KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 19 november 2025, over het Pakket Belastingplan 2026 (eerste termijn regering + tweede termijn)

10 dec 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie b5edafbed613830c · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 115 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 10 december 2025 De vaste commissie voor Financiën heeft op 19 november 2025 overleggevoerd met de heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdiensten Douane, over:−de brief van de Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst enDouane d.d. 17 september 2025 inzake aanbieding pakketBelastingplan 2026 (Kamerstuk 36 812, nr. 6);−het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten enenige andere wetten (Belastingplan 2026) (Kamerstuk 36 812);−het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten enenige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2026)(Kamerstuk 36 813);−het wetsvoorstel Wijziging van de Wet belastingen op milieu-grondslag in verband met differentiatie van het tarief van devliegbelasting (Wet differentiatie vliegbelasting) (Kamerstuk36 815);−het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzakerijksbelastingen en enkele andere wetten in verband met hetstroomlijnen van het fiscale inzagerecht (Wet stroomlijningfiscaal inzagerecht) (Kamerstuk 36 816);−het wetsvoorstel Tweede wijziging van de Wet minimumbelas-ting 2024 in verband met de in december 2023, juni 2024 enjanuari 2025 internationaal overeengekomen administratieverichtsnoeren en een aantal overige technische wijzigingen(Tweede wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024)(Kamerstuk 36 817);−het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de internationalebijstandsverlening bij de heffing van belastingen en de Wetminimumbelasting 2024 in verband met de implementatie vanRichtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 totwijziging van Richtlijn 2011/16/EU betreffende de administra-tieve samenwerking op het gebied van de belastingen (Wetimplementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling minimumbe-lasting) (Kamerstuk 36 818); kst-36812-115ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1151 −het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verbandmet de nadere operationalisering van het mechanisme vooreen koolstofcorrectie aan de grens (Kamerstuk 36 819).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De fungerend voorzitter van de commissie,Van der LeeDe griffier van de commissie,WeeberTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1152 Voorzitter: BushoffGriffier: LipsAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bushoff, Inge van Dijk,Van Eijk, Grinwis, Oosterhuis, Stoffer, Stultiens, Vermeer en Vlottes,en de heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.Aanvang 11.00 uur.De voorzitter:Goedemorgen, allemaal. Ik heropen het wetgevingsoverleg over hetBelastingplan 2026. Afgelopen maandag hebben alle commissieleden hunvragen kunnen stellen aan de regering en aan elkaar over de zeveningediende wetsvoorstellen. Gisteren heeft de Staatssecretaris ook nogeen brief gestuurd en gepoogd daarin in ieder geval gedeeltelijk antwoordte geven op de gestelde vragen. We gaan vandaag mondeling verder vangedachten wisselen. Ik heet de Staatssecretaris dan ook van hartewelkom. Natuurlijk heet ik ook zijn ondersteuning, de woordvoerders, demensen op de tribune en de mensen die het eventueel thuis volgen vanharte welkom.We beginnen zo dadelijk met de eerste termijn van de kant van deregering, gevolgd door de tweede termijn van de Kamer en de regering,uiteraard als er bij de Kamer nog veel behoefte is aan een tweede termijn.Morgen gaan we namelijk ook weer verder. De commissie heeft ookbesloten om moties over de wetsvoorstellen tijdens de tweede termijnvan de plenaire behandeling te doen. Dat wil zeggen: volgende weekdinsdagmiddag. Normaal gesproken heb je tijdens een wetgevingsoverlegeen gelegenheid om in de tweede termijn moties in te dienen, maar er isal besloten dat we dat volgende week dinsdag doen. De stemmingen overhet Belastingplan vinden vervolgens plaats op donderdag 27 november.Als laatste moet ik nog even melden dat het lid Hoogeveen heeft latenweten vandaag niet bij het overleg te kunnen zijn vanwege parallelleverplichtingen bij een debat bij de commissie voor Buitenlandse Handel.Hij zal morgen weer bij ons zijn.Ik stel voor dat we beginnen met zes interrupties. We hebben best even detijd, dus we gaan kijken hoe het gaat. Probeer de interrupties altijd kort enbondig te houden. Ik zie al gelijk ...Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Ik zou graag de Grinwisverdubbelaar willen inzetten.De voorzitter:Twaalf, hoor ik al. Dat kan natuurlijk. Het hangt wel een beetje af vanhoelang of hoe kort de interrupties zijn. Twaalf interrupties dieminutenlang duren, vind ik wel heel veel. Als het kort en bondig kan – deheer Grinwis staat natuurlijk bekend om de heel korte en bondigeinterrupties – kunnen we de Grinwisverdubbelaar misschien inzetten.Dat gezegd hebbende ga ik nog heel eventjes de leden links van mijvoorstellen, voordat ik het woord geef aan Staatssecretaris Heijnen.Allereerst zit links van mij natuurlijk de griffier, maar daarnaast zitten alsleden van de commissie: de heer Vlottes, de heer Oosterhuis, mevrouwWendy van Eijk, mevrouw Inge van Dijk, de heer Grinwis, de heer Stoffer,de heer Vermeer en de heer Stultiens. Dat gezegd hebbende geef ik nueerst het woord aan de Staatssecretaris, maar niet voordat ik heb gezegddat ik op een logisch moment uiteraard ook nog even ga schorsen vooreen lunchpauze. Dat doe ik aan het eind van een van de blokken.Staatssecretaris Heijnen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1153 Dank u wel, voorzitter. Lunch is uiteraard ook belangrijk. Het is goed omhier vandaag te zijn om met de leden van uw commissie het debat tevoeren over het Belastingplan 2026. Toen ik twee jaar geleden mijnmaidenspeech hield in de Eerste Kamer bij de behandeling van hetBelastingplan 2024, had ik in ieder geval niet gedacht dat ik hier vandaagzou zitten.Zoals inmiddels bekend kom ik uit Limburg. Ik ben van het Limburgseplatteland. Ik ging naar Tilburg voor mijn studie fiscale economie en naarEindhoven voor mijn werk, maar ik ben altijd in Limburg blijven wonen.Nu zit ik hier in de Tweede Kamer als Staatssecretaris van Financiën. Ikvind het dan ook een grote eer om als 33ste Staatssecretaris vanFinanciën mijn bijdrage te mogen leveren, samen met u, aan goedewetgeving voor ons land.Het is een grote eer, maar ook een grote verantwoordelijkheid. Iedereenheeft namelijk te maken met belastingen. Ik zeg weleens: iedereen heefteen mening over voetbal, maar iedereen heeft ook een mening overbelastingen. Ons leven begint al met een aangifte, weliswaar bij deburgerlijke stand. Maar als we boodschappen doen, betalen we bijvoor-beeld btw. Als we op onszelf gaan wonen, hebben we te maken met WOZ.Als we autorijden, hebben we te maken met autobelasting en accijnzen.En tot slot, als we overlijden, is er erfbelasting. Zoals Benjamin Franklin,Amerikaans staatsman, ooit zei: niets in het leven is zeker, behalve dedood en belastingen. Zelf voeg ik daar nog een derde zekerheid aan toe,namelijk: na Prinsjesdag behandelen we het pakket Belastingplan.Ik wil eerst even kort ingaan op de hervorming van ons belasting- entoeslagenstelsel. Verschillende leden vroegen daarnaar, onder anderen deheer Grinwis. Hij stelde mij een aantal concrete vragen. Ik begin met degebruikelijke, zou ik haast zeggen, disclaimer: we zijn als kabinetdemissionair en we vinden het ...De voorzitter:Er is al een snelle interruptie van de heer Grinwis, die er toch twaalf heeft.De heer Grinwis (ChristenUnie):Nou, ik heb een vraag, een tip, om een beetje grip op deze dag te krijgen.Kan de Staatssecretaris aangeven welke thema’s hij vandaag zal behan-delen, voordat hij dit prachtige thema verder gaat uitdiepen?De voorzitter:Eerst dus eventjes de praktische indeling van de blokken.Staatssecretaris Heijnen:Zeker. Ik was bezig met mijn introductie. In die introductie wilde ikaangeven dat ik vervolgens inga op inkomensbeleid, box 3, klimaat enenergie, overige maatregelen Belastingplan, schenken en erven,wetsvoorstel Stroomlijning fiscaal inzagerecht, wetsvoorstel Differentiatievliegbelasting en nog een aantal varia.Dan ga ik verder waar ik was gebleven: de herziening van onsbelastingen- en toeslagenstelsel. Ik gaf al aan dat wij het als demissionairkabinet passend vinden om ons op dit punt bescheiden op te stellen. Ditproces zal meerdere kabinetten beslaan en vraagt dus om een breeddraagvlak, maar als u mij vraagt naar mijn persoonlijke visie, ben ikuiteraard wel bereid om die met u te delen.Laat ik beginnen met de opmerking dat ik van mening ben dat we, als weover een herziening praten, zouden moeten praten over een integraleherziening van ons belastingstelsel, waarbij we een aantal strategischekeuzes zouden moeten maken. Belastingheffing kan dienen om overheids-uitgaven te financieren, inkomens te herverdelen, economisch gedrag testuren of de economie te stabiliseren. Dat zijn, denk ik, een aantal doelendie je aan belastingheffing zou kunnen toekennen. Zelf denk ik – maar datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1154 is mijn mening – dat de budgettaire functie heel belangrijk is. Ik ben watminder van de instrumentele functie van belastingheffing.Vervolgens, als je met elkaar van gedachten hebt gewisseld en prioriteitenhebt vastgesteld voor de verschillende doelen, moet je een aantal anderekeuzes maken. We hebben directe en indirecte belastingen. Er is heel veeldiscussie over de vraag of je de indirecte belastingen niet moet verhogen,in plaats van de directe belastingen. Daar moet je keuzes in maken. Datgeldt ook voor de verdeling tussen de lasten op arbeid en vermogen. Ookdaarin moet je keuzes maken, een strategische keuze aan het begin vaneen integrale herziening van het belastingstelsel.Vervolgens ga je weer een stap verder en dan kom je op de diversebelastingmiddelen uit, zoals de inkomstenheffing. Daarin moet je ookkeuzes maken, bijvoorbeeld ten aanzien van het boxenstelsel. Is hetboxenstelsel nog wel van deze tijd of moeten we misschien terug naar hetsysteem van de Wet op de inkomstenbelasting 1964? Dat was trouwenseen mooi jaar. Maar mijn overtuiging is dat elke hervorming moetbeginnen met het formuleren van een heldere en integrale visie, waarbijje stap voor stap toewerkt naar een stip op de horizon. In die zin kan ik mevolledig vinden in een recent blog van de Nederlandse Orde vanBelastingadviseurs, waarin zij aangaven: zet in op een toekomstbestendigbelastingstelsel en pak dat integraal aan. Daar kan ik mij volledig invinden. Het moet integraal, vanuit een strategische visie, maar je begint,denk ik, van onderop, op het moment dat je die keuzes hebt gemaakt. Hetlijkt mij logisch om dan te beginnen bij box 1. Daar is heel veel over tedoen, met de toeslagen en de heffingskortingen. Daar zijn de problemenook het grootst.Dan kom ik op een van de vragen van de heer Grinwis. Over de toeslagenhebben we al vaak van gedachten gewisseld; althans, daarover heeft uvaak van gedachten gewisseld met mijn ambtsvoorgangers. Bij detoeslagen zou het, denk ik, niet onlogisch zijn om te beginnen met dekindertoeslagen. We hebben de kinderbijslag; die werkt redelijk goed, ofeigenlijk heel goed. De kinderopvangtoeslag wordt al hervormd. Danhouden we het kindgebonden budget over. Ik zou me kunnen voorstellendat een volgend kabinet eens kijkt naar een integrale oplossing voorkindregelingen, om ze zo maar eens te noemen. Daarbij moet je, denk ik,de afweging maken in hoeverre die dan inkomensafhankelijk moeten zijn.Ik zou me ook nog kunnen voorstellen dat je voor een combinatie kiest,waarbij je een bepaald basisbedrag kiest met daarbij een extra stukjeuitkering dat afhankelijk is van het inkomen. Maar de inkomensafhanke-lijkheid is bij die toeslagen steeds het lastige. Als je ze inkomensonafhan-kelijk maakt, krijg je een budgettair probleem, omdat de toelage, zoals datdan heet, veel minder gericht is.Het lijkt mij dus logisch om met de kindertoeslagen te beginnen. Eenvolgende stap zou kunnen zijn om ook eens goed te bekijken of je dezorgtoeslag op een of andere manier zou kunnen hervormen. Dan heb jehet over de toeslagen, maar vervolgens heb je nog de heffingskortingen.Daar is ook heel veel over te zeggen. Ook daar zou je dan vervolgens bijde herziening van box 1 meteen naar moeten kijken, want door dietoeslagen en heffingskortingen is het systeem in ieder geval veel mindertransparant voor de belastingplichtigen die belasting moeten betalen.Ik weet niet of ik de vraag van de heer Grinwis zo naar genoegen hebbeantwoord, maar dat is mijn visie op hoe een toekomstige herzieningeruit zou kunnen zien.De voorzitter:Ik zie in ieder geval de hand van de heer Vermeer omhooggaan en daarnaook die van mevrouw Inge van Dijk, maar eerst is de heer Vermeer.De heer Vermeer (BBB):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1155 Dank aan de Staatssecretaris voor zijn toelichting hierop. Deelt hij ook demening dat als je het echt goed wil aanpakken, gezien de onderlingesamenhang tussen al die toeslagen en belastingen, je eigenlijk zoumoeten werken vanuit wat wij weleens «de nucleaire optie» genoemdhebben, dus gewoon even alles aan de kant schuiven en dan zeggen: hoega je dit systeem inrichten? De Staatssecretaris stelt nu voor om te gaansleutelen aan onderdelen. Dat is juist wat we steeds doen en waardoor westeeds dieper het drijfzand in gelopen zijn.Staatssecretaris Heijnen:Ik denk dat je een integrale, algehele herziening zou moeten willen. Ik beneen beetje bang dat je niet veel verder komt op het moment dat je voor denucleaire optie kiest zoals de heer Vermeer die aangeeft. Je zult ergensmoeten beginnen, maar steeds vanuit een integrale visie en vanuit hettotaal bezien. Maar je zult ergens moeten beginnen.De voorzitter:Ik zag eerst de hand van mevrouw Van Dijk.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dit haakt eigenlijk aan bij: je zult ergens moeten beginnen. Waar ik meheel veel zorgen over maak – die zorgen heb ik al een aantal jaren en dieworden eigenlijk Belastingplan op Belastingplan groter – is dat elkBelastingplan weer een verdringing is van überhaupt een stip op dehorizon om te kunnen vernieuwen. Ik vraag me af of het nou verstandig ishoe we dit met elkaar doen als we echt serieus de wens hebben om tegaan vernieuwen. Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.Staatssecretaris Heijnen:Ik deel de zorgen van mevrouw Van Dijk, maar we hebben nu eenmaal temaken met de bestaande situatie. We zullen een aantal aanpassingenmoeten doorvoeren. Ik vind het heel jammer dat het niet een van deonderwerpen is die nu op de formatietafel liggen, want ik denk dat deherziening van het belastingstelsel daar als zesde thema ook behandeldzou moeten worden. Ik herken en deel de zorgen van mevrouw Van Dijk,maar ik denk wel dat we vanuit een bestaande situatie naar een toekom-stige situatie moeten gaan en dat we dat stap voor stap zullen moetendoen zolang we het eindbeeld maar in zicht houden.De voorzitter:En een vervolgvraag?Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Ik deel namelijk niet de mening van de Staatssecretaris. We zullen nudingen moeten doen, want dat bepalen we volgens mij met elkaar. Ik pelmijn vraag wat verder af. Waarom maakt ook dit kabinet de keuze om hetweer meer complex te maken in plaats van te zeggen: dat gaan we nueens even niet doen, want we hebben de wens om te vernieuwen; ook alhebben we die visie hier nog niet liggen, we snappen heel goed dat weICT-technisch ruimte zullen moeten gaan creëren, dus we blijven iets meerop onze handen zitten?Staatssecretaris Heijnen:Dat vind ik een lastige vraag, want ik weet niet of het nu meer complexwordt. Maar vanuit deze bestaande situatie is het op dit moment moeilijk,denk ik. Inderdaad, u bepaalt zelf wat we gaan doen, maar ik denk dat wemet dit Belastingplan toch een aantal goede stappen zetten. Er moetenmeer stappen volgen; dat ben ik volledig met mevrouw Van Dijk eens.Maar ik denk wel dat dit Belastingplan op dit moment een goede stapvoorwaarts is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1156 De heer Grinwis (ChristenUnie):Dank aan de Staatssecretaris voor het antwoord. Interessant dat hij hetkindgebonden budget ...De voorzitter:Eén moment, de microfoon van de Staatssecretaris moet even uit, andersziet de kijker niet wie er spreekt.De heer Grinwis (ChristenUnie):Interessant dat de Staatssecretaris het kindgebonden budget als eersteaanwijst om aan te pakken, en niet de zorgtoeslag of de huurtoeslag. Dehuurtoeslag is de afgelopen jaren natuurlijk al verbeterd, dus dat zou eenreden kunnen zijn. In de tussentijd maken wij politici in generieke zin hetieder jaar ingewikkelder, vooral gedreven door koopkrachtfetisjisme. Jezag het net: de heer Klaver heeft die buffelboete geproblematiseerd. Daarkun je verschillend tegen aankijken. Feit is dat we nu voor 734 miljoen dearbeidskorting verder oppompen, wat de verschillen in ons belasting-stelsel groter maakt, wat grote deeltijdbanen of voltijdbanen onaantrekke-lijker maakt, en dat we een stap verder weg komen van herziening. Dat isdoor een heel groot deel van de Kamer gesteund – niet door mijn fractieen ook niet door de SGP, maar verder volgens mij door alle fracties. Datvind ik contrair aan de brede wens die we in globale zin altijd uitspreken,namelijk dat we een herziening willen. Wat is er nou voor nodig dat hetgeen vogel in de lucht blijft en we rapport op rapport stapelen, vanaf decommissie-Van Weeghel – dat was al in 2010 – tot nu, maar we daadwer-kelijk iets gaan doen? Wat is daarvoor nodig volgens de Staatssecretaris?Moeten we dan inderdaad niet alleen een mooie frase in een coalitieak-koord opschrijven, maar ook de eerste toeslag die we gaan aanpakken, deeerste heffingskorting die we gaan aanpakken? Dan moet je dat gewoonconcreet maken, volgens mij ook in de tabel. Hoe kijkt de Staatssecretarisdaartegen aan? Zoals we nu werken, maken we het alleen maarcomplexer.Staatssecretaris Heijnen:Ik ben het met de heer Grinwis eens. Mijn advies aan een volgend kabinet,als ik dat zou mogen geven, is daarom: vanuit die heldere, integrale visieconcrete afspraken maken bij de formatie over maatregelen op korte,middellange en lange termijn. Maar concrete afspraken maken. Ook in hethoofdlijnenakkoord was het niet concreet genoeg. Je ziet dat er daardoorvervolgens te weinig gebeurt.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Ik ga terug naar het pakket Belastingplan 2026. Ik heb met veel belang-stelling geluisterd naar het debat dat afgelopen maandag in uw Kamergevoerd is. De leden hebben heel veel vragen gesteld in het eerstewetgevingsoverleg. Daar ben ik voor een groot deel schriftelijk opingegaan in mijn brief van gisteren. Er zijn ook vragen die ik vandaag zalbeantwoorden. Ik doe dat graag aan de hand van de indeling die ik netmet u heb gedeeld. Ik wil afsluiten met een opmerking over de amende-menten.Dan begin ik met het kopje inkomensbeleid en kom ik bij een vraag van deheer Hoogeveen, die helaas niet aanwezig is, over de risico’s van hetbeperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor. Is dat een uitzonderlijkemaatregel of kan dit in de toekomst opnieuw worden gebruikt? Zoalsbekend worden veel bedragen en fiscale wetgeving jaarlijks geïndexeerdom de belastingheffing in reële termen ongeveer gelijk te houden. Hetbeperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor is een lastenverzwaring,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1157 omdat het belastingstelsel dan minder meegroeit met de inflatie. Hetdemissionaire kabinet vindt dan ook dat wat betreft het beperkt toepassenvan de tabelcorrectiefactor terughoudendheid is geboden om tevoorkomen dat de inkomstenheffing steeds verder uit de pas loopt met deinflatie. Daarnaast, en dat vinden wij ook wel een aandachtspunt, zijn deeffecten voor de belastingplichtigen, voor de burgers minder transparantomdat deze aanpassing een groot aantal bedragen raakt en deze nietzichtbaar verlaagt, maar minder verhoogt. Dit neemt niet weg dat wij vanmening zijn dat er weloverwogen, met goede redenen, een dergelijkekeuze gemaakt moet kunnen worden. Maar we zien het dan wel als eenuitzondering, en liever doen we het niet.Een tweede vraag van de heer Hoogeveen: «Het kabinet past dit jaarslechts de helft van de automatische inflatiecorrectie toe. Wat is het effectop de marginale druk en voor welke inkomensgroepen stijgt de marginaledruk het meest?» Ik heb al toegelicht – dat hoef ik niet nog een keer tedoen, zeker niet in deze commissie – wat dat betekent. Maar bij eentoename van het inkomen komen mensen eerder in een hoger marginaaltarief terecht dan wanneer de tabelcorrectiefactor volledig wordttoegepast. Dit speelt met name bij inkomens rond de schijfgrenzen, bij deinkomstenbelasting en bij de opbouw- en afbouwtrajecten van deheffingskortingen. Als je alle belastingmaatregelen voor 2026 meerekent,dan geldt voor de verschillende inkomensgroepen dat de verandering inde marginale druk per saldo beperkt is.Dan ga ik naar vragen van de heer Stultiens en de heer Vermeer. «Hoegaat u in de toekomst voorkomen dat lage inkomens erop achteruitgaandoor de indexatie van de arbeidskorting?» De heer Vermeer vroeg: vindtde Staatssecretaris ook dat er een pas op de plaats moet worden gemaaktvoor inkomensafhankelijke regelingen, zodat het stelsel niet nogcomplexer wordt gemaakt? We hadden het er net al even kort over. Hetkan in de toekomst blijven voorkomen dat deeltijdwerkers met een laaginkomen bij het uitblijven van een loonstijging wat meer inkomstenheffingmoeten gaan betalen, zeg ik tegen de heer Stultiens. Dit zijn echter welheel specifieke situaties.Het kabinet is er geen voorstander van om beleid te maken voor bepaaldegroepen mensen of individuele gevallen. Als je de inkomensgrenzen voorde arbeidskorting met de inflatie mee laat stijgen in plaats van met deloonontwikkeling, dan leidt dit op termijn tot een lastenverzwaring voorwerkenden. Middeninkomens zullen er dan op termijn fors minder opvooruitgaan. Als de inkomensgrenzen met de inflatie meestijgen, betekentdit ook dat er in tijden van plotselinge en onverwachte inflatie een flinkeachteruitgang plaatsvindt in de arbeidsinkomens voor de mensen met delaagste inkomens. De lonen stijgen in een dergelijke situatie namelijkvertraagd mee met de inflatie. De loonstijging loopt altijd even achter opde inflatiestijging. Het kabinet is overigens – ik gaf het al aan – samen metde sprekers van mening dat het stelsel te complex is voor burgers. Maarhet is niet meer aan dit demissionaire kabinet om een hervorming in gangte zetten.Ook vraagt de heer Vermeer naar de complexiteit van het stelsel, onderandere in relatie tot heffingskortingen en inkomensafhankelijkeregelingen. Ik ben het volledig met hem eens dat het toevoegen van eennieuwe inkomensafhankelijke regeling het stelsel complexer maakt. Datdoet het kabinet dan ook niet. Heffingskortingen en een verhoging ofverlaging daarvan maken voor de bestaande, te grote complexiteit van hetstelsel geen groot verschil.De voorzitter:De heer Stultiens heeft hier nog een vraag over, dus we gaan eerst evennaar de heer Stultiens.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1158 Het is jammer dat de heer Grinwis net weg is, want hij begon er ook over,maar de buffelboete is natuurlijk wel degelijk een probleem. Het ging ommensen die werken in de thuiszorg, in de schoonmaak of in de Bijenkorf.Die hebben de laatste jaren allemaal gezegd: we zien opeens een hogerebelasting dan vorig jaar op ons loonstrookje. Dat is raar als we met elkaarzeggen: werken moet lonen. Nu is het opgelost voor de afgelopentwee jaar dankzij de Kamer. Dat is heel fijn. Ik snap ook dat de Staatssecre-taris zegt: ik ga nu geen hele grote stelselwijzigingen doorvoeren. Maarwat kan hij dan wel toezeggen zodat we de komende jaren niet opnieuwelke keer deze discussie krijgen? Wat gaan we doen om te voorkomen datdeze groepen mensen met een klein inkomen niet meer belasting gaanbetalen dan het jaar ervoor?Staatssecretaris Heijnen:Dat is een terechte vraag van de heer Stultiens. Er was, denk ik, welsprake van een bijzondere samenloop van diverse omstandighedenwaardoor dit aan de orde was. Als je kijkt naar de koopkracht, dan zie jedat de groepen die de heer Stultiens noemt er per saldo op vooruitgingen.Ik kan hem echter toezeggen dat, zolang het kabinet er nog zit, we ditnauwlettend in de gaten zullen houden en daarop zullen acteren op hetmoment dat dat nodig is.De voorzitter:Vervolgt u uw betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan ga ik naar een aantal vragen van mevrouw Van Dijk, de heer Stofferen de heer Grinwis. Die gaan over de arbeidskorting en de doelmatigheiddaarvan voor het stimuleren van arbeidsparticipatie en over de evaluatiedie gedaan is. De leden vragen ook naar de verhoging van het budget vande arbeidskorting in de derde nota van wijziging op het Belastingplan. Deevaluatie van de heffingskorting en de tariefstructuur zijn mij uiteraardbekend. Uit deze evaluatie blijkt dat de arbeidskorting als gerichteinkomensondersteuning voor werkenden doeltreffend is. Het blijktinderdaad lastiger om na te gaan of en in hoeverre de arbeidskorting deafgelopen jaren heeft bijgedragen aan de stijging van het arbeidsaanbod.Ik heb het dan dus over doelmatigheid. Er is sprake van een op- enafbouwtraject. Voor lagere inkomens geldt dat de arbeidskorting stijgt alsze meer gaan verdienen. In de opbouwfase is er dus een prikkel om meerte gaan werken. Het kabinet is, zoals bekend, van mening dat meerwerken moet lonen en wil dat de koopkracht van werkenden en uitkerings-gerechtigden dichter bij elkaar blijft. Dat is ook in het Belastingplan 2026het geval. Daarom zat in het Belastingplan zoals aangeboden aan deKamer op Prinsjesdag een beperkte verhoging van de arbeidskorting.Door de derde nota van wijziging is daar nu geen sprake meer van. Dehoogte van de arbeidskorting wordt dus alleen beperkt geïndexeerd per2026. Wel worden met de nota van wijziging de inkomensgrenzen van dearbeidskorting aangepast.Deeltijdwerkers die op jaarbasis minder dan het minimumloon verdienen– de heer Stultiens vroeg daarnaar – krijgen meer recht op arbeidskortingin 2026 ten opzichte van de situatie waarin de inkomensgrenzenuitsluitend op basis van het wettelijke minimumloon zouden zijngeïndexeerd.De motie op basis waarvan deze nota van wijziging is ingediend – de heerGrinwis had het erover – is met een brede Kamermeerderheid aange-nomen. Het kabinet heeft daar dan ook uitvoering aan gegeven.Om specifiek werkenden te bereiken, zeg ik in antwoord op de vraag vanmevrouw Van Dijk, is de arbeidskorting ook een van de weinige instru-menten die ingezet kunnen worden in de fiscaliteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1159 De voorzitter:Ik zag eerst de heer Stultiens.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Die motie was inderdaad een compromis tussen meerdere partijen bij deFinanciële Beschouwingen. Als het aan mijn partij had gelegen, haddenwe het alleen maar gedekt uit het toptarief. Het werd een mix van eenderde, een derde en een derde: het lage tarief, de arbeidskorting zelf enhet toptarief. Die motie is netjes uitgevoerd. Maar er was wel eentegenvaller, namelijk het bedrag na 2030. Dat is eigenlijk een onver-wachtse budgettaire tegenvaller. Ik begrijp niet waarom het kabinet ervoorheeft gekozen om die tegenvaller volledig te dekken in het tarief van deeerste schijf, terwijl de geest van de motie van de Kamer juist was:verspreid dat dan ook netjes over deze drie groepen. Kan hij daaropreflecteren?Staatssecretaris Heijnen:Daar hebben we naar gekeken. De extra dekking die nodig was, was ophet moment van het bespreken van die motie niet bekend. We hebbenmet name vanwege de eenvoud daarvoor gekozen. De keuze is uiteindelijkvanwege de eenvoud zo geweest.De voorzitter:Een vervolgvraag.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Maar dan blijft de vraag staan of het niet net zo eenvoudig is om tezeggen: voor een derde dek je het uit het tarief van de eerste schijf enopnieuw voor een stukje uit het toptarief, die grens. Dat doen we namelijktoch voor de komende jaren, dus ik zou denken: qua uitvoering is het evenmoeilijk om dat ook na 2030 te doen. Ik vind het wel meer passen bij degeest van de motie om het ook daar netjes te spreiden, in plaats van hetalleen bij het eerste tarief te houden.Staatssecretaris Heijnen:Dat zou kunnen. Dat is, denk ik, aan een volgend kabinet, ook in het kadervan de hele herziening van het belasting- en toeslagenstelsel. We hebbendaar niet voor gekozen, maar we kunnen daar zeker nog een keer naarkijken.De voorzitter:Dan nog mevrouw Van Dijk.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Ik had nog een vraag gesteld over ons voorstel over die arbeidskortingnaar het aantal uren. Nu wordt meer verdienen in principe gestimuleerd,maar niet per definitie meer werken. Ik weet dat het moeilijk is in deuitvoering, maar ik ben benieuwd naar het conceptueel denken hieroveren hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.Staatssecretaris Heijnen:Ik weet niet of mevrouw Van Dijk mijn bijdrage van tevoren heeft ingezien,maar daar kom ik nu op.De voorzitter:Gaat u daar nu op antwoorden of komt u daarop terug? Oké, u gaat eerstantwoord geven. O nee, mevrouw Van Eijk heeft op dit punt nog eenspecifieke vraag. Dan gaan we eerst even naar de vraag van mevrouwVan Eijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11510 Mevrouw Van Eijk (VVD):Ja, naar aanleiding van de interruptie van de heer Stultiens en hetantwoord van de Staatssecretaris over de dekking die gekozen is voor dietegenvaller. Onderdeel van de motie was ook een evenwichtig koopkracht-beeld. Nu weet ik niet of die bedragen zo veel impact hebben dat dat danverschuift. Misschien kan de Staatssecretaris daar nog op reageren, dusde situatie dat er gekozen zou zijn voor de dekking die initieel ook in demotie stond.Staatssecretaris Heijnen:Ik ga eerst even kort in op de vraag van mevrouw Van Eijk, met hetverzoek of ik daar in tweede termijn mag terugkomen.Dan nu de vraag van mevrouw Van Dijk. Het kabinet deelt de wens vanmevrouw Van Dijk om mensen die in deeltijd werken te stimuleren ommeer uren te werken, om de krapte op de arbeidsmarkt te verminderen.Het kabinet is echter geen voorstander van een arbeidskorting op basisvan gewerkte uren om dit doel te behalen, omdat een dergelijk voorstelwat ons betreft veel problemen kent. Het is ongericht, juridisch onzeker,niet goed handhaafbaar voor de Belastingdienst en complex voor burgers.Binnen de fiscaliteit zou een algehele herziening van de belastingen entoeslagen uitkomst kunnen bieden door de marginale druk verder teverminderen, zodat werken meer loont. Dat is de reactie op de vraag.Misschien kan ik daar nog wat aan toevoegen. Ik zie mevrouw Van Dijkenigszins ... Ik proef een vervolgvraag zonder dat ze die uitspreekt.De voorzitter:Dan ga ik eerst even naar de heer Oosterhuis.De heer Oosterhuis (D66):Misschien moet ik die vervolgvraag dan maar stellen. Ik ben eigenlijk bestwel gecharmeerd van het idee van mevrouw Inge van Dijk. Misschien kande Staatssecretaris in de tweede termijn iets meer zeggen over waar dandie problemen zitten, ook de juridische problemen. Bijvoorbeeld tenaanzien van het minimumloon zijn we een aantal jaar geleden naar eenminimumloon per uur gegaan. Ik zou me ook kunnen voorstellen dat erwel wat aanknopingspunten zijn om toch ook naar een arbeidskorting pergewerkt uur te kijken. Misschien kan de Staatssecretaris daar in de tweedetermijn nog iets meer over zeggen.Staatssecretaris Heijnen:Zal ik proberen om dat nu al te doen?De heer Oosterhuis (D66):Dat mag ook.Staatssecretaris Heijnen:Arbeidskorting naar gewerkte uren is juridisch onzeker, omdat er eenonderscheid ontstaat op basis van arbeidsduur. Het zou niet zo moetenzijn, maar indirect kan dat ook leiden tot een ongelijke behandeling tussenmannen en vrouwen. Dit onderscheid is alleen gerechtvaardigd als er eenhele goede reden voor is. Daarnaast, zeg ik in antwoord op de vragen, zijnde uitvoeringslasten en administratieve lasten van dit voorstel heel hoog,omdat gewerkte uren door de Belastingdienst niet goed te controlerenzijn. Er is namelijk geen contra-informatie beschikbaar. Tot slot denken wijdat de complexiteit en de onzekerheid voor burgers toenemen. Het aantalgewerkte uren wordt dan een extra factor die invloed heeft op hoeveeliemand netto overhoudt.De voorzitter:Er is toch nog een vervolgvraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11511 Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Zou u in willen gaan op de ongelijke behandeling tussen mannen envrouwen? Wat bedoelt u daarmee?Staatssecretaris Heijnen:Zeker. Wat ik daarmee bedoel is dat je op dit moment ziet dat veelvrouwen – ook mannen, maar meer vrouwen – in deeltijd werken, dusminder uren werken en dus wellicht minder arbeidskorting ontvangen.De voorzitter:De heer Oosterhuis neemt het weer over.De heer Oosterhuis (D66):Ik ben wel benieuwd waarom dat wel een probleem is bij een arbeids-korting per uur, terwijl dat niet een probleem zou zijn bij een arbeids-korting per euro salaris. Daarvoor geldt toch hetzelfde, dat vrouwen meteen deeltijdbaan in de regel wat minder verdienen dan mannen met eenfulltimebaan? Ook nu hebben we dan dat onderscheid in de arbeids-korting.Staatssecretaris Heijnen:Dat klopt, maar de hoogte van het inkomen kan voldoende zijn om dearbeidskorting volledig te ontvangen, ook bij minder gewerkte uren – dathangt af van de baan die ingevuld wordt – terwijl dat bij gewerkte urendan gelijk effect heeft.Dan ga ik naar een vraag van de heer Stultiens. Hij vraagt waarom hetkabinet ervoor gekozen heeft de extra structurele kosten van de compen-satie – we hebben ’m net behandeld – van de buffelboete te latenneerslaan in het tarief eerste schijf. Ik had dat al aangegeven, maarnogmaals: daar is voor gekozen om de dekking zo goed mogelijk aan telaten sluiten bij de budgettaire derving. Zoals toegezegd zal ik daar in detweede termijn nog op terugkomen.Dat waren mijn antwoorden op de vragen over inkomensbeleid. Als u hetgoedvindt, ga ik nu over naar de vragen over box 3. Er zijn veel vragengesteld over de maatregelen in box 3, namelijk over de verhoging van hetforfait en de verlaging van het heffingsvrije vermogen. Zoals bekend is ereen flinke dekkingsopgave in box 3 van ruim 2 miljard: 2,55 miljard. Datkomt vooral doordat de invoering van het nieuwe stelsel een jaar isuitgesteld. Het kabinet vindt het, net als de Kamer, denk ik, belangrijk datdeze derving conform de begrotingsregels wordt gedekt. Zo wordt derekening niet doorgeschoven. Daarom heeft het kabinet een voorstelgedaan voor dekking binnen hetzelfde domein in box 3. Ik zal bij debeantwoording van de vragen nader ingaan op de feitelijke onderbouwinghiervan. Tegelijkertijd begrijp ik de bezwaren die worden genoemd tegendeze maatregelen wel heel goed. Als er vanuit uw Kamer voorstellen zijnvoor amendementen met een alternatieve dekking, dan zal het kabinetdaar welwillend naar kijken.Dan kom ik bij de concrete vragen. Ik begin met de vragen van mevrouwVan Dijk en de heer Vermeer. Zij vragen zich af of de ramingen voor dehersteloperatie box 3 nog up-to-date zijn en of de verhoging van hetforfait echt wel nodig is. De heer Vermeer, dacht ik, vroeg: wat zijn degevolgen van de recente verkoopgolven van huurwoningen op degeraamde opbrengst van box 3? Kan de raming worden vergeleken metde realisatie van de tot nu ingediende tegenbewijzen? De raming isvastgesteld bij het indienen van het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregelingen is door het CPB positief beoordeeld op redelijkheid en neutraliteit. Derendementen in de toekomst zijn echter nog onbekend. Er zijn, zoalsbekend, diverse ontwikkelingen die daar invloed op hebben. De raminggeeft wat ons betreft de beste inschatting van deze effecten, ook op ditmoment. Mochten realisaties lager of hoger uitvallen, dan heeft dit geenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11512 effect op het inkomenskader, zoals ook bekend is. Eventuele mee- oftegenvallers lopen in het saldo.Dan concreet over het aantal tegenbewijzen die inmiddels zijn ingediend:dat zijn er tot op heden ruim 300.000. De Belastingdienst is onlangsbegonnen met het stapsgewijs behandelen van de tegenbewijzen, maar eris op dit moment nog geen zicht op het bedrag dat wordt teruggevraagdof zal worden uitgekeerd. We hopen daar begin volgend jaar op terug tekunnen komen.Dan een vraag over het forfait van de heer ...Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dit is wel een punt dat voor velen van ons in de Kamer echt een dingetjeis. We hebben hier in de eerdere behandeling continu op gehamerd. Hetzijn er al 300.000 en er zijn echt al een aantal tegenbewijzen behandeld. Erzal toch wel een eerste gevoel zijn? Wat zien jullie? Wat zijn de signalen?U kunt de Kamer toch wel een beeld geven van wat jullie op dit momentzien?Staatssecretaris Heijnen:Dat is een bekende vraag, want die heb ik ook gesteld toen ik een aantalweken geleden begon. Ik heb toen een discussie gehad met de collega’svan analyse en zij gaven aan dat ze op dit moment geen indicatie hebbendat het bedrag veel te hoog zou zijn. Sterker nog: de eerste signalen uit2025 geven hun niet de indruk dat er een bijstelling zou moeten plaats-vinden. Ik heb er echt – dat moet u geloven – op doorgedrukt, maar op ditmoment kan ik daar helaas niet meer over zeggen.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik ben zelf even kwijt welke jaren nu aan het binnenkomen zijn. Dat gaatnatuurlijk gefaseerd. Je krijgt een uitnodiging om dat formulier te kunneninvullen. Ik snap dat je het hebt over ... Dan moet ik natuurlijk wel hetgoede voorbeeld nemen, waarvan we met ons allen weten dat daarwaarschijnlijk heel veel tegenbewijzen op gaan komen. Er zijn natuurlijkjaren geweest waarin de rendementen laag waren, zeer laag zelfs, maarde vastgoedprijzen wel doorstegen. Dat zou het jaar zijn waarin dehoogste bedragen, zal ik maar zeggen, aan tegenbewijzen ingediendzouden kunnen worden. Welke jaren betreft dit en klopt dat dan met datbeeld?Staatssecretaris Heijnen:Ik herken de vraag. Mevrouw Van Eijk zal wellicht doelen op het slechtebeursjaar 2022, waarbij er minder met tegenbewijs zal worden gedaan. Ikheb begrepen dat de oudere jaren als eerste binnenkomen. Het precisie-overzicht moet ik op dit moment nog schuldig blijven. Ik zou willen vragenof ik daar in de tweede termijn op mag terugkomen.Dan ga ik naar een vraag van de heer Stoffer. Hij geeft aan dat het forfaitaltijd berekend werd op basis van feitelijke informatie en hij vroeg zich afof het forfaitaire rendementspercentage verder kan stijgen als er weergeld nodig is. Dat was, heel kort, uw vraag, denk ik. Er is nog steedssprake van een feitelijke onderbouwing van het forfait dat gebaseerd is opeen meerjarig gemiddeld rendement op onroerende zaken, aandelen enobligaties. Voor onroerende zaken is tot nu toe aangenomen dat deontwikkeling van de huizenprijzen een goed beeld geeft van het totalerendement. Zoals bekend, wordt er op dit moment bij het berekenen vanhet forfait geen rekening gehouden met huurinkomsten en voordelendoor eigen gebruik. Ook dat soort inkomsten horen volgens de uitspraakvan de Hoge Raad wel thuis in box 3 en horen dus meegenomen teworden. Hiermee wordt ook een budgettaire dekking geleverd voor dederving die is ontstaan in box 3. Maar het antwoord op de vraag van deheer Stoffer is: het forfait is, wat ons betreft, geen knop waar zomaar aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11513 gedraaid kan worden. Een verdere verhoging is niet mogelijk, omdat deonderbouwing daarvoor ontbreekt.De heer Stoffer (SGP):We komen hier wellicht plenair nog op terug, maar gaat de Staatssecre-taris nog specifiek in op pachtcontracten? Want daarbij kun je überhauptniet meer dan 2% halen, wat natuurlijk totaal niet in relatie staat tot die7,78%. Komt dat antwoord nog? Of gaat hij daar nu naar aanleiding vanmijn vraag op in?Staatssecretaris Heijnen:Ik had dat niet voorbereid. Ik wil daar best op ingaan. Mijn eerste reactieis: als het werkelijk rendement lager is dan het forfaitair rendement, kan ernatuurlijk via de Wet tegenbewijsregeling box 3 om een verlaging van deaanslag worden gevraagd. Is dat wat de heer Stoffer bedoelt?De heer Stoffer (SGP):Dat zou natuurlijk een route kunnen zijn, maar wel een wat omslachtige.Maar bij pachtcontracten is helder dat je wettelijk gezien niet meerrendement haalt dan 2%. Dat zou dus kunnen via deze omslachtige route.Maar als nu wordt gezegd door de Staatssecretaris dat je dat in allegevallen terugkrijgt ... Dat vermengt zich wellicht met andere zaken die jehebt. Stel dat iemand agrarische grond heeft en pachtcontracten uitzet enook wat aanlevert enzovoorts. Met dat deel wat je aan agrarische grondhebt, sta je natuurlijk altijd achter. Ik kan me niet voorstellen dat eenBBB-staatssecretaris de landbouw daar niet in tegemoet zou willenkomen. Ik zou dus eigenlijk graag zien dat daar een uitzondering voorgemaakt wordt, of dat daarnaar gekeken wordt. Hier zit wel een stukonrechtvaardigheid in. Ik denk ook: met betrekking tot de landbouw envoedselzekerheid moeten we dit zo niet laten bestaan. Ik snap goed dathet zou kunnen. Als je alleen maar landbouwgrond hebt, zou het goedkunnen komen met zo’n tegenbewijsregeling. Maar als je ook nog ietsanders hebt in box 3, zoals een vakantiehuis of wat aandelen, dan wordtdat bij elkaar opgeteld en zakt dat weg. Dat zorgt er natuurlijk voor datlandbouwgronden gewoon totaal oninteressant worden. Als we nietuitkijken, gaat dat niet goed. Daar maak ik me grote zorgen over.Staatssecretaris Heijnen:Ik dank de heer Stoffer voor de toelichting. U zegt eigenlijk: ik had hetalleen over pachtgronden, maar het werkelijk rendement moet over hettotaal berekend worden. Dat is eigenlijk wat u zegt. Het kan best zo zijn datop de andere vermogensbestanddelen dusdanig hoge rendementenworden gerekend dat er de facto geen rekening wordt gehouden met eenlager rendement op pachtgrond. Ik denk dat dat de vraag is van de heerStoffer. Op dit moment is daar helaas niet in voorzien. Wij denken dat hetheel bewerkelijk en lastig uitvoerbaar wordt om daar specifiek eenuitzondering of een bepaling voor op te nemen.De voorzitter:Ik zie wat geknik, maar ik zie geen handen de lucht in gaan. U kuntverdergaan met uw betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan kom ik bij een vraag van de heer Vlottes. Hij vroeg mij of deverhoging van het forfait voor overige bezittingen stand zal houden bij derechter. Laat ik aangeven: het kabinet ziet geen risico op schending vanhet eigendomsrecht. Met de voorgestelde aanpassing komt het huidigerendementsbegrip in box 3 beter tot uitdrukking in de berekeningswijzevan het forfait. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Dieheeft geoordeeld dat ook huurinkomsten en voordelen als gevolg vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11514 eigen gebruik tot het rendementsbegrip in box 3 horen. Belastingplich-tigen met een lager werkelijk rendement kunnen tegenbewijs leveren. Zijbetalen dan alleen belasting over het lagere werkelijk rendement. Metandere woorden: wij zijn van mening dat die verhoging zal standhoudenbij de rechter.De heer Vlottes vroeg ook of invoering van kostenaftrek in de tegenbe-wijsregeling verzachtend had kunnen werken. Bij de behandeling van deWet tegenbewijsregeling box 3 is aangegeven dat het toevoegen vankosten zal zorgen voor een budgettaire derving in 2026 en 2027 vancumulatief 1,1 miljard. Daarnaast zou dit zorgen voor vertraging bij hetbieden van rechtsherstel en voor verdere vertraging na 1 januari 2028 vande inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3. Dat zou weertot een aanvullende budgettaire derving leiden. Bij de behandeling van deWet tegenbewijsregeling box 3 is door uw Kamer een amendement omkostenaftrek in te voeren verworpen. Ik begrijp echter heel goed datbelastingplichtigen in box 3, met name de belastingplichtigen metvastgoed, het ontbreken van de kostenaftrek als klemmend ervaren. Wijstreven er daarom ook naar om zo snel mogelijk, per 1 januari 2028, hetnieuwe stelsel box 3 in te voeren, waarin die kostenaftrek wel mogelijk is.Dan vraagt de heer Vlottes naar de inschatting dat het aantal tegenbe-wijzen met 40% zal stijgen, als gevolg van het verhogen van het forfait, enof hierdoor de invoering van het nieuwe stelsel per 2028 in gevaar komt.Hij vraagt ook of het mogelijk is om de herijking van de uitvoeringstoetsvan de tegenbewijsregeling naar voren te halen. Ook mevrouw Van Dijkvraagt wat de gevolgen zijn van die ingeschatte tegenbewijzenstijging van40% voor de invoering van het nieuwe stelsel. Een hoger aantal tegenbe-wijzen onder de Wet tegenbewijsregeling box 3 leidt er niet toe dat de Wetwerkelijk rendement box 3 later kan worden ingevoerd. Daar hebben werekening mee gehouden. Invoering van de wet per 1 januari 2028 ismogelijk, indien het wetsvoorstel uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomendoor uw Kamer. Verder is het uiteraard van belang dat er niet totingrijpende wijzigingen van het wetsvoorstel wordt besloten die deinvoering zouden kunnen vertragen, en dat er geen andere prioriteitenworden gesteld die additionele IV-capaciteit van de Belastingdienstvragen.Er werd gevraagd naar de herijking van de uitvoeringstoets Wet tegenbe-wijsregeling. Die staat gepland in het eerste kwartaal van 2026, omdat dathet eerste moment is dat er relevante gegevens zijn voor deze herijking.Het eerder uitvoeren van de herijking, waar ook naar werd gevraagd, zorgter niet voor dat risico’s eerder in beeld kunnen worden gebracht. Wat onsbetreft leidt het eerder laten plaatsvinden van deze herijking totonbetrouwbare resultaten.Dan kom ik op het idee van de heer Grinwis – hij is er nu helaas niet – omde verlaging van het heffingsvrij vermogen en de verhoging van hetforfait ...De voorzitter:Voordat u naar dat idee gaat, is er nog een vraag van de heer Vlottes.De heer Vlottes (PVV):Wellicht dat de Staatssecretaris het vergeten is, maar ik had ook noggevraagd waar die 40% op gebaseerd is, wat voor gevolgen het heeft alshet bijvoorbeeld 45% of 50% zou zijn, en wat voor gevolgen dat dan heeftvoor de IV-capaciteit.Staatssecretaris Heijnen:Die 40% is een inschatting op basis van de ervaring en de kennis vanuit degegevens van de Belastingdienst. We gaan ervan uit dat het 40% is. Hetkan meer of minder worden, maar dat zou geen gevolgen moeten hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11515 We gaan er niet van uit dat het 60% wordt. Maar 45% of een lichteverhoging zou geen gevolgen moeten hebben voor de invoering.Dan ga ik verder met de vraag van de heer Grinwis, die voorstelde om deverlaging van het heffingsvrij vermogen en de verhoging van het forfaitterug te draaien. Dit zou dan gedekt worden door een versnelde afbouwvan de wet-Hillen, waarmee alternatieve dekking zou kunnen wordenvoorzien. Het voorstel in box 3 zou, zoals bekend, leiden tot een budget-taire derving van ruim 1,2 miljard jaar per jaar, voor ’26 en ’27. Hetversneld afbouwen van de wet-Hillen levert in deze beide jaren nietgenoeg op om deze derving volledig te dekken. Het volledig afbouwenvan de wet-Hillen per 2026 is voor de Belastingdienst ook niet uitvoerbaar.We zouden wel per 2026 het aftrekpercentage kunnen verlagen naarbijvoorbeeld 3,33%. Dat is de laatste stap in het volledige afbouwpad. Datlevert 636 miljoen op in 2026 en 664 miljoen in 2027. Het verlagen van hetaftrekpercentage naar 3,33% betreft namelijk alleen een parameterwij-ziging, die de Belastingdienst kan uitvoeren.Dan wellicht een opmerking ten overvloede. De budgettaire opbrengstvan de afschaffing van de wet-Hillen loopt door tot 2047, maar volgens debegrotingsregels zou het voorstel om dat heffingsvrije vermogen teverhogen en met 1,78% te verlagen binnen hetzelfde jaar gedekt moetenworden. In die zin is er geen sprake van een goede, verantwoordedekking.De heer Vermeer (BBB):Die bedragen klinken natuurlijk heel abstract, want dat zijn bedragen voorde begroting. Kan in de tweede termijn of ergens schriftelijk vandaag deimpact op verschillende huishoudens gegeven worden?Staatssecretaris Heijnen:Misschien kan ik daar al een begin mee maken. Het versneld afbouwenvan de wet-Hillen raakt met name huisbezitters die hun hypotheek bijnahebben afgelost; misschien doelt de heer Vermeer daarop. Over hetalgemeen zijn dat vaak de ouderen. Mensen die hun hypotheek nagenoeghebben afgelost, worden natuurlijk extra, onevenredig hard geraakt doorhet versnellen van die afbouw.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Vermeer.De heer Vermeer (BBB):Dit gaat over de groep die het betreft. Ik wil dan graag iets horen overhoeveel het die huishoudens per maand kost.Staatssecretaris Heijnen:Helder. Daar kom ik op terug.Dan heb ik, voor zover ik ...De voorzitter:Ik zag nog een hand van mevrouw Van Eijk? Of niet meer?Mevrouw Van Eijk (VVD):Ja. Die bedragen en die percentages komen nu best wel snel voorbij, endat is nou net het stuk informatie dat ik graag had gezien in de brief diewe gisteravond hebben gekregen. Wellicht komt het nog terug bij deschriftelijke appreciatie van de amendementen, want dit is wel informatiedie relevant is voor ons, ook om die gewoon even vast te kunnen pakken.En die komt nu gewoon voorbij, dus misschien kan er daarin noggefaciliteerd worden.Staatssecretaris Heijnen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11516 Dat zullen wij doen, uiteraard.Dan ga ik, met uw goedvinden, voorzitter, naar de het blokje klimaat enenergie. Ik wilde beginnen met de pseudo-eindheffing voor fossieleauto’s. Daar is afgelopen maandag ook uitgebreid bij stilgestaan. Laat ikmet een korte introductie beginnen en daarna op de diverse vragen vanuw leden ingaan. Ik denk, en daar zijn we het met z’n allen over eens, datwe voor de grote opgave staan om het wagenpark te verduurzamen. Datis niet alleen goed voor het klimaat, maar vermindert ook de afhanke-lijkheid van fossiele brandstoffen uit andere delen van de wereld. Het isook zo dat een groot deel van de nieuwe personenauto’s in de zakelijkemarkt wordt verkocht. Het versnellen van het aantal zakelijke elektrischeauto’s is daarom, zo denken wij, een goede manier om het wagenpark teverduurzamen, ook omdat de huidige leaseauto’s uiteindelijk als tweede-handsauto’s bij particulieren terechtkomen, ook in Nederland. Ik wil ertoch nog een keer op wijzen dat het momenteel voor de werkgever evenduur is, of misschien zelfs goedkoper, om een zakelijke elektrischeleaseauto aan te bieden in plaats van een fossiele auto. Het kabinet steltdaarom via een pseudo-eindheffing een norm – dus geen belasting-heffing, maar een norm – waarmee werkgevers vanaf 2027 in principealleen nog elektrische auto’s voor privédoeleinden ter beschikking stellenaan werknemers.Zoals ik al zei, er zijn hierover heel veel vragen gesteld. Die wil ik inblokjes beantwoorden, en wel langs de volgende blokjes: alternatievenvoor de pseudo-eindheffing, handelingsperspectief voor werkgevers,uitwijkmogelijkheden, administratieve lasten en de mogelijkheden voorflankerend beleid.Ik begin met de alternatieve beleidsopties. Mevrouw Van Dijk en de heerHoogeveen vroegen daarnaar: zijn er echt geen eenvoudigere alterna-tieven? En hoe kijk ik naar het doortrekken van de bijtellingskorting voorelektrische auto’s of bijvoorbeeld een subsidie op de aanschaf vanelektrische auto’s? De heer Hoogeveen vroeg ook nog of er is overwogenom de transitie op een minder dwingende manier te stimuleren, bijvoor-beeld via positieve prikkels in plaats van een sanctie. Om extraCO2-reductie te realiseren, wil het kabinet de ingroei van emissievrijepersonenauto’s op de zakelijke markt versnellen. Er zijn geen eenvou-digere alternatieven. Ik verwijs ook naar de alternatieven die wordengenoemd in de nota naar aanleiding van het verslag. Wij hebben dieonderzocht, maar wij kwamen tot de conclusie dat dit het beste en meesteenvoudige alternatief is. Het is in ieder geval de meest effectieve manierom de ingroei van emissievrije personenauto’s te versnellen. Het klopt: inde laatste jaren heeft in het beleid hiervoor de nadruk gelegen opsubsidies, bijvoorbeeld via een korting in de bijtelling. Het kabinet kiest nuprimair voor minder vrijblijvend beleid, ook omdat de prijzen vanelektrische personenauto’s inmiddels zijn gedaald. Dat wil niet zeggen datik de vraag om een nieuwe bijtellingskorting niet begrijp. Ook de heerGrinwis, nu niet aanwezig, heeft hiernaar gevraagd. Ik kom hier onder hetkopje flankerend beleid op terug.De heer Vlottes vroeg mij het volgende. Het opnemen van een lagerbijtellingspercentage is vanuit budgettaire redenen niet gedaan. Dat klopt;het kost geld. Maar de reden voor de pseudo-eindheffing was dus nietbudgettair. Wat is het dan? Is het een budgettaire regel of niet? Heb ik devraag zo een beetje goed begrepen? De pseudo-eindheffing wordtinderdaad niet om budgettaire redenen voorgesteld, maar om ervoor tezorgen dat het zakelijke wagenpark zo snel mogelijk elektrisch wordt. Voorflankerend beleid, zoals een nieuwe korting in de bijtelling, is echter wélbudgettaire dekking nodig. Ik heb in het wetgevingsoverleg partijengehoord die nadachten over flankerend beleid. Ook op dit punt staat hetkabinet open voor suggesties, mits uiteraard netjes gedekt.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11517 Het gaat hier in het debat vaak over budgettaire dekking. Dat snap ik.Maar er is natuurlijk ook gewoon sprake van klimaatdekking. We hebbennamelijk doelen met elkaar afgesproken. Die worden nu niet of nauwelijksgehaald. Als partijen hier plannen indienen die ons verder van de doelenbrengen, zou ik verwachten dat je als partij ook moet aangeven hoe je deklimaatdoelen of de elektrischeautodoelen dan gaat halen. Deelt deStaatssecretaris de opvatting dat een dekking breder is dan alleen eenbudgettaire dekking en ook moet gaan over het halen van klimaatdoelen?Staatssecretaris Heijnen:Ik denk dat het belangrijk is dat de klimaatdoelen gehaald worden; dat benik met de heer Stultiens eens. Dat moet wel gebeuren binnen de reëlemogelijkheden. U heeft het over flankerend beleid dat ertoe zou moetenleiden dat er wellicht nog meer elektrisch gereden wordt, en ik zie daarinwel een parallel met de budgettaire dekking. Als flankerend beleid ernamelijk toe zou leiden dat er uiteindelijk nog meer elektrisch wordtgereden, denk ik dat dat ook ten gunste komt van de klimaatdoelen.Dan ga ik door met een vraag van de heer Stultiens. Ook mevrouw VanDijk vroeg daarnaar.De voorzitter:Op dit punt had mevrouw Van Dijk ook nog een vraag.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Ik zit toch nog even te kauwen op die alternatieven. Het is namelijk ookeen beetje mijn missie om te vereenvoudigen, zal ik maar zeggen. Ik hebwel zitten denken. Het doel is CO2-uitstoot te verminderen. De Staatsse-cretaris geeft aan: elektrisch rijden is in principe al goedkoper. Duseigenlijk, heel plat: een ondernemer zou wel gek zijn als hij een anderekeuze maakt. Als je nou zou kiezen voor flankerend beleid plus bijvoor-beeld in 2030 of 2031 een verbod, zouden dan de CO2-doelen dichterbijkomen of verder weg raken? Volgens mij heb je dan een simpelalternatief.Staatssecretaris Heijnen:Alweer: ik wilde daar net op ingaan. Dat was namelijk een van uw vragenvan afgelopen maandag. Dat was ook een vraag van de heer Stultiens:waarom niet simpelweg een verbod, al dan niet gecombineerd metandere maatregelen? Wij hebben ook gekeken naar een wettelijk verbod,maar dat bleek naar onze inschatting niet mogelijk vanwege regels overde Europese interne markt. Dat is met name de reden waarom wij denkendat een verbod juridisch niet houdbaar zal zijn, even los van de vraag of jehet zou moeten willen.Dan ga ik naar een vraag van de heer Hoogeveen. Zou het het overwegenwaard zijn om hybride- of plug-inhybrideauto’s mee te nemen in deuitzondering? Is hier onderzoek naar gedaan? Zoals gezegd: het doel vande pseudo-eindheffing is om het halen van de klimaatdoelen dichterbij tebrengen en ons minder afhankelijk te maken van fossiele brandstoffen. Depseudo-eindheffing zorgt er bovendien voor dat er straks betaalbaretweedehands elektrische auto’s zijn, omdat de huidige leaseauto’suiteindelijk als tweedehandsauto terechtkomen bij particulieren. In depraktijk zijn de voordelen van een plug-inhybrideauto beperkt en sterkafhankelijk van hoe de auto wordt gebruikt. We verwijzen daarbij ook naareen onderzoek van onder andere TNO. Het kabinet heeft er daarombewust voor gekozen om alleen volledig elektrische auto’s buiten depseudo-eindheffing te houden.Dan ga ik naar een volgende vraag van de heer Hoogeveen: waarom iservoor gekozen om de heffing bij de werkgever te leggen, terwijl defeitelijke keuze in veel gevallen bij de werknemer ligt? Hoe effectief achtde Staatssecretaris deze maatregel dan nog? Ook hierin kiest het kabinetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11518 bewust voor het opleggen van een heffing aan de werkgever. Dewerkgever kan namelijk in eerste instantie bepalen welke personenauto’shij ter beschikking stelt aan zijn werknemers voor privégebruik. Dewerknemer kan vervolgens kiezen uit de opties die de werkgever biedt.Dat is dus de reden.Dan ga ik naar een vraag van de heer Stoffer. De komende jaren kost demaatregel zo’n 700 miljoen euro en structureel 43 miljoen euro. De heerStoffer vroeg mij of die honderden miljoenen niet op een efficiënteremanier zijn in te zetten, bijvoorbeeld door werkgevers financieel testimuleren en te helpen hun wagenpark te elektrificeren, in plaats van huneen extra belasting op te leggen. Om de overstap naar een volledigemissievrij wagenpark te maken vinden wij het belangrijk dat het beleidminder vrijblijvend wordt. Een verbod vinden wij te ver gaan, maar eenpseudo-eindheffing vinden wij een goed alternatief.Nieuwe elektrische auto’s kunnen bovendien qua functionaliteit inmiddelsconcurreren met vergelijkbare fossiele auto’s, terwijl dit een aantal jarengeleden zeker nog niet het geval was. Het kabinet vindt het daarom nu tijdom een norm te stellen voor werkgevers. De pseudo-eindheffing zelflevert geld op omdat het kabinet verwacht dat een klein deel van dewerkgevers de fossiele auto zal blijven aanbieden.Aanvullend: voor 2026 is het ook belangrijk voor het EMU-saldo, want wezitten daar al dicht tegen de 3% en de ingeboekte opbrengst, het anticipe-rende effect in 2026, is circa 200 miljoen. Door de extra ingroei van deelektrische auto in het wagenpark neemt, zoals bekend, ook de grondsla-gerosie in de brandstofaccijnzen en de bpm toe. Per saldo leidt demaatregel daardoor tot een structurele derving. Wij denken echter dat eensubsidiemaatregel veel duurder zou zijn, omdat die dan boven op degrondslagerosie komt, omdat de overheid een extra subsidie zou moetengeven en daar geen extra inkomsten tegenover staan. Het kabinet is danook van mening dat de norm die het kabinet met deze maatregel stelt, demeest efficiënte manier is om elektrificatie van het wagenpark testimuleren.Dan kom ik bij een vraag van de heer Vlottes. Hij geeft aan ...De voorzitter:Voor die tijd ga ik nog even naar de heer Stoffer.De heer Stoffer (SGP):Ik begrijp dat de Staatssecretaris wat positiever is over het eindresultaatdat hij verwacht dan ik. Ik had nog een paar extra vragen. Eén. Ziet deStaatssecretaris ook dat hierdoor best een administratieve last bijwerkgevers komt te liggen, vooral bij de kleinere? Ik had gevraagd hoe dieworden ondersteund.Twee. Ziet hij ook het risico dat werkgevers gaan denken: ik ga ditallemaal niet doen; die werknemer schaft zelf maar een auto aan en ikzorg wel voor een goede reiskostenvergoeding, dan zijn we er veelmakkelijker vanaf? Als je niet uitkijkt, krijg je daarmee straks het effect datmensen vervuilendere auto’s kopen dan de elektrische auto’s waarvan deStaatssecretaris denkt dat ze er gaan komen.Daarnaast heb ik nog een aanvullende vraag. Die zat niet in mijn bijdrage,maar kwam naar boven naar aanleiding van een antwoord op een vraagvan een van de collega’s. De Staatssecretaris zegt dat tweedehandsauto’sin Nederland achterblijven en terechtkomen op de private markt. Over hetalgemeen zijn die auto’s nogal duur in verhouding tot een auto die opfossiele brandstof rijdt. Het effect in de afgelopen jaren is steeds geweestdat alles altijd weglekt naar de landen om ons heen, die een stimulerings-maatregel hebben om mensen aan zo’n tweedehands elektrische auto tehelpen. In Nederland hebben we die nu niet echt. Zou de Staatssecretariswellicht kunnen ingaan op die drie dingen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11519 Staatssecretaris Heijnen:Zeker. Ik wilde daar later op ingaan, onder het kopje dat ik daarvoor hebgenoemd. Als de heer Stoffer het goedvindt, wil ik de vraag even parkerenen er later op terugkomen.Dan ga ik naar een vraag van de heer Vlottes: «Het doel lijkt de middelente heiligen. De pseudo-eindheffing gaat ten koste van werknemers enwerkgevers. Is het een idee om de pseudo-eindheffing simpelweg niet inte voeren en alvast een begin te maken met de vereenvoudiging van hetbelastingstelsel?» Ik zei het al, voor een werkgever is het even duur ofzelfs goedkoper om een elektrische zakelijke leaseauto aan te bieden inplaats van een fossiele auto. Ik deel de analyse van de heer Vlottes danook niet. Tegelijkertijd zijn op dit moment veel nieuwe zakelijke lease-auto’s nog niet elektrisch. Zonder pseudo-eindheffing wordt verwacht datgemiddeld 83% van alle nieuwe zakelijke auto’s volledig elektrisch zal zijnin 2030 en met pseudo-eindheffing wordt verwacht dat dit gemiddeldestijgt naar 95%. Dat is met name de reden waarom het kabinet beslotenheeft om de norm te stellen dat per 2027 alle nieuwe, voor privégebruikter beschikking gestelde auto’s volledig elektrisch moeten zijn.Uitwijkmogelijkheden: een van de vragen van de heer Stoffer, maarmevrouw Van Dijk, de heer Oosterhuis, de heer Grinwis en de heer Vlottesvroegen er ook naar. Hoe effectief is de maatregel? De heer Stoffer gaf hetnet aan: het wordt aantrekkelijker om een mobiliteitsbudget te gevenwaarmee de werknemer vervolgens zelf een goedkopere fossiele autoaanschaft, of een onbelaste reiskostenvergoeding en een minder zuinigetweedehandsauto. Het kabinet heeft uitwijkopties en de hieraan gerela-teerde gevolgen nader in kaart laten brengen. Uit een kwantitatieveanalyse blijkt in ieder geval dat het voor een werkgever veel duurder isom via een mobiliteitsbudget, gecombineerd met een onbelaste reiskos-tenvergoeding, de werknemer een soortgelijke nieuwe auto privé te latenaanschaffen. Voor de werkgever is het wel goedkoper om een onbelastereiskostenvergoeding te verstrekken dan een zakelijke leaseauto terbeschikking te stellen. De werknemer daarentegen is met een onbelastereiskostenvergoeding veel duurder uit als hij of zij zelf een nieuwevergelijkbare auto zou moeten kopen. Vanwege deze kostenverschillenacht het kabinet het niet plausibel dat dergelijke uitwijkeffecten op groteschaal gaan plaatsvinden.De heer Stoffer (SGP):De Staatssecretaris gaf straks aan waar hij vandaan komt, namelijk uitLimburg. Volgens mij hij kent hij dus gewone mensen. Hij weet net zogoed als ik en ook de heer Vermeer – wij komen uit Uddel en Elspeet – watmensen gaan doen: die kopen gewoon een mooie auto van tien jaar oud,op diesel, en gaan daarmee rijden. Dat wordt het effect. Die gaan echt nietalsnog voor die nieuwe elektrische auto, die gewoon heel veel kost. Latenwe heel reëel zijn: de theorie klinkt mooi, maar de praktijk gaat gewoonanders zijn. Ziet de Staatssecretaris dat ook in?Staatssecretaris Heijnen:Het klopt dat ik uit Limburg kom. Maar we zien dat toch anders. De heerStoffer geeft al aan dat een werknemer ervoor zou kunnen kiezen eenoudere tweedehandsauto aan te schaffen. Het gaat dan inderdaad om eenauto die ongeveer tien jaar oud is. Dat zou kunnen, maar qua functiona-liteit is die absoluut niet vergelijkbaar met een nieuwe zakelijke leaseauto.Een nieuwe zakelijke leaseauto wordt bovendien vaak ingezet alsonderdeel van aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden. Hoewel deze uitwijk-mogelijkheid een risico is, verwacht het kabinet niet dat deze uitwijkmoge-lijkheid op grote schaal benut zal worden.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11520 Ik ga eerst even naar de heer Stoffer. Daarna heeft de heer Vermeer hierook nog een vraag over.De heer Stoffer (SGP):Als je gewoon je nuchtere verstand gebruikt, dan klinkt het allemaal mooi,maar straks zal het anders blijken te zijn; daar durf ik echt wel wat op tezetten. De een koopt een auto van tien jaar oud, de ander een auto vanvijf jaar oud. In theorie klinkt het allemaal mooi, maar het gaat gewoonniet werken. Ik geef het maar mee. Ik zou zeggen: kabinet, gebruik hetnuchtere verstand, kijk eens naar wat gewone mensen in het land gaandoen; die gewone mensen gaan gewoon een auto kopen waarvan zedenken «dit past me een beetje». En qua functionaliteit? Nou, doe mijmaar een BMW van tien jaar oud in plaats van heel veel nieuw spul dat nude markt op komt, want dat rijdt beter dan al dat nieuwe spul. Ik denk echtdat het een hele andere toer opgaat, dat mensen auto’s gaan importerenvanuit Duitsland. Je haalt daar de mooiste dingen, het rijdt geweldig envaak heeft het ook nog meer emotionele waarde. Dit gaat gebeuren. Ikgeef het maar mee aan het kabinet. Ik zou zeggen: heroverweeg het nogeens.De voorzitter:Na dit emotionele betoog over de BMW nu naar de heer Vermeer. Evenkijken wat voor emobetoog hij gaat houden over een bepaald automerk.De heer Vermeer (BBB):Ik ben ook net overgeschakeld van lease en private lease naar eigenautobezit. Ik heb zelfs een extra argument. Dat is dat die nieuwe auto’s bij1 kilometer snelheidsoverschrijding zo irritant beginnen te piepen dat jedat voor elke rit weer moet herstellen. Ik heb dus gezocht naar een autodie dat nog niet heeft. Zo zal ik voorlopig ook blijven rijden; wel elektrischin dit geval.Maar het proces dat de heer Stoffer hier net al beschreef, gaat er gewoontoe leiden dat mensen in plaats van in een nieuwe leaseauto met denieuwste technologie en laag brandstofverbruik, ook bij benzine en diesel,gaan rijden in een oudere benzine- of dieselauto, die ook nog zorgt voorminder CO2-reductie. Dus als dat al een doel zou zijn, dan gaat hier eenaverechts effect plaatsvinden, is mijn idee. We hebben dat hier al eerder indiverse debatten aan de orde gehad. Ik hoop toch echt dat er meergeïnvesteerd wordt in gedragspsychologen en dat er meer getest wordtop dit soort uitwijkeffecten. Ook hier weer geldt namelijk dat mensen erop een gegeven moment in hun hoofd en gevoelsmatig gewoon helemaalklaar mee zijn. Dan gaan ze niet meer rekenen en dan nemen ze gewoonhun maatregelen. Voor sommige gebieden zoals tabak kun je dat stavenmet de Laffercurve, die hier gisteren ook weer aan de orde geweest is, endat soort dingen. Maar wij schieten op dit moment zo ver door datmensen niet eens meer gaan rekenen en er gewoon klaar mee zijn. Ik zoudus nadrukkelijk aan de Staatssecretaris willen verzoeken om minderoptimistisch te zijn over beperkt uitwijkgedrag.De voorzitter:Dan gaan we naar de Staatssecretaris. Zo brengt het Belastingplan tochook nog wat inzicht in het persoonlijk leven van de Kamerleden, in desnelheid die de heer Vermeer altijd aanhoudt op de wegen en in devoorkeuren van de heer Stoffer. Maar nu eerst de Staatssecretaris nog.Staatssecretaris Heijnen:Naar de omvang van de uitwijk hebben diverse bureaus gekeken. Daarbaseren we ons op. Het kan natuurlijk in individuele gevallen voorkomendat er andere keuzes worden gemaakt, zoals de heer Vermeer aangeeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11521 Misschien ook als tip voor de heer Vermeer: die piepjes kun je uitzetten,hoor; dan moet je naar de instellingen.De voorzitter:Nu gaat het komen.De heer Vermeer (BBB):Ja, dat is een beetje uitlokking. Die piepjes kan je uitzetten, maar die moetje dan elke rit weer vooraf uitzetten, want anders heb je dikke kans dat jebinnen een paar honderd meter al de eerste piep hoort.De voorzitter:Ja, Staatssecretaris ...Staatssecretaris Heijnen:Maar ze kunnen uitgezet worden!De voorzitter:Oké.De heer Grinwis (ChristenUnie):Nu is de verleiding groot om allemaal persoonlijke ontboezemingen tedoen over hoe mooi het is om een diesel te hebben die meer dan1.000 kilometer vooruit kan en waar je geen omkijken naar hebt, ook vanandere merken dan de heer Stoffer noemt.De voorzitter:En u woont in Den Haag, meneer Grinwis?De heer Grinwis (ChristenUnie):Nee, nee! Het is hoe dan ook een serieus punt dat we de gedragsreactieniet helemaal kunnen inschatten. Ik zie ook het risico dat de heren Stofferen Vermeer schetsen; dat heb ik ook in mijn eerste termijn genoemd. Hetkan best tot een andere verhouding leiden. «Wij geven u als medewerkerdan wel een onbelaste reiskostenvergoeding en dan spelen we misschienwel iets met het brutoloon.» Dan krijg je andere gedragingen en die zittenniet allemaal in dat Revnextmodel en andere modellen die inschattingenhiervan proberen te maken. Feit is wel dat er de komende jaren steedsmeer betaalbare elektrische modellen op de markt komen. Dat gaat ooktot een gedragsreactie leiden. Maar wat dan mij frappeert, is dat er geenflankerend beleid meer in het Belastingplan zit. Er is wel een pseudo-eindheffing, maar datgene waaraan wel is gewerkt op het ministerie, isuiteindelijk niet in het Belastingplan geland. Dat snap ik niet. Dan ben jewel de straf aan het aankondigen, maar het alternatief, dat elektrischrijden een beetje aantrekkelijk moet houden, heb je er gewoon niet inzitten. Sterker, ik heb in mijn eerste termijn ook betoogd dat 22% bijtellingvoor een elektrische auto met gemiddeld genomen een hogere catalogus-waarde, de facto het zwaarder belasten van elektrisch rijden is tenopzichte van een fossiele auto in de bijtelling. Ik ben bezig, met behulpvan uw geweldige amendementenservice, om daar een mooiamendement van te maken. Maar vindt de Staatssecretaris dat zelf ookniet een gemiste kans?Staatssecretaris Heijnen:De heer Grinwis heeft die vraag inderdaad gesteld in de eerste termijn.Daar kom ik nog expliciet op terug. We staan uiteraard open voorsuggesties van de Kamer. Ik hoorde de heer Grinwis zeggen: «Ik zie wel destok, maar ik mis de wortel. Zou er ook niet een stukje wortel bij moetenzitten?» Daar kom ik nog op terug. De heer Grinwis kennende zal zijnamendement netjes gedekt zijn, dus daar staan wij welwillend tegenover.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11522 De heer Oosterhuis vroeg: hoe wordt de pseudo-eindheffing gehand-haafd? Ik kan aangeven dat dit via reguliere controles door de Belasting-dienst gaat gebeuren, waaronder, maar niet uitsluitend, via bedrijfsge-sprekken en boekenonderzoeken.Dan het kopje handelingsperspectief. De heren Hoogeveen en Vermeer enmevrouw Van Dijk vroegen daarnaar. De heer Hoogeveen zei dat veelbedrijven simpelweg niet in staat zijn om een volledig elektrischwagenpark te faciliteren. De heer Vermeer vroeg mij hoe ik aankijk tegennetcongestie. Mevrouw Van Dijk vroeg: worden de randvoorwaardenvoldoende meegenomen in de besluitvorming en stellen we realistischeeisen aan werkgevers om het door ons gewenste doel te behalen? Watgebeurt er als een werkgever aan een langer contract vastzit? Wordt hijdan geconfronteerd met de pseudo-eindheffing, zonder dat hij mogelijk-heden heeft om daarop te anticiperen? Ik denk dat ik dan de vragen overhet handelingsperspectief heb samengevat.Zoals aangegeven – dat is een herhaling van zetten – geldt voor depseudo-eindheffing een ruime overgangstermijn, die pas vervalt voorbestaande contracten vanaf 17 september 2030, waardoor bestaandecontracten nog vijf jaar zijn vrijgesteld. Daarbij komt dat de meesteleasecontracten voor Prinsjesdag al zijn afgesloten. Wij verwachten danook dat bestaande contracten die langer lopen dan vijf jaar allemaalbuiten de pseudo-eindheffing blijven.Wat de netcongestie betreft verwacht het kabinet dat er de komende jarenvoldoende laadpunten zijn voor het groeiende aantal elektrische auto’s.Met meer dan 1 miljoen laadpunten behoort het laadnetwerk in Nederlandtot de beste van Europa.Daarnaast wordt de actieradius van nieuwe elektrische auto’s steedsgroter. De heer Grinwis had het er al over, ook over zijn diesel. Denoodzaak tot vaak laden neemt daardoor af. Ook het aantal snelladersgroeit gestaag door. Nu zijn dat er al ruim 6.000. Deze trends verminderende noodzaak tot vaak laden, zeker als je wat dichter bij je werk woont.Hierdoor kunnen meer auto’s gebruikmaken van het bestaande netwerk.Ten slotte worden de meest gebruikte parkeerlaadpunten in Nederlandmiddels bestaande kleinverbruikersaansluitingen gerealiseerd. Ook hetPBL geeft in de KEV 2024 en 2025 aan dat de problematiek van netcon-gestie voor de ingroei van elektrische personenauto’s beperkt is. Wijverwachten dan ook dat hierdoor het aantal elektrische auto’s in dezakelijke markt snel toeneemt, maar wel op zo’n manier dat werkgeversvoldoende handelingsperspectief hebben.Dan ga ik naar het kopje administratieve lasten. De heer Oosterhuis enmevrouw Van Eijk vroegen daarnaar. «Kan de Staatssecretaris bevestigendat een werkgever die uitsluitend elektrische auto’s ter beschikking stelt,geen administratieve lasten heeft? Erkent hij dat de pseudo-eindheffing denalevingskosten voor werkgevers aanzienlijk verhoogt?» Er zijn geen extraadministratieve lasten als werkgevers zich aan de gestelde norm houdenen alleen nog elektrische personenauto’s aanbieden aan hun werknemers.Het kabinet is daarnaast juist voornemens om de regeldruk voor kleinereondernemers, voor het mkb, te verlagen. De verplichting om te rappor-teren over CO2-uitstoot uit werkgebonden reizen wil het kabinet namelijkpas laten gelden voor werkgevers met 250 of meer werknemers in plaatsvan 100 werknemers.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dat is volgens mij niet echt een antwoord op de vraag die gesteld is.Natuurlijk, wij snappen dat er geen extra administratieve lasten zijn op hetmoment dat een ondernemer doet wat het kabinet graag ziet. Het gaat omde gevallen waarin ondernemers om waarschijnlijk voor hen hele goederedenen een andere keuze maken.Staatssecretaris Heijnen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11523 Wij denken dus dat die groep zeer beperkt zal zijn. En ja, dat leidt tot depseudo-eindheffing, maar wij zijn van mening dat de extra administratievelasten daarvan in de loonheffing beperkt zijn. Wij denken dus dat hetbeperkt is.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik volg het betoog dat de administratieve lasten beperkt zijn en dat je opjaarbasis je aangifte loonheffingen kan doen, en anders regel je het in.Volgens mij is dat dus inderdaad niet zo ingewikkeld. Het gaat met nameom de werking van de regeling, de verschillende definities en deverschillende aanvangstijdstippen. Het gaat er ook om dat er gewoon heelveel dingen uit elkaar gaan lopen wat betreft het afdragen van deeindheffing via de loonbelasting en de loonheffingen enerzijds en hetverwerken, het administreren, van de fiscale bijtelling voor het privége-bruik van de auto anderzijds. Ik ben op zoek naar het antwoord op devraag hoe dat dan eenvoudiger kan, zodat iedereen begrijpt dat die regelsop elkaar aansluiten op het moment dat je een fossiele auto terbeschikking stelt voor privégebruik.Staatssecretaris Heijnen:Eigenlijk vraagt mevrouw Van Eijk of ik ruimte zie om de pseudo-eindheffing toe te passen – dat kan ik me herinneren – vanaf de maand naregistratie, net zoals de bijtelling. Allereerst gaat de bijtelling niet uit vanhet moment van registratie maar van de eerste dag van het gebruik doorde werknemer. Hier sluit het voorstel dan dus niet op aan. Door pas demaand na het eerste gebruik te heffen, vallen fossiele auto’s buiten deheffing. Dat geldt bijvoorbeeld voor een auto die voor drie weken wordtgeleased. Dat vind ik ongewenst en dat werkt misbruik in de hand. Tot slotdenken wij dat het geen administratievelastenverlichting is en dat hetalleen maar nieuwe complexiteit en vragen oproept. De pseudo-eindheffing wordt namelijk in de kern niet pro rata maar per maandtoegepast, terwijl de bijtelling wel pro rata wordt toegepast.Mevrouw Van Eijk (VVD):Maar het gaat er juist om dat we dat allemaal verschillend behandelen enbenaderen en dat daar wat meer consistentie in zou kunnen komen doorhet juist wel gelijk te trekken. Eerlijk gezegd lijkt mij de situatie in hetvoorbeeld dat de Staatssecretaris nu geeft, namelijk dat er een keeriemand voor drie weken een auto ter beschikking gesteld krijgt en dat weook dat laatste stukje nog moeten heffen, niet de bedoeling en niet hetdoel van de regeling zoals die nu geïntroduceerd wordt. Graag een reactievan de Staatssecretaris daarop.Staatssecretaris Heijnen:Wij zien toch grote verschillen tussen de pseudo-eindheffing en debijtelling, waardoor de administratieve last niet wordt verlicht als deperiodes waarover de heffingen verschuldigd zijn, worden gelijkge-trokken. Ik benoem een paar punten. Allereerst zal voor veel nulemissie-auto’s bijtelling gelden. Voor deze auto’s geldt de pseudo-eindheffing niet.Verder kan het ook zo zijn dat de pseudo-eindheffing verschuldigd is en debijtelling niet. Dit speelt als er voor de bijtelling geen sprake is vanprivégebruik en voor de pseudo-eindheffing, woon-werk, wel, bijvoor-beeld omdat het woon-werkverkeer als privéverkeer wordt gezien. Tot slotis de werkgever de belastingplichtige bij de pseudo-eindheffing en dewerknemer bij de bijtelling.Dan kom ik bij een vraag van de heer Grinwis. We hadden het daar net aleven kort over. Hij vroeg hoe ik sta tegenover een nieuwe korting in debijtelling voor elektrische auto’s, met de dekking via geleidelijke verso-bering van de youngtimerregeling. Ik begrijp de vraag van de heerGrinwis trouwens goed. Zoals de heer Grinwis al aangaf, ligt de catalo-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11524 guswaarde van elektrische auto’s, zelfs in de kleinere segmenten,voorlopig nog hoger dan die van een vergelijkbare fossiele auto. Dit leidttot hogere bijtellingslasten als een werkgever de gestelde norm volgt enkiest voor een elektrische auto voor zijn werknemer. Ik heb daarom veelsympathie voor het voorstel van de heer Grinwis om te kijken naar demogelijkheden om de bijtellingskorting voor elektrische auto’s teverlengen. Ik hoef niet tegen de heer Grinwis te zeggen dat dit uiteraardwel netjes gedekt moet zijn. Ik geef hierbij in overweging dat het ookmogelijk is om alleen in 2026 de bijtellingskorting door te trekken, waarbijde ontwikkeling van het bijtellingspercentage voor elektrische voertuigenna 2026 wellicht in groter verband, bij een brede herziening van deautobelastingen, kan worden bekeken.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dank voor het antwoord, dank voor de suggestie en dank voor dewelwillende houding. Dat waardeer ik zeer. Ik heb een soort fullswing-versie uitgevraagd bij de amendementenservice van Financiën om inzichtte krijgen in wat het financieel zou betekenen. Dat is op dit moment voorons aan deze kant van de tafel lastig in te schatten. Ik kan altijd nogterugvallen op «alleen voor ’26», maar dat heeft ook wel wat nadelen,omdat zeker het aanschaffen en het voorbereiden van de aankoop van eennieuwe auto, of dat nou zakelijk of privé is, wel met verwachtingenma-nagement te maken heeft, niet alleen voor het volgende jaar, maar ookvoor de jaren erna. Dus idealiter zou ik het wat langer willen doen, maarals ik budgettair in de knel kom ... Uiteindelijk moet het rondlopen. Dedekking moet ook redelijk zijn, want een al te abrupte ingreep in deyoungtimerregeling nu, half november, voor ’26 is ook niet redelijk. Ik gadus welwillend kijken naar de suggestie van de Staatssecretaris, maar ikben benieuwd hoe het complete plaatje eruitziet in een grotere uitvraag. Ikhoop dat het amendement snel aan deze kant van de tafel verschijnt.Staatssecretaris Heijnen:Zeker. Ik kan wel aangeven dat het verhogen van de leeftijdsgrens van deyoungtimerregeling van 15 naar 25 jaar ongeveer 53 miljoen oplevert,maar het totale financiële plaatje zal via de amendementenservice naar utoe komen.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dank u wel.Staatssecretaris Heijnen:Dan een vraag van mevrouw Van Eijk. Wat is de bedoeling van depseudo-eindheffing? Is deze proportioneel van toepassing als eenwerknemer slechts deels in Nederland belasting moet betalen over hetloon, de salary split? Het is uiteraard zo – dat spreekt voor zich – dat alseen werkgever belastinginhoudingsplichtig is voor de loonheffing, depseudo-eindheffing van toepassing kan zijn. Dan is de vervolgvraag ofsprake is van mede voor het privégebruik ter beschikking stellen van eenfossiele personenauto aan een of meer werknemers. Als dat binnen eenkalendermaand het geval is, zou over die volledige kalendermaandpseudo-eindheffing verschuldigd zijn. Het is dus niet relevant of dezewerknemers over een deel van het loon of over het volledige loonloonbelasting verschuldigd zijn in Nederland.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik ben het aan het verwerken. Dat betekent dus dat als er sprake is van eenter beschikking gestelde fossiele auto die privé wordt gebruikt, je alswerkgever de eindheffing voor het volle bedrag voor het volle jaarverschuldigd bent. Dat staat dus los van het feit over welk deel van jeinkomen je in Nederland belasting betaalt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11525 Staatssecretaris Heijnen:Dat klopt.Dan kom ik op een vraag van de heren Stultiens en Oosterhuis: hoe gaanwe de klimaatdoelen in de industrie halen als de CO2-heffing industrieverder wordt versoberd? De heer Oosterhuis geeft aan dat het afschaffenvan die CO2-heffing leidt tot versnipperd beleid, terwijl stabiel beleidnodig is om de industrie te verduurzamen. Hij vraagt welke alternatievemaatregelen ik zie om de doelen wel te halen. We hebben trouwens depseudo-eindtijd van u gehad, voorzitter. Ik weet niet of er nog vragenopen zijn blijven staan, maar ik ben hiermee aan een nieuw subkopjebegonnen. Het kabinet heeft de CO2-heffing voor ETS1- en lachgasinstal-laties binnen de grenzen van het Herstel- en Veerkrachtplan maximaalverlaagd om de concurrentiepositie van deze bedrijven te verstevigen. Nadeze verlaging geeft het kabinet invulling aan de aangenomen motie vanhet lid Van Dijk, om de CO2-heffing zo snel mogelijk af te schaffen.Volledig afschaffen van de CO2-heffing is niet mogelijk, omdat dezemaatregel onderdeel is van de hervorming van het HVP. Dit zou eenterugdraai betekenen van een van de twee mijlpalen in het HVP, wat eenfinanciële tegenvaller voor Nederland zou betekenen van maximaal1,2 miljard, zijnde 600 miljoen per mijlpaal. Deze financiële tegenvaller isniet gedekt.Zoals de heer Stultiens en ook de heer Oosterhuis hebben aangegeven,geeft verlaging van de CO2-heffing in algemene zin een negatieve prikkelom te verduurzamen en op de voorspelbaarheid van de overheid. Hierhoort wel een kanttekening bij, namelijk dat in de praktijk een aantalbedrijven wel willen, maar niet kunnen verduurzamen omdat de randvoor-waarden en het handelingsperspectief onvoldoende op orde zijn. Daaromheeft het kabinet ook een overlegtafel CO2-heffing industrie ingesteld, metvertegenwoordigers van onder andere het Rijk, industriële bedrijven engroene ngo’s. Deze overlegtafel heeft als opdracht meegekregen om voorhet middellange- en langetermijnbeleid voor de industrie te adviserenwelke maatregelen als alternatief voor de CO2-heffing industrie kunnendienen, waarmee de klimaatdoelen worden geborgd. Deze overlegtafelkomt begin volgende maand, begin december, met een rapport. Ik kanhier nu niet op vooruitlopen. Besluitvorming is in beginsel aan eenvolgend kabinet.De voorzitter:Eerst de heer Oosterhuis en daarna de heer Stultiens.De heer Oosterhuis (D66):De Staatssecretaris gaf net bij de pseudo-eindheffing aan dat hij hetbelangrijk vindt dat de klimaatdoelen worden gehaald binnen de reëlemogelijkheden. Daar is het kabinetsbeleid de afgelopen jaren niet opgericht geweest. Voordat het afgelopen kabinet begon, waren deklimaatdoelen voor 2030 in zicht. Inmiddels zijn ze dat niet meer, doordater allerlei beleid is teruggedraaid, waaronder nu ook de CO2-heffing. Datis gebeurd naar aanleiding van een motie van deze Kamer, maar datneemt niet weg dat we een Klimaatwet hebben, waar de regering aan isgehouden, om 55% CO2-reductie in 2030 te bereiken. Waarom heeft hetkabinet het dan toch verantwoord gevonden, ook met het oog op diewettelijke verplichting, om de CO2-heffing nu te schrappen zonderalternatief?Staatssecretaris Heijnen:Ik begrijp de vraag van de heer Oosterhuis. Wij denken als kabinet dat deomstandigheden inmiddels gewijzigd zijn. Met name de netcongestie iseen probleem, zeker voor deze industriële bedrijven. De Minister van KGGzal hier tijdens de termijn van het kabinet in het plenaire debat ook verderop ingaan, want dit is uiteraard in nauw overleg met haar tot standTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11526 gekomen. Wij vonden het op dit moment belangrijk dat de bedrijven diegetroffen zouden worden voldoende handelingsperspectief hebben,alvorens dit soort maatregelen te treffen.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Oosterhuis.De heer Oosterhuis (D66):Heel kort, voorzitter. Ik snap dat deze Staatssecretaris niet over hetklimaatbeleid gaat en zeker niet in deze twee maanden. Ik zal hier bij deplenaire behandeling, als de Minister van KGG ook aanwezig is, nog opterugkomen.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Mijn vraag/oproep sluit aan bij die van de heer Oosterhuis. Ik begrijp hetniet goed. Elk jaar opnieuw vragen we als Kamer of we de klimaatdoelennog steeds gaan halen. Dan zegt het kabinet altijd: ja, die gaan we nogsteeds halen; dat blijft de wet, dat blijft het beleid. Elke keer wordt er teweinig geleverd. Als nu de analyse is dat er te weinig handelingsper-spectief is of dat we niet te veel de stok maar meer de wortel moetendoen, waarom wordt dat dan niet gelijk geregeld? We weten nu dat dedoelen niet gehaald worden. Sterker nog, we gaan er nog verder vanafraken. Ondertussen hebben we volgend jaar qua klimaatbeleid weer eenverloren jaar op belastinggebied, want we gaan nu niks regelen. Hoe gaathet kabinet dan ooit nog het doel van 2030 halen?Staatssecretaris Heijnen:Dan moet ik toch verwijzen naar de Minister van KGG. Sorry daarvoor,maar ik vind dit echt een vraag op haar terrein. Ik zal ervoor zorgen dat dievraag tijdens de plenaire behandeling uitgebreid aan de orde komt. Ikneem aan dat de heer Stultiens die vraag dan ook aan haar zal stellen.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dat zeg ik bij dezen toe.Staatssecretaris Heijnen:Dan een volgende vraag van de heer Oosterhuis. Het afschaffen van deCO2-heffing industrie leidt tot een bezuiniging van 275 miljoen op hetKlimaatfonds. Welke projecten worden hierdoor geraakt? De opbrengstvan de CO2-heffing industrie zou inderdaad worden teruggesluisd naarhet Klimaatfonds. Deze opbrengst komt nu te vervallen. Dat betekent eenderving van 274 miljoen aan reeds ingeboekte inkomsten voor de jaren2026 tot en met 2028. Deze derving is opgevangen binnen het perceelVerduurzaming industrie en innovatie mkb in het Klimaatfonds door ditom te buigen bij de Nationale Investeringsregeling KlimaatprojectenIndustrie. De middelen waren nog niet bestemd voor specifieke projecten,maar het klopt wel dat er hierdoor minder subsidies voor verduurzamingvan de bedrijven overblijven.Dan een aantal vragen van de heren Stultiens, Grinwis, Stoffer, Oosterhuisen Vermeer. Klopt het dat de circulaire doelstellingen nog steeds nietworden gehaald? Kan het kabinet onderbouwen hoe de afvalmaatregelenbijdragen aan het stimuleren van recycling? De heer Grinwis vraagt ook ofde keuze voor het afvalmaatregelenpakket logisch, goed en zorgvuldig is,gezien het risico op export. Waarom is er niet een evenwichtiger voorstelgedaan? Daarnaast vraagt de heer Stoffer of het afvalmaatregelenpakkethelpt bij het verbeteren van het vestigingsklimaat. Tot slot vraagt de heerOosterhuis hoe het kabinet de negatieve effecten van het maatregelen-pakket heeft meegewogen. Ook de heer Vermeer vroeg daarnaar in hetkader van Aramis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11527 Het kabinet heeft gekeken met welke maatregelen binnen het circulairedomein per 2028 de budgettaire taakstelling van 567 miljoen kan wordeningevuld als alternatief voor de polymerenheffing. Hiertoe is in hetvoorjaar de Plastic Tafel in het leven geroepen. Helaas heeft deze tafelgeen unaniem gedragen alternatief voorgesteld voor de plastic-heffing.Het kabinet heeft daarom besloten tot deze technische invulling bij deafvalsector, omdat er op het moment van besluitvorming geen alternatiefbekend was dat de benodigde budgettaire taakstelling binnen het domeinvan de circulaire economie kon realiseren, dat tegelijkertijd een verdereCO2-reductie zou ondersteunen en waarvan bekend was dat hetuitvoerbaar zou zijn. Met het voorgestelde pakket wordt het verbrandenvan afval duurder. Dit kan een prikkel vormen richting gemeenten enbedrijven om hun afvalscheiding te verbeteren.Het duurder maken van verbranding kan recyclen financieel relatiefaantrekkelijker maken, maar tegelijkertijd erkent het kabinet dat hethuidige pakket met deze maatvoering een negatief effect kan hebben oprecyclingactiviteiten, doordat het verbranden van het recyclingresidu ookduurder wordt. Daarnaast erkent het kabinet het risico op export vanNederlands afval als afvalverbrandingsinstallaties niet tijdig kunnenoverstappen op CCS en de investeringsonzekerheid die het met zichmeebrengt voor investeringen in CCS.Zoals gezegd betreft het merendeel van de afvalmaatregelen eentechnische invulling. Aan de Werkgroep afvalsector is gevraagd om naareen mogelijke alternatieve invulling te kijken om de beoogde opbrengst terealiseren, waarbij ook de circulaire economie meer wordt bevorderd enhet pakket in gelijke mate bijdraagt aan CO2-reductie. Nederland zet zichnog steeds in om in 2050 volledig circulair te zijn.De heer Oosterhuis (D66):Ik vind dit heel ingewikkeld. We hadden eerst die polymerenheffing. Die ishet niet geworden; die is geschrapt; die heffing vond het kabinet tochgeen goed idee. De Plastic Tafel is niet tot een alternatief gekomen; ietsmet kalkoenen en kerst, denk ik. Nu zitten we met deze afvalstoffenbe-lasting. Ik merk aan de antwoorden van de Staatssecretaris dat we datmisschien ook niet een heel goed idee vinden, ook het kabinet niet. Nu iser de Werkgroep afvalsector. Kan de Staatssecretaris hier iets meer oververtellen? Wie zijn dat dan? Zal die niet leiden tot dezelfde conclusie alsdie van de Plastic Tafel omdat deze werkgroep er ook niet uit zal komen?Of is die Werkgroep afvalsector wél iets binnen het kabinet en wordt erook binnen het kabinet nu nog nagedacht over alternatieven?Staatssecretaris Heijnen:Ik wilde hier later in mijn beantwoording op ingaan samen met een aantalandere vragen die daarover gesteld zijn. Als u het mij toestaat, wil ik dezevraag nu even parkeren.De voorzitter:Weet u ongeveer wanneer u daaraan toe bent? Dan kunnen de leden daarrekening mee houden en niet zo meteen om de zoveel tijd de vraagherhalen.Staatssecretaris Heijnen:Zeker. Ik denk over een minuut of tien.De voorzitter:Dan gaan we eens kijken of dat nog voor de lunchpauze zal zijn of daarna.Ik ga eerst even naar de heer Grinwis. Heeft u op dit punt nog eenaanvullende vraag, of wacht u ook even af waar de Staatssecretaris latermee gaat komen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11528 De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik hoor het wel of de Staatssecretaris mijn vraag over tien minutenbeantwoordt of nu. Ik vind deze gang van zaken zachtjes gezegd opmer-kelijk. We hebben de afgelopen jaren heel veel ervaring gehad mettechnische oplossingen, placeholders en weet ik wat allemaal. En in theend – dat is vaak het eind van het liedje – komt de politiek er niet uit enblijkt de technische oplossing toch de politieke oplossing te zijn geweest.Dan hebben we nu min of meer de afvalbranche opgezadeld met: gaanjullie maar praten. Maar er hangt wel een gigantisch zwaard vanDamocles boven hun hoofd. Ik vind het dus zachtjes gezegd opmerkelijk,maar als ik gewoon eerlijk zeg wat ik ervan vind: eigenlijk niet netjes. Nouzitten we met een soort demissionair kabinet dat dit nog op stel en sprongprobeert op te lossen, want ja, die 567 miljoen is ingeboekt, structureel.Maar eigenlijk moet het veel zorgvuldiger gebeuren in een volgendkabinet, zou ik zeggen. Ik weet niet hoe de Staatssecretaris dat ziet. Als jehieraan vasthoudt, als deze technische oplossing het wordt, zou je danniet op z’n minst binnen de SDE++, dus aan de uitgavenkant voldoendestimuleringsgeld opzij moeten zetten om de afvalbranche te helpen daninderdaad CCS te gaan toepassen? Als je dat namelijk niet doet, dan zijn aldie ideeën over CCS ook weer vogels in de lucht, want dan gaat ergewoon afval geëxporteerd worden. Dat dreigt nu namelijk te gaangebeuren. Dus ik vind de hele gang van zaken niet netjes. Er is ook geenrond verhaal, want je hebt wel een lastenverzwaring boven deze sectorgehangen, maar eigenlijk geen alternatief om eraan te ontsnappen viabijvoorbeeld SDE++-geld.Staatssecretaris Heijnen:Het klopt inderdaad wat de heer Grinwis aangeeft: er is nog geenalternatief. Wij gaan ervan uit dat de Werkgroep afvalsector met alterna-tieven komt. Wij hopen dat in december te horen. Aan de andere kantvinden wij dat ook wel een maatregel die heel goed op de formatietafelthuishoort en waar een nieuw kabinet concrete keuzes in kan maken.De voorzitter:U vervolgt nog even uw betoog en daarna is de heer Stultiens, of de heerGrinwis als die nog een opmerking heeft via de microfoon.Staatssecretaris Heijnen:Voorzitter, nog even voor de duur: ik heb nog een aantal vragen op hetgebied van de afvalstoffenheffing. Daarna ga ik over naar de energiebe-lasting. Wellicht is dat een geschikt moment om te schorsen voor delunch.De voorzitter:Oké, maar dan ga ik eerst nog even naar de heer Stultiens, want die heeftook nog een vraag.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Die sluit aan bij mijn twee voorgangers, dus de vraag is even of die nubeantwoord wordt of over tien minuten. Wat hier raar aan is, is dat decoalitie eerst van plan was om een plastic-heffing in te voeren, eenpolymerenheffing. Maar toen was de industrie kritisch en dus ging hetplan van tafel. Als alternatief werd gezegd: dan gaan we naar de afvalver-werking. Opnieuw is de industrie kritisch, maar we laten het wel gewoonstaan: zoek het maar uit met elkaar; vind maar een alternatief. Dat vind ikgek. Als het doel oorspronkelijk een plastic-heffing was, waarom wordt erdan niet gezegd: we gaan het als placeholder eerlijk spreiden over de heleketen, ook over producenten die onnodig plastic toevoegen, in plaats vandat alleen maar helemaal achteraan de keten bij afval te plaatsen? Wantja, ik snap wel dat de rest van de keten denkt: nou, we leunen achterover;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11529 zoek het maar uit bij die afvalverwerkingsinstallaties. Dat vind ik scheef.Kunnen we het niet veel beter nu al spreiden, ook budgettair en quadoelen? Want dan wordt de kans dat er een eerlijke oplossing komt ookgroter.Staatssecretaris Heijnen:Misschien eerst even ingaand op de polymerenheffing. De heer Stultiensvroeg afgelopen maandag ook of die niet beter is voor de circulaireeconomie en voor het klimaat. Het korte antwoord is nee. Uit onafhan-kelijk onderzoek van Trinomics blijkt dat een hoge polymerenheffing naarverwachting tot grote weglekeffecten leidt, wat niet het geval is bij dieafvalstoffenbelasting. Dat leidt er dan toe dat productie zich verplaatstzonder de gewenste effecten op de circulaire economie of het klimaat.Tegelijkertijd laat datzelfde onderzoek zien dat een lagere heffing een zeerbeperkte milieu-impact heeft en dat is de reden waarom wij niet voor diepolymerenheffing hebben gekozen.Dan ga ik verder en probeer ik dat te combineren met de vragen van deheer Oosterhuis. Wat betekent technische dekking? Het heeft ook aleffecten in de echte wereld, gaf de heer Oosterhuis afgelopen maandagaan. Welke alternatieven worden er overwogen? Ik hoop ook de vraag vande heer Stultiens te beantwoorden: zou dat niet in de hele keten moeten?Met het maatregelenpakket heeft het kabinet een voorstel gedaan om debudgettaire taakstelling in het circulaire domein in te vullen. Het kabinetheeft dit pakket in het Belastingplan van dit jaar gezet om de begrotingnetjes achter te laten voor een volgend kabinet.De voorzitter:Ik hoorde al wat, dus eerst even mevrouw Van Dijk, via de microfoongraag.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Kan de Staatssecretaris dan uitleggen waarom dit een definitie van«netjes» is?Staatssecretaris Heijnen:Misschien was het zorgvuldiger geweest om te zeggen: gedekt achter telaten.De voorzitter:Oké. De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Tegelijkertijd erkent het kabinet de mogelijke gevolgen voor recycling enhet risico op meer export van afval. Daarvoor is de Werkgroep afvalsectorin het leven geroepen; die is gevraagd om met alternatieven te komen.Deze alternatieven zullen bij de Voorjaarsnota 2026 worden gewogen. Ookkunnen in de formatie alternatieven worden gewogen ter dekking van hetbudgettaire gat dat is ontstaan door het vervallen van de plastic-heffing.De besluitvorming daarover kan worden meegenomen in het Belasting-plan 2027. Dat is nog op tijd voordat de maatregelen per 2028 ingaan.Daarnaast heeft het kabinet de oproep van de afvalsector om meerinvesteringszekerheid te bieden duidelijk gehoord. Daarom is er met desector een intentieverklaring opgesteld.De heer Oosterhuis vraagt welke alternatieven het kabinet zelf inoverweging neemt: ligt dat nu volledig bij de werkgroep of neemt hetkabinet of de Staatssecretaris zelf nog maatregelen? Mevrouw Van Dijkvraagt hoeveel van de dekkingsopgave uiteindelijk bij de afvalsectorwordt neergelegd en voor welk deel het kabinet zelf circulaire oplossingengaat zoeken. De heer Stultiens vroeg maandag, en nu weer, waarom erniet breder in de keten wordt gekeken: waarom wordt er niet brederTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11530 gekeken dan alleen afvalverbrandingsinstallaties? De heer Stoffer enmevrouw Van Dijk vroegen nog waarom het kabinet niet de uitkomstenvan de werkgroep en de besluitvorming in het voorjaar afwacht en pasdaarna maatregelen in wetgeving vastlegt. Daarnaast vroeg de heerStoffer – die vraag beluisterde ik ook bij de heer Oosterhuis – of ik eenupdate van de laatste gesprekken met de werkgroep kan geven.Zoals ik al zei, is er onlangs een intentieverklaring over investeringsze-kerheid door het kabinet opgesteld. Hiervoor is de sector via dewerkgroep uitgebreid geconsulteerd. Deze intentieverklaring is met uwKamer gedeeld. De werkgroep werkt op dit moment met ambtelijkeondersteuning aan alternatieven voor deze technische dekking. In hetkader van de afvalwerkgroep denkt het kabinet na over alternatieven. Dewerkgroep komt eind dit jaar met zijn eindadvies, dat het kabinet zalmeewegen in het voorjaar. Hier kan ik inhoudelijk helaas niet op vooruit-lopen, zeg ik tegen de heer Oosterhuis, maar in het voorjaar zal hetkabinet alle opties wegen en een definitief besluit nemen.Tot slot heeft het kabinet ervoor gekozen om de afvalmaatregelen alstotaalpakket in het Belastingplan op te nemen. Zo wordt er in ieder gevalvoor gezorgd dat alle maatregelen in wetgeving worden omgezet envoorkomen we dat een volgend kabinet met een budgettair tekort wordtgeconfronteerd.Dat waren mijn antwoorden.De voorzitter:Dat waren uw antwoorden, maar er zijn uiteraard nog vragen, in iedergeval eentje van de heer Grinwis.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik zit goed te luisteren naar wat de Staatssecretaris zegt. Eigenlijk zegt hij:wij leveren ons afval af bij het volgende kabinet. Dat is wat hier gezegdwordt. Ondertussen hangt er dus een zwaard van Damocles van567 miljoen structureel boven de afvalsector. Die tafel komt in decembermet een eerste voorstel, maar wij moeten hier volgende week donderdagal stemmen over de technische invulling. Daar zit ik wel mee in mijnmaag. Kan er, voordat wij gaan stemmen en het liefst voordat wij hetdebat plenair afronden, informatie gegeven worden over de huidige standvan zaken en denken van de afvalsectortafel? Dan kunnen wij daar eenbeetje gevoel bij krijgen. Aan welke richtingen denken zij, ook budgettairvertaald? Anders zit ik er toch wel een beetje mee in mijn maag. Is hetreëel en redelijk om in te stemmen met dit onderdeel van het Belas-tingplan, terwijl we er echt geen zicht op hebben hoe het inhoudelijk gaatlanden? Er is wel een procedure: het moet besproken worden bij deVoorjaarsnota en het volgende Belastingplan. Maar de Staatssecretarisweet ook dat een procedure nog geen inhoudelijke oplossing is. Ik bendus op zoek naar meer zorgvuldigheid met betrekking tot onze stemvolgende week donderdag.Staatssecretaris Heijnen:Ik snap de vraag van de heer Grinwis. Die vraag leeft volgens mij bijmeerdere leden, dus wij zullen nadere informatie verstrekken over wat wijop dit moment aan het onderzoeken zijn. Ik weet niet zeker of er albudgettaire overzichten bij kunnen worden verstrekt, maar wij zullennadere informatie verstrekken.De voorzitter:In ieder geval voor de stemmingen.Staatssecretaris Heijnen:Ja.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11531 De voorzitter:Oké. De heer Stultiens heeft ook nog een vraag.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik doe nog één laatste poging op ditzelfde punt. Is de Staatssecretaris hetmet ons eens dat we het breder in de keten moeten hebben dan alleenmaar bij het eindproduct? Liggen ook die opties de komende weken optafel? Gaan we ook voor een deel naar producenten kijken en voor eendeel misschien naar supermarkten die onnodig plastics toevoegen? Er zijnheel veel plekken in de keten waar het kan. Nu ligt het alleen bij heteindproduct en dat vind ik kwetsbaar. Ligt de optie om wat breder tekijken op tafel?Staatssecretaris Heijnen:Wij zullen dat meenemen in de nadere informatie die we verstrekken. Uvraagt naar mijn mening, meneer Stultiens. Ik denk dat het belangrijk isom bij de alternatieven die onderzocht worden zeker ook rekening tehouden met de eventuele weglek naar het buitenland.De voorzitter:Oké. Dan mag u uw betoog vervolgen.Staatssecretaris Heijnen:Ik kom nu bij het kopje energiebelasting. Ik heb afvalstoffenheffing enafvalstoffenbelasting afgerond.De voorzitter:Er is in ieder geval nog één vraag, bij mevrouw Van Dijk.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Ik heb eigenlijk de vraag wat het kabinet zelf gaat doen. Ik ben ook eenbeetje op zoek naar de verhouding tussen wat bij de sector neer wordtgelegd en dat waarvan het kabinet vindt dat het zelf ook een verantwoor-delijkheid heeft om mee te denken en mee te helpen.Staatssecretaris Heijnen:Ik heb de vraag goed gehoord. Wij zullen daar bij het verstrekken van deinformatie op ingaan.De voorzitter:Dan zou ik om een beetje de vaart erin te houden – die zit er overigensredelijk goed in – willen voorstellen om nog even verder te gaan en danhierna te schorsen voor de lunchpauze. Ik zie iedereen nog zitten, dusmensen zijn nog niet weggerend omdat ze heel erg veel honger hebben.Dan gaan we in ieder geval nog één blokje doen. Dat is energie, als ik hetgoed heb meeschreven. Ja? Oké. Gaat u verder, Staatssecretaris.Staatssecretaris Heijnen:Dank je wel, voorzitter. Een vraag van mevrouw Van Eijk. De aangenomenmotie-Van Hijum roept op om de belastingvermindering in de energiebe-lasting toe te spitsen op huishoudens en de VVD kijkt uit naar deuitwerking hiervan. Mevrouw Van Eijk vraagt daarbij naar het effect voorhet mkb en hoe wij als kabinet oog blijven houden voor het mkb, dat nogaltijd kampt met hoge energiekosten. Het kabinet werkt wetgeving uit naaraanleiding van de aangenomen motie-Van Hijum. Als de belastingvermin-dering alleen nog aan huishoudens wordt gegeven, ontvangen allebedrijven, inclusief het mkb, die vermindering niet meer. Hierdoor nemende energiekosten voor het mkb toe met ongeveer € 500 per jaar. Hetkabinet helpt daarnaast het mkb om energiekosten te verlagen doorondersteuning van verduurzaming. We zetten hierbij in op een breed scalaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11532 aan instrumenten, zoals de ISDE, de EIA, de versnelde klimaatinveste-ringen in de industrie en het ontzorgingsprogramma. Daarnaast zet hetkabinet erop in om deze ondersteuning aan ondernemers simpeler enoverzichtelijker te maken. Ook hierover heeft de Minister van KGG uwKamer in mei geïnformeerd.De heer Oosterhuis vraagt waarom het kabinet bij de brandstofaccijnzenheeft gekozen voor verlenging van het tijdelijk verlaagde tarief en nietvoor een meer structurele of geleidelijke verhoging van de accijns. Detijdelijke verlenging van de accijnsverlaging is puur bedoeld om eenlastenstijging voor 2026 te voorkomen. Een keuze voor de langere termijn,inclusief een eventueel afbouwpad, is aan een volgend, missionairkabinet.De voorzitter:Er is een vraag van de heer Oosterhuis.De heer Oosterhuis (D66):Deze keuze laat de Staatssecretaris aan een volgend kabinet. Hij laat nietalleen de keuze voor een afbouwpad aan een volgend kabinet, maar hijzadelt het ook op met de lastenstijging die dan in 2027 komt. Het lijkt dusheel netjes om dit aan een volgend kabinet te laten, maar tegelijkertijdkomt de dekking van de accijnsverlaging in 2026 wel uit de portemonneevan dat volgende kabinet. Die komt namelijk uit de CBAM-heffing en uitde motie-Idsinga. Dat zijn allemaal structurele bedragen. Trakteren opkosten van een ander: hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar?Staatssecretaris Heijnen:Het klopt. De dekking die de heer Oosterhuis aangeeft, klopt. Ik denk dat ikwel mag aangeven dat de verlenging van de accijnsverlaging ook eenbrede wens van de Kamer was, die uiteindelijk gedekt moet worden. Wehebben zo goed mogelijk naar een dekking daarvoor gezocht en diehebben we gevonden. Dat is wat ik daarop kan zeggen.De voorzitter:Eerst nog even een vervolgvraag van de heer Oosterhuis.De heer Oosterhuis (D66):Ja, dan stel ik toch de vervolgvraag waarom er dan voor is gekozen omhet nu allemaal in één jaar te stoppen in plaats van die accijnsverlagingover meerdere jaren uit te smeren, zodat er een geleidelijk afbouwpadkomt. Dat zou toch veel logischer zijn?Staatssecretaris Heijnen:Ik weet niet of dat logischer is. Kijk, wij hebben met name gekeken naar detarieven aan de pomp, en die zijn hoog, zeker als je ze vergelijkt met die inons omringende landen. Vandaar dat wij ervoor gekozen hebben om dietariefverlaging te continueren. We hadden ervoor kunnen kiezen om datgeleidelijk te doen. Dat zou dan op dezelfde manier gedekt zijn, denk ik,maar we hebben er bewust voor gekozen om de verlaging in 2026 instand te laten.De voorzitter:Nu gaan we naar de heer Grinwis.De heer Grinwis (ChristenUnie):De Staatssecretaris gaat hier natuurlijk veel te gemakkelijk omheen, en datweet hij zelf ook wel. Toen ik even weg was, kreeg ik namelijk het verwijtdat ik het idee had ingebracht om de tariefverhoging in box 3 en deverlaging van het heffingsvrije vermogen terug te schroeven en om alsdekkingsmogelijkheid daarvoor te kijken naar het versnellen van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11533 afbouw van de wet-Hillen. Ja, er is inderdaad een mismatch tussenwanneer die opbrengsten dan komen – die zitten dan meer aan het eindvan de jaren dertig – en wanneer de rekening moet worden betaald voorhet niet laten doorgaan van die verhoging in box 3. Maar dat is toch geenreëel tegenargument van een kabinet dat zelf het Klarnakabinet in optimaforma is door in 2026 een cadeau van 1,9 miljard weg te geven dat pas in2032 of 2033 is afbetaald? Daarmee neemt het toch zelf op groteske wijzeafstand van de eigen begrotingsprincipes en begrotingsregels? En als ikals Kamerlid vervolgens kom met een idee om box 3 anders op te lossendan de manier waarop het kabinet dat doet en waarmee in mijn ogen heelveel mensen onrecht wordt aangedaan, dan krijg ik dat wél als tegenar-gument tegengeworpen. Het is op z’n minst niet consistent. De vraag vancollega Oosterhuis of het qua dekking en zo niet zorgvuldiger hadgemoeten met die brandstofaccijns, blijft volgens mij recht overend staan.Ik ben heel benieuwd naar een wat grondigere en iets minder makkelijkereactie van de Staatssecretaris.Staatssecretaris Heijnen:Ik kan me die opmerking van de heer Grinwis goed voorstellen hoor, en ikben het eigenlijk ook wel met hem eens. Laat ik maar gewoon heel eerlijkzijn. Het principe van de dekking van box 3 en het principe van dezedekking zijn in feite hetzelfde; dat ben ik volledig met hem eens. Ja. In diezin had ik dus ...De voorzitter:Er worden nu dingen buiten de microfoon geroepen, maar we gaan evenafwachten wat de appreciatie wordt. Wellicht wordt dit debatje dan weervoortgezet, maar voor nu vervolgt u uw betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan een vraag van de heer Stultiens. Het grootste deel van de belasting-korting door de accijnsverlaging landt bij de rijkste huishoudens, zegt hij.Waarom is er niet gekozen voor een meer gerichte maatregel? Het kabinetwil met de accijnsverlaging gericht de lasten voor de autorijders verlagen.Het klopt inderdaad dat een relatief groot deel van de accijnsverlagingnaar middeninkomens en hoge inkomens gaat, omdat deze huishoudenssimpelweg vaker een auto hebben, waarmee ze ook meer rijden. Er zijnechter ook veel huishoudens met een lager inkomen die relatief veelkilometers maken en waarvoor het openbaar vervoer geen optie is. Denkaan verplegers die in de nachtdienst van een regionaal ziekenhuis werkenen aangewezen zijn op de auto. Een gerichtere maatregel om de brand-stofkosten te verlagen was niet voorhanden, zo zeg ik tegen de heerStultiens. Algemene koopkrachtmaatregelen zijn wat ons betreft evenmingeschikt, omdat niet elk huishouden een fossiele auto heeft of evenveelgebruikmaakt van de auto.Dan een vraag van mevrouw Van Eijk. Zij vraagt mij of ik erken datverdere nationale koppen op ETS, in welke vorm dan ook, schadelijk zijnvoor ons verdienvermogen en dat Nederland zich in Brussel moet richtenop één eerlijk Europees systeem in plaats van eigen aanvullendeheffingen. Ze vraagt ook hoe het kabinet ervoor zorgt dat de industriedaadwerkelijk ruimte krijgt om te investeren, nu energiekosten, netwerk-kosten en fiscale lasten nog steeds stapelen. Verder vraagt ze of we bereidzijn om in samenhang te kijken naar het totale pakket aan lasten dat op deindustrie drukt. Het klopt: onze Nederlandse industrie opereert in eeninternationale markt. Ik deel daarom het belang van een sterk Europeesbeprijzingssysteem, inclusief een sterke koolstofheffing aan de grens, omgoedkope, vervuilende producten van buiten Europa te weren. Dat is ookde reden dat dit kabinet de keuze heeft gemaakt om de nationaleCO2-heffing voor ETS1 en lachgasinstallaties maximaal te verlagen.Tegelijkertijd ligt er, zoals bekend, ook een grote opgave om deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11534 afgesproken klimaatdoelen te halen. Daarom is, zoals reeds aangegeven,aan de Overlegtafel CO2-heffing gevraagd om met alternatieve beleids-opties te komen. Maar hierbij moet worden gekeken – mevrouw Van Eijkgaf dat ook aan – naar het totaal van alle lasten en subsidies voor deNederlandse industrie, dus ook naar netwerkkosten, subsidies voorverduurzaming en andere zaken.Voorzitter. Dan ben ik toegekomen aan mijn kopje overige maatregelenBelastingplan. Het is natuurlijk aan u – u bent voorzitter – maar wellicht isdit een geschikt moment om te gaan lunchen.De voorzitter:Het lijkt mij een hele goede suggestie om nu een lunchpauze in te lassen.Ik stel voor om voor een halfuur te schorsen. We zijn hier dus om13.30 uur weer terug voor het vervolg. Ik schors de vergadering voor nu.De vergadering wordt van 13.00 uur tot 13.34 uur geschorst.De voorzitter:Welkom terug allemaal. Ik heropen het wetgevingsoverleg over hetBelastingplan. Maandag is al de start geweest met de zijde van de Kamer.Nu zijn we bezig met de eerste termijn van de zijde van de regering.Vandaag gaan we ook nog verder met de tweede termijn van de zijde vande Kamer en de tweede termijn van de zijde van de regering.Ik wijs er ook op dat morgen natuurlijk de plenaire behandeling wordtvoortgezet. Voor de lunchpauze ging het al even over tafel dat de Ministervan Klimaat en Groene Groei morgen ook aanwezig zou zijn om debeantwoording te doen. Dat is niet zo. Die is namelijk bij de COP inBrazilië. Zij zal dinsdag de beantwoording namens de regering doen op depunten waarvan de Staatssecretaris aangaf dat die antwoorden van deMinister van KGG komen. Dat dus alvast voor uw eigen administratie, omdaar rekening mee te houden en zodat er geen verkeerde verwachtingenworden gewekt over welke antwoorden u morgen krijgt.Daarnaast nog het korte verzoek, zoals altijd van de Griffie plenair, om,voor degenen die het betreft, zich als het kan nog in te schrijven. Eenindicatieve spreektijd kan soms prettig zijn, zodat ook de collega’s eenbeetje kunnen inschatten waar ze rekening mee moeten houden watbetreft de lengte van het debat.Dat gezegd hebbende, heb ik volgens mij bijna alle huishoudelijkemededelingen gedaan. Ik wil er nog eentje doen, namelijk dat we rond14.45 uur heel even schorsen voor een stemming en een regeling vanwerkzaamheden. We gaan daarna zo snel mogelijk weer door met ditdebat. U kunt die korte schorsing eventueel ook gebruiken voor nog eenkop koffie. Dan gaan we nu snel verder. Het woord is aan StaatssecretarisHeijnen.Staatssecretaris Heijnen:Dank u wel, voorzitter. Ik ben gekomen bij de overige maatregelen van hetBelastingplan. Ik begin met een vraag van de heer Stultiens over deversobering van de ETK-regeling. Zijn vraag was of na de onderbouwingde overige kosten wel konden blijven bestaan binnen de ETK-regeling.Zoals bekend gaat de loonbelasting uit van de gedachte dat kosten dieeen werknemer maakt om zijn werk te kunnen doen, zakelijke kosten zijndie onbelast vergoed kunnen worden. De extra kosten die een inkomendewerknemer maakt omdat hij in Nederland gaat werken, zijn dus ookzakelijke kosten. Voor de extra kosten voor levensonderhoud wordt deinkomende werknemer al gecompenseerd door het hogere Nederlandseloon. Telefoonkosten acht het kabinet niet meer nodig als ETK, omdatdaarvoor tegenwoordig gratis alternatieven bestaan. Overige kosten zijnwel kosten die een inkomende werknemer maakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11535 Ik wil er ook nog op wijzen dat de expatregeling, de 30%-regeling, eenforfaitaire variant is van de ETK-regeling. De ETK heeft daarmee ook eenfunctie en is nodig voor de juridische houdbaarheid van de expatregeling.Dan vraagt mevrouw Van Eijk naar het opzeggen van de convenantentussen werkgeversvertegenwoordigingen en de Belastingdienst inverband met de wijziging van de ETK. De Belastingdienst heeft, zoalsbekend, convenanten over toepassing van de ETK-regeling gesloten metde uitzendbranche en de land- en tuinbouwsector. Deze convenanten zienop drie kostensoorten: huisvesting, reiskosten en kosten van levenson-derhoud. De versobering raakt de convenanten dus alleen op de kostenvan levensonderhoud. Voor het overige blijven de convenanten relevant.De Belastingdienst treedt in overleg met de brancheorganisatie over hetactualiseren of beëindigen van een convenant bij elke relevante wijzigingin wet- en regelgeving, zoals ook bij deze versobering. Dit gebeurtuiteraard uiterst zorgvuldig. Trouwens, een van de twee genoemdeconvenanten heeft een looptijd tot het einde van dit kalenderjaar; dat ismet de LTO, de land- en tuinbouwsector. Dat loopt namelijk af eind ditjaar.Tot slot. Deze convenanten worden altijd afgesloten onder voorbehoudvan wijzigingen in wet- en regelgeving en zijn daarmee in zoverre nietoneerlijker of onvoorspelbaarder dan voor ieder ander die niet onder detoepassing van een convenant valt.Ik ga naar de lucratiefbelangregeling. Mevrouw Van Eijk vraagt of ik erkendat de voorgestelde multipliermaatregel Nederland minder aantrekkelijkmaakt voor investeerders en talent. «Waarom wachten we niet op hetadvies-Wennink voordat we een dergelijke grote stap zetten?» Ik begintoch met te zeggen dat het kabinet met de multipliermaatregel uitvoeringgeeft aan beide moties-Idsinga, naar de wens van een ruime meerderheidvan de Tweede Kamer, zij het in de vorige samenstelling van de Kamer.Als de huidige samenstelling van de Kamer in meerderheid de wens heeftom deze maatregelen op dit moment nog niet in te voeren en de dervingdie daaruit ontstaat te voorzien van een dekking, dan zal het kabinet datuiteraard wel willen bekijken.De voorzitter:Volgens mij is eerst de vraag: is dit het? Als dat zo is, zijn er ook nogvervolgvragen. Ik stel die vraag dus eerst eventjes aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Heijnen:Misschien kunnen vervolgvragen gesteld worden. Dan kan ik die gelijkmeenemen.De voorzitter:Dat is ook een optie. We gaan kijken of dat de meest handige route is. Wegaan in ieder geval een aantal vragen langs. Mevrouw Van Dijk heeft eenvraag.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Nou ja, het gaat me er eigenlijk om dat iedere keer de motie-Idsinga alsargument wordt gebruikt, terwijl we ook zien dat de uitvoering redelijkdramatisch is. We zien heel vaak dat moties met een brede meerderheidworden aangenomen, dan lastig uitvoerbaar blijken en vervolgens naastzich neer worden gelegd. Ik vind dus het wel ingewikkeld dat iedere keerhet antwoord begint met: wij geven gehoor aan de motie-Idsinga. Ik merkdat dat mij ook een beetje irriteert.Staatssecretaris Heijnen:Waarvan nota.Mevrouw Van Eijk (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11536 Ik wacht gewoon op de beantwoording van mijn vragen. Ik ga er dus vanuit dat die nog gaan komen. Zo niet, dan ga ik de vragen die ik in de eersteinbreng heb gesteld, gewoon herhalen.De voorzitter:Dat lijkt mij helder. Dat is een bekend en beproefd recept, zullen we maarzeggen. Dat weet de Staatssecretaris denk ik ook. We gaan dus afwachtenof dat zorgt voor de beantwoording van de vragen. U vervolgt uw betoog,Staatssecretaris.Staatssecretaris Heijnen:Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat de voorgestelde maatregelinvesteerders ontmoedigt om te investeren in Nederlandse onderne-mingen of talent ontmoedigt om zich beschikbaar te stellen aan Neder-landse ondernemingen. Volgens het kabinet is het beperkt verhogen vande belastingdruk in box 2 van maximaal 31% tot maximaal 36% geen al tegrote stap.De noodzaak en de vormgeving van de lucratiefbelangregeling, inclusiefde voorgestelde multipliermaatregel, zullen worden geëvalueerd in hetjaar na de invoering van het nieuwe box 3-stelsel, vanwege de inhoude-lijke samenhang daarmee. Als dat wenselijk is, kan het advies-Wenninkover het aanzienlijk versterken van het Nederlandse investeringsklimaaten toekomstig verdienvermogen hierbij uiteraard worden meegewogen.Mevrouw Van Eijk vroeg verder of ik erken dat de multipliermaatregel kanzorgen voor een verdere verstoring van het globaal evenwicht als het gaatom de belastingdruk voor verschillende belastingplichtigen. Zoals bekendstreeft het kabinet ernaar dat bij een reguliere directeur-grootaandeelhouder de gecombineerde heffing van box 2 en vennoot-schapsbelasting in globaal evenwicht is met de belastingheffing bij eenondernemer voor de ib in box 1. De multipliermaatregel leidt ertoe dat deeffectieve belastingdruk voor voordelen uit lucratief belang maximaal 36%in box 2 bedraagt, terwijl de gecombineerde belastingdruk voor eenreguliere directeur-grootaandeelhouder in 2026 maximaal 48,8% bedraagt,voor een ib-ondernemer maximaal 44,7% en, tot slot, voor een werknemer49,5%. Er is dus wat het kabinet betreft geen sprake van een verstoringvan het globaal evenwicht tussen verschillende belastingplichtigen.Dan geeft mevrouw Van Eijk aan dat de multipliermaatregel management-en aandelenplannen onaantrekkelijker maakt, wat precies het tegenover-gestelde is van wat nodig is voor groeiende bedrijven en het aantrekkenvan schaarse specialisten. «Hoe zie de Staatssecretaris dat? Staat dat niethaaks op de eigen ambities voor werknemersparticipaties?» Met dezebeperkte verhoging van de belastingdruk houdt het kabinet nog steedsrekening met het hybride karakter van voordelen uit beloningsstructurendie onder het bereik van de lucratiefbelangregeling vallen, alsmede metde belastingdruk in het buitenland over dergelijke voordelen. Zoals ik alzei: we hebben geen aanwijzingen dat de voorgestelde maatregelen hetaantrekken van schaarse specialisten voor groeiende ondernemingenlastiger maken.Het is mogelijk dat aandelenopties zowel onder het bereik van de huidigelucratiefbelangregeling vallen als onder het bereik van de aangekondigdemaatregelen voor aandelenopties in start-ups en scale-ups. Het eventueelvoorkomen van samenloop tussen de maatregelen voor werknemersparti-cipaties en de lucratiefbelangregeling wordt nader bezien bij de verdereuitwerking van deze maatregelen voor aandelenopties in start-ups enscale-ups. Ik kan aangeven dat ik op dit moment samen met de Ministervan Economische Zaken werk aan een wetsvoorstel, dat wordt aange-boden ter consultatie, voor de fiscaal voordelige regeling voor werkne-mersopties die kunnen worden toegekend aan werknemers van start-upsen scale-ups. Dat wordt dus op korte termijn vervolgd. Deze nieuwefiscale regeling zal voorzien in een grondslagversmalling voor het bepalenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11537 van het fiscaal voordeel dat uit dergelijke opties wordt genoten en inuitstel van belastingheffing tot het moment van verkoop van de aandelenzolang de werkgever nog kwalificeert als een start-up of scale-up. Debeoogde inwerkingtredingsdatum van de nieuwe regeling is 1 januari2027.Dan vraagt mevrouw Van Eijk waarom het advies uit het eigen onder-zoeksrapport van Financiën wordt genegeerd: niet wijzigen voor hetnieuwe box 3-stelsel. En ben ik bereid om de invoeringsdatum uit testellen? Ik ben heel voorzichtig en ik ga niet verwijzen naar de moties-Idsinga. In lijn met de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport is er inreacties op de internetconsultatie voor gepleit om bij een voorgenomenwijziging eerst de invoering van het nieuwe box 3-stelsel af te wachten.Het uitstellen van een invoeringsdatum zoals nu wordt gevraagd, is – ikzeg het toch – niet in lijn met de aangenomen moties-Idsinga en leidtbovendien tot een dekkingsopgave. Als de Kamer in de huidige samen-stelling in meerderheid deze wens heeft, dan zal het kabinet dit, zoalsgezegd, welwillend bekijken.Dan een vraag van de heer Hoogeveen over lucratief belang ...Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik heb het idee dat mijn vragen zijn beantwoord, dus ik pak ’m nu maar. Ikheb moeite met het feit dat de Staatssecretaris het omdraait. Een aantalleden van deze Kamer bepleitten: zorg er nu voor dat je in samenhang aldie regelingen beoordeelt en wacht op de invoering van het nieuwebox 3-stelsel voordat je een dergelijke maatregel er weer overheen gooit.Nu kun je zeggen: we voeren eerst box 3 in en dan kijken we wel of er ietsmisloopt. Of: we voeren eerst werknemersparticipaties in en we kijken danwel of dat handig is. Dan heb ik liever dat we in de volle breedte kijkennaar dit type regelingen, die op de een of andere manier overlap hebben,elkaar beïnvloeden en misschien zelfs tegen elkaar in werken, nog los vanhet feit dat je ons investeringsklimaat graag aantrekkelijk wilt houden. Datpleit gewoon voor uitstel. Als die hele motie-Idsinga er niet was geweest,had het er waarschijnlijk niet gelegen. Het kabinet had nadrukkelijk al welonderzoek gedaan naar lucratief belang en naar verbetermogelijkheden.Als je dat allemaal bij elkaar zet, is de Staatssecretaris het dan met mijeens dat het, gezien al die ontwikkelingen, verstandig zou zijn om tewachten op het advies van Wennink en om al die ontwikkelingen bij elkaarte pakken? Dan nemen we in één keer de goede maatregelen, nog los vanhet feit dat dit qua handhaving en toezicht natuurlijk een drama is, ook inde uitvoering.Staatssecretaris Heijnen:Ik vind de suggestie van mevrouw Van Eijk een hele goede. Ik kan mevoorstellen dat we wachten. Echter, wij voeren de wens van de Kamer uit– en dan zeg ik het toch – met de moties-Idsinga. Ik snap dat mevrouw VanEijk zegt dat ze daar liever mee wil wachten, maar destijds was eenmeerderheid van de Kamer voor het invoeren van deze lucratiefbelang-maatregel. Ik ben benieuwd hoe dat nu is. Als een meerderheid van deKamer daar nu mee wil wachten totdat de nieuwe aandelenoptieregelinger is en totdat het advies van Wennink er is, dan kunnen wij ons daar zeergoed in vinden.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Als een van de mede-indieners van de moties-Idsinga wil ik hier graag eenandere invalshoek noemen. De eerste motie vroeg eigenlijk het volgende.Je hebt private-equitymanagers die forse bonussen krijgen. Dat isnormaal gesproken inkomen uit werk, dus waarom zou je die niet in box 1belasten? Dat was eigenlijk wat de motie ooit vroeg. Die was onuit-voerbaar. Er kwam dus een rapport met opties, met varianten. De tweedemotie-Idsinga vroeg toen: doe dan de uitvoerbare variant, die vandaagTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11538 voorligt. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat de optie die er nu ligt weluitvoerbaar is? Alleen, de capaciteit voor de handhaving is pas twintig jaarlater klaar, maar laten we nu niet doen alsof er een onuitvoerbare motie inde wet gegoten is. Dat is volgens mij niet het geval.Staatssecretaris Heijnen:Ik kan dat bevestigen. Hij is uitvoerbaar, maar de handhaafbaarheid kanop dit moment nog niet worden ondersteund met behulp vanIV-systemen. Dat kan pas over een aantal jaar.De voorzitter:Oké. U vervolgt uw betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan haak ik in op de vraag van de heer Stultiens over de signalen dieopgevangen zouden zijn om structuren aan te passen op de tariefver-hoging als de multiplier wordt ontlopen. Hij vraagt wat wij gaan doen omdeze nieuwe structuren op te sporen en zo snel mogelijk te dichten. Bijeen hogere belastingdruk dan het tarief in box 3, zal sprake zijn vandiverse gedragseffecten, zoals herstructurering en het mogelijkverplaatsen van investeringen naar het buitenland, waardoor de budget-taire opbrengst naar verwachting lager zal uitvallen. Om die reden kiesthet kabinet ervoor om voor de belastingdruk op voordelen uit eenmiddellijk gehouden lucratief belang te laten aansluiten bij het maximalebelastingtarief in box 3. De heer Stultiens had het hierbij al overtwee moties. Het kabinet zet zich altijd in – dat is logisch – om ongewenstestructuren te voorkomen. Zo wordt in het Belastingplan 2026 ook eenmaatregel voorgesteld om een ongewenste structuur in de lucratiefbe-langregeling te kunnen tegengaan. Die is bij de nota van wijziging, toenwij doorkregen dat er toch nog een mogelijkheid was, verder aange-scherpt.Dan ga ik naar de verbruiksbelasting. Die zit ook in de overige fiscalemaatregelen. Ik heb een vraag van de heer Stoffer: de opbrengst van deaanpassing van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken komt tengoede aan de algemene middelen; waarom is er niet voor gekozen om hettarief te verlagen? In het hoofdlijnenakkoord is een taakstelling fiscaleregelingen en constructies afgesproken. De aanpassing van de verbruiks-belasting ziet op het tegengaan van een omzeilingsconstructie, namelijkde omzeiling van verbruiksbelasting door het toevoegen van een vleugjezuivel. De opbrengst van die maatregel, 41 miljoen vanaf 2027, is daaromgebruikt voor de invulling van een deel van die taakstelling.Dan de vragen van de heren Vermeer en Stoffer over de verbruiksbe-lasting. Zij vragen of ik bereid ben vruchten- en groentesappen uit tezonderen van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken en of ik kantoezeggen de verbruiksbelasting om te zetten naar een suikerbelasting opbasis van toegevoegde suikers. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik hetheel belangrijk vind dat er eindelijk duidelijkheid komt voor de sector. Dediscussie over de vormgeving van de verbruiksbelasting duurt al veel telang. Dit leidt tot onzekerheid voor een sector waarin ondernemers hardwerken aan producten die van Nederlandse bodem komen. Maar datbetekent wel dat er eerst keuzes moeten worden gemaakt over devormgeving. Dat geldt zowel voor het uitzonderen van sappen als voor deomzetting naar een nieuw systeem.Ten eerste over het tarief: als dranken zoals sappen van de belastingworden uitgezonderd, zullen de tarieven van dranken die nog wel wordenbelast, moeten stijgen, of er moet een alternatieve dekking wordengevonden. Ten tweede geldt dat als het tarief voor frisdranken stijgt, bierlager zou worden belast dan frisdrank. Ook daarover moet een keuzeworden gemaakt. Daarnaast zijn er uitvoeringsvraagstukken en gezond-heidsoverwegingen, en geldt dat het creëren van nieuwe uitzonderingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11539 binnen het stelsel zou kunnen leiden tot onrechtmatige staatssteun. Ikmag u dan ook verwijzen – dat heb ik ook al gedaan – naar de brief vanmijn ambtsvoorganger met de inmiddels zeven scenario’s. In het eerstewetgevingsoverleg, afgelopen maandag, hebben we daar ook overgesproken. De heren Stoffer en Vermeer gaven aan een voorkeur tehebben voor variant 5 en de heer Grinwis gaf aan meer in variant 4 of 4bte zien. Er zullen keuzes gemaakt moeten worden, maar dat kan.De voorzitter:Dat roept toch nog een reactie op bij de heer Grinwis.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik heb gezegd dat ik variant 5 begrijp, maar dat ik wel het nadeel zie vanhet steeds verder opgaan in die varianten, omdat de grondslag daardoorsteeds smaller wordt en de tarieven steeds hoger. Daarmee wordt deverstoring ook steeds groter. Dat heb je bij variant 4 in iets mindere mate,maar dat heb je daar natuurlijk ook wel bij. Ik denk dat variant 1 tot en met3 niet passen binnen de uitgangspunten die wij als Kamer hebbenmeegegeven. Vanaf variant 4a kun je als kabinet en Kamer serieus vangedachte wisselen met elkaar. Maar hoe zit de Staatssecretaris hier zelf in?De Staatssecretaris kan de bal bij ons leggen om een keuze te maken – ikschets het nadeel en het voordeel van de verschillende varianten – maarwat geeft hij mee aan advies? Hij heeft als senator, een andere rol, eenbeetje in de richting van variant 5 gepleit, maar nu zitten we echt met devraag hoe we het gaan doen. Dan kunnen we niet meer zomaar spelenmet alleen maar partijpolitieke voorkeuren, maar moeten we het echtgoed inrichten.Staatssecretaris Heijnen:De heer Grinwis wijst terecht op mijn positie als senator. Ik denk, als u hetmij en het kabinet vraagt, dat wij variant 5 wel een goede variant vindenof in ieder geval een variant waarbij vruchten- en groentesappen wordenuitgezonderd van de verbruiksbelasting. Wij vinden het lastig, zeg ik heeleerlijk, dat als je dat onverkort zo doorvoert, bier goedkoper wordt danfrisdrank. Dat is niet zozeer omdat ik dat persoonlijk lastig vind, maar ikdenk dat er een verkeerd signaal van uitgaat.De voorzitter:Ik wilde u helpen, maar ik laat u nog even verder spreken. U mag uwbetoog vervolgen.Staatssecretaris Heijnen:Dat was eigenlijk het einde van mijn betoog. Dus ik pleit voor variant 4a of4b of variant 5, met een lichte voorkeur voor 5. Daarbij denk ik dat het eenverkeerd signaal is als bier goedkoper zou worden dan frisdrank.De voorzitter:Laten we kijken wie het daarmee eens is of niet. Eerst geef ik het woordaan mevrouw Van Eijk.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik heb wel een vraag. Variant 5 gaat nadrukkelijk over die toegevoegdesuikers. We hebben in vorige debatten heel veel discussie gehad over deuitvoerbaarheid en wat de douane wel en niet kan. Is dat dan opgelost?Staatssecretaris Heijnen:Goede vraag. Dat wil ik niet zeggen. Misschien dat het dan niet preciesvariant 5 is, maar het ging mij erom met name vruchten- en groentes-appen uit te zonderen. Ik weet niet of dat precies variant 5 is, maar daarkan de heer Vermeer meer over vertellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11540 De voorzitter:De heer Vermeer heeft het woord.De heer Vermeer (BBB):Ik wil, voordat er een verkeerd beeld ontstaat, wel even zeggen dat ditnatuurlijk niet betekent dat bier goedkoper wordt dan frisdrank, maar dathet gaat om de belasting daarvan. We moeten dus niet in de richting vanconsumenten doen alsof bier goedkoper wordt dan frisdrank, want dat ishierbij helemaal niet aan de orde.Staatssecretaris Heijnen:Dat klopt. Dat is heel terecht opgemerkt, maar over het algemeen geefthet wel dat signaal af. Ervan uitgaande dat er niet een extra prijsver-hoging komt, zou het uiteindelijk in de prijs verdisconteerd kunnenworden.Dan ga ik naar een vraag van mevrouw Van Dijk over de uitwijkingsmoge-lijkheid van het toevoegen van een vleugje zuivel: had het kabinet dieverwacht bij het tot stand komen van de verbruiksbelasting? Ten tijde vande introductie van de verbruiksbelasting was niet de insteek – dat mogeduidelijk zijn – dat dranken met alleen een vleugje zuivel ook van dieverbruiksbelasting zouden zijn uitgezonderd. Het risico op die omzeilings-route lijkt toentertijd niet te zijn voorzien. Zoals we weten, gebeurde hethelaas wel. Met de voorgestelde maatregel wordt het in ieder geval voorde toekomst verder voorkomen.Voorzitter. Dan ga ik met uw goedvinden naar het blokje schenken enerven. Dan ga ik door met de vraag van de heer Stultiens of ik papierenschenkingen onwenselijk vind als deze louter en alleen worden gebruiktom belasting te ontwijken. Hij vroeg ook of ik bereid ben om opties inkaart te brengen om dit tegen te gaan. Het korte antwoord is: ja, ik vind ditonwenselijk; ik ben bereid om opties in kaart te brengen om dit tegen tegaan. Maar ik geef wel alvast mee dat het waarschijnlijk niet mogelijk zalzijn om een onderscheid te maken tussen papieren schenkingen met enkelen alleen een fiscaal motief en papieren schenkingen die ook om andereredenen worden gedaan. Dat zal dan dus alles of niets zijn. Ter toelichtingzeg ik nog dat ik ernaar streef om deze opties de eerste helft van volgendjaar aan uw Kamer te sturen.Voorzitter. Dan gaan we naar de BOR. Mevrouw Van Eijk en de heerStoffer vragen of ik kan toezeggen dat de versobering van de BOR uit hetvorige Belastingplan ook echt definitief van de baan is. De heer Stoffervraagt mij ook of ik me wil blijven inzetten voor alternatieven omhetzelfde te bereiken als met het amendement was beoogd. Mevrouw VanEijk vraagt mij ook of ik bekend ben met het stimuleringsbeleid van deEuropese Commissie om familiebedrijven met bedrijfsopvolging tefaciliteren en of ik dit beleid actief steun. Ik kan de vraag van mevrouwVan Eijk en de heer Stoffer bevestigend beantwoorden: de beperking vande BOR tot reguliere aandelen met een belang van ten minste 5% is vande baan. Er zijn geen plannen om die maatregel weer voor te stellen endat betekent ook dat de lidmaatschapsrechten in coöperaties de bedrijvennog steeds kwalificeren voor de BOR. Daarbij is het zo dat de familiebe-drijven vooral gebaat zijn bij rust op het gebied van de BOR. Bedrijvenhebben dan duidelijkheid en in dit verband wil ik wel bezien of dezeamendementen beter zouden kunnen worden verwijderd uit de wet doormiddel van een wetgevingsprocedure.Dan kom ik bij de vraag van de heer Stoffer of er geen andere alterna-tieven zijn. Ik begrijp die vervolgvraag heel goed – hij was immers ook eenvan de indieners van het amendement – maar ik zie binnen de BOR op ditmoment geen ruimte voor alternatieven die niet tot problemen zoudenleiden die vergelijkbaar zijn met de problemen waar het amendement toeleidt. Ik kan me voorstellen dat een alternatief ook ingrijpend zou kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11541 zijn voor de bestaande BOR en bestaande familiebedrijven die daargebruik van maken.Tot slot kom ik bij de vraag van mevrouw Van Eijk. Ja, ik ben bekend methet stimuleringsbeleid van de Europese Commissie en ik zal dit beleid ookactief ondersteunen om te zorgen voor een aantrekkelijk klimaat voorfamiliebedrijven. De Europese Commissie beveelt de lidstaten ook aan omervoor te zorgen dat de erfbelasting bij bedrijfsopvolging in ieder gevalniet tot liquiditeitsproblemen leidt.De heer Vermeer (BBB):Ik wil nog even een check doen met betrekking tot die accijnzen op bier enfrisdrank. Volgens mijn informatie is de totale accijns op bier € 38 perhectoliter en zou frisdrank met dat voorstel op € 30 per hectoliter komen.Dan is dus iedereen die bang is dat bier niet zwaar genoeg belast wordtten opzichte van frisdrank nog steeds gerustgesteld. Klopt dat?Staatssecretaris Heijnen:Ik vertrouw de cijfers van de heer Vermeer volledig, maar staat u mij toeom daar in de tweede termijn op terug te komen.De voorzitter:Er is volgens mij ook nog een vraag van mevrouw Van Eijk.Mevrouw Van Eijk (VVD):De Staatssecretaris deed zojuist de suggestie om met een wetsvoorstel deamendementen uit de wet te verwijderen. Dat kan toch ook met een notavan wijziging op het huidige Belastingplan, vraag ik aan de Staatssecre-taris. Dan is het een kwestie van opgeruimd staat netjes. Dat zeggen zedan toch, geloof ik? Ja.Staatssecretaris Heijnen:Dat zou kunnen, zeg ik tegen mevrouw Van Eijk, maar het zou wel erg lastminute zijn en ik weet niet zeker of we dat voor elkaar krijgen, als ik heeleerlijk ben. Misschien kan het bij de Fiscale verzamelwet, hoor ik net,begin volgend jaar.De voorzitter:Voordat er buiten de microfoon allerlei suggesties heen en weer gaan,gaat u uw betoog vervolgen. Wellicht kunnen de mensen die hier belangbij hebben – ik weet niet of dat iedereen is – daarover dan achteraf met deStaatssecretaris van gedachten wisselen. Of mensen moeten er nog eeninterruptie aan willen wijden; dat mag natuurlijk ook.Staatssecretaris Heijnen:Dan het blokje wetsvoorstel Inzagerecht fiscaal dossier. Ik begin met devragen van de heren Oosterhuis en Stultiens. Zij vragen of ik het wenselijkvind dat bezwaar en beroep mogelijk worden als belastingplichtigenvermoeden dat niet alle relevante stukken zijn vrijgegeven. Ik ben het metbeide heren eens dat burgers en bedrijven de mogelijkheid moetenhebben om ter discussie te stellen of alle relevante stukken op het portaalzijn geplaatst. Ook onder het huidige wetsvoorstel blijft dit dus mogelijken de rechtsbescherming blijft dus gewaarborgd. Onder het huidigewetsvoorstel is er geen zelfstandige rechtsingang tegen een beslissing opeen verzoek tot inzage. Die beslissing wordt immers niet genomen, omdattoegang tot de stukken wordt verleend via een portaal. Belastingplichtigenhebben op grond van dit wetsvoorstel via de belastingaanslag al eenrechtsingang naar de beschikking waar de stukken betrekking op hebben.Als een belastingplichtige vermoedt dat zijn dossier onvolledig is, kan hijdat standpunt in een bezwaar tegen de belastingaanslag of beschikkinginnemen. Als hij het niet eens is met de beslissing, staat er, zoals bekend,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11542 een rechtsingang bij de rechter open. Voordeel daarvan is, vinden wij, dater niet twee afzonderlijke procedures naast elkaar kunnen gaan lopen,namelijk de procedure tegen de vaststelling van het dossier en deprocedure tegen de aanslag.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Waar mijn fractie zich zorgen om maakt, is dat het eigenlijk voor demensen thuis nu te moeilijk wordt. Het is namelijk alles of niks: of je moettegen je hele aanslag in beroep of bezwaar gaan – dat is best een grotestap – of je moet er gewoon op vertrouwen dat je alles van de stukkengezien hebt. Is er geen middenweg mogelijk? Ik hoor graag hoe dituitvoerbaar kan, waardoor je ook gewoon kan zeggen: «Hé, ik heb hetgevoel dat bepaalde stukken niet worden gedeeld. Ik wil graag wetenwelke dat zijn. Ik heb recht op inzage in mijn dossier.» Is er geentussenweg mogelijk, vraag ik de Staatssecretaris.Staatssecretaris Heijnen:Dat is eigenlijk een variant op de vraag die de heer Stultiens afgelopenmaandag stelde en waar ook de heer Oosterhuis naar vroeg: is er eenuitvoerbare variant denkbaar waarin bezwaar en beroep wel mogelijk is?We hebben daarnaar gekeken, ook naar aanleiding van de vraag van beideheren. Op dit moment zien wij die uitvoerbare variant niet. Van de variantvan het fiscaal inzagerecht waarin bezwaar en beroep mogelijk is, is opvoorhand duidelijk dat daar substantieel extra capaciteit voor nodig is. Deprecieze impact zou bij de verdere uitwerking moeten worden meege-nomen. De uitvoerbaarheid is ook van meerdere aspecten afhankelijk,waaronder het feit dat een variant met bezwaar en beroep misbruikge-voelig is. Daarmee is, zeg ik heel eerlijk, de uitvoerbaarheid van eenvariant op dit moment niet te overzien. Dit staat nog los van de capaciteitom het dossier samen te stellen. Vanwege prioritering van capaciteitbinnen de Belastingdienst en de Douane, krapte op de arbeidsmarkt enbudgettaire gevolgen heeft het kabinet daarom de afweging gemaakt omeen zelfstandige bezwaar- en beroepsprocedure geen onderdeel te latenuitmaken van het voorliggende wetsvoorstel. Verder is met hetwetsvoorstel zo veel mogelijk aangesloten bij het inzagerecht dat wordtgeïntroduceerd met de Wet versterking waarborgfunctie Awb. Ook daarstaat geen extra bezwaar- en beroepsmogelijkheid open.De voorzitter:Een vervolgvraag.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ja, één vervolgvraag. Mocht het ons als Kamerleden lukken om iets tevinden wat uitvoerbaar is, is er dan wel politieke ruimte om te kijken naaroplossingen? Kijk, wat betreft de capaciteit: we willen allemaal nietonnodig veel ambtenaren hierop zetten. Ik denk alleen: hoeveel mensengaan daadwerkelijk in beroep of bezwaar hiertegen? Ik denk: best weinigmensen. Ja, we moeten voorkomen dat het een soort verdienmodel wordtvoor bedrijven. Dat willen we allemaal niet. Volgens mij wordt dat breedgedeeld. Maar mocht het lukken om iets te bedenken met elkaar – ik weetdat ook het CDA heel erg aan het nadenken is – is er dan politieke ruimteom te kijken naar een amendement op deze wet? Wij zijn namelijk bangdat we nu te ver doorslaan in het beperken van het oorspronkelijke ideevan de heer Omtzigt.Staatssecretaris Heijnen:Ik snap de vraag. Een risico dat wij wel voorzien, is dat er mogelijkmisbruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar en beroep in testellen en dat er heel veel bezwaar- en beroepschriften ingediend gaanworden, wellicht via de bekende no-cure-no-paybureaus, waardoor deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11543 uitvoering van de Belastingdienst verder vastloopt. Wij zien dus geenalternatieven, maar als de heer Stultiens en mevrouw Van Dijk mogelijk-heden zien, houden wij ons aanbevolen voor een idee.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Met de ozb hebben we bijvoorbeeld ingegrepen in het verdienmodel. Daarzou je hier ook aan kunnen denken, om te zorgen dat er geen verdien-model kan ontstaan als we wel iets mogelijk zouden maken hierin.Staatssecretaris Heijnen:Ja, dat kan. Verzoeken kunnen geautomatiseerd worden opgesteld met AI,waardoor een veelvoud aan verzoeken, bezwaren en beroepen kunnenworden ingediend, ook zonder no-cure-no-paybureaus. Als niet tijdig opeen verzoek wordt beslist, moet een dwangsom worden betaald. Eengegrond bezwaar of beroep levert daarnaast wel een proceskostenver-goeding op en mogelijk ook een vergoeding voor het niet tijdig behan-delen van dat bezwaar of beroep. Misschien kunnen we voorkomen datdie no-cure-no-paybureaus ontstaan. Echter, we kunnen, denk ik, nietvoorkomen dat de hoeveelheid bezwaar- en beroepschriften ontzettendgaat stijgen.De voorzitter:Ik zag een soort schijnbeweging bij de heer Oosterhuis, maar ik weet nietzeker of hij een vraag heeft. Nee, hij reikt ergens anders heen. Oké, gaat udan verder, meneer de Staatssecretaris; vervolgt u uw betoog.Staatssecretaris Heijnen:Ik kom aan bij de vraag ...De voorzitter:Toch nog een vraag, in dit geval van de heer Vlottes.De heer Vlottes (PVV):Ik zat er nog even over door te denken. Is het probleem dan deIV-capaciteit? Of is het probleem alleen de termijn waarbinnen gereageerdzou moeten worden op de beslissing op het bezwaar? Dan zou je dietermijn bijvoorbeeld kunnen verruimen. Ik zit gewoon even na te denken.Staatssecretaris Heijnen:Een goede vraag van de heer Vlottes. Ik denk dat beide een probleemkunnen opleveren. Het kan zo zijn dat de Belastingdienst het niet aankanvanwege het gebrek aan personeel en IV-capaciteit, en het kan zijn dat wedaardoor niet tijdig binnen de termijn kunnen reageren, waardoor erdwangsommen moeten worden betaald.De voorzitter:U vervolgt uw betoog.Staatssecretaris Heijnen:Zoals ik al zei: een vraag van de heer Oosterhuis. Hij vroeg of ik erken dathet inzagerecht volgens het amendement-Omtzigt bedoeld is voorsituaties waarin er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer is,bijvoorbeeld als pas jaren later blijkt dat iemand onterecht is behandeld.Het inzagerecht op grond van het wetsvoorstel ontstaat op het momentdat er een aanslag is opgelegd, of er een voor bezwaar vatbarebeschikking is genomen.Een eventueel bezwaar tegen de inhoud van het dossier loopt dan ooksamen met de bezwaartermijn van dat besluit over die beschikking. Destukken blijven echter veel langer op de portal beschikbaar, namelijk tothet moment dat deze moeten worden vernietigd op basis van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11544 Archiefwet. Belastingplichtigen die na jaren vermoeden dat ze onterechtzijn behandeld, hebben nog wel toegang tot die stukken. In sommigesituaties is het ook na afloop van de bezwaartermijn mogelijk om inbezwaar en beroep te gaan. Voor de inkomstenbelasting kan diegene eenverzoek doen voor ambtshalve vermindering. Daarna gaat een nieuwebezwaartermijn lopen, waarbij ook kan worden gesteld dat het dossierniet compleet is. Ik hecht er wel aan om ook aan te geven dat de discussieover het fiscaal dossier over het algemeen zal ontstaan op het momentdat er onenigheid is over een aanslag of een voor bezwaar vatbarebeschikking.Dan vroeg de heer Oosterhuis wat het kabinet doet om de informatiehuis-houding op orde te krijgen, zodat openheid de norm wordt in plaats vaneen risico. Het zal geen verrassing zijn: het kabinet onderschrijft hetbelang van transparantie. Informatiehuishouding die op orde is, isdaarvoor essentieel. De Belastingdienst heeft het programma Informatie-huishouding op orde ingericht in 2021. Hieruit zijn vijf actielijnengekomen, waarover u periodiek wordt geïnformeerd. Ook de Douanewerkt aan de hand van diverse programma’s voortdurend aan deversterking van de informatiehuishouding. De eerlijkheid gebiedt tezeggen dat het programma ter uitvoering van het fiscaal inzagerecht ookbijdraagt aan het verder op orde brengen van de informatiehuishouding.Het heeft dus de aandacht en we werken eraan, maar er moeten nog welde nodige dingen gebeuren.Dan de vraag van mevrouw Van Eijk of ik kan bevestigen dat de inkom-stenbelasting niet al per 31 december 2025 onder het inzagerecht wordtgebracht, zolang dit leidt tot tijdelijke noodoplossingen en verdringing bijgrote IT-vernieuwingen, en of er dan wellicht ook wordt gedacht aan hetnieuwe box 3-stelsel. Dat kan ik bevestigen. Er is gekozen voor eeningroeimodel, waarbij de inzageprocessen en IV-voorzieningen staps-gewijs worden gerealiseerd en beschikbaar kunnen worden gesteld. Hetingroeimodel houdt in dat de verplichting om inzage te verlenen pasontstaat als er een koninklijk besluit wordt geslagen voor de desbetref-fende rijksbelasting. Met een uitvoeringstoets zullen per rijksbelasting dekosten en de impact op de uitvoering worden bepaald. Daarmee blijft tot2032 de flexibiliteit bestaan om zo nodig andere IT-vernieuwingen teprioriteren boven het inzagerecht. Ik zal uw Kamer uiteraard meenemen inde tussentijdse stappen.Dan vroeg mevrouw Van Eijk of ik erken dat een halve, noodgedwongenof tijdelijke implementatie van artikel 66a leidt tot meer risico’s, minderrechtszekerheid en uiteindelijk vertraging, en of ik bereid ben expliciet depauzeknop in te drukken totdat de informatiehuishouding daadwerkelijkop orde is. Zoals ik reeds eerder heb aangegeven, houdt het ingroeimodelin dat de verplichting tot het verlenen van inzage per rijksbelasting pasontstaat als een koninklijk besluit wordt geslagen. Daarmee is er, denkenwij, de waarborg dat de verplichting pas ontstaat op het moment dat uitde uitvoeringstoets blijkt dat het inzagerecht voor een specifieke rijksbe-lasting uitvoerbaar is. Daarnaast vindt er in 2030 ook een herijking van deuitvoeringstoets plaats. Ik zal uw Kamer uiteraard meenemen in detussentijdse stappen die wij hierin zetten, zoals ik al heb aangegeven.Mevrouw Van Eijk vraagt wanneer de Kamer een concreet, realistischtijdpad richting volledige implementatie na 2030 ontvangt. Ik kanaangeven dat het mijn plan is dat uw Kamer begin volgend jaar eenaddendum op de uitvoeringstoets ontvangt. Daarmee wordt u verdergeïnformeerd. Het is uiteraard een continu proces. Op dit moment is hetvoor ons, voor de Belastingdienst en de Douane, lastig om een concreettijdpad te geven. Het is eigenlijk work in progress, om het zo maar eens tezeggen; het is een continu proces. We zullen u periodiek op de hoogtehouden van de stand van zaken en de vorderingen.Mevrouw Van Dijk vraagt of er altijd handmatige verwerking zal moetenplaatsvinden. Kan de uitvoering dat aan? Leidt het niet tot risico’s? OfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11545 neemt het de focus op modernisering weg? De Belastingdienst en deDouane zullen zo veel mogelijk zoeken naar ondersteuning in ICT. Veelstukken zullen automatisch kunnen worden ontsloten. Bij twee processenblijft echter handmatig werk nodig. Het eerste proces betreft het arcerenvan stukken om gewichtige redenen, dus het weglakken van stukken, ende beoordeling of stukken al dan niet ontsloten kunnen worden. Dit houdtdus in dat een inspecteur of behandelaar kijkt of om gewichtige redeneninformatie ontsloten kan worden of niet. In de toekomst kan dit mogelijkmet behulp van AI gebeuren, maar die techniek is nu nog lang niet goedgenoeg. Ik zeg het heel eerlijk: het is ook de vraag of en wanneer we deverantwoordelijkheid voor geheimhouden of inzichtelijk maken verleggenvan de inspecteur naar de computer. Ik ben daar zelf altijd een beetjehuiverig voor. Hier blijft handmatig werk dus voorlopig aan de orde. Hettweede proces betreft de ontsluiting van complexe dossiers die niet ingestructureerde systemen van de Belastingdienst of de Douane zitten. Hetis ook niet de verwachting dat dit type dossiers altijd automatischontsloten kan worden. Deze twee soorten handmatig werk zullen dusinderdaad ook in de toekomst moeten worden verricht. Daar zullen extrauitvoeringskosten mee gemoeid blijven.Op de vraag van mevrouw Van Dijk over een eerste inschatting van hetimplementatieplan ben ik al kort ingegaan, maar zij vroeg ook naar dekosten. De totale kosteninzage is op dit moment helaas nog niet mogelijk.De kosten voor de eerste stap van inzage fiscaal dossier bedroegen24,6 miljoen. Die kostenpost is ook met u gedeeld. De Douane ismomenteel aan het onderzoeken hoe een pilot inzagerecht voor deDouane vorm kan krijgen. Na de pilot kan een inschatting wordengemaakt van de kosten voor de implementatie. De uiteindelijk teverwachten kosten zijn uiteraard afhankelijk van veel factoren, maar zullennaar verwachting toch wel een veelvoud zijn van de kosten voor de eerstestap. Voor de dekking zal dus ook budgettaire besluitvorming moetenplaatsvinden. Om een onderbouwde schatting te kunnen maken – want ikbegrijp de vraag – worden afhankelijkheden via een eerste uitwerkinginzichtelijk gemaakt. Ik noem dat «het addendum op de uitvoeringstoets».Hierom zullen ook de kosten voor het eerste plateau, inkomensheffingenniet-winst, uitgewerkt worden. Vervolgens worden met een uitvoerings-toets per rijksbelasting de kosten ingeschat. Ik begrijp uw vraag, mevrouwVan Dijk, maar op dit moment kan ik daar helaas niet meer over zeggen.Zodra er meer duidelijk is over de kosten van de verdere, totale uitrol zalik de Kamer hierover informeren.Dan vraagt mevrouw Van Dijk of ik een mogelijkheid zie om een verzoek-procedure te hanteren totdat het portaal volledig gereed is. Dat zou er inde praktijk toe leiden dat de Belastingdienst en de Douane tijd encapaciteit moeten investeren in een tijdelijke verzoekprocedure. Destukken zullen in die periode handmatig bij elkaar moeten wordengezocht, naast de twee processen die ik noemde. Dat moet ook handmatiggebeuren. Uit de uitvoeringstoetsen van de Belastingdienst en de Douaneblijkt dat dit helaas niet uitvoerbaar is. Daarnaast zou dat ten koste kunnengaan van de uitrol van het inzagerecht voor alle rijksbelastingen. Burgersen bedrijven kunnen echter wel verzoeken om de verstrekking van stukkendie nog niet op het portaal staan. Tegen een beslissing op zo’n verzoekstaat op dit moment geen bezwaar of beroep open.Mevrouw Van Dijk vroeg ook hoe we ervoor zorgen dat minder digivaar-digen de mogelijkheid krijgen om een geprinte versie aan te vragen. Bij deBelastingdienst wordt het proces om deze mensen te ondersteunenmomenteel uitgewerkt. Het is de bedoeling dat er in 2026 al onder-steuning wordt geboden. Dit zal verlopen als een groeiproces, uiteraardsamen met de digitale uitrol. Wanneer de inzage in stukken van eenrijksbelasting bij koninklijk besluit wordt geformaliseerd, moet ook devoorziening voor minder digivaardige burgers gereed zijn. De Douanedaarentegen streeft ernaar om het inzagerecht zo veel mogelijk digitaal teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11546 realiseren. Dit sluit ook aan bij de doelgroep van de Douane, die hoofdza-kelijk bestaat uit ondernemers.De voorzitter:Een korte vraag van mevrouw Van Dijk.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Eigenlijk gaat het dus volledig parallel?Staatssecretaris Heijnen:Ja.Dan ben ik bij het kopje vliegbelasting.De voorzitter:Er is eerst nog een vraag van mevrouw Van Eijk.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ja, ik heb nog twee vragen op dit punt. Het is fijn als de Staatssecretarisons op de hoogte kan houden van ontwikkelingen op dit dossier, want ditgaat natuurlijk jaren duren. We gaan daar stapjes in maken. Kan hijtoezeggen dat hij dit meeneemt in de stand-van-zakenbrieven van deBelastingdienst? Dat lijkt me namelijk wel een mooie plek om dat te doen;dan houden we de vinger aan de pols.Mijn tweede vraag betreft het slaan van het KB. Dat is in principe aan hetkabinet. Kan de Kamer op de een of andere manier meer aan de voorkantworden betrokken, voordat zo’n belangrijk besluit wordt genomen? Ikprobeer wat meer grip te krijgen op het proces. Ik zou daar graag eenreactie van de Staatssecretaris op willen.Staatssecretaris Heijnen:Op beide vragen kan ik met ja antwoorden. Ja, we zullen het meenemenin de stand-van-zakenbrieven. En ja, we zullen de Kamer van tevoreninformeren wanneer wij een KB gaan slaan.Dan ga ik nu in op de Wet differentiatie tarief vliegbelasting. Eerst heb ikeen korte intro en daarna wil ik ingaan op de diverse vragen die zijngesteld. Zoals bekend hebben we in Nederland sinds 2021 een vliegbe-lasting met een vlak tarief. Dat betekent dat je op dit moment voor eenkorte vlucht naar Parijs hetzelfde bedrag aan belasting per passagierverschuldigd bent als voor een langeafstandsvlucht naar bijvoorbeeldTokio. Onderzoek laat echter zien dat de externe kosten van langeafstands-vluchten, zoals klimaatschade, gezondheidseffecten en geluidsoverlast, invergelijking met de korte of kortere vluchten slechts in lage of lagere matezijn geïnternaliseerd. Met dit wetsvoorstel zetten we, denk ik, een stap inde goede richting naar een hogere mate van internalisering van deexterne kosten. Dit doen we door het tarief van de vliegbelasting tedifferentiëren naar afstand: hoe verder de vlucht, hoe hoger de belasting.Tegelijkertijd hecht ik eraan om te vermelden dat voor zo’n 80% van devluchten het tarief gelijk blijft aan het huidige tarief. Dit zijn vooral devluchten naar Europese bestemmingen. Het tarief voor de overige 20%van de vluchten wordt per passagier verhoogd met bijvoorbeeld € 15voor vluchten naar Turkije en met € 40 voor vluchten naar Amerika.Daarnaast wordt met dat voorstel een structurele budgettaire opbrengstvan 257 miljoen euro gerealiseerd, zoals afgesproken in het hoofdlijnenak-koord.Voorzitter. Dan wil ik naar de vragen gaan. Ik heb een vraag van de heerVlottes: wordt een gewone vakantie door de differentiatie in de vliegbe-lasting niet onbetaalbaar? Hij vraagt of de vliegbelasting niet dezelfde kantop kan gaan als de tabaksaccijns, dus dat deze alleen maar geld kost inplaats van oplevert. Wij zijn van mening dat een gewone vakantie doordeze differentiatie niet onbetaalbaar wordt. Zoals ik al zei, blijft de prijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11547 van 80% van de vluchten binnen Europa namelijk gelijk. Voor langereafstanden gaat het om een verhoging van circa € 15 tot € 40 perpassagier ten opzichte van het huidige tarief. Wij vinden een dergelijkeverhoging redelijk om de externe kosten van vliegen beter te internali-seren. Uit onderzoek komt trouwens naar voren dat het uitwijken naarbuitenlandse luchthavens naar verwachting beperkt is. De maatregelgenereert dan ook een stabiele en structurele budgettaire opbrengst. Dezeraming is ook door het CPB gecertificeerd, zoals te doen gebruikelijk.Mevrouw Van Dijk vroeg of het kabinet kan reflecteren op de hoogte vande voorgestelde tarieven. Gaat Nederland niet uit de pas lopen, vroeg zij.Zij stelde ook nog een aantal andere vragen over een vergelijking met deverlaging van de vliegbelasting in Duitsland. Ik wilde die vragengezamenlijk beantwoorden. Voor vluchten binnen Europa geldt dat hethuidige tarief van de vliegbelasting in Nederland, € 29,40, relatief hoog isten opzichte van de tarieven in de ons omringende landen. Het tarief voordeze vluchten wijzigt echter niet en geldt ook na de invoering van hetgedifferentieerde tarief per 2027. Voor langere vluchten geldt dat hethuidige tarief van de vliegbelasting in Nederland lager ligt dan inomliggende landen. Met de voorgenomen differentiatie gaat Nederlanddus gemiddeld genomen een meer progressief stelsel hanteren, waarbijlangere, vervuilendere vluchten zwaarder worden belast. Dit past bij onzeinzet om de luchtvaart eerlijker te beprijzen en tegelijkertijd een stabielebudgettaire opbrengst te realiseren. Onze overtuiging is dat we daarmeeniet uit pas lopen. We kiezen juist voor een systematiek die beter aansluitbij de externe kosten van de luchtvaart.Daarop aansluitend vroeg mevrouw Van Dijk ook of ik bereid ben om teonderzoeken waar de Duitse vliegbelasting uiteindelijk op uitkomt en watde mogelijke gevolgen daarvan zijn voor de Nederlandse luchthavens.Waarom wordt deze analyse niet eerst uitgevoerd voordat wordt beslotentot invoering per 2027? Zoals ik al zei, is de differentiatie van het tariefafgesproken in het hoofdlijnenakkoord. Hiervoor is een budgettaireopbrengst van 257 miljoen euro ingeboekt. Nou is het zo dat belasting-plichtigen en de Belastingdienst voldoende tijd nodig hebben om demaatregel te implementeren, zodat uitvoering per 2027 mogelijk is en ookde budgettaire opbrengst kan worden gehaald. Hiernaast verandert deverlaging van de Duitse vliegbelasting naar ons idee ook niets aan onzeinschatting dat de uitwijkeffecten beperkt zullen zijn. Mag ik dat illus-treren? 80% van de vluchten die vertrekken van Duitse luchthavens is eenkorteafstandsvlucht. Voor dit soort vluchten wordt de Duitse vliegbe-lasting naar verwachting met € 3 verlaagd.De voorzitter:Dat is een mooi punt, vond ik, voor een interruptie van de heer Vlottes.De heer Vlottes (PVV):Een heel stuk terug noemde de Staatssecretaris het redelijk om de externekosten voor een gezin mee te nemen in de verhoging van € 40 voorlangereafstandsvluchten. Ik vroeg me af waar de Staatssecretaris dat opbaseert. Wat is redelijk? Tegen welke parameters is dat afgezet? Ik vraagdit ook in relatie tot klimaat.Staatssecretaris Heijnen:Ik bedoel: redelijk, met name afgezet tegen het klimaat. Wij vinden dit eenredelijke vergoeding voor de hogere externe kosten die nu eenmaalgemoeid zijn met langere vluchten. Dat is redelijk ten opzichte van hettarief voor kortere vluchten.De voorzitter:Een vervolgvraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11548 De heer Vlottes (PVV):Ja, oké, maar dat gaat dan vooral om kortere vluchten ten opzichte vanlangere vluchten. Wat doet dat voor de externe kosten? Wat doet hetbijvoorbeeld voor klimaat? Wat doet dat voor vermindering op het gebiedvan klimaat ten opzichte van de kortere vluchten? Ik begrijp de verhoudingtussen korte vluchten en langeafstandsvluchten, maar ik wil dan meer heteffect weten op de externe kosten. Ik noem dat overkoepelend even«klimaat», zeg maar.Staatssecretaris Heijnen:Nou ja, langere vluchten hebben meer gevolgen voor het klimaat danandere zaken. Dat is het gevolg daarvan.De voorzitter:Nog een vervolgvraag? Ja, hoor, gaat uw gang.De heer Vlottes (PVV):Ja, dan zijn we er bijna. Wat maakt deze verhoging dan redelijk en watdoet die dan voor het klimaat?Staatssecretaris Heijnen:Ik zei al: redelijk ten opzichte van het tarief voor kortere vluchten. Wat dieverhoging doet voor het klimaat? We gaan ervan uit dat daarmee eenredelijke vergoeding ... En we gaan ervan uit dat wellicht bepaald gedragwordt gestimuleerd. Het gaat erom dat het redelijk is ten opzichte van deafstand; dat vinden wij belangrijk.De heer Vlottes (PVV):Nog één poging, voorzitter. Ja, maar wat doet dat dan voor het klimaat,dus bijvoorbeeld in de reductie? Ik noem dan eventjes als voorbeeld depseudo-eindheffing; die werd heel mooi genoemd. Die haalt danmogelijkerwijs een reductie van tussen de 0,2 en 0,4 megaton. Wat doetdeze verhoging dan en wat maakt die dan redelijk?Staatssecretaris Heijnen:Op de vraag wat die precies doet voor het klimaat, moet ik het antwoordschuldig blijven. Maar ik heb «redelijk» niet gezegd in het kader vanklimaat, maar in het kader van afstand; dat heb ik geprobeerd uit teleggen. De heer Vlottes gaf aan dat te begrijpen, dus ja, dat is mijnantwoord.De heer Vlottes (PVV):Excuus, voorzitter; dank u wel. Maar dan neem ik aan dat als de Staatsse-cretaris mij het antwoord schuldig blijft, ik daar nog een antwoord opkrijg, hetzij schriftelijk, hetzij later.Staatssecretaris Heijnen:Zeker. Daar komt nog een antwoord op.De heer Vlottes (PVV):En wanneer?Staatssecretaris Heijnen:In de tweede termijn, als de heer Vlottes daarmee kan leven.De heer Vlottes (PVV):Daar kan ik mee leven.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11549 De cirkel is rond. Als hier geen verdere vragen over zijn, dan vervolgt u ditbetoog.Staatssecretaris Heijnen:Mevrouw Van Dijk vroeg waarom er niet gekozen wordt voor eengecoördineerde Europese aanpak om het gelijk speelveld te waarborgen.Ik snap die vraag. Het kabinet zet zich al jaren in voor een eerlijkeinternationale beprijzing van de luchtvaart. Deze route kent echteraanzienlijke drempels, zoals de Europese Energiebelastingrichtlijn, die hetbelasten van kerosine nog steeds belemmert. Aanpassing van dit soortkaders is op korte termijn helaas niet realistisch. Daarom acht het kabinethet noodzakelijk om nu nationale maatregelen te treffen, zoals devliegbelasting en de nu voorgestelde aanpassing daarvan. In mijn eigenwoorden zeg ik tegen mevrouw Van Dijk: als we wachten op Europa,wachten we nog lang.Dan was er een vraag van de heer Stoffer over de ultraperifere gebieden.De voorzitter:Voor die tijd is er nog even een vraag van D66.De heer Oosterhuis (D66):De Staatssecretaris zei: als we op Europa wachten, duurt het lang. Ik hadook de vraag gesteld wat het kabinet dan nu zelf doet om te kijken of hetin Europa wat sneller kan. We zijn natuurlijk zelf een onderdeel vanEuropa. Misschien komt de Staatssecretaris nog op die vraag, maaranders hoor ik het graag nu.Staatssecretaris Heijnen:Nou, ik gaf al aan dat wij ons daar in Europees verband, bij de Ecofin enandere organisaties, voor inzetten. Maar wij merken dat dat geengemakkelijk traject is en dat wij daarin vaak alleen staan.Dan ga ik naar de vraag van ...De voorzitter:Ik zag toch nog een vraag van de heer Stultiens op dit onderwerp.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Veel partijen zeggen vaak terecht: we trekken samen op in Europeesverband. De Staatssecretaris geeft aan: we staan daarin soms alleen. Opdit moment is in Brazilië de klimaattop bezig; uw collega is daar aanwezig.Verschillende landen pleiten daar voor het belasten van privéjets en voorhet belasten van businessclasspassagiers. Onder andere Frankrijk zegthet, Spanje zegt het en zelfs de heer Hoekstra zegt het, een bekende naamhier. Nu is de grote vraag: waar blijft Nederland?Staatssecretaris Heijnen:De vraag is bekend. De vraag is ook al vaker gesteld door de heerStultiens. We hebben daar op dit moment om diverse redenen niet voorgekozen. Een van de redenen is uitvoeringstechnisch. Volgens mij hebbenwe daar ook in eerdere Kamerbrieven een nadere toelichting op gegeven.Uiteindelijk hebben we gekozen voor de differentiatie en niet voor andereheffingen. Dat is dus het antwoord.De voorzitter:Er is nog een vervolgvraag van de heer Stultiens. Daarna is er nog eenvan de heer Oosterhuis.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ja, op twee punten. Ten eerste is het raar dat eerst wordt gezegd dat wesamen op moeten trekken en dat Nederland, nu andere landen ons komenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11550 vragen of we alsjeblieft mee willen doen, namelijk Spanje en Frankrijk, enook Wopke Hoekstra namens de Europese Commissie, niet zegt: wat eengoed initiatief, laten we samen optrekken. Dan de uitvoerbaarheid. Wehebben een amendement klaarliggen om privéjets te belasten methetzelfde tarief als in Frankrijk. Dat is heel redelijk. Dat is niet volgend jaaral uitvoerbaar, maar per 2030. Ik hoop op een open houding van decollega’s hier, maar ook van de Staatssecretaris, om ons te latenaansluiten bij die bondgenoten in Europa.Staatssecretaris Heijnen:Zodra we het amendement ontvangen, zullen we daar uiteraard naarkijken. We kijken er altijd met een open houding naar.De heer Oosterhuis (D66):Ik wil toch nog wel even door op het punt van de heer Stultiens over hetvooroplopen, want ik voel me na het antwoord op zijn vraag een beetjemet een kluitje in het riet gestuurd met mijn vraag. Ik hoorde de Staatsse-cretaris zeggen «wij willen wel, maar de rest wil niet», terwijl Spanje enFrankrijk juist vooroplopen op de COP met het initiatief tegen privéjets,waar Nederland dan weer niet aan meedoet. Dus wat is het nu?Staatssecretaris Heijnen:Er zijn meer landen in Europa dan alleen Spanje en Frankrijk. Er zijn ookheel veel landen die dit niet willen. Binnen de Europese Unie moet er opdit soort zaken toch echt minimaal een gekwalificeerde meerderheidworden gehaald en die hebben we nog niet weten te bereiken.De heer Oosterhuis (D66):Nee, dat begrijp ik. Maar dit is toch wel een iets ander beeld, want metSpanje, Frankrijk en Nederland hebben we het niet over de kleine landenbinnen de Europese Unie. Een gekwalificeerde meerderheid is hetnatuurlijk nog niet, maar het is wel een serieus bondgenootschap. Danvind ik eerlijk gezegd de uitvoerbaarheid niet het allersterkste argumentom ons nu niet bij een toch grootse oproep van Macron en de Eurocom-missaris aan te sluiten. Als wij zeggen dat we het nu nog niet uit kunnenvoeren, is dat niet het allersterkste argument om niet mee te doen.Staatssecretaris Heijnen:Ik kan me voorstellen dat de heer Oosterhuis dat zegt. Van de andere kant:als ik de heer Stultiens goed heb begrepen, houdt hij nadrukkelijkrekening met de uitvoerbaarheid door invoering pas vanaf 2030 voor testellen. Die problemen met de uitvoerbaarheid zijn er dus zeer zeker.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Een korte aanvulling. Net ging het over een gekwalificeerde meerderheid,maar die is natuurlijk niet nodig. Landen hebben het al ingevoerd.Frankrijk heeft al een belasting voor privéjets. Het VK is inmiddels geen lidmeer van de Europese Unie, maar heeft ook zo’n belasting. Wachten opEuropa duurt soms te lang. Sommige stappen kun je al zetten. Dan zou iknet als de heer Oosterhuis zeggen dat we die kans moeten grijpen. AlsWopke Hoekstra het wil, moeten we als Nederland toch denken: let’s go!Staatssecretaris Heijnen:Ik dacht niet dat ik ooit nog van de heer Stultiens zou horen: alsWopke Hoekstra het zegt, let’s go! Dat vond ik wel een mooie opmerking.We zien het amendement graag tegemoet.Dan kom ik nu toe aan de vraag van de heer Stoffer over de UPG’s, deultraperifere gebieden. Meer concreet zijn dat de Azoren, Madeira en deCanarische Eilanden. Hij vraagt waarom voor deze gebieden eenuitzondering wordt gemaakt voor het hoge tarief en of het dan nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11551 rechtvaardiger is om al dit soort gebieden gelijk te behandelen. We gaannaar een systeem waarbij de afstand het tarief bepaalt. Voor de UPG’s isdaarop één kleine aanpassing gedaan. Dat komt omdat zij binnen de EUeen bijzondere status hebben. We hebben de aanpassing gedaan voorUPG’s die binnen de 3.500 kilometer liggen. Waarom hebben we dieafstand gekozen? Dat is ongeveer de afstand tot de verst weg gelegenEU-lidstaat, namelijk Cyprus. De UPG’s die binnen dezelfde afstand vallen,vallen dus binnen het lage tarief, net als de EU-lidstaten. De UPG’s dieverder weg liggen dan 3.500 kilometer worden ingedeeld aan de hand vanhun werkelijke afstand tot Nederland. Wij denken dat er zo een mooiebalans is gevonden. Deze gebieden liggen weliswaar in de EU, maar voorde verder weg gelegen gebieden geldt wel een hoger tarief. Dat is precieswat wij met deze maatregel willen bereiken.Dan ga ik naar Suriname en de heer Grinwis. Hij heeft aangekondigd eenamendement voor te bereiden om de vluchten naar Suriname onder hetlaagste tarief te laten vallen. Hij heeft dat tijdens het wetgevingsoverlegook uitgebreid toegelicht. Ik wil daar alvast kort op reageren. Allereerst wilik aangeven dat het kabinet uiteraard de historische banden tussenNederland en Suriname onderkent. Dat staat buiten twijfel. Wij denkenechter dat een afzonderlijke indeling voor Suriname afbreuk doet aan degekozen systematiek van de heffing op basis van afstand. Ik zie in hetfiscaal recht echt geen aanknopingspunten om het hebben van historischebanden een gerechtvaardigd onderscheidend criterium te laten zijn. AlsSuriname wordt uitgezonderd op basis van historische verbondenheid,zou dit dan ook niet voor andere landen met vergelijkbare banden –Indonesië werd maandag al genoemd – moeten gelden? Wij denken dat erdaarmee een risico ontstaat dat andere landen of luchtvaartmaatschap-pijen met een vergelijkbare positie of afstand kunnen stellen dat zijongelijk worden behandeld, zonder objectief verdedigbare reden.De voorzitter:Dit amendement is al ingediend. Uit de inleiding van de appreciatie maakik op dat het waarschijnlijk ontraden wordt. Maar goed, die vraag mag deheer Grinwis stellen. Hij heeft wellicht ook nog andere vragen.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dat klopt, voorzitter. Dank. U hebt dat adequaat samengevat. Het wordteen ander oordeel dan bij dat over box 3; dat hoor ik al. Ik snap wat deStaatssecretaris zegt. We kunnen natuurlijk de andere kant opgaan: wekunnen Indonesië toevoegen et cetera. Maar het karakter van de praktijk ...Laat ik het op een andere manier vragen. De praktische situatie is dat ermaar één directe vlucht is tussen het Europese continent en Paramaribo,namelijk vanaf Amsterdam. Die wordt benut door de Surinaamsegemeenschap in Nederland, die relatief groot is. Volgens mij gaat het om370.000 mensen. Zij bezoeken vooral familie. Het gaat dus veel minder,zoals bij Indonesië, ook bijvoorbeeld om toeristische doeleinden. Dit ismíjn vraag, meneer Vermeer; u hoeft het niet met mij eens te zijn. Dit ismijn reactie in de microfoon op een reactie buiten de microfoon. Mijnvraag is: is er écht geen objectiveerbaar criterium te bedenken waarom ditstand zou kunnen houden? Want ik snap de precedentwerking. Ik snap dathet allemaal misschien prematuur of lastig is. Ik snap dat objectief deafstand groter is. Maar het is natuurlijk wel heel wrang dat de vluchtennaar de Cariben wél zijn uitgezonderd, omdat dat binnen het Koninkrijk is.De prijzen zijn daar echter vaak goedkoper, omdat er meer concurrentie is,dan de prijzen voor die ene vlucht naar Suriname, die écht wordt gebruiktdoor een specifieke doelgroep met een specifiek doel. Is daar niet eenobjectiveerbaar criterium uit te halen voor zo’n uitzondering?Staatssecretaris Heijnen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11552 De heer Grinwis geeft al aan dat Suriname verschilt van het Caribisch deelvan ons Koninkrijk. Dat klopt. Wij hebben geen objectieve rechtvaardi-gingsgrond kunnen ontdekken. We hebben wel gekeken naar anderelanden die een vergelijkbare regering hebben en daar zie je dat eenuitzondering voor staten waarmee een EU-lidstaat historische bandenheeft, afwijkt van de internationale praktijk. Meer concreet: Frankrijk enhet Verenigd Koninkrijk doen dit ook niet.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dus we zouden echt iets innovatiefs doen, begrijp ik hieruit.Staatssecretaris Heijnen:Zo kennen we de heer Grinwis weer. Ja.De voorzitter:Ik kondig alvast aan dat we zo meteen heel even gaan schorsen voor destemmingen, want die beginnen zo en ik kan me zo voorstellen dat inieder geval een aantal mensen, zeker van de kleinere fracties, daarbijwillen zijn. Ik denk dat ik een vrij voorspellende gave had, want destemmingsbel gaat nu. Dus bij dezen schorsen we. Dat doen we in iedergeval tot 15.00 uur. Dan zijn we hier denk ik sowieso wel weer terug. Demensen die er niet bij hoeven te zijn, kunnen ook even koffiedrinken endan zijn we om 15.00 uur hier weer terug. Dan schors ik de vergaderingvoor nu.De vergadering wordt van 14.43 uur tot 15.23 uur geschorst.De voorzitter:Goedemiddag. We waren even onderbroken vanwege de stemmingen enomdat uw voorzitter zelf nog iets bij de regeling van werkzaamheden aanhet doen was. We kunnen het WGO over het Belastingplan weervervolgen. Ondertussen is er volgens mij enigszins bijgekletst, zijnwellicht de nodige sanitaire stops gemaakt en is er koffie bijgetankt. Wekunnen dus volgens mij in volle vaart verder met dit WGO. Daarvoor geefik het woord aan de Staatssecretaris, die volgens mij bij het blokje overigwas aangekomen, als ik de administratie nog goed heb bijgehouden. Hetwoord is aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Heijnen:Dank, voorzitter. Uw administratie klopt: ik was inderdaad bij het kopjeoverig aangekomen. Ik wilde beginnen met de vragen van een grootaantal leden over de stelpost voor fiscale regelingen en de vraag waaromhet niet invullen van die stelpost bij de burgers terecht is gekomen en delast op arbeid is verhoogd. Zowel de heer Oosterhuis als mevrouw VanDijk vragen waarom er niet meer wordt ingezet op fiscale regelingen.Voorzitter. De afgelopen jaren is er best wel veel gedaan. Daarom zijn ergeen constructies meer die op korte termijn kunnen worden aangepakt. Indit Belastingplan zijn wel twee belastingconstructies aangepakt, zoals uweet. De eerste betreft de verbruiksbelasting, met het «vleugje zuivel». Detweede betreft het aanpassen van de erfbelasting bij overlijden onderhuwelijkse voorwaarden en de 50%. Er zijn ook wat stappen gezet voorhet inperken van negatief geëvalueerde regelingen. In het Belastingplan isdat bijvoorbeeld het geleidelijk afbouwen van het plafond in de leidingwa-terbelasting, het schrappen van het enkele kwarttarieven in de motorrijtui-genbelasting en het versoberen van de ETK-regeling. Het resterende deelvan de stelpost is inderdaad nog niet ingevuld. In het hoofdlijnenakkoordis, zoals u weet, opgenomen dat, voor zover deze maatregel niet wordtgerealiseerd, de noodremafspraak voor de lasten in werking treedt.Toch even het volgende. De tabelcorrectiefactor wordt voor in totaal47,2% niet toegepast. Daarvan ziet een percentiel van 4,2 op de stelpostenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11553 en fiscale regelingen. De rest ziet op de dekking voor de btw op cultuur,media en sport. Op het totaal valt dat dus heel erg mee: ongeveer 90%.Maar het klopt dat de stelposten niet volledig ingevuld zijn.Dan ga ik ... Ik twijfel even. Voorzitter, ik weet niet of mevrouw Van Dijknog terugkomt.De voorzitter:Die is nog heel even afwezig in verband met een afspraak, maar u kuntdenk ik eventueel de beantwoording alvast doen. Er zal ongetwijfeldiemand meekijken.Staatssecretaris Heijnen:Ik zal deze als laatste doen. Misschien dat ze dan terug is. Mocht dat nietzo zijn, dan doe ik ’m als laatste.De voorzitter:Dat lijkt mij heel schappelijk. Dank u wel.Staatssecretaris Heijnen:Dat gaat over de kansspelbelasting. Volgens mij is dat wel een belangrijkpunt voor haar.Dan ga ik naar de vraag van de heer Stultiens, over de grondslagleenstructuren in de Energie-investeringsaftrek en de Milieu-investeringsaftrek. De vraag is waarom we deze structuren niet tegengaanen of wij deze structuren een ongewenste vorm van belastingontwijkingvinden. Wetstechnisch is het mogelijk om het gebruik van de EIA en MIA,zoals die in de volksmond heten, in specifieke situaties te beperken.Hierdoor kunnen die regelingen in bepaalde situaties niet meer wordentoegepast of minder aantrekkelijk worden. Dit kan er dan dus toe leidendat er minder investeringen worden gedaan in onder andere energiebe-sparende bedrijfsmiddelen. Vorig jaar is door de partij van de heerStultiens een amendement ingediend om specifieke structuren waarbij deEIA en MIA wordt gebruikt, tegen te gaan. Het amendement is toen nietaangenomen. Het ligt dan ook niet voor de hand dat het kabinet op ditpunt een maatregel voorstelt.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Korte vraag. Blijft het oordeel net als vorig jaar «oordeel Kamer»? Dangaan we herkansen om te proberen ervoor te zorgen dat de Kamer nu welhet goede advies volgt.Staatssecretaris Heijnen:Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet wist dat het «oordeel Kamer» was,maar als de heer Stultiens dat zegt, dan is dat zo. Ik zie niet in waarom datanders zou moeten zijn.De heer Grinwis is er ook niet. Ik had een specifieke vraag van hem. Ikweet niet of hij in dezelfde bespreking zit. Ik ga gewoon door met de vraagvan de heer Grinwis. Hij kan mijn antwoord dan terugkijken. Hij refereertaan een motie die op de laatste dag voor het verkiezingsreces is aange-nomen die ziet op een vrijstelling van overdrachtsbelasting bij eentaakoverdracht tussen woningcorporaties. Zijn vraag is heel concreet of ikdeze motie ga uitvoeren en of ik dat met een nota van wijziging bij ditBelastingplan ga regelen of in een volgend Belastingplan. Zoals mijncollega, de Minister van VRO, en ik eerder per Kamerbrief hebbenaangegeven, sluit het begrip «taak» niet helemaal aan bij de invulling vande maatschappelijke taken van corporaties in het woningmarktbeleid zoalsvastgelegd in de Nationale Prestatieafspraken. Dit houdt in dat deoverdrachten tussen deze partijen in principe belast zijn met overdrachts-belasting en dat kan belemmerend werken voor de solidariteit tussenwoningcorporaties zoals vastgelegd in die Nationale Prestatieafspraken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11554 Daarom onderzoek ik op dit moment samen met VRO hoe een eventuelevrijstelling beter kan aansluiten bij deze doelen. In feite streven wedaarmee het doel na waartoe de motie van de heer Grinwis oproept. Erwordt dan tevens meteen gekeken naar eventuele staatssteunaspectenvan een vrijstelling. Dit onderzoek loopt nog en in het eerste kwartaal vanvolgend jaar hopen en verwachten we voldoende informatie te hebbenom hierover een besluit te nemen, waarna we uiteraard de Kamer zulleninformeren. Daarmee heb ik impliciet al aangegeven dat ik dit niet zouwillen meenemen in het Belastingplan met een nota van wijziging, maarals een afzonderlijk wetsvoorstel.Dan een vraag van de heer Oosterhuis over de uitvoering. Hij geeft aandat de Belastingdienst, de Dienst Toeslagen en de Douane ook dit jaar nogkampen met krapte en met grote uitdagingen. Dat klopt. Hoe kijkt deStaatssecretaris daarnaar? Maakt de Staatssecretaris zich hier zorgenover, ook naar de toekomst kijkend? Wat is de verwachte uitstroom en hoegaat de Belastingdienst dat oplossen? Hoe ga ik de uitvoering ontlasten?Het klopt dat het beschikken over voldoende vakbekwaam en vitaalpersoneel een van de belangrijkste continuïteitsrisico’s blijft. Ondanks alleuitdagingen weet de Belastingdienst nog steeds voldoende nieuwemensen aan zich te binden en op te leiden. Ook wordt blijvend geïnves-teerd in het behoud en de ontwikkeling van medewerkers. Wel vraagtnieuw beleid rondom bijvoorbeeld box 3 de komende jaren extrapersoneel evenals het tijdig opleiden daarvan. Ondanks de instroom en defocus blijft de personele bezetting van de Belastingdienst daarmee ook inde toekomst onder druk staan. Maar om heel concreet de vraag tebeantwoorden: nee, ik maak me hier geen zorgen over, maar, ja, het heeftwel onze blijvende aandacht en die aandacht is ook nodig om te zorgendat het niet zorgwekkend wordt.Dan kom ik nu toch aan de kansspelbelasting. Ik kan er niks aan doen.Mevrouw Van Dijk vroeg of tariefdifferentiatie in de kansspelbelastingtoch niet technisch mogelijk is, ook omdat dat bij de vliegbelasting welbleek te kunnen. Zij vroeg hoe ik dat zie, of het nu wel of niet kan. Ik weetdat mevrouw Van Dijk de kansspelbelasting graag zou willen differen-tiëren. Dat is een langgekoesterde wens die zij al een aantal keren heeftuitgesproken. Het kabinet heeft aangegeven dat daar toch wel behoorlijkwat haken en ogen aan zitten en daar ook geen voorstander van te zijn.In het afgelopen jaar is, omdat uw Kamer daarom verzocht, uitgebreidonderzoek gedaan naar de mogelijkheden en onmogelijkheden vantariefdifferentiatie binnen de kansspelbelasting. Dat was een vraag vanmevrouw Van Dijk. Onderdeel daarvan waren verschillende gesprekkenmet de kansspelsector, de verslavingszorg en, zoals gevraagd, ook met degoededoelensector. Op 15 mei dit jaar heb ik de uitkomsten van datonderzoek met uw Kamer gedeeld. de conclusie van het kabinet is en blijftdat tariefdifferentiatie geen goed idee is en wel om de volgende redenen:er zou een fiscale regeling toegevoegd worden die naar verwachting nietdoelmatig is, het belastingstelsel wordt daarmee ingewikkelder in plaatsvan eenvoudiger, en differentiatie is niet in lijn met het kansspelbeleid enleidt wat ons betreft ook tot afbakeningsproblematiek, namelijk wat is eenhoog risico en wat is een laag risico? Ook is er mogelijk een risico opongeoorloofde staatssteun en, wat misschien ook wel belangrijk is: er isgeen garantie dat tariefdifferentiatie leidt tot hogere afdrachten voorgoede doelen.Wij zijn van mening dat dit doel beter op een andere manier nagestreefdkan worden, bijvoorbeeld, als we dat zouden willen, door middel van eensubsidie. Onderdeel van het onderzoek was ook dat differentiatie eenstructuuraanpassing in de IV is, waardoor het een aantal jaren duurtvoordat dat geautomatiseerd verwerkt kan worden. Handmatigeverwerking is bij de kansspelbelasting veel moeilijker dan bij de vliegbe-lasting. Kort gezegd komt het erop neer dat er bij de kansspelbelastingveel meer belastingplichtigen zijn en de materie ook complexer is. DitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11555 neemt niet weg dat wij de gevolgen voor goede doelen en sport goed inde gaten houden. Zoals ook al eerder toegezegd wordt de verhoginggemonitord en zal uw Kamer hierover in het tweede kwartaal van 2026verder worden geïnformeerd.Voorzitter. Daarmee ben ik aan het einde gekomen van de vragen. Ik hoopdat ik alle vragen van de leden beantwoord heb, behalve één.De voorzitter:Dat gaan we zien, maar in ieder geval die van de heer Stultiens niet. Dieheeft nog een vraag.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Van één weet ik het inderdaad zeker. Die gaat over de horizonbepaling vande fiscale regeling. Dat is een motie van drie jaar geleden die is aange-nomen. Die zegt dat we ook bij bestaande fiscale regelingen een horizon-bepaling willen, zodat ze in principe eindigen, tenzij er een argument isom ze te verlengen. Eigenlijk is die motie nog steeds niet uitgevoerd en devraag is: waarom niet?Staatssecretaris Heijnen:Dat is een hele goeie vraag. Mag ik daar in de tweede termijn opterugkomen?Voorzitter. Dan wil ik afsluiten. Dank voor het debat tot dusverre, zeg ikaan de leden van de Kamer.Ik zal nog één opmerking maken, over de amendementen. Ik hebbegrepen dat er inmiddels een dertiental amendementen op het Belas-tingplan is ingediend. Het waren er vijftien, maar er zijn er tweeingetrokken. Uiteraard staat het de Kamer vrij om dat te doen, ook in grotehoeveelheid; dat is een belangrijk grondrecht. Maar ik wil nogmaalsbenadrukken, ik denk ten overvloede, dat amendementen geen vrijblij-vende toevoegingen zijn en verstrekkende gevolgen kunnen hebben voorde samenleving en ook voor de uitvoering door de Belastingdienst. Dat isten overvloede; ik heb dat vaker gezegd.Tot slot zou ik de Kamer willen vragen om amendementen zo vroeg alsmogelijk in te dienen en niet te wachten tot het laatste belastingplandebat.Dat geeft ons wat meer mogelijkheden om daar goed naar te kijken. Devoorzitter gaf het al aan: in het plenaire debat zal ik alle amendementenappreciëren. Woensdag 26 november zal ik nog de welbekende apprecia-tiebrief met uw Kamer delen.Voorzitter. Daarmee ben ik aan het einde van mijn eerste termijngekomen. We zouden wat ons betreft na een korte pauze naar de tweedetermijn kunnen.De voorzitter:Ik heb nog twee opmerkingen, allereerst een over de amendementen. Deoproep dat iedereen die amendementen zo snel mogelijk wil hebben, islogisch. Nou weet ik ook dat mijn collega’s daar in een vroegtijdig stadiumal heel hard aan werken en dat er vaak ook bij de ondersteuning vanuit deKamer of het ministerie aan gewerkt wordt. Dat kost ook tijd en het duurtsoms lang voordat de collega’s aan mijn linkerzijde de amendemententerugkrijgen en ze kunnen indienen. Soms zijn ze dus, voor zover het werkdoor de collega’s is gedaan, al ingediend bij de ondersteuning, maarhebben ze die nog niet teruggekregen. Dat kan soms voor enigevertraging zorgen. Ik weet toevallig, zoals net nog bij de lunch isbesproken, dat iedereen erom staat te springen dat ze zo snel mogelijkhun eigen amendementen terugkrijgen om ze vervolgens ook formeel inte kunnen dienen. Volgens mij is dat een gedeelde wens; dat wilde ik evenbenadrukken. Dat is één.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11556 Twee. Ik dacht dat het zinvol is als de brief met de appreciaties, waar u vanzei dat die ook nog komt, maandag al komt. Of heb ik dat verkeerdbegrepen?Staatssecretaris Heijnen:Wat betreft die twee punten: ik zal intern bij ons aangeven dat deKamerleden met smart zitten te wachten op de uitwerking van deamendementen, dus dat gaat zeker tot enige spoed leiden. We kunnenmaandag alvast een appreciatie geven op de ingediende amendementen.De voorzitter:Dat lijkt me hartstikke fijn voor iedereen, want dan kunnen we inderdaadiets wat belangrijk is zo zorgvuldig mogelijk doen. Dat gezegd hebbendekijk ik even of er nog punten of vragen zijn voordat we overgaan naar eentweede termijn.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik heb één korte opmerking. Ik ben het zowel met de Staatssecretaris alsmet de voorzitter eens dat er hard gewerkt wordt. Het is logisch dat wij deantwoorden afwachten om te bepalen wat we echt indienen of willenaanpassen. De ambtenaren werken dus keihard, ónze ambtenaren ook,maar het is ook logisch dat wij op basis van wat hier vandaag gezegdwordt, kijken of we iets indienen. Voor een deel zal het dus helaas weereen beetje lastminutewerk zijn, het liefst zo min mogelijk.Staatssecretaris Heijnen:Het is helder waar de bal ligt.De voorzitter:We werken er met z’n allen aan om het zo goed mogelijk te doen, met deverschillende perspectieven die er zijn.Dat gezegd hebbende zijn we volgens mij toegekomen aan de tweedetermijn van de Kamer. We hebben afgesproken dat moties niet vandaagworden ingediend zoals dat wel gebruikelijk is bij een tweede termijn vaneen wetgevingsoverleg, maar dat dat in de tweede termijn van hetplenaire debat gebeurt. Er is op dit moment dus geen mogelijkheid ommoties in te dienen, maar er is nog wel een mogelijkheid om eventueeleen aantal opmerkingen te plaatsen in de tweede termijn als die behoefteer is.Staatssecretaris Heijnen:Wilde u gelijk beginnen? Sorry.De voorzitter:Ik wilde in ieder geval gelijk beginnen met de tweede termijn van deKamer, tenzij daar aan de zijde van de Kamer bezwaar tegen is. Ik heb erbest wel begrip voor dat we even schorsen voor de beantwoording van deStaatssecretaris, ook omdat ik weet dat hij nog zou terugkomen op eenaantal punten die in de eerste termijn zijn gemaakt. Het lijkt me logischdat we nu kijken welke vragen er nog leven aan de zijde van de Kamer. Alsdat ook nog wat uitzoekwerk vraagt, kan dat gelijk meegenomen wordenin de schorsing die we zullen hebben voordat we overgaan naar detweede termijn van de regering.Staatssecretaris Heijnen:Prima, voorzitter. Dank. Wijt deze vraag maar aan de onervarenheid vande Staatssecretaris.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11557 We komen er samen uit. Ik kijk in ieder geval eventjes naar mijn linker-zijde. We doen het volgens mij weer op volgorde van grootte, dus webeginnen bij de heer Oosterhuis met de vraag of hij een tweede termijnwil leveren.De heer Oosterhuis (D66):Dank, voorzitter. Dank ook aan de Staatssecretaris voor de antwoorden.Daarin was van de onervarenheid vrij weinig te merken, dus veel dankvoor wat waarschijnlijk zijn enige Belastingplan als Staatssecretaris zalzijn.Ik wil op een aantal onderwerpen terugkomen. Ik zal ook meteen deinhoudelijke vragen stellen die ik anders morgen in mijn eerste termijnzou stellen. Dan beperk ik mij morgen tot een mooie beschouwing in mijnmaidenspeech.We hebben het gehad over de arbeidskorting per uur, het voorstel vanmevrouw Inge van Dijk. Zelf hebben wij vanuit D66 ook voorstellen vooreen urenvoordeel voor mensen die fulltime werken. Ik houd toch nog veelvragen bij de argumentatie van de Staatssecretaris of dat nu wel of nietverstandig zou zijn. Die bewaar ik voor een volgend debat.De pseudo-eindheffing. Ik geloof dat ik wat minder een petrolhead bendan de heer Stoffer met zijn voorliefde voor Duitse diesels van tien jaaroud. Ik denk dat dit een verstandige maatregel is.De heer Stoffer (SGP):Een persoonlijk feit, voorzitter. Ik rijd sinds begin deze week in een totaalelektrische auto. Maar die voorliefde is er nog steeds, hoor. Dat klopt wel.De voorzitter:We kijken uit naar wat voor auto het volgende week wordt. Maar het isterecht een persoonlijk feit, hoor.De heer Oosterhuis (D66):Een hele verstandige keuze van de heer Stoffer, denk ik. Ik kijk ook metveel belangstelling uit naar het aangekondigde amendement van de heerGrinwis om te kijken of er nog iets mogelijk is om het ook aan dewerknemerskant aantrekkelijker te maken.Dan de CO2-heffing. Ik begrijp dat deze Staatssecretaris daar moeilijk opkon ingaan. Ik hoor dinsdag in het debat graag van de Minister vanKlimaat en Groene Groei hoe deze afschaffing van de CO2-heffing zichverhoudt tot de verplichtingen die we hebben volgens de nationaleKlimaatwet.De afvalstoffenbelasting. Ik denk dat ik dat niet fraai vind: het proces niet,de inhoud niet en wat er nu in het Belastingplan staat niet. Ik heb deindruk dat de Staatssecretaris dat eigenlijk wel met mij deelt. Ik denk dathet goed is dat we de stand van zaken krijgen in de brief. De budgettaireopbrengsten en het beoogde CO2-effect zijn allemaal relevant om wel tehandhaven, maar wat de manier waarop betreft, zullen we er toch echtnog even goed naar moeten kijken hoe we dat nu definitief gaan doen.De accijnsverlaging. De Staatssecretaris gaf volgens mij heel eerlijkeantwoorden op de vragen van collega Grinwis. Ik blijf het tochingewikkeld vinden, dit «verkiezingscadeau» voor de automobilist.Tegelijkertijd zit de opvolger straks met weer een verhoging van debenzineprijs, maar wordt de verlaging van de accijns wel wordt gedektmet geld dat in dat jaar beschikbaar is. Ook daarover ligt er eeninteressant amendement van Grinwis. Tegelijkertijd wil ik me eropberaden of er iets van een geleidelijkere afbouw nodig zal zijn, maar daarkom ik later nog op terug.De vliegbelasting. Ik vind het echt jammer dat het kabinet zich nietaansluit bij internationale initiatieven. Dat doet toch afbreuk aan deteksten van het kabinet dat het hier wel degelijk het voortouw in neemt. IkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11558 denk dat dat niet het geval is, maar ik vestig mijn hoop op het volgendekabinet.Dan kom ik graag terug op twee antwoorden die ik in de schriftelijkebeantwoording kreeg. Allereerst het groen beleggen. Daar worden serieusveel projecten geraakt. Ik las in de antwoorden dat het gaat om950 projecten met een totaal van 1,2 miljard aan investeringen die jaarlijksgeraakt worden door het afschaffen van deze heffingskorting envrijstelling. Ik overweeg een amendement in te dienen om die vrijstellingen heffingskorting weer in ere te herstellen.Mijn laatste vraag gaat over de kansspelbelasting en de geplandeverhoging komend jaar na de verhoging van dit jaar. Ik blijf moeitehouden met het schriftelijke antwoord dat ik daarover heb gekregen. Inhet coalitieakkoord is een verhoging van de opbrengsten geraamd doorhet tarief te verhogen. Nu zien we dat de opbrengst omlaaggaat, met alsreden de verhoging van het tarief en de regelgeving. Maar die regelgevinggeldt volgens mij alleen voor de onlinemarkt, terwijl ook de casino’s en degokhallen juist nu minder klandizie zien. Is het doel van deze verhogingvan de kansspelbelasting nou minder gokken? Dat zou ik kunnenbegrijpen – ik weet niet of ik het ermee eens ben – maar dat levert dan nietmeer op. Of is het doel een hogere opbrengst? Dat doel bereiken we nuniet. De Staatssecretaris geeft aan dat als we zouden willen bevriezen, hijeen dekking van 83 miljoen verwacht van de Kamer. Tja. Gezien mijn heleworsteling ben ik daar niet toe bereid, maar ik zou de Staatssecretaris weleen gewetensvraag willen stellen, misschien meer in het thema van dekansspelbelasting: durft hij er nu een fles wijn op te zetten dat we die83 miljoen volgend jaar gaan binnenhalen?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Mooie cliffhanger. Ik kijk even of de heer Vlottes een tweede termijnwenst.De heer Vlottes (PVV):Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor de beant-woording tot zover. Ik wacht even de beantwoording af van wat er istoegezegd over de vliegbelasting en over box 3.Dank u wel.De voorzitter:Heel helder. Dan kijk ik naar mevrouw Van Eijk, VVD.Mevrouw Van Eijk (VVD):Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een paar vragen en opmerkingen, metdank voor de beantwoording in eerste termijn en voor de uitgebreideantwoordbrief die wij gisteren hebben mogen ontvangen.Ik heb nog één vraag over de pseudo-eindheffig. In internationaal verbandhebben we daarbij altijd te maken met verdragen. Hoe werkt deze heffingonder de verschillende verdragen? Betekent dit niet dat die heffingüberhaupt niet kan worden geheven of dat die leidt tot dubbele belasting?Daar krijg ik graag nog een reactie op.Er is in de mondelinge termijn niet meer teruggekomen op een fonds voorgemene rekening. Wel is daar vrij uitgebreid op ingegaan in de schrifte-lijke beantwoording. Ik mis echter nog steeds de overtuiging waarom hetverruimen van het overgangsrecht nou zo erg zou zijn, terwijl we daarmeetoch een aantal praktische knelpunten die nu in de praktijk leven zoudenkunnen oplossen. Ik heb hier vorig jaar ook keihard voor gestreden, engelukkig maar, want dat heeft ongelukken voorkomen. Ik heb nog steedshet onderbuikgevoel dat we nu weer iets doen wat niet helemaal oké is.Dit terwijl het verruimen van het overgangsrecht toch een heel gemakke-lijke optie is en geen geld kost, maar er wel voor zorgt dat we de praktijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11559 even de tijd en de ruimte geven om te komen tot gezamenlijke oplos-singen, ook met het ministerie, want ik weet dat dat overleg loopt.Dan de Wet minimumbelasting. Ook daar is hier niet meer mondeling opteruggekomen. Het bedrijfsleven geeft aan dat er serieuze knelpunten zijnen dat deze wet ook ons concurrentievermogen aantast. Ik weet dat erontwikkelingen zijn in Europa. Deels zijn dat de goede ontwikkelingen,maar deels misschien ook niet. Ik zou ervoor willen pleiten dat we daareen win-win van proberen te maken, want er zijn gewoon een aantalserieuze knelpunten waar ons bedrijfsleven tegen aanloopt. Laten wegezamenlijk optrekken met de landen die onder andere pleiten voorbijvoorbeeld een vereenvoudiging of het introduceren van een hightechsafe harbour. Er zijn allerlei manieren en ideeën die binnen verschillendelidstaten leven om dit op een praktische manier beter te maken voor ookons bedrijfsleven zonder dat we het doel van de minimumbelastingvoorbijschieten.Dan het punt van de Wbso. Daar is in de beantwoording op gereageerd.Fijn om te lezen dat de Staatssecretaris openstaat voor verbetervoor-stellen voor die Wbso. We lopen er wel tegenaan dat er dan weerbudgettaire dekking geleverd moet worden, terwijl we weten dat er inieder geval afgelopen jaar een serieus bedrag aan onderuitputting was.Misschien wil de Staatssecretaris in zijn tweede termijn hier nog heel evenop ingaan. Ik nodig hem uit om met ons mee te denken hoe wetwee instrumenten, namelijk het indexeren en de verzilveringsproble-matiek, toch een plek kunnen geven in dit Belastingplan.Dan de liquidatieverliesregeling. Ik voel toch ergens ruimte om het binnende liquidatieverliesregeling te kunnen oplossen, zij het dat het technischmisschien complex is. Maar het is nou ook weer niet een regeling dieieder jaar duizenden keren wordt toegepast volgens mij. We moeten hetdus ook even in proportie zien en bekijken wat het betekent voor decapaciteit, ook wetende dat de teams die hier veel mee te maken hebben,goed bezette teams zijn die uit kundige mensen bestaan. Ik zou dus tochnog graag willen weten hoe dit dan wél kan slagen en werken in deregeling zelf.Dan de bijzondere invaliditeitsverhoging. Dank voor de zeer uitgebreideschriftelijke beantwoording. Ik voel alle zorgen en risico’s; die zie ik ook. Ikheb begrepen dat er sprongcassatie is ingesteld. Die procedure zou vrijsnel aan de orde moeten zijn. Ik ga nog heel even nadenken over de vraagof ik daar nu op door wil pakken of dat het toch verstandig is om nog even– je weet trouwens nooit of het «even» is – die procedure af te wachten.Dan lees ik in de paragraaf over specifiek de uitvoering en de beschik-baarheid van schaars IT-personeel – ik noem ze maar even: de program-meurs op het gebied van Cool:Gen – dat er iets van een onderzoek looptover de manier waarop we die mensen maximaal beschikbaar kunnenhouden voor het werk waarvoor ze nodig zijn. Misschien kan de Staatsse-cretaris daar nog iets over zeggen, want daarover stond vrij weinig in debrief.Volgens mij is de Fiscale verzamelwet 2027 in consultatie of net uitconsultatie. Wellicht zit daar een haakje om die amendementen over debedrijfsopvolgingsregeling te verwerken, althans het verwijderen daarvan.Dat is een uitnodiging aan de Staatssecretaris om te bekijken hoe we dattoch snel netjes op kunnen ruimen, zonder dat er een apart wetsvoorstelvoor nodig is.Ik ben een van de mensen die nog wacht op de amendementen van deamendementenservice. De heer Stultiens merkte terecht op dat ze somsnog een keer op en neer moeten of dat we ze soms nog willen afstemmenmet collega’s. Ik doe mijn stinkende best, maar ik sluit niet uit dat ze ookbij mij pas volgende week erdoorheen gaan komen. Het is wat het is. Ikdenk niet dat ik er een verrassing in heb zitten. Ik ben, om heel concreet tezijn, nog bezig met iets voor box 3, de lucratiefbelangregeling en hetovergangsrecht voor fonds voor gemene rekening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11560 Dat was het, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dank kijk ik naar de heer Stultiens voor zijn tweede termijn.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Morgen hebben we inderdaad ook nog genoegspreektijd, dus ik zal niet alles langslopen. Ik noem wel een paarhighlights, in mijn ogen, en dingen die ik graag beter zou willen zien.Ik ben blij met de toezegging van de Staatssecretaris dat hij de komendejaren, of in ieder geval zolang als hij er nog zit, nauwlettend in de gatenhoudt of er geen nieuwe buffelboetes ontstaan. Ik hoop dat zijn opvolgersdat ook zullen doen. Voor mij is het belangrijk dat juist de groep waarvoorwij allemaal hopen dat werken meer loont, niet ineens meer belastingmoet gaan betalen. Het is fijn dat daar goed op gelet wordt. Ik hoor ookeen kleine opening voor alternatieve dekkingen na 2030 voor de buffel-boete. Maar dan moeten we wel met elkaar bekijken of er iets te vinden iswaar meer partijen achter staan. Daar gaan we nog een poging toe doen,want wij vinden het nu niet evenwichtig met de volledige dekking in diteerste tarief.Dan heb ik een blokje klimaat. Ik heb vernomen dat ik daarvoor voor eendeel moet zijn bij de collega die dinsdag aansluit, maar de overkoepe-lende boodschap is dat zowel de klimaatdoelen als de stikstofdoelen alsde circulaire-economiedoelen als de elektrischeautodoelen allemaal nietgehaald worden. En ja, er worden stapjes gezet, maar er worden ookstapjes teruggezet door sommige amendementen hier. De overkoepe-lende boodschap is wel dat we als land niet genoeg doen om de doelen tehalen. Dat vind GroenLinks-PvdA een groot probleem; dat zal niemandverbazen. Ik hoop dat hierop stappen worden gezet in de formatie.Dan de afvalverwerkingsinstallaties. Inderdaad, een maand geleden heeftmijn oud-collega Gabriëls een motie ingediend om het over de hele ketente spreiden. Ik denk nog steeds dat dit een goed idee is. Ik overweeg demotie opnieuw in te dienen, zodat die deze keer wel voldoende steunhaalt. Vorige keer was het een krappe minderheid namelijk. Ik denknamelijk dat het nu onevenwichtig bij één doelgroep is gelegd – dathebben meer collega’s gezegd – en volgens mij moeten we naar de heleketen kijken als we een circulaire economie willen.In de schriftelijke antwoorden is gereageerd op het punt over verhuldvermogen. Dat is belastingontduiking, fraude. Ik ben blij dat de Staatsse-cretaris ook toezegt verder onderzoek te doen naar waar het geld zit ennaar hoe we hier meer van kunnen optakelen. Volgens mij vinden we ditnamelijk van links tot recht onwenselijk.Dan de privéjets. Het amendement is inmiddels ingediend. Wij vinden hetzowel qua klimaat als qua rechtvaardigheid logisch dat je de grotevervuilers laat betalen, zeker als zo veel landen het al doen en deEuropese Commissie zegt: laten we eens kijken en laten we beginnen metde grootste vervuilers. Dan hoort daarbij dat mensen in een privéjet huneerlijke deel gaan betalen. Ik hoop op steun van de collega’s voor ditamendement.Erfbelasting, schenken op papier: ik ben blij met de toezegging dat deopties in kaart worden gebracht om te kijken hoe je dit ongewenste effectkunt tegengaan. We zullen daar met elkaar over doorpraten in het nieuwejaar.Dan de twee laatste punten, allereerst de inzage in het fiscaal dossier. Ikben nog steeds met collega’s hier aan het zoeken of we kunnen kijken ofhet beter kan. Daarbij is de uitvoerbaarheid belangrijk: geen onnodige fteen ook geen circus met een verdienmodel. Dat willen we allemaal niet.Uiteindelijk heb je vanuit rechtsbescherming eigenlijk het recht om tevragen om je dossier. We zoeken dus nog naar een werkbaaramendement. Ik hoop dat dat de komende dagen gaat lukken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11561 Het echt laatste punt betreft de liquidatie van de verliesregeling, die aldoor mevrouw Van Eijk werd genoemd. Wij denken dat het mogelijk is omdit gat wél te dichten, want eigenlijk is dit een gat dat we met elkaar nietwillen. Het gaat om bedrijven die hier verliezen kunnen aftrekken die zeook al konden aftrekken in een ander land. Dit is een dubbele aftrek dieeigenlijk onwenselijk is. Ook de Belastingdienst vond dat, maar we zijnhelaas teruggefloten door de Hoge Raad. We volgen uiteraard de rechter,maar dan is de vraag of we als wetgever voor de toekomst niet moetenbekijken hoe we dit gat kunnen dichten. Als het lukt om dit gat met elkaarte dichten, hoop ik dat we deze ongewenste constructie kunnenvoorkomen. Wij hebben daar ideeën over. We zijn druk aan het schakelenmet de ambtelijke ondersteuning om daar iets haalbaars van te maken.Verder zeg ik: allemaal tot morgen.De voorzitter:Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Vermeer.De heer Vermeer (BBB):Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris en zijn team voor deantwoorden en de inderdaad zeer uitgebreide schriftelijke beantwoordingvan gisteren, die echt helpt en hier volgens mij ontzettend veel tijdscheelt. Eén ding wil ik er nu nog uitpakken. Dat betreft de antwoordenover het weglekeffect van de afvalstromen naar het buitenland. Uit deantwoorden van de Staatssecretaris maak ik op dat er geen of zeer weinigrekening gehouden is met een absolute toename in exportstromen vanafval naar het buitenland. Dat is ons inziens zeer onverstandig, want jemoet daar een reductiefactor in meenemen, niet alleen voor binnenlandsereductie maar ook voor de export. Nogmaals graag een reactie van deStaatssecretaris op de vraag of en hoe hij deze raming gaat aanpassen. Iksnap dat er over ramingen en gedragseffecten gediscussieerd wordt,maar ik pak dit voorbeeld er expliciet uit, omdat uit de beantwoordingduidelijk blijkt dat er soms gewoon geen rekening gehouden lijkt te zijnmet gedragseffecten.Morgen ga ik graag verder met de inhoudelijke reactie op andere punten,zoals de motorrijtuigenbelasting voor campers. Ik wil op dat punt meerweten over de uitvoerbaarheid, want uit alle mails en correspondentie dieik daarover gekregen heb van eigenaren van campers, maak ik op dat ereen tsunami van schorsingen gaat plaatsvinden door het hele jaar heen. Ikzou graag van de Staatssecretaris horen welke gevolgen dat zal hebbenvoor de belasting bij de uitvoeringsorganisatie. Is daar rekening meegehouden, is dat goed geautomatiseerd en gaat dit niet tot hele kosten endervingen leiden? Want tot nu toe was het campertarief zodanig dat demeeste mensen dat gewoon door lieten lopen, maar nu wordt hetvoorgestelde tarief zo hoog dat ik verwacht dat mensen gewoon meerderekeren per jaar gaan schorsen, want als je een halve maand schorst, kandat straks al uit. Ik denk dat we dan hele rare situaties gaan krijgen.Verder wil ik nog melden dat ik het amendement over de oldtimers opstuk nr. 27 voor nu intrek. Ik hoop op dat punt nog wel met iets andersterug te komen, maar ik trek het amendement voor de zekerheid maareven in, want anders gaat het een eigen leven leiden.De voorzitter:Het amendement-Vermeer (stuk nr. 27) is ingetrokken.Dank u wel. Dan geef ik het woord aan ... Volgens mijn lijstje aan de heerGrinwis. Of is de heer Stoffer toch aan de beurt? Ai, dit is een hele pijnlijkefout. Ik denk dat ik die nog goed moet maken bij de heer Stoffer. Daar gaik nog op broeden, maar ik geef het woord nu heel snel aan de heerStoffer voordat ik mijn eigen graf groter maak.De heer Stoffer (SGP):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11562 Voorzitter. De heer Grinwis en ik zitten gebroederlijk naast elkaar en ik zalu vertellen dat ik grote vreugde had toen zijn collega Don Ceder deochtend na de verkiezingen toch binnenkwam. Wat dat betreft trekken wealtijd graag gebroederlijk op.Voorzitter. Ik dank uiteraard de Staatssecretaris en iedereen die daarachterheeft gezeten voor de uitgebreide beantwoording. Voor mij waren heelveel zaken al schriftelijk beantwoord. Heel fijn dat dat al vooraf zouitgebreid kon. Ook in de mondelinge beantwoording is eigenlijk alleslangsgekomen, dus wat dat betreft dank daarvoor.Ik zou nog één punt op willen merken rond de afvalstoffenbelasting. Ikwas er net bij de beantwoording van dat punt niet bij, maar ik hebeigenlijk een beetje dezelfde weergave zoals ik die zojuist vanuit D66hoorde, namelijk dat we daar toch wat onvrede over hebben. Daarbij hebik ook de indruk dat dat niet alleen aan deze kant zo is, maar wellicht aande andere kant ook, dus het is goed om daar in een brief op terug tekomen. Ik zou daar nog één punt bij willen opmerken; eigenlijk is de vraagof dat ook meegenomen zou kunnen worden. Ik heb in de eerste termijngevraagd om een Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden. Dat ismet name ook een wens vanuit de waterschappen. Ik zag in de beant-woording dat er wel een gesprek geweest is, maar een gesprek isnatuurlijk wat anders dan een uitvoerbaarheidstoets. Mijn vraag is duseigenlijk of in de brief ook eens ingegaan zou kunnen worden op de vraagof zo’n uitvoerbaarheidstoets ook een optie is. Dat hoeft wat mij betreftniet nu, in deze termijn, terug te komen; in de brief is het wat mij betreftuitstekend. Maar ik zou de vraag nog even willen benoemen hier.Voor de rest heb ik geen vragen en komt het morgen wel. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan komen we nu wel echt aan bij de heer Grinwis.De heer Grinwis (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel. Ik kan de woorden van de heer Stoffer alleen maarbeamen.Voorzitter. Heel veel dank aan de Staatssecretaris en aan alle ambtenarendie heel hard gewerkt hebben aan de schriftelijke beantwoording – diewas behulpzaam – maar ook aan de voorbereiding op dit debat. Ookwordt er nog heel hard gewerkt aan amendementen en beslisinformatievoor die amendementen, waarvoor heel hartelijk dank. Ik ga zo meteenkauwen op wat informatie die we tijdens het debat hebben ontvangen.Daar hoop ik dan een keuze in te maken en amendementen over in tedienen. Of dat allemaal nog lukt voor of tijdens het debat van morgen,weet ik niet. Dat wordt echt lastig, want we merken dat de amendemen-tenservice zo hard mogelijk werkt als hij maar kan, maar dat we debehandeling van het Belastingplan door de verkiezingen natuurlijk wel erghebben ingedikt. Dat leidt ertoe dat wij waarschijnlijk niet tijdens onzeplenaire termijn alle amendementen hebben ingediend. Dat zou eigenlijkvoor de zorgvuldigheid wel prettig zijn, maar ja, het is zoals het is. Danmoeten we volgende week dinsdag maar kijken of we er nog een extra,korte termijn aan moeten wagen om dingen uit te kunnen discussiëreninzake amendementen. Dat over het proces.Dan de inhoud. Ik loop maar even mijn bijdrage in eerste termijn door. Ikheb natuurlijk best wel een groot punt gemaakt over de nota van wijzigingen de arbeidskorting. Ik denk dat ik even de deur uit was toen deStaatssecretaris daarop inging. Ik vond de toon in de beantwoordinggisteren al beter dan in de nota naar aanleiding van het verslag. Daarinwerd eigenlijk gewoon gezegd: er is geen sprake van fiscale discriminatietussen mensen die kunnen werken en mensen die arbeidsongeschikt zijngeraakt. Dat werd gelukkig in de schriftelijke antwoorden al iets genuan-ceerd, want de verschillen zijn gewoon gigantisch. Ik vind ze nietuitlegbaar. Nu hebben we het dan voor de mensen die rond hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11563 minimumloon dan wel in een kleinere deeltijdbaan zitten eventjes leukergemaakt, maar voor de grote deeltijdbanen en voor voltijdswerkenhebben we het niet beter gemaakt met de verandering die we hebbendoorgevoerd. Ondertussen hebben we het stelsel hiermee niet mindercomplex gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat de arbeidskorting albestond, maar toch. Ik heb best wel problemen met die hele nota vanwijziging. Het amendement dat ik daarop had, wordt nog aangepast. DeStaatssecretaris ontkende in eerste instantie dat er fiscale discriminatiewas. Kan de Staatssecretaris daar toch nog iets over zeggen? Ik vind heteigenlijk te ver gegaan. De verschillen zijn te groot tussen mensen die duswel recht hebben op arbeidskorting en mensen die dat niet hebben, danwel tussen de totale verschillen in belastingdruk bij gelijke bruto--inkomens, individueel en zeker op huishoudniveau.Dan nog even over box 3. Daarover zijn we nog in afwachting vanverschillende amendementen die terugkomen. De grote vraag wordt nietof we met elkaar eenparig kritiek hebben op box 3. De grote vraag wordtof wij met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over een dekkingen of daar dan vervolgens een meerderheid voor te organiseren is. Dat ismij een lief ding waard. Ik vind de verhoging die nu wordt voorgestelduiteindelijk niet rechtvaardig. De ChristenUnie is misschien niet de partijdie het van oudsher opnam voor mensen in box 3, maar ik vind deoptelsom van alle belastingmaatregelen nu gewoon niet rechtvaardig. Ikvind het ook te weinig integraal bekeken; dat heb ik in de eerste termijnbenoemd. Ik vind dat de gevolgen voor de interactie met de woningmarkten wat daarbij aan het gebeuren is qua uitponden, veel zwaarder moetenmeewegen bij de besluitvorming in het kabinet. Ik vind in die zin ook hetBelastingplan niet verantwoord in relatie tot wat zich op de verhuurmarktaan het voltrekken is. Daarin is box 3 mijns inziens een belangrijkerinstrument dan «wat gaan plussen en minnen in de Wet betaalbare huur».Het kabinet doet het nu andersom. Dat vind ik niet zo verstandig.Ik hoop dus echt dat we hier wat aan kunnen doen. Maar het komt eropaan dat we iets in de dekking vinden waar we het met elkaar over eenskunnen worden. Ik voel in ieder geval ruimte bij het kabinet om dit op telossen. Ik voel ook dat er misschien een mismatch in jaren kan zijn. Hetkabinet was daar namelijk zelf ook niet vies van bij de benzineaccijns; dathebben we mooi met elkaar kunnen uitdiscussiëren.De Staatssecretaris verdedigt zijn Belastingplan – dat snap ik – maar hijvoelt toch ook wel aan dat de oplossing met box 3 een beetje krom is,ondanks de mooie redenering onder die 1,78% en de tegenbewijsregelingzonder kostenaftrek et cetera? Ik ben dus toch wel benieuwd of deStaatssecretaris hier iets meer zijn hart durft te laten spreken.Er is door collega’s Oosterhuis en Stultiens al wat gezegd over deklimaataspecten; daar sluit ik me eigenlijk wel bij aan.Ik ben al ingegaan op de benzineaccijns. Ik werk aan een amendementover de bijtelling. Dat kondig ik aan het begin van mijn tweede termijnaan. Er komt een amendement. Alleen, we moeten in de dekking keuzesmaken om het rond te laten lopen. In de variant die ik heb uitgevraagdloopt het op dit moment namelijk nog niet helemaal rond.Dan de verbruiksbelasting. Ik zit er nog over te twijfelen. Moeten we nu,zoals collega Stoffer en Vermeer hebben voorgesteld, één variantvoorstellen? In hun ogen is dat dan variant 5. Ik zat ook nog te kijken naarde varianten onder 4. Of moeten wij beide varianten verder latenuitwerken op basis van de actualiteit? Er is namelijk wat gebeurd met sojaen zuivel. In die zin kloppen de variantenbrieven die we hebben gehadniet helemaal meer ten opzichte van de huidige situatie in Belastingplan2026.Ik wil eigenlijk ook wel meer informatie hebben over de uitvoeringsa-specten en de Douane. Dat soort aspecten zijn in die variantenbrievennamelijk nog niet goed uitgebeend. Mijn vraag aan de Staatssecretaris isdus: is het verantwoord om nu de keuze te maken, of is het verantwoorderTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11564 om twee varianten die redelijk dicht bij elkaar liggen, verder uit te latenwerken? Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretaris daartegen aankijkt, wantdat maakt nogal uit voor hoe we de motie formuleren en welke moties weindienen.Dat was volgens mij voor nu het belangrijkste. De rest gaan we morgenmooi vervolgen. Voorzitter, tot zover. Dank.De voorzitter:Dank u wel. Dan dank ik de leden van de Kamer voor hun tweede termijn.We gaan een halfuurtje schorsen. De Staatssecretaris wil daar toch nogiets over zeggen. Ik ben benieuwd.Staatssecretaris Heijnen:Ik had een halfuur aangegeven – dat klopt, voorzitter – voordat ik hetaantal vragen had meegekregen. Ik kreeg van het team het verzoek of hetwat langer, drie kwartier, zou kunnen.De voorzitter:Zullen we dan zeggen dat we hier om kwart voor weer terug zijn? Dat lijktme best een mooie tijd om weer terug te zijn om het debat te vervolgen.Om 16.45 uur gaan we dus verder. Ik schors dit wetgevingsoverleg voornu.Staatssecretaris Heijnen:Prima.De vergadering wordt van 16.06 uur tot 16.48 uur geschorst.De voorzitter:Hartelijk welkom terug bij het wetgevingsoverleg over het Belastingplan.Ik dacht: ik wacht nog heel even of alle andere collega’s ook komen, maarde Staatssecretaris was hier netjes op tijd, dus ik vind dan ook dat we numaar gewoon van start moeten gaan. We zijn aangekomen bij de tweedetermijn van de zijde van de regering. Daarvoor geef ik graag het woordaan de Staatssecretaris. Het woord is aan u.Staatssecretaris Heijnen:Maar voordat ik dat doe, toch nog even een algemene opmerking overonze amendementenservice. Wellicht dat de mensen die dit debat volgendaar een verkeerde indruk van hebben gekregen. Ik hecht eraan omexpliciet aan te geven dat er nu maar één dag zit tussen het wetgevings-overleg en het plenaire debat, terwijl daar meestal een week of tweetussen zit. Er zit ook maar één dag tussen het eerste en het tweede WGO.Die amendementenservice bij ons werkt echt kneiterhard. Dat wil ik duswel expliciet benadrukken. Ik snap natuurlijk ook heel goed dat het voor uals Kamer een extra uitdaging is om het Belastingplan in zo’n kortetijdsspanne te behandelen. Voor mij is het de eerste keer, dus ik weet nietbeter. Dat wilde ik dus wel even van tevoren expliciet opmerken.De voorzitter:Hele goede toevoeging. Volgens mij maakten meerdere collega’s dezeopmerking zelf ook al. Daarom was er ook begrip. Tegelijkertijd is hetgoed om even uit te leggen waarom de amendementen soms wat laterkomen dan iedereen het liefst zou zien. Maar volgens mij wordt er dooriedereen heel hard aan gewerkt, zowel aan de zijde van de Kamer als aande zijde van de amendementenservice. Het was dus een goedetoevoeging. Dank.Staatssecretaris Heijnen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11565 Dan wilde ik beginnen met het blokje klimaat, energie en vliegbelasting.Voor de heer Stoffer komt daarna box 3. Tot slot is er het blokje overig.Ik begin met de afvalstoffenbelasting, de CO2-heffing, oftewel deafvalverbrandingsinstallaties. Ik kan me herinneren dat we daar voor delunchpauze toch een vrij uitgebreid debat over hadden, met veel vragenvan de kant van de Kamer. Ik wil proberen om die vragen zo veel mogelijkte beantwoorden. Ik som even de vragen op. Het waren met name vragenvan mevrouw Van Dijk en de heer Oosterhuis. Een van de vragen was:«Wat doet het kabinet zelf rondom het bedenken van alternatievemaatregelen? Wat is de stand van zaken omtrent de alternatieve invul-lingen, ook vanuit de Werkgroep afvalsector?» De heer Stultiens vroegvolgens mij ook naar de brede keten en zei: er liggen opties op tafel die deproducentenkant meer belasten. Er was ook een vraag hoe het kabinetvoorkomt dat afval naar het buitenland wordt geëxporteerd in plaats vandat verbranding in Nederland op een schone manier plaatsvindt.Allereerst wil ik nogmaals benadrukken dat het kabinet zich er ook vanbewust is dat dit een forse opgave is voor de afvalsector. Die zit in mijnoptiek vooral in de maatvoering van het pakket van 567 miljoen euro.Tegelijkertijd zijn er gegronde redenen waarom voor deze technischedekking is gekozen. Ik som ze even op. De dekking moet per 2028 wordengeleverd, waarbij de fiscale maatregelen ook per datzelfde jaaruitvoerbaar moeten zijn. Via bestaande knoppen is dat het meestrealistisch. Ten tweede is het verbranden van afval in Nederland op ditmoment relatief goedkoop, ook in vergelijking met andere landen. Weweten allemaal dat een deel van het buitenlands afval daardoor hier inNederland wordt verbrand. Ten derde ligt de prikkel tot het toepassen vanCCS bij afvalverbrandingsinstallaties lager dan voor de ETS1-industrie. Ditkomt doordat de CO2-heffing alleen het fossiele deel van de CO2-uitstootbelast, terwijl bij de AVI’s ongeveer twee derde van de CO2-uitstootbiogeen en dus niet belast is.Maar zoals gezegd – daar ben ik het volledig met de Kamer over eens – isde huidige maatvoering fors. De gedachte van de heer Stultiens om eendeel van de lastenverzwaring breder over de keten te verdelen, vindt hetkabinet zeer interessant.Dit sluit ook aan, zeg ik gelijk, bij de aanpak van de Werkgroep afvalsector.Daar worden maatregelen uitgewerkt in het brede circulaire domein. Ikkan en wil alvast een tipje van de sluier oplichten. In de werkgroepworden onder andere de volgende maatregelen uitgewerkt: een heffingop eenmalige plastic verpakkingen, een heffing op drankflessen en blikjes,een heffing op wegwerp to-gobekers en een heffing op turf en oppervlak-tedelfstoffen, zoals zand en grind. Behalve naar deze uitbreiding, kijkt dewerkgroep ook naar aanpassingen binnen de afvalstoffenbelasting zelf,zoals het verbreden van de grondslag en het mogelijk uitzonderen vanrecyclingresidu. Zoals aangegeven, is de werkgroep op het moment nogaan het werk. Ik wil en kan verder niet vooruitlopen op de uitkomsten vande werkgroep, maar ik kan u wel verzekeren dat wij als overheid ook eenactieve ondersteunende rol in deze werkgroep vervullen. Ik voel mij zelfook gecommitteerd om zeer serieus de voorstellen uit te werken, zodat erbij de voorjaarsbesluitvorming of de formatie iets te kiezen is. De redenwaarom deze keuze er eerder nog niet was, is omdat deze ideeën nogonvoldoende uitgewerkt waren. Tegelijkertijd wil ik ook hier benadrukkendat het geen gemakkelijke opgave is om maatregelen te vinden die zoweluitvoerbaar zijn als een tijdige bijdrage leveren aan de budgettairetaakstelling per 2028 als circulariteit en klimaat bevorderen. Tot slot wil iknogmaals benadrukken dat wij als kabinet altijd openstaan voor alterna-tieven vanuit de Kamer.Ik blijf even bij de afvalstoffenbelasting. De heer Vermeer had een vraagover de raming, namelijk of daarin in voldoende mate rekening isgehouden met de toename van de export. Hoe voorkomt het kabinet datafval naar het buitenland wordt geëxporteerd in plaats van datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11566 verbranding in Nederland op een schone manier plaatsvindt en wordtvoldoende rekening gehouden met de gedragseffecten bij export? Zoalsbekend, bestaat de technische invulling uit een verhoging van deafvalstoffenbelasting en een aanscherping van de CO2-heffing voor AVI’s.Dat maakt het verbranden afval in Nederland duurder, waardoor onderandere het importeren – ik zei het al – van afval sterk zal afnemen. Deafvalstoffenbelasting geldt ook voor Nederlands afval dat naar hetbuitenland wordt geëxporteerd, dus de hogere afvalstoffenbelasting alszodanig leidt niet tot meer export.Echter – daar doelt de heer Vermeer op – voor de CO2-heffing geldt datniet, want deze CO2-heffing geldt alleen voor CO2-uitstoot van afval dat inNederland wordt verbrand. Deze CO2-heffing is met een specifiek doelingevoerd, namelijk om AVI’s een extra prikkel te geven om over testappen op CCS. Als een AVI CCS toepast, blijft afval verbranden inNederland goedkoper dan in het buitenland. Als de AVI geen CCS toepasten dus CO2-heffing betaalt, dan kan het verbranden van afval inNederland inderdaad duurder worden dan het verbranden van Neder-lands afval in het buitenland. We hebben die effecten ook van tevoren inbeeld gebracht. Er is een impactanalyse uitgevoerd door het bekendebureau Trinomics. Daarnaast heeft ook het PBL een inschatting in de KEVgemaakt van de CO2-uitstoot in de afvalsector. De raming heeft hetkabinet gebaseerd op de inschattingen uit deze studies. We zijn dusuitgegaan van de rapporten, de uitkomsten en de conclusies vanonafhankelijke onderzoeksbureaus. We blijven dus van mening, zeg iktegen de heer Vermeer, dat in de raming voldoende rekening is gehoudenmet het effect op de export. Het kabinet vindt het belangrijk om de AVI’s tehelpen bij de verduurzamingsopgave. Dit beperkt uiteraard ook het risicoop export. AVI’s – volgens mij was dat ook een vraag – kunnen daaromgebruikmaken van de SDE++, waarmee verreweg het grootste gedeeltevan de kosten van CCS worden gesubsidieerd. Om u aan te geven: tijdensde laatste SDE-ronde was er 8 miljard euro beschikbaar voor bedrijven diewillen verduurzamen en daar hebben ook AVI’s in grote mate gebruik vangemaakt.Dan ga ik naar een vraag van mevrouw Van Eijk. Waarom zit die hierbij?Het is niet echt klimaat. O, de pseudo-eindheffing is ook klimaat. Sorry.Mevrouw Van Eijk vroeg naar de werking van belastingverdragen insamenwerking met de pseudo-eindheffing. Zoals bekend – dat hebben weuitgebreid aangegeven – kan alleen als een werkgever inhoudingsplichtigis voor de loonheffing en er sprake is van een werknemer voor die wet depseudo-eindheffing van toepassing zijn. De pseudo-eindheffing geldt perfossiele auto en niet per werknemer. Als de fossiele auto mede voorprivégebruik ter beschikking is gesteld, geldt de heffing. Als dat binneneen kalendermaand het geval is, geldt over de volledige kalendermaanddie pseudo-eindheffing.Dan kom ik bij de belastingverdragen. Dat is even het uitgangspunt. Eenbelastingverdrag bepaalt bij niet-inwoners mede of er sprake is van eenwerknemer voor de loonbelasting. Als er sprake is van een werknemer ende pseudo-eindheffing plaatsvindt, bepaalt het belastingverdrag ook ofNederland heffingsbevoegd is. Het is dus afhankelijk van het verdrag.Alleen voor zover Nederland heffingsbevoegd is, kan de pseudo-eindheffing effectief geheven worden.Ik zie mevrouw Van Eijk vragend naar mij kijken. Ik geef haar degelegenheid om die vraag te stellen.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik begrijp hoe de systematiek van belastingverdragen werkt, maar devraag is hoe deze in de praktijk uitwerkt. De meest voorstelbare verdragenin deze situatie zijn de verdragen met België en Duitsland, maar het kanook met het VK of Frankrijk zijn. Om het maar meteen even concreet teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11567 maken: hoe werkt het uit? Betekent het dan dat Nederland terugtreedt ofdat Nederland heft? Dat krijg ik gewoon niet helder.Staatssecretaris Heijnen:Wat ik heb begrepen, als antwoord op deze vraag, is dat als in de situatiemet die landen de werknemer voor een deel belast wordt in Nederland,dan ook de pseudo-eindheffing volledig van toepassing is.Dan de vraag van de heer Oosterhuis hoe de CO2-heffing – ik denk dat hijmet name de afschaffing van de CO2-heffing bedoelt – in Nederland zichverhoudt tot de Klimaatwet. Het kabinet realiseert zich dat de industrie inzwaar weer verkeert. Tegelijkertijd hecht het kabinet aan het halen van deklimaatdoelen. Maar dan moet de industrie ook handelingsperspectiefhebben, zoals ik al eerder aangaf. Met de vertraging door onder anderenetwerkcongestie ontbreekt dat handelingsperspectief naar ons idee voorte veel bedrijven die vervolgens wel zouden worden geconfronteerd metde CO2-heffing. Het kabinet heeft er expliciet voor gekozen om de heffingaan te passen, met als reden de internationale concurrentiepositie van deindustrie. Maar tegelijkertijd zoekt het kabinet naar alternatieven om deklimaatdoelen te halen. Hiervoor is een werkgroep ingesteld. Ik heb alaangegeven en geef nogmaals aan – ik zeg het niet om de bal te passen –dat de Minister van KGG in het plenaire debat hier uitgebreider op zalingaan.De heer Vlottes vraagt wat de maatregel voor de vliegbelasting doet voorhet klimaat. We hadden een debatje voordat we elkaar goed begrepen; datlag aan mij. Het onderzoek van CE Delft laat zien dat de maatregel zorgtvoor een kleine – kleine – verschuiving van langere naar kortere vluchten.Uit het onderzoek blijkt dat die verschuiving leidt tot een daling van deCO2-emissies van ongeveer 1,9% en daarnaast tot een daling van 2,8%van andere broeikasgasemissies. Beide dalingen, hoewel klein, hebbennatuurlijk wel een positief effect op het klimaat. Ook neemt de mate vaninternalisatie van de externe kosten van langeafstandsvluchten in 2030door de maatregel toe, van ongeveer 17% naar circa 21%, dus in die zin25% meer. Dat was mijn tweede punt in mijn eerdere debat met de heerVlottes.Tot slot heb ik in dit blokje nog een vraag van de heer Oosterhuis. Hijvroeg: de afschaffing van de vrijstelling voor groen beleggen gaat tochten koste van veel groene projecten? In de schriftelijke beantwoording iser een aantal genoemd. U overweegt een amendement. Ik weet niet of unu een reactie wil hebben. Ik heb die hier wel, dus ik kan u die reactiegeven. Of we kunnen gewoon uw amendement afwachten. Maar goed. Deregeling is op initiatief van de Kamer gestopt. De regeling is ook positiefgeëvalueerd. Wij vinden het dus heel goed voorstelbaar dat als de Kamerin meerderheid deze regeling opnieuw tot leven wil wekken, wij daarpositief op kunnen reageren. Mits de Kamer er een goede dekking bijheeft, zeg ik er wel meteen bij.Als er geen verdere vragen zijn, ga ik naar het tweede blokje: box 3. Danbegin ik met de vraag van mevrouw Van Eijk. Ze wil graag wat meerachtergrond en wat meer inzicht in de ingediende tegenbewijzen. Ik gaf alaan: er zijn meer dan 300.000 van die tegenbewijzen ingediend, maar erkomen elke week nieuwe formulieren binnen. De Belastingdienst isonlangs begonnen met het stapsgewijs behandelen van die tegenbe-wijzen. Er is al wel enig zicht op de spreiding over de verschillendebelastingjaren. Daar werd ook specifiek naar gevraagd. Volgens mij – ikzag mevrouw Van Dijk naar mevrouw Van Eijk wijzen – was dat eenspecifieke vraag van mevrouw Van Eijk. Zo zijn er met name over 2022 alveel OWR-formulieren ingediend, in totaal 141.000. Over 2023 zijn dat er48.000 en over 2024 23.000. De aantallen over de oudere jaren kan ik als uwilt in de brief nog even een keer op een rijtje zetten: over 2019 21.000 enover 2020 45.000. We hadden het er in het debat ook al over dat dit laatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11568 zien dat er in lijn met de ramingen over 2022 de meeste tegenbewijzenbinnenkomen. Maar er zijn er ook wel wat over andere jaren.Nog even over de verwerking. Er zijn er dus meer dan 300.000 binnenge-komen, maar er zijn er nog weinig verwerkt. De verwerking start met deoudste jaren: bezwaarmakers over 2017 tot 2021. We hebben helaas op ditmoment nog geen zicht op het bedrag dat wordt teruggevraagd of zalworden uitgekeerd, en zeker niet over de verschillende jaren. Ik gaf al aan:in december zal ik een voortgangsbrief sturen over de tegenbewijsre-geling box 3. Ik wil nog een keer aangeven: de raming is destijdsvastgesteld bij het indienen van het wetsvoorstel. Op dit moment zien wijgeen redenen om die raming aan te passen.De voorzitter:Daar is nog een vraag over van mevrouw Van Dijk.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Het is voor ons allemaal een worsteling; dat herkent de Staatssecretarisook wel. We krijgen in december de brief en dan gaan we waarschijnlijkzeggen: doe rond de zomer nog maar een keer een brief. Dan blijkt dat deraming toch meevalt. Is het dan voorstelbaar dat er in het volgendeBelastingplan wél iets aan het forfait gedaan wordt, voor het laatste jaarvan de tussentijdse regeling?Staatssecretaris Heijnen:Ik word even bijgepraat over de begrotingsregels. Het zou in principekunnen bij de formatie, op het moment ... Het hangt er een beetje vanafhoelang de formatie duurt; dat weet ik niet.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Heijnen:Laat ik het antwoord strikt formeel geven. Volgens de begrotingsregelsloopt het in het saldo en dat kan niet. Maar dat weet u; dat hoef ik u nietnog een keer uit te leggen. Ik heb begrepen dat er op één moment geenbegrotingsregels gelden en dat is bij de formatie. Volgens mij zitten daareen aantal partijen die ook hier aanwezig zijn, aan tafel. Dus op hetmoment dat dat gewoon als placeholder wordt meegenomen, zou datmoeten kunnen. Ik ben even hardop aan het nadenken en het is niet aanmij om daar keuzes in te maken, maar wellicht zou dat wel als p.m.-post ofzo kunnen.Dan ga ik naar een vraag van de heer Vermeer over de effecten van hetafschaffen van de wet-Hillen, en dan met name concreet voor bepaaldeinkomens. Ik heb al aangegeven wat kan en wat niet kan. Volledigafschaffen, afbouwen tot 3,33% kan niet. Ik heb in mijn eerste termijn ookal aangegeven wat het zou opleveren als we dat zouden doen: 636 miljoenin 2026. Ter illustratie: een werkende met een inkomen van € 50.000 eneen volledig afgeloste eigen woning met een WOZ-waarde van € 500.000houdt hierdoor per jaar netto € 462 minder over. Bijvoorbeeld een oudere,een AOW-gerechtigde, met een inkomen van € 30.000 en een volledigafgeloste eigen woning met een WOZ-waarde van € 300.000 houdthierdoor netto € 133 per jaar minder over. Ik weet dus niet of de heerVermeer daardoor wat meer gevoel heeft bij de gevolgen daarvan.Afhankelijk natuurlijk van de waarde van de woning en het inkomen kosthet meer of minder; dat zijn de parameters.Tot slot in dit blokje was er een vraag van de heer Grinwis om nog eenkeer toe te lichten waarom ik de verhoging van het forfait voor overigebezittingen overtuigend vind. Hij stelde de vraag enigszins anders, maarwe hebben die zo vertaald. Zoals ik al heb toegelicht, is hierbij sprake vaneen goede en feitelijke onderbouwing. Voor het toevoegen van het eigenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11569 gebruik hebben we ons gebaseerd op een onafhankelijk rapport van SEO.Bij de berekening van het forfait wordt dán wel rekening gehouden methuurinkomsten en voordelen door eigen gebruik, in tegenstelling tot nu.Dat deze inkomsten ook bij het rendement in box 3 horen, volgt uit dearresten van de Hoge Raad. In mijn perceptie is het daarom voor de handliggend om in de berekeningsmethode van het forfait ook een componentvoor deze inkomsten op te nemen.Ik kan hier wel herhalen wat ik als antwoord heb meegekregen, maar dieantwoorden heb ik al met u gedeeld. Belastingplichtigen kunnen eentegenbewijs aanleveren. Ik vind het belangrijkste om aan te geven ... Ikben heel benieuwd of uw Kamer met iets komt en waarmee dan, want ookde heer Grinwis gaf al aan: dat het aangepast gaat worden, is wel zeker,alleen is de vraag hoe we het met z’n allen gaan dekken. We staanwelwillend tegenover een alternatieve dekking, als daar een Kamermeer-derheid voor is. Dat was box 3. Dan ga ik tot slot naar het blokje overig.Dan begin ik met de inkomenseffecten van de extra verhogingen van hettarief eerste schijf op de lange termijn, naar aanleiding van een debatjemet de heer Stultiens. Mevrouw Van Eijk vroeg toen: kun je eensaangeven wat daar de financiële gevolgen van zijn? De gevolgen van hetextra verhogen van het tarief in de eerste schijf zijn beperkt. Het gaat intotaal om 0,04 procentpunt extra verhoging in 2035. Ter indicatie: het gaatnaar verwachting om maximaal € 18 extra belasting per persoon. Wekunnen met het huidige beschikbare instrumentarium geen inkomensef-fecten doorrekenen op zo’n lange termijn. Tegen die tijd – de eerlijkheidgebiedt dat te zeggen – zullen de gevolgen natuurlijk wel zichtbaar zijn inde koopkrachtcijfers. Maar op dit moment, zoals we het nu kunnenberekenen, kost het maximaal € 18 extra aan belasting per persoon perjaar.Dan was er een vraag van de heer Grinwis; hij komt net binnen, dus dat ismooi. Hij vroeg mij of er toch geen sprake is van discriminatie bij dearbeidskorting. Je kunt daar een juridische definitie op loslaten, maar ikdenk dat de heer Grinwis dat niet zozeer bedoelt. Volgens hem is ernamelijk sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen,zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.In feite is er juridisch dus geen sprake van discriminatie, maar er is welongelijke behandeling. Maar ja, het kabinet heeft al aangegeven dat dearbeidskorting mede als doel heeft om arbeidsparticipatie te stimuleren.Volgens het kabinet is dat een gerechtvaardigde doelstelling. Ik snap devraag van de heer Grinwis wel heel goed, want het verschil in belastingtussen werkenden en uitkeringsgerechtigden ontstaat doordat werkendenrecht hebben op de arbeidskorting; uitkeringsgerechtigden hebben datniet. De arbeidskorting heeft momenteel een steeds groter effect op hetverschil in netto-inkomsten tussen uitkeringsgerechtigden dan bij deinvoering daarvan, toen die veel lager was. Dit komt – ja, logisch –doordat de arbeidskorting de afgelopen jaren regelmatig is verhoogd. Dusnee, strikt formeel-juridisch gesproken is er geen sprake van discriminatie.Ja, ik snap de vraag van de heer Grinwis, en ik proef eigenlijk eenachterliggende vraag: zou de arbeidskorting niet veel lager moeten zijn,per jaar of per uur?Dan een vraag van mevrouw Van Eijk en al een concreet antwoord. Is hetmogelijk om de maatregelen die op KB staan voor de BOR nu via een notavan wijziging uit de wet te halen of bij de Fiscale verzamelwet? Ik hebinmiddels begrepen dat er meteen is gestart, niet ver hiervandaan, methet schrijven van deze nota van wijziging. Zoals u weet, wordt er dekomende week tot en met de stemmingen wel erg veel werk verzet doorde ambtenaren van Financiën. Dezelfde mensen die nu de nota vanwijziging opstellen, zijn ook betrokken bij de amendementenservice.Desalniettemin verwacht ik voor de stemmingen een nota van wijziging tekunnen indienen en misschien zelfs al voor de plenaire afrondingaanstaande dinsdag, dus op zeer korte termijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11570 Dan een vraag van de heer Vermeer over bieraccijns: klopt het dat debieraccijns hoger is dan de accijns op frisdranken? Zeg ik het goed? Dehoogte van de accijns op bier wordt bepaald – dat weet de heer Vermeerwaarschijnlijk – aan de hand van het alcoholpercentage van het bier. Voorbier geldt een minimumaccijns van € 26,13; de heer Vermeer noemde datbedrag al. Naarmate het alcoholpercentage stijgt, stijgt ook de accijns.€ 26,13 is nu ook het tarief in de verbruiksbelasting daarvoor. Indien degroente- en fruitsappen worden uitgezonderd in de verbruiksbelasting ende derving wordt gedekt binnen hetzelfde domein, wordt het bedrag van€ 26,13 verhoogd naar € 30,19. Als het minimumbedrag in de bieraccijnsin dat geval niet wordt verhoogd, geldt dat bier met een alcoholper-centage – nu komt ie – tot en met 3,7% alcohol minder wordt belast danfrisdrank, maar bier met een hoger alcoholpercentage hoger wordt belastdan frisdrank. Hoe meer alcohol, hoe hoger de belastingheffing.Dan een heel interessante vraag van de heer Grinwis en ook een goedvoorstel, denken wij. Hij vroeg zich af of het wellicht niet beter is om, vooreen definitieve keuze te maken tussen 4a en b enerzijds en 5, ook omdater inmiddels wat dingen gewijzigd zijn, de varianten nog een keertje opeen rijtje te zetten en dan ook specifiek aandacht te schenken aan deuitvoerbaarheid, ook gezien de eerdere opmerkingen van mijn ambtsvoor-gangers over de mogelijkheden en onmogelijkheden van al dan niet eenheffing op al dan niet toegevoegde suikers. Ik zou dat inderdaad heelgraag doen. Ik kan dat doen per brief, waarbij ik uitgebreider zal ingaan opdie uitvoeringsaspecten. Het belangrijkste in de discussie over eeneventuele omzetting is nog steeds dat er een impactvolle keuze moetworden gemaakt. Ik lichtte net even toe hoe dat werkt bij de accijns opbier en frisdranken. Ik kan die scenario’s uitwerken. Ik weet niet of datvoor uw Kamer voldoende is of dat u in dit Belastingplan al concretekeuzes wil maken. Ik proef de opmerking van de heer Grinwis meer als:laten we eerst kijken, voordat we een keuze maken, of we alle feiten goedop een rijtje hebben.De voorzitter:De heer Grinwis wil daar nog even op reageren.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dank voor deze welwillende reactie. De Staatssecretaris vindt hetverstandig om dit even verder af te lopen, ook op basis van de actuelegegevens nadat het Belastingplan 2026 is aangenomen. Voor sommigeaspecten gelden er dan weer andere parameters. Het is goed om ook deuitvoeringskant nog eens goed onder de loep te nemen en de paarvarianten die wat ons betreft nog in het spel zijn – ik doe volgens mijniemand onrecht als ik zeg dat dat de varianten 4a, b en 5 zijn; ik zie deheer Stultiens ook iets zeggen – verder uit te benen, zodat we ruim voorde voorjaarsbesluitvorming een keuze kunnen maken. Mijn vraag aan deStaatssecretaris is dan nog: wanneer zou hij deze brief aan de Kamerkunnen sturen?Staatssecretaris Heijnen:Dan zou ik zeggen: voor de voorjaarsbesluitvorming, halverwege heteerste kwartaal. Medio februari, zou ik dan zeggen.De voorzitter:De heer Stultiens heeft ook nog een vraag.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik zie dit eigenlijk vooral als een toezegging om wat er lag te updaten opbasis van de nieuwe cijfers over de uitvoering. Dat is voor mij nuttig. Wijzijn iets minder ver dan de heer Grinwis. Het zou helpen om dat over allevijf de varianten te horen. Dan kan de conclusie nog steeds zijn dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11571 voorkeuren niet veranderen, maar als we toch een update vragen, is hetwel handig als het compleet is, denk ik.Staatssecretaris Heijnen:Dat kan uiteraard. Als de heer Stultiens dat graag wil, dan doen we dat. Ikproefde de vraag van de heer Grinwis zo dat het geen definitieve keuze is,maar dat het al wel wat richting trechtervorming gaat. Maar goed, het isaan uw Kamer.De voorzitter:Wellicht heeft de heer Vlottes er ook nog een opvatting over.De heer Vlottes (PVV):Ik zou ook meer de behoefte hebben aan een update over alle vijf devarianten. Dus over 4a en 4b, en over 1 tot en met 5, zeg maar, dus in lijnmet wat de heer Stultiens zegt.De voorzitter:Ik hoorde de Staatssecretaris volgens mij zeggen dat dit kan. Het is aan deStaatssecretaris om daar invulling aan te geven.Staatssecretaris Heijnen:Dank u, voorzitter. Dat kan en we zullen dat doen. Dat komt dan uiterlijkmedio februari.Dan vroeg de heer Vermeer nog specifiek naar de consequenties voor deuitvoering bij het schorsen van campers in verband met het vervallen vande kwarttarieven motorrijtuigenbelasting. Ook vroeg hij of er nu eentsunami van campers geschorst gaat worden in vergelijking met hetverleden. Ik kan de heer Vermeer geruststellen. Die tsunami voor deuitvoering verwachten wij niet. Op dit moment worden campers ook algeschorst. Misschien gebeurt het minder dan in de toekomst, maar deregeling om te schorsen is er al. De schorsingen kunnen mogelijk wellanger gaan duren. Naar onze analyse zal dit slechts beperkt extra drukgeven op de uitvoering en kunnen we dat aan.De heer Vermeer (BBB):Het gevolg is juist niet dat er langer geschorst gaat worden, maar dat ervaker binnen een jaar geschorst gaat worden. Ik heb al die regels nogeens nagekeken en volgens mij kan ik dat in theorie gewoon doen. Inplaats van één keer per jaar schorsen voor de winter, is schorsen vanafongeveer zestien dagen per maand dat ik de camper niet gebruik alrendabel. Ik schat dat dus echt anders in. Zie ik daarbij iets over het hoofd,is mijn vraag aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Heijnen:Nou, ik heb geen ervaring met campers. De heer Vermeer wel. Wij hebbener wel onderzoek naar gedaan, ook vanuit de uitvoering. Wij denken dathet aantal schorsingen waarschijnlijk hoger zal worden, maar we ziendaardoor nog steeds geen probleem voor de uitvoering.De voorzitter:Dat roept nog een vervolgvraag op.De heer Vermeer (BBB):Als het geen gevolgen heeft voor de uitvoering omdat het allemaal zoprettig geautomatiseerd is, is dat een geruststelling. Maar wat zijn dan degevolgen voor de derving die daardoor gaat ontstaan?Staatssecretaris Heijnen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11572 Daar is bij de berekening van het budgettaire effect rekening meegehouden. Er is gekeken naar gedragseffecten en naar extra schorsen. Datleidt inderdaad tot enerzijds meer opbrengsten omdat het tarief stijgt enanderzijds minder opbrengsten omdat er vaker, meer en langer geschorstwordt. Daar is bij de berekening van de budgettaire effecten rekening meegehouden.De voorzitter:U vervolgt uw betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan de kansspelbelasting en de weddenschap van de heer Oosterhuis, defles wijn. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het wel aandurf om er eenfles wijn op te zetten. Misschien moeten we na afloop even van gedachtenwisselen over welke fles wijn dat moet zijn en tegen welke prijs. Ik durf datgokje wel aan. De heer Oosterhuis geeft terecht aan dat de inkomstentegenvallen door strengere regels op het gebied van gokken. Die zijn doormijn collega-staatssecretaris van JenV per dit jaar doorgevoerd. Ook zalde verhoging van de belasting invloed hebben gehad; dat is logisch. Het isechter heel moeilijk om deze twee verschillende oorzaken van elkaar teonderscheiden. De raming gaf de beste inschatting aan die we kondenmaken met de informatie die we toen hadden en nu hebben. We wetenbijvoorbeeld ook niet of er nog beleidswijzigingen worden doorgevoerddoor een nieuw kabinet. Die kunnen van invloed zijn op de opbrengst.Bevriezing van het tarief levert een derving op van uiteindelijk 84 miljoen.We weten ook met z’n allen – dat is weer zo’n dooddoener en dat realiseerik me terdege – dat als de opbrengst uiteindelijk tegenvalt het negatieveverschil in het saldo loopt. De verhoging – misschien ook nog even teraanvulling, want dat was ook een vraag van de heer Oosterhuis – is metname budgettair ingestoken.De heer Stultiens vroeg naar de aangenomen motie over horizonbepa-lingen. We hebben de motie wel uitgevoerd, maar misschien wat creatiefingevuld, zeg ik kort samengevat. Laat ik even kort samenvatten wat wehebben gedaan bij die creatieve invulling. In verscheidene nieuweregelingen zijn horizonbepalingen opgenomen. Dat is denk ik geen punt.Dat geldt bijvoorbeeld voor het verlaagde energiebelastingtarief waterstofen de verlaagde bpm voor bijzondere personenauto’s en motorfietsen.Voor verscheidene recent geëvalueerde regelingen is er in ieder gekekenof er een horizonbepaling zou moeten worden opgenomen en dat is bijeen aantal recent geëvalueerde regelingen gebeurd, maar bij een aantalregelingen niet. Vandaar dat mijn beginopmerking was dat de motieenigszins creatief is uitgevoerd.De voorzitter:Dat lokt natuurlijk op voorhand al een soort reactie uit, dus de heerStultiens.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Mijn oprechte complimenten, want de Staatssecretaris is gewoon open eneerlijk vandaag. Dat waardeer ik ook, want dat is hier ook niet altijd hetgeval. Het is ook makkelijker omdat het ook over zijn voorgangers gaat.De bedoeling, het uitgangspunt van de motie was natuurlijk wel om eenhorizonbepaling toe te voegen en dat is te vaak niet gebeurd. Dus zondergekkigheid hoop ik dat hij of zijn opvolger de motie wat minder creatief,maar gewoon volgens de letter gaat uitvoeren. Wij denken namelijk echtdat het goed is als er ook in de oude fiscale regelingen, die al bestaan, eenhorizonbepaling komt, zodat we worden gedwongen als Kamer om tebeslissen of we die in stand willen houden of niet. Anders gaan wevolgens mij weer helaas concluderen dat het niet gelukt is om fiscaleregelingen af te schaffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11573 Staatssecretaris Heijnen:We zullen daarnaar kijken. Ik weet niet of ik dat ben, maar dat gaf de heerStultiens al aan. Er wordt naar gekeken, mogelijk door een nieuw kabinet.De heer Stultiens en mevrouw Van Eijk hadden nog een vraag over deliquidatieverliesregeling: hoe kan de regeling zelf worden aangepast omderving te voorkomen? Dan bedoelt men, denk ik, niet via de aanpassingdie nu wordt voorgesteld, de valutaresultatenheffing. We hebben terdekking van de budgettaire derving verschillende opties overwogen. Wehebben gekeken naar wetstechnische aspecten, Europeesrechtelijkeaspecten, budgettaire impact, de gevolgen voor de uitvoering door deBelastingdienst en de impact op het vestigingsklimaat. Uiteindelijk zijn deopties die we als alternatief bekeken hebben, het om verschillenderedenen niet geworden. Met name heel gericht de gevolgen van de restrepareren lijkt – dat is onze conclusie – op dit moment zeer lastiguitvoerbaar voor de Belastingdienst. Na deze conclusie zijn we vervolgensmet de Belastingdienst op zoek gegaan naar alternatieven. Dit alternatiefis u bekend en aangekondigd in de Miljoenennota. Zoals ook is aange-geven, werkt het kabinet aan de uitwerking hiervan. Het is ons voornemenom dit zo snel mogelijk ter internetconsultatie aan te bieden, maar als bijde uitwerking blijkt dat een beter alternatief voorhanden is, uit deconsultatie of vanuit de Kamer, kan deze maatregel uiteraard meege-nomen worden.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):We gaan de komende dagen ons best doen om de Staatssecretaris en derest te overtuigen van het plan dat wij hebben. Ik ben nog wel benieuwd,even uitzoomend. Tot een paar maanden terug vonden met z’n allen,althans de Belastingdienst: dit is onwenselijk, dat je als bedrijf je verliesop twee plekken kan verrekenen. We hebben geprocedeerd. Als de rechterzegt «helaas, het is niet zoals jullie wilden», is het dan niet zo dat hethoofddoel moet zijn om het lek te dichten? Dat is volgens mij het doel. Alsde VVD en GroenLinks-PvdA het allebei willen, dan denk ik dat het heellogisch is. Natuurlijk moet het uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn,maar laten we wel met elkaar hopen dat dit gat in principe gedicht wordt.De voorzitter:Ik ga eerst even naar de Staatssecretaris en dan ben ik heel benieuwd watde VVD ervan vindt.Staatssecretaris Heijnen:Ja, als zelfs de VVD dat vindt ... Ik ben het volledig met de heer Stultienseens. We hadden dat ook willen doen, als dat had gekund, maar het is nietuitvoerbaar. Als een bepaalde maatregel of ontwijkroute ongewenst is,dan moeten we de wet aanpassen. Onze conclusie was dat dat op ditmoment hier niet kon. Men mag ook niet vergeten dat het een helespecifieke casus was. Volgens mij was het de relatie met Ierland. Je kuntje afvragen in hoeverre dat heel veel voorkomt, maar dat terzijde.De voorzitter:Dan ga ik toch kijken of mevrouw Van Eijk samen optrekt metGroenLinks-PvdA.Mevrouw Van Eijk (VVD):Het komt zo vaak voor dat het 65 miljoen structureel per jaar kost. Hetkomt dus wel degelijk voor. Misschien gaat het soms ook om hele grotebedragen. Het verschil tussen de VVD en GroenLinks-PvdA is natuurlijkdat GroenLinks met een ... Hoe noemen ze dat altijd? Er komt dan zo’ngrofmazige maatregel die allerlei dingen meesleept die er helemaal niet inthuis horen. Dat is niet wat wij willen. Als we een hele gerichte maatregelkunnen bedenken om dit lek te dichten, zou dat onze voorkeur hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11574 Dat hoeft niet nu, maar ik zou wel heel graag nog een keer iets meerinzicht willen hebben in wat technisch mogelijk, maar uitvoeringstech-nisch een probleem is. Ik wil daar een gevoel bij krijgen. Er is in deliteratuur best wel veel gesproken en gepubliceerd over dat er wel degelijkmogelijkheden zijn. Ik krijg dat nu niet helemaal scherp. Voor het vervolgzou ik daar graag nog een keer een brief over krijgen.De voorzitter:Staatssecretaris, volgens mij is het verzoek van de Kamer om hier tochwat meer informatie over te krijgen, zodat de Kamerleden hier verder meekunnen.Staatssecretaris Heijnen:Mag ik de vraag van mevrouw Van Eijk als volgt begrijpen? Kunnen wijwat meer inzicht geven in de opties die wij hebben onderzocht? Enwaarom zijn wij tot de conclusie gekomen dat geen van deze opties voorde Belastingdienst uitvoerbaar zijn? Wij zullen dat doen.De voorzitter:Oké, dank u wel. Dan komt er op een later moment nog een bericht vanuw zijde. Als er op dit punt geen vragen meer zijn, dan mag u verder metuw betoog. Die zijn er niet, dus u vervolgt uw betoog.Staatssecretaris Heijnen:Mevrouw Van Eijk vraagt ook of ik iets meer kan zeggen over hetonderzoek van de Belastingdienst naar de productiviteit van schaarsIT-personeel. Ik denk dat wij op dit punt in onze schriftelijke beant-woording ten onrechte het woord «onderzoek» hebben gebruikt. Wellichtdacht mevrouw Van Eijk dat al. Ik doelde namelijk niet op een specifiekonderzoek, maar eigenlijk op een continu verbeterproces. Het was betergeweest als we dat zo hadden vermeld. De Belastingdienst kijkt namelijknaar hoe IT-personeel zo efficiënt mogelijk kan worden ingezet. Wij willende schaarse capaciteit die beschikbaar is voor de uitfasering van Cool:Genzo veel mogelijk ontzien van eventuele andere werkzaamheden. Dat is detoelichting.De heer Stoffer vroeg of wij alsnog de Uitvoerbaarheidstoets DecentraleOverheden kunnen uitvoeren, samen met de Unie van Waterschappen.Uiteraard hecht het kabinet eraan dat wetgeving uitvoerbaar is voordecentrale overheden. Om deze reden is er veelvuldig contact geweestmet de Unie van Waterschappen over het voorstel. Volgens mij ging ikdaar in de schriftelijke beantwoording ook op die manier op in. Hetkabinet verwacht dat, gegeven dit intensieve contact, een aanvullendeuitvoeringstoets weinig nieuwe informatie op zal leveren. Dit zeg ik alsantwoord op de vraag van de heer Stoffer. Dit doet niets af aan het belangdat ik hecht aan het betrekken van decentrale overheden, ook in toekom-stige wetsvoorstellen, en ik zal steeds opnieuw bezien of dat toegevoegdewaarde heeft. Ik weet ook niet of de heer Stoffer nog informatie heeftvanuit de Unie van Waterschappen, bijvoorbeeld dat ze dat wel op prijszouden stellen.De heer Stoffer (SGP):Voor het debat wel, maar ik zal even checken of dat na de beantwoordingook nog zo is. Dat laat ik de Staatssecretaris toekomen. Het komt naarhem toe.Staatssecretaris Heijnen:Dank aan de heer Stoffer. Wij hebben die signalen namelijk nietopgevangen, vandaar mijn vraag.Mevrouw Van Eijk stelde een vraag over de Wbso, met het verzoek of deStaatssecretaris kan meedenken over de verzilveringsproblematiek en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11575 indexering schijfgrenzen. Ik denk dat haar vraag is: het moet toch mogelijkzijn om daar iets te verzinnen? We hebben nogmaals overleg gehad metde collega’s van het Ministerie van Economische Zaken. Daar moeten wedan mee overleggen. We kunnen incidentele onderuitputting nietgebruiken voor structurele aanpassingen in de Wbso. Ik zie mevrouwVan Eijk knikken; zij had dit zelf ook wel kunnen verzinnen, maar toch. Alsbijvoorbeeld een carry-forward wordt geïntroduceerd, zal dit naarverwachting tot extra gebruik leiden. Dat betekent dat bij een gelijk-blijvend budget het percentage voor de afdrachtvermindering in de eersteen tweede schijf daalt, of dat de schijfgrens moet worden aangepast. Datzou wel per ministeriële regeling kunnen. Ik sta dus open voor amende-menten op dit vlak en wil daar zeker over meedenken, maar ik wil welmeegeven – mevrouw Van Eijk voelt hem al aankomen – dat eenstructurele aanpassing ook een structurele dekking nodig heeft.Dan een opmerking van mevrouw Van Eijk over het behouden van oogvoor het concurrentievermogen in het kader van de minimumbelasting,Pijler 2. We hebben deze opmerking maar geïnterpreteerd als een vraag.Mevrouw Van Eijk had deze opmerking gemaakt in het kader van hetNederlands concurrentievermogen. Hoewel dit geen vraag was, maak ikhier graag nog enkele opmerkingen over. Ik wil vooropstellen datNederland de doelstellingen van de minimumbelasting nog steedsonverkort relevant acht: een ondergrens stellen aan belastingconcurrentietussen landen en de prikkel verminderen voor multinationals om winstente verplaatsen naar landen die weinig belasting heffen. Zo’n ondergrensblijft relevant om een nieuwe race to the bottom te voorkomen enbelastinginkomsten zeker te stellen. Wij denken dat onze doelstellingenkunnen worden bewerkstelligd door een gecoördineerde aanpak in zogroot mogelijk internationaal verband. Dat zal mevrouw Van Eijk ook metons eens zijn. Dit draagt namelijk bij aan een gelijker speelveld voor grotemultinationale ondernemingen wereldwijd.Dan kom ik wat concreter op de desbetreffende landen. Zoals bekendhebben de Verenigde Staten, China en India de minimumbelasting nietingevoerd, maar er zijn inmiddels 57 landen die dat wel hebben gedaan.Naast de EU zijn dat bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, Japan, Canada,Australië en Zuid-Korea. We constateren dat de minimumbelasting effectsorteert. Je ziet dat een aantal voormalige laagbelastende jurisdicties hunwetgeving hebben aangepast of aan het aanpassen zijn. Het werkt duswel. Dit ter achtergrondinformatie en om uit te leggen waarom het kabinetnog steeds achter de minimumbelasting staat. Dat gezegd hebbende denkik dat het wel heel goed is dat mevrouw Van Eijk wijst op de concurrentie-positie. Nederland blijft – dat zal haar niet verbazen – in de lopendeinternationale onderhandelingen oog houden voor een gelijk speelveld envoor het Europees concurrentievermogen.Voorzitter. Ik constateerde het al: ik ga naar mijn laatste antwoord. Datgaat over het tijdelijk overgangsrecht fonds voor gemene rekening. Devraag van mevrouw Van Eijk was: waarom wordt het overgangsrecht nietuitgebreid voor nieuwe fondsen? Deze tijdelijke overgangsmaatregel isbedoeld voor fondsen voor gemene rekening die op 31 december 2024bestonden en op dat moment transparant waren voor Nederlandsebelastingdoeleinden. Enkel voor die fondsen bestaat het risico dat erbinnen een relatief kort tijdsbestek twee opeenvolgende wijzigingen vaneen fiscale kwalificatie zullen plaatsvinden. Dat betreft ten eerste dewijziging van fiscaal transparant naar fiscaal niet-transparant per 1 januari2025, omdat deze fondsen voldoen aan de definitie van een fgr die per1 januari 2025 geldt. Het doel van het overgangsrecht is om een min ofmeer eerbiedigende werking te regelen voor fondsen die transparantwaren. Die kunnen dat nog even blijven. De doelstelling is niet om dit uitte breiden naar fondsen die toen nog niet bestonden of niet transparantwaren. Dan vul ik aan: deze fondsen hebben bovendien rekening kunnenhouden met de huidige regels. Kortom, samengevat betreffen onzeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11576 argumenten rechtsongelijkheid. Het openstellen van het overgangsrechtvoor alle fondsen van na 1 januari 2025 creëert rechtsongelijkheid tenopzichte van bestaande fondsen van vóór 1 januari 2025 die niet trans-parant waren. Dat is bekende wetgeving.Voor nieuwe fondsen is de wetgeving zoals die per 1 januari 2025 inwerking is getreden, bekend. In zoverre is er ook geen reden om voor dezegroep te voorzien in overgangsrecht. Er is geen overgang: nieuwefondsen worden met zekerheid niet geconfronteerd met een overgang alsgevolg van de wetswijziging. Er is dus geen sprake van administratievegevolgen en heffingsgevolgen die de aanleiding waren om voorbestaande fondsen te voorzien in overgangsrecht. Al met al blijft hetkabinet dus van mening dat er geen overgangsrecht nodig is voor nieuwefondsen die op of na 1 januari 2025 worden opgericht.Voorzitter. Daarmee kom ik aan het einde van de beantwoording van mijnvragen.De voorzitter:Dat gebeurt natuurlijk niet voordat er nog een enkele vraag van de zijdevan de Kamer is gekomen. Ik zag in ieder geval bij de heer Grinwis, dievolgens mij nog snel iets opzoekt, een hand heel hoog de lucht in gaan.Kan ik hem al het woord geven? Ja.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dank u wel. Ik kom nog heel even terug op box 3 en dekkingsopties. DeStaatssecretaris heeft iets gezegd van: stel je voor dat je de wet-Hillen ietssneller zou afbouwen. Hij heeft een groot bedrag genoemd, van ik meen€ 462 per jaar voor een werkende. Dat is volgens mij echter bij eenscenario waarbij je de wet-Hillen volgend jaar bijna in één klap zouafschaffen, en als je niet zou kiezen voor een scenario waarin je de afbouwiets zou versnellen. Dan zou je dus bijvoorbeeld toewerken naar 2041 inplaats van naar 2048, waarmee je cumulatief 2,8 miljard ophaalt. Er zit danalleen een mismatch in die jaren. Je hebt het dan over een extra afbouwvan slechts een paar procent. Dat is nog niet eens een paar procent, wantde afbouw is nu 3,33% per jaar. Die zou bij zo’n variant 4,85% per jaarworden. Dan heb je het voor een werkende en bij een modaal inkomenover een tientje extra volgend jaar. Dat is bij een huis van vijf ton, degemiddelde woningwaarde; dat moet ik er wel bij zeggen. Kortom, hetantwoord dat de Staatssecretaris gaf, ging over een variant waarin je hemeigenlijk praktisch niet meer hebt, terwijl wij het volgens mij in dedekkingsopties eigenlijk alleen maar hebben gehad over het met eenaantal jaar versnellen van de afbouw, om het bedrag dat je nodig hebt,cumulatief op te halen. Kan de Staatssecretaris dat bevestigen?Staatssecretaris Heijnen:Ja, ik kan uit onze berekening bevestigen dat het is zoals de heer Grinwisaangeeft. Wij hebben met name gerekend uitgaande van het doel om deopbrengst in 2026 en 2027 te maximaliseren. We hebben daarom dewet-Hillen in één keer naar 3,33% verlaagd. Dat is uitvoeringstechnischmogelijk. Het kan niet naar nul, maar we hebben het maximale gedaan.Dus in die zin kan ik de vraag van de heer Grinwis bevestigend beant-woorden. Als je kijkt naar de budgettaire reeks over meerdere jaren ... Wehadden eerder dat debatje over de vraag of dat mag of niet mag, maargoed, daar zijn we, denk ik, wel uit. Je zou ervoor kunnen kiezen om devermindering minder te laten zijn om op die manier over meerdere jarendekking te vinden. Ja, dat zou kunnen.De heer Grinwis (ChristenUnie):Nog even, voorzitter: dank, dan is dit opgehelderd. Anders blijft hier eenbeeld hangen alsof er, als je aan die regeling zou komen, volgend jaar eensoort afschrikwekkende lastenverzwaring afkomt op mensen die gebruik-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11577 maken van de wet-Hillen. En dat is dus niet het geval bij de variant waarwij aan deze kant van de tafel over hebben gesproken. Maar hoe we hetprecies wel of niet gaan doen, dat komt dan eventueel in eenamendement.Staatssecretaris Heijnen:Ja, dank u wel. Helder.De voorzitter:Oké, volgens mij zijn we dan richting het einde van dit wetgevingsoverleggekomen. Ik zei dat heel langzaam om te kijken of dat inderdaad zo is.Volgens mij is dat het geval, want er sprong niemand in één keer opomdat hij dacht: ik wil heel graag toch nog een vraag stellen. Dat betekentdat ik dit wetgevingsoverleg ga sluiten. In ieder geval dank aan deStaatssecretaris en de ondersteuning voor de beantwoording van devragen van de Kamer. Dank ook aan alle Kamerleden voor het noeste werkaangaande het Belastingplan dat zij doen. Veel van onze collega’s lopennog een beetje verdwaald in dit Kamergebouw rond, maar jullie zijn alhard met het Belastingplan aan het werk. Van dat werk zit dit tweede WGOer weer op. Morgen in de middag, om 13.30 uur, gaan we plenair verder,want in de ochtend hebben we als Staten-Generaal een heugelijkmoment. Dan vieren we namelijk 80 jaar vrijheid.Ik sluit nu dit wetgevingsoverleg. Dank u wel.Sluiting 17.42 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 11578

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · ed40ca2ae5c30f06

14 okt 2026 · fc197d8db6288f37

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.