KamerkringInloggen
Kamerbrief

Stand van zaken over wijziging van de Werkloosheidswet en enige andere wetten vanwege aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis (Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis) (Kamerstuk 36744)

9 dec 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie d0931f9495c22898 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 744Wijziging van de Werkloosheidswet en enigeandere wetten vanwege aanpassing van deRegeling dienstverlening aan huis (Wetaanpassing Regeling dienstverlening aan huis)Nr. 9 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 9 december 2025Het wetsvoorstel Regeling dienstverlening aan huis (Rdah) regelt dat deuitzonderingen in de sociale zekerheid en het arbeidsrecht voor de groepwerkenden die voor een persoonsgebonden budgethouder (pgb-houder)werken (op een arbeidsovereenkomst voor minder dan vier dagen perweek) worden afgeschaft. De Centrale Raad van Beroep heeft op 30 maart2023 geoordeeld dat de Rdah in geval van uit pgb-gefinancierde zorgver-lening ongeoorloofd onderscheid met betrekking tot vrouwen oplevert.Met dit wetsvoorstel geven we hier opvolging aan. Dit wetsvoorstel is bijuw Kamer ingediend op 13 mei 2025 en betreft de uitwerking van dezeuitspraak. Bij deze uitwerking heeft de regering toegewerkt naar het zosnel als mogelijk wegnemen van de huidige onrechtmatige situatie,rekening houdend met budgethouders, zorgverleners en uitvoerders.Daarom is vorig jaar oktober ingezet op de inwerkingtredingsdatum van1 januari 2026, deze datum was haalbaar op basis van uitvoeringstoetsen.Per brief van 6 november jl. is uw Kamer gevraagd om het wetsvoorstelaanpassing Rdah spoedig te behandelen (Kamerstuk 36 744, nr. 7).Inmiddels is het nader verslag van uw Kamer ontvangen. Er zijn zorgenover de inwerkingtredingsdatum en de compensatie van de budget-houders. Deze brief gaat op deze punten in. Daarnaast zijn de door uwKamer gestelde vragen uitgebreid beantwoord in de nota naar aanleidingvan het nader verslag die ik u gelijktijdig aanbied (Kamerstuk 36 744,nr. 17).De inwerkingtredingsdatumOm voor 1 januari 2026 klaar te zijn voor de nieuwe situatie, bereidenpgb-uitvoerders en -verstrekkers zich sinds dit voorjaar voor op devoorgenomen wetswijziging. Dit is ook toegelicht in reactie op uw vragenin de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel die op kst-36744-9ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 744, nr. 91 2 september 2025 aan uw Kamer is verzonden (Kamerstuk 36 744, nr. 6).Hiervoor hebben rond de zomer ook budgethouders die bekend zijn bij deoverheid een brief ontvangen om hen (nogmaals) te informeren. Hetwetsvoorstel leidt tot een flinke aanpassing van de werkwijze voor deSVB. Daarom zijn de SVB en de ketenpartners vorig jaar begonnen methet inregelen van de wijziging, zoals gebruikelijk is bij dergelijke groteICT-wijzigingen. Ook zorgkantoren, gemeenten en zorgverzekeraarshebben, voor zover passend binnen hun rol en wettelijke kaders,maatregelen genomen, werkwijzen aangepast en hun budgethoudersuitvoerig geïnformeerd.Budgethouders passen, met hulp van de SVB, zorgovereenkomsten aanen hebben waar nodig gegevens aangeleverd van hen en hun zorgver-leners. Budgethouders met eventuele vragen hierover kunnen zich ookmelden bij de SVB of betrokken uitvoeringsorganisaties.Vorig jaar is geoordeeld dat het nodig en wenselijk was om dit zo snel alsmogelijk op te pakken en ook de uitvoering alvast te laten voorbereidenop de nieuwe situatie omdat de Centrale Raad van Beroep heeft geoor-deeld dat de huidige situatie met betrekking tot de werknemers-verzekeringen discriminatie oplevert en in strijd is met het Europees recht.Daarbij is het oordeel dat het niet voor de hand ligt dat andere (arbeids-rechtelijke) uitzonderingen wel gerechtvaardigd zijn, aangezien ditdezelfde toets betreft. Het gaat hier bijvoorbeeld om het recht op scholingen de toepassing van het ontslagrecht. Beoogd was deze situatie daaromniet langer dan strikt noodzakelijk te laten duren. De regering heeft op26 februari 2025 en op 16 juni 2025 uitvoerders en verstrekkers deopdracht gegeven om de voorbereiding vast te starten. Het kabinet heeftvoor drie zorgwetten via de voorjaarsbegroting compensatie geregeld enging begin dit jaar uit van een tijdige behandeling van het wetsvoorsteldoor de Kamers. Dit is anders gelopen en daarom begrijp ik de vragenvanuit uw Kamer of er in het voorjaar niet te snel en te voortvarend isgehandeld heel goed. Zeker vanuit de positie van uw Kamer bezienverdient dit krappe tijdspad geen schoonheidsprijs.De situatie is als volgt, indien het wetsvoorstel nog niet in werking isgetreden op 1 januari 2026, zijn de risico’s voor budgethouders, hunzorgverleners en de uitvoering substantieel. Er zijn hierbij drie scenario’s,maar geen van deze drie leidt tot een uitkomst die voor zowel budget-houders als uitvoering haalbaar c.q. wenselijk is.1) De SVB handelt conform de huidige werkwijzeHet lijkt op het eerste gezicht het meest voor de hand te liggen om indienhet wetsvoorstel per 1 januari nog niet in werking is getreden te blijvenhandelen conform de huidige werkwijze en systematiek. Het blijkt voor deSVB echter niet mogelijk om de huidige werkwijze voort te zetten per1 januari. Dit vergt een systeemaanpassing die niet voor die tijd terealiseren is. Een handmatige aanpassing is niet haalbaar. Het gaatnamelijk om een uitbetaling van circa 24.500 zorgverleners. De uitbetalingkan alleen plaatsvinden via de systemen. Ook een uitstel van deuitvoering van de nieuwe systematiek met bijvoorbeeld een paarmaanden, is niet uitvoerbaar voor de SVB. Immers, ook in deze situatiezouden systeemaanpassingen moeten worden doorgevoerd, hetgeen niettijdig mogelijk is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 744, nr. 92 2) De SVB betaalt de zorgverleners hun loon conform de nieuwe regels,zonder dat het wetsvoorstel aanpassing Rdah is aangenomen.De SVB gaat voor de budgethouder de loonbelasting en premiesvolksverzekeringen van het brutoloon inhouden. Deze inhouding leidt toteen vermindering van het maandelijks nettoloon. In de huidige situatie(voor de wetswijziging) betaalt de zorgverlener zelf jaarlijks de verschul-digde belasting en premies over het brutoloon door het doen vanbelastingaangifte in de inkomstenbelasting. Dit leidt ertoe dat hetbrutoloonbedrag in beginsel hetzelfde blijft, maar de zorgverlenermaandelijks netto minder loon ontvangt. Daarnaast zal de SVB premieswerknemersverzekeringen inhouden op het budget van de budgethouder.Daar staat tegenover dat de zorgverlener in dat geval wel voor 104 wekenwordt doorbetaald bij ziekte, en niet zoals nu zonder inkomen zit na 6weken loondoorbetaling bij ziekte. Omdat er zonder het wetsvoorstel geenwettelijke grondslag voor het inhouden is, is dit onrechtmatig. Budget-houders en SVB, in hun verantwoordelijkheid van werkgever enuitvoerder van de (salaris)administratie, handelen dan feitelijk onrecht-matig. De kans is reëel dat dit kan leiden tot rechtszaken en zorgt voorveel onzekerheid bij zowel budgethouders als zorgverleners.3) De SVB betaalt de zorgverleners geen loon, want de inhouding op hetloon kent geen wettelijke grondslag en is dus onrechtmatig en uitvoe-ringstechnisch kan geen loon zonder loonbelasting worden betaald.In dit scenario doet de SVB geen loonbetalingen aan zorgverleners. DeSVB is vanaf 1 januari 2026 enkel nog in staat een loonbetaling te doen alsdaarover ook loonbelasting wordt ingehouden. Indien die inhouding nietkan plaatsvinden, omdat deze geen wettelijke grondslag heeft enonrechtmatig is kan de SVB ook geen loon uitbetalen aan de zorgverlener.In dit scenario zouden circa 24.500 zorgverleners geen loon uitbetaaldkrijgen en worden hiermee geraakt in hun bestaanszekerheid. Zij kunnenook geen aanspraak maken op bijvoorbeeld een WW-uitkering of anderecompensatie, aangezien zij een arbeidsovereenkomst hebben en nietwerkloos zijn. De betalingsplicht blijft echter wel bestaan aangezien dearbeidsovereenkomst niet beëindigd wordt. Dit kan de zorgverlener op debudgethouder verhalen, aangezien de budgethouder de werkgever is.Hetgeen tot ongewenste situaties leidt, omdat zorgverleners dit inkomennatuurlijk ook nodig hebben om in hun levensonderhoud te voorzien, enbudgethouders simpelweg zorg nodig hebben, en dus vertrouwen op deinzet van hun zorgverleners.Het kabinet wil de beschreven scenario’s ten zeerste voorkomen. Daaromheeft het kabinet een nota van wijziging voorbereid die terugwerkendekracht aan het wetsvoorstel toekent per 1 januari 2026 (Kamerstuk 36 744,nr. 18). Deze wordt u aangeboden, mede namens de Staatssecretaris vanFinanciën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, en in overeenstemmingmet de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en deStaatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Gezien de bijzondere ingreepen het belang van de uitvoerders dient een dergelijke terugwerkendekracht zo kort mogelijk te duren.Gegeven de zorgen voor de groep Zvw-budgethouders die niet onder-steund worden door, en dus ook niet in beeld zijn bij de SVB, wordt voorhen een uitzondering op de terugwerkende kracht voorgesteld. Deinwerkingtreding voor deze groep wordt uitgesteld tot een nadere lateredatum. In deze periode kan nogmaals worden geprobeerd deze groepbudgethouders te bereiken en hen in overweging te geven om zich telaten ondersteunen door de SVB. Op die manier kan ook voor deze groepTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 744, nr. 93 rekening worden gehouden met de zorgen van de Kamer. Dit betekent weldat de zorgverleners die bij deze groep onbekende budgethouderswerken, langer moeten wachten om een volwaardige rechtspositie tekrijgen. Alles afwegende vindt de regering deze keuze het meest passend,mede gezien de zorgen van uw Kamer.Overzicht budgethouders en compensatie Zvw-budgethoudersIn het verslag zijn veel vragen die relateren aan de grootte van de groepbudgethouders voor wie de nieuwe regels gelden. De regering geeft udaarom enige aanvullende informatie over budgethouders persoonsge-bonden budget in relatie tot werkgeverschap.Op dit moment zijn er in totaal ongeveer 103.000 budgethouders. Vandeze budgethouders zijn er ongeveer 2.000 volledig werkgever. Voor hengeldt nu al het volledige arbeidsrecht en zij zijn al verantwoordelijk voorde afdracht van premies en loonbelasting; zij hebben arbeidsovereen-komsten met zorgverleners voor meer dan 3 dagen per week en betalenhun werkgeverslasten uit hun huidige budget. Ook budgethouders metRdah-arbeidsovereenkomsten zijn werkgever.Voor 2024 golden de volgende cijfers voor de Rdah:Telling 2024JeugdwetWlzWmoZvw1TotaalUnieke budgethouders metarbeidsovereenkomsten Rdah6968.2815.06345614.496Unieke zorgverleners metarbeidsovereenkomsten Rdah1.03416.5725.8631.00024.469Unieke zorgovereenkomstenRdah1.13018.0696.5281.04326.7701 Dit zijn de cijfers voor de groep budgethouders die vrijwillig hun salarisadministratie bij SVBhebben ondergebracht. Er zijn dus bijna 500 budgethouders met een Zvw-budget die eenzorgverlener hebben met een Rdah-arbeidsovereenkomst die bij de SVBbekend zijn. Omdat het in de Zorgverzekeringswet niet verplicht is om alsbudgethouder door de SVB ondersteund te worden is er geen zicht ophoeveel Zvw-budgethouders Rdah-contracten hebben die niet door deSVB ondersteund worden. Dit maakt gerichte compensatie nu nog nietmogelijk.Er zijn veel vragen gesteld over de compensatie voor de budgethoudersdie het betreft. Voor de Wlz, Wmo en Jeugdwet heeft de regering almaatregelen voor tijdelijke compensatie genomen. Alleen binnen de Zvwmag het bedrag dat de budgethouder moet betalen aan loonkosten enwerkgeverspremies niet uitkomen boven het maximumuurtarief van dezorgverzekeraar. Voor de Wmo, Jeugdwet en Wlz geldt een anderesystematiek waarin de werkgeverslasten niet aan het maximumuurtariefzijn gekoppeld. Bij de Zvw hebben zorgverzekeraars geen wettelijkeruimte deze extra werkgeverlasten te compenseren. Er is hier sprake vaneen overeenkomst tussen de privaatrechtelijke verzekeraar en eenbudgethouder. Daarnaast is een meerderheid van de Zvw-budgethoudersniet bekend bij publieke instanties. Daarom is eerder geoordeeld datcompensatie hier niet mogelijk is.Tegelijkertijd heeft de regering begrip voor de breed gedeelde zorgen voordeze budgethouders, zoals wij dit ook teruglezen in de gestelde schrifte-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 744, nr. 94 lijke vragen. Daarom zet de regering in op twee lijnen voor de Zvw-pgbbudgethouders:1.Er wordt gerichte tijdelijke financiële ondersteuning vormgegevenvoor budgethouders die op dit moment bij de SVB bekend zijn. Dezeondersteuning is, qua doelstelling vergelijkbaar met die van de Wlz. Deregering borgt dat deze tijdelijke financiële ondersteuning in uitvoeringis voordat de zorgcontinuïteit in gevaar komt door tekorten op hetbudget; dus voor de zomer van 2026. Hiertoe heeft het Ministerie vanVWS toegezegd op zo kort mogelijk termijn een deugdelijke en goeduitvoerbare juridische grondslag te realiseren om tijdelijke compensa-tie in de uitvoering verantwoord en toetsbaar in te richten. Waarbij deverantwoordelijkheid voor onder meer uitvoering of risico’s oponrechtmatigheid bij het Ministerie van VWS ligt. Het Ministerie vanVWS overlegt met zorgverzekeraars over de aanpak. Hiertoe verstrekthet Ministerie van VWS een brief aan Zorgverzekeraars Nederland meteen toelichting die ook met uw Kamer zal worden gedeeld.2.Voor de groep budgethouders die geheel niet bekend is bij publiekeinstanties wordt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel uitgesteldtot een nader te bepalen datum bij koninklijk besluit, afhankelijk van deparlementaire voortgang. In deze periode zet de regering zich in om toteen passende en uitvoerbare oplossing te komen voor de budgethou-ders en zorgverleners die nu nog niet bekend zijn bij de publiekeinstanties.De regering neemt alle zorgen uiterst serieus en zal zich tot het uitersteinspannen om rekening te houden met de belangen van alle betrokkenen.ConclusieZoals eerder in deze brief genoemd, verdient de aan uw Kamer gevraagdespoed niet de schoonheidsprijs. Ik realiseer mij dit terdege en heb mijnbest gedaan uw vragen zo spoedig en volledig mogelijk te beantwoordenom u adequaat te informeren. Ik kijk uit naar de wetsbehandeling, waarbijik eventuele aandachtspunten van uw zijde meeneem.Mede namens de Staatssecretaris van Langdurige en MaatschappelijkeZorg,De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,M.L.J. PaulTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 744, nr. 95

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 68caa112ac1409d3

14 okt 2026 · f112e322dbd117ef

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.