich tegenwoordig überhaupt een studie kanveroorloven. We zien dat heel veel studenten uit lagere inkomensgroepenof bepaalde regio’s het heel moeilijk vinden om vervolgens te gaanstuderen. Ik vind het bewonderenswaardig dat het kabinet voor eenfinanciële plus kiest, maar dat gaat bijvoorbeeld ten aanzien van deuitwonende beurs om enkele tientjes, terwijl het Nibud zegt dat degemiddelde student elke maand € 400 tekortkomt. Tel daarbij op dat heelveel studenten inmiddels ook een beroep doen op allerlei regelingen. Mijncollega van het CDA had het al over verslavingen en schulden. We ziendat dit een breed probleem is. Ik zou dus heel graag van deze Ministerwillen horen wat we daadwerkelijk gaan doen om studenten financieel tebegeleiden. En gaan we dat dan ook gericht doen? Heel veel van demaatregelen zijn namelijk vrij generiek. Mijn fractie is heel blij met deverplichte stagevergoeding; dat is goed nieuws voor alle praktischgeschoolde studenten die, vaak zelfs zonder onkostenvergoeding, wordeningezet als volwaardige arbeidskrachten. De slachtoffers van discriminatiebij DUO worden gecompenseerd; dat kan ook op onze steun rekenen.Uiteindelijk wordt er best wel veel geld vrijgemaakt, maar geld kannatuurlijk niet alles oplossen. De onderliggende druk blijft namelijkbestaan. 83% van de studenten geeft aan zich depressief te voelen engeeft aan dat er heel veel druk is. Een aantal collega’s hebben het bindendstudieadvies al benoemd. Er is eigenlijk aangetoond dat dit niet echt ietsdoet, maar dat het studenten, met name jonge mannen, wel belemmertom hun studie te vervolgen. Ik zou graag van de Minister willen horen hoeze hiernaar kijkt en waarom ze vasthoudt aan het bsa.Wij maken ons ook zorgen over de studiefaciliteiten, die enorm onderdruk zijn komen te staan door de bezuinigingen die zijn doorgevoerd doorhet kabinet-Schoof. Sommige zijn helemaal afgeschaald of zelfsverdwenen. Een vorige Minister, Eppo Bruins, zei dat hij onderzoek zougaan doen. De uitkomsten daarvan zijn nog steeds niet gedeeld met deKamer. Mijn fractie vindt het belangrijk dat er snel wordt bekeken wat wenu daadwerkelijk moeten gaan doen. Dan heb ik het over bibliotheken,sportfaciliteiten en begeleiding van studenten met mentale zorgen.Wanneer gaan we nou eens werk maken van het gelijktrekken van denormbedragen voor studiefinanciering voor het hbo, wo en mbo? Dat wilik ook graag horen van de Minister. Concreet: wat wordt het plan vanaanpak om ervoor te zorgen dat werkelijk alle studenten, ongeachtachtergrond of portemonnee, een fijne studententijd krijgen? Ik wil datiets concreter horen, zeker als het gaat over mentale gezondheid.Daarover is tot nu toe namelijk nog niets toegezegd.Dan wil ik nog een ander punt opbrengen. Het is al jaren bekend datstudenten benadeeld worden als het gaat om die ov-boetes. Nu blijkt dater in 2025 ruim 5,6 miljoen euro aan boetes is uitgedeeld aan30.000 studenten. Het ministerie ziet het probleem ook. Hier is een helegoede oplossing voor: breng gewoon de ritprijs in rekening in plaats vaneen boete. Wil het ministerie hier ook serieus naar kijken?Voorzitter. Ten slotte – ik rond af – een ander punt dat mijn partij ook heelbelangrijk vindt: als we kijken naar studentenwelzijn, moeten we ookgaranderen dat studenten met een beperking echt toegang hebben tothybride onderwijs. Daar zijn meerdere moties over aangenomen, maarelke keer blijft het gewoon heel erg vaag. Hoe zorgen we ervoor dat jeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126422 daar gewoon toegang toe hebt, en dat dit niet afhangt van waar jestudeert, maar alleen maar van het feit dat je studeert?De voorzitter:Hartelijk dank, mevrouw Abdi. Ik kijk naar mevrouw Keijzer. Het is tijd voorhaar eerste termijn. Mevrouw Keijzer, als u de aantekeningen er even bijpakt, dan is het woord aan u.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Nee, ik zette nog even de stopwatch aan.Dank u, voorzitter. Ik ga even terug in de tijd, naar de tijd dat onzesamenleving georganiseerd was in zuilen. Het is niet zo dat ik daarnaarterug wil, want daar zaten ook wel wat nadelen aan. Maar die zuilenhadden wel het effect dat in buurten, verenigingen en kerken zowelpraktisch als theoretisch en wetenschappelijk opgeleiden naast elkaarzaten. Dat waren mensen met verschillende achtergronden die eengemeenschappelijke leefwereld deelden, dezelfde taal spraken, letterlijken figuurlijk, en zich samen verantwoordelijk voelden voor Nederland.Die vanzelfsprekende verbondenheid is onder druk komen te staan. Ikdenk dat de sterke internationalisering en verengelsing van universiteitenen hogescholen daaraan bijgedragen hebben. Dat heeft ons wel het eenen ander opgeleverd – dat is absoluut waar – maar het heeft ons ook ietsgekost: de gezamenlijke oriëntatie op Nederland, op onze economie,publieke sector, regio’s en maatschappelijke opgaven, is minder vanzelf-sprekend geworden.Voor heel veel praktisch opgeleiden voelt het hoger onderwijs daardoorverder weg dan vroeger. Zij herkennen zich sowieso letterlijk minder in detaal die wordt gesproken, in de vragen die centraal staan en in de focus,die minder zichtbaar is gericht op het versterken van de Nederlandsesamenleving. Er zijn twee werelden ontstaan, die elkaar steeds minderontmoeten, terwijl die ontmoeting juist de basis vormt voor een sterkland. Tegen die achtergrond vind ik het ronduit onverstandig dat hetkabinet spreekt over het zoeken naar een nieuwe balans in de internatio-nalisering van het hoger onderwijs. Dat is een debat dat al jaren wordtgevoerd. De internationalisering is diep doorgedrongen in het hart van hethoger onderwijs en de Nederlandse cultuur en taal zijn daar structureelslachtoffer van geworden.Wie werkelijk een balans wil, moet erkennen dat we die allang kwijt zijn.Het gaat hier namelijk niet om een abstract beleidsvraagstuk, maar om hetbehoud van de Nederlandse taal, cultuur en tradities binnen onze eigenonderwijsinstellingen, ook binnen het hoger onderwijs. Ik vraag deMinister: wanneer is de internationalisering volgens haar niet langer eenbijkomstigheid, maar een aantasting van de maatschappelijke en cultureleopdracht van het onderwijs?Dit debat gaat dan automatisch niet alleen over taal, maar ook overnormen, waarden, veiligheid en consistent bestuur. Bij het commissie-debat van vorige week antwoordde de Minister als volgt op mijn vraag:als je Palestijnse demonstranten de ruimte geeft, moet je dat ook doenvoor Israëlische wetenschappers. Dat klinkt mooi, maar als je vervolgenskijkt naar het handelen aan universiteiten, maar ook naar het handelenvan deze Minister voordat zij Minister was, zie je een ongemakkelijkespanning. Demonstraties die schuren met onze Westerse wereld krijgenruime bewegingsvrijheid, terwijl Joodse studenten zich al lange tijdonveilig moeten voelen. Ik zie met verdriet in mijn hart steeds meerberichten van Joden die dit land gaan verlaten. Demonstreren is eengrondrecht. Ja, absoluut. Daar ging het net al even in een interruptiede-batje over. Maar is het niet verstandig om daar grenzen aan te stellen?Graag hoor ik een antwoord van deze Minister. Dan hoor ik ook graag heelconcreet hoe ze dat gaat doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126423 Laat ik helder zijn: niet elke demonstratie is taakverwaarlozing. De wetstelt terecht een hoge drempel voor ingrijpen. Maar autonomie mag geenvrijbrief zijn om weg te kijken. Daarom vraag ik het volgende aan dezeMinister. Wordt het niet gewoon eens tijd dat er, in gesprek met universi-teiten of anders gewoon opgelegd, uitgesproken wordt dat er huisregelszijn, net zoals we die hier in de Tweede Kamer hebben: op universiteitenkrijg je onderwijs en doe je onderzoek; demonsteren, zeker op dedisruptieve manier waarop dat nu gebeurt, doe je elders.Dan was ik er al. Wat goed! Vier minuten.De voorzitter:Perfect binnen de tijd, ja. Ongelofelijk. Heel strak.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Wauw! Had ik dat maar eerder gedaan. Dank u.De voorzitter:Het woord is aan de heer Ergin, voor zijn eerste termijn.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, dank u wel. Ik wil het vandaag hebben over het bsa, over dehersteloperatie van DUO en discriminatie in het hoger onderwijs en overde ministersplaatsen.Voorzitter. Het bsa is ooit ingevoerd met het simpele idee om te kijken ofstudent en opleiding bij elkaar passen. Op papier klinkt dat heel logisch,maar we hebben in de afgelopen jaren, sinds 1993, gezien dat de praktijkweerbarstig is en dat het bsa geen hulpmiddel meer is, maar eendrukmiddel is geworden. Het is geen begeleiding meer, maar wordt meeringezet als selectiemiddel door universiteiten. Studenten staan onderenorme druk en de gevolgen zijn groot. De helft van de studenten ervaartmentale klachten. Nu blijkt uit een groot onderzoek dat het bsa helemaalniet zorgt voor meer studiesucces, maar dat het juist averechts werkt.Studenten vallen uit. Voor een groot deel schrijven zij zich opnieuw invoor een studie in dezelfde richting, of zelfs voor dezelfde opleiding maardan op een andere school. We hebben gewoon gezien dat dit leidt totverspilling van talent. Het leidt er niet toe dat er meer studenten eendiploma halen, maar juist dat er minder studenten hun diploma halen. Endan heb ik het nog niet eens over het feit dat we stress creëren bijstudenten. We lossen gewoon helemaal niks op. Daarom een vraag aande Minister: wat gaat zij doen met het bsa?De heer Claassen (Groep Markuszower):De heer Ergin stelt terecht iets vast, namelijk dat als een student binneneen opleiding van een hogeschool niet verder kan, die naar een anderehogeschool kan en daar succesvol door kan gaan. Zou dat dan niet temaken hebben met hoe het curriculum en het assessmentprogramma zijningericht, in plaats van met het instrument bsa?De heer Ergin (DENK):Er zijn heel veel dingen die impact hebben op een studentenleven. Als jemoeilijk aan een woning kunt komen, en je moet dan je bsa halen, dankan het heel goed zijn dat het niet aan het curriculum van de scholen ofaan de normen ligt, maar met name aan wat je zelf hebt ervaren. Er zijnheel veel verschillende voorbeelden. Ik vind dat we ons niet blind moetenstaren op een instrument dat heel bot aan de poort selecteert – of niet aande poort, maar aan het einde van het eerste jaar – terwijl er heel veel kangebeuren in een studentenleven.De heer Claassen (Groep Markuszower):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126424 Dat was mijn punt niet. Mijn punt was: als een student een opleidingbinnen een hogeschool niet haalt, dan kan die naar een anderehogeschool gaan voor dezelfde opleiding en daar glorieus doorheenlopen. Dat heeft dus niks met wonen te maken. Volgens mij heeft dat temaken met het curriculum en het assessmentprogramma. Moeten we danniet veel beter kijken naar dat onderdeel, in plaats van naar het instrumentbsa?De heer Ergin (DENK):De heer Claassen heeft ervaring in het onderwijs. Ik heb die ervaring niet,dus ik kan dat niet heel goed beoordelen, maar ik kan wel terugvallen opmijn eigen ervaring. Ik ben de opleiding bestuurskunde en overheidsma-nagement begonnen bij hogeschool één en ik heb ’m afgerond bijhogeschool twee. Dat had niet te maken met de onderwijsinhoud, maarmet het feit dat er bezuinigd moest worden; de ene opleiding kapteermee. Er zijn dus heel veel redenen die je kunt bedenken. Ik denk dat jeheel moeilijk kunt zeggen dat het aan de onderwijsinhoud ligt. Het zou bijsommige opleidingen aan de onderwijsinhoud kunnen liggen. Het zoueraan kunnen liggen voor welke specifieke beroepen een opleiding isingesteld. Mijn ervaring is dat het heel vaak ligt aan persoonlijkeervaringen in het leven van studenten. Deze botte bijl draagt daar niet aanbij.De voorzitter:Afsluitend, meneer Claassen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Mijn punt is: ik ben ook kritisch op het bsa, maar ik ben nog kritischer ophet onderwijsprogramma en het assessment dat eronder ligt om te komentot een oordeel of de student eraan voldoet. Ik denk dat we ons niet blindmoeten staren op het instrument, maar op de weg waarmee de studentaan zijn leerresultaten moet komen. Volgens mij is de fundamentele vraagniet of we het bsa moeten afschaffen of niet. Ik hoop dat u het met mijeens bent dat het meer gaat over het onderliggende probleem.De heer Ergin (DENK):Onderliggend, ja. De discussie gaat nu over het bsa, omdat dit heel veelstudenten raakt. Natuurlijk wil je liever ergens anders een discussie overvoeren. Natuurlijk wil je een discussie hebben over hoe we omgaan metonderwijsinhoud. Dan lopen we heel snel tegen grenzen aan, omdat deonderwijsinstellingen daar voor een groot deel zelf over gaan. Ik heb daarwel een ideeën bij, maar de ideeën die de heer Claassen aandraagt of dieik aandraag, worden misschien door het onderwijsveld niet zo goedgevonden als wij ze vinden. Dat kan prima, maar ik heb liever een heelcompacte discussie. Die compacte discussie is nu dat er met de botte bijl,het bsa, voor wordt gezorgd dat minder studenten een diploma halen, enik heb liever dat studenten wél een diploma halen.De voorzitter:Gaat u verder, meneer Ergin.De heer Ergin (DENK):Voorzitter. Dan wil ik het over DUO hebben, want DUO heeft jarenlangstudenten gewantrouwd met discriminerende algoritmes. Vooral mbo’ersen studenten met een migratieachtergrond werden eruit gepikt: 25.000,om precies te zijn. Zij werden bij voorbaat gewantrouwd door deoverheid. Opnieuw gewantrouwd door de overheid. Daarmee faalt deoverheid opnieuw op een beslissend examenonderdeel, namelijk heteerlijk behandelen van iedereen die in Nederland woont. Het is goed dater een hersteloperatie komt, maar als we kijken naar die hersteloperatie,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126425 dan zien we dat de Minister komt met bedragen van € 500 en € 2.000.Waarom zou iemand die onrecht is aangedaan zich af laten kopen met€ 500? Sinds wanneer is de prijs van gediscrimineerd worden een fooitjevan € 500, zou ik aan de Minister willen vragen.De heer Boomsma (JA21):Mijn vraag is juist de tegenovergestelde. Ik vind het heel raar om mensen€ 500 te geven alleen omdat ze een huisbezoek hebben gehad. Wehebben wel gezien dat er een algoritme werd gebruikt waar geenwetenschappelijke basis voor was en dat dit indirect een discriminerendewerking had, maar dat betekent niet dat er voor mensen die alleen eenhuisbezoek hebben gehad enorme schade is ontstaan. Waarom zoudendie € 500 moeten krijgen? Ik snap daar werkelijk helemaal niks van.De heer Ergin (DENK):Omdat het heel logisch is dat je als overheid mensen eerlijk behandelt. Alsje dat niet doet ... We hebben het bij de hersteloperatie toeslagen ookgezien. Als je je als overheid niet aan je afspraken houdt, als je mensen bijvoorbaat wantrouwt, dan zul je dat moeten herstellen. Eigenlijk is er eenhele makkelijke verklaring voor de vraag van de heer Boomsma: deoverheid gedraagt zich volgens bepaalde normen en wetten, en als deoverheid een wet overtreedt, dan hangt daar onder andere een prijskaartjeaan.De heer Boomsma (JA21):De vergelijking met het toeslagenschandaal gaat natuurlijk totaal niet op.Daar werden mensen ten onrechte aangemerkt als fraudeur en zijn helelevens verwoest. Dat is een verschrikkelijk schandaal, waar we nog steedsmee bezig zijn. Daar zijn we het over eens. Maar hier gaat het om mensendie inderdaad zijn gecontroleerd, zoals dat bij heel veel mensen kangebeuren. We worden allemaal weleens gecontroleerd. Ik ben ookweleens aan de kant van de weg gezet om een blaastest te doen. Dat isook niet leuk, maar als je dan onschuldig bent, dan hoef je nog geencompensatie te krijgen van € 500 omdat de overheid jou wantrouwt; dathoort gewoon bij het feit dat je een controle uitvoert.De heer Ergin (DENK):Wat hier is gebeurd, wat bij de zogenaamde fraudeaanpak van DUO isgebeurd, is dat studenten selectief, op basis van hun postcode enonderwijsniveau, eruit zijn gepikt. Vanaf 2012 waren er signalen dat er metname Marokkaanse, Turkse en Surinaamse studenten uit werden gepikt.Vervolgens ging er een ambtenaar langs voor een buurtonderzoek. Diedeed een buurtonderzoek. Als een van de buren zei dat die meneer A ofmeneer B niet had gezien, dan werd er een sanctie opgelegd. Dit is nietalleen maar iets waarbij je uit een systeem wordt gepikt; dit heeftverregaande consequenties gehad voor mensen. Dit heeft op z’n minst hetvertrouwen van onze toekomst, namelijk onze studenten, in de overheidenorm kapotgemaakt. Dit gebeurde niet alleen bij DUO, maar ook bijandere overheidsinstanties. Als je je als overheid niet aan de wet houdt enmensen niet eerlijk behandelt, dan hangt daar zeker een prijskaartje aan.€ 500 is gewoon veel, veel te weinig.De voorzitter:De heer Boomsma, afsluitend.De heer Boomsma (JA21):Die € 500 is juist voor de mensen aan wie geen sanctie werd opgelegd. Erwerd geselecteerd met risicofactoren. Er is gekeken naar de afstand tothet ouderlijk huis, leeftijd en onderwijsniveau, wat op zich neutraleprincipes en selectiemechanismes zijn. Alleen, in de uitwerking daarvanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126426 kwam het oneerlijk uit. Dan moet het aangepast worden. Maar datbetekent toch niet dat iedereen die alleen een controle heeft gehad engeen sanctie, dan € 500 moet krijgen?De heer Ergin (DENK):Het is niet zo dat hier per ongeluk, omdat een aantal losstaande feiten bijelkaar kwamen, mensen onrecht is aangedaan. Dat is gewoon niet zo. Ditis uitvoerig onderzocht, en daaruit bleek heel duidelijk dat men heel langvan tevoren wist dat je met deze selectiecriteria bij specifieke groepenuitkomt. Dat was van tevoren al bekend. Dit had dus eerder stopgezetmoeten worden. Als dit eerder was stopgezet, dan hadden we al die12.000 studenten in groep één geen onrecht aangedaan. Dan hadden wehun vertrouwen niet geschaad. Er waren genoeg signalen. Er warengenoeg signalen, en die zijn niet opgevolgd. Als je dat als overheid nietdoet, dan hebben we daar wetten voor. Als de overheid zelf wettenovertreedt, dan mag de overheid daarvoor boeten. Zo makkelijk is dat.De voorzitter:Gaat u verder.De heer Ergin (DENK):Voorzitter. Voor de studenten die schade hebben geleden, de studentendie € 2.000 ontvangen, de tweede groep ... Hoe komt de Minister tot die€ 2.000? Waarom zou dat bedrag dan voldoende zijn? Het probleem zitdieper. Het probleem zit ’m erin dat de Minister het bij deze herstelope-ratie alleen maar over geld heeft, terwijl vertrouwen niet te koop is. Hetvertrouwen is geschaad. Deze studenten kunnen de overheid niet meervertrouwen. Hoe gaat de Minister werken aan het herstellen van hetvertrouwen van al die studenten?Voorzitter. Nog een punt dat ik helemaal niet begrijp, waarvan ik denk«leert de overheid nou echt niet van wat voor ellende wij mensen hiermeehebben bezorgd?», is dat DUO zelf de hersteloperatie uitvoert. Je vraagtde brandstichter om het huis te blussen. Je ziet toch van mijlenveraankomen dat DUO deze hersteloperatie niet op een geloofwaardigemanier kan uitvoeren, en al helemaal niet voor die derde groep, die ikeven «de complexe groep» noem? Zou de Minister bijvoorbeeld kunnenkijken of er voor die derde groep een route mogelijk is, bijvoorbeeld viaStichting (Gelijk)waardig Herstel, waarbij er niet alleen wordt gekekennaar de financiële component, maar ook wordt geluisterd naar wat hetmet mensen heeft gedaan?Voorzitter. Een vraag over de compensatie. De Minister heeft het overmaatwerk. Betekent dat een ruimhartige compensatie, of gaan we weerverhalen krijgen waarbij er, omdat een bedrag van een paar honderd eurowordt betwist, duizenden euro’s aan advocaatkosten gemaakt gaanworden door de overheid? Hoe gaat de Minister dat voorkomen?Ik heb nog twee korte vragen. Vraag één gaat over het manifest tegenstagediscriminatie. Dat loopt dit jaar af. Is de Minister bereid om dat teverlengen? Dan een vraag over de uitvoering van de motie omtrent deministersplaatsen. De Kamer heeft gezegd: Minister, zorg voor 46studieplaatsen voor Caribisch Nederland zodat kritische infrastructurendaar kunnen blijven bestaan.De voorzitter:Rondt u af.De heer Ergin (DENK):Die motie is aangenomen, maar de Minister doet alleen een verkenningnaar hoe het niet kan. Nogmaals de vraag aan de Minister: wanneer gaatzij ervoor zorgen dat er ministersplaatsen komen in Caribisch Nederland?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126427 De voorzitter:Dank u wel. Dan sluiten wij, denk ik, de eerste termijn van de kant van deKamer af. Ik kijk even naar de Kamerleden. Dat is het geval. Dan stel ikvoor dat we overgaan tot een moment van schorsing van een halfuur. Ikkijk even naar de Minister of dat voldoende is. Ja? Dat betekent dat we om15.15 uur het debat vervolgen, in dezelfde zaal. Dan hoeft u daar niet naarte zoeken.De vergadering wordt van 14.46 uur tot 15.17 uur geschorst.De voorzitter:Wij gaan verder met de beantwoording van de Minister. Voor de beant-woording wil ik haar vragen in welke blokjes zij had gedacht ons toe tespreken.Minister Letschert:Ja, voorzitter. Excuses dat ik twee minuten te laat ben. Het is een helewandeling naar onze kamer, waar wij proberen orde in al jullie prachtigevragen te brengen. Er zijn nogal wat vragen gesteld, waarvoor veel dank.Ik heb, net als vorige week, geprobeerd daar weer een logische onderver-deling van te maken. U gaat mij vast corrigeren als dat niet zo is of als ueen vraag mist. Ik wilde graag beginnen met het domein rondom detalentstrategie, de arbeidsmarkt, LLO en de discussie over de internationa-lisering en de Wib. Dat komt allemaal in één blok. Het tweede bok gaatover de vragen rondom de studenten en scholieren uit Oekraïne en hetbsa. Dat lijkt misschien onlogisch, maar het gaat allebei over studenten,dus ik dacht: die zetten we daarbij. Dan heb ik een blokje over debezettingen en sociale veiligheid. Dan heb ik een breder blok overstudenten. Daarin komen de vragen naar voren over studiefinanciering,stages, welzijn en compensatie vanuit DUO. Dan heb ik een blok over AI inhet onderwijs; dat lijkt me ook belangrijk om apart te vermelden. Alslaatste heb ik dan toch ook nog een mapje overig. Maakt dat zin? Ik zieiedereen puzzled kijken, dus ik heb u nu al in verwarring gebracht.De voorzitter:Misschien kunt u het eerste blokje nog even herhalen.Minister Letschert:Talentstrategie. Daar zitten vragen in rondom de arbeidsmarkt, internatio-nalisering en LLO. Als ik een nieuw blokje start, zal ik de thema’s in datblokje weer even noemen.De voorzitter:Ja. Laten we proberen de Minister aan het woord te laten per blokje, endan te kijken of we kunnen interrumperen. Ik zeg nogmaals dat we nuopnieuw starten met het aantal interrupties. U krijgt vier interrupties. Blijftu onder de 30 seconden, dan telt die niet mee. Gaat u over de 30 secon-den, dan heeft u twee interrupties te pakken. Als u goed naar mij kijkt, dangebaar ik, en dan betekent dat dat u aan het einde van uw tijd zit. Latenwe dat even inbakken in onze werkwijze. Ik geef het woord aan deMinister.Minister Letschert:Dank u wel, voorzitter. U mag dat bij mij ook gerust doen, want ik heb aleen paar keer gehoord dat ik soms wat lang antwoord. Als ik te lang vanstof word, beperkt u mij dan vooral.We hebben in de afgelopen debatten al een paar keer met elkaar vangedachten gewisseld over de talentstrategie. We zijn binnen het kabinetbezig met het ontwikkelen van een talentstrategie. Dat doen we vanuit detaskforce op het gebied van nieuwe economie, toekomstige welvaart enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126428 vestigingsklimaat, waar we met meerdere bewindspersonen samen aanwerken. Met name de vraag over voldoende en goed opgeleid talent, datwij absoluut nodig hebben voor de grote maatschappelijke opgave waarwij voor staan, is iets wat ik vanuit OCW als coördinerend Minister op mijneem. Dat betekent dus ook dat wij een soort integrale aanpak met elkaaraan het ontwikkelen zijn, waarbij ook de instrumenten die daarvoor nodigzijn samenhangend worden ingezet. Dan gaat het uiteraard overonderwijs en aansluiting op de arbeidsmarkt, maar ook over producti-viteit, fiscaliteit en gerichte migratie. Op het thema van gerichte migratiekom ik zo nog even terug.Ik heb in vorige debatten aangegeven dat wij nu een tweetal bijeen-komsten met de taskforce hebben gehad en dat u voor de zomer de eersteconcepten vanuit die taskforce kunt verwachten. Daarin is een belangrijketaak weggelegd voor het hele onderwijs, niet alleen voor het vervolgon-derwijs. Kinderen beginnen al met hun keuzes, of in ieder geval met huninspiratie voor keuzes, in het funderend onderwijs. Dat gaat ook na hetvervolgonderwijs weer door als het gaat om LLO. De hele waaier van deonderwijsketen zal aandacht krijgen in die talentstrategie. Dan moet udenken aan belangrijke programma’s die er nu al zijn om kinderenbijvoorbeeld meer geïnteresseerd te krijgen in techniekonderwijs. Datbegint daar al, en niet pas op de mbo-, hbo- of wo-opleiding. Voor dezomer krijgt u van mij vanuit de taskforce een uitgebreidere analyse overde talentstrategie die wij aan het ontwikkelen zijn. Daarbij zijn wijuiteraard ook aan het kijken hoe je vanuit de onderwijssector nog beterkan aansluiten bij de behoefte van de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd is debrede vorming die studenten krijgen binnen het vervolgonderwijs ook vanheel groot belang. Dat hoorde ik ook enkele Kamerleden in het debatzeggen. Hoe zorg je er nou voor dat je de juiste balans houdt tussengericht studenten verleiden om opleidingen te kiezen die passen binnende tekortsectoren of de groeisectoren – hoe je ze ook wil noemen – vooronze Nederlandse economie, en studenten keuzevrijheid laten hebben?Die discussie hebben wij as we speak in de taskforce. Ik denk dat hetbelangrijk is dat we ons ook realiseren dat het helemaal niet zo makkelijkis om de arbeidsmarkt en wat daarin nodig is te voorspellen. Ik ben op ditmoment in gesprek met commissies die gaan over de hervormingenbinnen het mbo. Die geven me elke keer datzelfde feit terug. Misschienmoeten we ons dus ook ergens realiseren dat de voorspellende waardevan de arbeidsmarkt in de toekomst en van wat die doet met de oplei-dingen nu, niet een hele makkelijke is. Dat wil ik u hier nu vast meegeven.Ik noemde net bij de onderwerpen die de taskforce op de tafel heeft liggenook de internationalisering en de zinsneden die we in het coalitieakkoordhebben opgenomen over gerichte groei. Ik weet dat deze Kamer al heellang met elkaar en met de sector discussies heeft over internationaliseringen over de vraag of er nog wel grip is op de internationale instroom vanstudenten naar Nederland. In het coalitieakkoord hebben we aangegevendat wij aan de aan de ene kant internationalisering in balans belangrijkvinden en die gerichte groei willen stimuleren. Wel verwachten we van desectoren – dan heb ik het met name over de hogescholen en de universi-teiten – dat zij zich aan de zelfregieafspraken houden die zij al eerder metmijn voorgangers hebben gedeeld. Ik zit op dit moment midden in diegesprekken. Ik zal in de beleidsbrief, die binnenkort uw kant op komt,aangeven hoe wij daarin staan en hoe de gesprekken met de sectoren opdit moment verlopen.U heeft gezien dat in het coalitieakkoord het voornemen is opgenomenom de toets anderstalig onderwijs voor het bestaande en toekomstigeaanbod eruit te halen. Uiteraard gaan wij daar ook met u het gesprek overhebben. Dat hebben we in het coalitieakkoord opgeschreven. Dat betekentdat u waarschijnlijk de vraag gaat stellen hoe je ervoor zorgt dat je diegrip houdt. Laten we wel wezen: vanaf 2018 vragen de instellingen al ominstrumenten om die grip te kunnen houden, bijvoorbeeld via eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126429 numerus fixus of met een noodmaatregel om instroom snel bij te kunnensturen. Inmiddels is het amendement-Martens-America wet geworden.Daardoor kunnen instellingen nu al sturen.Ik kom dadelijk op de taaldiscussie. Dat is namelijk een andere discussie.Ik heb in de gesprekken die ik nu met de twee sectoren heb – ik heb hetdan over de hogescholen en de universiteiten – aangegeven dat je moetlaten zien dat je je verantwoordelijkheid neemt, die instrumenten toepasten de afspraken handhaaft die de instellingen onderling hebben gemaaktin een vorige kabinetsperiode. Ik denk dat dat wel heel belangrijk is. Wegaan met elkaar de discussie hebben over de vraag hoe ik ervoor zorg datik dat voldoende hard maak, zodat het ook in bestuurlijke afsprakenverankerd is. In dat gesprek zit ik as we speak. Ik kom verder met u ingesprek op het moment dat wij de vanuit het kabinet voorgenomenherziening van de Wib met u willen bespreken.Daarmee is het argument wat betreft taal niet van tafel. Mevrouw Keijzergaf volgens mij heel scherp aan dat door de toenemende internationali-sering in de verschillende onderwijssectoren er ook een segre-gatie ... Misschien was dat niet het woord dat u gebruikte, maar u had hetin ieder geval over een verdere verwijdering tussen de verschillendestudenten in het mbo, hbo en op de universiteiten, die mede doorinternationalisering veroorzaakt zou zijn. Dat is precies waarom we diebalans met elkaar moeten bewaken en ervoor moeten zorgen dat zowel dehogescholen als de universiteiten – ik denk dat dat in meerdere mate voorde universiteiten geldt – voldoende investeren in de Nederlandsetaalvaardigheid van internationale studenten.Als wij zeggen dat internationale studenten ook naar Nederland komenom een belangrijke factor op onze arbeidsmarkt te zijn, dan is het ookbelangrijk dat ze de Nederlandse taal kunnen leren en daarin gefaciliteerdworden. Als onderdeel van die zelfregie zijn er nu binnen de instellingenplannen gemaakt om de Nederlandse taalvaardigheid te bevorderen endaarmee niet alleen de blijfkans – dat is uiteindelijk een doelstelling diedaaronder ligt – te vergroten, maar ook de integratie in de samenleving teverbeteren. Nogmaals, het is niet alleen maar gericht op de arbeidsmarkt.Het is ook om te kunnen integreren in de samenleving. Het heeft ook temaken met die waaier, waar ik dadelijk nog op terugkom. De waaiertussen het mbo, hbo en wo moet ervoor zorgen dat de knelpunten tussende verschillende sectoren worden weggenomen en dat ze gelijkwaardigworden geacht. Niet iedereen zou naar de universiteit moeten. Meneer, devoorzitter, dat was een vraag van een van uw ...De voorzitter:Ik zoek even naar uw punt.Minister Letschert:Ik maak dadelijk een punt. Ook in die waaier is het volgende van belang.Als wij willen dat mbo-studenten, hbo-studenten en wo-studenten meermet elkaar gaan samenwerken – ook wat betreft de talentstrategie gaanwij voorstellen doen over hoe je dat kan faciliteren, bijvoorbeeld metregionale campussen die daar een belangrijke rol in kunnen spelen – danmoet je er ook voor zorgen dat ze elkaar kunnen begrijpen en verstaan.Dat is dus een belangrijke doelstelling voor het huidige kabinet.De voorzitter:Ik ga toch even naar de heer Boomsma. Hij heeft een interruptie.De heer Boomsma (JA21):De Minister geeft aan dat de afspraak van het vorige kabinet overinternationalisering in principe blijft staan, maar ik heb net gelezen dat deuniversiteiten hebben gezegd dat zij de omzettingen die ze eerst van planwaren, willen terugdraaien. Wat is dan de positie van het kabinet daarin?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126430 Minister Letschert:Het gaat om de afspraken die ze hebben gemaakt over de aantallenstudenten en de afspraken over taal. Die zijn met het huidige coalitieak-koord vanuit de input die in de Wib stond rondom de toets anderstaligonderwijs ... Dit kabinet wil die eruit halen. Dat gaan we uiteraard nog metu bespreken als we over de Wib komen te praten. De universiteiten en dehogescholen zijn dus momenteel niet voornemens om de taalknop in tedrukken. Dat wil niet zeggen dat we in de discussie over fricties dieinstellingen of steden hebben ervaren wat betreft huisvesting, onderwijs-infrastructuur en de taal – dat laatste tastte ik net al heel even kort aan –die afspraken niet met elkaar willen kunnen blijven handhaven. Dat is ietsanders dan de taalknop induwen, om op die manier studenten niet meerde mogelijkheid te bieden om in Nederland onderwijs te volgen. Daarvoorzijn de andere instrumenten heel belangrijk. Nogmaals, dat zijn instru-menten die al vanaf 2018 door de sectoren gevraagd werden, waaronderde numeri fixi en de noodfixus. Die zijn al deels wettelijk gewordenvanwege het amendement-Martens-America. Dat bedoelde ik dus met deafspraken over de aantallen.De heer Boomsma (JA21):Ik heb natuurlijk in het coalitieakkoord gezien dat de taaltoets eruit zougaan. Universiteiten zeggen nu ook: dan hoeven we die omzettingen ookniet meer te doen. Hoe ziet het kabinet dat? Daar zijn wij het in ieder gevalniet mee eens.Minister Letschert:Dat klopt, want de omzettingen met de taalknop hoeven dan niet meer.Dat wil niet zeggen dat je dan ongebreidelde groei laat gebeuren.De voorzitter:Afsluitend, meneer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Wanneer bespreken we dan de Wib? Het lijkt me namelijk belangrijk omdat zo snel mogelijk te doen.De voorzitter:Dat is de Wet internationalisering in balans, geloof ik. Ik zeg dat zodat hetvoor de mensen thuis ook nog een beetje te begrijpen valt. Ik kijk evennaar de Minister.Minister Letschert:De nieuwe nota van wijziging, die voortvloeit uit het huidige coalitieak-koord, komt na de zomer. Als het nog mag, meneer de voorzitter, wil ikzeggen dat we wat mij betreft wel de discussie hierover kunnen voeren ophet moment dat we met de talentstrategie ... Dat is voor de zomer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ik hoor de Minister zeggen dat het ook weer niet de bedoeling is dat ereen ongebreidelde groei is, maar hoe gaat ze dat dan in de klauwenhouden?De voorzitter:Hoe gaat u dat in de klauwen houden?Minister Letschert:Dat zijn de gesprekken die ik dus op dit moment met de sectoren voer. Datkan enerzijds met bestuurlijke afspraken. Die moeten we met elkaar gaanbespreken, want die wil ik wel kunnen handhaven, want anders heb jedaar niet zo veel aan. U zult begrijpen dat het feit dat de toets anderstaligTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126431 onderwijs in het coalitieakkoord niet meer op deze manier genoemdwordt, voor de sectoren vertrouwen geeft, maar dat vertrouwen moet jewel houden. Dat wil ik er ook wel bij zeggen. Het is dus heel belangrijk omte laten zien dat de instrumenten die er zijn, toegepast worden om hetvertrouwen van de Kamer en van de politiek niet te verliezen.De voorzitter:Oké. U gaat bijna naar de afronding van uw eerste blokje, toch? Na LevenLang Ontwikkelen bent u er, of niet? Klopt dat? U wil een tweedeinterruptie, mevrouw Keijzer. Die sta ik toe, hoor, maar we moeten de ordeniet helemaal loslaten. Heeft u nog een blokje LLO, Leven Lang Ontwik-kelen, Minister?Minister Letschert:Zeker.De voorzitter:We gaan eerst even naar mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Wat is dan de stok achter de deur? Hoe handhaaft u dit? Er zijn namelijkfinanciële belangen om zo veel mogelijk studenten uit het buitenland tehalen.Minister Letschert:Daar ...De voorzitter:Het woord is aan de Minister.Minister Letschert:Sorry, ik ga steeds te snel, hè?De voorzitter:U wil heel veel zeggen, maar dat moet gewoon even via de voorzitter.Minister Letschert:Meneer de voorzitter. Ik kom daar echt met u op terug, mevrouw Keijzer.Nogmaals, het is ook in het belang van het ministerie dat de afspraken diewij maken over de aantallen studenten en de gerichte groei en deafspraken die we in de talentstrategie maken vanuit het ministerie,gehandhaafd kunnen worden. We zijn die gesprekken op dit moment metde verschillende besturen van de twee sectoren aan het voeren.Waarschijnlijk ga ik daar voor een deel al voor de zomer het gesprek met uover hebben. Specifiek wat betreft de Wib gaat dat na de zomer zijn.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Maar ziet deze Minister ook ...De voorzitter:Wacht even. Mevrouw Keijzer, voor een interruptie.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Wauw. Maar ziet deze Minister ook dat er jaar na jaar mensen afstuderendie niet meer met een gewone Nederlander kunnen praten over hunvakgebied, omdat dat in het Engels is? Ziet zij het belang daarvan?Minister Letschert:Ik zei in het begin ook dat ik absoluut het belang van de Nederlandse taalzie en het belang dat wij vanuit de verschillende onderwijssectoren dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126432 manier om te kunnen integreren en mee te kunnen doen in die arbeids-markt vormgeven.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Voorzitter, ik heb nu geleerd om mijn interruptie binnen die 30 secondente houden. Hoe gaat dat gesprek met die Nederlander nou plaatsvinden?De voorzitter:Wacht even, mevrouw Keijzer. U heeft drie interrupties geplaatst.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Nee, onder de 30 seconden tellen ze niet mee, toch?De voorzitter:Ja, maar ik probeer het bij drie te houden. U mag nog even uw laatsteplaatsen.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dat had u van tevoren niet gezegd.De voorzitter:Maak ’m even en dan gaan we snel verder. Dan weet u dat ook.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Wie mag nu? Ik had mijn vraag al gesteld.De voorzitter:U mag nog even uw laatste interruptie plaatsen, maar we proberen het indrieën te doen.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Oké. Mijn vraag is de volgende. Er studeren mensen af, bijvoorbeeld in depsychologie, die niet in staat zijn om met een Nederlandse patiënt in hetNederlands te praten over wat er aan de hand is en wat er moet gebeuren.Is dat ook een belang dat deze Minister meeneemt? Zo ja, hoe dan?Minister Letschert:Dat belang zie ik. Op het hoe kom ik serieus terug op het moment dat datin gesprekken met de sector over de zelfregieplannen, in het licht van hethuidige coalitieakkoord, is afgestemd. Maar ik ben het eens met hetbelang.De voorzitter:Goed. Ik zie dat er behoefte is aan interrupties. Ik sta het nu wel toe, wanthet is een vrij lang blokje. De heer De Beer vroeg het zich ook al even af,maar de heer Claassen was eerst. Daarna mag de heer Van Houwelingen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik wil even terug naar die buitenlandse studenten en de relatie met detalentstrategie. Ik denk dat mevrouw Keijzer terecht zegt dat er ook eenfinanciële prikkel achter zit. Vaak gebruiken universiteiten de instroom vanbuitenlandse studenten om een andere opleiding te financieren. Betekentdat niet dat als we dit onderwerp echt willen aanpakken, we ook moetenkijken naar andere financiering van opleidingen, juist om te voorkomendat dit soort handgrepen worden gebruikt om opleidingen overeind tehouden?Minister Letschert:Er wordt via verschillende sporen naar de bekostiging van het hogeronderwijs gekeken. Onlangs is er een eerste analyse gemaakt vanuit deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126433 KNAW, die ik inmiddels op mijn bureau heb liggen. Ook binnen debestuurlijke omgevingen van sectoren zelf – dan heb ik het met name overde hogescholen en de universiteiten – zijn er werkgroepen die bekijkenwelk type bekostigingsstelsel beter recht zou doen aan de maatschappe-lijke opgaven die er zijn. Ze halen bepaalde prikkels die erin zitten er ookuit. Ik denk dat het goed is dat wij, vanuit het kabinet, over de uiteindelijkevoorstellen vanuit het ministerie met u in gesprek gaan, als we die ookecht allemaal goed geanalyseerd hebben. Zover ben ik nog niet. Dat isanders voor het mbo, want daarvoor lag er al een heel traject met eenreviewcommissie die naar de herziening van het bekostigingsstelsel vanhet mbo kijkt. Het lijkt mij verstandig om op een soortgelijke manierdiezelfde discussie te gaan voeren binnen de hogescholen en deuniversiteiten. Ik wil daar nu niet op vooruitlopen, want dan zou ik datweinig onderbouwd met u delen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Als we gaan kijken naar een ander financieringsstelsel, is de Minister danook bereid om niet alleen landelijk te kijken, maar ook naar waar deregio’s misschien meer behoefte aan hebben? Kan de regio misschiensturend zijn in het kijken naar een ander bekostigingssysteem?Minister Letschert:Dat staat absoluut bij ons op het netvlies. Je ziet dat ook terugkomen in degesprekken die ik nu heb rondom het mbo. Het is overigens ook eengedeelde ambitie vanuit de sectoren zelf. Zij voelen een collectieveverantwoordelijkheid om het onderwijs ook in de regio’s van kwalitatiefhoogwaardig niveau te laten voortbestaan. Dat is dus niet iets waar wijalleen top-down op moeten sturen. Ik merk echt dat dat een collectiefgedragen ambitie is.De voorzitter:Oké, helder. Ik zag de heer Van Houwelingen nog.De heer Van Houwelingen (FVD):Er worden niet alleen studenten uit het buitenland gehaald, maar ookwetenschappers. Daar gaat mijn vraag over. De NWO heeft het Tulp Fondsingericht om wetenschappers uit het buitenland hiernaartoe te halen. Ophetzelfde moment – dat weten we – worden er goed functionerendeNederlandse wetenschappers aan Nederlandse universiteiten ontslagenomdat er onvoldoende geld is. Is dat niet heel wrang? Hoe kan dat zo zijn?Dat is mijn vraag.Minister Letschert:We hebben daar vorige week ook een mooi debat over gevoerd toen wehet hadden over het onderzoek binnen onze sectoren. Ik denk dat hetbelangrijk is dat wij onze eigen wetenschappers vooral in het zonnetjezetten voor het werk dat ze hier doen en ze het liefst ook stabieleloopbaanpaden bieden. Tegelijkertijd is talent van buiten ook altijdabsoluut noodzakelijk. Dat geeft vaak nieuwe inzichten en nieuwe kennisdie ook ons eigen wetenschapssysteem enorm verrijken. Ik ben daar dusgroot voorstander van. Uiteraard is «balans» hier ook weer het keyword.De heer Van Houwelingen (FVD):Een korte vervolgvraag. Politiek is natuurlijk afwegingen maken. Mijnvraag is nog niet helemaal beantwoord. Er worden op dit moment,bijvoorbeeld bij het UCR in Middelburg, goed functionerende weten-schappers ontslagen omdat er onvoldoende geld is. Op hetzelfde momenthalen we wetenschappers uit het buitenland hiernaartoe met het TulpFonds. Is het in het Nederlandse belang niet volstrekt logisch dat we eerstTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126434 onze eigen goed functionerende Nederlandse wetenschappers behoudenvoordat we wetenschappers uit het buitenland hiernaartoe halen?Minister Letschert:Nogmaals, ik denk dat het belangrijk is dat we die balans houden. Je kuntwetenschappers die bijvoorbeeld bij een bepaalde instelling mogelij-kerwijs niet meer zouden kunnen werken niet zomaar een-twee-drieergens anders plaatsen. Dat heeft ook te maken met het type vakgebiedendat instellingen nodig hebben. Volgens mij gaat het om balans. Wemoeten zuinig zijn op de wetenschappers die we in Nederland in huishebben. We verrijken ons wetenschappelijke systeem en onze kennis doorook wetenschappers uit andere landen de mogelijkheid te bieden om hiereen carrièrepad te bewandelen. Dat is altijd de kern van wetenschapgeweest. Het is internationaal. Het inspireert elkaar. Dat betekent dus nietdat we onze Nederlandse wetenschappers uitsluiten.De voorzitter:Afsluitend, meneer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Afsluitend, voorzitter. Het is niet zo dat Nederlandse wetenschappersovergeplaatst moeten worden naar andere universiteiten. Ik heb het hierover wetenschappers, bijvoorbeeld van het University College Roosevelt –dat weet ik heel zeker – die ontslagen worden omdat er onvoldoende geldis. Die willen graag hun baan in Middelburg behouden, maar dat kan niet.Dat is de situatie. Dat zou misschien wel kunnen als bijvoorbeeld geld datnu aan het Tulp Fonds is gealloceerd, voor dat soort Nederlandsewetenschappers zou worden ingezet. Die keuze zouden wij maken.Minister Letschert:Ik denk dat de politieke afwegingen over bijvoorbeeld dit fonds andersliggen bij de partij van de heer Van Houwelingen dan bij mijn partij. Datkan.De voorzitter:Gaat u verder. U heeft nog een klein aantal onderwerpen in het eersteblokje, denk ik.Minister Letschert:Zeker. Eens eventjes kijken. We hebben het nu voldoende over detalentstrategie gehad, denk ik.Het LLO. We hebben in het debat over LLO, toen ik hier zat met deMinister van SZW en de Staatssecretaris, waarbij het onder andere gingover laaggeletterdheid, aangegeven dat er voor de zomer een brief naarde Kamer komt waarin wij de integrale benadering van het heleLLO-domein met u zullen gaan bespreken, omdat er ook in het coalitieak-koord vanuit die drie ministeries beleidslijnen en initiatieven zijnopgenomen. Dan gaat het over de leerrechten. Het gaat ook over hetaanbod. Het gaat over de discussie rondom publiek-privaat. In dat debathebben we daar al een mooi gesprek over gevoerd. Ik heb de punten die utoen met mij gedeeld heeft ook ter harte genomen. Die zal ik uiteraardverder meenemen bij de uitwerking van onze voorstellen. Die bredeLLO-brief komt voor de zomer uw kant op. Daarbij wil ik benadrukken datde rol van het vervolgonderwijs in dat aanbod wel heel belangrijk is, maardan moet het ze ook wel mogelijk worden gemaakt om die rol tevervullen. Dat is niet altijd makkelijk, ook gezien de wettelijke mogelijk-heden. Die discussie hebben we gevoerd en die zullen we verderuitkristalliseren in die beleidsbrief.Dat was blokje één.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126435 De voorzitter:Dat was blokje één. Hartelijk dank. Dan gaan we verder met Oekraïne enhet bindend studieadvies. Er zijn geen interrupties, denk ik. Nee.Minister Letschert:Zeker. Ik wil graag beginnen met het bindend studieadvies. Daar is veelover te doen, omdat er onlangs een onderzoek naar boven isgekomen ... Nou, naar boven is gekomen? Dat klinkt zo mysterieus. Het isuitgekomen, moet ik zeggen. Sindsdien is er veel discussie over het bsa.Er is al jaren een discussie over het bsa. Op verschillende momenten in detijd is door uw Kamer verschillend gewogen of de overheid daar een rol inmoet pakken, om daar voor de sector keuzes in te maken. Er is toenbesloten om de keuze bij de sectoren, de individuele instellingen, te laten.Het is ook geen verplichting om een bsa toe te passen, het is een keuze.Als je wil bevorderen dat studenten de eindstreep halen, zul je niet alleende keuze moeten maken of je dat via het bsa-instrument doet, maar ditook moeten inbedden in flankerend beleid, zoals studiebegeleiding, deopbouw van het curriculum, de toetsing en de mogelijkheden totherkansing. Dat allemaal, niet alleen het bsa, leidt uiteindelijk totstudeerbaarheid en slagingskansen van onze studenten.Waarom zeg ik dat nu allemaal? Omdat ik van mening ben dat deinstellingen en opleidingen op dat niveau met elkaar het gesprek moetenvoeren of het bsa-instrument, gezien het onderzoek dat we kennen, pastbij de visie van de onderwijsinstelling. De medezeggenschapslagen, zoweldie op facultair niveau op de universiteiten als de centrale medezeggen-schappen, hebben een heel belangrijk adviesrecht. Dat is waar hetgesprek zou moeten plaatsvinden. Ik kan me voorstellen dat het feit datwe hier met elkaar het debat voeren en het feit dat het zo veel in hetnieuws is, de instellingen uitdaagt om met elkaar, en met hun medezeg-genschap, waar studenten, docenten, onderwijsondersteunend personeelen wetenschappers samen met de facultaire of universitaire besturen hetgesprek hebben, richting te kiezen, in plaats van dat ik vanuit mijnministeriële verantwoordelijkheid top-down ga zeggen dat het bsa eruitmoet. Dat ben ik vooralsnog niet voornemens. Ik hoor wel heel graag hoede Kamer in de nieuwe samenstelling hiernaar kijkt. Daar sta ik uiteraardvoor open.De voorzitter:Allereerst is er een interruptie van mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik sloeg vooral aan op de laatste opmerking van de Minister, omdat ze heteen beetje van zich afduwt in die zin dat het niet haar verantwoorde-lijkheid is. Mijn vraag gaat over de besluitvorming rond het bsa. Het isingevoerd, terwijl de effectiviteit en doelmatigheid onvoldoende wasvastgesteld. Dat blijkt ook uit onderzoek. Wil de Minister op z’n minstonderzoeken hoe dit überhaupt tot stand is gekomen? Daar ligt hetprobleem natuurlijk ook.Minister Letschert:Ik wil dit absoluut niet van mij afduwen. In veel discussies die wij met uwKamer hebben, wordt verwezen naar de belangrijke rol van de medezeg-genschap. Ik vind dat die hierin ook een belangrijke rol heeft. Ik vind echtdat de medezeggenschap op die instellingen, die gekozen is met demandaten die daarbij horen, hier een stap kan, mag of moet zetten.Nogmaals, dat is afhankelijk van de discussie en de manier waarop het bijdie instelling is ingebed in flankerend beleid. Het is dus absoluut niet ietsom weg te duwen. De samenstelling van uw Kamer is inmiddels andersdan zoveel jaar geleden toen deze discussie vrij intens werd gevoerd. Alsuw Kamer daar nu anders over denkt, ga ik graag met u in gesprek overTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126436 de voorstellen die u met mij zou willen delen. Ik heb nu zelf echter niet hetvoornemen om het bsa wettelijk te gaan verbieden.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Kan de Minister dan wel toezeggen om samen met de instellingen tekijken naar mogelijkheden om studenten alsnog een studie succesvol telaten volgen of passende alternatieven te zoeken? Kan ze toezeggen omdat samen met instellingen te doen?Minister Letschert:Dat is al de verantwoordelijkheid. Dat is een dagelijkse ... Ik ben nietdagelijks met alle instellingsbesturen van al die instellingen in gesprek.Maar dat is waarom je in het onderwijs zit: je wilt dat je studenten deeindstreep halen. Als ze de Minister nodig hebben om dat te beseffen, hebik met die instelling waarschijnlijk een heel ander gesprek.De voorzitter:Afsluitend, mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Het ging concreet om het bindend studieadvies. De Minister wijst naar demedezeggenschapsraad. Laat haar nu twee dagen geleden zeggen dat datop heel veel instellingen niet goed geregeld is. Mijn vraag is heelconcreet: als de Kamer af wil van het bindend studieadvies of in iedergeval wil kijken naar een minder dwingende vorm, is de Minister danbereid om samen met instellingen te onderzoeken hoe we dat kunnenbewerkstelligen?Minister Letschert:Ik zit even na te denken. Het is nu namelijk geen verplichting. Het is geeninstrument dat een instelling móét toepassen. Stel dat ik nu instellingsbe-stuurder zou zijn. Als ik dan weer een nieuw onderzoek zou zien en dediscussie in de samenleving en in de Kamer, dan zou ik zelf dat gesprekactief opzoeken met mijn medezeggenschap en kijken of wij dit goedingebed hebben in alle mogelijkheden om studenten die studiebege-leiding te geven. Als u mij vraagt of ik dat nog eens actief met de tweesectoren wil bespreken, is mijn antwoord: uiteraard. Maar als u mij nuvraagt of ik zelf een wet ga voorbereiden om het bsa er nu uit te halen, ishet antwoord: nee, dat zou nu niet mijn eerste stap zijn.De voorzitter:Kunnen we dat als een toezegging noteren? Wanneer komt u daaropterug?Minister Letschert:Ik weet niet zo goed welke toezegging u bedoelt.De voorzitter:Ik hoorde wel iets van een toezegging, waarbij u zei dat u breder dan hetbsa ...Minister Letschert:Ja, dat is een goeie. We hebben met de Kamer afgesproken dat wij u opde hoogte houden van thema’s rondom studentenwelzijn. Er is ook eenKamerbrief daarover in de maak. Die krijgt u voor de zomer. Ik kan in mijngesprekken met de koepels vragen hoe de gesprekken verlopen binnenhun sectoren. Ik heb inderdaad het bericht van Zuyd Hogeschool rondomhet persoonlijk studieadvies gezien. Er werd mij vandaag ook gevraagdwat de instellingen met elkaar delen over de ervaringen. Daar wil ik uTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126437 uiteraard over informeren. Daar zal ik ook proactief naar vragen, als datuw vraag is.De voorzitter:Daar ga ik van uit. Op welke termijn komt dat richting de Kamer?Minister Letschert:Voor de zomer.De voorzitter:Voor de zomer van 2026?Minister Letschert:Dat zeg ik er nooit bij!De voorzitter:Maar ik vraag het nu wel! Ik noteer «2026».Minister Letschert:Zeker.De heer Ergin (DENK):De Minister wijst naar de autonomie van onderwijsinstellingen, maar wehebben hier te maken met een instrument waardoor minder studentenmet een diploma hun opleiding verlaten. Dat speelt name bij de universi-teiten, maar ook bij de hogescholen. Dat zou voor de Minister toch eenzwaarwegend argument moeten zijn om in te grijpen, in plaats van tewachten op een uitspraak van de Kamer? Waarom houdt de Minister deboot af?Minister Letschert:Deels omdat ik echt sta voor de autonomie van die instellingen, niet alleenvan de bestuurlijke laag, maar ook van de medezeggenschap. Er zijnvoldoende opleidingsomgevingen waar de studenten zelf niet willen dathet bsa er bij hun opleiding af gaat, waar de slagingskansen en-percentages van studenten heel hoog zijn. Er is niet één generiekesituatie. Mijn insteek is op dit moment als volgt. Iedereen in deze tweesectoren heeft dit laatste onderzoek gezien. Er zijn meer onderzoekengeweest. Neem die ter harte. Ga het gesprek aan met je medezeggen-schap. Ga kijken of het bsa zoals je dat op je eigen opleiding hebt gezet,past bij het totaal aan interventies van de opleiding om te zorgen voorgoede studiebegeleiding en -advisering. Als je van mening bent dat hetbsa niet past en dat je het slagingspercentage en het studiesucces viaandere methoden kunt bevorderen, doe dat dan. Daar heb je op ditmoment geen uitspraak van de Minister voor nodig.De voorzitter:Tweede interruptie van de heer Ergin.De heer Ergin (DENK):Het punt is dat het bsa niet leidt tot meer studiesucces. Als de vraag wasof er meer studiesucces moet komen, had ik begrepen dat de Minister wilkijken naar bepaalde elementen in het bsa. Na al die signalen is er nueindelijk een uitgebreid onderzoek waarin letterlijk wordt gesproken over«een averechts effect». Dan kan ik niet begrijpen waarom de Minister hetnog steeds heeft over de autonomie van onderwijsinstellingen en niet zelfde regie neemt.Minister Letschert:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126438 Zoals ik net al zei, hangt het studiesucces niet alleen van het bsa af. Het iseen pakket aan maatregelen, interventies en voorzieningen die jestudenten biedt. Ik beveel alle instellingen aan om, daar waar opopleidingsniveau het slagingspercentage laag is én er een bsa is, heelgoed naar deze studies te kijken en met de medezeggenschap het gesprekaan te gaan of het bsa in het licht van de percentages die daar geldenpassend is, of er andere voorzieningen nodig zijn of dat het bsa eruitmoet. Nogmaals, geef de sectoren en de opleidingen – dit speelt namelijkecht op opleidingsniveau – de ruimte om dit onderzoek, dat vorige weekpas uitkwam, te bespreken. Ik zal dat nauwlettend in de gaten houden. Ikheb net toegezegd dat we dit proactief met de twee onderwijssectorenbespreken. Daar zal ik u voor de zomer opnieuw over informeren. Als hetbsa bij een opleiding het effect heeft zoals u dat schetst, dan zou jeverplicht moeten zijn om of dat flankerend beleid in te richten, of het bsaeraf te halen. Dat ben ik met u eens. Maar geef de sectoren nu ook de tijdom de bevindingen van dit onderzoek tot zich te nemen. Nogmaals, ik benniet van de haastpolitiek. Vorige week kwam er een onderzoek uit en danzou ik nu meteen moeten zeggen: het bsa gaat eruit. Dat is niet mijn stijl.De voorzitter:Goed. Dan gaan we nu naar mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik begrijp dat de Minister zegt dat het wettelijk gezien aan de instellingenis en dat de medezeggenschap daarbij een rol heeft. Daarbij moet welworden opgemerkt dat dat natuurlijk alleen een adviesrecht is. Mijn vraagis meer: hoe weegt zij het onderzoek en wat vindt zij daarvan als zij zietdat het er vooral voor zorgt dat jongens weg moeten van een opleiding –die hebben namelijk toch vaak wat meer tijd nodig – terwijl ze het laterwel blijken te kunnen?Minister Letschert:Als ik instellingsbestuurder zou zijn, zou ik dit onderzoek serieus nemenen daar met de medezeggenschap en de opleidingsdirecteuren over gaanpraten. Dan over het adviesrecht. Ook al is het geen instemming, maar alsje een negatief advies krijgt van je medezeggenschap, moet je wel eenheel goed verhaal hebben om toch door te gaan. Dus een negatief adviesvan je medezeggenschap is voor mij geen te negeren statement.De voorzitter:Mevrouw Rooderkerk heeft geen vragen meer, dus dan gaan we naar deheer Claassen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik denk dat in de media het beeld is ontstaan dat het verplicht is om eenbsa te hebben. Ik denk dat het goed verwoord is dat dit niet zo is, maar datuniversiteiten en hogescholen dat wel hanteren, zij het divers. Ik denk datdan het volgende veel beter is. Mijn vraag is eigenlijk: wil de Ministerregie nemen om met de instellingen en organisaties na te denken overhoe je dan komt tot flankerend beleid om te stimuleren dat studentenintrinsiek bereid zijn om te komen tot de afronding van hun studie? Ermoet wel een stok achter de deur zijn. «Een» stok achter de deur; dat hoeftgeen bsa te zijn. Mijn vraag in mijn eerste termijn was ook als volgt.Voorzitter, ik blijf gewoon doorpraten, want ik ga hierna toch weg.Minister Letschert:Nou, wat jammer.De heer Claassen (Groep Markuszower):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126439 Ja, maar overigens pas na het antwoord. Zuyd Hogeschool heeftbijvoorbeeld een persoonlijke benadering en volgens mij helpt dat veelbeter om een student erdoorheen te krijgen. Is de Minister het daarmeeeens?Ten tweede denk ik dat opleidingen en medezeggenschap niet alleenadviesrecht hebben. Bij de totstandkoming van de OER kan de medezeg-genschap het oordeel vellen of ze het eens is met de OER of niet en in datlaatste geval moet het assessmentprogramma worden aangepast. Daarinkunnen heel veel drempels zitten die ervoor zorgen dat studenten deopleiding niet halen. Ze hebben wel zeggenschap en niet alleen advies-recht. Ik wil even bij de Minister toetsen of het klopt wat ik nu zeg.Minister Letschert:Mijn hersenen zijn aan het malen. In de tijd dat ik nog rector was, wist ikdit altijd meteen en precies. Als het bsa altijd in de OER zit, heeft u gelijken ligt de facultaire instemming op dat vlak. Houd mij even ten goede.De heer Claassen (Groep Markuszower):Los van het bsa kun je in je curriculum natuurlijk drempels inbouwenwaar een student overheen moet om te komen tot een x-aantal studie-punten en door te mogen in het eerste of naar het tweede, derde of vierdejaar. Daarbij heeft de medezeggenschap volgens mij gewoon instem-mingsrecht en niet alleen adviesrecht. Ik wil de Minister dus meegevendat er heel veel middelen zijn waarmee een organisatie wel kan sturenzonder dat we direct iets doen met dat bsa, want eigenlijk is dat maar eendingetje.Minister Letschert:Dat kan ik beamen. Ik dacht dat de heer Claassen net wilde weten of hetbsa in de OER zit. Ik heb net het Kamerlid Abdi toegezegd dat ik dit in hetbestuurlijk gesprek dat ik heb met de twee onderwijssectoren op tafel galeggen. Absoluut.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ik heb één korte vraag. Wil de Minister ook meenemen dat het soms heelverstandig is om een bindend studieadvies te krijgen, omdat je gewoonop de verkeerde studie zit?Minister Letschert:Of ik dat mee wil nemen?Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Nou ja, in alles waarmee u bezig bent en waarmee u straks gaat terug-komen naar deze commissie.Minister Letschert:Zeker. De vraag is dan alleen welk instrument het meest effectief is om dieboodschap mee af te geven. Ik denk dat we daar de discussie overhebben. Een eenzijdig instrument gaat ’m niet worden. Dat probeer ik ookte betogen. Het heeft echt een inbedding nodig in een breder palet aanvoorzieningen die instellingen bieden aan studenten. Dat gaat via destudieadviseurs en via de studentenpsychologen. Er zijn allerlei manierenom studenten bij je te houden, te begeleiden en op enig moment in hetbelang van de student ook te kunnen zeggen: deze studie is het wellichtniet voor jou; wat als we nu eens gaan bekijken welke studie wel zoupassen? Dat zit trouwens ook in die bsa-route. Hoe kan je daar devoorlichting proactief op voeren? Dat zal ik graag meenemen.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126440 Oké, helder. Ik denk dat u in het tweede blokje nog wat over Oekraïensestudenten heeft of wellicht nog meer over het bsa?Minister Letschert:Nee, meneer de voorzitter, ik denk dat we het onderwerp bsa voor nukunnen afsluiten. Dat voel ik aan. Dat is prima.Oekraïne is een heel belangrijk onderwerp. Ik begrijp helemaal de zorgvanuit de Kamerleden Abdi en Rooderkerk, en ik voel ook wel de frustratieen misschien een beetje woede over de vraag waarom het kabinet noggeen uitsluitsel heeft gegeven over wat te doen met de groep scholierendie zich nu aan het oriënteren is op een mogelijke studie in Nederland,waarvoor nu de oriëntatiefase loopt. Kamerlid Abdi noemde ook dedeadline van 1 mei. Ik kom dadelijk op de fase waarin het kabinet zit, maarik wil eerst een kleine nuance aanbrengen, namelijk dat studenten tot1 mei het recht hebben om te worden toegelaten als ze voldoen aan detoelatingseisen die daarbij horen. Na 1 mei kan je je nog steedsinschrijven. Dan is het geen recht meer, maar is het aan de instelling omin gesprek met de student te bepalen of die alsnog kan worden toege-laten. Met betrekking tot die periode rond 1 augustus en 1 september is erdus nog wel een mogelijkheid om studenten alsnog aan die instellingtoelaatbaar te laten zijn.Maar dat was niet de achtergrond van uw vraag. Die was: hoe zorgen wenou dat die scholieren die binnenkort hun examen halen het verlaagdecollegegeldtarief van € 2.600 zouden mogen betalen in plaats van de omen nabij € 10.000 – soms is het, afhankelijk van het type opleiding, ietsmeer – die voor studenten geldt die niet uit Europese Unie komen? In deberekeningen die wij gemaakt hebben, zou het gaan om een groep van intotaal bijna 10.000 potentiële studenten. Nu wordt het misschien heelakelig, omdat het over geld gaat. Het gaat in totaal 100 miljoen eurokosten – dat is dus serieus geld – als wij die groep de garantie zoudenwillen geven dat als zij zich inschrijven, wij de kosten op ons nemen vanhet bedrag waarmee wij de instellingen subsidiëren als zij uiteindelijkvoor dat lagere collegegeld instromen. Wij zijn met het kabinet op ditmoment echt nog steeds in gesprek over de vraag of wij dekking zoudenkunnen vinden voor dat bedrag. Het kabinet en onze Minister-Presidenthebben al meerdere keren geuit dat wij onze verantwoordelijkheid voor deOekraïense inwoners en de mogelijke studenten serieus nemen.Wij moeten ook nog een besluit nemen over de rechten van Oekraïenseontheemden na maart 2027. Dan loopt namelijk de tijdelijke beschermingvanuit die EU-richtlijn, die Richtlijn Tijdelijke Bescherming, af. Daarin looptook de discussie over het wettelijke collegerecht vanaf die periode mee.Je zou willen dat het dan voor die groep duidelijk is welk type collegegeld-tarief gaat gelden. Het vorige kabinet heeft aangegeven dat de Oekraïenseontheemden onder het lagere wettelijk collegegeld zouden vallen. In hetcoalitieakkoord is dat omarmd. Bij de bespreking van de Miljoenennotavoor dat jaar gaan wij daar met de Kamer opnieuw over in gesprek. Datlost op dit moment nog even niks op voor de groep die nu aan de lat staatom mogelijk te gaan studeren. Nogmaals, ik ben nog met het kabinet aanhet bekijken wat er eventueel mogelijk is voor deze groep, maar daaroverheb ik nu nog geen uitsluitsel.Als laatste wil ik nog noemen dat ik de afgelopen weken heb gesprokenmet de onderwijssectoren, die zelf een mogelijkheid hebben om hetlagere collegegeldtarief aan te bieden. Meerdere instellingen doen datook. Ik wil niet de volledige verantwoordelijkheid bij hen leggen. Dat zoumakkelijk zijn, zo van: jij regelt het niet; ga het dan nou maar in deonderwijssector regelen. Maar er zijn meerdere onderwijsinstellingen inhbo- en wo-land die dat doen. Nogmaals, een andere aanpak zou ookvanuit hun oogpunt beter zijn.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126441 Ik zie een interruptie van mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Heel kort. Ik vroeg natuurlijk aan de Minister: hoe heeft dit kunnengebeuren? Ik vroeg dus eigenlijk meer om een reflectie op het feit dat wehet sinds de aangenomen motie en sinds het coalitieakkoord nu pashebben over de aantallen en wat daar mogelijk voor nodig is. Wat is er aldie tijd eigenlijk concreet gedaan? Dat was mijn concrete vraag.Minister Letschert:Het is toch best een flinke financiële claim en daar moet ik dekking voorvinden. Dat klinkt heel basaal, maar dat is wel zo. Wij voelen ons er ookniet comfortabel bij om te kijken naar mogelijke scenario’s om die groepkleiner te maken, want dan ga je onderscheid maken binnen die groep.Ook hebben we gekeken naar voorstellen vanuit uw Kamer, die vanuit hetoogpunt van gelijkwaardigheid toch niet de voorkeur van het ministeriehebben. Je wilt de dekking dus eigenlijk voor de totale groep gereedhebben. Daar ben ik op dit moment nog mee bezig, maar ik heb ’m nogniet; daar wil ik ook eerlijk in zijn.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dat begrijp ik. Ik hoor het de Minister zeggen. Ik val in herhaling, maar ditgaat ook over het voorwerk dat is gedaan. Hoe komt het dat we het nu pashebben over ramingen en dekkingen? Wat is er nou concreet gebeurdsinds die motie is aangenomen en het vorige kabinet heeft aangegeven:we gaan dit regelen? Waarom is het tot op de dag van vandaag dan nietgeregeld?Minister Letschert:Ik ben even mijn herinnering aan het opfrissen aan de tijd toen ik hier nogniet was. «Dat is knap», hoor ik mevrouw Keijzer zeggen. Wat ik weet isdat er in de gesprekken, ook nu in de huidige Taskforce Asiel en Migratie,wordt gekeken naar verschillende domeinen als het gaat om vergoe-dingen. Daarbij kan het gaan om huisvesting of zorg, maar ook onderwijsis daar een onderdeel van. In de eerdere gesprekken echter is dat naarmijn weten niet op die manier, zo scherp als wij het nu met elkaar doen,sinds de tasforce er is, besproken. Ik kan voor u wat beter op een rij zettenwat er sinds de motie is gebeurd. Uiteraard ben ik bereid om u dat oppapier toe te sturen, want zover gaat mijn herinnering niet terug. Ik weetwel dat we sinds het aantreden van het huidige kabinet met elkaar, ookbinnen de coalitie, gesprekken hebben over hoe we ervoor kunnen zorgendat we ook voor deze groep, voor wie opleiding zo belangrijk is, ietskunnen doen zodat ook zij tegen dat lagere collegegeld kunnen instromen.Tegelijkertijd gaat het ook weer niet om een dusdanig klein bedrag dat hetmeteen op die manier geregeld kan worden. Dat is het eerlijke verhaal.De voorzitter:Afsluitend, mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Afsluitend. Eigenlijk vind ik het gewoon teleurstellend, als ik heel eerlijkben. Ik had gehoopt dat de Minister zou zeggen: we gaan het inderdaadregelen. Nu hoor ik de Minister weer zeggen «mogelijk» en «grotebedragen». Ik denk dat we met elkaar kunnen vaststellen dat er eenmeerderheid is en dus steun voor het kabinet om dit mogelijk te maken. Ikdoe bij dezen dus de dringende oproep om niet langer te wachten en tedralen maar om te komen met een gepaste structurele regeling, want hetgaat hierbij ook om het nakomen van beloftes door de overheid en debetrouwbaarheid van de overheid. Dat wil ik de Minister dus echt nog eenkeer op het hart drukken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126442 Minister Letschert:Ik heb dat goed opgeslagen.De voorzitter:Kijk eens aan. Dan kunt u dat in uw volgende herinnering weermeenemen. Zullen we dat dan maar afspreken? Dit was het tweede blokje,over het bindend studieadvies en Oekraïense studenten. Dan gaan wijverder met het derde blokje.Minister Letschert:Ik hoor de bel. Pauze?De voorzitter:Nee, de groeten. Uw werkdag eindigt pas aan het eind van de dag. Hetderde blokje gaat over bezettingen en sociale veiligheid. We gaan gewoondoor!Minister Letschert:We gaan van het ene mooie thema naar het andere. Aanstaande dinsdaghebben wij een debat in de Kamer over het rapport van de TaskforceAntisemitismebestrijding. Die taskforce hield zich bezig met de veiligheidop Nederlandse universiteiten en hogescholen en op onze stations. Ikgeloof dat uw Kamer voor het weekend verder geïnformeerd wordt overde reactie van het kabinet op de aanbevelingen van die taskforce. Daargaan we aanstaande dinsdag met elkaar het debat over voeren. Daar kijkik absoluut naar uit. Ik ga nu ook al wel het een en ander zeggen, want ikwil u allemaal niet tot dinsdag laten wachten. Sinds ik deze functie vervul,heb ik al een aantal keren met vertegenwoordigers van de Joodsegemeenschap en met Joodse studenten gesproken, ook ter voorbereidingvan de reactie van het kabinet op de aanbevelingen van de taskforce. Daarwas ik overigens, totdat ik informateur werd, zelf lid van. Daarna ben ikeruit gestapt. Het raakt je enorm als je de studenten spreekt die aangevendat ze op de campussen hun identiteit niet meer durven te laten zien endie ervoor kiezen hun eigen identiteit te verhullen, omdat ze zich onveiligvoelen op de instelling waar ze zelf studeren. Dat raakt denk ik iedereendie dat soort verhalen hoort. Als kabinet hebben we daarin dus eenopdracht, maar ook binnen de onderwijssector hebben we een opdracht.Geen enkele onderwijsinstelling wil namelijk dat studenten, met welkevorm van discriminatie ze ook te maken hebben, hun eigen identiteitzouden moeten verhullen. Laat ik dat vooropstellen.Ook begrijp ik het ongenoegen en de frustratie vanuit de Kamer over hoebepaalde vormen van demonstraties ontaarden in bezettingen, dieveiligheidsproblemen met zich meebrengen en die ervoor zorgen datonderwijs in bepaalde gebouwen moet worden uitgeroosterd, en dieintimidatie opleveren voor medewerkers die in die gebouwen werken. Datheeft allemaal niks meer met demonstreren te maken. Dat heeft te makenmet het misbruiken van het recht op demonstreren in ons land, wat ik eenenorm belangrijk grondrecht vind. Dat mag ook schuren. Ik heb zelf veelstudie gedaan naar het recht op demonstreren: wanneer houdt schurenop en ben je ook andere wetten aan het overtreden? Of: wanneer heb je temaken met botsende grondrechten, namelijk van het demonstratierechten het recht op onderwijs? Die kunnen botsen. Dat is niet altijd zwart-wit,en het is ook vanuit bestuurlijk oogpunt soms best ingewikkeld om dantijdig de juiste route te kiezen. Ik denk dat instellingen in de afgelopenjaren, door schade en schande wijs geworden, geleerd hebben hoe zijdaarmee moeten omgaan.Je ziet tegenwoordig ook dat instellingen veel sneller de grens aangevenvan wat begint als een demonstratie en eindigt in een bezetting, metmogelijke veiligheidsconsequenties en repercussies voor de staf diebinnen die gebouwen werkt. Dat uitte zich bijvoorbeeld afgelopen weekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126443 aan de Universiteit Maastricht, waar de bezetting binnen een dag tot eeneinde werd gebracht. Ik hoorde een van de Kamerleden wat verbaasdzeggen: waarom ga je dan nog onderhandelen? Dat woord is dan ook nietaltijd goed gekozen, want het is vaak niet eens onderhandelen. Het is degroep zelf bewegen om het gebouw te verlaten, zonder dat de hele lokaledriehoek – dat vergt ook weer veel capaciteit – in actie moet komen. Dat iseigenlijk het gesprek dat je voert. Als dat niet lukt, dan neemt de lokaledriehoek het over. Ik hoef u niet uit te leggen wat er dan voor situatieskunnen ontstaan.Nogmaals, wij gaan daar aanstaande dinsdag zeker langer met elkaar overdoorpraten. In dat debat zal ik ook aangeven hoe ik de rol van mijzelf alsMinister, als stelselverantwoordelijke, zie ten aanzien van de bestuurlijkeverantwoordelijkheden die instellingen hebben en de verantwoordelijk-heden van de lokale driehoek. Op dat vlak is heel veel geleerd, maar datkan nog steeds beter. Aanstaande dinsdag zullen we zeker het gesprekmet elkaar voeren over de vraag waar dat dan in zit, waar dat nog beterkan en wat daarin de rol is van mij als Minister – en uiteraard van deMinister van JenV. Daarom gaan wij ook samen met u dat debat voeren.Ook ga ik dan met u praten over de rol van de huisregels. Die regels zijn erniet voor niks. Universiteiten en hogescholen hebben huisregels. Datbetekent ook dat je geen gebouwen mag vernielen, geen graffiti op demuren mag spuiten, geen staf naar buiten mag jagen en niet metgezichtsbedekkende kleding naar binnen mag gaan. Hoe kan het dan datin de ogen van de samenleving of van de Kamer niet altijd opvolgingwordt gegeven aan die huisregels? Die zijn er immers niet voor niks. Daarzitten ook allerlei dilemma’s in. Dat is soms bijvoorbeeld het geval als hetgaat over het identificeren van degenen die iets bezet hebben en over hetvrijgeven van de identificatie van die personen aan de instellingen. Somsweet je niet eens om wie het gaat als je je huisregels wil toepassen, maarde huisregels zijn er. Er zijn ook ordemaatregelen mogelijk. Dan gaat hetover schorsing, over iemand verwijderen van de opleiding en ook overroutes buiten de eigen huisregels. Op het moment dat je een student ofeen medewerker die bijvoorbeeld graffiti op je muren spuit op heterdaadbetrapt, kun je als instelling aangifte doen.Instellingen doen dat ook. Het gaat dan niet alleen om aangifte voor dievernieling, maar ook om het claimen van de schadevergoeding via deciviele route. Het kost namelijk enorm veel geld om elke keer al die murenweer schoon te maken. Instellingen doen dat dus. Misschien hebbeninstellingen te weinig genoemd dat dat gebeurt. Soms is er ongeloof bijmensen in de samenleving en ook bij uw Kamer over hoe daar wordtopgetreden. Dat begrijp ik. Nogmaals, daar zullen we wat mij betreftaanstaande dinsdag breder het debat over voeren. Dan kent u ook dereactie op alle aanbevelingen en dan is de Minister van JenV er als hetgaat over de rol van die driehoek en de bestuurlijke verantwoordelijkheidbinnen de instellingen.De voorzitter:Dat was dit blokje. Mevrouw Keijzer heeft een interruptie.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dat klinkt allemaal goed, maar wat doet de Minister vervolgens? Toen zijnog werkte aan de universiteit van Maastricht was er wel ruimte voor eenkantoortje voor pro-Palestinademonstranten, maar met Israëlischewetenschappers was het toch wel erg ingewikkeld allemaal. Vorige weekzei ze nog als antwoord op een vraag van mij: als je de ene toestaat, moetje de andere ook toestaan.Minister Letschert:Ik wil heel graag met mevrouw Keijzer een keer de specifieke context vanMaastricht bespreken vanuit mijn vorige rol als bestuurder. Dat lijkt meTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126444 sowieso interessant. Ik denk niet dat dit de gelegenheid daarvoor zou zijn.Ik zit hier nu ook in een andere rol. Dan zou ik me nu namelijk gaanverdedigen vanuit die rol. Ik denk dat dit niet de plek daarvoor is.Pro-Palestijnse demonstraties mag je toestaan. Ik ben heel vaak trotsgeweest op studenten die zich uitten, ook als het gaat over wat zij in hetMidden-Oosten aanschouwen. Tegelijkertijd moeten instellingen er ookvoor zorgen – we hebben het vorige week in het debat ook gehad over depluriformiteit van opvattingen – dat er ruimte is voor Israëlische of Joodsesprekers om hun verhaal te kunnen houden en dat dit op een zorgvuldigeen veilige manier gebeurt. Dat is op verschillende momenten verkeerdgegaan, soms om redenen die met veiligheidsmaatregelen te makenhadden omdat die niet gegarandeerd konden worden. Dat is erg zat; datwil ik hier ook bij zeggen. Dat is erg zat. Maar zo zwart-wit als het somsmisschien overkomt, is het ook weer niet altijd. Ik moet daar als Ministervoor staan en daar moeten de sectoren ook voor staan. Vorige weekhebben we er in het debat met elkaar over gesproken dat de rectoren vande veertien instellingen een traject in gang hebben gezet. Dat doen ze omdie schurende gesprekken en de dialoog over onderwerpen waarbij je vantevoren weet dat je het daarover totaal oneens gaat zijn, gegarandeerdeen plek te blijven geven binnen die universiteiten. Daarover verschillenwe, denk ik, helemaal niet zoveel van mening.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dat wij niet van mening verschillen is mooi, maar wat doe je ervervolgens mee? Voor een pro-Israëlische activist, Rawan Osman, en eenJoodse student, Kestenbaum, is geen ruimte, maar wel voor pro-Pa-lestina ... – ik zeg even «slopers», want daar gaat het soms bijna om. Jekunt niet aan de ene kant belijden dat je daarmee gelijk moet omgaan endat vervolgens niet doen. Dan wordt het voor mij gewoon ingewikkeld omnaar deze Minister te luisteren, want ik houd ervan dat je, als je a zegt, ooka doet.Minister Letschert:Ik begrijp mevrouw Keijzers behoefte om op die specifieke situatie dieperin te gaan. Nogmaals, daar ben ik graag toe bereid. Maar ik denk niet datdit de plek is om vanuit een soort verdedigend perspectief en vanuit mijnoude functie de feiten die er toen waren en die tot die overwegingenhebben geleid, te bespreken. Daar is dit Kamerdebat volgens mij niet voorbedoeld. Wat u van mij mag verwachten, is dat ik als Minister en alsverantwoordelijke voor het stelsel, met die sectoren voor het volgendezorg. Op het moment dat er geen ruimte is om vanuit verschillendeperspectieven bepaalde thema’s met elkaar te bespreken, falen we alswetenschappelijk systeem. Daar mag u mij verantwoordelijk voor houden.En nogmaals, ik bied graag aan om dieper met u in gesprek te gaan overdie specifieke situatie, die naar mijn mening toen uitlegbaar was. Daarmag u uiteraard iets anders van vinden, maar ik zou daar niet het heledebat aan willen wijden.De voorzitter:Afsluitend, mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Tot slot, voorzitter. Trauma-arts Frenkel was ook niet welkom inAmsterdam. Als je elke keer redenen hebt waardoor Israëlische weten-schappers niet kunnen komen, terwijl – laat ik het maar gewoon zeggen –rapaille universiteiten sloopt en je die wel toelaat, dan gaat er iets mis. Ikvind dat deze Minister, als zij wetenschap en gelijke berechting hoog inhet vaandel heeft, ook moet zorgen dat haar daden daarmee in overeen-stemming zijn. Genoeg voor nu. Volgende week hebben we hier weer eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126445 debat over, maar dan wil ik gewoon van deze Minister horen hoe ze ditgaat regelen. Want het is om je kapot voor te schamen.De voorzitter:Mevrouw Keijzer, dit was uw tweede lange interruptie. Dan weet u dateven. Een reactie van de Minister.Minister Letschert:Nee, meneer de voorzitter. Ik kijk uit naar dinsdag.De voorzitter:Dat was een korte reactie. Ik ga naar de heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):De Minister zei net dat veiligheidsmaatregelen niet gegarandeerd kondenworden en dat dat al erg genoeg is. Dat ben ik natuurlijk helemaal methaar eens. Kan zij nader uitleggen wanneer veiligheidsmaatregelen nietkonden worden gegarandeerd, hoe vaak dat is gebeurd en wat wedaaraan gaan doen?Minister Letschert:Dan gaat we toch te veel in op één incidentele casus waar ik toevallig allesvan weet. Dus daar reageerde ik op. Volgens mij is dit debat daar nietvoor. Ik zit hier als Minister; ik zit hier niet als voormalig universiteitsbe-stuurder. Als u meer inzicht wil in de specifieke situatie waar uw collega-Kamerlid naar verwijst, dan ben ik uiteraard bereid dat te delen. Maar datwas geen generiek statement.De heer Boomsma (JA21):Oké, want dat vroeg ik me even af. Ik hoef niet per se op dit moment datincident helemaal uit te diepen. Dat heb ik begrepen. Dat kan op eenander moment. Maar de Minister zegt dat veiligheidsmaatregelen nietgegarandeerd konden worden. Ook als dat één keer voorkomt, is datnatuurlijk wel reden tot zorg, voor ons allemaal.Minister Letschert:Absoluut, dat deel ik. Dat zei ik net ook een aantal keer: het kan niet zo zijndat je als universiteit niet meer garant kan staan voor het voeren vandebatten over welk thema dan ook, ook al zijn die zo schurend als hetmaar kan. Daar is een universiteit voor. Punt.De voorzitter:Punt. Kijk eens aan. Afsluitend nog, meneer Boomsma?De heer Boomsma (JA21):Dan is dat wel een hele belangrijke gezamenlijke opdracht.Minister Letschert:Daar ben ik het helemaal mee eens.De voorzitter:Gaat u verder. We zijn bij het vierde blokje, denk ik dan, over studiefinan-ciering, stages, compensatie en DUO.Minister Letschert:Meneer de voorzitter, met uw toestemming ga ik nog een kort antwoordgeven op de vraag van Kamerlid De Beer over de wettelijke zorgplichtsociale veiligheid. U vroeg: wanneer komt u met uw wet daarvoor? Mijnvoorgangers begonnen al met het uitwerken van die wettelijke zorgplichtin een soort verkennende fase. Ik ben op dit moment bezig met het verderTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126446 uitwerken van een manier waarop zo’n wettelijke zorgplicht zo effectiefmogelijk kan worden vormgegeven zodat het niet een soort gedrochtwordt waar de sectoren eigenlijk helemaal niet mee geholpen zijn. In diefase van de besprekingen zitten we. Dat betekent dat de informatieomtrent dat wetsvoorstel na de zomer uw kant op komt. Maar u krijgt heelveel voor de zomer, dus misschien is het goed om het rondom een aantalonderwerpen wat te gaan faseren.De voorzitter:Kunt u «na de zomer» wat specifieker maken?Minister Letschert:In de herfst. Een mooi seizoen.De voorzitter:De herfst. Wanneer loopt de herfst eigenlijk af?Minister Letschert:Ik hoor: op 21 december. Dan pas? Ja, dan begint de winter.De voorzitter:Goed. U gaat ook een beetje over de scherpte van de toezegging, samenmet mij. Maar als u hiermee kan leven, dan gaan we dat noteren. Gaat uverder, Minister.Minister Letschert:Meneer de voorzitter. Dan gaan wij naar de verschillende vragen over destudiefinanciering. We hebben ook nog het studentenleenstelsel. Ik heballes zo goed als mogelijk verzameld, maar hoor het graag als dat niet zois.We hebben in het coalitieakkoord twee maatregelen genomen ten aanzienvan de positie van studenten en de wijzigingen die het kabinet wilaanbrengen in de studiefinanciering. Eén maatregel is bedoeld om metname de positie van uitwonende studenten te verbeteren. Wij denken ernu aan om de basisbeurs voor uitwonende studenten te verhogen meteen bedrag van € 50. Nogmaals, in de beleidsbrief bespreek ik devoornemens. Dan ga ik daar graag dieper met u op in. Daarnaast hebbenwe in het coalitieakkoord een maatregel opgenomen rondom de rente-maatregel. Ook die zijn we momenteel aan het uitwerken en komt uw kantop.Tegelijkertijd ben ik me er uiteraard van bewust dat er bij uw Kamer en uwvoorgangers veel vragen leven en wensen zijn ten aanzien van definanciële positie van studenten en het gelijktrekken van de financiëlepositie van studenten in het mbo, hbo en wo. Er is meerdere malengepleit voor een verhoging van de studiefinancieringsbedragen voor allestudenten. Dat hebben we meerdere keren in Kamerbrieven voor u inkaart gebracht, inclusief de kosten die daarmee gepaard gaan.Als je het mij vraagt, willen we het allemaal goed regelen voor studenten.We willen allemaal dat studenten geen stress krijgen doordat ze het eindevan de maand niet halen of omdat ze te veel moeten werken om in hunlevensonderhoud te kunnen voorzien. Tegelijkertijd zijn de basisbeurs ende uitwonendenbeurs ook niet bedoeld om het volledige levenson-derhoud van studenten te kunnen opvangen. Er is een soort driehoek vanouders, studenten en de studiefinanciering om ervoor te zorgen dat je inje levensonderhoud kan voorzien. Als je het deel van ouders niet hebt, kunje gebruikmaken van de aanvullende beurs of het onderdeel van deleningen.Het eerlijke verhaal is ook dat we op het moment dat we alles gelijkzouden willen trekken, een heel ander dekkingsverhaal met elkaar tebespreken hebben. Dat gaan we uiteraard met elkaar doen op het momentTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126447 dat het kabinet komt met de plannen voor de middelen die hetvoornemens is in te zetten. Ik kan me zo voorstellen dat we op datmoment met elkaar het gesprek hebben over de vraag of de weging diewij als coalitie gemaakt hebben, overeenkomt met de weging die uwKamer zou maken. Dat is dan weer het voordeel van werken met eenminderheidscoalitie, want u heeft daar absoluut ook iets over te zeggen.Nogmaals, de inzet van het kabinet is de uitwonende beurs verhogen ende rentemaatregel uitwerken. Ik ga heel graag met u in gesprek over devoorkeuren die u heeft en de vraag of u daar andere keuzes in zou willenmaken. Ik denk alleen dat we dat moeten doen op het moment dat diebrief er ligt.Meneer de voorzitter. Kamerlid Rooderkerk vroeg hoelang het dan duurtals de maatregel ten aanzien van de uitwonendenbeurs door de Kamerzou komen. Dan heb je toch te maken met een wetswijziging. Ik dacht dathet misschien heel makkelijk zou zijn, omdat je een bedrag verandert. Datlijkt niet zo te werken, want daar staat toch weer twee jaar voor. Datbetekent dat dit op zijn vroegst vanaf het studiejaar 2028–2029 zou kunnenwerken. Als ik het kan versnellen, doe ik dat, maar dit zijn wel routes waarwetswijzigingen doorheen gaan. Dat is het eerlijke antwoord.Meneer de voorzitter. Dan heb ik nog een antwoord met betrekking tot demotie-Straatman c.s. die oproept om een wetswijziging te verkennenrondom de doorstroom van de hbo-bachelor naar de wo-master. Dezeverkenning gaan wij uiteraard uitvoeren. Die loopt al voor een deel. Wemoeten kijken wat er juridisch en uitvoeringstechnisch nodig is om dat tedoen. Wat zijn de gevolgen voor de doorstroom naar de wo-master als wijhiervoor zouden gaan? Als ik dat weet, kan ik ook inschatten wat diemaatregel zou gaan kosten. Ook hiervoor moet dekking gevondenworden. Die dekking heb ik op dit moment niet in mijn begroting zitten.Wij gaan dan ook weer met elkaar het gesprek hebben over de vraag ofdie weging op de juiste manier gedaan is. Die verkenning komt inhetzelfde najaar.Kamerlid Hamstra vroeg naar de problemen van studenten met eengokverslaving die de studiefinanciering gebruiken voor hun gokver-slaving. Volgens mij was dat de link die u maakte. Wij zijn binnen hetministerie bekend met die problematiek. We weten niet hoe groot diegroep studenten is. Ik heb mij laten informeren dat het soms voorkomt datDUO van een betrokkene het verzoek krijgt om de studiefinanciering stopte zetten. DUO heeft niet zelf de bevoegdheid om dat te doen; alleen destudent zelf kan de studiefinanciering stopzetten. DUO kan uiteraard ookniet controleren waar een student de studiefinanciering aan besteedt. Debetrokkenen die dat mogelijkerwijs melden, zijn dan ook de personen diein dat soort situaties de hulplijn bieden bij een behandeling voorverslaving of bij de financiële begeleiding die nodig is. Het is heel lastigom DUO daarvoor aan te kijken. Als het gaat om kansspelverslaving, weetu wellicht al, meneer de voorzitter ... O, excuses. Dat is een slechte link!Als het gaat om kansspelverslaving kunnen mensen en hun familieledenbij de Kansspelautoriteit een gokstop aanvragen. Dan kun je namelijk eenhalfjaar niet meer gokken op goksites, in speelhallen en in casino’s. Dat iswat ik nu te bieden heb op deze vraag.Mevrouw Rooderkerk (D66):Er zijn spookstudenten: studenten die wel ingeschreven staan, maar diefeitelijk niet studeren. Daar heb ik ook mails over ontvangen. Zij kunnennog wel leningen krijgen via DUO, terwijl ze die bijvoorbeeld kunnengebruiken om te gokken. Ik hoor van ouders dat ze daar niks tegen kunnendoen. Dat is misschien heel veel detail voor deze vraag, maar wellicht wilde Minister daar eens naar kijken. Ik vind dat namelijk wel zorgelijk.De voorzitter:Wil de Minister daarnaar kijken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126448 Minister Letschert:Ja, ik wil daar zeker naar kijken. Ik heb daar nu ook geen antwoord op. Ikzou dus buiten mijn boekje gaan als ik daar nu op zou antwoorden.Mevrouw Rooderkerk (D66):Kan het misschien in de tweede termijn, en anders in een verzamelbrief?Ik kan de informatie sowieso toesturen. Ik denk wel dat het goed is om tekijken naar het feit dat dit gebeurt en dat er niks tegen te doen is.De voorzitter:Volgens mij is uw vraag dus eigenlijk: wanneer komt dit terug?Minister Letschert:Ik zou voorstellen om dit in een soort verzamelbrief op te nemen. Anderszou ik nu namelijk snel DUO moeten bellen. Dan krijgen we misschien ookeen half antwoord.De voorzitter:Als u een appje stuurt, krijgt u dat in uw rol als Minister gelijk.Minister Letschert:Ja, maar als ik de vraag van meneer Hamstra begrijp, zit hier echt eenzorg. De vraag van mevrouw Rooderkerk gaat ook de kant van die zorg op.Ik wil dan eigenlijk wel wat tijd hebben om daar met de betrokkenambtenaren over te praten, zodat we een serieus en heel doorwrochtantwoord uw kant op kunnen sturen, in plaats van dat ik nu misschien eenheel snel antwoord krijg. Dat zou mijn voorkeur hebben.De heer Hamstra (CDA):Ik ben blij met het laatste wat de Minister zegt, want daar ben ik zelf ooknaar op zoek. Ik hoor de Minister het, als antwoord op mijn vraag tenaanzien van die oplossingsrichtingen, hebben over de rol van DUO en hetdwingende karakter. Dat hoeft wat ons betreft ook helemaal niet. Maar ikben wel benieuwd of er nog andere oplossingsrichtingen zijn. Als u datkunt meenemen in datzelfde schrijven dat u de Kamer doet toekomen zijnwij daar hartstikke blij mee. Dank daarvoor.Minister Letschert:Ja, daar kunnen wij zeker naar kijken.De voorzitter:Kijk eens aan. Ik was net even aan het zwaaien, want mijn zoon staat voorhet raam met zijn schoolklas. Als jullie dus ook allemaal even kunnenzwaaien ... Nu zien ze het net niet! Toch wel, kijk eens aan. Geweldig!Vervolgt u uw betoog.Minister Letschert:Mevrouw Raijer stelde de vraag of wij het goed zouden vinden als depechgeneratie geen rente zou hoeven te betalen over de studieschulden.Zij vroeg ook of ik bereid zou zijn om te onderzoeken wat het kost om dezerente volledig te laten vervallen. Dat hebben we gedaan.Minister Letschert:In het kader van Keuzes in Kaart is afgelopen zomer uitgerekend dat detotale kosten van deze maatregel 7,2 miljard bedragen. Dat is prijspeil2025. Hier staat zo mooi dat hiervoor binnen de OCW-begroting geenmiddelen beschikbaar zijn. Ik denk dat dat vanzelfsprekend is. Het ismisschien belangrijk om daaraan toe te voegen dat een dergelijkemaatregel ook in de uitvoering echt supercomplicerend zou werken. Ikdenk dat we met de compensatie die geboden is, een belangrijke stapTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126449 hebben gezet. De rente op deze manier regelen zou echter vrij lastigworden.Meneer de voorzitter. Mevrouw Raijer vroeg ook of studenten op deBES-eilanden een hogere prestatiebeurs krijgen dan studenten inNederland. Er is inderdaad een aparte studiefinanciering voor Caribisch-Nederlandse studenten, omdat zij bijna altijd moeten verhuizen voor hunstudie en te maken hebben met andere gemiddelde kosten dan destudenten die hier zijn. Studeren in de Caribische regio brengt ook anderekosten met zich mee op het gebied van huisvesting, levensonderhoud enandere kostenposten. Dat is waarom die keuze in het verleden is gemaakt.De studiefinanciering voor Caribisch-Nederlandse studenten kent veelminder verschillende voorzieningen vanwege de kleinschalige uitvoe-ringscapaciteit die aanwezig is in het Caribische deel. Om die reden er ooiteen studiefinanciering ontstaan met aparte bedragen, een andereuitvoering en een andere wet.Meneer de voorzitter. Dan had ik een vraag van de heer Ergin over deministersplaatsen. De ministersplaats moest ik ook even opzoeken. Ikdacht dat u meer Ministers wilde; dat kost heel veel geld. Ik ben erinmiddels achter wat ministersplaatsen zijn. Ik leer dus heel veel tijdensdit soort debatten. Het is belangrijk om hier te vertellen dat ik me samenmet de eilanden en het Ministerie van VWS specifiek wil inzetten voor eenbredere integrale aanpak om de tekorten in de zorg in CaribischNederland terug te dringen. Wij hebben uw Kamer hier in december vorigjaar over geïnformeerd en hebben aangegeven welke stappen hetministerie daarvoor zet. Er zijn namelijk verschillende maatregelenmogelijk die eerder en meer effect hebben voor Caribische studenten. Eris ook aangegeven dat het invoeren van de ministersplaatsen nu nietgerechtvaardigd is. Dat garandeert ook niet de terugkeer van Caribischeprofessionals naar de eilanden. We hebben in de brief van december ookaangegeven dat de effectiviteit van deze aanpak over drie jaar getoetst zalworden. Dan komen de gereserveerde plaatsen voor de Caribischestudenten uiteraard weer op tafel. Dit is waar we nu staan in het proces.Dat was het blokje studenten, studiefinanciering ... Nee, nog niet, nog niet.Ik heb nog meer. Ik heb nog meer, maar ik heb de punten een klein beetjeverdeeld. Ik wil nu overgaan naar de stages.In het coalitieakkoord hebben wij het voornemen opgenomen om eenwettelijke stagevergoeding te verankeren. Ik heb al eerder aan uw Kameraangegeven dat wij voor de zomer komen met een brief met de hoofd-lijnen voor deze wetgeving. In de verkenning die u in de Kamerbrief vanjanuari 2026 heeft gekregen, worden een aantal keuzes en dilemma’sgeschetst. Ik zit nu midden in die keuzes en dilemma’s. Sinds ik in functieben en daar zelf het een en ander over gezegd heb, merk ik dat verschil-lende partijen mij benaderen om de kant van het dilemma die zijvertegenwoordigen, met mij te bespreken. Ik wil daar in dezepre-voorjaarsperiode nog de tijd voor nemen, om uiteindelijk goed enweloverwogen met uw Kamer het gesprek te kunnen voeren over hoe ikdie verschillende dilemma’s weeg. Nogmaals, de dilemma’s zijn eroprecht. Als ik de weging met het ministerie gemaakt heb en het voorstelnaar u heb gestuurd, ga ik uiteraard graag met u in gesprek. Voor dieweging is het natuurlijk ook van belang dat de effecten van die wetgevingop het aantal stageplekken goed in kaart worden gebracht, en demogelijkheden voor een stagefonds ook. Dat zijn allemaal geen helemakkelijke onderwerpen en dilemma’s. Vandaar dat ik daar even de tijdvoor wil nemen.Dan had ik ook een vraag van uw Kamer over stagediscriminatie. Ik benhierover uiteraard al in gesprek met de verschillende partijen, nu nog inhet bijzonder met die in de mbo-sector. Ook de voortgang van dezegesprekken zullen wij met u delen. We zullen ook delen wat dat betekentvoor het manifest en de continuering daarvan. We hebben eenmbo-werkagenda. Ik heb ook veel gesprekken met de MBO Raad en ik benTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126450 veel bij het mbo geweest in de afgelopen periode. Ik kom daar dus graagbij u op terug.De voorzitter:U rondt het blokje af. Dan gaan we richting AI, denk ik. Of niet?Minister Letschert:Nog niet. U bent sneller dan het licht, maar ik ga sneller worden. Tot hoelaat hebben we?De voorzitter:We beginnen wel richting het einde van het debat te komen, dus als u eenversnelling op kan schakelen, zou ik dat zeer op prijs stellen.Minister Letschert:U heeft te veel vragen gesteld, meneer de voorzitter!Hoe staat het met onze kabinetsplannen voor studentenwelzijn? Wijinvesteren jaarlijks 15 miljoen in studentenwelzijn via het Landelijk KaderStudentenwelzijn. Dat kader bevat de gezamenlijke afspraken met deinstellingen en de studenten. Daarin is ook opgenomen – dat is vanbelang om te noemen – dat studenten partner zijn in het opzetten enevalueren van die studentenwelzijnsinitiatieven. Universiteiten hebbenook zelf mogelijkheden om studentenwelzijnsinitiatieven mogelijk temaken, soms financieel en soms door het faciliteren van bijvoorbeeldruimtes. U krijgt binnenkort een tussenevaluatie van dat kader. Op basisdaarvan zal ik de voortzetting van de aanpak verder aanscherpen. Datgebeurt uiteraard ook hier weer in overleg met alle betrokken partijen. Erkomt voor de zomer een brief uw kant op, ook in reactie op het advies vande Onderwijsraad. Dat zit dus allemaal in de planning. Het wordt een heeldrukke zomer. Er is ook nog een debat voor de zomer.Dan kreeg ik een vraag over studenten met een beperking. Ook hierbij ishet een belangrijke verantwoordelijkheid voor onze instellingen omtoegankelijk onderwijs te bieden. Studenten met een ondersteuningsvraagkunnen bij onderwijsinstellingen ook om maatwerk vragen, zodat zij opeen passende manier onderwijs kunnen volgen. In het geval vanstudievertraging kunnen studenten ook financiële compensatie krijgen viahet Studentenondersteuningsfonds. Dat is allemaal ingeregeld binnen despecifieke instellingen. Ik heb wel onderzoek laten uitvoeren naar hoeinstellingen hun wettelijke taak uitvoeren om die ondersteuning ook echtte bieden. Dat is natuurlijk allemaal heel mooi op papier, maar uiteindelijkwil je dat het daadwerkelijk effectief werkt voor de studenten die hierongelofelijk veel behoefte aan hebben. Uw Kamer ontvangt, weer voor dezomer, nog een brief met de uitkomsten hiervan. Er loopt dus eenonderzoek naar hoe de wettelijke taak voor toegankelijk onderwijs, in hetbijzonder voor studenten met een beperking, in de praktijk werkt.De voorzitter:U heeft gewoon geen tijd om te drinken, dus u zit in de goede versnelling.Gaat u verder. Dan zijn we bij AI, denk ik. O, eerst een interruptie vanmevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Heel kort, voorzitter. Mijn vraag gaat over het onderzoek dat voor dezomer komt. Dat is eerder al gemeld door de Minister. Worden studentenmet een beperking ook betrokken bij dit onderzoek en bij de adviezen diedaaruit volgen?De voorzitter:Worden studenten daar ook bij betrokken? Een vraag aan de Minister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126451 Minister Letschert:Ik begrijp dat er met studenten is gesproken, maar laat mij, in het licht vande tijd die we nog hebben, voor de zomer nog een goede check doen omte kijken of dit voldoende geborgd is.De voorzitter:Dit was het voor u, mevrouw Abdi? Oké. Helder. Dan gaan we verder, naarAI.Minister Letschert:Ik krijg versterking, zie ik. Ik weet niet of dat een goed teken is.De voorzitter:U heeft het nodig, denk ik. Ja, ik weet het ook niet. Morele support, zullenwe maar zeggen. Dan AI.Minister Letschert:Ik word er altijd zenuwachtig van! Over AI hebben we vorige week al eenprachtig gesprek gehad. De opkomst van AI zorgt aan de ene kant voorenorme kansen. Het zorgt voor onderwijssectoren ook wel voor uitda-gingen om zich daarop in te richten en om daarin de docenten en deondersteunende staf, die de onderwijsondersteunende kant bedienen,mee te nemen en soms ook mee te krijgen. Het volgende is belangrijk. Jewil niet dat instellingen allemaal ieder voor zich het eigen wiel gaanuitvinden. Je wil ook dat ze van elkaar leren over wat ze daarin doen.Nu is het goede nieuws dat het kabinet al eerder had besloten om eengroot Nationaal Groeifondsproject te financieren. Dat heet Npuls. Het isprachtig om dat een keer op een werkbezoek te zien, zeg ik voor degenendie nog werkbezoekinvulling zoeken. Via dat NGF-project helpen wenamelijk ook de instellingen om deze transitiefase met elkaar tedoorlopen. In dit NGF-programma werkt het vervolgonderwijsgezamenlijk aan een doordachte en verantwoorde inzet van AI, onderandere via de Centers for Teaching & Learning die daarvoor zijn. Zehebben ook de juiste expertise in huis, zowel onderwijskundig gezien alswat meer aan de kant van datascience, om het onderwijs hierbij kundig teondersteunen en te adviseren. Dan hoeven niet 14 plus 36 instellingen datallemaal apart te doen. Het is dus echt een gezamenlijk ingediendprogramma. Nogmaals, dat is gefinancierd door de overheid.Even over de richtlijnen, meneer de voorzitter. Dan ben ik hiermee klaar.Dit is namelijk ook de plek waar wordt gewerkt aan de gezamenlijkekaders, richtlijnen en handreikingen over de inzet van AI in zowel hetonderwijs als de toetsing. Ook hierbij wil je namelijk dat instellingen vanelkaar leren en bijvoorbeeld met elkaar bespreken: wat verliezen we alswe bijvoorbeeld bepaalde schrijfopdrachten niet meer in onze instellingenhebben, omdat we niet meer geloven dat die zelf geschreven zijn? En:welke andere vormen van essays, werkstukken en opdrachten ga je danintroduceren die niet via het apparaat gemaakt zijn? Nogmaals, datgebeurt dus via dat hele grote Npuls-programma. Het is ook eenverantwoordelijkheid voor de sector zelf, maar ik ben heel blij dat hetkabinet in de vorige fase dit project heeft gefinancierd om daar met dezeincidentele middelen richting aan te kunnen geven.Als laatste het volgende. De Onderwijsraad benadrukte in zijn verkenningover de intelligente inzet van technologie uit 2022 ook dat het een actieverol is, die we echt bij het onderwijsveld moeten neerleggen. Dat is ook watwe uiteindelijk met het NGF-project op die manier hebben kunnen borgen.Npuls kijkt ook naar de digitale vaardigheden van docenten en studenten.Ik denk dat dat ook heel erg van belang is. De kaders die Npuls opstelt,kunnen door de instellingen gebruikt worden in hun eigen beleid, waar zeuiteraard met hun eigen medezeggenschap dan het gesprek over hebben.Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid ben ik actief betrokken bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126452 NGF, want ik heb een verantwoordelijkheid met betrekking tot alleNGF-projecten die vanuit OCW zijn ingediend, ook als het gaat over demonitoring van het behalen van resultaten.Dan was er ook nog een vraag over AI en de arbeidsmarkt.De voorzitter:Er is eerst nog even een interruptie van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank voor dit antwoord. Ontzettend goed om te horen wat hiergebeurt. Hier loopt inderdaad een heel mooi programma voor, dat ookheel hard nodig is voor het onderwijs. Ik ben benieuwd of de Minister onsvan de uitkomsten of tussenuitkomsten hiervan op de hoogte wil stellen.Ik roep ook op tot regie hierop, want we laten heel veel aan de instellingenzelf in het onderwijs, maar dit is nou echt iets wat het hele onderwijsverandert. Het helpt heel erg als we een voorbeeld nemen aan Estland ofFrankrijk en daar een brede visie vanuit het kabinet over neerleggen, zodatinstellingen weten dat ze daarmee aan de slag kunnen.Minister Letschert:Ik denk dat het kabinet een deel van de regie al heeft gepakt met eenNGF-project via de departementale route, waarbij het departement in deleidende rol zat om het project te kunnen vormgeven. Nogmaals, dat wassamen met de onderwijssectoren. Daarmee is al aangetoond hoebelangrijk het is, want dat is een keuze geweest van het departement.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat is heel goed, denk ik. Ik ben dus heel benieuwd naar de uitkomsten.Mijn vraag is ook meer of de Minister ons daarover zou kunnen infor-meren. Wanneer is daar meer over te vertellen? Ik hoop natuurlijk dat dieopbrengsten niet alleen aan instellingen zelf worden gelaten, maar dat wedan ook vanuit dit project een visie kunnen neerzetten waardoor instel-lingen weten hoe ze ermee aan de slag kunnen.Minister Letschert:Ja, de resultaten. Er zijn tussentijdse fases bij zo’n groot programma alseen Groeifondsprogramma, in dit geval Npuls. Ongeveer eind 2026 zalmisschien een logisch moment zijn, ook vanuit het programma zelf, omde volgende resultaten te delen. Dat is misschien ook een mooiconsortium om hier eens uit te nodigen in een wat meer technischesessie, zoals onlangs ook is gebeurd bij een ander NGF-project. Ik vind hetlastig om nu al toe te zeggen dat het kader vanuit het ministerie komt,want het is juist nu vanuit die departementale route samen met de sectorin beweging. Ik ben heel benieuwd wat daaruit komt. Als ik zou zien datdaar eigenlijk niet voldoende uit komt waarop we ook vanuit onzeministeriële verantwoordelijkheid de regie kunnen pakken, ga ik graagopnieuw met u in gesprek. Maar op dit moment is men bezig met deontwikkeling van zowel de kaders als de richtlijnen. Ik ben daar eerlijkgezegd heel blij mee.De voorzitter:Afsluitend, mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat laatste heb ik duidelijk gehoord, maar mijn eerste vraag was of zij onsdan kan informeren over de tussenstand en de uitkomsten. Kunnen wedat eind van het jaar per brief ontvangen?Minister Letschert:Dat kan zeker, meneer de voorzitter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126453 De voorzitter:Ik denk dat dat dan een toezegging is en dat we gaan noteren dat u datdoet. De toezeggingen zal ik aan het eind van het debat uiteraardherhalen. U heeft nog één onderwerp in dit blokje, volgens mij. Klopt dat?Minister Letschert:Ja, meneer de voorzitter. Dat gaat over de vraag hoe we naar het gebruikvan AI kijken in het licht van de arbeidsmarkt van de toekomst en decurricula die daarop voorbereiden. Ook hiervoor is het programma Npulsbelangrijk, omdat binnen dat programma wordt gewerkt aan een visie opAI en het curriculum in het beroepsonderwijs. Laten wij ook diebouwsteen afwachten en die verder bespreken op het moment datdaarvan de eerste resultaten naar buiten komen.De voorzitter:Helder. Dan hebben we voordat we richting de tweede termijn van de kantvan de Kamer gaan nog een blokje overig, denk ik. Het blokje overig komter nog aan. Als u nog wat heeft gemist, zou ik zeggen: open uw oren; hetkomt eraan.Minister Letschert:Ik wil heel snel door naar overig, meneer de voorzitter, maar bij overighoort ook de schadeafhandeling met betrekking tot de controle op deuitwonendenbeurs. Dat is nog niet helemaal overig, maar ik ga daar sneldoorheen. Even kijken of ik het op de goede volgorde heb liggen.Misschien eerst de vraag wie er nou gecompenseerd worden. Meerderenvan u hebben daar vragen over gesteld. Zijn het ook de fraudeurs? Hetgaat dus over de schadeafhandeling van de uitwonendenbeurs. Zoals ikook in de brief die naar buiten is gegaan, verwoord heb, worden er tweegroepen onderscheiden bij de schadeafhandeling. Studenten diemaatregelen hebben gehad, krijgen een generiek bedrag van € 2.000. Diehebben meer gehad dan alleen een huisbezoek. Studenten die alleen eenhuisbezoek hebben gehad, krijgen een bedrag van € 500 voor deschadeafhandeling. Voor de laatste groep geldt dat zij ook schade hebbengeleden als gevolg van het overtreden van de privacywetgeving. Wemoeten dat dus ook vergoeden. Feit is dat wij hiermee ook deoud-studenten moeten compenseren die moedwillig misbruik hebbengemaakt van de uitwonendenbeurs. Maar deze «fraudeurs» – zo noem ikze even – zijn op onrechtmatige wijze geselecteerd voor de controle.Daardoor is de overheid aansprakelijk voor de geleden schade. Daarhebben we heel veel juridisch advies over ingewonnen, ook bij onzelandsadvocaat. Dat is de situatie. Dus omdat het verkregen bewijsmate-riaal eigenlijk onrechtmatig is, is daarmee de schade toegebracht. De heleanalyse kunt u lezen in de brief.Studenten kunnen dus kiezen voor het generieke bedrag of voor hetmaatwerktraject. Het maatwerktraject is uiteraard veel intensiever enbrengt dus ook hogere kosten met zich mee, want er vindt dan per dossiereen inhoudelijke beoordeling van dat maatwerktraject plaats. Dat vraagtheel veel van onze uitvoering. Uiteraard kan het ook voorkomen datstudenten in beroep gaan bij de rechter. Dan gaat natuurlijk het uitvoe-ringstraject daar ook in mee. Meneer Boomsma vroeg waarom de helftvan de totale kosten uit uitvoeringskosten bestaat. Ik heb daar ook bestwel kritische vragen over gesteld toen ik binnenkwam, maar ik heb mijlaten uitleggen dat dit de kosten zijn die daarmee gepaard gaan. Datverhaal gaf ik u net ook. Dat zit ’m dus met name in die maatwerkrou-tekant.De heer Boomsma (JA21):Maar begrijp ik het nou goed? Mensen hebben gefraudeerd. Die zijn dusterecht gecontroleerd en kregen terecht een maatregel. Die krijgen nu nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126454 alleen al het geld waarvoor ze hebben gefraudeerd terug, maar krijgen nuook nog eens € 2.000 compensatie. Is dat nu het verhaal?Minister Letschert:Het is geen compensatie. Het is schadevergoeding. Er is gezegd dat demanier waarop de selectie is gedaan onrechtmatig is. De stappen diedaarna zijn gezet, doen er dan even niet meer toe. Daar wordt deschadevergoeding voor gegeven. We kunnen dat allemaal heel vervelendvinden – ik begrijp dat het onrechtvaardig voelt – maar dit is hoe hetjuridisch zit.De heer Boomsma (JA21):De Minister zei ook dat de privacywetgeving is overtreden. Geldt dat danin het algemeen? Want bij al die huisbezoeken wordt de privacywetgevingovertreden. Maar dat geldt dan toch in algemene zin en toch niet alleenvoor deze groep?Minister Letschert:Dat lijkt mij ook. Dat de privacywetgeving overtreden is, geldt voor beidegroepen, maar uw vraag gaat over de fraudeurs. De manier waarop hetbewijs om dat te detecteren verkregen is, is onrechtmatig verklaard.Daarmee vervallen dan ook de stappen daarna op basis waarvan demaatregelen zijn opgelegd. Dat is superonrechtvaardig. Dat begrijp ik.Maar ja ...De voorzitter:Afsluitend, meneer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):We kunnen er toch ook voor kiezen om dit niet te doen? De regering zet nutoch een proactieve stap? We kunnen toch ook gewoon zeggen: laten wedit niet doen, want ze hebben het geld toch al teruggekregen?De voorzitter:Afsluitend.Minister Letschert:Er zijn al meerdere verzoeken tot schadevergoeding ingediend bij DUO.Die moeten afgehandeld worden. De reden waarom wij hiermee nu alsoverheid proactief naar buiten komen, los van de discussie over defraudeurs binnen de groep, is dat de overheid hierin ook echt wel foutenheeft gemaakt. In de discussie die we hierover hadden, is er op eenbepaalde manier tot een selectie gekomen die heeft geleid tot indirectediscriminatie. Dat willen we repareren. Daar hebben we excuses vooraangeboden. Dat zal ik ook opnieuw doen. Daar hoort deze schadeafhan-deling bij.Ik ga door.De heer Ergin (DENK):Ik vraag me het volgende af. Nu ontstaat het beeld dat al die 25.000studenten per definitie aan het frauderen waren. Dat beeld klopt niet. Daaris onderzoek naar gedaan. Het blijkt nu ook uit de eerste en de tweedegroep. Kan de Minister dat op z’n minst even rechtzetten? Het beeld dathet allemaal fraudeurs waren, klopt namelijk niet.Minister Letschert:Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik zei net ook dat de overheid hierinfouten heeft gemaakt. Daarom komen wij nu proactief met een aanpak omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126455 die fouten te herstellen. Ik heb net uitgelegd hoe het te verklaren is dat erin de groep ook mensen zitten die wel een keuze hebben gemaakt die niethoort.De voorzitter:Helder. Gaat u verder met de beantwoording van de laatste vragen.Minister Letschert:Kamerlid Ergin heeft de vraag gesteld waarom DUO nou zelf die schadegaat afhandelen. DUO en het ministerie willen richting de oud-studentenherstellen wat er is misgegaan en daarmee ook bijdragen aan het herstelvan vertrouwen. Dit gaat ook om de herzieningsopgave en de schadeaf-handelingskant. De herzieningsopgave zit ook bij DUO. Dat gaat hand inhand. Ik heb er alle vertrouwen in dat DUO deze schadeafhandeling heelprofessioneel oppakt. Schadeafhandeling door DUO is eenvoudiger endoelmatig, en daardoor proactiever, wat wij hier voorstaan, dan het latenafhandelen van de schade door een externe partij. Dat is de keuze die wenu vanuit het ministerie maken. Nogmaals, ik heb er vertrouwen in dat ditdoor DUO heel serieus wordt opgepakt met alle integriteit die daarbijhoort.De heer Ergin (DENK):Ik wens de Minister heel veel succes met de massaclaims die gaan komen,omdat de Minister bij de eerste groep reactief een VSO gaat voorstellen.Je hebt dus een groep die complexe schade heeft. Dat is dus een groepdie bijvoorbeeld oneerlijk is behandeld of waarvan het besluitvormings-traject rondom het stopzetten van de studiefinanciering niet goed isverlopen. Waarom zegt de Minister niet bewust: om te voorkomen dat erdiscussies gaan ontstaan over de vraag of DUO dit wel op een eerlijkemanier doet, ga ik op zoek naar een externe partij die hier ervaring meeheeft, namelijk SGH, en ga ik in ieder geval voor die complexe groep demaatwerktrajecten daar beleggen? Waarom kiest de Minister daar nietgewoon voor? Dat is toch veel logischer? Daar hebben we toch al ervaringmee?Minister Letschert:Ik heb net in mijn antwoord aangegeven waarom ik er vertrouwen in hebdat DUO deze aanpak nu gaat uitwerken. Nogmaals, studenten kunnendus kiezen voor het generieke pad en het maatwerkpad. Wij staan ervoordat onze uitvoeringsinstantie deze hersteloperatie tot een goed eindebrengt. Ik ben oprecht content dat we hiermee proactief aan de slag gaanom studenten zo snel mogelijk die schadevergoeding te kunnen geven.Als zij die niet in de generieke vorm willen, kunnen zij kiezen voor eenmaatwerktraject met alle elementen die bij een maatwerktraject horen.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Letschert:Dan was er nog de vraag hoe de huidige controles op de uitwonenden-beurs eruitzien. Dat was een vraag van de heer Boomsma.De voorzitter:Excuses, Minister, er is toch een vraag van mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Sorry, voorzitter, het is een beetje ongebruikelijk, maar ik moet zo gaan. Ikhad een vraag gesteld over de ov-boetes. Misschien komen die zo nogaan bod, maar ik zat er even gerust op te wachten. Het is een beetjeongebruikelijk, maar ik dacht: het komt wel overeen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126456 De voorzitter:Ik kijk even of de Minister het heeft. Ja, dit kost u wel een paar punten,mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ja, dat besef ik.Minister Letschert:Bij mij niet.De voorzitter:Bij u niet, maar ...Minister Letschert:Meneer de voorzitter, zal ik dan snel even antwoorden en dan naar destudentenreisproducten gaan? Dan eerst heel kort de vraag van meneerBoomsma over de huidige controles. Die vinden zowel schriftelijk als viahuisbezoeken plaats. Studenten worden geselecteerd op basis van eenaselecte steekproef. Er wordt op dit moment gewerkt aan een nieuwcontroleproces in de vorm van een interventieladder, zodat studenten nietdirect worden geconfronteerd met een huisbezoek, maar er wat stapjestussen zitten. Er zal in de toekomst alleen nog gewerkt worden met eenrisicogericht selectiemodel als dit op de juiste manier ontwikkeld kanworden volgens de daarbij horende eisen en waarborgen. Dus ookhierover gaan we vast met elkaar in gesprek als DUO daar verder in is.Ik had nog een laatste vraag van meneer Ergin over de bedragen, de€ 500 en de € 2.000. Deze bedragen zijn gebaseerd op jurisprudentie. Er isgekeken naar welk bedrag proportioneel is voor welke specifieke casus. Eris een vergelijking gemaakt met andere casussen. Zo heeft het geleid totdit bedrag.Dan ga ik naar de studentenreisproducten en naar de vraag of ik deov-boetes in de ritprijs in rekening kan brengen. Dat was uw concretevraag. De ov-boetes zijn door tal van maatregelen gedaald met 90% in deafgelopen tien jaar, van ruim 50 miljoen naar inmiddels 5 miljoen. Dat iseven een eerste feit. Het idee van een ritprijs in rekening brengen alsov-boete klinkt sympathiek, maar dat heeft enorme uitvoeringsconse-quenties voor DUO. Daarnaast kan het ook nadelig zijn voor studenten diebij dit systeem meer moeten gaan betalen dan de halve maand ov-boete,die ze nu hebben, kost. We verwachten wel dat met het nieuweov-betaalsysteem – dat heet «OVpay»; zeg ik dat goed? – de ov-boetesnog verder zullen gaan dalen dan wat ik net al heb geschetst. Ik zie dat welals een van de belangrijkste maatregelen van de komende tijd, omdatstudenten met OVpay niet meer naar de ophaalautomaat hoeven om hetstudentenreisproduct aan te zetten of stop te zetten. Ze kunnen datdigitaal doen. Dat is dus een tweede stap in manieren om die boetes zolaag mogelijk te krijgen. Maar van 50 miljoen naar 5 miljoen is best al weleen flink resultaat.Dan ga ik nu naar overig.De voorzitter:Nou, doe uw best. Nee, hoor.Minister Letschert:Dit is gewoon een hele actieve commissie, die mij flink aan het werk zet.De voorzitter:Ja, het is ongelofelijk. Gaat uw gang.Minister Letschert:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126457 Ik doe het heel kort, meneer de voorzitter. Visitaties. Meneer Boomsmahad het met uw Kamer over de regeldruk en de stress die visitatiesopleveren. We hebben het dan deels over de onderzoeksvisitaties via hetSEP-protocol en de visitaties op de opleidingen via de opleidingsaccredi-taties en de instellingsaccreditaties. Die instellingsaccreditatie is een keerper zes jaar. Ik wil die wel even uit elkaar houden, omdat de onderzoeksvi-sitaties via een andere lijn in een instelling lopen dan de opleidings- eninstellingsaccreditaties. In de instellingsaccreditatie zit ook geen onder-zoeksevaluatie. Dat gaat echt alleen maar over het onderwijs. Het zijn ookandere mensen die dat doen. Daarmee belast je in ieder geval nietdezelfde mensen. Als uw zorg zit in dat we dezelfde personeelsledenbelasten, zeg ik: dat geldt zelfs niet voor de ondersteunende staf; het zijnandere bloedgroepen; andere diersoorten. Nee, dat mag ik natuurlijk nietzeggen.Willen we een nieuw stelsel? Ik denk dat ik er op dit moment, na zesweken en twee dagen, nog niet van overtuigd ben dat er een grotewijziging in het accreditatiestelsel aan de opleiding- en onderwijskwali-teitskant moet komen. Dat was ook de constatering van de inspectie inhaar periodieke onderzoek daarnaar. Ik zie wel dat je bij het kwaliteitszorg-stelsel uiteraard altijd verbetering kan toepassen, ook als het gaat overeigenaarschap van docenten en studenten en het terugbrengen vanlasten. Dus dat gesprek wil ik zeker met de sectoren hebben. Hoe zorgenwe er nou voor dat de ervaren administratieve last minder wordt? Ligt dataan ons in Den Haag of ligt dat aan hoe je dat zelf in je eigen instellinghebt ingeregeld? Dat kan namelijk ook. Daar ga ik zeker mee aan de slag.Momenteel loopt er ook een onderzoek naar concrete opties voor deverbetering van het kwaliteitszorgstelsel in het hbo en het wo. Daarbijkijken we naar twee zaken. We hebben al hard gewerkt in zes weken, hè?De voorzitter:En twee dagen.Minister Letschert:En twee dagen. Wij richten ons op een betere inzet van de ITK. Hoe kun jede ITK zo gebruiken dat instellingen meer ruimte krijgen bij de beoor-deling van de opleidingen als ze die ITK positief hebben afgerond? Nudoet dat eigenlijk niets, buiten dat je heel blij bent dat je een positieve ITKhebt. Je wilt eigenlijk wel dat je daar ook een soort beloning voor krijgt.De voorzitter:En ITK staat voor?Minister Letschert:Instellingstoets kwalificatiezorg. Nee, mijn ondersteuning zegt dat dat nietklopt. Wat zei ik? Hier naast me wordt gezegd: integrale toets kwali-teitszorg. Ik heb het zelf heel vaak moeten doen. Een mogelijkheid zoubijvoorbeeld kunnen zijn om, als we dat onderzoek eenmaal op tafelhebben, te kijken naar een verruiming van die accreditatietermijn. Datnoemde u al. Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn, maar laten we eersteens kijken wat er uit dat onderzoek komt. Dan kunnen we daarna metelkaar bepalen dat we van zes naar acht jaar gaan of dat we iets doen metde individuele opleidingsaccreditaties. Verder loopt er een onderzoek naareffectief en proportioneel toezicht, want we hebben ook wel de ambitieom het externe toezicht door de NVAO en inspectie te verduidelijken en teverbeteren door hun goede handvatten te geven voor toezicht bijtussentijdse signalen over opleidingskwaliteit. De inspectie heeft hiernamelijk ook aandacht voor gevraagd in haar evaluatierapport in 2024over dit hele accreditatiestelsel.Samengevat: na de zomer krijgt u van mij een brief over de aanpakrondom de kwaliteitszorg, waarbij ik dus de resultaten van het onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126458 meeneem. Dan ga ik ook gericht en onderbouwd op uw vragen en ideeënantwoord kunnen geven. Het onderzoek wordt begin 2027 helemaalafgerond. Dan kunnen we pas echt gericht over de uitkomsten en deopvolging praten. Dus eerst krijgt u een brief over een aanpak en dankomt er pas een onderzoek. Laat me even kijken wat er mogelijk is omdaarover al eerder iets met u te delen en wat hierin wijs is. We delen deambitie van minder regels en minder administratieve lasten. Waar we deverbeteringen zien, zou ik ze wel willen toepassen.Dan ga ik naar de examencommissies. Daarover ging ook een vraag vande heer Boomsma. Het rapport van de examencommissies heeft OCWdrie aanbevelingen gedaan over examencommissies. Zoals we ook in deaanbiedingsbrief bij dat rapport hebben geschreven, is de vervolgstap datik in gesprek ga met de inspectie. Dat gesprek vindt op korte termijnplaats. Dan ontvangt u mijn beleidsreactie op de aanbevelingen. Dat isdus na zomer in die bredere brief over de kwaliteitszorgaanpak in het hboen het wo. Die brief komt er dus aan en ook de reactie op de examencom-missiediscussie. Ik vind het misschien ook belangrijk om te zeggen dat deconclusies en de aanbevelingen over die examencommissies die deinstellingen en de koepels aangaan, door de inspectie al actief bij henonder de aandacht zijn gebracht. We hebben die dus niet achtergehouden.Daar zijn ze al mee aan de slag.Dan ga ik snel door, want u wilt vast allemaal naar de zon.De voorzitter:Ja en de tijd is ook bijna op, dus dat is ook een puntje.Minister Letschert:Maar ik heb nog maar een paar vragen. Laat ik beginnen met de migratievan de nieuwe cloudomgeving binnen DUO. Dat is een vraag vanmevrouw Raijer. Deze migratie is in 2026 gestart met circa 20% van detotale workload. Daarmee wordt de daadwerkelijke productiecapaciteitverplaatst en wordt de overgang van DUO als eigen beheerder naar eenregieorganisatie met ODC-Noord als leverancier voor de cloudinfra-structuur verder vormgegeven. Wij verwachten de eerste resultaten tegenhet einde van dat jaar. Voor de komende zes jaar – dat is misschien ookwel belangrijk om te noemen – verwacht ik nog wel ongeveer 30 miljoenaan kosten hiervoor. Dat is best veel geld. Vervolgens worden anderedelen van de applicaties stapsgewijs gemigreerd. Als we niks doen,hebben we te maken met een minder veilige en minder flexibeleomgeving en met hogere kosten voor zowel DUO als ODC-Noord. Dat lijktme geen wenselijke route.Ik heb de vraag gekregen of de ICT-afdelingen binnen DUO op dezelfdewijze werken. Ja, alle DUO-kantoren maken reeds gebruik van dezelfdeICT-architectuur. Dat is een compliment waard, want dat is niet overal alhet geval. Een compliment mogen we hier ook weleens uitdelen.Meneer de voorzitter. Dan heb ik een hele mooie vraag van de heer VanHouwelingen over de motie van de Kamer waarin staat dat de weten-schappelijke consensus niet per se meteen de waarheid is. Dat debathebben we vorige week ook heel mooi gevoerd. Volgens mij is de kernvan de wetenschap het constant bevragen van de stand van de weten-schap van dat moment. Dat is wat de wetenschap is en daar moeten wekritisch op blijven. Volgens mij is dat ook de wetenschappelijke houdingdie je bij iedere wetenschapper mag verwachten. Amen.De voorzitter:Maak uw verhaal even af, Minister, want u bent bij de laatste vraag.Meneer Van Houwelingen, hou uw interruptie even vast.Minister Letschert:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126459 De laatste vraag is een interessante vraag: waarom kiezen wij er niet voorom het PD, dus het professional doctorate, in te bedden onder deuniversitaire regie? Dat zou ik nou juist niet willen, want het PD heeft juisteen hele andere oriëntatie dan de PhD binnen de universiteiten. Het PD isveel meer praktijkgericht, met het doel interventies en toepassingen inmaatschappelijke vraagstukken te kunnen verrichten. Ik vind het welinteressant wat de internetconsultatie gaat opleveren, want die loopt nunatuurlijk. Ik ben heel benieuwd naar de verschillende opvattingen, die iknu al voorbij zie komen op social media. Laten we ons vooral door deinternetconsultatie laten voeden en dan verder het gesprek voeren overde vragen van de Groep Markuszower.De voorzitter:Kijk eens aan. De heer Van Houwelingen had nog een interruptie.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank voor de beantwoording. Ik heb twee korte vervolgvragen die ik tochbelangrijk vind. De Minister zegt dus, als ik het goed begrijp, dat dieconsensus ... Daar hebben we het in de Kamer heel vaak over en dandenken de Kamerleden: o, dat is de waarheid. De Minister is natuurlijk ookrector magnificus geweest, professor. Dat u het ermee eens bent, is tochniet per se automatisch de waarheid?De voorzitter:Ik vind dit een heerlijke afsluiting.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik heb twee vragen.De voorzitter:Ja, dit is de eerste.Minister Letschert:Ik heb net geantwoord wat ik heb geantwoord. Wetenschap gaat dus overhet verrijken van kennis, iedere dag weer. Het elkaar bevragen en de helepeer review, die een onderdeel zijn van het wetenschappelijke systeem,hebben als doel om elkaar te blijven uitdagen en te blijven bevragen. Datis mijn antwoord.De heer Van Houwelingen (FVD):Dat is dus geen duidelijk ja. Dat is eigenlijk wel heel zorgwekkend. DeMinister is ongetwijfeld bekend met paradigmawisselingen en metThomas Kuhn. Ik hoop uit het geknik op te maken dat de Minister voordeze motie had gestemd.Dan mijn laatste vraag. Die wil ik nog wel even gesteld hebben. DeMinister heeft het net ook weer gehad over de waaier: het onderwijs-gebouw is niet per se een ladder, maar een waaier. Dan begrijp ik dat planom die doctorstitel ook mogelijk te maken op het hbo niet goed: wat isdaar, als ik dat toch nog even mag vragen, dan de logica achter geweest?Ik zou zeggen: geef het hbo dan zijn eigen titels: «gezel», «ambachtsman»,«meester» of zo. Waarom dan titels uit het academisch onderwijs in hethbo introduceren? Die logica begrijp ik niet. Die vraag wilde ik graag totslot nog even stellen.De voorzitter:Tot slot, de Minister.Minister Letschert:Ik neem meneer Van Houwelingen heel graag een keer mee naar een vande hogescholen waar ik laatst was om met de PD’s te spreken. Het is dusTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126460 echt een andere graad. Het is ook geen titel. De dokterstitel blijft voorbe-houden aan de PhD’s die aan de universiteit promoveren. Het PD is eenprofessional doctorate; zo moet je het ook noemen. Dat komt achter denaam van de kandidaat. Dat is een graad. Dat klinkt verwarrend, maar datis wel het onderscheid. De doctorstitel is voorbehouden aan degene diepromoveert aan de Nederlandse universiteit. De PD-graad, zoals wij die nuvoorstellen en die voorligt voor de internetconsultatie, is een graad diePD’ers – zo noem ik ze inmiddels – krijgen nadat ze vier tot zes jaar langkeihard hebben gewerkt aan een praktijkgericht onderzoek, vaak metbeide benen in de sector waar ze onderzoek naar doen. Dat kan privaat ofpubliek zijn. Uiteindelijk leveren die een eindproduct op dat heel ander isdan het traditionele proefschrift aan een universiteit.De voorzitter:Afsluitend, de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Ja, afsluitend. Het is behoorlijk verwarrend. Het zijn weer allemaalEngelse termen. Het is jammer dat er niet gekozen is voor Nederlandsetermen in het vakonderwijs, wat het hbo toch is, als het goed is, en dat ervoor zo’n verwarrende Angelsaksische constructie wordt gekozen. Dat iswat ik er maar bij zeg.Minister Letschert:Ik denk dat je ook «professioneel doctoraat» kan zeggen, hoor. Misschienheb ik er zelf even een Engelse term in gegooid.De voorzitter:Dat kan gebeuren. Maar goed, helder. Dank u wel.Ik denk dat we de beantwoording in de eerste termijn hebben gehad. Wegaan wat mij betreft direct door met de tweede termijn van de zijde vande Kamer. U heeft een minuut en twintig seconden spreektijd in detweede termijn. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Rooderkerk, diespreekt namens D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank, voorzitter. Veel dank aan de Minister voor de beantwoordingvan de vele vragen die hier zijn gesteld. Om te beginnen wil ik graag hettweeminutendebat aanvragen, voordat ik dat vergeet. We zijn blij om tehoren dat we de financiële situatie van studenten gaan verbeteren. Daar ishet in dit debat al uitgebreid over gegaan. Wel is het natuurlijk zo dat hetnog even duurt, omdat er een wetswijziging voor nodig is. Dat hoorde ikde Minister ook zeggen. Zij gaf aan dat het ’m niet per se zit in hetveranderen van het bedrag. Is het mogelijk om iets meer te schetsen watdaar dan precies voor nodig is, zodat we daar beter zicht op hebben? Kandat met een amendement niet toch sneller? Dat is de aard van mijn vraag.Ten aanzien van AI in het hoger onderwijs: ik ben heel blij dat de Ministeraangaf dat daar een heel mooi project van Npuls op loopt, waar wijhopelijk veel informatie uit kunnen halen. Ik ben er ook blij mee dat zij inhet kader van die talentenstrategie ook heel goed aan het bekijken is watde impact hiervan is op het onderwijs en op de studenten en dewerkenden van de toekomst. Ik zie zelf wel echt het nut van een strategievanuit het kabinet, maar we hebben hier morgen nog een debat over metde Staatssecretaris.Tot slot het mentale welzijn van studenten. Het bindend studieadvies iswat ons betreft een eenzijdig instrument. Ik hoorde dat de Minister ookzeggen. Wij zien veel liever persoonlijke begeleiding via studieadviseurs.Op dat punt overwegen wij dus een motie. Ik verwacht ook steun vanmeerdere partijen hiervoor. Dus dank voor dit debat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126461 De voorzitter:Hartelijk dank, mevrouw Rooderkerk. We gaan naar de heer De Beer vande VVD-fractie.De heer De Beer (VVD):Dank u wel, voorzitter. Ik zal het ook kort houden. Ik wilde eigenlijk nogeven uitweiden over de samenwerking tussen wo, hbo en mbo. Wehebben vorige week of de week daarvoor stilgestaan bij de wetswijzigingop het gebied van het beroepsonderwijs. Toen hebben we vooral gekekenvan mbo naar hbo en wo. Ik kan me voorstellen dat in de talentstrategieen rondom de visie op de campusontwikkeling ook de lijn van wo richtingmbo verder verkend wordt en dat we dat ook vanuit dat perspectiefbekijken. Het is voldoende als de Minister als antwoord alleen «ja» zegt.Dan de sturing op arbeidsmarktrelevantie en maatschappelijke impact. Ikhad het over studiekeuzevoorlichting, accreditatie en bekostiging in mijneerste termijn. Wellicht kan de Minister nog een klein beetje aanvullen alshet gaat om accreditatie. Wordt dat ook meegenomen in de verkenning enin de toekomstige voorstellen? Ik heb ook nog wel de vraag welkehandvaten we instellingen nou te bieden hebben om effectief op te tredenop het moment dat er echt overtredingen en bezettingen et cetera zijn. Ikbegrijp van de Minister dat er volgende week een apart debat over is inhet kader van de Taskforce Antisemitismebestrijding, maar wellicht kan deMinister toch nog één keer in dit debat een duidelijk antwoord op devraag geven.De voorzitter:Dank u wel, meneer De Beer namens de VVD-fractie. Dan kijk ik naar deheer Boomsma van JA21.De heer Boomsma (JA21):Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording. Erkomen natuurlijk nog veel brieven onze kant op, dus we zien daar allemaalnaar uit. Ten aanzien van de internationalisering: JA21 vindt toch echt datwe ook de rol van het Nederlands als academische taal moeten blijvenkoesteren en beschermen en vindt dat dat dreigt nog onvoldoende tegebeuren. Als ik ook zie dat er een bachelor psychologie in Amsterdam ismet 1.600 studenten in het collegejaar 2025–2026, waarvan de helft nietNederlands is, denk ik: is het nou echt in ons belang om dat op die manierte doen? Hoe controleren we ook of het Engels dat veel docenten sprekenüberhaupt wel fatsoenlijk is? Je hoort er ook heel veel van dat stonecoalEnglish. Dat is volgens mij voor niemand goed.Over de visitaties: er worden nieuwe onderzoeken gedaan, maar er lopennatuurlijk al heel veel onderzoeken. Er is al veel gedaan: dat onderzoekrond het externe toezicht et cetera. Volgens mij weten we al heel wat,maar wij wachten dat dan toch af, in ieder geval tot voor de zomer.Nog één vraag over de DUO en de schadevergoedingen voor dezestudenten. Als de Minister zegt dat de privacy is overtreden, gaat het erdan om dat er huisbezoeken zijn afgelegd en de privacy wordt overtredenbij zo’n huisbezoek in algemene zin en die huisbezoeken dan nu ook nietmeer worden toegepast of ziet dat specifiek op de groep die is geselec-teerd als gevolg van dat indirect discriminerende algoritme?De voorzitter:Dank u wel voor uw tweede termijn. Dan gaan we nu naar mevrouw Raijernamens de PVV-fractie.Mevrouw Raijer (PVV):Dank u wel, voorzitter. Ik wil ook de Minister bedanken voor haarantwoorden. Mijn collega Boomsma zei het inderdaad al: er komt voor dezomer heel veel naar ons toe. Ik wil het volgende nog even meegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126462 Toen ik het over de BES-eilanden had, ging het niet over de extraonkosten die studenten hebben, want als ze naar Amerika en Canadagaan, krijgen ze behoorlijk hoge bedragen. Als Nederlandse studenten inAmerika willen studeren, krijgen ze daar ook geen compensatie voor. Daarhad ik het dus over. Ik ga me er nog wel op beraden of ik daar bij hettweeminutendebat nog een motie over ga indienen.Dank u.De voorzitter:Helder. Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Hamstra van deCDA-fractie.De heer Hamstra (CDA):Voorzitter, dank. Ook onze dank aan het kabinet en de Minister voor debeantwoording in de eerste termijn. We hoorden dat in het kader van detalentstrategie de instrumenten samenhangend in worden gezet en dat debetreffende brief voor de zomer naar ons toe komt. Daar zijn we heel ergblij mee, dus dank daarvoor. We hebben het gehad over de motie-Straatman: de verkenning loopt al. Fijn dat u daar zo voortvarend mee aande slag bent geweest en we zijn er ook blij mee dat we daar in de herfstmeer over terughoren.Tot slot. We hebben het gehad over de gokverslaafde studenten, dus de«spookstudenten», zogezegd. Ik ben blij dat u de zorgvuldigheid betrachtom te zeggen dat u daar nu niet op terug kan komen en dat die maatre-gelen en de oplossingsrichtingen nog onze kant op komen. We zoudengraag de volgende toezegging krijgen: zou dit voorafgaand aan het eerderaangevraagde tweeminutendebat naar ons toe kunnen komen? Dat zou iknog graag aan u willen vragen.Dank.De voorzitter:Dank u wel. Dan kijk ik naar de heer Van Houwelingen van de fractie vanForum voor Democratie.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank voor de beantwoording. Ik heb verder geen vragen of opmerkingen,voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Het woord is aan de heer Ergin van DENK.De heer Ergin (DENK):Voorzitter, dank u wel. Het tweeminutendebat is aangevraagd. Tijdens dattweeminutendebat zal DENK een voorstel indienen over het bsa. Om daargoed een ei over te kunnen leggen, zou ik van de Minister een overzichtwillen van alle opleidingen met lage slagingspercentages waar een bsawordt gehanteerd, want de Minister wees in haar beantwoording specifiekop die groep. Ik zou daar graag nog een keer naar willen kijken.Voorzitter. Het tweede punt gaat over de compensatie door DUO. Ik vondhet toch wel naar – ik wil dat nog wel even benadrukken – dat er hierwordt gedaan alsof die hele groep bestaat uit fraudeurs, terwijl DUO inspecifieke postcodes, waar Nederlanders met een migratieachtergrondwoonden, specifiek keek naar opleidingsniveaus en zich daar richtte opmbo’s, wat ook een oververtegenwoordiging van Nederlanders met eenmigratieachtergrond met zich meebrengt. Ik vind het heel jammer dat wena al die onderzoeken nog steeds een debat voeren over het punt dat hetzou gaan om allemaal fraudeurs. Dat wil ik graag nogmaals benoemdhebben.Ik ben eigenlijk heel ontevreden over het antwoord van de Minister overde ministersplaatsen. De Kamer heeft een motie aangenomen omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126463 ministersplaatsen in te voeren. Daar is dus een meerderheid voor. DeMinister komt dan met een verkenning waarin staat waarom dit niet kan.Ze wijst daarbij naar allerlei randzaken die wellicht interessant zoudenkunnen zijn, maar niet in de motie staan.De voorzitter:Uw tweede termijn lokt een korte interruptie uit van de heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Erkent de heer Ergin wel dat er gewoon is gefraudeerd? Heel veel mensenhebben gefraudeerd. Zij hebben opgegeven dat ze niet thuis zoudenwonen. Erkent hij dat dat verwerpelijk is?De heer Ergin (DENK):Fraude is verwerpelijk.De voorzitter:Kijk eens aan. Zullen we het hierbij laten? Anders zijn we nog langer bezigdan we hadden afgesproken. Ik kijk even naar de Minister. Kan zij zonderschorsing toe? Misschien wordt er nog een laatste antwoord gepend,terwijl wij direct naar de tweede termijn van de zijde van het kabinet gaan.Ik geef wederom de Minister het woord.Minister Letschert:Dank u wel, dank u wel. Ik heb zo veel mogelijk meegeschreven en mijngeweldige team naast mij ook.Mevrouw Rooderkerk vroeg waarom het zo lang duurt. Dat was eerlijkgezegd ook mijn vraag toen ik binnenkwam. De bedragen van de beurzenzijn in de wet verankerd en dus niet in lagere regelgeving. Die staangewoon in de wet. Als je die wilt aanpassen, moet je de wet aanpassen.Dat kost wat voorbereiding. Je hebt een internetconsultatie nodig en erkomt weer een uitvoeringstoets. De Raad van State komt ook nog metadvies en dan komen we bij de Kamer. Dat is de route. Bovendien hebbenwe in het licht van onze minderheidspositie ook nog een gesprek over devraag of de hele Kamer dit een goede maatregel vindt. Daarom hebbenwe deze datum vastgesteld.Meneer de voorzitter, ik ga gewoon in één keer door, hè?De voorzitter:Ja.Minister Letschert:Dan heb ik een vraag van de heer De Beer over de waaier en deverkenning van de routes. Ja, als het gaat over de relatie tussen accredi-tatie en de arbeidsmarkt, gaan wij met elkaar bespreken wat we willendoen. Wat is daarin wetenschappelijk uitlegbaar? Nogmaals, ik zei dat dearbeidsmarkt van de toekomst niet zo gemakkelijk te voorspellen is en datwe ook een bredere vorming van onze studenten willen. Ik neem dit dusmee en kom daarop terug. De keuzes die we daarin maken en deinstrumenten die daarbij horen, zullen voor een deel in de talentstrategieterugkomen. Een deel komt terug in de brief over het kwaliteitszorgstelselen het hele accreditatieverhaal.De heer De Beer (VVD):En de bekostiging?Minister Letschert:En de bekostiging! Dit zijn allemaal elementen die met elkaar te makenhebben, zoals alles in het leven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126464 Dan werd gevraagd of ik in de doorontwikkeling van bijvoorbeeldregionale campussen ook ga kijken of je van wo naar mbo kunt. Ja,inderdaad het moet niet meer gaan over laag en hoog, maar over watpast. Waar wil een student zijn grootste meerwaarde leveren? Het is dusniet alleen maar een route een kant op.Ik denk dat ik de vragen nu niet in de juiste volgorde beantwoord, maardat maakt misschien niet zo veel uit, nietwaar?De voorzitter:Nee, hoor. Dat maakt niets uit. Gaat u verder.Minister Letschert:Nee, toch? Ik maak toch even de vragen van meneer De Beer af. Hij vroegwelke handvaten de instellingen hebben om demonstraties die uit dehand lopen, aan te pakken. De instellingen hebben een aantal handvaten.Dat staat nog even los van wat de driehoek, het justitieapparaat daarinkan betekenen. Instellingen kunnen schorsen, berispen en, indien ernstig,aangifte doen. Ik noemde net al het voorbeeld van de vernielingen aangebouwen. Uiteraard kan de instelling ook de politie inschakelen op hetmoment dat een demonstratie uitloopt in een bezetting die veiligheids-vraagstukken en bedreigingen van medewerkers mede als gevolg heeft.Dan is het een kwestie van een telefoontje naar de driehoek en zeggen: ditgaan wij niet accepteren. Dit is de lijn die de instellingen daarin kiezen.Dan heb ik de vraag van de heer De Beer beantwoord.Ik heb een vraag van de heer Boomsma gekregen over privacy. Misschienis het nu te technisch aan het worden, maar dit zit in het selectiemodel. Destudenten hadden niet op die manier geselecteerd mogen worden, endaarmee heb je dus ook hun privacy geschonden. Ik denk dat hetverstandig is ... Iedereen die gecontroleerd is, is dus geselecteerd.Daarmee is de privacy geschonden. Ik proef uw interesse in dit dossier.Het lijkt me best interessant om daar met collega’s in een technischebriefing wat dieper op in te gaan. Ik weet niet helemaal zeker of u die briefheeft ontvangen. Ik denk het eigenlijk wel. Het is best een uitgebreidebrief. Ik sta er altijd voor open om ook zoiets te organiseren, mocht u daarinteresse in hebben.De heer Boomsma (JA21):Ik heb het allemaal zitten lezen, maar mijn verbazing werd er niet heel veelminder om. Formeel gezien is het een aantasting van de privacy. Maar datziet dus niet zozeer op het huisbezoek waarbij je bij mensen gaatcontroleren hoeveel tandenborstels er in huis staan; dat ging over deselectie zelf. Ja. Dan begrijp ik het.Minister Letschert:Dat klopt.Dan ga ik meteen door naar de vraag van mevrouw Raijer over deBES-studenten en hun studiefinanciering. Zij vroeg waarom die voorAmerika en Canada hoger zou zijn en wil daar wellicht een motie overindienen. Het heeft ook te maken met de wens die er bestaat om hetstuderen in de regio – en dan hebben we het over de regio dáár – tepromoten om een braindrain te voorkomen. Daarom is de afweginggemaakt om deze bedragen op die manier vast te stellen. Niet iedereenkan in Europees Nederland studeren. Niet alle opleidingen zijn mogelijkop de eilanden. Laten we dat ook met elkaar vaststellen. De onderwijsin-frastructuur zoals we die in Nederland kennen is natuurlijk niet op onzedrie prachtige eilanden op dezelfde manier aanwezig, met het aanbod datdaarbij hoort.Dan had ik een vraag van Kamerlid Hamstra over de gokverslaafden enspookstudenten. Hij vroeg of we die voor het tweeminutendebat kunnenbespreken. Volgens mij heb ik net toegezegd daarop in te gaan in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126465 voortgangsbrief, de verzamelbrief. Dan kan ik dat echt gedegen doen. Alswe eerder antwoorden hebben, zijn we natuurlijk altijd bereid om die ietseerder te delen, maar dit wil je ook zorgvuldig doen. Hiervoor blijf ik bij devoortgangsbrief. Dat lukt dus niet voor het tweeminutendebat.Meneer de voorzitter. Dan de ministersplaatsen. Het probleem dat daar isgeconstateerd, zit in de hele keten. De oplossing die u voorstelt, gaat dusniet het hele probleem aanpakken. Studenten keren niet terug naar deeilanden na een lange studie in Nederland. Alle onderdelen bekijken isgeen vertragingstactiek of iets niet serieus nemen, maar echt iets willendoen om hier een oplossing voor te creëren. Daar is ook een wetswij-ziging voor nodig. Vandaar het antwoord. Ik begrijp dat dit voor uteleurstellend is, maar dit is wel het eerlijke antwoord.Dan heb ik ze volgens mij allemaal gehad.De voorzitter:Kijk eens aan. Mijn richttijd was 17.30 uur. Dan hebben we nog30 seconden. Dan zijn we aan het einde gekomen van dit ... Nee. MevrouwRaijer heeft nog een interruptie.Mevrouw Raijer (PVV):Toch nog even terugkomend op wat de Minister net zei over dat naarAmerika gaan om te studeren. Zij kunnen toch gewoon naar Nederlandkomen om te studeren? Volgens mij hebben wij hier heel veeluniversiteiten.Minister Letschert:Zeker, maar wat ik zei was het volgende. De afweging die toen wasgemaakt, is om de braindrain in de regio ... Dat is dus dichterbij in deregio dan helemaal hier in Nederland. De vrees is dat studenten niet meerterugkeren. Dat is de reden die ik daarbij aangeef.De voorzitter:Goed. Hartelijk dank. We zijn aan het einde gekomen van dit debat. DeMinister heeft de volgende toezeggingen gedaan:–De nieuwe nota van wijziging van de Wet internationalisering in balanskomt na de zomer.–De Minister komt in de Kamerbrief over studentenwelzijn voor dezomer terug op hoe de gesprekken met de sectoren rondom hetbindend studieadvies lopen.–De Minister komt in de herfst met het vervolg van de wettelijkezorgplicht in het kader van sociale veiligheid.–De Minister komt in de verzamelbrief terug op het vraagstuk rondomspookstudenten die lenen bij DUO om hun gokverslaving in stand tehouden.–Voor de zomer komt er een brief met de uitkomsten over hoe dewettelijke taak voor studenten met een beperking in de praktijk werkt.Hier worden de desbetreffende studenten ook in meegenomen.–De Minister komt voor het einde van het jaar met een update van hetGroeifondsproject Impuls.–Na de zomer komt er een brief over de kwaliteitszorg. Afhankelijk vanhet onderzoek kijkt de Minister of dit eerder kan.Afsluitend is er een tweeminutendebat aangevraagd door het lidRooderkerk. Als u zich hier ook in herkent, dan zijn dat de toezeggingenvoor vandaag.Er viel mij iets op. Soms vraag ik me af hoe we in het debat afkortingenge-bruik in de klauwen kunnen houden. ITK, OVpay, OER, bsa, LLO, Npuls,Wib, NGF ... Verder zeg ik niks. Denkt u straks nog maar eens terug aandeze nieuwe herinnering.Goed. Ik dank de Minister en haar ondersteuning hartelijk voor debeantwoording van de vragen. Ik bedank ook alle Kamerleden die tot hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126466 einde zijn gebleven; dat is een extra puntje. Ik bedankt alle mensen die opde publieke tribune met ons meekijken, en zeker ook de Kameronder-steuning. Zonder jullie werd dit helemaal niks.Er is dus een tweeminutendebat aangevraagd, en de eerste spreker ismevrouw Rooderkerk. Dat zal worden doorgegeven aan de Griffie Plenairen zo snel als mogelijk worden ingepland. Ik sluit hierbij het debat, en ikwens u allemaal nog een hele fijne avond.Sluiting 17.32 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 126467
Gerelateerde bronnen
- Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 8 april 2026, over hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.