Kamerstuk · 10 feb 2026 · Tweede Kamer
Antwoord op vragen van het lid Van der Plas over het rapport ‘Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschap in de geulen van referentiegebied Rottum’
Brontekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–2026Aanhangsel van de HandelingenVragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door deregering gegeven antwoorden1062Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Staatssecretaris van Landbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het rapport «Ontwikkeling van debodemdiergemeenschap in de geulen van referentiegebied Rottum»(ingezonden 17 december 2025).Antwoord van Staatssecretaris Rummenie (Landbouw, Visserij, Voedselzeker-heid en Natuur) (ontvangen 10 februari 2026). Zie ook AanhangselHandelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 801.Vraag 1Bent u bekend met het rapport «Ontwikkeling van de bodemdiergemeen-schap in de geulen van het referentiegebied Rottum – Tussenrapportage 18jaar na sluiting (situatie tot en met 2023)»?1Antwoord 1Ja.Vraag 2Deelt u de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geenaantoonbaar effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op soortenrijkdom,dichtheid, diversiteit of gelijkmatigheid van de bodemdiergemeenschap?Antwoord 2Ik deel de conclusie uit het rapport dat er ook na 18 jaar sluiting geenaantoonbaar effect van de gebiedssluiting is vastgesteld op de genoemdenatuurwaarden. Ik betreur dat het lang heeft geduurd om te beseffen dat deoorspronkelijke opzet van het onderzoek niet voldoende resultaat kanopleveren. Daarom laat ik een evaluatie uitvoeren. Ik zal dat betrekken bij deopzet van de monitoring voor de opgaven die voortvloeien uit Natuurherstel-verordening.Het lijkt erop dat de opzet van het onderzoek deels de oorzaak is dat er tot opheden geen significante verschillen in natuurontwikkeling worden gevonden.Afgelopen jaar is een eerste stap in het verbeteren van de onderzoeksopzetgezet door wijzingen aan te brengen in de bemonsteringmethoden met1Wageningen University and Research, juli 2020, «Ontwikkeling van de bodemdiergemeenschapin de geulen van het referentiegebied Rottum – Tussenrapportage 18 jaar na sluiting (situatietot en met 2023)», (https://research.wur.nl/en/publications/ontwikkeling-van-de-bodemdiergemeenschap-in-de-geulen-van-referen-3/) ah-tk-20252026-1062ISSN 0921 - 7398’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel1 behoud van de bestaande monitoringreeksen. Hierdoor wordt naar verwach-ting naast een betere vergelijking tussen de geulen binnen het onderzoeksge-bied ook een betere vergelijking mogelijk met de natuurlijke ontwikkeling inde westelijke Waddenzee.Vraag 3Deelt u de conclusie uit het rapport dat de natuurlijke variatie binnen geulenveel groter is dan de verschillen tussen geulen onderling en dat verschillentussen geulen waarschijnlijk beter worden verklaard door abiotische factoren,zoals waterdiepte, bodemtype en afstand tot het zeegat, dan door degebiedssluiting?Antwoord 3Op basis van de opzet van het onderzoek kan deze conclusie getrokkenworden.Vraag 4Deelt u de conclusie dat dit onderzoek erop wijst dat het effect van garnalen-visserij op de bodemdiergemeenschap zeer beperkt moet zijn, aangezien zelfsna 18 jaar sluiting geen significante verschillen zijn gevonden tussen open engesloten gebieden?Antwoord 4Er kunnen vanuit dit onderzoek geen conclusies worden getrokken over heteffect van de garnalenvisserij. Dit was niet het doel van het onderzoek en deproefopzet is voor de beantwoording van die vraag ook niet geschikt.Bovendien is het gesloten gebied bij Rottum niet representatief voor de heleWaddenzee.Vraag 5Het rapport vermeldt dat met de huidige meetopzet alleen grote verschillen(een factor 2) statistisch aantoonbaar zijn en dat het aantonen van kleinereverschillen een onrealistisch groot aantal monsters vereist. Acht u de huidigemonitoringsopzet nog geschikt voor beleidsdoeleinden?Antwoord 5Zie het antwoord op vraag 2.Vraag 6Bent u bereid de monitoringsstrategie te herzien, conform de aanbevelingenin het rapport?Antwoord 6Op basis van de aanbevelingen van het rapport is de monitoringsstrategie in2025 aangepast.Vraag 7Kunt u aangeven hoe de resultaten uit het Nederlandse referentiegebied zichverhouden tot die uit referentiegebieden in Duitsland en Denemarken? Zijndaar wél ecologische effecten vastgesteld na langdurige sluiting en zo ja, hoeverklaart u deze verschillen?Antwoord 7Er is Duits-Deens onderzoek gepubliceerd (CRANIMPACT) waar men deeffecten van uitsluiting garnalenvisserij heeft onderzocht in 5 referentiegebie-den die sinds 1977 zijn gesloten. Hier werden significante verschillengevonden als gevolg van visserijintensiteit en slibgehalte. Kleine bodemdie-ren namen toe en grotere predatoren namen juist af. De verschillen wordenzichtbaar vanaf een visserijdruk van 1.5x per jaar. Soortelijke conclusieswerden ook gevonden in een wetenschappelijk artikel «The relative effects ofbottom trawling, organic enrichment, and natural environmental factors oncoastal seabed communities» van december 2024.De verschillen met het Nederlandse onderzoek kunnen verklaard wordendoordat het doel en de proefopzet in het Nederlandse referentiegebied nietgeschikt zijn om het effect van garnalenvisserij te onderzoeken. Om effectenvan garnalenvisserij beter inzichtelijk te kunnen maken zijn meer representa-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel2 tieve referentiegebieden van voldoende omvang en met langdurige sluitingvoor bodemberoerende visserij nodig.Vraag 8Bent u bekend met de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)-methodiek?Antwoord 8Ja.Vraag 9 en 10Bent u bekend met het feit dat met deze methodiek de kwaliteit van bodem-habitats (H1110A) in de Waddenzee wordt beoordeeld aan de hand vantheoretisch bepaalde referentiewaarden?Bent u bekend met het feit dat hierbij wordt uitgegaan van maximumdichthe-den die in sommige gevallen zijn verdubbeld of verhoogd met de standaard-deviatie?Antwoord 9 en 10Ja, deze werkwijze is uitvoerig beschreven in rapport «Indicatoren enmaatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van marienehabitattypen voor Natura 2000», (Escaravage et al., 2024) Indicatoren enmaatlatten voor de beoordeling van structuur en functie van marienehabitattypen voor Natura 2000 – Wageningen University & Research.Vraag 11Leidt deze werkwijze er volgens u niet toe dat automatisch zeer lageBISI-scores ontstaan en daarmee de conclusie dat de staat van instandhou-ding zeer slecht is?Antwoord 11Deze werkwijze leidt er naar verwachting niet toe dat er automatisch zeer lageBISI-scores ontstaan en daarmee de conclusie dat de staat van instandhou-ding zeer slecht is.Vraag 12Waarom wordt deze methode toegepast terwijl de BISI-score die hoort bij eengoede staat van instandhouding nog niet is vastgesteld?Antwoord 12Nederland is verplicht onder de Europese Habitatrichtlijn (Artikel 17) om elke6 jaar te rapporteren over de landelijke staat van instandhouding vanhabitattypen. Een habitattype is een bepaald type ecosysteem op het land ofin het water met kenmerkende eigenschappen. De landelijke staat vaninstandhouding van habitattypen wordt beoordeeld op basis van 4 parame-ters (verspreidingsgebied, oppervlakte, structuur en functie inclusief typischesoorten, toekomstperspectief). Voor het bepalen van de parameter structuuren functie wordt daarbij, voor alle mariene habitattypen gebruik gemaakt vande BISI, zoals beschreven in het eerder genoemde rapport van Wijnhoven(2025). Er is een maatlat ontwikkeld waarmee aan de hand van de BISI eenscore kan worden gegenereerd voor structuur en functie van marienehabitattypen (Escaravage et al., 2024)2. Deze score is gebruikt om samen metde scores van de 3 andere hierboven genoemde parameters de landelijkestaat van instandhouding te beoordelen. De BISI-score is daarin dus nietdoorslaggevend maar slechts één van de gebruikte parameters. Over demeest recente beoordeling heb ik u recentelijk over geïnformeerd3.Vraag 13Waarom is voor de Waddenzee gekozen voor een theoretische referentie,terwijl in de Waddenzee een referentiegebied is ingesteld waaruit feitelijkereferentiewaarden kunnen worden afgeleid?2https://edepot.wur.nl/6608953Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 472Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel3 Antwoord 13Het ingestelde referentiegebied is niet representatief voor de variatie aanomstandigheden die voorkomen in de Waddenzee.Vraag 14Bent u bereid om de BISI-score voor het referentiegebied vast te laten stellenen deze te vergelijken met de score voor habitat H1110A in de doeluitwerkingWaddenzee?Antwoord 14Nee, het referentiegebied in de Waddenzee is hiervoor niet representatief. Hetonderzoek in het referentiegebied is enkel opgezet om de ongestoordeontwikkeling van de natuur in de Waddenzee te kunnen volgen. Daarnaast ishet gebied en het aantal monsternames te klein voor een betrouwbareBISI-score. Daarom zie ik geen aanleiding om de BISI-score vast te latenstellen voor het referentiegebied.Vraag 15Is het, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, ook uw verwach-ting dat de BISI-scores binnen en buiten het referentiegebied vrijwel identiekzullen zijn?Antwoord 15De verwachting is dat er op basis van de BISI-scores berekend met degegevens die zijn verzameld met de huidige onderzoeksopzet nauwelijksverschillen te vinden zijn tussen het gesloten gebied en omliggendegebieden. Daarom wordt de onderzoeksopzet verbeterd.Vraag 16Betekent dit dat de staat van instandhouding van habitat H1110A binnen hetreferentiegebied eveneens als slecht wordt beoordeeld en zo ja, hoe verklaartu dat?Antwoord 16De staat van instandhouding wordt alleen op landelijk niveau beoordeeld,niet voor afzonderlijke gebieden.Vraag 17Bent u, gelet op de uitkomsten van voornoemd onderzoek, bereid deBISI-methodiek nader tegen het licht te houden en deze voorlopig niet langerte gebruiken als onderbouwing voor gebiedssluitingen?Antwoord 17Nee. De BISI-methodiek is, in combinatie met het gebruik van andereparameters, zeer nuttig gebleken om de kwaliteitsontwikkeling van de natuurte volgen, of maatregelen effectief zijn en om habitats en/of gebieden tevergelijken. De BISI-methodiek is daarbij wel afhankelijk van de kwaliteit vande gegevens die in de berekening worden gebruikt. Gebiedssluiting wordtnooit alleen op basis van de kwaliteitstoestand (die onder andere kan wordenbepaald met een indicator zoals de BISI) ingesteld. Er worden nog veleandere aspecten meegewogen, zoals relevante wetenschappelijke informatie,de sociaaleconomische impact en de handhaafbaarheid van de beoogdebeheermaatregel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, Aanhangsel4
Versie 4dadf8d0afc6318f6b7920068fe3b7baf2c3f7a0120ad4d8099d6f4f345063ba · Officiële bron.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.